Hoofdstuk 1 - Ver van huis "...de wanhoop om zelf wanhopig te willen zijn - opstandigheid. " (blz 74.)

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Hoofdstuk 1 - Ver van huis "...de wanhoop om zelf wanhopig te willen zijn - opstandigheid. " (blz 74.)"

Transcriptie

1 Zand in je eten Inhoud 1. Ver van huis 2. Overproductie 3. Waarom Ik 4. Uitgescheurd 5. Ben ik een mens of een homo 6. De spuger 7. Schreeuw om leven! 8. Algemeen gerespecteerd en hooggeacht 9. Breek me de mond niet open 10. Wie is de baas? 11. Mijn aquarium 12. In navolging van Wie zonder zonden is werpe de volgende steen 14. Het is m'n moeder!

2 Hoofdstuk 1 - Ver van huis "...de wanhoop om zelf wanhopig te willen zijn - opstandigheid. " (blz 74.) Mijn moeder was vaak weg. Ik weet niet waar naar toe. Maar voor mij was dat niets bijzonders, ik was eraan gewend. Ik moest dan op m'n broertje passen en soms ook boodschappen doen. M'n broertje en ik hadden best lol, we waren veel buiten, we speelden ook met andere kinderen. Er was altijd wel wat te doen. We bouwden huizen van stenen en planken. Als het regende maakten we rivieren en havens. Soms, als ik nu ergens kom ruik ik de lucht van toen en kan ik daarnaar terugverlangen. Het is er altijd maar even, dan is het weer weg. Op een dag, ik zat net een paar dagen in de eerste klas, kwam een juffrouw me uit school halen. Toen we de auto instapten en ik haar vroeg waar we naar toe gingen, zei ze dat ik naar een huis ging waar ook andere kinderen waren. "Is m'n broertje er ook en m'n moeder?" "Nee, maar je zal eens zien hoe fijn het daar is." Maar het waren geen kinderen zoals bij ons. Ik dacht steeds dat het maar voor even was dat ik in dat huis moest blijven. Ik had toch niets verkeerds gedaan, ik had altijd gedaan wat m'n moeder me vroeg. Soms dacht ik dat ze misschien dood was, maar ik durfde het niet te vragen. "Jacob, je moet komen." Als ze dat zeiden moest je naar het kantoor komen, waar ook de directeur zit. "Jacob je mag een paar dagen mee met deze oom en tante." Ik had moeder wel eens over ooms en tantes gehoord, maar deze had ik nog nooit gezien. "Gaan we ook naar mamma?" vroeg ik. Nee, dat ging niet, want die woonde in een andere stad. Ze hadden alles al klaar staan, de juf kwam een tas brengen en we gingen weg. De eerste dag heb ik niets anders gedaan dan praten over toen ik thuis was, heb ik gevraagd over mamma en broertje. Toen ze me vertelden dat ze mamma niet kenden en dat ze eigenlijk helemaal geen echte oom en tante waren, heb ik 's avonds voor 't eerst in bed gehuild. Ik weet niet waarom, misschien dacht ik dichter bij moeder te komen als ik bij een oom en tante was. De volgende dag en op de terugweg naar het tehuis, had ik niets meer om te vertellen. Een week of twee later moest ik direct uit school weer naar het kantoor en daar zag ik die zogenaamde oom en tante weer zitten. Ik schrok en holde terug naar mijn kamertje. Daar hadden ze alles weggeruimd; het was mijn kamertje niet meer. Mijn bed was afgehaald, m'n pyjama lag er niet meer. De kast stond open en er was niets meer in. De juf kwam binnen en zei dat die mensen mij graag in huis wilden hebben en voor mij wilden zorgen. Ze pakte m 'n hand en wilde me meenemen. "Ik wil naar mamma", zei ik en trok m'n handlos. "Kom Jacob,je moet flink zijn. Je zal eens zien hoe fijn het zal zijn bij oom en tante." "Het zijn mijn oom en tante niet, je liegt." "Nee, dat weet ik wel. Ze zijn niet echt oom en tante, maar ze willen voor je zorgen net alsof je een beetje bij hen hoort." De juf was veel te sterk. We gingen de deur uit en ik moest de auto instappen. Ik had het gevoel dat ik een grote reis ging maken naar een ander land. Een land waar ik niet wilde zijn en waar ik niet van terug kon komen. Ik wilde niet naar buiten kijken, m'n mond zat in de boord van m'n shirt en ik voelde de warmte van m'n adem op m'n borst. Ik keek naar m'n schoenen; daaronder schoof de straat langs. Als ik door de bodem trap zou ik kunnen remmen. Zij willen mij daar, ik wil het niet. Zij willen mij, ik wil hen niet! Die nacht huil ik weer; maar voor 't laatst. Ze zeggen Japie tegen me. Ik, Jacob, mag er niet meer zijn. Ik ben nu een ander, iemand van hen. Nou, dan moeten ze maar zien dat ze me krijgen. 's Morgens kom ik beneden en ze willen me een bord pap geven. "Lust ik niet", zeg ik tegen dat mens, en gelijk geeft ze me een boterham. Die eet ik heel langzaam op. Ik kauw zolang op een stukje dat ik er bijna misselijk van word. Ik zie wel dat ze naar me loert, ze zit op haar stoel te schuiven maar ze zegt niks. Als m'n boterham op is, vraagt ze niet of ik er nog één wil. "Morgen moet je wel wat vroeger opstaan, anders kom je niet op tijd op school Japie." Japié, met de nadruk op ie, klinkt dat even treiterig! Ik zeg niets terug en blijf op m'n stoel zitten, terwijl zij de tafel afruimt. "Je hoeft me niet zo met je ogen te volgen, kom ga eens buiten spelen. Er zijn beneden op het plein genoeg kinderen om mee te spelen." Buiten zijn alleen maar een paar kleine kinderen in het zand aan 't spelen. Ik loop wat rond en wil dan weer naar boven, maar kom tot de ontdekking, dat ik helemaal niet weet waar ik moet zijn. Als ik het flat omhoog kijk schrik ik van al die dooie vierkante ogen die naar me kijken. Ik draai me om en ren naar een schommel. Met m'n rug naar die ogen wieg ik heen en weer. Die schommel knerpt alsmaar: ja-pie, ja-pie. Hoe lang ik daar zit weet ik niet. Plotseling dringt het tot me door dat er echt iemand Ja-pie roept. "Japie, ga je mee boodschappen doen!" Ik Iaat me van de schommel glijden en loop achter haar aan. Een stapje schuin achter haar probeer ik m'n schoen precies op een tegel te zetten. Ineens staat ze stil, draait zich naar me om: "Zeg, ben jij je tong verloren? Ik loop tegen je te praten en je zegt niets." "Nee", zeg ik, en kijk naar m n schoen die half op een tegel staat. Stom mens, haar schuld dat m'n schoen verkeerd staat. Als de man 's avonds thuis komt vraagt hij hoe het met me gegaan is. Ik zeg hem dat ik een fiets wil hebben. Als ik nee zeg op de vraag of ik kan fietsen belooft hij dat hij er eentje op de kop zal tikken en me zal leren fietsen. Gisteren mocht ik zo zelf naar bed, nu wil ze me gaan wassen onder de douche. Ik zeg dat ik dat altijd zelf doe, maar ze pakt me met haar blote handen vast. Zonder erbij te denken bijt ik haar in de arm en ze laat los. "Nou, nou, doe maar niet zo kwaad. Kost het je zoveel moeite om te wennen!" Ik was me als een razende omdat ze met haar

3 prikogen alsmaar naar me staat te kijken. "Dan wil je zeker ook jezelf afdrogen" zegt ze, terwijl ze me de handdoek geeft. Door haar "ho ho, je rug is nog nat - je haar druipt nog - goed tussen je tenen", word ik alsmaar nijdiger. De pyjama die ze aangeeft gris ik uit haar handen. Ik zou haar ermee willen slaan, ik duik langs haar heen naar mijn kamertje. Goed afgedroogd ben ik niet; de pyjama kleeft aan m'n lijf. De avond duurt lang, ik hoor ze in de kamer praten. Het wordt donker, ik hoor ze naar bed gaan. Het toilet wordt doorgespoeld, ik moet plassen maar wil niet. Ik haat m'n plas, m'n zweet, m'n pyama, de dekens, de mensen. Ik wou dat dat er allemaal niet was. Ze roept me vroeg. Half slapend kijk ik met afschuw naar m'n plas die me dwars zat en ik loop naar de kamer. Scheef ga ik op de stoel zitten waar ik gisteren ook op zat. "Kom ga je eerst aankleden." Ik loop naar m'n kamertje en ga op bed zitten. Ik kijk naar het hoopje kleren en dat doet me denken aan gisteren, ik trek m'n hemd en onderbroek aan. Als ik ga zitten om sokken aan te trekken val ik bijna in slaap. "Kom Japie, als je niet opschiet kom je te Iaat. Zal ik je maar even helpen. " Ze schuift de pijpen van m'n broek over m'n voeten. "Kom, sta eens op. Werk eens een beetje mee." Houterig sta ik op en ik Iaat met me doen. Ik voel een schokje als ze met haar blote hand m'n arm raakt en ik ben gelijk klaar wakker. Ik schuif van haar weg en kleed me verder aan. Ze pakt een kam om m'n haar te doen. Ik grijp de kam vast en zeg dat ik dat zelf doe. Even houden we allebei vast en ik voel haar spieren door de kam heen. Zij Iaat los en ik haal de kam door m 'n haar. Veel te woest, want ik trek klitten met haar en al uit m'n hoofd. Ik kijk er naar en geef haar de schuld. Gisteren had ik gezegd dat ik geen pap wilde. Nou zet ze een beker melk bij het bord. Per ongeluk expres stoot ik de beker om. "Jápie jongen" zegt ze, wegrennend naar de keuken. Terwijl ze het opfloddert kan ik merken dat ze de pest erin heeft. Mij goed, mag ze best hebben. Eigen schuld, ze weet dat ik geen melk wil. Langzaam kauw ik hapje voor hapje, en bestudeer ondertussen m'n bord. Stom, zulke kleine stukjes, alsof ik een klein kind ben. "Japie het is tijd". Terwijl ze de schoenen bij m'n stoelzet, kijkt ze alsof ze zeggen wil: 'trek aan!' Nou mooi niet, dat doet ze zelf maar. Ik zet m'n voeten achter de schoenen, precies zoals die staan, de linker een beetje naar binnen. Stiekem grinnik ik, want het is een gek gezicht. Ik verschuif m'n voet nog iets naar binnen, misschien doet de schoen dat dan ook wel. Ik schrik als de schoen plotseling omhoog gaat en m'n voet erin geduwd wordt. Even later loop ik op straat en ik zet m'n voet steeds anders om te zien hoe m'n schoen doet. "Heb je goed opgelet Japie, hoe je vanmiddag naar huis moet?" "Ja" zeg ik zonder nadenken, en opkijkend zie ik dat ik voor een school sta. De juf noemt me Jacob, ze is best aardig. Als we iets gemakkelijks doen of als de juf wat staat te vertellen, val ik steeds bijna in slaap. Tussen de middag eten we aan tafeltjes. De twee boterhammen die ik meegekregen heb en de melk van de juf zijn zo op. Ik heb nog honger en eet stukken brood van de anderen die niet meer hoeven. Als de school uitgaat en alle kinderen weggaan, weet ik niet welke kant ik op moet. De juf komt de school uit, en ziet me staan. "Moet je niet naar huis, of weet je de weg niet?" Als ik m'n hoofd schud pakt ze m'n hand. "Wel dan zullen we samen eens kijken of we je huis kunnen vinden." Ze zegt me waar ik de hoek om moet en hoe ik verder moet lópen. "Kijk, daar is jullie flat. Ik breng je wel even helemaal, dan weet ik tenminste dat je goed thuis komt." Juf belt, de deur wordt opengedaan en als juf zegt dat ik de weg niet wist, krijgt het mens een kleur. Goed zo, denk ik, dan had je mij maar moeten halen. De komende weken gaat het precies zo door. Ik wil niet wat zij wil. Ze probeert me nog wel eens aan te halen of te wassen. Ik gil, schop en bijt net zolang tot ze me loslaat. En dan zie ik aan haar ogen dat ze mij eigenlijk niet wil. Ze zégt dus alleen maar van wel. Een keer maakte ik een tekening. Ze zei "Mooi Japie, ik wist niet dat je zo goed tekenen kan". Ik heb toen de tekening mee genomen naar m'n kamer en 'em verscheurd. Ze kan er niet tegen als ik haar aankijk zoals die man op de televisie die vuurstralen uit z'n ogen kan laten komen. Als ik merk dat ze naar me kijkt, kijk ik terug en denk dan aan die man op de televisie. Ze loopt dan wel de kamer uit. Soms loop ik haar achterna en blijf naar haar kijken. Als ik naar buiten willukt dat altijd, want als ik zo kijk zegt ze dat ik maar een poosje buiten moet gaan spelen. Dan wil ze van me af; en ze wilde me zo graag hebben! 's Morgens Iaat ik haar nog steeds alles doen. Zij wil toch zo graag dat ik op tijd op school ben. Een keer is er iets geks gebeurd. Ze zei "Dat je nog niet op de klok kan kijken, schiet toch eens op, je moet nodig weg!" Geen klok kunnen kijken? Natuurlijk kan ik klok kijken, dat heb ik wel geleerd thuis als ik op moeder zat te wachten. Toen moest ik ineens aan moeder denken. Waar zou moeder zijn? Zou moeder nog thuis wonen of zou ze dood zijn? Wie zou er nu voor broertje zorgen. Ik kreeg kramp in m'n buik en ik moest overgeven. Alles over tafel en over m'n broek. Dat mens schrok, maar ik schrok ook, en ik keek verbaasd naar wat er uit mijn ~aag naar buiten was gekomen en wat vies rook. Ik wist niet hoe gauw ik daarvan weg moest komen. Van m'n stoel af, m'n broek uit, toekijkend terwijl zij de viezigheid ging opruimen. Natuurlijk kwam ik die morgen echt te Iaat. Dat vond ik best spannend. Iedereen was al binnen. Toen ik de klas binnenkwam vroeg juf waarom ik te Iaat was. Ik vertelde dat ik had overgegeven. Ze vroeg of ik een beetje ziek was. Ik schudde m n hoofd en ging zitten terwijl alle kinderen nieuwsgierig naar me keken. Nu kom ik regelmatig te Iaat, want ik loop gewoon langzaam. Als juf vraagt waar ik vandaan kom, dan zeg ik dat ik te Iaat ben geroepen, of dat m'n schoenen weg waren, steeds

4 verzin ik wel wat. ledere keer kijkt de hele klas naar me want er komt nooit iemand te Iaat. Niet dat ik het niet leuk vind op school. Ook al zegt de juf dat ik de beste van de klas ben. Ze zei eens een keer: "Jacob, ik vind je een lieve, ijverige jongen". Stom om zoiets te zeggen, maar een beetje leuk vond ik het wel. Gisteravond wilde ik niet onder de douche. Toen liet ze zien dat ze niet van me hield. Ze werd boos, pakte m'n arm vast met haar nagels, en duwde me met m'n hemd en broek zo onder de douche. Ik gilde en gooide water naar haar. Ze keek naar haar druipende jurk, keek naar mij en ging weg. Toen ik in bed lag heb ik met m 'n nagels de schrammen groter gemaakt. Vanmorgen waren de schrammen rood en blauw met korstjes erop. Als ik eraan punnikte ging het bloeden. Nu zit ik te wachten in de klas tot we gym krijgen. Het is zover, in de gymzaal gauw schoenen uit, shirt uit, en even met m'n nagels over de schrammen. Ik ga dicht bij de juf staan en doe alsof ik mij uitrek. "Jacob wat heb je daarnou aan je arm? Heb je met de jongens gevochten? Nee, is het dan thuis gebeurd?" Ik haal m'n linkerschouder op. Dat doe ik altijd als ik geen ja of nee wil zeggen. Ik zie haar denken: ach dat arme kind met zo'n pleegmoeder. Nou heeft ze nog medelijden ook! Dat was me al eerder opgevallen als ik brood van andere kinderen zat op te eten. Tussen de middag krijg ik van haar boterhammen met worst. Ik lig op bed en hoor dat er wordt gebeld. Dat gebeurt niet vaak. Ik ga aan de kier van de deur luisteren. Ik hoor de stem van juf. Wat doet zij hier? Zij heeft hier niets te maken! Dan hoor ik nog een stem, een stem van vroeger. Een meneer waarmee ik in het tehuis wel eens over moeder praatte. Misschien komt hij vertellen dat ik naar moeder mag. Ik voel me ineens blij en met een grote sprong duik ik in bed. Ik krul in elkaar en wrijf met m'n handen tussen m'n bovenbenen in de verwachting dat er morgen iets fijns zal gebeuren. Ik word uit mezelf wakker en gelijk denk ik aan gisteravond. Ik schiet uit bed, kleed me aan en loop de kamer binnen. Ze is niet in de kamer, ze is ook niet in de keuken en als ik bij de tafel terugkom zie ik hém zitten. "Je tante heeft erge hoofdpijn. Ik zal je boterhammen klaar maken en wacht tot je naar school gaat." Hij kijkt naar me net als wanneer ze aan tafel stomme dingen over mij aan hem vertelt. Hij bemoeit zich nooit veel met me, hij probeert wel eens wat, maar dan ga ik hem altijd uit de weg. "Oei, kruidje roer me niet!" zegt hij dan, en Iaat me met rust. Een tijdje geleden lachte hij wel, nu kijkt hij me alleen maar aan alsof hij bij me naar binnen wil kijken. Ik eet gauw m'n boterhammen op en ga de deur uit. Vandaag ben ik niet te Iaat; maar de juf doet de hele dag of ze me niet ziet. Tussen de middag mag ik geen boterhammen van een ander opeten en ik krijg er ook niet één van haar. Het wordt alsmaar kouder in me en alles wordt stijf. Aan tafel heeft niemand wat gezegd. Slikken lukte haast niet, maar ik durfde m'n eten niet te laten staan. Ik voel dat er iets gaat komen, maar van mij hoeft dat niet. Na het eten mag ik altijd naar de televisie kijken. Ik zet de televisie aan maar hij doet 'em weer uit: "Japie we moeten eens even met elkaar praten." Zij komt er ook bij zitten. "Japie we vinden dat je bij ons erg raar doet, we begrijpen er niets van. Je lustte in het tehuis pap en melk, op school eet je of je hier niets krijgt. De school denkt dat wij je slecht verzorgen en mishandelen. Tante heeft niet kunnen slapen van alles wat we gehoord hebben gisteravond." Zij gaat zitten huilen, staat op, doet een paar stappen en gaat weer zitten. Stom van ze, dan moeten ze maar niet over mij gaan kletsen met elkaar. Zeg nou maar dat jullie me niet meer willen hebben, en ik terug mag naar m'n moeder..! "Die meneer van het tehuis heeft gezegd dat we je steviger moeten aanpakken. Hij zal iedere maand terugkomen om te horen hoe het gaat en we zullen ook iedere week de juf van school bellen, dan kunnen we controleren of je de boel niet voor de gek houdt. " Wat een rotmensen allemaal. "Wat vind je er nou zelf van Japie, kom, je zegt zo weinig. Vertel toch eens waarom je zo doet. " Als ik niet zo kwaad was, zou ik misschien kunnen zeggen dat ik naar moeder toe wil; maar als ik nu mijn mond open doe, ga ik alleen maar vloeken, schelden, ze spugen, alles kapot gooien in hun gezicht. Ik kan alleen m'n linkerschouder ophalen. Na een poosje stilte zegt hij dat ik dan maar moet gaan douchen en naar bed moet gaan. Ik kleed me uit en ga onder de douche staan; ik draai alleen de koude kraan open alsof ik zelfs het warme water niet meer van hen wil. Ik blijf eronder staan. Misschien ga ik dan wel dood. Het enige wat ik zeggen kan is: "Japie verdomme, Japie verdomme " In bed trek ik de dekens over me heen en wil nergens zijn. Alles vervloekend lig ik daar, en krijg het plotseling verschrikkelijk benauwd. Ik wil dat ik stik, maar ik word bang. Ik vlieg omhoog, en scheur het pyjamajasje van me af. Was ik maar groot, ik zou ze allemaal ver- moorden, zodat er niemand meer over bleef. Het lijkt alsof m'n hele lijf volloopt met water; doodmoe zak ik terug op bed. Japie? Ik haat Japie. Ze maakt me wakker, ik probeer weg te kruipen onder de dekens maar ze haalt de dekens weg. Ik kan er niet uit, ik wil er niet uit. Ik voel dat ze bij m'n bed blijft staan en als ik naar haar kijk schrik ik van haar ogen. Zie je wel, ze haat me! Ik kruip m'n bed uit en ga naar het toilet om van haar weg te zijn. Als ik terugkom is ze weg. Ik kijk verwonderd naar m'n bed. Wat een troep, alles is los en overhoop. Ik kleed me aan alsof ik iemand anders aankleed, eet alsof ik iemand aan het voeren ben. Ik zie m'n schoenen de weg naar schoollopen. "Jacob, je bent te Iaat" zegt juf als ik de klas in kom, "vanmiddag blijf je maar een poosje langer". "Ik heet geen Jacob, ik ben Japie!" Ik schrik zelf van de harde en lelijke stem die ik hoor; maar dan had ze ook maar niet over me moeten kletsen. Ze is net als de anderen. Ze kan ook barsten. Het wordt met de dag spannender. Zij en ook de juf zitten me

5 alsmaar erger te pesten en ik pest lekker terug. Ik weet precies hoe ik haar op de kast kan krijgen. Zij huilt vaak of ze probeert me met haar ogen dood te maken. Mijn ogen zijn sterker, en ik win het steeds als ik haar blijf aankijken. Hij begint steeds te preken. Een keer dacht hij me te pakken te hebben. Ik had geld gepikt en dat hadden ze in m'n zak gevonden. Toen zei ik ineens: "Je hebt mij een fiets beloofd en die heb ik ook niet gekregen." Toen wist 'ie niet meer wat hij zeggen moest. De juf ging ook krengig doen, alsof zij er wat mee te maken had wat er bij hen in huis gebeurde. Als ze zich er zo nodig mee moet bemoeien, dan moet ze het ook zelf maar weten. Ik ging haar lievelingetjes pesten en ik deed in de klas hoe langer hoe gekker. Daar kan ze helemaal niet tegen. 's Avonds in bed verlang ik er wel eens naar dat aan alles een eind komt. Een eind aan alles, een eind aan Japie. Er is geen eind aan gekomen. Ik zit nu in een kliniek met andere kinderen en daar willen ze therapie met me doen, zo noemen ze dat. Ik moet dan twee keer per week naar een kamer. Daar staat allemaal kinderachtige troep waar ik mee moet spelen, terwijl er een mens zit te kijken. Soms wil ze praten. Praten over stomme dingen; ze is nieuws- gierig als de pest. Ik ben gauw uitgekeken op de dingen die er zijn, dus ga ik maar zitten afwachten. Dat mens doet best lief, net als juf, maar ik ben niet gek. "Jacob..." "Ik ben Jacob niet, ik ben Japie". Zegt dat mens: "Wil je graag klein zijn?" Nou op zoiets stoms geef ik natuurlijk geen antwoord. Nu hoef ik niet meer binnen te komen van haar als ik niet spelen wil. Dus zit ik twee keer een uur voor de spelkamer op de bank. Ze dacht zeker dat ze me daarmee kon dwingen. Ik zit dan te denken hoe ik eruit kan komen. Ik bedoel, hoe Japie dood kan gaan. Ik weet nog geen goeie manier want als ik iets probeer lukt het niet. Mezelf stikken gaat niet. Misschien is het makkelijker om al die rotzakken te vermoorden. Daarover zit ik steeds te denken.

6 Hoofdstuk 2 - Overproductie " Bedelen? Nee! - bij God noch bij de mensen. De jeugd neemt de schat met geweld. " (blz 73.) Voor een deel ben ik begonnen te leven in een fabriekje dat aan de lopende band een serieartikel produceert. Zodra het product klaar is wordt het opgeslagen. Is er een tijdje geen vraag naar, dan wordt alles uit het pakhuis gegooid, en een nieuwe voorraad geproduceerd en opgeslagen. Startende ondernemers produceren jarenlang, zonder dat er vraag is naar één van ons. Ze kunnen ons niet productief maken, maar velen hebben er een lekker gevoel bij om de afmars van ons te bewerken. Bij dat spel interesseren ze zich niet voor ons, ze zien ons niet eens, en dood gaat er weer een serie. Om die overproductie en om die spontane abortusjes van die bijna onzichtbare soort kikkervisjes maakt niemand zich druk. Sommige zedeprekers maken zich wél druk, maar dan over de veel te jonge zelfbevredigende fabrikantjes. Ik maak me druk over de nonchalance waarmee men omgaat met de overproductie. Mijn serie is net afgeleverd en overgebracht naar het pakhuis waar we druk rondkrioelen. Ik maak me zorgen want ik wil verder leven en weet dat het alleen mogelijk is als ik bij mijn ander deel wordt afgeleverd en haar vinden kan. Stom eigenlijk zo'n serieproductie, het zou toch genoeg zijn als ik er alleen geweest was. Straks moet ik direct al voor m n leven gaan vechten in concurrentiestrijd met de anderen van mijn serie. Uiteraard ben ik, net als mijn rivalen, voortdurend bezig te oefenen om goed in conditie te blijven. Tenminste als we niet allemaal ten dode gedoemd zijn. Zo ben ik al oefenend aan het piekeren tot ik gewaar word dat het pakhuis op spanning komt te staan en we op transport worden gesteld. Als we nu maar niet in de lucht of in een zakje terechtkomen. Nee, we kunnen door! Zo snel mogelijk zwiep ik mijzelf vooruit tot ik m'n andere deel in het oog krijg. Ik penetreer en met voldoening strek ik mij uit. Handen tegen handen, hoofd tegen hoofd, lijf tegen lijf, voeten tegen voeten. Zo smelten we samen, ik kan verder leven, nu compleet! Tijdens het samensmeltingsproces voel ik mijn honderd procent mannelijkheid verloren gaan. Sterker nog, het vrouwelijke wint: ik ga een meisje worden! Onmiddellijk ga ik aan het werk en al delend groei ik. De energie haal ik uit het lijf om me heen. Of ze wil of niet, daar heeft ze niets over te zeggen. Of toch? 'Ik ben baas in eigen buik' hoor ik haar zeggen, en dat klinkt niet erg juichend en ik voel de ruimte om me heen hard worden. Na een poosje gaat dat weer over, maar het komt zo nu en dan terug als ze het daarover heeft. De laatste tijd voel ik de spanning niet meer komen en ik ga dapper verder met groeien; ze vindt het nu blijkbaar wel goed dat ik doorga met leven. Alles zit er zo langzamerhand aan en ik oefen voortdurend. M'n armen en benen kan ik al soepel bewegen, het gaat niet meer met schokjes. Ook m'n hoofd, m'n rug en m'n vingers. Ik denk dat ik er wel klaar voor ben om naar buiten te gaan. Zo nu en dan ga ik stil op m'n kop liggen. Wat mij betreft kan ik eruit. Gelukkig is alles achter de rug. Wat een ellende om eruit te komen, en als het gelukt is krijg je een shock van de kou. Daarna pakken ze je beet of je van ijzer bent en geven je een klap voor je billen. Plezierig is dat niet en ik ontdekte dat ik kon brullen. Dat vonden ze blijkbaar leuk, en ze legden me tegen een lekker warm lichaam. Dat zal m'n moeder wel wezen, ging het door me heen. Van al die toestanden was ik zo moe dat ik in slaap viel. Vanmorgen heb ik voor 't eerst m'n moeder gezien toen ik aan de borst lag. Ik rook wel steeds een bekend luchtje, maar nu zag ik haar ook, als een vage schim. Dat was de enige en laatste keer dat ik haar zag, want het hoefde van haar niet meer. Ze had al genoeg kinderen geproduceerd vond ze, mij kon ze er niet meer bij hebben. Ze heeft me afgestaan. Afgestaan! Aan wie? Dat moest nog worden bekeken. Voorlopig ging ik naar een zuigelingen-tehuis. Net als toen ik bij m'n vader binnen zat, kwam ik nu temidden van babies te liggen. Allemaal babies van de overproductie. Eén troost had ik, ik liep niet meer het risico dat ze me dood zouden laten gaan. Ik groeide best, was levenslustig genoeg en maakte een drukte van jewelste. Dat wel, maar de mensen die langs kwamen om er eentje te kiezen knipperden met hun ogen als ze mij zagen...en liepen mij voorbij. Eerlijk gezegd kon ik ze geen ongelijk geven. Als je niet van onderen keek zou je zeggen dat ik een jongent je was, nogal grof, met sliertig haar dat door minstens drie kruinen alle kanten opstond en kologen die niet zo lieflijk de wereld inkeken. Geen wolk van een kind. Dus het was begrijpelijk, dat de mensen mij voorbij liepen. Er waren kinderen zat. Concurrentie genoeg, zelfs vanuit het buitenland. Het ging met mij als op een groenteveiling. Je blijft staan. Alleen, doordraaien doen ze je niet. Bij ons niet. In het buitenland schijnen ze ze wel te laten verrotten als doorgedraaide groente. Bij ons word je tenminste nog verzorgd en krijg je gelegenheid om te groeien. Dat deed ik dan ook met overgave. Ik had er geen last van geen eigen moeder te hebben. Ik ben van mezelf niet zo sentimenteel. Ik zal heus niet zoals andere babies hier gaan liggen miezeren en meer huilen dan eten. De zustertjes zorgden goed voor me. De juffen zorgden goed voor me. De leidsters zorgen goed voor me. Ja, u begrijpt, inmiddels is het jaren verder, ik ben nu elf. Ik ben van het ene naar het andere huis doorgeschoven, ik bedoel: ik ben steeds weer afgestaan. En iedereen maar zoeken aan wie ik nu eens echt voorgoed kon worden afgestaan, aan welke vader en moeder. Wat ze allemaal niet deden! Homefinders werden ingeschakeld. Pleeg- gezincentrale uitgekamd. Advertenties werden in kerk- en dagbladen geplaatst! Het liep allemaal op niets uit. Ik ben een lelijke winkeldochter

7 geworden. U kent ze wel, iedere keer komen ze in de uitverkoop. Moet je de mensen verachtelijk zien kijken als ze de jurk lelijk vinden. Ik werd niet steeds voor een lagere prijs buiten de winkel in een rek gehangen. Bij mij werd de prijs hoger. Wil je haar meenemen voor zoveel per dag. Nee, als we haar dan als moeilijk plaatsbaar beschouwen dan kan je haar voor zoveel per dag krijgen. Nee, nog niet? Het spijt ons, hoger kunnen we niet gaan, dat vergoedt het ministerie niet. Ik blijf dus gewoon over. Ik niet alleen hoor, er zijn er zat zoals ik. Alle gezinnen zitten dicht. Tenminste voor ons. Hoe ouder je ook wordt, des te slechter lig je in de markt. Je kan daarover treuren of opstandig worden zoals sommige anderen. Ik niet, ik kijk wel uit. Ik kan wel voor mezelf zorgen. Gemakkelijk? Nee hoor. Je moet stevig van je af kunnen bijten als je alsmaar in zo'n wachtkamer-tehuis zit. ledereen wil met de bus mee, dus probeert ieder zich zo goed mogelijk voor te doen. Ik doe niet mee met die onzin, maar als je niet oppast krijg je overal de schuld van. Ik moet dan ook toegeven dat ik er niet liever op ben geworden. Als ik in m'n rapporten zou kijken zou ik wel kunnen lezen dat ze me een kenau vinden. Langzamerhand krijg je er wel zat van in zo'n tehuis te zitten. Er zitten in zo'n huis niet alleen maar wachtlijst-kinderen er zitten ook kinderen die niet meer thuis kunnen zijn omdat ze streken uithaalden. Het gaat me allemaal de keel uithangen. De kinderen om me heen vervelen me, maar ook de leidsters van wie je weinig vrijheid krijgt, en die denken dat ze alles over je te zeggen hebben. Ik heb ouders en een gezin allang afgeschreven. Ik zal wel wachten tot ik op mezelf kan staan. Zodra ik vind dat ik oud genoeg ben smeer ik 'em! Dat heeft wel een paar jaar moeten duren. Je weet ook niet waar je naar toe moet in je eentje, wel! Toen ik net 16 was ben ik getrouwd. Nou ja, getrouwd. Ik ben gaan samenwonen met een jongen die zei dat hij met me wilde trouwen. Ik kende hem al een poosje en het was voor mij een manier om weg te lopen en onderdak te hebben. Nou is het beroerde dat ik een maand geleden een baby gekregen heb; ik weet niet wat ik met dat kind aanmoet. Als ik het in m'n armen neem vind ik het vreemd, ik heb helemaal niet het gevoel dat het iets van mij is en ik heb eerlijk gezegd een beetje een afkeer van dat lijf in m'n handen. Daarbij komt dat Alex het kind helemaal niet wil en ik zelf eerst ook nog heel wat anders met m 'n leven wil doen en ik helemaal geen huissloof wil worden. Ik denk dat ik het maar afsta.

8 Hoofdstuk 3 - Waarom lk "... niet te verwonderen dat ik... alleen greep naar de verstandelijke zijde van de menselijke natuur '' (blz 70 ) Op school hebben we sexuele voorlichting gekregen. Zo zou je het wel kunnen noemen. De leraar vertelde dingen die we allemaal allang wisten. Iedereen deed alsof ze nog nooit ergens van hadden gehoord, behalve een paar die blijkbaar echt van niks wisten. Toch waren er wel dingen bij die ik niet wist. En juist dat komt steeds weer in m'n gedachten terug. Je kan namelijk op drie verschillende manieren over 'het begin' denken. Allereerst dat God precies een zaadje kiest om in het eitje te komen. De tweede manier is dat het sterkste, het vlugste, het beste zaadje bij het eitje komt. Als laatste kan je denken aan de manier zoals je vroeger wel eens knikkerde. Je gooide alle knikkers ineens, meestal kwam er dan wel één in de pot. Mij lijkt de derde opvatting de juiste. De andere twee kunnen niet kloppen. Ik was anders geweest als de beste het zou hebben gewonnen. Ik ben nergens goed in. Het zou zo kunnen zijn dat deze keer alle zaadjes sloom waren. Maar dat zou wel erg toevallig zijn, omdat mijn vader en moeder goed zijn, en al m'n broertjes en zusjes veel beter zijn dan ik. De eerste redenering kan helemaal niet waar zijn. Dan zou ik er gewoon niet zijn geweest! Ik niet en veel andere kinderen ook niet. Er worden kinderen geboren die lichamelijk gebrekkig zijn of die niet goed bij hun hoofd zijn. Het kan niet waar zijn dat God wil dat er zulke kinderen geboren worden. Hij haat alles wat onvolmaakt en niet goed is. Als Hijzelf het zaadje zou kiezen, dan zou Hij zeker geen slechte uitkiezen. De Joden mochten vroeger toch ook niets offeren waar een gebrek aan was. Of zou ik soms moeten aannemen dat God een slechte kiest en bij Zichzelf denkt: ik zal lekker een slechte nemen, dan krijgen jullie het mooi moeilijk en het kind ook. Mijn vader zegt dat het door de zondeval komt en 'dat we daar vanaf moeten blijven'. Hij bedoelt daarmee dat we het aan God moeten overlaten. Hij is er dan ook op tegen dat mensen, voordat een kind op stapel wordt gezet, gaan kijken of het wel gezond kan worden. Maar waarom zouden we niet vooraf kijken of een zaadje goed is en het dan bij het eitje stoppen? Vroeger gingen er kinderen dood omdat men niet wist wat steriel en hygiëne was. Men wist niet beter en zei dan dat het de Wil van God was dat die kinderen dood gingen. Nu weten we beter, doen alles heel zorgvuldig en er blijven veel meer kinderen leven en worden ook veel ziekten voorkomen. We weten nu dat er slechte zaadjes zijn en ik denk dat we die niet de kans moeten geven. Als je iets weet moet je het beste doen. Net als bij hygiëne, waar we door kennis iets over te zeggen kunnen hebben dragen we ook de verantwoordelijkheid om zorgvuldig bezig te zijn. Soms denk ik dat de satan ervoor zorgt dat er kinderen geboren worden die er eigenlijk niet moesten zijn. Als we zorgvuldig en naar ons beste kunnen te werk zouden gaan bij het in de buik van de moeder laten groeien van een kind, zijn we hem tenminste te slim af. De natuur zorgt er vaak voor dat een kind niet geboren wordt. Een spontane abortus noemen ze dat. Vaak blijkt er dan ook iets mis te zijn. Als wij nu meer weten dan de natuur moeten we dan niet ingrijpen? Soms vechten we tegen de natuurlijke gang van zaken en soms laten we de natuur zijn gang gaan. Soms zeggen we dat God ons de kennis heeft gegeven, soms zeggen we dat we het aan God moeten overlaten ook al weten we beter. Ook als de natuur fouten maakt en bijvoorbeeld niet door heeft dat een kind niet goed kan worden? Het zou voor mijn ouders, voor m'n broertjes en zusjes en ook voor mezelf goed zijn geweest als ik niet zomaar was geboren. Als ze zorgvuldig te werk waren gegaan zouden de dokters of m'n ouders gezegd hebben: dit zaadje kiezen we maar niet! Is men bang dat iedereen op deze manier superkinderen wil? Dat willen de ouders nu ook, ze krijgen ze alleen niet. Ouders kunnen toch geen kinderen krijgen die veel beter zijn dan zijzelf, hoogstens plusvarianten met alleen maar de goede eigenschappen van vader en moeder. Bang dat de mensen gaan rotzooien? Dat doen mensen met alles, ook in de opvoeding. Zeker als het met een kind niet gaat zoals zij willen. Neem mij maar. Ik heb nooit willen leven. Ik begrijp niet hoe het eitje het zaadje ooit heeft gewild. Ik vraag me ook af of m'n ouders het zo gauw alweer wilden. Ze hadden er al een paar en m'n moeder had het er best moeilijk mee. Ik wil wedden, dat als ze ervoor naar de winkel had gemoeten, ze gezegd had: laten we er nog maar even mee wachten. Dat gebeurt thuis met zoveel dingen; het kan nog wel een jaartje, we zien volgend jaar wel. Dan gaat het over kleren of zoiets. Van kinderen krijgen zeiden ze: daar zorgt de Here voor en als Hij ze geeft zal Hij ook de kracht geven om ze op te voeden! Dat klinkt zo mooi, maar ik vind dat onzin. Ik ken een jongen, van wie de moeder overspannen is en al jaren in een inrichting zit. En de moeder van een meisje in mijn klas is dood. Ik vind dat de mensen wat realistischer moeten zijn. Neem nou mijn vader. Hij wilde ander werk en heeft nu inderdaad een andere baan. Toen hij die kreeg, heeft hij aan tafel de Here bedankt. Volgens mij had hij die baan nooit moeten nemen; hij kan het werk niet aan. Hij komt doodmoe, vaak met hoofdpijn, thuis. Dan moet hij nog aan z'n cursus beginnen die hij moet volgen voor zijn werk. God geeft dan ook niet vanzelf de kracht en de wijsheid. Mijn vader had van te voren moeten bedenken of hij het wel aan zou kunnen. Zo vind ik dat ouders ook reëel moeten denken over het krijgen van kinderen. Ze hebben hun verstand toch ook daarvoor gekregen. M'n ouders

9 hebben alles gedaan om, toen het eenmaal begonnen was, mij in de wereld te brengen. De ellende begon al vroeg. Moeder moest gaan liggen, anders zou ze me 'verloren' hebben. Ze dachten niet: jammer, 't heeft er blijkbaar geen zin in, laat de natuur z'n gang maar gaan, het is blijkbaar niet goed. Ruim een maand moest ze liggen en toen mocht ze weer voorzichtig op. Het hele huishouden draaide om mijn behoud en dat ging wel ten koste van de anderen. Het was voor hen op een bepaald moment de vraag of ik wel leefde want bewegen deed ik blijkbaar niet. Het hoefde van mij niet. Na zeven maanden wilde de natuur blijkbaar weer van me af. Moeder werd toen met spoed naar het ziekenhuis gebracht en daar lieten ze me eruit. Ik begon niet te ademen en daarom legden ze me aan een beademingsapparaat, de stommelingen, en ik kreeg kunstmatig voeding. Ze sloofden zich ontzettend uit met al die koude ijzeren toestanden. Soms deden ze me pijn. Ik dacht steeds bij mezelf: moet dat nou, laat me toch gaan, ik wil helemaal niet, dat merken jullie toch! "Het is geen vechter", zei de dokter tegen m'n vader. Moet je als mens dan een vechter zijn? Thuis was ik het zorgenkind je dat met tegenzin de fles nam, alles met zich liet doen, nooit reageerde, nooit teruglachte en 't liefst maar stil lag; waar ze naar kwamen kijken of het nog leefde, nog ademde. Als je ademt en eet groei je vanzelf. Bij mij ging dat niet hard. "Het is een zevenmaandskindje en hij is beademd, daar zal het wel aan liggen dat 'ie met alles zo langzaam is" kletste de dokter. Idioot, dat niemand begreep dat het van mij helemaal niet hoefde. Idioot, dat m'n moeder zo erg veel van me hield. Ze wilde me steeds knuffelen. Ik vond dat niet goed. In de box lag ik te kijken naar m'n broertjes en zusjes die altijd met van alles in de weer waren, ze maakten zo'n drukte met hun speelgoed. Ze namen ook wel dingen uit de box die van mij waren. Ik gaf daar niet om want ik speelde er toch niet mee. Meestal lag ik met een glad blokje in m'n hand en liet m'n vingers daarover glijden, ook langs de scherpe randen. Ze speelden nogal eens moedertje en vadertje en ik was dan de baby natuurlijk. Ze reden me rond, sjouwden met me door de kamer, propten van alles in m'n mond. Ik had daar geen moeite mee. Als ik het zat was ging ik gewoon slapen en dan lieten ze me met rust. Later probeerden ze me ook te laten staan en lopen. Ik zag de anderen wel lopen, maar waarom zou ik. Als ik ergens heen wilde kon ik net zo goed schuifelen. Als je groter wordt moet je ook naar de kleuterschool. Daar moet je luisteren naar verhalen, je moet iets kiezen om te spelen en je moet werkjes maken. Op die school heb ik voor't eerst ontdekt dat je altijd iets moet. De mensen vragen nooit wat je wilt; als ze zich met je bemoeien moét je altijd iets! Op de lagere school was dat nog erger. Zal ik eens opsommen hoe dat ging? Ik vertel er niet bij wie het zei, gewoon alleen maar wat er tegen me gezegd werd. "Wim kom je uit bed." "Wim schiet op, straks moeten we weer op je wachten." "Hé, je moet je nog wassen." "Wim kom je aan tafel, de anderen zitten al." "Wim schiet op, ik wil een beetje vroeg zijn. Zo kan ik voor school nooit spelen." Ik moet altijd met de anderen mee omdat ik een paar keer te laat was gekomen. "Jongens, eerbiedig." "Wim vergeet je brood niet. Zal je je best doen vandaag." "Hé loop niet zo te slenteren. Hier, draag m'n tas eens dan kan ik touwtje springen." "Stommerd kijk uit, ze rijden je zo ondersteboven." "Zitten kinderen, kom kom." "Eerbiedig nu." "Wim luister je wel. Je moet naar me kijken en niet naar je bank." "Pakken jullie je schrift, dan gaan we fijn sommetjes maken." "Kijk eerst eens naar het bord en let goed op." "Schriften weg, dan gaan we nu lezen. Pakken jullie je boekjes maar. Zoek bladzij 21 op. Kijk op bord staat 21." Nadat eerst een paar andere kinderen moesten lezen moest ik. "Wim ga jij eens verder." Als de leesles voorbij is moeten we buitenspelen. "Kom jongens, de bel is gegaan, we mogen fijn naar buiten." We mogen fijn naar buiten. Zoiets zegt ze wel meer, maar je moet dat dan gewoon doen. Ik bleef een keer zitten toen we naar buiten zouden gaan. Ik had geen zin omdat het koud was. Toen zei ze: "Hup Wim, iedereen is al in de gang". Dan ga je maar, want je moet toch. Uit school hoef ik gelukkig niet zoveel. Als de televisie aanstaat kijk ik en dan lig ik 't liefst languit op de grond ervoor. Als de televisie niet aanstaat ga ik naar m'n kamertje. Daar doe ik meestal niks, maar soms moet ik meespelen met m'n broer. "Gaan jullie je handen wassen en komen jullie aan tafel." "Wim, hoe ging het op school?" Dat vraagt m'n vader meestal aan tafel. Ik zeg dan "goed" en verder vraagt 'ie dan niet. Soms zegt 'ie wel Willem de Zwijger tegen me als hij het vraagt. "Wim, naar bed jongen. Vergeet niet je tanden te poetsen." "Gaat het zomaar? Krijgen we niets?" Ik probeer meestal zo naar boven te gaan, maar vader en moeder roepen me altijd terug omdat ik ze een zoen moet geven voor ik naar boven ga. Zo ging het meestal. Het was allemaal moeten, het is nog allemaal moeten. Niemand vraagt wat ik wil. Misschien maar goed ook want ik zou niet weten wat ik had moeten antwoorden, omdat ik eigenlijk niks wil. M'n broertjes en zusjes protesteren vaak als ze iets moeten, en zeggen gewoon: "ik wil niet". Ze maken ook ruzie met elkaar. Van hen vind ik dat normaal, maar ik kan het zelf niet. Als ze kwaad zijn omdat het toch moet van vader of moeder, of omdat ze moeten ophouden met ruzie maken, lopen ze zachtjes te schelden of met een boos gezicht rond. Kwaad zijn, boos zijn, blij zijn, stout zijn, lief zijn, ik weet niet wat dat allemaal betekent. Moeder zegt wel eens tegen me dat ik een lief jong ben. Ik denk dat, wanneer j e alles doet wat j e moet, je lief bent en ze je dan met rust laten. Ik denk dat het zo zit: koud is geen lekker gevoel en heet ook niet. Koud is als je niet lief bent en heet als je kwaad bent of ruzie maakt. M'n broer wordt altijd rood als 'ie kwaad is. Als je je niet koud of warm voelt, dus

10 gewoon, dan ben je lief. Op deze manier probeer ik alles te begrijpen. Ik was ook een keer ziek, nogal erg, en wilde m'n medicijnen niet hebben. "Kom Wim", zei m'n vader, "je moet beter worden want we houden zoveel van je." "Wat is dat, 'houden van'?" Hij keek me een poosje aan, "Wat ben je toch een vreemde snuiter en wat kan je wonderlijke vragen stellen. Houden van betekent dat we je graag bij ons houden, en daarom willen we graag dat je beter wordt." Dat is dus net zo als ik graag m'n gladde blokjes en steentjes bij me wil houden; ik houd dus van mijn blokjes en stenen. Mijn oudste broer was vijftien en ik dus tien, toen hij 'van een meisje hield'. Zo noemde hij dat en iedere keer praatte hij erover. Hij vertelde op een keer heel geheimzinnig tegen m'n zusje dat het echt was, dat ze hadden gevrijt en kusjes hadden gegeven. Ik dacht gelijk aan wat ik op televisie wel zag: mannen en vrouwen die aan elkaar zaten, of op elkaar lagen en elkaar zoenden. Ik had er nooit iets bijzonders in gezien. Vader en moeder knuffelden de kleintjes. Mij niet, want daar hield ik niet van; ik ontweek dat altijd. Het liefst raakte ik ze nooit aan. 's Avonds een zoen geven vond ik al erg genoeg. M'n broertjes en zusjes stoeiden ook nooit met me, daar was niks an, zeiden ze. Vanaf die tijd dat m'n broer een meisje had, ging ik hoe langer hoe meer begrijpen dat 'houden van' nog wat meer kan zijn. Wat ik niet snapte was, waarom ze zich daarover zo druk maakten en er zo geheimzinnig over deden. Toen ik een keer op TV dieren zag neuken gingen m'n twee oudere broers en zusje ook zo gek doen. Ze deden of ze niet wilden kijken en bleven toch kijken en raar lachen. Ik kan de manier waarop ze zich gedroegen niet verklaren. Het is voor mij heel gewoon dat zulke dingen gebeuren; al zal ik er niet over piekeren om het zelf te gaan doen. 's Avonds onder de douche ging heb ik mezelf nog eens goed bekeken, maar het deed me niks. Vader en moeder zijn op school geweest en onder het eten vertelde vader dat de meester niet goed wist wat hij moest aanraden. "De meester dacht dat, als jij je zou inspannen, je wel naar de HAVO zou kunnen. Maar hij vertelde ook dat je nooit meer deed dan nodig was." Dat klopt wel, dacht ik bij mezelf: iets over moeten maken, na moeten blijven of onvoldoendes zijn dingen waardoor je opvalt, maar uitsloven hoefde van mij helemaal niet. Ze gaan zich dan met je bemoeien, dat had ik wel aan andere kinderen gezien. "De LTS vindt de meester niks voor je, omdat er met handenarbeid niets uit je vingers komt." "Weet u wat hij worden moet," zei m'n broer Henk, "treinmachinist. Hoeft 'ie niks te doen dan een wiel heen en weer te draaien en alles gaat vanzelf, hij komt vanzelf op het volgende station." "Houd je erbuiten jongen. Wim, de meester zei dat je 't best naar de MAVO kan. Moeder en ik hebben gezegd dat we daar accoord mee gaan." Vader vroeg niet wat ik ervan vond; ik zou ook niets anders geweten hebben. Wel dacht ik aan de jongens waarvan ik wist dat ze ook naar de MAVO zouden gaan; het waren niet de jongens die me 't meest met rust lieten. Eerst was er nog de vakantie naar een camping in het buitenland. De lange rit in de auto was wel interessant. Je kan lekker rustig zitten rondkijken en van alles zien. De camping was geen lol aan; wat heb ik einden moeten lopen! Stom, dat is nergens voor nodig. Je kan op de televisie thuis genoeg zien van andere landen. De natuur verschilt ook niet veel; bomen, struiken en zo zijn 't zelfde, alleen zijn er bergen. Het is maar goed dat we die in ons land niet hebben, je zal ze iedere dag op en neer moeten fietsen. Ze lieten me vaak achter op de camping, omdat ze merkten dat dat gesjouw overal naar toe van mij niet hoefde. Als ze terug kwamen van een tocht maakten ze er een drukte over. Ik vond het best hoor, ze doen maar, dacht ik dan bij mezelf. Meestal lag ik ergens in de schaduw, met een lange broek en een shirt met lange mouwen aan, dan had ik 't minste last van vliegen en andere beesten, te kijken naar de mensen. Net een mierenhoop zo'n camping. Iedereen loopt heen en weer. Na de vakantie was het zover. Net als m'n broers en zusje moest ik op de fiets naar school. Dat ging de eerste tijd wel, maar toen het kouder werd dacht ik steeds bij mezelf: waarom doe ik dit! Maar ja, als ik het niet deed, zou ik toch wat anders moeten doen. De school was niet veel anders dan de lagere school. Er waren wel steeds andere leraren met ieder een eigen manier van omgaan met de klas. Ik was aan de zijkant bij de deur terechtgekomen en kon zo kijken hoe alles ging. De jongens trokken zich van mij meestal niets aan, maar soms gaven ze mij ergens de schuld van en kreeg ik strafwerk. Of ze gooiden m'n tas zogenaamd per ongeluk op de grond, schopten dan tegen de boeken, zodat ik die overal in de klas bij elkaar moest zoeken. Of ze pikten een schrift en kreeg ik strafwerk omdat de leraar dacht dat ik m'n schrift vergeten was. Ik wist wel dat ik dat allemaal niet hoefde toe te laten, maar ik had er geen last van en omdat ik niet wilde opvallen zei ik niets tegen de leraar. Ik dacht bij mezelf dat ze wel een keer zouden ophouden en me met rust zouden laten, zoals thuis. Met gymnastiek hadden ze de meeste commentaar: slome, stommeling, slappe lul en zo meer. Eén leraar had wel in de gaten hoe het in elkaar zat en praatte een keer tegen me. "Vind je het niet vervelend dat de jongens zo tegen je doen?" "Nee", zei ik, "daar ben ik aan gewend." "Word je daar niet kwaad om, of verdrietig?" Ik probeerde zo gauw mogelijk van hem weg te komen. Ik vond het onzin als een leraar met mij praatte en naar iets van mezelf vroeg. Helemaal als hij zulke stomme vragen stelde als die laatste. Blijkbaar had de leraar met mijn vader gepraat want een keer onder het eten vroeg vader hoe het op school ging, en of het me beviel op school. M'n zusje bemoeide zich ermee. "Ze vinden hem gek! Hij doet ook zo raar, hij doet nooit mee met de andere jongens en loopt altijd in z'n eentje met z'n tas, ook in de pauze."

11 "Bemoei je er niet mee, ik vraag het aan Wim. Is dat zo Wim?" Ik haalde m'n schouders op en was heus niet van plan te vertellen dat ik m'n tas altijd bij me had zodat anderen er niet aan konden zitten. "Nou, gewoon. Ik vind wiskunde en biologie erg interessant!" Daarmee was het over en ze bemoeiden zich verder niet met me. Ik zit op m'n kamertje voor het raam te schrijven en kan zo in de tuin kijken. Net vielen me een stel tulpen op. Die staan rechtop bij elkaar, los van elkaar, hebben niets met elkaar te maken. Ze hebben niets van elkaar nodig. Waarom is dat bij mensen niet zo? Die bemoeien zich allemaal met elkaar. Mensen, en zeker kinderen, moeten van alles van anderen, en dat geeft meestal een hoop drukte en vaak ruzie. Ik zou wel op een onbewoond eiland willen leven. Heb je van niemand last, en als er niets meer te eten valt kan je gewoon doodgaan. Dat van de wiskunde en biologie is waar. Het bezig zijn met cijfertjes en lettertjes vind ik interessant omdat, als je je precies aan de regels houdt, je altijd het goede antwoord krijgt. Biologie was menskunde en daar zie je hoe alles in elkaar zit en werkt. Omdat we geen menskunde meer krijgen haal ik boeken uit de bibliotheek om er meer van te weten. Een mens is net allemaal ingewikkelde machientjes bij elkaar. Maar als je betere ogen had zou je kunnen zien dat al die machientjes zelf ook weer bestaan uit bewegende deeltjes. Dat zoiets bij elkaar gehouden wordt en allemaal werkt! Als je chirurg bent kan je dingen die niet goed zijn weghalen en vervangen door nieuwe. Als je een heel goede chirurg was zou je mensen alsmaar door kunnen laten leven. Steeds iets nieuws erin of van twee mensen één mens maken. Misschien worden chirurgen nog wel eens zo knap. Mensen willen toch niet dood. Maar God zal niet willen dat ze zo knap worden, want alle mensen moeten doodgaan. Maar als dat zo is waarom laten we dan erg zieke mensen niet doodgaan, waarom sleutelen ze net zolang tot het niet meer lukt. Sommige mensen liggen in coma aan een apparaat. Wie wil dat nou eigenlijk? Wil God dat, wil de dokter dat of willen de mensen dat die zo'n persoon willen houden. Ik weet ook niet of God wil dat ik leef of dat ik alleen maar leef omdat de mensen het wilden. Niet omdat ze echt wilden dat ik kwam, maar omdat ze me wilden houden. Stel dat God niet wilde dat ik in leven kwam en ik zou dood gaan. Zal God me dan dood laten en me niet willen houden. Misschien zegt God, je bent er nu eenmaal, de mensen hebben je met alle geweld in leven willen houden; wat gebeurt er dan als ik dood ga? Ik wil niet meer denken. Ik wou maar dat ik ziek werd, dat de dokters er niets aan kunnen doen, dat ik dood ga. Vader en moeder zullen dan zeggen dat de Here mij bij Zich heeft gehaald. God hoeft dat van mij niet, Hij mag me wel dood laten.

12 Hoofdstuk 4 - Uitgescheurd "..in het jaar waarin zoveel waardeloze papieren in omloop werden gebracht." (blz 20.) De huisjes waar we in woonden stonden in een blok. In 't midden was een plein waar we water konden halen en daar speelden we ook. Als moeder weg was moest ik op m'n zusje passen. Ik droeg haar in een doek op mijn rug. Als het regende was het plein erg blubberig, bij droog weer was het bonkig. Dat liep niet gemakkelijk en m'n spillebeentjes konden me maar net dragen. Meestal zaten we dan ook te spelen. Ik bedoel mezelf en de andere kinderen die meestal, net als ik, voor een broertje of zusje moesten zorgen. Dat was de gewoonte bij ons in het hele dorp. Natuurlijk waren er wel een paar oma's die op ons letten, maar die waren met het huis en het eten bezig. Kwamen de moeders thuis dan konden we samen gaan spelen en hoefden we niet meer op de babies te passen. Als dan 's avonds iedereen, ook vader, thuis was, werd het knus en voelde ik me samensmelten met alles om me heen. Anders dan wanneer ik buiten speelde met de kinderen. Dan waren we één, en nog één en nog één, enzo. 's Avonds met elkaar in die ene grote kamer waar we ook sliepen. In bed keek ik dan wat vader en moeder deden voordat ze gingen slapen. Op een avond kwam vader niet thuis. Moeder liep langs de andere huisjes, pratend en helemaal van streek. Ze kwam huilend terug en zonder wat te zeggen hebben we gegeten. In bed zag ik dat moeder alsmaar huilde. Ik was bang. Ik durfde niet te vragen waar vader was. De volgende dag kwam vader ook niet thuis en bij het eten keek ik steeds naar de lege plek en naar moeder, die nu wel met een strak gezicht praatte, maar niet over vader. Na een tijdje merkte ik dat we minder eten kregen en dat we wel eens iets aten van één van de andere moeders. Ik probeerde zo goed mogelijk te helpen en de dingen te doen die vader anders deed. Ik had het gevoel dat we, doordat vader weg was, nauwer bij elkaar waren. Op een dag ging moeder niet weg maar pakte de kleren van mij en van m'n zusje in een bundeltje. "Kom" zei ze. "Ik kan geen eten meer voor jullie kopen. We kunnen ook niet in dit huisje blijven wonen. Ik breng jullie naar de stad." Ik was niet gewend om iets terug te zeggen, om te protesteren en liep dus achter moeder aan die m'n zusje op haar rug had gebonden. De vrouwen en kinderen keken ons na, ze zeiden niets. Ik huilde van binnen toen ik omkeek voor we de hoek omgingen. Dat beeld zie ik nu nog voor me. Als een foto uit de krant gescheurd. Met de foto waarin moeder ons achterlaat in het tehuis en het erf afloopt. Gebogen zonder om te kijken, en zonder m'n zusje in de doek op haar rug. De rest van de krant met het verhaal is weggegooid als een waardeloos vod. Geen woord kan ik me ervan herinneren. Niets weet ik me te herinneren van het huis waarin we waren. Ik heb met me laten doen en ik heb me op het vliegtuig laten zetten samen met m'n zusje, en ik kwam aan op Schiphol. Het onbegrijpelijk gepraat, de lachende gezichten, het stootte me af. De handen die me pakten, als handen die in vuilnis graaien, veraf schuwde ik. Die handen hebben me toen losgelaten, omdat ik dat wilde. En ze droegen m'n zusje. In de spiegel zie ik een aangeklede pop. Het doet me denken aan de dansfeesten in het dorp waar ik woonde. Mensen met vreemde kleren en maskers. Sommige goede geesten met mooie kleren, sommige kwade geesten met rare kleren en rare maskers. Feesten waarbij ik me in de armen van moeder omsloten voelde. Ze zei me geruststellend dat er gewone mensen in zaten, maar er bleef een vage angst dat ik mee zou moeten dansen. Iedere keer als ik bij het haren kammen in de spiegel kijk, denk ik aan die feesten. Nu dans ik. Maar niet in het dorp, het dorp is weg. Ik dans alleen. Ik ben meegenomen door de geesten naar hun wereld. Ze hebben mij meegenomen omdat ik niets meer waard was, omdat ik een vod ben en weggegooid kon worden. Daarom konden ze me meenemen. Ik moet dansen. Iedere dag weer. Ik moet dansen zoals ze zeggen dat ik dansen moet. Ik heb gedanst, gedanst als een boze geest. Nu ik ouder geworden ben, geloof ik niet meer in geesten. De vader en moeder die ik nu heb, hebben me wel verteld waarom ik naar Nederland ben gehaald. Ik geloof het allemaal wel en ik geloof het niet. Het maakt geen verschil. Al jaren lang verscheur ik dingen. Knijp papier tot proppen samen en gooi ze in de prullebak. Ik heb daar een soort van genoegen in gekregen. Dingen kapot maken en weggooien. Niet alleen dingen. Ik maak de verhouding tussen vader, moeder en mij dag op dag kapot. Verfrommel het goede met plezier. Ik spéél niet een boze geest, ik bén het. In mijn land overwon de goede geest altijd. In mijn geval niet. Ik win steeds, nog steeds. Stel voor dat ik niet meer zou winnen. Wat zou ik dan zijn? Er zou alleen een hoopje kleren overblijven met er bovenop een masker met gaten waar achter geen ogen meer zitten. Teruggaan naar mijn eigen land? Dat maakt niets uit. Ik zou daar niet anders zijn. Kan een verkreukelde en gescheurde krant die jaren lang ergens op een vuilnisbelt heeft gelegen ooit weer heel worden? Als die handen mij niet hadden losgelaten? Als ik niet was gekleed als een pop, maar weer een lijf had gevoeld zoals het blote lijf van mijn moeder dat mij omsloot als de boze en goede geesten aan het dansen waren?

13 Hoofdstuk 5 - Ben ik een mens of een homo "... behielp ik mij... met een soort namaak... ervoer de smart niet te zijn als de anderen - en op dat ogenblik had ik er natuurlijk alles voor gegeven het wel te kunnen zijn, al was het maar voor korte tijd." (blz 33.) Op de kleuterschool was het altijd druk; ze liepen me gewoon ondersteboven en ze pakten alles af waarmee ik zat te spelen. Mamma zei steeds dat ik een flinke jongen moest zijn en niet moest huilen. Thuisblijven was er niet bij; "dat kan nou eenmaal niet jochie". Meestal trok ik me terug in de poppenhoek en kleedde poppen aan en uit. Vaak speelde ik met een meisje met mooie ogen, en die zei wat ik de poppen moest aantrekken. Als er andere kinderen bij kwamen die poppen wilden afpakken begon ze te gillen en dan lieten ze ons spelen. Ik durfde dan nooit iets te zeggen; thuis zei ik ook niets, omdat mijn twee oudere zusjes mij sloegen als ik niet deed wat ze zeiden. Nu zit ik op de lagere school in de zesde klas. Er is met mij niet veel veranderd. Ik zit nog bij hetzelfde meisje in de klas, en ik mag altijd met haar en met de andere meisjes meespelen. Ik kijk wel eens naar de jongens van de klas, maar die zien mij niet. Ze zijn het gewend dat ik niet meedoe. Ik zou wel willen meedoen maar ook eigenlijk niet, omdat ze zo hard spelen. Ik ben maar een miezertje; dat zegt mijn vader. Mijn vader heeft het opgegeven om een flinke jongen van me te maken. Ik kan niet hard lopen, ik struikel over m'n eigen benen; ik kan niet voetballen, schop altijd mis, lig zo tegen de grond. Bij krijgertje spelen word ik altijd het eerst gevangen. Als ze partijen gaan kiezen, zoals bij gymnastiek, blijf ik altijd tot het laatst staan. Een keer was er een oneven aantal en wilde geen van de partijen mij er als extra bij nemen. Dan sta je goed voor lul. Dus blijf ik het liefst bij de meisjes. Leuk, nee, maar anders sta ik helemaal in m'n eentje. Dat gebeurt ook wel eens, maar niet te vaak, want dan gaat het opvallen dat ik naar de jongens kijk. De jongens en meisjes zeggen dat ik een meisjesgek ben. Ik laat ze dat maar denken. Sommige jongens zijn verliefd op een meisje, of gaan met een meisje. Enkele durven na schooltijd een eindje met ze mee te lopen, of ze halen de meisjes voor schooltijd van huis op. Niemand weet dat ik verliefd ben op een jongen in de klas. Dat denk ik tenminste, want zoals jongens praten over hun meisje, praat ik van binnen over die jongen. Ik ga niet zeggen waarom ik 'gek' ben op die jongen; ik weet wel dat 'ie alles heeft wat ik niet heb. Ik kijk vaak stiekem naar Pim. Als ik weet dat hij gaat zwemmen, ga ik ook. Vaak ben ik in z'n buurt. Natuurlijk weet hij er niets van. Ik zou wel gek zijn om het aan hem, of aan iemand anders, te laten merken. Ik denk vaak aan hem, en ik fantaseer ook dingen. Het is grote vakantie en we zijn een paar weken aan zee. Ik vind het fijn omdat er veel jongens in het dorp zijn. Jongens die me niet kennen en die me niet uit de weg gaan. Er is ook een jongen bij die zo te zien op Pim lijkt. Hij houdt van vissen; ik heb van vader ook een hengel gekregen. We proberen scholletjes te vangen en ik heb iedere keer meer geluk dan hij. We doen heel veel samen. We zoeken samen nesten in de duinen. Niet om ze uit te halen. Hans' vader is van de dierenbescherming. We gaan alleen kijken. Soms vechten we voor de lol. Hij is veel sterker dan ik, maar hij hoeft niet zo nodig te winnen; zo ben ik weer boven en dan hij weer. Ik vind het niet erg om te verliezen. Soms als hij bovenop me ligt, krijg ik het vreemd warm. Dan trek ik, met m'n armen om z'n nek, zijn wang tegen mijn wang. Hij laat dat toe, en daarna vechten we lachend weer verder. Als zoiets gebeurd is en ik ga daarna naar huis, durf ik ze thuis niet aan te kijken. Als ze iets zouden merken...! Op een dag komt Hans me weer halen. Ik vind het fijn als hij me komt halen, dat betekent dat hij mij ook mag; er zijn toch andere jongens genoeg. Of ik meega met hem en z'n vader een duinwandeling maken, ik moet brood meenemen. Ik mag, en we gaan op stap. Hans, z'n vader en een oudere broer van Hans. Wij samen lopen vooruit, dan weer achteraan en we praten over van alles; we rennen achter elkaar aan, we stoeien en ik voel me als nooit tevoren. Zo nu en dan roept Hans' vader ons, en zegt dat we stil moeten zijn; en besluipen een paar vogels die we door een kijker heel dichtbij kunnen zien. Als we zitten te eten zegt Hans z'n broer zomaar ineens: "Jammer dat het over vijf dagen afgelopen is". Ik kijk naar Hans, verslik me en krijg kramp in m'n buik. Ik had er nooit aan gedacht dat er een eind aan zou komen. "Valt de boterham niet goed?", vraagt Hans' vader, "Je ziet zo wit en je eet niet meer." Ik schrik op, zeg dat er niks is en eet met lange tanden verder. Op de terugweg is de lol er af. Hans praat over het eind van de vakantie, over school en waar hij woont. Het enige dat ik weet te zeggen is, dat ik het erg vind dat de vakantie bijna om is. Hans kijkt naar me alsof 'ie door me heen kijkt, en ik krijg een kleur. "Heb jij thuis geen vriendjes?" Ik aarzel, maar zeg dan dat ik geen vriendjes heb, en ik voel dat ik nog meer een kleur krijg. "Nou, we hebben nog vijf dagen en ik zal m'n moeder vragen of je bij ons mag komen in de herfstvakantie. Je moet me je adres geven dan zal ik je schrijven." Loom ga ik naar huis, maar ik vertel er niets van dat ik misschien mag komen logeren. Misschien zouden ze dan wat merken, want ik weet dat ik iets wil wat niet goed is. Ik weet wel zeker dat het niet goed is wat ik voel voor Hans. En dat het slecht is wat ik denk en wat ik 's avonds in bed fantaseer als ik me aftrek. Ik voel me daar hardstikke schuldig over, niemand anders denkt en doet zulke dingen als ik. Ik voel me alleen en er is een akelig gat tussen vader, moeder, de hele wereld en mij. De middelbare school viel eerst niet mee. Pim zit ook in mijn klas. Ik

14 zei wel eens wat tegen hem, maar dan deed hij net of hij het niet hoorde. Eerst fantaseerde ik nog dat Pim net zo was als Hans. Nu kan ik alleen nog maar terugdenken aan Hans. Er zijn jongens van andere scholen waar ik het wel een beetje mee vinden kan. Die kennen mij niet van de andere school. Sinds de vakantie voel ik mij een stuk sterker en ben ik ook niet meer zo onhandig met gym. In de vakantie was ik gelukkig en had ik het gevoel dat m'n lijf vrij was, daar zal het wel van zijn gekomen. Eén jongen gaat ook weinig met de andere jongens om. We kijken alleen maar naar elkaar, alsof we allebei denken 'wat ben jij er voor één'. Op een morgen vraag ik hem waar hij woont. Het lijkt of hij even schrikt en vertelt dan uit welk dorp hij komt. Omdat hij schrikt denk ik eraan hoe ik een kleur kreeg toen Hans mij iets vroeg. Toen schrok ik ook vanwege mijn geheim. Heeft Dik ook een geheim? Heeft Dik hetzelfde geheim? Het lijkt of we twee magneten zijn die elkaar aantrekken. Op school zijn we bijna ieder moment samen. Ik betrap me erop dat ik het niet kan laten om naar Dik te kijken, zoals ik naar Hans keek. Als ik me zo voel lijkt het of Dik stil wordt, en lijkt het of 'ie zichzelf terugtrekt. Toch kijkt hij ook wel eens met dezelfde ogen naar mij, en dan krijg ik het warm en wil hem aanraken. Ik denk erover wat er zou gebeuren als ik met hem ga stoeien; of wanneer ik hem per ongeluk alleen maar aanraak. Ik denk erover iets van mijzelf vertellen. Iets van mijn geheim los te laten. Ik weet dat ik het niet durf; stel je voor dat hij helemaal geen geheim heeft, en hij gewoon graag alleen gelaten wil worden. Misschien wil hij dan niet meer met mij omgaan omdat ik verkeerd ben. Ik denk daar vaak over in bed. Het is een warboel als ik in bed lig. Ik verlang naar m'n bed, m'n veilig hol waar ik me in rol alsof ik nog niet geboren ben. Terwijl ik met mezelf speel fantaseer ik, heb ik voor alles een fijne oplossing en neem ik besluiten die akelige dingen zullen oplossen. Als het plezierigste moment voorbij is, zakt alles in elkaar en voel ik me leeg, zondig en verkeerd en doodalleen. Was ik maar groot; grote mensen hebben het niet zo moeilijk! Aan Hans wil ik niet meer denken. Voor de herfstvakantie nog wel, toen was er steeds een verlangen en een beetje een plezierig gevoel in me, maar dat is nu weg. Tegen de tijd van de herfstvakantie wachtte ik met toenemende spanning op een brief van Hans. De eerste dag van de vakantie was er nog geen brief. Misschien, dacht ik, heeft m'n moeder de brief ergens neergelegd en is ze vergeten die te geven. Ik durfde er niet om te vragen. Stel je voor dat het niet zo was, dan zou ik het moeten vertellen. Misschien is de brief wel gekomen, hebben ze hem opengemaakt en willen ze niet dat ik ga. Ik heb zelf niet geschreven, stom, maar ik durfde niet om een postzegel en envelop te vragen. Bijna de hele vakantie heb ik op m'n kamertje gezeten of op bed gelegen, vaak met het adres van Hans in m'n vingers. Hans is mij natuurlijk vergeten en heeft z'n eigen vrienden weer. Ik voelde me jaloers terwijl ik me afvroeg wat ze aan het doen zouden zijn. Toch wachtte ik iedere morgen weer met pijn in m'n buik op de post. Een morgen was er weer niets, en m'n zus vroeg of ik een brief van m'n meisje verwachtte. Ik schrok me dood omdat ze blijkbaar iets bijzonders aan me zag. Ik probeerde m'n gezicht te redden door me in een reclamefolder te verdiepen. "Dat zou jij wel graag willen weten, hè?" Ik voelde me met de dag rotter. Vroeger sliep ik vaak in met m'n gedachten bij Hans. Dat kon ik nou wel vergeten. Mijn gedachten gaan zich steeds meer op Dik concentreren. In bed gebeurden er veel dingen tussen Dik en mij; overdag leven we naast elkaar. We kunnen elkaar niet missen, maar ik durf niet over de brug te komen; hij ook niet. Dat gaat nu al vier jaar zo door. Vanmorgen was Dik niet op school. In de pauze kwam een leraar vertellen dat Dik door een trein was gegrepen. Ik dacht dat ik gek werd, ik ben weggeslopen, heb m'n fiets gepakt en ben weggereden. Om de hoek begon ik te janken. - Mijn schuld! - Lafaard! - God waarom! - Dik ook weg! - Jouw schuld lafaard! - God waar was Je, waar ben Je! Ik moet uren hebben gezworven want het werd donker toen ik bij huis kwam. Ik heb m'n fiets om de hoek gezet en ben stil naar binnen gegaan, naar m'n kamer omdat ik niemand wilde zien. Daar zit ik nu, en iedere keer begin ik weer te janken. Ik zou wel willen gillen, met dingen willen gooien, alles kapot maken, mezelf kapotmaken. Een ongeluk, zeiden ze, maar ik weet dat het geen ongeluk was. De laatste tijd was hij al zo stil en keek hij me niet aan. Ik dacht dat het wel voorbij zou gaan. Ik had het kunnen weten, ik had van mezelf uit moeten begrijpen dat zoiets niet vanzelf weggaat. Ik heb hem in de steek gelaten. Als ik niet zo laf was geweest dan leefde hij nog. Misschien hadden we dan gelukkig kunnen worden samen. Maar, dat had toch niet gemogen. God, waarom moeten wij zo zijn? En waarom is haten en in de steek laten minder erg dan liefde van een jongen voor een jongen. Waarom moesten we dit voor elkaar geheim houden!? Vertellen tegen iemand dat ik me schuldig voel aan de dood van Dik? Dan verraad ik mezelf. Dik, waarom ben je er niet meer, waarom hebben we elkaar nu in de steek gelaten! God, waarom hebt U mij nooit verhoord? Ik vraag al jaren of U mij zeggen wilt of ik van een jongen mag houden. Ik vraag al jaren of zelfbevrediging slecht is. Ik vraag al jaren of U wilt zorgen dat ik van een meisje kan gaan houden. Ik vraag U al jaren of ik niet meer altijd bezig hoef zijn met het lijf van mijzelf en anderen. Ik heb dat huilend gevraagd en ik ben kwaad geworden. Nooit hebt U mij antwoord gegeven. Nu kan ik U niet vragen om mij de schuld aan de dood van Dik te vergeven. Waarom ben ik nu weer alleen, alleen met mijn geheim? Waarom moet ik net doen of ik normaal ben? Hoe moet ik nu naar beneden? Ik weet niet hoe ik me moet gedragen. Dik, ik kan je niet missen. Ik barst van de koppijn

15 en moet naar het toilet. Op de gang loop ik tegen m'n moeder op. "Jongen waar kom jij vandaan! We waren ongerust en je hebt niet eens gegeten. Waar kom je vandaan. Wat is er?" "Ik barst van de koppijn en ben gelijk naar bed gegaan." "Waar staat je fiets dan, we zagen geen fiets en daarom dachten we dat je niet thuis was." "Oh, die staat om de hoek." Gelukkig kan ik dan het toilet inschieten en loopt moeder door naar de keuken. Ik ben een week in bed gebleven. Totdat Dik begraven was en het in mijn hoofd wat uitgetold was. Voor de zoveelste keer zit ik bij de spoorwegovergang. Ik vind het bezopen van mezelf, maar ik kan het niet laten. Misschien heeft Dik deze manier van doodgaan gekozen omdat hij wilde laten zien dat hij zich tegen het leven heeft doodgelopen. Iedere keer denk ik er over voor de trein te lopen als Dik en scheld mezelf uit dat ik daar ook te laf voor ben. Wat is het voor een leven, zo'n dubbelleven. Een stiekem, geheim leven van gedachten, verlangens en wensen, die echt pijn doen aan m'n lijf, en waar ik nergens mee naar toe kan. De pijn kan ik alleen maar een tijdje verminderen door mezelf te bevredigen. Het is een leven waarin ik alleen ben. Eigenlijk is mijn geheime leven mijn echte leven, dat bèn ik. Het andere leven, thuis en op school is alleen maar de buitenkant, het lijkt alsof daar weinig van mezelf in zit. Als ik gewoon had mogen zijn die ik ben, dan zou ik waarschijnlijk niet zo bezeten zijn van dat stiekeme leven. Als ik gewoon met een vriend had mogen knuffelen, vanaf toen ik ernaar begon te verlangen, was het vast en zeker allemaal veel kalmer in mij geweest. Dan had ik gewoon met anderen samen kunnen leven, met veel meer energie voor de gewone dingen. Ik denk dat ze een sexist van me hebben gemaakt! Ik heb de Bijbel nageplozen, op zoek naar alle teksten. Ik kom er niet echt uit. Mensen met allerlei gebreken worden aanvaard omdat ze nu eenmaal zo zijn. Mensen met lichamelijke, maar ook met geestelijke gebreken. Van mensen met één been wordt niet gevraagd normaal te lopen. Waarom wordt dat van mensen die gehandicapt zijn door een homoliefde en niemand kwaad doen, wel gevraagd? Ik bid God de Vader steeds of ik als gehandicapte mag strompelen en of Hij mij in Christus Naam als gewoon mens wil zien. Maar misschien mag ik dat niet bidden. Van onze kerk en andere kerken mag dat niet. Dat betekent dat ik niet in de kerk pas, er niet mag zijn als ik zo doe en ik ook nooit belijdenis kan doen. En als ik dat niet doe dan zullen ze gaan vragen waarom ik dat niet doe. Het is niet de eerste keer dat ik zo zit te denken, maar toch begin ik iedere keer weer te zweten. Ik wil graag gewoon bij de kerk horen. Nu ben ik een stiekeme homo. Nu ben ik HOMO met grote letters en voor de rest een saaie schooljongen die door iedereen maar gelaten wordt. Misschien is het daarom dat de mensen homo's alleen maar als homo zien en dat wat je daarnaast bent niet belangrijk is. Daarom wil ik niet dat de mensen weten dat ik homo ben. De mensen weten nog niets. Ze kunnen ook niets aan me zien. Het doetje van vroeger ben ik niet meer. Ze zeggen heus geen 'mietje' tegen me. Ik ben redelijk goed in sport en ik kan overal aardig in meekomen. Als één van de eersten van de jongens om me heen, had ik een brommer; voor 't grootste deel verdiend met vakken vullen in een supermarkt. Niemand heeft er enig idee van dat ik in zonden leef, zo staat het toch in de catechismus. Denken en doen even erg. Een paar jaar loop ik nou rond met de kloof tussen het geloof van de kerk en mijn gelovig vertrouwen in God de Vader. Door de manier van denken van de kerkmensen durf ik binnen de kerk geen vriendschap te sluiten, terwijl ik daar ontzettend naar verlang. Op een gegeven moment houd ik het, zo alleen, niet langer vol en besluit op de brommer naar een andere stad te gaan, Stiekem zal ik kennis gaan nemen van de 'volkeren rondom mij'. Het enige aanrakingspunt voor mij is een sexshop, en daar rijd ik naar toe. M'n brommer zet ik in een andere straat. Met een droge mond en eerst nog even goed om me heen kijkend, stap ik de winkel binnen. Achterin zie ik de homohoek waar gelukkig niemand staat. Ik schuifel er zo nonchalant mogelijk heen, en kijk huiverig en klammig in een paar bladen. Er staan ook een paar boeken over homosexualiteit waarvan ik er twee uitkies, en ik neem een boekje met adressen mee. Met m'n ogen op de toonbank reken ik af. Ik durf de man niet aan te kijken; die zal wel denken: 'daar heb je weer zo'n homo'. Ik stop de boeken onder m'n shirt en aarzel bij de deur, er zou een bekende langs kunnen lopen. Dan schiet ik de straat op. Op mijn kamer begin ik met kloppende onderbuik te lezen, tot diep in de nacht. Als ik het laatste boekje dichtsla weet ik heel veel meer. Ik weet nu hoe allerlei mensen denken, hoe homo's met elkaar omgaan en waar ze elkaar ontmoeten. Ik weet nu dat er christenen zijn die anders denken dan bij ons, dat er heel veel christenen homo zijn die zich géén melaatsen voelen binnen de kerk. Dit was het begin van een lange stiekeme tocht langs homobars, clubs en praatgroepen. Het begin van een leven van twee verschillende mensen in twee werelden. Twee werelden die ik angstvallig uit elkaar hield. Ik ontmoette die tijd veel jongens die 'in de kerk waren geboren' maar daar uitgezeefd waren omdat ze ervoor uitkwamen dat ze homo waren. Ik sprak ook anderen die het dubbele leven niet konden volhouden en de wereld van de homovrienden gekozen hadden. Voor mij was de keuze niet zo simpel. In de homokringen voelde ik mij niet gelukkig. De sexualiteit was het enige wat de jongens en mannen aan elkaar bond, en dat was voor hen het belangrijkste. Ik wilde niet beheerst worden door sexualiteit, daar had ik genoeg van. Ik wilde een gewoon mens zijn die toevallig een beetje een gebrek had. En ik wilde kerkmens zijn zonder gedonder over mijn handicap. Ik ben lid geworden van een praatgroep van

16 christenhomo's en daar heb ik Bram leren kennen. We zijn het over veel dingen eens. Ik vraag Bram nooit mee naar huis; stel je voor dat vader, moeder of m'n zussen iets gaan vermoeden. Bram weet dat ik het niet durf en vindt het juist wel plezierig dat ik steeds met hem meega. Bij hem kan het, omdat hij op zichzelf woont. We kennen elkaar nu ongeveer een jaar en we hebben het fijn samen. Hij is anders dan ik maar we hebben ook een aantal dingen waarvan we samen houden en die we graag samen doen. Het belangrijkste is dat de spanning bij mij weg is. Ik ben veel rustiger, ik voel me niet meer opgejaagd van binnen. Ik heb het idee dat ik eindelijk mens kan worden; met veel meer plezier ga ik bij voorbeeld naardeh.t.s. Bram gaat 's zondags naar een evangelische bijeenkomst. "Ik kon het in de kerk niet meer uithouden" heeft hij een keer gezegd. Ik blijf 's zondags thuis, ga mee naar de kerk en ga pas 's avonds naar Bram toe. Helemaal soepel gaat het niet, want eigenlijk zouden ze wel willen weten waar ik door de week en 's zondags de avonden doorbreng. Ook mijn zussen zeuren daar wel eens over omdat ze horen dat ik nooit bij één van de jongens van de vereniging kom. "Zou je langzamerhand eens niet naar belijdeniscatechesatie gaan?" vraagt mijn vader de zondag waarop is afgekondigd dat de catechesaties weer beginnen. Ik zeg dat ik daar nog niet aan toe ben, en besef tegelijkertijd dat het niet de laatste keer zal zijn dat hij het zal vragen en dat de vraag steeds indringender zal gaan worden. "Telefoon voor je! De dominee!" Of ik een keer langs wil komen. Ik word erdoor overdonderd en vóór ik het weet heb ik een afspraak gemaakt. Stom, denk ik, als ik de haak op de telefoon leg, ik vergeet te vragen waarover hij wil praten. Als ik opkijk zijn alle gezichten naar mij toegedraaid, maar ze vragen niets en zeggen ook niets. 'Vreemd', gaat het door me heen, maar verder let ik er niet op. De verdere avond en volgende dag vraag ik me af waarover het gesprek zal gaan. Zou'ie iets weten of zou hij over belijdeniscatechesatie willen praten? Ik houd mezelf voor dat het 't laatste wel zal zijn. Die avond ga ik toch met moeie benen naar de dominee toe. Ik bel aan en word in de studeerkamer gelaten. "Ik wil eens met je praten over de redenen waarom je niet op belijdeniscatechesatie komt." "Ik ben er nog niet aan toe, maar over de redenen kan ik niet praten. Ik wil eerst met mezelf daarmee in het reine komen." Dominee lurkt aan z'n sigaar en kijkt me aandachtig een tijdje aan. Ik voel m'n ogen groter worden van angst. "Er gaan geruchten dat je omgang hebt met een homofiele jongen en lid bent van een werkgroep. Kan je daarmee niet in het reine komen?" Het bloed bonst in m'n achterhoofd, ik heb het idee dat m'n nek heel dun wordt en het zweet breekt me uit. Verraden! Mijn geheim is verraden! Welke schoft heeft me dat gelapt! Iedereen zal het nu weten. Ik ben niemand meer, ik ben nu alleen nog maar een homo! Dominee rookt met genoegen z'n sigaar en zit me aan te staren. Woede komt in me op en ik zou hem in z'n gezicht willen slaan. Wat een gemene streek mij zo frontaal aan te vallen. Ik kan niets anders dan zwijgen en ik zou niet eens op kunnen staan. "Wil je erover praten met me?" Ik zwijg en met alle macht probeer ik hem aan te blijven kijken. 'Welke schoft, welke schoft', is het enige wat er in mij omgaat. "Of ben je daar nog niet aan toe?" "Nog niet, nee." Met moeite kan ik het zeggen. Ik besef dat ik niet kan blijven zwijgen en zo kan blijven zitten. Als ik probeer op te staan, val ik bijna flauw en ik tril over heel m'n lijf. Dominee gaat me voor naar de deur. "Wel, ik hoop spoedig eens met je te kunnen praten." Hij doet de studeerkamerdeur open, en geeft me een hand. "Je kan het verder wel vinden niet?" Hij doet de deur achter me dicht. Hoe ik de voordeur uitgekomen ben, hoe ik thuis gekomen ben weet ik niet. 'De schoft', 'welke schoft!' Zonder erg loop ik de kamer in en wordt door iedereen aangekeken alsof ze zitten te wachten. Ik word weer woedend. "Waarom hebben jullie niets gezegd! Waarom hebben jullie niet gezegd waarom ik bij de dominee moest komen!" Ik draai me om, knal de deur achter me dicht, loop de voordeur weer uit en vlieg op de brommer naar Bram. Brullend en scheldend van ellende val ik op ons bed neer. Ik tier, bijt in het kussen, en huil tot ik helemaal leeg ben. Dan voel ik pas de hand in m'n nek en hoor ik de stem van Bram die schor klinkt. Ik kijk naar hem en trek hem naar me toe. Zo tegen elkaar aan trekt het rillen weg. Zacht huilend blijven we samen liggen en dan pas kan ik hem vertellen wat me is overkomen. We wisten beide dat het eens zou komen. Bram had geprobeerd mij erop voor te bereiden. Dat het zo zou gaan, dat ik daar zo'n klap van zou krijgen had ik niet verwacht. Die nacht ben ik voor 't eerst bij Bram gebleven. Lang gepraat in eikaars armen, bloot, lijf aan lijf. Zo ook samen gebeden. Langzamerhand voelde ik me weer mens worden en niet meer een melaatse homo. Als ik dromend wakker schrok omklemde Bram mij en dan sliepen we weer in. Bram is de volgende dag met me meegegaan naar huis. Ik heb hem voorgesteld aan vader en moeder en m'n zussen. Gek, dat het zo gemakkelijk ging, alsof er geen vuiltje aan de lucht was. Tenminste van onze kant. Vader en m'n zussen straalden afkeuring uit. Mijn moeder keek alleen maar; het meest naar Bram. Vele keren hebben we met vader gepraat; ook met de dominee en de wijkouderlingen. Er was geen wrikken of bewegen aan. Stoppen, anders barsten. Ik leef nu samen met Bram. We zijn hardstikke gelukkig met elkaar. Hij heeft een linkerbeen, ik een rechterbeen en zo kunnen we samen als een normaal stel mensen lopen en God de Vader danken. Thuis en in de evangelische samenkomsten. Maar, als ik langs m'n huis of langs de kerk kom, voel ik toch een kramp in m'n buik. Beste mensen, zwaar gehandicapten in een ander opzicht, moest mijn leven thuis en in de kerk zó verlopen, en zó eindigen!? Ik hoor bij jullie!

17 Hoofdstuk 6 - De spuger "... een begaafde maar onbeschaafde jongeman..., die zijn scherp verstand gebruikte om zijn kameraden te kwetsen en over hen te zegevieren, geen medegevoel toonde, maar naast het leven stond en er laagdunkend op neerzag." (blz 85.) Er is een vrouw bij ons thuis geweest om over mij te praten. Ik wist dat ze zou komen en ik was buiten toen ik haar voor de deur zag staan. Ik ben toen stiekem achterom door het schuurtje de keuken ingelopen. Ik wilde wel eens horen wat ze te bepraten hadden. "Is Eddy niet thuis?" "Nee, die zwerft ergens buiten. Als 'ie zin heeft in eten dan houdt 'ie de tijd wel in de gaten." "De school heeft om een onderzoek gevraagd en u hebt daarmee ingestemd heb ik vernomen?" "Ja, wij denken ook dat het de hoogste tijd wordt om eens te weten wat Eddy bezielt. Op school is er geen houden aan, maar thuis is het niet veel beter." "Ik ben maatschappelijk werkster en wij zouden graag horen hoe de ontwikkeling van Eddy is geweest. Dat is belangrijk voor het onderzoek." "Dat is een heel verhaal!" Zo kwam ik te weten dat het met mij, volgens m'n moeder, van het begin af aan al mis is geweest. Ik was te klein geboren en had een poosje in een couveuse gelegen, wat dat ook mag zijn. Zo ben ik een maand in het ziekenhuis gebleven. Daarna ben ik nog een paar keer in het ziekenhuis geweest, omdat ik mijn drinken alsmaar uitspuuwde. Het leek wel of ik meer uitspuugde dan binnenkreeg. Eén keer was ik bijna uitgedroogd. De dokters konden niets vinden. Iedere keer als ik weer thuis kwam leek het alsof ik steeds ongeduldiger was geworden en minder van moeder moest hebben. Hoe klein ik ook was, ik wilde alles zelf doen en was driftig als dat niet mocht, maar ook driftig als het mezelf niet lukte. "Dat is altijd zo gebleven, het is eerder erger geworden dan minder. Er kan geen strootje voor z'n voeten komen of het is mis. De eerste woorden die hij na 'pappa' en 'mamma' kon zeggen waren 'nee', 'zelf doen' en even later de scheldwoorden die hij op straat hoorde. Normaal praten doet 'ie eigenlijk nooit, hij praat altijd scheldend, hij spuugt bij wijze van spreken z'n woorden uit. Als Eddy z'n gang maar kan gaan heb je geen last met hem, maar dat kan nu eenmaal niet altijd. Nu eet hij nog slecht, eigenlijk wil hij alleen maar brood. Warm eten krijg ik er bijna niet in. Behalve dan patat met appelmoes en kip, dat lust 'ie wel. De laatste tijd is hij met moeite naar school te krijgen." "Hoe bent u daar steeds mee omgegaan? Hebt u hem z'n gang laten gaan, of hebt u hem veel gestraft?" "Op allerlei manieren hebben we het geprobeerd. Naar ons toehalen, dan verzette hij zich en wilde hij los. Als we hem een pak slaag gaven werd 'ie nog kwader en ging hij gillen, bijten en schelden. We hebben hem zelfs wel onder de kraan gehouden totdat hij ophield met gillen. Als we hem op z'n kamer zetten maakte hij een hels kabaal. De buren zullen wel eens gedacht hebben dat we hem vermoordden." Dat laatste wist ik allemaal maar al te goed. Maar door wat m'n moeder vertelde, had ik het gevoel alsof ik een tijdje niet had geademd. Ik sloop terug, haalde een paar keer heel diep adem en racete weg op m'n fiets. Bijna botste ik tegen een vrouw aan die de hoek omkwam. Ik schrok en zei dat ze een stom klotewijf was en dat ze uit haar bolle ogen moest kijken. Rond crossen is het liefste wat ik doe. Dan hier naar toe, dan daar naar toe, kijken wat er te zien is. Als ik andere jongens tegenkom speel ik wel eens met ze, maar vaak doen ze klierig en dan moeten ze uikijken want ik scheld ze verrot en sla ze met plezier op hun smoelwerk. Meestal ga ik met oudere jongens om, de jongens van mijn leeftijd willen me niet. Ze zeggen dat ik een grote bek heb en vinden me een gifkikker. Nou, wat ze vinden maakt mij niet uit; heb ik ook geen last van ze. Óp school ga ik ook niet met ze om. In de pauzes en tussen de middag ga ik meestal van het plein af. Verlinken doen ze me toch niet meer. Eerst vocht ik gewoon om ze het af te leren. Sinds ik er eentje een blauw oog heb geslagen en een ander een bloedneus heb gebeten laten ze het wel om tegen de meesters over me te kletsen. Ik heb de pest aan school. Altijd al gehad. Tegen de meester kan je niet veel beginnen. Als 'ie een grote mond tegen me heeft, geef ik hem een grote mond terug. Hij moet me niet aanraken want dan spuug ik 'em in z'n gezicht of stomp ik 'em in z'n buik. Dat heb ik een keer gedaan en sinds die tijd raakt 'ie me niet meer aan. Een keer probeerde hij me de klas uit te slepen. Ik heb me vastgehouden aan het bord, gescholden en hem getrapt en gebeten tot 'ie wel losliet. Ik ben toen weggelopen van school. De laatste maanden ben ik meer van school weggelopen. Dan had ik straf of moest ik nablijven om m'n werk af te maken. Ook wanneer we schoolzwemmen hebben spijbel ik. Ik haat zwemmen in dat zwembad. Je moet je uitkleden met z'n allen dicht op elkaar in een hok, terwijl de meester erbij staat te kijken. Het zwembad zit vol met mensen, meest kinderen. Als ik bij het bad sta voel ik me koud, terwijl het lijkt of ik zweet. Ik vind het afschuwelijk om in dat water te gaan waar al die anderen in zitten. Ik begrijp niet dat de anderen dat niet goor vinden. Ik houd altijd m'n mond stijf dicht, maar soms komt er toch water in m'n mond. Ze kunnen de pest krijgen, ze krijgen mij niet meer in dat klotebad. Ik ga als ik spijbel meestal de stad in. Het moet niet te druk zijn, want dan lopen de mensen zo vlak langs me, of ze lopen tegen me op. Ik ruik ze dan en dat vind ik even vies als het zwembad. Ik houd de mensen 't liefst maar een beetje op een afstand. De meester wil me niet langer op school hebben, daarom is die vrouw geweest. Vandaag moest ik op het bureau van die vrouw bij een paar mensen komen. Dat was goed waardeloos. Bij een juf moest ik schoolwerk

18 maken en ze stelde me allerlei stomme vragen. "Weet je hoe laat het is?" "Kan je toch kijken!" Ik keek haar aan en knikte daarna naar haar horloge. "Of heb je dat alleen maar voor 't mooi." "Ik wil graag van jou horen hoe laat het is." "Dan moet je dat vragen." "Waar worden je schoenen gemaakt?" "Die hoeven niet gemaakt; als ze kapot zijn gooi ik ze weg." "Ik bedoel, waar schoenen gemaakt worden die in de winkel staan." "Dat had je dan moeten zeggen want je vroeg waar mijn schoenen gemaakt worden." Het leek wel of ze steeds vervelender ging doen, we kregen bijna ruzie en ik wilde eigenlijk weglopen bij dat stomme wijf. Ik moest ook bij een idioot komen die heel aardig deed, maar ondertussen heel geniepig was. Hij wist alles; zeker van de meester van school gehoord. Zo begon 'ie over de klas en over het zwemmen. Ineens zei 'ie: "Ik heb het idee, Eddy, dat je eigenlijk graag net zo zou willen zijn als de andere jongens, en dat je normaal mee kon spelen met de jongens van je klas." Ik zat hem even aan te staren omdat ik hem niet begreep. Toen ik hem door kreeg had ik hem in z'n gezicht willen spugen. Ik deed het niet maar stond op, "Sodemieter op met je geouwehoer". Ik liep de kamer uit naar moeder die in de wachtkamer zat. "Ik ga weg; die zeikzooi hier!", zei ik en liep het bureau uit. De ZMOK-school is heel anders dan de vorige school. Het is er veel gemakkelijker omdat ze niet altijd over leren zitten te zeuren. Je moet wel wat doen maar niet veel. En je kan daar tenminste zeggen wat je denkt. Als je er een keer niet bent geweest, doen ze net of ze 't niet hebben gemerkt. Behalve als ze denken dat je samen met een andere jongen van school weg bent geweest. Dat willen ze niet. Maar als ik met een oudere jongen van een andere groep ga merken ze dat meestal niet. Zo langzamerhand ken ik de hele stad. In de meeste winkelbuurten kennen ze mij ook wel. Niet dat ik iets pik; dat doe ik niet. Ik heb niks van die mensen nodig. Maar soms denken ze dat ik het doe en dan beginnen ze te klieren en willen ze dat ik de winkel uitga. Ja, dan geef ik ze een grote bek. Ik heb het recht om in een winkel te zijn als ik niks pik en niks verniel, net als ieder ander. Een keer ben ik zo stom geweest om een agent voor homokit uit te schelden toen 'ie erbij kwam en mij vastpakte. "Blijf met je vieze poten van me af pedo!" Met z'n drieën hebben ze me toen naar het politiebureau gebracht, in z'n eentje lukte het niet. Stond 'ie even voor lul. Tegenwoordig zorg ik wel dat ze me niet meer te pakken krijgen. Als ik er ééntje tegenkom die naar me kijkt, vertel ik hem van een afstandje wel dat 'ie de schurft kan krijgen. Moeder weet het wel dat ik vaak in de stad zit. "Wat zoek je daar toch?" Gekke vraag. Ik zoek daar niks, ik kijk alleen maar. Wat zou ik anders moeten doen. Op school zitten is nog vervelender. Het is niet altijd vervelend op school. We doen een paar keer in de week handvaardigheid en een paar keer mogen we iets doen wat we plezierig vinden, dus handvaardigheid, lezen of spelletjes. Ik doe nooit mee aan spelletjes; het gaat nooit eerlijk. Er komt altijd ruzie van, schelden en soms vechten. Ze zeggen dat ik altijd wil winnen en niet tegen m'n verlies kan. Ze kunnen beter naar zichzelf kijken die papvreters! De meesters zijn niet zulke zeikerds als op de andere school maar er is ook een sadist bij. Als je ruzie met hem hebt en je slaat terug dan heeft hij gemene trucjes die echt pijn doen. Zoiets hoort een meester niet te doen vind ik. Als je 'sadist' tegen hem zegt begint hij alleen maar te lachen. Ik zou sterker willen zijn dan hij. Ik zou hem z'n strot afbijten. Moeder zegt dat ze het erg vervelend vindt dat het zo gaat. Ze zegt dat ze zich schaamt dat ik 'zo'n taal uitsla' en dat ik op een ZMOK-school zit. Dat als het zo doorgaat er van mij niets terecht komt. Ik trek me niet zoveel van aan van dat gezemel. Er gebeurt niets verkeerds. Ik steel niet, ik heb geen mes op zak, ik maak niks kapot. Ze moeten niet zo ouwehoeren. Wat ik wél doe is met spuitbussen op muren spuiten. Dat heb ik geleerd van een oudere jongen die dat deed. Eerst ging ik alleen maar mee en mocht ik stukjes opvullen. Tegenwoordig krijg ik wel busjes van hem die bijna leeg zijn en ik koop van m'n zakgeld ook zelf busjes. Ik ben een eigen teken aan het ontwikkelen. Ik kan daar op m'n kamer lang mee bezig zijn om het steeds mooier te maken. Als je zou weten wat het was en als je oplet kan je het op veel plaatsen in de stad zien. Ik moet dat wel 's avonds doen als er niemand in de buurt is. De meester is thuis geweest en heeft gezegd dat ik dit jaar van school zal moeten, omdat ik dan vijftien word. Sinds die dag willen vader en moeder iedere keer praten over een andere school. Vader zegt dat ik een vak moet gaan leren, maar dat ik dan toch eerst eens op deze school moet beginnen. "Als ik vijftien ben wil ik helemaal niet meer naar zo'n mietjesschool." "Je kan kwalijk de hele dag thuis en op straat rondhangen. Dan zal je moeten gaan werken." "Van mij hoeft dat niet; maar goed, dan ga ik toch werken!" Dat leek gemakkelijk. Vader informeren, ik hier en daar vragen. Eindelijk vond vader iets. Ik kon in een zaak komen om allerlei klusjes te doen. Ik had het al gauw bekeken. 'Eddy dit', 'Eddy dat'. De hele dag door. Ik sjouwde me rot. De tweede dag hoefde het al niet meer, maar moeder zei dat ik moest. Scheldend ben ik naar die slavendrijvers teruggegaan. Toen ik ergens mee bezig was zei de chef dat ik iets anders eerst moest doen. "Sodemieter op met je rotklus. Ik moest eerst dit doen, dus doe ik dit eerst." 'Sodemieter jij maar op." "Nou, dan doe ik dat toch!" En zo stond ik even later opgelucht op straat. Daar was ik gelukkig van af. De rest van de dag ben ik op stap geweest. De volgende dagen ben ik op de gewone tijd weer de deur uit gegaan en thuis gekomen, omdat ik geen zin had in geouwehoer aan m'n kop. Ik denk dat ik zo meer dan tien baantjes achter de rug heb. Het waren bazen van niks, kinderachtig en kleinzielig of ze dominee

19 waren. Ze konden nergens tegen. De één zei dat ik een brutale mond had, de ander had het over een bek, weer een ander zei dat m'n moeder m'n scheur beter kon dichtnaaien. Iedere keer kreeg ik de zak omdat ik daar steeds wel een goed antwoord op had. Vader heeft gezegd dat ik maar naar een tehuis moet om een vak te leren. Ik heb 'em gezegd dat 'ie dat wel vergeten kon. Ik heb niks rottigs uitgehaald, dus zie ik geen reden om naar een tehuis te gaan. Er zijn zoveel jongens die geen werk hebben en van mij hoeft het ook helemaal niet. Ik begrijp best dat vader door zou blijven zeuren als ik vaak thuis zou zijn, en in de stad raak ik langzamerhand uitgekeken. Ik ga nog wel naar 't voetballen toe. Ik ben supporter van onze club. Lekker rotzooien tegen de andere supporters. Als ik daarna thuis kom heb ik meestal geen stem meer over. Na het voetballen hangen we meestal nog wat rond en gaan we ergens wat drinken of zo. Eén van die jongens vertelde me toen dat hij op een sloperij werkte en dat dat geinig werk was. Ik vroeg wat voor baas hij had. "Nou, het is een eikel, we schelden elkaar verrot, maar daar trek ik me niks van aan. Ik vind dat slopen best leuk." En daar werk ik nu. Of ik daar gelukkig ben, vraag je? "Begin nou niet te zeiken en bemoei je er niet mee. Wat ik doe gaat je geen moer aan. Sodemieter op. Fuck met je geluk!"

20 Hoofdstuk 7 - Schreeuw om leven! "... dat er mensen zijn, wier bestemming het is op een of andere manier voor anderen geofferd te worden... en dat ik met mijn bijzonder kruis er een van was." (blz 41.) Van mij kan je zeker zeggen dat ik in zonden ontvangen ben want mijn moeder was 16 jaar en niet getrouwd. De ouders van mijn moeder waren zo gereformeerd dat ze aan sexuele voorlichting niet dachten; sexueel mag je pas zijn als je gaat trouwen. Aan de pil dachten ze helemaal niet, want dan erken je dat een meisje sexueel mag zijn. Mijn moeder mocht dan wel sexualiteit hebben maar niet sexueel zijn. Haar ouders vonden zeker dat God de mens verkeerd had geschapen. Het is niet goed dat, nadat je hoektanden erdoor zijn, de sexuele rijping op gang komt; dat zou pas moeten gebeuren als je verstandskiezen volgroeid zijn. Nu het omgekeerd is, is dat wel goed fout. Of het moet een soort bedoelde zelfkwellingsperiode zijn zo tussen hoektand en verstandskies. Het kan ook bedoeld zijn als een soort warmdraaien van de motoren. De motoren moeten goed warmdraaien tot van de huwelij kstoren het signaal veilig wordt gegeven en er met brullend geweld gestart mag worden. Stel je voor dat er bij minder opwarming minder kinderen zouden worden geboren. Als een meisje zoals mijn moeder per ongeluk over de blokken heen-schiet, te vlug start... de gevolgen zijn niet te overzien! De vlucht snel onderbreken? Geen sprake van. Dat is moord! Hadden ze mij maar gedood toen! Nu leef ik ook niet, al ben ik volgens de mensen niet dood. Het is maar wat je leven noemt. Is het zoals de mensen zeggen: 'er zit nog leven in', zoals iemand na een ongeluk, als een hoop botten, vlees en bloed nog ademt? Of is leven dat wat de Bijbel leven noemt: 'de mensen die leven in Christus leven, de andere mensen zijn dood'? Of zoals mensen zeggen: 'da 's ook geen leven'? Het is dus maar wat je onder leven verstaat. Ik begrijp niet dat ze mij in het begin niet hebben weggegooid. Weg, waardeloos. Ik heb jaren geschreeuwd om te mogen leven en om niet waardeloos te zijn! Niemand heeft antwoord gegeven en antwoord heb ik nu nog niet. Nu verwacht ik geen antwoord meer, omdat ik echt waardeloos ben en ik denk, dat ik nooit meer anders dan waardeloos kan zijn. Voor mij is leven dat de wereld om je heen je geeft wat je nodig hebt. Als je een 'beginnend leven' uit de buik van de moeder weghaalt, dan krijgt het niet meer wat het nodig heeft en dan gaat het dood. Als j e een baby niet goed te eten geeft, geen warmte en verzorging biedt, dan wordt hij ziek en kan hij doodgaan. Als je een peuter geen liefde geeft dan merk je niet dat hij doodgaat, maar in z'n gevoel gaat 'ie wel dood. Dat noem ik net zo goed abortus plegen, want je geeft dat kind dan niet wat het nodig heeft om te leven. Ik vind dat net zo goed moord. Ze hadden dat kind dan beter gelijk voor 'ie geboren werd kunnen smoren, dan hoefde hij al die ellende niet mee te maken om als een geaborteerde rond te moeten lopen. Het is voor mij onbegrijpelijk dat mensen er zoveel waarde aan hechten dat een mens ademt of niet, dat 'ie lopen kan of niet, dat 'ie horen kan of niet. Maar voor de rest...! Als je nou van te voren weet dat een kind in z'n leven geen kans heeft om écht te leven? De grote schreeuwers om leven nemen de verantwoordelijkheid niet op zich voor het kind dat om leven schreeuwt. 'Gelukkig, we hebben weer een kind van de dood gered!' Niks gered, maar in de ellende gezet, omdat vader en moeder nalaten het kind te geven wat het nodig heeft. Die kunnen later naar hulpverleners toe. Alsof die hulpverleners bereid zijn zo'n kind, als het al wat ouder is geworden, te bieden wat het nodig heeft. Trouwens, later kunnen de hulpverleners niet eens meer geven wat het kind behoeft, en de zogenaamde medemensen zeggen dat ze met je verleden niets te maken hebben, en laten jezelf voor de gevolgen van vroeger opdraaien. Als je je misdraagt en de kerk en de maatschappij ernstig mishaagt, aborteren zij je ook. Ze sluiten je buiten, zetten je in een gesticht of in de gevangenis. Ik haat de mensen die vroeger van de zekerheid van hun ouders hebben kunnen genieten, die nu misschien fijn getrouwd zijn en kinderen hebben, en die een grote mond hebben over abortus maar die de consequenties van hun geschreeuw niet dragen. Als ze dat niet kunnen, laten ze hun mond dan houden! Mijn moeder, liever zeg ik, degene die me op de wereld heeft gezet, zat nog op school toen ze zwanger werd. Door haar vader is ze een paar maanden naar een tante gestuurd en daar is ze bevallen. Toen alles weer fatsoenlijk was zijn m'n moeder en ik teruggegaan naar haar thuis en is m'n moeder weer naar school gegaan. Ze wilde niet zo graag terug naar dezelfde school, maar dat moest van haar vader. Misschien om voor haar zonden te boeten. Ze kwam de eerste tijd erg verdrietig uit school omdat het daar niet meer was als vroeger. De meisjes en de jongens lieten haar blijkbaar voelen dat ze iemand anders was geworden. Naar mij keek ze eigenlijk niet om. Misschien kwam dat doordat ik er de schuld van was dat het voor haar allemaal anders was geworden. D'r moeder gaf me meestal de fles, behalve als Riek zelf thuis was. Riek moest het dan doen terwijl ze tegelijkertijd haar huiswerk maakte. Verder verzorgde oma mij, want opa had beslist dat ik in het gezin zou opgroeien als een eigen kind. Nou, als hij naar z'n eigen kind net zoveel gekeken heeft als naar mij, dan heeft Riek ook weinig aan haar vader gehad. Ik denk ook niet dat oma zo enthousiast was over het besluit van opa. Als ze me oppakte keek ze of ze een bundeltje vuile was oppakte. Armen die me omsloten waren er niet. Geknuffeld worden was er niet bij, terwijl ik daar zo'n behoefte aan had. Dat ik niet zo best groeide irriteerde haar. Misschien omdat de

O, antwoordde ik. Verder zei ik niets. Ik ging vlug de keuken weer uit en zonder eten naar school.

O, antwoordde ik. Verder zei ik niets. Ik ging vlug de keuken weer uit en zonder eten naar school. Voorwoord Susan schrijft elke dag in haar dagboek. Dat dagboek is geen echt boek. En ook geen schrift. Susans dagboek zit in haar tablet, een tablet van school. In een map die Moeilijke Vragen heet. Susan

Nadere informatie

veeg de tranen van me weg. Ik kijk nog eens rond en er valt een hoop spanning van me af. Er komt zelfs een kleine glimlach op me gezicht terug.

veeg de tranen van me weg. Ik kijk nog eens rond en er valt een hoop spanning van me af. Er komt zelfs een kleine glimlach op me gezicht terug. Het DOC Ik kruip in één van de buikpijn terwijl ik in bed lig. Mijn gedachten gaan uit naar de volgende dag. Ik weet wat er die dag staat te gebeuren, maar nog niet hoe dit zal uitpakken. Als ik hieraan

Nadere informatie

MEMORY WOORDEN 1.1. TaalCompleet A1 Memory Woorden 1 1

MEMORY WOORDEN 1.1. TaalCompleet A1 Memory Woorden 1 1 MEMORY WOORDEN 1.1 TaalCompleet A1 Memory Woorden 1 1 ik jij hij zij wij jullie zij de baby het kind ja nee de naam TaalCompleet A1 Memory Woorden 1 2 MEMORY WOORDEN 1.2 TaalCompleet A1 Memory Woorden

Nadere informatie

Elke miskraam is anders (deel 2)

Elke miskraam is anders (deel 2) Elke miskraam is anders (deel 2) Eindelijk zijn we twee weken verder en heb ik inmiddels de ingreep gehad waar ik op zat te wachten. In de tussen tijd dacht ik eerst dat ik nu wel schoon zou zijn, maar

Nadere informatie

Inhoud. Een nacht 7. Voetstappen 27. Strijder in de schaduw 51

Inhoud. Een nacht 7. Voetstappen 27. Strijder in de schaduw 51 Inhoud Een nacht 7 Voetstappen 27 Strijder in de schaduw 51 5 Een nacht 6 Een plek om te slapen Ik ben gevlucht uit mijn land. Daardoor heb ik geen thuis meer. De wind neemt me mee. Soms hierheen, soms

Nadere informatie

Geelzucht. Toen pakte een vrouw mijn arm. Ze nam me mee naar de binnenplaats van het huis. Naast de deur van de binnenplaats was een kraan.

Geelzucht. Toen pakte een vrouw mijn arm. Ze nam me mee naar de binnenplaats van het huis. Naast de deur van de binnenplaats was een kraan. Geelzucht Toen ik 15 was, kreeg ik geelzucht. De ziekte begon in de herfst en duurde tot het voorjaar. Ik voelde me eerst steeds ellendiger worden. Maar in januari ging het beter. Mijn moeder zette een

Nadere informatie

Weer loop ik door de draaideur van het Lucasziekenhuis.

Weer loop ik door de draaideur van het Lucasziekenhuis. 1 Weer loop ik door de draaideur van het Lucasziekenhuis. Dat is nu al de derde keer in een paar dagen. We moeten vandaag op de eerste verdieping zijn, kamer 105. Mevrouw dr. W.H.F. Scheltema, internist,

Nadere informatie

www.queridokinderboeken.nl

www.queridokinderboeken.nl www.queridokinderboeken.nl Copyright 2013 Joke van Leeuwen Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt, in enige vorm of op welke wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke

Nadere informatie

Papa en mama hebben ruzie. Ton en Toya vinden dat niet leuk. Papa wil graag dat Ton en Toya bij hem op bezoek komen, maar van mama mag dat niet.

Papa en mama hebben ruzie. Ton en Toya vinden dat niet leuk. Papa wil graag dat Ton en Toya bij hem op bezoek komen, maar van mama mag dat niet. Bezoek op kantoor Papa en mama hebben ruzie. Ton en Toya vinden dat niet leuk. Papa wil graag dat Ton en Toya bij hem op bezoek komen, maar van mama mag dat niet. Ton en Toya hebben wat problemen thuis.

Nadere informatie

Wat is PDD-nos? VOORBEELDPAGINA S. Wat heb je dan? PDD-nos is net als Tourette een neurologische stoornis. Een stoornis in je hersenen.

Wat is PDD-nos? VOORBEELDPAGINA S. Wat heb je dan? PDD-nos is net als Tourette een neurologische stoornis. Een stoornis in je hersenen. Wat is PDD-nos? 4 PDD-nos is net als Tourette een neurologische stoornis. Een stoornis in je hersenen. Eigenlijk vind ik stoornis een heel naar woord. Want zo lijkt het net of er iets niet goed aan me

Nadere informatie

Spreekbeurt Dag. Oglaya Doua

Spreekbeurt Dag. Oglaya Doua Spreekbeurt Dag Oglaya Doua Ik werd wakker voordat m n wekker afging. Het was de dag van mijn spreekbeurt. Met m n ogen wijd open lag ik in bed, mezelf afvragend waarom ik in hemelsnaam bananen als onderwerp

Nadere informatie

R O S A D E D I E F. Arco Struik. Rosa de dief Arco Struik 1 www.gratiskinderboek.nl

R O S A D E D I E F. Arco Struik. Rosa de dief Arco Struik 1 www.gratiskinderboek.nl R O S A D E D I E F Arco Struik Rosa de dief Arco Struik 1 www.gratiskinderboek.nl In de winkel 3 Bart 5 Een lieve dief 7 De telefoon 9 Bij de dokter 11 De blinde vrouw 13 Een baantje 15 Bijna betrapt

Nadere informatie

We hebben verleden week nog gewinkeld. Toen wisten we het nog niet. De kinderbijslag was binnen en ik mocht voor honderd euro kleren uitkiezen.

We hebben verleden week nog gewinkeld. Toen wisten we het nog niet. De kinderbijslag was binnen en ik mocht voor honderd euro kleren uitkiezen. Woensdag Ik denk dat ik gek word! Dat moet wel, want ik heb net gehoord dat mijn moeder kanker heeft. Niet zomaar een kankertje dat met een chemo of bestraling overgaat. Nee. Het zit door haar hele lijf.

Nadere informatie

Op weg met Jezus. eerste communieproject. Hoofdstuk 5 Bidden. H. Theobaldusparochie, Overloon

Op weg met Jezus. eerste communieproject. Hoofdstuk 5 Bidden. H. Theobaldusparochie, Overloon Op weg met Jezus eerste communieproject H. Theobaldusparochie, Overloon Hoofdstuk 5 Bidden Eerste communieproject "Op weg met Jezus" hoofdstuk 5 blz. 1 Joris is vader aan het helpen in de tuin. Ze zijn

Nadere informatie

Help, mijn papa en mama gaan scheiden!

Help, mijn papa en mama gaan scheiden! Help, mijn papa en mama gaan scheiden! Joep ligt in bed. Hij houdt zijn handen tegen zijn oren. Beneden hoort hij harde boze stemmen. Papa en mama hebben ruzie. Papa en mama hebben vaak ruzie. Ze denken

Nadere informatie

Stomme trutten. Qatar, Qatar!, giechelen de meisjes voor het huis aan de overkant. Kelly heeft gelijk. Nu zijn ze op de fiets.

Stomme trutten. Qatar, Qatar!, giechelen de meisjes voor het huis aan de overkant. Kelly heeft gelijk. Nu zijn ze op de fiets. Stomme trutten Kijk, die stomme trutjes zijn er weer. Kelly wijst naar buiten. Sanne kijkt nieuwsgierig uit het raam. Voor het huis aan de overkant staan twee meisjes. Meisjes met blonde paardenstaartjes.

Nadere informatie

Spekkoek. Op de terugweg praat zijn oma de hele tijd. Ze is blij omdat Igor maandag mag komen werken.

Spekkoek. Op de terugweg praat zijn oma de hele tijd. Ze is blij omdat Igor maandag mag komen werken. Spekkoek Oma heeft de post gehaald. Er is een brief van de Sociale Werkplaats. Snel scheurt ze hem open. Haar ogen gaan over de regels. Ze kan het niet geloven, maar het staat er echt. Igor mag naar de

Nadere informatie

Theorieboek. leeftijd, dezelfde hobby, of ze houden van hetzelfde. Een vriend heeft iets voor je over,

Theorieboek. leeftijd, dezelfde hobby, of ze houden van hetzelfde. Een vriend heeft iets voor je over, 3F Wat is vriendschap? 1 Iedereen heeft vrienden, iedereen vindt het hebben van vrienden van groot belang. Maar als we proberen uit te leggen wat vriendschap precies is staan we al snel met de mond vol

Nadere informatie

1 Vinden de andere flamingo s mij een vreemde vogel? Dat moeten ze dan maar zelf weten. Misschien hebben ze wel gelijk. Het is ook raar, een flamingo die jaloers is op een mens. En ook nog op een paard.

Nadere informatie

Een Berbers dorp. Mijn zussen en ik mochten van mijn vader naar school. Meestal mochten alleen jongens naar school.

Een Berbers dorp. Mijn zussen en ik mochten van mijn vader naar school. Meestal mochten alleen jongens naar school. Een Berbers dorp Ik ben geboren en opgegroeid in het noorden van Marokko. In een buitenwijk van de stad Nador. Iedereen kent elkaar en altijd kun je bij de mensen binnenlopen. Als er feest is, viert het

Nadere informatie

Ze moet wel twee keer zo veel eten als Anne, en altijd weer die pillen vooraf.

Ze moet wel twee keer zo veel eten als Anne, en altijd weer die pillen vooraf. 1. Susan Susan ligt op een bed in haar tuinhuisje. De twee deuren van het huisje staan wijd open, zodat er frisse lucht naar binnen komt. Vanuit haar bed kan Susan precies tussen de struiken door de achterdeur

Nadere informatie

Pannenkoeken met stroop

Pannenkoeken met stroop Pannenkoeken met stroop Al een maand lang zegt Yvonne alleen maar nee. Heb je je best gedaan op school? Nee. Was het leuk? Nee. Heb je nog met iemand gespeeld? Nee. Heb je lekker gegeten? Nee. Heb je goed

Nadere informatie

Beste vrienden, ik mag jullie vandaag vertellen over de laatste week van het leven van Jezus.

Beste vrienden, ik mag jullie vandaag vertellen over de laatste week van het leven van Jezus. 1 Beste vrienden, ik mag jullie vandaag vertellen over de laatste week van het leven van Jezus. 2 Het verhaal De Goede Week Trouw, Hoop en Spijt Ik wil jullie vandaag vertellen over de Goede Week. Dat

Nadere informatie

Gijsje zonder staart geschreven door Henk de Vos (in iets gewijzigde vorm) Er was eens een klein lief konijntje, dat Gijs heette. Althans, zo noemden

Gijsje zonder staart geschreven door Henk de Vos (in iets gewijzigde vorm) Er was eens een klein lief konijntje, dat Gijs heette. Althans, zo noemden Gijsje zonder staart geschreven door Henk de Vos (in iets gewijzigde vorm) Er was eens een klein lief konijntje, dat Gijs heette. Althans, zo noemden zijn ouders hem, maar alle andere konijntjes noemden

Nadere informatie

HANDIG ALS EEN HOND DREIGT

HANDIG ALS EEN HOND DREIGT l a n d e l i j k i n f o r m a t i e c e n t r u m g e z e l s c h a p s d i e r e n HANDIG ALS EEN HOND DREIGT OVER HOUDEN VAN HUISDIEREN HIER LEES JE HANDIGE INFORMATIE OVER HONDEN DIE DREIGEN. JE KUNT

Nadere informatie

Vlucht AVI AVI. Ineke Kraijo Veerle Hildebrandt. Kraijo - Hildebrandt Vlucht De Vier Windstreken. De Vier Windstreken AVI

Vlucht AVI AVI. Ineke Kraijo Veerle Hildebrandt. Kraijo - Hildebrandt Vlucht De Vier Windstreken. De Vier Windstreken AVI AVI E4* Alcoholisme, ruzie, bang zijn Midden in de nacht rinkelt de telefoon. Anna weet wat dat betekent. Ze moet vluchten, alweer. Ze rent de donkere nacht in. De volgende dag valt Anna in de klas in

Nadere informatie

Rivka voelt tranen in haar ogen. Vader aait over haar wang. Hij zegt: Veel plezier, prinsesje. Vergeet je nooit wie je bent? Dan draait vader zich

Rivka voelt tranen in haar ogen. Vader aait over haar wang. Hij zegt: Veel plezier, prinsesje. Vergeet je nooit wie je bent? Dan draait vader zich 1942-1943 1 Rivka! Het is tijd om te gaan!, roept vader. Rivka is blij. Ze gaat logeren. Ze weet niet bij wie. En ze weet ook niet hoe lang. Maar ze heeft er wel zin in. Vader heeft gezegd: Je gaat in

Nadere informatie

Zondag 6 maart 2016, 10.00 uur Jeugddienst. Voorganger: ds. Bert de Wit

Zondag 6 maart 2016, 10.00 uur Jeugddienst. Voorganger: ds. Bert de Wit Preek Zondag 6 maart 2016, 10.00 uur Jeugddienst Thema: @Home Voorganger: ds. Bert de Wit Schriftlezing: Lucas 15:11-32 Een vader had twee zonen zo begint het verhaal. Met de beschrijving van een gezin.

Nadere informatie

H E T R I J M T TED VAN LIESHOUT V E E L V E R S J E S & L I E D J E S 1 9 8 4 2 0 1 4 LEOPOLD / AMSTERDAM

H E T R I J M T TED VAN LIESHOUT V E E L V E R S J E S & L I E D J E S 1 9 8 4 2 0 1 4 LEOPOLD / AMSTERDAM H E T R I J M T TED VAN LIESHOUT V E E L V E R S J E S & L I E D J E S 1 9 8 4 2 0 1 4 V E R B E E L D D O O R T E D V A N L I E S H O U T LEOPOLD / AMSTERDAM KAATJE KOE 1 Ik ben het zat! Wat doe ik hier!

Nadere informatie

Soms ben ik eens boos, en soms wel eens verdrietig, af en toe eens bang, en heel vaak ook wel blij.

Soms ben ik eens boos, en soms wel eens verdrietig, af en toe eens bang, en heel vaak ook wel blij. Lied: Ik ben ik (bij thema 1: ik ben mezelf) (nr. 1 en 2 op de CD) : Weet ik wie ik ben? Ja, ik weet wie ik ben. Weet ik wie ik ben? Ja, ik weet wie ik ben. Ik heb een mooie naam, van achter en vooraan.

Nadere informatie

Een buik van wol. Tom! Tom! Cato kwam hard aan rennen. En zei: vandaag word mevr. Catharina. 90 jaar en ik wil haar een heel mooi cadeau

Een buik van wol. Tom! Tom! Cato kwam hard aan rennen. En zei: vandaag word mevr. Catharina. 90 jaar en ik wil haar een heel mooi cadeau Een buik van wol. Tom! Tom! Cato kwam hard aan rennen En zei: vandaag word mevr. Catharina 90 jaar en ik wil haar een heel mooi cadeau Geven. Ja maar wat zei Tom. Umm wacht ik Weet het zei Cato een herinnering.

Nadere informatie

Soms is er thuis ruzie Dan is mama boos en roept soms omdat ik mijn speelgoed niet opruim Maar ik heb daar helemaal niet mee gespeeld Dat was Bram,

Soms is er thuis ruzie Dan is mama boos en roept soms omdat ik mijn speelgoed niet opruim Maar ik heb daar helemaal niet mee gespeeld Dat was Bram, Soms is er thuis ruzie Dan is mama boos en roept soms omdat ik mijn speelgoed niet opruim Maar ik heb daar helemaal niet mee gespeeld Dat was Bram, mijn kleine broer Dat is niet van mij mama Dan zegt ze

Nadere informatie

De PAAZ, wat is dat? Informatie voor kinderen van 8 tot 12 jaar

De PAAZ, wat is dat? Informatie voor kinderen van 8 tot 12 jaar De PAAZ, wat is dat? Informatie voor kinderen van 8 tot 12 jaar De afgelopen weken was het niet zo leuk bij Pim thuis. Zijn moeder lag de hele dag in bed. Ze stond niet meer op, deed geen boodschappen

Nadere informatie

En? zegt mijn moeder, die haar nieuwe zomerjurkje laat zien: Wat vind je ervan? Mooi. Ik zeg niets meer dan dat, want ik weet dat ik er geen verstand

En? zegt mijn moeder, die haar nieuwe zomerjurkje laat zien: Wat vind je ervan? Mooi. Ik zeg niets meer dan dat, want ik weet dat ik er geen verstand En? zegt mijn moeder, die haar nieuwe zomerjurkje laat zien: Wat vind je ervan? Mooi. Ik zeg niets meer dan dat, want ik weet dat ik er geen verstand van heb. De vorige keer zei ik dat de nieuwe broek

Nadere informatie

Het kasteel van Dracula

Het kasteel van Dracula Uit het dagboek van Jonathan Harker: Het kasteel van Dracula 4 mei Eindelijk kom ik bij het kasteel van Dracula aan. Het kasteel ligt in de bergen. Er zijn geen andere huizen in de buurt. Ik ben moe. Het

Nadere informatie

Niet eerlijk. Kyara Blaak

Niet eerlijk. Kyara Blaak Kyara Blaak Niet eerlijk Kyara Blaak Kyara Blaak 248media uitgeverij, Steenwijk Grafische realisatie: MDS Grafische Vormgeving Illustraties binnenwerk: Kyara Blaak Alle rechten voorbehouden. Niets uit

Nadere informatie

De twee zaken waarover je in dit boek kunt lezen, zijn de meest vreemde zaken die Sherlock Holmes ooit heeft opgelost.

De twee zaken waarover je in dit boek kunt lezen, zijn de meest vreemde zaken die Sherlock Holmes ooit heeft opgelost. Sherlock Holmes was een beroemde Engelse privédetective. Hij heeft niet echt bestaan. Maar de schrijver Arthur Conan Doyle kon zo goed schrijven, dat veel mensen dachten dat hij wél echt bestond. Sherlock

Nadere informatie

Eerste nummer. Op kamers Eerst durfde ik de woonkamer niet naar binnen. Eetfobie. Het was moeilijk om te zien dat mijn nichtje van 5 meer at dan ik.

Eerste nummer. Op kamers Eerst durfde ik de woonkamer niet naar binnen. Eetfobie. Het was moeilijk om te zien dat mijn nichtje van 5 meer at dan ik. juni 2014 Op kamers Eerst durfde ik de woonkamer niet naar binnen. Eetfobie Eerste nummer Het was moeilijk om te zien dat mijn nichtje van 5 meer at dan ik. INHOUD juni 2014 Eten als een kind Op kamers

Nadere informatie

Adam en Eva eten van de boom

Adam en Eva eten van de boom Adam en Eva eten van de boom God maakt een prachtig paradijs. Hij zegt: Het is heel goed. Maar God heeft ook een vijand, En weet jij wel wat hij doet? Het mooie wat God heeft gemaakt, maakt hij juist graag

Nadere informatie

Het paaltje van Oosterlittens Er stond weer een pot met bonen! Elke avond kreeg de schoenmaker van Oosterlittens bonen te eten. Maar de schoenmaker

Het paaltje van Oosterlittens Er stond weer een pot met bonen! Elke avond kreeg de schoenmaker van Oosterlittens bonen te eten. Maar de schoenmaker Het paaltje van Oosterlittens Er stond weer een pot met bonen! Elke avond kreeg de schoenmaker van Oosterlittens bonen te eten. Maar de schoenmaker klaagde nooit. Hij was te arm om vlees te kopen. Elke

Nadere informatie

Tik-tak Tik-tak tik-tak. Ik tik de tijd op mijn gemak. Ik haast me niet zoals je ziet. Tik-tak tik-tak, ik denk dat ik een slaapje pak.

Tik-tak Tik-tak tik-tak. Ik tik de tijd op mijn gemak. Ik haast me niet zoals je ziet. Tik-tak tik-tak, ik denk dat ik een slaapje pak. Tik-tak - Lees het gedicht tik-tak voor. Doe dit in het strakke ritme van een langzaam tikkende klok: Tik - tak - tik - tak Ik tik - de tijd - op mijn - gemak. Enzovoort. - Laat de kinderen vrij op het

Nadere informatie

Die nacht draait Cees zich naar me toe. In het donker voel ik heel zachtjes zijn lippen op mijn wang.

Die nacht draait Cees zich naar me toe. In het donker voel ik heel zachtjes zijn lippen op mijn wang. Vanavond ga ik mijn man vertellen dat ik bij hem wegga. Na het eten vertel ik het hem. Ik heb veel tijd besteed aan het maken van deze laatste maaltijd. Met vlaflip toe. Ik hoop dat de klap niet te hard

Nadere informatie

Rianne haalt haar hand door Jochems haar terwijl ze naar de kamer loopt. Kijk eens wie we daar hebben? roept ze als ze uit het raam kijkt.

Rianne haalt haar hand door Jochems haar terwijl ze naar de kamer loopt. Kijk eens wie we daar hebben? roept ze als ze uit het raam kijkt. Hoofdstuk 1 Zullen we deze ballonnen nog aan de lamp hangen? Vragend kijkt Rianne Jochem aan. Is goed, mompelt haar stiefbroertje zacht. Hé, wat is er? vraagt Rianne verbaasd. Vind je de slingers niet

Nadere informatie

Er was eens een heel groot bos. Met bomen en bloemen. En heel veel verschillende dieren. Aan de rand van dat bos woonde, in een grot, een draakje. Dat draakje had de mooiste grot van iedereen. Lekker vochtig

Nadere informatie

Weer naar school. De directeur stapt het toneel op. Goedemorgen allemaal, zegt hij. * In België heet een mentor klastitularis.

Weer naar school. De directeur stapt het toneel op. Goedemorgen allemaal, zegt hij. * In België heet een mentor klastitularis. Weer naar school Kim en Pieter lopen het schoolplein op. Het is de eerste schooldag na de zomervakantie. Ik ben benieuwd wie onze mentor * is, zegt Pieter. Kim knikt. Ik hoop een man, zegt ze. Pieter kijkt

Nadere informatie

Waarom zijn er ongelukkige mensen?

Waarom zijn er ongelukkige mensen? Eerste Communieproject 8 Waarom zijn er ongelukkige mensen? De mensen doen niet wat God wil Je hebt gezien wat geluk is. Als mensen van jou houden, word je gelukkig. Niet iedereen is gelukkig. Als andere

Nadere informatie

Bert staat op een ladder. En trekt aan de planten die groeien in de dakgoot. Hij verstopt de luidspreker en het stopcontact achter de planten.

Bert staat op een ladder. En trekt aan de planten die groeien in de dakgoot. Hij verstopt de luidspreker en het stopcontact achter de planten. Helaas Wanneer besloot Bert om Lizzy te vermoorden? Vreemd. Hij herinnert zich het niet precies. Het was in ieder geval toen Lizzy dat wijf leerde kennen. Dat idiote wijf met haar rare verhalen. Bert staat

Nadere informatie

Een land waar. mensen goed geïnformeerd zijn over handicaps

Een land waar. mensen goed geïnformeerd zijn over handicaps Een land waar mensen goed geïnformeerd zijn over handicaps Lilian (48) vraagt haar zoontje om even een handje te komen geven. Dat doet hij en dan gaat hij weer lekker verder spelen. Wij nemen plaats aan

Nadere informatie

Het is de familieblues. Je kent dat gevoel vast wel. Je zit aan je familie vast. Voor altijd ben je verbonden met je ouders, je broers, je zussen.

Het is de familieblues. Je kent dat gevoel vast wel. Je zit aan je familie vast. Voor altijd ben je verbonden met je ouders, je broers, je zussen. De familieblues Tot mijn 15e noemde ik mijn ouders papa en mama. Daarna niet meer. Toen noemde ik mijn vader meester. Zo noemde hij zich ook als hij lesgaf. Hij was leraar Engels op een middelbare school.

Nadere informatie

Bert schrikt Johan Bordewijk

Bert schrikt Johan Bordewijk Bert schrikt Johan Bordewijk gepubliceerd in: literair tijdschrift Schoon Schip 20e jaargang, nummer 1/2013 Met de hand, niet met de schoffel, roept Wiebe, anders beschadig je de wortels. O ja, da s waar

Nadere informatie

Plakzijde Schutblad links Schutblad rechts Ziek Eerder verscheen: Niks zeggen! Bekroond met een Vlag en Wimpel 2008 www.gideonsamson.nl www.leopold.nl Gideon Samson Ziek Leopold / Amsterdam Voor Jolijn,

Nadere informatie

14 God ging steeds voor hen uit, overdag in een wolk, s nachts in licht en vuur.

14 God ging steeds voor hen uit, overdag in een wolk, s nachts in licht en vuur. Psalmen Psalm 78 1 Een lied van Asaf. De lessen van het verleden Luister allemaal naar mijn woorden. Luister goed, want ik wil jullie iets leren. 2 Wijze woorden wil ik spreken, wijze woorden over het

Nadere informatie

Als je ergens heel erg bang voor bent, dan heb je angst. Je hebt bijvoorbeeld angst voor de tandarts.

Als je ergens heel erg bang voor bent, dan heb je angst. Je hebt bijvoorbeeld angst voor de tandarts. Thema 5 Les 1: De angst: Als je ergens heel erg bang voor bent, dan heb je angst. Je hebt bijvoorbeeld angst voor de tandarts. De schrik: Als iemand ineens achter je staat, dan schrik je. Je bent dan ineens

Nadere informatie

de aanbieding reclame, korting De appels zijn in de a Ze zijn vandaag extra goedkoop.

de aanbieding reclame, korting De appels zijn in de a Ze zijn vandaag extra goedkoop. Woordenlijst bij hoofdstuk 4 de aanbieding reclame, korting De appels zijn in de a Ze zijn vandaag extra goedkoop. alleen zonder andere mensen Hij is niet getrouwd. Hij woont helemaal a, zonder familie.

Nadere informatie

Een gelukkige huisvrouw

Een gelukkige huisvrouw Een gelukkige huisvrouw Voordat ik zwanger was, was ik een gelukkige huisvrouw, ik had alles wat ik wilde. En daarvoor hoefde ik geen dag te werken. Want werken, dat deed mijn man Harry al. Harry zat in

Nadere informatie

Verhaal: Jozef en Maria

Verhaal: Jozef en Maria Verhaal: Jozef en Maria Er was eens een vrouw, Maria. Maria was een heel gewone jonge vrouw, net zo gewoon als jij en ik. Toch had God haar uitgekozen om iets heel belangrijks te doen. Iets wat de hele

Nadere informatie

1. Joris. Voor haar huis remt Roos. Ik ben er. De gordijnen beneden zijn weer dicht.

1. Joris. Voor haar huis remt Roos. Ik ben er. De gordijnen beneden zijn weer dicht. 1. Joris Hé Roos, fiets eens niet zo hard. Roos schrikt op en kijkt naast zich. Recht in het vrolijke gezicht van Joris. Joris zit in haar klas. Ben je voor mij op de vlucht?, vraagt hij. Wat een onzin.

Nadere informatie

MARIAN HOEFNAGEL. De nieuwe buurt. Uitgeverij Eenvoudig Communiceren

MARIAN HOEFNAGEL. De nieuwe buurt. Uitgeverij Eenvoudig Communiceren MARIAN HOEFNAGEL De nieuwe buurt Uitgeverij Eenvoudig Communiceren 1 4 Een nieuw huis Dit is nu ons nieuwe huis. De auto stopt en Kika s vader wijst trots naar het huis rechts. Kika kijkt. Het is een rijtjeshuis

Nadere informatie

De MS van Tess Als elke dag onzeker is

De MS van Tess Als elke dag onzeker is Morgen gaan we naar de huisarts, zegt haar moeder s middags. Ik weet niet wat er met je is. Je bent zo moe de laatste tijd. En nu heb je ook nog last van je oog. De juf zegt dat ik misschien een bril moet,

Nadere informatie

2 Ik en autisme VOORBEELDPAGINA S

2 Ik en autisme VOORBEELDPAGINA S 2 Ik en autisme In het vorige hoofdstuk is verteld over sterke kanten die mensen met autisme vaak hebben. In dit hoofdstuk vertellen we over autisme in het algemeen. We beginnen met een stelling. In de

Nadere informatie

De epilepsie van Annemarie Als je hersens soms op hol slaan

De epilepsie van Annemarie Als je hersens soms op hol slaan Annemarie begreep er niks van. Had ze zo raar op de grond liggen doen? Wat stom. Zelf wist ze alleen nog maar dat haar buik naar aanvoelde en dat ze heel bang werd. Van de rest wist ze niets. Annemaries

Nadere informatie

Tornado. Maartje gaat voor het eerst logeren. s Nachts belandt ze met haar vriendinnetje Eva in een tornado en beleven ze een heel spannend avontuur.

Tornado. Maartje gaat voor het eerst logeren. s Nachts belandt ze met haar vriendinnetje Eva in een tornado en beleven ze een heel spannend avontuur. Tornado Maartje gaat voor het eerst logeren. s Nachts belandt ze met haar vriendinnetje Eva in een tornado en beleven ze een heel spannend avontuur. Geschreven in januari 2012 (Geïllustreerd t.b.v. het

Nadere informatie

0-3 maanden zwanger. Zwanger. Deel 1

0-3 maanden zwanger. Zwanger. Deel 1 Zwanger Ik was voor het eerst zwanger. Ik voelde het meteen. Het kon gewoon niet anders. Het waren nog maar een paar cellen in mijn buik. Toch voelde ik het. Deel 1 0-3 maanden zwanger Veel te vroeg kocht

Nadere informatie

1. De tuin wordt opgeruimd

1. De tuin wordt opgeruimd 1. De tuin wordt opgeruimd Wat gaan jullie doen? vraagt mama. Ze is iets lekkers aan het maken: zoute bolletjes. Dat doet ze elke vrijdagmiddag als Joas, Aron en Lisa uit school komen. Vaak helpt een van

Nadere informatie

Poekie is verdrietig. Want zijn papa en mama gaan scheiden. Geschreven door. Mariska van der Made. Illustraties van. Dick Rink

Poekie is verdrietig. Want zijn papa en mama gaan scheiden. Geschreven door. Mariska van der Made. Illustraties van. Dick Rink Poekie is verdrietig Want zijn papa en mama gaan scheiden Geschreven door Mariska van der Made Illustraties van Dick Rink Poekie is een lief klein monstertje van vijf jaar oud. Hij woont samen met zijn

Nadere informatie

HANDIG SPELEN MET EEN HOND

HANDIG SPELEN MET EEN HOND l a n d e l i j k i n f o r m a t i e c e n t r u m g e z e l s c h a p s d i e r e n HANDIG SPELEN MET EEN HOND OVER HOUDEN VAN HUISDIEREN HIER LEES JE HANDIGE INFORMATIE OVER SPELEN MET EEN HOND. JE

Nadere informatie

Brandweerman. 1 Brandweerman, brandweerman. Red die kat, als je kan. Zet je ladder neer en draag snel die kat omlaag.

Brandweerman. 1 Brandweerman, brandweerman. Red die kat, als je kan. Zet je ladder neer en draag snel die kat omlaag. vanaf 4 jaar tekst: Marian van Gog muziek: Ton Kerkhof ouplet Brandweerman Intro D7 G man, Refrein brand -weer - man. Red die kat, Brand-weer Œ Œ Œ G Œ Ó als je kan. Zet je lad - der neer en draag snel

Nadere informatie

Op weg met Jezus. eerste communieproject. hoofdstuk 1 De droom van Jesaja. H. Theobaldusparochie, Overloon

Op weg met Jezus. eerste communieproject. hoofdstuk 1 De droom van Jesaja. H. Theobaldusparochie, Overloon Op weg met Jezus eerste communieproject H. Theobaldusparochie, Overloon hoofdstuk 1 De droom van Jesaja Eerste communieproject "Op weg met Jezus" hoofdstuk 1 blz. 1 Lieve God, Soms droom ik van het paradijs.

Nadere informatie

Inleiding. Veel plezier!

Inleiding. Veel plezier! Inleiding In dit boek lees je over Danny. Danny is een jongen van 14 jaar. Er zijn veel dingen die Danny verkeerd doet. Hij rent door de school. Hij scheldt zomaar een klasgenoot uit. Of hij spuugt op

Nadere informatie

KIJK IN JE BREIN LESMODULE BASISSCHOOL LEERLING

KIJK IN JE BREIN LESMODULE BASISSCHOOL LEERLING LESMODULE BASISSCHOOL LEERLING 1. DE HERSENEN 1.1 HOE ZIEN HERSENEN ERUIT? VRAAG WIE KAN VERTELLEN WAT HERSENEN ZIJN? VRAAG HEBBEN KINDEREN KLEINERE HERSENEN DAN GROTE MENSEN? 1.2 WANNEER GEBRUIK JE ZE?

Nadere informatie

Een waarheid als een Olifant. Gebaseerd op de oude Soefi parabel. Lilian Kars, 2010.

Een waarheid als een Olifant. Gebaseerd op de oude Soefi parabel. Lilian Kars, 2010. Een waarheid als een Olifant. Gebaseerd op de oude Soefi parabel. Lilian Kars, 2010. Niets uit deze uitgave mag op enige wijze worden gebruikt of gedupliceerd zonder de schriftelijke toestemming van de

Nadere informatie

Bijbellezing: Johannes 2 vers 1-12. Bruiloftsfeest

Bijbellezing: Johannes 2 vers 1-12. Bruiloftsfeest Bijbellezing: Johannes 2 vers 1-12 Bruiloftsfeest Sara en Johannes hebben een kaart gekregen In een hele mooie enveloppe Met de post kregen ze die kaart Weet je wat op die kaart stond? Nou? Wij gaan trouwen!

Nadere informatie

3 Bijna ruzie. Maar die Marokkanen en Turken horen hier niet. Ze moeten het land uit, vindt Jacco.

3 Bijna ruzie. Maar die Marokkanen en Turken horen hier niet. Ze moeten het land uit, vindt Jacco. 1 Het portiek Jacco ruikt het al. Zonder dat hij de voordeur opendoet, ruikt hij al dat er tegen de deur is gepist. Dat gebeurt nou altijd. Zijn buurjongen Junior staat elke avond in het portiek te plassen.

Nadere informatie

Hoe lang duurt geluk?

Hoe lang duurt geluk? Hoe lang duurt geluk? Op dit moment ben ik gelukkig. Na veel pech ben ik dan eindelijk een vrolijke schrijver. Mijn roman is goed gelukt. En ik verdien er veel geld mee. En ik heb ook nog eens een mooie,

Nadere informatie

Het is woensdagmiddag. Hij heeft alle tijd. Wat zal hij

Het is woensdagmiddag. Hij heeft alle tijd. Wat zal hij DUBBEL Eerst merkt TimTom niets bijzonders. Hij zit gewoon op zijn plaats in de klas. Iedereen weet nu dat hij Daan heet. Juf noemt hem niet Daan. Ze zegt ook niet TimTom. Ze is aardig tegen hem. Dat wel.

Nadere informatie

Inhoud. Woord vooraf 7. Het allereerste begin 9. Oervaders 19. Israël als moeder 57. Wijsheid voor ouders en kinderen 83. Koninklijke vaders 113

Inhoud. Woord vooraf 7. Het allereerste begin 9. Oervaders 19. Israël als moeder 57. Wijsheid voor ouders en kinderen 83. Koninklijke vaders 113 Inhoud Woord vooraf 7 Het allereerste begin 9 Oervaders 19 Israël als moeder 57 Wijsheid voor ouders en kinderen 83 Koninklijke vaders 113 Profetische opvoedkunde 145 Kinderen in zijn koninkrijk 177 Leerling

Nadere informatie

Pasen met peuters en kleuters. Jojo is weg

Pasen met peuters en kleuters. Jojo is weg Pasen met peuters en kleuters Beertje Jojo is weg Thema Maria is verdrietig, haar beste Vriend is er niet meer. Wat is Maria blij als ze Jezus weer ziet. Hij is opgestaan uit de dood! Wat heb je nodig?

Nadere informatie

Vertel de kinderen, of praat met hen over het verschil tussen film, tv kijken of naar het theater gaan.

Vertel de kinderen, of praat met hen over het verschil tussen film, tv kijken of naar het theater gaan. LESBRIEF Binnenkort gaan jullie met jullie groep naar de voorstelling Biggels en Tuiten Hieronder een aantal tips over hoe je de groep goed kan voorbereiden op de voorstelling. VOOR DE VOORSTELLING Vertel

Nadere informatie

Eén ding is nodig. Deze geschiedenis kun je lezen in Lukas 10 : 38 42.

Eén ding is nodig. Deze geschiedenis kun je lezen in Lukas 10 : 38 42. Eén ding is nodig Deze geschiedenis kun je lezen in Lukas 10 : 38 42. We hebben met elkaar nagedacht over de wonderen die de Heere Jezus heeft gedaan toen Hij op de aarde was. Grote wonderen! Weet je t

Nadere informatie

sarie, mijn vriend kaspar en ik

sarie, mijn vriend kaspar en ik sarie, mijn vriend kaspar en ik Leen Verheyen sarie, mijn vriend kaspar en ik is een theatertekst voor kinderen vanaf 4 jaar en ging in première op 12 september 2009 bij HETPALEIS in Antwerpen 1 ik: het

Nadere informatie

Verliefd zijn is dat je iemand meer dan aardig vindt, eigenlijk véél meer dan aardig.

Verliefd zijn is dat je iemand meer dan aardig vindt, eigenlijk véél meer dan aardig. Verliefd Savannah (11) Verliefd zijn is dat je iemand meer dan aardig vindt, eigenlijk véél meer dan aardig. Massimo (11) Dat je iemand ziet die je heel mooi vindt. Dan wil je gewoon bij haar zijn. Misschien

Nadere informatie

Mieke Lansbergen. Op een dag leek het me een goed idee om een offer te maken voor God. Uit dankbaarheid voor alles wat groeit, en omdat

Mieke Lansbergen. Op een dag leek het me een goed idee om een offer te maken voor God. Uit dankbaarheid voor alles wat groeit, en omdat Mieke Lansbergen Hallo? Ha! Zie je mij? Kijk! Kijk even naar mij. Ik ben Kaïn. Fijn dat ik even iemand tegenkom! Ik loop hier al een tijd te dwalen, en het is zo saai in je eentje. Ik kom daar vandaan.

Nadere informatie

Bas. Ze doet haar agenda open. Vandaag ziet ze Bas elk lesuur.

Bas. Ze doet haar agenda open. Vandaag ziet ze Bas elk lesuur. Verkeerde naam Hoef je nog niet naar school? Britt zucht. Ik heb het eerste uur vrij. Altijd op woensdag. Het is al maart. Haar vader kent haar lesrooster nog steeds niet. Ook Inge kijkt verbaasd naar

Nadere informatie

Presentatie Kindermonument Groep 8 2013 2014 St. Catharinaschool Vormgeving de kinderen met hulp van meester Roomer

Presentatie Kindermonument Groep 8 2013 2014 St. Catharinaschool Vormgeving de kinderen met hulp van meester Roomer Presentatie Kindermonument Groep 8 2013 2014 St. Catharinaschool Vormgeving de kinderen met hulp van meester Roomer aisha kindsoldaten Kindsoldaten, ik ruik haat. Dat gebeurt, als je kinderen niet spelen

Nadere informatie

De boekenbeer Module dans groep 1-2

De boekenbeer Module dans groep 1-2 De boekenbeer Module dans groep 1-2 Teksten: Stella van Lieshout Illustraties: Tjarko van der Pol In samenwerking met Centrum voor de Kunsten Beverwijk en ABC Cultuur Contact: DeboraVollebregt@centrumvoordekunstenbeverwijk.nl

Nadere informatie

Ze neemt nog een slok van haar rum-cola. Even lijkt het alsof de slok weer omhoogkomt.

Ze neemt nog een slok van haar rum-cola. Even lijkt het alsof de slok weer omhoogkomt. Manon De muziek dreunt in haar hoofd, haar maag, haar buik. Manon neemt nog een slok uit het glas dat voor haar staat. Wat was het ook alweer? O ja, rum-cola natuurlijk. Een bacootje noemen de jongens

Nadere informatie

Noach bouwt een ark Genesis 6-8

Noach bouwt een ark Genesis 6-8 2 Noach bouwt een ark Genesis 6-8 Het is niet fijn meer op de aarde. De mensen maken ruzie, ze vechten en ze zijn God vergeten. Maar er is één man die anders is. Dat is Noach. Op een dag praat God met

Nadere informatie

Voorwoord. Veel leesplezier! Liefs, Rhijja

Voorwoord. Veel leesplezier! Liefs, Rhijja Voorwoord Verliefd zijn is super, maar ook doodeng. Want het kan je heel onzeker maken. En als het uiteindelijk uitgaat, voel je je intens verdrietig. In dit boek lees je over mijn liefdesleven, de mooie,

Nadere informatie

Charles den Tex VERDWIJNING

Charles den Tex VERDWIJNING Charles den Tex VERDWIJNING 3 Klikketik-tik-tik Het is halftwaalf s ochtends. Marja vouwt een hemd. En kijkt om zich heen. Even staat ze op haar tenen. Zo kan ze over de kledingrekken kijken. Die rekken

Nadere informatie

Gemeente van onze Heer Jezus Christus, lieve mensen, jongens en meisjes,

Gemeente van onze Heer Jezus Christus, lieve mensen, jongens en meisjes, Gemeente van onze Heer Jezus Christus, lieve mensen, jongens en meisjes, Hé Joyce, ga je mee? Emma rent achter Joyce aan als ze van het schoolplein lopen. Joyce, wij gaan vanmiddag op bezoek bij mijn oom,

Nadere informatie

Werkboek Het is mijn leven

Werkboek Het is mijn leven Werkboek Het is mijn leven Het is mijn leven Een werkboek voor jongeren die zelf willen kiezen in hun leven. Vul dit werkboek in met mensen die je vertrouwt, bespreek het met mensen die om je geven. Er

Nadere informatie

Hoe gaat het in groep 1/2 b

Hoe gaat het in groep 1/2 b Hoe gaat het in groep 1/2 b Binnenkomst: - Als je op school komt hang je je jas op je eigen haakje onder je tent. Je tas zet je op de plank. - In de klas geef je de juf een hand en je pakt een spelletje

Nadere informatie

Mijn loverboy Verloren onschuld

Mijn loverboy Verloren onschuld Mijn loverboy Verloren onschuld in makkelijke taal simone schoemaker 8 Het verhaal van Lisa De dag begint goed. Ik word wakker met een blij gevoel. Yes, ik ben jarig! Ik ben zestien! Mijn moeder feliciteert

Nadere informatie

De naam Uilenspiegel zou hier betekenen Je kunt mijn kont afvegen. Of Ik heb overal schijt aan.

De naam Uilenspiegel zou hier betekenen Je kunt mijn kont afvegen. Of Ik heb overal schijt aan. Over dit boek Er bestaan veel verschillende boeken over Tijl Uilenspiegel. Het bekendste boek is uit 1867, van Charles de Coster. De Vlaamse Tijl Uilenspiegel strijdt in dit boek voor de vrijheid tijdens

Nadere informatie

Alles in een dag Sophia Beets

Alles in een dag Sophia Beets Alles in een dag Sophia Beets Hoi. zeg ik zoals dat het enige is wat ik iedere ochtend zeg. Goeie morgen. zegt ie terug. Ik zeg geen goeie morgen, nooit niet. Morgen is niet fijn en ook niet goed, bovendien

Nadere informatie

Door het raam ziet ze Bea, de benedenbuurvrouw. Ze veegt de sneeuw weg van het pad voor de flat. Uitslover, denkt Alice.

Door het raam ziet ze Bea, de benedenbuurvrouw. Ze veegt de sneeuw weg van het pad voor de flat. Uitslover, denkt Alice. Alice ligt in bed. Heel langzaam wordt ze wakker. Haar lichaam ontspannen, haar hoofd leeg. De vertrouwde geur van haar man Jules hangt in de slaapkamer. Een geur van alcohol, nootmuskaat en oude man.

Nadere informatie

Het huis Anubis - Hoofdstuk 1

Het huis Anubis - Hoofdstuk 1 Het huis Anubis - Hoofdstuk 1 Het is 7 uur in de ochtend. Het is een dag nadat Nienke de traan van Isis aan Anchesenamon had gegeven. Nienke was al vroeg wakker, want ze kon niet meer slapen. Ze had weer

Nadere informatie

Vraag aan de zee. Vraag aan de tijd. wk 3. wk 2

Vraag aan de zee. Vraag aan de tijd. wk 3. wk 2 Bladzijde negen, Bladzijde tien, Krijg ik het wel ooit te zien? Ander hoofdstuk, Nieuw begin.. Maar niets, Weer dicht, Het heeft geen zin. Dan probeer ik achterin dat dikke boek. Dat ik daar niet vaker

Nadere informatie

HANDIG EEN BIJTEND KONIJN

HANDIG EEN BIJTEND KONIJN l a n d e l i j k i n f o r m a t i e c e n t r u m g e z e l s c h a p s d i e r e n HANDIG EEN BIJTEND KONIJN OVER HOUDEN VAN HUISDIEREN HIER LEES JE HANDIGE INFORMATIE OVER BIJTENDE KONIJNEN. JE KUNT

Nadere informatie

Een meneer heeft veel ballonnen. Hij roept: Kinderen, kom erbij! Mijn ballonnen die zijn gratis. Wie wil een ballon van mij?

Een meneer heeft veel ballonnen. Hij roept: Kinderen, kom erbij! Mijn ballonnen die zijn gratis. Wie wil een ballon van mij? Een meneer heeft veel ballonnen. Hij roept: Kinderen, kom erbij! Mijn ballonnen die zijn gratis. Wie wil een ballon van mij? Wat een mooie luchtballonnen! Geel, oranje, groen en blauw. Kies maar uit Daan,

Nadere informatie