Verlichting en contrast voor personen met een visuele beperking

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Verlichting en contrast voor personen met een visuele beperking"

Transcriptie

1 De verlichting van onze gebouwen heeft een niet te onderschatten invloed op de manier waarop wij onze omgeving waarnemen. Hoewel er bij de keuze van een verlichtingstoestel vaak in eerste instantie rekening gehouden wordt met parameters zoals esthetiek, sfeerschepping en energiezuinigheid, kan een geschikte verlichting ook de toegankelijkheid en de veiligheid binnenin het gebouw ten goede komen. Verlichting en contrast voor personen met een visuele A. Goed contrast B. Slecht contrast? S. Danschutter, ir.-arch., projectleider, laboratorium Duurzame ontwikkeling WTCB P. D Herdt, ir., projectleider, afdeling Klimaat, installaties en energieprestaties, WTCB A. Deneyer, ir., laboratoriumhoofd, laboratorium Licht en gebouw, WTCB Uit de nationale gezondheidsenquête die uitgevoerd werd in 2004 [7] (zie onderstaand kadertje) is gebleken dat personen met een visuele slechts een minderheid hiervan is volledig blind een niet te verwaarlozen aandeel van de bevolking uitmaken. Een geschikte verlichting en het correcte gebruik van contrasten kunnen voor deze groep van mensen een belangrijk hulpmiddel vormen bij hun oriëntatie in het gebouw en de uitvoering van hun taken. Vermits er diverse vormen van visuele bestaan, zal vaak een oplossing op maat van het individu noodzakelijk zijn. Dergelijke oplossingen, die de tussenkomst van specialisten terzake ( 1 ) vergen, komen hier evenwel niet verder aan bod. In grote lijnen kan men een onderscheid maken tussen de volgende vormen van slecht- i Belgische cijfers inzake slechtziendheid De hier aangehaalde cijfers werden onttrokken uit de nationale gezondheidsenquête die in 2004 uitgevoerd werd door het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid [7]. Tijdens deze studie werd op systematische wijze gezondheidsinformatie ingezameld door bevraging van een beperkt, maar representatief deel van de bevolking (zonder medisch onderzoek). Hierbij werden de deelnemers als ernstig visueel beperkt omschreven wanneer ze een persoon niet herkenden vanop een afstand van 1 meter en als matig visueel beperkt wanneer ze een persoon niet herkenden vanop een afstand van 4 meter. Tabel 1 Belgische cijfers inzake slechtziendheid, gebaseerd op de nationale gezondheidsenquête van Geen visuele Matige visuele Ernstige visuele 96,5 % 3,0 % 0,5 % ziendheid : een verminderde gezichtsscherpte een verminderd gezichtsveld een verminderde contrastwaarneming een combinatie van bovenstaande problemen. Voor de realisatie van een goede verlichting kan men terugvallen op verschillende referentiedocumenten. Zo kan men voor de verlichting van werkplekken een beroep doen op de norm NBN EN [3] die een aantal streefwaarden voor het visuele comfort oplegt. Totaal (*) 100 % ( personen) (*) De ondervraagde personen vertegenwoordigen een representatief deel van de bevolking met een minimumleeftijd van 15 jaar. Afb. 1 Voor slechtzienden is het gebruik van goede contrasten erg belangrijk. Recent onderzoek door de Universiteit van Reading ( 2 ) heeft echter aangetoond dat het vooral woningen zijn die te kampen hebben met een ontoereikende of zelfs slechte verlichting. Dit geldt met name in keukens, badkamers en op trappen, waar een ongeschikte verlichting niet zelden aan de grondslag ligt van ongelukken. Ook in het OIVO-rapport inzake ongevallen met bouwelementen [5] komt naar voren dat slechte zichtbaarheid één van de hoofdoorzaken vormt van ongevallen binnenshuis. De reden voor deze slechte zichtbaarheid is niet alleen te zoeken bij een ontoereikende verlichtingssterkte, maar vaak ook bij een foutief aangebrachte of historisch gegroeide verlichting, die niet langer voldoet aan de noden van de eindgebruiker. In het vervolg van dit artikel gaan we wat dieper in op een aantal verlichtingsaspecten waaraan in het bijzonder voor slechtzienden voldoende aandacht moet worden besteed. ( 1 ) Op de website van het Kenniscentrum Hulpmiddelen (http://www.koc.be) kan men een lijst bekomen van de bestaande Vlaamse en Brusselse low vision centra. Op de website van de privéonderneming KOBA Vision (http://www.kobavision.be) is tevens een overzicht van de Waalse centra opgenomen. ( 2 ) Het gaat hier meer bepaald op het onderzoek Lighting the Homes of Visually Impaired People dat uitgevoerd werd door de Research Group for Inclusive Environments, met de financiële steun van het Thomas Pocklington Trust. WTCB-Dossiers Nr. 3/2009 Katern nr. 12 pagina 1

2 1 Verlichtingssterkte De verlichtingssterkte (lx) kan omschreven worden als de lichtstroom (lm) (of de hoeveelheid licht) die per vierkante meter op een oppervlak invalt. Wanneer we even een kijkje nemen in de verschillende normen en richtlijnen inzake toegankelijkheid, moeten we vaststellen dat de vereiste minimale verlichtingssterkte gevoelig kan variëren naargelang van het geraadpleegde referentiewerk. Verder is het logisch dat de optimale verlichtingssterkte voor een persoon met een visuele sterk individueel gebonden is. In de hiervoor reeds aangehaalde norm NBN EN [3] is een lijst opgenomen met aanbevolen verlichtingssterktes voor bepaalde taken, activiteiten en zones in de binnenomgeving (meer bepaald op de werkplek) en wordt een afzonderlijke categorie voorzien voor personen met een visuele (zie tabel 2). In de ontwerpnorm ISO/DIS [4] worden dan weer een aantal algemene richtlijnen opgegeven om de toegankelijkheid van de bebouwde omgeving te verbeteren. Voor meer informatie omtrent de gebruikte terminologie, de bepaling van de verlichtingssterkte en de uniformiteit, kan de geïnteresseerde lezer terecht in de Code van goede praktijk voor binnenverlichting [1]. De verlichtingssterkte is echter niet het enige criterium dat in beschouwing moet genomen worden om de goede verlichting voor slechtzienden te waarborgen. Het vermijden van verblinding, het voorkomen van een sterke schaduwvorming, het verzekeren van een gelijkmatige verlichting, het gebruik van goede contrasten, de kleurweergave, het gebruik van daglicht en de regelbaarheid van de verlichting bij het uitvoeren van specifieke taken, zijn in deze context minstens even belangrijk. 2 Verblinding Verblinding wordt veroorzaakt door een slechte verdeling van de luminantie in het gezichtsveld of door een te hoge luminantie in het algemeen. De luminantie kan omschreven worden als de verhouding van de lichtsterkte van een oppervlak in de kijkrichting tot het zichtvlak ervan in de beschouwde richting. Deze waarde wordt uitgedrukt in candela s per vierkante meter (cd/m 2 ). De luminantie is een fundamentele fotometrische grootheid, omdat het precies voor deze waarde is dat het menselijke oog gevoelig is (de luminantie van een lichtbron is rechtstreeks verbonden met de belichting van het netvlies). Verblinding leidt tot een vermindering van het vermogen van het individu om voorwerpen te onderscheiden. Hierbij kan men een onderscheid maken tussen directe verblinding, die rechtstreeks veroorzaakt wordt door een lichtbron (venster of lamp), en indirecte verblinding, die veroorzaakt wordt door de weerkaatsing van een lichtbron op een oppervlak. Oudere personen zijn doorgaans gevoeliger voor verblinding dan hun jongere medemensen en kunnen zich in de regel ook veel moeilijker aanpassen aan plotse overgangen in verlichtingssterkte. Daarom is het bijvoorbeeld belangrijk om aan de inkom van gebouwen een aangepaste verlichtingssterkte te voorzien, teneinde een geleidelijke overgang tussen de binnen- en de buitenomgeving te creëren. 2.1 Directe verblinding Om verblinding door verlichtingstoestellen te voorkomen, ging men op internationaal niveau over tot de definiëring van de UGR-waarde Afb. 2 Luminantiemeter. (Unified Glare Rating). Het gaat hier om een eengemaakte index ter beoordeling van de directe verblinding, waarbij niet alleen rekening gehouden wordt met het type verlichtingstoestel en zijn opstelling, maar ook met de karakteristieken van de ruimte en de waarnemingspositie van de gebruiker. Meestal worden er aan de UGR-waarde welbepaalde maxima opgelegd, naargelang van de uit te voeren taak. Voor slechtzienden zou de UGR-waarde zo laag mogelijk moeten zijn en worden maxima van 16 tot 19 aanbevolen. Verder is het belangrijk dat de armaturen effectief worden toegepast in de omstandigheden waarvoor de UGRwaarden werden bepaald. Verblinding kan ook veroorzaakt worden door het zonlicht dat invalt via de vensters, waardoor er een te sterk luminantiecontrast ontstaat tussen het venster en de andere oppervlakken. De hinderlijkheid van dit verschijnsel kan door diverse factoren beïnvloed worden : de oriëntatie en de afmetingen van de vensteroppervlakken, de afmetingen van de ruimte, de Tabel 2 Te verzekeren verlichtingssterkte E m volgens de NBN EN ( 2 ). Zone, taak of activiteit Te verzekeren verlichtingssterkte E m (lx) Te verzekeren verlichtingssterkte E m (lx) voor slechtzienden Circulatiezones en gangen Trappen en roltrappen Vestiaires, badkamers, toiletten Wachtruimtes, loketten Burelen waar voornamelijk schrijfen leeswerk uitgevoerd wordt ( 1 ) Keukens in restaurants en hotels ( 1 ) ( 1 ) Voor detailwerk (inspectie, tekenwerk, ) zijn er in de norm hogere waarden opgegeven. ( 2 ) Naast de te verzekeren verlichtingssterkte is ook de uniformiteit (U = E min /E) van de verlichting belangrijk. Daarom legt de norm voor de uniformiteit in de werkzone een minimumwaarde van 0,7 op. In de onmiddellijk aangrenzende zone is een uniformiteit van minstens 0,5 vereist. Afb. 3 Verblinding door daglicht tengevolge van de aanwezigheid van een vensteropening op het einde van een gang. WTCB-Dossiers Nr. 3/2009 Katern nr. 12 pagina 2

3 Afb. 4 Indirecte verblinding door de weerkaatsing van een lichtpunt in een televisietoestel. Afb. 5 Indien het centrale lichtpunt aanleiding geeft tot verblinding in de werkzone (links), kan een bijkomende secundaire verlichting (rechts) een geschikte oplossing bieden. plaatsing van de vensteropening in de gevel of het dak, de gebruikte beglazing of zonnewering, de kleur en de aard van de binnenafwerking, Indirecte verblinding Bij indirecte verblinding maakt men een onderscheid tussen verblinding door reflectie en verblinding door het sluiereffect. Beide vormen van verblinding ontstaan door de weerkaatsing van een lichtbron op een oppervlak en zijn afhankelijk van de positie van de waarnemer ten opzichte van de lichtbron. Dergelijk verblinding is zeer nadelig voor slechtzienden en dient bijgevolg vermeden te worden door gebruik te maken van diffuse oppervlakken en/of correct geplaatste lichtpunten. 3 Uniforme verlichting Ook de uniformiteit van de verlichting verdient de nodige aandacht. Zo wordt in bepaalde bronnen aanbevolen om voor alle oppervlakken (en dus niet alleen in de werkzone, zoals gedefinieerd werd in de norm NBN EN [3]) een minimale uniformiteit van 0,7 te voorzien. Men dient er in elk geval op toe te zien dat er geen ongewenste schaduwvorming optreedt, vermits slechtzienden dit fenomeen vaak foutief interpreteren als niveauverschillen, doorgangen, Op trappen kan dit verschijnsel er bijvoorbeeld toe leiden dat de treden slecht waargenomen worden en er een verhoogd risico op vallen ontstaat. Bovendien gaan sterke luminantieverschillen gepaard met een groter verblindingsgevaar omdat het oog zich in dergelijke omstandigheden moeilijker kan aanpassen. De uniformiteit van de verlichting is eveneens van onschatbare waarde voor de uitvoering van bepaalde taken. Zo dient men voldoende aandacht te hebben voor de schaduwvorming die ontstaat wanneer de gebruiker zich tussen de lichtbron en het werkoppervlak bevindt (bv. in badkamers of keukens waarbij er enkel een centraal lichtpunt bevestigd werd aan het plafond). Een bijkomende secundaire verlichting zou in deze context een geschikte oplossing kunnen bieden. Door het voorzien van een dergelijke secundaire verlichting kan het tevens mogelijk worden om de verlichtingssterkte aan te passen aan de noden van een welbepaalde eindgebruiker. Zo kunnen slechtzienden (en dan vooral bijzienden) voor het uitvoeren van sommige taken gebaat zijn met een zeer hoge verlichtingssterkte (die kan oplopen tot lx). 4 Gebruik van contrasten Hiervoor werd reeds aangegeven dat het gebruik van contrasten voor personen met een visuele een belangrijk hulpmiddel kan vormen voor de uitvoering van bepaalde taken, voor de oriëntatie en circulatie binnenin het gebouw en voor het lokaliseren van bepaalde voorzieningen. Voor een welbepaalde kijkrichting kan het luminantiecontrast tussen twee oppervlakken gedefinieerd worden als het verschil in de hoeveelheid licht die in de kijkrichting gereflecteerd wordt door beide beschouwde oppervlakken. De meeste slechtzienden zijn vooral gevoelig voor luminantiecontrasten en niet zozeer voor verschillen in tint en saturatie. Zo zullen zij het verschil tussen rood en groen bijvoorbeeld minder goed waarnemen dan het verschil tussen wit en blauw. Te uitgesproken luminantiecontrasten zijn echter ook uit den boze, omdat zij het oog van de waarnemer sterk kunnen vermoeien. Het luminantiecontrast tussen twee oppervlakken bij dezelfde verlichtingssterkte wordt bepaald door hun onderlinge luminantieverschil, een parameter die op zijn beurt afhankelijk is van hun respectieve reflectie coëfficiënten. Het luminantieverschil tussen twee oppervlakken kan eenvoudig bepaald worden met behulp van een luminantiemeter. Het vastleggen van exacte criteria ter beoordeling van een dergelijke meting ligt evenwel moeilijker, vermits de omgevingsverlichting en de positie van de waarnemer de resultaten kunnen beïnvloeden. Voor wat de evaluatie van contrasten betreft, kan men verschillende bronnen raadplegen, waarin telkens eisen gesteld worden aan het verschil in reflectiecoëfficiënt (Light Reflectance Value of LRV) tussen de beschouwde oppervlakken : de Americans with Disabilities Act (ADA). Accessibility Guidelines for Buildings and Facilities (ADAAG) [6] de Britse norm BS 8300 Design of Buildings and Their Approaches to Meet the Needs of Disabled People. Code of Practice [2]. Volgens deze referentiedocumenten gebeurt de beoordeling van het contrast tussen twee op uniforme wijze verlichte diffuse en opake oppervlakken door de vergelijking van hun respectieve reflectiecoëfficiënten, die opgemeten worden met behulp van een spectrocolorimeter. In de ADAAG worden contrasten gedefinieerd als een verschil in reflectiecoëfficiënt (LRV), uitgedrukt in %. In dit document wordt gesteld dat men te maken heeft met een goed contrast wanneer voldaan is aan de volgende voorwaarde : [(B 1 )/B 1 ] x %, waarbij : B 1 : de reflectiecoëfficiënt van het lichtste oppervlak B 2 : de reflectiecoëfficiënt van het donkerste oppervlak. Afb. 6 Meting van de reflectiecoëfficiënt met behulp van een spectrocolorimeter. WTCB-Dossiers Nr. 3/2009 Katern nr. 12 pagina 3

4 Voor een perfect wit oppervlak zou de reflectiecoëfficiënt (LRV) gelijk moeten zijn aan 100, terwijl deze voor een perfect zwart oppervlak gelijk zou moeten zijn aan 0. In de praktijk treft men dergelijke absolute waarden evenwel nooit aan. Volgens de Britse norm BS 8300 [2] kan men spreken van een goed contrast wanneer er een absoluut verschil van 30 % bestaat tussen de reflectiecoëfficiënten (LRV) van beide beschouwde oppervlakken : (B 1 ) x %. Om te kunnen spreken van een aanvaardbaar contrast, moet er een absoluut verschil van 20 % bestaan tussen de reflectiecoëfficiënten van de beschouwde oppervlakken : (B 1 ) x %. Tabel 3 bevat een overzicht van de theoretische en de gemeten reflectiecoëfficiënten van een aantal RAL-kleuren en geeft aan of het contrast tussen de beschouwde kleuren goed, aanvaardbaar, dan wel zwak is volgens de geraadpleegde referentiedocumenten. De criteria uit deze tabel kunnen ook worden uitgezet in een grafiek waarbij de reflectiecoëfficiënten van beide beschouwde materialen (LRV1 en LRV2) met elkaar worden vergele- ken (zie afbeelding 7, p. 5). Hieruit blijkt dat het overlappingsgebied voor beide referentiedocumenten vrij groot is. Men dient evenwel op te merken dat de benadering volgens de ADAAG doorgaans gunstiger is voor oppervlakken met een lage reflectiecoëfficiënt (zwart, rood, bruin), terwijl de benadering volgens de Britse norm BS 8300 gewoonlijk gunstiger is voor oppervlakken met een hoge reflectiecoëfficiënt. Indien men zeker wil zijn van zijn zaak, is het dan ook aan te bevelen om kleuren te kiezen die zowel volgens de ADAAG als de BS 8300 een goed contrast opleveren (zie afbeelding 8, p. 5). 5 Besluit De bestaande normatieve documenten voor werkplaatsen bevatten reeds heel wat nuttige tips, wenken en richtwaarden om te komen tot een goede verlichting. Een dergelijke goede verlichting omvat echter heel wat meer dan louter en alleen maar een aangepaste verlichtingssterkte. Parameters zoals een gelijkmatige verlichting, een correcte luminantieverdeling, het voorkomen van verblinding en de correcte toepassing van contrasten zijn in deze context immers minstens even belangrijk. Teneinde te kunnen komen tot een geïntegreerde oplossing, zal het bijgevolg noodzakelijk zijn om al deze aspecten in overweging te nemen. n i Nuttige informatie Dit artikel kwam tot stand in het kader van de TIS-projecten Toegankelijkheid, aanpasbaarheid en innovatie in de woningbouw en Groen Licht Vlaanderen : energiebesparing met beter licht, met de financiële steun van het IWT. De Brusselse bouwprofessioneel kan voor nadere tekst en uitleg gratis terecht bij de Technologische Dienstverlening Ecobouwen en duurzame ontwikkeling in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest met de financiële steun van het IWOIB. Tabel 3 Contrast tussen een aantal RAL-kleuren, beoordeeld volgens de ADAAG en de BS Kleur RALkleurencode Theo retische reflectiecoëfficiënt (%) Gemeten reflectiecoëfficiënt (%) wit geel beige oranje roze groen grijs purper blauw bruin rood zwart zwart rood bruin blauw purper grijs groen roze oranje beige geel wit Legende : n : goed contrast, zowel volgens de ADAAG als de BS 8300 : aan te bevelen kleurgebruik. n : goed contrast volgens de ADAAG, aanvaardbaar contrast volgens de BS n : goed contrast volgens de ADAAG, zwak contrast volgens de BS n : goed contrast volgens de BS 8300, zwak contrast volgens de ADAAG. n : aanvaardbaar contrast volgens de BS 8300, zwak contrast volgens de ADAAG. : zwak contrast, zowel volgens de ADAAG als de BS : geel/blauw : goed contrast, zowel volgens de ADAAG als de BS : roze/beige : aanvaardbaar contrast volgens de BS 8300, zwak contrast volgens de ADAAG. : roze/groen : zwak contrast, zowel volgens de ADAAG als de BS WTCB-Dossiers Nr. 3/2009 Katern nr. 12 pagina 4

5 Reflectiecoëfficiënt 1 (%) zwak contrast Reflectiecoëfficiënt 2 (%) Afb. 7 Beoordeling van het luminantiecontrast tussen twee oppervlakken volgens de BS 8300 en de ADAAG. goed contrast volgens de ADAAG goed contrast volgens de BS 8300 aanvaardbaar contrast volgens de BS 8300 geel/blauw : goed contrast, zowel volgens de ADAAG als de BS 8300 roze/beige : aanvaardbaar contrast volgens de BS 8300, maar niet volgens de ADAAG roze/groen : zwak contrast, zowel volgens de ADAAG als de BS 8300 Reflectiecoëfficiënt 1 (%) zwak contrast Afb. 8 Contrast dat zowel voldoet aan de aanbevelingen uit de ADAAG als de BS goed contrast volgens de ADAAG goed contrast volgens de BS 8300 aanvaardbaar contrast volgens de BS 8300 n goed contrast, zowel volgens de ADAAG als de BS Reflectiecoëfficiënt 2 (%) t Literatuurlijst 1. Belgisch Instituut voor de Verlichtingskunde Code van goede praktijk voor binnenverlichting. Referentiedocument als aanvulling op de NBN EN norm. Brussel, BIV, British Standards Institution BS 8300 Design of Buildings and Their Approaches to Meet the Needs of Disabled People. Code of Practice. BSI, Londen, Bureau voor Normalisatie NBN EN Licht en verlichting. Werkplekverlichting. Deel 1 : binnenwerkplekken. Brussel, NBN, International Organization for Standardization ISO/DIS Building Construction. Accessibility and Usability of the Built Environment. Genève, ISO, z.d. 5. Renard C. Ongevallen met bouwelementen. Studie op basis van EHLASS-gegevens. België Brussel, Onderzoeks- en Informatiecentrum van de Verbruikersorganisaties (OIVO), maart U.S. Architectural and Transportation Barriers Compliance Board (Acces Board) Americans with Disabilities Act (ADA). Accessibility Guidelines for Buildings and Facilities. Washington, Access Board, september 2002 (http://www.access-board.gov/adaag/adaag.pdf). 7. Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid Gezondheidsenquête. België Brussel, WIV (Afdeling Epidemiologie), 2006 (http://www.iph.fgov.be/epidemio/epinl/crospnl/hisnl/his04nl/hisnl.pdf). WTCB-Dossiers Nr. 3/2009 Katern nr. 12 pagina 5

Evacuatie van personen met beperkte mobiliteit bij brand

Evacuatie van personen met beperkte mobiliteit bij brand Hoewel er eisen bestaan inzake de toegankelijkheid van openbare gebouwen voor personen met beperkte mobiliteit, worden er slechts weinig middelen ingezet om de evacuatie van deze personen in geval van

Nadere informatie

Voldoende lux op de werkplek is geen luxe. Maar dan zonder lichthinder.

Voldoende lux op de werkplek is geen luxe. Maar dan zonder lichthinder. Voldoende lux op de werkplek is geen luxe. Maar dan zonder lichthinder. Dat vergt een doordacht lichtontwerp: >> Maak optimaal gebruik van daglicht door: >> Goed ontwerp van ramen en andere lichtopeningen

Nadere informatie

DOSSIER EN 12464-1. 10.80 m 10.30 DE NORM, BONDIG BESCHREVEN. uitgave 2, juni 2012

DOSSIER EN 12464-1. 10.80 m 10.30 DE NORM, BONDIG BESCHREVEN. uitgave 2, juni 2012 DOSSIER EN 12464-1 10.80 m 10.30 500 500 DE NORM, BONDIG BESCHREVEN uitgave 2, juni 2012 500 500 Voorwoord EN 12464-1 is een toepassingsnorm voor verlichting. De oorspronkelijke norm werd geschreven door

Nadere informatie

Beveiliging van persoonsgegevens

Beveiliging van persoonsgegevens R e g i s t r a t i e k a m e r G.W. van Blarkom drs. J.J. Borking VOORWOORD Beveiliging van Achtergrondstudies en Verkenningen 23 G.W. van Blarkom drs. J.J. Borking Beveiliging van Achtergrondstudies

Nadere informatie

Menselijk gedrag bij vluchten uit gebouwen

Menselijk gedrag bij vluchten uit gebouwen Menselijk gedrag bij vluchten uit gebouwen Deel 1: Quick scan van de literatuur Deel 2: Onderzoeksprogrammering Amsterdam/Rotterdam, maart 2007 DSP-groep: Paul van Soomeren Hein Stienstra Jack Wever SBR:

Nadere informatie

Gids voor de preventie van psychosociale risico s op het werk

Gids voor de preventie van psychosociale risico s op het werk Zo duidelijk zijn de signalen nooit, Leer ze herkennen en doe er samen iets aan! Gids voor de preventie van psychosociale risico s op het werk Deze publicatie is gratis te verkrijgen: Telefonisch op het

Nadere informatie

Vluchten op rolletjes

Vluchten op rolletjes Vluchten op rolletjes een verkenning naar de mogelijkheden van roltrappen in vluchtroutes als gelijkwaardige oplossing Rijswijk, Mei 2007 Status: vastgesteld in LNB van de NVBR, 3 mei 2007 opdrachtgever:

Nadere informatie

EERST LEZEN DAN GENEZEN. Consumentenstudie over het gebruik van de patiëntenbijsluiter

EERST LEZEN DAN GENEZEN. Consumentenstudie over het gebruik van de patiëntenbijsluiter EERST LEZEN DAN GENEZEN Consumentenstudie over het gebruik van de patiëntenbijsluiter In samenwerking met de Vrije Universiteit Brussel, in het kader van een Masterthesis Farmaceutische Wetenschappen Juni

Nadere informatie

WTCB EEN UITGAVE VAN HET WETENSCHAPPELIJK EN TECHNISCH CENTRUM VOOR HET BOUWBEDRIJF

WTCB EEN UITGAVE VAN HET WETENSCHAPPELIJK EN TECHNISCH CENTRUM VOOR HET BOUWBEDRIJF WTCB EEN UITGAVE VAN HET WETENSCHAPPELIJK EN TECHNISCH CENTRUM VOOR HET BOUWBEDRIJF Foto: ISOMO nv ISSN 0577-2028 TECHNISCHE VOORLICHTING 246 NA-ISOLATIE VAN SPOUWMUREN DOOR HET OPVULLEN VAN DE LUCHTSPOUW

Nadere informatie

HOOFDSTUK 4 ONTWERPRICHTLIJNEN VOOR FIETSVOORZIENINGEN

HOOFDSTUK 4 ONTWERPRICHTLIJNEN VOOR FIETSVOORZIENINGEN HOOFDSTUK 4 ONTWERPRICHTLIJNEN VOOR FIETSVOORZIENINGEN 4.0 INLEIDING De hoger beschreven hiërarchisch opgebouwde fietsroutenetwerken worden geconcretiseerd door middel van fietsvoorzieningen die verschillende

Nadere informatie

Enquête over voedingsgebonden gedrag en voedingspatronen

Enquête over voedingsgebonden gedrag en voedingspatronen Université Libre de Bruxelles CREATIC/CPSO F.Rooseveltlaan 50 CP1 B-1050 Brussel + 75 890 9 56 rpatess@ulb.ac.be Enquête over voedingsgebonden gedrag en voedingspatronen RESULTATEN VAN DE ENQUETE EINDVERSLAG

Nadere informatie

stiltegebieden in Vlaanderen Leidraad bij het creëren van een landelijk stiltegebied

stiltegebieden in Vlaanderen Leidraad bij het creëren van een landelijk stiltegebied stiltegebieden in Vlaanderen Leidraad bij het creëren van een landelijk stiltegebied stiltegebieden in Vlaanderen Leidraad bij het creëren van een landelijk stiltegebied inhoud INLEIDING 5 1 Waarom zorg

Nadere informatie

Kinderen met een handicap in Tel

Kinderen met een handicap in Tel Kinderen met een handicap in Tel Kerngegevens per provincie, gemeente en wijk Bas Tierolf Dick Oudenampsen Kinderen met een handicap in Tel Kerngegevens per provincie, gemeente en wijk Bas Tierolf Dick

Nadere informatie

EEN PREVENTIEF ALCOHOL- EN DRUGSBELEID IN DE ONDERNEMING

EEN PREVENTIEF ALCOHOL- EN DRUGSBELEID IN DE ONDERNEMING EEN PREVENTIEF ALCOHOL- EN DRUGSBELEID IN DE ONDERNEMING In overleg werken aan preventie Collectieve arbeidsovereenkomst nr. 100 Blijde Inkomstlaan, 17-21 - 1040 Brussel Tel: 02 233 88 11 - Fax: 02 233

Nadere informatie

Strategische planning voor het lokaal sociaal beleid een handleiding

Strategische planning voor het lokaal sociaal beleid een handleiding lokaal sociaal beleid Strategische planning voor het lokaal sociaal beleid Strategische planning voor het lokaal sociaal beleid een handleiding lokaal sociaal beleid Strategische planning voor het lokaal

Nadere informatie

Het gebruik van röngenstralen in de tandheelkunde

Het gebruik van röngenstralen in de tandheelkunde Het gebruik van röngenstralen in de tandheelkunde 1 2 Inhoud Woord vooraf Verantwoording van de te doorlopen stappen 1 De regelgeving en haar achtergronden 7 9 11 1.1 De regelgeving in internationale context:

Nadere informatie

Inclusief onderwijs en de praktijk in de klas in het voortgezet onderwijs

Inclusief onderwijs en de praktijk in de klas in het voortgezet onderwijs Inclusief onderwijs en de praktijk in de klas in het voortgezet onderwijs Samenvattend Rapport 2005 European Agency for Development in Special Needs Education Dit rapport is geschreven en uitgegeven door

Nadere informatie

Van school naar werk.

Van school naar werk. Van school naar werk. Samen werken aan een veilige en gezonde loopbaan Visies en ideeën voor een preventiecultuur bij jongeren Inhoud Inleiding... 4 Assuralia en de jongeren... 5 Deel I : Jongeren en

Nadere informatie

4.8 FIETSHELLINGEN HOOFDSTUK 4 - ONTWERPRICHTLIJNEN VOOR FIETSVOORZIENINGEN (VERSIE APRIL 2012)

4.8 FIETSHELLINGEN HOOFDSTUK 4 - ONTWERPRICHTLIJNEN VOOR FIETSVOORZIENINGEN (VERSIE APRIL 2012) 4.8 FIETSHELLINGEN In Vlaanderen worden fietsers geconfronteerd met verschillende soorten hellingen: hellende wegen in een heuvelachtig gebied; kunstmatige hellingen van viaducten, bruggen of tunnels.

Nadere informatie

De boete belicht november 2014. Colofon. Nummer R 14/05 ISSN 1388-8733 ISBN. 978-90-5079-273-8 Datum. November 2014.

De boete belicht november 2014. Colofon. Nummer R 14/05 ISSN 1388-8733 ISBN. 978-90-5079-273-8 Datum. November 2014. De boete belicht Colofon Programma Inkomenszekerheid Nummer R 14/05 ISSN 1388-8733 ISBN 978-90-5079-273-8 Datum November 2014 Pagina 2 van 51 Voorwoord De Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving,

Nadere informatie

SAMENVATTING. Kenmerken van leerprocessen

SAMENVATTING. Kenmerken van leerprocessen SAMENVATTING Dit verslag gaat over de vraag hoe leerprocessen die plaatsvinden buiten het officiële circuit van onderwijs- en opleidingsinstellingen (het formeel onderwijs) beter herkenbaar kunnen worden

Nadere informatie

DE ZONNEBLOEM OOK VOOR 40-65 JARIGEN

DE ZONNEBLOEM OOK VOOR 40-65 JARIGEN DE ZONNEBLOEM OOK VOOR 40-65 JARIGEN Uitgevoerd in opdracht van de Zonnebloem provincie Overijssel Bacheloropdracht Technische Bedrijfskunde Roel Kikkert September 2010 Enschede Begeleider UT: Dr. R. van

Nadere informatie

EFFECTEN VAN ZACHTE KENMERKEN OP DE

EFFECTEN VAN ZACHTE KENMERKEN OP DE EFFECTEN VAN ZACHTE KENMERKEN OP DE REÏNTEGRATIE VAN DE WWB, WW EN AO POPULATIE EEN LITERATUURSTUDIE Opdrachtgever Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Arie Gelderblom Jaap de Koning m.m.v.

Nadere informatie

SELECTIE EN GEBRUIK VAN ADEMHALINGS- BESCHERMINGSMIDDELEN

SELECTIE EN GEBRUIK VAN ADEMHALINGS- BESCHERMINGSMIDDELEN SELECTIE EN GEBRUIK VAN ADEMHALINGS- BESCHERMINGSMIDDELEN Nederlandse Vereniging voor Arbeidshygiëne Werkgroep Ademhalingsbescherming Leden Werkgroep Ademhalingsbescherming NVvA S.J. Veenstra, voorzitter

Nadere informatie

Financiële audit van het stelsel van dienstencheques voor buurtdiensten en -banen. PwC

Financiële audit van het stelsel van dienstencheques voor buurtdiensten en -banen. PwC Financiële audit van het stelsel van dienstencheques voor buurtdiensten en -banen PwC Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze opgave mag worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand

Nadere informatie

1 De relatie tussen werk en gezondheid

1 De relatie tussen werk en gezondheid 1 De relatie tussen werk en gezondheid J.H.A.M. Verbeek en P.B.A. Smits De relatie tussen werk en gezondheid is medisch interessant en complex. Werk heeft voor de meeste mensen een positieve functie die

Nadere informatie

Juni 2014 Zijn werknemers van 50 jaar te duur? De component leeftijd in de loonvorming

Juni 2014 Zijn werknemers van 50 jaar te duur? De component leeftijd in de loonvorming Zijn werknemers van 5 jaar te duur? De component leeftijd in de loonvorming Y. Saks Inleiding De werkgelegenheidsgraad van de 55-64-jarigen bedraagt in België 4 % (1), dat is 9 procentpunt onder het Europese

Nadere informatie

Wat heeft een gezin minimaal nodig? Een budgetstandaard voor Vlaanderen*

Wat heeft een gezin minimaal nodig? Een budgetstandaard voor Vlaanderen* Wat heeft een gezin minimaal nodig? Een budgetstandaard voor Vlaanderen* Bérénice Storms Karel Van den Bosch Mei 2009 * Dit CSB-Bericht is een samenvatting van Storms, B. en Van den Bosch, K. (red.), Wat

Nadere informatie

BIVV OBSERVATORIUM VOOR DE VERKEERSVEILIGHEID. Verlaagde alcohollimiet voor onervaren bestuurders en voor bestuurders van grote voertuigen: 0,2

BIVV OBSERVATORIUM VOOR DE VERKEERSVEILIGHEID. Verlaagde alcohollimiet voor onervaren bestuurders en voor bestuurders van grote voertuigen: 0,2 BIVV OBSERVATORIUM VOOR DE VERKEERSVEILIGHEID Verlaagde alcohollimiet voor onervaren bestuurders en voor bestuurders van grote voertuigen: 0,2 Auteur: E. Dupont, H. Martensen & P. Silverans Verantwoordelijke

Nadere informatie

Sociale uitsluiting bij kinderen: omvang en achtergronden

Sociale uitsluiting bij kinderen: omvang en achtergronden Sociale uitsluiting bij kinderen: omvang en achtergronden Sociale uitsluiting bij kinderen: omvang en achtergronden Annette Roest Anne Marike Lokhorst Cok Vrooman Sociaal en Cultureel Planbureau Den Haag,

Nadere informatie