RACISME EN WETSHANDHAVING: EEN KWANTITATIEVE BEVRAGING BIJ JONGEREN OVER DE POLITIE

Save this PDF as:
 WORD  PNG  TXT  JPG

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "RACISME EN WETSHANDHAVING: EEN KWANTITATIEVE BEVRAGING BIJ JONGEREN OVER DE POLITIE"

Transcriptie

1 FACULTEIT RECHTSGELEERDHEID RACISME EN WETSHANDHAVING: EEN KWANTITATIEVE BEVRAGING BIJ JONGEREN OVER DE POLITIE Masterproef neergelegd tot het behalen van de graad van Master in de criminologische wetenschappen door Forton Wouter Academiejaar (vervroegde zittijd) Promotor : Commissarissen : Prof. dr. Pauwels Lieven De Waele Maarten Schils Nele

2 Verklaring inzake toegankelijkheid van de masterproef criminologische wetenschappen Ondergetekende, Forton Wouter ( ) geeft hierbij aan derden, zijnde andere personen dan de promotor (en eventuele co-promotor), de commissarissen of leden van de examencommissie van de master in de criminologische wetenschappen, [de toelating] [geen toelating] (schrappen wat niet past) om deze masterproef in te zien, deze geheel of gedeeltelijk te kopiëren of er, indien beschikbaar, een elektronische kopie van te bekomen, waarbij deze derden er uiteraard slechts zullen kunnen naar verwijzen of uit citeren mits zij correct en volledig de bron vermelden. Deze verklaring wordt in zoveel exemplaren opgemaakt als het aantal exemplaren waarin de masterproef moet worden ingediend, en dient in elk van die exemplaren ingebonden onmiddellijk na het titelblad. Datum: 15/12/2014 Handtekening: ii

3 Trefwoorden Racisme Community policing Attitudes Jongeren Procedurele rechtvaardigheid iii

4 Voorwoord Allereerst wil ik enkele mensen bedanken, zonder wie deze masterproef nooit tot stand had kunnen komen. Eerst en vooral Prof. dr. Lieven Pauwels, mijn promotor, voor de goede raad en feedback die hij me gaf doorheen het hele proces. Ik kon steeds bij hem terecht, zelfs wanneer ik nogal laattijdig aan kwam met enkele vragen, waarvoor dank. Ik wil ook graag mijn ouders bedanken voor de kansen die zij mij gaven om te studeren wat ik graag wilde. Verder dank ik Inge Serry en Patrick Forton voor het nalezen van (delen) van deze masterproef. Als leerkrachten hadden zij een goed oog voor spellings- en grammaticale fouten, waarvoor dank. Tenslotte wil ik ook nog alle respondenten bedanken die de tijd namen om mijn vragenlijst in te vullen. De idealist in mij weerhield me er op een bepaald niveau van dit onderzoek te voeren. In een ideale wereld zou onze afkomst en/of huidskleur geen verschil mogen maken in hoe andere mensen ons behandelen of naar ons kijken. Door dit onderzoek te voeren maak ik zelf echter dit onderscheid tussen mensen. Vanuit dit oogpunt zou je kunnen zeggen dat ik toegeef aan racisme en discriminatie en er zelf aan meedoe. Het tegendeel is echter waar, met dit onderzoek wil ik juist iets betekenen voor de aanpak van racisme en discriminatie. Hiervoor is het maken van een onderscheid tussen mensen jammer genoeg noodzakelijk, hoe verkeerd ik het zelf ook vind. Deze bedenking geef ik graag mee aan de lezer, zodat deze in het achterhoofd blijft tijdens het lezen van deze masterproef. iv

5 Inhoudsopgave Trefwoorden... iii Voorwoord... iv Inhoudsopgave... v Lijst van gebruikte afkortingen... viii Lijst van figuren... ix Lijst van tabellen... x I. Inleiding...1 Probleemstelling...1 Doelstelling...2 Onderzoeksvragen...3 Structuur...4 II. Theoretisch luik...5 Hoofdstuk1: Racisme en discriminatie door politiefunctionarissen Inleiding Definities van discriminatie en racisme De discretionaire bevoegdheid van de politie The Lawrence inquiry en institutioneel racisme...8 Hoofdstuk 2: Het huidige Belgische beleid inzake racisme en politie Inleiding Juridisch kader Community Oriented Policing in België Van COP naar Multiple Community Policing De samenwerking met het Interfederaal Gelijkekansencentrum Hoofdstuk 3: Procedurele rechtvaardigheid Inleiding Procedurele rechtvaardigheid boven effectiviteit v

6 3.3 Legitimiteit Invloed van legitimiteit De invloed van racisme en discriminatie op legitimiteit Deelbesluit III. Methodologie Hoofdstuk 1: Onderzoeksplan Inleiding Onderzoeksmateriaal Onderzoeksstrategie: kwantitatief survey-onderzoek Ethische aspecten Hoofdstuk 2: Dataverzameling Inleiding Onderzoekspopulatie Steekproef Dataverzameling: websurvey Non-respons Spreiding respondenten naar achtergrondkenmerken Hoofdstuk 3: Operationalisering Afhankelijke variabelen Onafhankelijke variabelen Deelbesluit IV. Resultaten Hoofdstuk 1: Beschrijvende analyse Inleiding Analyse Resultaten Besluit vi

7 Hoofdstuk 2: Verklarende analyse Inleiding Conceptueel model en hypotheses Analyse Resultaten Besluit V. Algemene conclusie en discussie Literatuurstudie Sterktes en zwaktes van het onderzoek Resultaten Het belang van de strijd tegen racisme door politiefunctionarissen Literatuurlijst Bijlagen Bijlage 1: Introductie ...i Bijlage 2: Flyer... ii Bijlage 3: Vragenlijst: attitudes van jongeren over de politie... iii Bijlage 4: Factorladingen van likertschalen... xvii Bijlage 5: Gemiddelden en standaardafwijkingen van de gemeten concepten... xx Bijlage 6: Correlatiematrix van onafhankelijke variabelen... xxi Bijlage 7: Tolerance en VIF waarden... xxii vii

8 Lijst van gebruikte afkortingen CPS: Centrum voor Politiestudies WPA: Wet op het politieambt COP: Community Oriented Policing Centrum: het Interfederaal Gelijkekansencentrum (voordien: Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding of CGKR, gewijzigd in 2014) ESS: European Social Survey SPSS: Statistical Package for the Social Sciences viii

9 Lijst van figuren Figuur 1: Uitdaging voor de toekomst inzake Community Policing (Easton et al., 2009) 12 Figuur 2: Nieuwe dossiers 2013 Centrum bevoegd per domein (n=1.406) (Interfederaal Gelijkekansencentrum, 2014) 13 Figuur 3: Nieuwe dossiers 2013 Centrum bevoegd, raciale criteria, per domein (n=572) 13 (Interfederaal Gelijkekansencentrum, 2014) 13 Figuur 4: Meldingen CGKR i.v.m. Politie in 2013 (n=101) (Centrum voor gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding, 2014) 14 Figuur 5: Spreiding van percepties van discriminatie door de politie (n=1456) 42 Figuur 6: Spreiding van evaluaties van persoonlijke contacten met de politie (n=1001) 43 Figuur 7: Spreiding van eigen ervaringen van racisme door de politie (n=1006) 44 Figuur 8: Spreiding van ervaringen van racisme door de politie van iemand uit de omgeving (n=1457) 45 Figuur 9: Spreiding van percepties van effectiviteit van de politie (n= 1451) 45 Figuur 10: Spreiding van percepties van procedurele rechtvaardigheid (n=1457) 46 Figuur 11: Spreiding van gehoorzaamheid aan de politie (n=1456) 47 Figuur 12: Spreiding van gelijkgestemde waarden (n=1456) 47 Figuur 13: Spreiding van bereidheid tot medewerking met de politie (n=1456) 48 Figuur 14: Spreiding van attitudes tegenover het naleven van de wet (n=1448) 49 Figuur 15: Spreiding van zelfgerapporteerde criminaliteit (n=1454) 50 Figuur 16: Spreiding van persoonlijke moraliteit (n=1450) 50 Figuur 17: Conceptueel model 54 Figuur 18: Meervoudige regressieanalyse voor legitimiteit 56 Figuur 19: Meervoudige regressieanalyse voor naleven van de wet 59 Figuur 20: Meervoudige regressieanalyse voor medewerkingsbereidheid 61 ix

10 Lijst van tabellen Tabel 1: Spreiding van respondenten volgens geslacht, leeftijd en provincie (n=1457) 28 Tabel 2: Spreiding respondenten naar onderwijsniveau 29 Tabel 3: Spreiding respondenten naar werksituatie en diploma (n=256) 30 Tabel 4: Consistentiescores van likertschalen (Cronbach s Alpha) 32 Tabel 5: Multipele regressieanalyse voor afhankelijke variabele: legitimiteit 57 Tabel 6: Multipele regressieanalyse voor afhankelijken: attitudes tegenover het naleven van de wet en zelfgerapporteerde criminaliteit 60 Tabel 7: Multipele regressieanalyse voor afhankelijke variabele: medewerkingsbereidheid 61 x

11 I. Inleiding Probleemstelling In de Belgische pers verschenen de afgelopen jaren enkele artikels over politiefunctionarissen die hun boekje te buiten gingen inzake racisme. Zo voerde de Dienst Diversiteit van de Antwerpse politie in 2011 een intern onderzoek naar racisme bij hun politiefunctionarissen. Het rapport was eerder zorgwekkend: de allochtone politiefunctionarissen van het korps voelden zich vaak gediscrimineerd en gestigmatiseerd door hun autochtone collega s (De Coninck, 2011). Onlangs verscheen ook een artikel in de Standaard waarin enkele politiefunctionarissen van allochtone origine getuigden over discriminatiepraktijken en racisme binnen het Antwerpse politiekorps (Bergmans, 2014). Er zijn dus interne problemen binnen de (Antwerpse) politie op vlak van racisme en discriminatie, maar hoe zit het met racisme in de relatie tussen burger en politie? Het eerste concept dat centraal staat in de problematiek van racisme bij de politie is discriminatie. Daden van racisme komen grotendeels neer op discriminatie. In The SAGE Dictionary of Criminology omschrijft Bowling (2013, p.145) hoe het begrip discriminatie ons kan helpen om te begrijpen waarom bepaalde groepen en individuen in de samenleving minder levenskansen hebben dan anderen. Etnisch culturele minderheden zijn vaak disproportioneel ondervertegenwoordigd in politiekorpsen en in leidinggevende functies binnen de politie. Dit kan verklaren waarom de beroepscultuur binnen de politie soms vijandig staat tegenover deze groep (Holdaway & O Neill, 2007). Discriminatie helpt ons dus ook te begrijpen waarom deze uitgesloten groep vaak ontevreden is over de politie (Bowling, 2013) en soms zelfs een vijandige attitude tegenover hen heeft. Discriminatie bij de politie is dus zeker geen eenrichtingsverkeer, maar eerder een product van wederzijdse vijandelijke stereotypering bij de politie en de etnisch culturele minderheden (Waddington, 1999). In het kader van Community Oriented Policing is een goede relatie tussen de politie en burgers nochtans erg belangrijk en dus ook de relatie met die burgers van andere afkomst of met een andere huidskleur. Een tweede concept dat centraal staat bij racisme en de politie, is procedurele rechtvaardigheid. Volgens Tyler & Lind (2001) is de uitkomst van een strafrechtelijke tussenkomst niet zozeer van belang wanneer een individu deze tussenkomst moet evalueren. Het is wel van belang dat de beslissingen op een eerlijke manier werden genomen. Uit onderzoek blijkt ook dat mensen 1

12 sneller een beslissing aanvaarden en gehoorzamen als ze genomen wordt op een manier die ze als eerlijk ervaren, los van de uitkomst van die beslissing (Tyler & Wakslak, 2004). Volgens de theorie van de procedurele rechtvaardigheid blijven mensen de gerechtelijke autoriteiten steunen ongeacht hun acties, zolang ze eerlijke procedures hanteren (Tyler, 2001). Wanneer iemand het gevoel heeft op een discriminerende manier behandeld te worden door de politie, zal deze persoon eerder ontevreden zijn met de beslissingen van de politie, omdat ze op een oneerlijke manier tot stand komen. Bovendien zal deze persoon de politie als gerechtelijke autoriteit niet steunen en dus minder bereid zijn tot medewerking. Discriminatie door politiefunctionarissen is dus nefast voor de legitimiteit van de politie. Uit de literatuurstudie blijkt dat onderzoek naar percepties van discriminatie door de politie voornamelijk bij volwassenen gebeurde. Nochtans maken jongeren een belangrijk deel uit van onze samenleving en is ook een goede relatie tussen jongeren en politie van belang. Volgens de age-crime curve komt delinquent gedrag meer voor bij jongeren dan volwassenen en piekt het aandeel in het delinquent gedrag bij jongeren tussen 15 en 19 jaar (Loeber & Farrington, 2014). Deze leeftijdscategorie maakt dus meer kans om in contact te komen met de politie. Wanneer deze groep het gevoel heeft gediscrimineerd te worden, zal de legitimiteit van de politie en de bereidheid tot medewerking hier ook onder lijden. Met dit verkennend onderzoek hopen we een bijdrage te leveren aan de geringe hoeveelheid onderzoek bij jongeren naar percepties van discriminatie en ervaringen van racisme door de politie. Hierbij zullen we het concept van procedurele rechtvaardigheid hanteren om inzicht te krijgen in de factoren die de houding van jongeren tegenover de politie vormgeven. Doelstelling Deze masterproef heeft zowel een theoretische als een maatschappelijke relevantie. Talrijke onderzoeken hebben al aangetoond dat procedurele rechtvaardigheid een belangrijke factor is in de bereidheid tot medewerking met de politie en attitudes ten aanzien van regelnaleving. Bovendien werd meermaals aangetoond dat gevoelens van discriminatie en discriminerende contacten met de politie bepalend zijn voor percepties van legitimiteit van de politie. Toch is het belangrijk om na te gaan of deze bevindingen staande blijven in een andere context, in dit geval de Belgische context en de relaties tussen Vlaamse jongeren en de politie. Het theoretische doel van deze masterproef is dus een evaluatie van de procedurele rechtvaardigheidstheorie binnen de huidige Belgische context, met de focus op racisme door politiefunctionarissen als verklarende factor. Dit doel zullen we nastreven door de invloed te 2

13 onderzoeken van percepties van discriminatie en ervaringen van racisme door politiefunctionarissen op de percepties van legitimiteit van de politie en de attitudes ten aanzien van regelnaleving. Vervolgens heeft deze masterproef ook een maatschappelijke relevantie. Percepties en ervaringen van discriminatie hebben vaak een negatieve impact op het leven van individuen (Bowling, 2013). Uit inzichten van de procedurele rechtvaardigheidstheorie weten we dat deze percepties en ervaringen ook een negatieve invloed hebben op de publieke steun voor de politie bij deze individuen. Aangezien de werking van het politieapparaat sterk afhangt van de medewerking en steun van de hele bevolking, ook die van etnisch culturele minderheden, zullen deze bevindingen van belang zijn voor de ontwikkeling van politiebeleid. De politie zal immers het gedrag van de burger kunnen beïnvloeden, door rechtvaardige procedures te hanteren en (percepties van) racisme te vermijden in de contacten met de burger. Zo verhoogt de politie de zijn legitimiteit en de bereidheid tot medewerking van alle burgers. Onderzoeksvragen Om deze doelstellingen te kunnen bereiken, moeten we eerst de nodige beschrijvende kennis vergaren. We moeten inzicht krijgen in de omvang en de spreiding van het probleem van racisme bij politiefunctionarissen en de factoren die van belang zijn voor procedurele rechtvaardigheid, vooraleer we de samenhang tussen deze concepten kunnen onderzoeken. Een eerste reeks, beschrijvende onderzoeksvragen luidt als volgt: Hoe variëren percepties en ervaringen van racisme door de politie bij jongeren? Wat is de spreiding van de percepties van procedurele rechtvaardigheid en van legitimiteit van de politie bij jongeren? Hoe variëren de bereidheid tot medewerking met de politie en de attitudes van jongeren tegenover het naleven van de wet? Vervolgens kunnen we overgaan naar het vergaren van verklarende kennis en de samenhang tussen de belangrijkste concepten van de procedurele rechtvaardigheidstheorie en (percepties van) racisme door de politie onderzoeken. De verklarende onderzoeksvragen luiden als volgt: Wat is de invloed van percepties van discriminatie en ervaringen van racisme door de politie op de percepties van legitimiteit van de politie? Welke andere factoren spelen hierbij een rol? Welke invloed hebben percepties en ervaringen van racisme door de politie op de attitudes van jongeren tegenover het naleven van de wet en het plegen van criminaliteit? 3

14 Structuur Deze masterproef is opgedeeld in drie grote delen. In het eerste deel wordt een selectie van de theoretische en empirische literatuur over attitudes ten aanzien van de politie en de rol van procedurele rechtvaardigheid samengevat. Dit deel bestaat uit drie hoofdstukken. In het eerste hoofdstuk verkennen we de problematiek van racisme en discriminatie door politiefunctionarissen. In het tweede hoofdstuk nemen we de Belgische situatie onder de loep, met nadruk op gemeenschapsgerichte politiezorg en de samenwerking met het Interfederaal Gelijkekansencentrum. In het derde hoofdstuk bespreken we de inzichten van de procedurele rechtvaardigheidstheorie. In het tweede deel bespreken we de methodologie die werd gehanteerd bij het onderzoek. Eerst komt het onderzoeksplan aan bod waar we het onderzoeksmateriaal, de onderzoeksstrategie en enkele ethische aspecten behandelen. Vervolgens bespreken we uitgebreid de dataverzameling, met aandacht voor de populatie, de steekproef en de karakteristieken van de websurvey. Tenslotte eindigen we dit deel met de operationalisering van de concepten. In het derde deel van deze masterproef geven we de resultaten uit de kwantitatieve bevraging weer. Eerst zullen we de resultaten uit de beschrijvende analyse bespreken en vervolgens de resultaten uit de verklarende analyse. Tenslotte eindigen we met een algemene conclusie en discussie. 4

15 II. Theoretisch luik Hoofdstuk1: Racisme en discriminatie door politiefunctionarissen 1.1 Inleiding Racisme en discriminatie vormen een maatschappelijke problematiek waar verschillende groepen slachtoffer van kunnen zijn en die zich op verschillende domeinen manifesteert. Er zijn verschillende criteria waarvoor iemand gediscrimineerd kan worden zoals: geloof, geslacht, handicap, afkomst, Enkele mogelijke domeinen zijn onder andere de arbeidsmarkt, de woonmarkt, het onderwijs, In deze masterproef onderzoeken we deze problematiek in de relatie tussen politie en burgers met de focus op racisme. Eerst bespreken we enkele definities van racisme en discriminatie. Dan nemen we de discretionaire bevoegdheid van de politie onder de loep om te kijken hoe het probleem zich in de praktijk kan voordoen. Tenslotte bespreken we de meest spraakmakende zaak met betrekking tot dit thema, namelijk: The Lawrence Inquiry en het concept institutioneel racisme. 1.2 Definities van discriminatie en racisme Discriminatie Volgens Bowling (2013) omvat discriminatie een ongunstige behandeling gebaseerd op iemands geslacht, zogenaamd ras, seksuele geaardheid, leeftijd, handicap of een ander beschermd criterium. We kunnen een onderscheid maken tussen directe en indirecte discriminatie. Directe discriminatie is duidelijk te herkennen en maakt een direct onderscheid tussen mensen met een bepaald beschermd kenmerk en zij die dit niet hebben. Bijvoorbeeld: tijdens het Apartheidsregime in Zuid-Afrika mochten zwarten niet stemmen (Bowling, 2013). Indirecte discriminatie daarentegen houdt een ogenschijnlijk neutrale maatregel in, die uiteindelijk een discriminerend effect heeft op mensen met een bepaald beschermd criterium. Bijvoorbeeld: in sommige politiekorpsen is er een minimumlengte vereist om te mogen toetreden. Dit houdt een indirecte discriminatie in van vrouwen en bepaalde etnische minderheden. Bovendien is lengte compleet irrelevant om de job van politieagent te kunnen uitoefenen (Bowling, 2013). Het onderscheid tussen directe en indirecte discriminatie is ook terug te vinden in de Belgische Antiracisme- en Antidiscriminatiewet. 5

16 Discriminatie is sterk verbonden met vooroordelen die bepaalde groepen als minderwaardig of problematisch bestempelen. Discriminerende praktijken gaan dan ook vaak gepaard met het uitdrukken van bevooroordeelde meningen en het gebruik van negatieve stereotypen (Bowling, 2013). Kortom, discriminatie is een ongunstige behandeling gebaseerd op een beschermd criterium. Dit onderscheid kan zowel direct als indirect discriminerend zijn en discriminatie is sterk verbonden met vooroordelen en negatieve stereotypen Racisme Racisme laat zich iets moeilijker definiëren dan discriminatie. In tegenstelling tot discriminatie wordt racisme niet gedefinieerd in de Antiracismewet. De definitie van racisme is bovendien niet statisch, verspreid over plaats en tijd geeft men al eens een andere invulling aan het woord. Zo was racisme in de periode voor de Tweede Wereldoorlog bijna enkel gebaseerd op huidskleur en voornamelijk van blanken tegen zwarten gericht. In de Verenigde Staten is dit (in kleinere mate) nog steeds het geval (Bolaffi, 2003). In het Europa van vandaag heeft racisme echter betrekking op veel meer dan enkel huidskleur. We kunnen hier de opdeling maken tussen biologisch en cultureel racisme: waar biologisch racisme zich baseert op biologische kenmerken zoals huidskleur en andere lichamelijke kenmerken (het zogenaamd ras ), baseert cultureel racisme zich op culturele verschillen zoals het land van afkomst, taalverschillen, religie, kleding, (Bolaffi, 2003). Om beiden te kunnen omvatten definieert men racisme nu vaak als een onderscheid gebaseerd op huidskleur, zogenaamd ras, nationaliteit of etnische afkomst. De eerste twee criteria verwijzen naar biologisch racisme en de laatste twee naar cultureel racisme. Verder moeten we ook een onderscheid maken tussen racistische overtuigingen, die ingegeven zijn door vooroordelen en racistische daden die uit deze overtuigingen voortkomen. Racistische overtuigingen hoeven niet altijd tot racistische of discriminerende daden te leiden. Iemand met racistische ideeën kan weerhouden worden van racistische gedragingen door een wettelijk verbod of een andere interventie. Bolaffi (2003) omschrijft dit als de bevooroordeelde nondiscriminator. Naast discriminatie kunnen racistische daden ook voorkomen als intimidatie. Intimidatie, zoals in de antiracismewet van 1981 omschreven, is ongewenst gedrag dat met een beschermd criterium verband houdt, waarmee de waardigheid van de persoon wordt aangetast. Een voorbeeld is het gebruik van scheldwoorden op basis van iemands afkomst. Het is dus van belang dat we ook intimidatie opnemen in onze definitie van racisme. 6

17 Hoewel racisme dus zowel op overtuigingen als gedragingen betrekking heeft, zullen we ons in deze masterproef enkel focussen op de gedragingen, namelijk: daden van discriminatie of intimidatie. Dit om de simpele reden dat enige uiterlijke gedraging vereist is om van een (strafbaar) feit te kunnen spreken of om racisme meetbaar te maken. De definitie van racisme wordt dan: discriminatie of intimidatie op basis van huidskleur, zogenaamd ras, nationaliteit of etnische afkomst. Hiermee omvatten we enkel gedragingen en zowel biologisch als cultureel racisme Het verband tussen discriminatie en racisme Nu we discriminatie en racisme gedefinieerd hebben, bespreken we tenslotte de relatie tussen beide begrippen. Racisme kunnen we begrijpen als een speciale vorm van discriminatie. Daar waar discriminatie op verschillende criteria van toepassing kan zijn (bijvoorbeeld: geslacht, handicap, geloof, ), heeft racisme enkel betrekking op raciale criteria zoals afkomst, zogenaamd ras, nationaliteit en huidskleur. We vinden deze opdeling naar beschermde criteria ook terug in de Belgische Antidiscriminatie- en Antiracismewet. Discriminatie op basis van de raciale kenmerken is ook de handeling die uit racistische overtuigingen voortkomt. Er is dus enige overlap tussen beide begrippen, in deze masterproef zullen ze dan ook vaak samen gebruikt worden. 1.3 De discretionaire bevoegdheid van de politie Strafrechtelijke actoren op elk niveau van de strafrechtsbedeling hebben een zekere gemandateerde flexibiliteit in de beslissingen die ze maken bij het vervolgen van individuele gevallen (McLaughlin, 2014). Ze kunnen hun oordeel gebruiken om te beslissen welke acties ze al dan niet ondernemen in een bepaalde situatie. Deze beslissingsbevoegdheid bij strafrechtelijke actoren wordt ook wel de discretionaire bevoegdheid genoemd, of in het Engels: discretion. Ook politiefunctionarissen bezitten een zeker discretionaire bevoegdheid. Ze kunnen bijvoorbeeld beslissen welke personen er verdacht genoeg uitzien om tegen te houden en te fouilleren en welke niet. Deze discretionaire bevoegdheid geeft ruimte aan discriminerende praktijken en zelfs tot het niet uitvoeren van beleid waar men niet mee akkoord is. In de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk veroorzaakte zulke onoordeelkundige en misbruikende aanwending van de politiemacht ernstige confrontaties tussen de politie en etnisch culturele minderheden in de jaren 90 (McLaughlin, 2013). Ondanks trainingen en beleidsmaatregelen die discriminatie proberen tegen te gaan, is het dus mogelijk dat 7

18 politiefunctionarissen discriminerend handelen door de discretionaire bevoegdheid die met hun mandaat gepaard gaat. 1.4 The Lawrence inquiry en institutioneel racisme De meest spraakmakende zaak inzake politie en racisme is ongetwijfeld het onderzoek na de racistische moord op Stephen Lawrence in 1993 bij de Britse politie. Het onderzoeksteam concludeerde dat het politieonderzoek naar de moord gebrekkig was verlopen door een combinatie van incompetentie, institutioneel racisme en slecht leiderschap van de officieren (Bridges, 1999). Vooral het begrip institutioneel racisme is hier van belang. Institutioneel racisme verwijst naar de manier waarop instituties, zoals de politie, de neiging hebben om mensen anders te behandelen naargelang hun huidskleur, cultuur of etnische afkomst (Mclaughlin, 2013, p.236). De belangrijkste bron voor dit institutioneel racisme is de beroepscultuur binnen de politie (Holdoway & O Neill, 2007). Uit kwalitatief onderzoek bij politiefunctionarissen blijkt dat deze racistische beroepscultuur zijn oorsprong vindt in het feit dat politiemensen vooral in contact komen met etnisch culturele minderheden in confronterende situaties (Lea, 2000). Politiefunctionarissen hoeven dus niet zozeer zelf racistisch ingesteld te zijn om racistisch te handelen. Ze kunnen dit ook doen omdat het ingebakken zit in hun beroepscultuur. 8

19 Hoofdstuk 2: Het huidige Belgische beleid inzake racisme en politie 2.1 Inleiding In België wordt sinds het einde van de jaren 90, met de opkomst van het toenmalige Vlaams Blok, het debat rond allochtonen en criminaliteit hoog op de politieke agenda geplaatst. Er is een oververtegenwoordiging van allochtone jongeren in de criminaliteitscijfers. In de academische wereld wordt echter zelden een direct verband gevonden tussen etnisch-culturele kenmerken en criminaliteit (Petintseva, 2014). Sociaal economische factoren en selectiemechanismen verklaren volgens een groot aantal onderzoekers de oververtegenwoordiging van jongeren van vreemde origine in strafrechtelijke statistieken (Brion, 2005). Concreet zouden proactieve acties door de politie gericht op jonge allochtonen bijdragen tot deze oververtegenwoordiging (Petintseva, 2014). Dus ook in België staat de relatie tussen de politie en etnisch culturele minderheden onder druk. In het eerste hoofdstuk behandelden we internationale literatuur inzake racisme en politie, maar wat is de stand van deze problematiek in België? Dit onderzoek vindt plaats binnen de Belgische context, dus is het niet geheel onbelangrijk om het Belgische beleid inzake politie en racisme te bestuderen. Eerst bespreken we het juridisch kader van de problematiek, voornamelijk de wetten die van toepassing zijn voor politiefunctionarissen. Vervolgens bekijken we de problematiek vanuit de COP-strategie en geven we een evaluatie van COP in de praktijk met nadruk op de relatie met etnisch culturele minderheden. Tenslotte bespreken we de samenwerking van de politie met het Interfederaal Gelijkekansencentrum alsook enkele cijfergegevens van meldingen en dossiers. 2.2 Juridisch kader Naast het gelijkheidsbeginsel en non-discriminatiebeginsel in de Belgische grondwet kent België sinds 1981 een Antiracisme- en Antidiscriminatiewet. Beide wetten hebben het statuut van strafwet, wat wijst op het belang dat de wetgever hechtte aan de aanpak van racisme (Aendenboom, 2007). Voor politiefunctionarissen is voornamelijk Titel 4 en Artikel 23 van de antiracismewet van belang. Artikel 23 bestraft ieder openbaar officier of ambtenaar, iedere drager of agent van het openbaar gezag of van de openbare macht die in de uitoefening van zijn ambt een persoon discrimineert wegens een van de beschermde criteria. In voorgaand artikel 12 verduidelijkt de wetgever dat onder discriminatie zowel directe, indirecte discriminatie, de opdracht tot discrimineren als intimidatie verstaan wordt. Er wordt eveneens bestraft indien de feiten jegens een groep of gemeenschap gericht zijn vanwege een beschermd criterium. Indien 9

20 een politiefunctionaris handelde op bevel van een meerdere zal zijn meerdere hiervoor strafrechtelijk aansprakelijk zijn (Vander Beken, 2004). Politiefunctionarissen die discrimineren op basis van raciale criteria zijn dus strafrechtelijk aansprakelijk volgens de Antiracismewet. Naast de Antiracismewet wordt racisme en discriminatie door politiefunctionarissen ook verboden door de Wet op het politieambt (WPA). Zo bepaalt artikel 34, paragraaf 3 van de WPA dat systematische identiteitscontroles slechts mogelijk zijn in het kader van gerichte acties op verzoek van een overheid van bestuurlijke politie om de openbare veiligheid te handhaven of om de Vreemdelingenwet te doen naleven. Onder andere de burgemeester, de sociale inspectie of de Dienst Vreemdelingenzaken zijn overheden van bestuurlijke politie die deze opdracht kunnen geven (De Hert & Meerschaut, 2011). Een Omzendbrief van 2 februari 1993 met betrekking op de WPA sluit deze systematische identiteitscontroles van vreemdelingen ook uitdrukkelijk uit (uitgezonderd de controles voor de toegang van vreemdelingen tot het grondgebied) (De Hert & Meerschaut, 2011). De politie heeft dus niet het recht om zomaar systematische identiteitscontroles uit te voeren op basis van afkomst of etniciteit. 2.3 Community Oriented Policing in België Sinds 2000 staat in België gemeenschapsgerichte politiezorg centraal in het politioneel beleid. Concreet geven vijf pijlers een invulling aan gemeenschapsgerichte politiezorg in België: (1) Externe oriëntering, (2) Probleemoplossend werken, (3) Partnerschap, (4) Verantwoording en (5) Empowerment (Van De Sompel et al., 2003). Bij de eerste pijler van het COP-programma (externe oriëntering) benadrukt men dat de politie er moet zijn voor alle gemeenschappen en dat de bescherming van rechten en vrijheden van de minderheden voorrang heeft op de wil van de meerderheid (Van De Sompel et al., 2003). De eerste pijler geeft dus al een belangrijke opstelling aan naar leden van etnisch culturele minderheden, ze moeten niet enkel volledig ingesloten worden, hun rechten en vrijheden moeten zelfs extra beschermd worden. In de uitwerking van de derde pijler (partnerschap) gaat men nog een stap verder. Van De Sompel et al. (2003) geven aan dat de relatie van de politie met allochtone jongeren in het verleden de verkeerde kant opging. Vooral het repressieve karakter van de politie werd benadrukt, er doken projecten van zero-tolerance op als korte termijnoplossing en er werd weinig gedaan om de structurele oorzaken van dit vraagstuk aan te pakken. Zero-tolerance zorgt er namelijk voor dat de legitimiteit van de politie bij deze bevolkingsgroepen daalt en dat er nog meer polarisatie ontstaat in hun relatie (Gau & Brunson, 2010). Volgens Van De Sompel 10

21 et al. (2003) dient de allochtone gemeenschap als volwaardige partner betrokken te worden, zowel via informele als formele netwerken. Vanuit de COP-strategie wil men dus meer inzetten op een gerichte samenwerking met etnisch-culturele minderheden en de louter repressieve rol van de politie verkleinen om de relatie tussen de politie en deze bevolkingsgroep te verbeteren. 2.4 Van COP naar Multiple Community Policing Op papier heeft de uitwerking van de COP-strategie in België dus bijzondere aandacht voor etnisch culturele minderheden, maar hoe zit dat in de praktijk? Volgens Easton et al. (2009) zijn er toch nog enkele knelpunten in de relatie tussen de politie en etnisch culturele minderheden, maar hun bevindingen zijn zeker niet pessimistisch. Etnische minderheden maken beduidend meer kans om door de politie tegengehouden en gecontroleerd te worden dan autochtonen. De reden van deze selectiviteit is echter slechts deels te verklaren door discriminatie. Structurele elementen zoals het politieke klimaat en de grotere aanwezigheid van etnische minderheden in de publieke ruimte liggen tevens aan de basis voor deze selectiviteit (Easton et al., 2009). Aan de kant van de etnische minderheden zelf stellen Easton et al. (2009) vast dat ze de politie vaak als racistisch ervaren. Dit is voor een deel een reactie op de selectiviteit van de identiteitscontroles, maar ook door de interactie in eerder negatieve, repressieve settings en ervaringen met politie in het land van herkomst. Tenslotte stellen Easton et al. (2009) nog vast dat politiemensen op de werkvloer allochtone groepen niet op een andere manier behandelen dan autochtone groepen. Deze laatste bevinding nuanceert dus voor een deel de eerdere bevindingen, maar de perceptie bij de etnische minderheden is wel in strijd met deze bevinding. Easton et al. (2009) geven aan dat er op vlak van de eerste en derde pijler nog meer kan gedaan worden in de relatie met etnisch culturele minderheden. De gemeenschap als één geheel bestaat niet, ook in eenzelfde buurt zijn vaak meerdere gemeenschappen aanwezig. Op vlak van externe oriëntering en samenwerking met de gemeenschappen schiet de huidige praktijk vaak tekort bij sommige deelgemeenschappen in problematische buurten, zoals de mobiele bevolkingsgroepen (waaronder Roma), Oost-Europeanen en nieuwkomers (Easton et al., 2009). De politie dient dus in te zetten op deze gemeenschappen, door meer face-to-face contacten en meer informatie te verschaffen aan deze deelgemeenschappen (Easton, Tanghe & Ponsaers, 2008). Op die manier zal de politie meer binnen deze gemeenschappen staan in plaats van erbuiten wat ook haar reputatie bij deze deelgemeenschappen moet verbeteren (zie figuur 1.1). Dit gegeven wordt in de praktijk ook weleens multiple community policing genoemd, alle deelgemeenschappen moeten ingesloten worden in het model van de gemeenschapsgerichte politiezorg. 11

22 Figuur 1: Uitdaging voor de toekomst inzake Community Policing (Easton et al., 2009) 2.5 De samenwerking met het Interfederaal Gelijkekansencentrum Zoals eerder aangehaald werkt de politie samen met het Interfederaal Gelijkekansencentrum inzake antiracisme en diversiteit. Deze samenwerking bestaat voornamelijk uit opleidingen, werkgroepen en projecten inzake diversiteit en politie. Een van de bekendste projecten is de samenwerking met de politie en de Kazerne Dossin in Mechelen. In het project Holocaust, politie en mensenrechten brengt men de rol en de houding van de politie tijdens de Tweede Wereldoorlog in herinnering (CGKR, 2014). Men wil hiermee de link leggen met problemen en tendensen waarmee de politie vandaag wordt geconfronteerd en met het belang van mensenrechten. De politie is een machtig orgaan, het is dus belangrijk om de politiefunctionarissen ervan bewust te maken dat deze macht geen afbreuk mag doen aan de mensenrechten van minderheidsgroepen zoals dit in de Tweede Wereldoorlog gebeurde. In het Jaarverslag van 2013 kaart het Centrum nog enkele knelpunten aan die doorheen de opleidingen en projecten werden vastgesteld. Zo zou er sprake zijn van islamofobie binnen de politieorganisatie en is er onvoldoende kennis en ondersteuning om externe partnerschappen aan te gaan. Deze laatste vaststelling komt overeen met de vaststellingen van Easton et al. in Ook de zwijgcultuur binnen de politie is een probleem, politiefunctionarissen zouden niet durven reageren op overschrijdend gedrag van hun collega s inzake discriminatie (CGKR, 2014). In het project van de Kazerne Dossin wil men dan ook het belang van de mogelijkheid om nee te zeggen benadrukken. Behalve deze opleidingen, werkgroepen en projecten behandelt het Interfederaal Gelijkekansencentrum ook individuele meldingen en dossiers over racisme en discriminatie door politiefunctionarissen. In 2013 hadden 6% van de nieuwe dossiers betrekking op politie 12

23 en justitie (figuur 2), dit lijkt niet veel maar burgers komen dan ook minder vaak in contact met de politie en justitie dan dat ze werk of een woning zoeken. Als we dan kijken naar de meldingen op basis van raciale criteria, zijn politie en justitie toch al iets meer vertegenwoordigd (10%) (figuur 2). Figuur 2: Nieuwe dossiers 2013 Centrum bevoegd per domein (n=1.406) (Interfederaal Gelijkekansencentrum, 2014) Figuur 3: Nieuwe dossiers 2013 Centrum bevoegd, raciale criteria, per domein (n=572) (Interfederaal Gelijkekansencentrum, 2014) Van de 101 meldingen die het Centrum in 2013 ontving over politie en justitie, is ruim de helft gebaseerd op een raciaal criterium. Meer dan 20% van deze meldingen betreft ook het gebruik 13

24 van (buitensporig) geweld door de politie. Ook het taalgebruik (i.e. intimidatie) en de attitude van politiefunctionarissen zijn een weerkerend probleem in de meldingen (CGKR, 2014). Een ongepaste houding van een politieambtenaar heeft een grote impact op de percepties over het politiekorps en is tevens in strijd met de filosofie van de gemeenschapsgerichte politiezorg (CGKR, 2014). Het Centrum staat de slachtoffers van discriminatie bij door middel van adviezen en indien nodig door zich burgerlijke partij te stellen in strafzaken. Zij kunnen deze klachten ook overbrengen aan Comité P, deze worden dan uitgebreid onderzocht. Het is van groot belang dat discriminatie door de politie bestreden wordt wanneer het voorkomt (CGKR, 2014). Figuur 4: Meldingen CGKR i.v.m. Politie in 2013 (n=101) (Centrum voor gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding, 2014) Uit deze cijfergegevens van het Centrum leren we dat het probleem van racisme en discriminatie door politiefunctionarissen dus zeker niet onbestaande is in België. We moeten hierbij wel de bedenking maken dat deze cijfers gebaseerd zijn op meldingen en klachten van burgers. Ze zullen dus niet altijd gegrond zijn. Toch zijn ze nefast voor de reputatie van de politie en voor de samenwerking met de etnisch culturele gemeenschappen in het kader van de COP-strategie. 14

25 Hoofdstuk 3: Procedurele rechtvaardigheid 3.1 Inleiding De belangrijkste theorie inzake attitudes over de politie is de procedurele rechtvaardigheidstheorie. De hoofdassumptie van de procedurele rechtvaardigheidstheorie is dat legitimiteit van de politie voornamelijk gebaseerd is op de perceptie van rechtvaardigheid van procedures (Sunshine & Tyler, 2003). Legitimiteit van de politie is dus verbonden aan het oordeel van de burger of het proces van besluitvorming en machtsuitoefening op een eerlijke manier verloopt. In dit hoofdstuk bespreken we uitgebreid de theorie van de procedurele rechtvaardigheid aan de hand van de literatuur en voorgaande onderzoeken. In het eerste deel lichten we het basisidee van de theorie toe. Vervolgens bespreken we procedurele rechtvaardigheid als determinant van legitimiteit. Dan gaan we dieper in op de invloed van legitimiteit en tenslotte eindigen we met de invloed van racisme en discriminatie op legitimiteit. 3.2 Procedurele rechtvaardigheid boven effectiviteit Volgens Tyler & Lind (2001) is de uitkomst van een strafrechtelijke tussenkomst niet zozeer van belang wanneer een individu een evaluatie van deze tussenkomst moet maken. Het is wel belangrijk de beslissingen op een eerlijke manier worden genomen. Uit onderzoek blijkt ook dat mensen sneller een beslissing aanvaarden en gehoorzamen als ze genomen wordt op een manier die ze als eerlijk ervaren, los van de uitkomst van die beslissing (Tyler & Wakslak, 2004). Volgens de theorie van de procedurele rechtvaardigheid blijven mensen de gerechtelijke autoriteiten steunen ongeacht de uitkomst van hun acties, zolang ze eerlijke procedures hanteren (Tyler, 2001). Sunshine & Tyler (2003) bevestigden dit met hun onderzoek waaruit blijkt dat legitimiteit van de politie meer beïnvloed wordt door de procedurele rechtvaardigheid dan door de distributieve rechtvaardigheid (i.e. de uitkomst van het politieoptreden, met andere woorden de effectiviteit van het politieoptreden). Het hoofdidee is dat het hanteren van eerlijke procedures bij de besluitvorming een grotere impact heeft op de legitimiteit van de politie dan de effectiviteit van het politieapparaat. Het is dus niet alleen belangrijk wat de politie doet, maar vooral hoe ze het doet. Dit gegeven vinden we ook terug in de vierde en vijfde pijler van de COP-strategie, namelijk de verantwoording die de politie dient af te leggen enerzijds en het betrekken van de burger bij het nemen van beslissingen (empowerment) anderzijds. Volgens Sunshine & Tyler (2003) is het idee dat autoriteiten de waardigheid en rechten van burgers moeten respecteren en beslissingen op een neutrale en objectieve manier moeten maken ook terug te vinden in de defiance theorie van Sherman (1993) en de theorie van reintegrative 15

26 shaming van Braithwhaite (1989). De defiance theorie stelt dat mensen zich vijandig zullen opstellen tegenover de politie wanneer hun waardigheid en rechten niet worden erkend (Sherman, 1993). De theorie over reintegrative shaming benadrukt dan weer de mogelijkheid van toekomstige bereidheid tot medewerking met autoriteiten door een respectvolle behandeling van overtreders (Braithwhaite, 1989). In deze theorieën ondervindt men dat mensen gerechtelijke autoriteiten meer aanvaarden en meer bereid zijn tot medewerking, als ze eerlijk en met respect behandeld worden. 3.3 Legitimiteit De procedurele rechtvaardigheidstheorie biedt een model voor de antecedenten van legitimiteit van de politie. Legitimiteit is de overtuiging dat gerechtelijke autoriteiten het recht hebben om hun gezag uit te oefenen en dat het individu navolging moet geven aan hun beslissingen (Tyler & Huo, 2002). Uit onderzoek blijkt dat procedurele rechtvaardigheid de belangrijkste factor is die legitimiteit vormgeeft, meer dan bijvoorbeeld misdaadcijfers of de effectiviteit van de politie (Sunshine & Tyler, 2003; Hinds & Murphy, 2007). Mensen met respect behandelen op een onbevooroordeelde manier is niet afhankelijk van misdaadcijfers, maar van het gedrag van de politie zelf. Tyler en Huo (2002) tonen aan dat een beleid gebaseerd op procedurele rechtvaardigheid veel voordelen opbrengt voor de politie zelf. Gau & Brunson (2010) kwamen tot de bevinding dat een nultolerantiebeleid bij de politie, waarbij kleine overtredingen en overlast hard aangepakt worden, nefast zijn voor procedurele rechtvaardigheid en legitimiteit van de politie. Vooral wanneer deze kleine overtredingen overdreven opgespoord worden door het tegenhouden en fouilleren, kunnen burgers dit als intimiderend ervaren, omdat ze vinden dat ze niets doen waarvoor een tussenkomst van de politie nodig is. 3.4 Invloed van legitimiteit Legitimiteit van de politie door de ogen van de burger is het steunpunt van de relatie tussen politie en burgers. Wanneer de publieke opinie de legitimiteit van de politie hoog inschat, zullen burgers meer geneigd zijn om de wet na te leven en om mee te werken met de politie (Sunshine & Tyler, 2003). Legitimiteit beïnvloedt dus zowel het naleven van de wet als de bereidheid tot medewerking met de politie. 16

27 3.4.1 Naleven van de wet Geloven in de legitimiteit van de politie en van het strafrecht zorgt ervoor dat mensen een morele verplichting internaliseren om de wet na te leven (Tyler & Lind, 2001). Dit staat lijnrecht tegenover het idee van deterrence waarbij mensen de wet naleven uit angst voor mogelijke repercussies (Gau & Brunson, 2010). Naleving van de wet is nochtans sterker in de samenleving wanneer mensen de wet volgen omdat ze er in geloven, dan wanneer ze bang zijn om gevat of gestraft te worden (Sherman, 1993). Inzichten uit de sociale psychologie ondersteunen deze bevinding (Brehm et al., 2006). Als men er niet in slaagt om de principes van procedurele rechtvaardigheid te hanteren kan dit leiden tot minder publieke steun voor de politie en op lange termijn zelfs tot hogere misdaadcijfers (Sherman, 1993). Hoge mate van procedurele rechtvaardigheid leidt dan weer tot meer publieke steun voor de politie en betere attitudes tegenover het naleven van de wet (Tyler & Huo, 2002) Medewerking met de politie Een politiemacht zal meer vertrouwen en medewerking krijgen van een gemeenschap, als ze de normen en waarden van die gemeenschap belichaamt (Easton et al., 2009). Men kan dit concreet verwezenlijken door burgers op een respectvolle en rechtvaardige manier te behandelen (Van Craen, 2012). Op die manier leidt procedurele rechtvaardigheid tot hogere legitimiteit en meer bereidheid tot medewerking met de politie. Het omgekeerde gebeurt wanneer burgers het gevoel hebben op een unfaire en respectloze manier behandeld te worden. Gau & Brunson (2010) halen aan dat jongeren die regelmatig door de politie worden lastig gevallen bij routine fouilleringen, zij na verloop van tijd minder bereid zullen zijn tot medewerking bij deze contacten. Dit wederzijds wantrouwen tussen politie en bepaalde burgers kan bij beiden vijandige gevoelens tegenover elkaar veroorzaken, waardoor de relatie tussen beiden verzuurd geraakt en de bereidheid tot medewerking van de burger afneemt. 3.5 De invloed van racisme en discriminatie op legitimiteit Percepties van discriminatie door de politie Uit onderzoek blijkt dat etnisch culturele minderheden minder geneigd zijn om zich te schikken naar de beslissingen van gerechtelijke instanties (Tyler & Huo, 2002; Garcia & Cao, 2005). Ze zijn ook negatiever in hun evaluatie van instanties waar ze persoonlijke ervaringen mee hadden (Tyler & Huo, 2002). Afkomst zou een voorspeller zijn voor slechte evaluaties van politietussenkomsten en voor een kritische houding tegenover de politie en de wet (Weitzer & Tuch, 1999; Brown & Wm Reed, 2002; Wells, 2007; Gau & Brunson, 2010). Volgens Tyler & 17

28 Huo (2002) kunnen we deze verschillen naargelang afkomst verklaren aan de hand van het procesmatige model. Minder aanvaarding van de autoriteit komt voor bij etnisch culturele minderheden omdat ze het gevoel hebben dat ze minder eerlijk behandeld worden en omdat ze minder vertrouwen hebben in de motieven van de gerechtelijke instanties. Ze argumenteren dat ondanks de verschillen in legitimiteit van de politie tussen verschillende etnische groepen, de psychologische basis van legitimiteit hetzelfde is binnen elke groep. Sunshine & Tyler (2003) bevestigen deze stelling aan de hand van hun onderzoek: los van hun afkomst zijn mensen bereid tot medewerking met de politie als ze de politiemacht als legitiem ervaren. Racistische ervaringen met de politie zijn dus nefast voor de politielegitimiteit bij etnisch culturele minderheden Racistische ervaringen met de politie Uit een recent onderzoek door Van Craen (2012) blijkt dat percepties van racisme een grote invloed hebben op (het gebrek aan) vertrouwen in de politie bij etnisch culturele minderheden. Deze percepties van racisme komen voornamelijk voort uit discriminerende ervaringen van het individu of mensen uit diens omgeving (Weitzer & Tuch, 2002). In de literatuur is racial profiling de meest onderzochte discriminatiepraktijk bij de politie (Weitzer & Tuch, 1999; 2002; 2004; 2005; Garcia & Cao, 2005; Miller et al., 2008; Satzewich & Shaffir, 2009). Racial profiling houdt in dat de afkomst of etniciteit van een individu een rol speelt bij de beslissing om al dan niet tussen te komen (Weitzer & Tuch, 2002). Zoals eerder beschreven heeft de politie een discretionaire bevoegdheid om te oordelen wie er verdacht genoeg uitziet om tegen te houden en te fouilleren en wie niet. Wanneer bepaalde burgers het gevoel hebben meer kans te maken om tegengehouden te worden dan anderen, ervaren zij dit des te meer als intimiderend en discriminerend (Weitzer & Tuch, 2002; Satzewich & Shaffir, 2009). Overdreven tegenhouden en fouilleren van etnisch culturele minderheden zal dan de legitimiteit van de politie ondermijnen (Gau & Brunson, 2010). 18

29 Deelbesluit In het eerste hoofdstuk van dit deel kwamen we tot onze definities van discriminatie en racisme. Discriminatie is een ongunstige behandeling gebaseerd op een beschermd criterium. Dit onderscheid kan zowel direct als indirect discriminerend zijn en discriminatie is sterk verbonden met vooroordelen en negatieve stereotypen. Racisme omvat discriminatie of intimidatie op basis van huidskleur, zogenaamd ras, nationaliteit of etnische afkomst. Hiermee omvatten we enkel gedragingen en zowel biologisch als cultureel racisme. De discretionaire bevoegdheid van politiefunctionarissen zorgt ervoor dat ze ondanks trainingen en beleidsmaatregelen die discriminatie proberen tegen te gaan, toch discriminerend kunnen handelen bij de uitvoering van hun taken. Bovendien hoeven ze niet zelf racistisch ingesteld te zijn om racistisch te handelen: het begrip institutioneel racisme leert ons dat racisme ook ingebakken kan zijn in de beroepscultuur bij de politie. In het tweede hoofdstuk haalden we aan dat de relatie tussen etnisch culturele minderheden en de politie in België soms onder druk staat. Het beleid probeert hier de nodige oplossingen aan te reiken. Zo zijn politieambtenaren die discrimineren strafrechtelijk aansprakelijk volgens de Antiracismewet en zijn systematische identiteitscontroles van vreemdelingen in principe verboden volgens de WPA. Ook bij de implementatie van de gemeenschapsgerichte politiezorg heeft men aandacht voor deze problematiek: men wil meer inzetten op gerichte samenwerking met etnisch culturele minderheden en de louter repressieve rol van de politie verkleinen, om de relatie tussen deze bevolkingsgroep en de politie te verbeteren. In de praktijk is deze filosofie echter nog niet helemaal geslaagd: vanuit de idee van multiple community policing dient men alle deelgemeenschappen in te sluiten in het model van de gemeenschapsgerichte politiezorg (Easton, Tanghe & Ponsaers, 2008). Tenslotte speelt ook de samenwerking tussen het Interfederaal Gelijkekansencentrum en de politie een grote rol in het beleid inzake racisme en politie. In diverse opleidingen wil men de politiefunctionarissen ervan bewust maken dat hun macht geen afbreuk mag doen aan de mensenrechten van minderheidsgroepen. Tijdens deze opleidingen stelde het Centrum vast dat de zwijgcultuur binnen de politie een bijkomend probleem is. Politiefunctionarissen zouden niet durven reageren op overschrijdend gedrag van hun collega s inzake discriminatie (CGKR, 2014). Deze vaststelling kan een aanwijzing zijn van institutioneel racisme binnen de politie. Uit de cijfers van meldingen en dossiers bij het Centrum leren we dat het probleem van racisme bij de politie zeker niet onbestaande is in ons land. 19

30 In het derde hoofdstuk van dit theoretische luik hebben we de inzichten vanuit de procedurele rechtvaardigheidstheorie besproken. Legitimiteit van de politie is verbonden aan het oordeel van de burger of het proces van besluitvorming en machtsuitoefening op een eerlijke manier verloopt. Het is dus niet alleen belangrijk wat de politie doet, maar vooral hoe ze het doet. Deze bevindingen worden ook ondersteund door de defiance theorie en de theorie over reintegrative shaming. Mensen met respect behandelen op een onbevooroordeelde manier is niet afhankelijk van misdaadcijfers, maar van het gedrag van de politie zelf. Een nultolerantiebeleid, waarbij kleine overtredingen en overlast hard aangepakt worden, is nefast voor de procedurele rechtvaardigheid en legitimiteit van de politie. Tyler en Huo (2002) tonen aan dat een beleid gebaseerd op procedurele rechtvaardigheid veel voordelen opbrengt voor de politie zelf. Hoge mate van procedurele rechtvaardigheid leidt tot meer publieke steun en betere attitudes tegenover het naleven van de wet (Tyler & Huo, 2002). In de relatie met etnisch culturele minderheden leren we uit de procedurele rechtvaardigheidstheorie dat wederzijds wantrouwen tussen politie en bepaalde burgers, bij beiden vijandige gevoelens tegenover elkaar veroorzaken, waardoor de relatie tussen beiden verzuurd geraakt en de bereidheid tot medewerking van de burger afneemt. We leren ook dat percepties van racisme en discriminatie of racistische ervaringen met de politie nefast zijn voor de politielegitimiteit bij etnisch culturele minderheden. Bovendien zal overdreven tegenhouden en fouilleren van etnisch culturele minderheden de procedurele rechtvaardigheid in het gedrang brengen en de legitimiteit van de politie ondermijnen (Gau & Brunson, 2010). Aangezien discriminerende praktijken het tegenovergestelde omvatten van wat onder procedurele rechtvaardigheid verstaan wordt, kunnen we een negatief verband verwachten tussen ervaringen van racisme en percepties van legitimiteit van de politie. 20

31 III. Methodologie Hoofdstuk 1: Onderzoeksplan 1.1 Inleiding Nu we de theorie en literatuur beschreven hebben die relevant is voor dit onderzoek, kunnen we overgaan naar de concrete uitvoering van het empirisch onderzoek. In dit hoofdstuk hebben we aandacht voor de praktische opzet van het empirisch onderzoek, met name de keuze van het onderzoeksmateriaal en de onderzoeksstrategie. We bespreken tevens enkele ethische aspecten die aan bod kwamen bij de uitvoering van het onderzoek. 1.2 Onderzoeksmateriaal De bronnen die gehanteerd werden bij de uitvoering van dit onderzoek zijn personen. Deze keuze voor het onderzoeksmateriaal is zeer voor de hand liggend. We willen de attitudes meten tegenover de politie en om dit te kunnen doen is het noodzakelijk om personen te bevragen. Zij zijn namelijk drager van de kenmerken die we willen meten en dus de bron bij uitstek (Billiet & Waege, 2003). Een literatuurstudie of een studie van de media inzake racisme en politie zou weinig kunnen bijdragen tot de studie van attitudes. We bevragen deze personen naar informatie over zichzelf, naar attitudes, gedragingen, Ze fungeren in deze studie dus louter als respondent en niet als informant. De voordelen van personen als informatiebron is dat we relatief snel een grote verscheidenheid aan informatie kunnen verzamelen. Bovendien zijn respondenten stuurbaar, we kunnen als onderzoeker gericht vragen naar de informatie die nodig is om de onderzoeksvragen te beantwoorden. (Decorte, Tieberghien & Petintseva, 2011). 1.3 Onderzoeksstrategie: kwantitatief survey-onderzoek Voor dit onderzoek hebben we gekozen voor kwantitatief survey onderzoek. Uiteraard zijn aan deze keuze enkele methodologische en praktische overwegingen voorafgegaan. Allereerst is survey-onderzoek de aangewezen methode in het kader van de procedurele rechtvaardigheidstheorie. Om te kunnen weten in welke mate de politie publieke steun krijgt is een bevraging bij een deel van de bevolking noodzakelijk. Kwalitatief onderzoek is niet de ideale methode om onze onderzoeksvragen te beantwoorden, we zijn niet op zoek naar diepere betekenisgeving van begrippen of de beleving van individuen. We zijn wel op zoek naar trends en naar gegevens die de samenhang tussen concepten kunnen weergeven. We willen namelijk 21

32 weten of de procedurele rechtvaardigheidstheorie van toepassing is op Vlaamse jongeren. We verkiezen hier dus breedte boven diepgang, een kwantitatieve boven een kwalitatieve aanpak. Een kwantitatieve survey is een van de minder tijdrovende manieren van dataverzameling. Vanuit dit oogpunt liggen dus ook praktische overwegingen aan de basis van deze keuze. Met kwantitatief onderzoek kan men een groot aantal onderzoekseenheden bereiken op relatief korte tijd. Het grote bereik van de survey, in vergelijking met het experiment of de casestudy, is dan ook een groot voordeel van deze aanpak. Een groot aantal onderzoekseenheden geeft de mogelijkheid om statistische correlaties te berekenen (Decorte, Tieberghien & Petintseva, 2011). Behalve de mogelijkheid om correlaties te berekenen en het grote bereik is ook de controleerbaarheid een groot voordeel van kwantitatief onderzoek. Een nadeel is dan weer dat het onderzoek weinig wendbaar is. Van zodra de vragenlijst is opgesteld en de afname is begonnen, kan je als onderzoeker geen aanpassingen meer doen indien nodig (Decorte, Tieberghien & Petintseva, 2011). We hebben de vragenlijst dus weloverwogen en gestructureerd opgesteld alvorens over te gaan tot de afname. Tenslotte kunnen we nog opmerken dat we in deze studie gekozen hebben voor een cross sectioneel onderzoek. Een eerste argument hiervoor houdt in dat we niet op zoek zijn naar causale verbanden, maar enkel naar correlaties tussen verschillende factoren en legitimiteit van de politie. Bovendien zou een panel-onderzoek met meerdere metingen op verschillende tijdstippen bij eenzelfde groep niet haalbaar zijn binnen het tijdsbestek van deze masterproef. Dit zou ook bijkomende maatregelen vergen om de respondenten opnieuw te contacteren die nadelig kunnen zijn voor de anonimiteit en invulbereidheid van de respondenten. 1.4 Ethische aspecten Alle onderzoekers dienen zich aan een aantal ethische regels te houden, dit is ook voor dit onderzoek niet anders. De eerste belangrijke regel in dit onderzoek is wellicht de confidentialiteit. Als onderzoeker moeten we maatregelen nemen die het onmogelijk maken om de antwoorden van de respondenten te identificeren (Billiet & Waege, 2003). Dit onderzoek gebeurde aan de hand van een websurvey. Technisch gezien is het mogelijk om respondenten te identificeren aan de hand van hun IP-adres, maar uiteraard werden geen IP-adressen van respondenten opgeslagen bij het invullen van de survey. Een tweede mogelijkheid tot identificatie zou het adres kunnen zijn dat respondenten opgaven om kans te maken op 22

33 de loting die aan deze survey verbonden was. De adressen werden dan ook meteen uit de dataset verwijderd van zodra de winnaars waren gecontacteerd. Een tweede belangrijke regel in dit onderzoek is de informed consent. Respondenten moeten geïnformeerd worden over de bedoelingen, de draagwijdte van het onderzoek, de maatregelen om de anonimiteit te waarborgen, (Bryman, 2012). In deze studie zijn alle respondenten zich bewust dat ze geobserveerd worden, ze vullen namelijk zelf de vragenlijst in. Zowel op de flyers en affiches als aan het begin van de vragenlijst werden duidelijk de bedoelingen van het onderzoek en de draagwijdte (een masterpoef) vermeld. Bij de vraag naar een adres om kans te maken op de prijs werd tevens duidelijk vermeld dat deze gegevens volledig los van de antwoorden op de vragenlijst verwerkt zouden worden. Tenslotte werden de respondenten zowel aan het begin als aan het einde van de enquête uitgebreid bedankt voor hun deelname. Volgens Billiet & Waege (2003) is dit namelijk voorgeschreven zodat respondenten ook nog aan latere onderzoeken willen deelnemen. Over de tijd die het invullen van de vragenlijst in beslag nam werd bewust niet gelogen (10 minuten). Bovendien werden de contactgegevens van de onderzoeker vermeld op de flyer en de vragenlijst zodat respondenten contact konden opnemen bij eventuele vragen of opmerkingen. 23

34 Hoofdstuk 2: Dataverzameling 2.1 Inleiding Vooraleer we de resultaten van het empirisch onderzoek weergeven dienen we stil te staan bij de uitvoering van het onderzoek en de manier waarop de data werd verzameld. In dit hoofdstuk staan we eerst stil bij de keuze voor de onderzoekspopulatie en de steekproef. Vervolgens hebben we aandacht voor de specifieke eigenschappen van de websurvey als methode voor dataverzameling. Tenslotte bespreken we de non-respons en geven we de spreiding van de respondenten naar achtergrondkenmerken weer. 2.2 Onderzoekspopulatie Zoals in de inleiding aangegeven omvat dit onderzoek een bevraging bij jongeren. Jongeren zijn de volwassen bevolking van de toekomst. Volgens de age-crime curve komt delinquent gedrag meer voor bij jongeren dan volwassenen en piekt het aandeel in het delinquent gedrag bij jongeren tussen 15 en 19 jaar (Loeber & Farrington, 2014). Deze leeftijdscategorie maakt dus meer kans om in contact te komen met de politie, vandaar dat deze groep extra interessant is om te bevragen. Bovendien meten we de attitudes tegenover het naleven van de wet voor een deel door te polsen naar gepleegde criminaliteit. We maken bij deze leeftijdscategorie dus meer kans op degelijke aantallen in de zelfrapportage. Het begrip jongeren omvat een grote bevolkingsgroep. Voor deze masterproef hebben we gekozen voor jongeren die geboren zijn vanaf 1988 tot en met De ondergrens werd op het jaar gehouden dat de jongeren 16 jaar oud worden, aangezien er toch enige maturiteit vereist is om de vragenlijst volledig te begrijpen. We hebben ons hier niet enkel beperkt tot studenten of leerlingen, maar ook werkende jongeren werden opgenomen in de populatie. Vandaar ligt de bovengrens bij jongeren die geboren zijn in Tenslotte werd de populatie ook geografisch afgebakend: de populatie omvat enkel Vlaamse jongeren. Het criterium van onderscheid is hier de taal: de vragenlijst werd enkel opgesteld en afgenomen in het Nederlands. Er werd gevraagd naar de provincie waarin de respondenten hun hoofdverblijfplaats hadden, hier was ook het Brussels hoofdstedelijk gewest een antwoordmogelijkheid. We beschouwen dus ook Nederlandstalige jongeren uit het Brusselse als onderdeel van de populatie. 24

35 2.3 Steekproef Bij survey onderzoek worden de onderzoekseenheden meestal toevallig uit een steekproefkader geselecteerd. In dat geval spreekt men van een aselecte steekproef of toevalssteekproef, ook wel probability sampling genoemd (Billiet & Waege, 2003). Dit is echter niet het geval bij dit onderzoek, aangezien er sprake is van zelfselectie door de eenheden. Respondenten werden uitgenodigd via een flyer, affiche, of link op een webpagina om de vragenlijst in te vullen. Het gaat dus om een niet-toevalsgewijze steekproef. Men spreekt in dit geval van een self- selection sample of convenience sample. Volgens Sills & Song (2002) levert deze wijze van dataverzameling toch betekenisvolle resultaten op voor speciale populaties die regelmatig gebruik maken van het internet in hun dagelijks leven. Dit is ook zeker het geval bij onze populatie van Vlaamse jongeren. Toch laat deze niet-toevalsgewijze steekproef geen generalisering van de resultaten toe. Dit is echter niet noodzakelijk omdat ons onderzoek eerder verkennend van aard is. We bespreken verder uitgebreid de karakteristieken van de websurvey bij de dataverzameling. 2.4 Dataverzameling: websurvey Een survey kan ons informatie verschaffen over de prevalentie en spreiding van percepties en de samenhang met attitudes en gedrag (Weitzer & Tuch, 2004). De survey is dus de aangewezen methode om onze onderzoeksvragen te beantwoorden. De vragenlijst werd afgenomen aan de hand van een websurvey. We bespreken hier eerst enkele sterktes en zwaktes van deze methode van dataverzameling en vervolgens de maatregelen die genomen werden om de respons te verhogen Sterktes van de websurvey Deze methode van dataverzameling kent net als andere methoden enkele sterktes en zwaktes. Een van de sterktes is dat we op korte tijd veel informatie bij onze doelgroep te verzamelen (Couper & Miller, 2008). Bovendien zijn de kosten veel lager dan bij face-to-face interviews of papieren enquêtes. Het is tevens een milieuvriendelijk alternatief voor papieren vragenlijsten. De websurvey laat toe om gegevens bij respondenten verspreid over het hele land te verzamelen en geeft de respondent de kans om zelf het geschikte moment te kiezen om de vragenlijst in te vullen (Evans & Mathur, 2005). Jammer genoeg liet de software het niet toe om half ingevulde vragenlijsten op te slaan en de respondent later de kans te geven om de vragenlijst af te werken. Dit kan voor een deel een verklaring zijn voor het grote aantal onvolledige vragenlijsten (n=694 of 32% van de opgestarte vragenlijsten). De websurvey geeft ons ook de mogelijkheid om 25

36 bepaalde vragen enkel te laten verschijnen voor bepaalde respondenten. Zo werden respondenten die geen onderwijs meer volgen in deze vragenlijst meteen doorgestuurd naar de vraag of ze momenteel werkzaam zijn. Tenslotte laat de websurvey toe om de data rechtstreeks te importeren in statistische programma s waardoor het intensieve proces van het invoeren van data niet nodig is en er hier ook geen fouten bij kunnen gebeuren Zwaktes van de websurvey Behalve deze sterktes kent de websurvey ook enkele zwaktes. Ondanks dat de doelgroep bepaalde leeftijdsgrenzen stelt aan de respondenten is het mogelijk dat toch iemand die jonger of ouder is de enquête invult (Couper, 2000). We hebben dit zoveel mogelijk proberen beperken door bij de vraag naar het geboortejaar uitdrukkelijk te vermelden dat voor wie het geboortejaar niet in de lijst stond, de enquête daar eindigde. Volgens Evans & Mathur (2005) kan ook het onpersoonlijke karakter van de websurvey als een nadeel gezien worden. De respondent kan, in tegenstelling tot een telefonische enquête, geen extra uitleg over de vragen krijgen indien nodig. Als alternatief hebben we aan het begin van de enquête contactgegevens vermeld om de respondenten toch deze mogelijkheid te geven. Een derde nadeel is dat zij die geen toegang hebben tot het internet niet kunnen deelnemen aan de enquête. De keuze voor deze methode van dataverzameling is nochtans ideaal voor onze doelgroep: jongeren spenderen de dag van vandaag veel van hun vrije tijd aan surfen op het internet. Bovendien hebben bijna alle jongeren de dag van vandaag toegang tot het internet, waardoor er geen problemen van onderdekking ontstaan. Evans & Mathur (2005) bevestigen deze stelling: volgens hen is het verschil tussen online en offline populaties in de westerse wereld ondertussen insignificant geworden Maatregelen om de respons te verhogen De survey heeft ruim twee maanden online gestaan (van 15 mei tot 17 juli 2014) via de website thesistools.nl. Dit is een relatief korte termijn voor een websurvey. Toch hebben we, aan de hand van intensieve promotie van de enquête via sociale media, fora, flyers en affiches een degelijk aantal bruikbare enquêtes kunnen verzamelen (n=1457). Om de respons te verhogen werd volgens de Total Design Method (Billiet & Waege, 2003) ook een loting verbonden aan deze vragenlijst. Indien respondenten kans wilden maken op één van de Fnac-bonnen kregen zij op het einde van de vragenlijst de mogelijkheid om hun adres achter te laten. Naast deze incentive werden nog andere maatregelen getroffen om de respons te verhogen. Zo werd de toegang tot de vragenlijst vergemakkelijkt met een QR-code op de flyers en affiches. 26

37 Wanneer respondenten deze code met hun smartphone scannen, worden ze meteen doorgestuurd naar de vragenlijst. Bovendien werd een subdomein geregistreerd, wat de link naar de enquête vereenvoudigde ( Naast gerichte posts op populaire fora en sociale netwerken hebben we ook koepelorganisaties van verschillende jongerenverenigingen aangeschreven met de vraag of zij de survey onder hun leden wilden verspreiden. Enkele voorbeelden zijn jongerenafdelingen van politieke partijen, vakbondsorganisaties, jeugdhuizen, jeugdbewegingen, We hebben ondervonden dat deze online verspreiding van de vragenlijst beduidend meer respondenten opleverde dan de flyers of de affiches. In de bijlage vindt u zowel de introductie voor de koepelorganisaties (bijlage 1), de flyer (bijlage 2) als de vragenlijst (bijlage 3) terug. Naast de papieren flyer gebruikten we ook een online versie om de vragenlijst aantrekkelijker te maken. 2.5 Non-respons Bij dit onderzoek moeten we zowel rekening houden met unit non-respons als item non-respons. Daar waar de eerste de uitval van volledige cases of respondenten betreft, duidt de tweede op opengelaten items doorheen de vragenlijst (Billiet & Waege, 2003). Zoals eerder beschreven was een groot deel van de enquêtes (ongeveer 32%) niet volledig ingevuld. Naar onze mening is dit deels te verklaren doordat respondenten niet de kans kregen om hun voortgang op te slaan en de survey later te vervolledigen. De software waarmee deze websurvey werd uitgevoerd liet dit jammer genoeg niet toe. Uiteraard zal ook een deel van deze 32% afgehaakt zijn tijdens het invullen van de enquête. Het is wel opmerkelijk dat een groot deel reeds afhaakte na het invullen van de achtergrondkenmerken. Aangezien deze onvolledige enquêtes weinig bruikbaar zijn voor de analyse, werden zij behandeld als unit non-respons en bijgevolg geweerd uit de dataset. Omdat we het exacte aantal bezoekers van onze webpagina niet kunnen kennen, weten we ook niet hoeveel bezoekers de webpagina bezochten zonder de vragenlijst in te vullen. Bijgevolg lijkt een analyse van de totale unit non-respons ons weinig zinvol of zelfs onmogelijk. De item non-respons is eerder aan de lage kant in dit onderzoek. Voor de meeste vragen was de item non-respons niet hoger dan een halve procent. Omdat we zo weinig mogelijk informatie willen verliezen, hebben we besloten om bij de constructie van schalen imputatie toe te passen. Indien de respondent tenminste 2 items van een bepaalde schaal beantwoord had, hebben we geïmputeerd aan de hand van gemiddelden. De ontbrekende scores werden ingevuld met het gemiddelde van de variabele (Pauwels, 2012). Via deze manier van imputatie hebben we dus de reeds beperkte unit non-respons tot een minimum herleid. 27

38 2.6 Spreiding respondenten naar achtergrondkenmerken Geslacht, leeftijd en provincie In onderstaande tabel geven we de relatieve en absolute frequenties weer voor de kenmerken geslacht, leeftijd en provincie. We kunnen opmerken dat vrouwen (55,9%) iets meer vertegenwoordigd zijn dan mannen (43,5%). Als we naar de leeftijdscategorieën kijken, zien we dat de middenste leeftijdscategorie van 20 tot 23 jaar het best vertegenwoordigd is. Toch is bijna 22% procent van de respondenten jonger dan 20 jaar wat de zelfrapportage van criminaliteit ten goede zou moeten komen. De verdeling naar provincies vertelt ons dat er sprake is van sterke vertegenwoordiging van stedelijk gebied (Antwerpen, Oost-Vlaanderen en Vlaams Brabant), samen maken ze 80,2% van de respondenten uit. Tabel 1: Spreiding van respondenten volgens geslacht, leeftijd en provincie (n=1457) Achtergrondkenmerk Relatieve frequentie Absolute frequentie Geslacht: Man 43,5% 634 Vrouw 55,9% 814 Leeftijd: ,8% ,3% ,0% 320 Provincie: Antwerpen 24,4% 355 Limburg 3,7% 54 Vlaams Brabant 14,9% 217 Oost-Vlaanderen 40,9% 596 West-Vlaanderen 13,1% 191 Brussels Hoofdstedelijk gewest 2,7% Onderwijsniveau In tabel 2 geven we de relatieve en absolute frequenties weer voor het onderwijsniveau. 84% procent van onze respondenten volgt momenteel nog onderwijs waarvan 14,3% secundair 28

39 onderwijs en 69,7% hoger onderwijs. Bij de scholieren is het ASO oververtegenwoordigd met meer dan 50%, toch zijn de scholieren uit het TSO en BSO niet te verwaarlozen. Bij de studenten is de verdeling redelijk gelijk over de belangrijkste opleidingssoorten met elk ongeveer een aandeel van één derde van de respondenten. Tabel 2: Spreiding respondenten naar onderwijsniveau Achtergrondkenmerk Relatieve frequentie Absolute frequentie Secundair onderwijs: 14,3% 227 ASO 59,4% 136 BSO 10,5% 24 TSO 24,0% 55 KSO 6,1% 14 Hoger onderwijs: 69,7% 1016 Professionele Bachelor 31,6% 321 Academische Bachelor 33,3% 338 Academische Master 27,9% 283 ManaMa 2,1% 21 Voorbereidingsprogramma 0,7% 7 Schakelprogramma 4,5% Werksituatie en diploma Tabel 3 geeft de relatieve en absolute frequenties weer van werksituatie en hoogstbehaalde diploma voor de respondenten die geen onderwijs meer volgen. 16,1% van de respondenten volgt momenteel geen onderwijs. Hiervan is 21,9% werkloos en 78,2% aan het werk. Naar diploma zijn de respondenten redelijk gelijk verdeeld over de drie meest behaalde diplomacategorieën. 29

40 Tabel 3: Spreiding respondenten naar werksituatie en diploma (n=256) Achtergrondkenmerk Relatieve frequentie Absolute frequentie Werksituatie: 16,1% 256 In loondienst 72,7% 186 Zelfstandige 5,5% 14 Zonder werk 21,9% 56 Hoogstbehaalde diploma: 2 de graad secundair 5,0% 12 3 de graad secundair 36,6% 87 Professionele Bachelor 26,1% 62 Academische Bachelor 1,3% 3 Academische Master 30,3% Afkomst 8,9% van de respondenten heeft minstens één ouder die niet met de Belgische nationaliteit geboren werd. In absolute cijfers zijn dit 129 respondenten (n=1455). Bij de meerderheid van de respondenten, 91,1% werden beide ouders geboren met de Belgische nationaliteit. Bijna 10% van de respondent heeft dus een immigratieachtergrond. 30

41 Hoofdstuk 3: Operationalisering Om de theoretische concepten meetbaar te maken als kenmerk van de onderzoekseenheden moeten we ze operationaliseren. Voor eenvoudige kenmerken zoals geslacht spreekt dit voor zich: we vragen de respondenten naar hun geslacht en we coderen man als 1 en vrouw als 2. Wanneer we echter attitudes en percepties willen meten, wordt het minder eenvoudig. We moeten op zoek gaan naar de operationele definitie van deze complexe eigenschappen, namelijk de concrete indicatoren van hun verschillende facetten (Pauwels & Pleysier, 2009). We kunnen deze complexe kenmerken dus moeilijk aan de hand van één vraag meten. Voor deze kenmerken werden dan ook likertschalen of weloverwogen sets van items gebruikt. Deze hebben het voordeel dat de betrouwbaarheid en geldigheid van metingen vergroot wordt en ze maken het gebruik van metrische technieken mogelijk (Pauwels, 2012). De meeste concepten werden gemeten aan de hand van een vijfpuntenschaal. We haalden onze inspiratie voor de verschillende items uit de European Social Survey (ESS), voorgaande onderzoeken naar attitudes tegenover de politie (Brown & Reed, 2002; Schils & Pauwels, 2014; Van Damme & Pauwels, 2013) en internationale literatuur inzake percepties en ervaringen van racisme door de politie (Weitzer & Tuch, 2004; Weitzer & Tuch, 2005). Doordat deze schalen in het verleden hun nut bewezen hebben om deze concepten te meten, gebruiken we ze opnieuw in dit onderzoek. In onderstaande tabel vindt u de betrouwbaarheidsscores van de likertschalen terug. We kunnen hieruit concluderen dat de respondenten consistent hebben geantwoord (Cronbach s Alpha > 0,80) op de meeste schalen (Pauwels, 2012). De schalen voor persoonlijke moraliteit en bereidheid tot medewerking scoren middelmatig consistent en de schalen voor effectiviteit en de zelfrapportage van criminaliteit scoren het minst consistent. Analyse van de correlaties tussen items leert ons ook dat geen enkel item dient te worden weggelaten om de betrouwbaarheid van deze schalen te verhogen (Pauwels, 2012). In bijlage 4 geven we de factorladingen van de items van de likertschalen weer. Verder bespreken we de afzonderlijke operationalisering van zowel de afhankelijke als de onafhankelijke variabelen. 31

42 Tabel 4: Consistentiescores van likertschalen (Cronbach s Alpha) Variabele Aantal items Cronbach s Alpha Procedurele rechtvaardigheid 7 0,865 Legitimiteit van de politie: Gehoorzamen aan de politie 4 0,807 Gelijkgestemde waarden 4 0,861 Effectiviteit van de politie 3 0,592 Bereidheid tot medewerking met de politie 4 0,755 Percepties van discriminatie door de politie 7 0,940 Persoonlijke moraliteit 4 0,713 Attitudes tegenover regelnaleving 4 0,829 Zelfrapportage criminaliteit 6 0,591 Eigen ervaringen van racisme door de politie 3 0,773 Ervaringen van iemand uit de omgeving van racisme door de politie 3 0, Afhankelijke variabelen Bereidheid tot medewerking met de politie Om de bereidheid tot medewerking met de politie te meten hanteren, we een gesommeerde schaal van vier items. We peilen in deze items voornamelijk naar gedragingen die de werking van de politie ondersteunen. Vier specifieke situaties kwamen aan bod: de bereidheid tot daderidentificatie, het melden van een verdachte situatie en het aangeven van misdrijven indien men getuige of slachtoffer is. We vroegen de respondenten aan te duiden hoe groot zij de kans achten dat ze deze gedraging zouden stellen op een schaal van (1) heel kleine kans tot (5) heel grote kans. Hoge scores op deze schaal wijzen dus op een hoge mate van bereidheid tot medewerking van de jongeren. Cronbach s Alpha bedraagt 0,755voor deze schaal. We kunnen dus stellen dat de respondenten tamelijk consistent op deze schaal hebben geantwoord Attitudes tegenover het naleven van de wet Om de attitudes tegenover het naleven van de wet te meten, kregen de jongeren vier stellingen voorgeschoteld die peilden naar hun volgzaamheid naar de wet. Ze dienden hierbij hun mening over de stellingen aan te duiden van (1) helemaal oneens tot (5) helemaal eens. Hoge scores op deze schaal duiden op een positieve houding tegenover het naleven van de wet. Cronbach s 32

43 Alpha bedraagt 0,829 voor deze vier items. Dit duidt op een sterke consistentie in de antwoorden van de respondenten Gepleegde criminaliteit Naast attitudes tegenover het naleven van de wet, willen we ook de invloed van procedurele rechtvaardigheid op de uiterlijke gedraging van het naleven van de wet meten. We meten deze gedragingen aan de hand van een selectie van misdrijven uit een Nederlandse studie naar jeugdcriminaliteit (Van der Laan & Blom, 2011). Het gaat hier voornamelijk om veelvoorkomende huis-, tuin- en keukenmisdrijven zoals het stelen van een fiets, het verhandelen van softdrugs en zwartrijden op de bus. Aangezien men deze vraag als bedreigend zou kunnen ervaren, hebben we de nodige aandacht besteed aan een eufemistische vraagverwoording (Pauwels & Pleysier, 2009). ( Iedereen heeft al wel eens een misdrijf gepleegd, ) Om geheugeneffecten te vermijden dienden respondenten aan te geven hoe vaak ze deze misdrijven begaan hadden in het afgelopen jaar, (Pauwels & Pleysier, 2009). De respondenten gaven dit aan op een schaal van (1) nooit tot (5) vijf keer of meer. Chronbach s Alpha bedraagt 0,591 voor deze schaal. Respondenten antwoordden dus minder consequent op deze items, maar dat is ook logisch voor zelfrapportage gezien het hier om uiteenlopende misdrijven gaat. Twee misdrijven die wel opgenomen waren in de vragenlijst, hebben we uit de analyse geweerd omdat ze amper gerapporteerd werden, namelijk een auto openbreken om er iets uit te stelen en iemand bedreigen of bang maken. Achteraf gezien hoorden deze misdrijven niet thuis binnen de categorie kleinere misdrijven, daarom hebben we ook besloten om deze niet mee op te nemen bij de constructie van de schaal voor de zelfrapportage van criminaliteit Legitimiteit Om te peilen naar percepties van legitimiteit van de politie hanteerden we een schaal van acht items die we overnamen uit de ESS. Twee dimensies van legitimiteit worden door deze schaal omvat: de eerste vier items peilden hierbij naar de mate waarin men de bevelen van de politie zou gehoorzamen. De laatste vier items peilen naar overeenstemming met de waarden van de politie. De respondenten gaven aan op een schaal van vijf punten in welke mate ze het eens waren met deze stelling van (1) helemaal oneens tot (2) helemaal eens. Hoge waarden op deze subschalen komen dus overeen met hoge mate van gepercipieerde legitimiteit van de politie. Chronbach s Alpha bedraagt 0,869 voor deze schaal. 33

44 We hebben deze variabele opgenomen bij de afhankelijke variabelen, maar ze zal in de verklarende analyse ook als onafhankelijke variabele gebruikt worden. Uit de literatuurstudie leren we namelijk dat percepties van legitimiteit beïnvloed worden door percepties van procedurele rechtvaardigheid. We verwachten tevens een invloed van percepties van legitimiteit op het naleven van de wet en de bereidheid tot medewerking met de politie (Tyler & Lind, 2001). 3.2 Onafhankelijke variabelen Achtergrondkenmerken Geslacht werd gemeten als dichotome variabele waarbij (1) voor man staat en (2) voor vrouw. Leeftijd hebben we gemeten door de respondenten naar hun geboortejaar te vragen (van 1988 tot 1998). We peilden ook naar de provincie waar de respondenten hun hoofdverblijfplaats hebben om de geografische spreiding van onze steekproef te kunnen bestuderen. Zoals eerder vermeld werd hier, naast de vijf Vlaamse provincies, ook het Brussels Hoofdstedelijk gewest opgenomen zodat ook Nederlandstalige jongeren uit het Brusselse opgenomen zijn. Vervolgens vroegen we de respondenten of ze nog secundair onderwijs volgden om hen dan naar de onderwijsvorm (KSO, BSO, TSO of ASO) te vragen. Jongeren die geen secundair onderwijs volgen, werden meteen doorgestuurd naar de vraag of ze hoger onderwijs volgden om hen dan naar de soort opleiding te vragen (Professionele Bachelor, Academische Bachelor, Academische Master, ManaMa, Voorbereidingsprogramma of Schakelprogramma). Tenslotte peilden we bij de jongeren die geen onderwijs meer volgen naar hun hoogstbehaalde diploma (van lager onderwijs tot Academische Master), om hen dan te vragen naar hun huidige werksituatie (in loondienst, zelfstandige of zonder werk). Afkomst werd gemeten door de respondenten te vragen of hun vader en hun moeder de Belgische nationaliteit hadden bij de geboorte. Op basis van deze variabelen werd een nieuwe variabele geconstrueerd. Indien minstens één van beide ouders niet de Belgische nationaliteit had bij de geboorte werd de waarde (2) toegewezen. Indien beide ouders de Belgische nationaliteit hadden bij de geboorte werd de waarde (1) toegewezen. Met deze nieuwe variabele maken we dus het onderscheid tussen jongeren met en jongeren zonder immigratieachtergrond. Deze achtergrondkenmerken dienen louter om de spreiding van de respondenten te bestuderen, met uitzondering van de variabele leeftijd. 34

45 3.2.2 Procedurele rechtvaardigheid Procedurele rechtvaardigheid werd gemeten aan de hand van een schaal van zeven items die betrekking hadden op de percepties van de kwaliteit van het politieoptreden. De nadruk lag hierbij op de manier waarop de politie omgaat met mensen en hoe de beslissingen die de politie neemt tot stand komen. Bijvoorbeeld: De politie behandelt mensen met respect of De politie neemt zijn tijd om naar de mensen te luisteren. Respondenten dienden aan te geven op een vijfpuntenschaal van (1) Helemaal oneens tot (5) helemaal eens in hoeverre zij akkoord waren met deze stellingen. Hoge scores op deze schaal wijzen op een hoge mate van procedurele rechtvaardigheid. Chronach s Alpha bedraagt 0,865 voor de zeven items van deze schaal Persoonlijke moraliteit Persoonlijke moraliteit werd meetbaar gemaakt aan de hand van vier items die peilen naar attitudes tegenover de wet en sociale normen. De respondenten dienden stellingen te beoordelen zoals Regels zijn er om gebroken te worden of Er zijn geen goede of slechte manieren om aan geld te geraken op een schaal van vijf punten. Hierbij staat (1) voor volledig oneens en (5) voor volledig eens. Omdat deze stellingen negatief geformuleerd zijn, hebben we deze schaal omgescoord zodat hoge scores op deze schaal overeen komen met een grote mate van persoonlijke moraliteit. Voor deze vier items bedraagt Chronbach s Alpha 0, Effectiviteit Om de percepties van effectiviteit van de politie te meten, hebben we de kerntaken van de politie opgesomd: criminaliteit bestrijden, openbare orde handhaven en hulp bieden aan de burger. We lieten de respondenten aangeven in welke mate de politie erin slaagt deze taken uit te voeren op een vijfpuntenschaal van (1) in zeer kleine mate tot (5) in zeer grote mate. Hoge scores op deze items duiden op een grote mate van gepercipieerde effectiviteit van de politie. Voor deze schaal bedraagt Chronbach s Alpha 0,592, wat eerder op middelmatige consistentie duidt. Dit is voor een deel te verklaren doordat deze schaal slechts drie items heeft Evaluatie van contacten met de politie Om te peilen naar evaluaties van de contacten met de politie, vroegen we de respondenten eerst of ze de afgelopen vijf jaar persoonlijk in contact waren gekomen met de politie. Deze tijdspanne van vijf jaar werd gekozen om eventuele geheugeneffecten te beperken. Vervolgens vroegen we hen of dit in de hoedanigheid van slachtoffer, dader of getuige was. Indien men de afgelopen vijf jaar meerdere malen in contact kwam met de politie, vroegen we hen om het meest recente contact te evalueren, dit wederom om geheugeneffecten te beperken. Tenslotte 35

46 lieten we de respondenten dit contact evalueren van (1) overwegend negatief tot (5) overwegend positief. Hoge waarden op deze laatste schaal staan dus voor positieve evaluaties van contacten met de politie Percepties van discriminatie Percepties van discriminatie werden gemeten aan de hand van een likertschaal met zeven items. We selecteerden deze items uit een onderzoek naar radicalisering en het gebruik van sociale media (Schils & Pauwels, 2014). Respondenten werden gevraagd om aan te geven in welke mate zij het gevoel hebben onrechtmatig behandeld te worden door politiemensen. Enkele voorbeelden van stellingen zijn: Ik denk dat ik normaal gesproken rechtvaardig behandeld word of Volgens mij wordt de groep waartoe ik behoor gediscrimineerd. Respondenten duidden aan op een vijfpuntenschaal van (1) helemaal eens tot (5) helemaal oneens in welke mate ze het eens zijn met de gepresenteerde stellingen. Bij deze schaal wijzen niet alle items in dezelfde richting. We hebben de items zodanig omgescoord dat hoge waarden op deze schaal wijzen overeenkomen met hoge mate van percepties van discriminatie. Chronbach s Alpha bedraagt 0,940 voor deze schaal Eigen ervaringen van racisme door de politie Om eigen ervaringen van discriminatie bij de respondenten te meten, selecteerden we drie verschillende situaties uit de internationale literatuur inzake racisme en politie (Weitzer & Tuch, 2002; Weitzer & Tuch, 2004). We vroegen de respondenten aan te duiden op een driepuntschaal of ze ooit racistisch behandeld werden door de politie van (1) nooit, (2) één keer tot (3) meerdere keren. De situaties hadden betrekking op een oneerlijke behandeling, gebruik van scheldwoorden of zonder reden tegengehouden worden op basis van afkomst of etniciteit. Hiermee wordt zowel gepeild naar discriminatie en intimidatie, de twee uiterlijke gedragingen van racisme die aan bod komen in onze definitie. Hoge waarden op deze schaal duiden op een hoge mate van ervaringen van racisme door de politie. Chronbach s Alpha bedraagt voor deze schaal 0,773. We kiezen hier bewust voor de twee termen afkomst en etniciteit, omdat we zowel biologisch als cultureel racisme willen omvatten. We verwijzen hier naar onze definitie van racisme in het eerste hoofdstuk van het theoretische luik. Net als de evaluatie van contacten met de politie werd ook hier een referentieperiode van vijf jaar gehanteerd om geheugeneffecten te beperken. Bovendien kregen enkel respondenten die de afgelopen vijf jaar persoonlijk in contact kwamen met de politie deze vraag voorgelegd. 36

47 Aanvankelijk werd bij dit concept ook de vraag gesteld of respondenten ooit tegengehouden werden door de politie zonder een goede reden. Deze vraag peilt achteraf gezien niet naar het concept ervaringen van racisme door de politie, aangezien het motief voor deze discriminatie ontbreekt. We hebben dit item dan ook niet opgenomen bij de constructie van de schaal die de dit concept voorstelt. Omdat deze vraag enkel van toepassing is voor zij die de afgelopen vijf jaar persoonlijk in contact kwamen met de politie, hebben we deze schaal moeten hercoderen om in de verklarende analyse bruikbaar te zijn. Respondenten die niet in contact kwamen met de politie kregen automatisch de waarde (1) toegewezen, aangezien zij geen eigen ervaringen van racisme door de politie kunnen hebben. Voor de beschrijvende analyse hebben we wel de oorspronkelijke schaal gehanteerd met n= Ervaringen van de omgeving van racisme door de politie Deze variabele werd op dezelfde manier bevraagd als voorgaande, met als enige verschil dat de vragen betrekking hadden op iemand uit de omgeving van de respondent (vrienden, familie, ). Deze vraag werd, in tegenstelling tot de vorige vraag aan alle respondenten voorgelegd. Ook deze vraag had slechts betrekking op ervaringen van de afgelopen vijf jaar. 37

48 Deelbesluit In het eerste hoofdstuk werd de praktische opzet van het empirisch onderzoek besproken, met name de keuze van het onderzoeksmateriaal en de onderzoeksstrategie. Voor dit onderzoek gebruiken we personen als informatiebron waardoor we relatief snel een grote verscheidenheid aan informatie kunnen verzamelen. Aan de keuze voor kwantitatief surveyonderzoek liggen zowel methodologische als praktische overwegingen aan de basis. Kwantitatief onderzoek is minder tijdrovend dan een kwalitatieve bevraging. Bovendien zijn we door het groot aantal onderzoekseenheden in staat om statistische correlaties te berekenen. Dit onderzoek omvat een cross sectionele studie waardoor we geen uitspraken kunnen doen over causaliteit. Een longitudinale studie of panelonderzoek lijkt ons weinig haalbaar binnen het tijdsbestek van een masterproef, bovendien zijn we niet op zoek naar causale verbanden, maar enkel naar correlaties. In dit hoofdstuk kwamen ook enkele ethische aspecten van dit onderzoek aan bod. De belangrijkste zijn hier de confidentialiteit en de informed consent (Billiet & Waege, 2003). Om de confidentialiteit te waarborgen registreerden we geen IP-adressen en werden de e- mailadressen die de respondenten opgaven om kans te maken op de prijs volledig los van de vragenlijst verwerkt. Om te voldoen aan de informed consent verschaften we de nodige informatie over de bedoelingen en draagwijdte van het onderzoek in de introductie van de vragenlijst en op de flyer, alsook de contactgegevens van de onderzoeker. In het tweede hoofdstuk (dataverzameling) werd de praktische uitvoering van het onderzoek uitgebreid besproken. Eerst kwam de keuze voor de onderzoekspopulatie en de steekproef aan bod. Jongeren maken meer kans om in contact te komen met de politie dan andere leeftijdscategorieën. Voor deze masterproef hebben we gekozen voor jongeren die geboren zijn vanaf 1988 tot en met Volgens de age-crime curve (Loeber & Farrington, 2014) maken we bij jongeren tussen 16 en 19 jaar meer kans op degelijke aantallen in zelfgerapporteerde criminaliteit. De populatie werd tenslotte ook geografisch afgebakend (Vlaamse jongeren), met taal als onderscheidend criterium. In dit onderzoek hanteren we een niet toevalsgewijze steekproef of convenience sample, aangezien respondenten werden uitgenodigd (via een flyer, affiche, of link op een webpagina) om de vragenlijst in te vullen. Omdat jongeren regelmatig gebruik maken van het internet, kunnen we met deze wijze van dataverzameling toch betekenisvolle resultaten verkrijgen (Sills & Song, 2002) voor dit verkennend onderzoek. De resultaten laten hierdoor geen generalisering toe tot de Vlaamse jongeren. 38

49 Vervolgens bespraken we de specifieke eigenschappen van de websurvey als methode van dataverzameling. De websurvey laat ons toe op korte tijd veel informatie bij onze doelgroep te verzamelen (Couper & Miller, 2008). Respondenten kunnen hierbij zelf het geschikte moment kiezen om de vragenlijst in te vullen (Evans & Mathur, 2005). Doordat er geen controle is op wie de vragenlijst invult, is het mogelijk dat toch iemand die jonger of ouder is dan de vooropgestelde leeftijdsgrens de enquête invult (Couper, 2000). We hebben de nodige maatregelen genomen om dit probleem te beperken. Om de respons te verhogen werd volgens de Total Design Method (Billiet & Waege, 2003) een loting verbonden aan deze vragenlijst. Verder hebben we de toegang tot de vragenlijst vergemakkelijkt door de QR-code op de flyer en het subdomein. Naast gerichte posts op populaire fora en sociale netwerken hebben we ook koepelorganisaties van verschillende jongerenverenigingen aangeschreven met de vraag of zij de survey onder hun leden wilden verspreiden. Tenslotte staan we nog stil bij de non-respons en geven we de spreiding van de respondenten naar achtergrondkenmerken weer. Een groot deel van de opgestarte enquêtes (ongeveer 32%) was niet volledig ingevuld. Het is opmerkelijk dat veel respondenten afhaakten na de achtergrondkenmerken. Aangezien deze onvolledige enquêtes weinig bruikbaar zijn voor de analyse, werden zij behandeld als unit non-respons en bijgevolg geweerd uit de dataset. Door middel van imputatie aan de hand van onconditionele gemiddelden hebben we de reeds beperkte unit non-respons tot een minimum herleid. Als we kijken naar de spreiding van de respondenten naar achtergrondkenmerken, kunnen we besluiten dat we een redelijk verscheiden steekproef hebben naar opleiding, leeftijd en geslacht. Er is een grotere vertegenwoordiging van jongeren uit stedelijk gebied en autochtonen. In het derde hoofdstuk hebben we uitgebreid de afzonderlijke operationalisering van de afhankelijke en onafhankelijke variabelen besproken. Om de theoretische concepten te meten gebruiken we likertschalen of weloverwogen sets van items. Deze hebben het voordeel dat de betrouwbaarheid en geldigheid van metingen vergroot wordt en ze maken het gebruik van metrische technieken mogelijk (Pauwels, 2012). De schalen die we hanteren hebben reeds in voorgaand onderzoek hun nut bewezen om deze concepten te meten (ESS; Brown & Reed, 2002; Schils & Pauwels, 2014; Van Damme & Pauwels, 2013; Weitzer & Tuch, 2004; Weitzer & Tuch, 2005). Uit tabel 4 kunnen we concluderen dat de respondenten tamelijk consistent hebben geantwoord op de meeste schalen (Pauwels, 2012). 39

50 Tenslotte kunnen we nog opmerken dat we twee misdrijven niet opgenomen hebben in de schaal voor zelfgerapporteerde criminaliteit, aangezien ze ondergerapporteerd werden. Bij de vragen naar ervaringen van racisme kozen we bewust voor de termen afkomst en etniciteit, omdat we zowel biologisch als cultureel racisme willen omvatten. Zowel gedragingen van intimidatie als discriminatie werden hier bevraagd. Tenslotte hebben we om geheugeneffecten te vermijden, steeds gebruik gemaakt van een referentieperiode bij de vragen die peilden naar politiecontacten, ervaringen van racisme en zelgerapporteerde criminaliteit. 40

51 IV. Resultaten Hoofdstuk 1: Beschrijvende analyse 1.1 Inleiding Om de doelstellingen van dit onderzoek te kunnen bereiken, zullen we eerst de nodige beschrijvende kennis vergaren. Vooraleer we de samenhang tussen deze concepten kunnen onderzoeken, moeten we inzicht krijgen in de omvang en de spreiding van het probleem van racisme bij politiefunctionarissen en de factoren die van belang zijn voor procedurele rechtvaardigheid. De reeks beschrijvende onderzoeksvragen luidt als volgt: 1. Hoe variëren percepties van discriminatie door de politie bij jongeren? 2. Wat is de spreiding van de evaluaties van persoonlijke contacten met de politie? 3. Hoe variëren de ervaringen van racisme door de politie bij jongeren? 4. Wat is de spreiding van percepties van effectiviteit van de politie bij jongeren? 5. Wat is de spreiding van percepties van procedurele rechtvaardigheid van de politie bij jongeren? 6. Wat is de spreiding van percepties van legitimiteit van de politie bij jongeren? 7. Hoe varieert de bereidheid tot medewerking met de politie? 8. Hoe variëren de attitudes van jongeren tegenover het naleven van de wet? 9. Wat is de spreiding van zelfgerapporteerde criminaliteit bij jongeren? 10. Hoe varieert de persoonlijke moraliteit bij jongeren? Door deze eerste reeks beschrijvende onderzoeksvragen te beantwoorden, krijgen we een zicht op de spreiding van de belangrijkste concepten in deze masterproef. We hebben in dit hoofdstuk eerst aandacht voor de analysemethode die gehanteerd werd. Vervolgens bespreken we de resultaten uit de beschrijvende analyse en eindigen we in het besluit met de antwoorden op de beschrijvende onderzoeksvragen. 1.2 Analyse We beantwoorden deze beschrijvende onderzoeksvragen aan de hand van univariate beschrijvende statistische analyses waarvoor we SPSS gebruiken. SPSS is een programma voor statistische analyses dat voornamelijk gebruikt wordt in de sociale wetenschappen (Pauwels, 2012). De variabelen die in onze beschrijvende onderzoeksvragen aan bod komen werden gemeten aan de hand van likertschalen met verschillende items. Omdat deze variabelen van het 41

52 metrische niveau zijn, kunnen we moeilijk frequentietabellen van deze variabelen weergeven. We opteren dan eerder voor beschrijvende parameters van spreiding en centraliteit zoals het gemiddelde en de standaardafwijking. In bijlage 5 zijn de standaardafwijkingen en gemiddelden terug te vinden van de gemeten concepten. Om de beschrijvende resultaten visueel weer te geven, maken we gebruik van staafdiagrammen die de respondenten opdelen in vier groepen naargelang het aantal standaardafwijkingen ze afwijken van het gemiddelde. Deze procedure wordt ook wel Visual Binning genoemd. Hoewel deze methode in essentie tot informatieverlies leidt, laat ze ons wel toe om eenvoudig te interpreteren beschrijvende analyses uit te voeren (Pauwels, 2012). We krijgen dus een beeld van de spreiding naargelang de antwoordscores ten opzichte van het gemiddelde. Een andere mogelijkheid is de respondenten in groepen op te delen aan de hand van de kwartielafstand. We hebben echter ondervonden dat de standaardafwijking een betere weergave biedt om de spreiding van onze variabelen weer te geven. 1.3 Resultaten Percepties van discriminatie door de politie Figuur 5: Spreiding van percepties van discriminatie door de politie (n=1456) Legende: Zeer laag: Score < -1 std. Laag: Score tussen -1 std. en het gemiddelde Hoog: Score tussen het gemiddelde en +1 std. Zeer Hoog: Score > +1 std. In figuur 5 zien we de spreiding van de percepties van discriminatie door de politie. Meer dan de helft (59,68%) van de respondenten scoort laag of zeer laag op deze variabele. De meeste jongeren hebben dus eerder weinig het gevoel gediscrimineerd te worden door de politie. Toch 42

53 zijn er ook 333 jongeren (22,87%) en 254 jongeren (17,45%) uit onze steekproef die respectievelijk hoge en zeer hoge scores hebben voor percepties van discriminatie door de politie. 40,32% van de jongeren uit onze steekproef heeft dus hoge percepties van discriminatie door de politie Evaluatie van persoonlijke contacten met de politie In figuur 6 geven we de spreiding van evaluaties van persoonlijke contacten met de politie weer. We zien dat het grootste deel van de respondenten (47,55%) eerder hoog scoort op deze variabele, wat duidt op eerder positieve evaluaties van contacten met de politie (gemiddelde= 2,99). 13,59% van de respondenten scoort zelfs zeer hoog op deze variabele. Hiertegenover scoort 38,86% van de respondenten zeer laag of laag op deze variabelen wat duidt op eerder slechte evaluaties van politiecontacten. Figuur 6: Spreiding van evaluaties van persoonlijke contacten met de politie (n=1001) Legende: Zeer laag: Score < -1 std. Laag: Score tussen -1 std. en het gemiddelde Hoog: Score tussen het gemiddelde en +1 std. Zeer Hoog: Score > +1 std Ervaringen van racisme door de politie Eigen ervaringen In figuur 7 geven we de spreiding van de eigen ervaringen van racisme door de politie weer. Er zijn geen respondenten die een zeer lage score hebben voor eigen ervaringen van racisme door de politie. Het gemiddelde van deze variabele (1,07) ligt zeer dicht bij het minimum (1) waardoor geen respondenten lager dan 1 standaardafwijking (0,28) van het gemiddelde scoren. 43

54 Figuur 7: Spreiding van eigen ervaringen van racisme door de politie (n=1006) Legende: Laag: Score tussen -1 std. en het gemiddelde Hoog: Score tussen het gemiddelde en +1 std. Zeer Hoog: Score > +1 std. Het overgrote deel (91,35%) scoort laag op deze variabele. Toch zien we dat meer respondenten zeer hoog scoren (5,47%) dan dat er hoog scoren op deze variabele (3,18%). Een klein, maar niet te verwaarlozen deel van de steekproef heeft dus eerder veel ervaringen van racisme door de politie. Respondenten kregen deze vraag enkel te zien indien ze de afgelopen vijf jaar persoonlijk in contact kwamen met de politie. Vandaar dat slechts 1006 respondenten op deze vraag geantwoord hebben. Ervaringen van iemand uit de omgeving In figuur 8 zien we, naar analogie met de voorgaande variabele, dat er geen respondenten zijn die zeer laag scoren. Ook hier lag het gemiddelde (1,36) zeer dicht bij de minimumwaarde (1) op deze variabele, waardoor geen respondenten meer dan één standaardafwijking (0,62) onder het gemiddelde scoren. We kunnen wel opmerken dat de verschillen tussen respondenten bij deze variabele groter zijn dan bij de voorgaande variabelen. (Dit is ook logisch, aangezien de vraag verruimd werd naar personen uit de omgeving.) Een grote meerderheid van de respondenten (73,16%) rapporteert weinig ervaringen van iemand uit de omgeving van racisme door de politie. Opnieuw is de groep die zeer hoog scoort (18,19%) groter dan de groep die hoog scoort (8,65%). Ruim één vierde van de respondenten (26,84%) rapporteert dus eerder veel ervaringen van mensen uit hun omgeving van racisme door de politie. 44

55 Figuur 8: Spreiding van ervaringen van racisme door de politie van iemand uit de omgeving (n=1457) Legende: Laag: Score tussen -1 std. en het gemiddelde Hoog: Score tussen het gemiddelde en +1 std. Zeer Hoog: Score > +1 std Percepties van effectiviteit van de politie Figuur 9: Spreiding van percepties van effectiviteit van de politie (n= 1451) Legende: Zeer laag: Score < -1 std. Laag: Score tussen -1 std. en het gemiddelde Hoog: Score tussen het gemiddelde en +1 std. Zeer Hoog: Score > +1 std. In figuur 9 geven we de spreiding van de percepties van effectiviteit van de politie weer. Iets meer dan de helft (56,44%) van de respondenten heeft hoge tot zeer hoge scores voor deze variabele, waarvan 35,63% hoog en 20,81% zeer hoog. 233 respondenten (16,06%) scoren zeer laag en 399 respondenten (27,50%) scoren laag voor deze variabele. De percepties van 45

56 effectiviteit zijn redelijk gespreid, maar de meerderheid geeft wel aan dat de politie haar taken redelijk goed kan verwezenlijken Percepties van procedurele rechtvaardigheid Figuur 10 geeft de spreiding van de percepties van procedurele rechtvaardigheid weer. De scores van de respondenten zijn redelijk geconcentreerd rond het gemiddelde (3,01). 73,03% van de respondenten scoort laag of hoog op deze variabele waarvan 507 respondenten (34,80%) laag scoren en 557 respondenten (38,23%) hoog scoren. 211 respondenten (14,48%) geven zeer lage percepties van procedurele rechtvaardigheid aan. De kleinste groep van 182 respondenten (12,49%) geeft zeer hoge percepties van procedurele rechtvaardigheid aan. Figuur 10: Spreiding van percepties van procedurele rechtvaardigheid (n=1457) Legende: Zeer laag: Score < -1 std. Laag: Score tussen -1 std. en het gemiddelde Hoog: Score tussen het gemiddelde en +1 std. Zeer Hoog: Score > +1 std Percepties van legitimiteit van de politie Zoals bij de operationalisering werd aangehaald, heeft de schaal voor percepties van legitimiteit twee subschalen: de bereidheid om bevelen van de politie te gehoorzamen en gelijkgestemde waarden met de politie. In figuur 11 geven we de spreiding van de respondenten weer voor de eerste subschaal (gehoorzaamheid). De scores op deze variabele zijn redelijk normaal verdeeld. Het merendeel van de respondenten (67,42%) scoort laag of hoog op deze variabele. 488 respondenten (33,52%) scoren laag en 491 respondenten (33,72) scoren hoog. Ook de zeer lage en zeer hoge scores zijn tamelijk gelijk verdeeld, respectievelijk 16,14% en 16,62%. 46

57 Figuur 11: Spreiding van gehoorzaamheid aan de politie (n=1456) Legende: Zeer laag: Score < -1 std. Laag: Score tussen -1 std. en het gemiddelde Hoog: Score tussen het gemiddelde en +1 std. Zeer Hoog: Score > +1 std. In figuur 12 zien we de spreiding van de respondenten voor de subschaal van gelijkgestemde waarden met de politie. In tegenstelling tot de eerste subschaal zijn de scores op deze variabele minder gelijk verdeeld. De meerderheid van de respondenten (54,81%) bevindt zich in de categorieën hoog en zeer hoog. 40,18% van de respondenten heeft hierbij hoge gelijkgestemde waarden met de politie en 14,63% zeer hoge. 225 respondenten (15,45%) scoren zeer laag op deze variabelen en 433 respondenten scoren laag (29,74%). Figuur 12: Spreiding van gelijkgestemde waarden (n=1456) Legende: Zeer laag: Score < -1 std. Laag: Score tussen -1 std. en het gemiddelde Hoog: Score tussen het gemiddelde en +1 std. Zeer Hoog: Score > +1 std. 47

58 Op deze tweede subschaal scoren de respondenten gemiddeld hoger (3,31) dan op de eerste subschaal (3,04). De verdeling is bij de tweede subschaal ook schuiner (in de positieve richting) dan bij de eerste subschaal. Jongeren hebben dus meer gelijkgestemde waarden met de politie dan dat ze bereid zijn om bevelen van de politie op te volgen Bereidheid tot medewerking met de politie De spreiding van de bereidheid tot medewerking met de politie kunnen we aflezen van figuur 13. We kunnen opmerken dat de scores van de respondenten hier redelijk geconcentreerd zijn rond het gemiddelde (3,86), dat redelijk hoog is op de schaal van 1 tot 5. Net iets meer dan de helft van de respondenten (51,82%) bevindt zich in de categorieën hoog (36,47%) en zeer hoog (15,38%). 180 respondenten (35,78%) scoren zeer laag op de schaal van medewerkingsbereidheid en 521 respondenten (35,78%) scoren laag. We kunnen besluiten dat net de meerderheid van de jongeren hoge tot zeer hoge medewerkingsbereidheid met de politie vertoont. Figuur 13: Spreiding van bereidheid tot medewerking met de politie (n=1456) Legende: Zeer laag: Score < -1 std. Laag: Score tussen -1 std. en het gemiddelde Hoog: Score tussen het gemiddelde en +1 std. Zeer Hoog: Score > +1 std Attitudes tegenover het naleven van de wet In figuur 14 geven we de spreiding van attitudes tegenover het naleven van de wet weer. De meerderheid van de jongeren (51,17%) scoort hoog op deze schaal, wat duidt op positieve attitudes tegenover het naleven van de wet. 139 respondenten (9,60%) scoren zeer hoog op deze variabele. Samen vertegenwoordigen deze categorieën 60,77% van de bevraagde jongeren. De categorieën zeer laag en laag omvatten samen 39,23% van de respondenten, respectievelijk 48

59 16,09% en 23,14%. We kunnen besluiten dat de meeste jongeren positieve attitudes vertonen tegenover het naleven van de wet. Figuur 14: Spreiding van attitudes tegenover het naleven van de wet (n=1448) Legende: Zeer laag: Score < -1 std. Laag: Score tussen -1 std. en het gemiddelde Hoog: Score tussen het gemiddelde en +1 std. Zeer Hoog: Score > +1 std Zelfgerapporteerde criminaliteit In figuur 15 geven we de spreiding weer van de zelfgerapporteerde criminaliteit voor kleinere misdrijven. Net als bij de rapportage van racistische ervaringen met de politie hebben we hier geen categorie zeer laag, aangezien het gemiddelde (1,39) dicht bij de minimum waarde (1) van deze schaal ligt. Het overgrote deel van de respondenten (64,72%) heeft een lage score voor zelfgerapporteerde criminaliteit. De meeste jongeren geven dus aan een laag aantal misdrijven gepleegd te hebben het afgelopen jaar. 322 respondenten (22,15%) hebben een hoge score op deze schaal. Slechts 191 respondenten (13,14%) geven een zeer hoge frequentie van regelovertredend gedrag aan. 49

60 Figuur 15: Spreiding van zelfgerapporteerde criminaliteit (n=1454) Legende: Laag: Score tussen -1 std. en het gemiddelde Hoog: Score tussen het gemiddelde en +1 std. Zeer Hoog: Score > +1 std Persoonlijke moraliteit Tenslotte toont figuur 16 de spreiding van persoonlijke moraliteit. De scores op deze variabele zijn redelijk normaal verdeeld rond het gemiddelde (4,08), dat tamelijk hoog is op deze schaal van 1 tot 5. Net de helft van de respondenten (50%) heeft scores die hoog (36,14%) of zeer hoog (13,86%) zijn op de schaal van persoonlijke moraliteit. Dit wil zeggen dat ook net de helft van de respondenten (50%) zeer lage tot lage scores heeft op deze schaal, respectievelijk 15,24% en 34,76%. Figuur 16: Spreiding van persoonlijke moraliteit (n=1450) Legende: Laag: Score tussen -1 std. en het gemiddelde Hoog: Score tussen het gemiddelde en +1 std. Zeer Hoog: Score > +1 std. 50

61 1.4 Besluit In dit hoofdstuk hebben we de resultaten van de beschrijvende analyse uitgebreid besproken. Om de beschrijvende resultaten visueel weer te geven, hebben we gebruik gemaakt van staafdiagrammen. We hebben de waarden van de variabelen herleid aan de hand van de standaardafwijking en het gemiddelde. De respondenten werden opgedeeld in vier groepen naargelang het aantal standaardafwijkingen ze afwijken van het gemiddelde. In dit besluit formuleren we onze antwoorden op de beschrijvende onderzoeksvragen uit de inleiding van dit hoofdstuk. Hoe variëren percepties van discriminatie door de politie bij jongeren? Meer dan de helft (59,68%) van de bevraagde jongeren geeft aan zeer weinig tot weinig percepties van discriminatie door de politie te hebben. 22,87% geeft hoge en 17,45% zeer hoge percepties van discriminatie door de politie aan. De meerderheid van de respondenten heeft dus eerder lage percepties van discriminatie door de politie. Wat is de spreiding van de evaluaties van persoonlijke contacten met de politie? Iets minder dan de helft (47,55%) van de respondenten evalueert het meest recente politiecontact als goed en 13,59% geeft zelfs zeer goede evaluaties aan hun recentste politiecontact. Hiertegenover scoort 17,08% van de bevraagde jongeren zeer slecht en 21,78% slecht op deze variabele. Het merendeel van de respondenten geeft dus eerder positieve evaluaties aan hun meest recente politiecontact. Hoe variëren de ervaringen van racisme door de politie bij jongeren? Voor eigen ervaringen van racisme door de politie scoren bijna alle respondenten (91,35%) laag. Slechts 3,18% scoort hoog en 5,47% zeer hoog. Voor ervaringen van iemand uit de omgeving is de verdeling minder schuin, 73,16% scoort laag, 8,65% scoort hoog en 18,19% scoort zeer hoog op deze variabele. De rapportage van ervaringen van racisme door de politie is voor het merendeel van de bevraagde jongeren eerder laag. Wat is de spreiding van percepties van effectiviteit van de politie bij jongeren? 56,44% van de bevraagde jongeren heeft hoge tot zeer hoge scores op de schaal van percepties van effectiviteit. 16,06% van de jongeren scoort zeer laag en 27,50 % scoort laag op de schaal van effectiviteit. De waarden zijn redelijk gespreid over de respondenten, maar de meerderheid geeft wel aan dat de politie haar taken redelijk goed kan verwezenlijken. 51

62 Wat is de spreiding van de percepties van de procedurele rechtvaardigheid van de politie bij jongeren? De scores voor percepties van procedurele rechtvaardigheid zijn redelijk geconcentreerd rond het gemiddelde. 73,03% van de bevraagde jongeren scoort laag of hoog op deze variabele. 14,48% scoort zeer laag en 12,49% scoort zeer hoog. Wat is de spreiding van percepties van legitimiteit van de politie bij jongeren? Op de eerste subschaal, namelijk de verplichting te gehoorzamen aan de politie, zijn de scores redelijk normaal verdeeld. 50,72% van de bevraagde jongeren voelt een hoge tot zeer hoge verplichting om de politie te gehoorzamen. Voor de tweede subschaal, de gelijkgestemde waarden met de politie, zijn de scores iets schever verdeeld in de positieve richting: 54,81% van de respondenten geeft aan veel tot zeer veel gelijkgestemde waarden met de politie te hebben. Hoe varieert de bereidheid tot medewerking met de politie? De bereidheid tot medewerking is redelijk normaal verdeeld over de bevraagde jongeren. Toch geeft een kleine meerderheid (51,85%) een grote tot zeer grote bereidheid tot medewerking met de politie aan. Hoe variëren de attitudes van jongeren tegenover het naleven van de wet? 51,17% van de bevraagde jongeren staat positief tegenover het naleven van de wet. 39,23% staat zeer negatief tot negatief tegenover het naleven van de wet. Slechts 9,60% van de bevraagde jongeren is zeer positief tegenover regelnaleving. Wat is de spreiding van zelfgerapporteerde criminaliteit bij jongeren? Voor de zelfrapportage van kleine misdrijven scoort 64,72% van de respondenten laag. 22,15% en 13,14% van de bevraagde jongeren geven aan veel tot zeer veel kleine misdrijven gepleegd te hebben in het afgelopen jaar. Hoe varieert de persoonlijke moraliteit bij jongeren? De scores voor persoonlijke moraliteit zijn redelijk normaal verdeeld. Net de helft (50,00%) van de respondenten heeft scores die hoog tot zeer hoog zijn op de schaal van persoonlijke moraliteit. We kunnen besluiten dat tamelijk weinig respondenten veel ervaringen van racisme door de politie aangeven, maar er is wel een trend op te merken dat de groep respondenten die hier zeer hoog scoort groter is dan de groep die hoog scoort. De meerderheid van de jongeren geeft relatief lage percepties van discriminatie door de politie aan. Over het algemeen zijn de attitudes van de jongeren tegenover de politie en regelnaleving tamelijk positief. 52

63 Hoofdstuk 2: Verklarende analyse 2.1 Inleiding Na deze beschrijvende kennis kunnen we overgaan naar het vergaren van verklarende kennis en de samenhang tussen de belangrijkste concepten van de procedurele rechtvaardigheidstheorie en percepties van discriminatie en ervaringen van racisme door de politie. De verklarende onderzoeksvragen luiden als volgt: 1. Wat is de invloed van percepties van procedurele rechtvaardigheid en van effectiviteit van de politie op percepties van legitimiteit van de politie? 2. Welke invloed hebben percepties van discriminatie en ervaringen van racisme door de politie op de percepties van legitimiteit van de politie? 3. Wat is de invloed van percepties van discriminatie en ervaringen van racisme door de politie op de attitudes van jongeren tegenover het naleven van de wet en het plegen van criminaliteit? 4. Welke invloed hebben percepties van legitimiteit op de bereidheid tot medewerking met de politie? 2.2 Conceptueel model en hypotheses Conceptueel model Om de onderzoeksvragen te kunnen beantwoorden dienen we het verband tussen de belangrijkste concepten van ons onderzoek uit te diepen aan de hand van de theorie. Uit de literatuurstudie krijgen we een beeld van welke concepten met elkaar zullen samenhangen in onze verklarende analyse. In dit conceptueel model (Figuur 17) geven we het verwachte verband tussen de verschillende concepten schematisch weer. De pijlen in dit schema suggereren geenszins causale verbanden, het gaat hier enkel om samenhang tussen de concepten. Dit conceptueel model zal centraal staan in de verklarende analyse. We hanteren leeftijd en persoonlijke moraliteit als controlevariabelen voor het naleven van de wet. Uit de bevindingen van Loeber & Farrington (2014) weten we namelijk dat criminaliteit en leeftijd in samenhangen met elkaar. 53

64 Figuur 17: Conceptueel model Percepties van discriminatie door de politie Bereidheid tot medewerking Ervaringen van racisme door de politie Effectiviteit Legitimiteit: -Gehoorzaamheid politie - Gelijkgestemde waarden + Naleven van de wet -Gepleegde criminaliteit -Attitudes tegenover naleven van de wet Procedurele Rechtvaardigheid Controlevariabelen - Persoonlijke moraliteit - Leeftijd Hypotheses We ondersteunen dit conceptueel model aan de hand van de hypotheses die we uit de onderzoeksvragen afleiden en in de analyse zullen toetsen. H1: Percepties van discriminatie door de politie en ervaringen van racisme door de politie hebben een negatief effect op percepties van legitimiteit van de politie. H2: Percepties van procedurele rechtvaardigheid en van effectiviteit hebben een positief effect op percepties van legitimiteit van de politie H3: Er is een grotere invloed van percepties van procedurele rechtvaardigheid op percepties van legitimiteit van de politie dan van percepties van effectiviteit van de politie. H4: Er is een negatieve invloed van percepties van discriminatie en ervaringen van racisme door de politie op het naleven van de wet. H5:Er is een positief verband tussen percepties van legitimiteit van de politie en de bereidheid tot medewerking met de politie. H6: Leeftijd en persoonlijke moraliteit hebben een invloed op het naleven van de wet. 54

65 2.3 Analyse Daar waar we voor de beschrijvende resultaten gebruik maken van univariate beschrijvende statistische analyses, hanteren we voor de verklarende resultaten de meervoudige lineaire regressieanalyse. Met deze analysetechniek kunnen we meerdere onafhankelijke variabelen toevoegen voor de verklaring van de afhankelijke variabelen. We toetsen de vooropgestelde hypotheses aan de hand van verschillende meervoudige regressieanalyses. Bij het uitvoeren van multipele regressieanalyses dient steeds op voorhand de samenhang tussen de onafhankelijke variabelen bestudeerd te worden om te controleren op multicollineariteit (Pauwels, 2012). Indien twee onafhankelijke variabelen een correlatiecoëfficiënt van meer dan 0,80 hebben, duidt dit op sterke correlatie tussen deze variabelen. Toch moeten we ook al opletten bij correlaties van meer dan 0,50. Als twee onafhankelijke variabelen hogere correleren dan 0,80 dan zijn deze statistisch nauwelijks van elkaar te onderscheiden en worden de resultaten van de analyse onbetrouwbaar (Pauwels, 2012). In bijlage 6 geven we in een matrix de bivariate correlaties tussen onze onafhankelijke variabelen weer. Uit deze figuur kunnen we afleiden dat de tweede subschaal van legitimiteit (gelijkgestemde waarden met de politie) sterk correleert met de percepties van procedurele rechtvaardigheid (0,789). De correlatie is echter niet groter dan 0,80. Naast deze sterke correlatie zien we in bijlage 6 ook nog middelmatige correlaties tussen effectiviteit en procedurele rechtvaardigheid (0,622); tussen gehoorzamen aan de politie en procedurele rechtvaardigheid (0,504); tussen gelijkgestemde waarden met de politie en effectiviteit (0,612) en tussen gelijkgestemde waarden met de politie en gehoorzamen aan de politie (0,558). Deze waarden geven aan dat we de mogelijkheid van multicollineariteit verder dienen te onderzoeken. Andere indicatoren voor multicollineariteit zijn de tolerance en VIF waarden van de variabelen in een model. VIF staat voor Variance inflation factor, hoe hoger deze waarde, hoe meer de standaardafwijking beïnvloed wordt door multicollineariteit (McClendon, 2002). De VIF waarde vertelt ons hoeveel de variantie is uitvergroot door het gebrek aan onafhankelijkheid van variabelen (O brien, 2007). We hanteren hier de vuistregel dat bij VIF waarden groter dan 10, de resultaten teveel beïnvloed worden door multicollineariteit (O brien, 2007). Naast de VIF waarden zijn er ook de tolerance waarden om multicollineariteit op te sporen. Men neemt aan dat tolerance waarden die lager zijn dan 0,1 wijzen op een hoge multicollineariteit 55

66 (McClendon, 2002). In bijlage 7 geven we de tolerance en VIF waarden weer. We kunnen uit deze tabel besluiten dat er in dit onderzoek geen problemen zijn met multicollineariteit. 2.4 Resultaten Om de resultaten te bespreken, delen we het conceptueel model op per afhankelijke variabele. We zullen hier telkens dat deel van het conceptueel model weergeven dat betrekking heeft op deze afhankelijke variabele, samen met de hypotheses die we toetsen met de meervoudige lineaire regressieanalyses Verklaring van de variantie in percepties van legitimiteit In dit deel zullen we de hypotheses H1, H2 en H3 toetsen. We gaan de invloed na van percepties van discriminatie en ervaringen van racisme door de politie op percepties van legitimiteit. We gaan ook na wat de invloed is van percepties van effectiviteit en procedurele rechtvaardigheid op percepties van legitimiteit. We verwachten hierbij een grotere invloed van percepties van procedurele rechtvaardigheid dan van effectiviteit. In figuur 18 geven we dit deel van het conceptueel model weer. Figuur 18: Meervoudige regressieanalyse voor legitimiteit Percepties van discriminatie - + Effectiviteit door de politie Ervaringen van racisme door de politie - Legitimiteit: -Gehoorzaamheid politie - Gelijkgestemde waarden +++ Procedurele Rechtvaardigheid In tabel 5 geven we de resultaten weer van de meervoudige regressieanalyses met de twee subschalen van legitimiteit als afhankelijke variabelen. De determinatiecoëfficiënten R 2 geven weer hoeveel procent van de variantie in de afhankelijke variabelen verklaard wordt door onze onafhankelijke variabelen. Voor de interpretatie van de resultaten zullen we ons echter vooral baseren op de aangepaste determinatiecoëfficiënt (Adj. R 2 ), aangezien deze een correctie is op de gewone determinatiecoëfficiënt R 2 voor het aantal variabelen en de grootte van de steekproef. (McClendon, 2002). 56

67 Voor de gehoorzaamheid aan de politie kunnen we stellen dat 27,1% van de totale variantie in de gehoorzaamheid aan de politie verklaard kan worden door de onafhankelijke variabelen in dit model. De verklarende kracht van de onafhankelijke variabelen is echter veel groter voor de gelijkgestemde waarden met de politie. Daar wordt 66,8% van de variantie verklaard door de percepties van procedurele rechtvaardigheid, de percepties van discriminatie en de ervaringen van racisme door de politie. Tabel 5 geeft tevens de ongestandaardiseerde regressiecoëfficiënten (B) en de gestandaardiseerde regressiecoëfficiënten (Bèta of β) weer van de onafhankelijke variabelen. We zullen enkel de gestandaardiseerde regressiecoëfficiënten gebruiken om de resultaten te bespreken. Deze geven het netto-effect van de onafhankelijke variabelen op de afhankelijke variabele weer. In tegenstelling tot de ongestandaardiseerde regressiecoëfficiënten is bèta onafhankelijk van verschillende meeteenheden waardoor deze regressiecoëfficiënt wel vergelijking tussen onafhankelijke variabelen mogelijk maakt (McClendon, 2002). Aan de hand van de gestandaardiseerde regressiecoëfficiënten kunnen we dus de relatieve impact (of nettoeffecten) van de onafhankelijke variabelen op de afhankelijke variabele bestuderen. De waarde van bèta ligt altijd tussen -1 en +1, waarbij waarden lager dan 0 op een negatief (remmend) effect wijzen en waarden groter dan 0 op een positief (duwend) effect wijzen (McClendon, 2002). Tabel 5: Multipele regressieanalyse voor afhankelijke variabele: legitimiteit Gehoorzaamheid politie Gelijkgestemde waarden Onafhankelijke variabelen B Bèta B Bèta Procedurele rechtvaardigheid 0,480*** 0,399*** 0,703*** 0,589*** Effectiviteit 0,083* 0,069* 0,217*** 0,183*** Percepties van discriminatie -0,061** -0,069** -0,077*** -0,089*** Eigen ervaringen racisme 0,082 0,022-0,046-0,012 Ervaringen omgeving -0,145*** -0,102*** -0,164*** -0,117*** racisme R 2 0,273 0,669 Adj. R 2 0,271 0,668 (*)p<0,10; *p<0,05; **p<0,01; ***p<0,001 57

68 Uit tabel 5 kunnen we afleiden dat het netto-effect van percepties van procedurele rechtvaardigheid op gehoorzaamheid aan de politie (bèta: 0,399) en op gelijkgestemde waarden met de politie (bèta: 0,589) tamelijk groot is. Deze waarden zijn significant op het 0,001-niveau. De impact van procedurele rechtvaardigheid is hier veel groter dan die van percepties van effectiviteit. Het netto-effect van percepties van effectiviteit is hier ook groter op gelijkgestemde waarden met de politie (bèta: 0,183) dan voor gehoorzaamheid aan de politie (bèta: 0,069). De impact van percepties van effectiviteit is voor de bereidheid te gehoorzamen slechts significant op het 0,10-niveau en voor gelijkgestemde waarden op het 0,001-niveau. Zowel percepties van legitimiteit als van effectiviteit hebben dus een positief effect op de twee subschalen van legitimiteit. De invloed van procedurele rechtvaardigheid is groter dan dat van effectiviteit. De tweede en derde hypothese (H2 en H3) worden dus bevestigd door deze regressieanalyses. Ervaringen van mensen uit de omgeving van racisme door de politie hebben een negatief nettoeffect op gehoorzaamheid aan de politie (bèta: -0,102) en gelijkgestemde waarden met de politie (bèta: -0,117). Dit effect is voor beide subschalen significant op het 0,001-niveau. Ook voor de percepties van discriminatie door de politie nemen we een (kleiner) negatief effect waar op gehoorzaamheid aan de politie (bèta: -0,061) en op gelijkgestemde waarden met de politie (bèta: -0,089). Deze effecten zijn respectievelijk significant op het 0,01- en 0,001-niveau. Voor eigen ervaringen van racisme werd geen significante impact gevonden op de twee subschalen van legitimiteit. Aangezien zowel percepties van discriminatie als ervaringen van racisme door de politie uit de omgeving een negatief netto-effect hebben op percepties van legitimiteit, kunnen we stellen dat ook de eerste hypothese H1 bevestigd wordt door ons model Verklaring van de variantie in het naleven van de wet In figuur 19 geven we het deel van het conceptueel model weer dat van toepassing is op de variabelen die het naleven van de wet meten, zijnde de zelfgerapporteerde criminaliteit en de attitudes tegenover het naleven van de wet. De hypothese die we met deze analyse willen toetsen is H4: er is een positieve invloed van percepties van legitimiteit van de politie op het naleven van de wet. Naast percepties van legitimiteit zijn ook de onafhankelijke variabelen die een invloed hebben op legitimiteit van de politie opgenomen in onze regressieanalyse, samen met de controlevariabelen persoonlijke moraliteit en leeftijd (H6). 58

69 Figuur 19: Meervoudige regressieanalyse voor naleven van de wet Percepties van discriminatie - + Effectiviteit door de politie Ervaringen van racisme door de politie - Naleven van de wet -Gepleegde criminaliteit -Attitudes tegenover naleven van de wet + + Procedurele Rechtvaardigheid Legitimiteit: -Gehoorzaamheid politie - Gelijkgestemde waarden Controlevariabelen - Persoonlijke moraliteit - Leeftijd In tabel 6 kunnen we de regressie- en determinatiecoëfficiënten terugvinden die de invloed van onze onafhankelijke variabelen op attitudes tegenover het naleven van de wet en de zelgerapporteerde criminaliteit weergeven. 52,7% van de variantie in attitudes tegenover het naleven van de wet wordt verklaard door de onafhankelijke variabelen in deze regressieanalyse. Vooral de twee subschalen van legitimiteit (bèta gehoorzaamheid: 0,398 en bèta gelijkgestemde waarden:0,202) en de controlevariabele persoonlijke moraliteit (bèta: 0,257) hebben een grote invloed. De regressiecoëfficiënten zijn bovendien alle drie significant op het 0,001-niveau. Verder is er ook een geringe impact van procedurele rechtvaardigheid (bèta: 0,068), eigen ervaringen van racisme (bèta: 0,042) en leeftijd (bèta: -0,033), maar deze invloeden zijn slechts significant op het 0,10-niveau. De verklarende kracht is een stuk kleiner voor de zelfgerapporteerde criminaliteit (Adj. R 2 : 0,194). Slechts 19,4% van de variantie in het regelovertredend gedrag is te verklaren door de onafhankelijke variabelen. De impact van persoonlijke moraliteit is hier het grootst (bèta: -0,283), gevolgd door ervaringen uit de omgeving van racisme door de politie (bèta: 0,141) en leeftijd (-0,114). Deze drie regressiecoëfficiënten zijn opnieuw significant op het 0,001-niveau. Verder is er ook een kleine impact van percepties procedurele rechtvaardigheid (bèta: -0,069) en effectiviteit (bèta: 0,053), maar deze zijn slechts significant op het 0,10-niveau. 59

70 Tabel 6: Multipele regressieanalyse voor afhankelijken: attitudes tegenover het naleven van de wet en zelfgerapporteerde criminaliteit Attitudes tegenover het Zelfgerapporteerde naleven van de wet criminaliteit Onafhankelijke variabelen B Bèta B Bèta Procedurele rechtvaardigheid 0,077(*) 0,068(*) -0,044(*) -0,069(*) Effectiviteit 0,002 0,002 0,034(*) 0,053(*) Percepties van discriminatie -0,022-0,027 0,012 0,026 Eigen ervaringen racisme 0,151(*) 0,042(*) 0,066 0,033 Ervaringen omgeving -0,026-0,020 0,105*** 0,141*** racisme Gehoorzaamheid politie 0,372*** 0,398*** -0,018-0,034 Gelijkgestemde waarden 0,191*** 0,202*** -0,030-0,056 Persoonlijke moraliteit 0,308*** 0,257*** -0,191*** -0,283*** Leeftijd -0,011(*) -0,033(*) -0,022*** -0,114*** R 2 0,728 0,199 Adj. R 2 0,527 0,194 (*)p<0,10; *p<0,05; **p<0,01; ***p<0,001 Voor attitudes tegenover het naleven van de wet is geen significante invloed gevonden van percepties van effectiviteit, percepties van discriminatie en ervaringen uit de omgeving van racisme door de politie. Voor de zelfrapportage van criminaliteit is de impact van eigen ervaringen van racisme, percepties van discriminatie door de politie en de twee subschalen van legitimiteit niet significant. We kunnen onze hypothese H4 dus slechts voor een deel bevestigen, aangezien de invloed van legitimiteit enkel significant is voor attitudes tegenover het naleven van de wet en niet voor de zelfrapportage. Tenslotte merken we op dat de controlevariabele persoonlijke moraliteit zowel een impact heeft op attitudes tegenover het naleven van de wet (bèta: 0,257) als op gerapporteerde criminaliteit (bèta: -0,283). Beide effecten zijn significant op het 0,001-niveau. Het effect van de controlevariabele is vooral significant voor de zelfgerapporteerde criminaliteit (bèta: -0,114 met p<0,001). We kunnen hieruit concluderen dat hypothese H6 wordt bevestigd door deze regressieanalyses. 60

71 2.4.3 Verklaring van de variantie in de medewerkingsbereidheid Figuur 20 geeft de relatie weer tussen de onafhankelijke variabelen en de bereidheid tot medewerking. Hypothese H5 formuleert de verwachte bevindingen: er is een positieve invloed van percepties van legitimiteit op de bereidheid tot medewerking met de politie. We nemen hier opnieuw, naast legitimiteit ook de determinanten van legitimiteit op als onafhankelijke variabelen. Figuur 20: Meervoudige regressieanalyse voor medewerkingsbereidheid Percepties van discriminatie - + Effectiviteit door de politie Ervaringen van racisme door de politie - Bereidheid tot medewerking met de politie + + Procedurele Rechtvaardigheid Legitimiteit: -Gehoorzaamheid politie - Gelijkgestemde waarden Tabel 7: Multipele regressieanalyse voor afhankelijke variabele: medewerkingsbereidheid Bereidheid tot medewerking met de politie Onafhankelijke variabelen B Bèta Procedurele rechtvaardigheid 0,073(*) 0,076(*) Effectiviteit 0,015 0,016 Percepties van discriminatie -0,051(*) -0,073(*) Eigen ervaringen racisme -0,113-0,037 Ervaringen omgeving -0,053(*) -0,047(*) racisme Gehoorzaamheid politie 0,036 0,046 Gelijkgestemde waarden 0,199*** 0,248*** R 2 0,424 Adj. R 2 0,176 (*)p<0,10; *p<0,05; **p<0,01; ***p<0,001 61

72 In tabel 7 geven we de regressiecoëfficiënten en de determinatiecoëfficiënt van deze regressieanalyse weer. Slechts 17,6% van de variantie in medewerkingsbereidheid kan verklaard worden door de onafhankelijke variabelen. Slechts één determinant is significant op het 0,001-niveau, namelijk de gelijkgestemde waarden. Bèta bedraagt 0,248 wat duidt op een positieve invloed op de medewerkingsbereidheid. De invloed van de andere subschaal van legitimiteit is niet significant, we kunnen de hypothese H5 dus slechts voor een deel bevestigen. Er is ook een geringe, negatieve impact van de variabelen percepties van discriminatie (bèta: -0,073) en ervaringen uit de omgeving van racisme (bèta: -0,047), maar deze zijn slechts significant op het 0,10-niveau. Procedurele rechtvaardigheid heeft een kleine, positieve invloed maar ook deze is weinig significant (p<0,10). Voor effectiviteit en eigen ervaringen van racisme werd geen significante invloed gevonden op de medewerkingsbereidheid. 2.5 Besluit In dit hoofdstuk gaven we eerst het conceptueel model en de hypotheses weer. We hebben deze hypotheses getoetst aan de hand van meervoudige regressieanalyses. Vooraf hebben we gecontroleerd op multicollineariteit tussen de onafhankelijke variabelen. Uit de tolerance en VIF waarden in bijlage 7 kunnen we concluderen dat multicollineariteit geen probleem vormt in dit onderzoek. Vervolgens gaven we de resultaten van de analyse weer, hieruit konden we afleiden dat 4 van de 6 hypotheses worden bevestigd door onze analyses, 2 van de 6 hypotheses worden slechts deels bevestigd. Tenslotte formuleren we in dit besluit een antwoord op de verklarende onderzoeksvragen die in de inleiding van dit hoofdstuk geformuleerd werden. In welke mate kunnen we verschillen in percepties van legitimiteit van de politie verklaren aan de hand van de percepties van procedurele rechtvaardigheid en percepties van effectiviteit van de politie? Er is een positieve invloed van percepties van procedurele rechtvaardigheid op beide subschalen van percepties van legitimiteit van de politie. Het netto-effect is groter voor de gelijkgestemde waarden met de politie (bèta: 0,589 met p<0,001) dan voor de bereidheid de politie te gehoorzamen (bèta: 0,399 met p<0,001). Zoals verwacht is het netto-effect van percepties van effectiviteit op de subschalen van legitimiteit kleiner dan het netto-effect van procedurele rechtvaardigheid. Ook hier is het netto-effect voor gelijkgestemde waarden (bèta: 0,183 met p<0,001) groter en meer significant dan voor de gehoorzaamheid aan de politie (bèta: 0,069 met p<0,10). De bevraagde jongeren met hoge percepties van procedurele rechtvaardigheid en, in minder mate, hoge percepties van effectiviteit zullen de politie eerder als legitiem ervaren. 62

73 Welke invloed hebben percepties van discriminatie en ervaringen van racisme door de politie op de percepties van legitimiteit van de politie? Voor eigen ervaringen van racisme door de politie werd geen significante impact gevonden op legitimiteit. Voor ervaringen uit de omgeving van de respondenten van racisme door de politie werd wel een significant netto-effect gevonden op beide subschalen van legitimiteit. Voor de bereidheid de politie te gehoorzamen bedraagt het netto-effect -0,102 (met p<0,001) en voor de gelijkgestemde waarden met de politie -0,117 (met p<0,001). Het netto-effect van percepties van discriminatie voor de subschalen van legitimiteit is ook negatief, maar kleiner dan dat van ervaringen van racisme uit de omgeving. Voor gehoorzaamheid aan de politie bedraagt bèta hier -0,069 (met p<0,01) en voor gelijkgestemde waarden -0,089 (met p<0,001). Respondenten met veel ervaringen van racisme uit hun omgeving en hoge percepties van discriminatie door de politie zullen de politie dus eerder als minder legitiem percipiëren. Als we al deze onafhankelijke variabelen combineren in één model zien we dat 27,1% van de variantie in gehoorzaamheid aan de politie verklaard wordt door deze variabelen. Voor gelijkgestemde waarden met de politie verklaart ons model zelfs 66,8% van de variantie. We kunnen concluderen dat procedurele rechtvaardigheid, percepties van effectiviteit, percepties van discriminatie en ervaringen van racisme uit de omgeving samen een goede verklaring vormen voor de variantie in percepties van legitimiteit, vooral voor de subschaal van de gelijkgestemde waarden. Welke invloed hebben percepties van discriminatie en ervaringen van racisme door de politie op de attitudes van jongeren tegenover het naleven van de wet en het plegen van criminaliteit? We hebben geen significante invloed gevonden van percepties van discriminatie op attitudes tegenover het naleven van de wet of op zelfgerapporteerde criminaliteit. Het kleine (bèta: 0,042) en weinig significante (p<0,10) netto-effect van eigen ervaringen van racisme is eerder te verwaarlozen. Gehoorzaamheid aan de politie, gelijkgestemde waarden en persoonlijke moraliteit hebben de grootste en meest significante invloed op attitudes tegenover het naleven van de wet. Het model biedt voor 52,7% een verklaring voor de variantie in attitudes tegenover het naleven van de wet. Voor gerapporteerde criminaliteit werd geen significante invloed gevonden van percepties van discriminatie of eigen ervaringen van racisme door de politie. Er is echter wel een significante, positieve invloed van ervaringen van mensen uit de omgeving van de respondenten (bèta: 0,141 63

74 met p<0,001). Deze variabele vormt samen met persoonlijke moraliteit (bèta: -0,283 met p<0,001) en leeftijd (bèta: -0,114 met p<0,001) de belangrijkste determinanten voor de zelfrapportage van criminaliteit. Ons model biedt hierbij wel slechts een verklaring voor 19,4% van de variantie in de zelfrapportage van kleinere misdrijven. De bevraagde jongeren die veel ervaringen van racisme door de politie bij mensen uit hun omgeving rapporteren, maken dus meer kans op hogere rapportage van criminaliteit. Welke invloed hebben percepties van legitimiteit op de bereidheid tot medewerking met de politie? Uit de regressieanalyse leren we dat enkel de subschaal van legitimiteit een significante, positieve invloed heeft op de medewerkingsbereidheid. Het betreft hier de subschaal van de gelijkgestemde waarden met een netto-effect van 0,248 (p<0,001). Slechts 17,6% van de variantie in medewerkingsbereidheid kan verklaard worden door de onafhankelijke variabelen in ons model. We bespreken hier ook de invloed van de determinanten van legitimiteit. Er werd geen significant netto-effect gevonden van eigen ervaringen van racisme door de politie op de bereidheid tot medewerking met de politie. Er is wel een klein, negatief netto-effect van percepties van discriminatie (bèta: -0,073 met p<0,10) en ervaringen van racisme uit de omgeving (bèta: -0,047 met p<0,10). Gezien de lage significantie en het veel grotere effect van gelijkgestemde waarden met de politie op de medewerkingsbereidheid, zijn deze invloeden echter te verwaarlozen. We besluiten dat de respondenten die gelijkgestemde waarden met de politie vertonen meer bereid zullen zijn tot medewerking met de politie. 64

75 V. Algemene conclusie en discussie Het doel van dit onderzoek was om de procedurele rechtvaardigheidstheorie binnen de huidige Belgische context te evalueren, met de focus op racisme door politiefunctionarissen als verklarende factor. We onderzochten de invloed van percepties van discriminatie en ervaringen van racisme door politiefunctionarissen op percepties van legitimiteit van de politie en de attitudes ten aanzien van regelnaleving. We hebben ook de percepties van effectiviteit van de politie, persoonlijke moraliteit en leeftijd opgenomen als mogelijke verklarende mechanismen. De data voor dit onderzoek werden verzameld met een kwantitatieve bevraging bij Vlaamse jongeren van 16 tot 26 jaar aan de hand van een websurvey. Literatuurstudie In het eerste deel van deze masterproef maakten we een literatuurstudie die vooraf ging aan het empirisch onderzoek. We stonden stil bij de belangrijkste theorieën en empirische onderzoeken die van toepassing zijn op het onderwerp van racisme bij politiefunctionarissen, alsook het huidige beleid in ons land. In het eerste hoofdstuk van dit deel bekeken we hoe racisme door politiefunctionarissen tot stand komt. We kwamen tot onze definitie van racisme: Racisme omvat discriminatie of intimidatie op basis van huidskleur, zogenaamd ras, nationaliteit of etnische afkomst. De discretionaire bevoegdheid van politiefunctionarissen zorgt ervoor dat ze ondanks trainingen en beleidsmaatregelen, toch discriminerend kunnen handelen bij de uitvoering van hun taken. Bovendien hoeven ze niet zelf racistisch ingesteld te zijn om racistisch te handelen, het begrip institutioneel racisme leert ons namelijk dat racisme ingebakken kan zijn in de beroepscultuur bij de politie. In het tweede hoofdstuk haalden we aan dat de relatie tussen etnisch culturele minderheden en de politie in België soms onder druk staat. Bepaalde accenten in het beleid proberen hier een antwoord op te bieden. Zo zijn politieambtenaren die etnisch culturele minderheden discrimineren strafrechtelijk aansprakelijk volgens de Antiracismewet en zijn systematische identiteitscontroles van vreemdelingen in principe verboden volgens de WPA. Ook bij de filosofie van de gemeenschapsgerichte politiezorg heeft men aandacht voor deze problematiek: vanuit de idee van multiple community policing stuurt men aan op gerichte samenwerking met etnisch culturele minderheden en het verkleinen van de louter repressieve rol van de politie om de relatie te verbeteren. Tenslotte speelt ook het Interfederaal Gelijkekansencentrum een grote rol in de strijd tegen racisme bij politie. Tijdens de opleidingen die het Centrum geeft aan politiefunctionarissen stelde men vast dat politiefunctionarissen niet durven reageren op 65

76 overschrijdend gedrag van hun collega s inzake discriminatie. Deze vaststelling kan een aanwijzing zijn van institutioneel racisme bij de Belgische politie. Uit de cijfers van het Centrum leren we dat het probleem van racisme bij de politie zeker niet onbestaande is in ons land. In het derde hoofdstuk van de literatuurstudie hebben we de inzichten vanuit de procedurele rechtvaardigheidstheorie besproken. Legitimiteit van de politie is verbonden aan het oordeel van de burger of het proces van besluitvorming en machtsuitoefening op een eerlijke manier verloopt. Het is dus niet alleen belangrijk wat de politie doet, maar vooral hoe ze het doet. Andere theorieën zoals de defiance theorie en de theorie over reintegrative shaming ondersteunen deze bevindingen. Mensen met respect behandelen op een onbevooroordeelde manier is niet afhankelijk van misdaadcijfers, maar van het gedrag van de politie zelf. Een nultolerantiebeleid, waarbij kleine overtredingen en overlast hard aangepakt worden, is nefast voor de procedurele rechtvaardigheid en legitimiteit van de politie. Verschillende studies hebben al aangetoond dat een hoge mate van procedurele rechtvaardigheid leidt tot meer publieke steun en betere attitudes tegenover het naleven van de wet. In de relatie met etnisch culturele minderheden leren we uit de procedurele rechtvaardigheidstheorie dat wederzijds wantrouwen tussen de politie en bepaalde burgers bij beiden vijandige gevoelens tegenover elkaar veroorzaken, waardoor hun relatie verzuurd geraakt en de bereidheid tot medewerking van de burger afneemt. We leren ook dat percepties van racisme en discriminatie of racistische ervaringen met de politie nefast zijn voor de politielegitimiteit bij etnisch culturele minderheden. Bovendien zal overdreven tegenhouden en fouilleren van etnisch culturele minderheden de procedurele rechtvaardigheid in het gedrang brengen en de legitimiteit van de politie ondermijnen. Aangezien discriminerende praktijken het tegenovergestelde omvatten van wat onder procedurele rechtvaardigheid verstaan wordt, kunnen we een negatief verband verwachten tussen ervaringen van racisme en percepties van legitimiteit van de politie. Sterktes en zwaktes van het onderzoek Net als andere empirische studies heeft ook dit onderzoek een aantal sterke en zwakke punten die we in het achterhoofd moeten houden bij het interpreteren van de resultaten. Allereerst benadrukken we dat we met onze vragenlijst voornamelijk naar percepties en attitudes hebben gemeten. Concepten zoals procedurele rechtvaardigheid, legitimiteit en medewerkingsbereidheid werden bevraagd aan de hand van schalen die peilen naar meningen van de respondenten over de manier waarop de politie handelt of hoe ze zelf zouden handelen 66

77 in hypothetische situaties. Het is niet ondenkbaar dat de antwoorden van de respondenten soms niet overeen komen met daadwerkelijke gedragingen in deze situaties. Ook werd de gepleegde criminaliteit gemeten aan de hand van zelfrapportage van kleinere misdrijven. Door deze manier van bevraging kunnen we dus geen conclusies trekken over de werkelijke gepleegde criminaliteit van de respondenten door het beperkt aantal misdrijven en door mogelijke sociaal wenselijke antwoorden. In dit soort onderzoek naar attitudes kunnen de resultaten dus niets zeggen over het werkelijke gedrag van de jongeren. Een tweede zwakte van dit onderzoek heeft betrekking op de manier waarop de data werden verzameld. We hanteerden een convenience sample en dus niet-toevalsgewijze steekproef waardoor de resultaten geen generalisering toelaten naar alle Vlaamse jongeren. Respondenten vulden immers vrijwillig de websurvey in na een uitnodiging op een webpagina, flyer of affiche. Ondanks het feit dat we de resultaten niet kunnen generaliseren, kunnen ze ons in dit verkennend onderzoek wel betekenisvolle informatie verschaffen over onze doelgroep. Een derde beperking van dit onderzoek is dat we geen conclusies van causaliteit kunnen trekken. Het betreft een cross sectionele studie waarbij de data slechts op één tijdstip verzameld werden. Hierdoor kunnen we geen causale relaties vaststellen. In de toekomst kunnen longitudinale studies of panelonderzoeken naar racisme bij politiefunctionarissen meer duidelijkheid brengen over causaliteit. Naast deze zwaktes kent dit onderzoek ook een aantal sterke punten. Allereerst stelt de onderzoeksmethode van de kwantitatieve bevraging ons in staat om de samenhang tussen verschillende concepten te onderzoeken. Bovendien liet de methode van de websurvey toe om op korte tijd veel informatie te verzamelen bij jongeren gespreid over heel Vlaanderen. Een tweede sterk punt is het steekproefkader van dit onderzoek, namelijk de Vlaamse jongeren. Uit de literatuurstudie bleek dat onderzoek naar racisme bij de politie en procedurele rechtvaardigheid voornamelijk bij volwassenen plaatsvond. Uit de verdeling van de respondenten naar achtergrondkenmerken blijkt ook dat voornamelijk jongeren uit stedelijk gebied in onze steekproef vertegenwoordigd zijn wat een sterk punt is gezien het verkennend karakter van dit onderzoek. Een ander sterk punt is dat ervaringen van racisme door de politie werden gemeten door zowel de eigen ervaringen als ervaringen van mensen uit de omgeving van de jongeren te bevragen. Bovendien hebben we hier zowel ervaringen van discriminatie als intimidatie opgenomen, waardoor we een ruime definitie van racistische gedragingen omvatten. Tenslotte werden zowel percepties van discriminatie als ervaringen van racisme bevraagd waardoor we de invloed van beide concepten op percepties van legitimiteit kunnen vergelijken. 67

78 Resultaten Om deze doelstellingen te kunnen bereiken, hebben we eerst de nodige beschrijvende kennis vergaard. De resultaten van de beschrijvende analyse geven ons inzicht in de spreiding van de belangrijkste concepten in onze steekproef. De meerderheid van de jongeren heeft eerder weinig percepties van discriminatie door de politie. Het merendeel van de respondenten gaf ook eerder positieve evaluaties aan hun meest recente politiecontact. De rapportage van ervaringen van racisme door de politie leert ons dat de meerderheid van de bevraagde jongeren eerder weinig ervaringen van racisme heeft. We kunnen wel opmerken dat de groep die zeer veel ervaringen heeft, groter is dan de groep die veel ervaringen van racisme heeft. De meerderheid van de jongeren heeft hoge tot zeer hoge percepties van legitimiteit. Wat betreft de procedurele rechtvaardigheid scoorden de meeste jongeren eerder gemiddeld. Een kleine meerderheid van de respondenten voelt een hoge tot zeer hoge verplichting om de politie te gehoorzamen en een iets grotere meerderheid heeft veel tot zeer veel gelijkgestemde waarden met de politie. Ook de medewerkingsbereidheid met de politie is voor de meeste jongeren hoog tot zeer hoog. De meerderheid van de bevraagde jongeren geeft aan eerder weinig misdrijven gepleegd te hebben en de attitudes tegenover het naleven van de wet zijn voor de meesten positief. Tenslotte is de persoonlijke moraliteit bij de jongeren redelijk gelijk verdeeld. We kunnen besluiten dat tamelijk weinig respondenten veel ervaringen van racisme door de politie aangeven. De meerderheid van de jongeren geeft relatief lage percepties van discriminatie door de politie aan. Over het algemeen zijn de attitudes van de jongeren tegenover de politie en regelnaleving tamelijk positief. Vervolgens konden we overgaan naar het vergaren van verklarende kennis en de samenhang tussen de belangrijkste concepten van de procedurele rechtvaardigheidstheorie en (percepties van) racisme door de politie onderzoeken. Om de verklarende bevindingen te bespreken formuleren we hier opnieuw de hypotheses die we toetsten aan de hand van meervoudige regressieanalyses. Onze bevindingen zijn uiteraard niet van toepassing op alle Vlaamse jongeren, aangezien de steekproef niet toevalsgewijs werd samengesteld. H1: Percepties van discriminatie door de politie en ervaringen van racisme door de politie hebben een negatief effect op percepties van legitimiteit van de politie. Deze hypothese wordt grotendeels bevestigd door onze bevindingen. Zowel percepties van discriminatie als ervaringen van racisme door de politie van mensen uit de omgeving hebben een negatieve invloed op percepties van legitimiteit. Voor eigen ervaringen van racisme door de politie werd 68

79 geen significante invloed gevonden op percepties van legitimiteit. We kunnen hieruit besluiten dat jongeren met hoge percepties van discriminatie door de politie en veel ervaringen van racisme bij personen uit hun omgeving minder kans maken om de politie als legitiem te beschouwen. H2: Percepties van procedurele rechtvaardigheid en van effectiviteit hebben een positief effect op percepties van legitimiteit van de politie. Uit de resultaten van de regressieanalyses kunnen we afleiden dat deze hypothese wordt bevestigd door ons onderzoek. Zowel percepties van effectiviteit als procedurele rechtvaardigheid hebben een significant en positief netto-effect op percepties van legitimiteit van de politie. Samen met de percepties van discriminatie en ervaringen van racisme verklaren deze concepten meer dan de helft van de variantie in gelijkgestemde waarden met de politie. Jongeren met hoge percepties van legitimiteit en effectiviteit zullen de politie dus eerder als legitiem beschouwen. H3: Er is een grotere invloed van percepties van procedurele rechtvaardigheid op percepties van legitimiteit van de politie dan van percepties van effectiviteit van de politie. Ook deze hypothese wordt bevestigd door onze resultaten. De invloed van procedurele rechtvaardigheid op de twee subschalen van percepties van legitimiteit is meer dan dubbel zo groot als de invloed van percepties van effectiviteit. Jongeren die hogere percepties van procedurele rechtvaardigheid hebben maken dus meer kans om ook hogere percepties van legitimiteit te hebben dan respondenten die enkel hoge percepties van effectiviteit van de politie hebben. H4: Er is een negatieve invloed van percepties van discriminatie en ervaringen van racisme door de politie op het naleven van de wet. Deze hypothese kunnen we slechts deels bevestigen met onze bevindingen. Voor de zelfrapportage van criminaliteit is de invloed van eigen ervaringen van racisme en percepties van discriminatie niet significant. Er werd wel een positieve en significante invloed gevonden van ervaringen van racisme door de politie van mensen uit de omgeving op zelfgerapporteerde criminaliteit. Voor de attitudes tegenover het naleven van de wet vonden we geen significante invloed van percepties van discriminatie of ervaringen van racisme. We kunnen dus besluiten dat jongeren met veel ervaringen van racisme door de politie bij mensen uit hun omgeving meer kans maken om kleine misdrijven te plegen. H5:Er is een positief verband tussen percepties van legitimiteit van de politie en de bereidheid tot medewerking met de politie. Ook deze hypothese kunnen we slechts deels bevestigen. We vonden enkel een significante invloed van percepties van legitimiteit op gelijkgestemde waarden met de politie. Er werd dus geen invloed gevonden van de tweede dimensie van 69

80 legitimiteit, de gehoorzaamheid aan de politie. Jongeren met veel gelijkgestemde waarden met de politie zullen dus meer bereid zijn om mee te werken met de politie. H6: Leeftijd en persoonlijke moraliteit hebben een invloed op het naleven van de wet. Deze hypothese wordt grotendeels bevestigd door onze analyses. Persoonlijke moraliteit heeft zowel een significante invloed op attitudes tegenover het naleven van de wet als op de zelfrapportage van criminaliteit. Voor leeftijd werd enkel een significante, negatieve invloed gevonden op de zelfrapportage van kleinere misdrijven en niet op de attitudes tegenover het naleven van de wet. Jongeren met een hoge mate van persoonlijke moraliteit zullen er eerder positieve attitudes tegenover regelnaleving op na houden. Hoe jonger de jongeren, hoe meer kans ze maken om kleine misdrijven te plegen. Bovendien kunnen we opmerken dat al onze onafhankelijke variabelen de variantie in attitudes tegenover het naleven van de wet voor meer dan de helft verklaren. Het belang van de strijd tegen racisme door politiefunctionarissen In de literatuurstudie benadrukten we de nefaste gevolgen van racisme door de politie voor de etnische culturele minderheden maar ook voor de politie zelf. We gaven ook enkele cijfergegevens weer die aantonen dat het probleem zeker niet onbestaande is in ons land. Naar mijn mening moeten racisme en discriminatie zoveel mogelijk tegengegaan worden op alle domeinen. In een postmoderne samenleving kunnen zulke inbreuken tegen mensenrechten nooit door de beugel. Politiefunctionarissen hebben een bijzonder machtige positie in onze samenleving, waardoor zij in het bijzonder de nodige aandacht moeten besteden aan het respecteren van mensenrechten. Dat racisme bij de politie zoveel mogelijk bestreden moet worden, spreekt dan ook voor zich. Toch kunnen we met de bevindingen van ons onderzoek deze gedachte ook empirisch staven. Zo leerden we dat jongeren met veel percepties van discriminatie door de politie en veel ervaringen van racisme, de politie minder als legitiem zullen beschouwen. Jongeren met veel ervaringen van racisme door de politie bij personen uit hun omgeving maken bovendien meer kans om kleine misdrijven te plegen. De aanpak van racisme en discriminatie zal dus niet enkel de slachtoffers ervan ten goede komen, ook de politie zelf heeft hier baat bij. 70

81 Literatuurlijst Aendenboom, I. (2007). 'Antiracismewet': een grondige facelift. T. Vreemd(4), Akrami, N., Ekehammar, B., & Araya, T. (2000). Classical and Modern Racial Prejudice: A Study of Attitudes toward Immigrants in Sweden. European Journal of Social Psychology, 30(4), Bergmans, E. (2014, 31/05/2014). 'Ik wil niet bij die makak in de auto', De Standaard. Geraadpleegd via Billiet, J., & Waege, H. (Eds.). (2003). Een samenleving onderzocht. Methoden van sociaal-wetenschappelijk onderzoek. Antwerpen: De Boeck. Bolaffi, G. (2003). Dictionary of Race, Ethnicity and Culture. London: SAGE Publications. Bowling, B., & Phillips, C. (2003). Policing ethnic minority communities. In T. Newburn (Ed.), Handbook of Policing. Devon: Willan Publishing Bowling, B., & Phillips, C. (2007). Disproportionate and discriminatory: reviewing the evidence on police stop and search. The Modern Law Review, 70(6), Bowling, B. (2013). Discrimination, in: McLaughlin, E., & Muncie, J. The SAGE Dictionary of Criminology. London: SAGE Publications Braithwaite, J. (1989). Crime, shame and reintegration. New York: Cambridge University Press. Brehm, S., Kassin, S., Fein, S., Mervielde, I., & Van Hiel, A. (2006). Sociale psychologie. Gent: Academia Press. Bridges, L. (1999). The Lawrence Inquiry incompetence, corruption, and institutional racism. Journal of Law and Society, 26(3), Brion, F. (2005). Criminaliteit en immigratie: stand van zaken. In M. Swyngedouw, P. Delwit & A. Rea (Eds.), Culturele diversiteit en samenleven in Brussel en België (pp ): Acco. Brown, B., & Reed, B. (2002). Perceptions of the police. Policing, 25(3),

82 Bruggeman, W., Van Branteghem, J., & Van Nuffel, D. (2007). Naar een excellente politiezorg. Brussel: Politeia. Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (2008). Privacy: een vademecum voor de onderzoeker. Brussel: Debeuckelaere. Bryman, A. (2012). Social research methods. New York: Oxford university press. Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding, (2014). Jaarverslag: Conventie tussen het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding en de Federale Politie. Brussel: CGKR. Couper, M. P. (2000). Web surveys: A review of issues and approaches. The Public Opinion Quarterly, 64(4), Couper, M. P., & Miller, P. V. (2009). Web Survey Methods: Introduction. Public Opinion Quarterly, 72(5), Dai, M., Frank, J., & Sun, I. (2011). Procedural justice during police-citizen encounters: The effects of process-based policing on citizen compliance and demeanor. Journal of Criminal Justice, 39(2), Davis, R. C., & Henderson, N. J. (2003). Willingness to report crimes: The role of ethnic group membership and community efficacy. Crime & Delinquency, 49(4), De Coninck, D. (2011, 23/04/2011). Slecht racismerapport voor Antwerpse politie, De Morgen. Geraadpleegd via De Hert, P., & Meerschaut, K. (2007). Identiteitscontroles in rechtvergelijkend perspectief. Moet controle op kleur worden gemeten? Orde van de dag, 40, De Witte, H. (1999). 'Alledaags' racisme in België. Een overzicht van de onderzoeksliteratuur over racistische opvattingen en een interpretatie van de betekenis van het opleidingsniveau. Migrantenstudies, 15(1), Decorte, T., Tieberghien, J., & Petintseva, O. (2011). Methoden van onderzoek: Ontwerp en dataverzameling. Gent: Academia Press. Dhont, K., Cornelis, I., & Van Hiel, A. (2010). Interracial public police contact: Relationships with police officers racial and work-related attitudes and behavior. International Journal of Intercultural Relations, 34(6), Dirikx, A., Gelders, D., & Parmentier, S. (2012). Police youth relationships: A qualitative analysis of Flemish adolescents attitudes toward the police. European Journal of Criminology, 9(2),

83 Easton, M., Ponsaers, P., Demarée, C., Vandevoorde, N., Enhus, E., Elffers, H., Hutsebaut, F., & Moor, L. G. (2009). Multiple Community Policing: Hoezo? Gent: Academia Press. Easton, M., Tange, C., & Ponsaers, P. (Eds.). (2008). Out of the box, een boek om te kleuren en te denken over Interculturaliteit en Politie. Brussel: Politeia. Evans, J. R., & Mathur, A. (2005). The value of online surveys. Internet research, 15(2), Garcia, V., & Cao, L. (2005). Race and satisfaction with the police in a small city. Journal of Criminal Justice, 33(2), Gau, J. M., & Brunson, R. K. (2010). Procedural justice and order maintenance policing: A study of inner city young men s perceptions of police legitimacy. Justice Quarterly, 27(2), Gau, J. M. (2011). The convergent and discriminant validity of procedural justice and police legitimacy: An empirical test of core theoretical propositions. Journal of Criminal Justice, 39(6), Gauthier, J. (2011). Des corps étrange(r)s dans la police? Les policiers minoritaires à Paris et à Berlin. Sociologie du travail, 53(4), Gelman, A., Fagan, J., & Kiss, A. (2007). An analysis of the New York City police department's stop-and-frisk policy in the context of claims of racial bias. Journal of the American Statistical Association, 102(479), Hinds, L., & Murphy, K. (2007). Public satisfaction with police: using procedural justice to improve police legitimacy. Australian & New Zealand Journal of Criminology, 40(1), Holdaway, S., & O'Neill, M. (2007). Where has all the racism gone? Views of racism within constabularies after Macpherson. Ethnic and racial Studies, 30(3), Huebner, B. M., Schafer, J. A., & Bynum, T. S. (2004). African American and White perceptions of police services: Within-and between-group variation. Journal of Criminal Justice, 32(2), Interfederaal Gelijkekansencentrum, (2014). Jaarverslag Discriminatie / Diversiteit Brussel: Jozef De Witte. Geraadpleegd via Jefferson, T., & Walker, M. A. (1993). Attitudes to the police of ethnic minorities in a provincial city. British Journal of Criminology, 33(2),

84 Kääriäinen, J. T. (2007). Trust in the police in 16 European countries a multilevel analysis. European Journal of Criminology, 4(4), Lea, J. (2000). The Macpherson Report and the question of institutional racism. The Howard Journal of Criminal Justice, 39(3), Leiber, M. J., Nalla, M. K., & Farnworth, M. (1998). Explaining juveniles' attitudes toward the police. Justice Quarterly, 15(1), Loeber, R., & Farrington, D. P. (2014). Age-Crime Curve. In G. Bruinsma & D. Weisburd (Eds.), Encyclopedia of Criminology and Criminal Justice (pp ). New York: Springer. Magnette, P. (1999). Racism and the Belgian state. In C. Westin (Ed.), The Unica Conference on Racism and Xenophobia (pp ). Stockholm: CEIFO Stockholm University. Maus, I. (2012). Attitudes van jongeren ten aanzien van de politie: een verkennend onderzoek naar de (gepercipieerde) procedurele rechtvaardigheid. (Master in de criminologische wetenschappen), UGent, Gent. McClendon, M. K. J. (2002). Multiple Regression and Causal Analysis. Illinois: Waveland Press. McLaughlin, E., & Muncie, J. (2013). The SAGE Dictionary of Criminology. London: SAGE Publications. Miller, J., Gounev, P., Pap, A. L., Wagman, D., Balogi, A., Bezlov, T., Simonovits, B., & Vargha, L. (2008). Racism and Police Stops Adapting US and British Debates to Continental Europe. European Journal of Criminology, 5(2), Moore, D. S., & McCabe, G. P. (2006). Statistiek in de praktijk: Academic Service. Murphy, K., & Cherney, A. (2011). Fostering cooperation with the police: How do ethnic minorities in Australia respond to procedural justice-based policing? Australian & New Zealand Journal of Criminology, 44(2), Nier, J. A., & Gaertner, S. L. (2012). The challenge of detecting contemporary forms of discrimination. Journal of Social Issues, 68(2), O brien, R. M. (2007). A caution regarding rules of thumb for variance inflation factors. Quality & Quantity, 41(5),

85 Pauwels, L., & Pleysier, S. (2009). Handboek: Onderzoek met vragenlijsten in de criminologie. Gent: ACCO. Pauwels, L. (2012). Toegepaste statistiek met SPSS voor criminologen. Antwerpen: Maklu. Petintseva, O. (2014). De'taboes' binnen criminologie: het academisch discours mbt etniciteit/migratie en criminaliteit. In L. Pauwels & G. Vermeulen (Eds.), Actuele ontwikkelingen inzake EU-justitiebeleid, cannabisbeleid, misdaad en straf, jongeren en jeugdzorg, internationale vrede, veiligheid en gerechtigheid, gewelddadig extermisme & private veiligheid en zelfregulering. Gent: Maklu Ren, L., Cao, L., Lovrich, N., & Gaffney, M. (2005). Linking confidence in the police with the performance of the police: Community policing can make a difference. Journal of Criminal Justice, 33(1), Rowe, M. (2004). Policing, race and racism. Devon: Willan Publishing. Sargeant, E., Murphy, K., & Cherney, A. (2013). Ethnicity, trust and cooperation with police: Testing the dominance of the process-based model. European Journal of Criminology, 11(4), Satzewich, V., & Shaffir, W. (2009). Racism versus Professionalism: Claims and Counter-claims about Racial Profiling. Canadian Journal of Criminology and Criminal Justice, 51(2), Sills, S. J., & Song, C. (2002). Innovations in survey research an application of web-based surveys. Social science computer review, 20(1), Schils, N., & Pauwels, L. (2014). Differential Online Exposure to Extremist Content and Political Violence: Testing the Relative Strength of Social Learning and Competing Perspectives. Terrorism and Political Violence (online versie), Schuck, A. M., & Rosenbaum, D. P. (2005). Global and neighborhood attitudes toward the police: Differentiation by race, ethnicity and type of contact. Journal of Quantitative Criminology, 21(4), Sherman, L. W. (1993). Defiance, deterrence, and irrelevance: A theory of the criminal sanction. Journal of research in Crime and Delinquency, 30(4), Stephen, E., & Perpetual, C. (2013). Migrants perception of the police: Should it be a cause for concern in Finland? European Journal of Criminology, 10(5), Stewart, E. A., Baumer, E. P., Brunson, R. K., & Simons, R. L. (2009). Neighborhood racial context and perceptions of police based racial discrimination among black youth. Criminology, 47(3),

86 Stolle, D., Soroka, S., & Johnston, R. (2008). When does diversity erode trust? Neighborhood diversity, interpersonal trust and the mediating effect of social interactions. Political Studies, 56(1), Sunshine, J., & Tyler, T. R. (2003). The Role of Procedural Justice and Legitimacy in Shaping Public Support for Policing. Law & Society Review, 37(3), ,512. Tyler, T. R., & Fagan, J. (2008). Legitimacy and cooperation: Why do people help the police fight crime in their communities. Ohio State Journal of Criminal Law, 6, Tyler, T. R., & Huo, Y. (2002). Trust in the Law: Encouraging Public Cooperation with the Police and Courts Through. New York: Russell Sage Foundation. Tyler, T. R., & Lind, E. A. (2001). Procedural Justice. In J. Sanders & V. L. Hamilton (Eds.), Handbook of Justice Research in Law (pp ). New York: Kluwer Academic/Plenum Publishers. Tyler, T. R., & Wakslak, C. J. (2004). Profiling and police legitimacy: Procedural justice, Attributions of motive, and acceptance of police authority. Criminology, 42(2), Tyler, T. R. (2001). Public trust and confidence in legal authorities: What do majority and minority group members want from the law and legal institutions?*. Behavioral Sciences & the Law, 19(2), Tyler, T. R. (2004). Enhancing police legitimacy. The Annals of the American Academy of Political and Social Science, 593(1), Van Craen, M., & Skogan, W. G. (2014). Differences and similarities in the explanation of ethnic minority groups trust in the police. European Journal of Criminology online, Van Craen, M. (2012). Determinants of ethnic minority confidence in the police. Journal of Ethnic and Migration Studies, 38(7), Van Damme, A., & Pauwels, P. (2013). Naleving van de wet en medewerking van burgers met politie: (alleen) een kwestie van procedurele rechtvaardigheid? Panopticon, 34(3), Van De Sompel, R., Ponsaers, P., Vandevenne, Y., & Van Branteghem, J. (2003). De pijlers van de gemeenschapsgerichte politiezorg in België. Brussel: Ministerie van Binnenlandse zaken. 76

87 Van den Broeck, T. (2010). Formalisering/informalisering van sociale controleprocessen: 20 jaar politie en veiligheidsbeleid in perspectief. (Doctoraat in de Criminologische Wetenschappen), Ghent University, Gent. Van der Laan, A., & Blom, M. (2011). Jeugdcriminaliteit in de periode : Ontwikkelingen in zelfgerapporteerde daders, door de politie aangehouden verdachten en strafrechtelijke daders op basis van de Monitor Jeugdcriminaliteit WODC/CBS, Den Haag, 134. Vander Beken, T. (2004). Voor de sport. De strafrechtelijke aanpak van discriminatie vanaf In E. Brems & M. De Vos (Eds.), De Wet Bestrijding Discriminatie in De Praktijk (pp ). Antwerpen: Intersentia. Waddington, P. (1999). Discretion, 'Respectability' and Institutional Police Racism. Sociological Research Online, 4(1), 12. Weitzer, R., & Tuch, S. A. (1999). Race, class, and perceptions of discrimination by the police. Crime & Delinquency, 45(4), Weitzer, R., & Tuch, S. A. (2002). Perceptions of Racial Profiling: Race, Class, and Personal Experience. Criminology, 40(2), Weitzer, R., & Tuch, S. A. (2004). Race and Perceptions of Police Misconduct. Social Problems, 51(3), Weitzer, R., & Tuch, S. A. (2005). Racially Biased Policing: Determinants of Citizen Perceptions. Social Forces, 83(3), Wells, W. (2007). Type of contact and evaluations of police officers: The effects of procedural justice across three types of police-citizen contacts. Journal of Criminal Justice, 35(6),

88 Bijlagen Bijlage 1: Introductie Bijlage 2: Flyer Bijlage 3: Vragenlijst: attitudes van jongeren over de politie Bijlage 4: Factorladingen van likertschalen Bijlage 5: Gemiddelden en standaardafwijkingen van de gemeten concepten Bijlage 6: Correlatiematrix van onafhankelijke variabelen 78

89 Bijlage 1: Introductie Beste, In het kader van mijn masterproef criminologie aan de UGent voer ik een onderzoek naar attitudes van jongeren tegenover de politie. Het betreft een online vragenlijst voor jongeren tussen 16 en 25 jaar. Mijn vraag is of jullie mij zouden kunnen helpen door deze enquête te verspreiden onder de leden/sympathisanten van jullie organisatie. Ik denk hiermee in één klap een grote groep jongeren te kunnen bereiken. Indien jullie dat wensen wil ik achteraf graag de resultaten van mijn onderzoek met jullie delen. Jullie hulp zou veel voor mij betekenen! In de bijlage vindt u de online flyer voor mijn enquête. U kan deze misschien samen met onderstaand bericht verspreiden. De vragenlijst kan u terugvinden op volgende link: Kan u mij laten weten of dit enigszins mogelijk is? Alvast bedankt! Met vriendelijke groeten, Hoe denk JIJ over de politie!? Ben je tussen de 16 en 25 jaar? Vul dan deze enquête in en maak kans op één van de Fnac-bonnen ter waarde van 20! Je vindt de enquête terug via volgende link: Alvast bedankt! Wouter i

90 Bijlage 2: Flyer ii

Percepties van jongeren over politieoptreden: ethnic profiling in België?

Percepties van jongeren over politieoptreden: ethnic profiling in België? Percepties van jongeren over politieoptreden: ethnic profiling in België? dr. Antoinette Verhage Vakgroep Criminologie, Strafrecht en Sociaal Recht Universiteit Gent VANASSCHE, N., VERHAGE, A., (2015),

Nadere informatie

Studiedag Ethnic Profiling Dienst diversiteit

Studiedag Ethnic Profiling Dienst diversiteit Studiedag Ethnic Profiling Dienst diversiteit Isaac De Vos 21 mei 2015 Cel Diversiteit Doel: Discriminatie binnen de geïntegreerde politie tegen te gaan. Sensibiliseringscampagnes, het coördineren van

Nadere informatie

Vertrouwen winnen of gezag afdwingen?

Vertrouwen winnen of gezag afdwingen? Vertrouwen winnen of gezag afdwingen? Dra. Anjuli Van Damme Promotor Prof. dr. Lieven Pauwels Inhoud 1. Is het gezag van politie tanende? 2. Het belang van het vertrouwen 3. Waaruit vloeit het vertrouwen

Nadere informatie

De bevolking en de politie: een verstandshuwelijk? Dra. Anjuli Van Damme Promotor Prof.dr. Lieven Pauwels

De bevolking en de politie: een verstandshuwelijk? Dra. Anjuli Van Damme Promotor Prof.dr. Lieven Pauwels De bevolking en de politie: een verstandshuwelijk? Dra. Anjuli Van Damme Promotor Prof.dr. Lieven Pauwels Inhoud 1. Is het gezag van politie tanende? 2. Het belang van het vertrouwen 3. Waaruit vloeit

Nadere informatie

2. Hoe kan je de strijd tegen discriminatie aangaan?

2. Hoe kan je de strijd tegen discriminatie aangaan? 2. Hoe kan je de strijd tegen discriminatie aangaan? Om de strijd tegen discriminatie op de werkvloer aan te gaan, kan je als militant beroep doen op een breed wettelijk kader. Je vindt hieronder de belangrijkste

Nadere informatie

Etnisch Profileren in Den Haag? Een verkennend onderzoek naar beslissingen en opvattingen op straat

Etnisch Profileren in Den Haag? Een verkennend onderzoek naar beslissingen en opvattingen op straat Etnisch Profileren in Den Haag? Een verkennend onderzoek naar beslissingen en opvattingen op straat Joanne van der Leun, Maartje van der Woude Rogier Vijverberg, Robin Vrijhoef en Avalon Leupen 4 juni

Nadere informatie

Datum 10 januari 2014 Onderwerp Antwoorden kamervragen over het rapport van Amnesty International over etnisch profileren

Datum 10 januari 2014 Onderwerp Antwoorden kamervragen over het rapport van Amnesty International over etnisch profileren 1 > Retouradres Postbus 20301 2500 EH Den Haag Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Turfmarkt 147 2511 DP Den Haag Postbus 20301 2500 EH Den Haag www.rijksoverheid.nl/venj

Nadere informatie

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT 7 NOVEMBER 2017

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT 7 NOVEMBER 2017 RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT 7 NOVEMBER 2017 In de zaak van het openbaar ministerie tegen: S. V. G., zonder gekend beroep, geboren te Gent op ( ), wonende te ( ) beklaagd van: A. Hetzij door daden,

Nadere informatie

Hof van beroep G. (...) Arrest. Arrestnummer. Datum van uitspraak. Notitie-nummer griffie. Notitienummer parfcet-generaal.

Hof van beroep G. (...) Arrest. Arrestnummer. Datum van uitspraak. Notitie-nummer griffie. Notitienummer parfcet-generaal. Arrestnummer Datum van uitspraak Notitie-nummer griffie Notitienummer parfcet-generaal Hof van beroep G. (...) Arrest Aangeboden op Niet te registreren In de zaak van het openbaar ministerie en de burgerlijke

Nadere informatie

Vrouwelijke genitale verminking en gendergebonden geweld

Vrouwelijke genitale verminking en gendergebonden geweld Vrouwelijke genitale verminking en gendergebonden geweld Hieronder vindt u de praatplaten die u zelf kunt afdrukken. Druk het document recto-verso af (afdrukken vanaf pagina 2 - omdraaien langs korte zijde)

Nadere informatie

Wervings- en selectieprocedures en discriminatie: een bevraging van HRpersoneel. Lieve Eeman en Miet Lamberts - HIVA

Wervings- en selectieprocedures en discriminatie: een bevraging van HRpersoneel. Lieve Eeman en Miet Lamberts - HIVA Wervings- en selectieprocedures en discriminatie: een bevraging van HRpersoneel Lieve Eeman en Miet Lamberts - HIVA OVERZICHT 1. Situering en onderzoeksvragen 2. Methode 3. Wervings- en selectieprocedures

Nadere informatie

Interne gedragscode voor patiënten- en gehandicaptenorganisaties

Interne gedragscode voor patiënten- en gehandicaptenorganisaties Interne gedragscode voor patiënten- en gehandicaptenorganisaties Wat is een interne gedragscode? Een gedragscode beschrijft expliciet de gedragsnormen en regels voor medewerkers (inclusief vrijwilligers

Nadere informatie

VLAAMS PARLEMENT VOORSTEL VAN DECREET. van de heer Chokri Mahassine c.s. houdende evenredige participatie op de arbeidsmarkt AMENDEMENTEN

VLAAMS PARLEMENT VOORSTEL VAN DECREET. van de heer Chokri Mahassine c.s. houdende evenredige participatie op de arbeidsmarkt AMENDEMENTEN Stuk 653 (2000-2001) Nr. 8 VLAAMS PARLEMENT Zitting 2001-2002 4 maart 2002 VOORSTEL VAN DECREET van de heer Chokri Mahassine c.s. houdende evenredige participatie op de arbeidsmarkt AMENDEMENTEN Zie :

Nadere informatie

A D V I E S Nr Zitting van vrijdag 10 oktober

A D V I E S Nr Zitting van vrijdag 10 oktober A D V I E S Nr. 1.654 ------------------------------ Zitting van vrijdag 10 oktober 2008 ----------------------------------------------- IPA 2007-2008 - Non-discriminatie - Positieve acties x x x 2.278/1-1

Nadere informatie

Moral Misfits. The Role of Moral Judgments and Emotions in Derogating Other Groups C. Wirtz

Moral Misfits. The Role of Moral Judgments and Emotions in Derogating Other Groups C. Wirtz Moral Misfits. The Role of Moral Judgments and Emotions in Derogating Other Groups C. Wirtz Mensen die als afwijkend worden gezien zijn vaak het slachtoffer van vooroordelen, sociale uitsluiting, en discriminatie.

Nadere informatie

Overzicht inschrijvingsvereisten Criminologie 2015-2016 voor studenten die voor 15-16 in BA1 zijn gestart.

Overzicht inschrijvingsvereisten Criminologie 2015-2016 voor studenten die voor 15-16 in BA1 zijn gestart. Overzicht inschrijvingsvereisten Criminologie 2015-2016 voor studenten die voor 15-16 in BA1 zijn gestart. Bachelor of Science in de Criminologische Wetenschappen (180 studiepunten) 1ste bachelorjaar -

Nadere informatie

Werkt confrontatie met eigen vooroordelen tegen discriminatie op de arbeidsmarkt?

Werkt confrontatie met eigen vooroordelen tegen discriminatie op de arbeidsmarkt? Werkt confrontatie met eigen vooroordelen tegen discriminatie op de arbeidsmarkt? Februari 2016 SEPTEMBER 2016 ONDERZOEK NAAR DE PLAUSIBILITEIT VAN TRAININGEN GERICHT OP BEWUSTWORDING VAN VOOROORDELEN

Nadere informatie

COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. Brussel, SG-Greffe(2008)D/

COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. Brussel, SG-Greffe(2008)D/ COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN SECRETARIAAT-GENERAAL Brussel, SG-Greffe(2008)D/ Permanente Vertegenwoordiging van Nederland bij de Europese Unie Herrmann-Debrouxlaan 48 1160 Brussel Betreft:

Nadere informatie

EUROPESE COMMISSIE TEGEN RACISME EN INTOLERANTIE

EUROPESE COMMISSIE TEGEN RACISME EN INTOLERANTIE CRI(97)36 Version néerlandaise Dutch version EUROPESE COMMISSIE TEGEN RACISME EN INTOLERANTIE TWEEDE ALGEMENE BELEIDSAANBEVELING VAN DE ECRI: SPECIALE ORGANEN OP NATIONAAL NIVEAU GERICHT OP DE BESTRIJDING

Nadere informatie

INHOUD. VOORWOORD... v HOOFDSTUK 1. DISCRIMINATIE OP DE WERKVLOER EN DE WETTEN VAN 10 MEI 2007... 1

INHOUD. VOORWOORD... v HOOFDSTUK 1. DISCRIMINATIE OP DE WERKVLOER EN DE WETTEN VAN 10 MEI 2007... 1 INHOUD VOORWOORD....................................................... v HOOFDSTUK 1. DISCRIMINATIE OP DE WERKVLOER EN DE WETTEN VAN 10 MEI 2007........................................ 1 I. Inleiding

Nadere informatie

Rapport. Datum: 8 augustus 2007 Rapportnummer: 2007/162

Rapport. Datum: 8 augustus 2007 Rapportnummer: 2007/162 Rapport Datum: 8 augustus 2007 Rapportnummer: 2007/162 2 Klacht Verzoeker klaagt over de wijze waarop ambtenaren van het regionale politiekorps Utrecht op 6 mei 2006 hebben gereageerd op zijn verzoek om

Nadere informatie

Beelden van de samenleving over de bejegening van burgers door de politie in relatie tot discriminatie

Beelden van de samenleving over de bejegening van burgers door de politie in relatie tot discriminatie Beelden van de samenleving over de bejegening van burgers door de politie in relatie tot discriminatie Informatiesheet Oktober 2017 1 De bevraagde burgers in de enquêtes Straatenquêtes (n=509) Digitaal

Nadere informatie

Gedragscode Versie: januari 2016 Vastgesteld: januari 2016 Door: Coördinatieteam Netwerk Gewoon Samen Evaluatiedatum: Januari 2017

Gedragscode Versie: januari 2016 Vastgesteld: januari 2016 Door: Coördinatieteam Netwerk Gewoon Samen Evaluatiedatum: Januari 2017 Gedragscode Versie: januari 2016 Vastgesteld: januari 2016 Door: Coördinatieteam Netwerk Gewoon Samen Evaluatiedatum: Januari 2017 Beste vrijwilliger van Netwerk Gewoon Samen, Netwerk Gewoon Samen heeft

Nadere informatie

Streng doch Rechtvaardig? Rechtvaardigheid als determinant van reacties op sancties

Streng doch Rechtvaardig? Rechtvaardigheid als determinant van reacties op sancties Met dank aan Silvia Hoffmann Streng doch Rechtvaardig? Rechtvaardigheid als determinant van reacties op sancties Jaap Ouwerkerk*, Frenk van Harreveld, & Joop van der Pligt email: jw.ouwerkerk@fsw.vu.nl

Nadere informatie

Fort van de Democratie

Fort van de Democratie Fort van de Democratie Stichting Vredeseducatie / peace education projects Het Fort van de Democratie WERKT! Samenvatting van een onderzoek door de Universiteit van Amsterdam naar de effecten van de interactieve

Nadere informatie

GEDRAGSCODE/REGELING TER VOORKOMING VAN SEKSUELE INTIMIDATIE, AGRESSIE, GEWELD (WAARONDER PESTEN) EN DISCRIMINATIE

GEDRAGSCODE/REGELING TER VOORKOMING VAN SEKSUELE INTIMIDATIE, AGRESSIE, GEWELD (WAARONDER PESTEN) EN DISCRIMINATIE GEDRAGSCODE/REGELING TER VOORKOMING VAN SEKSUELE INTIMIDATIE, AGRESSIE, GEWELD (WAARONDER PESTEN) EN DISCRIMINATIE Breda, maart 2013 1 Voorwoord In artikel 1 van de grondwet is te lezen: Allen die zich

Nadere informatie

EUROPESE COMMISSIE TEGEN RACISME EN INTOLERANTIE

EUROPESE COMMISSIE TEGEN RACISME EN INTOLERANTIE CRI(96)43 Version néerlandaise Dutch version EUROPESE COMMISSIE TEGEN RACISME EN INTOLERANTIE EERSTE ALGEMENE BELEIDSAANBEVELING VAN DE ECRI: BESTRIJDING VAN RACISME, VREEMDELINGENHAAT, ANTISEMITISME EN

Nadere informatie

Vak -> Doelstellingen

Vak -> Doelstellingen Vak -> Doelstellingen Doelstellingen 1 Relatie tot bestuurlijke en gerechtelijke organisatie 1/11 1.1.1 1.1.2 1.1.3 1.1.4 Bestuurlijke organisatie 1.2.1 De bevoegdheden van de actoren op de verschillende

Nadere informatie

NAAR EEN EUROPA VOOR ALLE LEEFTIJDEN

NAAR EEN EUROPA VOOR ALLE LEEFTIJDEN NL NAAR EEN EUROPA VOOR ALLE LEEFTIJDEN AGE- STANDPUNT IN HET KADER VAN HET 2007 - EUROPEES JAAR VAN GELIJKE KANSEN VOOR IEDEREEN The European Older People s Platform La Plate-forme européenne des Personnes

Nadere informatie

MECHANISMEN EN ORGANEN VAN INTERNE EN EXTERNE CONTROLE OP DE POLITIE

MECHANISMEN EN ORGANEN VAN INTERNE EN EXTERNE CONTROLE OP DE POLITIE Inzake de toegang tot www.poldoc.be kan worden verwezen naar het Infonieuws Nr. 1719 van 19 oktober 2006 met als titel: " PolDoc, de documentaire site van de politie, voor iedereen toegankelijk op internet!

Nadere informatie

Non-discriminatie: invulling van de aangekondigde maatregelen

Non-discriminatie: invulling van de aangekondigde maatregelen Circ. : 2007 228/HM/bf Dat. : 22/11/2007 De. : INT Contact : H. MUYLDERMANS Non-discriminatie: invulling van de aangekondigde maatregelen De Bestuursraad van Federgon Uitzendarbeid heeft tijdens zijn laatste

Nadere informatie

Opleiding Master in de Fysica en Sterrenkunde. Procedure voor de evaluatie van de masterproef

Opleiding Master in de Fysica en Sterrenkunde. Procedure voor de evaluatie van de masterproef Opleidingsraad van 5/3/2013. Opleiding Master in de Fysica en Sterrenkunde Procedure voor de evaluatie van de masterproef De evaluatieprocedure is in voege vanaf academiejaar 2013-14. Voor het academiejaar

Nadere informatie

BESCHERMING TEGEN DISCRIMINATIE VOOR Ú

BESCHERMING TEGEN DISCRIMINATIE VOOR Ú BESCHERMING TEGEN DISCRIMINATIE VOOR Ú De Socialistische Fractie in het Europees Parlement streeft naar de garantie dat iedereen zich volledig aanvaard voelt zoals hij of zij is, zodat we in onze gemeenschappen

Nadere informatie

Discriminatieklimaat Gelderland Zuid April 2012

Discriminatieklimaat Gelderland Zuid April 2012 Discriminatieklimaat Gelderland Zuid April 2012 Colofon Uitgave : I&O Research BV Van Dedemstraat 6c 1624 NN Hoorn Tel. (0229) 282555 www.ioresearch.nl Rapportnummer : 2012-1835 Datum : April 2012 Opdrachtgever

Nadere informatie

ROC LEEUWENBORGH MAASTRICHT/SITTARD REGLEMENT ONGEWENST GEDRAG

ROC LEEUWENBORGH MAASTRICHT/SITTARD REGLEMENT ONGEWENST GEDRAG ROC LEEUWENBORGH MAASTRICHT/SITTARD REGLEMENT ONGEWENST GEDRAG Inhoudsopgave Voorwoord 1 Reglement inzake ongewenst gedrag 2 Klachtenregeling ongewenst gedrag 4 VOORWOORD In deze nota Preventie en bestrijding

Nadere informatie

1 Inleiding. 1.1 Discriminatie in arbeidsmarktperspectief

1 Inleiding. 1.1 Discriminatie in arbeidsmarktperspectief 1 Inleiding 1.1 Discriminatie in arbeidsmarktperspectief Breed maatschappelijk en politiek debat In Nederland is een breed maatschappelijk en politiek debat gaande over discriminatie en de vraag hoe dit

Nadere informatie

1. Wanneer spreken we over discriminatie?

1. Wanneer spreken we over discriminatie? 1. Wanneer spreken we over discriminatie? Veel mensen vinden het moeilijk in te schatten of er in een bepaalde situatie sprake is van discriminatie. In dit hoofdstuk staan we stil bij de verschillen tussen

Nadere informatie

Gedragscode stichting Torion

Gedragscode stichting Torion Gedragscode stichting Torion Vooraf De organisatie wil door middel van deze gedragscode vorm en inhoud geven aan het voorkomen en bestrijden van agressie, seksuele intimidatie en discriminatie. Tevens

Nadere informatie

Gedragscode. Inhoudsopgave RESPECT VOOR COLLEGA'S, HANDELSPARTNERS EN DE GEMEENSCHAP... 4

Gedragscode. Inhoudsopgave RESPECT VOOR COLLEGA'S, HANDELSPARTNERS EN DE GEMEENSCHAP... 4 Inhoudsopgave INLEIDING... 3 DOEL VAN DE MANUCHAR GEDRAGSCODE... 3 TOEPASSINGSGEBIED... 3 TOEZICHT OP DE NALEVING... 3 GEDRAGSCODE... 4 RESPECT VOOR COLLEGA'S, HANDELSPARTNERS EN DE GEMEENSCHAP... 4 NALEVING

Nadere informatie

Gedragscode Stichting Kids op Vakantie Ter voorkoming van ongewenst gedrag

Gedragscode Stichting Kids op Vakantie Ter voorkoming van ongewenst gedrag Gedragscode Stichting Kids op Vakantie Ter voorkoming van ongewenst gedrag Stichting Kids op Vakantie verder te noemen als organisatie: hanteert deze Gedragscode ter voorkoming van ongewenst gedrag. De

Nadere informatie

Bowling alone without public trust

Bowling alone without public trust Bowling alone without public trust Een bestuurskundig onderzoek naar de relatie tussen een ervaren sociaal isolement van Amsterdamse burgers en de mate van publiek vertrouwen dat deze burgers hebben in

Nadere informatie

Diversiteitsvraagstukken: aanpassing van kledijvoorschriften

Diversiteitsvraagstukken: aanpassing van kledijvoorschriften Diversiteitsvraagstukken: aanpassing van kledijvoorschriften Henk Keygnaert en Joke Vanreppelen 24 oktober 2011 1.1 Voorbeeldcase Volgende week start een stagiaire op de dienst burgerzaken. Zij draagt

Nadere informatie

Discriminatieklimaat Groningen

Discriminatieklimaat Groningen Discriminatieklimaat Groningen November 2009 Drs. Marion Holzmann Layla Leerschool MSc. Drs. Ankie Lempens Colofon Uitgave I&O Research BV Van Dedemstraat 6c 1624 NN Hoorn Tel.: 0229-282555 Rapportnummer

Nadere informatie

5.10.1 Gedragscode FloreoKids. Versie 1 26-7-2011

5.10.1 Gedragscode FloreoKids. Versie 1 26-7-2011 5.10.1 Gedragscode FloreoKids Versie 1 26-7-2011 5.10.1. Gedragscode FloreoKids Om elkaar te beschermen heeft FloreoKids in een gedragscode beschreven op welke wijze we met elkaar en met onze klanten omgaan.

Nadere informatie

P O L I T I E Z O N E

P O L I T I E Z O N E P O L I T I E Z O N E Z O T T E G E M / H E R Z E L E / S I N T - L I E V E N S - H O U T E M ( P Z 5 4 2 9 ) Zonaal Veiligheidsplan 2014-2017 INHOUD INLEIDING... 2 MISSIE - VISIE - WAARDEN... 3 Missie

Nadere informatie

2017 SV vragen naar. fax

2017 SV vragen naar. fax KB Anke Van dermeersch Grote Markt 1 2000 Antwerpen Alle briefwisseling te richten aan het college van burgemeester en schepenen, Grote Markt I, 2000 Antwerpen I. L _j uw bericht van 9 februari 2017 uw

Nadere informatie

BEGINSELEN VAN EUROPEES FAMILIERECHT BETREFFENDE OUDERLIJKE VERANTWOORDELIJKHEID

BEGINSELEN VAN EUROPEES FAMILIERECHT BETREFFENDE OUDERLIJKE VERANTWOORDELIJKHEID BEGINSELEN VAN EUROPEES FAMILIERECHT BETREFFENDE OUDERLIJKE VERANTWOORDELIJKHEID PREAMBULE Erkennende dat ondanks de bestaande verschillen in de nationale familierechten er evenwel een toenemende convergentie

Nadere informatie

Faculteit der Rechtsgeleerdheid Amsterdam Center for International Law Postbus 1030 1000 BA Amsterdam

Faculteit der Rechtsgeleerdheid Amsterdam Center for International Law Postbus 1030 1000 BA Amsterdam Faculteit der Rechtsgeleerdheid Amsterdam Center for International Law Postbus 1030 1000 BA Amsterdam T 020 535 2637 Advies Luchtaanvallen IS(IS) Datum 24 september 2014 Opgemaakt door Prof. dr. P.A. Nollkaemper

Nadere informatie

Denklijnen bij culturele dilemma s: Een verkenning van de denklijnen van politiemensen bij culturele dilemma s Inleiding

Denklijnen bij culturele dilemma s: Een verkenning van de denklijnen van politiemensen bij culturele dilemma s Inleiding 3 Denklijnen bij culturele dilemma s: Een verkenning van de denklijnen van politiemensen bij culturele dilemma s Sjiera de Vries en Ronald van der Wal, in samenwerking met Gerrit van Roekel, buro Balans

Nadere informatie

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT VAN 15 SEPTEMBER 2015

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT VAN 15 SEPTEMBER 2015 Not.nr. : GE45.FJ.4277/14-Sw4 RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT VAN 15 SEPTEMBER 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen: Stéphane Michel Christian W., zonder beroep, geboren te Boussu op (

Nadere informatie

INLEIDING: AANLEIDING,

INLEIDING: AANLEIDING, Inhoudsopgave DEEL I INLEIDING: AANLEIDING, DE METHODIEK VAN KLINISCHE- EN COMMUNITY-BASED SOCIOTHERAPIE, THEORETISCH KADER, EERDER UITGEVOERD ONDERZOEK, VRAAGSTELLING EN ONDERZOEKSOPZET 1 Inleiding 1.1

Nadere informatie

INITIATIEFADVIES. betreffende de opmaak van een anti-discriminatie kaderordonnantie in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

INITIATIEFADVIES. betreffende de opmaak van een anti-discriminatie kaderordonnantie in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. INITIATIEFADVIES betreffende de opmaak van een anti-discriminatie kaderordonnantie in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 20 april 2017 Economische en Sociale Raad voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Nadere informatie

Op 25 november heeft de fractie van GroenLinks vragen gesteld over bovengenoemd onderwerp. De vragen beantwoorden wij als volgt.

Op 25 november heeft de fractie van GroenLinks vragen gesteld over bovengenoemd onderwerp. De vragen beantwoorden wij als volgt. Fractie GroenLinks directie/afdeling telefoon mo/veiligheid en wijken 0182-587258 contactpersoon uw kenmerk N.Schaper onderwerp Beantwoording artikel 38 vragen over discriminatie door politie gouda 14

Nadere informatie

KLACHTENREGELING (SEKSUELE) INTIMIDATIE, AGRESSIE, GEWELD EN DISCRIMINATIE VAN DE UNIVERSITEIT LEIDEN

KLACHTENREGELING (SEKSUELE) INTIMIDATIE, AGRESSIE, GEWELD EN DISCRIMINATIE VAN DE UNIVERSITEIT LEIDEN KLACHTENREGELING (SEKSUELE) INTIMIDATIE, AGRESSIE, GEWELD EN DISCRIMINATIE VAN DE UNIVERSITEIT LEIDEN INHOUDSOPGAVE Artikel 1: Artikel 2: Artikel 3: Artikel 4: Artikel 5: Artikel 6: Artikel 7: Artikel

Nadere informatie

Verbinden vanuit diversiteit

Verbinden vanuit diversiteit Verbinden vanuit diversiteit Krachtgericht sociaal werk in een context van armoede en culturele diversiteit Studievoormiddag 6 juni 2014 Het verhaal van Ahmed Een zoektocht met vele partners Partners De

Nadere informatie

LEIDRAAD KLEDING OP SCHOLEN

LEIDRAAD KLEDING OP SCHOLEN LEIDRAAD KLEDING OP SCHOLEN Inleiding De laatste tijd is er veel publiciteit geweest rond scholen die hun leerlingen verboden gezichtsbedekkende kleding of een hoofddoek te dragen. Uit de discussies die

Nadere informatie

deontologische code voor medewerkers

deontologische code voor medewerkers deontologische code voor medewerkers INHOUD Inleiding Loyauteit Samenwerken Klantgerichtheid Objectiviteit Betrouwbaarheid Spreekrecht, spreekplicht en beroepsgeheim Inleiding De waarden van het OCMW van

Nadere informatie

Charter van de Vlaamse Interlevensbeschouwelijke Dialoog

Charter van de Vlaamse Interlevensbeschouwelijke Dialoog Charter van de Vlaamse Interlevensbeschouwelijke Dialoog I. Preambule Levensbeschouwingen zijn waardevol in onze samenleving. Ze zijn een belangrijke zingever voor mensen en dragen bij aan de gemeenschapsvorming.

Nadere informatie

Herstelgericht werken: een politiële tijdsinvestering die opbrengt? STELLINGEN PROJECT: POLITIËLE SCHADEBEMIDDELING EN POLITIE

Herstelgericht werken: een politiële tijdsinvestering die opbrengt? STELLINGEN PROJECT: POLITIËLE SCHADEBEMIDDELING EN POLITIE Herstelgericht werken: een politiële tijdsinvestering die opbrengt? Sigrid Van Grunderbeeck Wim D haese Congres Restorative Policing - Blankenberge 14-15 mei 2009 STELLINGEN Politie moet zich afhouden

Nadere informatie

Subsidiereglement voor het Sociaal Steunfonds vanaf 1 september 2017

Subsidiereglement voor het Sociaal Steunfonds vanaf 1 september 2017 Subsidiereglement voor het Sociaal Steunfonds vanaf 1 september 2017 Goedgekeurd in de gemeenteraad van 22 mei 2017 Bekendgemaakt op 23 mei 2017 Inhoudstafel Artikel 1. Doel... 1 Artikel 2. Doelgroep en

Nadere informatie

GEMEENTERAADSVERKIEZINGEN 2012

GEMEENTERAADSVERKIEZINGEN 2012 BEVRAGING POLITIEKE PARTIJEN GEMEENTERAADSVERKIEZINGEN 2012 Over enkele maanden hebben de burgers van Boom opnieuw het voorrecht om hun vertegenwoordigers in de gemeenteraad te kiezen. De Noord-Zuidraad

Nadere informatie

BondsVademecum. Hoofdstuk Gedragscode JBNleerkrachten

BondsVademecum. Hoofdstuk Gedragscode JBNleerkrachten BondsVademecum Hoofdstuk 5.04 - Gedragscode JBNleerkrachten Datum: 1 september 2009 BondsVademecum hoofdstuk 5.04 - Gedragscode JBN-leerkrachten Pag. 2/5 - - 1 september 2009 GEDRAGSCODE JBN LEERKRACHTEN

Nadere informatie

Op 18 november 2009 heeft het raadslid Flos (VVD) onderstaande motie ingediend:

Op 18 november 2009 heeft het raadslid Flos (VVD) onderstaande motie ingediend: Reactie van het College van B en W op de motie inzake Aanpak Discriminatie Amsterdam (openstellen functies voor iedereen bij ingehuurde organisaties) van het raadslid Flos (VVD) van 18 november 2009. Op

Nadere informatie

ZAKENPARTNER GEDRAGSCODE

ZAKENPARTNER GEDRAGSCODE ZAKENPARTNER GEDRAGSCODE LORD Corporation ( LORD ) zet zich in voor zakendoen met integriteit en hoge ethische normen. Daarnaast verplichten wij onszelf tot de naleving van alle wetgeving en voorschriften

Nadere informatie

Doelgroep onderzoek. Angel Roelofs ( ) G&I1-C Research - Project vrij

Doelgroep onderzoek. Angel Roelofs ( ) G&I1-C Research - Project vrij Doelgroep onderzoek Angel Roelofs (3006410) G&I1-C Research - Project vrij Inhoudsopgave Inleiding Inleiding... 2 Methode... 3 Analyse... 5 Conclusie... 7 Bronvermelding... 8 Het einde van het schooljaar

Nadere informatie

De invloed van Vertrouwen, Relatietevredenheid en Commitment op Customer retention

De invloed van Vertrouwen, Relatietevredenheid en Commitment op Customer retention De invloed van Vertrouwen, Relatietevredenheid en Commitment op Customer retention Samenvatting Wesley Brandes MSc Introductie Het succes van CRM is volgens Bauer, Grether en Leach (2002) afhankelijk van

Nadere informatie

Richtlijnen voor het werken in een multiculturele setting

Richtlijnen voor het werken in een multiculturele setting Richtlijnen voor het werken in een multiculturele setting Quality needs diversity 1. Inleiding Deze richtlijnen zijn een uitwerking van de kernwaarde Ruimte voor talent en groei voor iedereen, onderdeel

Nadere informatie

DISCRIMINATIE OP BASIS VAN HANDICAP EN GEZONDHEIDSTOESTAND IN DE ARBEIDSVERHOUDING

DISCRIMINATIE OP BASIS VAN HANDICAP EN GEZONDHEIDSTOESTAND IN DE ARBEIDSVERHOUDING DISCRIMINATIE OP BASIS VAN HANDICAP EN GEZONDHEIDSTOESTAND IN DE ARBEIDSVERHOUDING Anne RAHMÉ Frank HENDRICKX Othmar VANACHTER Aline VAN BEVER intersentia Antwerpen - Oxford INHOUD VOORWOORD. v HOOFDSTUK

Nadere informatie

CONVENANT. Veiligheid op scholen van het Voortgezet en Middelbaar Beroepsonderwijs in LELYSTAD

CONVENANT. Veiligheid op scholen van het Voortgezet en Middelbaar Beroepsonderwijs in LELYSTAD CONVENANT Veiligheid op scholen van het Voortgezet en Middelbaar Beroepsonderwijs in LELYSTAD Partijen komen het volgende overeen: De scholen zijn op grond van de Wet op de Arbeidsomstandigheden verantwoordelijk

Nadere informatie

6.21. Gedragscode THUIS met zorg Zaanstreek B.V.

6.21. Gedragscode THUIS met zorg Zaanstreek B.V. 6.21. Gedragscode THUIS met zorg Zaanstreek B.V. Inleiding Wij willen graag dat de cliënten van THUIS met zorg Zaanstreek thuiszorg tevreden zijn over de zorg die aan hen wordt geboden. Ook vinden we het

Nadere informatie

Wettelijke kaders & Regelgeving: Handreikingen voor toepassing in de praktijk

Wettelijke kaders & Regelgeving: Handreikingen voor toepassing in de praktijk Wettelijke kaders & Regelgeving: Handreikingen voor toepassing in de praktijk Introductie op Module 4 Training Selecteren zonder Vooroordelen Voor de beste match! Dit opleidingsaanbod is tot stand gekomen

Nadere informatie

FACULTEIT DER LETTEREN EN WIJSBEGEERTE MASTERPROEF GESCHIEDENIS REGLEMENT

FACULTEIT DER LETTEREN EN WIJSBEGEERTE MASTERPROEF GESCHIEDENIS REGLEMENT FACULTEIT DER LETTEREN EN WIJSBEGEERTE MASTERPROEF GESCHIEDENIS REGLEMENT ACADEMIEJAAR 2013-2014 INHOUD 1. De plaats van de Masterproef in de opleiding 3 2. Toelatingsvoorwaarden 3 3. Het onderwerp van

Nadere informatie

ATTITUDES VAN JONGEREN TEN AANZIEN VAN DE POLITIE: EEN VERKENNEND ONDERZOEK NAAR DE (GEPERCIPIEERDE) PROCEDURELE RECHTVAARDIGHEID

ATTITUDES VAN JONGEREN TEN AANZIEN VAN DE POLITIE: EEN VERKENNEND ONDERZOEK NAAR DE (GEPERCIPIEERDE) PROCEDURELE RECHTVAARDIGHEID FACULTEIT RECHTSGELEERDHEID ATTITUDES VAN JONGEREN TEN AANZIEN VAN DE POLITIE: EEN VERKENNEND ONDERZOEK NAAR DE (GEPERCIPIEERDE) PROCEDURELE RECHTVAARDIGHEID Masterproef neergelegd tot het behalen van

Nadere informatie

VOORTGEZET ONDERWIJS MEER DAN HET VOOROORDEEL

VOORTGEZET ONDERWIJS MEER DAN HET VOOROORDEEL VOORTGEZET ONDERWIJS MEER DAN HET VOOROORDEEL 1 Algemene informatie Beste docent, Voor u ligt de toolkit die RADAR voor u heeft ontworpen. Vanuit de resultaten van de Diverscity-meter is deze toolkit voor

Nadere informatie

Standaard Eurobarometer 80. DE PUBLIEKE OPINIE IN DE EUROPESE UNIE Najaar 2013 NATIONAAL RAPPORT BELGIË

Standaard Eurobarometer 80. DE PUBLIEKE OPINIE IN DE EUROPESE UNIE Najaar 2013 NATIONAAL RAPPORT BELGIË Standaard Eurobarometer 80 DE PUBLIEKE OPINIE IN DE EUROPESE UNIE Najaar 2013 NATIONAAL RAPPORT BELGIË Opiniepeiling besteld en gecoördineerd door de Europese Commissie, Directoraat-generaal Communicatie.

Nadere informatie

N. Buitelaar, psychiater en V. Yildirim, psycholoog. Beiden werkzaam bij Altrecht Centrum ADHD Volwassenen.

N. Buitelaar, psychiater en V. Yildirim, psycholoog. Beiden werkzaam bij Altrecht Centrum ADHD Volwassenen. ADHD Wachtkamerspecial Onderbehandeling van ADHD bij allochtonen: kinderen en volwassenen N. Buitelaar, psychiater en V. Yildirim, psycholoog. Beiden werkzaam bij Altrecht Centrum ADHD Volwassenen. Inleiding

Nadere informatie

OMGAAN MET DISCRIMINATIE

OMGAAN MET DISCRIMINATIE OMGAAN MET DISCRIMINATIE Diversiteit: 19 beschermde criteria bepaald door de wet 10/5/2007 Leeftijd Seksuele geaardheid Burgerlijke staat Geloof of levensbeschouwing Vermogen Politieke overtuiging Taal

Nadere informatie

Onderzoek naar vrijwilligerswerk in de sport voor jongeren die leven in maatschappelijk kwetsbare situaties. Kansen tot ontwikkeling?

Onderzoek naar vrijwilligerswerk in de sport voor jongeren die leven in maatschappelijk kwetsbare situaties. Kansen tot ontwikkeling? Onderzoek naar vrijwilligerswerk in de sport voor jongeren die leven in maatschappelijk kwetsbare situaties. Kansen tot ontwikkeling? Doctoraatproefschrift Evi Buelens, onderzoeksgroep Sport & Society,

Nadere informatie

Origine: personen van Noord-Afrikaanse of Turkse origine die zich als gelovig omschrijven en zich het meest verwant voelen met de Islam

Origine: personen van Noord-Afrikaanse of Turkse origine die zich als gelovig omschrijven en zich het meest verwant voelen met de Islam Toelichting Dit rapport geeft een overzicht van de onderzoeksresultaten van de Islamenquête editie 2016, in opdracht van HUMO en VTM Nieuws uitgevoerd door ivox Voor dit onderzoek werden 500 respondenten

Nadere informatie

SEKSISME TEGENGAAN: EEN UITDAGING VOOR DE GELIJKHEID VAN VROUWEN EN MANNEN. Een woordje uitleg bij de wet tegen seksisme in de openbare ruimte

SEKSISME TEGENGAAN: EEN UITDAGING VOOR DE GELIJKHEID VAN VROUWEN EN MANNEN. Een woordje uitleg bij de wet tegen seksisme in de openbare ruimte SEKSISME TEGENGAAN: EEN UITDAGING VOOR DE GELIJKHEID VAN VROUWEN EN MANNEN Een woordje uitleg bij de wet tegen seksisme in de openbare ruimte EEN WET TEGEN SEKSISME, IS DAT NODIG? WAT IS SEKSISME, VOLGENS

Nadere informatie

Protocol ongewenste omgangsvormen

Protocol ongewenste omgangsvormen Protocol ongewenste omgangsvormen Versiebeheer: revisienummer datum omschrijving verandering 4-03-2013 Vaststelling in bestuursvergadering 4 maart 2013, met ingang van 1 maart 2013 Protocol ongewenste

Nadere informatie

Bijzonder procesdoel 3: ontdekken van mensenrechten

Bijzonder procesdoel 3: ontdekken van mensenrechten Bijzonder procesdoel 3: ontdekken van mensenrechten Eerste leerjaar B 3.1. Mijn rechten Beroepsvoorbereidend leerjaar 3.1. Mijn rechten Wie ben ik? * De leerlingen ontdekken wie ze zelf zijn - de mogelijkheden

Nadere informatie

Definities Coach is iemand die coacht, in het bijzonder iemand die dat beroepsmatig doet

Definities Coach is iemand die coacht, in het bijzonder iemand die dat beroepsmatig doet Gingermood Ethische Gedragscode Introductie Het doel van Gingermood s Ethische Gedragscode is de juiste praktijk van een coach op papier te zetten en deze omschrijving te laten dienen als leidraad voor

Nadere informatie

Verklaring omtrent de sociale rechten en de industriële betrekkingen bij LEONI

Verklaring omtrent de sociale rechten en de industriële betrekkingen bij LEONI Verklaring omtrent de sociale rechten en de industriële betrekkingen bij LEONI Preambule LEONI legt aan de hand van deze verklaring de principiële sociale rechten en beginselen vast. Deze vormen de basis

Nadere informatie

Journalistiek en radicalisering Wat is het verband?

Journalistiek en radicalisering Wat is het verband? Journalistiek en radicalisering Wat is het verband? Omgaan met radicalisering Doelen Deze aanbevelingen zijn bedoeld voor journalisten. Het is niet uw taak om de samenleving te veranderen of om radicalisering

Nadere informatie

Gedragscode. SCA Gedragscode

Gedragscode. SCA Gedragscode SCA Gedragscode 1 Gedragscode SCA Gedragscode SCA wil op sociaal- en milieutechnisch verantwoorde wijze omgaan met haar belanghebbenden en op basis van respect, verantwoordelijkheid en uitmuntendheid een

Nadere informatie

Rapport. Datum: 29 november 2001 Rapportnummer: 2001/374

Rapport. Datum: 29 november 2001 Rapportnummer: 2001/374 Rapport Datum: 29 november 2001 Rapportnummer: 2001/374 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat het regionale politiekorps Limburg-Noord onvoldoende onderzoek heeft verricht naar aanleiding van zijn aangifte

Nadere informatie

De Vlaamse overheid b(r)ouwt een diverse werkvloer

De Vlaamse overheid b(r)ouwt een diverse werkvloer De Vlaamse overheid b(r)ouwt een diverse werkvloer Holebi s & transgenders als collega s DIENST DIVERSITEITSBELEID Resultaten online enquête Om de situaties van homo s, lesbiennes, biseksuelen (holebi

Nadere informatie

STUDIEGEBIED ALGEMENE VORMING

STUDIEGEBIED ALGEMENE VORMING STUDIEGEBIED ALGEMENE VORMING Modulaire opleiding Economie - Moderne Talen AO AV 006 Versie 1.0 BVR Pagina 1 van 28 Inhoud Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap 23 november 2006 1 Deel 1 Opleiding... 5

Nadere informatie

Gedragscode ter voorkoming van ongewenst gedrag

Gedragscode ter voorkoming van ongewenst gedrag Gedragscode ter voorkoming van ongewenst gedrag Kinderdagverblijf Eigenwijs, handelend onder Vertah BV, verder te noemen organisatie: hanteert deze Gedragscode ter voorkoming van ongewenst gedrag voor

Nadere informatie

Rapport. Datum: 16 juli 2010. Rapportnummer: 2010/207

Rapport. Datum: 16 juli 2010. Rapportnummer: 2010/207 Rapport Rapport over een klacht van mevrouw Z. uit Rotterdam over het regionale politiekorps Utrecht. De klacht is ingediend door de heer mr. E.T. Hummels en mevrouw mr. M.H.P.G. Wiertz, Advocaten en Procureurs

Nadere informatie

Global Policy. Responsible Party: Director, Global Compliance & Ethics Programs. Conflict Of Interest. Title: Next Review Date:

Global Policy. Responsible Party: Director, Global Compliance & Ethics Programs. Conflict Of Interest. Title: Next Review Date: oktober 2018 Issue oktober 2016 Page: 1 of 5 I. DOEL Als medewerkers en leden van de raad van commissarissen van Modine zijn wij jegens Modine Manufacturing Company en dochterondernemingen (gezamenlijk

Nadere informatie

voor organen voor de bevordering van gelijke behandeling

voor organen voor de bevordering van gelijke behandeling 2016 NL Normen ontwikkelen voor organen voor de bevordering van gelijke behandeling EEN WERKDOCUMENT VAN EQUINET INLEIDING EQUINET, HET EUROPEES NETWERK VAN ORGANEN VOOR DE BEVORDERING VAN GELIJKE BEHANDELING

Nadere informatie

5. Verzoeker kon zich niet vinden in de reactie van W. en wendde zich bij brief van 26 januari 2009 tot de Nationale ombudsman.

5. Verzoeker kon zich niet vinden in de reactie van W. en wendde zich bij brief van 26 januari 2009 tot de Nationale ombudsman. Rapport 2 h2>klacht Verzoeker klaagt erover dat een ambtenaar van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond zich, nadat verzoeker om een legitimatie had gevraagd, niet kon legitimeren. Beoordeling

Nadere informatie

Pizza Verdi. Opdrachtenblad. Regie: Gary Nadeau Jaar: 2011 Duur: 8 minuten

Pizza Verdi. Opdrachtenblad. Regie: Gary Nadeau Jaar: 2011 Duur: 8 minuten Pizza Verdi Regie: Gary Nadeau Jaar: 2011 Duur: 8 minuten Opdrachtenblad Lesuurpakket Pizza Verdi (thema s: sociale verschillen, stereotyperingen/vooroordelen; verdiepingsopdracht Amerikaanse burgerrechten)

Nadere informatie

GEDRAGSCODE voor patiënten en bezoekers

GEDRAGSCODE voor patiënten en bezoekers GEDRAGSCODE voor patiënten en bezoekers de regels, de toelichting, de actie bij overtreding juni 2010 Bergen op Zoom, juni 2010 Het Lievensberg ziekenhuis wil graag een gastvrij ziekenhuis voor zijn patiënten

Nadere informatie

Dit is een rollenspel dat de volgende thema s behandelt: geweld tussen individuen, pesten.

Dit is een rollenspel dat de volgende thema s behandelt: geweld tussen individuen, pesten. Kan het anders? (Uit: Kompas) Dit is een rollenspel dat de volgende thema s behandelt: geweld tussen individuen, pesten. Behandelende onderwerpen het recht veilig in vrijheid te leven het recht op respect

Nadere informatie

Eindexamen havo maatschappijwetenschappen pilot 2014-II

Eindexamen havo maatschappijwetenschappen pilot 2014-II Aanwijzing voor de kandidaat Als in een vraag staat dat je een hoofd- of kernconcept moet gebruiken, dan gebruik je in het antwoord die elementen uit de omschrijving van het hoofd- of kernconcept die nodig

Nadere informatie

Opgave 1 Agressie op het sportveld

Opgave 1 Agressie op het sportveld Opgave 1 Agressie op het sportveld 1 maximumscore 3 uitvoerende macht (één van de volgende): 1 politie/openbaar Ministerie/officier van justitie/minister van Veiligheid en Justitie met als taak het opsporen

Nadere informatie

Generation What? 1 : Vertrouwen in de instellingen

Generation What? 1 : Vertrouwen in de instellingen Generation What? 1 : Vertrouwen in de instellingen Inleiding De mate van vertrouwen van burgers in de overheid en maatschappelijke instellingen werd al vaker de toetssteen van de democratie genoemd: daalt

Nadere informatie