Schending van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven door het Gerechtshof te Arnhem

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Schending van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven door het Gerechtshof te Arnhem"

Transcriptie

1 Schending van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven door het Gerechtshof te Arnhem Inleiding Het procesreglement is ontwikkeld door een door het Project procesreglementen geïnitieerde en door het Landelijk Overleg van de Voorzitters van de Civiele sectoren-hoven (LOVC-H) gefaciliteerde werkgroep, dit in samenspraak met de Nederlandse Orde van Advocaten. Op 26 mei 2008 heeft het LOVC-H het reglement goedgekeurd, waarna alle gerechtshoven het als eigen reglement hebben vastgesteld. Vervolgens is een gewijzigde versie op 1 november 2010 door het LOVC-H goedgekeurd en na akkoordbevinding door de presidentenvergadering in de Staatcourant van 2 december 2010 gepubliceerd. In een procedure tussen V.N.I.Enschede B.V. (verder te noemen V.N.I.) en mijzelf zijn er door de griffie van het gerechtshof te Arnhem inzake de toepassing van het LPR ernstige fouten gemaakt met grote en nadelige gevolgen voor mijn zaak. De advocaat van V.N.I. is mr. J.Naus en mijn advocaat is mr. M. van der Veen. Het zaaknummer is: /01. Het is noch mijzelf noch mijn advocaat gelukt om het gerechtshof orde op zaken te laten stellen. De bewijsvoering: 1. Omdat V.N.I. op 14 juni 2011 de memorie van antwoord nog niet had ingediend en de termijnen zoals genoemd in artikel 2.10 en 2.11 van het LPR waren verstreken heeft het Hof de zaak op die datum naar een roldatum gelegen op een termijn van 53 weken verwezen, dit op grond van artikel Op 19 juli 2011 heeft V.N.I. in strijd met het LPR de memorie van antwoord toch uitgebracht, hetgeen door de rolraadsheer is geaccepteerd, terwijl het ingevolge artikel 2.20 van het LPR alleen aan de wederpartij van de partij die de proceshandeling moet verrichten was voorbehouden een schriftelijk verzoek in te dienen om de zaak op een eerdere datum op de rol te plaatsen. Een medewerker van de griffie heeft in een telefoongesprek d.d. 19 oktober 2011 aan mijn echtgenote bovendien medegedeeld, dat de advocaat van de wederpartij mijn advocaat op 7 juli 2011 daaromtrent bericht heeft gestuurd. Van enig bericht is mijn advocaat echter niets bekend, hetgeen hij in een brief d.d. 4 november 2011 aan zijn confrère heeft medegedeeld, waarop echter door mijn advocaat nooit enige reactie is ontvangen. 3. Tegelijkertijd met de memorie van antwoord heeft V.N.I. een memorie van grieven in incidenteel appel ingediend. De laatste mogelijkheid daartoe was echter de datum waarop de memorie van antwoord binnen de normale termijnen nog had mogen worden ingediend, zijnde 14 juni Op het digitale roljournaal is te zien (kopie ontvangen van mijn advocaat), dat ik 3x een aanhouding heb verkregen, zijnde twee termijnen van zes weken en één termijn van 4 weken, voor het indienen van de memorie van antwoord in het incidenteel appel. Uit die rolbeslissingen kan ik niet anders dan opmaken dan dat de rolraadsheer heeft gehandeld alsof de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel door V.N.I. tijdig binnen de normale termijn en uitsteltermijnen van de artikelen 2.10 en 2.11 van het LPR is ingediend, waarvan echter geen sprake is, omdat de zaak immers reeds op 14 juni 2011 door het hof was verwezen naar de 53 weken uitstel. 1

2 Door deze foutieve gang van zaken heb ik zodoende voor het indienen van de memorie van antwoord in het incidenteel appel eerst de normale termijn van zes weken gekregen, dit ingevolge artikel 2.10 van het LPR en vervolgens nog tweemaal uitstel, zijnde een termijn van zes weken en een termijn van vier weken, dit ingevolge artikel 2.11 van het LPR. De op het roljournaal genoemde data dienaangaande zijn: 30 augustus 2011, 11 oktober 2011 en 8 november Omdat ik op 8 november 2011 mijn memorie van antwoord in het incidenteel appel niet heb genomen, dit in verband met de ontdekking door mijn advocaat van de foutieve gang van zaken inzake het roljournaal, is de zaak vervolgens ingevolge artikel 2.12 verwezen naar een roldatum, gelegen op een termijn van 53 weken. 6. In verband met de gang van zaken bij de griffie heb ik op 17 oktober 2011 ingevolge de Klachtenregeling een klacht ingediend bij het bestuursbureau van het gerechtshof, waarin ik met name heb gesteld, dat de rolraadsheer ten onrechte heeft toegestaan, dat mijn wederpartij zelf zijn zaak op een eerdere datum op de rol heeft geplaatst, terwijl dit volgens mij niet tot de mogelijkheden behoorde. Ook heb ik in die brief medegedeeld, dat ik op 22 juni 2011 van mijn advocaat per had vernomen, dat de zaak (op 14 juni 2011) was verwezen naar een roldatum gelegen op een termijn van 53 weken en dat alleen ik (in casu mijn advocaat) daarom gerechtigd was, dit ingevolge artikel 2.20 van het LPR, het Hof schriftelijk te verzoeken de zaak op een eerdere datum op de rol te laten plaatsen (dit eventueel met toepassing van het bepaalde in artikel 2.13). 7. Naar aanleiding van de brief van 17 oktober 2011 werd mijn echtgenote op 19 oktober 2011 gebeld door een griffiemedewerker, zoals reeds vermeld onder punt 2, die haar vertelde, dat zij en ik het LPR niet begrepen, dat V.N.I. ingevolge artikel 2.18 van het LPR wel degelijk gerechtigd was de zaak weer op de rol te zetten en dat er zodoende ook door de griffie geheel juist was gehandeld. 8. Vervolgens stel ik in een brief d.d. 20 oktober 2011 aan de president, dat de griffie bij het plaatsen van de memorie van antwoord van V.N.I. op de rol van 19 juli 2011 een foutieve rolbeslissing heeft genomen, omdat zij daarbij ten onrechte is uitgegaan van artikel 2.18 van het LPR. Dit artikel heeft namelijk uitsluitend en alleen betrekking op het vervroegd op de rol plaatsen van een eigen proceshandeling, dit bovendien binnen de normale termijnen, stel ik in mijn brief. Ik vermeld verder, dat deze proceshandeling een akte kan zijn, maar ook een memorie van grieven, memorie van antwoord of een memorie van antwoord in het incidenteel appel en dat artikel 2.18 ook aangeeft, dat voor die proceshandeling op de vervroegde roldatum geen uitstel wordt verleend, tenzij het een memorie van grieven, memorie van antwoord of memorie van antwoord in het incidenteel beroep betreft, welke laatste dan ambtshalve naar een roldatum op tenminste 53 weken worden verwezen, ook wel aangeduid als parkeerrol dan wel slaaprol. (Dit is overigens een foutieve aanduiding, daar de juiste terminologie volgens de rolraadsheren is: een 53 wekenuitstel dan wel U 53). Tevens schrijf ik, dat ingevolge artikel 2.20 van het LPR alleen ikzelf (in casu mijn advocaat) gerechtigd was om het Hof schriftelijk te verzoeken de zaak op een eerdere datum dan de roldatum, die is gelegen op een termijn van 53 weken, op de rol te laten plaatsen. 9. Op 25 oktober 2011 antwoordt de president (kortgezegd), dat anders dan ik aangeef de tekst van artikel 2.18 LPR geen aanleiding vormt om er van uit te gaan, dat de daar beschreven situatie niet zou gelden voor de gevallen dat de zaak op de parkeerrol is geplaatst en dat het al sinds jaar en dag mogelijk is om zaken vervroegd van de parkeerrol af te halen en ze weer op de rol te plaatsen onder voorwaarde dat er dan ook daadwerkelijk wordt geconcludeerd. 2

3 10. Ik stel, dat alleen de artikelen (voorafgaande LPR) en artikel 2.20 (huidige LPR) in het leven zijn geroepen om een zaak vervroegd van de parkeerrol (U53) af te halen, maar dit alleen door de wederpartij van de partij die de proceshandeling moet verrichten. Artikel 2.20 van het huidige LPR biedt tevens de mogelijkheid de wederpartij peremptoir/akte niet dienen aan te zeggen, dit via artikel De conclusie kan dus alleen maar zijn, dat de rolraadsheer onomstotelijk heeft gehandeld in strijd met wetsartikel 79 RO. Ik word tenslotte gesommeerd om thans tijdig van antwoord in het incidenteel appel te dienen, waarbij wordt gesteld, dat het mijn positie kan schaden wanneer ik dit nalaat. Het lijkt de president ook onverstandig van mij om vanwege een processuele kwestie mijn belangen uit het oog te verliezen!! 11. In een aangetekende brief van 28 oktober 2011 heb ik een uitgebreide reactie op de brief van 25 oktober 2011 aan de president verzonden, in welke brief ik goed onderbouwd aantoon, dat vrijwel iedere alinea van zijn brief onjuistheden bevat. Betreffende artikel 2.18 (voorheen 2.16) van het LPR heb ik in mijn brief k de onderstaande uitgebreide uitleg gegeven (letterlijk citaat): Op grond van artikel 2.18 kan een partij, die de proceshandeling dient te verrichten om de zaak binnen de normaal toegestane termijnen te versnellen, een schriftelijk verzoek indienen om de zaak op een termijn van ten minste één week vervroegd op de rol te laten plaatsen. Wanneer die proceshandeling b.v. een Conclusie van Antwoord, Conclusie van Repliek, een toegelaten memorie of een inhoudelijke akte na een tussenarrest of een Akte na comparitie betreft en de proceshandeling wordt op de vervroegde datum niet verricht, dan vervalt het recht die proceshandeling te verrichten, dit ingevolge artikel 1.7. Wanneer die proceshandeling echter een memorie van grieven, een memorie van antwoord of memorie van antwoord in het incidenteel beroep betreft, dan wordt de zaak verwezen naar een roldatum op tenminste 53 weken en is vervolgens voor een vervroegde plaatsing op de rol alleen nog artikel 2.20 van toepassing. Juist omdat er voor de proceshandelingen inzake zaken die op de parkeerrol staan afwijkende regels gelden, is artikel 2.20 opgenomen in het reglement. 12. Uitermate bevreemdend en onjuist is het feit, dat de president in zijn brieven meerdere malen over het 53 wekenuitstel spreekt als over de wachtrol, terwijl deze uitdrukking in geen enkele wet dan wel rechtsliteratuur dan wel procesreglement voorkomt. De officiële uitdrukking is: 53 wekenuitstel of eventueel U53. Dit is uitdrukkelijk door de rolraadsheren van de gerechtshoven en het LOVC-hoven in mei 2009 gesteld in een stuk, geheten Richtlijnen voor de toepassing van het LPR, hetgeen is gepubliceerd op de website van de Rechtspraak. In die richtlijnen wordt zelfs vermeld, dat er ook geen sprake is van een parkeerrol of slaaprol, (laat staan dus van een wachtrol!). 13. Op 6 november 2011 heeft mijn advocaat aan de griffie van het gerechtshof te Arnhem geschreven, dat hij en zijn cliënt B.Th.Hofs ondubbelzinnig van mening zijn, dat het Hof de regels van het LPR voor civiele dagvaardingszaken bij de Gerechtshoven in de zaak van zijn cliënt onjuist heeft toegepast. Hij verwijst in die brief naar de brieven, die zijn cliënt dienaangaande reeds zelf aan het bestuursbureau van het Hof heeft gericht en waarin zijn cliënt eveneens de foutieve gang van zaken met betrekking tot de rolhandelingen aan de orde heeft gesteld. 3

4 14. In een brief van 14 november 2011 beklijft de president echter inzake artikel 2.18 van het LPR bij zijn stelling in zijn eerdere brief en stelt, dat het weinig zin heeft daar opnieuw een discussie aan te wijden. Vervolgens doet de president in zijn brief een wel zeer spraakmakende uitspraak door te stellen, dat de gang van zaken voor alle betrokkenen duidelijk is, ook voor de advocatuur, dat ik de eerste ben, die daar bezwaar tegen maakt en dat dat alleen al mij ervan zou moeten overtuigen, dat ik het mis heb!! Verder stelt de president o.a., dat omdat de rolraadsheer nu eenmaal een beslissing heeft genomen ik mij daarbij heb neer te leggen, omdat raadsheren nu eenmaal onafhankelijk zijn en een president niet rechtstreeks in een rechterlijke beslissing kan ingrijpen. 15. In een aangetekende brief d.d. 17 november 2011 heb ik gereageerd op de brief van 14 november 2011 van de president en tenslotte gewezen op artikel 8 van de door mij bij de brief d.d. 25 oktober 2011 ontvangen Klachtenregeling, welk artikel aangeeft, dat de klager en de betrokkene door het gerechtsbestuur in de gelegenheid worden gesteld om te worden gehoord en verzocht mij die gelegenheid te geven dan wel mijn klachten vanwege de ernst van de zaak door te leiden naar een Klachtadviescommissie met tevens het verzoek door deze klachtadviescommissie te worden gehoord, welke mogelijkheid in het Klachtenreglement ook wordt geboden. Er kwam geen enkele reactie. 16. Op 26 januari 2012 heeft mijn advocaat wederom een brief aan het Gerechtshof geschreven, in welke brief hij verwijst naar zijn eerdere brief d.d. 6 november 2011, en waarin hij voor de goede orde en ten overvloede (beknopt) een overzicht geeft van de gehele foutieve gang van zaken met daarbij de benodigde toelichtingen. Tenslotte verzoekt hij het Hof met klem met de meeste spoed orde op zaken te stellen betreffende het roljournaal. Ook hij heeft van het Hof ooit een reactie ontvangen, hetgeen onbegrijpelijk, niet correct en zeer veelzeggend is. 17. Op 2 februari 2011 heb ik aan de president geschreven, dat ik tot op heden geen antwoord mocht ontvangen op mijn brief van 17 november 2011, waarbij ik in mijn brief o.a. uitgebreid inga op de Richtlijnen voor de toepassing van het LPR en tevens op de onduidelijkheid inzake artikel 2.20 van het laatste LPR. Ook schrijf ik (letterlijk citaat): (..) Tenslotte gelieve u goede nota van het volgende te nemen: Onder beleidsregels die recht in de zin van art. 79 RO vormen zijn volgens de HR in het Leidraadarrest te verstaan de: door een bestuursorgaan binnen zijn bestuursbevoegdheid vastgestelde en behoorlijk bekendgemaakte regels omtrent de uitoefening van zijn beleid, die weliswaar niet kunnen gelden als algemeen verbindende voorschriften, omdat zij niet krachtens enige wetgevende bevoegdheid zijn gegeven, maar die het bestuursorgaan wel binden op grond van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, en die zich naar hun inhoud en strekking ertoe lenen jegens de bij de desbetreffende regeling betrokkene als rechtsregel te worden toegepast. Daaraan doet niet af dat de aard van de gebondenheid aan een zodanige regel kan meebrengen, dat het bestuursorgaan daarvan onder bepaalde omstandigheden kan afwijken HR 28 maart 1990, NJ 1991, 118 4

5 Mevrouw K. Teuben schrijft in haar boek in de serie Burgerlijk Proces & Praktijk betreffende het rolrichtlijnenarrest: In 1990 is door de Hoge Raad expliciet aanvaard, dat beleidsregels van bestuursorganen, welke regels niet op een bevoegdheid tot wetgeving berusten (maar het bestuursorgaan jegens de burger wél binden via de algemene beginselen van behoorlijk bestuur) ook onder het recht als bedoeld in art. 79 RO kunnen vallen, dus rechters kan binden Zij verwijst eveneens naar de bovengenoemde jurisprudentie. (..) Ik verzoek de president aan het eind van mijn brief thans met spoed op mijn brieven te reageren en vraag net als in de brief van 17 november 2011 om een hoorzitting, waarbij ik thans aangeef, dat ik er dan voor zal zorgdragen, dat ik een uitgebreid en duidelijk stuk betreffende de foutieve gang van zaken bij het Gerechtshof te Arnhem inzake de door mij aangekaarte artikelen van de twee laatste LPR s ter inzage aan de klachtadviescommissie kan voorleggen. Ook schrijf ik, dat ik het in dat stuk zal hebben over de foutieve H-formulieren, die bij het Hof lange tijd in omloop waren en nog steeds zijn en over de eveneens foutieve toelichtingen daaromtrent, dit met overlegging van de betreffende formulieren. Er wordt wederom geen enkele reactie ontvangen. 18. Op 17 februari 2012 citeer ik in een brief in aanvulling op mijn brieven van 17 oktober 2011, 20 oktober 2011, 17 november 2011 en 2 februari 2012 inzake de schending van het LPR een gedeelte van de uitspraak van de Hoge Raad, zijnde LJN AU 6519, Hoge Raad, CO4/348 d.d. 10 februari 2006, welke uitspraak van groot belang is voor mijn zaak in die zin, dat er betreffende foutieve beslissingen van de rolraadsheer, welke beschouwd moeten worden als een (incidenteel) vonnis of arrest, gewone rechtsmiddelen openstaan, waarvoor overigens in mijn visie wel toestemming van het hof benodigd is, wanneer men daarvan in cassatie wenst te gaan. 19. Uiteindelijk ontvang ik op 13 maart 2012 van de president het korte bericht, dat de brief van 17 november 2011 eerst op 23 december 2011 is ontvangen, hetgeen echter in strijd met de waarheid is. PostNL heeft mij namelijk bericht, dat die brief op 23 november 2011 reeds bij het gerechtshof is afgeleverd, hetgeen ikzelf ook via Track & Trace heb geconstateerd. Ook wordt er door de president geschreven, dat mijn brief van 17 november 2011 is beantwoord in de brief van 27 december 2011, ook al is dat in de brief niet met zoveel woorden aangegeven, aldus de president. Het behoeft geen betoog, dat dit een verbijsterend antwoord is, met name nu de brief van 27 december 2011 een reactie was op een geheel andere klacht in een brief d.d. 7 december 2011, die ging over het op oneigenlijke gronden niet toestaan van een pleidooi, en er in die brief met geen woord wordt gesproken over de kwestie met betrekking tot de schending van het LPR. Tenslotte wordt er door de president gemeld, dat er niet meer op brieven mijnerzijds zal worden gereageerd. Mijn advocaat ontvangt van het bestuursbureau een kopie van die brief. 5

6 De voortgaande foutieve handelwijze van het Hof met betrekking tot de rolbeslissingen en de toepassing van foutieve formulieren. De handelwijze van het hof met betrekking tot de rolbeslissingen: 20. Eerst wil ik stellen, dat het bij de gehele gang van zaken niet exact te duiden is, waar en op welk moment het nu precies fout is gegaan. Er zijn twee scenario s: a) de griffie dan wel de rolraadsheer heeft niet gesignaleerd, dat de zaak op 14 juni 2011 vanwege het niet tijdig indienen van de memorie van antwoord naar het 53 weken uitstel was verwezen, waarna er vervolgens gehandeld is alsof deze memorie van antwoord wel tijdig was ingediend. b) uit de betogen van het bestuursbureau blijkt echter, dat de griffie dan wel de rolraadsheer er wel degelijk van op de hoogte waren, dat de zaak per 14 juni 2011 was verwezen naar een roldatum gelegen op een termijn van 53 weken, dus naar de parkeerrol (53 weken uitstel). Dit omdat het bestuursbureau te vuur en te zwaard tracht te bewijzen, dat de griffie dan wel de rolraadsheer correct hebben gehandeld door toe te staan, dat mijn wederpartij zelf de zaak vervoegd op de rol heeft laten plaatsen, dit met verwijzing naar artikel 2.18 van het LPR, wat er ook van zij, dat dit artikel ten gronde foutief door het bestuursbureau wordt uitgelegd. Van belang is daarbij, dat het de griffie is geweest, dit via de heer Smolders in het telefoongesprek van 19 oktober 2011, die uit zichzelf over artikel 2.18 is begonnen om te bewijzen, dat er door het gerechtshof op de juiste manier gehandeld was. In mijn brief van 17 oktober 2011 heb ik namelijk met geen woord gerept over dit artikel. 21. Op 27 oktober 2011 schrijft mr. Naus aan mijn advocaat, dat zijn cliënte reeds driemaal uitstel heeft gekregen voor het nemen van de memorie van antwoord in incidenteel appel en dat hij thans ter rolzitting van 8 november 2011 slechts zal bewilligen in een peremptoir uitstel van twee weken. 22. Uit de inhoud van deze brief blijkt, dat ook mr. Naus in verwarring is gebracht door de gang van zaken en ervan uitgegaan is of heeft gedaan alsof, dat zijn cliënte op 19 juli 2011 de memorie van antwoord in het principaal appel/tevens memorie van grieven in het incidenteel appel tijdig heeft ingediend. Dit kan ook worden afgeleid uit het feit, dat zijn cliënte niet alleen een memorie van antwoord heeft uitgebracht, maar tevens dus een memorie van grieven in het incidenteel appel, hetgeen namelijk alleen maar mogelijk is uiterlijk bij het indienen van het eerste schriftelijke processtuk na de memorie van grieven van de wederpartij, zijnde de memorie van antwoord, dit binnen de normale termijnen. Wanneer de zaak eenmaal op de parkeerrol is beland is die mogelijkheid er niet meer, ook niet wanneer de wederpartij van de partij die de proceshandeling dient te verrichten op grond van artikel 2.20 verzoekt om de zaak eerder op de rol te plaatsen en die laatste dan nog de mogelijkheid heeft om (in dit geval) de memorie van antwoord uit te brengen. 23. Van het bewilligen in een peremptoir uitstel van twee weken ter rolzitting van 8 november 2011, zoals mr. Naus aangeeft in zijn brief van 27 oktober 2011 aan mr. Van der Veen, had sowieso nooit sprake kunnen zijn, dus ook niet wanneer de zaak op 14 juni 2011 niet naar het 53 wekenuitstel was verwezen, want dan was de zaak op 8 november 2011 ingevolge artikel 2.12 naar het 53 weken uitstel gegaan, dat behoeft verder geen uitleg. 6

7 Ook is de aankondiging van mr. Naus in zijn brief, dat hij indien er ter rolzitting van 22 november 2011 wederom de memorie niet wordt genomen hij het gerechtshof zal verzoeken om akte niet dienen te verlenen een ten gronde foutieve aankondiging. Wanneer het zo zou zijn, dat hij ingevolge artikel 2.20 van het LPR met toepassing van artikel 2.13 het recht had (wat niet is, omdat dit recht in de gegeven situatie dus alleen aan mij (aan mijn advocaat) toekwam, om een dergelijke aanzegging te doen, dan had hij dat ingevolge artikel 2.13 reeds op 25 oktober 2011 moeten doen met betrekking tot de roldatum van 22 november 2011 en dan vanzelfsprekend niet aan zijn confrère moeten vermelden, dat hij eerst op die roldatum het gerechtshof gaat verzoeken om akte niet-dienen te verlenen. 24. Hoe dit ook allemaal zij, het Hof heeft aan de hand van berichtgeving van mr. Naus geconstateerd, dat deze niet aan de eisen voldeed. In het digitale roljournaal wordt op 8 november 2011 vervolgens vermeld: Ambtshalve peremptoir 53 weken, hetgeen er op duidt, dat er op dat moment weer vanuit gegaan wordt, dat de memorie van antwoord/tevens memorie van grieven door de cliënte van mr. Naus op 19 juli 2011 nog binnen de normale termijnen is ingediend! 25. Dat deze aanduiding later is verwijderd (!) doet daar niet aan af. Op 13 december 2011 is door mr. Van der Veen en eveneens door mijzelf en mijn echtgenote en zoon bij een bezoek aan mr. Van der Veen bij inzage van die digitale rol in elk geval geconstateerd, dat deze vermelding was aangebracht, hetgeen ook blijkt uit de vermelding op 13 december 2011: bij vervroeging op de rol (53 wkn.) Van vervroeging op de rol kan immers geen sprake zijn als de zaak daaraan voorafgaande niet (wederom) op 53 weken uitstel heeft gestaan. Als meerdere bewijsvoering, dat deze melding er op het digitale roljournaal inderdaad gestaan heeft, kan ik tevens een brief van mr. Naus d.d. 21 november 2011 overleggen, waarin is te lezen, dat de zaak ter rolzitting van 8 november 2011 (abusievelijk wordt in die brief door mr. Naus de datum 13 november 2011 genoemd) naar het 53 wekenuitstel is verwezen, waarbij eveneens de datum van 13 november 2012 wordt genoemd als nieuwe roldatum. Tevens kan ik overleggen de beide H-formulieren, die mijn advocaat van mr. Naus ontving, zijnde een H-6 en een H-9 formulier, en waarop eveneens de roldatum van 13 november 2012 wordt genoemd. Op deze H-formulieren kom ik verderop terug. 26. Uit de bovengenoemde brief van 21 november 2011 aan mr. Van der Veen blijkt, dat mr. Naus thans opnieuw een verzoek bij het gerechtshof heeft ingediend om de zaak vervroegd op de rol te laten plaatsen, waarbij hij als roldatum dienaangaande 13 december 2011 heeft gekozen. Verder schrijft mr. Naus, dat hij ter rolzitting van 13 december 2011 slechts zal bewilligen in een peremptoir uitstel van twee weken. Mijn mening is, dat hij in die aanzeggingsbrief brief ingevolge artikel 2.13 meteen de datum van peremptoirstelling/akte niet dienen had moeten vermelden, zijnde op zijn vroegst 27 december Het was in elk geval onmogelijk om op de rolzitting van 13 december 2011 te bewilligen in een uitstel van twee weken en evenmin was het mogelijk om op 27 december 2011 het gerechtshof te verzoeken akte/niet-dienen te verlenen, wanneer de memorie (bedoeld wordt de memorie van antwoord in het incidenteel appel) door mij niet zou zijn genomen. In die bewilliging en dat verzoek voorziet artikel 2.13 van het LPR namelijk niet. 27. Ondanks mijn uitgebreide en goed onderbouwde bewijsvoering aan de president van het gerechtshof in de eerder genoemde brieven van oktober en november 2011 met overtuigende bewijsvoering, dat het LPR in mijn zaak (en naar aannemelijk is ook in vele andere zaken), niet op de juiste manier is toegepast, dit met grote gevolgen voor mij en andere getroffen burgers, gaat de griffie (rolraadsheer) gewoon door op de eenmaal ingeslagen foutieve weg. 7

8 28. Na ontvangst van een kopie van de brief van mr. Naus d.d. 21 november 2011 aan mr. Van der Veen en de onder punt 25 genoemde H-formulieren heeft de rolraadsheer als datum van bij vervroeging op de rol (53 wkn) 13 december 2011 ingevuld en ter rolhandeling van 27 december 2011 eveneens vermeld: bij vervroeging op der rol (53 wkn) en daarbij tevens geheel eigener beweging gesteld, dat er op die datum door V.N.I. akte niet dienen is gevraagd en ook verleend is. De bovengenoemde vermeldingen en rolhandelingen zijn om meerdere redenen foutief: a) De uitdrukking bij vervroeging op de rol kan alleen gebruikt worden, wanneer de zaak eerst ambtshalve naar het 53 weken uitstel is verwezen, waarvan na 19 juli 2011 geen sprake is geweest. Een dergelijke verwijzing dient in het roljournaal in elk geval gemeld te worden, maar deze is nergens te vinden. b) De datum 27 december 2011 wordt door mr. Naus nergens op de H-formulieren verzocht als datum verlening akte niet-dienen. Op die H-formulieren spreekt hij alleen over de datum 13 december 2011 als datum akte niet dienen, welke datum gezien de datum van het verzoek echter te vroeg was, hetgeen het hof kennelijk gesignaleerd heeft. Het door mr. Naus ingediende H-9 formulier is overigens een foutief formulier. Daarop kom ik verderop terug. c) In zijn brief d.d. 21 november 2011, de inhoud waarvan overigens alleen ter aanzegging van de voorgenomen aktie voor de advocaat van de wederpartij is bestemd, schrijft hij, dat hij ter rolzitting van 27 december 2011 bij niet indiening van de memorie het gerechtshof zal verzoeken akte niet-dienen te verlenen. Het was dus duidelijk niet de bedoeling, dat de datum van 27 december 2011 zou worden aangemerkt als datum waarop er akte niet-dienen verleend moest worden. d) De kopie van zo n aanzegging aan de advocaat van de wederpartij behoeft alleen aan het hof te worden toegezonden om het hof ervan op de hoogte te stellen, dat de aanzegging tijdig aan de wederpartij is gedaan. Het is vanzelfsprekend niet de bedoeling, dat het hof aan de hand van de inhoud van een dergelijke brief de rolbeslissingen gaat nemen, daarvoor zijn nu juist de H-formulieren ontwikkeld. Nog erger is, dat het hof eigener beweging en ook nog eens in strijd met het reglement de datum van 27 december 2011 als datum voor akte nietdienen in het roljournaal heeft gezet, omdat deze datum dus in de H-formulieren niet wordt genoemd. Ingevolge artikel 2.13 is dienaangaande bovendien gesteld: Partijperemptoir/akte niet-dienen kan niet eerder worden aangezegd dan tegen een roldatum die is gelegen op een termijn van twee weken na de roldatum waarop de lopende termijn verstrijkt. Dit impliceert uiteraard, dat die termijn ook drie, vier of meer weken kan bedragen, in dit geval na de vervroegde roldatum van 13 december e) Zoals gezegd, het door mr. Naus overgelegde H9-formulier is een foutief en onbegrijpelijk formulier. Dit had nooit in omloop mogen worden gebracht. De H-formulieren: 29. Reeds betreffende het oude LPR (versie september 2008) is er door de Rechtspraak foutieve informatie betreffende de schriftelijke rol per 1 september 2008 d.d. 5 juni 2008 versie 7.0 op de website verstrekt met betrekking tot enkele artikelen van het LPR inzake de door de advocatuur te gebruiken H-formulieren, welke informatie volgens berichtgeving ook nu nog geldig zou zijn betreffende het nieuwe LPR. Als voorbeeld noem ik de toelichting met betrekking tot het H9-formulier betreffende artikel 2.16 (oude versie LPR). De Rechtspraak omschrijft de inhoud van dit artikel onder het kopje Proceshandeling als volgt: Verzoek vervroeging roldatum verrichten eigen proceshandeling/peremptoirstelling wederpartij (2.16 LPR). 8

9 30. Het moge duidelijk zijn, dat het daar toevoegen van de term wederpartij volstrekt onjuist is. Op grond van artikel 2.16 van het (oude) LPR kon men namelijk alleen betreffende de eigen proceshandeling een verzoek bij het Hof indienen om deze vervroegd te mogen verrichten, waarbij men zichzelf als het ware peremptoir stelde. Peremptoirstelling van de wederpartij kon ingevolge het LPR versie 2008 uitsluitend en alleen geschieden ingevolge artikel 2.14, dit eerst na verloop van de eerste termijn van 6 weken en na schriftelijke aanzegging aan de wederpartij en het toezenden aan het hof van een H6-formulier met de gewenste roldatum (met eventueel tevens toezending van een kopie van dit formulier aan de wederpartij). 31. Zoals geconstateerd kan worden staat onder het kopje Wijze van indiening betreffende het H9-formulier vermeld, dat dat alleen kan geschieden met dit H-formulier via het digitaal berichtenverkeer van het Hofjournaal en dat de berichtgeving aan de wederpartij dient te geschieden door toezending dan wel terhandstelling van een copie van dit H-formulier, hetgeen juist is. Het is namelijk geheel logisch, dat men betreffende de vervroeging van de eigen proceshandeling geen schriftelijke aanzegging aan de wederpartij hoeft te verrichten. Ook betreffende het Tijdstip van indiening wordt als gevolg van de verkeerde omschrijving onder het kopje Proceshandeling (zie boven) de verkeerde informatie gegeven. Daar staat namelijk: Uiterlijk op maandag twee weken voorafgaande aan de dinsdag waarop wordt gediend. Ook dit kan alleen slaan op artikel 2.14 (voorafgaande LPR) en niet op artikel 2.16, waar dus alleen wordt gesproken over het vervroegd op de rol plaatsen van de eigen proceshandeling op een termijn van tenminste één week. 32. In een later stadium worden er door de Rechtspraak op haar site aan advocaten, die nog niet zijn ingelogd op de roljournalen van de gerechtshoven, H-formulieren ter downloading en ter versturing per fax of per post aangeboden. Op het daar gepubliceerde overzicht treft men ter aanduiding van het H6-formulier de volgende tekst aan: Verzoek peremptoirstelling/akte niet dienen, hetgeen juist is. Deze tekst staat ook als kop op het bijbehorende te downloaden H6-formulier. Op het gepubliceerde overzicht heeft men het H9-formulier opgesplitst in twee delen: a en b. Betreffende formulier H9a wordt als aanduidingstekst op het gepubliceerde overzicht vermeld: Verzoek vervroeging roldatum voor verrichten eigen proceshandeling Op het formulier zelf staat de volgende tekst: Verzoek vervroeging roldatum: voor verrichten eigen proceshandeling/peremptoirstelling met nog een keer de toevoeging: voor verrichten eigen proceshandeling Overigens wordt er op dat H-formulier niet over a) gesproken. Dit formulier kan alleen betrekking hebben op artikel 2.16 van het voorgaande LPR versie september 2008 en op artikel 2.18 van het LPR versie januari Op dit formulier moet de advocaat dus ook aangeven of de wederpartij geïnformeerd is. Betreffende het tweede te downloaden H9-formulier, waarbij evenmin de toevoeging b) wordt gegeven, staat als aanduidingstekst op het gepubliceerde overzicht vermeld: Verzoek vervroeging roldatum voor peremptoirstelling wederpartij. Op het formulier zelf is echter ten onrechte de tekst tussengevoegd: voor verrichten eigen proceshandeling. 9

10 Uit de koptekst en uit de verdere teksten blijkt bovendien, dat dit formulier voor meerdere doeleinden zou kunnen worden aangewend, namelijk voor het vervroegd op de rol plaatsen van de eigen proceshandeling en tevens voor peremptoirstelling/akte niet dienen van de wederpartij. Verderop in het formulier kan de advocatuur naar gelang van het doel van het formulier invullen: a) of de wederpartij betreffende het vervroegd op de rol plaatsen van de eigen proceshandeling is geïnformeerd, hetgeen dus kan met een kopie van het (juiste) H- formulier; b) of peremptoirstelling gewenst wordt of akte niet dienen of beide, hetgeen natuurlijk niet geldt voor het vervroegd op de rol plaatsen van de eigen proceshandeling. Dit formulier biedt dus de mogelijkheid van toerpassing van twee geheel verschillende artikelen van het LPR, namelijk artikel 2.13 (voorheen 2.14) en 2.18 (voorheen 2.16), waarvoor echter reeds twee verschillende en correcte formulieren waren uitgebracht: het H6-formulier en het bovengenoemde H9a-formulier. Op de één of andere onnavolgbare manier is er een (tweede) H9-formulier door het hof in omloop gebracht, welk ten gronde foutieve en verwarrende formulier nooit in omloop had mogen worden gebracht en naar aannemelijk is tot tal van foutieve rolhandelingen heeft geleid. Reeds door de vraagstelling op dit formulier betreffende het informeren van de wederpartij en de aanduiding, dat de aanzegging aan de wederpartij betreffende een peremptoirstelling moet zijn bijgevoegd is het duidelijk, dat er betreffende dit formulier zeer vreemde zaken aan de hand zijn. 33. Wanneer men ingevolge artikel 2.18 een verzoek wenst in te dienen om de eigen proceshandeling vervroegd op de rol te laten plaatsen kan men de advocaat van de wederpartij dus simpelweg informeren door het toezenden van een kopie van het (correcte) H9-formulier. De schriftelijke aanzegging aan de wederpartij twee weken tevoren is alleen van toepassing bij het peremptoirstellen/akte niet dienen van de wederpartij ingevolge artikel 2.13 (het vroegere 2.14), waarbij het verzoek aan het Hof wordt verricht via een H6-formulier. 34. Wanneer men ingevolge artikel 2.20 van het LPR artikel 2.13 wenst toe te passen, hetgeen ingevolge dat artikel is toegestaan, dient er eerst door de wederpartij van de partij die de proceshandeling moet verrichten een schriftelijk verzoek aan de griffie te worden gericht ter plaatsing van de zaak op de rol op een eerdere datum. Het is overigens niet duidelijk hoe dit verzoek aan de griffie dan gedaan moet worden en met welke termijn men daarbij rekening moet houden. Ook is er dienaangaande geen H-formulier beschikbaar. Het H6-formulier is daarvoor niet geschikt, net zo min als de beide door mij onder punt 32 genoemde H9-formulieren. 35. Indien het bovengenoemde verzoek niet dan wel niet juist is gedaan kan men betreffende de mogelijkheid van peremptoirstelling/akte niet dienen ingevolge artikel 2.20 (en artikel 2.13) alleen maar tot de volgende conclusie komen: De vereiste aanzegging kan men op elk moment doen, waarbij men er wel voor dient te zorgen dat dit gebeurt uiterlijk twee weken vóór de roldatum waarop de lopende termijn verstrijkt. Echter de vroegst mogelijke roldatum waarop de zaak peremptoir kan worden gesteld dan wel er een akte niet-dienen kan worden verleend is dan de roldatum, die twee weken ligt na het beëindigen van de 53 wekenuitstel termijn. In het onderhavige geval betekent dit op zijn vroegst de roldatum van 27 november 2012, omdat de 53 wekenuitstel termijn afloopt op 13 november 2012, zoals ook op het H6-formulier is aangegeven. Let wel: deze termijn wordt in artikel 2.19 LPR als een lopende termijn aangeduid. 10

11 36. Onomstotelijk staat in elk geval vast, dat mr. Naus inzake de berichtgeving aan de roladministratie van het hof betreffende de eerdere roldatum ten onrechte een H9-formulier heeft aangewend, de inhoud waarvan ook nog eens foutief is en welk formulier door het Hof nooit in circulatie had mogen worden gebracht. Zie mijn betoog onder punt 32. De overige fouten inzake het digitale roljournaal 37. Afgezien van de vele reeds genoemde foutieve rolbeslissingen hebben de griffie dan wel de rolraadsheer zich aan nog meer fouten schuldig gemaakt met betrekking tot de invulling van het digitale roljournaal. De bewijsvoering: a) Op 10 januari 2012 staat er op de rol vermeld: Beraad partijen, geïntimeerde vraagt arrest (geïntimeerde is dus de wederpartij) en geïntimeerde fourneert, appellant geen instructie (appellant is dus B.Th.Hofs) Op 24 januari 2012 staat er vermeld: beraad appellant Op 7 februari 2012 staat er wederom vermeld: beraad appellant Deze laatste vermelding betekent, dat de appellant op 7 februari 2012 nog instructie zou kunnen geven betreffende het vragen van een akte, pleidooi, arrest of doorhaling. Hieruit blijkt al, dat het Hof in verwarring begint te raken. Noch ingevolge het voorgaande LPR noch ingevolge het laatste LPR is het namelijk mogelijk zondermeer nog een tweede uitstel inzake partijberaad te geven. In het procesreglement (versie 2008) staat daaromtrent in artikel 2.9 Partijberaad namelijk, dat er na memorie van antwoord, respectievelijk memorie van antwoord in het incidenteel beroep een termijn van twee weken wordt verleend voor het verzoek van akte of het vragen van pleidooi of arrest. Verder staat er, dat de partij die uitstel verlangt dit schriftelijk moet verzoeken, dit uiterlijk vier dagen voor de roldatum onder opgave van redenen en onder mededeling of de wederpartij hiermee akkoord gaat en dat als die wederpartij akkoord gaat er vervolgens uitstel wordt verleend, tenzij naar het oordeel van het hof het geding hierdoor onredelijk wordt vertraagd. Indien de wederpartij niet akkoord gaat beslist het hof. In het laatste thans geldende LPR staat in het vergelijkbare artikel, thans 2.24 Partijberaad, het volgende: Na de roldatum waarop de laatst toegelaten memorie van antwoord kon worden genomen wordt een termijn van twee weken verleend voor het vragen van een akte, pleidooi, arrest of doorhaling. Indien een partij geen instructie heeft gegeven, wordt een uitstel van twee weken verleend. Indien uitstel is verleend en geen instructie is gegeven, is het recht om in dit stadium van het geding akte of pleidooi te vragen vervallen en krijgt de partij die geen instructie heeft gegeven nog slechts gelegenheid om te fourneren voor arrest. De conclusie kan alleen maar zijn, dat er ingevolge het oude procesreglement na het verstrijken van de eerste termijn van twee weken er alleen nog uitstel wordt verleend wanneer (kort gezegd) een partij daarom schriftelijk heeft verzocht en de wederpartij daarmee akkoord gaat en dat er in het nieuwe procesreglement eerst een gewone termijn van twee weken wordt gegeven en er daarna maximaal twee weken uitstel wordt verleend indien een partij geen instructie heeft gegeven. 11

12 Indien er vervolgens nog steeds geen instructie is gegeven is het recht om akte of pleidooi te vragen vervallen en krijgt de partij die geen instructie heeft gegeven nog slechts gelegenheid om te fourneren voor arrest. b) Naar aannemelijk is, is het kwartje inzake de foutieve rolbeslissingen door het Hof tenslotte toch gevallen. Volgens telefonische mededeling op 23 februari 2012 van de heer P.Verbiesen van de griffie aan mijn echtgenote (welk gesprek door mij is opgenomen) is de zaak op de rolzitting van 21 februari 2012 ambtshalve weer verwezen naar het 53 weken uitstel (dit tot de roldatum 26 februari 2013), dit ingevolge artikel 2.24 Partijberaad (van het LPR), met de vermelding, dat partijen niet gefourneerd hadden en ook geen instructie hadden gegeven, aldus de heer Verbiesen. Ook Mr. Van der Veen kan verklaren, dat hij deze gegevens in het digitale roljournaal heeft gelezen. Op 30 maart 2012 vernam ik echter van mr. Van der Veen, dat er op de rolzitting van 20 maart 2012 weer was gemeld, dat de zaak bij vervroeging van de 53 weken rol was afgehaald en dat er op 10 juli 2012 arrest was bepaald. Ook meldde mr. Van der Veen, dat de vermelding ambtshalve peremptoir 53 weken op de rolzitting van 21 februari 2012 niet meer aanwezig was. Wat daar ook van zij: het hoeft geen betoog, dat een zaak niet bij vervroeging van het 53 weken uitstel kan worden afgehaald, als de zaak eerst niet ambtshalve naar dat 53 weken uitstel is verwezen. Overigens valt op, dat de aanvullende teksten van de rolbeslissingen inzake het vervroegd op de rol plaatsen verschillend en zeer onduidelijk zijn. Onderstaand de aangetroffen teksten: - bij vervroeging op de rol van 53 wkn rol - bij vervroeging op de rol (53 wkn) - bij vervroeging vd 53 weken rol Het hoeft geen betoog, dat die vermeldingen bij gelijke doelstellingen gelijkluidend dienen te zijn, daar zij anders voor verwarring zorgen. 38. Op 13 april 2012 schrijft mijn advocaat mr. Van der Veen een brief aan de rolraadsheer van het gerechtshof, waarin hij de foutieve gang van zaken nogmaals aangeeft en ook stelt, dat hij op zijn brieven d.d. 6 november 2011 en 26 januari 2012 nooit een reactie heeft ontvangen. Hij doet het dringende verzoek om alle foutieve rolbeslissingen vanaf 14 juni 2011 terug te draaien. Hij krijgt geen antwoord. 39. In een brief van 21 mei 2012 (verzoek ik de president met klem binnen veertien dagen mijn brieven van 17 november 2011, 2 februari, 13 februari (betreffende een andere klacht) en 17 februari 2012 adequaat te beantwoorden door de klachten daarin inhoudelijk te behandelen, dit met een deugdelijke motivering en schrijf daarin o.a.: Het moge duidelijk zijn, dat u reeds in gebreke bent ingevolge artikel 9 van de Klachtenregeling, omdat er tot de dag van vandaag van een behandeling geen sprake is geweest. Ook dient u mij toe te laten tot een hoorzitting, waarop ik ingevolge artikel 8 van de Klachtenregeling recht heb dan wel mijn klachten door te leiden naar de Klachtadviescommissie, welke mogelijkheid wordt geboden in artikel 11 van die Klachtenregeling. Die beide verzoeken heb ik overigens in meerdere brieven reeds gedaan, o.a. in mijn (aangetekende) brief van 17 november 2011 en in mijn brief van 2 februari 2012, welke brieven door u echter gewoon zijn genegeerd, hetgeen zeer laakbaar is. 12

13 40. Op 1 juni 2012 ontvang ik wederom een brief van de president van het gerechtshof, waarin mij wordt medegedeeld, dat hij reeds in de brief van 13 maart 2012 heeft geschreven, dat hij de discussie met mij had beëindigd. Holten, juli 2012 B.Th. Hofs 13

SECOND OPINION REGLEMENT. Herbeoordeling op basis van de stukken in de eerste aanleg. april 2013

SECOND OPINION REGLEMENT. Herbeoordeling op basis van de stukken in de eerste aanleg. april 2013 SECOND OPINION REGLEMENT Herbeoordeling op basis van de stukken in de eerste aanleg april 2013 1 INHOUDSOPGAVE Considerans... 3 I. Algemene bepalingen... 4 II. Het verzoek om een second opinion-procedure

Nadere informatie

Landelijk procesreglement. voor. civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven

Landelijk procesreglement. voor. civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven 110621 2 INHOUDSOPGAVE Inhoudsopgave 2 Considerans 6 1 Algemene bepalingen 7 1.1 Toepasselijkheid 7 1.2 Begripsbepalingen 7

Nadere informatie

Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven

Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven RECHTSWEZEN Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de Considerans Voor u ligt het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de. Dit procesreglement (hierna ook:

Nadere informatie

Rapport. Datum: 31 januari 2011 Rapportnummer: 2011/032

Rapport. Datum: 31 januari 2011 Rapportnummer: 2011/032 Rapport Datum: 31 januari 2011 Rapportnummer: 2011/032 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat de griffie van het gerechtshof Den Haag hem het arrest van 17 juli 2008 niet heeft toegestuurd met als gevolg

Nadere informatie

PILOT GERECHTSHOF AMSTERDAM AANPASSING VAN HET LANDELIJK PROCESREGLEMENT VOOR CIVIELE DAGVAARDINGSZAKEN BIJ DE GERECHTSHOVEN

PILOT GERECHTSHOF AMSTERDAM AANPASSING VAN HET LANDELIJK PROCESREGLEMENT VOOR CIVIELE DAGVAARDINGSZAKEN BIJ DE GERECHTSHOVEN PILOT GERECHTSHOF AMSTERDAM AANPASSING VAN HET LANDELIJK PROCESREGLEMENT VOOR CIVIELE DAGVAARDINGSZAKEN BIJ DE GERECHTSHOVEN VRAGEN EN ANTWOORDEN Welke zaken? 1 Alleen nieuwe zaken (aangebracht vanaf 1

Nadere informatie

allen gevestigd te [vestigingsplaats], Eiseressen tot cassatie, verweersters in het voorwaardelijk incidenteel incidenteel cassatieberoep.

allen gevestigd te [vestigingsplaats], Eiseressen tot cassatie, verweersters in het voorwaardelijk incidenteel incidenteel cassatieberoep. 15 Civiel recht «JIN» Jurisprudentie in Nederland januari 2014, afl. 1 76 15 Hoge Raad 15 november 2013, nr. 12/04150 ECLI:NL:HR:2013:1245 (mr. Numann, mr. Loth, mr. Drion, mr. De Groot, mr. Polak) (concl.

Nadere informatie

CONCLUSIE VAN ANTWOORD Inzake Incidentele Conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid

CONCLUSIE VAN ANTWOORD Inzake Incidentele Conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid Rechtbank Almelo, sector kanton Zitting: 27 november 2012 Zaaknummer: 418551/12/4600 CONCLUSIE VAN ANTWOORD Inzake Incidentele Conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid Inzake: 1. De heer Bernardus

Nadere informatie

PILOT GERECHTSHOF AMSTERDAM

PILOT GERECHTSHOF AMSTERDAM PILOT GERECHTSHOF AMSTERDAM Aanpassing van het landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven Inleiding Vanaf 1 januari 2013 is voor civiele dagvaardingszaken bij het gerechtshof

Nadere informatie

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds Reglement rekestzaken van de civiele kamer van de Hoge Raad der Nederlanden

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds Reglement rekestzaken van de civiele kamer van de Hoge Raad der Nederlanden STAATSCOURANT Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. Nr. 10677 4 juni 2012 Reglement rekestzaken van de civiele kamer van de Hoge Raad der Nederlanden 28 maart 2012 Reikwijdte

Nadere informatie

Landelijk procesreglement. voor. civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken

Landelijk procesreglement. voor. civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken 111003 2 INHOUDSOPGAVE Inhoudsopgave 2 Considerans 5 1 Algemene bepalingen 6 1.1 Toepasselijkheid 6 1.2 Begripsbepalingen 6 1.3

Nadere informatie

Procesreglement per 1 januari 2013 voor de pilot civiele dagvaardingszaken bij het gerechtshof s-hertogenbosch

Procesreglement per 1 januari 2013 voor de pilot civiele dagvaardingszaken bij het gerechtshof s-hertogenbosch Procesreglement per 1 januari 2013 voor de pilot civiele dagvaardingszaken bij het gerechtshof s-hertogenbosch 2 CONSIDERANS Inleiding Vanaf 1 januari 2013 is voor civiele dagvaardingszaken bij het gerechtshof

Nadere informatie

Rolreglement gerechtshof Leeuwarden

Rolreglement gerechtshof Leeuwarden RECHTSWEZEN Rolreglement gerechtshof Leeuwarden Dit reglement is gelijkluidend aan het uniform rolreglement dat ook bij de andere gerechtshoven in Nederland geldt, onder toevoeging van enkele aanvullingen,

Nadere informatie

Rapport. Rapport over een klacht over de directeur van de Belastingdienst/Zuidwest. Datum: Rapportnummer: 2011/273

Rapport. Rapport over een klacht over de directeur van de Belastingdienst/Zuidwest. Datum: Rapportnummer: 2011/273 Rapport Rapport over een klacht over de directeur van de Belastingdienst/Zuidwest. Datum: Rapportnummer: 2011/273 2 Klacht Verzoekers klagen over het optreden van de directeur van de Belastingdienst/Zuidwest

Nadere informatie

Rapport. Datum: 13 oktober 2004 Rapportnummer: 2004/401

Rapport. Datum: 13 oktober 2004 Rapportnummer: 2004/401 Rapport Datum: 13 oktober 2004 Rapportnummer: 2004/401 2 Klacht Het niet opnemen van een rechtsmiddelenclausule conform artikel 3:45 van de Algemene wet bestuursrecht in de beslissing van 17 december 2003

Nadere informatie

PROCESREGLEMENT VOOR DE CIVIELE DAGVAARDINGSZAKEN VAN DE RECHTBANK ARNHEM

PROCESREGLEMENT VOOR DE CIVIELE DAGVAARDINGSZAKEN VAN DE RECHTBANK ARNHEM 1 PROCESREGLEMENT VOOR DE CIVIELE DAGVAARDINGSZAKEN VAN DE RECHTBANK ARNHEM Tekst d.d. 11-09-2012 2 INHOUDSOPGAVE Inhoudsopgave Voorwoord 1 Algemene bepalingen 1.1 Toepasselijkheid 1.2 Begripsbepalingen

Nadere informatie

Hof: medisch advies behoeft niet te worden overgelegd

Hof: medisch advies behoeft niet te worden overgelegd pagina 1 van 5 (http://stichtingpiv.nl/) Inloggen PIV-Kennisnet(http://stichtingpiv.nl/inloggen) JURISPRUDENTIE Bron: Hof Amsterdam 3 februari 2016 Publicatie nummer: (nog) niet gepubliceerd Zaaknummer:

Nadere informatie

Landelijk procesreglement. voor. civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven

Landelijk procesreglement. voor. civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven 140101 2 INHOUDSOPGAVE Inhoudsopgave 2 Considerans 6 1 Algemene bepalingen 7 1.1 Toepasselijkheid 7 1.2 Begripsbepalingen 7

Nadere informatie

RAAD VAN DISCIPLINE. en mr. [ ] in zijn hoedanigheid van deken van de orde van advocaten (123b/13) klager

RAAD VAN DISCIPLINE. en mr. [ ] in zijn hoedanigheid van deken van de orde van advocaten (123b/13) klager 123a/13 ECLI:NL:TADRARL:2014:235 RAAD VAN DISCIPLINE Beslissing in de zaak onder nummer van: 123a/13 Beslissing van 23 mei 2014 in de zaak 123a/13 en 123b/13 naar aanleiding van de klacht van: de heer

Nadere informatie

Raad van Toezicht NVI, Nederlandse Vereniging van Incasso-ondernemingen Postbus 279 1400 AG BUSSUM T: 035-6994210 F: 035-6945045

Raad van Toezicht NVI, Nederlandse Vereniging van Incasso-ondernemingen Postbus 279 1400 AG BUSSUM T: 035-6994210 F: 035-6945045 Raad van Toezicht NVI, Nederlandse Vereniging van Incasso-ondernemingen Postbus 279 1400 AG BUSSUM T: 035-6994210 F: 035-6945045 Uitspraak van de Raad van Toezicht van de Nederlandse Vereniging van Incassoondernemingen,

Nadere informatie

ANONIEM BINDEND ADVIES

ANONIEM BINDEND ADVIES ANONIEM BINDEND ADVIES Partijen : De heer A te B, tegen C te D Zaak : Wijziging aanvullende ziektekostenverzekering Zaaknummer : 2012.01561 Zittingsdatum : 10 oktober 2012 2012.01561, p. 1/7 Geschillencommissie

Nadere informatie

COLLEGE VAN BEROEP VOOR DE EXAMENS. Uitspraak van het College van Beroep voor de Examens van Tilburg University

COLLEGE VAN BEROEP VOOR DE EXAMENS. Uitspraak van het College van Beroep voor de Examens van Tilburg University COLLEGE VAN BEROEP VOOR DE EXAMENS Uitspraak van het College van Beroep voor de Examens van Tilburg University in de zaak tussen mevrouw X, appellante en de examencommissie van de Tilburg Law School, verweerster

Nadere informatie

Rapport. Rapport betreffende een klacht over de Huurcommissie te Den Haag. Datum: 5 januari 2012. Rapportnummer: 2012/001

Rapport. Rapport betreffende een klacht over de Huurcommissie te Den Haag. Datum: 5 januari 2012. Rapportnummer: 2012/001 Rapport Rapport betreffende een klacht over de Huurcommissie te Den Haag. Datum: 5 januari 2012 Rapportnummer: 2012/001 2 Klacht Verzoeker klaagt er over dat: Hij door de ontvangstbevestiging van de Huurcommissie

Nadere informatie

Algemene voorwaarden SpaaQ versie

Algemene voorwaarden SpaaQ versie Algemene voorwaarden SpaaQ versie 1.0 2016 Artikel 1 Definities In deze algemene voorwaarden wordt verstaan onder: Opdrachtgever: degene die, alleen of gezamenlijk en niet in de uitoefening van een beroep

Nadere informatie

Rapport. Datum: 28 juli 2000 Rapportnummer: 2000/252

Rapport. Datum: 28 juli 2000 Rapportnummer: 2000/252 Rapport Datum: 28 juli 2000 Rapportnummer: 2000/252 2 Klacht Op 8 maart 2000 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mevrouw M. te Rotterdam, met een klacht over een gedraging van de Belastingdienst/Douane,

Nadere informatie

Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken

Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken 150101 2 INHOUDSOPGAVE Inhoudsopgave 2 Considerans 5 1 Algemene bepalingen 6 1.1 Toepasselijkheid 6 1.2 Begripsbepalingen 6 1.3

Nadere informatie

Rapport. Rapport over een klacht over de Dienst Uitvoering Onderwijs uit Groningen. Datum: 4 mei Rapportnummer: 2011/139

Rapport. Rapport over een klacht over de Dienst Uitvoering Onderwijs uit Groningen. Datum: 4 mei Rapportnummer: 2011/139 Rapport Rapport over een klacht over de Dienst Uitvoering Onderwijs uit Groningen. Datum: 4 mei 2011 Rapportnummer: 2011/139 2 Klacht Verzoeker klaagt over de berichtgeving van de Dienst Uitvoering Onderwijs

Nadere informatie

AANTEKENEN. Aan de direktie van Eversheds B.V. De Cuserstraat 85a 1081 CN Amsterdam. Holten, 2 januari 2015

AANTEKENEN. Aan de direktie van Eversheds B.V. De Cuserstraat 85a 1081 CN Amsterdam. Holten, 2 januari 2015 AANTEKENEN Aan de direktie van Eversheds B.V. De Cuserstraat 85a 1081 CN Amsterdam Holten, 2 januari 2015 Betreft: uw dossiernummer 40-14-0835 Hofs/Kerpestein B.V. Geachte direktie, Hierbij stellen wij

Nadere informatie

RAAD VAN DISCIPLINE in het ressort 's-gravenhage

RAAD VAN DISCIPLINE in het ressort 's-gravenhage RAAD VAN DISCIPLINE in het ressort 's-gravenhage Secretaeaat Pestbus 85850, 2508 CN 's-gravenhage telefoon (070) 354 70 54 telefax (070) 350 10 24 het secretahaat is telefonisch bereikbaar van rna t/m

Nadere informatie

Rapport. Datum: 24 augustus 1998 Rapportnummer: 1998/348

Rapport. Datum: 24 augustus 1998 Rapportnummer: 1998/348 Rapport Datum: 24 augustus 1998 Rapportnummer: 1998/348 2 Klacht Op 10 maart 1997 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer F. te Eindhoven, met een klacht over een gedraging van de

Nadere informatie

Verder klaagt verzoekster over de wijze waarop het UWV te Venlo haar klacht heeft behandeld.

Verder klaagt verzoekster over de wijze waarop het UWV te Venlo haar klacht heeft behandeld. Rapport 2 h2>klacht Verzoekster klaagt erover dat een met naam genoemde verzekeringsarts van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen te Heerlen (UWV) bij het vaststellen van de belastbaarheid

Nadere informatie

Rolreglement voor het procederen in civiele zaken Gerechtshof s-hertogenbosch

Rolreglement voor het procederen in civiele zaken Gerechtshof s-hertogenbosch RECHTSWEZEN Rolreglement voor het procederen in civiele zaken Gerechtshof s-hertogenbosch 1 Algemeen 1.1 Reikwijdte Dit rolreglement heeft betrekking op de wijze van procederen in alle civiele zaken die

Nadere informatie

Echtscheidingsproblematiek. Optreden als makelaar op grond van rechterlijk vonnis. Contact met advocaten van partijen.

Echtscheidingsproblematiek. Optreden als makelaar op grond van rechterlijk vonnis. Contact met advocaten van partijen. Echtscheidingsproblematiek. Optreden als makelaar op grond van rechterlijk vonnis. Contact met advocaten van partijen. Een makelaar is door de rechtbank als deskundige benoemd om te komen tot de verkoop

Nadere informatie

Rapport. Datum: 12 september 2000 Rapportnummer: 2000/306

Rapport. Datum: 12 september 2000 Rapportnummer: 2000/306 Rapport Datum: 12 september 2000 Rapportnummer: 2000/306 2 Klacht Op 28 maart 2000 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer D. te Almere, met een klacht over een gedraging van ANOZ

Nadere informatie

Beoordeling Bevindingen

Beoordeling Bevindingen Rapport 2 h2>klacht Verzoeker klaagt erover dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) aan hem als advocaat een machtiging van zijn cliënt heeft gevraagd om stukken bij de IND te kunnen opvragen,

Nadere informatie

Rechtsbijstandverzekering. Verzekeringsvoorwaarden. Relevante informatie en medewerking.

Rechtsbijstandverzekering. Verzekeringsvoorwaarden. Relevante informatie en medewerking. Uitspraak Commissie van Beroep 2014-017 d.d. 8 mei 2014 (prof. mr. F.R. Salomons, voorzitter, mr. A. Bus, mr. J.B. Fleers, drs. P.H.M. Kuijs AAG en mr. W.J.J. Los, leden, en mr. M.J. Drijftholt, secretaris)

Nadere informatie

3. Verzoekers konden zich met het voorgaande niet verenigen en dienden bij brief van 11 april 2007 een klacht in.

3. Verzoekers konden zich met het voorgaande niet verenigen en dienden bij brief van 11 april 2007 een klacht in. Rapport 2 h2>klacht Verzoekers klagen over de door de staatsecretaris van Justitie gevolgde intrekkingsprocedure van de aan hen verleende verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd. Met name klagen

Nadere informatie

[Aanvrager A] heeft ter onderbouwing van het handhavingsverzoek van 3 augustus 2016 een aantal documenten aan de NZa overlegd.

[Aanvrager A] heeft ter onderbouwing van het handhavingsverzoek van 3 augustus 2016 een aantal documenten aan de NZa overlegd. Besluit Aanleiding Op 3 augustus 2016 ontving de NZa een handhavingsverzoek van [Aanvrager A]. [Aanvrager A] is een samenwerkingsverband van zeven aanbieders van orthopedisch schoeisel. 1 In haar schrijven

Nadere informatie

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België 12 JUNI 2008 C.07.0236.N/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.07.0236.N 1. D.K.L, en, 2. K.R., eisers, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te

Nadere informatie

Rapport. Datum: 2 oktober 2000 Rapportnummer: 2000/336

Rapport. Datum: 2 oktober 2000 Rapportnummer: 2000/336 Rapport Datum: 2 oktober 2000 Rapportnummer: 2000/336 2 Klacht Op 6 maart 2000 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mevrouw mr. S. te Leiden, met een klacht over een gedraging van ANOVA

Nadere informatie

HR: [X] R.E.M. Holding B.V. DomJur 2012-919. Hoge Raad Zaak-/rolnummer: 11/04582 DV/EP Datum: 14 december 2012. Hoge Raad der Nederlanden.

HR: [X] R.E.M. Holding B.V. DomJur 2012-919. Hoge Raad Zaak-/rolnummer: 11/04582 DV/EP Datum: 14 december 2012. Hoge Raad der Nederlanden. HR: [X] R.E.M. Holding B.V. DomJur 2012-919 Hoge Raad Zaak-/rolnummer: 11/04582 DV/EP Datum: 14 december 2012 Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiseres], wonende te [woonplaats], Israël,

Nadere informatie

Rapport. Datum: 24 februari 2005 Rapportnummer: 2005/049

Rapport. Datum: 24 februari 2005 Rapportnummer: 2005/049 Rapport Datum: 24 februari 2005 Rapportnummer: 2005/049 2 Klacht Verzoekster klaagt erover dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), kantoor Haarlem: tot op het moment waarop zij zich

Nadere informatie

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Besluit van, houdende regels aangaande de betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid van het elektronisch verzenden van verzoeken en mededelingen met betrekking tot de rol (Besluit betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid

Nadere informatie

Reglement van het Veterinair Tuchtcollege

Reglement van het Veterinair Tuchtcollege Reglement van het Veterinair Tuchtcollege Dit reglement geldt in aanvulling op het bepaalde in de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990 c.q. in aanvulling op de Wet Dieren (nadat de daarin

Nadere informatie

1. Onderwerp van d e klacht Onjuiste interpretatie van ondeugdelijke meetgegevens. 2. Advies van de voorzitter van de commissie.

1. Onderwerp van d e klacht Onjuiste interpretatie van ondeugdelijke meetgegevens. 2. Advies van de voorzitter van de commissie. 2011 1. Onderwerp van d e klacht Onjuiste interpretatie van ondeugdelijke meetgegevens 2. Advies van de voorzitter van de commissie Geacht college, Op 2011 schreef een brief aan u en aan, van de KNAW.

Nadere informatie

Rapport. Rapport over een klacht over het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk. Datum: 4 augustus 2011

Rapport. Rapport over een klacht over het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk. Datum: 4 augustus 2011 Rapport Rapport over een klacht over het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk Datum: 4 augustus 2011 Rapportnummer: 2011/231 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat de gemeente Bodegraven-Reeuwijk

Nadere informatie

Rapport. Datum: 27 februari 2007 Rapportnummer: 2007/041

Rapport. Datum: 27 februari 2007 Rapportnummer: 2007/041 Rapport Datum: 27 februari 2007 Rapportnummer: 2007/041 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat X Gerechtsdeurwaarders: op 4 april 2006 een herhaald bevel heeft gedaan tot betaling van per 1 maart 2006 verschuldigde

Nadere informatie

1. Procedure. 2. Feiten

1. Procedure. 2. Feiten Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 153 d.d. 23 augustus 2010 (mr. V. van den Brink, voorzitter, en de heren G.J.P. Okkema en prof. drs. A.D. Bac RA) 1. Procedure De Commissie

Nadere informatie

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. Reglement behandeling bezwaarschriften RvR

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. Reglement behandeling bezwaarschriften RvR STAATSCOURANT Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. Nr. 12269 11 juli 2011 Reglement behandeling bezwaarschriften RvR Het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, verder te noemen

Nadere informatie

Het ondertekende verzoek tot onderzoek is op 3 november 2010 binnengekomen bij het secretariaat van de Overijsselse Ombudsman.

Het ondertekende verzoek tot onderzoek is op 3 november 2010 binnengekomen bij het secretariaat van de Overijsselse Ombudsman. Dossiernummer 2010 093 Oordeel Verzoeker De heer M. C. te Zwolle Datum verzoekschrift Het ondertekende verzoek tot onderzoek is op 3 november 2010 binnengekomen bij het secretariaat van de Overijsselse

Nadere informatie

1. Procedure. 2. Feiten

1. Procedure. 2. Feiten Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 148 d.d. 10 augustus 2010 (mevrouw mr. E.M. Dil-Stork, voorzitter, mr. W.F.C. Baars en mr. J.W.H. Offerhaus) 1. Procedure De Commissie beslist

Nadere informatie

Rapport. Datum: 14 januari 2011 Rapportnummer: 2011/013

Rapport. Datum: 14 januari 2011 Rapportnummer: 2011/013 Rapport Datum: 14 januari 2011 Rapportnummer: 2011/013 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) naar aanleiding van de aanvraag deskundigenoordeel van

Nadere informatie

Landelijk model klachtenregeling. Introductie

Landelijk model klachtenregeling. Introductie Landelijk model klachtenregeling Introductie Op 1 januari 2002 is voor alle gerechten in Nederland een uniforme klachtenregeling in werking getreden. De regeling is gebaseerd op een gemeenschappelijk model

Nadere informatie

Rapport naar aanleiding van een klacht over de griffie van het gerechtshof in Den Haag.

Rapport naar aanleiding van een klacht over de griffie van het gerechtshof in Den Haag. Rapport Waar zijn de stukken gebleven? Rapport naar aanleiding van een klacht over de griffie van het gerechtshof in Den Haag. De klacht over de griffie van het gerechtshof in Den Haag over het zoekraken

Nadere informatie

Rapport. Datum: 26 maart 1998 Rapportnummer: 1998/086

Rapport. Datum: 26 maart 1998 Rapportnummer: 1998/086 Rapport Datum: 26 maart 1998 Rapportnummer: 1998/086 2 Klacht Op 5 juni 1997 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer D. te Oss, ingediend door Buro voor Rechtshulp te Oss, met een

Nadere informatie

Rapport. Datum: 18 oktober 2001 Rapportnummer: 2001/325

Rapport. Datum: 18 oktober 2001 Rapportnummer: 2001/325 Rapport Datum: 18 oktober 2001 Rapportnummer: 2001/325 2 Klacht Verzoeker klaagt er over dat de Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen Venlo tot het moment van indienen van de klacht bij de Nationale

Nadere informatie

Algemene voorwaarden Eigen Huis Hypotheekservice B.V.

Algemene voorwaarden Eigen Huis Hypotheekservice B.V. Algemene voorwaarden Eigen Huis Hypotheekservice B.V. Artikel 1 Definities In deze algemene voorwaarden wordt verstaan onder: Opdrachtgever: degene die, alleen of gezamenlijk en niet in de uitoefening

Nadere informatie

1. Procedure. 2. Feiten

1. Procedure. 2. Feiten Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 122 d.d. 1 juli 2010 (mr. J. Wortel, voorzitter, en de heren R.H.G. Mijné en de heer H. Mik RA) 1. Procedure De Commissie beslist met inachtneming

Nadere informatie

Rapport. Datum: 9 december 2002 Rapportnummer: 2002/374

Rapport. Datum: 9 december 2002 Rapportnummer: 2002/374 Rapport Datum: 9 december 2002 Rapportnummer: 2002/374 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat UWV Cadans, kantoor Amsterdam: 1. hem nog steeds geen duidelijkheid heeft verschaft over de financiële afwikkeling

Nadere informatie

Rapport. Datum: 8 augustus 2003 Rapportnummer: 2003/261

Rapport. Datum: 8 augustus 2003 Rapportnummer: 2003/261 Rapport Datum: 8 augustus 2003 Rapportnummer: 2003/261 2 Klacht Verzoekster klaagt erover dat zorgverzekeraar Zorg en Zekerheid tot het moment dat zij zich tot de Nationale ombudsman wendde nog geen beslissing

Nadere informatie

De Commissie heeft vastgesteld dat tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening niet tot oplossing van het geschil heeft geleid.

De Commissie heeft vastgesteld dat tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening niet tot oplossing van het geschil heeft geleid. Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 21 d.d. 2 april 2009 (mr. M.M. Mendel, voorzitter, mr. E.M. Dil - Stork en mr. B. Sluijters) 1. Procedure De Commissie beslist met inachtneming

Nadere informatie

Rapport. Datum: 15 november 2007 Rapportnummer: 2007/257

Rapport. Datum: 15 november 2007 Rapportnummer: 2007/257 Rapport Datum: 15 november 2007 Rapportnummer: 2007/257 2 Klacht Verzoeker klaagt er over dat de Belastingdienst/Rivierenland/kantoor Gorinchem bij zijn beschikking van 7 juli 2005 geen ambtshalve vermindering

Nadere informatie

heeft de volgende beslissing gegeven naar aanleiding van het hoger beroep van verweerder.

heeft de volgende beslissing gegeven naar aanleiding van het hoger beroep van verweerder. HOF VAN DISCIPLINE No. 4516 ------------ HET HOF VAN DISCIPLINE heeft de volgende beslissing gegeven naar aanleiding van het hoger beroep van verweerder. Bij beslissing van 6 februari 2006 heeft de Raad

Nadere informatie

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken:

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken: Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2011-346 d.d. 2 december 2011 (mr. P.A. Offers, voorzitter, mr. B.F. Keulen en mr. A.W.H. Vink, leden, en mr.drs. D.J. Olthoff, secretaris)

Nadere informatie

KLACHTENREGLEMENT. In deze regeling wordt verstaan onder:

KLACHTENREGLEMENT. In deze regeling wordt verstaan onder: KLACHTENREGLEMENT INLEIDING Shared Value Groep hecht sterk aan een goede en transparante relatie met haar klanten. Het verlenen van diensten is en blijft echter mensenwerk, hoe zorgvuldig daarbij ook te

Nadere informatie

Rapport. Datum: 11 april 2000 Rapportnummer: 2000/148

Rapport. Datum: 11 april 2000 Rapportnummer: 2000/148 Rapport Datum: 11 april 2000 Rapportnummer: 2000/148 2 Klacht Op 1 februari 1999 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer Y. te Zwolle, ingediend door de Stichting Rechtsbijstand Asiel

Nadere informatie

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER. Beslissing van 24 juli 2003 in de zaak onder rekestnummer 90/2003 GDW van:

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER. Beslissing van 24 juli 2003 in de zaak onder rekestnummer 90/2003 GDW van: GERECHTSHOF TE AMSTERDAM TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER Beslissing van 24 juli 2003 in de zaak onder rekestnummer 90/2003 GDW van: destijds toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder te, thans gerechtsdeurwaarder

Nadere informatie

NAI REGLEMENT VOOR HET BENOEMEN VAN EEN BINDEND ADVISEUR IN AD HOC PROCEDURES

NAI REGLEMENT VOOR HET BENOEMEN VAN EEN BINDEND ADVISEUR IN AD HOC PROCEDURES NAI REGLEMENT VOOR HET BENOEMEN VAN EEN BINDEND ADVISEUR IN AD HOC PROCEDURES EERSTE AFDELING ALGEMEEN Artikel 1 Definities In dit reglement hebben de volgende woorden en uitdrukkingen de volgende betekenis:

Nadere informatie

(Uit het antwoord moet blijken dat de cursist de stof heeft begrepen en juist heeft toegepast; een enkel ja of nee is niet voldoende)

(Uit het antwoord moet blijken dat de cursist de stof heeft begrepen en juist heeft toegepast; een enkel ja of nee is niet voldoende) Leidraad voor het nakijken van de toets GEDRAGSRECHT 8 FEBRUARI 2013 (Uit het antwoord moet blijken dat de cursist de stof heeft begrepen en juist heeft toegepast; een enkel ja of nee is niet voldoende)

Nadere informatie

Hoor- en adviescommissie

Hoor- en adviescommissie ADVIES INGEKOMEN 11APR.2016 AAN GEDEPUTEERDE STATEN van de behandeling van het bezwaarschrift ingevolge artikel 7:1 van de Awb van Distriport Noord- Holland. B.V. (bezwaarde), ingediend door A. de Snoo

Nadere informatie

Rapport. Datum: 26 maart 1998 Rapportnummer: 1998/087

Rapport. Datum: 26 maart 1998 Rapportnummer: 1998/087 Rapport Datum: 26 maart 1998 Rapportnummer: 1998/087 2 Klacht Op 16 juli 1997 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer mr. S., advocaat te Boxtel, met een klacht over een gedraging

Nadere informatie

Klachten Reglement Cliënten Stress Centrum

Klachten Reglement Cliënten Stress Centrum Klachten Reglement Cliënten Stress Centrum Versie november 2015 INHOUDSOPGAVE Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Uitgangspunten Artikel 3 De Klachtencommissie Artikel 4 De werkwijze van de commissie Artikel

Nadere informatie

Reglement Klachtencommissie Cliënten Mentaal Beter

Reglement Klachtencommissie Cliënten Mentaal Beter Reglement Klachtencommissie Cliënten Mentaal Beter INHOUDSOPGAVE Artikel 1 Begrippen Blz. 03 Artikel 2 Uitgangspunten Blz. 04 Artikel 3 De Klachtencommissie Blz. 05 Artikel 4 De werkwijze van de commissie

Nadere informatie

Arnhem, 19 november 2003 2003/01. mr. J.L. de Kreek. : Besluit van de Stichting Internet Domeinregistratie Nederland d.d.

Arnhem, 19 november 2003 2003/01. mr. J.L. de Kreek. : Besluit van de Stichting Internet Domeinregistratie Nederland d.d. BESLISSING Plaats en datum uitspraak : Arnhem, 19 november 2003 Zaaknummer : 2003/01 Appellant : mr. J.L. de Kreek Geïntimeerde : Stichting Internet Domeinregistratie Nederland Beroep tegen Inzake : Besluit

Nadere informatie

Rapport. Datum: 7 juni 1999 Rapportnummer: 1999/252

Rapport. Datum: 7 juni 1999 Rapportnummer: 1999/252 Rapport Datum: 7 juni 1999 Rapportnummer: 1999/252 2 Klacht Op 23 februari 1999 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mevrouw S. te Voorschoten, met een klacht over een gedraging van de

Nadere informatie

In beroep in belastingzaken (oktober 2015) In beroep gaan De behandeling van de zaak In beroep gaan Hoe stelt u beroep in cassatie in U stelt beroep

In beroep in belastingzaken (oktober 2015) In beroep gaan De behandeling van de zaak In beroep gaan Hoe stelt u beroep in cassatie in U stelt beroep In beroep in belastingzaken (oktober 2015) In beroep gaan De behandeling van de zaak In beroep gaan Hoe stelt u beroep in cassatie in U stelt beroep in cassatie in door bij de Hoge Raad een beroepschrift

Nadere informatie

De Raad van Toezicht Zwolle geeft de volgende uitspraak in de zaak van: W. makelaar, aangesloten bij de NVM, kantoorhoudende te R.

De Raad van Toezicht Zwolle geeft de volgende uitspraak in de zaak van: W. makelaar, aangesloten bij de NVM, kantoorhoudende te R. 10-513 RvT Zwolle DE RAAD VAN TOEZICHT ZWOLLE VAN DE NEDERLANDSE VERENIGING VAN MAKELAARS IN ONROERENDE GOEDEREN NVM. -------------------------------------------------------------------------------------------------------

Nadere informatie

TUCHTRAAD FINANCIËLE DIENSTVERLENING (ASSURANTIËN) HUISHOUDELIJK REGLEMENT. 1. In dit huishoudelijk reglement wordt verstaan onder:

TUCHTRAAD FINANCIËLE DIENSTVERLENING (ASSURANTIËN) HUISHOUDELIJK REGLEMENT. 1. In dit huishoudelijk reglement wordt verstaan onder: TUCHTRAAD FINANCIËLE DIENSTVERLENING (ASSURANTIËN) HUISHOUDELIJK REGLEMENT Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In dit huishoudelijk reglement wordt verstaan onder: - reglement: het Reglement Tuchtraad Financiële

Nadere informatie

1.2 Persoonsgegevens Elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon.

1.2 Persoonsgegevens Elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon. Artikel 1. Algemene en begripsbepalingen Het klachtenreglement geeft de klager een middel iets te ondernemen tegen de bejegening, doen of nalaten van de SALUDE GROEP BV of één van haar medewerkers. Een

Nadere informatie

pagina 1 van 5 ECLI:NL:RBDHA:2014:6145 Instantie Rechtbank Den Haag Datum uitspraak 20-05-2014 Datum publicatie 04-06-2014 Zaaknummer Rechtsgebieden AWB-13_10151 Belastingrecht Bijzondere kenmerken Bodemzaak

Nadere informatie

Rapport. Datum: 6 november 2007 Rapportnummer: 2007/240

Rapport. Datum: 6 november 2007 Rapportnummer: 2007/240 Rapport Datum: 6 november 2007 Rapportnummer: 2007/240 2 Klacht Verzoekster klaagt erover dat de griffie van de rechtbank Rotterdam, sector civiel, heeft verzuimd om haar op 6 november 2006 ingeleverde

Nadere informatie

de organisatie waaraan Stichting Pensioenfonds Recreatie de pensioenadministratie heeft uitbesteed.

de organisatie waaraan Stichting Pensioenfonds Recreatie de pensioenadministratie heeft uitbesteed. Stichting Pensioenfonds Recreatie KLACHTEN- EN GESCHILLENREGLEMENT Artikel 1 Begripsbepalingen De in de statuten en de reglementen gebruikte begripsbepalingen worden geacht deel uit te maken van dit reglement.

Nadere informatie

Rapport. Datum: 27 september 2006 Rapportnummer: 2006/332

Rapport. Datum: 27 september 2006 Rapportnummer: 2006/332 Rapport Datum: 27 september 2006 Rapportnummer: 2006/332 2 Klacht A. De klacht van verzoeker werd als volgt geformuleerd: Verzoeker klaagt erover dat de Centrale organisatie werk en inkomen Zaandam zijn

Nadere informatie

De Centrale Raad van Toezicht geeft de volgende uitspraak in de zaak van: de heer F. H. aangesloten NVM-Makelaar, kantoorhoudende te H, beklaagde.

De Centrale Raad van Toezicht geeft de volgende uitspraak in de zaak van: de heer F. H. aangesloten NVM-Makelaar, kantoorhoudende te H, beklaagde. Onjuiste informatie: garage niet geïsoleerd. Verwijzing naar verkeerd artikel in koopakte en tekening in spiegelbeeld. Klager koopt een woning die bij beklaagde in verkoop was. Hij verwijt de makelaar

Nadere informatie

27 BEHANDELING BEZWAARSCHRIFTEN DOOR DE COMMISSIE VAN ADVIES VOOR BEZWAARSCHRIFTEN PERSONELE AANGELEGENHEDEN

27 BEHANDELING BEZWAARSCHRIFTEN DOOR DE COMMISSIE VAN ADVIES VOOR BEZWAARSCHRIFTEN PERSONELE AANGELEGENHEDEN 27 BEHANDELING BEZWAARSCHRIFTEN DOOR DE COMMISSIE VAN ADVIES VOOR BEZWAARSCHRIFTEN PERSONELE AANGELEGENHEDEN Inhoudsopgave Onderwerp Artikel * Inleidende bepaling 27:1:1 * Begripsomschrijvingen 27:1:2

Nadere informatie

Reacties en antwoorden op gestelde vragen Einde onderzoek De feiten

Reacties en antwoorden op gestelde vragen Einde onderzoek De feiten Geachte heer ( ), Bij brief van 16 mei 2013 heeft u bij ons een klacht voorgelegd van mevrouw ( ) over de Dienst Terugkeer en Vertrek (de DT&V). Op 2 juli 2015 heb ik u laten weten dat wij een onderzoek

Nadere informatie

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 2008 275 Besluit van 3 juli 2008, houdende regels aangaande de betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid van het elektronisch verzenden van verzoeken en

Nadere informatie

Advies 210. De uiterste termijn voor het indienen van de inschrijving is :00.

Advies 210. De uiterste termijn voor het indienen van de inschrijving is :00. Advies 210 1. Feiten 1.1. Beklaagde heeft een meervoudig onderhandse aanbesteding gehouden. Op deze aanbestedingsprocedure is het ARW 2005 van toepassing verklaard. 1.2. Klager heeft op 16 januari 2015

Nadere informatie

Rapport. Datum: 29 maart 2002 Rapportnummer: 2002/093

Rapport. Datum: 29 maart 2002 Rapportnummer: 2002/093 Rapport Datum: 29 maart 2002 Rapportnummer: 2002/093 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat tot op het moment dat hij zich tot de Nationale ombudsman wendde (10 december 2001) de Sociale dienst van de gemeente

Nadere informatie

Uitspraak. GERECHTSHOF 's-hertogenbosch. Afdeling civiel recht

Uitspraak. GERECHTSHOF 's-hertogenbosch. Afdeling civiel recht ECLI:NL:GHSHE:2015:2797 Instantie Gerechtshof 's-hertogenbosch Datum uitspraak 23-07-2015 Datum publicatie 27-07-2015 Zaaknummer F 200.160.279_01 Rechtsgebieden Personen- en familierecht Bijzondere kenmerken

Nadere informatie

2. Bij brieven van 14 juli 2011 en 5 september 2011 heeft Dutch Media Uitgevers het Commissariaat informatie verstrekt.

2. Bij brieven van 14 juli 2011 en 5 september 2011 heeft Dutch Media Uitgevers het Commissariaat informatie verstrekt. Sanctiebeschikking Kenmerk: 26177/2012003437 Betreft: niet melden combinatieprijs Sanctiebeschikking van het Commissariaat voor de Media betreffende overtreding van artikel 4, eerste lid, eerste volzin,

Nadere informatie

RAAD VAN DISCIPLINE. mr. [ ] in zijn hoedanigheid van deken van de orde van advocaten in het arrondissement Noord- Nederland klager

RAAD VAN DISCIPLINE. mr. [ ] in zijn hoedanigheid van deken van de orde van advocaten in het arrondissement Noord- Nederland klager 51/13 ECLI:NL:TADRARL:2013:16 RAAD VAN DISCIPLINE Beslissing in de zaak onder nummer van: 51/13 Beslissing van 22 november 2013 in de zaak 51/13 naar aanleiding van de klacht van: mr. [ ] in zijn hoedanigheid

Nadere informatie

Uitspraak van de Huurcommissie

Uitspraak van de Huurcommissie Uitspraak van de Huurcommissie Verzoek Wet op het overleg huurders verhuurder (Wohv) Woonruimte Huurwoningen xxxxxxxxxxxxxx Zaaknummer Verzonden op 14 april 2014 Verzoeker Naam: Hierna te noemen: Vertegenwoordigd

Nadere informatie

Rapport. Een onderzoek naar een klacht over de Raad voor Rechtsbijstand.

Rapport. Een onderzoek naar een klacht over de Raad voor Rechtsbijstand. Rapport Een onderzoek naar een klacht over de Raad voor Rechtsbijstand. Oordeel Op basis van het onderzoek vindt de klacht over de Raad voor Rechtsbijstand gegrond. Datum: 12 december 2016 Rapport: 2016/114

Nadere informatie

vonnis AFSCHRF T ) advocaat mr. A. van Hees te Amsterdam. RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht

vonnis AFSCHRF T ) advocaat mr. A. van Hees te Amsterdam. RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht Afdeling privaatrecht zaaknummer / rolnummer: C/13/574449 / HA ZA 14-1008 RECHTBANK AMSTERDAM Rechtbank Amsterdam, 23 maart 2016, IEF 15808; HA ZA 14-1008 (Orasure Technologies tegen Koninklijke Utermöhlen)

Nadere informatie

- dat de advocaat zich in woord en geschrift niet onnodig grievend dient uit te laten,

- dat de advocaat zich in woord en geschrift niet onnodig grievend dient uit te laten, AA000l17.dok Deken der Orde van Advocaten in het arrondissement Roermond mr. A.F.Th.M. Heutink De heer J.J.E. Dulfer 6,,Les Marchais" St. Pierre à Champ F-79290 CERSAY France Postbus 107 6590 AC Gennep

Nadere informatie

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken:

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken: Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 52 d.d. 14 juli 2009 (mr R.J. Verschoof, voorzitter, mr drs M.L. Hendrikse en mr M.M. Mendel) 1. Procedure De Commissie beslist met inachtneming

Nadere informatie

Reglement Interne Bezwarencommissie Friesland College Sectie Cursisten

Reglement Interne Bezwarencommissie Friesland College Sectie Cursisten Reglement Interne Bezwarencommissie Friesland College Sectie Cursisten I. Begripsbepalingen In dit reglement wordt verstaan onder : - bezwaarschrift : een schrijven, ingediend door de (adspirant) cursist

Nadere informatie

Rapport. Datum: 3 augustus 2000 Rapportnummer: 2000/261

Rapport. Datum: 3 augustus 2000 Rapportnummer: 2000/261 Rapport Datum: 3 augustus 2000 Rapportnummer: 2000/261 2 Klacht Op 27 oktober 1999 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mevrouw D. te Zeist, met een klacht over een gedraging van het Landelijk

Nadere informatie

Rapport. Datum: 23 oktober 2001 Rapportnummer: 2001/333

Rapport. Datum: 23 oktober 2001 Rapportnummer: 2001/333 Rapport Datum: 23 oktober 2001 Rapportnummer: 2001/333 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat: 1. de Dienst Wegverkeer (RDW) hem pas in augustus 2000 een formulier heeft toegezonden ten behoeve van de beëindiging

Nadere informatie

OORDEEL. De klachtenbrief is gedateerd 6 mei 2008 en bij het secretariaat ingeboekt op 8 mei 2008 onder nummer 38-2008.

OORDEEL. De klachtenbrief is gedateerd 6 mei 2008 en bij het secretariaat ingeboekt op 8 mei 2008 onder nummer 38-2008. Dossiernummer 38-2008 OORDEEL Verzoeker Mevrouw O. Hengelo Datum verzoek De klachtenbrief is gedateerd 6 mei 2008 en bij het secretariaat ingeboekt op 8 mei 2008 onder nummer 38-2008. Betreft Het verzoek

Nadere informatie