De detentie. Hoofdstuk 5. Inleiding

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "De detentie. Hoofdstuk 5. Inleiding"

Transcriptie

1 Hoofdstuk 5 De detentie Inleiding In het vorige hoofdstuk is beschreven hoe de sociale en economische omstandigheden van de respondenten er een half jaar voor de detentie uitzagen. Het is evident dat door de detentie de situatie verandert. In dit hoofdstuk wordt geschetst op welke terreinen zich veranderingen hebben voorgedaan en in welke mate die aan de detentie gerelateerd zijn. Allereerst wordt in paragraaf 5.1 aandacht besteed aan de tijdsbesteding tijdens de detentie. Vervolgens wordt in paragraaf 5.2 ingegaan op de leefsituatie van de kortgestraften: daarbij wordt enerzijds stil gestaan bij de contacten in detentie en anderzijds bij de contacten buiten de inrichting. Paragraaf 5.3 is gewijd aan riskante gewoonten en in 5.4 wordt verder ingegaan op de gezondheid van de respondenten tijdens de detentie. In paragraaf 5.5 wordt beschreven in hoeverre de kortgestraften gebruik maakten van de medische dienst en de diensten van andere hulpverleners in de inrichting. De financiële situatie inkomsten en uitgaven in en buiten de inrichting wordt in paragraaf 5.6 uitgediept. In paragraaf 5.7 komt de algemene strafbeleving van de respondenten aan bod. In paragraaf 5.8 wordt de detentie per categorie beschreven. In paragraaf 5.9 worden de conclusies geformuleerd. De meeste onderwerpen, die in dit hoofdstuk aan bod komen, zijn gebonden aan het in de inrichting gevoerde regime. In de praktijk blijkt echter dat er veel verschillen zijn aan te wijzen tussen de verschillende inrichtingen, die lang niet altijd op de officiële bestemming en het regime van de instelling zijn terug te voeren. Dit heeft te maken met de relatief grote autonomie waarin Nederlandse gevangenisdirecteuren hun inrichtingen kunnen besturen (Boin, 1998). In deze paragraaf zullen de verschillen tussen de inrichtingen waar onderzoek is gedaan, niet op het bot worden uitgediept. Er zal in hoofdzaak worden stil gestaan bij het onderscheid tussen gesloten en half open inrichtingen. Op 1 januari 1999 is de nieuwe Penitentiaire Beginselenwet (PBW) in werking getreden. De PBW en de nieuwe Penitentiaire Maatregel vervangen de Beginselenwet Gevangeniswezen, de Gevangenismaatregel en de Huishoudelijke reglementen. Omdat de respondenten hun straf uitzaten in 1995, wordt in het nu volgende niet verder ingegaan op de 31 PBW. 31. In hoofdstuk 8 wordt ingegaan op de nieuwe ontwikkelingen omtrent de PBW.

2 DE DETENTIE 87 Tenzij anders vermeld, zijn alle gegevens in dit hoofdstuk gebaseerd op de bevindingen van alle honderd respondenten. In een aantal gevallen betreft het echter 95 respondenten. De respondenten uit de Marwei zouden in principe tijdens de detentie twee keer 1 worden geïnterviewd, maar bij vijf is dat niet doorgegaan. Daardoor ontbreken soms enige gegevens. Telkens wanneer bevindingen in de tekst gebaseerd zijn op de uitspraken van 95 respondenten wordt dat aangegeven met: (N =95). 5.1 Tijdsbesteding Werk Tot een onherroepelijke vrijheidsstraf veroordeelde gedetineerden worden op grond van artikel 14 Sr en artikel 32 BWG verplicht in detentie arbeid te verrichten. Gemiddeld 2 werkten de respondenten (N =95) circa 25 uur per week. Over het algemeen was het verrichte werk vrij eenvoudig van aard en bestond uit schoonmaakwerk, keukenwerkzaamheden, houtbewerking, montage- en produktiewerk. In de gesloten inrichtingen en in de half open inrichting Westlinge werd gedurende halve dagen gewerkt in zogenaamde 3 bloktijden. In zelfmeldinrichting de Kruisberg werd hele dagen gewerkt. Sommige gedetineerden werkten langer, dan verplicht was. Het was hen er vooral om te doen zolang mogelijk buiten de cel te blijven. Arbeid was voor hen een afleiding. 1. In hoofdstuk 2 werden de volgende redenen daarvoor genoemd: één respondent kwam na het eerste interview de conclusie dat medewerking aan het onderzoek geen persoonlijk voordeel opleverde; een ander is na het eerste interview in vrijheid gesteld; weer een ander kwam niet terug van verlof; door organisatorische problemen lukte het niet om iemand voor de vrijlating te interviewen en één van de vijf ontwikkelde tijdens de detentie dermate zware psychische problemen, dat het niet meer mogelijk was hem nog eens te interviewen. 2. In 1994 verscheen de beleidsnota Werkzame detentie. In deze nota werd het standaardregime geïntroduceerd, waarin een prominente rol voor arbeid was weggelegd: het was de bedoeling dat gedetineerden gemiddeld veertig uur per week (zeven dagen van 7.30 uur uur) op cel zouden verblijven, 26 uur zouden besteden aan arbeid, negen uur aan recreatie, ongeveer tien uur aan luchten en nog eens negen uur aan overige activiteiten (Werkzame detentie, 1994: 17). In 1995 werd dit standaardregime ingevoerd in alle nieuwe inrichtingen en in vijf pilotinrichtingen (hvb de Boschpoort in Breda, de gesloten gevangenis voor langgestraften Esserheem in Veenhuizen, hvb de Schakel in Haarlem, de halfopen inrichting Bankenbosch in Veenhuizen en de gevangenis voor langgestraften de Geerhorst in Sittard). De overige penitentiaire inrichtingen zouden het standaardregime gefaseerd invoeren. De voorloper van het standaardregime is het zogenaamde nulregime: in 1993 werd dit voor het eerst ingevoerd in het hvb in Grave. Uitgangspunt was dat goed gedrag beloond zou worden en onwilligheid beantwoord zou worden met het alleen verstrekken van basisvoorzieningen. Voordat de nota Werkzame detentie verscheen voerde directeur Helgers dit harde regime al in (De Jong en Weening, 1994: 138). 3. Volgens de bloktijdenregeling was van maandag en met vrijdag telkens één dagdeel bestemd voor de arbeid en één dagdeel voor andere activiteiten. Er werd maximaal twintig uur per week gewerkt. Met de komst van het standaardregime zou de bloktijdenregeling verdwijnen. Het was de bedoeling dat vier dagen aan arbeid besteed zouden worden en dat activiteiten buiten de arbeid op de overige drie dagen zouden worden gepland. Het aantal uren arbeid werd daarmee opgevoerd circa 26 uur.

3 88 LAAT MAAR ZITTEN Een interessante vraag is in hoeverre gedetineerden de te verrichten arbeid als zinvol 4 ervaren. Slechts acht respondenten, waaronder twee zelfmelders, vonden de gevangenisar beid nuttig (N =95). Zij verrichtten werk dat zij voor de detentie ook deden (N=2) of kwamen tijdens de detentie de ontdekking dat zij na hun vrijlating soortgelijk werk als in de inrichting zouden willen verrichten (N=5). Eén respondent werkte tijdens de detentie als boekbinder. Van hem werd verwacht dat hij minutieus te werk ging. Hij moest zich dus leren concentreren en dat maakte voor hem de gevangenisarbeid nuttig. Het merendeel van de respondenten meende echter geen baat te hebben bij het verrichten van arbeid tijdens de detentie en beschouwde het als slap ouwe hoeren Opleiding De helft van de respondenten (N=50; N =95) dacht dat het tijdens de detentie mogelijk zou zijn om een cursus of een opleiding te volgen. Zeven respondenten, waaronder vier uit gesloten inrichtingen, maakten van die optie gebruik: zij volgden respectievelijk een sociale vaardigheidstraining, een bijspijkercursus Nederlands, een introductie in het gebruik van computers en een opleiding het Middenstandsdiploma. De overige drie probeerden het theoretische gedeelte van het rijexamen te behalen. Voor de detentie volgden acht respondenten, waaronder één zelfmelder, een opleiding. Bij aanvang van de detentie was slechts één respondent uit een gesloten inrichting van plan tijdens de detentie daarmee door te gaan, maar uiteindelijk is ook hij gestopt. Voor kortgestraften in dit onderzoek was het niet mogelijk om een vakopleiding te volgen, die gekoppeld was aan de in de inrichting te verrichten arbeid. Omdat de detentieperiode van kortgestraften daarvoor te kort werd geacht, werden dergelijke speciale programma s doorgaans alleen aangeboden aan langgestraften Met de komst van Werkzame detentie is aan de arbeid in detentie de premisse ten grondslag komen te liggen dat deze economisch moet renderen. In de loop der tijd zijn aan de in detentie te verrichten arbeid verschillende functies toegekend. Zie voor een historisch overzicht: (De Jonge, 1994: 5-61). Verder merkt De Jonge op: Geen enkele straffende overheid heeft zich ooit verplicht gevoeld de voor gedetineerden geldende arbeidsdwang op bijzondere rechtsgronden te baseren. Zij had en heeft een axiomatisch karakter (De Jonge, 1994: 55). 5. In 1991 is in het hvb de Havenstraat in Amsterdam een project gestart, waarin ook kort- gestraften in de gelegenheid werden gesteld een kortdurende vakopleiding te volgen. Zij werden opgeleid junior roustabout, een soort klusjesman op een booreiland, en industrieel reiniger. Indien de vakopleiding voltooid werd, kreeg de betrokkene eveneens een baan (Wartna en Aidala, 1995: 1, 13). Ten tijde van het onderzoek werd in de Marwei geëxperimenteerd met een opleidingsprogramma voor langgestraften. Doel was dat na de voltooiing van het traject de betrokkenen zich na de detentie als zelfstandige ondernemers zouden kunnen vestigen. In 1997 is in de Marwei begonnen met het aanbieden van algemene scholing en beroepskeuze- programma s aan kortgestraften in detentie. Na de detentie werden deze gedetineerden verder begeleid door onder andere medewerkers van de reclassering en het arbeidsbureau. Inmiddels hebben circa tien kortgestraften hieraan meegedaan. Tijdens de detentie is echter ongeveer eenderde afgevallen en na de detentie zijn er uiteindelijk drie overgebleven. Uiteindelijk zijn de volgende toelatingscriteria vastgesteld: de betrokkene mag geen drugs gebruiken, moet legaal in Nederland verblijven, over huisvesting beschikken en een strafrestant van minimaal twee maanden hebben. Op 1 september 1998 is dit project officieel van start gegaan.

4 DE DETENTIE Recreatie: sport en andere activiteiten Het belangrijkste motief om mee te doen aan de (sport)activiteiten was doorbreking van de dagelijkse sleur. Het aantal keren dat in de verschillende inrichtingen werd deelgenomen aan de activiteiten, ontliep elkaar niet veel: diegenen die aan de activiteiten deelnamen, deden dit gemiddeld vier keer per week (N =95). In tabel 5.1 wordt een overzicht gegeven van de (sport)activiteiten, waaraan door de respondenten werd deelgenomen. Tabel 5.1: Deelname aan activiteiten tijdens de detentie Gesloten inrichtingen Half open inrichtingen Totaal N=71 N=24 N=95 Geen 23 32% 10 42% 33 35% Uitsluitend sport 33 47% 4 17% 37 39% Uitsluitend creatieve 4 6% % activiteiten Anders 3 4% % Combinatie van acti- 8 11% 10 42% 18 19% viteiten Opvallend is dat ruim eenderde van de kortgestraften aan geen enkele activiteit deelnam. Deels kwam dit door desinteresse in het aanbod, deels ook door wachtlijsten voor bepaalde activiteiten. Eén op de zeven respondenten (N=13; N =95), allemaal uit gesloten inrichtin- gen, deed mee aan activiteiten (kaartavonden en dergelijke), die zij zelf organiseerden.

5 90 LAAT MAAR ZITTEN Dagbesteding algemeen De arbeid en de activiteiten werden door de respondenten over het algemeen niet zozeer als zinvol ervaren, maar meer als een mogelijkheid om afleiding buiten de cel te zoeken. Bij aanvang van de detentie kwam het echter met name in de gesloten inrichtingen voor dat de respondenten in de eerste week hoofdzakelijk op cel zaten, omdat zij niet meteen op een werkzaal aan de slag konden of op een wachtlijst kwamen te staan voor activiteiten. 6 Ruim de helft van de respondenten (N=56) gaf aan dat zij voor de detentie nauwelijks verschil waarnamen tussen doordeweekse dagen en het weekend. In detentie werden zij echter aan een strakke tijdsindeling onderworpen, waarin dit onderscheid wel werd aangebracht. 5.2 Leefsituatie Contacten in de inrichting Contacten met medegedetineerden Een veel gehoorde uitdrukking in penitentiaire inrichtingen is: je zoekt niet uit met wie je moet zitten. Men is elkaar veroordeeld en dat kan aanleiding geven spanningen. Eenderde van de respondenten (N=33; N =95), waaronder negen zelfmelders, gaf aan dat 7 er dikwijls onderling spanningen waren. Dit uitte zich zowel in verbaal als in fysiek geweld. Als oorzaak voor spanning werd vaak interne drugshandel genoemd. In de meeste inrichtingen hadden alle gedetineerden een eigen cel, alleen in Westlinge sliepen de gedetineerden op slaapzalen. Het merendeel van de respondenten was ervan overtuigd dat de privacy van de eigen cel ertoe bijdroeg dat er niet nog meer onderlinge spanning ontstond. 8 Negentig procent (N=88; N =95) nam waar dat tijdens de detentie groepjes ontston- den. Slechts een klein aantal respondenten wist zich grotendeels aan deze groepsvorming te onttrekken: vijf respondenten, waaronder één zelfmelder, gaven aan het contact met andere gedetineerden zoveel mogelijk te beperken (N =95). Aan groepsvorming lag volgens de gedetineerden meestal de etnische achtergrond of 6. Van de respondenten die twee keer in de Marwei zijn geïnterviewd, gaf desalniettemin de helft (N=31) aan dat zij tegen het einde van de detentie met dezelfde frequentie aan activiteiten deelnamen als daarvoor. Ruim eenderde (N=23) sprak van een toename en tien procent (N=6) vond dat de mate van deelname aan activiteiten minder was geworden. 7. Ruim eenderde (N=22) van de respondenten, die tijdens de detentie twee interviews werd afgenomen (N=60), meende bij aanvang van de detentie dat er spanning bestond tussen de gedetineerden. Driekwart (N=45) gaf in het tweede interview aan tijdens de detentie onderlinge spanning te hebben waargenomen. Slechts vier respondenten namen alleen aan het begin spanning waar en bijna de helft (N=27) bracht alleen in het tweede interview onderlinge spanning te berde. Dertig procent (N=18) bracht in beide interviews naar voren dat er spanning tussen de gedetineerden bestond. 8. Slechts een klein aantal (N=3; N =95) gaf de voorkeur aan het delen van een cel. Zie ook Kelk over de zwaarte van de cellulaire opsluiting (Kelk, 1990: 16-17).

6 DE DETENTIE 91 9 het drugsgebruik ten grondslag. De stad of de streek, waar men voor de detentie woonde, werd ook vaak genoemd als een bepalende factor bij het vormen van groepen. De duur van de straf werd niet als groepskenmerk genoemd. Uit de literatuur is echter bekend dat langgestraften zowel in gesloten als in half open inrichtingen het niet altijd prettig vinden om met kortgestraften gedetineerd te zijn. 10 De meeste gedetineerden stonden nogal wantrouwend tegenover elkaar. Aan het begin van de detentie sprak bijna de helft (N=46; N =95), waaronder zeven zelfmelders, niet over het uitgangsdelict. Tegen het einde van de detentie had veertig procent (N=40; - N =95), waaronder drie zelfmelders, nog nooit over het uitgangsdelict gesproken. Bijna de helft (N=47; N =95), waaronder elf zelfmelders, ging ervan uit dat medegedetineerden wisten waarom zij gedetineerd waren. Tachtig procent (N=80; N =95), waaronder twintig zelfmelders, zei overigens zelf niet geïnteresseerd te zijn in de vraag waarom hun medegedetineerden een vrijheidsstraf hadden gekregen. Om een beeld te krijgen van het contact tussen de gedetineerden onderling, is de respondenten gevraagd over welke onderwerpen zij zoal spraken (N =95). De meest 9. Ruim de helft (N=35) van de gedetineerden die twee keer werden geïnterviewd (N=60), gaf aan het begin van de detentie aan dat er groepsvorming optrad. Tegen het einde van de detentie meende ruim negentig procent (N=56) dat de gedetineerden groepjes vormden. Slechts drie respondenten hadden alleen aan het begin van de detentie de indruk dat groepen gevormd werden en veertig procent (N=24) gaf alleen tijdens het interview voor de vrijlating te kennen dat zich tijdens de detentie groepjes vormden. Ongeveer de helft (N=32) zei in beide interviews dat er in detentie door gedetineerden groepen werden gevormd. 10. Langgestraften kunnen afstand doen van hun langgestraften status om in een gesloten inrichting voor kortgestraften te worden geplaatst, waar het regime in principe strakker is (Janssen, 1995: ). Dit is echter uitzonderlijk. In half open inrichtingen komt het echter in het kader van detentiefasering relatief meer voor dat kort- en langgestraften samen gedetineerd zijn. De volgende twee voorbeelden hebben betrekking op half open inrichtingen: [Bij] de langer gestraften [ontstaan] spanningen omdat zij geconfronteerd worden met steeds weer andere kortgestraften... Overigens wordt de combinatie van lang- en kortgestraften niet overal volledig negatief beoordeeld: de langgestraften zouden er meer belang bij hebben de rust in de inrichting te bewaren, en daarom de korter gestraften enigszins in de hand houden (Kommer en Brouwers, 1986: 46-47). En: Een van de belangrijkste is de straf/verblijfsduur, dat wil zeggen een afgeleide daarvan, namelijk de ontslagdatum... Wat men wil weten is of het, gezien de eigen ontslagdatum, de moeite loont om energie te steken in kennismaking of het ontwikkelen van een verdergaande band dan alleen die van toevallige buren; vrienden wordt men vrijwel nooit. Het gevolg van dit onderscheid naar verblijfsduur is dat de kortgestraften (1 3 à 4 maanden) over het algemeen langs de zijlijn staan... [Z]ij lijken zich ook niet te storen aan de gedragscode, die onder meer voorschrijft dat je andere gedetineerden niet in de problemen moet brengen... [Kortgestraften zijn] minder geneigd hun gedrag af te stemmen op het doorbrengen van een rustige detentie, integendeel, zij willen wel wat leven in de brouwerij [brengen] (Grapendaal, 1987a: 51-52). In Westlinge vernam ik overigens ook van het personeel dat ze van mening waren dat de beter gemotiveerde detentiefaseerders een goede invloed hadden op de kortgestraften en in de Marwei vertelde een personeelslid: Ik werk het liefst met kortgestraften. Als ze net binnen zijn, hebben ze nog niet zoveel branie. Het is wel intensiever omdat er meer dingen voor ze geregeld moeten worden. Een ander heeft weer liever met langgestraften te maken: Ik heb hiervoor in een Extra Beveiligde Inrichting (EBI) gewerkt. Dat was veel spannender, dat waren slimme mensen die daar zaten. De kortgestraften zijn dom. Straffen helpt niet, want ze blijven terugkomen. Tot slot wil ik hier nog wijzen op een historische publicatie waarin erop gewezen wordt dat in de jaren vijftig feitelijk alleen maar nadelen werden gezien in het bij elkaar plaatsten van kort- en langgestraften. De argumenten waren niet anders dan de zojuist genoemde (Rijksen, 1967: 24-27).

7 92 LAAT MAAR ZITTEN genoemde gespreksthema s waren zowel in gesloten als in half open inrichtingen seks, drugs en voorvallen in de inrichting. Tegen het einde van de detentie werd ook regelmatig over de plannen voor de toekomst gesproken. Al met al waren de onderlinge contacten tijdens de detentie niet erg vertrouwelijk. Een kwart (N=26; N =95) meende echter dat medegedetineerden na verloop van tijd meer persoonlijke informatie gaven. Bijna eenvijfde (N=16; N =95) bespeurde bij zichzelf eveneens meer openhartigheid naarmate de detentieperiode verstreek. Ruim eenderde (N=35; N =95) kon zich voorstellen dat zij na de detentie nog contact zouden blijven houden met medegedetineerden, deels sociaal maar ook zakelijk. Bijna zestig procent van de respondenten (N=56; N =95) kende een aantal medegede- tineerden al van voor de onderzochte detentie. Gemiddeld kwamen deze gedetineerden vijf bekenden tegen uit de kring van familie, vrienden, kennissen, buurt en/of werk. Er waren relatief even veel respondenten uit gesloten (N=42; N =95) en half open inrichtingen (N=14; N =95) die binnen bekenden tegen het lijf liepen. Veertig procent (N=38; N =95) maakte tijdens de onderzochte detentieperiode her- nieuwd kennis met mensen, waarmee men al eerder gedetineerd was geweest. Het ging daarbij hoofdzakelijk om respondenten uit gesloten inrichtingen (N=34; N =95), die gemiddeld vijf voormalige medegedetineerden tegenkwamen. Vier zelfmelders kwamen gemiddeld circa vier oude bekenden tegen uit eerder verblijf in penitentiaire inrichtingen. Bijna een kwart (N=23; N =95), waaronder zes zelfmelders, kwam binnen de gevangenis- muren geen enkele bekende tegen Contacten met medewerkers van de inrichting Wat betreft het personeel van de inrichting hadden de gedetineerden doorgaans het meeste contact met de Penitentiair Inrichtings Werkers (PIW ers, d.w.z. bewaarders) en de arbeidsmedewerkers. Ruim veertig procent knoopte wel eens een gesprek aan met een - PIW er (N=42; N =95), waaronder elf zelfmelders, of met een medewerker van de arbeid (N=40; N =95), waaronder zeven zelfmelders. Ongeveer tien procent (N=13; N =95), waaronder vier zelfmelders, sprak ook wel eens met een medewerker van het Sociaal Kultureel Werk (SKW) en vijftien procent (N=15; N =95), waaronder vijf zelfmelders, met medewerkers van het Bureau Sociale Dienstverlening (BSD). Vijf respondenten hadden wel eens met de directeur gesproken (N =95). De gesprekken met medewerkers hadden hoofdzakelijk betrekking op de situatie binnen de inrichting. Alleen bij het BSD kwam ook het leven buiten de inrichting aan bod, omdat via deze afdeling aanvragen voor verlof of strafonderbreking worden afgehandeld. Het merendeel van de gedetineerden gaf aan dat wanneer zij met een probleem zouden zitten, zij niet snel bij een medewerker van de inrichting aan zouden kloppen. Ruim vijftien procent (N=15; N =95), waaronder drie zelfmelders, zou een PIW er aanspreken en bijna tien procent (N=8; N =95), waaronder twee zelfmelders, een arbeidsmedewerker. Een enkeling zou het SKW of de BSD benaderen. Tijdens de interviews werd duidelijk dat het personeel met persoonlijke problemen benaderen eigenlijk niet kon. Dit gold met name voor de PIW ers. Voor veel gedetineerden was het onaanvaardbaar om het achterste van de tong te laten zien aan iemand in de celdeur, die even later de sleutel in het slot omdraait. Beveiliging en hulpverlening gingen in hun beleving niet samen. Als gedetineerden over

8 DE DETENTIE 93 de PIW ers spraken ging dat toch vaak in termen van wij en zij. Bij de arbeidsmedewerkers leek dat minder te spelen, wellicht omdat deze medewerkers veelvuldig samen met de gedetineerden aan het werk waren en hun werk niet zo zeer in het teken van beveiliging stond. Ruim de helft (N=55; N =95) was van mening dat de PIW ers en de arbeidsmedewer- kers vrij soepel waren en wel eens iets door de vingers zagen. Met name de zelfmelders vonden de PIW ers (N=19) en de arbeidsmedewerkers (N=20) coulant. Wat betreft de overige medewerkers vonden de respondenten het moeilijk te beoordelen omdat zij merendeels niet of nauwelijks contact hadden met andere personeelsleden. Alles bij elkaar genomen kan gesteld worden dat het contact met personeelsleden tamelijk oppervlakkig was. Geen enkele respondent was van plan na de detentie contact te houden met personeelsleden Contacten met personen buiten de inrichting 11 Gedetineerden kunnen vanuit de inrichting op verschillende manieren contact met de buitenwereld onderhouden: door bezoek te ontvangen, te bellen of te schrijven. Daarnaast kunnen zij verlof of strafonderbreking aanvragen. Kortgestraften kunnen zowel in gesloten als in halfopen inrichtingen één keer per week 12 bezoek ontvangen. Allereerst is de respondenten gevraagd of zij bezoek zouden willen ontvangen. Het merendeel van de respondenten (N=85) gaf aan dat zij het prettig zouden vinden om tijdens de detentie bezoek te ontvangen: bijna zeventig procent (N=58) hoopte 13 op een bezoek van familie. Bijna de helft (N=38) zag de partner graag langs komen, dat is circa zeventig procent van de respondenten met een partner voor de detentie (N=55). Een kwart (N=25) hoopte op bezoek van vrienden en kennissen en bijna een kwart (N=22) op dat van de kinderen, dat wil zeggen bijna veertig procent van alle respondenten met 14 kinderen (N=59). Daarnaast gaf nog zeven procent (N=7) aan graag bezoek te krijgen 11. Veertig procent (N=26) van de respondenten, die in de Marwei in de eerste week van de detentie werden geïnterviewd (N=65,) had al in de eerste week van de detentie post ontvangen en bijna twintig procent (N=12) had al bezoek gehad. 12. Op basis van artikel 92 lid 1 GM hebben gedetineerden recht op ten minste één uur bezoek per veertien dagen. In gevangenissen geldt doorgaans echter een ruimere bezoekregeling. Over het algemeen bepaalt de directeur de bezoektijden en de plaats waar het bezoek plaats vindt (art. 92 lid 1 GM). Bezoekers dienen hun bezoek zoveel mogelijk schriftelijk bij de directeur aan te vragen (art. 92 lid 2 GM). Het bezoek vindt plaats onder toezicht. Voor bezoek zonder toezicht teneinde seksueel contact te kunnen hebben of in alle rust met de partner, kinderen of familieleden te kunnen spreken komen alleen langgestraften in aanmerking (Verpalen en De Jonge, 1992: 46-49; Kelk, 1993: ). 13. Zie voor meer informatie over de specifieke problemen die partners en kinderen van gedeti- neerden naar aanleiding van de detentie ervaren: Moerings en Ter Haar, 1990: 17-40; Smit, 1990: 41-54; Nijnatten et al, 1990: Vanaf juli 1995 en met januari 1997 vond in opdracht van de reclassering de uitvoering van het project ouders, kinderen en detentie plaats. Dit project was erop gericht het contact tussen gedetineerde vaders en hun kinderen (8-16 jaar oud) te verbeteren. Samen met een mentor ondernamen de kinderen verschillende activiteiten, waarvan de belangrijkste het bezoek aan hun vader in de penitentiaire inrichting was. Uit de evaluatie van dit project bleek dat vaders meenden

9 94 LAAT MAAR ZITTEN van een ex-partner, een maatschappelijk werker of een zakenrelatie. Deze gedetineerden hoopten niet alleen op bezoek omwille van instandhouding van relaties met de buitenwereld. Voor sommigen was het ontvangen van bezoek ook belangrijk om in hun behoefte aan drugs en geld te kunnen voorzien. Bijna de helft van deze respondenten die graag bezoek wilden ontvangen (N=36), gaf wel aan dat zij bepaalde personen liever niet tijdens het bezoekuur in de inrichting zouden zien verschijnen. Het betrof hoofdzakelijk familieleden (N=15), kinderen (N=7) en vrienden en kennissen. Daarnaast waren er een paar respondenten die liever geen bezoek wilden hebben van partners en ex-partners (N=5), hulpverleners (N=4) of van bekenden uit het milieu (N=5). De reden om bepaalde personen tijdens de detentie niet te willen zien is in hoofdzaak gelegen in de slechte relatie die voor de detentie met deze personen bestond. Kinderen vormden hierop een uitzondering. Uit de interviews bleek dat kinderen vaak niet op de hoogte waren van de detentie of dat de ouders de penitentiaire inrichting geen geschikte omgeving vonden om hun kinderen mee naar toe te nemen. Daarnaast is in het vorige hoofdstuk aan- gegeven dat niet met alle kinderen nauwe contacten werden onderhouden. Zo woonden bijvoorbeeld slechts twaalf vaders voor de detentie bij hun kinderen en hadden tien vaders alle contact met hun kinderen verbroken. Bijna eenderde van de respondenten die wel graag bezoek wilde ontvangen (N=24) bleek in de loop van de detentie toch geen bezoek te krijgen. Vijftien procent (N=15), waaronder vier zelfmelders, had geen enkele belangstelling voor bezoek. Een enkeling gaf aan dat hij geen bezoek wilde omdat hij de straf te kort vond om bezoekers daarvoor het hele land te laten doorkruisen. Eenderde van deze groep die zei geen belangstelling te hebben voor bezoek (N=5), bleek echter wel bezoek te hebben gekregen in de loop van de detentie Via de post of de telefoon kunnen gedetineerden ook contacten buiten de in- rich- dat het contact met hun kinderen verbeterd was. Eén van de aanbevelingen was dit project voor te zetten. De reclassering heeft daar gevolg aan gegeven: het project loopt in drie inrichtingen (Holwerda, 1997). 15. Het staat gedetineerden vrij om brieven te schrijven aan een ieder (art. 90 GM). De briefwisseling staat onder controle van de directeur (art. 91 lid 1 GM). In onder andere open en half open inrichtingen wordt de controle steekproefsgewijs en in de aanwezigheid van de gedetineerde uitgevoerd. Verder wordt de controle uitgevoerd in gevallen waarin de directeur dat nodig acht. De enveloppe en de inhoud worden gecontroleerd, maar niet de brief zelf. In gevangenissen voor langgestraften en andere inrichtingen waarin zich langgestraften bevinden, alsmede in alle hvb s wordt telkens of wanneer de directeur dit nodig acht de enveloppe en de inhoud nagekeken en steekproefsgewijs de inhoud van de brief (Circulaire van 3 april 1984, nr. 141/384, PI 1984, 50; Verpalen en De Jonge, 1992: 49-50; Kelk, 1993: ). 16. Op grond van artikel 92A GM kan de directeur een gedetineerde toestaan telefoongesprekken te voeren met personen buiten de inrichting. In open inrichtingen kan op door de directeur vastgestelde plaatsen en tijdstippen worden gebeld; in half open inrichtingen geldt hetzelfde tenzij de orde of de veiligheid in het geding is. In gesloten inrichtingen mogen gedetineerden tele- foneren volgens een door het Ministerie van Justitie vastgestelde regeling. Volgens deze regeling moeten gedetineerden op zijn minst in staat worden gesteld om wekelijks vijf minuten te kunnen telefoneren. In de meeste inrichtingen kan langer worden gebeld. In de regel worden inkomende telefoongesprekken niet doorverbonden, tenzij het om een noodgeval gaat. Over het algemeen is telefoneren voor eigen rekening. Gesprekken kunnen afgeluisterd worden. Telefoongesprekken met een advocaat of reclasseringsambtenaar worden niet afgeluisterd. De kosten van deze telefoontjes worden zij het niet onbeperkt door de overheid vergoed (Verpalen en De Jonge, 1992: 52-53;

10 DE DETENTIE 95 ting onderhouden. Circa tweederde van de respondenten (N=67; N =95) schreef brieven en het merendeel ontving ook post (N=80; N =95). Maar het telefonisch verkeer (N=82; N =95) was het belangrijkste. Lang niet iedereen was in staat zijn gedachten op papier te zetten. Zo bleek dat circa vijf procent van de respondenten niet kon lezen en/of schrijven. De respondenten die tijdens de detentie contacten met personen buiten de inrichting onderhielden, is ook gevraagd over wat voor soort onderwerpen zoal gesproken werd. Opvallend is dat de meesten het spreken over aan de inrichting gerelateerde thema s 17 zoveel mogelijk trachtten te beperken. Een respondent maakte hierover de volgende opmerking: Als je voor het eerst zit, dan heb je altijd veel aanloop. Mensen willen dan precies weten hoe het hier binnen zit. Maar als je vaker binnen bent geweest dan is dat geen thema meer. Respondenten die zelf aangaven dat het niet hun eerste detentie was, is gevraagd of zij deze keer meer bezoek kregen dan daarvoor. Uit de antwoorden kwam duidelijk naar voren dat de mate van bezoek van drie factoren afhankelijk was. Ten eerste was het hebben van een partner van invloed: wie een partner had kreeg doorgaans meer post en bezoek. De partner werd ook vaak gebeld. Een paar respondenten (N=2) slaagden er overigens in om tijdens de detentie nieuwe relaties aan te gaan met vrouwen, die met andere bezoekers meekwamen. Ten tweede speelde de duur van de straf een belangrijke rol. Naarmate de straf langer duurt, wordt er relatief meer contact met de buitenwereld onderhouden, omdat bij het uitzitten van een langere straf de noodzaak groter is om de 18 sociale relaties te onderhouden. Enerzijds is het van belang de tijd binnen zo goed mogelijk door te komen, anderzijds moet een langgestrafte zien te voorkomen dat hij na de detentie geïsoleerd raakt. Ten derde was de reisafstand voor bezoekers een zwaarwegend punt. Tabel 5.2 geeft de afstand tussen de woonplaats en de inrichting 19 weer. Tabel 5.2: Afstand tussen woonplaats en inrichting * Afstanden Gesloten inrichtingen Half open inrichtingen Totaal N=76 N=24 N=100 ** 0 25 km 11 14% 1 4% km 4 5% 7 29% km 21 28% 8 33% km 39 51% 8 33% 47 Meer dan 200 km 1 1% * De afstanden in deze tabel zijn hemelsbreed; er is niet naar de reistijden gevraagd. In feite zijn de Kelk, 1993: ). 17. In eerder onderzoek is dit ook geconstateerd (Moerings, 1978: 59). 18. Moerings komt dezelfde conclusie (Moerings, 1978: 64). 19. Sommige uitkeringsinstanties vergoeden (deels) de reiskosten van de partner en andere gezinsleden. Er bestaat geen landelijk beleid in deze.

11 96 LAAT MAAR ZITTEN ** afstanden dus nog groter. Bij respondenten zonder vaste woon- of verblijfplaats is uitgegaan van de plaats waar zij zich voor de detentie ophielden. Alle respondenten uit P.I. De Weg in Amsterdam (N=5) waren ook woonachtig in deze stad. Wat dat betreft neemt deze inrichting een uitzonderlijke positie in. Zowel respondenten uit gesloten als uit half open inrichtingen waren doorgaans een heel eind van de eigen woonplaats gedetineerd. Aangezien bezoek veelal uit dezelfde stad of regio als de respondent kwam, vormde de afstand een belemmering. Een bezoek aan de inrichting kostte dan (veel) tijd en geld. Vooral voor bezoekers die op het openbaar vervoer waren aangewezen, konden de reisduur en- kosten oplopen. Tabel 5.3 laat nog eens in één overzicht zien met wie en op welke manieren de respondenten tijdens de detentie contact hadden. Tabel 5.3: Contact tijdens de detentie N=95 Partner Kinderen Familie Vrienden/kennissen Overige Bezoek (N=61) Bellen (N=82) Post aan (N=67) Post van (N=80) In de categorie vrienden en kennissen vielen bij enkele respondenten ook contacten met personen met wie men eerder in andere inrichtingen gedetineerd was geweest. In de categorie overige werden nogal eens ex-partners en contacten met de sociale dienst of een advocaat genoemd. Niet alle respondenten die dat wilden, slaagden erin om tijdens de detentie contacten met mensen buiten de inrichting te onderhouden. Er waren drie respondenten (N =95), die geen bezoek ontvingen en verder ook geen telefonisch of schriftelijk contact met de buitenwereld hadden. In alle drie gevallen betrof het respondenten uit gesloten inrichtingen. Twee van hen waren voor de detentie dakloos. Een laatste mogelijkheid om de relaties met de buitenwereld te onderhouden is verlof 20 of strafonderbreking. Bij de zelfmelders wordt in principe een vierwekelijks weekendverlof verstrekt (Kelk, 1993: ). Eén respondent uit een half open inrichting weigerde van deze mogelijkheid gebruik te maken omdat hij het te zwaar vond om weer terug te moeten komen. In de gesloten inrichtingen wordt het verlof niet standaard verstrekt, maar moet het 21 worden aangevraagd. Veertig procent (N=38; N =95) heeft echter nooit verlof of straf- 20. Op grond van art. 46 BGW kan de Minister van Justitie toestemming geven om de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf voor een periode van ten hoogste drie maanden te onderbreken. 21. Voor inrichtingen met een regime, waarin het verlof geen standaardelement is (zoals bijvoorbeeld in een half open inrichting) is in 1982 De algemene verlofregeling gedetineerden ingevoerd. Deze regeling is gewijzigd per circulaire van 20 december 1991, nr /91 DJ: verlof wordt alleen op individuele basis toegekend; verlof is geen recht; verlof kan maximaal zestig uur duren en verlof

12 DE DETENTIE 97 onderbreking aangevraagd, hoofdzakelijk omdat ze van te voren al wisten dat ze niet meer in de inrichting terug zouden keren (N=11; N =95) of omdat het strafrestant te kort was om de hele procedure te volgen (N=13; N =95). Een andere reden was het vermijden van een urinecontrole. Alvorens op verlof te gaan moet namelijk blijken dat de gedetineerde geen drugs gebruikt. Verder zagen respondenten van het aanvragen van verlof af omdat ze nog zaken hadden openstaan en dus wisten dat ze toch geen verlof zouden krijgen of omdat ze er van begin af aan vanuit gingen dat het toch niet zou lukken. Bijna een kwart van de gedetineerden in gesloten inrichtingen (N=17) vroeg verlof of strafonderbreking aan, maar kreeg het niet omdat ze eerder niet van verlof waren teruggekeerd of omdat zij aangaven dat ze naar alle waarschijnlijkheid niet meer terug zouden komen (N=5) - (N =95). In een aantal gevallen (N=4) was de reden dat tijdens de detentie drugs werden gebruikt en in vier situaties was niet duidelijk waarom er geen verlof werd toegekend (N =95). Daarnaast werd verlof of strafonderbreking niet toegekend omdat het strafrestant te kort was (N=1) of er nog zaken open stonden (N=3; N =95). De overigen (N=16; N =95) kregen wel verlof of strafonderbreking toegekend. In alle gevallen was het verlof 22 geslaagd. De respondenten keerden weer tijdig terug in de inrichting. Het verlof werd onder andere aangevraagd om te kunnen solliciteren, huisvesting en uitkering te kunnen regelen of om problemen in de familie op te lossen. Respondenten gaven overigens vaak aan dat zij een aanvraag indienden alleen omdat je daar recht op hebt, zonder verdere concrete invulling omtrent de buiten de inrichting te besteden tijd. 5.3 Riskante gewoonten Wanneer naast drugsgebruik ook gokken en problematisch drinken in beschouwing worden genomen, dan blijkt dat voor de detentie circa zestig procent van de respondenten één drie riskante gewoonten combineerden. Uit het vorige hoofdstuk is gebleken dat voor de detentie ongeveer eenvijfde van de respondenten problematisch dronk. Uit onderzoek is bekend dat ook in detentie alcohol wordt gebruikt (Van de Hurk, Schippers en Breteler, hoeft niet per se in het weekend te vallen. Verder worden er een aantal voorwaarden wordt gesteld om voor verlof in aanmerking te komen: ten minste éénderde van de ale opgelegde straf moet zijn ondergaan en de ontslagdatum mag hooguit één jaar later zijn, waarbij het strafrestant minimaal drie maanden moet zijn. De ontslagdatum moet bekend zijn, er mogen dus geen openstaande zaken meer zijn. Daarnaast mag er geen vluchtgevaar bestaan, kans op recidive of ernstige verstoring van de rechtsorde. Verder komt een gedetineerde niet voor verlof in aanmerking indien er sprake is van vermoeden van misbruik van het verlof voor invoer van contrabande, het zich niet kunnen houden aan afspraken, eventuele maatschappelijke onrust naar aanleiding van de aard van het delict of de aandacht die het delict heeft gehad of slot het ontbreken van een aanvaardbaar verlofadres. Gedetineerden die na de detentie zullen worden uitgeleverd of uitgezet komen überhaupt niet voor verlof in aanmerking (Verpalen en De Jonge, 1992: 39-46; Kelk, 1993: ). 22. Ter vergelijking: uit een onderzoek blijkt dat in 1983 tussen de 8 en 13% van de verloven onregelmatig eindigt, ofwel dat 15 25%van de verlofgangers op één of andere wijze misbruik maakt van het verlof. De meeste onregelmatigheden blijken echter niet zo ernstig van aard te zijn. Op de 2600 toegekende verloven zijn slechts 7 gevallen bekend geworden waarin de gedetineerde zich tijdens het verlof schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf. Daarnaast is het bij 160 verloven (6%) voorgekomen, dat de verlofganger zich aan verdere detentie heeft willen onttrekken. De andere onregelmatigheden... zijn minder ingrijpend van aard (Rook en Sampiemon, 1985: 5-6).

13 98 LAAT MAAR ZITTEN 1994: ; Kommer en Brouwers, 1986: 38). Op de vraag naar het gebruik van verboden middelen tijdens de detentie noemde echter niemand alcohol. Uit de literatuur zijn mij geen voorbeelden bekend van gokken tijdens de detentie, waarmee niet gezegd wil worden dat het tijdens de detentie niet zou kunnen voorkomen. Hoewel zeven respondenten voor de detentie vonden dat hun gokgedrag problematisch was, deden zij geen uitlatingen over dit onderwerp. Voor de detentie gebruikte bijna de helft van de respondenten (N=46), waaronder slechts vijf zelfmelders, hard drugs en circa eenderde (N=34), waaronder slechts vier 23 zelfmelders, soft drugs. Het gebruik van hard en soft drugs overlapte elkaar: in aal gebruikte circa de helft van de respondenten (N=51) drugs. 24 Tabel 5.4 laat zien dat in detentie het aantal gebruikers aanzienlijk lager was dan voor de detentie, maar dat van abstinentie niet kan worden gesproken. Tabel 5.4: Drugsgebruik tijdens de detentie Gesloten inrichtingen Half open inrichtingen Totaal N=71 N=24 N=95 Uitsluitend soft drugs 15 21% 6 25% 21 22% * Uitsluitend hard drugs 1 1% % Soft en hard drugs 2 3% % Totaal aantal gebruikers 18 25% 6 25% 24 25% * Heroïne Hiervoor zijn verschillende verklaringen te geven, die elkaar niet uitsluiten. Hoewel de door drugsgebruikers verstrekte informatie doorgaans betrouwbaar geacht kan worden (Swierstra, 1990: ; Grapendaal et al., 1991: 10-13), bestaat de kans dat de respondenten deze vragen niet openhartig beantwoord hebben uit angst voor mogelijke consequenties. Indien dit het geval is, ligt het drugsgebruik in detentie in werkelijkheid hoger. Een andere verklaring is het in de literatuur beschreven verschijnsel dat in detentie door- 23. Begin jaren zeventig, toen het verschijnsel heroïneverslaving begon op te komen, was circa 3,5% van de inrichtingsbevolking aan hard drugs verslaafd voorafgaande aan de detentie. Tegen het einde van de jaren zeventig lag dit percentage in huizen van bewaring rond de 13% (Grapendaal, 1987b: 55). In de loop van de jaren tachtig is dit percentage steeds verder opgelopen: in 1985 werd het percentage aan heroïne en/of cocaïne verslaafden in penitentiaire inrichtingen gemiddeld op circa 33% geschat (Erkelens, 1987: 107). In 1995 werd het percentage aan alcohol en/of drugsverslaafden binnen de inrichtingen op vijftig procent geschat (Ministerie van Justitie, 1995: 25). 24. Bij aanvang van de detentie werd in de Marwei (N=60) door één persoon soft en hard drugs gebruikt en door een ander uitsluitend soft drugs. Tegen het einde van de detentie gaven twee respondenten aan zowel hard als soft drugs te gebruiken, één uitsluitend hard drugs en tien soft drugs.

14 DE DETENTIE 99 gaans het gebruik van hard drugs daalt, terwijl de consumptie van soft drugs toeneemt 25 (Erkelens, 1987: 108; Hurk et al., 1991: 135). Een voor de hand liggende verklaring is dat soft drugs goedkoper zijn dan hard drugs. Grapendaal kent aan het gebruik van soft drugs tijdens de detentie drie functies toe. In de eerste plaats heeft het roken van een joint een symbolische functie. Het is een vorm van verzet tegen de in de inrichting bestaande regels. 26 Ten tweede wordt cannabis gebruikt als een natuurlijke tranquillizer om de moeilijke avonduren door te komen. In de derde plaats heeft het soft drugsgebruik de functie van sociaal bindmiddel. Door gebruik van soft drugs zouden nieuwkomers gemakkelijker aansluiting kunnen vinden (Grapendaal, 1987b: 60-61). Tijdens de detentie werden door de respondenten niet alleen drugs gebruikt, maar ook medicijnen. Tabel 5.5 geeft een overzicht. Tabel 5.5: Drugs- en medicijngebruik tijdens de detentie Gesloten inrichtingen Half open inrichtingen Totaal N=71 N=24 N=95 * Uitsluitend drugs 11 15% 5 21% 16 17% Uitsluitend medicijnen 27 38% 9 38% 36 38% ** Drugs en medicijnen 7 10% 1 42% 8 8% Totaal 45 63% 15 63% 60 63% * ** Alleen soft drugs. In één geval betrof het heroïne en verder uitsluitend soft drugs. Drugs werden onder andere gecombineerd met slaapmedicatie (N=3), kalmerende middelen (N=2). Circa tien procent gebruikte drugs in combinatie met medicijnen, die door de medische dienst werden verstrekt. Drugs werden via eigen import of medegedetineerden verkregen. 27 Er bestaat geen regelgeving ten aanzien van de verstrekking van methadon in penitentiaire 25. Daarmee hangt samen een verschuiving in gebruikswijzen: van basen en chinezen voor de detentie naar hoofdzakelijk roken in detentie. 26. Een PIW er uit een gesloten inrichting maakte in dit verband eens de volgende opmerking: Als er weinig vraag is naar slaapmedicatie, weten we dat ruimschoots drugs in omloop zijn. Je zou je kunnen afvragen of de inrichting(swerker) belang heeft bij het oogluikend toestaan van cannabis omdat de rust in de inrichting erbij gebaat is. 27. Grapendaal geeft de volgende opsomming: Bekend geworden smokkelmanieren zijn onder andere het verwisselen van schoeisel tijdens de bezoekuren, het met de mond doorgeven bij het kussen, verbergen onder de postzegels van brieven, laten inblikken en versturen als Sinterklaassurprise, via legaal in te voeren artikelen als radio s, cassettebandjes, fruit, op een afgesproken plaats over de muur werpen, met een katapultmechanisme vanuit de cel een verzwaard lijntje over de muur schieten, een kinderkaart van het "neefje" van de gedetineerde aan "oom" met mechaniek dat bij nadere beschouwing gevuld is met een wit poeder, een gevuld condoom rectaal verborgen bij een van verlof terugkerende gedetineerde. Men is vindingrijk, vindingrijker dan het personeel (Grapendaal, 1987b: 57).

15 100 LAAT MAAR ZITTEN inrichtingen. Per inrichting verschilt de verstrekking. In P.I. de Geerhorst werd geen 28 methadon verstrekt. Indien gedetineerden voor de detentie methadon gebruikten, kwamen zij zelfs niet in aanmerking voor plaatsing in de Geerhorst. In de andere inrichtingen werd het methadongebruik tijdens de detentie in één of twee weken afgebouwd Naar aanleiding hiervan is door gedetineerden een aantal kort geding-procedures gevoerd. Het Ministerie van Justitie heeft eveneens getracht een uniform methadonbeleid stand te brengen. Voor een overzicht zie: Van Balen, 1998: De voormalig adviseur voor verslavingsaangelegenheden bij het Ministerie van Justitie P.A. Roorda zond in 1985 een notitie aan alle inrichtingsartsen waarin hij onderscheid maakte tussen kortgestraften die na de detentie het methadonprogramma van voor de detentie zullen voortzetten en langgestraften die na hun veroordeling in een gevangenis worden geplaatst. Roorda was van mening dat bij de langgestrafte in beginsel naar een afbouw van het methadonprogramma kon worden gewerkt. Ten aanzien van de zojuist genoemde kortgestraften was hij van mening dat het geen zin had hen een onderhoudsdosis te onthouden (Kelk, 1998: 84). Over het algemeen kan gesteld worden dat het methadonbeleid in de inrichtingen sinds de uitvoer van het onderzoek minder rigide is geworden: er wordt vaker aan langdurig verslaafden een onderhoudsdosis verstrekt. Bovendien wordt meer getracht aansluiting te vinden bij het buiten de inrichting gevolgde methadonprogramma.

16 DE DETENTIE 101 De respondenten is niet alleen naar hun gebruik tijdens de detentie gevraagd maar ook naar hun wens en mogelijkheden om in detentie af te kicken. Slechts twee respondenten waren van mening dat in detentie niet kon worden afgekickt omdat dat in vrijheid en zonder dwang zou moeten geschieden. Verder waren diegenen die voor de detentie hard drugs gebruikten de mening toegedaan dat de motivatie een belangrijkere factor was dan de locatie. Van dwang werd weinig heil verwacht. Bijna de helft van de hard drugsgebruikers (N=19) beweerde dat ze op het moment van het interview bij zestig in de eerste week van de detentie al lichamelijk afgekickt waren, omdat zij voor plaatsing in de inrichting korte tijd in een politiecel of in een andere inrichting hadden gezeten, waar zij niet meer hadden gebruikt. Een belangrijke peiler van het Nederlandse penitentiair beleid ten aanzien van drugs is de Drugs Vrije Afdeling (DVA). Dit is een afdeling met een regime dat speciaal is afgestemd op verslaafden. De respondenten is ook gevraagd wat zij hier van vonden. Sommigen dachten dat een DVA bestemd was voor niet-gebruikers, die er hun straf ongestoord zouden kunnen uitzitten. Bij diegenen die wel wisten wat een DVA was, waren de meningen niet positief: Daar wordt nog meer gebruikt dan in de rest van de inrichting. Slechts vier respondenten, allen uit gesloten inrichtingen, konden zich voorstellen 30 dat verblijf op een DVA baat zou kunnen hebben. Bijna veertig procent (N=18; N =95) van diegenen die voor de detentie hard drugs (N=46) gebruikten, waaronder vijf zelfmelders, was er tijdens de detentie van overtuigd dat zij na de vrijlating met hun drugsgebruik door zouden gaan. Circa zestig procent van de hard drugsgebruikers (N=29; N =95), waaronder vijf zelfmelders, zag ook een direct verband tussen hun verslaving en het in de toekomst opnieuw gedetineerd worden. 5.4 Gezondheid Uit het vorige hoofstuk is gebleken dat voor de detentie dertig procent (N=30) medische klachten had. Tijdens de detentie bleek dat aantal zowel in gesloten als in half open inrichtingen te zijn opgelopen, zoals tabel 5.6 laat zien. 30. Aan de hand van onderzoek konden op de lange termijn geen effecten van een verblijf op een DVA worden aangetoond. Het detentieklimaat op DVA s werd weliswaar gunstig gevonden. Een ander positief effect was dat verslaafden zouden ervaren hoe het is om zonder drugs te leven. Het was echter niet mogelijk met behulp van achtergrondkenmerken van gedetineerden, die op een DVA verbleven hadden, voorspellingen te doen ten aanzien van veranderingen na de detentie (Van de Hurk, Schippers en Breteler, 1994). Inmiddels is de DVA veranderd in een VBA, een Verslaafden Begeleidings Afdeling. Uit onderzoek blijkt dat voor diegenen die daadwerkelijk het roer om willen gooien de VBA te weinig steunt biedt, terwijl voor gedetineerden die er uitsluitend op gericht zijn hun detentie drugsvrij door te komen, de lat te hoog ligt. Dat botst. Daarnaast worden gemeenschapsongeschikten, gedetineerden die de Nederlandse taal niet voldoende machtig zijn en gedetineerden die niet drugsvrij zijn, niet op een VBA geplaatst. Al met al maakt dit dat het voor veel gedetineerden moeilijk is om aan de gestelde eisen te voldoen (Bieleman en Van der Laan, 1999: 63).

17 102 LAAT MAAR ZITTEN Tabel 5.6: Medische klachten tijdens de detentie Gesloten Half open in- Totaal inrichtingen richtingen N=95 N=71 N=24 Geen medische klachten 35 49% 12 50% 47 49% Verrekte spieren, breuken en andere 9 13% 1 4% 10 11% klachten in de benen Rug en/of nek 8 11% 1 4% 9 9% Irritatie/allergische reactie huid en ogen 6 8% 2 8% 8 8% Maag 5 7% 2 8% 7 7% Ademhalingsproblemen 4 6% 1 4% 5 5% Hoofdpijn 3 4% 1 4% 4 4% Afkickverschijnselen 2 3% % Overige 10 14% % Tijdens de detentie bleken de respondenten meer en vaak ook andersoortige klachten te hebben dan voor de detentie. Hiervoor zijn verschillende verklaringen mogelijk. Hoewel slechts twee respondenten expliciet over afkickverschijnselen spraken, is het mogelijk dat de andere verslaafden dit anders verwoord hebben. Voor de detentie gebruikte eenderde van de respondenten met medische klachten hard drugs, tijdens de detentie bestond bijna de helft (N=23; N =95) van de groep met medische problemen uit hard drugs gebruikers. Daarnaast valt op dat de nieuwe categorie beenbreuken en verrekte spieren groot is. Deze categorie is medeverantwoordelijk voor de stijging van het aantal klachten. Tijdens de detentie namen de respondenten meer deel aan sport dan voor binnenkomst in de inrichting. Verder zijn allergische reacties en ademhalingsproblemen nieuw, welke deels kunnen worden verklaard als een stressreactie op het leven in de inrichting, ook al hielden de respondenten bij hoog en bij laag vol dat het niet psychisch was. Voor de detentie had een kwart (N=25) psychische klachten. Dat kwam relatief even vaak voor bij respondenten uit gesloten inrichtingen als bij de zelfmelders. Tijdens de detentie gaf twintig procent van de respondenten aan psychische problemen te hebben (N=19; N =95). In de gesloten inrichtingen bleek net als voor de detentie nog steeds een kwart deze klachten te hebben. Slechts één zelfmelder gaf aan psychische problemen te hebben. Het valt moeilijk uit te maken of de psychische nood bij gedetineerden in dit type inrichting is afgenomen of dat een aantal psy- chische klachten zich vertaald heeft in fysieke kwalen zoals bijvoorbeeld ademhalingsproblemen of allergische reacties. In het laatste geval is het opmerkelijk dat een dergelijke verschuiving niet in gesloten inrichtingen is opgetreden.

18 DE DETENTIE 103 Net als voor de detentie was bijna iedereen (N=40; N =95) met medische klachten onder doktersbehandeling. Het merendeel van de respondenten met psychische klachten (N=13; N =95) had een dokter of een hulpverlener geraadpleegd, zoals voor de detentie. In aal hadden zestig respondenten (N =95) medische en/of psychische problemen de combi- natie kwam twaalf keer voor (N =95). Drie kwart van de respondenten met medische en 31 psychische problemen (N=44; N =95) gebruikte medicijnen. Bijna twintig procent van alle genoemde medicijnen waren pijnstillers, nog eens twintig procent bestond uit slaapmiddelen en ruim eentiende betrof kalmeringsmiddelen en antidepressiva. De verder genoemde medicatie, van insuline AIDS-remmers als A.Z.T., was zo uiteenlopend dat verdere rubricering ondoenlijk was. De respondenten is gevraagd of zij bang waren om tijdens de detentie een ziekte als AIDS, T.B.C. of hepatitis op te lopen. Circa veertig procent van de respondenten (N=42; N =95) maakte zich daar wel eens zorgen over. Ongeveer de helft van de zelfmelders (N=13) piekerde over gezondheidsrisico s tijdens de detentie. In de gesloten inrichtingen gaf bijna veertig procent (N=29) te kennen bang te zijn om in detentie een ziekte op te lopen. 32 In het vorige hoofdstuk is gebleken dat slechts één respondent tijdens de interviews kenbaar maakte seropositief te zijn. Niet bekend is wat gedetineerden weten over de overdracht van besmettelijke ziekten, zoals HIV. Over het algemeen wordt die kennis 33 echter gering geacht (Willems et al., 1992: 16). Uit de interviews bleek dat lang niet alle gedetineerden op de hoogte waren van de wijze van overdracht van het HIV-virus: Als ik zou weten dat hier iemand met AIDS zit, dan sloeg ik hem op zijn bek. Zo gaven respondenten, die beweerden op de hoogte te zijn van de verschillende manieren van besmetting, toch aan bang te zijn: In verband met AIDS durf ik hier binnen niet te vechten. Deze respondenten gaven ook aan dat zij besmette medegedetineerden uit de weg zouden gaan. Een enkeling bagatelliseerde uit onwetendheid de kans op besmetting binnen detentie met de opmerking hier binnen zijn toch geen vrouwen, dus mij kan niets gebeuren. Bij AIDS hadden veel respondenten het idee dat ze zelf in de hand hadden of ze wel dan niet besmet zouden worden je bepaalt immers zelf of je drugs spuit en met wie en 34 hoe je seksuele contacten onderhoudt. In hun ogen was een besmetting met T.B.C. een 31. In de Marwei (N=60) gebruikte bij aanvang van de detentie ongeveer de helft (N=27) medicijnen. Hierin kwam tegen het einde van de detentie weinig verandering in (N=29). 32. Van diegenen die twee keer tijdens de detentie zijn geïnterviewd (N=60), was in de eerste week ruim eenderde bang (N=22) voor het oplopen van een ziekte tijdens de detentie. Tegen het einde van de detentie waren even veel respondenten (N=22) bang voor het besmet raken met een ziekte. Een kwart (N=15) was de hele detentieperiode bang voor ziekten, ruim tien procent (N=7) uitsluitend bij aanvang van de detentie en nog eens circa tien procent (N=7) gaf alleen vlak voor de vrijlating te kennen niet helemaal gerust te zijn wat betreft de medische risico s tijdens detentie. 33. In Nederlandse penitentiaire inrichtingen wordt het aantal HIV-geïnfecteerden op één procent geschat. Voor meer achtergrondinformatie ten aanzien van het AIDS-beleid in inrichtingen zie: De Graaff, In dit artikel wordt onder andere ingegaan op preventiemaatregelen en testbeleid in detentie. Verder is in 1994 een Advies aan de Minister van Welzijn, Volks- gezondheid en Cultuur verschenen. Dit advies bevat een uitgebreider overzicht van de AIDS-bestrijding in Nederlandse inrichtingen. 34. Een niet zo vaak genoemde vorm van overdracht van het HIV-virus in detentie is het bij elkaar aanbrengen van tatoeages.

19 104 LAAT MAAR ZITTEN groter risico: ze hoeven maar je kant op te hoesten. Veel respondenten die bang waren om tijdens de detentie een ziekte op te lopen, wezen op onhygiënische omstandigheden binnen de muren. Ze waren bijvoorbeeld vies van hun bestek en dekens. Zij waren ook vies van elkaar: als je op de luchtplaats ziet hoe sommigen er hier bij lopen, ik durf hier echt niet op blote voeten te douchen hoor. 5.5 Hulpverlening Doorgaans wordt de korte vrijheidsstraf te kort gevonden om een groots opgezet hulpverleningsprogramma aan te bieden. Wel kunnen gedetineerden gedurende hun verblijf in 35 de inrichting van verschillende diensten gebruik maken zoals tabel 5.7 laat zien. Tabel 5.7: Contact met de medische dienst en hulpverlening Gesloten inrichtingen Half open inrichtingen Totaal N=71 N=24 N=95 Medische dienst 53 75% 8 33% 61 64% * Geestelijke verzorging 18 25% 4 17% 22 23% Psycholoog 4 6% 1 4% 5 5% Psychiater 5 7% % Maatschappelijk werk 14 20% 7 29% 21 22% Reclassering 13 18% 1 4% 14 15% Verslavingszorg 12 17% 1 4% 13 14% * In 1995 had het Ministerie van Justitie 67 pastors, 55 dominees, 39 humanistische raadslieden en drie rabbijnen in dienst als geestelijk verzorgers. In 1991 werd een regeling in het leven geroepen op grond waarvan ook imams en pandits, Hindoestaanse priesters, tegen een uurvergoeding in justitiële inrichtingen konden worden ingezet. Deze regeling was van tijdelijke aard. Het was de bedoeling dat imams en pandits uiteindelijk in vaste dienst zouden komen. In 1995 was deze regeling echter nog steeds van kracht. Als reden hiervoor werd genoemd dat de Moslim- en Hindoegemeenschap in Nederland er niet in slaagde een centrale zendende instantie stand te brengen ( NRC Handelsblad ). In de literatuur wordt wel eens gesproken over vijandigheid jegens therapeuten en hulpverleners bij gedetineerden (Van de Hurk, Schippers en Breteler, 1994: 23). De volgende 35. Een voorbeeld: In de behoeftebepaling [voor kortgestraften] is deze categorie [psychisch gestoorden]... niet betrokken. Het nog te volbrengen strafrestant is namelijk te kort om gedetineerden een programmatische opvang te kunnen bieden. (Ministerie van Justitie, Rapport van de deelprojectgroep psychisch gestoorde gedetineerden en het Rapport van de deelprojectgroep maatschappelijke integratie, 1994).

20 DE DETENTIE 105 uitspraken van respondenten wijzen op een dergelijke houding: Aan je hoofd kunnen ze toch niets veranderen. Je moet het zelf oplossen. Het wordt hier al te snel op het psychische gegooid. Uit tabel 5.7 blijkt echter dat dit beslist niet voor alle gedetineerden geldt. Een aantal respondenten gaf aan behoefte te hebben aan concrete hulpverlening, zoals bijvoorbeeld assistentie bij het aanvragen van een uitkering voor na de detentie of het zoeken van een huis, in plaats van het voeren van meer abstracte gesprekken. 5.6 Financiële situatie Geld in de inrichting In detentie beschikken gedetineerden doorgaans over twee rekeningen: een zakgeldrekening, waar het in detentie verdiende loon op bijgeschreven wordt en een eigen geldrekening, waarop van buitenaf geld kan worden gestort. Alleen vanaf de zakgeldrekening kunnen aankopen in de winkel in de inrichting worden gedaan. Gedetineerden kunnen bedragen van hun eigen geld-rekening halen en op de zakgeldrekening storten (Kelk, 1993: 242; De Jonge, 1994: 76-78). Gedetineerden kunnen via deze rekeningen geld naar elkaar overmaken. Gedetineerden mogen tijdens de detentie niet over contant geld beschikken. Een respondent uit een gesloten inrichting beschreef hoe het economische verkeer onder de gedetineerden verliep: Hierbinnen hebben we eigenlijk een ruileconomie. Drugs worden betaald in telefoonkaarten, als je extra service wil uit de keuken dan kost dat telefoonkaarten en ook schulden onder elkaar drukken wij uit in telefoonkaarten. Naast telefoonkaarten werden ook persoonlijke bezittingen of diensten, zoals koken of schoonmaakwerk, door de gedetineerden geruild. Al eerder werd gezegd dat gedetineerden ook de mogelijkheid hadden om geld op elkaars rekeningen te storten. Aan deze methode kleefde volgens de respondenten echter het bezwaar dat het personeel in de inrichting inzicht zou krijgen in de onderlinge transacties In de inrichting verkregen inkomsten Gemiddeld verdienden de respondenten zowel in gesloten als in half open inrichtingen 36 circa dertig gulden per week. Negen respondenten, waaronder zes zelfmelders vonden dit loon voldoende. De rest was echter niet te spreken over de hoogte van het loon - (N =95). Het is moeilijk om gefundeerde uitspraken te doen over de inkomsten uit de informele economie in de inrichting. Het is begrijpelijk dat respondenten zich tijdens de interviews 36. Op basis van de Loonregeling gedetineerden uit 1948 wordt periodiek de hoogte van het loon bepaald. In inrichtingen voor langgestraften en in Penitentiair Open Inrichtingen wordt het loon overigens op andere wijze bepaald. Zie voor meer informatie: De Jonge en Verpalen, 1992: Zie voor een overzicht rond de discussie in Nederland over de hoogte van het loon voor gedetineerden en het eventueel uitbetalen van het wettelijk minimumloon tijdens detentie: De Jonge, 1994:

Het leven na de detentie

Het leven na de detentie HET LEVEN NA DE DETENTIE 115 Hoofdstuk 6 Het leven na de detentie Inleiding In hoofdstuk 5 is beschreven hoe het de respondenten tijdens de detentie is vergaan. In dit hoofdstuk komen de wederwaardigheden

Nadere informatie

Y.A.J.M. van Kuijck, waarnemend algemeen voorzitter

Y.A.J.M. van Kuijck, waarnemend algemeen voorzitter Aan de Minister van Justitie Postbus 20301 2500 EH Den Haag datum : 13 februari 2006 kenmerk : CR35/1035453/06/AvdH/TvV betreft : advies over het onderwijs in de p.i.-en Mijnheer de minister, Bij de toezichtbezoeken

Nadere informatie

Het leven voor de detentie

Het leven voor de detentie Hoofdstuk 4 Het leven voor de detentie Inleiding Bij de opzet van dit onderzoek naar de werking van de korte vrijheidsstraf is in hoofdstuk 1 onder meer tot doel gesteld om een beeld van kortgestraften

Nadere informatie

Samenvatting. Achtergrond, doel en onderzoeksvragen

Samenvatting. Achtergrond, doel en onderzoeksvragen Samenvatting Achtergrond, doel en onderzoeksvragen Voor de tweede keer heeft het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) de situatie van (ex-)gedetineerden op de gebieden identiteitsbewijs,

Nadere informatie

Het voortbestaan van de korte vrijheidsstraf

Het voortbestaan van de korte vrijheidsstraf Hoofdstuk 8 Het voortbestaan van de korte vrijheidsstraf Inleiding In dit hoofdstuk zal allereerst een samenvatting worden gegeven van het voorafgaande, waarbij de nadruk zal liggen op de conclusies van

Nadere informatie

Interview protocol (NL)

Interview protocol (NL) Interview protocol (NL) Protocol telefoongesprek slachtoffers Goedemorgen/middag, u spreekt met (naam) van de Universiteit van Tilburg. Wij zijn op dit moment bezig met een onderzoek naar straat- en contactverboden

Nadere informatie

De subjectieve zwaarte van detentie: een empirisch onderzoek. Ellen Raaijmakers Jan de Keijser Paul Nieuwbeerta Anja Dirkzwager Joni Reef

De subjectieve zwaarte van detentie: een empirisch onderzoek. Ellen Raaijmakers Jan de Keijser Paul Nieuwbeerta Anja Dirkzwager Joni Reef De subjectieve zwaarte van : een empirisch onderzoek Ellen Raaijmakers Jan de Keijser Paul Nieuwbeerta Anja Dirkzwager Joni Reef Veenhuizen 20 Juni 2014 Achtergrond Detentie dient vier doelen: Afschrikking

Nadere informatie

Middelengebruik bij jongens in Justitiële Jeugdinrichtingen

Middelengebruik bij jongens in Justitiële Jeugdinrichtingen Middelengebruik bij jongens in Justitiële Jeugdinrichtingen Het gebruik van tabak, alcohol, cannabis en drugs bij jongens met en zonder PIJmaatregel Samenvatting Annelies Kepper Violaine Veen Karin Monshouwer

Nadere informatie

WAAR KAN IK HULP VINDEN? Informatie over geestelijke gezondheidsproblemen

WAAR KAN IK HULP VINDEN? Informatie over geestelijke gezondheidsproblemen WAAR KAN IK HULP VINDEN? Informatie over geestelijke gezondheidsproblemen Tekst: Aziza Sbiti & Cha-Hsuan Liu Colofon: Deze brochure is totstandgekomen met hulp van het Inspraak Orgaan Chinezen. De inhoud

Nadere informatie

HET GEBRUIK VAN EN DE BEHOEFTE AAN KINDEROPVANG IN DE GEMEENTE NIJMEGEN

HET GEBRUIK VAN EN DE BEHOEFTE AAN KINDEROPVANG IN DE GEMEENTE NIJMEGEN HET GEBRUIK VAN EN DE BEHOEFTE AAN KINDEROPVANG IN DE GEMEENTE NIJMEGEN HET GEBRUIK VAN EN DE BEHOEFTE AAN KINDEROPVANG IN DE GEMEENTE NIJMEGEN - eindrapport - Drs. Janneke Stouten Dr. Marga de Weerd

Nadere informatie

Van baan naar eigen baas

Van baan naar eigen baas M200912 Van baan naar eigen baas drs. A. Bruins Zoetermeer, juli 2009 Van baan naar eigen baas Ruim driekwart van de ondernemers die in de eerste helft van 2008 een bedrijf zijn gestart, werkte voordat

Nadere informatie

Directoraat-Generaal Preventie, Jeugd en Sancties

Directoraat-Generaal Preventie, Jeugd en Sancties Ministerie van Justitie j1 Directoraat-Generaal Preventie, Jeugd en Sancties Directie Sanctie- en Preventiebeleid Postadres: Postbus 20301, 2500 EH Den Haag Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Nadere informatie

Wat weten wij over de gevangenispopulatie?

Wat weten wij over de gevangenispopulatie? Wat weten wij over de gevangenispopulatie? Een overzicht van bevindingen uit verschillende onderzoeken Jo-Anne Wemmers maart 1995 Justitie Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum Ov 6600 . J

Nadere informatie

betreft: [klager] datum: 2 februari 2015

betreft: [klager] datum: 2 februari 2015 nummer: 14/3322/GA en 14/3394/GA betreft: [klager] datum: 2 februari 2015 De beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van bij

Nadere informatie

Gedetineerden onderzocht

Gedetineerden onderzocht Hoofdstuk 2 Gedetineerden onderzocht Inleiding In dit hoofdstuk staat de methode van onderzoek centraal. In de eerste paragraaf wordt de probleemstelling uitgewerkt en de onderzoeksopzet behandeld. Vervolgens

Nadere informatie

Informatie over je verblijf in de kliniek. Jouw verblijf in de kliniek. Het behandelplan. De regels in het kort

Informatie over je verblijf in de kliniek. Jouw verblijf in de kliniek. Het behandelplan. De regels in het kort Informatie over je verblijf in de kliniek Jouw verblijf in de kliniek Het behandelplan De regels in het kort We helpen je naar een leven zonder verslavende middelen Welkom In de bossen bij Bilthoven staat

Nadere informatie

Strafuitvoeringsrechtbanken

Strafuitvoeringsrechtbanken Strafuitvoeringsrechtbanken Op 1 februari 2007 traden de strafuitvoeringsrechtbanken in werking. Heel wat beslissingen die vroeger door de minister van justitie genomen werden, zullen nu door een rechter

Nadere informatie

Mijn hersenletsel. Toelichting: Toelichting: Toelichting: Toelichting: Toelichting: Toelichting: Toelichting: Toelichting: Toelichting:

Mijn hersenletsel. Toelichting: Toelichting: Toelichting: Toelichting: Toelichting: Toelichting: Toelichting: Toelichting: Toelichting: Mijn hersenletsel Ik heb moeite met het vasthouden of verdelen van mijn aandacht. Ik ben snel afgeleid. Ik heb moeite om alles bij te houden/de wereld gaat zo snel. Ik heb moeite met flexibiliteit en veranderingen.

Nadere informatie

Datum 2 maart 2010 Onderwerp Kamervragen van het lid Van Velzen (SP) over de uitvoering van penitentiaire programma's

Datum 2 maart 2010 Onderwerp Kamervragen van het lid Van Velzen (SP) over de uitvoering van penitentiaire programma's > Retouradres Postbus 20301 2500 EH Den Haag Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Directoraat-Generaal Preventie, Jeugd en Sancties Directie Sanctie-

Nadere informatie

Onderzoek afhandeling bezwaarschriften Juridische Zaken Dymphna Meijneken, Ben van de Burgwal afd. Onderzoek en Statistiek Juni 2011

Onderzoek afhandeling bezwaarschriften Juridische Zaken Dymphna Meijneken, Ben van de Burgwal afd. Onderzoek en Statistiek Juni 2011 Onderzoek afhandeling bezwaarschriften Juridische Zaken Dymphna Meijneken, Ben van de Burgwal afd. Onderzoek en Statistiek Juni 2011 Samenvatting De afdeling Juridische Zaken (JZ) wil een vinger aan de

Nadere informatie

Strafuitvoeringsrechtbanken

Strafuitvoeringsrechtbanken v.u.: Jos Vander Velpen, Gebroeders De Smetstraat 75, 9000 Gent foto s: Lieven Nollet Strafuitvoeringsrechtbanken Gebroeders De Smetstraat 75 9000 Gent tijdstip eerste publicatie: februari 2007 - herwerking:

Nadere informatie

Wonen zonder partner. Arie de Graaf en Suzanne Loozen

Wonen zonder partner. Arie de Graaf en Suzanne Loozen Arie de Graaf en Suzanne Loozen In 25 telde Nederland 4,2 miljoen personen van 18 jaar of ouder die zonder partner woonden. Eén op de drie volwassenen woont dus niet samen met een partner. Tussen 1995

Nadere informatie

De civiele kamer van de Commissie van het Schadefonds Geweldsmisdrijven

De civiele kamer van de Commissie van het Schadefonds Geweldsmisdrijven Uitspraak De civiele kamer van de Commissie van het Schadefonds Geweldsmisdrijven Zaaknummer: ****** Datum uitspraak: 17 juli 2015 De civiele kamer van de Commissie van het Schadefonds Geweldsmisdrijven

Nadere informatie

INFORMATIEVOORZIENING URENAFTREK DOOR ZELFSTANDIGEN VANUIT WW

INFORMATIEVOORZIENING URENAFTREK DOOR ZELFSTANDIGEN VANUIT WW INFORMATIEVOORZIENING URENAFTREK DOOR ZELFSTANDIGEN VANUIT WW INFORMATIEVOORZIENING URENAFTREK DOOR ZELFSTANDIGEN VANUIT WW - eindrapport - drs. L.F. Heuts drs. R.C. van Waveren Amsterdam, december 2009

Nadere informatie

Rapport. Verslag van Rapport over een klacht over de SVB te Amstelveen. Datum: 22 januari 2013. Rapportnummer: 2013/007

Rapport. Verslag van Rapport over een klacht over de SVB te Amstelveen. Datum: 22 januari 2013. Rapportnummer: 2013/007 Rapport Verslag van Rapport over een klacht over de SVB te Amstelveen Datum: 22 januari 2013 Rapportnummer: 2013/007 2 De klacht en de achtergronden De Nationale ombudsman ontving in het voorjaar van 2012

Nadere informatie

Toezichtaspect Criterium Norm of verwachting Informatiebron Reïntegratie Het aanbod draagt bij aan de reïntegratie/ het voorkomen van recidive

Toezichtaspect Criterium Norm of verwachting Informatiebron Reïntegratie Het aanbod draagt bij aan de reïntegratie/ het voorkomen van recidive Toetsingskader Exodus, 15 januari 2008 De normering is gebaseerd op de kwaliteitscriteria resocialisatietrajecten ex-gedetineerden zoals geformuleerd door de Directie Sanctie- en Preventiebeleid van het

Nadere informatie

Titel II. Straffen. 1. Algemeen. Artikel 1:11

Titel II. Straffen. 1. Algemeen. Artikel 1:11 Titel II Straffen 1. Algemeen Artikel 1:11 1. De straffen zijn: a. de hoofdstraffen: 1. gevangenisstraf; 2. hechtenis; 3. taakstraf; 4. geldboete. b. de bijkomende straffen: 1. ontzetting van bepaalde

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2002 2003 28 627 Wijziging van de Tijdelijke wet noodcapaciteit drugskoeriers Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING Algemeen 1 Kamerstukken II 2001/2002, 28 192,

Nadere informatie

Kliniek Wolfheze. Informatie voor patiënten

Kliniek Wolfheze. Informatie voor patiënten Kliniek Wolfheze Informatie voor patiënten We spreken van een verslaving wanneer bepaald gedrag zoals middelengebruik of gokken uw leven gaat beheersen. Soms lukt het niet om daar zelf uit te komen. Bij

Nadere informatie

Hoofdstuk 6. Bezoek burgerzaken

Hoofdstuk 6. Bezoek burgerzaken Hoofdstuk 6. Bezoek burgerzaken Samenvatting Burgerzaken is op werkdagen dagelijks open van 8.30 tot 16.00 uur, donderdag doorlopend van 8.30 tot 20.00 uur en op zaterdagochtend. Voor de bezoekuren in

Nadere informatie

betreft: [klager] datum: 8 augustus 2014 Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:

betreft: [klager] datum: 8 augustus 2014 Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt: nummer: 14/1038/GA betreft: [klager] datum: 8 augustus 2014 De beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat

Nadere informatie

(Basis) Penitentiair Programma: brug naar de samenleving. Penitentiair Trajectencentrum PI Rotterdam Informatie voor werkgevers

(Basis) Penitentiair Programma: brug naar de samenleving. Penitentiair Trajectencentrum PI Rotterdam Informatie voor werkgevers (Basis) Penitentiair Programma: brug naar de samenleving Penitentiair Trajectencentrum PI Rotterdam Informatie voor werkgevers PTC, PP, BPP en PIA in het kort Een (Basis) Penitentiair Programma biedt gedetineerden

Nadere informatie

De Commissie heeft vastgesteld dat tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening niet tot oplossing van het geschil heeft geleid.

De Commissie heeft vastgesteld dat tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening niet tot oplossing van het geschil heeft geleid. Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 21 d.d. 2 april 2009 (mr. M.M. Mendel, voorzitter, mr. E.M. Dil - Stork en mr. B. Sluijters) 1. Procedure De Commissie beslist met inachtneming

Nadere informatie

5 Samenvatting en conclusies

5 Samenvatting en conclusies 5 Samenvatting en conclusies In 2008 werden in Nederland bijna 5,2 miljoen mensen het slachtoffer van criminaliteit (cbs 2008). De meeste van deze slachtoffers kregen te maken met diefstal of vernieling,

Nadere informatie

Hoe denken Zeeuwse jongeren en ouders over alcoholgebruik door jongeren? Onderzoek GGD Zeeland maart 2011

Hoe denken Zeeuwse jongeren en ouders over alcoholgebruik door jongeren? Onderzoek GGD Zeeland maart 2011 Hoe denken Zeeuwse jongeren en ouders over alcoholgebruik door jongeren? Onderzoek GGD Zeeland maart 2011 Zeeuwse jongeren en alcohol In 2010 is de Zeeuwse campagne Laat ze niet (ver)zuipen! van start

Nadere informatie

Nazorgproblematiek en recidive van kortgestrafte gedetineerden

Nazorgproblematiek en recidive van kortgestrafte gedetineerden Factsheet 2010-2 Nazorgproblematiek en recidive van kortgestrafte gedetineerden Auteurs: G. Weijters, P.A. More, S.M. Alma Juli 2010 Aanleiding Een aanzienlijk deel van de Nederlandse gedetineerden verblijft

Nadere informatie

Onderzoek Huishoudelijke hulp 2011

Onderzoek Huishoudelijke hulp 2011 2011 1 (11) Onderzoek Huishoudelijke hulp 2011 Auteur Tineke Brouwers en Francien Wisman Respons onderzoek Op 17 mei 2011 kregen 1034 inwoners van Nieuwegein die huishoudelijke hulp ontvangen een vragenlijst

Nadere informatie

Rapportage. Politie in aanraking met veteranen. Stuurgroep Politie in aanraking met veteranen

Rapportage. Politie in aanraking met veteranen. Stuurgroep Politie in aanraking met veteranen Rapportage Politie in aanraking met veteranen Stuurgroep Politie in aanraking met veteranen Doorn 9 juni 2011 1 Aanleiding en opzet van het onderzoek In de uitvoering van haar taak komt de politie ook

Nadere informatie

betreft: [klager] datum: 8 september 2014

betreft: [klager] datum: 8 september 2014 nummer: 14/794/GA betreft: [klager] datum: 8 september 2014 De beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat

Nadere informatie

Klanttevredenheid WMO vervoer Haren 2013

Klanttevredenheid WMO vervoer Haren 2013 Klanttevredenheid WMO vervoer Haren 2013 Colofon "Klanttevredenheid WMO vervoer Haren 2013" Klanttevredenheidsonderzoek naar het WMO vervoer in de gemeente Haren. Uitgave Deze publicatie is een uitgave

Nadere informatie

Detentie en culturele diversiteit

Detentie en culturele diversiteit Detentie en culturele diversiteit De effectuering van de rechtspositie door etnische minderheden in detentie Marieke Post Willem Pompe Instituut voor Strafrechtswetenschappen in samenwerking met Boom Juridische

Nadere informatie

Artikelen. Een terugblik op het ouderlijk gezin. Arie de Graaf

Artikelen. Een terugblik op het ouderlijk gezin. Arie de Graaf Artikelen Een terugblik op het ouderlijk gezin Arie de Graaf Driekwart van de kinderen die in de jaren zeventig zijn geboren, is opgegroeid bij twee ouders. Een op de zeven heeft een scheiding van de ouders

Nadere informatie

Sociale contacten, vrijetijdsbesteding en praktische ondersteuning

Sociale contacten, vrijetijdsbesteding en praktische ondersteuning Sociale contacten, vrijetijdsbesteding en praktische ondersteuning Resultaten van de tweede schriftelijke vragenronde onder de deelnemers aan het GGZ-panel regio Delft Westland Oostland juli 2006 - L.M.

Nadere informatie

Wijziging van de Regeling eisen verblijfsruimte penitentiaire inrichtingen in verband met verruiming van de mogelijkheden van meerpersoonscelgebruik

Wijziging van de Regeling eisen verblijfsruimte penitentiaire inrichtingen in verband met verruiming van de mogelijkheden van meerpersoonscelgebruik Wijziging van de Regeling eisen verblijfsruimte penitentiaire inrichtingen in verband met verruiming van de mogelijkheden van meerpersoonscelgebruik De Minister van Justitie, Gelet op artikel 16, vijfde

Nadere informatie

TBS uit de gratie. K.P.M.A. Muis L. van der Geest

TBS uit de gratie. K.P.M.A. Muis L. van der Geest K.P.M.A. Muis L. van der Geest Samenvatting en conclusies in hoofdpunten In 2008 en 2009 is er sprake van een opvallende daling van het aantal tbs-opleggingen met bevel tot verpleging. Het is onwaarschijnlijk

Nadere informatie

Bijlagen. Tevredenheid van potentiële werknemers

Bijlagen. Tevredenheid van potentiële werknemers Bijlagen Tevredenheid van potentiële werknemers Evaluatie Pastiel Bijlagen Tevredenheid van potentiële werknemers Pastiel Drs. Jan Dirk Gardenier MBA Erik Geerlink, MSc Lotte Piekema, MSc Februari 2014

Nadere informatie

betreft: [klager] datum: 8 augustus 2014 Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:

betreft: [klager] datum: 8 augustus 2014 Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt: nummer: 14/1062/GA betreft: [klager] datum: 8 augustus 2014 De beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat

Nadere informatie

Kliniek Nijmegen. Informatie voor patiënten

Kliniek Nijmegen. Informatie voor patiënten Kliniek Nijmegen Informatie voor patiënten We spreken van een verslaving wanneer bepaald gedrag zoals middelengebruik of gokken uw leven gaat beheersen. Steeds meer tijd en energie gaan op aan de verslaving.

Nadere informatie

Klanttevredenheid Gemeentewinkel Zwijndrecht 2014

Klanttevredenheid Gemeentewinkel Zwijndrecht 2014 Klanttevredenheid Gemeentewinkel Zwijndrecht 2014 Inhoud 1. Conclusies en aanbevelingen 2. Dienstverlening Gemeentewinkel 3. Contact met de gemeente 4. Wensen en behoeften De gemeente Zwijndrecht heeft

Nadere informatie

De gevolgen van een strafrechtelijke afdoening voor de verblijfsrechtelijke positie van jongeren

De gevolgen van een strafrechtelijke afdoening voor de verblijfsrechtelijke positie van jongeren De gevolgen van een strafrechtelijke afdoening voor de verblijfsrechtelijke positie van jongeren Dit document beoogt de strafrechtelijke consequenties voor de verblijfsrechtelijke positie van een vreemdeling

Nadere informatie

VROUWELIJKE PARTNERS IN DE TOP ADVOCATUUR

VROUWELIJKE PARTNERS IN DE TOP ADVOCATUUR VROUWELIJKE PARTNERS IN DE TOP ADVOCATUUR FEITEN EN CIJFERS Onderzoeksgegevens Onder wie: partners van de 30 grootste advocatenkantoren in Nederland Gezocht: 3 vrouwelijke en 3 mannelijke partners per

Nadere informatie

Gedragscode Defensie. Draagvlakmeting. Ministerie van Defensie. Defensie Personele Diensten Gedragswetenschappen

Gedragscode Defensie. Draagvlakmeting. Ministerie van Defensie. Defensie Personele Diensten Gedragswetenschappen Bezoekadres: Van Alkemadelaan 357 Postadres: MPC 58 A Postbus 90701 2509 LS Den Haag Nederland www.cdc.nl Draagvlakmeting TNS NIPO: Drs. Anneloes Klaassen Lisanne van Thiel GW: Drs. Amber Vos +31 (070)

Nadere informatie

straks terug naar nederland?

straks terug naar nederland? straks terug naar nederland? Regel het nu! Informatie en tips voor gedetineerden in buitenlandse gevangenissen Wat doet Bureau Buitenland? Bureau Buitenland is onderdeel van Reclassering Nederland. Wij

Nadere informatie

Als aan één van de voertuigverplichtingen niet wordt voldaan, is dat strafbaar (zie Achtergrond, onder 1. en 2.).

Als aan één van de voertuigverplichtingen niet wordt voldaan, is dat strafbaar (zie Achtergrond, onder 1. en 2.). Rapport 2 h2>klacht Verzoeker klaagt erover dat de Dienst Wegverkeer (verder ook: RDW) hem na een periode van meer dan zeven jaar heeft aangesproken op het feit dat hij niet over een geldige APK voor zijn

Nadere informatie

4. SLOTBESCHOUWING. 4.1 Omvang

4. SLOTBESCHOUWING. 4.1 Omvang Doel gr oepenanal yse dak-ent hui sl ozenen har ddr ugsver sl aaf den st edendr i ehoek 4. SLOTBESCHOUWING Vanaf 1999 heeft onderzoeksbureau INTRAVAL doelgroepenanalyses uitgevoerd in Apeldoorn (1999/2000),

Nadere informatie

Evaluatie betaald parkeren Noorderplantsoenbuurt en Oranjebuurt

Evaluatie betaald parkeren Noorderplantsoenbuurt en Oranjebuurt B A S I S V O O R B E L E I D Evaluatie betaald parkeren Noorderplantsoenbuurt en Oranjebuurt Evaluatie betaald parkeren Noorderplantsoenbuurt en Oranjebuurt Erik van der Werff Onderzoek en Statistiek

Nadere informatie

Gebruik van kinderopvang

Gebruik van kinderopvang Gebruik van kinderopvang Saskia te Riele In zes van de tien gezinnen met kinderen onder de twaalf jaar hebben de ouders hun werk en de zorg voor hun kinderen zodanig georganiseerd dat er geen gebruik hoeft

Nadere informatie

De gordijnen gaan weer open Maart 2011

De gordijnen gaan weer open Maart 2011 De gordijnen gaan weer open Maart 2011 Bij alle beleidnoties, evaluaties e.d. over Multiproblem gezinnen komen de termen als zelfredzaamheid of empowerment altijd sterk naar voren toe. Over het algemeen

Nadere informatie

Mantelzorgers maken weinig gebruik van verlofregelingen

Mantelzorgers maken weinig gebruik van verlofregelingen Mantelzorgers maken weinig gebruik van verlofregelingen Martijn Souren Ongeveer 7 procent van de werknemers met een verleent zelf mantelzorg. Ze maken daar slechts in beperkte mate gebruik van aanvullende

Nadere informatie

Kliniek Zevenaar. Informatie voor patiënten

Kliniek Zevenaar. Informatie voor patiënten Kliniek Zevenaar Informatie voor patiënten We spreken van een verslaving wanneer bepaald gedrag zoals middelengebruik of gokken uw leven gaat beheersen. Steeds meer tijd en energie gaan op aan de verslaving.

Nadere informatie

TOELICHTING OP HET AANMELDINGSFORMULIER VOOR HET CASUS-OVERLEG

TOELICHTING OP HET AANMELDINGSFORMULIER VOOR HET CASUS-OVERLEG TOELICHTING OP HET AANMELDINGSFORMULIER VOOR HET CASUS-OVERLEG Een casus wordt ingebracht in het casus-overleg door middel van het formulier Schriftelijke aanmelding casus-overleg. Dit formulier wordt

Nadere informatie

Blijf niet zitten. Algemeen Maatschappelijk Werk

Blijf niet zitten. Algemeen Maatschappelijk Werk Blijf niet zitten Algemeen Maatschappelijk Werk 1 2 BLIJF NIET ZITTEN WAAR U ZIT: KOM PRATEN OVER UW PROBLEMEN Ieder van ons krijgt wel eens met problemen te maken. Dat hoort gewoon bij het leven. Vaak

Nadere informatie

Wijkaanpak. bekendheid, betrokkenheid en communicatie

Wijkaanpak. bekendheid, betrokkenheid en communicatie Afdeling Onderzoek & Statistiek Gemeente Deventer Karen Teunissen April 2006 Inhoudsopgave Inleiding 3 Hoofdstuk 1 Bekendheid en betrokkenheid 4 Samenvatting 8 Hoofdstuk 2 Communicatie 9 Samenvatting 12

Nadere informatie

Resocialisatie in Nederlandse Penitentiaire Inrichtingen

Resocialisatie in Nederlandse Penitentiaire Inrichtingen Resocialisatie in Nederlandse Penitentiaire Inrichtingen Anouk Bosma Universiteit Leiden Symposium gevangenismuseum 20 juni 2014 PRISONPROJECT.NL N S C R UL UU Wat ik vandaag wil vertellen Rehabilitatie

Nadere informatie

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 2006 394 Besluit van 16 augustus 2006, tot wijziging van het Besluit extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid in verband met de openstelling

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting

Nederlandse samenvatting Dit proefschrift gaat over de invloed van inductieprogramma s op het welbevinden en de professionele ontwikkeling van beginnende docenten, en welke specifieke kenmerken van inductieprogramma s daarvoor

Nadere informatie

Elektronisch toezicht in Nederland

Elektronisch toezicht in Nederland Elektronisch toezicht in Nederland Uitkomsten van het experiment E.C. Spaans, C. Verwers Den Haag, SDU/WODC, 1997 Onderzoek en Beleid, nr. 164 Samenvatting en discussie In de zoektocht naar geschikte alternatieven

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1997 1998 24 587 Justitiële Inrichtingen Nr. 19 BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal s-gravenhage,

Nadere informatie

Openingstijden Stadswinkels 2008

Openingstijden Stadswinkels 2008 Openingstijden Stadswinkels 2008 Openingstijden Stadswinkels 2008 René van Duin & Maaike Dujardin Centrum voor Onderzoek en Statistiek (COS) december 2008 In opdracht van Publiekszaken afdeling Beleid

Nadere informatie

Rapport. Datum: 30 december 2004 Rapportnummer: 2004/497

Rapport. Datum: 30 december 2004 Rapportnummer: 2004/497 Rapport Datum: 30 december 2004 Rapportnummer: 2004/497 2 Klacht Verzoeker klaagt over de wijze waarop het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft gereageerd op zijn brieven waarin hij klachten

Nadere informatie

M200802. Vrouwen aan de start. Een vergelijking tussen vrouwelijke en mannelijke starters en hun bedrijven. drs. A. Bruins drs. D.

M200802. Vrouwen aan de start. Een vergelijking tussen vrouwelijke en mannelijke starters en hun bedrijven. drs. A. Bruins drs. D. M200802 Vrouwen aan de start Een vergelijking tussen vrouwelijke en mannelijke starters en hun bedrijven drs. A. Bruins drs. D. Snel Zoetermeer, juni 2008 2 Vrouwen aan de start Vrouwen vinden het starten

Nadere informatie

Meting economisch klimaat, november 2013

Meting economisch klimaat, november 2013 Meting economisch klimaat, november 2013 1.1 Beschrijving respondenten Er hebben 956 ondernemers meegedaan aan het onderzoek, een respons van 38. De helft van de respondenten is zzp er (465 ondernemers,

Nadere informatie

STICHTING DIACONAAL CENTRUM VOOR HET GEVANGENISPASTORAAT. BELEIDSPLAN Van het diaconaal centrum voor het gevangenispastoraat Voor de periode 2014-2016

STICHTING DIACONAAL CENTRUM VOOR HET GEVANGENISPASTORAAT. BELEIDSPLAN Van het diaconaal centrum voor het gevangenispastoraat Voor de periode 2014-2016 STICHTING DIACONAAL CENTRUM VOOR HET GEVANGENISPASTORAAT BELEIDSPLAN Van het diaconaal centrum voor het gevangenispastoraat Voor de periode 2014-2016 Inleiding: De Stichting Diaconaal Centrum voor het

Nadere informatie

Een eigen bedrijf is leuk!

Een eigen bedrijf is leuk! M200815 Een eigen bedrijf is leuk! Ervaringen van starters uit de jaren 1998-2000 drs. A. Bruins drs. D. Snel Zoetermeer, december 2008 2 Een eigen bedrijf is leuk! Een eigen bedrijf geeft ondernemers

Nadere informatie

Onderzoek Inwonerspanel Jongerenonderzoek: alcohol

Onderzoek Inwonerspanel Jongerenonderzoek: alcohol 1 (19) Onderzoek Inwonerspanel Auteur Tineke Brouwers Respons onderzoek Op 5 december kregen de panelleden van 12 tot en met 18 jaar (280 personen) een e-mail met de vraag of zij digitaal een vragenlijst

Nadere informatie

Buurtenquête hostel Leidsche Maan

Buurtenquête hostel Leidsche Maan Buurtenquête hostel Leidsche Maan tussenmeting 2013 Onderzoek uitgevoerd in opdracht van: Gemeente Utrecht (GG&GD) DIMENSUS beleidsonderzoek April 2013 Projectnummer 527 Inhoud Samenvatting 3 Inleiding

Nadere informatie

M. van den Wijngaart & B. Post (2007) Notitie Indicatie kosten justitiële tweedelijnszorg.

M. van den Wijngaart & B. Post (2007) Notitie Indicatie kosten justitiële tweedelijnszorg. 1. Inleiding Aanleiding notitie Het ITS heeft in opdracht van het ministerie van Justitie een onderzoek uitgevoerd naar de aansluiting tussen de vraag naar en het aanbod van justitiële tweedelijns gezondheidszorg.

Nadere informatie

BESTANDSANALYSE SAMENLOPERS ZWOLLE. Resumé bevindingen

BESTANDSANALYSE SAMENLOPERS ZWOLLE. Resumé bevindingen BESTANDSANALYSE SAMENLOPERS ZWOLLE Resumé bevindingen Inleiding Ekdé werk&mobiliteit BV is juli 07 gestart met een screening van samenlopers ingeschreven bij de gemeente Zwolle. Over elke kandidaat is

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2012 2013 31 311 Zelfstandig ondernemerschap Nr. 101 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID Op 4 juni 2008 is de regeling Zelfstandig

Nadere informatie

Rapport. Rapport betreffende een klacht over het Nederlandse consulaat te Barcelona (Spanje). Bestuursorgaan: de minister van Buitenlandse Zaken.

Rapport. Rapport betreffende een klacht over het Nederlandse consulaat te Barcelona (Spanje). Bestuursorgaan: de minister van Buitenlandse Zaken. Rapport Rapport betreffende een klacht over het Nederlandse consulaat te Barcelona (Spanje). Bestuursorgaan: de minister van Buitenlandse Zaken. Datum: 13 juli 2012 Rapportnummer: 2012/114 2 Klacht Op

Nadere informatie

jongeren vanaf 12 jaar

jongeren vanaf 12 jaar Na de schok... de draad weer oppakken Informatie voor jongeren vanaf 12 jaar die betrokken zijn geweest bij een schokkende of ingrijpende gebeurtenis. Na de schok de draad weer oppakken Informatie voor

Nadere informatie

Rapport evaluatie speeddaten met uitzendbureaus op de vestigingen van het WERKbedrijf

Rapport evaluatie speeddaten met uitzendbureaus op de vestigingen van het WERKbedrijf Rapport evaluatie speeddaten met uitzendbureaus op de vestigingen van het WERKbedrijf December 2011 Auteurs: Leonie Oosterwaal, beleidsmedewerker ABU Judith Huitenga en Marit Hoffer, medewerkers Servicepunt

Nadere informatie

Zelfstandig wonen: de mening van senioren en mantelzorgers uit de stadsregio Rotterdam

Zelfstandig wonen: de mening van senioren en mantelzorgers uit de stadsregio Rotterdam Zelfstandig wonen: de mening van senioren en mantelzorgers uit de stadsregio Rotterdam Inleiding Het Tympaan Instituut heeft in de zomer van 2013 verschillende groepen (potentiële) zorgvragers en mantelzorgers

Nadere informatie

6 secondant #6 december 2010. Groot effect SOV/ISD-maatregel

6 secondant #6 december 2010. Groot effect SOV/ISD-maatregel 6 secondant #6 december 21 Groot effect SOV/ISD-maatregel Selectieve opsluiting recidivisten werkt Crimi-trends Een langere opsluiting van hardnekkige recidivisten heeft een grote bijdrage geleverd aan

Nadere informatie

2. Wat zijn per sector/doelgroep de algemene inzichten ten aanzien van de inhoud van de continuïteitsplannen?

2. Wat zijn per sector/doelgroep de algemene inzichten ten aanzien van de inhoud van de continuïteitsplannen? Samenvatting Aanleiding en onderzoeksvragen ICT en elektriciteit spelen een steeds grotere rol bij het dagelijks functioneren van de maatschappij. Het Ministerie van Veiligheid en Justitie (hierna: Ministerie

Nadere informatie

FINANCIËLE RAPPORTAGE FUNDEREND ONDERWIJS. Utrecht, november 2014

FINANCIËLE RAPPORTAGE FUNDEREND ONDERWIJS. Utrecht, november 2014 FINANCIËLE RAPPORTAGE FUNDEREND ONDERWIJS 2014 Utrecht, november 2014 INHOUD Inleiding 5 1 Basisonderwijs en speciaal basisonderwijs 7 2 Expertisecentra 10 3 Voortgezet onderwijs 12 4 Samenwerkingsverbanden

Nadere informatie

Bureau Onderzoek Gemeente Groningen, december 2004

Bureau Onderzoek Gemeente Groningen, december 2004 Gehoor gehoord Een onderzoek naar de tevredenheid van medewerkers over de Informatielijn van de dienst Sozawe Ard Jan Leeferink Louis Polstra Bureau Onderzoek Gemeente Groningen, december 2004 Bureau Onderzoek

Nadere informatie

Werkt Gedragswerk? Evaluatie project Gedragswerk Juni 2009

Werkt Gedragswerk? Evaluatie project Gedragswerk Juni 2009 Werkt Gedragswerk? Evaluatie project Gedragswerk Juni 29 Evaluatieonderzoek Gedragswerk, juni 29 1 Inleiding Met het Ministerie van OCW is afgesproken dat in het schooljaar 28 29 een evaluatie zou worden

Nadere informatie

Evaluatie veilig uitgaan

Evaluatie veilig uitgaan Evaluatie veilig uitgaan Gemeente Amersfoort Dorien de Bruijn, Ben van de Burgwal 5 december 2014 Ruim 90% van het ondervraagde uitgaanspubliek voelt zich altijd of meestal veilig tijdens het uitgaan in

Nadere informatie

Evaluatie gratis openbaar vervoer 65+-ers Rotterdam

Evaluatie gratis openbaar vervoer 65+-ers Rotterdam Evaluatie gratis openbaar vervoer 65+-ers Rotterdam J. Snippe F. Schaap M. Boendermaker B. Bieleman COLOFON St. INTRAVAL Postadres Postbus 1781 9701 BT Groningen E-mail info@intraval.nl www.intraval.nl

Nadere informatie

Stichting Pandora GEDWONGEN OPNAME. Stichting Pandora, februari 2003 1/8

Stichting Pandora GEDWONGEN OPNAME. Stichting Pandora, februari 2003 1/8 Stichting Pandora, februari 2003 1/8 GEDWONGEN OPNAME Stichting Pandora Stichting Pandora, februari 2003 2/8 Gedwongen opname Niemand wil tegen z'n zin in een psychiatrisch ziekenhuis terechtkomen. Dat

Nadere informatie

Bij deze bieden wij u de resultaten aan van het onderzoek naar de eerste effecten van de decentralisaties in de gemeente Barneveld.

Bij deze bieden wij u de resultaten aan van het onderzoek naar de eerste effecten van de decentralisaties in de gemeente Barneveld. rriercoj Gemeenteraad Barneveld Postbus 63 3770 AB BARNEVELD Barneveld, 27 augustus 2015 f Ons kenmerk: Ö^OOJcfc Behandelend ambtenaar: I.M.T. Spoor Doorkiesnummer: 0342-495 830 Uw brief van: Bijlage(n):

Nadere informatie

MKB-ondernemer geeft grenzen aan

MKB-ondernemer geeft grenzen aan M0040 MKB-ondernemer geeft grenzen aan Reactie van MKB-ondernemers op wetswijzigingen in sociale zekerheid Florieke Westhof Peter Brouwer Zoetermeer, 0 april 004 MKB-ondernemer geeft grenzen aan Ondernemers

Nadere informatie

Onderzoek Bedrijvenpanel: Gevolgen economische crisis

Onderzoek Bedrijvenpanel: Gevolgen economische crisis Versie definitief Datum 29 april 2010 1 (8) Onderzoek Bedrijvenpanel: Gevolgen economische crisis Auteur Tineke Brouwers Het derde onderzoek Op 30 maart 2010 kregen alle leden van het Bedrijvenpanel van

Nadere informatie

5 Samenvatting en conclusies

5 Samenvatting en conclusies 5 Samenvatting en conclusies 5.1 Vraagstelling en uitvoering van het onderzoek Vraagstelling Het Wetenschappelijke Onderzoek en Documentatiecentrum van het Ministerie van Justitie heeft het ITS opdracht

Nadere informatie

Detentie & Re-integratieproces in de PI. - terugkeer vd gedetineerde burger en - een veiliger samenleving

Detentie & Re-integratieproces in de PI. - terugkeer vd gedetineerde burger en - een veiliger samenleving Detentie & Re-integratieproces in de PI t.b.v. - terugkeer vd gedetineerde burger en - een veiliger samenleving CCV-regiodagen Nazorg, 2011: workshop Detentie & Re-integratieproces in de PI VISIE GEVANGENISWEZEN

Nadere informatie

Rapport. Datum: 26 maart 1998 Rapportnummer: 1998/092

Rapport. Datum: 26 maart 1998 Rapportnummer: 1998/092 Rapport Datum: 26 maart 1998 Rapportnummer: 1998/092 2 Klacht Op 26 juni 1997 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mevrouw B. te Drachten, met een klacht over een gedraging van Gak Nederland

Nadere informatie