Faculteit Psychologie en Pedagogische wetenschappen. Academiejaar

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Faculteit Psychologie en Pedagogische wetenschappen. Academiejaar"

Transcriptie

1 Faculteit Psychologie en Pedagogische wetenschappen Academiejaar Executieve functies bij kinderen met autismespectrumstoornissen en ADHD: Een vergelijking op basis van de Behavior Rating Inventory of Executive Function Scriptie neergelegd tot het behalen van de graad van Licentiaat in de Pedagogische Wetenschappen, Optie Orthopedagogiek Promotor: Prof. Dr. H. Roeyers Begeleidster: Dr. S. Verté Veerle Van Hauwenhuyse

2 Veerle Van Hauwenhuyse Academiejaar Optie orthopedagogiek Executieve functies bij kinderen met autismespectrumstoornissen en ADHD: Een vergelijking op basis van de Behavior Rating Inventory of Executive Function Promotor: Prof. Dr. H. Roeyers Abstract In deze studie wordt het executief functioneren (EF) gemeten bij kinderen met een autismespectrumstoornis (ASS), kinderen met Attention Deficit Hyperactivity Disorder (ADHD) en normaal ontwikkelende controlekinderen aan de hand van de ouder- en leerkrachtversie van de Behavior Rating Inventory of Executive Function (BRIEF). Het doel van deze studie is om na te gaan of er specifieke EF-tekorten zijn bij ASS en ADHD waardoor er gedifferentiëerd kan worden tussen ASS en ADHD. Er namen 171 kinderen deel aan het onderzoek, waarvan 61 met ASS, 68 met ADHD en 42 controlekinderen. Alle kinderen hadden een (rand)normale begaafdheid en waren tussen 7 en 18 jaar oud. De resultaten toonden moeilijkheden aan bij beide klinische groepen op bijna alle schalen en indexen in vergelijking met de controlegroep. De ASSgroep en ADHDgroep vertoonden op de meeste schalen en indexen in gelijke mate moeilijkheden. Enkel op Shift en Initiatie vertoonden kinderen met ASS op de ouder- en leerkrachtversie meer problemen dan de kinderen met ADHD. Geslacht werd in rekening gebracht, waarbij de verschillen tussen de drie groepen bleven bestaan. De overeenkomst tussen ouders en leerkrachten werd nagegaan met behulp van dimensionele en categoriale scores. Er werden vooral matige correlaties gevonden en de meeste schalen verschilden significant tussen ouders en leerkrachten. Ouders en leerkrachten verschilden soms van mening over de aan- of afwezigheid van een mogelijke EF-stoornis. Verder onderzoek wordt best gericht op het in kaart brengen van EF-profielen, het bereiken van consistente resultaten en houdt best rekening met comorbiditeit, leeftijd en geslacht.

3 Ondergetekende Veerle Van Hauwenhuyse geeft toelating tot het raadplegen van de scriptie door derden

4 Voorwoord Deze scriptie vormt het sluitstuk van mijn 5-jarige opleiding tot orthopedagoge. Het uitvoeren van het onderzoek en het schrijven van deze scriptie was een boeiende en leerrijke ervaring. Ik kon hierbij rekenen op de steun en raad van verschillende mensen. Allereerst zou ik mijn promotor prof. H. Roeyers willen bedanken voor het mogelijk maken van deze scriptie en voor zijn wijze raad. Ook ben ik mijn begeleidster Sylvie Verté heel dankbaar voor haar tijd, deskundige begeleiding en aanmoediging. Mijn dank gaat ook uit naar de kinderen, ouders en leerkrachten die deelnamen aan het onderzoek. Zonder hen zou deze scriptie niet mogelijk geweest zijn. Tot slot mogen mijn gezinsleden en vrienden in het rijtje niet ontbreken. Zij bleven me aanmoedigen en steunen wanneer ik het nodig had.

5 Inhoudsopgave Voorwoord Inhoudsopgave 1. Inleiding Autismespectrumstoornis (ASS)... 1 De prevalentie en de geslachtsratio... 1 Verklaringsmodellen... 2 Neurobiologische theorieën... 2 Cognitieve theorieën... 2 Theory of Mind (ToM)... 2 De theorie van de Centrale Coherentie (CC)... 3 De theorie van het Executief Functioneren (EF)... 4 Relatie tussen de cognitieve theorieën Attention Deficit Hyperactivity Disorder (ADHD)... 5 De prevalentie en de geslachtsratio... 6 Verklaringsmodellen... 6 Neurobiologische theorieën... 6 Cognitieve theorieën... 7 De delay aversion theorie... 7 De inhibitie theorie... 8 De behavioural inhibition/activation theorie... 8 Het cognitief-energetisch model... 9 De theorie van het Executief Functioneren Executief functioneren (EF) EF bij kinderen met ASS EF bij kinderen met ADHD Vergelijking tussen ADHD en ASS op vlak van EF BRIEF bij ADHD en ASS Problemen met metingen van EF Doelstellingen van het onderzoek Methode Deelnemers Groepsverschillen qua leeftijd en geslacht Materiaal Procedure Data-analyse Resultaten Interne consistentie van de BRIEF Groepsvergelijking op basis van de ouderversie van de BRIEF Groepsvergelijking op basis van de leerkrachtversie van de BRIEF Hoofdeffect of interactie-effect van geslacht op de scores van de BRIEF (ouderversie)

6 3.5 Hoofdeffect of interactie-effect van geslacht op de scores van de BRIEF (leerkrachtversie) Overeenkomst tussen ouders en leerkrachten op basis van dimensionele scores Overeenkomst tussen ouders en leerkrachten op basis van categoriale scores Discussie Bespreking van de onderzoeksresultaten Bevindingen en interpretaties van de onderzoeksresultaten betreffende de ouder- en leerkrachtversie van de BRIEF Ouderversie van de BRIEF Leerkrachtversie van de BRIEF Interpretatie van de onderzoeksresultaten Bevindingen en interpretaties van de onderzoeksresultaten betreffende de invloed van geslacht Bevindingen en interpretaties van de onderzoeksresultaten betreffende de overeenkomst tussen ouders en leerkrachten op de BRIEF Overeenkomst op basis van dimensionele scores Overeenkomst op basis van categoriale scores Beperkingen en sterktes van het onderzoek Beperkingen van het onderzoek Sterktes van het onderzoek Implicaties voor de klinische praktijk Implicaties voor verder onderzoek Algemene conclusie Bibliografie... 50

7 1. Inleiding In deze studie is het de bedoeling om het executief functioneren bij kinderen met een autismespectrumstoornis (ASS) en bij kinderen met Attention Deficit Hyperactivity Disorder (ADHD) nader te bekijken. Hierbij wordt ook ter vergelijking een controlegroep voorzien van kinderen zonder klinische diagnose. Het executief functioneren wordt gemeten aan de hand van de Behavior Rating Inventory of Executive Function (BRIEF; Gioia, Isquith, Guy, & Kenworthy, 2000; Nederlandse vertaling: Smidts & Sergeant, 2004). Hierbij wordt er een vergelijking gemaakt tussen beide stoornissen met de bedoeling te kijken of er aan de hand van het executief functioneren kan gedifferentieerd worden tussen ASS en ADHD. 1.1 Autismespectrumstoornis (ASS) ASS is een ontwikkelingsstoornis die volgens de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM-IV-TR; APA, 2000) wordt ondergebracht onder de pervasieve ontwikkelingsstoornissen. ASS wordt gekenmerkt door een pervasieve beperking op drie vlakken. Er doet zich een triade van symptomen voor: kwalitatieve tekortkomingen in sociale interacties, kwalitatieve tekortkomingen in communicatie en een beperkt en stereotiep gedragspatroon en interesses. De stoornis begint meestal van bij de geboorte, maar zeker voor de leeftijd van drie jaar. Bij personen met ASS is het adaptief gedrag verstoord. Adaptief gedrag is het uitvoeren van dagelijkse activiteiten die nodig zijn voor persoonlijke en sociale voldoening. Deze adaptieve gedragingen zijn vooral beperkt op het gebied van socialisatie. Op deze manier kunnen mensen met ASS vaak van andere klinische groepen onderscheiden worden (Gilotty, Kenworthy, Sirian, Black, & Wagner, 2002). De prevalentie en de geslachtsratio In de DSM-IV-TR (2000) wordt een gemiddelde prevalentie van 5 op weergegeven in een range van 2 tot 20 per Er wordt ook gesproken van een geslachtsratio van 4 à 5 keer meer mannen dan vrouwen met ASS. Hill (2004) stelt dat deze levenslange stoornis minstens 0.6% van de bevolking treft, waarbij mannen drie keer meer getroffen worden dan vrouwen. Er wordt in recente prevalentieschattingen gesproken van 10 tot 20 per mensen met autisme en een gemiddelde van 52.9 per mensen met een stoornis binnen het autismespectrum. Traditioneel wordt er gesproken van een geslachtsratio bij mannen tot vrouwen van 3:1 tot 4:1(Verté, 2004). 1

8 Verklaringsmodellen Er zijn verschillende theoretische modellen die proberen ASS te verklaren. In deze scriptie zijn vooral de cognitieve theorieën en dan meer bepaald de theorie van het executief functioneren van belang. Er zijn echter ook andere theorieën die hier kort worden aangehaald. Neurobiologische theorieën ASS is een neurobiologische stoornis, maar de exacte etiologie is nog niet bekend. Genetisch onderzoek heeft uitgewezen dat ASS voor meer dan 90% erfelijk is. Het is hierbij duidelijk dat het gaat om een complex erfelijk mechanisme dat diverse genen op verschillende chromosomen bevat (Hill & Frith, 2003; Kenworthy et al., 2005; Verté, 2004). Er worden echter ook niet-genetische factoren genoemd zoals virale ziektes voor de geboorte of in de eerste twee levensjaren (Hill & Frith, 2003). ASS wordt gezien als een stoornis gelinkt aan de werking van de hersenen. Hierbij worden verschillende regionen van de hersenen genoemd, onder andere het cerebellum en de frontale lobben. Deze afwijkingen zijn consistent met een verstoring van de neurale netwerken die verantwoordelijk zijn voor het executief functioneren (Kenworthy et al., 2005). Cognitieve theorieën Er zijn drie grote cognitieve theorieën onderzocht in een poging om de link tussen de hersenen en het gedrag van mensen met ASS te begrijpen (Hill, 2004). Deze cognitieve theorieën zijn: de Theory of Mind (ToM), de theorie van de centrale coherentie (CC) en de theorie van het executief functioneren (EF). Theory of Mind (ToM) ToM verwijst naar de vaardigheid om mentale posities zoals verlangens te kunnen identificeren, toeschrijven aan anderen (en aan zichzelf) en manipuleren (Hala, Rasmussen, & Henderson, 2005; Happé, 1999; Hill, 2004; Hill & Frith, 2003; Rajendran & Mitchell, 2007). Deze vaardigheid ontwikkelt zich snel bij jonge kinderen, maar erg traag bij kinderen met ASS. Een voorbeeld van een wijd verspreide test van ToM is de Sally-Anne test (Hill, 2004). De theorie stelt dat kinderen met ASS de vaardigheid missen om na te denken over gedachten van anderen. Op die manier verklaart de theorie sommige van hun sociale, communicatieve en imaginaire moeilijkheden (Booth, Charlton, Hughes, & Happé, 2003; Happé, 1999; Hill & Frith, 2003). Deze theorie is dus vooral bruikbaar bij het verklaren van sociale beperkingen bij kinderen met ASS. Zonder ToM hebben kinderen moeite met het 2

9 begrijpen van ironie, figuurlijk taalgebruik, misleiding en kunnen ze het gedrag van anderen niet voorspellen of empatisch reageren op anderen (Hill & Frith, 2003; Morgan, Maybery, & Durkin, 2003). Er blijft echter discussie bestaan over de verklaringsmogelijkheid van ToM voor andere symptomen van ASS, zoals repetitieve en stereotiepe gedragingen en voor cognitieve sterktes en zwaktes (Morgan et al., 2003). Bij een normale ontwikkeling wordt ToM duidelijk bij kinderen tussen drie en vijf jaar oud. Dan ontdekken ze dat een persoon een false belief, d.i. een verkeerde opvatting over de realiteit, kan hebben. Kinderen met een vergelijkbare mentale leeftijd met ASS falen typisch bij zo n ToM-taken. Ook kinderen met andere ontwikkelingsstoornissen vertonen soms tekorten in ToM-taken, maar deze beperkingen zijn niet zo uitgesproken als bij kinderen met ASS. Vele kinderen met ASS ontwikkelen toch enige ToM-vaardigheden, maar deze ontwikkeling is vertraagd in vergelijking met normaal ontwikkelende kinderen. Volwassenen met ASS blijven echter problemen hebben met het begrijpen van gedachten en met sociale gevoeligheid (Morgan et al., 2003). De theorie van de Centrale Coherentie (CC) Op tests die feitenkennis en gefocuste aandacht op details meten, halen kinderen met ASS vaak hoge scores, maar op tests over gezond verstand kunnen ze vaak verbazend laag scoren. Dit wordt deels verklaard door de CC-theorie. Deze theorie verwijst naar een informatieverwerkingsstijl en niet echt naar een tekort zoals men vroeger dacht. Mensen met ASS blijken namelijk een bias te vertonen voor delen versus gehelen en kunnen informatie verwerken op een relatief context-onafhankelijke manier (Happé, 1999; Rajendran & Mitchell, 2007; Russell, Jarrold, & Hood, 1999). Dit is een cognitieve stijl in plaats van een tekort omdat het leidt tot goede prestaties op taken die voordeel halen uit een focus op detail en omdat blijkt dat mensen met ASS wel informatie globaal kunnen verwerken als dit hen expliciet wordt gevraagd (Booth et al., 2003; Happé, 1999; Happé & Frith, 2006). Kinderen met een sterke CC hebben de tendens minder aandacht te besteden aan details en om binnenkomende informatie te verwerken naar betekenis en geheel. Deze tendens wordt door Bartlett drive for meaning genoemd (zoals geciteerd in Happé & Frith, 2006). Kinderen met een zwakke CC, zoals kinderen met ASS, verwerken meer in detail en dit ten koste van de globale betekenis en het bekijken in context (Happé & Frith, 2006; Hill, 2004; Hill & Frith, 2003). 3

10 De term CC werd in 1989 voor het eerst geïntroduceerd door Frith om te verwijzen naar de normale tendens voor globale verwerking, die informatie integreert in de context en er zo betekenis aan verleent (Booth et al., 2003). De theorie van CC doet een poging om zowel de superieure mogelijkheden van mensen met ASS, zoals hun geheugen voor details, als hun beperkingen voor het zien van het geheel te verklaren (Booth et al., 2003; Happé, 1999; Happé & Frith, 2006). De theorie verklaart ook waarom kinderen met ASS problemen hebben met generalisatie van vaardigheden. Dit omdat het moeilijk is om gelijkaardige situaties te herkennen wanneer ervaringen gecodeerd worden in termen van details (Happé & Frith, 2006). Deze theorie spreekt aan omdat hij niet alleen de tekorten verklaart, maar ook de niet aangetaste of zelfs superieure vaardigheden. Er is echter weinig wetenschappelijk onderzoek dat deze hypothese ondersteunt en de inconsistente bevindingen maken duidelijke interpretaties moeilijk (Verté, 2004). Het is dus niet duidelijk of zwakke CC universeel en specifiek is voor ASS. De theorie is niet voldoende om ASS te differentiëren van andere stoornissen. Een zwakke CC als cognitieve stijl blijkt zelfs voor te komen bij goed aangepaste, gezonde en intelligente volwassenen (Happé & Frith, 2006). De theorie van het Executief Functioneren (EF) Volgens deze theorie vertonen kinderen met ASS beperkingen in EF. Ondanks vrij veel en sterk bewijs voor EF-tekorten bij ASS, blijft de exacte aard en belangrijkheid van de tekorten een discussiepunt. Sommige studies vinden tekorten in cognitieve flexibiliteit en een gespaarde inhibitie, terwijl andere studies deze resultaten tegenspreken (Hughes, 2002; Ozonoff & Strayer, 1997; Rajendran & Mitchell, 2007). Het is wel reeds duidelijk dat EFtekorten een rol spelen in de sociale en cognitieve beperkingen die geobserveerd worden in kinderen met ASS (Kenworthy et al., 2005). EF is nodig om flexibel en aangepast gedrag te vertonen om nieuwe doelen te bereiken. Tekorten in EF kunnen dan ook een verklaring bieden voor het kenmerkende rigide en repetitieve gedrag bij mensen met ASS (Happé & Frith, 2006; Morgan et al., 2003). De theorie probeert dus de niet-sociale moeilijkheden in ASS te verklaren in termen van tekorten in frontale functies zoals planning, inhibitie en flexibiliteit (Booth et al., 2003). Op klinisch niveau blijkt deze theorie aannemelijk. Zo zijn rigide en repetitief gedrag en extreme reacties op verandering diagnostische kenmerken van ASS en zijn er parallellen gevonden tussen ASS en verworven prefrontale hersenschade. Er is ook een sterke empirische ondersteuning voor 4

11 de EF-theorie. Verschillende studies hebben kinderen met ASS vergeleken met leeftijd en IQ gematchte controlegroepen, waaruit EF-tekorten bleken bij kinderen met ASS. Er is echter ook kritiek op de theorie door het gebrek aan specificiteit, uniciteit en universaliteit (Happé, Booth, Charlton, & Hughes, 2006; Rajendran & Mitchell, 2007). Op de mogelijke EF-tekorten en de ernst hiervan zoals blijkt uit verschillende onderzoeken wordt later verder ingegaan. Relatie tussen de cognitieve theorieën In verschillende studies heeft men reeds gezocht naar een mogelijk verband tussen de theorie van CC en ToM. Morgan et al. (2003) bespreken in hun studie twee hypotheses, de linked deficit hypothesis en de independent deficit hypothesis, in verband met de relatie tussen CC en ToM. De linked deficit hypothesis stelt dat zwakke CC een primair cognitief tekort in ASS zou zijn, dat zelfs de beperkingen in ToM zou verklaren. De independent deficit hypothesis stelt dat kinderen met ASS twee onderscheiden tekorten hebben, namelijk een zwakke CC en een tekort in ToM. Het onderzoek van Morgan et al. (2003) geeft meer ondersteuning aan de independent deficit hypothese dan aan de linked deficit hypothese. Happé (1999) stelt ook dat bevindingen aantonen dat zwakke CC en ToM onafhankelijk zijn van elkaar, maar dat ze mogelijks wel interageren. Er is reeds gesuggereerd dat er een verband zou kunnen zijn tussen de theorie van CC en EF. Happé en Frith (2006) komen tot de conclusie dat een zwakke CC niet te reduceren is tot een tekort in EF. Ze halen hiervoor drie studies aan die de mogelijke relatie tussen CC en EF hebben onderzocht. De resultaten zijn echter niet eenduidig, al ondersteunen de meeste resultaten de hypothese dat CC een gevolg zou zijn van EF-tekorten niet. Toch is het mogelijk dat beide theorieën een belangrijke gemeenschappelijke theoretische grond delen. 1.2 Attention Deficit Hyperactivity Disorder (ADHD) ADHD is een stoornis die vroeg begint (meestal voor 7 jaar) en een heterogeen klinisch beeld heeft van aandachtstekort, hyperactiviteit en impulsiviteit (Faraone & Biederman, 1998; Kirley et al., 2002). De stoornis blijft aanwezig doorheen de kindertijd en blijft aanwezig in de adolescentie bij ongeveer 50% tot 80% van de gevallen. In ongeveer 30% tot 60% blijven problemen ook aanwezig tijdens de volwassenheid (Barkley, 1997a; Barkley, 1997b; Kirley et al., 2002). De impact op de maatschappij en het gezin is enorm in termen van financiële 5

12 kosten, stress, slechtere academische resultaten en negatieve effecten op het zelfvertrouwen (Barkley, 1997a; Faraone & Biederman, 1998). De symptomen van ADHD worden volgens de DSM-IV-TR (2000) in twee categorieën opgedeeld: aandachtstekort en hyperactiviteit-impulsiviteit. Van één van beide of beide categorieën moeten zes of meer symptomen zijn vastgesteld gedurende ten minste zes maanden. De symptomen moeten al aanwezig zijn van voor het zevende jaar en moeten voorkomen op twee of meer terreinen. Er worden ook drie subtypes beschreven: het gecombineerde type, het inattentieve type en het hyperactief-impulsieve type. De prevalentie en de geslachtsratio In de DSM-IV-TR (2000) wordt de prevalentie van ADHD geschat op 3% - 7% van de kinderen op lagere schoolleeftijd. Er wordt verder een geslachtsratio tussen 2:1 en 9:1 aangehaald. Deze range hangt af van het subtype en de setting. De stoornis komt dus vaker voor bij mannen dan bij vrouwen. Andere studies bevestigen deze schatting, ze schatten de prevalentie van ADHD op 3% 6% van de kinderen op schoolleeftijd wereldwijd, waarbij ADHD bij jongens drie keer meer voorkomt dan bij meisjes (Barkley, 1997b; Kirley et al, 2002; Tannock, 1998). Faraone et al. (2005) geven een prevalentie aan van 8% - 12% wereldwijd. Hierdoor plaatsen ze ADHD bij de meest voorkomende psychiatrische stoornissen in de kindertijd. Verklaringsmodellen Er zijn verschillende modellen die ADHD proberen te verklaren. Zo zijn er de neurobiologische modellen die vooral de genetische invloeden behandelen en ook de cognitieve theorieën die zich meer concentreren op de informatieverwerking (Tannock, 1998). In deze scriptie zijn, zoals reeds vermeld, vooral de cognitieve theorieën en dan meer bepaald de EF-theorie van belang. Neurobiologische theorieën Genetische studies, zoals gezinsstudies, tweelingstudies en adoptiestudies, tonen de erfelijkheid van ADHD aan en suggereren een genetische basis voor de stoornis (Tannock, 1998). Volgens Faraone en Biederman (1998) ondersteunen gezinsstudies de aanname dat ADHD familiaal bepaald is. Deze studies toonden aan dat ouders met kinderen met ADHD 2 tot 8 keer meer risico lopen op ADHD en dat ook de broers en zussen van kinderen met ADHD een verhoogd risico lopen. Gegevens van tweelingstudies worden vaak gebruikt om de 6

13 erfelijkheidsgraad te schatten. Volgens Faraone en Biederman (1998) wordt de erfelijkheidsgraad geschat op ongeveer.80 en Kirley et al. (2002) schatten de erfelijkheidsgraad op Deze cijfers tonen aan dat de genen een belangrijke rol spelen in de etiologie van ADHD. Omdat de erfelijkheidsgraad lager is dan 1.0 is het duidelijk dat de omgeving ook een invloed heeft op de etiologie van ADHD (Faraone & Biederman, 1998; Kirley et al., 2002). Hierbij hebben studies reeds gewezen op de negatieve invloed van onder andere complicaties bij de zwangerschap en geboorte, huwelijksproblemen, gezinsdisfunctioneren en lage sociale klasse (Kirley et al., 2002). Uit adoptiestudies blijkt dat geadopteerde verwanten van kinderen met ADHD minder risico lopen op het hebben van ADHD dan de biologische verwanten van deze kinderen (Faraone & Biederman, 1998). Welke genen precies verantwoordelijk zijn voor ADHD, is nog niet duidelijk. Er zijn verschillende studies die spreken van een enkel betrokken gen (Faraone & Biederman, 1998). Verschillende andere studies suggereren een betrokkenheid van meerdere genen en neurotransmitters, zoals dopamine, serotonine en noradrenaline in de etiologie van ADHD (Faraone & Biederman, 1998; Faraone et al., 2005; Kirley et al., 2002). Ook Shallice et al. (2002) spreken van een belangrijke organische component, onder andere omdat stimulerende medicatie, zeker op korte termijn, werkzaam blijkt. Cognitieve theorieën Er zijn vijf grote modellen van ADHD: het delay aversion model, het gedragsinhibitie/activatie model, het inhibitie model, het cognitief-energetisch model en het EF-model (Sergeant, Geurts, Huijbregts, Scheres, & Oosterlaan, 2003; Tannock, 1998). De delay aversion theorie Deze theorie stelt dat kinderen met ADHD geen tekort hebben in inhibitie, maar hun nood voor beloning niet willen/kunnen uitstellen (Sergeant et al., 2003). Het centrale concept in de theorie is een aversie voor uitstel. Het impulsieve gedrag wordt gezien als een poging om de subjectieve ervaring van uitstel en wachten te verminderen (Kuntsi, Oosterlaan, & Stevenson, 2001; Tannock, 1998). Er is dus eerder sprake van een afwijking in inhibitie in plaats van een tekort. Uit de studie van Kuntsi et al. (2001) blijkt dat hyperactieve kinderen wel kunnen wachten, maar verkiezen om niet te wachten. Er is hier dus eerder sprake van een motivationeel tekort, een aversie voor uitstel. 7

14 De inhibitie theorie In verschillende studies wordt een zwakke inhibitie genoemd als het centrale tekort bij ADHD. Centraal hierbij staat het model van Barkley (Barkley, 1997a; Barkley, 1997b). Dit model stelt dat kinderen met ADHD een centraal tekort hebben in inhibitie. Dit tekort leidt tot secundaire beperkingen in vier EF: werkgeheugen, zelf-regulatie van affect, motivatie en arousal, internalisatie van spraak en reconstructie (Barkley, 1997a; Barkley, 1997b; Geurts, Verté, Oosterlaan, Roeyers, & Sergeant, 2004a; Schachar, Mota, Logan, Tannock, & Klim, 2000; Tannock, 1998). Het model voorspelt dat het tekort in inhibitie het effectief uitvoeren van deze EF, die zelfcontrole en doelgericht gedrag ondersteunen, verminderd. Deze secundaire beperkingen in EF leiden dan weer tot verminderde controle over motorisch gedrag door innerlijk gerepresenteerde informatie en zelfgerichte actie en tot minder doelgericht en toekomstgericht gedrag (Barkley, 1997a; Barkley, 1997b; Tannock, 1998). Het gevolg is dat het gedrag van kinderen met ADHD meer gecontroleerd wordt door de directe context en zijn gevolgen in plaats van door gebeurtenissen en gevolgen verder in de tijd (Barkley, 1997a; Barkley, 1997b). In de literatuur is echter niet iedereen het eens met het model van Barkley. Zo is er nog geen overeenkomst of EF-tekorten in ADHD specifiek gerelateerd zijn aan inhibitie (Scheres et al., 2004). De behavioural inhibition/activation theorie Volgens dit model ontstaat een zwakke inhibitie bij ADHD door onevenwicht tussen twee neuropsychologische systemen die de reacties op signalen van straf en beloning controleren. Kinderen met ADHD zouden een onderactief gedragsinhiberend systeem (BIS; Behavioral Inhibition System) en een overactief gedragsactiverend systeem (BAS; Behavioral Activation System) hebben. BIS wordt geactiveerd door signalen van straf of gebrek aan beloning en zorgt voor de inhibitie van gedrag. BAS wordt geactiveerd door signalen van beloning en zorgt voor de activatie van gedrag. Kinderen met ADHD zullen dus in mindere mate gedrag inhiberen dat geassocieerd is met straf of een gebrek aan beloning (Sergeant et al., 2003; Tannock, 1998). Belangrijk is ook dat deze theorie voorspelt dat ADHD, Oppositioneelopstandige gedragsstoornis (ODD) en Conduct Disorder (CD) gemeenschappelijke problemen hebben met inhibitie. Het model verklaart deze stoornissen als één groep in termen van de balans tussen BIS en BAS (Sergeant et al., 2003). 8

15 Het cognitief-energetisch model Dit model stelt dat informatieverwerking bepaald wordt door processen en energetische systemen. Er worden drie energetische systemen voorgesteld: arousal, activatie en effort. Arousal is verantwoordelijk voor de reactie op zintuiglijke activiteit, activatie zorgt voor de motorische organisatie en effort staat in de nodige energie om aan de eisen van een taak te voldoen en wordt beïnvloed door motivatie. Daarnaast bevat dit model ook een derde niveau, namelijk controlesystemen zoals EF (Sergeant, 2000; Sergeant et al., 2003; Tannock, 1998). Volgens dit model worden de inhibitieproblemen bij kinderen met ADHD veroorzaakt door een disfunctie in het effort/activatiesysteem. (Sergeant, 2000; Tannock, 1998). Het gebrek aan inhibitie bij kinderen met ADHD wordt gemoduleerd door hun moeilijkheden met het aanpassen van hun energetische staat (Sergeant, 2000). Het cognitief-energetisch model is volgens Sergeant et al. (2003) momenteel het meest comprehensieve model van ADHD. Kuntsi et al. (2001) stelt dat er mogelijks sprake is van een gebrek aan consistente inzet bij hyperactieve kinderen. Dit ondersteunt de theorie dat er een probleem is in het effort/activatie systeem. De theorie van het Executief Functioneren De meest dominante theorie ziet ADHD als een stoornis met tekorten in EF (Geurts, van der Oord, & Crone, 2006; Shallice, 2002). Dit omdat kinderen met ADHD moeilijkheden zouden hebben met taken die betrekking hebben op inhibitie, werkgeheugen en task-switching (Geurts, van der Oord, & Crone, 2006). Volgens Goldberg et al. (2005) blijkt uit een vergelijking van voorgaande studies dat de inhibitie verstoord is bij kinderen met ADHD. Ze stellen ook dat kinderen met ADHD beperkingen vertonen bij tests van planning en werkgeheugen. Daarnaast blijken personen met ADHD geen moeilijkheden te hebben met flexibiliteit (Ozonoff & Strayer, 2001). Op verder onderzoek met betrekking tot mogelijke EF-tekorten wordt later verder ingegaan. 1.3 Executief functioneren (EF) Er bestaat geen universele definitie van EF, maar er zijn overeenkomsten in de verschillende definities. EF is een parapluterm voor functies zoals planning, werkgeheugen, impulscontrole, inhibitie, mentale flexibiliteit (set-shifting), (verbale) vlotheid, organisatie van gedrag en het beginnen en monitoren van actie (Geurts et al., 2004a; Gioia, Isquith, Guy, & Kenworthy, 2000; Hill, 2004; Ozonoff & Strayer, 1997; Rajendran & Mitchell, 2007; Raymaekers, van der Meere, & Roeyers, 2006; Sergeant et al., 2003; Sullivan & Riccio, 2006; Tannock, 1998). 9

16 EF worden ook vaak omschreven als mentale controleprocessen die zelfcontrole mogelijk maken en nodig zijn om tot een gepaste probleemoplossing te komen voor het bereiken van een toekomstig doel (Geurts et al., 2004a; Geurts et al., 2004b; Liss et al., 2001; Scheres et al., 2004; Verté, Geurts, Roeyers, Oosterlaan, & Sergeant, 2005; Willcutt, Doyle, Nigg, Faraone, & Pennington, 2005). EF blijken dus een hele verzameling processen te bevatten die verantwoordelijk zijn voor het leiden, sturen en managen van cognitieve, emotionele en gedragsmatige functies (Gioia et al., 2000). EF zijn essentieel voor de normale verwerking van informatie uit de omgeving. Hierdoor is de impact van beperkingen in EF mogelijks erg groot (Ozonoff & Strayer, 1997). Verschillende netwerken in de hersenen worden geassocieerd met EF, onder andere de thalamus, de basale ganglia en de prefrontale cortex (Geurts et al., 2004a; Willcutt et al., 2005; Sergeant et al., 2003). EF zijn vaak verstoord bij personen met verworven schade aan de frontale lobben en bij personen met een ontwikkelingsstoornis die waarschijnlijk tekorten in de frontale lobben met zich meebrengt. Voorbeelden van deze stoornissen zijn onder andere ADHD, ASS, Obsessief Compulsieve Stoornis (OCD), syndroom van Gilles de la Tourette (TS), schizofrenie, fenylketonurie (Happé et al., 2006; Hill, 2004; Hill & Frith, 2003; Verté et al., 2005). Er zijn echter ook al EF-tekorten vastgesteld bij mensen met verworven schade aan niet-frontale hersengebieden (Hill, 2004). EF ontwikkelen vooral tijdens de lagere schoolleeftijd. De prestaties op EF-taken blijken te verbeteren bij het ouder worden en leeftijd blijkt een belangrijke rol te spelen bij het verdwijnen van significante groepsverschillen (Letho, Juujärvi, Kooistra, & Pulkkinen, 2003; Verté et al., 2005). Daarnaast worden bij kleuters nog weinig tot geen EF-problemen gevonden (Verté et al., 2005). Als EF-tekorten de primaire en enige oorzaak van een stoornis zijn, dan zou dit inhouden dat alle kinderen met die stoornis EF-tekorten hebben, dat deze tekorten specifiek zijn voor die stoornis en dat ze noodzakelijk en voldoende zijn om de kernsymptomen van de stoornis te veroorzaken. Er is dan ook al veel onderzoek gebeurd naar EF bij kinderen met ontwikkelingsstoornissen. Zo worden EF-tekorten gezien als de kernoorzaak van zowel ADHD als ASS. Dit geeft een probleem met de discriminerende validiteit. Dit wordt deels opgelost wanneer er verschillende EF-profielen vastgesteld kunnen worden (Geurts et al., 2004a; Rajendran & Mitchell, 2007). Bijkomende kennis over welke specifieke EF beperkt 10

17 zijn bij welke stoornis kan helpen om risicofactoren, oorzaken of markers voor die stoornissen te definiëren (Goldberg et al., 2005). Hieronder bekijken we wat in de literatuur reeds geweten is rond EF bij kinderen met ASS, bij kinderen met ADHD en de mogelijke gelijkenissen en verschillen hiertussen. 1.4 EF bij kinderen met ASS Er werden reeds verschillende onderzoeken uitgevoerd naar EF bij kinderen met ASS, waarbij reeds verschillende tekorten werden aangetoond. Kinderen met ASS blijken lager te scoren op verschillende EF-tests in vergelijking met normale controlekinderen (Ciesielski & Harris, 1997; Liss et al., 2001; Russel et al., 1999; Verté et al., 2005). Zo voorspelden Geurts et al. (2004a) dat kinderen met ASS problemen zouden hebben op alle domeinen van EF. Volgens Liss et al. (2001) hebben sommige studies ook weinig EF-beperkingen gevonden, wat de theorie in vraag stelt. Hieronder worden enkele EF en onderzoeksresultaten hierover aangehaald. Verschillende studies toonden reeds aan dat inhibitie niet verstoord is bij kinderen met ASS. Dit op verschillende tests, onder andere de Stroop taak en in vergelijking met controlekinderen gematched op leeftijd en IQ (Goldberg et al., 2005; Hill, 2004; Kenworthy et al., 2005; Liss et al., 2001; Ozonoff & Strayer, 1997; Raymaekers et al., 2006). Toch blijkt er nog geen consensus te zijn over het al dan niet voorkomen van specifieke tekorten in inhibitie bij ASS. Dit omdat er ook studies zijn waar kinderen met ASS wel een tekort in inhibitie vertonen (Geurts et al., 2004a; Raymaekers et al., 2006; Verté et al., 2005; Verté, Geurts, Roeyers, Oosterlaan, & Sergeant, 2006). De inconsistente bevindingen met betrekking tot inhibitie kunnen mogelijks veroorzaakt worden door het hoge aantal kinderen met ASS die ook significante niveaus van ADHD-achtige symptomen vertonen (Raymaekers et al., 2006). Hill (2004) onderzocht onder andere flexibiliteit, gemeten met de Wisconsin Card Sorting Task (WCST) bij kinderen met ASS. Hier werden beperkingen vastgesteld, net als bij het onderzoek van Geurts et al. (2004a). Goldberg et al. (2005) vergeleken bevindingen uit voorgaande studies en hieruit blijkt dat er tekorten werden gevonden bij kinderen met ASS met betrekking tot flexibiliteit. Problemen met cognitieve flexibiliteit blijken bij kinderen met ASS vrij consistent voor te komen (Ciesielski & Harris, 1997; Hill & Frith, 2003; Liss et al., 2001; Raymaekers et al., 2006; Verté et al., 2005). 11

18 Planning is ook een EF die in meerdere studies tekorten vertoont bij kinderen met ASS. Dit wordt onder andere gemeten met the Tower of London (ToL) (Hill, 2004; Hill & Frith, 2003; Geurts et al., 2004a; Goldberg et al., 2005; Liss et al., 2001; Rajendran & Mitchell, 2007; Raymaekers et al., 2006; Verté et al., 2005). Ook tekorten in organisatie, meer bepaald verbale organisatie, zijn reeds aangetoond in onderzoek bij kinderen met ASS (Kenworthy et al., 2005). Uit onderzoek blijkt dat organisatorische tekorten en een gebrek aan flexibiliteit deel uit maken van de sociale beperkingen in ASS. EF-tekorten kunnen dus bijdragen tot de problemen met wederkerigheid in sociale interacties bij kinderen met ASS (Gilotty et al., 2002; Kenworthy et al., 2005). Kinderen met ASS blijken meer moeite te hebben met flexibiliteit en planning dan kinderen met andere ontwikkelingsstoornissen zoals ADHD, CD en TS (Kenworthy et al., 2005). Onderzoek heeft ook reeds aangetoond dat kinderen met ASS moeilijkheden hebben met verbale vlotheid (Geurts et al., 2004a; Verté et al., 2005). Toch zijn ook hier de resultaten niet altijd eenduidig (Rajendran & Mitchell, 2007). Door inconsistente resultaten is er nog geen consensus over tekorten in het werkgeheugen bij ASS (Liss et al., 2001; Verté et al., 2006). Uit het onderzoek van Ozonoff en Strayer (2001) blijkt dat het werkgeheugen niet beperkt is bij kinderen met ASS. Geurts et al. (2004a) vonden, in tegenstelling tot hun verwachtingen, geen problemen in het werkgeheugen van kinderen met ASS. Er zijn ook studies waar het werkgeheugen van kinderen met ASS wel tekorten vertoont (Kenworthy et al., 2005; Raymaekers et al., 2006; Verté et al., 2005). Deze tekorten blijken echter te verschillen afhankelijk van de soort taak en de moeilijkheidsgraad en er blijken meer problemen te zijn met het verbaal werkgeheugen dan met het visuospatiaal werkgeheugen (Kenworthy et al., 2005). Volgens Ozonoff en Strayer (2001) zijn deze studies echter in de minderheid waardoor de hypothese ondersteund wordt dat niet alle componenten van EF beperkt zijn in ASS. Het werkgeheugen wordt vaak getest met tower tasks, zoals ToL. Hier blijken kinderen met ASS slecht op te scoren (Hala et al., 2005; Ozonoff & Strayer, 2001). Volgens Hala et al. (2005) meten deze taken echter eerder planningsvaardigheden dan werkgeheugen. Het is methodologisch moeilijk om taken te ontwerpen die enkel het werkgeheugen meten, omdat 12

19 het werkgeheugen noodzakelijk is voor het vervullen van verschillende executieve taken (Hala et al., 2005; Ozonoff & Strayer, 2001). Studies met andere taken voor werkgeheugen, zoals dice counting, sentence-span task zijn minder eenduidig (Ozonoff & Strayer, 2001). De meeste studies onderzoeken groepsverschillen, maar enkele studies bekeken ook specifiek het percentage van hun ASSgroep met EF-tekorten. Hieruit bleek dat deze tekorten niet universeel zijn in ASS. Het is mogelijk dat er EF-tekorten voorkomen bij sommige personen met ASS, maar niet alle personen met ASS hebben EF-tekorten (Liss et al., 2001). Daarnaast gaat men ook na of EF-tekorten uniek zijn voor ASS. Zoals reeds vermeld komen EF-tekorten voor bij verschillende stoornissen. Om de discriminerende validiteit op te lossen is het nodig aan te tonen dat er een specifiek EF-profiel is dat qua type en ernst uniek is voor ASS (Liss et al., 2001). Dit is uit onderzoek nog niet eenduidig gebleken. Het specificiteit probleem kan deels opgelost worden als er verschillende EF-profielen tussen de stoornissen kunnen gevonden worden. Meerdere vergelijkingen tussen klinische groepen zijn hiervoor nodig (Verté et al, 2005). Volgens Verté et al. (2005) hebben leeftijd of IQ geen invloed op de significante verschillen. De EF-tekorten zijn dus niet te wijten aan verschillen in IQ of leeftijd. De kinderen met ASS blijken ook moeilijkheden te hebben op niet-ef domeinen. Hieruit kunnen we afleiden dat problemen met EF deels te wijten kunnen zijn aan deze niet-ef problemen. 1.5 EF bij kinderen met ADHD Veel auteurs hebben reeds de hypothese onderzocht dat ADHD symptomen zouden ontstaan door een primaire beperking in EF die noodzakelijk en voldoende is om ADHD te veroorzaken. Dit omdat een prefrontaal letsel soms hyperactiviteit, impulsiviteit en beperkingen op EF-taken veroorzaakt. Er zijn vier criteria waaraan voldaan moet zijn vooraleer het gaat om een primaire beperking (Wilcutt et al., 2005). Deze vier zijn: 1 Groepen mensen met ADHD moeten consistent een zwakte op EF-taken vertonen. 2 EF-tekorten moeten een substantiële proportie van de variantie in ADHD symptomen in de populatie verklaren. 3 EF-tekorten moeten aanwezig zijn in de meeste personen met ADHD. 4 EF-tekorten en ADHD symptomen moeten toe te schrijven zijn aan gemeenschappelijke etiologische invloeden. 13

20 De meta-analyse van Wilcutt et al. (2005) toont aan dat ADHD geassocieerd kan worden met tekorten op verschillende domeinen van EF. De sterkste effecten werden bereikt op metingen van responsinhibitie, waakzaamheid, ruimtelijk werkgeheugen en enkele metingen van planning. De tekorten werden zowel gevonden in klinische groepen als community samples en worden niet verklaard door groepsverschillen in intelligentie, schoolse prestaties of symptomen van andere stoornissen. De hypothese dat EF-beperkingen de enige noodzakelijke en voldoende oorzaak van ADHD in alle personen met de stoornis is, werd echter niet ondersteund. Beperkingen in EF blijken wel één van de verschillende belangrijke tekorten te zijn die de etiologie van ADHD vormen. Uit onderzoek blijkt dat er EF-tekorten zijn in ADHD. Het is echter onduidelijk of deze tekorten specifiek genoeg zijn om te differentiëren tussen ADHD en andere stoornissen, zoals ASS (Sergeant et al., 2003). Willcutt et al. (2005) geven aan dat er reeds onderzoek is verricht naar mogelijks verschillende EF-patronen bij kinderen met het inattentieve type of het gecombineerde type, waardoor ze van elkaar onderscheiden zouden kunnen worden. Er wordt gesuggereerd dat ze vooral zouden verschillen op vlak van responsinhibitie. Deze studies vonden echter weinig verschillen tussen het gecombineerde type en het inattentieve type op de EF-metingen (Geurts, Verté, Oosterlaan, Roeyers, & Sergeant, 2005; Willcutt et al., 2005). Enkele studies onderzochten niet alleen het gecombineerde type en het inattentieve type, maar ook het hyperactief-impulsieve type. Hieruit bleken minimale EF-tekorten bij het hyperactiefimpulsieve type. Er wordt dan ook gesuggereerd dat het hyperactief-impulsieve type niet dezelfde etiologische mechanismen heeft als het gecombineerde type. Daarnaast suggereren deze resultaten ook dat EF-tekorten vooral de symptomen van aandachtstekort verklaren in plaats van hyperactiviteit en impulsiviteit (Willcutt et al., 2005). Werkgeheugen en inhibitie zijn twee kerndomeinen van EF. Volgens Verté et al. (2006) zouden tekorten in EF secundair kunnen zijn aan beperkingen in werkgeheugen en inhibitie. Bevindingen in verband met werkgeheugen bij kinderen met ADHD zijn inconsistent. Al blijken er mogelijks tekorten te zijn in het visueel-ruimtelijk werkgeheugen. Problemen met inhibitie blijken echter universeel te zijn bij kinderen met ADHD. In vele theorieën wordt een tekort in inhibitie dan ook gezien als een kernprobleem (Barkley, 1997a; Barkley, 1997b; Verté et al., 2006). Ondanks methodologische verschillen zijn studies redelijk consistent in het aantonen van tekorten in inhibitie bij ADHD (Geurts et al., 2005; Schachar et al., 2000; 14

21 Schallice et al., 2002). Een inhibitietekort wil zeggen dat personen met ADHD vlugger reageren zonder na te denken en zo de voordelen van controlestrategieën missen (Schachar et al., 2000). Onderzoek rond EF-tekorten spreken elkaar wel vaker tegen. Zo is er nog geen eenduidigheid rond tekorten in inhibitie, planning, flexibiliteit, werkgeheugen en verbale vlotheid. Er zijn onderzoeken die hierin tekorten aanduiden en andere die geen verschil vinden met controlekinderen (Scheres et al., 2004). Scheres et al. (2004) onderzochten jongens met ADHD. Ze vonden een tekort in inhibtie, planning en letter vlotheid. Er bleken geen tekorten in semantische vlotheid, werkgeheugen en flexibiliteit. De gevonden tekorten verdwenen echter nadat leeftijd, IQ en niet-ef metingen in rekening werden gebracht. Deze verdwijning van tekorten werd veroorzaakt door leeftijd en niet-ef metingen. De resultaten leveren dus geen ondersteunend bewijs voor de modellen die EF-tekorten zien als het kernprobleem van ADHD. 1.6 Vergelijking tussen ADHD en ASS op vlak van EF Er is reeds veel onderzoek gebeurd naar EF bij kinderen met ADHD en kinderen met ASS. Van die onderzoeken zijn er echter maar weinigen waar kinderen met ADHD en kinderen met ASS rechtstreeks vergeleken worden (Geurts et al., 2004a). Uit het onderzoek van Geurts et al. (2004a) bleek zoals voorspeld, dat kinderen met ADHD en kinderen met ASS EF-tekorten hebben en dat de EF-tekorten robuster zijn bij ASS dan bij ADHD. Het onderscheiden van verschillende EF-profielen blijkt echter minder eenduidig te zijn dan verwacht. Geurts et al. (2004b) stellen dat ADHD en ASS twee ontwikkelingsstoornissen zijn die zowel qua symptomen als theorieën een overlap vertonen. Het is dan ook moeilijk om te differentiëren tussen ADHD en ASS. Zoals blijkt uit het voorgaande is er in de literatuur geen eensgezindheid over de EF-tekorten bij ADHD en ASS. Twee voorgaande studies vergeleken rechtstreeks ADHD en ASS. Deze beide studies bleken echter niet tot dezelfde bevindingen te komen (Geurts et al., 2004a). De eerste studie vond een dubbele dissociatie waarbij kinderen met ASS moeilijkheden in planning en cognitieve flexibiliteit, maar niet in inhibitie vertoonden en kinderen met ADHD het omgekeerde patroon vertoonden. De andere studie kon deze resultaten niet repliceren. Er werd een tekort in inhibitie gevonden bij zowel ADHD als ASS en alleen kinderen met ADHD vertoonden tekorten in flexibiliteit (Geurts et al., 2004a; Sergeant et al., 2003). Geurts 15

22 et al. (2004a) probeerden de eerder gevonden dubbele dissociatie te reproduceren. Het bleek dat kinderen met ASS meer algemene en ernstigere EF-tekorten hadden, maar de dubbele dissociatie werd niet gevonden. Het blijkt dus moeilijk om kinderen met ADHD en kinderen met ASS te differentiëren. Over het algemeen blijkt de relatie tussen werkgeheugen en inhibitie gelijkend te zijn bij kinderen met ADHD, ASS en normaal ontwikkelende kinderen. In de literatuur zijn er echter reeds problemen met werkgeheugen gevonden bij kinderen met ASS, vooral bij het verbaal werkgeheugen. Tekorten in visueel-ruimtelijk werkgeheugen blijken meer gelinkt te zijn aan kinderen met ADHD. Dit contrasteert met de studie van Verté et al. (2006) waar een sterkere relatie tussen visueel-ruimtelijk werkgeheugen en ASS werd gevonden. 1.7 BRIEF bij ADHD en ASS Er zijn reeds enkele studies uitgevoerd bij kinderen met ADHD en ASS met behulp van de BRIEF. Deze studies zijn in de minderheid in vergelijking met studies gebaseerd op EF-taken. Jarratt, Riccio, en Siekierski (2005) vergeleken metingen van de BRIEF met de Behavior Assessment System for Children (Reynolds & Kamphaus, 1992). Het doel was om na te gaan of deze schalen bruikbaar waren bij het identificeren van kinderen met aandachtsproblemen. De beide schalen bleken gelijkende constructen te meten die geassocieerd zijn met belangrijke gedragingen bij ADHD. Gilotty et al. (2002) onderzochten de relatie tussen adaptieve vaardigheden, gemeten met de Vineland Adaptive Behavior Scales (Sparrow, Baila, & Cicchetti, 1984), en EF, gemeten met de BRIEF bij kinderen met ASS. Uit dit onderzoek bleek de bruikbaarheid en ecologische validiteit van beide gestandaardiseerde metingen van alledaags functioneren. Uit deze studie bleek dat aspecten van EF gerelateerd zijn aan adaptieve vaardigheden. Gioia, Isquith, Kenworthy en Barton (2002a) vergeleken EF op basis van de BRIEF bij kinderen met ADHD-I, met ADHD-C en met ASS. Zowel kinderen met ADHD als ASS bleken over het algemeen EF-tekorten te vertonen. Er bleken wel enkele verschillen tussen kinderen met ADHD-I en kinderen met ADHD-C. Zo vertoonden kinderen met ADHD-I in vergelijking met kinderen met ADHD-C grotere moeilijkheden met de metacognitieve aspecten van EF en minder problemen met inhibitie, shift en emotionele controle. De kinderen met ADHD-C hadden significante tekorten in inhibitie die groter waren dan de andere klinische groepen, zelfs groter dan bij kinderen met ADHD-I. Kinderen met ADHD-C 16

23 vertoonden het meest moeilijkheden in metacognitie en gedragsregulatie, behalve bij shift. Ze vertoonden wel moeilijkheden met shift, maar niet zo erg als kinderen met ASS. Zij hadden de hoogste score op dit domein in vergelijking met de andere klinische groepen. De kinderen met ASS hadden verhoogde scores op alle domeinen van EF in vergelijking met de controlegroep. 65% van de kinderen met ASS hadden klinische scores op het domein van monitoring en 70% had klinische scores op planning en organisatie. Ongeveer evenveel kinderen met ADHD hadden ook klinische scores op planning en organisatie. Wat erop wijst dat hun tekorten in het dagelijks leven ongeveer even groot zijn. Voor het onderzoek van Kenworthy et al. (2005) bij kinderen met ASS werd naast het uitvoeren van taken ook gebruik gemaakt van de BRIEF. Twee derde van de kinderen viel in de klinische range op alle drie de globale scores van de BRIEF. De kinderen bleken tekorten te vertonen wat betreft aandacht, inhibitie, cognitieve flexibiliteit, werkgeheugen en organisatie. Een tekort in flexibiliteit kwam het vaakst voor. Dit kan de rigiditeit en de vaste routines en gedragingen die nodig zijn voor een diagnose van ASS verklaren. Tevens werden er tekorten gevonden in organisatie. Dit is vooral belangrijk bij het omgaan met complexe informatie. De gevonden tekorten in aandacht, werkgeheugen en impulscontrole waren minder erg en doordringend dan de tekorten in flexibiliteit en organisatie. Deze gevonden moeilijkheden worden normaal vooral geassocieerd met kinderen met ADHD. In de meeste voorgaande studies werden dan ook geen tekorten gevonden op vlak van aandacht, werkgeheugen en impulscontrole bij kinderen met ASS. Deze bevindingen zouden veroorzaakt kunnen worden door de aanwezigheid van comorbide stoornissen. 1.8 Problemen met metingen van EF Uit het voorgaande is gebleken dat er nog veel inconsistente bevindingen zijn met betrekking tot EF-tekorten bij ASS en bij ADHD. Een mogelijke oorzaak hiervoor zijn de moeilijkheden bij het meten van EF. Het meten van EF is complex en het steunen op prestatiegerichte neuropsychologische metingen kan zorgen voor een beperkte en incomplete assessment. Prestatietests proberen expliciet EF aan te spreken, maar toch is hun ecologische validiteit en generaliseerbaarheid beperkt. Deze tests meten individuele componenten van EF over een korte tijdsperiode en niet het geïntegreerde, multidimensionele, op prioriteiten gebaseerde beslissingsproces dat vaak nodig is in het dagelijks leven (Gioia et al., 2002a; Gioia, Isquith, Retzlaff, & Espy, 2002b). Volgens Gilotty et al. (2002) betrouwen de meeste empirische studies op labo-metingen die fracties van EF meten. Verschillende studies meten dus 17

24 mogelijks verschillende aspecten van EF. Dit zou de discrepanties tussen verschillende resultaten van onderzoek kunnen verklaren. Er is dus vraag naar meer contextuele of ecologische validiteit, naar meer metingen van het functioneren in alledaagse settings. Ook Kenworthy et al. (2005) geven aan dat EF moeilijk te vatten zijn buiten realistische settings. Dit probeert men op te vangen door naast labo-metingen ook ouderrapportage van EF in de dagelijkse thuisomgeving te gebruiken. Het is ook erg moeilijk tot bijna onmogelijk om cognitieve taken te ontwerpen die bepaalde componenten van EF isoleren en meten. De EF-taken die ontwikkeld zijn om een specifiek component te meten, zijn dus meestal geen pure metingen van die component. (Ciesielski & Harris, 1997; Geurts et al., 2004a; Kenworthy et al., 2005; Ozonoff & Strayer, 2001; Sergeant, Geurts, & Oosterlaan, 2002). Dit komt omdat deze componenten verbonden met en afhankelijk van elkaar zijn. Er is echter meer onderzoek nodig om deze verbanden duidelijk te maken (Geurts et al., 2004a; Ozonoff & Strayer, 2001). Deze onzuiverheid in metingen kan onder andere opgevangen worden door verschillende taken op te nemen die overlappen qua EF-component die gemeten wordt. Op deze manier is men er zekerder van dat het hele domein genoeg omvat wordt en dat mogelijke tekorten niet afhankelijk zijn van de gekozen taak (Geurts et al., 2004a; Ozonoff & Strayer, 2001; Verté et al., 2005). Prestaties op tests die ontwikkeld zijn om EF te meten zijn vaak ook afhankelijk van cognitieve processen die niet behoren tot EF zoals perceptie, aandacht, sommige aspecten van taal en geheugen. Om te kunnen concluderen dat zwakke prestaties op een EF-taak komen door een EF-tekort is het nodig om deze niet-ef eisen in rekening te brengen. Dit kan door ook controletaken te voorzien (Geurts et al., 2004a; Geurts et al., 2005; Scheres et al., 2004; Sergeant et al., 2002; Verté et al., 2005). Verté et al. (2005) maakten gebruik van niet-ef metingen om te controleren voor een algemene cognitieve beperking. Ze gaven hierbij echter wel de mogelijkheid aan dat deze taken ook EF-processen bevatten. Het is ook belangrijk om bij bijvoorbeeld ADHD comorbide gedragsproblemen of kenmerken van ASS in rekening te brengen, om zeker te zijn dat de EF-tekorten gerelateerd zijn aan symptomen van ADHD. Ook factoren zoals IQ en geslacht worden best in rekening gebracht omdat ze de resultaten kunnen vertekenen (Geurts et al., 2005; Scheres et al., 2004). Metingen van EF kunnen gedaan worden via computertaken of via menselijke afname. Het is mogelijk dat dit ook een invloed heeft op de resultaten. Ozonoff en Strayer (2001) stellen dat het mogelijk is dat kleine cognitieve beperkingen kunnen uitvergroot worden door menselijke 18

Executive functioning bij kinderen met een ontwikkelings- of gedragsstoornis

Executive functioning bij kinderen met een ontwikkelings- of gedragsstoornis Executive functioning bij kinderen met een ontwikkelings- of gedragsstoornis Sylvie Verté INLEIDING Reeds geruime tijd worden pogingen ondernomen om te bepalen welke aspecten van diverse ontwikkelings-

Nadere informatie

Omdat uit eerdere studies is gebleken dat de prevalentie, ontwikkeling en manifestatie van gedragsproblemen samenhangt met persoonskenmerken zoals

Omdat uit eerdere studies is gebleken dat de prevalentie, ontwikkeling en manifestatie van gedragsproblemen samenhangt met persoonskenmerken zoals Gedragsproblemen komen veel voor onder kinderen en adolescenten. Als deze problemen ernstig zijn en zich herhaaldelijk voordoen, kunnen ze een negatieve invloed hebben op het dagelijks functioneren van

Nadere informatie

ADHD en ASS. Bij normaal begaafde volwassen. Utrecht, 23-01-2014 Anne van Lammeren, psychiater UCP/UMCG

ADHD en ASS. Bij normaal begaafde volwassen. Utrecht, 23-01-2014 Anne van Lammeren, psychiater UCP/UMCG ADHD en ASS Bij normaal begaafde volwassen Utrecht, 23-01-2014 Anne van Lammeren, psychiater UCP/UMCG Disclosure belangen spreker (potentiële) Belangenverstrengeling Geen Voor bijeenkomst mogelijk relevante

Nadere informatie

Bijlage 25: Autismespectrumstoornis in DSM-5 (voorlopige Nederlandse vertaling) 1

Bijlage 25: Autismespectrumstoornis in DSM-5 (voorlopige Nederlandse vertaling) 1 Bijlage 25: Autismespectrumstoornis in DSM-5 (voorlopige Nederlandse vertaling) 1 Moet voldoen aan de criteria A, B, C en D A. Aanhoudende tekorten in sociale communicatie en sociale interactie in meerdere

Nadere informatie

Dia 1. Dia 2. Dia 3. Aspecten van cognitief functioneren in Autisme Spectrum Stoornissen. Executieve functies en autisme (Hill, 2004)

Dia 1. Dia 2. Dia 3. Aspecten van cognitief functioneren in Autisme Spectrum Stoornissen. Executieve functies en autisme (Hill, 2004) Dia 1 Aspecten van cognitief functioneren in Autisme Spectrum Stoornissen Een reactie van Bibi Huskens Dia 2 Executieve functies en autisme (Hill, 2004) Problemen in: Planning Inhibitie Schakelvaardigheid

Nadere informatie

Gedrag in goede banen leiden: over de rol van executieve functies bij kinderen en pubers

Gedrag in goede banen leiden: over de rol van executieve functies bij kinderen en pubers Gedrag in goede banen leiden: over de rol van executieve functies bij kinderen en pubers Samenvatting presentatie Expertisebijeenkomst Executieve Functies Koers-VO; Capelle a/d IJssel; 3 december 2012

Nadere informatie

Yvette Dijkxhoorn, Autisme en Bewegen

Yvette Dijkxhoorn, Autisme en Bewegen Yvette Dijkxhoorn, Autisme en Bewegen De autismespectrumstoornissen - Kwalitatieve stoornissen in de sociale interactie - Kwalitatieve stoornissen in de communicatie - Kwalitatieve stoornissen in het verbeeldingsvermogen

Nadere informatie

Diagnostiek van executieve functies bij adolescenten

Diagnostiek van executieve functies bij adolescenten Diagnostiek van executieve functies bij adolescenten Samenvatting presentatie congres EF bij adolescenten Utrecht, 19 juni 2012 Dr. Mariëtte Huizinga Universiteit van Amsterdam Executieve functies Weerstand

Nadere informatie

Wat is ADHD? Samenvatting

Wat is ADHD? Samenvatting Wat is ADHD? ADHD is een afkorting voor Attention-Deficit/Hyperactivity Disorder, in de volksmond ook wel Alle Dagen Heel Druk genoemd. ADHD wordt gekenmerkt door aandachtsproblemen, druk (hyperactief)

Nadere informatie

De plaats van neuropsychologisch onderzoek binnen het diagnostisch proces

De plaats van neuropsychologisch onderzoek binnen het diagnostisch proces De plaats van neuropsychologisch onderzoek binnen het diagnostisch proces Werkgroep: Audrey Mol, Ilse Noens, Annelies Spek, Cathelijne Tesink, Jan-Pieter Teunisse Inhoud NPO en differentiaal diagnostiek

Nadere informatie

Vorming AUTISMESPECTRUM- STOORNIS

Vorming AUTISMESPECTRUM- STOORNIS Vorming AUTISMESPECTRUM- STOORNIS Bart Lenaerts Jorinde Dewaelheyns 6 december 2010 Wat mag je verwachten? Wat is autisme? Het stellen van de diagnose Wie? Hoe? Triade van stoornissen Autisme = anders

Nadere informatie

The development of ToM and the ToM storybooks: Els Blijd-Hoogewys

The development of ToM and the ToM storybooks: Els Blijd-Hoogewys The development of ToM and the ToM storybooks: Els Blijd-Hoogewys Een reactie door Hilde M. Geurts Lezing Begeer, Keysar et al., 2010: Advanced ToM 50 45 40 35 30 25 20 15 10 5 0 Autisme (n=34) Controle

Nadere informatie

ADHD en autisme: Zijn er verschillen?

ADHD en autisme: Zijn er verschillen? ADHD en autisme: Zijn er verschillen? ADHD en autisme: Zijn er verschillen? Terecht zullen velen die deze vraag lezen hier een bevestigend antwoord op geven. Niettemin zijn deze ontwikkelingsstoornissen

Nadere informatie

Deel VI Verstandelijke beperking en autisme

Deel VI Verstandelijke beperking en autisme Deel VI Inleiding Wat zijn de mogelijkheden van EMDR voor cliënten met een verstandelijke beperking en voor cliënten met een autismespectrumstoornis (ASS)? De combinatie van deze twee in een en hetzelfde

Nadere informatie

Samenvatting. Samenvatting

Samenvatting. Samenvatting Samenvatting Op grond van klinische ervaring en wetenschappelijk onderzoek, is bekend dat het gezamenlijk voorkomen van een pervasieve ontwikkelingsstoornis en een verstandelijke beperking tot veel bijkomende

Nadere informatie

GENDER, COMORBIDITY & AUTISM Inleiding INHOUD Opzet en Bevindingen per onderzoek Algemene Discussie Aanbevelingen Patricia J.M. van Wijngaarden-Cremers Classifications & Gender Patient cohort 2004 Clusters

Nadere informatie

Problemen met executieve functies bij kinderen met DCD: een literatuuroverzicht

Problemen met executieve functies bij kinderen met DCD: een literatuuroverzicht 1 Problemen met executieve functies bij kinderen met DCD: een literatuuroverzicht Marina Schoemaker, Merel Timmer, Marleen van der Wees, Heleen Reinders Messelink, Chiel Volman, Jolien van den Houten Wat

Nadere informatie

Het syndroom van Down en autisme duel of dual? Yvette Dijkxhoorn

Het syndroom van Down en autisme duel of dual? Yvette Dijkxhoorn Het syndroom van Down en autisme duel of dual? Yvette Dijkxhoorn Diagnostiek 1. Screening 2. Individueel descriptieve diagnostiek 3. Begeleiding en Behandeling Autismespectrumstoornissen VROEGE ONTWIKKELING

Nadere informatie

Nederlandse Samenvatting

Nederlandse Samenvatting Nederlandse Samenvatting Nederlandse Samenvatting Dit proefschrift gaat over de oorzaken van het vóórkomen van symptomen van autisme spectrum stoornissen (ASD) bij kinderen met een aandachtstekort stoornis

Nadere informatie

Nederlandse Samenvatting

Nederlandse Samenvatting Nederlandse Samenvatting Titel: Cognitieve Kwetsbaarheid voor Depressie: Genetische en Omgevingsinvloeden Het onderwerp van dit proefschrift is cognitieve kwetsbaarheid voor depressie en de wisselwerking

Nadere informatie

Plannen en organiseren bij adolescenten met ADHD. Prof.dr. Saskia van der Oord klinische psychologie

Plannen en organiseren bij adolescenten met ADHD. Prof.dr. Saskia van der Oord klinische psychologie Plannen en organiseren bij adolescenten met ADHD Prof.dr. Saskia van der Oord klinische psychologie Inhoud v Theoretische verklaringen ADHD v Plannen en organiseren bij ADHD v In het dagelijkse leven?

Nadere informatie

Samenvatting (Summary in Dutch)

Samenvatting (Summary in Dutch) Samenvatting (Summary in Dutch) * 132 Baby s die te vroeg geboren worden (bij een zwangerschapsduur korter dan 37 weken) hebben een verhoogd risico op zowel ernstige ontwikkelingproblemen (zoals mentale

Nadere informatie

AD(H)D. een meetbare hersenfunctiestoornis. A.Haagen, kinderartskinderneuroloog 1

AD(H)D. een meetbare hersenfunctiestoornis. A.Haagen, kinderartskinderneuroloog 1 AD(H)D een meetbare hersenfunctiestoornis 1 Inleiding Wanneer spreken we van ADHD? Hoe stellen we de diagnose? Wat gebeurt er in de hersenen? 2 BEGRIPPEN Attention Deficit Hyperactivity Disorder = Aandachtsstoornis

Nadere informatie

recidiverende en aanhoudende dwanggedachten (obsessies) die duidelijke angst

recidiverende en aanhoudende dwanggedachten (obsessies) die duidelijke angst Nederlandse samenvatting Patiënten met een obsessieve-compulsieve stoornis (OCS) hebben last van recidiverende en aanhoudende dwanggedachten (obsessies) die duidelijke angst veroorzaken. Om deze angst

Nadere informatie

AD(H)D bespreken. BEN/LO/ADHD/14/0003a April 2014

AD(H)D bespreken. BEN/LO/ADHD/14/0003a April 2014 AD(H)D bespreken N.B.: de inhoud van dit programma is slechts van adviserende aard en dient niet als vervanging voor professioneel en/of medisch advies. Als u verdere consultatie wenst, of wanneer u zich

Nadere informatie

Prikkelverwerking bij Gedragsstoornissen

Prikkelverwerking bij Gedragsstoornissen Prikkelverwerking bij Gedragsstoornissen (ODD & CD) Congres Prikkelverwerking 6 november 2014 Dr. M.A.J. Raaijmakers GZ-psycholoog en Universitair Docent UU INTRODUCTIE AGRESSIE! Video:! http://www.youtube.com/watch?v=o00yfkje1fo!

Nadere informatie

Ontwikkeling van een arbeidsidentiteit bij mensen met een autisme spectrum stoornis

Ontwikkeling van een arbeidsidentiteit bij mensen met een autisme spectrum stoornis Ontwikkeling van een arbeidsidentiteit bij mensen met een autisme spectrum stoornis Diana Rodenburg d.rodenburg@leokannerhuis.nl Copyright Dr. Leo Kannerhuis Visie en missie Het Dr. Leo Kannerhuis is een

Nadere informatie

Executieve functies en emotieregulatie. Annelies Spek Klinisch psycholoog/senior onderzoeker Centrum autisme volwassenen, GGZ Eindhoven

Executieve functies en emotieregulatie. Annelies Spek Klinisch psycholoog/senior onderzoeker Centrum autisme volwassenen, GGZ Eindhoven Executieve functies en emotieregulatie Annelies Spek Klinisch psycholoog/senior onderzoeker Centrum autisme volwassenen, GGZ Eindhoven Inhoud 1. Executieve functies en emotieregulatie 2. Rol van opvoeding

Nadere informatie

EF en gedragsproblemen. Walter Matthys

EF en gedragsproblemen. Walter Matthys EF en gedragsproblemen Walter Matthys Verminderde EF bij gedragsproblemen afhankelijk van ADHD (symptomen)? Meta-analyse bij jonge kinderen met externaliserend gedrag (Schoemaker, Mulder, Dekovic & Matthys,

Nadere informatie

Autisme en de DSM-5 symposium autismenetwerk Zuid- Holland Zuid Autismeweek

Autisme en de DSM-5 symposium autismenetwerk Zuid- Holland Zuid Autismeweek Autisme en de DSM-5 symposium autismenetwerk Zuid- Holland Zuid Autismeweek Woensdag 2 april 2014 Ad van der Sijde, Yulius Autisme Paul Reijnen, BOBA Inhoud Presentatie Vragen Veranderingen DSM-5 autisme

Nadere informatie

Omgaan met verschillen, passend onderwijzen!

Omgaan met verschillen, passend onderwijzen! Omgaan met verschillen, passend onderwijzen! Gedrag in de klas Labelen ASS en ADHD, waar denk je aan? Geef me de Vijf (Colette de Bruin) De methode heeft als uitgangspunt dat mensen met een autistische

Nadere informatie

Bestaat enkelvoudige dyslexie? Frank Wijnen & Elise de Bree Universiteit Utrecht SDN congres, Dyslexie 2.0

Bestaat enkelvoudige dyslexie? Frank Wijnen & Elise de Bree Universiteit Utrecht SDN congres, Dyslexie 2.0 Bestaat enkelvoudige dyslexie? Frank Wijnen & Elise de Bree Universiteit Utrecht SDN congres, Dyslexie 2.0 Situatieschets PDDB: vergoeding van behandeling enkelvoudige dyslexie Enkelvoudig: bij het kind

Nadere informatie

Neurocognitive Processes and the Prediction of Addictive Behaviors in Late Adolescence O. Korucuoğlu

Neurocognitive Processes and the Prediction of Addictive Behaviors in Late Adolescence O. Korucuoğlu Neurocognitive Processes and the Prediction of Addictive Behaviors in Late Adolescence O. Korucuoğlu Nederlandse Samenvatting De adolescentie is levensfase waarin de neiging om nieuwe ervaringen op te

Nadere informatie

Cognitief functioneren en de bipolaire stoornis

Cognitief functioneren en de bipolaire stoornis Cognitief functioneren en de bipolaire stoornis Dr. Nienke Jabben Amsterdam 5 november 2011 Academische werkplaats Bipolaire Stoornissen GGZ ingeest n.jabben@ggzingeest.nl Overzicht Wat is cognitief functioneren?

Nadere informatie

Wanneer de vlag de lading niet meer dekt: over het gebruik van labels voor stoornissen

Wanneer de vlag de lading niet meer dekt: over het gebruik van labels voor stoornissen Wanneer de vlag de lading niet meer dekt: over het gebruik van labels voor stoornissen Het moeilijke kind stelt ons vragen: Wie is de volwassene is die hem of haar zo moeilijk vindt? Met welke ver(w)achtingen

Nadere informatie

het neuropsychologisch denkkader binnen een schoolsetting Claudia König Klinisch psycholoog, RCKJP

het neuropsychologisch denkkader binnen een schoolsetting Claudia König Klinisch psycholoog, RCKJP het neuropsychologisch denkkader binnen een schoolsetting Claudia König Klinisch psycholoog, RCKJP 15-03-2013 Inhoud Het neuropsychologisch denkkader De schoolsetting Ter ondersteuning bij het kind met

Nadere informatie

Psychiatrisering en de terreur van het perfecte kind. Prof. Dr. Stijn Vanheule Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen

Psychiatrisering en de terreur van het perfecte kind. Prof. Dr. Stijn Vanheule Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen Psychiatrisering en de terreur van het perfecte kind Psychiatriseren = Het moeilijke kind stelt de volwassene vragen: Wie is de volwassene is die hem of haar zo moeilijk vindt? Met welke ver(w)achtingen

Nadere informatie

Cover Page. The handle http://hdl.handle.net/1887/22989 holds various files of this Leiden University dissertation

Cover Page. The handle http://hdl.handle.net/1887/22989 holds various files of this Leiden University dissertation Cover Page The handle http://hdl.handle.net/1887/22989 holds various files of this Leiden University dissertation Author: Pouw, Lucinda Title: Emotion regulation in children with Autism Spectrum Disorder

Nadere informatie

Individuele verschillen in. persoonlijkheidskenmerken. Een genetisch perspectief

Individuele verschillen in. persoonlijkheidskenmerken. Een genetisch perspectief N Individuele verschillen in borderline persoonlijkheidskenmerken Een genetisch perspectief 185 ps marijn distel.indd 185 05/08/09 11:14:26 186 In de gedragsgenetica is relatief weinig onderzoek gedaan

Nadere informatie

Omgaan met kinderen met autismespectrumstoornissen. Rob Neyens 22.10.2009

Omgaan met kinderen met autismespectrumstoornissen. Rob Neyens 22.10.2009 Omgaan met kinderen met autismespectrumstoornissen Rob Neyens 22.10.2009 Programma 1. Theorie: wat is autisme? 1.1 Buitenkant 1.2 Binnenkant 2. Praktijk: hoe omgaan met autisme? 2.1 Remediëren 2.2 Compenseren

Nadere informatie

Executieve functies in vogelvlucht (met autisme als voorbeeld)

Executieve functies in vogelvlucht (met autisme als voorbeeld) Executieve functies in vogelvlucht (met autisme als voorbeeld) Hilde M. Geurts Universiteit van Amsterdam Dr. Leo Kannerhuis Boodschap 1. Bij mensen met verschillende diagnoses zien we meer EF problemen

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting

Nederlandse samenvatting Nederlandse samenvatting 137 138 Het ontrafelen van de klinische fenotypen van dementie op jonge leeftijd In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, komt dementie ook op jonge leeftijd voor. De diagnose

Nadere informatie

Cognitive Control and Motivation in Children with ADHD: How Reinforcement Interacts with the Assessment and Training of Executive Functioning S.

Cognitive Control and Motivation in Children with ADHD: How Reinforcement Interacts with the Assessment and Training of Executive Functioning S. Cognitive Control and Motivation in Children with ADHD: How Reinforcement Interacts with the Assessment and Training of Executive Functioning S. Dovis Cognitive Control and Motivation in Children with

Nadere informatie

Executieve Functies en Werkgeheugen. Dr. Dorine Slaats Klinisch neuropsycholoog

Executieve Functies en Werkgeheugen. Dr. Dorine Slaats Klinisch neuropsycholoog Executieve Functies en Werkgeheugen Dr. Dorine Slaats Klinisch neuropsycholoog U krijgt antwoord op: 1. Wat is het werkgeheugen? 2. Hoe belangrijk is het werkgeheugen? 3. En wat als het werkgeheugen faalt?

Nadere informatie

1) Sekseverschillen in concentratie-problemen, hyperactiviteit en attention deficit hyperactivity disorder (ADHD)

1) Sekseverschillen in concentratie-problemen, hyperactiviteit en attention deficit hyperactivity disorder (ADHD) Dit proefschrift, met als titel: Meetproblemen en de genetische invloed op concentratie-problemen, hyperactiviteit en aanverwante stoornissen bestaat uit drie delen. Deze drie delen corresponderen met

Nadere informatie

18-4-2013. Werkgeheugen en executieve functies. Opzet presentatie. 1. Executieve functies. 1. Executieve functies. 1. Werkgeheugen. 1.

18-4-2013. Werkgeheugen en executieve functies. Opzet presentatie. 1. Executieve functies. 1. Executieve functies. 1. Werkgeheugen. 1. Opzet presentatie Werkgeheugen en executieve functies Wat moeten we ermee in de klinische praktijk? 1. Werkgeheugen en executieve functies werkgeheugen en executieve functies 12 april 2013 Brigitte Vugs

Nadere informatie

DSM 5 - psychose Dr. S. Geerts Dr. O. Cools 28-11-2014

DSM 5 - psychose Dr. S. Geerts Dr. O. Cools 28-11-2014 DSM 5 - psychose Dr. S. Geerts Dr. O. Cools 28-11-2014 Inhoud DSM IV -> DSM 5 DSM IV: Schizofrenie als kernsyndroom Even stilstaan bij SCHIZOFRENIE Kritiek op DSM IV Overzicht DSM 5 Schizofrenie (1) Epidemiologie:

Nadere informatie

Neurofeedback: een geschikte behandeling voor autisme?

Neurofeedback: een geschikte behandeling voor autisme? Neurofeedback: een geschikte behandeling voor autisme? Mirjam Kouijzer, MSc Radboud Universiteit Nijmegen Het programma Controversiële behandelingen Wat is biofeedback? Mijn onderzoek naar de effecten

Nadere informatie

Samenvatting (summary in Dutch)

Samenvatting (summary in Dutch) Samenvatting (summary in Dutch) 149 Samenvatting (summary in Dutch) Één van de meest voorkomende en slopende ziektes is depressie. De impact op het dagelijks functioneren en op de samenleving is enorm,

Nadere informatie

Kenniscentrum en ADHD. Achtergrond

Kenniscentrum en ADHD. Achtergrond Kenniscentrum en ADHD Bij hulpvragen die betrekking hebben op ADHD gaan we in het Kenniscentrum uit van de omschrijving van ADHD uit de DSM IV. De DSM IV brengt ADHD terug tot 2 kernproblemen: aandachtsproblemen

Nadere informatie

23 oktober 2013 1. Wat betekent autisme voor jou? Waaraan denk je spontaan? Vroeger hoorde je daar toch niet zoveel over?

23 oktober 2013 1. Wat betekent autisme voor jou? Waaraan denk je spontaan? Vroeger hoorde je daar toch niet zoveel over? Vroeger hoorde je daar toch niet zoveel over? Tegenwoordig heeft iedereen wel een etiketje! Hebben we dat niet allemaal een beetje? Als je niks hebt, is het precies al abnormaal! Mijn kind heeft (net)

Nadere informatie

Foetaal Alcohol Syndroom: Een ondergediagnosticeerde en voorkombare aandoening. Pieter Jelle Vuijk, neuropsycholoog STAP 23 september

Foetaal Alcohol Syndroom: Een ondergediagnosticeerde en voorkombare aandoening. Pieter Jelle Vuijk, neuropsycholoog STAP 23 september Foetaal Alcohol Syndroom: Een ondergediagnosticeerde en voorkombare aandoening Pieter Jelle Vuijk, neuropsycholoog STAP 23 september Indeling presentatie Inleiding FASD: o.a. voorkomen, diagnostiek, gedragskenmerken

Nadere informatie

Autisme, wat weten we?

Autisme, wat weten we? Autisme, wat weten we? Matt van der Reijden, kinder- en jeugdpsychiater & geneesheer directeur Dr Leo Kannerhuis, Oosterbeek 1 autisme agenda autisme autisme en het brein: wat weten we? een beeld van autisme:

Nadere informatie

Accare. Dr. C. Blijd PREVENTIE EN VROEG INTERVENTIE

Accare. Dr. C. Blijd PREVENTIE EN VROEG INTERVENTIE PREVENTIE EN VROEG INTERVENTIE Forensische Jeugd- en orthopsychiatrie Dr. C. Blijd hoofd behandelzaken en (forensisch kinderen jeugdpsychiater bij Forensische Jeugd- en orthopsychiatrie Groningen ( Stichting

Nadere informatie

SRS Informantenrapportage

SRS Informantenrapportage SRS Informantenrapportage Screeningslijst voor autismespectrumstoornissen ID 4589-11 Datum 19.09.2014 Informant: Tineke moeder SRS Profielformulier 3 / 9 PROFIELFORMULIER Screeningslijst voor autismespectrumstoornissen

Nadere informatie

ADHD in de DSM-5. Reino Stoffelsen, kinder- en jeugdpsychiater Ariane Tjeenk-Kalff, klinisch neuropsycholoog 21 april 2015

ADHD in de DSM-5. Reino Stoffelsen, kinder- en jeugdpsychiater Ariane Tjeenk-Kalff, klinisch neuropsycholoog 21 april 2015 ADHD in de DSM-5 Reino Stoffelsen, kinder- en jeugdpsychiater Ariane Tjeenk-Kalff, klinisch neuropsycholoog 21 april 2015 ADHD, wat kan je er (niet) mee? Veel media aandacht Casus: Ben DSM-geschiedenis

Nadere informatie

Werkgeheugen bij kinderen met SLI. Indeling presentatie. 1. Inleiding. Brigitte Vugs, 19 maart 2009. 1. Inleiding 2. Theoretische achtergrond

Werkgeheugen bij kinderen met SLI. Indeling presentatie. 1. Inleiding. Brigitte Vugs, 19 maart 2009. 1. Inleiding 2. Theoretische achtergrond Werkgeheugen bij kinderen met SLI Brigitte Vugs, 19 maart 2009 Indeling presentatie 1. Inleiding 2. Theoretische achtergrond SLI, Geheugen, Werkgeheugen 3. Ontwikkeling werkgeheugen 4. Relatie werkgeheugen

Nadere informatie

Hersenstichting Nederland. Autismespectrumstoornissen

Hersenstichting Nederland. Autismespectrumstoornissen Hersenstichting Nederland Autismespectrumstoornissen 1 Autismespectrumstoornissen Een autismespectrumstoornis (ASS) is een ontwikkelingsstoornis waarbij de informatieverwerking in de hersenen verstoord

Nadere informatie

The influence of parental and offspring ASD and ADHD symptoms on family functioning. Daphne J. Vinke- van Steijn

The influence of parental and offspring ASD and ADHD symptoms on family functioning. Daphne J. Vinke- van Steijn The influence of parental and offspring ASD and ADHD symptoms on family functioning Autisme Spectrum Stoornissen (autisme) 1. Sociale interactie 2. Communicatie 3. Starheid en stereotypieën Attention Deficit

Nadere informatie

COMORBIDITEIT BIJ DYSLEXIE IN HET VOORTGEZET ONDERWIJS

COMORBIDITEIT BIJ DYSLEXIE IN HET VOORTGEZET ONDERWIJS COMORBIDITEIT BIJ DYSLEXIE IN HET VOORTGEZET ONDERWIJS NATIONALE DYSLEXIECONFERENTIE 3 APRIL 2013 Wilma Jongejan w.jongejan@vu.nl Onderwijscentrum VU (OCVU) DYSLEXIE: GEEN GEÏSOLEERD PROBLEEM Secundaire

Nadere informatie

Disclosure belangen spreker

Disclosure belangen spreker Vlaamse Vereniging voor SchoolPsychologie Neuropsychologie in schoolcontext School neuropsychologie en het begeleiden van de leerling met een bemoeilijkte ontwikkeling van de executieve functies Vormingscentrum

Nadere informatie

BRIEF Executieve Functies Gedragsvragenlijst

BRIEF Executieve Functies Gedragsvragenlijst Instrument BRIEF Executieve Functies Gedragsvragenlijst Met de BRIEF Executieve Functies Gedragsvragenlijst kunnen executieve functies bij een kind in kaart gebracht worden. Executieve functies zijn cognitieve

Nadere informatie

Samenvatting. Autismespectrumstoornissen

Samenvatting. Autismespectrumstoornissen Samenvatting Autismespectrumstoornissen Autismespectrumstoornissen zijn ontwikkelingsstoornissen die gekenmerkt worden door beperkingen in sociale omgang, de communicatie en de verbeelding. Ze gaan vaak

Nadere informatie

Autisme spectrum conditie

Autisme spectrum conditie (potentiële) belangenverstrengeling Geen Autisme spectrum conditie Voor bijeenkomst mogelijk relevante relaties met bedrijven Triversum W. Veenboer Kinder- en jeugdpsychiater Dag van eerste lijn Januari

Nadere informatie

Autisme spectrum stoornissen en angst

Autisme spectrum stoornissen en angst Autisme spectrum stoornissen en angst Peter Emmery 13 Januari 2011 Intro Inhoud Prevalentie (hoe vaak komt het voor) Korte herhaling autisme En hoe zit dat nu met angst bij ASS? Te behandelen? Besluit,

Nadere informatie

Op naar DSM 5. Mariken van Onna Klinisch psycholoog-psychotherapeut Supervisor VGCt Karakter Nijmegen Universitair Centrum Kinder- en jeugdpsychiatrie

Op naar DSM 5. Mariken van Onna Klinisch psycholoog-psychotherapeut Supervisor VGCt Karakter Nijmegen Universitair Centrum Kinder- en jeugdpsychiatrie Op naar DSM 5 Mariken van Onna Klinisch psycholoog-psychotherapeut Supervisor VGCt Karakter Nijmegen Universitair Centrum Kinder- en jeugdpsychiatrie Nieuwe (wetenschappelijke) ontwikkelingen Meer kennis

Nadere informatie

Executieve Functies & Agressieve Gedragsproblemen Wat, bij Wie en Waarom?

Executieve Functies & Agressieve Gedragsproblemen Wat, bij Wie en Waarom? Executieve Functies & Agressieve Gedragsproblemen Wat, bij Wie en Waarom? Prof.dr. Bram Orobio de Castro Ontwikkelingspsychologie, Universiteit Utrecht Wie? - overzicht - Agressie & Disruptieve Gedragsstoornissen

Nadere informatie

Dubbeldiagnoses, dubbele zorg! Dyslexie, ADHD, angst. Manoushka Moesker, Spurt/ de Bascule

Dubbeldiagnoses, dubbele zorg! Dyslexie, ADHD, angst. Manoushka Moesker, Spurt/ de Bascule Dubbeldiagnoses, dubbele zorg! Dyslexie, ADHD, angst Manoushka Moesker, Spurt/ de Bascule Comorbiditeit bij dyslexie Angst- en stemmingst. 25-30% ADHD 25-30% A. de Jong 2013: 40%! ADHD, DSM-IV Aandachtstekort:

Nadere informatie

Cover Page. The handle http://hdl.handle.net/1887/22544 holds various files of this Leiden University dissertation

Cover Page. The handle http://hdl.handle.net/1887/22544 holds various files of this Leiden University dissertation Cover Page The handle http://hdl.handle.net/1887/22544 holds various files of this Leiden University dissertation Author: Speksnijder, Niels Title: Determinants of psychosis vulnerability : focus on MEF2

Nadere informatie

LAVEREN DOOR HET SOCIALE LEVEN: OVER SOCIALE COGNITIE IN GEZONDHEID EN PSYCHOSE SAMENVATTING

LAVEREN DOOR HET SOCIALE LEVEN: OVER SOCIALE COGNITIE IN GEZONDHEID EN PSYCHOSE SAMENVATTING LAVEREN DOOR HET SOCIALE LEVEN: OVER SOCIALE COGNITIE IN GEZONDHEID EN PSYCHOSE SAMENVATTING Navigating Social Life Samenvatting Sociale cognitie ligt ten grondslag aan succesvol sociaal functioneren.

Nadere informatie

Overleg van tevoren altijd met de ouders over de aanpak voor het kind en tips voor de omgang.

Overleg van tevoren altijd met de ouders over de aanpak voor het kind en tips voor de omgang. Overleg van tevoren altijd met de ouders over de aanpak voor het kind en tips voor de omgang. Aandacht stoornissen ADD Attention Deficit Disorder (letterlijk: aandacht tekort stoornis) - Een vorm van ADHD

Nadere informatie

Late fouten in het taalbegrip van kinderen

Late fouten in het taalbegrip van kinderen 1 Late fouten in het taalbegrip van kinderen Petra Hendriks Hoogleraar Semantiek en Cognitie Center for Language and Cognition Groningen Rijksuniversiteit Groningen 2 De misvatting Actief versus passief

Nadere informatie

SCHEMA S STOORNISSEN KINDERPSYCHIATRIE

SCHEMA S STOORNISSEN KINDERPSYCHIATRIE SCHEMA S STOORNISSEN KINDERPSYCHIATRIE Dyslexie Moeite met de techniek van het lezen en spellen, door problemen om het woordniveau en met als belangrijk kenmerk dat geen echte automatisering van het lezen

Nadere informatie

Leerlijn Omgaan met ongewenst gedrag. Workshop 3: Gedragsstoornissen & aanpakken volgens oa Gordonmethode

Leerlijn Omgaan met ongewenst gedrag. Workshop 3: Gedragsstoornissen & aanpakken volgens oa Gordonmethode Leerlijn Omgaan met ongewenst gedrag Workshop 3: Gedragsstoornissen & aanpakken volgens o.a. Gordonmethode 28 januari 2015 13.30 16.00 uur Berber Klein Liesbeth van Well Leerlijn Omgaan met ongewenst gedrag

Nadere informatie

Autisme (ASS) begeleiding of aansturing? Platformdag Passend Onderwijs 3 december 2015 Chul Joo Ro

Autisme (ASS) begeleiding of aansturing? Platformdag Passend Onderwijs 3 december 2015 Chul Joo Ro Autisme (ASS) begeleiding of aansturing? Platformdag Passend Onderwijs 3 december 2015 Chul Joo Ro Voorzet Voorzet is gespecialiseerd in het begeleiden van mensen met autisme sinds 1994. Is actief in Noord

Nadere informatie

Programma. ASS anno 2014. Autismespectrumstoornissen: een leven lang anders! DSM 5: Neuroontwikkelingsstoornissen ASS 2014. Passenderwijs 02-04- 2014.

Programma. ASS anno 2014. Autismespectrumstoornissen: een leven lang anders! DSM 5: Neuroontwikkelingsstoornissen ASS 2014. Passenderwijs 02-04- 2014. ASS: een uitdaging voor leerkrachten Programma SWV Passenderwijs 02-04- 2014 Ina van Berckelaer-Onnes Universiteit Leiden 1 Inleiding: ASS anno 2014 Problematische leerdomeinen en leerstijlen Talenten

Nadere informatie

03/07/15' ADHD, ODD, CD? Wat moet ik weten en wat kan ik ermee? Programma. Begripsbepaling: Agressie. Begripsbepaling: ODD, CD en ADHD

03/07/15' ADHD, ODD, CD? Wat moet ik weten en wat kan ik ermee? Programma. Begripsbepaling: Agressie. Begripsbepaling: ODD, CD en ADHD ADHD, ODD, CD? Wat moet ik weten en wat kan ik ermee? Woensdag 29 oktober P. Deschamps Begripsbepaling: ODD, CD en ADHD Begripsbepaling: Agressie Disruptive Behavior Disorders (DBD), Disruptieve Gedragsstoornissen

Nadere informatie

Autisme Spectrum Stoornissen Van DSM IV naar DSM 5

Autisme Spectrum Stoornissen Van DSM IV naar DSM 5 Autisme Spectrum Stoornissen Van DSM IV naar DSM 5 Britt Hoogenboom, kinder,- en jeugdpsychiater Dr. Sanne Hogendoorn, psycholoog Zorgprogrammaleiders Centrum voor Autisme en Psychose, de Bascule Referatencyclus

Nadere informatie

SUMMARY IN DUTCH. Summary in Dutch

SUMMARY IN DUTCH. Summary in Dutch SUMMARY IN DUTCH Summary in Dutch Summary in Dutch Introductie Dit proefschrift richt zich met name op het voorspellen van de behandeluitkomst bij kinderen met angststoornissen. Een selectie aan variabelen

Nadere informatie

Hoofdstuk 1 en 2 bestaan uit de inleiding en de beschrijving van de onderzoeksdoelen.

Hoofdstuk 1 en 2 bestaan uit de inleiding en de beschrijving van de onderzoeksdoelen. Chapter 9 Nederlandse samenvatting 148 CHAPTER 9 De kans dat een kind kanker overleeft, is de laatste decennia sterk gegroeid. Tot in de jaren zestig van de vorige eeuw was kinderkanker meestal fataal,

Nadere informatie

Seksualiteit en ASS. Presentatie symposium pleegzorg 19 juni 2014. presentatie symposium pleegzorg

Seksualiteit en ASS. Presentatie symposium pleegzorg 19 juni 2014. presentatie symposium pleegzorg Seksualiteit en ASS Presentatie symposium pleegzorg 19 juni 2014 programma Opfrissen van informatie over ASS (heel kort het spectrum toelichten). ASS en seksualiteit belichten. Seksuele en relationele

Nadere informatie

GEWOON ANDERS ASS BIJ JONGE KINDEREN. AutismeTeam Noord-Nederland, Jonx Lentis

GEWOON ANDERS ASS BIJ JONGE KINDEREN. AutismeTeam Noord-Nederland, Jonx Lentis GEWOON ANDERS ASS BIJ JONGE KINDEREN AutismeTeam Noord-Nederland, Jonx Lentis Programma Even voorstellen Wat is autisme? Vroege signalen bij autismespectrumstoornissen De eerste stap richting onderzoek

Nadere informatie

TSCYC Ouderversie. Vragenlijst over traumasymptomen bij jonge kinderen. Jeroen de Groot. ID 256-18 Datum 24.12.2014. Informant:

TSCYC Ouderversie. Vragenlijst over traumasymptomen bij jonge kinderen. Jeroen de Groot. ID 256-18 Datum 24.12.2014. Informant: TSCYC Ouderversie Vragenlijst over traumasymptomen bij jonge kinderen ID 256-18 Datum 24.12.2014 Informant: Mieke de Groot-Aerts moeder TSCYC Inleiding 2 / 10 INLEIDING De TSCYC is een vragenlijst die

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting

Nederlandse samenvatting Nederlandse samenvatting 119 120 Samenvatting 121 Inleiding Vermoeidheid is een veel voorkomende klacht bij de ziekte sarcoïdose en is geassocieerd met een verminderde kwaliteit van leven. In de literatuur

Nadere informatie

General Personality Disorder. A study into the Core Components of Personality Pathology J.G. Berghuis

General Personality Disorder. A study into the Core Components of Personality Pathology J.G. Berghuis General Personality Disorder. A study into the Core Components of Personality Pathology J.G. Berghuis SAMENVATTING General Personality Disorder H. Berghuis Hoofdstuk 1 is de inleiding van dit proefschrift.

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting

Nederlandse samenvatting Achtergrond Het risico op het ontwikkelen van een psychiatrische ziekte, zoals attention deficit hyperactivity disorder (ADHD), schizofrenie of verslaving, wordt voor een aanzienlijk deel bepaald door

Nadere informatie

Vragenlijst voor Inventarisatie van Sociaal gedrag van Kinderen (VISK)

Vragenlijst voor Inventarisatie van Sociaal gedrag van Kinderen (VISK) Instrument Vragenlijst voor Inventarisatie van Sociaal gedrag van Kinderen (VISK) De VISK is ontwikkeld om sociaal probleemgedrag van kinderen met (mildere) varianten van pervasieve ontwikkelingsstoornissen

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting

Nederlandse samenvatting Cannabisgebruik en stoornissen in het gebruik van cannabis in de adolescentie en jongvolwassenheid. Cannabis is wereldwijd een veel gebruikte drug. Het gebruik van cannabis is echter niet zonder consequenties:

Nadere informatie

mensen met autisme zijn eigenlijk best flexibel?

mensen met autisme zijn eigenlijk best flexibel? Dus mensen met autisme zijn eigenlijk best flexibel? Een reflectie op het onderzoek van Edita Poljac Jan-Pieter Teunisse Discussion: Different from our expectations: 1. adolescents with autism seem to

Nadere informatie

Wetenschappelijke Samenvatting. 1. Kwetsbaarheid en emotionele verwerking bij depressie

Wetenschappelijke Samenvatting. 1. Kwetsbaarheid en emotionele verwerking bij depressie Wetenschappelijke Samenvatting 1. Kwetsbaarheid en emotionele verwerking bij depressie In dit proefschrift wordt onderzocht wat spaak loopt in de hersenen van iemand met een depressie. Er wordt ook onderzocht

Nadere informatie

Deel I Wat we weten over de stoornis ADHD

Deel I Wat we weten over de stoornis ADHD Inhoud Inleiding 12 Deel I Wat we weten over de stoornis ADHD Hoofdstuk 1 Kenmerken van ADHD 1.1 De basiskenmerken 16 1.2 Aandachts- en concentratiestoornissen 17 1.3 Impulsiviteit 17 1.4 Hyperactiviteit

Nadere informatie

Autisme begeleiding of aansturing? Workshop Platformdag gehandicapten 9 april 2015 Chul Joo Ro

Autisme begeleiding of aansturing? Workshop Platformdag gehandicapten 9 april 2015 Chul Joo Ro Autisme begeleiding of aansturing? Workshop Platformdag gehandicapten 9 april 2015 Chul Joo Ro Voorzet Voorzet is gespecialiseerd in het begeleiden van mensen met autisme sinds 1994. Actief in Noord en

Nadere informatie

Training van executieve vaardigheden bij kinderen met autismespectrum- (en andere) stoornissen

Training van executieve vaardigheden bij kinderen met autismespectrum- (en andere) stoornissen Training van executieve vaardigheden bij kinderen met autismespectrum- (en andere) stoornissen Mieke Cuyle Mieke Cuyle is klinisch psychologe. Ze is werkzaam als zorgtrajectbegeleidster in begeleidingscentrum

Nadere informatie

Behandeling van Executieve Functies bij kinderen met TOS Bevindingen en implicaties van een pilot-studie

Behandeling van Executieve Functies bij kinderen met TOS Bevindingen en implicaties van een pilot-studie Behandeling van Executieve Functies bij kinderen met TOS Bevindingen en implicaties van een pilot-studie Pleun Huijbregts 13 november 2014 Opzet presentatie 1. Executieve functies (EF) 2. EF en TOS 3.

Nadere informatie

Het begrijpen van heterogeniteit binnen de ziekte van Alzheimer: een neurofysiologisch

Het begrijpen van heterogeniteit binnen de ziekte van Alzheimer: een neurofysiologisch Het begrijpen van heterogeniteit binnen de ziekte van Alzheimer: een neurofysiologisch perspectief Inleiding De ziekte van Alzheimer wordt gezien als een typische ziekte van de oudere leeftijd, echter

Nadere informatie

Hersenstructuur en -functioneren bij ADHD:

Hersenstructuur en -functioneren bij ADHD: Hersenstructuur en -functioneren bij ADHD: De rol van witte stof en werkgeheugen ATTENTION-DEFICIT/HYPERACTIVITY DIORDER Attention-Deficit/Hyperactivity Disorder (ADHD) is één van de meest voorkomende

Nadere informatie

Samenvatting Dankwoord About the author

Samenvatting Dankwoord About the author Samenvatting Dankwoord About the author Samenvatting 177 Samenvatting Overgewicht en obesitas worden gedefinieerd op basis van de body mass index (BMI) (hoofdstuk 1). Deze index wordt berekend door het

Nadere informatie

Verstandelijke beperkingen

Verstandelijke beperkingen 11 2 Verstandelijke beperkingen 2.1 Definitie 12 2.1.1 Denken 12 2.1.2 Vaardigheden 12 2.1.3 Vroegtijdig en levenslang aanwezig 13 2.2 Enkele belangrijke overwegingen 13 2.3 Ernst van verstandelijke beperking

Nadere informatie

Ondanks dat het in Nederland niet is toegestaan om alcohol te verkopen aan jongeren onder de 16 jaar, drinkt een groot deel van deze jongeren

Ondanks dat het in Nederland niet is toegestaan om alcohol te verkopen aan jongeren onder de 16 jaar, drinkt een groot deel van deze jongeren Ondanks dat het in Nederland niet is toegestaan om alcohol te verkopen aan jongeren onder de 16 jaar, drinkt een groot deel van deze jongeren alcohol. Dit proefschrift laat zien dat de meerderheid van

Nadere informatie

NEDERLANDSE SAMENVATTING 143. Nederlandse samenvatting

NEDERLANDSE SAMENVATTING 143. Nederlandse samenvatting NEDERLANDSE SAMENVATTING 143 Nederlandse samenvatting 144 NEDERLANDSE SAMENVATTING De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) stelt dat psychische gezondheid een staat van welzijn is waarin een individu zich

Nadere informatie