MEDIARIJKHEIDSTHEORIE EN TAAKCOMPLEXITEIT

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "MEDIARIJKHEIDSTHEORIE EN TAAKCOMPLEXITEIT"

Transcriptie

1 MEDIARIJKHEIDSTHEORIE EN TAAKCOMPLEXITEIT Van der Drift, Esther, Universiteit Utrecht, , Van de Waerdt, Twan, Universiteit Utrecht, , Van Angeren, Joey, Universiteit Utrecht, , Ekelschot, Koen, Universiteit Utrecht, , Omta, Wienand, Universiteit van Amsterdam, F052744, Abstract De mediarijkheidstheorie zegt dat, afhankelijk van de taakcomplexiteit, een bepaald medium het meest geschikt is. Deze theorie is echter nog onvolledig en op sommige punten ambigu. In dit onderzoek proberen we de verschillende aspecten van taken in kaart te brengen en zo duidelijkheid te verschaffen in deze theorie. Dit vormt de wetenschappelijke relevantie van het onderzoek. Tijdens het onderzoek werden respondenten een aantal probleemstellingen voorgelegd, deze probleemstellingen hadden een verschillende taakcomplexiteit. De respondenten gaven aan hoe geschikt een medium hen leek om het scenario mee op te lossen. Door de antwoorden te vergelijken is onderzocht of de taakcomplexiteit invloed heeft op de mediumkeuze. Ook werd onderzocht of de affiniteit van een respondent met een bepaald medium invloed heeft op de mediumkeuze bij de scenario s. Na het toetsen van de correlatie tussen de affiniteit en de mediumkeuze bleek dit niet het geval te zijn. Na het analyseren van de testresultaten werd geconcludeerd dat de taakkenmerken invloed hebben op de taakcomplexiteit en dat de taakcomplexiteit vervolgens invloed uitoefent op de mediumkeuze. De resultaten van het onderzoek kunnen door instellingen aangewend worden indien er een medium gekozen moet worden voor een taak met verschillende taakkenmerken. Keywords: mediarijkheid, taakcomplexiteit, affiniteit, mediumkeuze

2 1 INTRODUCTIE De Mediarijkheidstheorie, ook wel Informatierijkheidstheorie genoemd, is een framework dat kan worden gebruikt om een communicatiemedium te beschrijven door te kijken naar de mogelijkheid de verzonden informatie te reproduceren. De Mediarijkheidstheorie zegt dat hoe meer ambigue en onzekerder een taak is, hoe rijker het medium moet zijn om de informatie te kunnen verzenden. In essentie wordt gesteld dat een rijkere, persoonlijkere vorm van communicatie meer effectief zal zijn dan de simpelere, minder rijke media. Neem als voorbeeld een vergadering van een bedrijf met participanten die zich op meerdere plaatsen op de wereld bevinden. Via de telefoon (een conference call) kan men minder informatie overbrengen dan wanneer men face-to-face zou communiceren, via de telefoon kan men immers geen visuele cues overbrengen. Wellicht zou in zo n geval bijvoorbeeld voor een videoconferentie kunnen worden gekozen. Figuur 1 Een schematisch overzicht van de Mediarijkheidstheorie. Informatierijkheid wordt door Daft en Lengel gedefinieerd als de mogelijkheid van informatie om te veranderen van betekenis binnen een bepaalde tijd. Volgens Daft en Lengel (1986) wordt mediarijkheid bepaald door (1) de mate waarin directe feedback gegeven kan worden, (2) het aantal cues en kanalen dat beschikbaar is, (3) taalvariatie en (4) de mate waarin de boodschap is toegespitst op de ontvanger. De Mediarijkheidstheorie wordt vooral toegepast om een zo effectief mogelijke manier van communicatie te bewerkstelligen. Dit gebeurt overigens voor het merendeel onbewust. Volgens de theorie kan en moet de zender altijd het best passende medium kiezen om een boodschap te verzenden. In de realiteit kiest men vaak voor een minder geschikt medium (om verschillende redenen als tijd, geld of gebrek aan kennis). Naast effectiviteit speelt dus ook efficiëntie een rol, maar daar richt dit onderzoek zich niet op. De doelstelling van het onderzoek is het aanscherpen van enkele zwakke punten in de Mediarijkheidstheorie, te weten: Taakcomplexiteit: wat wordt verstaan onder een complexe taak? Welke eigenschappen heeft een complexe of minder ingewikkelde taak en hoe test je deze? Deze vraag is van belang omdat we een

3 vergelijkingsbasis moeten hebben tussen complexe en minder complexe taken, om zo een verschil waar te kunnen nemen in de mediumkeuze. Nieuwe media: geldt face-to-face nog wel als het rijkste medium met alle nieuwe technieken? De Mediarijkheidstheorie is gedateerd, wij willen onderzoeken of de opkomst van nieuwe, voornamelijk digitale media de rijkheid van de oorspronkelijke media heeft aangetast. Ervaring: heeft ervaring met een taak invloed op de keuze van het medium? En ervaring met het medium? Ook dit is een factor die de oorspronkelijke theorie niet volledig dekt. Als de affiniteit van een persoon met een bepaald medium hoger ligt dan de andere media, zal hij dat medium dan ook vaker toepassen? Rijkheid: hoe classificeer je rijkheid eigenlijk? Is er wel een rijkste medium? Combinatie: kun je soms niet beter meerdere media gebruiken voor een taak dan je te concentreren op één enkel medium? 1 Veel vragen met maar weinig antwoorden. Het is in dit tijdsbestek niet mogelijk een antwoord te verkrijgen op al deze vragen en daarom is er gekozen voor één deelonderwerp: taakcomplexiteit. Dit omdat taakcomplexiteit volgens de mediarijkheid theorie de keuze van het medium bepaalt en dus de belangrijkste steunpilaar is van de theorie. Als wij de theorie willen aanscherpen zullen we ons voornamelijk toe moet leggen op de basis van de theorie. Het onderzoek is vooral wetenschappelijk relevant, hoewel niet betekent is dat er geen gebruik van kan worden gemaakt in de praktijk. Het gaat er met name om de theorie bij te stellen zodat deze helder genoeg is om in principe voor elke taak het juiste medium te kunnen kiezen. De overkoepelende vraag voor het onderzoeksonderwerp is de volgende: Welk medium is het meest geschikt bij welke taakcomplexiteit met welke kenmerken? Omdat de rijkheid van een medium en de taakcomplexiteit lastig zijn te meten, wordt de nadruk gelegd op de taakkenmerken. Deze taakkenmerken worden onderzocht door proefpersonen scenario s voor te leggen waarbij steeds de taakkenmerken variëren. Daaruit wordt afgeleid welke eigenschappen belangrijk zijn bij de keuze voor een medium. Wanneer een medium rijker is dan een andere wordt verder niet onderzocht. Daar is al veel onderzoek naar gedaan en is eigenlijk een onderzoek op zichzelf. Gebaseerd op de rangschikking volgens Newberry (2001) maakten we de volgende indeling: 1. Face-to-face (F2F) 2. Telefoon 3. Instant Messenger (IM) 4. Short Messaging Service (SMS) 5. Maar dit betekent niet dat het rijkste medium altijd de beste keuze zal zijn. Een minder rijk medium kan eigenschappen hebben die op dat moment geschikter zijn (Newberry, 2001). 1 Afgeleid van de taakkenmerken uit:

4 2 ONDERZOEKSOPZET Het onderzoek zal worden uitgevoerd door proefpersonen een enquête voor te leggen die bestaat uit verschillende scenario s. Een scenario is een probleemstelling die bestaat uit een aantal taakkenmerken. De respondenten geven bij elk scenario aan hoe geschikt een medium is om de probleemstelling op te lossen. Door afzonderlijk deze taakkenmerken te variëren kan onderzocht worden of de toe- of afgenomen taakcomplexiteit invloed heeft op de mediumkeuze. Deze taakkenmerken zijn: Urgentie: wanneer moet de boodschap aankomen of worden verzonden? Hierbij is het belangrijk of er direct feedback nodig is. Belang: heeft de zender of ontvanger belang bij het zenden of ontvangen van de boodschap? Frequentie: hoe vaak moet de boodschap worden verzonden en naar hoeveel personen? Naarmate dezelfde taak vaker uitgevoerd moet worden, kan het zijn dat de complexiteit hiervan lager wordt. Risico: wat gebeurt er als de boodschap niet (juist) aankomt? Helderheid: hoe helder is de boodschap die verzonden wordt? Is er nog ruimte voor verschillende interpretaties? Het gekozen medium moet alle informatie kunnen overbrengen die verstuurd wordt. De ontvanger moet uiteindelijk dezelfde interpretatie hebben als de zender. Vertrouwelijkheid: hoe gevoelig ligt de te verzenden informatie? Mogen anderen ook de inhoud ervan weten? Emotie: hoe emotioneel geladen is het bericht dat verzonden wordt? Relatie: kennen de zender en ontvanger elkaar persoonlijk? Er is voor gekozen om slechts twee van deze taakkenmerken toe te passen in het survey, te weten urgentie en helderheid. Indien alle kenmerken gebruikt zouden worden zou het survey te lang worden. De variabelen urgentie en helderheid zijn het makkelijkst toe te passen in een scenario. Wij verwachten dat de reactie op deze variabelen algemener zal zijn dan bijvoorbeeld een verandering in de variabele emotie, waar een subjectievere reactie wordt verwacht. Uit de theorie is het volgende conceptuele model ontstaan: Figuur 2 Het (conceptueel) model dat we in dit onderzoek toetsen.

5 De twee verticale pijlen die naar Medium wijzen zijn de eerste twee hypotheses die we willen toetsen. We benadrukken hierbij dat urgentie en helderheid slechts twee van de variabelen zijn die van invloed zijn op de taakcomplexiteit. Er zijn er nog meer, maar wij toetsen enkel: En: H1: Er is een samenhang tussen de mate van urgentie in een taak en de keuze van het medium. H2: Er is een samenhang tussen de mate van helderheid in een taak en de keuze van het medium. De horizontale pijl die naar Medium wijst stelt de laatste hypothese voor: H3: Er is samenhang tussen de affiniteit met een medium en de keuze van het medium voor een taak. De variabelen urgentie en helderheid worden in een bepaalde combinatie (laag/laag, laag/hoog, hoog/laag en hoog/hoog) verwerkt in de verschillende scenario s. Als bijvoorbeeld blijkt dat hetzelfde medium wordt gekozen bij zowel een lage als een hoge urgentie is er dus geen sprake van samenhang tussen urgentie en vookeur voor het medium (en moet de hypothese worden bijgesteld of verworpen). De affiniteit met een medium is de mate waarin iemand zal kiezen voor dit medium als gevolg van veel gebruik, gemak, snelheid enzovoort. We verwachten dat iemand die een grote affiniteit heeft met bijvoorbeeld SMS dit medium als rijker zal ervaren en daarom vaker voor dit medium kiezen bij de uitgewerkte scenario s. Vervolgens kijken we in welke mate de taakcomplexiteit van invloed is op de keuze van het medium. We denken dat hoe meer een variabele een rol speelt in een scenario, hoe hoger de taakcomplexiteit en hoe rijker het medium dus moet zijn. Uit het onderzoek moet uiteraard blijken of dit ook daadwerkelijk het geval is.

6 3 METHODE De onderzochte eenheden zijn studenten die het vak Wetenschappelijke Onderzoeksmethoden volgen (ongeveer 60 individuen). Het onderzoek zal maar één keer worden afgenomen per persoon binnen de tien weken die voor dit vak staan. Het onderzoek zal binnen de muren van de Universiteit Utrecht worden afgenomen. Indien mogelijk wordt het onderzoek afgenomen wanneer er college wordt gegeven zodat alle studenten bij elkaar zijn, zo niet dan zal er buiten de college-uren een locatie worden gekozen waar het onderzoek zal worden afgenomen. Het onderzoek is een zogenaamde gelegenheidssteekproef. Dat is een type steekproef die gekenmerkt wordt door het feit dat de respondenten personen zijn die voor de onderzoekers toevallig voor handen zijn. In het dit geval dus de overige studenten van het vak Wetenschappelijke Onderzoeksmethoden. Dit type onderzoek is in principe onzuiver, de ondervraagde groep zal niet representatief zijn voor de gehele populatie (iedere informatieverzender). Door tijdsgebrek was het echter niet mogelijk een ander type enquête af te nemen. Een enquête is een veelgebruikte vorm van onderzoek. In ons geval lijkt dit ons eveneens de beste keuze. We kiezen voor een schriftelijke invullijst om werk te besparen. Er is geen sprake van routing; de enquêtes zijn steeds hetzelfde (gestandaardiseerd) zodat verschillen geminimaliseerd worden en er is maar één weg door de vragen. Het onderzoek bevat veel vragen met ieder een eigen schaal. Om het geheel niet al te onrustig voor het oog te maken kiezen we voor een simpel kleurschema en worden de items die bij elkaar horen gegroepeerd. Zo wordt niet alleen de concentratie van de proefpersonen bevorderd, maar ook de verwerking van de enquêtes voor de onderzoekers. Na aanleiding van opmerkingen van andere studenten uit de werkcollegegroep zijn er nog enkele wijzigingen doorgevoerd, te weten: een afleidend plaatje verwijderd, schalen consistent toegepast en extra vragen toegevoegd. We kiezen ervoor enquêtes waarin (selectieve) non-respons voorkomt gewoon te verwerken. De steekproef is groot genoeg om ervoor te zorgen dat non-respons geen grote invloed zal hebben. Om te bepalen welk medium de respondenten het meest geschikt vinden bij een bepaalde taakcomplexiteit, werden vier scenario s voorgelegd. Deze scenario s verschillen van elkaar in urgentie en helderheid. Scenario 1 heeft een hoge urgentie en een hoge helderheid. Scenario 2 heeft een lage urgentie en een lage helderheid. Scenario 3 heeft een hoge urgentie en een lage helderheid. Scenario 4 heeft een lage urgentie en een hoge helderheid. Om te bepalen hoe de respondenten over bepaalde media denken, werden per medium vier stellingen voorgelegd. De antwoorden op deze stellingen beslaan een schaal van één tot zeven waarbij één staat voor niet waar en zeven voor waar.

7 4 RESULTATEN EN ANALYSE 4.1 Frequentie van de media in de scenario s Uit de antwoorden die door de respondenten werden gegeven bij de scenario s (zie Bijlagen Frequentietabellen mediumkeuze) valt het volgende op te maken: 1. Bij een hoge urgentie en een hoge helderheid (scenario 1) kiest men voor bellen, Instant Messenger en SMS. 2. Bij een lage urgentie en een lage helderheid (scenario 2) kiest men voor face-to-face en e- mail. 3. Bij een hoge urgentie en een lage helderheid (scenario 3) kiest men voor face-to-face en Instant Messenger. 4. Bij een lage urgentie en een hoge helderheid (scenario 4) kiest men voor face-to-face en bellen. Deze resultaten komen grotendeels overeen met de verwachtingen. Als er sprake is van een lage helderheid kiest men voor face-to-face communicatie, hetgeen logisch is aangezien de taakcomplexiteit in dat geval ook hoger is. Ook kiest men bij een lage urgentie voor face-to-face, wat ook niet verrassend is, je hebt immers nog alle tijd om iemand toevallig tegen het lijf te lopen en hem/haar dan iets te zeggen. De urgentie heeft blijkbaar niet zo veel invloed op de complexiteit van de taak. Is er sprake van een hoge urgentie, dan kiest men voor een instant messaging programma. Dit ligt niet geheel in de lijn der verwachting, de ontvanger moet immers wel online zijn en dat is lang niet altijd het geval. Bij een hoge helderheid kiest men voor bellen. Wat verklaard kan worden doordat de complexiteit bij een lage urgentie niet hoog is. Om visueel overzicht te krijgen van de resultaten van de enquête is er een pentagon gemaakt. De figuur is ontstaan door door de frequenties van de scores per medium per scenario bij elkaar op te tellen en deze te vermenigvuldigen met de score op de schaal (1 t/m 7). In sommige gevallen was de enquête slechts gedeeltelijk ingevuld. Daarom is er een herberekening gemaakt waarin de totale score gedeeld is door het aantal werkelijke respondenten en vervolgens weer vermenigvuldigd met 60 (het volledige aantal respondenten). Face-to-face Telefoon IM SMS Scenario Scenario Scenario Scenario Tabel 1 Waarden gebruikt voor de pentagon en vierhoek. De scenario s hielden het volgende in: Scenario 1: Je studiemaatje was afwezig bij het college, net toen je docent vertelde dat het hoorcollege morgen op een andere locatie zou zijn. Dat heeft hij/zij dus niet meegekregen. Je wilt hem/haar vóór morgen nog doorgeven waar er wel college gegeven wordt. Scenario 2: Je moet met een groepje mensen van je studie afspreken hoe jullie de taken voor de komende weken gaan verdelen. De taken staan nog niet helemaal vast, er moet dus nog overlegd worden. Scenario 3: Je hebt over enkele dagen een tentamen en wil als voorbereiding met een medestudent nog de antwoorden van een proeftentamen vergelijken en bespreken.

8 Scenario 4: Je hebt volgende maand afgesproken met een vriend(in) te gaan stappen in Utrecht. Je ziet echter in je agenda staan dat je diezelfde avond een verjaardag hebt waar je wel heen moet. Je wil de afspraak dus afzeggen/verzetten. Figuur 3 Pentagon met op de assen de media waartegen de scenario s zijn uitgezet. Uit deze afbeelding kunnen direct al enkele conclusies worden afgeleid, hoewel dat natuurlijk nog niet betekend dat deze ook significant verschillen. De gekozen media bij scenario 1 lijken ongeveer evenredig verspreid terwijl er bij scenario 2 en 3 veel grotere verschillen te onderscheiden zijn. Respectievelijk lijkt de voorkeur uit te gaan naar face-to-face en , en krijgt face-to-face eveneens de preferentie in scenario 3. Het laatste scenario is weer wat meer evenredig verspreid, maar helt toch nog een beetje richting face-to-face en bellen. Om overzicht te krijgen van de invloed van de twee onderzochte factoren urgentie en helderheid is er ook een vierhoek gemaakt. Hierbij staan op de assen de scenario s met bijbehorende lage of juist hoge factor, en zijn de media hiertegen afgezet. Dit is gedaan met dezelfde informatie, maar geeft toch enkele andere inzichten in de resultaten.

9 Figuur 4 Vierhoek met op de assen de scenario s waartegen de media zijn uitgezet. Nu kan er in één oogopslag afgeleid worden dat in het geval dat er sprake is van een lage urgentie en een lage helderheid, face-to-face de beste keuze is, op de voet gevolgd door . Volgens onze verwachtingen zou bellen ook hoog gescoord moeten hebben, maar dat valt tegen. SMS, Instant Messenger en telefoon zijn alledrie erg geschikt voor scenario s met een hoge urgentie en een hoge helderheid. In scenario 3 krijgt face-to-face opnieuw de voorkeur, en in scenario 4 faceto-face en telefoon. Dit laatste is opnieuw opvallend omdat men zou verwachten dat bij een hoge helderheid en lage urgentie juist een geschikte keuze zou zijn; maar deze neemt de laatste plaats in op het scenario. Face-to-face lijkt dus voor alle geschetste scenario s een goede keuze te zijn, ongeacht of deze taken verschillen in urgentie of helderheid. Dit is tevens het enige medium dat op alle gebieden goed scoort; de andere media hebben een ongelijkere spreiding. 4.2 Invloed van urgentie en helderheid op de mediumkeuze Om te toetsen of er zo n invloed bestaat tussen de taakkenmerken en de mediumkeuze werd er een aantal paired samples T-toetsen (een statistische toets die twee gemiddelden uit dezelfde steekproef vergelijkt) uitgevoerd om de gemiddelde scores per medium in verschillende scenario s te vergelijken en te zien of hier al dan niet een significant verschil in te bemerken is. Om erachter te komen of één van de twee taakkenmerken een invloed heeft op de taakcomplexiteit zullen de scores per medium voor respectievelijk een hoge en een lage urgentie en een hoge en een lage helderheid vergeleken worden, hiervoor wordt steeds de gemiddelde score van een bepaald medium voor twee scenario s (hoge urgentie/helderheid) tegenover de gemiddelde score van de twee andere scenario s gezet (lage urgentie/helderheid). Bij urgentie zullen bijvoorbeeld de gemiddelde scores van scenario één en drie gemiddeld worden en die van twee en vier, immers scenario één heeft een hoge urgentie en een hoge helderheid, terwijl scenario drie een hoge urgentie en een lage helderheid heeft. Het

10 significantieniveau wordt vastgesteld op α =.05. Als het geobserveerde verschil bij tweezijdige toetsing een waarschijnlijkheid heeft die kleiner is dan.05 dan is er sprake van een significant verschil en kan er dus geconcludeerd worden dat taakkenmerk X voor een bepaald medium invloed heeft op de taakcomplexiteit. Allereerst is de invloed van urgentie onderzocht, er is een vijftal paired samples T-toesten uitgevoerd met de eerder beschreven gemiddelden. Uit de uitgevoerde paired samples T-toetsen kwamen de volgende resultaten: Hoge urgentie Lage urgentie Waardering face-to-face 5,35(1,18) 5,79(1,19) Tabel 2: Waardering voor het medium face-to-face in relatie met het een hoge dan wel lage urgentie (score minimaal 1 maximaal 7; standaardafwijking staat tussen haakjes). De gemiddelden bij respectievelijk een hoge en een lage urgentie verschillen significant (t(48) = 2,985, p <.005). Hoge urgentie Lage urgentie Waardering telefoon 4,89(1,47) 4,78(1,15) Tabel 3: Waardering voor het medium telefoon in relatie met het een hoge dan wel lage urgentie (score minimaal 1 maximaal 7; standaardafwijking staat tussen haakjes). De gemiddelden bij respectievelijk een hoge en een lage urgentie verschillen niet significant (t(48) = 0,634, p =.529). Hoge urgentie Lage urgentie Waardering instant messenger 5,21(1,40) 4,63(1,45) Tabel 4: Waardering voor het medium instant messenger in relatie met het een hoge dan wel lage urgentie (score minimaal 1 maximaal 7; standaardafwijking staat tussen haakjes). De gemiddelden bij respectievelijk een hoge en een lage urgentie verschillen significant (t(48) = 3,121, p <.005). Hoge urgentie Lage urgentie Waardering SMS 3,80(0,86) 3,45(1,38) Tabel 5: Waardering voor het medium SMS in relatie met het een hoge dan wel lage urgentie (score minimaal 1 maximaal 7; standaardafwijking staat tussen haakjes). De gemiddelden bij respectievelijk een hoge en een lage urgentie verschillen niet significant (t(48) = 1,935, p =.059). Hoge urgentie Lage urgentie Waardering 4,11(1,45) 4,61(1,16) Tabel 6: Waardering voor het medium in relatie met het een hoge dan wel lage urgentie (score minimaal 1 maximaal 7; standaardafwijking staat tussen haakjes). De gemiddelden bij respectievelijk een hoge en een lage urgentie verschillen niet significant (t(48) = 2,115, p <.05).

11 Uit de resultaten van de paired samples T-toetsen blijkt dat er bij face-to-face, instant messenger en e- mail een significant verschil tussen de twee gemiddelden is (het geobserveerde verschil bij tweezijdige toetsing heeft een kleinere waarschijnlijkheid dan α), urgentie heeft dus een invloed op de mediumkeuze voor deze drie media. Voor telefoon en SMS is dit echter niet het geval, de waarschijnlijkheid ligt vooral bij telefonisch contact flink hoger dan de vooraf vastgestelde α. Om de invloed van helderheid te toetsen is uiteraard voor dezelfde aanpak gekozen. Hoge helderheid Lage helderheid Waardering face-to-face 4,66(1,67) 6,38(0,86) Tabel 7: Waardering voor het medium face-to-face in relatie met het een hoge dan wel lage helderheid (score minimaal 1 maximaal 7; standaardafwijking staat tussen haakjes). De gemiddelden bij respectievelijk een hoge en een lage helderheid verschillen significant (t(48) = 7,175, p <.001). Hoge helderheid Lage helderheid Waardering telefoon 5,93(1,12) 3,73(1,70) Tabel 8: Waardering voor het medium telefoon in relatie met het een hoge dan wel lage helderheid (score minimaal 1 maximaal 7; standaardafwijking staat tussen haakjes). De gemiddelden bij respectievelijk een hoge en een lage helderheid verschillen significant (t(48) = 9,044, p <.001). Hoge helderheid Lage helderheid Waardering instant messenger 5,18(1,36) 4,66(1,52) Tabel 9: Waardering voor het medium instant messenger in relatie met het een hoge dan wel lage helderheid (score minimaal 1 maximaal 7; standaardafwijking staat tussen haakjes). De gemiddelden bij respectievelijk een hoge en een lage helderheid verschillen significant (t(48) = 2,646, p <.05). Hoge helderheid Lage helderheid Waardering SMS 5,24(1,23) 2,00(1,20) Tabel 10: Waardering voor het medium SMS in relatie met het een hoge dan wel lage helderheid (score minimaal 1 maximaal 7; standaardafwijking staat tussen haakjes). De gemiddelden bij respectievelijk een hoge en een lage helderheid verschillen significant (t(48) = 15,317, p <.001). Hoge helderheid Lage helderheid Waardering 4,24(1,35) 4,48(1,34) Tabel 11: Waardering voor het medium in relatie met het een hoge dan wel lage helderheid (score minimaal 1 maximaal 7; standaardafwijking staat tussen haakjes). De gemiddelden bij respectievelijk een hoge en een lage helderheid verschillen niet significant (t(48) = 0,935, p =.354). Uit de resultaten blijkt dat alleen het verschil in gemiddelden bij niet significant is, het ligt zelfs

12 beduidend hoger dan het vooraf gestelde significantieniveau, helderheid heeft kennelijk geen invloed bij de keuze voor in dit onderzoek. 4.3 Affiniteit met media: Cronbach s alpha Om te bepalen hoe de respondenten over bepaalde media denken, werden per medium vier stellingen voorgelegd. De antwoorden op deze stellingen beslaan een schaal van één tot zeven waarbij één staat voor niet waar en zeven voor waar. Om de interne consistentie van de aan de respondenten voorgelegde stellingen te bepalen, is hier van een Cronbach s alpha berekend (zie Bijlagen resultaten Cronbach s alpha). Uit de evaluatie hiervan bleek dat voor alle media behalve de score onvoldoende was. Strikt gezien is ook de score van onvoldoende, deze is namelijk kleiner dan.70. Echter is dit vrij streng bij vier tot zes vragen. Wat we wilden onderzoeken is of er een verband aangetoond kon worden tussen de door de respondenten aangegeven wenselijkheid van een medium en de door de respondenten aangeven mate van geschiktheid van een medium om een bepaalde taak te voltooien. Korter gezegd, wordt de mediumkeuze bij de scenario s beïnvloed door de preferentie van de respondenten? Dit verband wilden wij onderzoeken door de vragen op de eerste pagina van de enquête, die m.b.v. een Likert schaal de gewenstheid van een medium aangeven, te vergelijken met de uitkomst van de geschiktheid per medium bij elk probleemscenario. Omdat de scores van de Cronbach s alpha te laag waren, mochten de antwoorden van de stellingen niet zomaar bij elkaar opgeteld worden. Per medium is daarom van de twee meest representatieve vragen het gemiddelde bepaald. Ook is voor elk medium bij de scenario s het gemiddelde bepaald. Tussen deze twee gemiddelden is vervolgens de correlatie bepaald. Hierbij dient wel te worden vermeldt dat de stellingen die in negatieve vorm zijn gesteld zijn gehercodeerd. Hieruit ontstonden de volgende correlaties: 1. Instant Messenger 0,40 2. Telefoon 0,30 3. SMS 0,24 4. Face-to-face 0, ,03

13 5 CONCLUSIES 5.1 Hypothese H1 De hypothese Er is een samenhang tussen de mate van urgentie in een taak en de keuze van het medium wordt onderbouwd door onze resultaten. In een situatie waar urgentie een belangrijke rol speelt is er een significante invloed op de bepaling welk medium wordt gebruikt. Hier gaat het respectievelijk om de media face-to-face, instant messenger en Hypothese H2 De hypothese Er is een samenhang tussen de mate van helderheid in een taak en de keuze van het medium wordt door onze resultaten onderbouwd. In een situatie waar helderheid een belangrijke rol speelt is er een significante invloed op de bepaling welk medium wordt gebruikt. Het gaat hier respectievelijk om de media face-to-face, instant messenger, bellen en sms. Helderheid heeft een verwaarloosbare invloed op de keuze of het medium wordt gebruikt dan wel niet. Verder blijkt uit Hypothese 1 en 2 dat face-to-face is een all-round communicatiemedium is. Dat wil zeggen: face-to-face kwam in het onderzoek Mediarijkheid & Taakcomplexiteit naar voren als een communicatiemedium dat vrijwel in elke situatie is in te zetten. Niet helemaal onverklaarbaar vanwege het feit dat face-to-face een rijk medium is door middel van gezichtsexpressies en de nonverbale communicatie. Tevens is face-to-face het oudste menselijke communicatiemiddel. (Ned Kock, 2005) 5.3 Hypothese H3 De hypothese De affiniteit met een bepaald medium is van invloed op de mediumkeuze wordt door onze resultaten niet onderbouwd. De gevonden correlatie was bij ieder medium dusdanig verschillend dat er geen eenduidig verband aan te tonen is. Wanneer er voorkeur is voor een bepaald medium volgens een participant van het onderzoek Mediarijkheid & Taakcomplexiteit wordt dit medium in principe niet geschikter bevonden om een taak op te lossen. Hieruit zou gegeneraliseerd kunnen worden dat wanneer iemand meer affiniteit/ervaring heeft met een bepaald medium hij/zij dit medium niet gaat zien als een rijker medium ten aanzien van de schaal van de Mediarijkheidstheorie. 5.4 Limitaties van het onderzoek Binnen het onderzoek van Mediarijkheid & Taakcomplexiteit is het onderzoek beperkt tot slechts 60 informatiekundestudenten. De resultaten van het onderzoek zijn dan ook wellicht niet generaliseerbaar naar de gehele populatie studenten of zelfs de hele wereldpopulatie. Een tweede beperking aan het onderzoek is het tijdsbestek waarbinnen dit onderzoek moest plaats vinden. Tien weken is voor wetenschappelijk onderzoek aan de lage kant. Ten slotte is het onderzoek Mediarijkheid & Taakcomplexiteit beperkt tot een tweetal variabelen binnen de het contruct taakcomplexiteit. Er is bewust gekozen voor urgentie en helderheid als de te onderzoeken variabelen, omdat deze gemakkelijk te manipuleren zijn. 5.5 Toekomstig onderzoek Het construct taakcomplexiteit zou in een breder perspectief kunnen worden uitgezet door andere variabelen mee te nemen (bijv. belang,risico en emotie) in een volgend onderzoek. Deze variabelen zijn lastiger te meten en daarvoor is een langer tijdsbestek aan te bevelen in een volgend onderzoek. Daarnaast is het wellicht interessant vervolgonderzoek uit te voeren onder een breder publiek zodat uitspraken meer waarde hebben ten aanzien van de generaliseerbaarheid op de keuze van een medium ten opzichte van de taak die een persoon uitvoert waar communicatie van belang is.

14 6 REFERENTIES 6.1 Gequote literatuur Daft, R.L. & Lengel, R.H. (1986). Organizational information requirements, media richness and structural design. Management Science 32(5), Newberry, B. (2001). Media richness, social presence and technology supported communication activities in education. WebNet Proceedings. 6.2 Geraadpleegde literatuur Dennis, A.R. & Valacich, J.S. (1999). Rethinking media richness: towards a theory of media synchronicity. Proceedings of the Thirty-Second Annual Hawaii International Conference on System Sciences 1, Kock, N. (2005). Media richness or media naturalness? The evoluation of our biological communication apparatus and its influence on our behaviour toward e-communication tools. IEEE Transactions of Professional Communication 48(2), Suh, K.S. (1998). Impact of communication medium on task performance and satisfaction: an examination of media-richness theory. Information and Management 35(5), Sun, P.-C. & Cheng, H.K. (2007). The design of instructional multimedia in e-learning: a media richness theory-based approach. Computers & Education 49(3), Wijngaert, L.A.M.L. van de (1999). Matching media. Information need and new media choice. Telematica Instituut.

15 7 BIJLAGEN 7.1 Score media per scenario De scores van de media per scenario zijn als volgt: Face-to-face Scenario 1 Telefoon Instant Messenger SMS Freq Score Freq Score Freq Score Freq Score Freq Score Valid Total Recalculation Tabel 12 Frequenties en scores van scenario 1 Face-to-face Scenario 2 Telefoon Instant Messenger SMS Freq Score Freq Score Freq Score Freq Score Freq Score Valid Total Recalculation Tabel 13 Frequenties en scores scenario 2

16 Face-to-face Scenario 3 Telefoon Instant Messenger SMS Freq Score Freq Score Freq Score Freq Score Freq Score Valid Total Recalculation 384,64 247,5 288,21 91, ,47 Tabel 14 Frequenties en scores scenario 3 Face-to-face Scenario 4 Telefoon Instant Messenger SMS Freq Score Freq Score Freq Score Freq Score Freq Score Valid Total Recalculation 317,14 366,43 286,07 276,43 207,6 Tabel 15 Frequenties en scores scenario 4

17 7.2 Resultaten Cronbach's alpha De resultaten voor de cronbach's alpha toetsen zijn als volgt: Reliability Statistics Cronbach's Alpha Cronbach's Alpha Based on Standardized Items N of Items,568,565 4 Tabel 16 Cronbach s Alpha van het construct Instant Messenger. Reliability Statistics Cronbach's Alpha Cronbach's Alpha Based on Standardized Items N of Items,499,538 4 Tabel 17 Cronbach s Alpha van het construct face-to-face. Reliability Statistics Cronbach's Alpha Cronbach's Alpha Based on Standardized Items N of Items,573,566 4 Tabel 18 Cronbach s Alpha van het construct SMS. Reliability Statistics Cronbach's Alpha Cronbach's Alpha Based on Standardized Items N of Items,694,680 4 Tabel 19 Cronbach s Alpha van het construct . Reliability Statistics Cronbach's Alpha Cronbach's Alpha Based on Standardized Items N of Items,526,537 4 Tabel 20 Cronbach s Alpha van het construct telefoon.

18 7.3 Frequentietabellen mediumkeuze De resultaten van de frequenties voor ieder scenario zijn als volgt: Face-to-face Telefoon IM SMS Valid 1, Niet , Perfect Total Tabel 21 Frequentie per medium scenario 1 Face-to-face Telefoon IM SMS Valid 1, Niet , Perfect Total Tabel 22 Frequentie per medium scenario 2

19 Face-to-face Telefoon IM SMS Valid 1, Niet , Perfect Total Tabel 23 Frequentie per medium scenario 3 Face-to-face Telefoon IM SMS Valid 1, Niet , Perfect Total Tabel 24 Frequentie per medium scenario 4

20 7.4 T-toetsen Hier zijn de resultaten van de t-toetsen die uitgevoerd zijn voor H1 en H2 te zien. Paired Samples Test Paired Differences 95% Confidence Interval Mean Std. Std. Error Deviation Mean of the Difference Lower Upper t df Sig. (2- tailed) Pair 1 f2f_h_hoog - f2f_h_laag Pair 2 tel_h_hoog - tel_h_laag Pair 3 im_h_hoog - im_h_laag Pair 4 sms_h_hoog - sms_h_laag Pair 5 _h_hoog - _h_laag -1, ,58289, , , ,175 48,000 2, ,69809, , , ,044 48,000, ,37674,19668,12496, ,646 48,011 3, ,48297, , , ,317 48,000 -, ,75624, ,73915, ,935 48,354 Tabel 25 T-toetsen helderheid (H1) Paired Samples Test Paired Differences 95% Confidence Interval Mean Std. Std. Error Deviation Mean of the Difference Lower Upper t df Sig. (2- tailed) Pair 1 f2f_u_hoog - f2f_u_laag Pair 2 tel_u_hoog - tel_u_laag Pair 3 im_u_hoog - im_u_laag Pair 4 sms_u_hoog - sms_u_laag Pair 5 _u_hoog - _u_laag -, ,02892, , , ,985 48,004, ,23855, ,24351,46800,634 48,529, ,30443,18635,20696, ,121 48,003, ,25501, ,01354, ,935 48,059 -, ,65517, , , ,115 48,040 Tabel 26 T-toetsen urgentie (H2)

21 7.5 Enquete

22

23

24 8 ONTVANGEN REVIEWS 8.1 Review Lucas van den Bemd Paper 1. Wat is de onderzoeksvraag die gesteld wordt in deze paper? In hoeverre is deze onderzoeksvraag relevant op het gebied van Informatiekunde? (Waarom wel / niet? Geef tips aan de schrijvers) Toelichting Welk medium is het meest geschikt bij welke taakcomplexiteit met welke kenmerken? Ik denk dat de onderzoeksvraag erg relevant is op het gebied van Informatiekunde. Zeker wanneer je deze onderzoeksvraag gaat betrekken op het bedrijfsleven waarbij communicatie een zeer belangrijke rol speelt en waarbij veel verscheidene media worden gebruikt. Bovendien geven jullie zelf al aan dat de mediarijkheidstheorie gedateerd is. 2. Is de onderzoeksvraag voldoende ingebed in bestaande literatuur en actueel onderzoek op dit gebied? Refereren de schrijvers aan betrouwbare bronnen? Zouden er (meer) referenties nodig zijn? Niet veel referenties. De bronnen zijn voor zover ik het kan inzien betrouwbaar. Er wordt ook verwezen naar een website. Misschien is het beter om de bron van de tekst van die website te achterhalen en die als referentie te geven i.pv. een URL. 3. Geef de structuur van de paper hiernaast weer. Heb je als lezer het idee dat het artikel een goede structuur heeft? Krijg je alle informatie in een goede volgorde en weerspiegelt de structuur een logische opbouw? Geef tips aan de schrijvers. Introductie Onderzoeksopzet Methode Resultaten en analyse Conclusies Bijlagen Heeft een logische opbouw. Er ontbreken echter een aantal onderdelen die wel gevraagd worden (zie WO-website). Een inhoudsopgave + paginanummering is netjes om toe te voegen. 4. Welke hypotheses worden er gesteld in de paper? Hoe zijn deze hypotheses onderbouwd? Geven deze hypotheses bij beantwoording een antwoord op de onderzoeksvraag? Geef suggesties voor verbetering. De hypotheses zijn duidelijk onderbouwd, Het conceptueel model is overzichtelijk en wordt goed uitgelegd. Bij beantwoording van de hypotheses kan ook een antwoord gevormd worden van de onderzoeksvraag dus dit is goed.

25 5. Hoe heeft de opzet en uitvoering van het onderzoek plaatsgevonden? Is dit duidelijk beschreven? Geef tips. Hoe de opzet van het onderzoek heeft plaatsgevonden wordt zeer duidelijk uitgelegd. Ik ga dat dan hier ook niet herhalen want daar valt voor beide partijen geen winst te behalen. Verwijs in je onderzoeksopzet ook even naar de enquête die in jullie bijlage staat. Zo weet de lezer meteen dat deze ook in het paper is toegevoegd en kan meteen met eigen ogen zien hoe deze eruit ziet. 6. Zijn de data op een juiste manier geanalyseerd? - Waar wordt een verschiltoets tussen twee groepen gebruikt? Wat is het resultaat? - Waar wordt een correlatie of een verschil tussen meer dan twee groepen getoetst? Wat is het resultaat? 7. Welke variabele(n) wordt/ worden gemeten door middel van een (meet)schaal? Door welke vragen is dit gebeurd? Ble(e)k(en) de meetschaal(en) intern consistent te zijn? Welke conclusies worden hieruit getrokken? Klopt dit? Om overzicht te krijgen van de invloed van de twee onderzochte factoren urgentie en helderheid is er ook een vierhoek gemaakt. Hoezo ook? In het eerste geval maken jullie een pentagon (vijfhoek) en in het tweede geval een vierhoek. Pas ook bijschrift aan. Doordat er 5 variabelen in deze vierhoek staan die elkaar overlappen is het lastig te zien welke vorm (en dus welke uitkomst het onderzoek had) de vierhoek heeft. Wel is het mooi dat alles in één figuur is gevangen. En wordt een paired samples T-toetsen gedaan om scores per medium in verschillende scenario s te vergelijken en te zien of hier al dan niet een significant verschil in te bemerken is. Resultaten: urgentie heeft invloed op de mediumkeuze van face-toface, instant messenger en . Helderheid heeft geen invloed bij de keuze voor . Dit geldt wel voor IM, sms en F2F. Wordt de mediumkeuze bij de scenario s beïnvloed door de preferentie van de respondenten? Dit wordt getest aan de hand van een Cronbach s alpha. Omdat de scores van de Cronbach s alpha te laag waren, mochten de antwoorden van de stellingen niet zomaar bij elkaar opgeteld worden. Per medium is daarom van de twee meest representatieve vragen het gemiddelde bepaald. Ook is voor elk medium bij de scenario s het gemiddelde bepaald. Tussen deze twee gemiddelden is vervolgens de correlatie bepaald. Hierbij dient wel te worden vermeldt dat de stellingen die in negatieve vorm zijn gesteld zijn gehercodeerd. Hierna volgt een opsomming van de correlatie. Geef hier echter wat meer uitleg bij! Wat houden deze getallen in? Met een paired samples T-toets worden dit keer de gemiddelde scores van de verschillende media voor scenario één en twee vergeleken. Dit bleek significant te zijn. De taakcomplexiteit is dus van invloed op de mediumkeuze De affiniteit met een medium wordt gemeten door middel van een Likert schaal. Dit is in de enquête gebeurd met verschillende vragen. Voor deze vragen verwijs ik naar de enquête zelf. In mijn ogen trekken jullie niet echt een conclusie uit de correlatie die jullie hebben gevonden. In eerste instantie wijzen jullie erop dat een Cronbach s alpha niet geschikt is bevonden door de lage score. Het is mij echter niet duidelijk wat jullie nu aan willen tonen en ik kan dus ook niet zeggen of de getrokken conclusies al dan niet kloppen.

26 8. Wat zijn de conclusies van het onderzoek? Zijn deze conclusies in overeenstemming met de resultaten? Heb je suggesties voor verbetering van de conclusies? 9. Wat vind je van de schrijfstijl? Gebruiken de schrijvers geen clichés, spreektaal, of bijv. te veel lange zinnen? Ontdek je misschien nog spel- of typefouten, of grammaticale fouten? 10. Heb je suggesties voor het eventueel interessanter maken of andere verbeteringen aan het artikel? Hier is ook ruimte voor overige suggesties of opmerkingen. De hypothese Taakkenmerk X is van invloed op de taakcomplexiteit wordt onderbouwd door onze resultaten. Uit de data-analyse blijkt dat in de meeste gevallen de mediumkeuze verschilt (significantie verschillen in gemiddelden) bij een hoge/lage urgentie en een hoge/lage helderheid, wel blijkt dat de invloed van urgentie iets minder is dan die van helderheid, we kunnen dus concluderen dat de taakkenmerken beide van invloed zijn op de taakcomplexiteit. Is in overeenstemming met de resultaten De hypothese De affiniteit met een bepaald medium is van invloed op de mediumkeuze wordt door onze resultaten niet onderbouwd. De gevonden correlatie was bij ieder medium dusdanig verschillend dat er geen eenduidig verband aan te tonen is. Geef wat meer uitleg bij de correlatie. Misschien is een verklaring hiervan een basis van een discussie (die ontbreekt)? De hypothese De taakcomplexiteit is van invloed op de keuze van het medium wordt onderbouwd door onze resultaten. Uit de uitgevoerde paired samples T-tests blijkt dat er bij elk medium een significant verschil is tussen de gemiddelden van een complexe en een minder complexe taak, er kan dan ook geconcludeerd worden dat de taakcomplexiteit invloed heeft op de keuze voor een bepaald medium. Is in overeenstemming met de resultaten. De schrijfstijl is goed. Je kan er lekker vlot door heen lezen. Hier en daar staan nog wel wat kromme, niet kloppende, zinnen (als je het paper doorleest stuit je er meteen op). Nummer je bijlagen! Zo hoeft de lezer niet zelf uit te zoeken welke bijlage nou bij welke tekst hoort en andersom. Ze bij je pentagon naast scenario 1 t/m 4 ook nog even kort wat deze scenario s inhielden. Zo hoeft de lezer niet terug te scrollen/bladeren om te kijken wat een scenario ook alweer inhield.

27 8.2 Review Steven van Driel Paper 1. Wat is de onderzoeksvraag die gesteld wordt in deze paper? In hoeverre is deze onderzoeksvraag relevant op het gebied van Informatiekunde? (Waarom wel / niet? Geef tips aan de schrijvers) Toelichting Welk medium is het meest geschikt bij welke taakcomplexiteit met welke kenmerken? Dit is een onderzoeksvraag die relevant is voor de informatiekunde, en specifiek voor het onderzoeksgebied Informatie, cognitie en communicatie. De taakcomplexiteitstheorie is, net als de mediarijkheidstheorie, een informatiekundige theorie. Verder is dit een theorie die niet alleen bijdraagt aan cognitieve theorien, maar daarnaast ook de informatiekunde helpt met een voorspelling van het gedrag onder bepaalde omstandigheden, te weten het te verkiezen medium in bepaalde situaties. 2. Is de onderzoeksvraag voldoende ingebed in bestaande literatuur en actueel onderzoek op dit gebied? Refereren de schrijvers aan betrouwbare bronnen? Zouden er (meer) referenties nodig zijn? De hoeveelheid genoemde bestaande literatuur is niet erg groot, daarnaast ontbreekt een lijst waarop alle gegevens zijn opgenomen. Het is dus lastig te controleren of het onderzoek voldoende is ingebed. Een van de genoemde onderzoeken is niet actueel (Daft en Lengel (1986)) maar staat aan de basis van de mediarijkheidstheorie, en is dus zeker relevant voor dit onderzoek. Over het algemeen zouden meer referenties wenselijk zijn. 3. Geef de structuur van de paper hiernaast weer. Heb je als lezer het idee dat het artikel een goede structuur heeft? Krijg je alle informatie in een goede volgorde en weerspiegelt de structuur een logische opbouw? Geef tips aan de schrijvers. Introductie - onderzoeksopzet - methode - resultaten en analyse (frequentie van de media in de scenario s - invloed van taakkenmerk x op de taakcomplexiteit - cronbach s alpha - invloed taakcomplexiteit op mediumkeuze) - conclusies (hypothese h1 - hypothese h2 - hypothese h3). De opbouw is duidelijk en logisch, en men krijgt alle informatie in een goede volgorde. Het enige punt van aanmerking is de afwezigheid van een literatuurlijst en inhoudsopgave en in het hoofdstuk resultaten en analyse de cronbach s alpha voor het samenvoegen pas behandelen in paragraaf drie. 4. Welke hypotheses worden er gesteld in de paper? Hoe zijn deze hypotheses onderbouwd? Geven deze hypotheses bij beantwoording een antwoord op de onderzoeksvraag? Geef suggesties voor verbetering. H1: Er is een samenhang tussen variabele X en de taakcomplexiteit. H2: De affiniteit met een bepaald medium is van invloed op de mediumkeuze. H3: De taakcomplexiteit is van invloed op de keuze van het medium. Deze hypothesen zijn onderbouwd met behulp van de theorien, die vermoedelijk uit de literatuur zijn gehaald. De hypothesen geven een antwoord op de onderzoeksvraag.

28 5. Hoe heeft de opzet en uitvoering van het onderzoek plaatsgevonden? Is dit duidelijk beschreven? Geef tips. 6. Zijn de data op een juiste manier geanalyseerd? - Waar wordt een verschiltoets tussen twee groepen gebruikt? Wat is het resultaat? - Waar wordt een correlatie of een verschil tussen meer dan twee groepen getoetst? Wat is het resultaat? Door middel van een enquete is er informatie verzameld die vervolgens met behulp van statistische methoden is verwerkt om tot een conclusie te komen over de hypothesen. De opzet van het onderzoek zowel als de opzet van de enquete zijn duidelijk beschreven. Er worden in de analyse tekst nauwelijks cijfers vermeld, dat zou beter kunnen. Bij het stuk over de cronbach s alpha worden er ook geen cijfers te noemen, daarnaast wordt het resultaat verzacht door te zeggen dat de normering erg streng is bij vier tot zes vragen. Er is een verschiltoets gebruikt (t-toets) om te pogen aan te tonen dat de gemiddelde scoren per scenario significant verschillen. Dit is gebeurd door het gemiddelde van scenario s 1 en 3, en 2 en 4 te vergelijken (voor urgentie) en scenario s 1 en 4, en 2 en 3 (voor helderheid). Hierbij is gebleken dat er een verschil is voor face-toface, IM en bij urgentie. Bij helderheid gold dit voor faceto-face, IM, telefoon en sms. Er is gekeken naar de correlatie tussen de wenselijkheid van een communicatiemiddel als opgegeven door een respondent en de twee meest representatieve vragen per medium. Hierbij is er correlatie gevonden voor verschillende communicatiemiddellen, hier staan waardes bij vermeld. Er is echter geen vermelding van de significantie en de gehele test ontbreekt in de appendix. Deze toets is dus op dit moment onduidelijken niet echt sluitend bewijs. 7. Welke variabele(n) wordt/ worden gemeten door middel van een (meet)schaal? Door welke vragen is dit gebeurd? Ble(e)k(en) de meetschaal(en) intern consistent te zijn? Welke conclusies worden hieruit getrokken? Klopt dit? 8. Wat zijn de conclusies van het onderzoek? Zijn deze conclusies in overeenstemming met de resultaten? Heb je suggesties voor verbetering van de conclusies? Alle vragen zijn gemeten met behulp van een zeven-punts-likertschaal, dit geldt dus ook voor alle variabelen. De meetschalen over de wenselijkheid van de diverse communicatiemiddelen bleken niet intern consistent. Er worden in dit paper verder geen conclusies uit getrokken. Naar de enquete kijkend zijn de gestelde vragen bijna allemaal in negatieve zin uitgedrukt. Daarnaast is er geen grote samenhang tussen de gevraagde onderwerpen per communicatiemiddel. De conclusies zijn dat H1 en H3 onderbouwd worden door de resultaten, H2 niet. Hiermee wordt bewezen geacht dat zowel helderheid als urgentie invloed hebben op de medium keuze, en dat de taakcomplexiteit dat ook is. Deze conclusies zijn in overeenstemming met de resultaten. Het is echter zo dat bij het stuk over taakcomplexiteit slechts twee scenario s worden vergeleken, namelijk die met een hoge urgentie en hoge helderheid, en die met een lage urgentie en lage helderheid. De helderheid is natuurlijk omgekeerd evenredig met de complexiteit, maar waarom een lage urgentie een taak complexer maakt wordt niet duidelijk gemaakt.

29 9. Wat vind je van de schrijfstijl? Gebruiken de schrijvers geen clichés, spreektaal, of bijv. te veel lange zinnen? Ontdek je misschien nog spel- of typefouten, of grammaticale fouten? 10. Heb je suggesties voor het eventueel interessanter maken of andere verbeteringen aan het artikel? Hier is ook ruimte voor overige suggesties of opmerkingen. De schrijfstijl is goed, er zijn echter nog wel verbeteringen te maken. Het betreft voornamelijk spreektaal/uitdrukkingen die niet op hun plaats zijn in een paper. Een voorbeeld is algemener op pagina 5 wat in contrast wordt gebracht met subjectiever, dit zou beter objectiever kunnen zijn. Daarnaast wordt op pagina 10 de uitdrukking gebruikt voor telefoon en sms gaat deze vlieger echter niet op, dit staat erg vreemd, omdat dit een uitdrukking is die normaliter slechts in de spreektaal wordt gebruikt. Het is een goed paper, de analyse bevat echter weinig cijfers, daarnaast ontbreekt er een discussie met verbeteringen voor het wellicht opnieuw uitvoeren van het onderzoek. De grafische weergave die bij de analyse wordt gebruikt is niet erg duidelijk, daarnaast wordt er een tweede plaatje gebruikt met twee assen dat helderder zou moeten, het werkt echter slechts verwarrender voor mij. Wellicht een idee om de assen ook echt als assen te gebruiken en de verticale as bovenaan lage urgentie en onderaan hoge urgentie te zetten en hetzelfde te doen met helderheid op de horizontale as. Daarnaast staat onder dit plaatje pentagon, wat niet helemaal waar is met maar vier hoeken. Tenslotte mag er echt meer onderbouwende literatuur worden gebruikt, zeker ook omdat er geen referentie is naar het stuk van Daft en Lengel (1986). Waar kan ik het vinden? Waaruit is de publicatie gehaald? etc. Ook mag de conclusie langer, deze is voornamelijk ja, het klopt. Verder een goed paper, met een mooie visuele weergave.

Meervoudige ANOVA Onderzoeksvraag Voorwaarden

Meervoudige ANOVA Onderzoeksvraag Voorwaarden Er is onderzoek gedaan naar rouw na het overlijden van een huisdier (contactpersoon: Karolijne van der Houwen (Klinische Psychologie)). Mensen konden op internet een vragenlijst invullen. Daarin werd gevraagd

Nadere informatie

Enkelvoudige ANOVA Onderzoeksvraag Voorwaarden

Enkelvoudige ANOVA Onderzoeksvraag Voorwaarden Er is onderzoek gedaan naar rouw na het overlijden van een huisdier (contactpersoon: Karolijne van der Houwen (Klinische Psychologie)). Mensen konden op internet een vragenlijst invullen. Daarin werd gevraagd

Nadere informatie

We berekenen nog de effectgrootte aan de hand van formule 4.2 en rapporteren:

We berekenen nog de effectgrootte aan de hand van formule 4.2 en rapporteren: INDUCTIEVE STATISTIEK VOOR DE GEDRAGSWETENSCHAPPEN OPLOSSINGEN BIJ HOOFDSTUK 4 1. Toets met behulp van SPSS de hypothese van Evelien in verband met de baardlengte van metalfans. Ga na of je dezelfde conclusies

Nadere informatie

Twee en een half jaar Kwaliteitsmeting in de Fysiotherapie

Twee en een half jaar Kwaliteitsmeting in de Fysiotherapie Twee en een half jaar Kwaliteitsmeting in de Fysiotherapie Feiten en cijfers tot nu toe Managementsamenvatting Na twee en een half jaar kwaliteitsmetingen in de fysiotherapie is het een geschikt moment

Nadere informatie

INDUCTIEVE STATISTIEK VOOR DE GEDRAGSWETENSCHAPPEN OPLOSSINGEN BIJ HOOFDSTUK 5

INDUCTIEVE STATISTIEK VOOR DE GEDRAGSWETENSCHAPPEN OPLOSSINGEN BIJ HOOFDSTUK 5 INDUCTIEVE STATISTIEK VOOR DE GEDRAGSWETENSCHAPPEN OPLOSSINGEN BIJ HOOFDSTUK 5 1. De onderzoekers van een preventiedienst vermoeden dat werknemers in een bedrijf zonder liften fitter zijn dan werknemers

Nadere informatie

Onderzoek in het HBO. Vakkundigheid van medewerkers bij onderzoeksactiviteiten. Paper VFO, november 2008

Onderzoek in het HBO. Vakkundigheid van medewerkers bij onderzoeksactiviteiten. Paper VFO, november 2008 Onderzoek in het HBO Vakkundigheid van medewerkers bij onderzoeksactiviteiten Paper VFO, november 2008 Didi Griffioen, Katelijne Boerma & Uulkje de Jong Opbouw presentatie Outline onderzoek Kunde in zelfperceptie

Nadere informatie

Beschrijving resultaten onderzoek biseksualiteit AmsterdamPinkPanel Oktober 2014 Joris Blaauw

Beschrijving resultaten onderzoek biseksualiteit AmsterdamPinkPanel Oktober 2014 Joris Blaauw Beschrijving resultaten onderzoek biseksualiteit AmsterdamPinkPanel Oktober 2014 Joris Blaauw Dit document beschrijft kort de bevindingen uit het onderzoek over biseksualiteit van het AmsterdamPinkPanel.

Nadere informatie

5.0 Voorkennis. Er zijn verschillende manieren om gegevens op een grafische wijze weer te geven: 1. Staafdiagram:

5.0 Voorkennis. Er zijn verschillende manieren om gegevens op een grafische wijze weer te geven: 1. Staafdiagram: 5.0 Voorkennis Er zijn verschillende manieren om gegevens op een grafische wijze weer te geven: 1. Staafdiagram: De lengte van de staven komt overeen met de hoeveelheid; De staven staan meestal los van

Nadere informatie

Stappen deelcijfer weging 10,0 10,0 10,0 10,0 10,0 10,0 10,0 10,0 totaalcijfer 10,0 Spelregels:

Stappen deelcijfer weging 10,0 10,0 10,0 10,0 10,0 10,0 10,0 10,0 totaalcijfer 10,0 Spelregels: Stappen deelcijfer weging 1 Onderzoeksvragen 10,0 6% 0,6 2 Hypothese 10,0 4% 0,4 3 Materiaal en methode 10,0 10% 1,0 4 Uitvoeren van het onderzoek en inleiding 10,0 30% 3,0 5 Verslaglegging 10,0 20% 2,0

Nadere informatie

Klantonderzoek: statistiek!

Klantonderzoek: statistiek! Klantonderzoek: statistiek! Statistiek bij klantonderzoek Om de resultaten van klantonderzoek juist te interpreteren is het belangrijk de juiste analyses uit te voeren. Vaak worden de mogelijkheden van

Nadere informatie

toetsende statistiek deze week: wat hebben we al geleerd? Frank Busing, Universiteit Leiden

toetsende statistiek deze week: wat hebben we al geleerd? Frank Busing, Universiteit Leiden toetsende statistiek week 1: kansen en random variabelen week 2: de steekproevenverdeling week 3: schatten en toetsen: de z-toets week 4: het toetsen van gemiddelden: de t-toets Moore, McCabe, and Craig.

Nadere informatie

De data worden ingevoerd in twee variabelen, omdat we te maken hebben met herhaalde metingen:

De data worden ingevoerd in twee variabelen, omdat we te maken hebben met herhaalde metingen: INDUCTIEVE STATISTIEK VOOR DE GEDRAGSWETENSCHAPPEN OPLOSSINGEN BIJ HOOFDSTUK 6 1. De 15 leden van een kleine mountainbikeclub vragen zich af in welk mate de omgevingstemperatuur een invloed heeft op hun

Nadere informatie

Kruis per vraag slechts één vakje aan op het antwoordformulier.

Kruis per vraag slechts één vakje aan op het antwoordformulier. Toets Stroom 1.2 Methoden en Statistiek tul, MLW 7 april 2006 Deze toets bestaat uit 25 vierkeuzevragen. Kruis per vraag slechts één vakje aan op het antwoordformulier. Vraag goed beantwoord dan punt voor

Nadere informatie

Rapportage klanttevredenheidsonderzoek Inclusief vergelijk 2012. Koro Enveloppen & Koro PackVision

Rapportage klanttevredenheidsonderzoek Inclusief vergelijk 2012. Koro Enveloppen & Koro PackVision Rapportage klanttevredenheidsonderzoek Inclusief vergelijk 2012 Opdrachtgever: Uitvoering: Koro Enveloppen & Koro PackVision Tema BV December 2014 1 I N L E I D I N G In 2014 heeft Tema voor de vijfde

Nadere informatie

Cursus TEO: Theorie en Empirisch Onderzoek. Practicum 2: Herhaling BIS 11 februari 2015

Cursus TEO: Theorie en Empirisch Onderzoek. Practicum 2: Herhaling BIS 11 februari 2015 Cursus TEO: Theorie en Empirisch Onderzoek Practicum 2: Herhaling BIS 11 februari 2015 Centrale tendentie Centrale tendentie wordt meestal afgemeten aan twee maten: Mediaan: de middelste waarneming, 50%

Nadere informatie

Computeraffiniteit belangrijk op kantoor

Computeraffiniteit belangrijk op kantoor Auteur A.R. Goudriaan E-mailadres alex@goudriaan.name Datum 16 november 2008 Versie 1.0 Titel Computeraffiniteit belangrijk op kantoor Computeraffiniteit belangrijk op kantoor tevredenheid over de automatiseringsafdeling

Nadere informatie

Engelse taal bachelor psychologie UvT

Engelse taal bachelor psychologie UvT Engelse taal bachelor psychologie UvT Aanleiding Enkele studenten hebben hun teleurstelling uitgesproken over Engelstalige tentamens, zoals Inleiding Psychologie van Arbeid en Economie en Cultuurpsychologie.

Nadere informatie

Werkbelevingsonderzoek 2013

Werkbelevingsonderzoek 2013 Werkbelevingsonderzoek 2013 voorbeeldrapport Den Haag, 17 september 2014 Ipso Facto beleidsonderzoek Raamweg 21, Postbus 82042, 2508EA Den Haag. Telefoon 070-3260456. Reg.K.v.K. Den Haag: 546.221.31. BTW-nummer:

Nadere informatie

Summery. Effectiviteit van een interventieprogramma op arm-, schouder- en nekklachten bij beeldschermwerkers

Summery. Effectiviteit van een interventieprogramma op arm-, schouder- en nekklachten bij beeldschermwerkers ummery amenvatting Effectiviteit van een interventieprogramma op arm-, schouder- en nekklachten bij beeldschermwerkers 207 Algemene introductie Werkgerelateerde arm-, schouder- en nekklachten zijn al eeuwen

Nadere informatie

Capaciteitentest HBO. Denkvermogen en denkstijl

Capaciteitentest HBO. Denkvermogen en denkstijl Denkvermogen en denkstijl Naam: Ruben Smit Inhoudsopgave 1. Inleiding... 3 2. De uitslag... 4 3. Bijlage: Het lezen van de uitslag... 5 Pagina 2 van 7 1. Inleiding Op 5 april 2016 heeft Ruben Smit een

Nadere informatie

4.2. Evaluatie van de respons op de postenquêtes. In dit deel gaan we in op de respons op instellingsniveau en op respondentenniveau.

4.2. Evaluatie van de respons op de postenquêtes. In dit deel gaan we in op de respons op instellingsniveau en op respondentenniveau. 4.2. Evaluatie van de respons op de postenquêtes 4.2.1. Algemeen In dit deel gaan we in op de respons op instellingsniveau en op respondentenniveau. Instellingsniveau (vragenlijst coördinator) provincie,

Nadere informatie

De kwaliteit van educatieve activiteiten meten. Universiteitsmuseum Utrecht

De kwaliteit van educatieve activiteiten meten. Universiteitsmuseum Utrecht De kwaliteit van educatieve activiteiten meten Universiteitsmuseum Utrecht De kwaliteit van educatieve activiteiten meten Universiteitsmuseum Utrecht Claudia de Graauw Bo Broers Januari 2015 1 Inhoudsopgave

Nadere informatie

Check Je Kamer Rapportage 2014

Check Je Kamer Rapportage 2014 Check Je Kamer Rapportage 2014 Kwantitatieve analyse van de studentenwoningmarkt April 2015 Dit is een uitgave van de Landelijke Studenten Vakbond (LSVb). Voor vragen of extra informatie kan gemaild worden

Nadere informatie

Toelichting op de resultaten van de korte enquête (quick scan) René Alberts juni 2011

Toelichting op de resultaten van de korte enquête (quick scan) René Alberts juni 2011 Toelichting op de resultaten van de korte enquête (quick scan) René Alberts juni 2011 Inleiding In deze toelichting wordt eerst een kopie van de korte enquête getoond zodat helder is welke vragen aan de

Nadere informatie

Operationaliseren van variabelen (abstracte begrippen)

Operationaliseren van variabelen (abstracte begrippen) Operationaliseren van variabelen (abstracte begrippen) Tabel 1, schematisch overzicht van abstracte begrippen, variabelen, dimensies, indicatoren en items. (Voorbeeld is ontleend aan de masterscriptie

Nadere informatie

DATA-ANALYSEPLAN (20/6/2005)

DATA-ANALYSEPLAN (20/6/2005) DATA-ANALYSEPLAN (20/6/2005) Inleiding De manier waarop data georganiseerd, gecodeerd en gescoord (getallen toekennen aan observaties) worden en welke technieken daarvoor nodig zijn, dient in het ideale

Nadere informatie

Vakkundigheid van medewerkers bij onderzoeksactiviteiten op de Hogeschool van Amsterdam

Vakkundigheid van medewerkers bij onderzoeksactiviteiten op de Hogeschool van Amsterdam Vakkundigheid van medewerkers bij sactiviteiten op de Hogeschool van Amsterdam D.M.E. Griffioen 1 Beleidsmedewerker Hogeschool van Amsterdam Promovenda Universiteit van Amsterdam K. Boerma Docent Hogeschool

Nadere informatie

ANTICONCEPTIEKEUZE Achtergronden en uitkomsten van anticonceptiegebruik

ANTICONCEPTIEKEUZE Achtergronden en uitkomsten van anticonceptiegebruik ANTICONCEPTIEKEUZE Achtergronden en uitkomsten van anticonceptiegebruik Charles Picavet, Linda van der Leest en Cecile Wijsen Rutgers Nisso Groep, mei 2008 Achtergrond Hoewel er veel verschillende anticonceptiemethoden

Nadere informatie

Onderzoeksopzet Communicatie

Onderzoeksopzet Communicatie Onderzoeksopzet Communicatie Rekenkamercommissie Heerenveen Februari 2009 Rekenkamercommissie Heerenveen: onderzoeksopzet communicatie 1 Inhoudsopgave A. Wat willen we bereiken 1. Aanleiding en achtergronden

Nadere informatie

VERSCHILLEN IN WAARDERING VAN ZUID AFRIKA COMMUNICATIEKANALEN TUSSEN NEDERLAND EN. Bachelorscriptie. Lisette van Engelen

VERSCHILLEN IN WAARDERING VAN ZUID AFRIKA COMMUNICATIEKANALEN TUSSEN NEDERLAND EN. Bachelorscriptie. Lisette van Engelen VERSCHILLEN IN WAARDERING VAN COMMUNICATIEKANALEN TUSSEN NEDERLAND EN ZUID AFRIKA Bachelorscriptie Lisette van Engelen 0509779 Communicatie- en informatiewetenschappen Begeleider: mw. Prof. Dr. M. Gerritsen

Nadere informatie

Management Summary. Auteur Tessa Puijk. Organisatie Van Diemen Communicatiemakelaars

Management Summary. Auteur Tessa Puijk. Organisatie Van Diemen Communicatiemakelaars Management Summary Wat voor een effect heeft de vorm van een bericht op de waardering van de lezer en is de interesse in nieuws een moderator voor dit effect? Auteur Tessa Puijk Organisatie Van Diemen

Nadere informatie

Hoofdstuk 5 Naamsbekendheidonderzoek

Hoofdstuk 5 Naamsbekendheidonderzoek Hoofdstuk 5 5.1 Inleiding Achtergrond en doel van het onderzoek Bonnema Weert wenst inzicht te verkrijgen in haar naamsbekendheid. Bonnema Weert wil in het bijzonder antwoord krijgen op de volgende onderzoeksvragen:

Nadere informatie

Opbouw. Onderzoeksrapport Onderzoek naar de kwaliteit van reacties op e-mails

Opbouw. Onderzoeksrapport Onderzoek naar de kwaliteit van reacties op e-mails [t] [f] [e] [w] Onderzoeksrapport Onderzoek naar de kwaliteit van reacties op e-mails Inleiding We zijn dit onderzoek begonnen om een beeld te krijgen van de kwaliteit van reacties op e-mails van verschillende

Nadere informatie

Geschiedenis van het privaatrecht: geschiedenis van de koop (capita selecta)

Geschiedenis van het privaatrecht: geschiedenis van de koop (capita selecta) Voorbeeld. Resultaten studentenenquête Geschiedenis van het privaatrecht: geschiedenis van de koop (capita selecta) (RP54) Studiejaar 2008-2009 Afdeling Onderwijs, Studentenzaken & Onderzoek Faculteit

Nadere informatie

De invloed van Vertrouwen, Relatietevredenheid en Commitment op Customer retention

De invloed van Vertrouwen, Relatietevredenheid en Commitment op Customer retention De invloed van Vertrouwen, Relatietevredenheid en Commitment op Customer retention Samenvatting Wesley Brandes MSc Introductie Het succes van CRM is volgens Bauer, Grether en Leach (2002) afhankelijk van

Nadere informatie

Werkbladen Workshop zelfonderzoek project Hybride Leeromgevingen in het Beroepsonderwijs (14 Oktober 2010)

Werkbladen Workshop zelfonderzoek project Hybride Leeromgevingen in het Beroepsonderwijs (14 Oktober 2010) Werkbladen Workshop zelfonderzoek project Hybride Leeromgevingen in het Beroepsonderwijs (14 Oktober 010) Ilya Zitter & Aimée Hoeve Versie 5 oktober 010 Vooraf Vertrekpunt voor de monitor & audit van de

Nadere informatie

Stichting Jeugd en Jongerenwerk Midden-Holland 2005. Hoe maak ik een jeugdenquête

Stichting Jeugd en Jongerenwerk Midden-Holland 2005. Hoe maak ik een jeugdenquête Stichting Jeugd en Jongerenwerk Midden-Holland 2005 Hoe maak ik een jeugdenquête Inhoudsopgave Inleiding 3 Hoofdstuk 1 Wanneer een enquête 4 Hoofdstuk 2 Hoe maak ik een enquête 5 Hoofdstuk 3 Plan van aanpak

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting

Nederlandse samenvatting Docenten in het hoger onderwijs zijn experts in wát zij doceren, maar niet noodzakelijk in hóe zij dit zouden moeten doen. Dit komt omdat zij vaak weinig tot geen training hebben gehad in het lesgeven.

Nadere informatie

Leerlingtevredenheidsonderzoek

Leerlingtevredenheidsonderzoek Rapportage Leerlingtevredenheidsonderzoek De Meentschool - Afdeling SO In opdracht van Contactpersoon De Meentschool - Afdeling SO de heer A. Bosscher Utrecht, juni 2015 DUO Onderwijsonderzoek drs. Vincent

Nadere informatie

Evaluatierapport. Workshop. Bewust en positief omgaan met ADHD. Universiteit van Tilburg Forensische psychologie. 23 april 2010

Evaluatierapport. Workshop. Bewust en positief omgaan met ADHD. Universiteit van Tilburg Forensische psychologie. 23 april 2010 Evaluatierapport Workshop Bewust en positief omgaan met ADHD Universiteit van Tilburg Forensische psychologie 23 april 2010 Drs. Arno de Poorter (workshopleider) Drs. Anne van Hees (schrijver evaluatierapport)

Nadere informatie

ONDERZOEK VOOR JE PROFIELWERKSTUK HOE DOE JE DAT?

ONDERZOEK VOOR JE PROFIELWERKSTUK HOE DOE JE DAT? ONDERZOEK VOOR JE PROFIELWERKSTUK HOE DOE JE DAT? Wim Biemans Rijksuniversiteit Groningen, Faculteit Economie & Bedrijfswetenschappen 4 juni, 2014 2 Het doen van wetenschappelijk onderzoek Verschillende

Nadere informatie

mlw stroom 2.2 Biostatistiek en Epidemiologie College 9: Herhaalde metingen (2) Syllabus Afhankelijke Data Hoofdstuk 4, 5.1, 5.2

mlw stroom 2.2 Biostatistiek en Epidemiologie College 9: Herhaalde metingen (2) Syllabus Afhankelijke Data Hoofdstuk 4, 5.1, 5.2 mlw stroom 2.2 Biostatistiek en Epidemiologie College 9: Herhaalde metingen (2) Syllabus Afhankelijke Data Hoofdstuk 4, 5.1, 5.2 Bjorn Winkens Methodologie en Statistiek Universiteit Maastricht 21 maart

Nadere informatie

Invloed van IT uitbesteding op bedrijfsvoering & IT aansluiting

Invloed van IT uitbesteding op bedrijfsvoering & IT aansluiting xvii Invloed van IT uitbesteding op bedrijfsvoering & IT aansluiting Samenvatting IT uitbesteding doet er niet toe vanuit het perspectief aansluiting tussen bedrijfsvoering en IT Dit proefschrift is het

Nadere informatie

(Hoe) kan onze communicatie beter?

(Hoe) kan onze communicatie beter? Deel 3 Onderzoek (Hoe) kan onze communicatie beter? Marijke Manshanden* Uw organisatie heeft een communicatieprobleem. U wilt dit probleem oplossen, maar mist de informatie om tot een goede oplossing te

Nadere informatie

Wat motiveert u in uw werk?

Wat motiveert u in uw werk? Wat motiveert u in uw werk? Begin dit jaar heeft u kunnen deelnemen aan een online onderzoek naar de motivatie en werktevredenheid van actuarieel geschoolden. In dit artikel worden de resultaten aan u

Nadere informatie

Memo. Datum: 19 oktober 2015 Onderwerp: Enquête Studieadvies

Memo. Datum: 19 oktober 2015 Onderwerp: Enquête Studieadvies Memo Datum: 19 oktober 2015 Onderwerp: Enquête Studieadvies Inhoud Hoofdstuk 1: Introductie... 1 Hoofdstuk 2: Algemene uitkomsten... 1 2.1 De weg naar de studieadviseur... 1 2.2 Hulpvraag... 2 2.3 Waardering

Nadere informatie

notitie Opbrengsten onderzoeken naar aanleiding van advies van

notitie Opbrengsten onderzoeken naar aanleiding van advies van notitie Opbrengsten onderzoeken naar aanleiding van advies van commissie Bosker Bureau van het CvTE Muntstraat 7 3512 ET Utrecht Postbus 315 3500 AH Utrecht Nederland www.hetcvte.nl Datum 10 juni 2015

Nadere informatie

DEEL 2: Leerdoelenoverzicht (groep 3-4)

DEEL 2: Leerdoelenoverzicht (groep 3-4) Excellente gespreksvoering met excellente leerlingen DEEL 2: Leerdoelenoverzicht (groep 3-4) Deze uitgave maakt onderdeel uit van het product Excellente gespreksvoering met excellente leerlingen. Dit product

Nadere informatie

Datum: 5 september 2014

Datum: 5 september 2014 Naam: Ruben Smit NewHR.nl heeft de ambitie je te faciliteren zodat je je optimaal kan ontwikkelen en duurzaam inzetbaar blijft, welke functie je dan ook hebt. Dit rapport is de eerste stap naar persoonlijke

Nadere informatie

Marktonderzoek en kwaliteitsmeting nova uitzendbureau 2003-2004

Marktonderzoek en kwaliteitsmeting nova uitzendbureau 2003-2004 Marktonderzoek en kwaliteitsmeting nova uitzendbureau 2003-2004 1 Inleiding 1.1 Achtergrond en doelstellingen nova heeft de afgelopen jaren haar dienstenpakket steeds verder uitgebreid. Het was nu tijd

Nadere informatie

Uitkomsten NBA ledenenquête. Toon aan de top. Binnen bedrijven en accountantskantoren

Uitkomsten NBA ledenenquête. Toon aan de top. Binnen bedrijven en accountantskantoren Uitkomsten NBA ledenenquête Toon aan de top Binnen bedrijven en accountantskantoren November 2012 Status Deze publicatie is samengesteld voor leden en dient ter ondersteuning van de praktijk. De publicatie

Nadere informatie

Persoonlijke factoren en Sales succes

Persoonlijke factoren en Sales succes Persoonlijke factoren en Sales succes Welke samenhang is er? Gerard Groenewegen Mei 2009 06-55717189 1 Agenda 1. Inleiding 2. Opzet studie 3. Beoordeling van dit onderzoek 4. Bevindingen 5. Conclusie 6.

Nadere informatie

Overzicht van de beoordelingsmatrixen

Overzicht van de beoordelingsmatrixen Overzicht van de beoordelingsmatrixen In de start van het werkpakket 4, peer feedback van splannen werd al snel duidelijk dat er grote verschillen bestonden in de opleidingspraktijk van de 9 lerarenopleidingen.

Nadere informatie

Zowel correlatie als regressie meten statistische samenhang Correlatie: geen oorzakelijk verband verondersteld: X Y

Zowel correlatie als regressie meten statistische samenhang Correlatie: geen oorzakelijk verband verondersteld: X Y 1 Regressie analyse Zowel correlatie als regressie meten statistische samenhang Correlatie: geen oorzakelijk verband verondersteld: X Y Regressie: wel een oorzakelijk verband verondersteld: X Y Voorbeeld

Nadere informatie

Resultaten instaptoetsen Rekenen en Nederlands 2010 Rapportage aan de Profijtscholen

Resultaten instaptoetsen Rekenen en Nederlands 2010 Rapportage aan de Profijtscholen Resultaten instaptoetsen Rekenen en Nederlands 2010 Rapportage aan de Profijtscholen Rapportage: Analyse en tabellen: 4 Februari 2011 Mariëlle Verhoef Mike van der Leest Inleiding Het Graafschap College

Nadere informatie

Onderzoek Verplaatsingsgedrag Vlaanderen 4.3 (2010-2011)

Onderzoek Verplaatsingsgedrag Vlaanderen 4.3 (2010-2011) Onderzoek Verplaatsingsgedrag Vlaanderen 4.3 (2010-2011) Verkeerskundige interpretatie van de belangrijkste tabellen (Analyserapport) D. Janssens, S. Reumers, K. Declercq, G. Wets Contact: Prof. dr. Davy

Nadere informatie

Beoordelingscriteria scriptie CBC: instructie en uitwerking

Beoordelingscriteria scriptie CBC: instructie en uitwerking Nederlandse Associatie voor Examinering 1 Beoordelingscriteria scriptie CBC: instructie en uitwerking Met de scriptie voor Compensation & Benefits Consultant (CBC) toont de kandidaat een onderbouwd advies

Nadere informatie

Beschrijving van de gegevens: hoeveel scholen en hoeveel leerlingen deden mee?

Beschrijving van de gegevens: hoeveel scholen en hoeveel leerlingen deden mee? Technische rapportage Leesmotivatie scholen van schoolbestuur Surplus Noord-Holland Afstudeerkring Begrijpend lezen 2011-2012, Inholland, Pabo-Alkmaar Marianne Boogaard en Yvonne van Rijk (Lectoraat Ontwikkelingsgericht

Nadere informatie

Capaciteitentest MBO. 1. Inleiding

Capaciteitentest MBO. 1. Inleiding Naam: Ruben Smit NewHR.nl heeft de ambitie je te faciliteren zodat je je optimaal kan ontwikkelen en duurzaam inzetbaar blijft, welke functie je dan ook hebt. Dit rapport is de eerste stap naar persoonlijke

Nadere informatie

Huiswerk, het huis uit!

Huiswerk, het huis uit! Huiswerk, het huis uit! Een explorerend onderzoek naar de effecten van studiebegeleiding op attitudes en gedragsdeterminanten en de bijdrage van de sociale- en leeromgeving aan deze effecten Samenvatting

Nadere informatie

S0A17D: Examen Sociale Statistiek (deel 2)

S0A17D: Examen Sociale Statistiek (deel 2) S0A17D: Examen Sociale Statistiek (deel 2) 21 juni 2011 Naam : Jaar en studierichting : Lees volgende aanwijzingen eerst voor het examen te beginnen : Wie de vragen aanneemt en bekijkt, moet minstens 1

Nadere informatie

Kwaliteit betekent nog geen kwantiteit

Kwaliteit betekent nog geen kwantiteit Kwaliteit betekent nog geen kwantiteit Onderzoek naar de relatie tussen kwaliteitsoordeel en instroom bij universitaire bacheloropleidingen Eva de Haan, BSc Drs. José van Zwieten Maart 2013 Bijcollege

Nadere informatie

Toelichting Ankeronderzoek met Referentiesets. Ankeronderzoek. Beschrijving ankeronderzoek. Saskia Wools & Anton Béguin, Cito 2014

Toelichting Ankeronderzoek met Referentiesets. Ankeronderzoek. Beschrijving ankeronderzoek. Saskia Wools & Anton Béguin, Cito 2014 Toelichting Saskia Wools & Anton Béguin, Cito 2014 Ankeronderzoek Deze handleiding bevat een korte beschrijving van ankeronderzoeken. In het algemeen geldt dat meer informatie te vinden is in het boek

Nadere informatie

TERUGBLIK CENTRAAL EXAMEN WISKUNDE B VWO EERSTE TIJDVAK 2014

TERUGBLIK CENTRAAL EXAMEN WISKUNDE B VWO EERSTE TIJDVAK 2014 TERUGBLIK CENTRAAL EXAMEN WISKUNDE B VWO EERSTE TIJDVAK 2014 Inleiding Quickscan Via WOLF (Windows Optisch Leesbaar Formulier) geven examinatoren per vraag de scores van hun kandidaten voor het centraal

Nadere informatie

Kenmerk ontheffing in de Bijstands Uitkeringen Statistiek

Kenmerk ontheffing in de Bijstands Uitkeringen Statistiek Centraal Bureau voor de Statistiek Divisie sociale en regionale statistieken (SRS) Sector statistische analyse voorburg (SAV) Postbus 24500 2490 HA Den Haag Kenmerk ontheffing in de Bijstands Uitkeringen

Nadere informatie

Auteurs: Baarda e.a. isbn: 978-90-01-80771-9

Auteurs: Baarda e.a. isbn: 978-90-01-80771-9 Woord vooraf Het Basisboek Methoden en Technieken biedt je een handleiding voor het opzetten en uitvoeren van empirisch kwantitatief onderzoek. Je stelt door waarneming vast wat zich in de werkelijkheid

Nadere informatie

MASTERCLASS De datateam methode Examenresultaten Nederlands

MASTERCLASS De datateam methode Examenresultaten Nederlands MASTERCLASS De datateam methode Examenresultaten Nederlands Taal op koers 29 oktober 2014 Cindy Poortman en Kim Schildkamp Uitdagingen in de onderwijspraktijk Voortijdige schooluitval Gebrek aan praktische

Nadere informatie

Wat betekent het twee examens aan elkaar te equivaleren?

Wat betekent het twee examens aan elkaar te equivaleren? Wat betekent het twee examens aan elkaar te equivaleren? Op grond van de principes van eerlijkheid en transparantie van toetsing mogen kandidaten verwachten dat het examen waarvoor ze opgaan gelijkwaardig

Nadere informatie

Samenwerking en innovatie in het MKB in Europa en Nederland Een exploratie op basis van het European Company Survey

Samenwerking en innovatie in het MKB in Europa en Nederland Een exploratie op basis van het European Company Survey Samenwerking en innovatie in het MKB in Europa en Nederland Een exploratie op basis van het European Company Survey ICOON Paper #1 Ferry Koster December 2015 Inleiding Dit rapport geeft inzicht in de relatie

Nadere informatie

Gebruikershandleiding

Gebruikershandleiding Gebruikershandleiding Inhoudsopgave 1 Inleiding 1 Snel aan de slag 3 Per Enquete 3 Een enquête + vragen toevoegen 6 Layout aanpassen 7 Een uitnodiging versturen 8 Resultaten bekijken 8 Tips en trucs 13

Nadere informatie

Het Nationale Klantbelevingsonderzoek 2012. Beleef en beïnvloed de klant!

Het Nationale Klantbelevingsonderzoek 2012. Beleef en beïnvloed de klant! Het Nationale Klantbelevingsonderzoek 2012 Beleef en beïnvloed de klant! Klantenbinding is essentieel voor organisaties om te overleven. Klanten worden steeds veeleisender; naast een goede functionele

Nadere informatie

Aanpassingen takenboek! Statistische toetsen. Deze persoon in een verdeling. Iedereen in een verdeling

Aanpassingen takenboek! Statistische toetsen. Deze persoon in een verdeling. Iedereen in een verdeling Kwantitatieve Data Analyse (KDA) Onderzoekspracticum Sessie 2 11 Aanpassingen takenboek! Check studienet om eventuele verbeteringen te downloaden! Huidige versie takenboek: 09 Gjalt-Jorn Peters gjp@ou.nl

Nadere informatie

Schakel(en) tussen klanten

Schakel(en) tussen klanten Schakel(en) tussen klanten Onderzoek naar klanttevredenheid dienstverlening Agentschap SZW EUROPESE UNIE Europees Sociaal Fonds Het Agentschap SZW voert Europese en nationale subsidieregelingen uit op

Nadere informatie

WAAR JE ZIT IS WAAR JE STAAT

WAAR JE ZIT IS WAAR JE STAAT WAAR JE ZIT IS WAAR JE STAAT Posities als antecedenten van management-denken over concernstrategie ACHTERGROND (H. 1-3) Concernstrategie heeft betrekking op de manier waarop een concern zijn portfolio

Nadere informatie

onvoldoende voldoende goed uitstekend 1 2 3 4 Er is een onderzoeksplan, maar de deelvragen kunnen niet leiden tot een goed antwoord op de hoofdvraag.

onvoldoende voldoende goed uitstekend 1 2 3 4 Er is een onderzoeksplan, maar de deelvragen kunnen niet leiden tot een goed antwoord op de hoofdvraag. Onderzoek Naam leerling:. Onderzoeksplan Er is een onderzoeksplan, maar de hoofdvraag is onduidelijk. Er is een onderzoeksplan, maar de deelvragen kunnen niet leiden tot een goed antwoord op de hoofdvraag.

Nadere informatie

Rapport Lectoraat elearning

Rapport Lectoraat elearning Rapport Lectoraat elearning INHOLLAND Hogeschool Rotterdam, 24 mei 05 Door: In opdracht: Chablis Platenburg Lectoraat elearning, Lector Dr. G. Wijngaards, INHOLLAND Hogeschool 1. ICT gebruik van INHOLLAND

Nadere informatie

Onderzoeksvaardigheden 2

Onderzoeksvaardigheden 2 Performance van Phonegap Naam: Datum: april 2012 Studentnummer: 0235938 Opleiding: CMD Docenten: Pauline Krebbers Modulecode: MEDMO101DT Modulenaam: Onderzoeksvaardigheden 2 / Media & Onderzoek Inhoudsopgave

Nadere informatie

DEMO VERSIE. Enquêteresultaat Trainingsevaluatie 17-05-2006

DEMO VERSIE. Enquêteresultaat Trainingsevaluatie 17-05-2006 DEMO VERSIE Enquêteresultaat Trainingsevaluatie 17-5-26 Mirotek Design - demo 8/25 Inhoudsopgave 1 Introductie... 3 2 Sterkte / zwakte analyse... 4 3 Verschil eerste groep en overige groepen... 5 4 Prioriteiten...

Nadere informatie

Ik wil de opdracht van VORIG ACADEMISCH JAAR laten meetellen bij de bepaling van het eindcijfer:

Ik wil de opdracht van VORIG ACADEMISCH JAAR laten meetellen bij de bepaling van het eindcijfer: VOORBLAD VOOR EEN SCHRIFTELIJK TENTAMEN/TOETS Vaknaam: METHODEN VAN BEDRIJFSECONOMISCH ONDERZOEK Vakcode: 300012 Datum tentamen: 25/05/2011 Duur tentamen: 150 MINUTEN Docent: BOUGIE, OSINGA, STALPERS ANR

Nadere informatie

Beschrijvende statistieken

Beschrijvende statistieken Elske Salemink (Klinische Psychologie) heeft onderzocht of het lezen van verhaaltjes invloed heeft op angst. Studenten werden at random ingedeeld in twee groepen. De ene groep las positieve verhaaltjes

Nadere informatie

Email of voice-mail Memo Rapport Visuele rapporten 7 Ter afsluiting Bijlage 1 Resultaatgedreven vs Hypothesegedreven Bijlage 2 Lege

Email of voice-mail Memo Rapport Visuele rapporten 7 Ter afsluiting Bijlage 1 Resultaatgedreven vs Hypothesegedreven Bijlage 2 Lege Inhoudsopgave Inhoudsopgave 1 De noodzaak van een gestructureerde probleemoplossing-methodiek Rapporten komen vaak niet over Het beantwoorden van een vraag is een complex proces Een werkwijze is nodig

Nadere informatie

tudievragen voor het vak TCO-2B

tudievragen voor het vak TCO-2B S tudievragen voor het vak TCO-2B 1 Wat is fundamenteel/theoretisch onderzoek? 2 Geef een voorbeeld uit de krant van fundamenteel/theoretisch onderzoek. 3 Wat is het doel van fundamenteel/theoretisch onderzoek?

Nadere informatie

De kennis van apothekersassistenten over het EPD en het LSP

De kennis van apothekersassistenten over het EPD en het LSP Onderzoeksartikel 5 juni 2014 De kennis van apothekersassistenten over het EPD en het LSP M.R.L. Nass; onderzoekstudent Farmakunde Abstract Doelstelling: Het doel van dit onderzoek was het verkrijgen van

Nadere informatie

/hpm. Onderzoek werkstress, herstel en cultuur. De rol van vrijetijdsbesteding. 6 februari 2015. Technische Universiteit Eindhoven

/hpm. Onderzoek werkstress, herstel en cultuur. De rol van vrijetijdsbesteding. 6 februari 2015. Technische Universiteit Eindhoven Onderzoek werkstress, herstel en cultuur De rol van vrijetijdsbesteding 6 februari 2015 Technische Universiteit Eindhoven Human Performance Management Group ir. P.J.R. van Gool prof. dr. E. Demerouti /hpm

Nadere informatie

Op de vraag of men de artikelen zelf in het Engels schrijft, gaf één wetenschapper het volgende aan:

Op de vraag of men de artikelen zelf in het Engels schrijft, gaf één wetenschapper het volgende aan: NEDERLANDS, TENZIJ Onderzoek Vakgroep Marktkunde en Marktonderzoek RUG In dit onderzoek zijn de volgende vragen geformuleerd: Welke factoren zijn op dit moment van invloed op de beslissing of Nederlandse

Nadere informatie

Werkdruk in het onderwijs

Werkdruk in het onderwijs Rapportage Werkdruk in het primair en voortgezet onderwijs DUO ONDERWIJSONDERZOEK drs. Vincent van Grinsven dr. Eric Elphick drs. Liesbeth van der Woud Maart 2012 tel: 030-2631080 fax: 030-2616944 email:

Nadere informatie

OV-plangedrag Breng-reizigers

OV-plangedrag Breng-reizigers OV-plangedrag Breng-reizigers Lectoraat Human Communication Development Auteurs: Daphne Hachmang Renée van Os Els van der Pool Datum: 9-9-2014 Inhoudsopgave 1. Inleiding 3 2. Achtergrond onderzoek 4 2.1

Nadere informatie

Succesvolle toepassing van 360 graden feedback: De keuze van het 360 instrument en de voorbereiding op het 360 traject

Succesvolle toepassing van 360 graden feedback: De keuze van het 360 instrument en de voorbereiding op het 360 traject Succesvolle toepassing van 360 graden feedback: De keuze van het 360 instrument en de voorbereiding op het 360 traject Augustus 2011 Waar werknemers onderdeel zijn van een organisatie, wordt beoordeeld.

Nadere informatie

Enquête leesvaardigheid maart 2015

Enquête leesvaardigheid maart 2015 Enquête leesvaardigheid maart 2015 In het voorjaar van 2015 heeft de kerngroep Engels een enquête gehouden onder de docenten Engels. 97 docenten hebben de enquête ingevuld. Het bevraagde onderwerp betrof

Nadere informatie

Effecten van cliëntondersteuning. Samenvatting van een haalbaarheidsonderzoek naar de meetbaarheid van door de cliënt ervaren effecten

Effecten van cliëntondersteuning. Samenvatting van een haalbaarheidsonderzoek naar de meetbaarheid van door de cliënt ervaren effecten Effecten van cliëntondersteuning Samenvatting van een haalbaarheidsonderzoek naar de meetbaarheid van door de cliënt ervaren effecten MEE Nederland, 4 februari 2014 1. Inleiding In deze samenvatting beschrijven

Nadere informatie

VOORBEELD VAN FEEDBACKRAPPORT SELOR TAALTEST

VOORBEELD VAN FEEDBACKRAPPORT SELOR TAALTEST Dit rapport wordt ter informatie aangeboden om uit te leggen hoe Selor de taalcompetenties evalueert en hoe Selor feedback geeft in de feedbackrapporten voor kandidaten. Dit voorbeeld dekt niet alle mogelijke

Nadere informatie

1. Gegeven zijn de itemsores van 8 personen op een test van 3 items

1. Gegeven zijn de itemsores van 8 personen op een test van 3 items 1. Gegeven zijn de itemsores van 8 personen op een test van 3 items item Persoon 1 2 3 1 1 0 0 2 1 1 0 3 1 0 0 4 0 1 1 5 1 0 1 6 1 1 1 7 0 0 0 8 1 1 0 Er geldt: (a) de p-waarden van item 1 en item 2 zijn

Nadere informatie

Vaardigheidsmeter Communicatie

Vaardigheidsmeter Communicatie Vaardigheidsmeter Communicatie Persoonlijke effectiviteit Teamvaardigheden Een goede eerste indruk Zelfempowerment Communiceren binnen een team Teambuilding Assertiviteit Vergaderingen leiden Anderen beïnvloeden

Nadere informatie

Verbeterde klantenservice omgeving Toepassing van neuro-usability onderzoek

Verbeterde klantenservice omgeving Toepassing van neuro-usability onderzoek Verbeterde klantenservice omgeving Toepassing van neuro-usability onderzoek Insights -2015 Dennis de Weerd Meer Makkelijk Mogelijk VOORSTELLEN DENNIS DE WEERD 29 Almere Reizen ONLINE ERVARING Information

Nadere informatie

In contact met het merk: merkbelevingsmonitor

In contact met het merk: merkbelevingsmonitor In contact met het merk: merkbelevingsmonitor Het meten van de effectiviteit van marketing- en communicatie-inspanningen is en blijft een hot issue. Marketing intelligence van KPN ontwikkelde samen met

Nadere informatie

CQi Kortdurende ambulante geestelijke gezondheidszorg of verslavingszorg

CQi Kortdurende ambulante geestelijke gezondheidszorg of verslavingszorg CQi Kortdurende ambulante geestelijke gezondheidszorg of verslavingszorg Uitkomsten voor Raphaëlstichting LPGGz Terugkoppeling resultaten Resultaten CQi Kortdurende ambulante geestelijke gezondheidszorg

Nadere informatie

Proeftuinplan: Meten is weten!

Proeftuinplan: Meten is weten! Proeftuinplan: Meten is weten! Toetsen: hoog, laag, vooraf, achteraf? Werkt het nu wel? Middels een wetenschappelijk onderzoek willen we onderzoeken wat de effecten zijn van het verhogen cq. verlagen van

Nadere informatie

DEEL 2: Leerdoelenoverzicht (groep 5-8)

DEEL 2: Leerdoelenoverzicht (groep 5-8) Excellente gespreksvoering met excellente leerlingen DEEL 2: Leerdoelenoverzicht (groep 5-8) Deze uitgave maakt onderdeel uit van het product Excellente gespreksvoering met excellente leerlingen. Dit product

Nadere informatie

KWANTITATIEF TESTEN. experimenteel ontwerp (MIT 14) statistische analyse (MIT 15)

KWANTITATIEF TESTEN. experimenteel ontwerp (MIT 14) statistische analyse (MIT 15) KWANTITATIEF TESTEN experimenteel ontwerp (MIT 14) statistische analyse (MIT 15) tips Google Wikipedia MIT 14, 15 stats.stackexhchange.com ander onderzoek dat lijkt op het jouwe experimenteel ontwerp kwantitatieve

Nadere informatie