Kwaliteit voor Jeugd. Januari 2012

Save this PDF as:
 WORD  PNG  TXT  JPG

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Kwaliteit voor Jeugd. Januari 2012"

Transcriptie

1 Kwaliteit voor Jeugd Januari 2012

2 Opstellers: Ruud van Herk (DJ) Eva van den Heuvel (DJ) Eline Moerenhout (DJJ) Sabina Postma (DPG) Gerard Ruis (DJ) Michelle Vogels (DJ) 2

3 Samenvatting Er is in de zorg voor jeugd veel discussie of het succes van hulpverlening vooral afhangt van een goede relatie tussen de jeugdige en de beroepsbeoefenaar, van positieve verwachtingen van de jeugdige, of van vastomlijnde methodieken. Vaak wordt dan verwezen naar de veel geciteerde publicaties van Lambert 1. Hij stelt dat 55% van het succes van de hulpverlening komt door factoren buiten de therapie (40%), en door placebo-effecten (15%). De beroepsbeoefenaren zouden 30% voor hun rekening nemen, een specifieke methodiek zou voor 15% bijdragen aan het succes van een behandeling. In dit rapport wordt deze discussie niet beslecht. Wel worden de verhoudingen geschetst tussen factoren die van invloed zijn op het succes van ondersteuning of een behandeling. In dit ambtelijk rapport worden (bestaande) instrumenten beschreven die de kwaliteit van zorg aan en ondersteuning van jeugdigen en hun ouders beïnvloeden. Het rapport beperkt zich tot de volgende vier deelgebieden binnen de zorg voor jeugd: 1 de jeugdgezondheidszorg; 2 het lokaal preventief jeugdbeleid; 3 de geïndiceerde jeugdzorg; en 4 de justitiële jeugdzorg. Per deelgebied zijn activiteiten en instrumenten geïnventariseerd, die een bijdrage leveren aan de kwaliteitsverbetering binnen de zorg voor jeugd. Het gaat daarbij om activiteiten en instrumenten die zich richten op de volgende dimensies (volgens het waterdruppelmodel): 1. De cliënt, 2. De beroepsbeoefenaar, 3. Instrumenten, 4. De organisatie. Door middel van vergelijking kunnen veldpartijen, ambtenaren, bestuurders van elkaar leren. Het rapport moet bijdragen aan het ontwikkelen van reële verwachtingen van het zorg- en hulpverleningsproces. De cliënt staat altijd centraal. Van hem of haar wordt verwacht dat hij/zij (zo mogelijk) een actieve rol inneemt in het hulp- /zorgverleningsproces. Wederzijds vertrouwen is bij het aangaan van een zorg- of hulpverleningsrelatie noodzakelijk en kenmerkt de alliantie tussen jeugdige/cliënt en beroepsbeoefenaar. Beroepsbeoefenaren zijn verantwoordelijk voor het definiëren en het bieden van inhoudelijke kwaliteit van de zorg, met een onderscheid tussen bevoegdheid en bekwaamheid; Het management van organisaties dient zodanige randvoorwaarden te creëren dat zowel jeugdigen als beroepsbeoefenaren ook hun verantwoordelijkheid kunnen nemen. Bij alles wat een ieder doet rond de cliënt dient te worden bedacht: wat is de bijzonder toegevoegde waarde van de te ondernemen actie voor de cliënt? Als er geen toegevoegde waarde benoemd kan worden, kunnen cliënten, beroepsbeoefenaren, organisaties en financiers andere keuzes maken. 1 Lambert (1992); Assay & Lambert (1999); * Wampold (2001). The great psychotherapy debate: Models, methods and findings. Mahwah, NJ: Lawrence Erlbaum. 3

4 Inhoudsopgave Inleiding Invloed van factoren op het succes van een behandeling Beoordelingskader: het waterdruppelmodel De cliënt De beroepsbeoefenaren Instrumenten Organisaties Waterdruppelmodel jeugdgezondheidszorg De cliënt De beroepsbeoefenaren Instrumenten Organisaties Waterdruppelmodel lokaal preventief jeugdbeleid De cliënt De beroepsbeoefenaren Instrumenten Organisaties Waterdruppelmodel geïndiceerde jeugdzorg De cliënt De beroepsbeoefenaren Instrumenten Organisaties Waterdruppelmodel justitiële jeugdzorg De cliënt De beroepsbeoefenaren Instrumenten Organisaties Vergelijking Suggesties voor een kwaliteitsbeleid Bijlage 1: Kennisinstituten Bijlage 2: Databanken

5 Inleiding Aanleiding De zorg voor jeugd maakt op het vlak van kwaliteitsverbetering een stormachtige ontwikkeling door. Zowel vanuit het veld als de rijksoverheid zijn initiatieven gestart voor het professionaliseren van beroepsbeoefenaren en het meten van de effectiviteit van methoden. Omdat de initiatieven van de rijksoverheid afkomstig zijn van verschillende afdelingen en directies is de samenhang niet altijd helder. In 2004 werden, in het kader van de Operatie Jong, een aantal knelpunten gesignaleerd 2 in het jeugdzorgbeleid van voorgaande jaren die nu nog als zodanig worden herkend. Overheidsgeld wordt nog te vaak versnipperd over projecten, er worden geen gemeenschappelijke uitgangspunten gehanteerd en er worden te weinig consequenties verbonden aan proefprogramma s en interventies. Ook is de kennis van de praktijk in geringe mate te sectoraal beschikbaar en is deze informatievoorziening nog te weinig ingericht vanuit de werking van de jeugdketen. Sinds 2004 zijn voor een coherent kwaliteitsbeleid een aantal forse stappen gezet, die in de volgende hoofdstukken zullen worden benoemd. De verschillende deelgebieden in de zorg voor jeugd hebben het voornemen om, weliswaar in hun eigen tempo, een samenhangende verbeterslag te maken op het vlak van kwaliteit van hulpverlening en zorg. Opdracht en doel De directie Jeugd heeft ambtenaren van de afdeling Lokale Jeugdzorg en Geïndiceerde Jeugdzorg op 20 april 2010 de opdracht gegeven om (met behulp van het waterdruppelmodel dat in hoofdstuk 2 wordt behandeld) een inventarisatie te maken van de al aanwezige instrumenten ter verbetering van de kwaliteit en professionaliteit van de zorg voor jeugd. Ook de Directie Justitiële Jeugdzorg en de directie Publieke Gezondheid zijn hierbij betrokken De inventarisatie heeft vooralsnog betrekking op de volgende deelgebieden: de jeugdgezondheidszorg, lokaal preventief jeugdbeleid, de geïndiceerde jeugdzorg en de justitiële jeugdzorg. Aan de hand van de opgedane kennis kan worden bekeken of bestaande instrumenten breder kunnen worden ingezet of dat er nog blinde vlekken zijn. Op basis van de bevindingen zijn uitgangspunten geformuleerd op het (verder) professionaliseren van beroepsbeoefenaren, de in te zetten (hulp)middelen voor beroepsmatig handelen en de te gebruiken instrumenten voor het zichtbaar maken en beoordelen van de kwaliteit van organisaties en zorg. Dit rapport levert onder meer input voor adviesvragen aan adviesraden, de programmering van ZonMw, stelselwijziging jeugd en het beleid van betrokken directies. Afbakening In dit rapport worden kwaliteitstrajecten in vier deelgebieden van de jeugdsector geïnventariseerd, namelijk: 1. de jeugdgezondheidszorg; 2. het lokaal preventief jeugdbeleid; 3. de geïndiceerde jeugdzorg; 4. de justitiële jeugdzorg. 2 Ministerie van VWS (2004) Plan van aanpak Kwaliteit en effectiviteit van preventieve, curatieve en repressieve programma s, Den Haag. 5

6 De jeugdgezondheidszorg maakt onderdeel uit van de publieke gezondheidszorg (OGZ). De jeugdgezondheidszorg wordt ook meegenomen met kwaliteitstrajecten op het gebied van de gezondheidszorg, zoals de oprichting van een Nationaal Kwaliteitsinstituut Gezondheidszorg. De overige drie deelgebieden komen voort uit de welzijns- en jeugdbeschermingsector. Vooralsnog beperkt het rapport zich tot deze deelgebieden. In een later stadium is uitbreiding naar aanpalende deelgebieden mogelijk. Zorg voor jeugdigen buiten het nieuwe stelsel wordt ook door andere organisaties aangeboden zoals het onderwijs, de pedagogische basisvoorzieningen, de eerste en tweedelijns gezondheidszorg, de geestelijke gezondheidszorg, de (licht)verstandelijk gehandicaptenzorg en het welzijnswerk. Leeswijzer In hoofdstuk 1 worden, middels het model van Lambert, factoren gepresenteerd die van invloed zijn op het succes van een behandeling. Van belang is dat dit model de verhoudingen weergeeft tussen verschillende dimensies. Hoewel het model van Lambert zijn oorsprong vindt in de psychiatrie kan het dienst doen als inspiratiemodel voor de zorg voor jeugd. Voor de zorg voor jeugd is het waterdruppelmodel (hoofdstuk 2) als benadering gekozen. Dit nieuwe model bestaat uit de volgende dimensies: de jeugdige, de beroepsbeoefenaar, de (hulp)middelen voor beroepsmatig handelen en de organisatie. Langs de lat van dit model worden in de hoofdstukken 3,4,5 en 6 per deelgebied de instrumenten geïnventariseerd voor de professionalisering van beroepsbeoefenaren, de (hulp)middelen voor beroepsmatig handelen en de instrumenten voor het beoordelen van de kwaliteit van een organisatie en zorg. Na deze inventarisatie zijn de verschillende deelgebieden met elkaar vergeleken (hoofdstuk 7). Tenslotte worden in hoofdstuk 8 suggesties voor een kwaliteitbeleid meegegeven. 6

7 1 Invloed van factoren op het succes van een behandeling Er is in de zorg voor jeugd veel discussie of het succes van hulpverlening vooral afhangt van een goede relatie van de jeugdige met de beroepsbeoefenaar, van positieve verwachtingen van de jeugdige, of van vastomlijnde methodieken. Vaak wordt dan verwezen naar de veelgeciteerde publicaties van Lambert 3. Hij stelt dat 55% van het succes van de hulpverlening komt door factoren buiten de therapie (40%), en door placebo-effecten (15%). De beroepsbeoefenaren zouden 30% voor hun rekening nemen, een specifieke methodiek zou voor 15% bijdragen aan het succes van een behandeling. Kortom, bij hulpverlening komt ruim de helft van de verbetering bij de jeugdige door factoren die niet direct met de behandeling te maken hebben. In dit rapport wordt deze discussie niet beslecht. Wel worden de verhoudingen geschetst tussen factoren die van invloed zijn op het succes van een behandeling. Daarbij komt dat het onderzoek van Lambert en collega s zijn oorsprong vindt in de psychiatrie. De uitkomsten van deze studie kunnen ook relevant zijn voor het bredere domein van zorg voor jeugd. Factor en aandeel effectiviteit van behandeling 15% 40% Buiten-therapeutische factoren (cliënt- en omgevingsfactoren) Placebo-effect (o.a. hoop en verw achting) 30% 15% Beroepsbeoefenaren (o.a. relatie cliënt en hulpverlener) Specifieke methodiek/ therapeutische techniek Wanneer we kijken naar het wetenschappelijk bewijs voor de mate van clinical evidence in de gezondheidszorg, dan zijn er geen exacte cijfers te geven van het aantal bewezen effectieve handelingen. Er zijn levendige discussies over de mate waarin effectieve handelingen nu door artsen worden toegepast. Als maatstaf kan worden verwezen naar het tijdschrift Clinical Evidence van de British Medical Journal. Dit tijdschrift publiceert elk half jaar een update van het percentage bewezen effectieve methoden op basis van onderzoek waarin gebruik wordt gemaakt van Randomised Controlled Trails (RCT) 4. Wat hierin opvalt dat de 15% van Lambert niet wordt gehaald. Het is niet zo dat artsen in 89 % van de gevallen niet weten wat ze doen. Bij 23% van de gebruikte interventies zijn er indicaties over de werkzaamheid. Bij veel andere behandelingen heeft men veelal practice 3 Lambert (1992); Assay & Lambert (1999); * Wampold (2001). The great psychotherapy debate: Models, methods and findings. Mahwah, NJ: Lawrence Erlbaum. 4 How much do we know? 7

8 based kennis over de werkzaamheid ervan, maar ontbreekt wetenschappelijk bewijs van op RCT gebaseerd onderzoek. Over de mate waarin de toegepaste methoden in de zorg voor jeugd werken is minder bekend. Veel wordt vermoed, weinig is zeker. Schattingen over instrumenten in de jeugdzorg lopen uiteen van nul effect door Weisz 5 tot kleine of matige effecten volgens Van Yperen 6. Veerman en Van Yperen schatten dat hooguit 5% van de in de jeugdzorgpraktijk uitgevoerde interventies het predicaat evidence based kunnen verwerven 7. Drost stelde in zijn proefschrift over de werkzaamheid van methoden in justitiële jeugdinrichtingen dat verschillen in uitkomsten vooral worden bepaald door verschillen in de kwaliteit van de hulpverlener 8. In een recent promotieonderzoek naar factoren die een effect bij kinderen in gesloten jeugdzorg verklaren, stelt Harder dat het instrument een beperkte invloed heeft en dat naast cliëntfactoren de cliënt-beroepsbeoefenaar relatie een factor van belang is 9. Voor de zorg voor jeugd kan de taart van Lambert dienen als een inspiratiemodel. De exacte percentages van de diverse onderdelen in de taart zijn in dit rapport niet van belang. Het gaat vooral om het inzicht dat aan verschillende dimensies (cliënten, beroepsbeoefenaar, en instrumenten), effecten bij jeugdigen kunnen worden toegeschreven. Op het aspect placebo-effect gaat deze nota niet in. In plaats daarvan is de entiteit organisatie toegevoegd, alleen al omdat goed functionerende organisaties goed personeel weten te behouden, hetgeen een effect heeft op de kwaliteit van zorg. Dit alles heeft geleid tot het in de volgende paragraaf te bespreken waterdruppelmodel. 5 Weisz, J.R., Donenberg, G.R., Han, S.S. & Kaunuckis, D. (1995). Child and adolescent psychotherapy outcomes in experiments versus clinics: why the disparity? Journal of Abnormal Child Psychology, 23, Yperen, T.A. van (2005). Hoe effectief is de jeugdzorgpraktijk? Kind en Adolescent, 26, p Yperen, T.A. van, & Veerman, J.W. (2011). Bij bouwwerk komt een ladder van pas. Reactie op de oratie van Geert Jan Stams. Orthopedagogiek: Onderzoek en Praktijk, 50, Drost, J. (2008), Residentiele justitiële opvoeding en houding van jongens ten opzichte van sociale grenzen, Groningen. 9 Harder, A.T. (2011), The downside up. A study of factors associated with a successful course of treatment for adolescents in secure residential care, Groningen. 8

9 2 Beoordelingskader: het waterdruppelmodel De kwaliteit van zorg voor een jeugdige kan herleid worden tot vier dimensies: de cliënt, de beroepsbeoefenaar, het instrument en de organisatie. Het waterdruppelmodel 10 geeft deze dimensies weer. Op iedere dimensie kan inzet worden gepleegd voor het bevorderen van de kwaliteit van zorg. In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van deze dimensies. Aan de hand van het waterdruppelmodel worden per deelgebied de instrumenten voor de professionalisering van beroepsbeoefenaren, de (hulp)middelen voor beroepsmatig handelen en de instrumenten voor het beoordelen van de kwaliteit van organisaties en zorg geïnventariseerd. 2.1 De cliënt In het waterdruppelmodel staat de cliënt centraal. Behalve de jeugdige zelf spelen ook zijn ouders of mensen uit zijn omgeving een rol spelen in de ondersteuning dan wel hulpverlening aan de jeugdige. Er zijn factoren aan te wijzen die met zorg voor jeugd niet beïnvloedbaar zijn, zoals IQ, leeftijd en in mindere mate de woonomgeving. Recent groeit de vraag welke cliëntkenmerken samenhangen met de kans op een succesvolle behandeluitkomst. Uit onderzoek 11 blijkt dat er verschillende cliëntkenmerken zijn aan te wijzen die betrouwbare voorspellers zijn van een positieve uitkomst van het hulpverleningsproces: hun hechtingsstijl, vermogen om relaties aan te gaan, motivatie voor verandering, contactuele vaardigheden, openheid en bereidheid om actief mee te gaan in de taken en uitdagingen die preventie en hulpverlening stelt. Dit geldt ook voor niveau van functioneren van jeugdige voor de start van de behandeling, voor hun geestelijke gezondheid, sociale contacten, intelligentie, planningsvaardigheid en sociaaleconomische status. Naast de ouders is de sociale omgeving (familie, vrienden, school, sport, de wijk, etc.) ook een factor van belang bij het realiseren van een gedragsverandering. Het wetenschappelijk onderzoek naar cliëntkenmerken staat echter nog in de kinderschoenen. Kennis over deze factoren is belangrijk voor professionals om te bepalen welke instrumenten kunnen worden ingezet bij welke jeugdige. 10 Het waterdruppelmodel is in 2009 ontwikkeld door de ministeries van VWS en V&J. 11 Pijnenburg, H. (2010) Zorgen dat het werkt. Werkzame factoren in de zorg voor jeugd. Arnhem/Nijmegen: SWP en Hogeschool Arnhem-Nijmegen. 9

10 Cliënten hebben zelf ook hun mening over en ervaringen met de kwaliteit van geleverde (jeugd)zorg en benadrukken specifieke kwaliteitsaspecten van zorg. Kwaliteit is namelijk een complex begrip, dat diverse aspecten kent zoals therapeutische, technische, organisationele, relationele en economische aspecten. Deze aspecten worden door actoren verschillend gewaardeerd. De beroepsbeoefenaar heeft meer met therapeutische en technische aspecten, de manager meer met organisationele en economische aspecten, en de jeugdige hecht veelal het meest aan organisationele en relationele aspecten van kwaliteit. Geoperationaliseerd komt dit qua organisationele aspecten neer op aandacht voor bereikbaarheid en toegankelijkheid van jeugd(zorg)voorzieningen (dicht bij huis, zonder wachtlijst beschikbaar). Relationele aspecten van kwaliteit zijn zaken als privacy, bejegening en persoonlijke autonomie 12, die veelal worden verwoord in termen van leren luisteren naar de cliënt, samenwerken met de cliënt, het bestaan van wederzijds vertrouwen, etc. Deze aspecten komen dan ook pregnant terug in instrumenten voor het beoordelen van de kwaliteit van zorg door cliënten. 2.2 De beroepsbeoefenaren De volgende dimensie die effect heeft op de kwaliteit van zorg is de beroepsbeoefenaar. Verschil tussen beroep en professie Een professie is een bijzonder beroep, in die zin dat een professie zichzelf reguleert. Hiervoor brengen zij een gemeenschap van gelijken tot stand, gebaseerd op gedeelde deskundigheid, collegialiteit en een gezamenlijke beleving van waarden. In ruil krijgen professionals het vertrouwen van burgers en krijgen zij (relatieve) vrijheid om de kwaliteit van geleverde beroepsuitoefening zelf te reguleren via een register, ethische code en een tuchtrecht. Dit verplicht de beroepsbeoefenaar ertoe zijn kennis en vaardigheden goed op peil te houden, zodat de jeugdige erop kan vertrouwen dat hem op de beste manier hulp wordt geboden. In de volgende paragraaf worden de vereisten genoemd voor een geprofessionaliseerd beroep. Beroepsbeoefenaren kunnen zich aansluiten bij een beroepsvereniging. Beroepsverenigingen waken over de kwaliteit van een professie. Zij registreren hun leden als bevoegd als deze voldoen aan de door de beroepsgroep zelf gestelde eisen ten aanzien van kennis en ervaring. De beroepsverenigingen stellen een beroepsprofiel op. Dit profiel beschrijft het kennis- en ervaringsdomein van beroepsbeoefenaren, alsook de meest voorkomende handelingen. In samenwerking met opleidingen kunnen competentieprofielen worden ontwikkeld. Zo n profiel maakt duidelijk over welke competenties een beroepsbeoefenaar moet beschikken om het vak adequaat uit te kunnen oefenen. De beroepsvereniging biedt aan haar leden een platform voor de uitwisseling van kennis. Om tot het beroep te worden toegelaten stellen beroepsverenigingen een beroepsregister in, waarvoor toelatingseisen worden gedefinieerd in termen van opleiding, supervisie, intervisie en geregelde na- en bijscholing. Ook zal worden verwacht dat de beroepsbeoefenaar werkt met door de beroepsgroep ontwikkelde richtlijnen, waarvan altijd beargumenteerd en geregistreerd mag worden afgeweken. Door een verplichte (vijfjaarlijkse) herregistratie zal een beroepsbeoefenaar zijn werkzame leven lang moeten bijleren om zijn registratie te behouden. De gedeelde waarden van beroepsbeoefenaren worden door de beroepsvereniging verwoord in een ethische code of beroepscode. Een beroepscode is een geheel van vastgelegde waarden en normen van een beroep die als leidraad dienen voor een goede beroepsuitoefening. Het geeft andere beroepsbeoefenaren en (potentiële) zorgvragers inzicht in de normen en waarden die binnen de beroepsgroep gebruikelijk zijn. Wanneer cliënten, burgers of collega s twijfels hebben over het professioneel handelen van een geregistreerde 12 Salisbury, C. (1989) How do people choose their doctor? British Medical Journal, 299,

11 beroepsbeoefenaar in een bepaalde casus, dan kan een klacht worden ingediend bij het tuchtrecht van de verenging. Het tuchtcollege beoordeelt het handelen van de professional aan de hand van de ethische code en state of the art en kan professionals berispen (ter lering) dan wel ernstig falende beroepsbeoefenaren uit het register schrappen (bestraffing). In dat laatste geval beschermt de beroepsgroep de samenleving zelf voor ondermaatse beroepsuitoefening. De zelfregulering van beroepen kan per onderdeel (opleidingseisen, register, code, richtlijnen, tuchtrecht) verschillen. De meest vergaande zelfregulering is de vorm die wettelijk wordt vastgelegd, zoals de zelfregulering van artsen, notarissen, advocaten, het notariaat, het loodswezen, dierengeneeskundigen, etc. Tot slot dient een continu zichzelf vernieuwend kwaliteitsbeleid ervoor te zorgen dat beroepsbeoefenaren de kwaliteit van hun handelen naar de burgers toe blijven verantwoorden om zo hun zelfregulering te behouden. 2.3 Instrumenten Naast de jeugdige en de beroepsbeoefenaar zijn ook de te gebruiken (hulp)middelen van invloed op de informatievoorziening, begeleiding of behandeluitkomst. Kennisinstituten In de deelgebieden die in dit rapport worden besproken zijn onder meer de volgende kennisinstituten actief: ZonMw, het Nederlands Jeugdinstituut (NJi), het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid (NCJ), het RIVM/Centrum Gezond Leven (CGL), het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatie Centrum (WODC) en Movisie. Zie bijlage 1 voor een nadere beschrijving van de taken van ieder kennisinstituut. Voor alle deelgebieden moet onder de aandacht worden gebracht het primair onderzoek aan de universiteiten en meer praktijkgericht onderzoek aan de hogescholen, waaruit voor dit rapport rijkelijk is geput. Kennisontwikkeling Op basis van de stand van de wetenschap, zo mogelijk vertaald in richtlijnen, en zijn professionele kennis en kunde zal de beroepsbeoefenaar tot een oordeel komen. Beroepsbeoefenaren die ervaring hebben met een doelgroep handelen vaak op basis van praktijkinzichten over wat lijkt te werken. Dit wordt dan ook wel een practice based methode genoemd. Deze resultaten zijn (nog) niet wetenschappelijk getoetst. Besluitvorming over het gebruik van methoden kan echter ook op andere goede gronden worden gebaseerd, bijvoorbeeld ethical based, consensus based of expert based of client-based. Allereerst zal een beroepsbeoefenaar ethisch handelen. Los van beschikbaar bewijs voor het gebruik van bepaalde instrumenten, kan hij zich laten leiden door zijn (beroeps)waarden en normen. Bij consensus based evidence kan men denken aan richtlijnontwikkeling op basis van consensusbijeenkomsten. Er is nog geen hard wetenschappelijk bewijs voor de keuze van een bepaald instrument voor het vaststellen van een probleem of behandeling. Door veel beroepsbeoefenaren bijeen te roepen kan in een grote conferentie gewerkt worden aan een consensus op hoofdlijnen, van waaruit richting kan worden gegeven aan verder onderzoek. Hiermee wordt min of meer de bestaande praktijk gelegitimeerd. Een stap verder is besluitvorming op basis van expert based evidence. Hypothesen van leidende wetenschappers binnen de beroepsgroep zetten de toon, maar de werkzaamheid van de gekozen instrumenten of interventies zijn nog niet bewezen. Vervolgens is er evidence based evidence. Het bewijs is verkregen door het vergelijken van diverse gestandaardiseerde kwantitatieve wetenschappelijke onderzoeken over een zelfde cliëntpopulatie met dezelfde probleemkenmerken. Tot slot kunnen beroepsbeoefenaren ook client-based hun besluiten nemen. Er wordt in dat verband ook wel van een dialooggestuurde hulpverlening gesproken. Kern daarbij is dat inzichten over wat werkt mede bepaald worden door opvattingen en ervaringen van jeugdigen. 11

12 Onderzoeksprogramma s Op dit moment lopen er meerdere onderzoeksprogramma s die in de beschrijvingen van de waterdruppelmodellen per deelgebied worden toegelicht. Effectiviteitonderzoek In Nederland wordt in de zorg voor jeugd gebruik gemaakt van een veelvoud aan methoden, waaronder veel practice-based methoden. Om te komen tot een beperkter aantal daadwerkelijk effectieve methoden heeft het overheidsbeleid van de laatste jaren zich gericht op wetenschappelijke effectiviteitonderzoek. De effectiviteit van methoden kan op verschillende manieren worden onderzocht. Per deelgebied zal de stand van effectiviteitonderzoek worden besproken. Hierbij moet in ogenschouw worden genomen dat methoden voor lichte gedragsproblematiek (informatie, advies, hulp en begeleiding) zeer effectief kunnen zijn, maar dat dit moeilijk valt aan te tonen. Het maximale resultaat betreft bij lichte problematiek een kleine gedragsverandering in een dynamische context, waarbij het moeilijk is dit effect toe te rekenen aan louter het gehanteerde instrument. Het tegenovergestelde geldt voor de meest zware problematiek. Daar is de kans het grootst om effecten op gedrag van cliënten te meten en toe te kunnen schrijven aan het gehanteerde instrumentarium. Dataverzameling In de domein van de brede zorg voor jeugd wordt door beroepsbeoefenaren en instellingen veel data verzameld voor inhoudelijke en financiële verantwoording, alsmede toezicht en monitoring. Zo krijgen bijvoorbeeld beroepsbeoefenaren in jeugdzorg plus te maken met effectiviteitonderzoeken naar gebruikte methoden, data uitvragen voor de financier, uitvragen voor de beleidsinformatie en een procesmonitor van het Rijk, en een gegevensmonitor van de instellingen zelf. Niet al die informatie is even bruikbaar en vergelijkbaar. Vanwege deze informatiedruk is het project Beter Anders Minder geïnitieerd en zijn successen geboekt voor het beperken van de beleidsinformatie. Een nieuwe ontwikkeling is de poging om te komen tot een minimale dataset, rekening houdend dat de informatiebehoefte van het Rijk zich op een ander abstractieniveau bevindt (de top van de informatiepiramide) dan die van het management en beroepsbeoefenaren. De minimale dataset voor jeugdzorg plus zou in het midden van de piramide van onder naar boven door alle lagen moeten lopen. Rijk Instellings- management ov Beroepsbeoefenaren De datapiramide Erkenningscommissie In verschillende deelsectoren zijn erkenningcommissies voor methodieken en interventies opgericht. Nadat criteria zijn ontwikkeld, toetsen deze commissies aangeboden methoden en interventies op hun werkzaamheid. Hierbij worden ook wel databanken ingericht, waarin deze methoden en interventies worden opgenomen. Idealiter zouden beroepsbeoefenaren zoveel mogelijk moeten werken met bewezen effectieve methoden en interventies. 12

13 Databanken Binnen de deelgebieden die in dit rapport worden besproken zijn de volgende databanken aanwezig: de databank Effectieve Jeugdinterventies, de databank Naen Bijscholing, de databank Instrumenten, Richtlijnen en Kwaliteitsstandaarden en de databank Gezond Leven Interventies. Zie bijlage 2 voor een nadere beschrijving van iedere databank. Technische innovatie Technische innovatie ontstaat waar mogelijkheden worden benut die ontstaan vanuit de voortschrijdende informatie- en communicatietechnologie. Het kan hierbij gaan om zorginhoudelijke vernieuwingen die mogelijk worden gemaakt door nieuwe technologie, zoals online hulpverlening, maar ook om digitale communicatie, gebruik van sociale media, online tools etc. Het gebruik van innovatieve methoden en technieken kan een positieve bijdrage leveren aan de productiviteit en doelmatigheid, het ondersteunen van informatiestromen, het transparant maken van zorgaanbod, het verbeteren van de coördinatie en afstemming tussen organisaties, het ondersteunen van het logistieke proces van hulpverlening, het bevorderen van de zelfredzaamheid van de cliënt en het vergroten van de bereikbaarheid van de hulpverlener. Implementatie + borging In deze paragraaf zal per deelgebied worden aangegeven wat er is of wordt ondernomen op het vlak van implementatie en borging van instrumenten en methoden, bijvoorbeeld door middel van richtlijnontwikkeling. Richtlijnontwikkeling Een onderdeel van het professionaliseringsproces is het opstellen van richtlijnen zodat over cruciale onderwerpen zoals belangrijke diagnoses en effectieve behandelmethoden overeenstemming wordt bereikt. Richtlijnen maken aanwezige collectieve kennis (zo mogelijk evidence based) over een onderwerp inzichtelijk, vatten dit samen en vertalen dit in handelingsgerichte aanbevelingen voor beroepskrachten. Richtlijnen geven de state of the art van de beroepsuitoefening weer, die een leidraad zijn voor de beroepsbeoefenaar die er in het individuele geval beargumenteerd en geregistreerd van mag afwijken. Op deze wijze ordenen beroepsgroepen ook hun beroepsdomein. Voor het concipiëren van richtlijnen wordt idealiter gewerkt volgens een internationaal vastgestelde methodiek, de EBRO-methode (Evidence Based Richtlijn Ontwikkeling), waarbij de beschikbare literatuur het uitgangspunt is. Richtlijnontwikkeling vindt plaats binnen een spanningsveld. Aan het ene uiteinde bevindt zich de uitkomst van de consensusbijeenkomst. In dat geval legt de richtlijn veelal de bestaande gangbare praktijk vast. Aan de andere kant van het spectrum bevinden zich richtlijnen die geformuleerd zijn op basis van de laatst ontwikkelde methoden. In het eerste geval voegt de richtlijn weinig toe aan de state of the art en legitimeert de richtlijn vooral het gangbare handelen. De kans op navolging hiervan door beroepsbeoefenaren is groot. In het andere geval kan de state of the art op een hoger plan worden gebracht, maar hebben de nieuwe instrumenten nog niet geheel de effectiviteitscyclus van wetenschappelijk onderzoek doorlopen en bestaat het gevaar dat teveel voor de troepen uit wordt gelopen. Dit vermindert de kans op navolging van de richtlijn bij zittende beroepsbeoefenaren. Inzake navolging van richtlijnen hebben richtlijnen vooral een zeker effect op jonge beroepsbeoefenaren, wanneer ze worden verankerd in de opleiding. Het realiseren van een behandelverandering bij zittende beroepsbeoefenaren vergt meer tijd. Hierom kunnen richtlijnen gericht onderdeel zijn van verplichte na- en bijscholing. 13

14 2.4 Organisaties Organisaties die zorg voor jeugd leveren dienen binnen bepaalde kaders beroepsbeoefenaren in staat te stellen om met de beste methoden en interventies, gegeven de cliëntfactoren, een zo goed mogelijk effect te sorteren ten bate van de jeugdige. In deze zin zijn het met name logistieke aspecten van kwaliteit waarop organisaties beoordeeld worden. Voor het verbeteren van die logistieke kwaliteit van organisaties zijn tal van instrumenten beschikbaar. Het traditionele instrument voor toetsing van de kwaliteit van instellingen zijn de te onderscheiden inspecties. Er zijn echter nog meer kwaliteitsinstrumenten die hieronder worden toegelicht. Modellen voor systematische kwaliteitsbevordering Er zijn diverse modellen die op systematische wijze aan kwaliteitsbevordering doen 13. Dominant hierin is de Plan Do Check Act (PDCA-)cyclus van Deming. Het voortdurend doorlopen van deze cyclus in alle primaire, ondersteunende of sturingsactiviteiten op organisatie-, op team- en individueel niveau geeft aanleiding tot continu verbeteren. Deze PDCA-cyclus komt op het volgende neer: Uit de praktijk blijkt dat de werking van deze methode na twee jaar wegebt 14. ISO-systematiek De International Standards Organization (ISO) ontwikkelt normen voor kwaliteitsborging in het bedrijfsleven. Voor dienstverlenende bedrijven is een variant ontwikkeld die mogelijk ook bruikbaar is in de zorgsector. De normen geven richtlijnen voor het opzetten van kwaliteitssystemen. Hoofddoelen van kwaliteitsbevordering zijn: tevredenheid van de klant over de kwaliteit van de dienstverlening, efficiency van de organisatie en voorkomen van negatieve effecten op samenleving en milieu. De ISO-normen zijn vooral van nut als het gaat om het transparant maken van datgene wat een organisatie doet, de verantwoordelijkheden en de aanwezige procedures en standaardwerkzaamheden. ISO toetst een deel van de systematische kwaliteitsbevordering. Deze systematiek wordt door beroepsbeoefenaren wel eens als bureaucratiserend ervaren. 13 Verbeek, G. (2004) Het spel van kwaliteit en zorg. Maarssen: Elsevier gezondheidszorg. 14 Evenblij, M. (2010) Meta-analyse kwaliteitsverbetering, Kwaliteit in zorg, nr. 2, p

15 Certificering Certificering is een kwaliteitsinstrument waarbij het niet gaat om overheidsregulering, maar om zelfordening. Onafhankelijke instituten beoordelen het kwaliteitsbeleid van een organisatie, en als aan de normen is voldaan wordt een certificaat afgegeven. Organisaties nemen in principe op vrijwillige basis deel aan de certificering. Vaak wordt niet zozeer het product of de dienst zelf getoetst, als wel het kwaliteitssysteem (aanwezigheid van geregistreerde professionals, werkend met richtlijnen, visitatie door collega-instellingen, periodieke collegiale toetsing etc.). Een certificaat wordt voor een bepaalde periode verstrekt, daarna vindt herkeuring plaats. De waarde van het certificaat valt of staat met de autoriteit van de certificaatgever. Tegenwoordig wordt de term accreditatie gebruikt voor het certificeren van certificerende instanties. De Raad voor Accreditatie stelt spelregels op voor het certificeren door overige instanties. De stichting Harmonisatie Kwaliteitsbeoordeling in de Zorgsector (HKZ) is in het leven geroepen voor het afstemmen van de externe beoordelingssystematiek en de kwaliteitssystemen. Deze stichting ontwikkelt certificatieschema s die uitgaan van ISO-systematiek. Een certificering kan een formele erkenning krijgen als deze is opgesteld volgens het (harmonisatie)model dat de HKZ voor de zorgsector heeft opgesteld. Als een zorgaanbieder een certificaat heeft, hoeft hij niet allerlei uitgebreide externe toetsingen van andere partijen over zich heen te laten komen. Alle partijen hebben kunnen meepraten over de inhoud van de normen. Prestatie-indicatoren Prestatie-indicatoren worden gebruikt om de kwaliteit van zorg transparant te maken voor derden en verantwoording af te leggen. Een prestatie-indicator is te beschouwen als een 'meetlat' die een goede indicatie moet geven van de te leveren prestatie. Daarnaast moeten de betrokken partijen de indicatoren kunnen en willen beïnvloeden. Het is belangrijk dat de prestatie-indicatoren zodanig gekozen zijn dat organisaties erop willen sturen om verbeteringen tot stand te brengen. Wanneer de kwaliteit van de te verrichten prestatie transparant kan worden vastgesteld, kunnen meer precieze afspraken worden gemaakt over welke prestaties voor welke prijs kunnen worden verricht. Nadeel van deze methode is dat degene die de informatie moet verzamelen, er ook op wordt afgerekend. Dit stimuleert tot strategisch gedrag bij organisaties die informatie over prestatieindicatoren moeten leveren. Ook kunnen de overheid, de verzekeraars en beroepsbeoefenaren een verschillend verwachtingspatroon hebben van prestatieindicatoren 15. Dit uit zich onder meer in vertraging bij het project Zichtbare Zorg (ZIZO) in de curatieve zorg 16. Benchmark De benchmark is een instrument van en voor organisaties, om via prestatieindicatoren best practices te onderscheiden waarvan de anderen kunnen leren. Er is geen gouden standaard. Zicht op de kwaliteit van organisatie of geleverde diensten wordt louter verkregen door vergelijking. Deze vergelijking dient een tweeledig doel: enerzijds dienen ze de effecten en prestaties van verschillende aanbieders inzichtelijk te maken, anderzijds geven ze beroepsbeoefenaren en managers inzicht in de resultaten van zorgprocessen. Het is geen instrument om de kwaliteit van zorg aan derden te verantwoorden. Organisaties moeten zich belangenvrij en kwetsbaar durven opstellen, zodat zij open data over de samenwerking, de logistieke processen en de resultaten aan elkaar durven te overleggen. Een nadeel van deze methode is dat het derden of financiers niet duidelijk is welke resultaten met de benchmark worden geboekt. Bij een slechte benchmark spreken partijen elkaar niet aan op onderpresteren en is invloed van het instrument op kwaliteitsverbetering beperkt. 15 Ekkelkamp, M. (2011) MONQY inc. voor fraaie sterftecijfers! Medisch Contact, nr. 24, Maasen, H. (2010) De nieuwe attitude van de dokter. Kwaliteitspionier Richard Grol: Helden gebruiken geen checklisten. Medisch Contact, nr. 38,

16 Instrumenten voor ketensamenwerking In deze paragraaf zal per deelgebied worden aangegeven wat er is of wordt ondernomen op het vlak van ketensamenwerking. Cliëntinstrumenten voor het beoordelen van de kwaliteit van zorg Zorg voor jeugd is er om cliënten perspectief te bieden, hen te ondersteunen bij het vinden van oplossingen voor hun problemen, of zonodig die oplossing in gedwongen kader aan te bieden. Van der Laan 17 geeft aan dat cliënten niet dezelfde verantwoordelijkheden hebben in het jeugdzorgproces als andere partijen. Daarbij komt dat het geen partij is in formele, georganiseerde vorm. Zij zijn ook moeilijk te organiseren vanwege het feit dat het contact met de zorg per definitie tijdelijk is. Daardoor is sprake van een voortdurend verloop van cliënten. Zoals eerder gesteld benadrukken cliënten en hun ouders qua organisationele aspecten van kwaliteit: meer aandacht voor bereikbaarheid en toegankelijkheid van jeugd(zorg)voorzieningen (dicht bij huis, zonder wachtlijst beschikbaar). Relationele aspecten van kwaliteit zijn zaken als privacy, bejegening en persoonlijke autonomie. 18 Deze invalshoek komt terug in de instrumenten die door jeugdigen worden gebruikt voor het beoordelen van het aanbod, zoals de klachtencommissie, de cliëntenraad en de vertrouwenspersoon. Op één type instrument wordt hier nader ingegaan, de cliëntgestuurde vragenlijst als de C- toets, de EXIT-toets, Q4C etc. Omdat de vragen veelal een subjectieve beoordeling van kwaliteit van bejegening en toegankelijkheid betreffen, is de informatie die het oplevert vooral van belang voor de instelling zelf waarbinnen de vragenlijst is afgenomen. Het is moeilijk via dit type vragenlijsten een oordeel over de kwaliteit van de gehele organisatie te geven en deze te vergelijken met het algeheel oordeel van andere cliënten over een andere instelling. Dit gegeven maakt dat het niet erg is dat er verschillende vragenlijsten bestaan voor het meten van cliëntgerichte kwaliteit van zorg. Als het instrument zelf maar gevalideerd en gecertificeerd is 19. De instrumenten die door jeugdigen worden gebruikt om de kwaliteit van zorg te beoordelen zijn veelal in diverse wetten vastgelegd, die allen een deel van de zorg voor jeugd dekken. Het grootste onderscheid is wetgeving voor jeugdzorg (Wet op de jeugdzorg) en wetgeving voor de zorg (Zvw, Awbz en Wpg). Hieronder noemen we de belangrijkste instrumenten met wettelijke borging. Klachtencommissie De Wet Klachtrecht Cliënten Zorgsector (WKCZ) verplicht zorgverleners tot het instellen van een klachtencommissie. De klachtencommissie is onafhankelijk. Dit betekent dat ze zich niet mag laten beïnvloeden door de relatie met de zorgverlener. De voorzitter van de klachtencommissie mag niet bij de stichting of zorgverlener werkzaam zijn. In de Wet op de jeugdzorg is een passage opgenomen dat zowel de bureaus jeugdzorg als de zorgaanbieders verplicht zijn een klachtencommissie in te stellen. De klachtencommissie bestaat uit drie personen die niet werkzaam zijn voor of bij bureau jeugdzorg of de zorgaanbieder. Cliëntenraad Op basis van de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) heeft iedere zorgorganisatie een cliëntenraad. De Wmcz (die niet geldt in de 17 Van der Laan, P. (2007) Professionaliteit als basis voor kwaliteit en effectiviteit van jeugdzorg, Amsterdam: Nederlands Studiecentrum voor Criminaliteit en Rechtshandhaving. 18 Salisbury, C. (1989) How do people choose their doctor? British Medical Journal, vol. 299, Salisbury, C., Wallace M., Montgomery A.A., (2010) Patients experience and satisfaction in primary care: secondary analysis using multilevel modelling. British Medical Journal, vol. 341: c

17 preventieve, geïndiceerde en justitiële jeugdzorg) regelt de status van de cliëntenraad en geeft aan wat zijn rechten en plichten zijn. In de wet is de taak van een cliëntenraad kort omschreven: de cliëntenraad behartigt de gemeenschappelijke belangen van de jeugdige. Om die belangen te behartigen heeft de cliëntenraad een aantal grondrechten: het recht op informatie, het recht op overleg en het recht om te adviseren. De cliëntenraad kan ook invloed uitoefenen op de samenstelling van het bestuur. Vertrouwenspersoon De Wet op de jeugdzorg stelt dat er vertrouwenspersonen zijn die de cliënten van Bureau jeugdzorg en de zorgaanbieders bijstaat. De vertrouwenspersoon is onafhankelijk en staat naast de cliënt. Het wordt gefinancierd door de overheid. De vertrouwenspersonen zijn niet in dienst bij Bureau jeugdzorg en de zorgaanbieders, maar bij een professionele stichting. Zij geven informatie en advies over rechten binnen de jeugdzorg en is er om te helpen bij het oplossen van problemen en klachten op verzoek van de cliënt. De Wet cliëntenrechten zorg (Wcz) Voor de zorg staat een nieuwe wet op stapel, de Wcz die cliëntenrechten van verschillende wetten vervangt en bundelt in één regeling 20. De Wcz versterkt de positie van cliënten in de zorg op twee manieren. Allereerst geeft de wet cliënten meer rechten. En op de tweede plaats creëert het wetsvoorstel meer waarborgen voor goede zorg zoals: rechten van cliënten gaan gelden in alle zorgrelaties, dus ook in de langdurige zorg; recht op keuze-informatie; betere afdwingbaarheid van rechten en meer bevoegdheden voor cliëntenraden. De belangen van patiënten binnen instellingen worden beter geborgd, doordat in het bestuur van een zorgaanbieder één bestuurder de portefeuille kwaliteit van zorg krijgt, zorgverleners meer verantwoording aan het bestuur moeten afleggen, het toezicht wordt versterkt, etc. 20 De Wcz moet nog worden besproken in de Tweede en Eerste Kamer. 17

18 3 Waterdruppelmodel jeugdgezondheidszorg De jeugdgezondheidszorg (JGZ) richt zich op de lichamelijke, psychische, sociale en cognitieve ontwikkeling van de jeugd en stelt de bevordering, bescherming en bewaking hiervan op individueel en populatieniveau centraal. De jeugdgezondheidszorg informeert daarnaast de jeugdige en de ouder over gezond gedrag, signaleert (dreigende) problematiek en zorgt voor adequate behandeling, doorverwijzing of advisering. Sinds 2003 bieden gemeenten alle 0-19 jarigen in Nederland en hun ouders jeugdgezondheidszorg aan. Deze zorg is vastgelegd in het Basistakenpakket Jeugdgezondheidszorg 21 en bestaat uit een uniform en een maatwerk deel. De inhoud van het uniforme deel is in een algemene maatregel van bestuur (AMvB) behorende bij de Wet publieke gezondheid (Wpg) vastgelegd. Gemeenten vullen in samenwerking met de JGZ-organisaties het maatwerk deel in. Het maatwerk deel vult het uniforme deel aan en is afgestemd op de specifieke behoeften van het individuele kind of van groepen jeugdigen. De inhoud van het maatwerk kan daarom per gemeente verschillen. Gemeenten zijn verplicht zowel het uniforme als het maatwerkdeel van het Basistakenpakket aan te bieden. Het Basistakenpakket maakt onderdeel uit van het basismodel van het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) 22. Het Basistakenpakket heeft als doel uniformiteit van de jeugdgezondheidszorg in heel Nederland en waarborgen bieden voor kwaliteit. Ook moet er dankzij het pakket meer samenhang in het aanbod van de jeugdgezondheidszorg op lokaal niveau komen. Daarmee hangt een ander doel samen: het beter op elkaar laten aansluiten van het lokale jeugdbeleid en de openbare gezondheidszorg. Dat moet er uiteindelijk toe leiden dat de zorg voor jeugdigen van 0 tot 19 een continuüm wordt dat integraal en in samenhang met andere beleidsterreinen wordt geboden. Over de uitvoering van het Basistakenpakket heeft in 2007 een externe evaluatie plaatsgevonden. De resultaten van de evaluatie lieten zien dat met de invoering van een landelijk aanbod voor alle 0-19 jarigen in Nederland de jeugdigen beter in beeld zijn. Dit geeft de mogelijkheid om preventieve programma s in te zetten en de kwaliteit van de vroegsignalering systematisch te verbeteren. Een landelijk vastgesteld aanbod levert ook herkenbaarheid, duidelijkheid en transparantie op voor ouders en jeugdigen. 3.1 De cliënt De cliënten in de jeugdgezondheidszorg zijn álle jeugdigen van 0-19 jaar woonachtig in Nederland en hun ouders. Het gaat om ongeveer 3,9 miljoen jeugdigen (24% van de totale bevolking). De jeugdgezondheidszorg, beschreven in het uniforme deel van het basistakenpakket, wordt aan al deze jeugdigen en hun ouders actief aangeboden. Daarnaast biedt de jeugdgezondheidszorg extra zorg, begeleiding en ondersteuning aan individuele jeugdigen (of groepen jeugdigen) en hun ouders wanneer een specifiek probleem of risico is vastgesteld. Aan deze (individuele) jeugdigen wordt maatwerk aangeboden in de vorm van bijvoorbeeld cursussen en begeleidingsprogramma s. De invulling van het maatwerk wordt vastgesteld door de gemeenten. 21 Het basistakenpakket JGZ 0-19 jaar bestaat uit de volgende productgroepen: Monitoring en signalering, Inschatten zorgbehoefte, Screening en vaccinaties, Voorlichting, advies, instructie en begeleiding, Beïnvloeden van gezondheidsbedreigingen, Zorgsysteem, netwerken, overleg en samenwerking. 22 Zie 18

19 3.2 De beroepsbeoefenaren Beschrijving beroepsbeoefenaren Het Basistakenpakket Jeugdgezondheidszorg wordt uitgevoerd door het JGZ-team, bestaande uit (jeugd-)artsen of artsen Maatschappij en Gezondheid, (jeugd-) verpleegkundigen en assistenten. De meeste assistenten zijn opgeleid als doktersassistent. Veel JGZ-organisaties hebben ook een gedragswetenschapper in dienst en sommigen ook een logopedist. Artsen en verpleegkundigen zijn als beroep opgenomen in de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (wet BIG). Deze wet heeft als doel de kwaliteit van de zorgverlening te bevorderen en te bewaken. De rechten van de cliënt, wanneer sprake is van onzorgvuldig handelen, zijn hierin vastgelegd. Beroepsverenigingen Relevante beroepsverenigingen zijn Artsen Jeugdgezondheidszorg Nederland (AJN), Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland (V&VN) en de Nederlandse Vereniging van Doktersassistenten (NVDA). De beroepsverenigingen stellen de beroeps- en competentieprofielen vast. Ongeveer 75% van de artsen werkzaam in de JGZ is lid van de AJN, 20% van de verpleegkundigen werkzaam in de JGZ is lid van de V&VN en 4% van de doktersassistenten die in de JGZ werkzaam zijn, is lid van de NVDA. Beroepsprofiel Er zijn beroepsprofielen voor jeugdartsen KNMG, artsen Maatschappij en Gezondheid, (jeugd-)verpleegkundigen en doktersassistenten. Competentieprofiel Er zijn competentieprofielen van zowel de jeugdarts KNMG en de arts Maatschappij en Gezondheid als de jeugdverpleegkundige en de doktersassistente. Opleidingseisen Er is geen wetgeving die vereist welke specialistische opleiding artsen en verpleegkundigen moeten hebben afgerond om als arts of verpleegkundige in de jeugdgezondheidszorg te werken. Opleidingseisen voor medisch specialisten worden in Nederland vastgesteld door de beroepsgroepen. De AJN stelt als minimale opleidingseis voor artsen werkzaam in de jeugdgezondheidszorg de opleiding en registratie als jeugdarts KNMG. De kwaliteit van de zorgverlening wordt geborgd door het Kwaliteitskader KNMG, de Kwaliteitswet Zorginstellingen, de Wet BIG en de kwaliteitsstandaarden/-normen van de beroepsgroepen. In de Wpg (artikel 15) staat wel vermeld dat het College van B&W er zorg voor draagt dat de gemeentelijke gezondheidsdienst beschikt over deskundigen op de volgende terreinen: sociale geneeskunde, epidemiologie, sociale verpleegkunde, gezondheidsbevordering en gedragswetenschappen. In het Besluit publieke gezondheid (art. 17) staat beschreven aan welke eisen deze deskundigen met het oog op de uitvoering van de in artikel 5 van de wet omschreven taak ter zake van gezondheidsrisico s voor jeugdigen moeten voldoen. De sociaal geneeskundige moet ingeschreven zijn in het Register van Artsen Maatschappij en Gezondheid van de KNMG en opgeleid in de jeugdgezondheidszorg. De deskundige op het terrein van de sociale verpleegkunde is sociaal verpleegkundige en in het bezit van het diploma HBO-V. De deskundige op het terrein van de gedragswetenschappen is universitair opgeleid als psycholoog of pedagoog, dan wel in het bezit van de akte M.O.-B pedagogiek. De eis wordt niet aan individuele artsen gesteld die de jeugdgezondheidszorg uitvoeren. Om jeugdarts KNMG te worden moeten artsen, na de universitaire opleiding geneeskunde, de tweejarige profielopleiding JGZ volgen. Deze profielopleiding is de eerste fase van de opleiding Arts Maatschappij en Gezondheid. Wanneer artsen ook de tweede fase van de opleiding Arts Maatschappij en Gezondheid afronden kunnen zij zich Arts Maatschappij en Gezondheid (arts M&G) 19

20 noemen. In de tweede fase van de opleiding Arts Maatschappij en Gezondheid staan beleid & management, werkveld & innovatie en wetenschappelijk onderzoek centraal. Arts M&G is één van de drie Sociaal Geneeskundig Specialisten (de andere twee zijn: bedrijfsartsen en verzekeringsartsen). De beroepsgroepen zijn zelf verantwoordelijk voor de inrichting van medischspecialistische vervolgopleidingen, de minister van VWS heeft hierover inhoudelijk geen zeggenschap. Niet alle artsen voldoen op dit moment aan de opleidingseis van de AJN en werken als AGNIO (assistent geneeskunde niet in opleiding) in de jeugdgezondheidszorg. Bijvoorbeeld omdat zij het werk tijdelijk doen, ze een te klein dienstverband hebben, ze wachten op een opleidingsplaats of omdat ze alleen als waarnemer werken. In de praktijk is het zo dat elke uitvoerende arts in de jeugdgezondheidszorg minimaal de introductiemodule van de profielopleiding JGZ volgt. Jeugdverpleegkundigen zijn wijkverpleegkundigen en sociaalverpleegkundigen (Hbo-verpleegkundigen) die werkzaam zijn in de jeugdgezondheidszorg. Binnen de verpleegkundige opleidingstructuur zijn HBOV opgeleide verpleegkundigen de hoogste opgeleide verpleegkundige op kwalificatieniveau 5. Deze verpleegkundigen zijn direct inzetbaar in de uitvoeringspraktijk. Een aanvullende opleiding is niet nodig, een korte introductiecursus is voldoende. Wel dienen startende jeugdverpleegkundigen één jaar praktijkbegeleiding te krijgen door een ervaren collega. Verpleegkundigen kunnen tijdens de HBO-V opleiding een minor volgen op het gebied van jeugd, als ze dat gedaan hebben staat dat als aantekening op het diploma vermeld. Na de vierjarige bachelor HBO-V kunnen verpleegkundigen een tweejarige master volgen. Er zijn vier specialisaties, één daarvan is verpleegkundig specialist preventie. Deze verpleegkundigen zijn ook als zodanig geregistreerd in het BIG register. Er werken steeds meer verpleegkundig specialisten preventie in de JGZ. Sommige jeugdverpleegkundigen hebben een verdiepende post-hbo opleiding jeugdgezondheidszorg gevolgd. Doktersassistenten hebben een mbo-opleiding Doktersassistent gevolgd. (Her-)Registratie in beroepsregister Artsen en verpleegkundigen zijn wettelijk verplicht zich te registreren in het BIGregister. Voor verpleegkundigen geldt een wettelijk verplichte beroepsherregistratie in het BIG-register. Er zijn 2 afzonderlijke criteria voor herregistratie: werkervaring óf een scholingseis. De criteria voor herregistratie zijn in nauw overleg vastgesteld met de beroepsorganisaties en werkgevers- en werknemersorganisaties. Voor basisartsen geldt nog geen wettelijke eis van herregistratie. De datum waarop deze wettelijke eis ook voor hen gaat gelden is nog niet bekend. Doktersassistenten zijn als beroep niet opgenomen in de Wet BIG; voor hen geldt dus geen wettelijk verplichte registratie in het BIG-register. Zij voeren hun taken uit onder verantwoordelijkheid van een arts. Jeugdartsen zijn tevens als jeugdarts KNMG geregistreerd bij de Sociaal Geneeskundige Registratie Commissie (SGRC) van de KNMG. Jeugdartsen zijn verplicht zich vijfjaarlijks te herregistreren, anders worden zij uit het register verwijderd. De criteria voor herregistratie houden minimaal 8 uur per jaar intercollegiale toetsing in en minimaal 20 uur relevante geaccrediteerde bij- en nascholing en daarnaast nog 12 uur overige deskundigheidsbevorderende activiteiten (in totaal 40 uur per jaar). Artsen M&G staan als Arts M&G geregistreerd in het BIG-register en bij de Sociaal Geneeskundige Registratie Commissie (SGRC) van de KNMG. Voor hen geldt eveneens een verplichte vijfjaarlijkse herregistratie. Verpleegkundigen kunnen zich, naast de registratie in het BIG-register, tevens registreren in het Kwaliteitsregister Verpleegkundigen en Verzorgenden van de 20

Visie landelijk toezicht op de jeugdhulp

Visie landelijk toezicht op de jeugdhulp Visie landelijk toezicht op de jeugdhulp Utrecht, juli 2013 Inspectie Jeugdzorg 2 Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding... 5 Hoofdstuk 2 De toezichtvisie op hoofdlijnen... 7 Hoofdstuk 3 De inhoud van het

Nadere informatie

Beslissen over effectieve hulp. Wat werkt in indicatiestelling?

Beslissen over effectieve hulp. Wat werkt in indicatiestelling? Beslissen over effectieve hulp Wat werkt in indicatiestelling? 1 2013 Nederlands Jeugdinstituut Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie,

Nadere informatie

kwaliteitskader voorkomen seksueel misbruik in de jeugdzorg

kwaliteitskader voorkomen seksueel misbruik in de jeugdzorg kwaliteitskader voorkomen seksueel misbruik in de jeugdzorg kwaliteitskader voorkomen seksueel misbruik in de jeugdzorg 1 kwaliteitskader voorkomen seksueel misbruik in de jeugdzorg 2 kwaliteitskader

Nadere informatie

Patiënten betrekken bij de zorg in het ziekenhuis

Patiënten betrekken bij de zorg in het ziekenhuis Patiënten betrekken bij de zorg in het ziekenhuis Een handboek Patiënt op 1 Patiënten betrekken bij de zorg in het ziekenhuis Een handboek Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO www.cbo.nl patientop1@cbo.nl

Nadere informatie

PREVENTIE VAN KINDERMISHANDELING IN GEMEENTEN. Van papier naar werkelijkheid

PREVENTIE VAN KINDERMISHANDELING IN GEMEENTEN. Van papier naar werkelijkheid PREVENTIE VAN KINDERMISHANDELING IN GEMEENTEN Van papier naar werkelijkheid Datum: 21 mei 2014 Advies: KOM/004/2014 Gemeentelijke preventie van kindermishandeling van papier naar werkelijkheid De Kinderombudsman

Nadere informatie

Acht is meer dan duizend

Acht is meer dan duizend Acht is meer dan duizend Datum: 17 mei 2013 Plan van aanpak voor de implementatie van jeugdhulp bij de samenwerkende gemeenten in de regio Rotterdam-Rijnmond per 1 januari 2015 Status: definitief INHOUD

Nadere informatie

Voor de jeugd: Het Nieuw Rotterdams Jeugdstelsel

Voor de jeugd: Het Nieuw Rotterdams Jeugdstelsel Voor de jeugd: Het Nieuw Rotterdams Jeugdstelsel 2 Inhoudsopgave Samenvatting 4 1. Uitgangspositie 6 1.1 Voorlopig wettelijk kader 6 1.2 Inzicht in de verschuiving van verantwoordelijkheden 7 1.3 Rotterdamse

Nadere informatie

Bekwaam is bevoegd. Innovatieve opleidingen en nieuwe beroepen in de zorg

Bekwaam is bevoegd. Innovatieve opleidingen en nieuwe beroepen in de zorg Bekwaam is bevoegd Innovatieve opleidingen en nieuwe beroepen in de zorg RVZ raad in gezondheidszorg De Raad voor de Volksgezondheid en Zorg is een onafhankelijk adviesorgaan voor de regering en voor het

Nadere informatie

NIET ZWIJGEN HOREN, ZIEN, DEEL 1. Onderzoek naar de kwaliteit van de keten van voorzieningen voor kinderen en gezinnen in probleemsituaties

NIET ZWIJGEN HOREN, ZIEN, DEEL 1. Onderzoek naar de kwaliteit van de keten van voorzieningen voor kinderen en gezinnen in probleemsituaties HOREN, ZIEN, NIET ZWIJGEN DEEL 1 Onderzoek naar de kwaliteit van de keten van voorzieningen voor kinderen en gezinnen in probleemsituaties Horen, zien, niet zwijgen Deel I Onderzoek naar de kwaliteit van

Nadere informatie

Een visie op richtlijnontwikkeling in Nederland. Regieraad Kwaliteit van Zorg

Een visie op richtlijnontwikkeling in Nederland. Regieraad Kwaliteit van Zorg Een visie op richtlijnontwikkeling in Nederland Regieraad Kwaliteit van Zorg Met dank aan Ir. Michiel van Hees, Directeur CQ Procesmanagement, Amersfoort Prof. dr. Niek Klazinga, Hoogleraar Sociale Geneeskunde,

Nadere informatie

landelijke handreiking voor een integrale aanpak van schoolziekteverzuim bij kinderen en jongeren

landelijke handreiking voor een integrale aanpak van schoolziekteverzuim bij kinderen en jongeren landelijke handreiking voor een integrale aanpak van schoolziekteverzuim bij kinderen en jongeren Bestemd voor scholen, diensten Jeugdgezondheidszorg, GGD-en, Centra voor Jeugd en Gezin, gemeenten en leerplichtambtenaren

Nadere informatie

Het CJG, de oplossing voor de jeugdzorg? De invloed van vertrouwen en samenwerking op de organisaties binnen het Centrum voor Jeugd en Gezin.

Het CJG, de oplossing voor de jeugdzorg? De invloed van vertrouwen en samenwerking op de organisaties binnen het Centrum voor Jeugd en Gezin. Het CJG, de oplossing voor de jeugdzorg? De invloed van vertrouwen en samenwerking op de organisaties binnen het Centrum voor Jeugd en Gezin. Auteur: Eva Geesing 2 Het CJG, de oplossing voor de jeugdzorg?

Nadere informatie

Evalueren om te leren

Evalueren om te leren Evalueren om te leren Voorwoord Voor u ligt het rapport van de Rekenkamercommissie Leiden naar de effectiviteit van subsidieverlening door de gemeente Leiden. De Rekenkamercommissie wil met dit onderzoek

Nadere informatie

P.M. Stam P.P.J. Doodkorte. September 2011. Van denken naar doen Opvoeden versterken in de praktijk

P.M. Stam P.P.J. Doodkorte. September 2011. Van denken naar doen Opvoeden versterken in de praktijk .M. Stam..J. Doodkorte September 2011 Van denken naar doen Opvoeden versterken in de praktijk Van denken naar doen Opvoeden versterken in de praktijk werkbladen > ersoonsgegevens: > > > >.M. Stam..J. Doodkorte

Nadere informatie

Denktank Transformatie Jeugdstelsel. Beter met minder. Bouwstenen voor de transformatie van het jeugdstelsel

Denktank Transformatie Jeugdstelsel. Beter met minder. Bouwstenen voor de transformatie van het jeugdstelsel Denktank Transformatie Jeugdstelsel Beter met minder Bouwstenen voor de transformatie van het jeugdstelsel Beter met minder Nederlands Jeugdinstituut Postbus 19221 3501 DE Utrecht Bezoekadres: Catharijnesingel

Nadere informatie

VOORTREKKERS IN V E R A N D E R I N G

VOORTREKKERS IN V E R A N D E R I N G VOORTREKKERS IN V E R A N D E R I N G Zorg en opleidingen partners in innovatie Advies van de Verkenningscommissie hbo gezondheidszorg I N H O U D S O P G A V E WOORD VOORAF HBO-ZORGPROFESSIONAL VAN DE

Nadere informatie

Professionalisering van besturen in het primair onderwijs

Professionalisering van besturen in het primair onderwijs Professionalisering van besturen in het primair onderwijs 2 - Professionalisering van besturen in het primair onderwijs Professionalisering van besturen in het primair onderwijs Verslag van de commissie

Nadere informatie

Hoe kan governance in het onderwijs verder vorm krijgen

Hoe kan governance in het onderwijs verder vorm krijgen Hoe kan governance in het onderwijs verder vorm krijgen Drie adviezen over onderwijsbestuur: degelijk onderwijsbestuur, doortastend onderwijstoezicht en duurzame onderwijsrelaties Nr. 20060353/877, oktober

Nadere informatie

Werk in uitvoering. Bouwen aan het nieuwe jeugdstelsel. Tom van Yperen. Annemiek van Woudenberg

Werk in uitvoering. Bouwen aan het nieuwe jeugdstelsel. Tom van Yperen. Annemiek van Woudenberg Werk in uitvoering Bouwen aan het nieuwe jeugdstelsel Tom van Yperen Annemiek van Woudenberg Utrecht, Mei 2011 2011 Nederlands Jeugdinstituut Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar

Nadere informatie

Handreiking. Opvoedingsondersteuning in het Centrum voor Jeugd en Gezin

Handreiking. Opvoedingsondersteuning in het Centrum voor Jeugd en Gezin Handreiking Opvoedingsondersteuning in het Centrum voor Jeugd en Gezin Auteurs: Moniek van Dijk en Bert Prinsen Deze handreiking maakt onderdeel uit van de Gereedschapskist Centrum voor Jeugd en Gezin

Nadere informatie

Bondgenoten in de decentralisaties

Bondgenoten in de decentralisaties Januari 2013 Bondgenoten in de decentralisaties Invulling geven aan het transformatieproces en de coalitieaanpak TransitieBureau Begeleiding in de Wmo Januari 2013 Bondgenoten in de decentralisaties TransitieBureau

Nadere informatie

Wordt mijn stem gehoord? Afstudeerthesis E.R. (Eric) de Vos MA MBA Healthcare 2012-2014, Erasmus Universiteit Rotterdam

Wordt mijn stem gehoord? Afstudeerthesis E.R. (Eric) de Vos MA MBA Healthcare 2012-2014, Erasmus Universiteit Rotterdam Wordt mijn stem gehoord? Afstudeerthesis E.R. (Eric) de Vos MA MBA Healthcare 2012-2014, Erasmus Universiteit Rotterdam Centrale onderzoeksvraag Op welke wijze kan cliëntparticipatie een bijdrage leveren

Nadere informatie

Wet- en regelgeving in de zorg

Wet- en regelgeving in de zorg Wet- en regelgeving in de zorg 1 Een overzicht voor ICT en ehealth ISBN 978-90-820304-0-2 Inhoud Leeswijzer 4 Begrippen 5 Wetsvoorstel cliëntenrechten bij elektronische verwerking van gegevens 8 Wetten

Nadere informatie

Gemeenten aan zet. Twee wegen naar ggz voor zorggezinnen

Gemeenten aan zet. Twee wegen naar ggz voor zorggezinnen Gemeenten aan zet Twee wegen naar ggz voor zorggezinnen Drs. M.P. (Marcel) van Gastel ABD TOP consultant Oktober 2012 2 Inhoudsopgave 1. Inleiding... 4 Welk probleem willen we oplossen?...4 Opdracht...4

Nadere informatie

Handreiking. Verantwoord gebruik van vragenlijsten in de jeugdgezondheidszorg

Handreiking. Verantwoord gebruik van vragenlijsten in de jeugdgezondheidszorg Handreiking Verantwoord gebruik van vragenlijsten in de jeugdgezondheidszorg Titel Verantwoord gebruik van vragenlijsten in de jeugdgezondheidszorg Een handreiking Een uitgave van Nederlands Centrum Jeugdgezondheid

Nadere informatie

Sterke verhalen uit het ziekenhuis. Leren van patiëntenervaringen voor goede zorg. Redactie: Stans van Egmond, Marjolijn Heerings en Geert Munnichs

Sterke verhalen uit het ziekenhuis. Leren van patiëntenervaringen voor goede zorg. Redactie: Stans van Egmond, Marjolijn Heerings en Geert Munnichs Sterke verhalen uit het ziekenhuis Leren van patiëntenervaringen voor goede zorg Redactie: Stans van Egmond, Marjolijn Heerings en Geert Munnichs Het stimuleert de publieke en politieke meningsvorming

Nadere informatie

Uitnodiging tot Contractering. Jeugdhulp Holland Rijnland 2015

Uitnodiging tot Contractering. Jeugdhulp Holland Rijnland 2015 Uitnodiging tot Contractering Jeugdhulp Holland Rijnland 2015 Samenwerkende gemeenten Holland Rijnland: Alphen aan den Rijn Hillegom Kaag en Braassem Katwijk Leiden Leiderdorp Lisse Nieuwkoop Noordwijk

Nadere informatie

Professionaliteit en professionele ruimte als uitdaging in het HBO

Professionaliteit en professionele ruimte als uitdaging in het HBO Professionaliteit en professionele ruimte als uitdaging in het HBO Gespreksnotitie opgesteld t.b.v. hogescholen Henk Mulders Voorzitter college van bestuur Hogeschool Edith Stein/ Expertis Onderwijsadviseurs

Nadere informatie

Gegevensuitwisseling in de bemoeizorg

Gegevensuitwisseling in de bemoeizorg Handreiking Gegevensuitwisseling in de bemoeizorg GGD GHOR Nederland GGZ Nederland KNMG September 2014 a Inhoudsopgave Inhoudsopgave...1 Aanleiding...2 Uitgangspunten voor gegevensuitwisseling bij bemoeizorg...5

Nadere informatie

Diversiteit in transitie

Diversiteit in transitie Diversiteit in transitie Aandacht voor effectief bereik van migrantengezinnen in de transitie van de jeugdzorg Adviesrapport november 2014 Hans Bellaart 2 Diversiteit in transitie In h o u d 1. Inleiding

Nadere informatie