Vroege onderkenning van taalachterstand en taalstoornissen

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Vroege onderkenning van taalachterstand en taalstoornissen"

Transcriptie

1 Vroege onderkenning van taalachterstand en taalstoornissen Samenvatting: Taalontwikkelingsproblemen, meer bepaald taalontwikkelingsvertragingen en - ontwikkelingsstoornissen, vormen een belangrijk gezondheidsprobleem. Prevalentiecijfers tot 19% worden vermeld in de literatuur, maar meestal wordt over een prevalentie van 5 à 10% gesproken. Van vroege taalvertraging bij jonge kinderen is er een definitie, maar vindt men geen welomschreven eigenschappen. Taalontwikkelingsstoornissen zijn wel duidelijker afgelijnd. De differentieeldiagnose tussen vroege taalvertraging en taalstoornissen is nochtans van belang om het verdere beleid te bepalen. Taalproblemen kunnen te wijten zijn aan een specifieke (primaire) taalstoornis, niet-specifieke (secundaire) taalstoornis, een blootstellingsachterstand of een combinatie van oorzaken. Bij een specifieke taalontwikkelingsstoornis zijn de meest consistent gerapporteerde risicofactoren spraak- en taalachterstand in de familie, mannelijk geslacht en perinatale risicofactoren. Het gebruik van risicofactoren voor selectieve screening op taalachterstand en -stoornissen in de eerste taal is echter niet geëvalueerd. Voor zover bekend is er geen volledige lijst van specifieke risicofactoren ontwikkeld die werkers in de eerste lijn gezondheidszorg kan helpen met maken van een voorselectie van kinderen die at risk zijn voor taalachterstand en taalstoornissen. De meeste peuters met een zwakke of onvoldoende taalproductie hebben een normale outcome op vier- à vijfjarige leeftijd. Vooral als hun taalbegrip goed is, is de kans groot dat zij deze achterstand spontaan inhalen (ongeveer 60%). Voor kinderen met receptieve-expressieve vertraging is de prognose minder gunstig. In afwezigheid van therapie blijven de meesten taalproblemen vertonen. Bij taalontwikkelingsstoornissen (ontwikkelingsdysfasie of SLI) verdwijnen de problemen nooit volledig. Taalproblemen op schoolgaande leeftijd zijn significant geassocieerd met leerstoornissen, maar ook met gedragsstoornissen en emotionele stoornissen. De verschillende interventies die worden toegepast met betrekking tot deze aandoeningen zijn: 1. Monitoring en signalering a.h.v. ontwikkelingstoezicht: Het volgen en registreren van de taalontwikkeling van kinderen in de Nederlandse taal en in de moedertaal, indien dit niet de Nederlandse taal is, en het tijdig opsporen van een achterstand of stoornis in taalontwikkeling. Toegepast op Vlaanderen: Van Wiechenonderzoek (VWO) sectie communicatie: Op de leeftijden 1 maand, 2, 3, 4, 6, 9, 12, 15, 18, 24 en 30 maanden. Omgevingsanalyse: Kinderen die geen of weinig taalaanbod in het Nederlands krijgen vanuit hun omgeving kunnen op basis van twee items worden gesignaleerd. 1. De ouder heeft geen of nauwelijks actieve kennis van het Nederlands 2. De taalomgeving van het kind is onvoldoende stimulerend Items 1 en 2 worden best beoordeeld bij een eerste huisbezoek of contactmoment; Item 2 wordt opnieuw geëvalueerd bij een volgend contactmoment indien negatieve scores bij vorige bevraging. 2. Screening Toegepast op Vlaanderen: Veelbelovende screeningsinstrumenten voor de beoordeling van de taalvaardigheid van het kind zijn: 14 juli

2 N-CDIs Lijsten voor Communicatieve Ontwikkeling Korte Vormen Spraak- en taalnormen Eerste Lijnsgezondheidszorg (SNEL). 3. Verwijzing, diagnose en behandeling In de literatuur worden interventies om fonologische stoornissen, expressieve en/of receptieve taalstoornissen te verbeteren, beschreven. Uit een meta-analyse van Law et al. kwamen goede aanwijzingen dat interventies gericht op een deel van de groep kinderen met een specifieke spraaktaalstoornis effectief is, namelijk therapie gericht op kinderen met expressieve moeilijkheden op het vlak van de fonologie en woordenschat. Het gaat hierbij echter vooral om effectiviteit op korte termijn. Effectiviteit op langere termijn (meer dan een jaar) is onbekend door gebrek aan onderzoek hiernaar. Onderzoek naar gezondheidswinst met betrekking tot dit onderwerp ontbreekt. Momenteel is er nog onvoldoende kennis over de effectiviteit van een screeningsprogramma voor taalachterstand: er is niet overtuigend aangetoond dat de voordelen van screenen opwegen tegen de nadelen ervan. Er zijn daarenboven geen studies over de optimale leeftijd(en) voor en frequentie van screening op taalachterstand. Voor de Engelstalige situatie (VS, Australië) en de situatie in Nederland werd onvoldoende bewijs gevonden om een aanbeveling voor een formele screening op taalachterstand te kunnen rechtvaardigen. Het is niet helemaal duidelijk of dit ook voor de situatie in Vlaanderen geldt door gebrek aan gericht onderzoek in deze regio, terwijl er toch een goed gevalideerd en betrouwbaar screeningsinstrument voor Vlaamse kinderen beschikbaar is, met name de N-CDIs/Korte Vormen. Conclusies met betrekking tot het aanbod van preventieve gezondheidszorg in de consultatiebureaus Voor signalering van taalachterstand bij alle kinderen tot 2,5 jaar kan aanbevolen worden om voorlopig verder gebruik te maken van het Van Wiechenonderzoek sectie communicatie en een omgevingsanalyse uit te voeren om taalblootstellingsachterstand op te sporen. Belangrijk nadeel is dat de doorverwijsrichtlijnen van het VWO niet duidelijk zijn. Uit Vlaams onderzoek blijkt dat de N-CDIs/Korte Vormen een waardevolle aanvulling kunnen zijn op het reeds toegepaste Van Wiechenonderzoek. Wanneer er een bezorgdheid is bij de ouders of bij de arts, die een kind al met het Van Wiechenonderzoek heeft geëvalueerd, dan kan aan de ouders worden voorgesteld een N-CDI/Korte Vormen in te vullen. Bij afwijkend resultaat op deze laatste kan een N-CDI/Woorden en Zinnen of, bij een taalleeftijd van 16 maanden of minder, een N- CDI/Woorden en Gebaren worden ingevuld. Met de resultaten van deze instrumenten kan men een gefundeerde beslissing nemen omtrent het al dan niet doorverwijzen of verder opvolgen van een kind met een taalachterstand. Er is echter nader onderzoek nodig naar de toepasbaarheid van het VWO en de N-CDIs/Korte Vormen op het consultatiebureau. Tevens moet een beleid ontwikkeld worden waarin de resultaten van beide instrumenten eenduidig de criteria voor doorverwijzing bepalen. Items 1 en 2 van de omgevingsanalyse zijn best te beoordelen bij een eerste huisbezoek of contactmoment. Item 2 is best opnieuw te evalueren bij een volgend contactmoment, indien er bij een vorige bevraging aanwijzingen waren voor onvoldoende stimulerende taalomgeving. 14 juli

3 1. Welke aandoeningen betreft het? Wat is de aard en omvang (incidentie/prevalentie) van deze aandoeningen? Van een langzamere of vertraagde taalontwikkeling (taalachterstand) wordt gesproken wanneer het taalgebruik van een kind kenmerken vertoont van het taalgebruik van een jonger kind, m.a.w. kenmerken die niet passen bij de kalenderleeftijd van het kind. Van een gestoorde taalverwerving wordt gesproken wanneer het taalgebruik van het kind kenmerken vertoont die niet in een bepaalde fase van het taalverwervingsproces thuishoren en die geen samenhangend beeld vormen. Een combinatie van beide is mogelijk. Een kind heeft een taalontwikkelingsstoornis als het taalbegrip en/of de taalproductie zich in vergelijking met kinderen van dezelfde mentale leeftijd significant langzamer en anders ontwikkelt. Taalontwikkelingsstoornissen geven persisterende en ernstige beperkingen op het vermogen de taal van de gemeenschap te leren, met onder andere beperkt verstaan of produceren van woordenschat, moeilijkheden met het uiten van ideeën, immature grammaticale patronen, moeilijkheden om opdrachten uit te voeren, andere conversatiepatronen. Er kan bij het begrip taalontwikkelingsstoornis nog een verdere nuancering toegepast worden. Men maakt onderscheid tussen stoornissen louter met betrekking tot taalproductie (Expressieve taalstoornis, DSM-IV-TR en ICD-10) en stoornissen met betrekking tot taalbegrip (Receptieve taalstoornis, ICD- 10; Gemengd receptieve-expressieve taalstoornis, DSM-IV-TR) waarbij in praktisch alle gevallen ook de expressieve taal duidelijk gestoord is, samen met afwijkingen in klank- en woordproductie. Deze nuancering wordt aangebracht omdat de oorzaak van de stoornis, de gevolgen op langere termijn en mogelijkheden voor behandeling bij deze twee groepen verschillend zijn. Op jonge leeftijd is het moeilijk tot onmogelijk een onderscheid tussen een vertraging die vanzelf overgaat en een gestoorde ontwikkeling te maken. Of het bij een taalontwikkelingsprobleem gaat om een vertraging die vanzelf of met gepaste logopedische therapie overgaat (taalachterstand) of om een stoornis die specifieke en langdurige logopedische therapie en schoolse begeleiding behoeft, zal moeten beoordeeld worden aan de hand van de analyse van de taalvorm, taalinhoud en taalgebruik. Op verschillende niveaus in de taal kunnen problemen ontstaan: fonologie, semantiek, syntaxis en morfologie, pragmatiek en metalinguïstiek (Duytschaever, 2007). Men spreekt van een spraakstoornis als het niveau van klankvorming niet past bij het taalontwikkelingsniveau. Het gaat om blijvende vertragingen en beperkingen in de ontwikkeling van spraakvaardigheden en stemkwaliteit. Onder spraakstoornissen klasseert men stemstoornissen, articulatiestoornissen en stotteren. Op spraakstoornissen wordt hier niet verder ingegaan, omdat bij zeer jonge kinderen de spraak nog van relatief ondergeschikt belang is aan de andere aspecten van taal. Oorzaken Een taalprobleem (een vertraging, een stoornis of een combinatie) bij het jonge kind kan te wijten zijn aan: - een specifieke (of primaire) taalontwikkelingsstoornis (SLI, specific language impairment): op zichzelf staande stoornis, zonder aanwijsbare oorzaak. - een niet-specifieke (of secundaire) taalontwikkelingsstoornis: de stoornis is verklaarbaar vanuit een duidelijk aanwezige ongunstige beïnvloedende factor, zoals gehoorverlies, lage intelligentie, psychosociale en emotionele problemen, globaal vertraagde of gestoorde ontwikkeling, of afwijkingen aan het spraakorgaan. Het gaat in dit geval om een stoornis bij het kind (Buschmann, 2008; van der Ploeg, 2007). - een blootstellingsachterstand: Er kan sprake zijn van een taalachterstand zonder een duidelijke medische of cognitieve oorzaak, maar omdat het kind onvoldoende aan een taal is blootgesteld. Er is met andere woorden onvoldoende (kwalitatief) taalaanbod vanuit de omgeving. De taal waarin zich een achterstand voordoet moet hierbij vermeld worden. Dit kan voorkomen bij: 14 juli

4 meertaligheid ééntalig Nederlandse kinderen met wie weinig of slecht Nederlands wordt gesproken - een combinatie van voorgaande oorzaken (van der Ploeg, 2007) Bij SLI zijn non-verbale cognitieve capaciteiten losgekoppeld van taalcapaciteiten. De diagnose van SLI wordt gesteld door de taalvaardigheden van een kind te vergelijken met zijn non-verbaal cognitief functioneren (performaal IQ). SLI is daarenboven een uitsluitingsdiagnose met de volgende criteria: Afwezigheid van - een benedengemiddelde intelligentie of mentale retardatie - een gehoorsstoornis - een afwijking aan de spraakorganen - een aantoonbaar neurologisch letsel - emotionele problemen of contactstoornis - extreme sociale deprivatie of taaldeprivatie - kinderpsychiatrische problematiek Risicofactoren Het gebruik van risicofactoren voor selectieve screening op taalachterstand en -stoornissen in de eerste taal is niet geëvalueerd. Voor zover bekend is er geen volledige lijst van specifieke risicofactoren ontwikkeld die werkers in de eerste lijn gezondheidszorg kan helpen met een voorselectie (Nelson, 2006; Schoon, 2010; van der Ploeg, 2007). Bij een specifieke taalontwikkelingsstoornis: o De meest consistent gerapporteerde risicofactoren zijn: -spraak- en taalachterstand in de familie -mannelijk geslacht -perinatale risicofactoren o Andere risicofactoren die minder vaak worden gerapporteerd zijn: -lage opleiding van de moeder en vader -kinderziekten -laat in de kinderrij van een gezin -gezinsgrootte Bij een niet-specifieke taalontwikkelingsstoornis: Diagnose waarvan bekend is dat deze spraak- en/of taalachterstand in een eerste en volgende taal kan geven, zoals o Autismespectrumstoornis (ASS) o Mentale retardatie o Genetisch bepaalde aandoeningen zoals fragiel X syndroom, velocardiofaciaal syndroom, o Gehoorverlies o Degeneratieve en andere neurologische stoornissen Bij een blootstellingsachterstand: Risicofactor is per definitie onvoldoende blootstelling aan een bepaalde taal. 14 juli

5 Het model van Bakker, toegepast op taalproblemen, ziet er als volgt uit: Risicofactoren mbt taalachterstand Risicofactoren kind Pre- en perinatale problemen, prematuur, dysmatuur Mannelijk geslacht Diagnose waarvan bekend is dat deze spraaken/of taalachterstand in de eerste taal kan geven Moeilijk temperament Lage intelligentie Aangeboren afwijkingen in het neus-, keel-, oorgebied Kinderziekten Laat in de kinderrij van gezin Risicofactoren ouders Weinig sensitief responsief Chronische ziekte of gehandicapte ouders op spraak- of gehoorgebied (Familiale) spraak- en/of taalachterstand Verwaarlozing, mishandeling, misbruik, agressie Leefstijl (spelen) Lage opleidingsgraad Psychopathologie van de ouders (depressie, psychose, delinquentie, antisociaal gedrag) Alcoholisme, drugsgebruik van de ouders of gezinsleden, gokverslaving Risicofactoren gezin Gezinsgrootte Conflicten in het gezin, Autoritaire opvoedingsstijl ( geen betrokkenheid, genegenheid, warmte of intimiteit) Verlies van een geliefd persoon Sociale risicofactoren Sociale isolatie, ontbreken van sociale steun Slechte relatie met leeftijdgenoten Geen contact met kinderopvang Risicofactoren op macroniveau Lage socio-economische status Culturele minderheidsgroep Afwijkend subculturele normen en waarden, economische crisis, werkloosheid en discriminatie Conclusie Beschermende factoren mbt taalachterstand Beschermende kindfactoren Makkelijk temperament Hoge intelligentie Niet vermijdende copingstijl Beschermende ouderfactoren Positieve zelfwaardering Goede gezondheid, vooral betreffende spraak en gehoor Competente ouders, sensitief en responsief. Ouders die een goed taalaanbod geven Beschermende gezinsfactoren Positieve gezinssfeer; Stabiel gezin; Goed voorbeeld. Beschermende mesofactoren Sociale netwerken Goede relatie met familie en vrienden Toegang tot instellingen voor onderwijs, welzijn en zorg. Beschermende macrofactoren Goede opleiding van de ouders Normen en waarden in overeenstemming net de dominante cultuur 14 juli

6 Prognostische variabelen In de literatuur worden een aantal factoren genoemd die het risico op blijvende taalvertraging zouden doen toenemen. Deze kennis zou men kunnen gebruiken om te bepalen welke kinderen bij voorkeur van de beschikbare diensten om taalstoornissen te behandelen gebruik zouden moeten maken (Duytschaever, 2007). Factoren die gevonden werden zijn onder meer: a. Leeftijd: kinderen ouder dan 26 maanden hebben een slechtere outcome wat betreft syntax (Law, 1998). b. Ernst van de taalvertraging: het verschil tussen de geschatte expressieve taalleeftijd en de chronologische leeftijd is gecorreleerd met de expressieve outcome een jaar later (Law, 1998). c. Er is een verband tussen de receptieve taalvaardigheden (taalbegrip) op 30 maanden (2;06 jr) en de receptieve en expressieve taalvaardigheden (taalbegrip en taalproductie) op 4;06 jr. Het verband tussen receptieve taalvaardigheden op 3;00 jaar en receptieve en expressieve taalvaardigheden op 5;00 jaar is nog groter (Zink, 1995). d. Spectrum van taal- en spraakontwikkelingsdomeinen dat gestoord is: ook de ernst van de taalstoornis speelt prognostisch gezien een rol. Kinderen met een vertraging op alle taalonderdelen hebben een slechtere prognose dan kinderen die slechts op één of twee taalaspecten achter blijven. Wanneer enkel spraakproblemen aanwezig zijn, is de prognose beter dan wanneer taalbegrip en taalproductie is aangetast (Law, 1998; Law, 2000). e. Algemene bekwaamheid van een kind: de niet-verbale cognitieve mogelijkheden zijn een belangrijke prognostische variabele. Bij kinderen met een specifieke taalstoornis, dus met een aanvankelijk gemiddelde niet-verbale intelligentie, is er een verbetering van 44% tussen de leeftijd van 4 jaar en 5,5 jaar. Van de kinderen met een globale ontwikkelingsvertraging vertoont 89% op 5,5-jarige leeftijd nog steeds taalproblemen (Law, 1998). f. Geassocieerde factoren: neurologische, medische en ontwikkelingsgebonden factoren. Wat een kind begrijpt tussen 18 en 28 maanden is een betere voorspeller van de latere taalmogelijkheden dan wat een kind zegt tussen 18 en 28 maanden. Ook op latere leeftijd geldt dit nog: het begrip van kinderen tussen 30 en 36 maanden is een betere voorspeller van taalmogelijkheden dan de taalproductie van kinderen tussen 30 en 36 maanden. Prevalentie van taalontwikkelingsstoornissen Onder prevalentie verstaan we de proportie of het percentage gevallen in een bepaalde populatie op een bepaald ogenblik. Spraak- en taalontwikkeling worden, net als de andere ontwikkelingsdomeinen, gekenmerkt door een aanzienlijke interindividuele variabiliteit: er zit een grote spreiding op de normen die gehanteerd worden voor een normaal verlopende spraak- en taalontwikkeling. Er bestaat geen consensus over variaties met betrekking tot een normale spraak en taalontwikkeling en er ontbreekt een gouden standaard om een taalontwikkelingsstoornis te benoemen. De prevalentieschattingen lopen hierdoor sterk uiteen. Ze verschillen naargelang de leeftijd en het onderzochte taaldomein en naargelang de gehanteerde criteria en definitie van een taalstoornis. In een systematische review van de literatuur vonden Law et al. dat gemiddeld 5,95% (met een spreiding van 2,28 tot 6,68%) van typisch ontwikkelende kinderen een primair spraak- en taalprobleem hadden (Law, 2000). Voor een primair taalprobleem alleen werd de prevalentie gemiddeld op 7,40% (spreiding 2,02-19,00%) geschat. Law et al. concludeerden dat spraak- en taalproblemen aandoeningen zijn met een hoge prevalentie zodat een gerichte benadering op vlak van screening verantwoord is. 14 juli

7 Andere studies (McLeod, 2009): Studie Chevrie- Muller et al King et al Okalidou & Kampanaros 2001 Zubrick et al Aantal Land deelnemers Frankrijk ,5j Meer frequent bij -jongens -ouders met lage opleidingsgraad -anderstaligen USA 513 3j 10% 2SD onder gemiddelde; 49% 1SD onder gemiddelde Griekenland 1113 Kleuterschool Leeftijd Prevalentie Gebied Methodologie Specifieke taalontwikkelingsstoornis en gedragsproblemen Taalstoornis Vragenlijst voor de leerkracht Preschool Language Scale-3 (PLS-3; Zimmerman, Steiner & Pond, 1992) 14,4-18,7% Communicatiestoornis Vragenlijst voor de leerkracht Australië j 13,4% Taalachterstand Vragenlijst voor de ouders In een aantal populatiestudies werd de prevalentie van taalachterstand bij Zweedse kinderen onderzocht (Miniscalco, 2006). In een studie waarbij 865 Zweedse kinderen van 30 maanden oud werden gescreend voor taalachterstand, vermoedde men bij 11,0% milde tot matige taalachterstand en bij 2,6% ernstige taalachterstand. Algemeen is de prevalentie van gediagnosticeerde taalachterstand in Zweden ongeveer 6%. Deze cijfers komen overeen met andere grootschalige internationale studies (Law, 2000). Reep-van den Bergh schat de prevalentie van taalontwikkelingsstoornissen in Nederland op basis van uitgebreid literatuuronderzoek bij kinderen op 3- à 4-jarige leeftijd zeer globaal op 5% (van der Ploeg, 2007). Prevalentiecijfers voor Vlaanderen ontbreken. Wij gaan er van uit dat de prevalentie van taalstoornissen in Vlaanderen ongeveer gelijk is aan de prevalentie die vermeld wordt in de internationale literatuur: 7 à 10% van de kinderen heeft taalontwikkelingsproblemen. Bij een deel van de kinderen kan dit weggewerkt worden door logopedie (in dat geval spreken we van een taalvertraging of taalachterstand). Drie tot 5% van de kinderen heeft een specifieke taalstoornis of SLI, wat een hardnekkige vorm is die je voor het leven hebt (Zink, 2010). De overgang van een normale taalontwikkeling naar pathologie is gradueel. De grote verschillen tussen kinderen in vorm, kenmerken, ernst en hardnekkigheid van de aandoening taalontwikkelingsstoornis maakt het ontwikkelen van een effectieve screening extra lastig: er is geen vastomlijnde doelgroep waarvan vaststaat dat zij baat zullen hebben bij vroegtijdige behandeling. Bovendien maakt een taalontwikkelingsprobleem onderdeel uit van de algehele ontwikkeling van een kind en is deze daarmee nauw gerelateerd aan andere aspecten van de ontwikkeling. De meeste peuters met een zwakke of onvoldoende taalproductie hebben een normale outcome op vier- à vijfjarige leeftijd. Vooral als hun taalbegrip goed is, dan is de kans groot dat zij deze achterstand spontaan inhalen (ongeveer 60%). Voor kinderen met receptieve-expressieve vertraging is de prognose minder gunstig. In afwezigheid van therapie blijven de meesten taalproblemen vertonen. Bij taalstoornissen lossen de problemen zich slechts in 25% van de gevallen vanzelf op. 14 juli

8 2. Welke verschillende (soorten) interventies (vb. screening, verwijzing, diagnose, behandeling) worden toegepast met betrekking tot deze aandoeningen? Op welke leeftijden vinden deze interventies plaats? 2.1. Monitoring en signalering a.h.v. ontwikkelingstoezicht Dit is te definiëren als het volgen en registreren van de taalontwikkeling van kinderen in de Nederlandse taal en in de moedertaal, indien dit niet de Nederlandse taal is, en het tijdig opsporen van een achterstand of stoornis in taalontwikkeling Van Wiechenonderzoek (VWO) sectie communicatie: op de leeftijden 1 maand, 2, 3, 4, 6, 9, 12, 15, 18, 24 en 30 maanden (van der Ploeg, 2007). Doel: Classificatie: Doelgroep: Uitvoerbaarheid: Beschrijving: Beoordelen ontwikkeling; fijne motoriek, adaptatie, persoonlijkheid en sociaal gedrag, communicatie en grove motoriek. Signaleringsinstrument Communicatieniveau: 0-54 maanden Afnameduur: 3 minuten Wijze van afname: uitlokken van gewenst gedrag bij kind. Alhoewel dit niet de voorkeur heeft, is er bij verschillende kenmerken de mogelijkheid tot ouderrapportage. Uitvoerders: JGZ-arts of -verpleegkundige Gebruikersonafhankelijkheid: redelijk Situatieonafhankelijkheid: redelijk Materiaal (eenvoudig, kosten, verkrijgbaarheid): vierkante doos met 10 blokken,vormenstoof, blokken, twee ballen, pop, leporelloboekje volgens specificatie; uitsluitend verkrijgbaar via medische groothandel (samen 50). Daarbij twee instructieschema s (zonder kosten te downloaden van website) en het instructieboek (Uitgeverij Van Gorcum te Assen, verkrijgbaar in de boekhandel; 50). Training uitvoerder nodig: ja, voor het hele Van Wiechenonderzoek, niet apart voor de communicatie items. Wordt al door JGZ gebruikt: ja, door alle consultatiebureaus Pluspunten: registratie opgenomen in kinddossier Knelpunten: uitkomst van het onderzoek kan gemakkelijk leiden tot verschillende interpretaties. Verwijscriteria van verpleegkundige naar arts binnen het team JGZ zijn onvoldoende; bij onvoldoende score op communicatie items hoeft het kind pas binnen een half jaar door de arts gezien te worden. Het Van Wiechenonderzoek wordt op alle consultatiebureaus gebruikt om de ontwikkeling van zuigelingen en peuters te volgen en de ouders daar zo goed mogelijk bij te betrekken. Op gestandaardiseerde wijze wordt nagegaan of diverse leeftijdsspecifieke ontwikkelingskenmerken al dan niet aanwezig zijn. Het onderzoek omvat de volgende ontwikkelingsvelden: fijne motoriek, adaptatie, persoonlijkheid en sociaal gedrag, communicatie en grove motoriek. Voor het onderzoek worden gedragingen uitgelokt, bijvoorbeeld het op verzoek bouwen van een blokkentoren, kruipen, lopen, die vervolgens geobserveerd, beoordeeld en per kenmerk in een registratieschema vastgelegd worden. Het ontwikkelingsveld communicatie van het Van Wiechenonderzoek omvat 23 items (16 items tot juli

9 maanden). Hoewel dit niet de voorkeur heeft, kan voor een deel van de kenmerken op informatie van de moeder worden vertrouwd. Herziening van het onderzoek heeft plaatsgevonden in 1996, en nogmaals in Items communicatie: Taalgebruik, het communicatieve aspect van taal: reageert op toespreken (1 maand) lacht terug (2 maanden) maakt geluiden terug (3 maanden) zwaait dag, dag (12 maanden) Taalbegrip, het cognitieve aspect van taal, het kennen van de betekenis van uitingen van anderen en van het kind zelf:. reageert op mondeling verzoek (12 maanden) begrijpt enkele dagelijks gebruikte zinnen (15 maanden). begrijpt spelopdrachtjes (18 maanden) wijst zes lichaamsdelen aan bij de pop (24 maanden) wijst vijf plaatjes aan in een boek (30 maanden) Taalexpressie, de plaatsing van de juiste klanken in de juiste woorden, via éénwoordzinnen en twee-woordzinnen naar meer-woordzinnen.. maakt gevarieerde geluiden (6 maanden) zegt baba, dada, gaga (9 maanden). brabbelt bij zijn spel (12 maanden). zegt 2 geluidswoorden met begrip (15 maanden) zegt drie woorden (18 maanden) zegt zinnen van twee woorden (24 maanden). noemt zichzelf mij of ik (30 maanden) Normering: Gedefinieerd: Nee. Wel worden per item leeftijdsindicaties gegeven. Totaalscore ontbreekt. Gebaseerd op: (internationale) onderzoeksliteratuur en klinische ervaring (criterion referenced). COTAN: Validiteit: Verwijscriteria: Beoordeeld door COTAN (Commissie Testaangelegenheden van het Nederlands Instituut van Psychologen): Ja Uitkomst: uitgangspunten bij testconstructie: goed kwaliteit van het testmateriaal: voldoende kwaliteit van de handleiding: voldoende normen: onvoldoende betrouwbaarheid: onvoldoende begripsvaliditeit: onvoldoende criteriumvaliditeit: onvoldoende Predictieve validiteit werd onderzocht in 2009 door M. Boere-Boonekamp in het TNO-rapport Onderbouwing van de validiteit van het ontwikkelingsonderzoek bij kinderen van 0 tot en met 4 jaar: het Van Wiechenonderzoek (Boere-Boonekamp, 2009) Gedefinieerd: Nee Volgen van ontwikkeling: Longitudinale afname mogelijk: Ja Effectiviteit: Geen informatie 14 juli

10 Conclusie: Beoordeelt ontwikkeling; fijne motoriek, adaptatie, persoonlijkheid en sociaal gedrag, communicatie (Nederlands) en grove motoriek. Doelgroep is kinderen van 0-54 maanden. Het Van Wiechenonderzoek wordt op alle consultatiebureaus gebruikt om de ontwikkeling van zuigelingen en peuters te volgen. Op gestandaardiseerde wijze wordt geobserveerd of diverse leeftijdsspecifieke ontwikkelingskenmerken al dan niet aanwezig zijn. Relatief korte afnameduur (3 minuten). Training van de uitvoerders is noodzakelijk. Uitkomst van het onderzoek kan gemakkelijk leiden tot verschillende interpretaties. Normering ontbreekt, wel worden per item leeftijdsindicaties gegeven. Psychometrische eigenschappen van de test werden beoordeeld door de COTAN. Uitkomsten op de verschillende aspecten varieerden van onvoldoende (4 items), via voldoende (2 items) tot goed (1 item). Volgen van de ontwikkeling in de tijd is zeer goed mogelijk. Kortom, het van Wiechenonderzoek is het enige onderzoek dat behalve de communicatie ook de overige aspecten van de ontwikkeling meeneemt. Onderzoek wordt al door alle organisaties in Nederland gebruikt. Betrouwbaarheid is hoopvol te noemen, maar onvoldoende onderbouwd. Aanzet tot validering via bepaling van de D- score voor globale ontwikkelingsachterstand (zie fiche Vroegtijdige onderkenning van ontwikkelingsproblemen ) Omgevingsanalyse (RIVM, 2009): De omgevingsanalyse is bedoeld als een eenvoudig hulpmiddel voor de CB-medewerker bij de beoordeling van het taalaanbod in het Nederlands vanuit de directe omgeving van het kind. Kinderen die geen of weinig taalaanbod in het Nederlands krijgen vanuit hun omgeving kunnen op basis van twee items worden gesignaleerd. Hierbij dient wel te worden opgemerkt dat het niet is omdat een ouder geen of nauwelijks Nederlands spreekt dat het taalaanbod op zich niet goed is. Er kan een perfect aanbod zijn in de moedertaal en het kind kan dit als springplank gebruiken bij het leren van de tweede taal wanneer het naar school gaat. Daarom is het ook zo belangrijk om de tweede pijler te trachten in kaart te brengen. Item 1. De ouder heeft geen of nauwelijks actieve kennis van het Nederlands 2. De taalomgeving van het kind is onvoldoende stimulerend De CB-medewerker trekt de conclusie of de taalomgeving wel of niet voldoende stimulerend is op basis van professionele inschatting. De volgende items kunnen daarbij in overweging worden genomen: - De ouder/verzorger spreekt met het kind tijdens allerlei activiteiten in het dagelijks leven (hij/zij benoemt bijvoorbeeld wat hij/zij doet, ziet of hoort); - De ouder/verzorger leest het kind voor uit lees- of kijkboek; - De ouder/verzorger doet (woord)spelletjes met het kind; - Interactie tussen ouder en kind. Item 1 en 2 zijn best te beoordelen bij eerste huisbezoek of contactmoment. Item 2 opnieuw evalueren bij volgend contactmoment indien er bij een vorige bevraging aanwijzingen waren voor een onvoldoende stimulerende taalomgeving. 14 juli

11 2.2. Screening op een taalontwikkelingsstoornis De volgende instrumenten hebben een afnameduur van 10 minuten of minder (in alfabetische volgorde) (van der Ploeg, 2007): Groninger Minimum Spreeknormen/Groninger Diagnostische Spreeknormen (GMS/GDS) Tweetalige Lexiconlijsten: Turks-Nederlands, Tarifit-Berbers-Nederlands en Marokkaans-Arabisch-Nederlands N-CDIs Lijsten voor Communicatieve Ontwikkeling (korte vormen) (N-CDI/Korte Vormen) N-CDI 3 (Zink & Lejaegere, 2007): korte vorm voor kinderen van maanden Nonsenswoord repetitietaak (NRT) Spraak- en taalnormen Eerste Lijns gezondheidszorg (SNEL) VTO taal 2-jarigen (VTO) De volgende instrumenten hebben een afnameduur van meer dan 10 minuten: Logopedisch screeningsinstrument (LSI) incl. taalscreeningsinstrument (TSI) voor 3-, 4-, 5- jarigen, schoolvragenlijst (SVL) en oudervragenlijst (OVL); Peabody Picture Vocabulary Test-III-NL (PPVT-III-NL) die woordenschatbegrip evalueert (geen screeningsinstrument); Taalstandaard. Lexilijst Begrip Lexilijst Nederlands Alle genoemde screeningsinstrumenten, behalve de tweetalige Lexiconlijsten, zijn ontwikkeld met hetzelfde doel, namelijk taalachterstand bij kinderen met Nederlands als eerste taal op sporen. De oorzaak van deze taalachterstand kan zowel een taalontwikkelingsstoornis als een blootstellingsachterstand in de eerste taal zijn. De tweetalige Lexiconlijsten zijn ontwikkeld en genormeerd voor meertalige kinderen met een eerste taal anders dan Nederlands (nl. Turks, Tarifit- Berbers, Marokkaans-Arabisch). Het zijn de enige instrumenten voor het signaleren van taalontwikkelingsstoornissen bij deze groep. Ook van de CDIs bestaan versies in verschillende talen, o.a. Frans, Engels, Spaans en er wordt aan een versie in het Turks en het Arabisch gewerkt. Geen van de instrumenten is ontwikkeld voor het signaleren van blootstellingsachterstand in het Nederlands als tweede taal. Verder wordt dieper ingegaan op screeningsinstrumenten die potentieel bruikbaar zijn Diagnose Een specifieke diagnose wordt meestal gesteld door een deskundige (logopedist) door middel van een reeks instrumenten. Multidisciplinair onderzoek is (bijna) steeds een noodzaak. Op het niveau van het testen (T) worden de taalproductie en het taalbegrip nagegaan. Voor het vaststellen van een taalprobleem is het essentieel om zowel maten in de taalproductie als maten in het taalbegrip mee te nemen. Verder is het belangrijk dat zowel op receptief als op productief vlak de verschillende taalaspecten (fonologie, lexicon, semantiek, morfologie, syntaxis en pragmatiek) aan bod komen. Spraak- en taalpathologen, klinisch linguïsten en logopedisten zijn deskundig op het gebied van taal en hebben daarom ook de juiste kennis om vast te stellen of er sprake is van een taalprobleem. Hoewel uitgebreide taaltests geschikt zijn voor het vaststellen van een taalprobleem, zeggen ze niets over de mogelijke onderliggende oorzaken. 14 juli

12 Op het niveau van inventariseren (I) richt men zich op het onderzoeken van de vele factoren die van invloed zijn op de taalontwikkeling. Mogelijk zijn er gehoorproblemen of problemen door een beperkte informatieverwerking. Een multidisciplinair team, bestaande uit bijvoorbeeld een KNO-arts, spraak- en taalpatholoog, audioloog, psycholoog, psychiater, orthopedagoog en neuroloog, heeft de capaciteit om alle mogelijke oorzaken voor taalproblemen in kaart te brengen. En hoewel de behandeling op dit niveau van diagnostiek zich richt op de onderliggende oorzaken van het taalprobleem (bijvoorbeeld het aanmeten van een hoortoestel), moet de aard van het taalprobleem ook uitvoerig in kaart gebracht worden om te weten welke taalgebieden zo nodig gestimuleerd moeten worden. In het stadium van de analyse (A) kunnen klinisch linguïsten en logopedisten onderzoeken hoe het taalprobleem zich manifesteert op basis van een taalanalyse van verschillende taalgebieden (fonologie, syntaxis, semantiek, etc.). Op basis van een taalanalyse kan passende taaltherapie geformuleerd worden (Luinge, 2005) Behandeling Eens een diagnose gesteld van spraak- en taalachterstand wordt een behandeling op basis van individuele noden voorgeschreven (Goetry, 2006). Fonologische interventies. Deze hulp wordt voorgesteld voor kinderen met een matige tot ernstige fonologische stoornis (geëvalueerd volgens het percentage correcte medeklinkers of geëvalueerd volgens de frequentie van de verschillende fonologische vereenvoudigingsprocessen), voor kinderen met ernstige en persisterende fonologische moeilijkheden of kinderen met een verbale dyspraxie. De leeftijd van de kinderen kan ruim variëren. Lexicale interventies. Deze interventies zijn aangewezen bij kinderen met een receptieve en/of expressieve taalstoornis en/of met woordvindingsmoeilijkheden. Grammaticale interventies. Deze interventies zijn aangewezen bij kinderen met een receptieve en/of expressieve taalstoornis al of niet met beperkingen in de imitatiemogelijkheden. Pragmatische interventies. Deze interventies zijn bedoeld voor kinderen met pragmatische of semantisch-pragmatische taalstoornissen. Globale interventies. Deze interventies zijn aangewezen bij kinderen met een lichte tot matige taalachterstand. 14 juli

13 3. Welke gezondheidsdoelen hebben deze interventies? Taalontwikkelingsstoornissen op kinderleeftijd hebben een negatieve invloed op de verdere ontwikkeling van de taal van het kind. De ouder- kind- interactie en het aangaan van sociale contacten kunnen hierdoor verstoord geraken. Als gevolg van de problematisch verlopende taalontwikkeling kunnen zich sociaal-emotionele problemen en gedragsproblemen voordoen, zoals teruggetrokken gedrag, impulsiviteit en agressiviteit. Het is echter niet te voorspellen van welke aard en in welke mate er problemen zullen zijn. De interactie tussen het kind en zijn omgeving speelt een cruciale rol in de spraak en taalontwikkeling. Taalgestoorde kinderen zoeken minder gemakkelijk contact met anderen. Het lijkt erop dat het jonge kind zijn gebrekkig spreken als een probleem ervaart. Vroege verstoring in de taalontwikkeling wordt ook genoemd als voorloper van latere leesproblemen, problemen met schrijven en rekenen en algemeen schoolse problemen. Wanneer een taalontwikkelingsstoornis op zesjarige leeftijd nog niet is overwonnen, is er meestal een blijvende taalstoornis aanwezig met alle mogelijke gevolgen voor het verloop van de schoolprestatie en het gedrag. Met toenemende leeftijd neemt de kans op volledig herstel van de kinderen sterk af: 6% nog op de leeftijd van zes en 7% bij zeven jaar. Gedragsproblemen als gevolg van de communicatieproblemen nemen op hun beurt toe met de leeftijd. Miniscalco et al. concludeerden dat kinderen, waarbij tussen de leeftijd van 2 en 3 jaar bij het preventief consult taalproblemen vermoed worden, meer risico lopen op ontwikkelingsneurologische en psychiatrische aandoeningen, zoals ADHD, autismespectrumstoornissen en leerstoornissen (Miniscalco, 2006). De auteurs raadden dan ook (multidisciplinaire) follow-up van deze kinderen gedurende verscheidene jaren aan. 4. Wat is er bekend over de testen die worden gebruikt voor vroege opsporing (o.m. testeigenschappen)? Voor een uitgebreide beschrijving van de bestaande testen voor het Nederlandstalig gebied wordt verwezen naar Nederlandse TNO-rapport van van der Ploeg (van der Ploeg, 2007). Verder worden twee veelbelovende instrumenten besproken. Voor het efficiënt verwijzen van kinderen met taalproblemen is een goed gevalideerd screeningsinstrument nodig. Met behulp van een taalscreeningsinstrument wordt onderzocht of er significant risico is op een taalprobleem en doorverwijzing voor verdere taaldiagnostiek nodig is. Met de bestaande screeningsinstrumenten kan geen onderscheid worden gemaakt tussen taalproblemen die te wijten zijn aan een taalontwikkelingsstoornis en deze veroorzaakt door onvoldoende blootstelling aan de Nederlandse taal. Het onderscheid tussen deze oorzaken is echter van groot belang voor het in te zetten vervolgtraject. Voor een correct verwijsbeleid en in te zetten vervolgtraject zijn dus twee evaluaties nodig: de beoordeling van de taalvaardigheid van het kind, en de beoordeling van het taalaanbod door de omgeving aan het kind (zie omgevingsanalyse ) Veelbelovende instrumenten voor de beoordeling van de taalvaardigheid van het kind (Duytschaever, 2007): A. N-CDIs Lijsten voor Communicatieve Ontwikkeling Korte Vormen B. Spraak- en taalnormen Eerste Lijnsgezondheidszorg (SNEL). 14 juli

14 A. N-CDIs Lijsten voor Communicatieve Ontwikkeling Korte Vormen (Zink, 2003) In de periode werden aan de K.U.Leuven korte vormen gemaakt van de N-CDIs: Lijsten voor communicatieve ontwikkeling. De korte vormen evalueren enkel woordenschatbegrip en - productie. Er is een lijst voor kinderen van 8 tot 16 maanden (N-CDI 1) die 103 woorden bevat en er zijn twee lijsten voor kinderen van 16 tot en met 30 maanden (N-CDI 2A en 2B) die elk 112 woorden bevatten. Het zijn dus snel in te vullen oudervragenlijsten, die als doel hebben een eerste indruk te krijgen van de taalmogelijkheden van een kind. De validiteit van ouderrapportage over de taalontwikkeling van hun kind is reeds in verscheidene studies aangetoond (van Agt, 2007b). Er is ondertussen ook een N-CDI 3 voor kinderen van 30 tot 37 maanden (Zink, 2007). Deze lijst meet woordenschatproductie (100 woorden), grammatica (9 groepjes van 3 zinnen waarbij de ouders telkens de zin moeten aanduiden die het meest lijkt op wat hun kind zegt), mean length of utterance (MLU) van de 3 langste uitingen als maat voor taalvaardigheid en vragen over begrip, semantiek en syntaxis (12 vragen). De korte vormen werden ontwikkeld om diverse redenen: - Wanneer de ouders een beperkt vermogen tot lezen en schrijven hebben, is het invullen van de volledige N-CDIs niet haalbaar. De korte vormen geven dan een goed alternatief. Ze kunnen ook gemakkelijk mondeling worden afgenomen via een interview met de ouders. - Bij een snelle follow-up is het invullen van de korte vormen minder inspannend voor de ouders, en voor de deskundige is de verwerkingstijd korter. Voor de oudste leeftijdsgroepen is er een A- en B-versie die afwisselend kunnen aangeboden worden bij een snelle follow-up. - Wanneer men grote groepen kinderen wil bereiken, vb. in het kader van preventieonderzoek, dan is het kosten- en tijdsbesparend wanneer men vertrekt van de korte vormen en op deze wijze een eerste selectie doorvoert. De korte vormen zijn samengesteld op basis van woorden uit de volledige lijsten. Voor elke leeftijdsgroep worden zoveel mogelijk woorden geselecteerd die optimaal differentiëren tussen de kinderen. Hiermee wordt bedoeld woorden die door ongeveer de helft van de kinderen uit een bepaalde leeftijdsgroep receptief of productief gekend zijn. Er werd bovendien voor gezorgd dat de woorden van de korte lijsten zoveel mogelijk variëren in semantiek en linguïstische structuur. Woorden met een regionale of culturele invloed, evenals woorden met dubbelzinnige of meervoudige betekenissen werden niet opgenomen in de korte lijsten. Het eindproduct van deze selectie is een lijst met 103 woorden voor de korte versie van de N- CDI/Woorden en Gebaren. Omdat er in de korte lijst enkel wordt gepeild naar woordenschat en niet naar gebaren en zinsbegrip, is er gekozen voor een andere benaming, namelijk N-CDI 1 waarbij de 1 verwijst naar de jongste leeftijdsgroepen, met name 8-16 maanden. De korte versie van de N-CDI/Woorden en Zinnen bevat 2 lijsten, met name de N-CDI 2A en 2B, die elk 112 woorden tellen en waarbij de 2 verwijst naar de oudere leeftijdsgroepen, met name maanden. Voor de afname, scoring en interpretatie van de korte vormen heeft men de volgende zaken nodig: oudervragenlijsten, organigrammen en handleiding. De oudervragenlijst wordt best ingevuld door de moeder, vader of verzorger van het kind. Men kiest best voor de persoon die het meest vertrouwd is met het kind. De deskundige die de oudervragenlijst heeft meegegeven, kan die nadien scoren onderaan op de lijst zelf (er is geen apart scoreformulier bij de korte vormen), waar eveneens de percentielen en taalleeftijden kunnen worden ingevuld. De percentieltabellen en grafieken zijn terug te vinden achteraan in de handleiding. Taalleeftijden zijn gemakkelijk af te leiden uit de percentieltabellen. De organigrammen zijn vooral opgesteld voor niet-logopedisten. De deskundige vindt er uitleg over de interpretatie van de resultaten. Zo kan men aflezen dat kinderen die lager scoren dan percentiel 10 voor begrip en productie en die bovendien een achterstand hebben van minstens 4 maanden t.o.v. leeftijdsgenoten, het risico lopen een taalvertraging en/of taalstoornis te ontwikkelen. Deze kinderen worden dan ook best uitgebreider onderzocht aan de hand van de volledige lijsten en/of doorverwezen voor verdere investigatie. Validiteitsonderzoek toont immers aan dat er een zeer sterke 14 juli

15 correlatie is tussen de korte en de volledige lijsten en dat er over het algemeen ook een sterk verband is tussen de volledige lijsten en een echte taaltest voor jonge kinderen (Zink, 2002). Lage resultaten op de korte lijsten mogen dus niet zonder meer worden genegeerd. Interne consistentie voor begrip en voor productie van de N-CDIs Korte Vormen is zeker voldoende. De validiteit van de N-CDI/Woorden en Gebaren en de N-CDI/Woorden en Zinnen is duidelijk bewezen (Zink, 2002). Tussen de korte vormen en de volledige lijsten is er een sterke samenhang gezien de korte vormen werden samengesteld op basis van de volledige lijsten. De samenhang werd geëvalueerd en bij de berekening van de correlatie werden hoge waarden gevonden die significant zijn tot op het 0.01-niveau (Zink, 2003). B. Spraak- en taalnormen Eerste Lijnsgezondheidszorg (SNEL) (Luinge, 2005) De hoofdstukken 4, 5 en 6 van het proefschrift van M. Luinge beschrijven de ontwikkeling van een taalscreeningsinstrument (Luinge, 2005). Dit instrument heeft de naam SNEL gekregen (Spraak-en taalnormen EersteLijns gezondheidszorg). Een bruikbaar screeningsinstrument moet beschikken over een goede sensitiviteit (m.a.w. worden alle kinderen met een taalprobleem ook opgespoord met SNEL) en specificiteit (m.a.w. worden er niet te veel kinderen zonder taalprobleem opgespoord met SNEL), betrouwbaarheid (nauwkeurigheid van een meting) en steekproefonafhankelijkheid (geven verschillende metingen in verschillende populaties dezelfde uitkomsten met SNEL). Omdat SNEL is bedoeld voor de eerstelijnsgezondheidszorg is ook een snelle en gemakkelijke afname van het screeningsinstrument van belang. Immers, meestal is er maar weinig tijd beschikbaar per consult en moet de hulpverlener in korte tijd een oordeel geven over de taalontwikkeling van een kind. Verder is het gemakkelijk dat herhaaldelijke afname tijdens de taalontwikkelingperiode van een kind mogelijk is, zodat bij twijfel een meting herhaald kan worden op een later moment. Voor de constructie van SNEL zijn mijlpalen geselecteerd op basis van literatuur en verschillende taalscreeningsinstrumenten voor andere talen. Uitgangspunt was dat de taalontwikkeling in fasen verloopt en dat een overgang van de ene fase in de andere kan worden beschreven door mijlpalen. Op basis van vertraging in de verwerving, of het achterwege blijven van het bereiken van dergelijke mijlpalen, kunnen mogelijke taalproblemen gesignaleerd worden. Voor elke mijlpaal is vervolgens een vraag geformuleerd. Ouders of verzorgers kunnen door middel van een vragenlijst rapporteren over de taalontwikkeling van hun kind. Het voordeel van ouderrapportage is dat het oordeel over de taalontwikkeling van een kind niet is gebaseerd op een momentopname tijdens de periode waarin de hulpverlener het kind ziet. Het is immers de vraag of een kind tijdens een consult iets zegt. Om na te gaan of de aan de ouders gestelde vragen begrijpelijk waren, met ja of nee beantwoord konden worden en of de mijlpalen discrimineerden tussen verschillende fasen in de taalontwikkeling is een pilootstudie gedaan bij 50 kinderen. Uit de pilootstudie bleek dat sommige vragen over de woordenschat moeilijk met ja of nee beantwoord konden worden (bijv. Zegt uw kind al 100 woordjes? ) en dat de vragen over mijlpalen opgehelderd konden worden door het geven van voorbeelden. Uiteindelijk zijn 26 vragen geformuleerd voor 26 mijlpalen in de taalontwikkeling van kinderen van 1 tot 6 jaar. Vervolgens is de normale taalontwikkeling in kaart gebracht op basis van een steekproef van 527 kinderen uit verschillende delen (noord, oost, zuid en west) van Nederland door middel van een vragenlijst met deze 26 vragen. Een schaalanalyse van de antwoorden op deze vragenlijst op basis van de aannames van het zogenoemde Mokkenmodel resulteerde uiteindelijk in een schaal bestaande uit 14 vragen over mijlpalen in de taalontwikkeling. Deze 14 vragen vormen het in dit proefschrift beschreven screeningsinstrument SNEL (zie verder). Deze 14 vragen waren volgens de schaalanalyse goed schaalbaar en discrimineerden goed tussen verschillende fasen in de taalontwikkeling. Tevens hadden deze vragen een goede interne consistentie. Interne consistentie is een maat voor de betrouwbaarheid van een test en meet de samenhang tussen de verschillende onderdelen ervan. 14 juli

16 Voor de validatie van SNEL is onderzocht of de uitkomsten van SNEL overeenkwamen met de uitkomsten van een uitgebreide taaltest (Schlichtingtest voor Taalproductie) bij 84 kinderen uit de steekproef. Bij 14 kinderen met een taalstoornis, afkomstig van het kinderspreekuur van de afdeling KNO van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) is ook de vragenlijst SNEL afgenomen. De diagnose taalstoornis is gebaseerd op de uitkomst van de Schlichtingtest voor Taalproductie. Uit de resultaten van de validatie bleek dat de samenhang tussen SNEL en de Schlichtingtest voor Taalproductie goed was. Ook de sensitiviteit, specificiteit en de accuraatheid om taalproblemen op te sporen waren hoog. Er bleek dat een snelle afname van SNEL mogelijk was (ca. 3 minuten) en dat de vragen gemakkelijk te beantwoorden waren (gesloten vragen). Tevens bleek het mogelijk om de taalontwikkeling van kinderen van verschillende leeftijden (1 tot 6 jaar) uit verschillende delen van Nederland te meten. SNEL is een screeningsinstrument voor de opsporing van taalproblemen bij kinderen van 1 tot 6 jaar. Op basis van de uitkomst ervan kunnen kinderen worden doorgestuurd naar de andere niveaus van STIA voor verdere diagnostiek. SNEL bestaat uit een vragenlijst met 14 gesloten vragen aan ouders/verzorgers. De vragen gaan over mijlpalen in de taalontwikkeling. SNEL is bedoeld voor de eerstelijnsgezondheidszorg, zoals consultatiebureaus, huisartsenpraktijken, verpleegkundigen. Een score voor de taalontwikkeling kan verkregen worden door het invullen van 1 (= ja) of 0 (= nee), waarbij de som van het aantal keren ja de uiteindelijke score is. Met behulp van de normtabel kan dan worden bepaald of er sprake is van een goede, twijfelachtige of vertraagde taalontwikkeling. Naam: Leeftijd in maanden: Vragen voor kinderen van 12 tot 72 maanden Ja = 1 Nee = 0 Het SNEL-formulier Deel I. 1. Begrijpt uw kind opdrachtjes van 2 woorden? (bijv. jas aan, papa boek ) Kan uw kind 1 of meer lichaamsdelen aanwijzen (bijv. Waar zit je neus? Zegt uw kind in totaal ongeveer 10 woordjes? Begrijpt uw kind zinnetjes van 3 woorden (bijv. op de stoel, in de tuin ) Kan uw kind twee woordjes combineren zoals papa boek of kijk poes? Kan uw kind zinnetjes van 3 woorden maken? (bijv. popje muts ophebben, auto in garage ) Zet uw kind 3 tot 4 woorden achter elkaar? (bijv. ik koekje wil hebben, wij gaan ook zingen ) Kunt u ongeveer de helft van uw kind verstaan? Vertelt uw kind weleens spontaan een verhaaltje? (bijv. over wat uw kind die dag heeft gedaan) Kan uw kind een verhaaltje navertellen bij een aantal plaatjes? Kunt u ongeveer driekwart van uw kind verstaan? Maakt uw kind ook heel lange zinnen? (bijv. Als ik later groot ben, dan wil ik graag kok worden. ) Kunt u bijna alles van uw kind verstaan? Praat uw kind als een volwassene qua taalgebruik, vindt u?... SNEL-score juli

17 5. Wat is er bekend over de effectiviteit van de behandeling? 6. Wat is er bekend over de voordelen van de diagnose-vervroeging? 7. Wat is er bekend over de gezondheidswinst die wordt behaald met deze screening (in geval van screening: van het gehele traject van vroegopsporing tot en met behandeling)? 8. Wat is er bekend over de kosten van de interventie? In verband met de effectiviteit of doelmatigheid van spraaktaalscreeningsprogramma s hebben Nelson et al. in een systematische review van de Engelstalige literatuur over screening op spraak- en taalachterstand bij kleuters, zorgvuldig onderzocht welke bewijzen er zijn ten gunste of ten nadele van de screening (Nelson, 2006). Op basis van deze studie concludeert de US Preventive Services Task Force dat er onvoldoende bewijs is dat er snel af te nemen instrumenten voor het beoordelen van de taalontwikkeling en spraak bestaan die geschikt zijn voor de preventieve gezondheidszorg en waarmee accuraat kinderen gevonden kunnen worden die baat hebben bij verdere diagnostiek en interventie. Verder concluderen de auteurs dat er redelijk bewijs is dat interventies op korte termijn een positief effect hebben op de spraak- en taalvaardigheid, maar dat er vrijwel geen studies zijn die naar lange termijn effecten hebben gekeken. Zij vonden ook geen studies waarin onderzocht is of er gezondheidswinst is ontstaan door het behandelen van kinderen die bij de screening zijn ontdekt en die niet door zorgen bij ouders of artsen zouden zijn gevonden. Ook vonden zij geen onderzoeken naar de potentiële schade die screening en behandeling voor taalachterstand en spraakstoornissen kan veroorzaken, zoals stigmatiseren, ongerustheid bij ouders, en onnodige diagnostiek en behandeling. De USPSTF kan daarom de balans tussen voordelen en nadelen van de screening niet bepalen. De USPSTF erkent echter wel het belang van tijdige onderkenning van taalachterstanden en spraakstoornissen, en geeft aan dat zorgen bij artsen of ouders belangrijke manieren zijn om kinderen met deze problemen te identificeren. In Australië werd een vergelijkbare review uitgevoerd naar taalachterstand (Oberklaid, 2002). Deze auteurs concluderen ook dat er onvoldoende bewijs is om een aanbeveling voor of tegen een formele screening op taalachterstand te kunnen geven. Vanwege dit gebrek aan bewijs zeggen zij dat implementatie van formele screeningsprogramma s voor taalachterstand niet aan te bevelen is op dit moment. Er is een dringende noodzaak tot onderzoek naar o.a. instrumenten waarmee kinderen met een taalachterstand die niet spontaan verdwijnt en wel nadelige gevolgen heeft, opgespoord kunnen worden. Nederlands onderzoek waarvan de resultaten zijn beschreven in de Koning et al. en in Van Agt et al., heeft de conclusie uit de buitenlandse studies, dat er onvoldoende bewijs is om een aanbeveling voor of tegen een formele screening op taalachterstand te kunnen geven, niet overtuigend kunnen veranderen (de Koning, 2004; van Agt, 2007a; van der Ploeg, 2007). Van Agt et al. concluderen weliswaar na een RCT waarbij 9419 kinderen van 15 maanden oud werden geïncludeerd, dat veralgemeende formele screening voor taalachterstand kan worden aanbevolen. Op alle vooraf vastgestelde primaire uitkomstmaten die vanuit taalontwikkelingsoptiek plausibel zijn, zagen ze gecorrigeerd voor cluster- en kindkarakteristieken significante verbeteringen in de groep vroeggesignaleerde kinderen: 27% minder kinderen in het buitengewoon onderwijs (significant), 33% minder kinderen met problemen met spellen (significant) en 20% minder kinderen bij wie de leerkracht de toekomstige ontwikkeling ongunstig inschat (significant). Er werd tevens aangetoond dat na het tijdstip van vroegsignalering de interventies in de studiegroep significant toenamen t.o.v. de controlegroep, terwijl er voor het 2de jaar geen enkel verschil tussen de groepen was. Bij een correct uitgevoerde trial is daarmee eenduidig het effect van vroegsignalering op 2-jarige leeftijd en vroegtijdige interventie daaropvolgend aangetoond, volgens hen. Maar ook als de studie volgens de richtlijnen is uitgevoerd, is er geen plausibele verklaring voor de gevonden resultaten. De onderzoekers stellen zich op het standpunt dat een RCT niet als doel heeft het werkingsmechanisme te ontrafelen van de interventie. Dat hoeft ook niet, maar wel moet het aannemelijk zijn dat de gevonden verschillen in de gezondheidseffecten tussen de interventiegroep en controlegroep veroorzaakt kunnen 14 juli

18 zijn door het traject van screening, diagnostiek en behandeling. Naar de mening van de auteurs van het TNO-rapport is dit niet plausibel: slechts een klein deel (ongeveer 13/106=12%) van het gevonden effect op het buitengewoon onderwijs kan hieruit verklaard worden. Het grootste deel (ongeveer 88%) van het effect is onverklaarbaar: wat wel (mede) de oorzaak is van de verschillen is niet duidelijk. Mogelijk spelen factoren mee zoals extra aandacht voor spraak/taal in de interventiegroep. Deze onbekende effecten kunnen maar van tijdelijke aard zijn, waardoor na enige tijd het effect verdwenen is. Niet alle problemen die een taalachterstand veroorzaken zijn effectief te behandelen. De via de spraaktaalscreening op te sporen kinderen zouden de kinderen moeten zijn met problemen waarvoor effectieve interventies beschikbaar zijn, die bovendien voor extra gezondheidswinst zorgen als deze op jongere leeftijd dan gebruikelijk (dus zonder screening) kunnen worden ingezet. Een systematische review van Law et al. omvatte een meta-analyse waarin alleen RCTs werden meegenomen (Law, 2005). Deze studies betroffen interventies bij kinderen en adolescenten met een primaire spraak-taalstoornis. Resultaten betreffende kinderen met een globale ontwikkelingsachterstand, neurologische problemen en gehoorverlies werden niet in beschouwing genomen. Ook kinderen bij wie de problemen ontstonden door stotteren of aangeleerde articulatieproblemen werden door de onderzoekers niet meegenomen in de analyses. De interventies betroffen elke vorm van hulp bedoeld om het expressief of receptief aspect van de fonologie (productie of begrip van klanken), de woordenschat (productie of begrip van woorden) of de syntaxis (productie of begrip van zinnen) te verbeteren. De gegevens werden gerangschikt volgens de aard van de controlegroep (geen behandeling versus algemene stimulatie versus traditionele therapieën) en worden verder besproken naar gelang de te verwachten effecten. Als uitkomstmaat wordt telkens uitsluitend rekening gehouden met de primaire effecten van therapie zoals uitslagen op taaltesten, beoordelingen door ouders, taalfragmenten. Niet-linguïstische uitkomstmaten, zoals gedrag, zelfwaardering, aan- of afwezigheid van leesproblemen, verbetering van de communicatieve vaardigheden in de omgeving werden niet meegenomen. De resultaten van 25 studies werden betrokken in de meta-analyse. De resultaten geven aan dat therapieën voor spraak en taal effectief zijn voor kinderen met expressieve moeilijkheden op het vlak van fonologie (standardised mean difference (SMD)=0,44; 95% betrouwbaarheidsinterval (95% CI) 0,01-0,86) en woordenschat (SMD=0,89; 95% CI 0,21-1,56). De effectiviteit van interventies gericht op de receptieve moeilijkheden kon niet worden aangetoond. Tegenstrijdige resultaten werden gevonden wat betreft de effectiviteit van syntactische, expressieve interventies. In een subgroepanalyse werd gevonden dat therapie effectief kan zijn als er geen bijkomende receptieve taalmoeilijkheden zijn. Law et al. geven in hun systematische review ook aan dat er geen significante verschillen aangetoond konden worden tussen interventies door professionals en interventies door ouders die vooraf getraind werden en gesuperviseerd door professionals. Ook werden geen verschillen gevonden tussen groepsen individuele interventies. Het betrekken van leeftijdsgenoten zonder spraaktaalmoeilijkheden heeft een positief effect op het resultaat van de therapie (SMD=2,29; 95% CI 1,11-3,48). Law et al. geven bovendien aan vrijwel geen studies te hebben gevonden waarin kinderen langer dan zes maanden worden gevolgd. Het blijft dan ook onduidelijkheid of de gevonden positieve effecten van spraak- en taaltherapie ook op langere termijn blijven bestaan. Bij taalachterstand van jonge kinderen mag men niet alleen kijken naar hoe het op dit moment is, maar ook hoe het waarschijnlijk zal zijn als het kind ouder is. De mogelijke kosten en baten van de verschillende interventiemogelijkheden in de tijd kunnen ook vanuit economisch oogpunt geëvalueerd worden. Rosetti et al. (1996) vonden hoe vroeginterventieprogramma s voor peuters aanzienlijke besparingen op lange termijn konden opleveren. De reden hiervoor is volgens hen onder andere dat de kans groter is dat deze kinderen in het gewoon onderwijs kunnen blijven. Economische voordelen, die toenemen met de tijd, zijn er dus ook voor de maatschappij en niet enkel voor het individu en zijn familie. Barnett et al. onderzochten de economische efficiëntie van verschillende soorten interventiemogelijkheden bij kinderen op voorschoolse leeftijd met taalstoornissen. Zij vonden, evenals de groep van Eiserman, dat een thuisinterventieprogramma goedkoper en minstens even efficiënt was als een intervententieprogramma aangeboden in een centrum of klinische setting. 14 juli

19 Resultaten van follow-up testen 1 jaar nadat de behandeling was beëindigd, bevestigden deze resultaten (Gibbard, 2004). Samenvattend kan worden gesteld dat in de literatuur interventies om fonologische stoornissen, expressieve en/of receptieve taalstoornissen te verbeteren, beschreven worden. Uit een meta-analyse van Law et al. kwamen goede aanwijzingen dat interventies gericht op een deel van de groep kinderen met een specifieke spraaktaalstoornis effectief is, namelijk therapie gericht op kinderen met expressieve moeilijkheden op het vlak van de fonologie en woordenschat. Het gaat hierbij echter vooral om effectiviteit op korte termijn. Effectiviteit op langere termijn (meer dan een jaar) is onbekend door gebrek aan onderzoek hiernaar. Onderzoek naar gezondheidswinst met betrekking tot dit onderwerp ontbreekt. 9. Wat is er bekend over de negatieve effecten van deze interventies? Onderzoek over de impact van negatieve effecten van vroegtijdige opsporing en behandeling van spraak- en taalproblemen zijn (bij ons weten) nog niet gebeurd. Eigen commentaar en conclusies t.a.v. het literatuuronderzoek Er is momenteel nog onvoldoende kennis over de effectiviteit van een screeningsprogramma voor taalachterstand: er is niet overtuigend aangetoond dat de voordelen van screenen opwegen tegen de nadelen ervan; Er zijn geen studies over de optimale leeftijd(en) voor en frequentie van screening op taalachterstand; Is de keuze voor een bepaald screeningsinstrument te funderen? Screening is bedoeld om mechanisch toe te passen: puur op basis van een score op een instrument wordt wel of niet een vervolgtraject ingezet. Het oordeel van de testafnemer wordt niet meegenomen bij deze beslissing. Bij signalering wordt nadrukkelijk de kennis en ervaring van de jeugdarts betrokken bij de afweging om wel of niet tot verwijzing over te gaan. Omdat internationaal wordt aangenomen dat vroegtijdige opsporing nuttig is, verdient deze laatste vorm, namelijk signalering, op dit moment aanbeveling (van der Ploeg, 2007). Een screeningsinstrument kan als aanvulling of verfijning worden ingezet bij deze kinderen bij wie ofwel de ouders ofwel de arts een bezorgdheid heeft. Conclusies met betrekking tot het aanbod van preventieve gezondheidszorg in de consultatiebureaus Voor signalering van taalachterstand bij alle kinderen tot 2,5 jaar kan aanbevolen worden om voorlopig verder gebruik te maken van het Van Wiechenonderzoek (VWO) sectie communicatie, aangevuld met een omgevingsanalyse om taalblootstellingsachterstand op te sporen. Nadeel is dat de doorverwijsrichtlijnen van het VWO niet duidelijk zijn. In het onderzoek van Duytschaever (Duytschaever, 2007) werden de N-CDIs/Korte Vormen van Zink et al. vergeleken met het reeds gebruikte Van Wiechenonderzoek, sectie communicatie, voor het opsporen van het risico op taalproblemen. Dit onderzoek komt tot de conclusie dat de N-CDIs/Korte Vormen een waardevolle aanvulling kunnen zijn op het reeds toegepaste Van Wiechenonderzoek. Wanneer er een bezorgdheid is bij de ouders of bij de arts, die een kind al met het Van 14 juli

20 Wiechenonderzoek heeft geëvalueerd, dan kan aan de ouders worden voorgesteld een N-CDI/Korte Vormen in te vullen. Bij afwijkend resultaat kan aanvullend een N-CDI/Woorden en Zinnen of, bij een taalleeftijd van 16 maanden of minder, een N-CDI/Woorden en Gebaren worden ingevuld. Met de resultaten van deze instrumenten kan men een gefundeerde beslissing nemen over het al dan niet doorverwijzen of verder opvolgen van een kind met een taalachterstand. Er is echter nader onderzoek nodig naar de toepasbaarheid van het VWO en de N-CDIs/Korte Vormen op het consultatiebureau. Tevens moet een beleid ontwikkeld worden waarin de resultaten van beide instrumenten eenduidig de criteria voor doorverwijzing bepalen. Item 1 en 2 van de omgevingsanalyse zijn best te beoordelen bij een eerste huisbezoek of contactmoment. Item 2 is best opnieuw te evalueren bij een volgend contactmoment, indien negatieve scores bij vorige bevraging. 14 juli

Bepaling van het taalbegrip bij kinderen tot en met 25 maanden. Liesbeth Schlichting Rijksuniversiteit Groningen

Bepaling van het taalbegrip bij kinderen tot en met 25 maanden. Liesbeth Schlichting Rijksuniversiteit Groningen Bepaling van het taalbegrip bij kinderen tot en met 25 maanden Liesbeth Schlichting Rijksuniversiteit Groningen Taalstoornissen Primair: specifieke taalontwikkelingsstoornissen (SLI) Secondair: niet-specifiek

Nadere informatie

Protocol Project Uniforme signalering spraaktaalproblemen. kinderen INHOUD

Protocol Project Uniforme signalering spraaktaalproblemen. kinderen INHOUD Protocol Project Uniforme signalering spraaktaalproblemen bij jonge kinderen Versie geïntegreerd model van Wiechen 2/jarigen 1 november 2011 INHOUD 1. Inleiding 2. Taal A. De normale taalontwikkeling en

Nadere informatie

Rapport 295001006/2009 S. Postma. Standpunt Signaleren van taalachterstanden door de jeugdgezondheidszorg

Rapport 295001006/2009 S. Postma. Standpunt Signaleren van taalachterstanden door de jeugdgezondheidszorg Rapport 295001006/2009 S. Postma Standpunt Signaleren van taalachterstanden door de jeugdgezondheidszorg RIVM-rapport 295001006/2009 Standpunt Signaleren van taalachterstanden door de jeugdgezondheidszorg

Nadere informatie

Standpunt. Signaleren van taalachterstanden door de jeugdgezondheidszorg.

Standpunt. Signaleren van taalachterstanden door de jeugdgezondheidszorg. Standpunt Signaleren van taalachterstanden door de jeugdgezondheidszorg. RIVM/Centrum Jeugdgezondheid Februari 2009 Inhoud 1. Inleiding 2 2. Begripsbepaling 2 3. Huidige stand van zaken m.b.t. het signaleren

Nadere informatie

Wat is een specifieke taalontwikkelingsstoornis? dr Ellen Gerrits, logopedist Congres TaalStaal 9 november 2012 Koninklijke Auris Groep

Wat is een specifieke taalontwikkelingsstoornis? dr Ellen Gerrits, logopedist Congres TaalStaal 9 november 2012 Koninklijke Auris Groep Wat is een specifieke taalontwikkelingsstoornis? dr, logopedist Congres 9 november 2012 Koninklijke Auris Groep Over welke kinderen praten we vandaag? Engels: Specific Language Impairment: Is SLI wel zo

Nadere informatie

Omgevingsanalyse ter beoordeling van het taalaanbod in het Nederlands. Bestemd voor professionals werkzaam in de jeugdgezondheidszorg.

Omgevingsanalyse ter beoordeling van het taalaanbod in het Nederlands. Bestemd voor professionals werkzaam in de jeugdgezondheidszorg. Omgevingsanalyse ter beoordeling van het taalaanbod in het Nederlands Bestemd voor professionals werkzaam in de jeugdgezondheidszorg. RIVM/Centrum jeugdgezondheid 26 februari 2009 1 1. Inleiding 1.1 Aanleiding

Nadere informatie

Ik heb vragen rond 'expressieve taalstoornis' of 'taalstoornis' alleen en begon nu wat te twijfelen of dat synoniemen zijn voor dysfasie of niet.

Ik heb vragen rond 'expressieve taalstoornis' of 'taalstoornis' alleen en begon nu wat te twijfelen of dat synoniemen zijn voor dysfasie of niet. Vraag In de aanloop naar volgend schooljaar krijgen we heel wat vragen rond de type 7 taal-spraak groep. Onder andere over welke 'termen' ok of niet ok zijn ifv opmaak gemotiveerd verslag / verslag. Ik

Nadere informatie

HET SPRAAKTAALSPREEKUUR Het belang van vroeg signaleren

HET SPRAAKTAALSPREEKUUR Het belang van vroeg signaleren HET SPRAAKTAALSPREEKUUR Het belang van vroeg signaleren Dr. Emmy Konst Alle Taal Centraal 2009 1 Opbouw van de presentatie Inleiding Project vroegsignalering door Sint Marie, MEE Zuidoost-Brabant en Zuidzorg

Nadere informatie

Omgevingsanalyse ter beoordeling van het taalaanbod in het Nederlands

Omgevingsanalyse ter beoordeling van het taalaanbod in het Nederlands Briefrapport 295001008/2009 S. Postma Omgevingsanalyse ter beoordeling van het taalaanbod in het Nederlands Bestemd voor professionals werkzaam in de jeugdgezondheidszorg RIVM-briefrapport 295001008/2009

Nadere informatie

hoofdstuk 3 Hoofdstuk 4 Hoofdstuk 5

hoofdstuk 3 Hoofdstuk 4 Hoofdstuk 5 SAMENVATTING 117 Pas kortgeleden is aangetoond dat ADHD niet uitdooft, maar ook bij ouderen voorkomt en nadelige gevolgen kan hebben voor de patiënt en zijn omgeving. Er is echter weinig bekend over de

Nadere informatie

met ondersteuning van de overige leden van het projectteam: J.J. Sluijmers, F.I.M. Pijpers, M. van Denderen-Lubbers, S.A.

met ondersteuning van de overige leden van het projectteam: J.J. Sluijmers, F.I.M. Pijpers, M. van Denderen-Lubbers, S.A. TNO-rapport KvL/P&Z 2007.025 Screening op taalachterstanden en spraakstoornissen bij kinderen van 1 tot 6 jaar door de jeugdgezondheidszorg Deelrapport 1: inventarisatie van instrumenten Preventie en Zorg

Nadere informatie

Blootstell i ngsachterstand. Moedertaalontwikkeling is adequaat

Blootstell i ngsachterstand. Moedertaalontwikkeling is adequaat Dit onderzoek gaat over taalontwikkeling en taalontwikkelingsstoornissen bij jonge kinderen.adequate taalvaardigheid speelt een belangrijke rol bij de sociaal emotionele ontwikkehng en wordt gezien als

Nadere informatie

Summery. Effectiviteit van een interventieprogramma op arm-, schouder- en nekklachten bij beeldschermwerkers

Summery. Effectiviteit van een interventieprogramma op arm-, schouder- en nekklachten bij beeldschermwerkers ummery amenvatting Effectiviteit van een interventieprogramma op arm-, schouder- en nekklachten bij beeldschermwerkers 207 Algemene introductie Werkgerelateerde arm-, schouder- en nekklachten zijn al eeuwen

Nadere informatie

AUDIOLOGISCH CENTRUM HOLLAND NOORD ALKMAAR. Het AC als centrum voor Spraaktaaldiagnostiek

AUDIOLOGISCH CENTRUM HOLLAND NOORD ALKMAAR. Het AC als centrum voor Spraaktaaldiagnostiek AUDIOLOGISCH CENTRUM HOLLAND NOORD ALKMAAR Het AC als centrum voor Spraaktaaldiagnostiek Het spraaktaalteam van het ACHN Multidisciplinair team bestaat uit: Gedragswetenschappers (orthopedagogen/psychologen)

Nadere informatie

Als schoolarts Speciaal Onderwijs cluster 2

Als schoolarts Speciaal Onderwijs cluster 2 Babette Diepeveen jeugdarts arts maatschappij en gezondheid Als consultatiebureau arts Als arts spraaktaalteam Audiologisch Centrum Als schoolarts Speciaal Onderwijs cluster 2 Als consultatiebureau arts

Nadere informatie

Audiologisch centrum, spraaktaalteam

Audiologisch centrum, spraaktaalteam TOS en Meertaligheid Onderwijsdag 25 mei 2016 Maaike Diender, klinisch linguïst Els de Jong, teamleider spraaktaalteam/logo-akoepedist Audiologisch centrum, spraaktaalteam Gehooronderzoek Logopedisch onderzoek

Nadere informatie

Chapter 9. Samenvatting

Chapter 9. Samenvatting Samenvatting In dit proefschrift wordt beschreven hoe kinderen met Astma of met Developmental Coordination Disorder (DCD), hun kwaliteit van leven (KVL) ervaren vergeleken met gezonde kinderen. Bij schoolgaande

Nadere informatie

Samenvatting. Samenvatting

Samenvatting. Samenvatting Samenvatting Op grond van klinische ervaring en wetenschappelijk onderzoek, is bekend dat het gezamenlijk voorkomen van een pervasieve ontwikkelingsstoornis en een verstandelijke beperking tot veel bijkomende

Nadere informatie

Onderzoeksverslag Tweetalige Lexiconlijsten op de Voorschool. Dr. Karijn Helsloot Stichting Studio Taalwetenschap

Onderzoeksverslag Tweetalige Lexiconlijsten op de Voorschool. Dr. Karijn Helsloot Stichting Studio Taalwetenschap Onderzoeksverslag Tweetalige Lexiconlijsten op de Voorschool Dr. Karijn Helsloot Stichting Studio Taalwetenschap Samenvatting De Lexiconlijst is een nuttig instrument voor de voorschool, zo blijkt uit

Nadere informatie

Vroeginterventie via het internet voor depressie en angst

Vroeginterventie via het internet voor depressie en angst Samenvatting 141 Vroeginterventie via het internet voor depressie en angst Hoofdstuk 1 is de inleiding van dit proefschrift. Internetbehandeling voor depressie en angst is bewezen effectief. Dit opent

Nadere informatie

Een woordje vooraf. Taalvorm. Taalvorm. Taalinhoud. Taalontwikkeling en taalontwikkelingsstoornissen

Een woordje vooraf. Taalvorm. Taalvorm. Taalinhoud. Taalontwikkeling en taalontwikkelingsstoornissen Taalontwikkeling en taalontwikkelingsstoornissen Een woordje vooraf Taalvorm ------- fonologie ------- syntaxis ------- morfologie Taalinhoud ------- Taalgebruik ------- semantiek pragmatiek Taalvorm Fonologie:

Nadere informatie

De nieuwe richtlijn otitis media in de tweede lijn: een synopsys. Roger Damoiseaux

De nieuwe richtlijn otitis media in de tweede lijn: een synopsys. Roger Damoiseaux De nieuwe richtlijn otitis media in de tweede lijn: een synopsys Roger Damoiseaux Otitis Media bij kinderen in de tweede lijn INITIATIEF: Nederlandse Vereniging voor KNO-heelkunde en Heelkunde van het

Nadere informatie

De Klinisch Linguïst. Specialist in. Taalontwikkelingsstoornissen Verworven taalstoornissen

De Klinisch Linguïst. Specialist in. Taalontwikkelingsstoornissen Verworven taalstoornissen De Klinisch Linguïst Specialist in Taalontwikkelingsstoornissen Verworven taalstoornissen Copyright Vereniging voor Klinische Linguïstiek (VKL) April 2000 Secretariaat: Vereniging voor Klinische Linguïstiek

Nadere informatie

Kenmerken van peuters met een taalontwikkelingsstoornis

Kenmerken van peuters met een taalontwikkelingsstoornis Kenmerken van peuters met een taalontwikkelingsstoornis Maartje Kouwenberg (Auris) & Bernadette Vermeij (NSDSK) Anne Spliet (Pento) en Karin Wiefferink (NSDSK) Inhoud Doel van het onderzoek Achtergrond

Nadere informatie

BDS-protocol. JGZ-handreiking Uniforme signalering van taalachterstanden bij jonge kinderen

BDS-protocol. JGZ-handreiking Uniforme signalering van taalachterstanden bij jonge kinderen BDSprotocol Versie BDS: 3.. Versie protocol:. Status: DEFINITIEF Dit BDSprotocol geeft aan hoe handelingsaanbevelingen ten behoeve van de zorg voor het kind conform de meest actuele versie van Basisdataset

Nadere informatie

Begin bij de basis: een spraaktaalspecialist aan het woord. Astrid Roest GGD/JGZ Zaanstreek-Waterland

Begin bij de basis: een spraaktaalspecialist aan het woord. Astrid Roest GGD/JGZ Zaanstreek-Waterland Begin bij de basis: een spraaktaalspecialist aan het woord Astrid Roest GGD/JGZ Zaanstreek-Waterland Workshop in opdracht van NVLF Nederlandse Vereniging voor Logopedie en Foniatrie www.nvlf.nl Inhoud

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting

Nederlandse samenvatting Nederlandse samenvatting 119 120 Samenvatting 121 Inleiding Vermoeidheid is een veel voorkomende klacht bij de ziekte sarcoïdose en is geassocieerd met een verminderde kwaliteit van leven. In de literatuur

Nadere informatie

- 172 - Prevention of cognitive decline

- 172 - Prevention of cognitive decline Samenvatting - 172 - Prevention of cognitive decline Het percentage ouderen binnen de totale bevolking stijgt, en ook de gemiddelde levensverwachting is toegenomen. Vanwege deze zogenaamde dubbele vergrijzing

Nadere informatie

het psychisch functioneren van de ouder, de tevredenheid van de ouders met de (huwelijks)relatie en de gezinscommunicatie. Een beter functioneren van

het psychisch functioneren van de ouder, de tevredenheid van de ouders met de (huwelijks)relatie en de gezinscommunicatie. Een beter functioneren van 9 Samenvatting 173 174 9 Samenvatting Kanker is een veel voorkomende ziekte. In 2003 werd in Nederland bij meer dan 72.000 mensen kanker vastgesteld. Geschat wordt dat het hier in 9.000 gevallen om mensen

Nadere informatie

Testinstrumentarium Taalontwikkelingsstoornissen

Testinstrumentarium Taalontwikkelingsstoornissen Primair en speciaal onderwijs Testinstrumentarium Taalontwikkelingsstoornissen Indicatiestelling taal- en spraakproblematiek Voor 4 tot 10 jarigen Digitale verwerking, makkelijk in gebruik Geen vertaalde,

Nadere informatie

Taaltests. Limitatieve lijst RIZIV Preverb Fonologie Lexicon Semantiek Morfologie Syntaxis Prag Leeftijd Normen uitgave

Taaltests. Limitatieve lijst RIZIV Preverb Fonologie Lexicon Semantiek Morfologie Syntaxis Prag Leeftijd Normen uitgave Taaldiagnostiek in Nederland en Vlaanderen: meerwaarde van de Renfrew Taalschalen Nederlandse Aanpassing (RTNA) Inge Zink Taaldiagnostiek Nederlandse taalgebied Taaltests Limitatieve lijst RIZIV Preverb

Nadere informatie

Omdat uit eerdere studies is gebleken dat de prevalentie, ontwikkeling en manifestatie van gedragsproblemen samenhangt met persoonskenmerken zoals

Omdat uit eerdere studies is gebleken dat de prevalentie, ontwikkeling en manifestatie van gedragsproblemen samenhangt met persoonskenmerken zoals Gedragsproblemen komen veel voor onder kinderen en adolescenten. Als deze problemen ernstig zijn en zich herhaaldelijk voordoen, kunnen ze een negatieve invloed hebben op het dagelijks functioneren van

Nadere informatie

WAT DOET DE LOGOPEDIST?

WAT DOET DE LOGOPEDIST? TAAL Afasie Afasie is een taalstoornis die ontstaat door een hersenletsel in de linker hersenhelft. Dit wordt meestal veroorzaakt door een beroerte (CVA), maar kan ook ontstaan door een hersentumor, een

Nadere informatie

Signalering spraak- en taalproblemen. Signalering spraak- en taalproblemen

Signalering spraak- en taalproblemen. Signalering spraak- en taalproblemen Signalering spraak- en taalproblemen 1 Inleiding Communiceren en anderen begrijpen is een belangrijk fundament in je leven. Het stelt je in staat grip te krijgen op de wereld om je heen, contacten aan

Nadere informatie

Vroege spraak- en taalontwikkeling

Vroege spraak- en taalontwikkeling Vroege spraak- en taalontwikkeling Margreet Langereis Viataal Cochleair Implant Centrum Nijmegen/Sint-Michielsgestel 17 maart 2006 Inhoud presentatie Wat is taal? Mijlpalen op gebieden van de taalontwikkeling

Nadere informatie

Kinderen met gehoor-, spraak- en/of taalproblemen

Kinderen met gehoor-, spraak- en/of taalproblemen Kinderen met gehoor-, spraak- en/of taalproblemen Afdeling Keel-, Neus- en Oorheelkunde Informatie voor verwijzers Kinderen met gehoor-, spraak- en/of taalproblemen Kinderen met problemen of vragen op

Nadere informatie

JGZ-richtlijn Autismespectrumstoornissen Januari 2015

JGZ-richtlijn Autismespectrumstoornissen Januari 2015 JGZrichtlijn Autismespectrumstoornissen Bijlage Kenmerken van ASS specifieke instrumenten CBCL Gedrags Vragenlijst voor Kinderen / Child Behavior Checklist. Nieuwste versie 2003 De CBCL biedt geen diagnose,

Nadere informatie

Deel VI Verstandelijke beperking en autisme

Deel VI Verstandelijke beperking en autisme Deel VI Inleiding Wat zijn de mogelijkheden van EMDR voor cliënten met een verstandelijke beperking en voor cliënten met een autismespectrumstoornis (ASS)? De combinatie van deze twee in een en hetzelfde

Nadere informatie

Multidisciplinaire diagnostiek op. Renate van den Ende, Teamleider AC R dam

Multidisciplinaire diagnostiek op. Renate van den Ende, Teamleider AC R dam Multidisciplinaire diagnostiek op het Audiologisch Centrum (AC) Renate van den Ende, Teamleider AC R dam Wat is een Audiologisch Centrum (AC)? Organisatie gespecialiseerd in bij kinderen en volwassenen

Nadere informatie

Taal in het Kleuterbrein EEG in de praktijk

Taal in het Kleuterbrein EEG in de praktijk Taal in het Kleuterbrein EEG in de praktijk Nina Davids & Judith Pijnacker - senior onderzoekers Petra van Alphen - projectleider Expertise & Innovatie, PonTeM Taal in het Kleuterbrein Waarom EEG? Wat

Nadere informatie

INDELING VAN DE SPRAAK- EN TAALSTOORNISSEN

INDELING VAN DE SPRAAK- EN TAALSTOORNISSEN 1 INDELING VAN DE SPRAAK- EN TAALSTOORNISSEN INLEIDING Zoals uit het voorgaande is gebleken, is de spraak- en taalontwikkeling een complex proces: verscheidende factoren spelen hierin een rol. Het spreekt

Nadere informatie

Stoornis of breder? De stoornis beschrijven De 5 aspecten in een handzaam schema! Casuïstiek Conclusie

Stoornis of breder? De stoornis beschrijven De 5 aspecten in een handzaam schema! Casuïstiek Conclusie Overzicht diagnostisch instrumentarium spraak-taalonderzoek Edith Hofsteede-Botden Rianneke Crielaard Kentalis Sint-Michielsgestel Team Spraak-Taal Overzicht diagnostisch instrumentarium spraak-taalonderzoek

Nadere informatie

Zorgtraject na de neonatale gehoorscreening

Zorgtraject na de neonatale gehoorscreening Zorgtraject na de neonatale gehoorscreening Dr.L.Ruytjens klinisch fysicus-audioloog Sophia Kinderziekenhuis Rotterdam mede namens L.Heijkoop en A.Verbaan logopedisten Inhoud Neonatale gehoorscreening

Nadere informatie

TAALSTOORNIS KINDEREN: PROBLEMEN MET DE PRODUCTIE VAN SPRAAKKLANKEN

TAALSTOORNIS KINDEREN: PROBLEMEN MET DE PRODUCTIE VAN SPRAAKKLANKEN INFORMATIE VOOR OUDERS/VERZORGERS TAALSTOORNIS KINDEREN: PROBLEMEN MET DE PRODUCTIE VAN SPRAAKKLANKEN Meertaligheid en fonologische stoornis TAALSTOORNIS KINDEREN: PROBLEMEN MET DE PRODUCTIE VAN SPRAAKKLANKEN

Nadere informatie

SPRAAK-, STEM- EN TAALSTOORNISSEN BIJ KINDEREN

SPRAAK-, STEM- EN TAALSTOORNISSEN BIJ KINDEREN SPRAAK-, STEM- EN TAALSTOORNISSEN BIJ KINDEREN 541 Inleiding U bent op de polikliniek Keel-, Neus- en Oorheelkunde wegens spraak- of stemproblemen van uw kind. Kinderen die slecht spreken kunnen zich vaak

Nadere informatie

INTERUNIVERSITAIRE MANAMA-OPLEIDING JEUGDGEZONDHEIDSZORG

INTERUNIVERSITAIRE MANAMA-OPLEIDING JEUGDGEZONDHEIDSZORG KU LEUVEN UNIVERSITEIT GENT UNIVERSITEIT ANTWERPEN VU BRUSSEL INTERUNIVERSITAIRE MANAMA-OPLEIDING JEUGDGEZONDHEIDSZORG Opsporen van taalontwikkelingsstoornissen op het consultatiebureau: een vergelijking

Nadere informatie

De Nederlandse doelgroep van mensen met een LVB 14-12-2011. Van Basisvragenlijst LVB naar LVB-screeningsinstrument (screener LVB)

De Nederlandse doelgroep van mensen met een LVB 14-12-2011. Van Basisvragenlijst LVB naar LVB-screeningsinstrument (screener LVB) Zwakzinnigheid (DSM-IV-TR) Code Omschrijving IQ-range Van Basisvragenlijst LVB naar LVB-screeningsinstrument (screener LVB) Xavier Moonen Orthopedagoog/GZ-Psycholoog Onderzoeker Universiteit van Amsterdam

Nadere informatie

Dit proefschrift presenteert de resultaten van het ALASCA onderzoek wat staat voor Activity and Life After Survival of a Cardiac Arrest.

Dit proefschrift presenteert de resultaten van het ALASCA onderzoek wat staat voor Activity and Life After Survival of a Cardiac Arrest. Samenvatting 152 Samenvatting Ieder jaar krijgen in Nederland 16.000 mensen een hartstilstand. Hoofdstuk 1 beschrijft de achtergrond van dit proefschrift. De kans om een hartstilstand te overleven is met

Nadere informatie

Dyslexiewijzer. Waarom deze dyslexiewijzer? De rol van de logopedist bij dyslexie

Dyslexiewijzer. Waarom deze dyslexiewijzer? De rol van de logopedist bij dyslexie Dyslexiewijzer Dyslexiewijzer Waarom deze dyslexiewijzer? Voordat kinderen met het leesonderwijs in aanraking komen, kunnen ze al verwezen worden naar een logopedist. Zij hebben dan een logopedische stoornis

Nadere informatie

Vragenlijst voor ouders / verzorgers

Vragenlijst voor ouders / verzorgers Vragenlijst voor ouders / verzorgers Betreft: naam: Geb. datum: Vroege spraak- en taalontwikkeling - Start: Is de spraak- en taalontwikkeling op tijd begonnen:. gebrabbeld:. tijdstip eerste woorden:. tijdstip

Nadere informatie

Protocol Vroegsignalering VVE Alle doelgroepkinderen in beeld

Protocol Vroegsignalering VVE Alle doelgroepkinderen in beeld Protocol Vroegsignalering VVE Alle doelgroepkinderen in beeld Inleiding In het kader van het OnderwijsKansenbeleid 1 heeft de gemeente de wettelijke taak om alle kinderen met een (risico op een) taalachterstand

Nadere informatie

Handreiking. Uniforme signalering van taalachterstanden bij jonge kinderen

Handreiking. Uniforme signalering van taalachterstanden bij jonge kinderen Handreiking Uniforme signalering van taalachterstanden bij jonge kinderen Colofon Uniforme signalering van taalachterstanden bij jonge kinderen Een uitgave van Nederlands Centrum Jeugdgezondheid (NCJ)

Nadere informatie

SAMENVATTING Het doel van dit proefschrift is drieledig. Ten eerste wordt inzicht verschaft in het gebruik van directe-rede-constructies (bijvoorbeeld Marie zei: Kom, we gaan! ) door sprekers met afasie.

Nadere informatie

Samenvatting (Summary in Dutch)

Samenvatting (Summary in Dutch) Samenvatting (Summary in Dutch) * 132 Baby s die te vroeg geboren worden (bij een zwangerschapsduur korter dan 37 weken) hebben een verhoogd risico op zowel ernstige ontwikkelingproblemen (zoals mentale

Nadere informatie

Het meetinstrument heeft betrekking op de volgende categorieën Lichaamsregio Hoofd / hals Overige, ongespecificeerd

Het meetinstrument heeft betrekking op de volgende categorieën Lichaamsregio Hoofd / hals Overige, ongespecificeerd Uitgebreide toelichting van het meetinstrument ComVoor Voorlopers in communicatie 31 oktober 2011 Review M. Jungen Invoer: E. van Engelen 1 Algemene gegevens Het meetinstrument heeft betrekking op de volgende

Nadere informatie

Nederlandse Samenvatting

Nederlandse Samenvatting Nederlandse Samenvatting Het aantal mensen met een gestoorde nierfunctie is de afgelopen decennia sterk toegenomen. Dit betekent dat er steeds meer mensen moeten dialyseren of een niertransplantatie moeten

Nadere informatie

Stem-, spraak- en taalstoornissen

Stem-, spraak- en taalstoornissen KNO-HEELKUNDE Stem-, spraak- en taalstoornissen Oorzaken en behandeling van vertraagde taalontwikkeling bij kinderen U bent bij de kno-arts geweest i.v.m. stem- of spraakproblemen van uw kind. Deze folder

Nadere informatie

Dialoog met de ouders als startpunt voor vroegsignalering opgroei- en opvoedproblemen. Ingrid Staal

Dialoog met de ouders als startpunt voor vroegsignalering opgroei- en opvoedproblemen. Ingrid Staal Dialoog met de ouders als startpunt voor vroegsignalering opgroei- en opvoedproblemen Ingrid Staal GGD Zeeland & Julius Centrum, Universitair Medisch Centrum Utrecht Mini symposium Integrale Vroeghulp

Nadere informatie

Universiteit Utrecht Opleiding MSc Logopediewetenschap Clinical Language, Speech, and Hearing Sciences. Master s Thesis

Universiteit Utrecht Opleiding MSc Logopediewetenschap Clinical Language, Speech, and Hearing Sciences. Master s Thesis Universiteit Utrecht Opleiding MSc Logopediewetenschap Clinical Language, Speech, and Hearing Sciences Master s Thesis Het profiel van kinderen verwezen naar specialistisch multidisciplinair onderzoek

Nadere informatie

ZEG HET MAAR HET PRATEN VAN UW KIND. Leeftijd 0 tot 4 jaar

ZEG HET MAAR HET PRATEN VAN UW KIND. Leeftijd 0 tot 4 jaar ZEG HET MAAR HET PRATEN VAN UW KIND Leeftijd 0 tot 4 jaar Het leren praten van uw kind gaat vaak bijna vanzelf. Toch is er heel wat voor nodig voordat uw kind goed praat. Soms gaat het niet zo vlot met

Nadere informatie

SAMENVATTING. Achtergrond en doelstellingen van dit proefschrift

SAMENVATTING. Achtergrond en doelstellingen van dit proefschrift 153 SAMENVATTING Achtergrond en doelstellingen van dit proefschrift Angst en depressie zijn de meest voorkomende psychische stoornissen, de ziektelast is hoog en deze aandoeningen brengen hoge kosten met

Nadere informatie

EACD recommendations DCD. EACD recommendations. EACD recommendations DCD. EACD recommendations DCD. What s new? EACD recommendations DCD 3-12-2013

EACD recommendations DCD. EACD recommendations. EACD recommendations DCD. EACD recommendations DCD. What s new? EACD recommendations DCD 3-12-2013 EACD recommendations NL vertaling en aanpassing H. Reinders namens DCD Stuurgroep Internationaal: Juli 2011 Vertaling: zomer 2012 Bespreken in werkgroepen najaar 2012 Stuurgroep voorstel: maart 2013 Reactie

Nadere informatie

Regeling indicatiecriteria en aanmeldingsformulier leerlinggebonden financiering

Regeling indicatiecriteria en aanmeldingsformulier leerlinggebonden financiering Regeling indicatiecriteria aanmeldingsformulier leerlinggebond financiering van 15 Juli 2005 De criteria schematisch weergegev. Schema s criteria per juli 2005 (versie 15 juli) 1 DOV Indicatiecriteria

Nadere informatie

signaleringsinstrumenten voor psychosociale problemen bij 0 4 jarigen in de JGZ

signaleringsinstrumenten voor psychosociale problemen bij 0 4 jarigen in de JGZ signaleringsinstrumenten voor psychosociale problemen bij 0 4 jarigen in de JGZ TNO CHILD HEALTH Marianne de Wolff en Meinou Theunissen marianne.de wolff@tno.nl meinou.theunissen@tno.nl 1. Validatieonderzoek

Nadere informatie

Adviesburo Comenius bestaat al ruim 20 jaar en is in Midden Nederland bij ouders, scholen en huisartsen inmiddels een begrip.

Adviesburo Comenius bestaat al ruim 20 jaar en is in Midden Nederland bij ouders, scholen en huisartsen inmiddels een begrip. 1 2 INFORMATIE OVER COMENIUS Adviesburo Comenius bestaat al ruim 20 jaar en is in Midden Nederland bij ouders, scholen en huisartsen inmiddels een begrip. Wij mogen daarom met recht zeggen een ruime ervaring

Nadere informatie

I N D I C A T I E S T E L L I N G C L U S T E R 2

I N D I C A T I E S T E L L I N G C L U S T E R 2 I N D I C A T I E S T E L L I N G C L U S T E R 2 INLEIDING DEELDOCUMENT LOGOPEDIE Het deeldocument Logopedie is tot stand gekomen in landelijk overleg van de spraak-, taaldeskundigen van de CvI s voor

Nadere informatie

Training in het gebruik, de scoring en interpretatie van de ADOS

Training in het gebruik, de scoring en interpretatie van de ADOS Training in het gebruik, de scoring en interpretatie van de ADOS ADOS-training Karakter organiseert een training in het gebruik, de scoring en interpretatie van de ADOS. Wat is ADOS? Het Autisme Diagnostisch

Nadere informatie

Doe een klein onderzoek naar de taalregels die een kind in jouw omgeving al dan niet onder de knie heeft en schrijf daar een verslag over.

Doe een klein onderzoek naar de taalregels die een kind in jouw omgeving al dan niet onder de knie heeft en schrijf daar een verslag over. Naam: Klas: Nr: Datum: Vak: Nederlands Leerkracht: Taalverwerving Opdracht 1 Doe een klein onderzoek naar de taalregels die een kind in jouw omgeving al dan niet onder de knie heeft en schrijf daar een

Nadere informatie

SUMMARY IN DUTCH. Summary in Dutch

SUMMARY IN DUTCH. Summary in Dutch SUMMARY IN DUTCH Summary in Dutch Summary in Dutch Introductie Dit proefschrift richt zich met name op het voorspellen van de behandeluitkomst bij kinderen met angststoornissen. Een selectie aan variabelen

Nadere informatie

Vragenlijst voor Inventarisatie van Sociaal gedrag van Kinderen (VISK)

Vragenlijst voor Inventarisatie van Sociaal gedrag van Kinderen (VISK) Instrument Vragenlijst voor Inventarisatie van Sociaal gedrag van Kinderen (VISK) De VISK is ontwikkeld om sociaal probleemgedrag van kinderen met (mildere) varianten van pervasieve ontwikkelingsstoornissen

Nadere informatie

IIIlllllllllllllllllllilII11lllllllIIIII GD1 27.02.2013 0525

IIIlllllllllllllllllllilII11lllllllIIIII GD1 27.02.2013 0525 ij Samenwerkende logopedisten Dordrecht Dudok erf 8 3315KA Dordrecht III III III11 II111 II lil IIIlllllllllllllllllllilII11lllllllIIIII MPGD12013022709330525 GD1 27.02.2013 0525 Gemeente Dordrecht Tav.

Nadere informatie

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG. Datum 23 mei 2016 Betreft Kamervragen. Geachte voorzitter,

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG. Datum 23 mei 2016 Betreft Kamervragen. Geachte voorzitter, > Retouradres Postbus 20350 2500 EJ Den Haag De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Bezoekadres: Parnassusplein 5 2511 VX Den Haag T 070 340 79 11 F 070 340

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting

Nederlandse samenvatting Nicotine en alcohol kunnen de placenta passeren en zo het risico op nadelige uitkomsten voor het ongeboren kind verhogen. Stoppen met roken en alcoholgebruik tijdens de zwangerschap lijkt vanzelfsprekend,

Nadere informatie

Toegankelijkheid en effectiviteit van de geestelijke gezondheidszorg voor ouderen. Samenvatting

Toegankelijkheid en effectiviteit van de geestelijke gezondheidszorg voor ouderen. Samenvatting Toegankelijkheid en effectiviteit van de geestelijke gezondheidszorg voor ouderen Hoofdstuk 1 is de algemene inleiding van dit proefschrift. Psychische stoornissen komen geregeld voor bij ouderen (65-plus).

Nadere informatie

Het voorkomen van geneesmiddel gerelateerde problemen bij oudere patiënten met polyfarmacie ontslagen uit het ziekenhuis

Het voorkomen van geneesmiddel gerelateerde problemen bij oudere patiënten met polyfarmacie ontslagen uit het ziekenhuis Samenvatting Het voorkomen van geneesmiddel gerelateerde problemen bij oudere patiënten met polyfarmacie ontslagen uit het ziekenhuis Hoofdstuk 1 bevat de algemene inleiding van dit proefschrift. Dit hoofdstuk

Nadere informatie

NEDERLANDSE SAMENVATTING

NEDERLANDSE SAMENVATTING NEDERLANDSE SAMENVATTING Zedendelicten vormen een groot maatschappelijk probleem met ernstige gevolgen voor zowel het slachtoffer als voor de dader. Hoewel de meeste zedendelicten worden gepleegd door

Nadere informatie

Taalontwikkeling in een meertalige context

Taalontwikkeling in een meertalige context Taalontwikkeling in een meertalige context Informatiebrochure voor ouders Code maakt deel uit van de Groep Gezondheid & Welzijn van Lessius Proces van tweedetaalverwerving 1 Verantwoording Als expertisecentrum

Nadere informatie

TSCYC Ouderversie. Vragenlijst over traumasymptomen bij jonge kinderen. Jeroen de Groot. ID 256-18 Datum 24.12.2014. Informant:

TSCYC Ouderversie. Vragenlijst over traumasymptomen bij jonge kinderen. Jeroen de Groot. ID 256-18 Datum 24.12.2014. Informant: TSCYC Ouderversie Vragenlijst over traumasymptomen bij jonge kinderen ID 256-18 Datum 24.12.2014 Informant: Mieke de Groot-Aerts moeder TSCYC Inleiding 2 / 10 INLEIDING De TSCYC is een vragenlijst die

Nadere informatie

Anamnese Meertalige Kinderen

Anamnese Meertalige Kinderen Anamnese Meertalige Kinderen Intervisiewerkgroep Meertalige kinderen Deze anamneselijst staat gratis ter beschikking op www.sig-net.be in PDF-formaat en is ook beschikbaar in het Frans, Engels, Spaans,

Nadere informatie

Uitdagingen bij de diagnostiek van spraaktaalstoornissen bij meertalige kinderen

Uitdagingen bij de diagnostiek van spraaktaalstoornissen bij meertalige kinderen Uitdagingen bij de diagnostiek van spraaktaalstoornissen bij meertalige kinderen door Manuela Julien, logopedist & klinisch linguïst 19 maart 2009 Overzicht Taalachterstand, taalstoornis, nog beperkte

Nadere informatie

Signalering TOS: verleden heden - toekomst. Margot Visser-Bochane Dag van de Logopediewetenschap, 2016

Signalering TOS: verleden heden - toekomst. Margot Visser-Bochane Dag van de Logopediewetenschap, 2016 Signalering TOS: verleden heden - toekomst Margot Visser-Bochane Dag van de Logopediewetenschap, 2016 Menno Reijneveld Margreet Luinge Cees van der Schans Wim Krijnen (statistiek) Onderzoek doe je nooit

Nadere informatie

Bijlage 2 Specifieke SORKC-schema s

Bijlage 2 Specifieke SORKC-schema s Bijlage 2 Specifieke SORKC-schema s In deze bijlage zijn zeven specifieke SORKC-schema s opgenomen. Het algemeen logopedische SORKC-schema uit Hoofdstuk 3 is uitgewerkt voor stemstoornissen door Riep Niemeijer

Nadere informatie

Het belang van (ondersteuning van) communicatie bij personen met een verstandelijke handicap

Het belang van (ondersteuning van) communicatie bij personen met een verstandelijke handicap Het belang van (ondersteuning van) communicatie bij personen met een verstandelijke handicap Prof. dr. Bea Maes, Onderzoekseenheid Gezins- en Orthopedagogiek, K.U.Leuven 1. Centrale rol van taal en communicatie

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting

Nederlandse samenvatting Nederlandse samenvatting Genderdysforie in kinderen: Oorzaken en Gevolgen Chapter ELEVEN De studies, beschreven in dit proefschrift, richten zich op vier thema s. De eerste hoofdstukken beschrijven twee

Nadere informatie

Samenvatting R1 R2 R3 R4 R5 R6 R7 R8 R9

Samenvatting R1 R2 R3 R4 R5 R6 R7 R8 R9 SAMENVATTING 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 134 Type 2 diabetes is een veel voorkomende ziekte die een grote impact heeft op zowel degene waarbij

Nadere informatie

rapporteerden. Er werden geen verschillen gevonden in schoolprestaties, spijbelgedrag en middelengebruik tussen de verschillende groepen.

rapporteerden. Er werden geen verschillen gevonden in schoolprestaties, spijbelgedrag en middelengebruik tussen de verschillende groepen. Samenvatting Samenvatting Depressie en angst zijn de meest voorkomende psychische stoornissen in de adolescentie met een enorme impact op het individu. Veel adolescenten rapporteren depressieve en angst

Nadere informatie

Psychosocial Problems in Cancer Genetic Counseling: Detecting and Facilitating Communication W. Eijzenga

Psychosocial Problems in Cancer Genetic Counseling: Detecting and Facilitating Communication W. Eijzenga Psychosocial Problems in Cancer Genetic Counseling: Detecting and Facilitating Communication W. Eijzenga Nederlandse samenvatting INLEIDING Mensen met een mogelijk verhoogde kans op kanker kunnen zich

Nadere informatie

Comprehensive Aphasia Test (CAT) CAT workshop juni 2014. Evy Visch-Brink

Comprehensive Aphasia Test (CAT) CAT workshop juni 2014. Evy Visch-Brink Comprehensive Aphasia Test (CAT) CAT workshop juni 2014 Evy Visch-Brink Dutch version CAT Comprehensive Aphasia Test, 2004 Kate Swinburn, Gillian Porter, David Howard CAT-NL, 2014 Evy Visch-Brink, Dorien

Nadere informatie

met ondersteuning van de overige leden van het projectteam: J.J. Sluijmers, F.I.M. Pijpers, M. van Denderen- Lubbers, S.A.

met ondersteuning van de overige leden van het projectteam: J.J. Sluijmers, F.I.M. Pijpers, M. van Denderen- Lubbers, S.A. TNO-rapport KvL/P&Z/2007.095 Voor- en vroegschoolse educatie (VVE): rol van de jeugdgezondheidszorg Deelrapport 2: Behorend bij het project Screening op taalachterstanden en spraakstoornissen bij kinderen

Nadere informatie

INhOud Voorwoord Inleiding Vooronderzoek en constructieonderzoek Beschrijving van de SON-R 6-40 Normering van de testscores

INhOud Voorwoord Inleiding Vooronderzoek en constructieonderzoek Beschrijving van de SON-R 6-40 Normering van de testscores Inhoud Voorwoord 9 1 Inleiding 13 1.1 Kenmerken van de SON-R 6-40 13 1.2 Geschiedenis van de SON-tests 14 1.3 Aanleiding voor de revisie van de SON-R 5V-17 17 1.4 De onderzoeksfasen 18 1.5 Indeling van

Nadere informatie

Vergoedingsregeling ernstige, enkelvoudige dyslexie

Vergoedingsregeling ernstige, enkelvoudige dyslexie Vergoedingsregeling ernstige, enkelvoudige dyslexie Vanaf januari 2015 zijn de gemeenten verantwoordelijk voor de vergoeding van het onderzoek en de behandeling van ernstige, enkelvoudige dyslexie voor

Nadere informatie

Gehoorscreening via telefoon en internet: ervaringen met de Nationale Hoortest. Cas Smits, Joost Festen VU medisch centrum

Gehoorscreening via telefoon en internet: ervaringen met de Nationale Hoortest. Cas Smits, Joost Festen VU medisch centrum Gehoorscreening via telefoon en internet: ervaringen met de Nationale Hoortest Cas Smits, Joost Festen VU medisch centrum Screening Screening (of bevolkingsonderzoek) is medisch onderzoek bij mensen die

Nadere informatie

Informatie voor Familieleden omtrent Psychose. InFoP 2. Inhoud

Informatie voor Familieleden omtrent Psychose. InFoP 2. Inhoud Informatie voor Familieleden omtrent Psychose InFoP 2 Inhoud Introductie Module I: Wat is een psychose? Module II: Psychose begrijpen? Module III: Behandeling van psychose de rol van medicatie? Module

Nadere informatie

Hoofdstuk 1 en 2 bestaan uit de inleiding en de beschrijving van de onderzoeksdoelen.

Hoofdstuk 1 en 2 bestaan uit de inleiding en de beschrijving van de onderzoeksdoelen. Chapter 9 Nederlandse samenvatting 148 CHAPTER 9 De kans dat een kind kanker overleeft, is de laatste decennia sterk gegroeid. Tot in de jaren zestig van de vorige eeuw was kinderkanker meestal fataal,

Nadere informatie

Deel 1 Gebruik van het computerprogramma Behandeldoelen tos. 2 Stappen bij het opstellen van een behandelplan 29

Deel 1 Gebruik van het computerprogramma Behandeldoelen tos. 2 Stappen bij het opstellen van een behandelplan 29 Inhoud Inleiding 15 Deel 1 Gebruik van het computerprogramma Behandeldoelen tos 1 Het computerprogramma 23 1.1 Inleiding 23 1.2 Doel van het computerprogramma Behandeldoelen tos 23 1.3 Doelgroep en gebruikers

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting

Nederlandse samenvatting Nederlandse samenvatting De levensverwachting van mensen met een ernstige psychiatrische aandoening (EPA) is gemiddeld 13-30 jaar korter dan die van de algemene bevolking. Onnatuurlijke doodsoorzaken zoals

Nadere informatie

Samenvatting Beloop van beperkingen in activiteiten bij oudere patiënten met artrose van heup of knie

Samenvatting Beloop van beperkingen in activiteiten bij oudere patiënten met artrose van heup of knie Beloop van beperkingen in activiteiten bij oudere patiënten met artrose van heup of knie Zoals beschreven in hoofdstuk 1, is artrose een chronische ziekte die vaak voorkomt bij ouderen en in het bijzonder

Nadere informatie