B I J Z O N D E R E B E D I N G E N

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "B I J Z O N D E R E B E D I N G E N"

Transcriptie

1 W E B I N A R S B I J Z O N D E R E B E D I N G E N SPREKER MR. M. GROOTVELD, LEGAL COUNSEL LABOUR AFFAIRS ABN AMRO 18 FEBRUARI :00 14:15 UUR Magna Charta is onderdeel van de Academie voor de Rechtspraktijk Postbus LH Utrecht T F magnacharta.avdrwebinars.nl

2 Inhoudsopgave Mr. M. Grootveld Jurisprudentie Hof Leeuwarden, 17 maart 2009, JAR 2009/109 p. 4 Hoge Raad, 23 december 1983, NJ 1984, 332 (Keizer/Van Dijk) p. 11 Hoge Raad, 27 oktober 1995, JAR 1995/254 (De Haan/The Box Fashion) p. 18 Hof Den Haag, 24 januari 2003, JAR 2003/106 (Sandifort/LSZ) p. 30 Hoge Raad, 30 juni 1986, NJ 1986,715 (Raithel/Engel) p. 33 Hoge Raad, 14 september 1984, NJ 1985, 245 (Hardchroom/Yigit) p. 42 Hoge Raad, 24 oktober 1986, NJ 1987,293 (Slijkoord/Hekkema) p. 58 Hoge Raad, 23 april 1993, JAR 1993/120 (Braber/IndeBus) p. 71 Hoge Raad, 13 september 1991, NJ 1992, 130 (Dingler/Merkelbach) p. 87 Hoge Raad, 13 januari 1995, NJ 1995, 430 (Godfried/ISS) p. 96 Hof Den Bosch, 2 maart 2004, RAR 2007, 52 (Interplanet/X) p. 109 Hoge Raad, 10 november 2000, JAR 2000/249 p. 117 Hoge Raad, 24 april 1993, JAR 1993/236 p. 128 Hoge Raad, 23 oktober 1987, NJ 1988, 234 (Hydrone/Van der Pasch) p. 144 Hoge Raad, 1 juli 1983, NJ 1984, 88 p. 156 Hoge Raad, 28 maart 2008, JAR 2008/113 (Philips/Oostendorp) p. 169 Hoge Raad, 20 februari 2004, JAR 2004/83 (DSM/Fox) p. 173 Hoge Raad, 4 april 2003, JAR 2003/107 p. 185 Hoge Raad, 9 maart 1979, NJ 1979,467 (Brabant/Van Uffelen) p. 191 Hoge Raad, 5 januari 2007, JAR 2007/38 (AVM-arresten) p. 211 Hoge Raad, 5 januari 2007 JAR 2007/37 (stringentere toets) p. 221 Hoge Raad, 28 mei 1999, JAR 1996/116 (FNV/Kuypers II) p. 232 Hoge Raad, 26 juni 1998, JAR 1998/19 (Van der Lely/Taxi Hofman) p. 239 Hoge Raad, 11 juli 2008, JAR 2008/204 (Stoof/Mammoet Transport B.V) p

3 Hoge Raad, 30 januari 2004, JAR 2004/68 (Parallel Entry/KLM) p. 254 Hoge Raad, 18 maart 2011, JAR 2011/108 (Wegener-arrest) p. 265 HvJ EG, 10 februari 1988 NJ 1990, 432 (Daddy s Dance Hall) p. 273 Hof Leeuwarden, 14 januari 2014,ECLI:NL:GHARL:2014:149 p. 280 Kantonrechter Hilversum, 20 maart 2002, JAR 2002/84 p. 288 Gerechtshof Amsterdam, 24 april 2012, JAR 2012/127 p. 294 Hoge Raad, 7 oktober 1988, NJ 1989, 335 p. 299 Wetgeving Wetsvoorstel Wet Werk en Zekerheid p. 316 Aanbevolen jurisprudentie Hoge Raad, 9 april 1954, NJ 1954, 446 3

4 JAR 2009/109 Gerechtshof Leeuwarden, , /01, LJN BH9781 Proeftijdontslag, Proeftijdbeding in cao, Toepassing cao niet (schriftelijk) overeengekomen Aflevering 2009 afl. 6 College Gerechtshof Leeuwarden Datum 17 maart 2009 Rolnummer /01 LJN BH9781 Rechter(s) Partijen Trefwoorden Mr. Mollema Mr. Zuidema Mr. Fikkers Mark Roskam te Leeuwarden, appellant, in eerste aanleg: eiser, advocaat: mr. J.J. Achterveld, kantoorhoudende te Leeuwarden, die ook heeft gepleit, tegen Autoschade Posthuma BV te Leeuwarden, geïntimeerde, in eerste aanleg: gedaagde, advocaat: mr. E.W. Kingma, kantoorhoudende te Heerenveen, die ook heeft gepleit. Proeftijdontslag, Proeftijdbeding in cao, Toepassing cao niet (schriftelijk) overeengekomen Regelgeving BW Boek 7-652» Samenvatting De werknemer is op 21 juli 2008 bij de werkgever in dienst getreden als hersteller/vervanger van autoruiten. Er is geen, door hem ondertekende, schriftelijke arbeidsovereenkomst. Op 11 september 2008 heeft de werkgever telefonisch aan de werknemer meegedeeld dat het dienstverband werd beëindigd met een beroep op de proeftijd. Dit ontslag is vervolgens bij brief van dezelfde datum bevestigd. De werknemer heeft de vernietigbaarheid van het ontslag ingeroepen op de grond dat niet schriftelijk een proeftijd is overeengekomen. De werkgever heeft zich vervolgens beroepen op de toepasselijkheid van de cao voor het Carrosseriebedrijf waarin is opgenomen dat de eerste twee maanden van de dienstbetrekking gelden als proeftijd, tenzij anders is overeengekomen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat nader onderzoek nodig is om vast te stellen of toepasselijkheid van de cao is overeengekomen en dat een kort geding zich niet voor dat onderzoek leent. Op het hoger beroep van de werknemer overweegt het hof dat denkbaar is dat voldaan is aan de eis dat een proeftijd schriftelijk moet worden overeengekomen, wanneer dat beding is opgenomen in een tussen partijen geldende cao. Voorshands heeft de werkgever echter niet voldoende aannemelijk gemaakt dat partijen uitdrukkelijk zijn overeengekomen dat de cao van toepassing was op de arbeidsovereenkomst. De schriftelijke verklaring van twee getuigen, inhoudende dat zij aan de werknemer hebben meegedeeld: wij werken volgens de cao voor het Carrosseriebedrijf en dat hij ook overeenkomstig die cao zou worden betaald, is op dit punt onvoldoende specifiek. Verder schrijft de cao voor dat toepasselijkheid ervan schriftelijk moet worden bevestigd. Dat is niet gebeurd. Daarom kan in dit kort geding niet van een geldig proeftijdbeding worden uitgegaan. 4

5 » Uitspraak Kantonrechter Leeuwarden 28 november 2008 Procesverloop (...; red.) Motivering Feiten 2. Roskam is met ingang van 21 juli 2008 bij Posthuma in dienst getreden. Op 11 september 2008 is Roskam namens Posthuma telefonisch medegedeeld dat het dienstverband werd beëindigd, met een beroep op een proeftijd. Dit ontslag is vervolgens bij brief van dezelfde datum bevestigd. Standpunt Roskam 3. Roskam stelt dat hij bij Posthuma in dienst is getreden als hersteller/vervanger van autoruiten op basis van een mondelinge arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Hij was werkzaam voor 40 uur per week tegen een salaris van 8,35 bruto per uur. Roskam kwam via een derde aan de naam van het bedrijf van Posthuma en heeft gebeld met de vraag of hij in dienst kon komen. Naar aanleiding daarvan hebben partijen op vrijdag 18 juli 2008 een gesprek gevoerd. Het resultaat daarvan was dat hij op maandag 21 juli daarop kon beginnen. Er is niet gesproken over de arbeidsvoorwaarden. Roskam heeft daarnaar gevraagd maar dat was nog niet duidelijk omdat de autoruitherstelwerkzaamheden in een nieuw op te richten bv zouden worden ondergebracht. Hij wist niet van een proeftijd, hij wist niet eens hoeveel hij ging verdienen. Een proeftijd dient schriftelijk te worden overeengekomen, aan dit vereiste is niet voldaan. Er is geen cao van toepassing verklaard en ook niet aan Roskam ter hand gesteld. Het concept van de schriftelijke arbeidsovereenkomst is ook niet aan Roskam overhandigd. Verder is het ontslag, zou er al een geldige proeftijd zijn, te laat, namelijk buiten de proeftijd, aangezegd. Roskam heeft een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van het ontslag en Posthuma gesommeerd om het loon door te betalen. Standpunt Posthuma 4. Posthuma stelt dat er sprake is van een geldig proeftijdbeding en dat het dienstverband tussen partijen op rechtsgeldige wijze is beëindigd. Op het dienstverband was van toepassing de cao voor het Carrosseriebedrijf en artikel 12 van deze cao bevat een proeftijdbeding. Een proeftijd in een cao geldt als een schriftelijk overeengekomen proeftijd in de zin van artikel 7:652 lid 2 BW. Tijdens het gespek van 18 juli 2008 is wel degelijk aangegeven dat Posthuma deze cao hanteerde. Deze cao is tussen partijen overeengekomen bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst. Roskam wist ook wel dat deze cao gold omdat het voor Roskam duidelijk was dat Posthuma een Focwaschadebedrijf is en een vorige werkgever van Roskam ook de cao voor het Carrosseriebedrijf hanteerde. Iedereen binnen het bedrijf is er ook mee bekend dat deze 5

6 cao op de arbeidsovereenkomsten van toepassing is. Het cao boekje lag ook voor het personeel ter inzage. Verder is het ontslag ruim binnen de proeftijd aangezegd. Dat Posthuma Roskam uit coulance nog loon heeft doorbetaald tot 22 september 2008 doet daar niet aan af. Beoordeling 5. Allereerst is de kantonrechter van oordeel dat Roskam voldoende spoedeisend belang heeft bij de door hem gevraagde voorziening, gelet op de omstandigheid dat hij als gevolg van het ontslag zijn inkomstenbron is kwijtgeraakt en nog geen ander werk of een uitkering heeft. 6. De kern van het geschil tussen partijen is er in gelegen of er nu wel of niet sprake is van een (rechtsgeldige) proeftijd. Roskam gaat ervan uit dat dit niet het geval is en zijn vordering is ook op die veronderstelling gebaseerd. 7. Artikel 7:652 lid 2 BW bepaalt dat een proeftijd schriftelijk moet worden overeengekomen. Door Posthuma is terecht aangevoerd dat in de rechtspraak en literatuur, onder verwijzing naar hetgeen daaromtrent tijdens de Kamerbehandeling van de Flexwet is besproken, wordt aangenomen dat een in een cao opgenomen proeftijd voldoet aan dit schriftelijkheidsvereiste. Daarmee is naar het oordeel van de kantonrechter echter nog niet gegeven of in dit geval tussen partijen een proeftijd gold. Daarvoor dient vast te staan dat de cao ook van toepassing is op de arbeidsovereenkomst. 8. Partijen verschillen er kennelijk niet over van mening dat gelet op de aard van het bedrijf van Posthuma, de cao voor het Carrosseriebedrijf de meest aangewezen cao is. De stelling van Roskam dat hij als werknemer misschien in een andere bv zou worden ondergebracht is door hem te weinig geconcretiseerd om van deze cao niet uit te gaan. De kantonrechter zal voornoemde cao dan ook als uitgangspunt nemen. Artikel 12 lid 1 van de cao bepaalt dat de eerste twee maanden van het dienstverband zullen gelden als proeftijd, tenzij schriftelijk is overeengekomen dat een kortere, dan wel geen proeftijd geldt. 9. Zoals hiervoor al is aangegeven is naar het oordeel van de kantonrechter voor het aannemen van een proeftijd doorslaggevend of de bepalingen van de cao op de individuele arbeidsverhouding van toepassing zijn. Dit is het geval indien de cao algemeen verbindend is verklaard, omdat dit wordt gezien als een daad van materiële wetgeving op grond waarvan werkgevers en werknemers aan de cao zijn gebonden. De cao voor het Carrosseriebedrijf was algemeen verbindend tot en met 31 januari 2008 en daarna pas weer vanaf 23 oktober 2008, derhalve niet ten tijde van de indiensttreding van Roskam. Van terugwerkende kracht of nawerking van een algemeen verbindendverklaring kan in een geval als dit geen sprake zijn. Dit leidt tot het oordeel dat de cao voor het Carrosseriebedrijf niet door middel van algemeen verbindendverklaring van toepassing is. Verder is niet gebleken dat beide partijen lid zijn van belangenorganisaties die partij waren bij het afsluiten van de cao. De cao is derhalve ook niet op grond daarvan van toepassing. 10. De vraag is dan dus of de cao door partijafspraak van toepassing is. Vast staat dat er niet een door beide partijen ondertekend stuk is met daarin een verwijzing naar de cao, bijvoorbeeld een arbeidsovereenkomst of een aanstellingsbevestiging. Naar het oordeel van de kantonrechter is dat echter niet vereist om desondanks aan het schriftelijkheidsvereiste van artikel 7:652 lid 2 BW te voldoen. Indien mondeling is 6

7 overeengekomen dat een bepaalde cao van toepassing zal zijn en in die cao een proeftijdbeding is opgenomen, moet dat als voldoende worden beschouwd. In dit geval twisten partijen erover of dit tijdens het gesprek van 18 juli 2008 is besproken. Om hierover uitsluitsel te verkrijgen zal nadere bewijslevering nodig zijn. Naar het oordeel van de kantonrechter gaat dat echter het bestek van de kort gedingprocedure te buiten. Dit zal in een bodemprocedure dienen te worden vastgesteld. 11. Zo n nadere vaststelling behoeft in dit geval echter niet plaats te vinden indien juist zou zijn, zoals door Roskam is gesteld, dat het ontslag buiten de proeftijd en dus te laat is aangezegd. Hieromtrent oordeelt de kantonrechter als volgt. Het ontslag is op 11 september 2008 mondeling aan Roskam aangezegd. In de brief van 11 september 2008 waarin Posthuma het ontslag bevestigt, staat dat de arbeidsovereenkomst met ingang van 22 september 2008 zal worden beëindigd. De kantonrechter begrijpt ook dat Roskam nog tot die datum loon betaald heeft gekregen. Roskam heeft zijn werkzaamheden aangevangen op maandag 21 juli 2008, het dienstverband heeft op die datum een aanvang genomen. Bij een proeftijd van 2 maanden zou derhalve 20 september 2008 de laatste dag van de proeftijd zijn. Uit HR 20 mei 1983, NJ 1983/702, kan naar het oordeel van de kantonrechter echter worden afgeleid dat een binnen de proeftijd gedane opzegging op enige termijn tegen een datum gelegen na het einde van de proeftijd niet onmogelijk is. Een dergelijk ontslag kan desondanks als een proeftijdontslag worden aangemerkt, hetgeen zich ook in dit geval voordoet. 12. Aangezien niet vaststaat of er nu wel of niet een proeftijd tussen partijen gold dient tot slot te worden beoordeeld of de loonvordering onder die omstandigheid kan worden toegewezen. Aan toewijzing zal het voorlopig oordeel ten grondslag dienen te liggen dat het aannemelijk is dat er geen sprake van een proeftijd was. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn hiervoor te weinig aanwijzingen en lijkt er eerder sprake te zijn van het tegendeel. Allereerst wijst de kantonrechter in dit kader op de gemotiveerde verklaring van 30 oktober 2008 van de heren Faber en Feenstra. Verder is door Roskam niet betwist dat het kenbaar was dat Posthuma een Focwa bedrijf is en dat hij werd betaald conform de cao voor het Carrosseriebedrijf alsmede dat zijn arbeidsvoorwaarden bij een vorige werkgever ook door deze cao werden beheerst, zodat hij daarmee bekend mag worden verondersteld. Op grond hiervan zal de vordering van Roskam dan ook worden afgewezen. 13. Roskam zal als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Beslissing De kantonrechter: Rechtdoende in kort geding wijst de vordering af; veroordeelt Roskam in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van Posthuma begroot op 200,= wegens salaris. Hof Leeuwarden Het geding in eerste instantie (...; red.) 7

8 Het geding in hoger beroep (...; red.) De grieven (...; red.) De beoordeling 1. Spoedeisend belang Het hof is van oordeel dat Roskam ook in appel voldoende spoedeisend belang heeft bij een behandeling in kort geding als ook bij de door hem gevraagde voorziening. Uit hetgeen Roskam ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep onweersproken heeft verklaard, valt af te leiden dat hij nog steeds geen (betaald) werk of een uitkering heeft. 2. De feiten 2.1. Tegen de door de kantonrechter vastgestelde feiten is geen grief gericht, zodat daarvan ook in hoger beroep kan worden uitgegaan. Deze feiten worden hierna weergegeven, samen met de in hoger beroep relevante en niet (voldoende) gemotiveerd betwiste, stellingen welke derhalve als vaststaand kunnen worden aangemerkt Roskam is met ingang van 21 juli 2008 bij Posthuma in dienst getreden als hersteller/vervanger van autoruiten tegen een salaris van bruto 1.449,94 per maand exclusief vakantietoeslag. Er is geen door Roskam ondertekende schriftelijke arbeidsovereenkomst Op 11 september 2008 heeft Posthuma telefonisch aan werknemer meegedeeld dat het dienstverband werd beëindigd met beroep op de proeftijd. Dit ontslag is vervolgens bij brief van dezelfde datum bevestigd. In die brief staat voorts: Tijdens dit gesprek zijn wij met je overeengekomen, dat de tussen jou en ons bedrijf bestaande arbeidsovereenkomst voor het einde van je proeftijd, met ingang van 22 september 2008 zal worden beëindigd. De uitbetaling van de vakantiebijslag en de vergoeding voor niet genoten vakantiedagen zullen wij doen samenvallen met de uitbetaling van je laatste salaris (etc) Roskam heeft bij brief van 18 september 2008 beroep gedaan op de vernietigbaarheid van dit ontslag omdat volgens hem niet schriftelijk een proeftijd is overeengekomen en hij heeft Posthuma gesommeerd tot loondoorbetaling, waarbij hij zich beschikbaar hield voor hervatting van de werkzaamheden Posthuma heeft zich bij brief van 15 oktober 2008 beroepen op toepasselijkheid van de CAO voor het Carrosseriebedrijf (verder: de CAO). In art. 12 lid 1 daarvan is bepaald dat de eerste twee maanden van de dienstbetrekking gelden als proeftijd, tenzij schriftelijk is overeengekomen dat een kortere, dan wel geen proeftijd geldt Roskam is niet aangesloten bij een CAO-partij; gesteld noch gebleken is dat Posthuma lid is van een bij deze CAO betrokken partij en de CAO was ten tijde van het aangaan van de overeenkomst niet algemeen verbindend verklaard. 8

9 2.7. De vordering van Roskam tot loondoorbetaling in kort geding is door de kantonrechter afgewezen. Inmiddels is de arbeidsovereenkomst tussen partijen, voor zover nog bestaand, door de kantonrechter ontbonden per 1 februari 2009 onder toekenning van een vergoeding aan Roskam van een bruto maandsalaris. 3. De beoordeling van de grieven 3.1. De grieven tezamen leggen de vraag voor of de kantonrechter in kort geding terecht de loonvordering c.a. heeft afgewezen gelet op de aannemelijkheid van een ontslag tijdens proeftijd. Het hof merkt op dat niet tussen partijen vast staat of een arbeidsovereenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd is overeengekomen. Het hof laat het antwoord op die vraag in het midden, nu door geen van partijen is aangevoerd dat een proeftijd van twee maanden in strijd zou zijn met het bepaalde in art. 7:652 lid 4 BW Het hof stelt voorop dat de bewijslast van een door haar ingeroepen, maar door Roskam betwist proeftijdbeding bij Posthuma ligt. Voor zover de tweede grief van Roskam het vonnis aanvalt omdat de kantonrechter deze bewijslastverdeling miskent, treft deze grief doel Met zijn derde, vijfde en zesde grief betoogt Roskam dat de kantonrechter in kort geding ten onrechte is uitgegaan van mogelijke mondelinge overeenstemming tussen partijen dat genoemde CAO op hun contract van toepassing is. Roskam heeft immers betwist dat partijen dit mondeling zijn overeengekomen. Bovendien schrijft deze CAO in art. 11 voor dat de aanstelling schriftelijk moet worden bevestigd en dat in die bevestiging onder meer moet worden vermeld dat de CAO van toepassing is, hetgeen in casu niet gebeurd is Het hof is van oordeel dat deze grieven slagen. Denkbaar is dat voldaan is aan de eis dat een proeftijd schriftelijk moet worden overeengekomen, wanneer dat beding is opgenomen in een tussen partijen geldende CAO. Voorshands heeft Posthuma echter niet voldoende aannemelijk gemaakt dat partijen uitdrukkelijk zijn overeengekomen dat bedoelde CAO van toepassing was op de arbeidsovereenkomst. De schriftelijke verklaring van R. Faber en W. Feenstra d.d. 30 oktober 2008 is juist op dit punt onvoldoende specifiek nu daarin slechts staat dat zij, in antwoord op een vraag van werknemer naar het te verdienen salaris, hebben meegedeeld dat wij werken volgens de CAO voor het Carrosseriebedrijf en dat hij ook overeenkomstig die CAO zou worden betaald. Maar wat daarvan ook zij, juist deze CAO schrijft voor dat toepasselijkheid ervan ook nog schriftelijk moet worden bevestigd, zoals Roskam terecht heeft betoogd. Nu daarvan geen sprake is, kan in kort geding niet van een geldig proeftijdbeding worden uitgegaan De overige grieven behoeven daarom geen bespreking meer. 4. De slotsom 4.1. Gelet op het voorgaande acht het hof het voorshands voldoende aannemelijk dat de bodemrechter, indien hem dat zou worden gevraagd, tot het oordeel zal komen dat Roskam terecht aanspraak maakt op doorbetaling van zijn loon. Dat brengt mee dat het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd. Het hof gaat voorbij aan het door Posthuma in appel gedane bewijsaanbod, reeds omdat een procedure als de onderhavige zich niet leent voor nadere bewijsvoering. 9

10 4.2. De loonvordering van Roskam is toewijsbaar tot 1 februari De gevorderde wettelijke verhoging en wettelijke rente zijn eveneens voor toewijzing vatbaar. De buitengerechtelijke kosten worden afgewezen omdat slechts van een enkele sommatie is gebleken Posthuma zal, als de in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties (in appel, voor wat het te liquideren salaris van de advocaat betreft, te begroten op 3 procespunten naar tarief I). De beslissing Het gerechtshof: vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende: veroordeelt Posthuma om aan Roskam te betalen: ,08 bruto achterstallig salaris over de periode van 22 september tot en met 30 september 2008; ,94 bruto per maand vanaf 1 oktober 2008 tot en met januari 2009; 3. 8% vakantiegeld, jaarlijks te betalen in de maand mei; ,04 wegens wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW; 5. wettelijke rente over het loon vanaf de vervaldagen en over post 4 vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; veroordeelt Posthuma in de kosten van het geding in beide instanties en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van Roskam: in eerste aanleg op 192,44 aan verschotten en 400,= aan geliquideerd salaris voor de gemachtigde, in hoger beroep op 339,44 aan verschotten en 1.896,= aan geliquideerd salaris voor de advocaat; bepaalt dat van voormelde bedragen aan de griffier dient te worden voldaan 190,50 aan verschotten en 1.896,= voor geliquideerd salaris voor de advocaat die daarmee zal handelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 243 Rv. verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders gevorderde. 10

11 NJ 1984, 332 Instantie: Hoge Raad Datum: 23 december 1983 Magistraten: Ras, Royer, Van Den Blink, Bloembergen, Boekman, Franx Zaaknr: Conclusie: - LJN: AG4721 Noot: - Roepnaam: - Brondocumenten: Wetingang: BW art. 1639n ECLI:NL:HR:1983:AG4721, Uitspraak, Hoge Raad, ; ECLI:NL:PHR:1983:AG4721, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat- Generaal), Brondocument: HR, , nr Snel naar: EssentieSamenvattingPartij(en)Voorgaande uitspraakconclusie Essentie Naar boven Arbeidsovereenkomst. Gevolg voor proeftijd van overeengekomen opschorting van dienstbetrekking (wegens vakantie en een verbouwing) tijdens de proeftijd. Samenvatting Naar boven Bedoelde opschorting gedurende drie weken heeft er niet toe geleid dat ook de proeftijd gedurende dat tijdvak werd opgeschort. De strekking van art. 1639n lid 3 BW komt erop neer dat de periode gedurende welke voor partijen onzekerheid bestaat over de vraag of de dienstbetrekking op de voet van het eerste lid een einde zal vinden dan wel definitief zal worden, in geen geval langer mag duren dan twee maanden, te rekenen van de aanvang van de dienstbetrekking af. Partij(en) Naar boven Elisabeth Johanna Keizer, echtgenote van J. Smit, te Borgerhout (Belgie), eiseres tot cassatie, adv. Mr. R.A.A. Duk, tegen Johan van Dijk, h.o.d.n. Van Dijk's Vlees- en Vleeswarenbedrijf, te Rotterdam, verweerder in cassatie, adv. Mr. R.M. Schutte. Bewerkte uitspraak Naar boven 11

12 Voorgaande uitspraak Naar boven 1 Het geding in feitelijke instanties Op 11 jan heeft Keizer zich gewend tot de Ktr. Rotterdam met het verzoek Van Dijk te veroordelen tot doorbetaling van het loon waartoe zij jegens Van Dijk gerechtigd is ingevolge de arbeidsovereenkomst tussen pp., waartoe Keizer heeft gesteld samengevat weergegeven dat Van Dijk haar op 16 juli 1977 met onmiddellijke ingang ontslag heeft verleend, maar dat dit verslag nietig is aangezien de tussen pp. overeengekomen proeftijd alstoen was verstreken en Van Dijk niet beschikte over toestemming van de directeur van het GAB. Nadat Van Dijk tegen die vordering verweer had gevoerd, heeft de Ktr., na bij tussenvonnis van 29 aug Van Dijk tot bewijslevering te hebben toegelaten en na bij tussenvonnis van 3 juli 1979 Van Dijk tot het uitzweren van een aanvullende eed te hebben toegelaten, bij eindvonnis van 4 dec de vordering aan Keizer ontzegd. Tegen deze vonnissen heeft Keizer hoger beroep ingesteld bij de Rb. Rotterdam. Bij tussenvonnis van 18 dec heeft de Rb. Van Dijk tot nadere bewijslevering toegelaten en bij eindvonnis van 28 mei 1982 de vonnissen van de Ktr. bekrachtigd. De vonnissen van de Rb. zijn aan dit arrest gehecht. Het geding in cassatie Tegen de vonnissen van de Rb. heeft Keizer beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 2 Van Dijk heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor pp. bepleit door hun advocaten. De concl. van de A-G Franx strekt tot vernietiging van de bestreden vonnissen en tot verwijzing van de zaak naar het Hof 's-gravenhage. 3 Beoordeling van het middel 3.1 Voor zover in cassatie van belang heeft de Rb. het volgende vastgesteld: Tussen pp. is een arbeidsovereenkomst tot stand gekomen, krachtens welke Keizer met ingang van 11 mei 1977 en met een proeftijd van twee maanden als slagershulp en winkeljuffrouw bij Van Dijk in dienst is getreden. Pp. waren overeengekomen dat de dienstbetrekking zou zijn opgeschort over het tijdvak van 6 juni tot 27 juni 1977, gedurende welk tijdstip de slagerij van Van Dijk wegens vakantie en een verbouwing gesloten was. In dat tijdvak heeft Keizer niet bij Van Dijk gewerkt en heeft deze haar ook geen loon betaald. Op laatstgenoemd tijdstip heeft Keizer haar werkzaamheden hervat en op 16 juli 1977 derhalve meer dan twee maanden na de aanvang der dienstbetrekking heeft Van Dijk haar, zonder inachtneming van de voor opzegging geldende bepalingen, met onmiddellijke ingang ontslagen. 12

13 De Rb. heeft geoordeeld dat de bedoelde opschorting gedurende drie weken van de dienstbetrekking ertoe heeft geleid dat ook de proeftijd gedurende dat tijdvak was opgeschort, zodat Keizer, toen zij op 16 juli 1977 door Van Dijk werd ontslagen, nog in de proeftijd liep en Van Dijk toen dus bevoegd was de dienstbetrekking op de voet van art. 1639n eerste lid BW te doen eindigen. 3.2 Tegen dit oordeel komt het middel terecht op, aangezien het niet valt te rijmen met de strekking van het derde lid van genoemd wetsartikel, welke strekking erop neerkomt dat de periode gedurende welke voor pp. onzekerheid bestaat over de vraag of de dienstbetrekking op de voet van het eerste lid een einde zal vinden dan wel definitief zal worden, in geen geval langer mag duren dan twee maanden, te rekenen van de aanvang van de dienstbetrekking af. De bestreden vonnissen van de Rb. kunnen dus niet in stand blijven. Beslissing De HR: vernietigt de bestreden vonnissen van de Rb.; 4 verwijst de zaak ter verdere behandeling en ter beslissing naar het Hof 's-gravenhage; veroordeelt Van Dijk in de kosten van het geding in cassatie, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Keizer begroot op ƒ 2366,85 waarvan te betalen 1 aan de deurwaarder P. Krebbers te Rotterdam, wegens dagvaardingskosten: ƒ 45,10, aan de Griffier van de HR de ingevolge art. 863 Rv in debet gestelde griffierechten ten bedrage van: ƒ 150, aan de deurwaarder H. Hermans te 's-gravenhage, wegens afroepgelden ter rolle: ƒ 21,75, aan de adv. Mr. R.A.A. Duk te 's-gravenhage: ƒ 2150, waarvan ƒ 2000 voor salaris en ƒ 150 aan verschotten. In bovenstaande zaak heeft de Rb. o.m. overwogen (Red.): In de eerste grief, (die tegen het vonnis van 29 aug. 1978), betwist Keizer principieel de relevantie van de bewijslevering, waartoe Van Dijk bij dat vonnis werd toegelaten. Zij betoogt, dat gelet op art. 1639n derde lid BW de overigens feitelijk betwiste 'opschortingsovereenkomst' nietig, immers in strijd met dwingend recht, is. Bedoeld artikellid luidt, voor zover van belang: 'Elk beding, waarbij... de proeftijd op langer dan twee maanden gesteld wordt, alsmede elk beding, waarbij door het aangaan van een nieuwe proeftijd de gezamenlijke proeftijden langer dan twee maanden worden, is nietig.' 13

14 Met de Ktr. is de Rb. van oordeel dat deze bepaling aan de rechtsgeldigheid van de door Van Dijk gestelde constructie niet afdoet. De bepaling maakt onderdeel uit van de afdeling in het BW, welke luidt: van de verschillende wijzen waarop de dienstbetrekking, door arbeidsovereenkomst ontstaan, eindigt. Beeindiging gedurende een proeftijd is een van die wijzen. Dit betekent dat een beeindiging van de relatie gedurende een proeftijd niet mogelijk is, indien of zolang er geen dienstbetrekking tussen pp. is. Van Dijk heeft gesteld dat pp. waren overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst vanaf 6 juni 1977 tot 27 juni 1977 werd opgeschort. Indien juist, leidt deze opschorting ertoe dat ook de proeftijd gedurende die tijd niet kon doorlopen. Terecht heeft de Ktr. Van Dijk dan ook in de gelegenheid gesteld zijn stelling te bewijzen. Tegen de vonnissen van de Rb. is het volgende cassatiemiddel aangewend (Red.): Schending van het recht, in het bijzonder van art. 1639n BW en de art. 6 en 9 BBA 1945, dan wel verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming tot nietigheid leidt, doordat de Rb. heeft overwogen als daarin weergegeven en op grond daarvan heeft beslist als in de dicta daarvan beschreven, ten onrechte en in strijd met het recht om de navolgende redenen. Tussen mevrouw Smit als werkneemster van Van Dijk als werkgever is een arbeidsovereenkomst gesloten, op grond waarvan mevrouw Smit sedert 11 mei 1977 bij Van Dijk in dienstbetrekking werkzaam is geweest. Van die overeenkomst maakte een proeftijdbeding deel uit. Van Dijk heeft mevrouw Smit op 16 juli 1977 uit die dienstbetrekking ontslagen. Mevrouw Smit heeft de nietigheid van dat ontslag ingeroepen. Van Dijk heeft zich daartegen verweerd met de stelling dat het ontslag tijdens de proeftijd was gegeven. In dat verband heeft Van Dijk nog aangevoerd dat pp. waren overeengekomen dat de arbeidsverhouding van 6 juni 1977 tot 27 juni 1977 werd opgeschort. Mevrouw Smit heeft in hoger beroep o.m. betoogd dat bedoeld beroep niet opging en dat het door Van Dijk ter zake van die overeenkomst gedane bewijsaanbod relevantie miste, omdat kort gezegd een dergelijke 'opschortingsovereenkomst' nietig, immers in strijd met dwingend recht, is. De Rb. heeft deze stelling verworpen op de gronden aangeduid onderaan p. 2 en in de eerste alinea's van p. 3 van haar vonnis van 18 dec Mede op grond van die overwegingen en oordelende dat Van Dijk het bewijs van die overeenkomst geleverd had, heeft de Rb. vervolgens bij haar vonnis van 28 mei 1982 de vonnissen in prima bekrachtigd c.a. De in de vorige alinea bedoelde beslissingen van de Rb. zijn onjuist, omdat een beroep als i.c. door Van Dijk gedaan als strijd met de wet had moeten zijn verworpen. Tegen de benadering van de Rb. pleit dat daarin onzekerheden kunnen ontstaan die bij een strikte toepassing van art. 1639n, welke bepaling een variant als het litigieuze op het proeftijdbeding niet kent, kunnen worden voorkomen. Een opschorting als door de Rb. toelaatbaar geacht leidt tot een niet te aanvaarden overschrijding van de in dat artikel bedoelde termijn van 2 maanden. Gelet op de achtergronden voor het toelaten van een proeftijdbeding, waarin ook tijdens een 'opschorting' althans ten dele kan worden voldaan, dient de tijdsduur van zodanige 'opschorting' te worden gevoegd bij de met 14

15 zoveel woorden als proeftijd overeengekomen effectieve arbeidsperiode. In het licht van een en ander had de Rb. moeten beslissen dat Van Dijk mevrouw Smit op 16 juli 1977 niet langer op grond van het proeftijdbeding (rechtsgeldig) kon ontslaan. Het vorenstaande geldt, zo al niet in zijn algemeenheid, dan toch in de bijzondere omstandigheden van het geval zoals die uit de processtukken en de vonnissen a quo blijken, en waarbij met name van belang is dat de opschorting verband hield met vakantie en de daarin plaatsvindende verbouwing van het bedrijf van Van Dijk. Conclusie Naar boven ConclusieA-G Mr. Franx 1 Thans eiseres tot cassatie, Keizer, kwam op 11 mei 1977 voor onbepaalde tijd als slagershulp en winkeljuffrouw in dienst bij verweerder Van Dijk. Zij werd door Van Dijk op 16 juli 1977 ontslagen. Tussen pp. was een proeftijd van twee maanden overeengekomen. Keizer vorderde met een beroep op de nietigheid van het ontslag, dat volgens haar na het einde van de proeftijd was gegeven, doorbetaling van loon, cum annexis. Van Dijk voerde o.m. als verweer dat het ontslag tijdens de proeftijd en derhalve rechtsgeldig was gegeven, nu pp. waren overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst en daarmee ook de proeftijd van 6 juni 1977 tot 27 juni 1977 was opgeschort. De Ktr. te Rotterdam stelde Van Dijk in het gelijk en het door Keizer ingestelde hoger beroep had geen succes. De Rb. aldaar overwoog in haar vonnis van 18 dec over art. 1639n lid 3 BW: 'Met de Ktr. is de Rb. van oordeel dat deze bepaling aan de rechtsgeldigheid van de door Van Dijk gestelde constructie niet afdoet. De bepaling maakt onderdeel uit van de afdeling in het Burgerlijk Wetboek, welke luidt: van de verschillende wijzen waarop de dienstbetrekking, door arbeids-overeenkomst ontstaat, eindigt. Beeindiging gedurende een proeftijd is een van die wijzen. Dit betekent dat een beeindiging van de relatie gedurende een proeftijd niet mogelijk is, indien of zolang er geen dienstbetrekking tussen pp. is. Van Dijk heeft gesteld dat pp. waren overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst vanaf 6 juni 1977 tot 27 juni 1977 werd opgeschort. Indien juist, leidt deze opschorting ertoe dat ook de proeftijd gedurende die tijd niet kon doorlopen. Terecht heeft de Ktr. Van Dijk dan ook in de gelegenheid gesteld zijn stelling te bewijzen.' Bij eindvonnis van 28 mei 1982 heeft de Rb. de bestreden vonnissen van de Ktr. bekrachtigd. Keizer heeft zich in cassatie voorzien en bestrijdt de beide vonnissen van de Rb. met een cassatiemiddel. Dit middel klaagt over schending van het van dwingend recht zijnde art. 1639n lid 3 BW, waarop het boven omschreven verweer van Van Dijk (het beroep op de opschortingsovereenkomst) zou afstuiten. 2 Art. 1639n lid 3 BW luidt, voor zover thans van belang: 'Elk beding, waarbij de proeftijd 15

16 ... op langer dan twee maanden gesteld wordt, alsmede elk beding, waarbij door het aangaan van een nieuwe proeftijd de gezamenlijke proeftijden langer dan twee maanden worden, is nietig.' Deze bepaling heeft zijn huidige versie gekregen door de wet van 17 dec. 1953, Stb. 619, waarbij het oude art. 1639l werd vernummerd tot 1639n en het tegenwoordige tweede lid werd ingevoegd (en een thans niet van belang zijnde wijziging van het eerste lid geschiedde). HR 9 april 1954, NJ 1954, 446 (m.nt. PhANH) overwoog: 'dat het tweede lid van art. 1639l (oud) bepaalt, dat elk beding, waarbij de proeftijd op langer dan twee maanden gesteld wordt, alsmede elk beding, waarbij tussen dezelfde partijen een nieuwe proeftijd werd aangegaan, nietig is; dat de Rb. heeft geoordeeld, dat laatstbedoelde bepaling uitzondering lijdt, indien de werknemer tijdens den oorspr. bedongen proeftijd van twee maanden gedurende meer dan anderhalve maand door ziekte zijn werkzaamheden niet heeft kunnen verrichten; dat deze opvatting niet slechts met de woorden van de wet in strijd is, doch ook niet geacht kan worden met de strekking daarvan in overeenstemming te zijn; dat immers uit het feit, dat voor gevallen als het onderhavige, welke geenszins uitzonderlijk zijn, geen bijzondere voorziening is getroffen, kan worden afgeleid, dat de wetgever het aan den strengen regel van art. 1639l verbonden bezwaar, dat pp. in sommige gevallen niet in de gelegenheid zijn haar beslissing uit te stellen totdat een effectieve diensttijd van twee maanden is verlopen, niet zo groot heeft geacht als het aan iedere meer gedifferentieerde regeling verbonden bezwaar, dat onzekerheid kan ontstaan over de vraag of in een gegeven geval het bedingen van een nieuwen proeftijd geoorloofd is;'. Dit arrest gaat over het verbod van een nieuwe proeftijd, vervat in art. 1639l lid 2-oud. Dit verbod is nu vervangen door de iets liberalere regeling van art. 1639n lid 3, boven geciteerd: een nieuwe proeftijd mag, mits het totaal van de proeftijden niet groter is dan twee maanden. Waar de HR zegt dat de opvatting van de Rb. niet in overeenstemming is met de strekking van de wet, en vervolgens op die strekking ingaat, heeft de cassatie-rechter niet alleen het thans niet meer bestaande verbod van een nieuwe proeftijd op het oog maar ook het eerder in de wet genoemde en fundamentele verbod van een proeftijd van langer dan twee maanden. De strekking van art. 1639l lid 2-oud is dan blijkbaar dat er niet langer dan twee maanden vanaf het ingaan van de (eerste) proeftijd onzekerheid mag bestaan over de vraag of het werken 'op proef' al dan niet wordt gevolgd door een 'vast' dienstverband, d.w.z. een dienstverband waarop art. 1639n in het geheel niet van toepassing is en waarbij de werknemer de normale bescherming tegen beeindiging geniet: de 'ijzeren' proeftijd (zie: P. Zonderland in 'De Onderneming', 1955, p ; dezelfde tekst in 'Arbeidsrecht en rechtspraak', 1958, p ; het losbladige 'Arbeidsovereenkomst', aant. 4 op art. 1639n, HR 28 mei 1982, NJ 1982, 544: door een proeftijdbeding wordt in de praktijk vooral de positie van de werknemer verzwakt). Dat zo zijnde behoudt het arrest van 1954 zijn betekenis voor het huidige art. 1639n, dat dezelfde strekking heeft, en daarbij geen onderscheid maakt tussen ziekte van de werknemer en opschorting van de arbeidsovereenkomst. Aldus M.G. Levenbach in zijn noot onder het arrest van 1954 in SMA 1954, p. 579; Ktr. Amsterdam 3 april 1975, Prg nr. 16

17 1033, m.nt. J.A. de Jong. Vgl. W.C. van Zwieten in SMA 1954, p. 556 e.v., en Ktr. Groningen 24 juni 1981, Prg nr p Nu is het op zichzelf waar dat het litigieuze opschortingsbeding de termijn van de opschorting exact omlijnt (van 6 tot 27 juni 1977) en in die zin geen onzekerheid creeert. Gaat men dit aspect beslissend achten, dan doet men de eerder vermelde strekking van art. 1639n geweld aan: de onzekerheid over het intreden van een 'vast' dienstverband mag niet langer dan twee maanden duren. Daar komt dan nog bij dat, laat men het onderhavige opschortingsbeding toe, het hek van de dam lijkt te zijn: waarom dan ook niet een bedongen opschortingstermijn van bijv. drie maanden, of nog langer, acceptabel achten? of een beding inzake een proeftijd gedurende de eerste en bijv. de zesde maand van het dienstverband? Een opschortingsbeding als het onderhavige is, naar het mij voorkomt, slechts geldig indien daardoor het einde van de proeftijd niet meer dan twee maanden na de aanvang daarvan komt te liggen. W.J. Slagter zegt in zijn oratie 'Rechtvaardigheid en doelmatigheid' (1961), p. 26: 'De opvatting van de HR (nl. in het arrest van 1954; F.) is niet rechtvaardig maar wel doelmatig; geschillen over de vraag, of de proeftijd reeds voorbij is of niet, worden er door afgesneden, daar men zich in alle gevallen heeft te houden aan de vaste termijn van twee maanden.' Aldus sluit hij zich aan bij Langemeijer, die in zijn conclusie voor het arrest het standpunt van de rechtbank dat art. 1639l, 'uitgelegd met inachtneming van redelijkheid en billijkheid' zich niet tegen een 'opschorting' van de proeftijd wegens ziekte van de werknemer verzet, juist acht. De HR echter heeft, als gezegd, dat standpunt verworpen in een afweging waarin het 'onzekerheidsbezwaar' de doorslag gaf. Ik vraag mij af of dit laatstgenoemde bezwaar niet evenzeer rechtvaardigheidsgehalte heeft en dus niet uitsluitend in dienst van de doelmatigheid staat. Zie ook de noot van Houwing in NJ 1954, p De Rb. heeft in de boven geciteerde overwegingen van haar vonnis d.d. 18 dec miskend, dat het nu juist de vraag is of men rechtsgeldig kan overeenkomen dat er tijdelijk (van 6 tot 27 juni 1977) geen dienstbetrekking tussen partijen zal zijn met als gevolg opschorting van de proeftijd. De beantwoording van die vraag hangt af van de aan art. 1639n te geven uitleg en niet enkel van de uitkomst van een syllogistische redenering. Tenslotte verwijs ik naar: Asser-De Leede, 5-III (1983), p ; Molenaar, Arbeidsrecht II A (1957), p ; Bakels-Opheikens, 'Schets van het Nederlands arbeidsrecht' (1982), p ; D. Christe in SMA 1979, p. 471 e.v. 3 Gegrondbevinding van het cassatiemiddel brengt mij tot de conclusie, dat de HR de beide vonnissen van de Rotterdamse Rb. d.d. 18 december 1981 en 28 mei 1982 zal vernietigen en de zaak ter verdere behandeling met inachtneming van het door de HR te wijzen arrest zal verwijzen naar het Hof 's-gravenhage, met verwijzing van verweerder in cassatie, partij Van Dijk, in de op de voorziening gevallen kosten. 17

18 JAR 1995/254 Hoge Raad 's-gravenhage, , Vraag of werknemer binnen de proeftijd is ontslagen, Beperkende werking redelijkheid en billijkheid Aflevering 1995 afl. 16 College Hoge Raad Datum 27 oktober 1995 Rolnummer Rechter(s) Partijen Mr. Snijders Mr. Roelvink Mr. Mijnssen Mr. Korthals Altes Mr. Swens-Donner Mr. A-G Koopmans Concluderend Hendrik den Haan te Rotterdam, eiser advocaat: Mr T. Cohen Jehoram, tegen The Box Fashion BV te Rotterdam, verweerster, niet verschenen. Trefwoorden Vraag of werknemer binnen de proeftijd is ontslagen, Beperkende werking redelijkheid en billijkheid Regelgeving BW Boek 7A n» Samenvatting DH is op in dienst getreden van BF. In de arbeidsovereenkomst werd een proeftijd van twee maanden overeengekomen. BF heeft de arbeidsovereenkomst binnen deze proeftijd willen beëindigen. In verband daarmee heeft de directeur van BF op maandag aan een of twee medewerkers medegedeeld dat hij voornemens was DH de daarop volgende vrijdag te ontslaan en dat DH zich daartoe op die vrijdag bij de directeur moest vervoegen. DH heeft zich niet op de opgegeven tijd bij de directeur vervoegd. Ter zake van het ontslag heeft de directeur niet voor zondag contact met DH gehad. Het toen telefonisch gegeven ontslag is bij een gesprek op maandag 17 december herhaald. Partijen hebben gestreden over de vraag of DH geacht moet worden binnen de proeftijd te zijn ontslagen. Op het beroep in cassatie van DH overweegt de HR: Vooropgesteld moet worden dat art. 7A:1639n BW -dat het mogelijk maakt de ontslagbescherming die een arbeidsovereenkomst in beginsel aan de werknemer biedt, gedurende de eerste twee maanden van die overeenkomst aan deze te onthouden- moet worden uitgelegd op een wijze die met het strikte karakter van deze uitzondering strookt. Dit sluit niet uit dat een beroep van de werknemer op een strikte toepassing van de 18

19 termijn van het proeftijdbeding -in de bewoordingen van het huidige art. 6:248 lid 2, die ook het voor 1 januari 1992 op dit punt geldende recht weergeven- in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn. Aan deze omstandigheden dienen evenwel in het licht van het voorgaande hoge eisen te worden gesteld. De rechtbank heeft kennelijk noch de voormelde onaanvaardbaarheidsmaatstaf aangelegd, noch aan de omstandigheden van het geval de hiervoor bedoelde hoge eisen gesteld. In het bijzonder is de enkele omstandigheid dat de werknemer, na enige dagen tevoren de mededeling te hebben ontvangen dat hij zich op de laatste (werk)dag van de proeftijd bij de directeur moet vervoegen teneinde te worden ontslagen, zich opzettelijk aan dat gesprek onttrekt, niet voldoende om het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te maken dat hij zich op overschrijding van de proeftijd beroept, wanneer de werkgever nalaat hem binnen de proeftijd op andere wijze, bijv. schriftelijk, te ontslaan. Het ligt voor de hand en de rechtbank heeft dan ook vastgesteld dat zulks ook hier mogelijk zou zijn geweest, terwijl evenzeer voor de hand ligt dat een werknemer aan wie wordt opgedragen zich op de laatste (werk)dag van de proeftijd bij de directeur te vervoegen onder mededeling dat hem dan ontslag wacht, zich mogelijk aan dat gesprek zal onttrekken, zodat de werkgever, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, met die mogelijkheid rekening dient te houden. beslissing/besluit» Uitspraak Rechtbank Rotterdam 3. De beoordeling 3.1 Het hoger beroep is tijdig ingesteld. 3.2 Geen grieven zijn gericht tegen de door de kantonrechter in zijn tussenvonnis van 17 februari 1992 vermelde vaststaande feiten, zodat van die feiten ook in hoger beroep wordt uitgegaan. 3.3 Ad grief I Uit de in de toelichting op de grief geciteerde verklaringen -voorzover feitelijk al juistvolgt hoogstens dat ook Den Haan de dienstbetrekking wenste te beëindigen, maar niet dat hij aan die wens uitvoering heeft gegeven. Ook The Box Fashion heeft dit laatste niet anders begrepen, getuige het plan van de direkteur om op de middag van 14 december 1990 in een bespreking met Den Haan deze te ontslaan c.q. hem mee te delen dat het dienstverband niet werd verlengd. Daarom kan deze grief niet slagen en dient het tussenvonnis van de kantonrechter van 17 februari 1992, nu daartegen overigens geen grieven zijn gericht, bekrachtigd te worden. In dit tussenvonnis wordt The Box Fashion toegelaten te bewijzen dat zij Den Haan uiterlijk 14 december 1990 met ingang van diezelfde datum heeft ontslagen. 3.4 Ad grief II De rechtbank kan zich geheel en al verenigen met de overweging van de kantonrechter in zijn eindvonnis omtrent hetgeen aan de hand van de vier afgelegde 19

20 getuigenverklaringen vaststaat. Ook deelt de rechtbank het daarop gebaseerde oordeel van de kantonrechter dat Den Haan op grond van mededelingen van Kapatsos en Boele heeft kunnen en moeten begrijpen dat (de direkteur van) The Box Fashion voornemens was hem op 14 december 1990 te ontslaan, althans zijn dienstverband niet te verlengen. Evenzeer echter is zij met de kantonrechter van oordeel dat geen ontslag door middel van een of meer medewerkers op maandag 10 december 1990, althans vóór zondag 16 december 1990 is gegeven. Immers de mededelingen van die werknemers hielden in dat de direkteur voornemens was om het dienstverband te beëindigen, niet dat zij zelf namens de direkteur het dienstverband beëindigden. Ook de wens van (de direkteur van) The Box Fashion om op 14 december 1990 een gesprek met Den Haan te hebben, duidt daarop. Ook deze grief faalt derhalve. 3.5 Ad grief III Zoals hiervoor bij de behandeling van grief II werd overwogen, staat aan de hand van de getuigenverklaringen vast, dat Den Haan wist dat (de direkteur van) The Box Fashion voornemens was hem in een gesprek op 14 december 1990, en derhalve tijdens de proeftijd te ontslaan. Voorzover Den Haan in hoger beroep deze wetenschap wederom betwist, kan hem dat derhalve niet baten. Uit hetgeen Den Haan bij antwoord in hoger beroep onder en naar voren heeft gebracht, leidt de rechtbank voorts af, dat Den Haan niet (langer) betwist, dat hij, in de hiervoor vermelde wetenschap dat de direkteur van The Box Fashion voornemens was hem te ontslaan tijdens de proeftijd, opzettelijk niet bij deze direkteur is verschenen op 14 december Voorts staat vast dat de direkteur van The Box Fashion in een telefoongesprek op zondag 16 december 1990 aan Den Haan heeft meegedeeld dat hij de dienstbetrekking wenste op te zeggen, terwijl bij brief van 17 december 1990 van The Box Fashion aan Den Haan is meegedeeld 'Zoals reeds eerder met U besproken delen wij u mede dat de met u aangegane arbeidsovereenkomst wordt beëindigd. Deze beëindiging valt binnen de proeftijd'. De rechtbank is van oordeel, dat gelet op de hiervoor vermelde vaststaande feiten en omstandigheden, Den Haan zich er niet te goeder trouw op kan beroepen, dat de arbeidsovereenkomst niet tijdig (namelijk tijdens de proeftijd) is opgezegd en derhalve voortduurde na 14 december In het bijzonder de omstandigheid, dat Den Haan het gesprek met de direkteur van The Box Fashion op 14 december 1990 heeft ontlopen, terwijl hij wist dat hem in dat gesprek ontslag tijdens de proeftijd zou worden aangezegd, met de kennelijke bedoeling aldus tijdige opzegging te ontgaan, staat aan een dergelijk beroep in de weg. Weliswaar is juist, dat The Box Fashion ervoor had kunnen zorgen dat de opzegging binnen de proeftijd werd gedaan door de opzegging eerder schriftelijk te doen, maar zulks brengt nog niet mee, dat daarom de arbeidsovereenkomst voortduurde na 14 december The Box Fashion behoefde immers geen rekening te houden met het ontlopen van het gesprek met haar direkteur op 14 december 1990 door Den Haan, met als doel opzegging binnen de proeftijd te vermijden. De rechtbank is dan ook van oordeel, dat het eindvonnis van de kantonrechter vernietigd moet worden en de loonvordering van Den Haan, voorzover deze betrekking heeft op de periode na 14 december 1990, alsnog afgewezen moet worden. Zijn vordering is toewijsbaar voor zover deze betrekking heeft op salaris over de periode 1 tot en met 14 december 1990 (ƒ963,50 netto), alsmede op de vakantietoeslag over de periode van 15 oktober tot 14 december 1990 (f 308,32 netto), derhalve tot een bedrag van ƒ1.271,82 netto. De rechtbank is tenslotte van oordeel, dat de mede gevorderde wettelijke verhoging over dit bedrag toewijsbaar is tot een percentage van 10, derhalve tot een 20

21 bedrag van ƒ127,18 netto, nu mede wettelijke rente is gevorderd en zal worden toegewezen. 3.6 Gelet op het voorgaande behoeft grief IV geen bespreking meer. 3.7 Den Haan zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van beide instanties. Cassatiemiddel Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet inachtneming nietigheid met zich meebrengt, doordien de Arrondissementsrechtbank heeft overwogen, recht gedaan en beslist als in het bestreden vonnis is opgenomen, om de volgende, mede in onderling verband in aanmerking te nemen, redenen: A Eiser tot cassatie -hierna te noemen: 'Den Haan'- is op 15 oktober 1990 in dienst getreden van verweerster in cassatie - hierna: 'The Box Fashion'. In de arbeidsovereenkomst werd tussen partijen een proeftijd van twee maanden overeengekomen. Vaststaat dat Den Haan (in ieder geval) niet vóór zondag 16 december 1990 door The Box Fashion 'ontslag is gegeven' (r.ov. 3.4 van het bestreden vonnis). De arbeidsovereenkomst is niet tijdens de proeftijd 'opgezegd' (r.ov. 3.5 van het vonnis). B Voorts staat vast dat The Box Fashion er voor had kunnen zorgen dat de 'opzegging binnen de proeftijd werd gedaan door de opzegging eerder schriftelijk te doen' (r.ov. 3.5 van het vonnis). C Als door Den Haan gesteld en door de Rechtbank onbesproken gelaten, staat in cassatie tevens het volgende vast. Op vrijdagmiddag 14 december de directeur van The Box Fashion had de wens om die middag met Den Haan een gesprek te hebben; r.ov heeft Den Haan om 16.00u gebeld met de secretaresse van de directeur van The Box Fashion om hem mede te delen dat hij vrijaf had genomen en thuis was en de secretaresse zou dat doorgeven. Hij kreeg te horen dat de directeur misschien on aanwezig zou zijn. Toen heeft Den Haan opnieuw gebeld en ook nu weer vernam hij dat de directeur niet aanwezig was. De directeur bleek voor Den Haan die middag onbereikbaar te zijn. Op zaterdag belde de directeur weer, maar toen was Den Haan niet thuis. De directeur zou later die dag terugbellen. Uiteindelijk hebben Den Haan en de directeur elkaar op zondagavond gesproken. Zie conclusie van antwoord in hoger beroep p. 4 en p. 14. D Bij beschikking van de Kantonrechter te Rotterdam is de arbeidsovereenkomst tussen Den Haan en The Box Fashion, voor zover deze niet eerder zou zijn geëindigd, ontbonden per 1 april Nu Den Haan de beëindiging per 16 december 1990 niet heeft aanvaard en daarvan (tijdig) de nietigheid heeft ingeroepen, vordert hij (onder andere) salaris (met wettelijke verhoging en wettelijke rente) over (onder andere) de periode van 15 december 1990 tot en met 31 maart 1991 (het over de periode van 1 december tot en met 14 december 1990 gevorderde salaris is door de Rechtbank toegewezen). E De Rechtbank heeft de loonvordering van Den Haan voor zover deze betrekking heeft op de periode na 14 december 1990 (anders dan de Kantonrechter) afgewezen. Daartoe overwoog zij: '3.5. ad grief III 21

Hoge Raad 27-10-1995, BJN 101929, (Den Haan/The Box Fashion)

Hoge Raad 27-10-1995, BJN 101929, (Den Haan/The Box Fashion) UJA-Nummer Instantie UJA_101929 datum 27-10-1995 wetsartikelen Art. 1639n oud-bw (thans art. 7:652 BW en art. 7:676 BW) 27-10-1995, BJN 101929, (Den Haan/The Box Fashion) Samenvatting Casus Den Haan is

Nadere informatie

vonnis in kort geding ex artikel 254 lid 5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

vonnis in kort geding ex artikel 254 lid 5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, ECLI:NL:RBROT:2016:996 Instantie Rechtbank Rotterdam Datum uitspraak 10-02-2016 Datum publicatie 10-02-2016 Zaaknummer 4645281 VV EXPL 15-591 Rechtsgebieden Civiel recht Bijzondere kenmerken Kort geding

Nadere informatie

meest gestelde vragen over De Proeftijd De Gier Stam &

meest gestelde vragen over De Proeftijd De Gier Stam & meest gestelde vragen over De Proeftijd De Gier Stam & De 10 meest gestelde vragen over De Proeftijd De Gier Stam & Colofon De Gier Stam & Advocaten Lucasbolwerk 6 Postbus 815 3500 AV UTRECHT t: (030)

Nadere informatie

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/5545011KG ZA 13-1428 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 juli 2014

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/5545011KG ZA 13-1428 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 juli 2014 arrest GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team II zaaknummer :200.140.465101 KG zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/5545011KG ZA 13-1428 arrest van de meervoudige burgerlijke

Nadere informatie

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ecli:nl:rbove...

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ecli:nl:rbove... Rechtspraak.nl Print uitspraak 1 of 5 071215 09:02 Zoekresultaat inzien document ECLI:NL:RBOVE:2013:1448 Permanente link: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ecl Instantie Rechtbank Overijssel

Nadere informatie

IN NAAM DER KONINGIN

IN NAAM DER KONINGIN 2 januari 1987 Eerste Kamer Nr. 12.932 RF/AT IN NAAM DER KONINGIN Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: "VASTELOAVESVEREINIGING DE ZAWPENSE", gevestigd te Grevenbricht, gemeente Born EISERES

Nadere informatie

Wederindiensttredingsvoorwaarde Ontslagbesluit; zzp'er; stageovereenkomst

Wederindiensttredingsvoorwaarde Ontslagbesluit; zzp'er; stageovereenkomst ECLI:NL:RBNNE:2013:6766 Instantie Rechtbank Noord-Nederland Datum uitspraak 12-11-2013 Datum publicatie 13-11-2013 Zaaknummer KG-2442504 - CV EXPL 13-8338-L Rechtsgebieden Civiel recht Bijzondere kenmerken

Nadere informatie

JAR 2011/76 Kantonrechter Amsterdam, 15-12-2010, 1189978 EA VERZ 10-1717, LJN BO8932 Arbitragebeding, Kantonrechter onbevoegd in ontbindingsprocedure

JAR 2011/76 Kantonrechter Amsterdam, 15-12-2010, 1189978 EA VERZ 10-1717, LJN BO8932 Arbitragebeding, Kantonrechter onbevoegd in ontbindingsprocedure JAR 2011/76 Kantonrechter Amsterdam, 15-12-2010, 1189978 EA VERZ 10-1717, LJN BO8932 Arbitragebeding, Kantonrechter onbevoegd in ontbindingsprocedure Aflevering 2011 afl. 5 College Kantonrechter Amsterdam

Nadere informatie

Hoge Raad der Nederlanden

Hoge Raad der Nederlanden '" 13 februari 2015 Eerste Kamer in naam des Konings 10/02162 LZ Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: l. LEIDSEPLEIN BEHEER B.V., gevestigd te Amsterdam, 2. Hendrikus Jacobus Marinus DE VRIES,

Nadere informatie

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ecli:nl:gharl...

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ecli:nl:gharl... 1 of 5 31-01-16 21:27 Zoekresultaat - inzien document ECLI:NL:GHARL:2013:5729 Permanente link: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ecl Instantie Datum uitspraak 30-07-2013 Datum publicatie 01-08-2013

Nadere informatie

Hoge Raad 12-02-1999, BJN 101936, (Schoenmaker)

Hoge Raad 12-02-1999, BJN 101936, (Schoenmaker) Uittreksels Jurisprudentie rechtspraak UJA_101936, PDF gemaakt voor UJA-Nummer Instantie UJA_101936 Hoge Raad datum 12-02-1999 wetsartikelen Art. 1639o oud-bw; art. 1639p oud-bw; art. 1639s oud-bw (art.

Nadere informatie

P. Kruit, C. Loonstra en E. van Vliet 978-90-01-83406-7

P. Kruit, C. Loonstra en E. van Vliet 978-90-01-83406-7 Rechtspraak Instantie Hoge Raad Datum 8 oktober 2004 Vindplaats LJN AO9549 Naam Vixia / Gerrits Essentie uitspraak: De enkele schending van controlevoorschriften (de werknemer weigert bij de bedrijfsarts

Nadere informatie

LJN: BA8945, Rechtbank 's-gravenhage, KG 07/529 Print uitspraak

LJN: BA8945, Rechtbank 's-gravenhage, KG 07/529 Print uitspraak LJN: BA8945, Rechtbank 's-gravenhage, KG 07/529 Print uitspraak Datum uitspraak: 06-07-2007 Datum publicatie: 06-07-2007 Rechtsgebied: Civiel overig Soort procedure: Kort geding Inhoudsindicatie: Eiseres

Nadere informatie

De Commissie heeft partijen opgeroepen voor een mondelinge behandeling op 5 maart 2012.

De Commissie heeft partijen opgeroepen voor een mondelinge behandeling op 5 maart 2012. Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2012-122 d.d. 17 april 2012 (mr. A.W.H. Vink, voorzitter, en mr. F.E. Uijleman, secretaris) Samenvatting Reisverzekering, toepasselijkheid verzekeringsvoorwaarden,

Nadere informatie

beschikking :N NAAM VAN DE KONING RECHTBANK OEN HAAG Zittingsplaats "s-gravenhage tfh Zaaknr.: 4779035 RP VERZ 16-50054 Uitspraakdaturn.

beschikking :N NAAM VAN DE KONING RECHTBANK OEN HAAG Zittingsplaats s-gravenhage tfh Zaaknr.: 4779035 RP VERZ 16-50054 Uitspraakdaturn. :N NAAM VAN DE KONING beschikking RECHTBANK OEN HAAG Zittingsplaats "s-gravenhage tfh Zaaknr.: 4779035 RP VERZ 16-50054 Uitspraakdaturn. 5 april2016 Beschikking van de kantonrechter x!!!'!wi.. verzoekende

Nadere informatie

1 Het geding in feitelijke instanties

1 Het geding in feitelijke instanties Uitspraak 14 februari 2014 nr. 13/00475 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te s-gravenhage van 18 december 2012, nr. 12/00169,

Nadere informatie

» Samenvatting. JAR 2012/183 Gerechtshof 's-gravenhage 5 juni 2012, 200.076.582/01. ( mr. Mellema mr. Van Coeverden mr.

» Samenvatting. JAR 2012/183 Gerechtshof 's-gravenhage 5 juni 2012, 200.076.582/01. ( mr. Mellema mr. Van Coeverden mr. JAR 2012/183 Gerechtshof 's-gravenhage 5 juni 2012, 200.076.582/01. ( mr. Mellema mr. Van Coeverden mr. Van Rijkom ) Leenderd Eduardus Blom te Rotterdam, appellant in principaal appel, geïntimeerde in

Nadere informatie

JAR 2012/284 Kantonrechter Leeuwarden, 12-10-2012, 405382\CV EXPL 12-6973, LJN BY0861

JAR 2012/284 Kantonrechter Leeuwarden, 12-10-2012, 405382\CV EXPL 12-6973, LJN BY0861 JAR 2012/284 Kantonrechter Leeuwarden, 12-10-2012, 405382\CV EXPL 12-6973, LJN BY0861 Payrolling, Geen overgang naar payrollbedrijf zonder uitdrukkelijke instemming werknemer Publicatie JAR 2012 afl.16

Nadere informatie

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ecli:nl:rbams:2013:bz6442&keyword=bz6442 1

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ecli:nl:rbams:2013:bz6442&keyword=bz6442 1 Modeldagvaarding: Bemiddelingsovereenkomst met makelaar/bemiddelaar voor een zelfstandige woning waarbij de makelaar/bemiddelaar zowel voor de particuliere huurder als de verhuurder heeft bemiddeld. Een

Nadere informatie

SCHEIDSGERECHT GEZONDHEIDSZORG

SCHEIDSGERECHT GEZONDHEIDSZORG SCHEIDSGERECHT GEZONDHEIDSZORG Kenmerk: 05/16 Bindend advies in de zaak van: A., wonende te Z., eiser, gemachtigde: mr. Th.F.M. Pothof tegen De Stichting B., gevestigd te IJ., verweerster, gemachtigde:

Nadere informatie

Geïntimeerde te veroordelen in de kosten van beide instantiën, te begroten volgens het gebruikelijke tarief. "

Geïntimeerde te veroordelen in de kosten van beide instantiën, te begroten volgens het gebruikelijke tarief. Cogas geïntimeerde DomJur 2002-136 Gerechtshof Leeuwarden Zaak-/rolnummer: 0000379 Datum: 19-09-2001 Arrest in de zaak van: de naamloze vennootschap Centraal Overijsselse Nuts Bedrijven N.V., gevestigd

Nadere informatie

DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V., gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen Aangeslotene.

DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V., gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen Aangeslotene. Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2015-059 d.d. 23 februari 2015 (mr. P.A. Offers, voorzitter, mr. B.F. Keulen en C.E. Polak, leden en mr. F.E. Uijleman, secretaris) Samenvatting

Nadere informatie

Honderbezitter aansprakelijk voor schade aangericht door hond aan hondenuitlaatster

Honderbezitter aansprakelijk voor schade aangericht door hond aan hondenuitlaatster Honderbezitter aansprakelijk voor schade aangericht door hond aan hondenuitlaatster LJN: BW9368, Rechtbank Amsterdam, 6 juni 2012 2. De feiten 2.1. [A] en [B] wonen tegenover elkaar in [plaats]. [C] woont

Nadere informatie

N.V. Univé Schade, gevestigd te Assen, hierna te noemen Aangeslotene.

N.V. Univé Schade, gevestigd te Assen, hierna te noemen Aangeslotene. Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2014-233 d.d. 6 juni 2014 (mr. A.W.H. Vink, voorzitter en mevrouw mr. I.M.L. Venker, secretaris) Samenvatting Consument en Aangeslotene hebben

Nadere informatie

Webinar Arbeidsrecht Jurisprudentie (procesrecht) Academie voor de Rechtspraktijk mr. P.J. Jansen 6 maart 2015

Webinar Arbeidsrecht Jurisprudentie (procesrecht) Academie voor de Rechtspraktijk mr. P.J. Jansen 6 maart 2015 Webinar Arbeidsrecht Jurisprudentie (procesrecht) Academie voor de Rechtspraktijk mr. P.J. Jansen 6 maart 2015 Bewijslastverdeling o.s.v. (I) Hof Arnhem-Leeuwarden 1 april 2014, ECLI:NL: HARL:2014:2600:

Nadere informatie

Zaaknummer : 2012/220 en 220.1

Zaaknummer : 2012/220 en 220.1 Zaaknummer : 2012/220 en 220.1 Rechter(s) : mr. Olivier Datum uitspraak : 3 december 2012 Partijen : Appellant tegen NHTV internationale hogeschool Breda Trefwoorden : Begeleiding student, bindend negatief

Nadere informatie

pagina 1 van 5 LJN: BR6704, Gerechtshof Amsterdam, 200.072.5489/01 Datum 07-06-2011 uitspraak: Datum 05-09-2011 publicatie: Rechtsgebied: Handelszaak Soort procedure: Hoger beroep Inhoudsindicatie:Kennelijk

Nadere informatie

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken:

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken: Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 102 d.d. 2 november 2009 (mr. R.J. Verschoof, voorzitter, mr. E.M. Dil-Stork en drs. A.I.M. Kool) 1. Procedure De Commissie beslist met inachtneming

Nadere informatie

ECLI:NL:GHAMS:2013:CA1764

ECLI:NL:GHAMS:2013:CA1764 ECLI:NL:GHAMS:2013:CA1764 Instantie Datum uitspraak 23-04-2013 Datum publicatie 03-06-2013 Gerechtshof Amsterdam Zaaknummer 200.099.866-01 Rechtsgebieden Civiel recht Bijzondere kenmerken Hoger beroep

Nadere informatie

RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN. Uit de stukken is, voor zover voor de beoordeling van de klacht van belang, het navolgende gebleken.

RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN. Uit de stukken is, voor zover voor de beoordeling van de klacht van belang, het navolgende gebleken. RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN U I T S P R A A K Nr. i n d e k l a c h t nr. 2005.0156 (004.05) ingediend door: hierna te noemen 'klager', tegen: hierna te noemen 'verzekeraar'. De Raad van Toezicht Verzekeringen

Nadere informatie

ATV- en vakantiedagen worden vaak in een adem genoemd, maar er is wel degelijk verschil!

ATV- en vakantiedagen worden vaak in een adem genoemd, maar er is wel degelijk verschil! Nieuwsbrief Mei 2011 ATV- en vakantiedagen worden vaak in een adem genoemd, maar er is wel degelijk verschil! Arbeidstijdverkorting (ATV) wordt doorgaans geregeld in een CAO, aangezien een wettelijke regeling

Nadere informatie

P. Kruit, C. Loonstra en E. van Vliet 978-90-01-83406-7. Zutekouw / van Oort

P. Kruit, C. Loonstra en E. van Vliet 978-90-01-83406-7. Zutekouw / van Oort Rechtspraak Instantie Hoge Raad Datum 14 maart 2008 Vindplaats LJN BC6699 Naam Zutekouw / van Oort Essentie uitspraak: Een wegens ziekte arbeidsongeschikte werknemer heeft geen recht op loondoorbetaling

Nadere informatie

http://zoeken.rechtspraak.nl/default.aspx

http://zoeken.rechtspraak.nl/default.aspx pagina 1 van 5 LJN: BL2822,Voorzieningenrechter Rechtbank Arnhem, 653105 VV Exppl. 09-10197 Datum uitspraak:04-02-2010 Datum 08-02-2010 publicatie: Rechtsgebied: Civiel overig Soort procedure: Eerste aanleg

Nadere informatie

Koninklijke Nederlandse Voetbalbond. College van Arbiters. ARBITRAAL VONNIS nr. 1258 d.d. 3 september 2009 in de zaak van:

Koninklijke Nederlandse Voetbalbond. College van Arbiters. ARBITRAAL VONNIS nr. 1258 d.d. 3 september 2009 in de zaak van: Koninklijke Nederlandse Voetbalbond College van Arbiters ARBITRAAL VONNIS nr. 1258 d.d. 3 september 2009 in de zaak van: R.P.M. Kers, wonende te Maarssen, verzoeker, gemachtigde: Ph. Huisman tegen: Vereniging

Nadere informatie

Uitspraak vonnis RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD. Sector civiel recht. Vonnis in kort geding van 16 juli 2010

Uitspraak vonnis RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD. Sector civiel recht. Vonnis in kort geding van 16 juli 2010 Datum uitspraak: 16-07-2010 Datum publicatie: 09-11-2010 Rechtsgebied: Handelszaak Soort procedure: Kort geding Inhoudsindicatie: Geschil over voor buitenschoolse dan wel tussenschools opvang gehuurde

Nadere informatie

De Commissie heeft vastgesteld dat tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening niet tot oplossing van het geschil heeft geleid.

De Commissie heeft vastgesteld dat tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening niet tot oplossing van het geschil heeft geleid. Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 41 d.d. 22 februari 2011 (mr. B.F. Keulen, voorzitter, mw. mr. E.M. Dil-Stork en prof. mr. M.L. Hendrikse) Samenvatting Natura-uitvaartverzekering.

Nadere informatie

MEINDERT OOSTERHOF, in zijn hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder, kantoorhoudende te Drachten,

MEINDERT OOSTERHOF, in zijn hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder, kantoorhoudende te Drachten, Vonnis RECHTBANK LEEUWARDEN Sector kanton Locatie Heerenveen zaak-/rolnummer: 371218 CV EXPL i 1-5231 vonnis van de kantonrechter d.d. 14 maart 2012 inzake X wonende te eiser. procederende met toevoeging.

Nadere informatie

Hoge Raad 07-10-1994, BJN 101924, (Dibbets)

Hoge Raad 07-10-1994, BJN 101924, (Dibbets) UJA-Nummer Instantie UJA_101924 Hoge Raad datum 07-10-1994 wetsartikelen Art. 1639g oud-bw; art. 1639o oud-bw; art. 1639r oud-bw (thans art. 7:669 BW, art. 7:677 BW en art. 7:680 BW) Hoge Raad 07-10-1994,

Nadere informatie

Bekijk hier de uitspraak van de Commissie van Beroep GCHB 2010-401

Bekijk hier de uitspraak van de Commissie van Beroep GCHB 2010-401 Bekijk hier de uitspraak van de Commissie van Beroep GCHB 2010-401 Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 89 d.d. 3 mei 2010 (mr. drs. M.L. Hendrikse, voorzitter, mr. B.F. Keulen

Nadere informatie

Hoge Raad 24-05-1996, BJN 101925, (Van Zijl/Koppen)

Hoge Raad 24-05-1996, BJN 101925, (Van Zijl/Koppen) UJA-Nummer Instantie UJA_101925 Hoge Raad datum 24-05-1996 wetsartikelen Art. 1639e (oud-bw), art. 1639w (oud-bw) en art. 1639 aa(oud-bw) t/m art. 1639dd oud-bw (thans art. 7:685 BW, art. 7:667 BW en art.

Nadere informatie

LJN: AV7838,Sector kanton Rechtbank Haarlem, 304202/ VV EXPL 06-72 Print uitspraak

LJN: AV7838,Sector kanton Rechtbank Haarlem, 304202/ VV EXPL 06-72 Print uitspraak LJN: AV7838,Sector kanton Rechtbank Haarlem, 304202/ VV EXPL 06-72 Print uitspraak Datum uitspraak: 29-03-2006 Datum publicatie: 03-04-2006 Rechtsgebied: Civiel overig Soort procedure: Kort geding Inhoudsindicatie:

Nadere informatie

Hoge Raad 10 oktober 2003 nr. C02/122HR mrs. Neleman, Aaftink, De Savornin Lohman, Hammerstein, Kop concl. P-G Hartkamp

Hoge Raad 10 oktober 2003 nr. C02/122HR mrs. Neleman, Aaftink, De Savornin Lohman, Hammerstein, Kop concl. P-G Hartkamp Volledig arrest Van der Male/Den Hoed Van der Male/Den Hoedt, HR 10 oktober 2003, JAR 2003/263 (C02/122HR) JAR 2003/263 Hoge Raad 10 oktober 2003 nr. C02/122HR mrs. Neleman, Aaftink, De Savornin Lohman,

Nadere informatie

UITSPRAAK HOGE RAAD DER NEDERLANDEN ARREST

UITSPRAAK HOGE RAAD DER NEDERLANDEN ARREST UITSPRAAK 4 juni 2004 Eerste Kamer Nr. C03/063HR JMH/AT HOGE RAAD DER NEDERLANDEN ARREST in de zaak van: LOYALIS CONTRACTMANAGEMENT B.V., voorheen genaamd USZO DIENSTEN B.V., gevestigd te Heerlen, EISERES

Nadere informatie

LJN: BP4803, Hoge Raad, 10/04523. Datum uitspraak: 20-05-2011 Datum publicatie: 20-05-2011. Rechtsgebied: Civiel overig Soort procedure: Cassatie

LJN: BP4803, Hoge Raad, 10/04523. Datum uitspraak: 20-05-2011 Datum publicatie: 20-05-2011. Rechtsgebied: Civiel overig Soort procedure: Cassatie LJN: BP4803, Hoge Raad, 10/04523 Datum uitspraak: 20-05-2011 Datum publicatie: 20-05-2011 Rechtsgebied: Civiel overig Soort procedure: Cassatie Inhoudsindicatie: Onteigening. Verzuim tot betekening cassatieverklaring

Nadere informatie

ECLI:NL:GHARL:2014:4798

ECLI:NL:GHARL:2014:4798 ECLI:NL:GHARL:2014:4798 Instantie Datum uitspraak 13-06-2014 Datum publicatie 19-06-2014 Zaaknummer 200.138.115-01 Rechtsgebieden Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Civiel recht Bijzondere kenmerken Hoger beroep

Nadere informatie

Hoge Raad der Nederlanden

Hoge Raad der Nederlanden 6 maart 1998 Eerste Kamer Nr. 16.561 (C97/040 HR) AS Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: Karl Heinz HILLE, wonende te Haarlem, EISER tot cassatie, advocaat : mr E. Grabandt, t e g e n 1. de

Nadere informatie

Hoge Raad 17-06-1994, BJN 101923, (Imam)

Hoge Raad 17-06-1994, BJN 101923, (Imam) Uittreksels Jurisprudentie rechtspraak UJA_101923, PDF gemaakt voor UJA-Nummer Instantie UJA_101923 datum 17-06-1994 wetsartikelen Art. 1637a oud-bw (thans art. 7:610 BW) 17-06-1994, BJN 101923, (Imam)

Nadere informatie

SCHEIDSGERECHT GEZONDHEIDSZORG

SCHEIDSGERECHT GEZONDHEIDSZORG SCHEIDSGERECHT GEZONDHEIDSZORG Kenmerk: 03/23 Arbitraal vonnis in de gevoegd behandelde zaken van: drs. A. wonende te Z., eiser in de loonvorderingsprocedure, verweerder in de voorwaardelijke ontbindingsprocedure,

Nadere informatie

Commissie van Beroep PO

Commissie van Beroep PO 106226 - Beroepen tegen vermindering betrekkingsomvang; SAMENVATTING Werknemers zijn bij de werkgever in vaste dienst met een betrekkingsomvang boven de normbetrekking van 1 wtf. Omdat de werkgever vele

Nadere informatie

Vonnis in kort geding in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 151558 / KG ZA 08-640 van

Vonnis in kort geding in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 151558 / KG ZA 08-640 van Gemeente Haarlemmermeer Baan Kleef Aan DomJur 2008-432 Rechtbank Haarlem Zaak-/rolnummer: 151558 / KG ZA 08-640 en 151565 / KG ZA 08-641 Datum: 22 december 2008 Vonnis in kort geding in de zaak met zaaknummer

Nadere informatie

Nr. 5. SCHADEVERGOEDING WEGENS TEKORTKOMING IN VINDEN OPVOLGER.

Nr. 5. SCHADEVERGOEDING WEGENS TEKORTKOMING IN VINDEN OPVOLGER. Nr. 5. SCHADEVERGOEDING WEGENS TEKORTKOMING IN VINDEN OPVOLGER. In eerder bindend advies van andere arbiters dan Scheidsgerecht is niet reeds over thans gevorderde schadevergoeding beslissing genomen.

Nadere informatie

Rechtbank Amsterdam 08-05-2015 28-05-2015 3603419 CV EXPL 14-32341. Civiel recht. Eerste aanleg - enkelvoudig. Rechtspraak.nl

Rechtbank Amsterdam 08-05-2015 28-05-2015 3603419 CV EXPL 14-32341. Civiel recht. Eerste aanleg - enkelvoudig. Rechtspraak.nl ECLI:NL:RBAMS:2015:3202 Instantie Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Vindplaatsen Uitspraak Rechtbank Amsterdam 08-05-2015 28-05-2015 3603419

Nadere informatie

Eiseres zal hierna [A] genoemd worden. Gedaagden zullen hierna ieder afzonderlijk [B] en [C], alsmede gezamenlijk [B] c.s. genoemd worden.

Eiseres zal hierna [A] genoemd worden. Gedaagden zullen hierna ieder afzonderlijk [B] en [C], alsmede gezamenlijk [B] c.s. genoemd worden. Rechtbank Amsterdam, 06 juni 2012; de hondenbezitter is aansprakelijk voor de letselschade van een vrouw die tijdens het uitlaten van de hond ten valt komt doordat de hond plotseling hard aan de lijn trok.

Nadere informatie

NMLK Didio DomJur 2013-971. Rechtbank Amsterdam Zaak-/rolnummer: C/13/540039/KG ZA 13-458 SP/PV Datum:21 mei 2013. In de zaak van

NMLK Didio DomJur 2013-971. Rechtbank Amsterdam Zaak-/rolnummer: C/13/540039/KG ZA 13-458 SP/PV Datum:21 mei 2013. In de zaak van NMLK Didio DomJur 2013-971 Rechtbank Amsterdam Zaak-/rolnummer: C/13/540039/KG ZA 13-458 SP/PV Datum:21 mei 2013 In de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NMLK B.V. h.o.d.n.

Nadere informatie

Hoge Raad 26-06-1998, BJN 101932, (Van der Lely/Taxi Hofman)

Hoge Raad 26-06-1998, BJN 101932, (Van der Lely/Taxi Hofman) UJA-Nummer Instantie UJA_101932 Hoge Raad datum 26-06-1998 wetsartikelen Art. 7:611 BW Hoge Raad 26-06-1998, BJN 101932, (Van der Lely/Taxi Hofman) Samenvatting Casus Van der Lely is vanaf 3 maart 1989

Nadere informatie

ECLI:NL:GHSHE:2016:1766

ECLI:NL:GHSHE:2016:1766 ECLI:NL:GHSHE:2016:1766 Permanente link: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ecli:nl:ghshe:2016:1766 Instantie Gerechtshof 'shertogenbosch Datum uitspraak 03052016 Datum publicatie 09052016 Zaaknummer

Nadere informatie

het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden.

het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden. LJN: AU3784, Raad van State, 200501342/1 Print uitspraak Datum uitspraak: 05-10-2005 Datum publicatie: 05-10-2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht overig Soort procedure: Hoger beroep Inhoudsindicatie: Bij

Nadere informatie

Samenvatting. 1. Procedure

Samenvatting. 1. Procedure 1 Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 162, d.d. 6 juli 2011 (mr. P.A. Offers, voorzitter, prof. mr. drs. M.L. Hendrikse en mr. B.F. Keulen) Samenvatting Betalingsbeschermingsverzekering.

Nadere informatie

Afkoopsom lijfrente belast in het jaar waarin de afkoopsom vorderbaar en inbaar is

Afkoopsom lijfrente belast in het jaar waarin de afkoopsom vorderbaar en inbaar is Afkoopsom lijfrente belast in het jaar waarin de afkoopsom vorderbaar en inbaar is ECLI:NL:GHARL:2015:4336 Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Datum uitspraak 16-06-2015 Datum publicatie 19-06-2015

Nadere informatie

Ontslag na doorstart faillissement

Ontslag na doorstart faillissement Ontslag na doorstart faillissement december 2006 mr De auteur heeft grote zorgvuldigheid betracht in het weergeven van delen uit het geldende recht. Evenwel noch de auteur noch kan aansprakelijk worden

Nadere informatie

prof. mr. A.S. Hartkamp, voorzitter, mr A. Bus, mr. F.H.J. Mijnssen, mr. F.P. Peijster en prof. mr. F.R. Salomons.

prof. mr. A.S. Hartkamp, voorzitter, mr A. Bus, mr. F.H.J. Mijnssen, mr. F.P. Peijster en prof. mr. F.R. Salomons. GCHB 2012-434 Uitspraak van 2 februari 2012 prof. mr. A.S. Hartkamp, voorzitter, mr A. Bus, mr. F.H.J. Mijnssen, mr. F.P. Peijster en prof. mr. F.R. Salomons. Consument aanvaardt advies van de Geschillencommissie

Nadere informatie

2.3. Today s is onderdeel van de Todays s Groep, eveneens een online broker.

2.3. Today s is onderdeel van de Todays s Groep, eveneens een online broker. Caesar Capital Todays Vermogensbeheer DomJur 2011-679 Rechtbank Amsterdam, Sector civiel recht Zaaknummer/rolnummer: 483704 / KG ZA 11-314 P/PV Datum: 14 april 2011 Vonnis in kort geding van 14 april 2011

Nadere informatie

ECLI:NL:HR:2001:AD4914

ECLI:NL:HR:2001:AD4914 1 of 5 12-10-2014 15:35 ECLI:NL:HR:2001:AD4914 Instantie Hoge Raad Datum uitspraak 14-12-2001 Datum publicatie 14-12-2001 Zaaknummer C00/042HR Formele relaties Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AD4914 Rechtsgebieden

Nadere informatie

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2015-257 (prof. mr. M.L. Hendrikse, voorzitter en mr. D.G. Rosenquist, secretaris)

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2015-257 (prof. mr. M.L. Hendrikse, voorzitter en mr. D.G. Rosenquist, secretaris) Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2015-257 (prof. mr. M.L. Hendrikse, voorzitter en mr. D.G. Rosenquist, secretaris) Klacht ontvangen op: 21 april 2015 Ingesteld door: Consument

Nadere informatie

De Commissie heeft vastgesteld dat tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening niet tot oplossing van het geschil heeft geleid.

De Commissie heeft vastgesteld dat tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening niet tot oplossing van het geschil heeft geleid. Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 42 d.d. 22 februari 2011 (mr. B.F. Keulen, voorzitter, mw. mr. E.M. Dil-Stork en prof.mr. M.L. Hendrikse) Samenvatting Autoverzekering. Verzwijging

Nadere informatie

Daarnaast brengt de makelaar/bemiddelaar ook courtage/kosten in rekening bij de verhuurder.

Daarnaast brengt de makelaar/bemiddelaar ook courtage/kosten in rekening bij de verhuurder. Variant 2: Bemiddelingsovereenkomst met makelaar/bemiddelaar voor een zelfstandige woning. Bemiddelaar brengt courtage/kosten in rekening bij verhuurder en bij huurder. De kandidaat-huurder heeft op een

Nadere informatie

Samenvatting. 1. Procedure

Samenvatting. 1. Procedure Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2011-359 d.d. 28 december 2011 (mevrouw mr. E.M. Dil-Stork, voorzitter, mevrouw mr. P.M. Arnoldus-Smit en mr. J.W.H. Offerhaus, leden, en mr.

Nadere informatie

LJN: CA1235,Sector kanton Rechtbank Alkmaar, 422005 CV EXPL 12-2965

LJN: CA1235,Sector kanton Rechtbank Alkmaar, 422005 CV EXPL 12-2965 LJN: CA1235,Sector kanton Rechtbank Alkmaar, 422005 CV EXPL 12-2965 Datum uitspraak: 11-04-2013 Datum publicatie: 28-05-2013 Rechtsgebied: Civiel overig Soort procedure: Eerste aanleg - enkelvoudig Inhoudsindicatie:

Nadere informatie

Delta Lloyd Schadeverzekering N.V, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: Aangeslotene.

Delta Lloyd Schadeverzekering N.V, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: Aangeslotene. Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2013-122 d.d. 23 april 2013 (mr. A.W.H. Vink, voorzitter, mr. E.M. Dil-Stork en mr. B.F. Keulen, leden en mr. E.E. Ribbers, secretaris) Samenvatting

Nadere informatie

Landelijk Register van Gerechtelijke Deskundigen, LRGD. Raad voor de Tuchtrechtspraak U I T S P R A A K

Landelijk Register van Gerechtelijke Deskundigen, LRGD. Raad voor de Tuchtrechtspraak U I T S P R A A K Landelijk Register van Gerechtelijke Deskundigen, LRGD Raad voor de Tuchtrechtspraak U I T S P R A A K Inzake de klacht van [Klaagster BV], gevestigd te [gemeente] aan de [adres], hierna te noemen klaagster,

Nadere informatie

2.1. X leeft van een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand. Op deze uitkering worden de lopende huurbetalingen volledig ingehouden.

2.1. X leeft van een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand. Op deze uitkering worden de lopende huurbetalingen volledig ingehouden. beschikking RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Civiel recht kantonrechter zittinghoudende te Utrecht zaaknummer: 2534388 UE VERZ 13805 GD/4243 Beschikking van 13 december 2013 inzake X wonende te Arnhem,

Nadere informatie

Aegon Schadeverzekering N.V., gevestigd te Den Haag, hierna te noemen Aangeslotene.

Aegon Schadeverzekering N.V., gevestigd te Den Haag, hierna te noemen Aangeslotene. Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2014-382 d.d. 20 oktober 2014 (mr. A.W.H. Vink, voorzitter, prof. mr. M.L. Hendrikse en drs. L.B. Lauwaars RA, leden en mr. F.E. Uijleman, secretaris)

Nadere informatie

Hoge Raad der Nederlanden

Hoge Raad der Nederlanden 0 0 3 i 0 4 januari 1991 Eerste Kamer Nr. 14.449 AS Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: Rudolph Jan ROMME, wonende te Bosch en Duin, gemeente Zeist, EISER tot cassatie, advocaat: Mr. J.W.

Nadere informatie

ECLI:NL:HR:2013:983. Instantie Hoge Raad Datum uitspraak 18-10-2013 Datum publicatie

ECLI:NL:HR:2013:983. Instantie Hoge Raad Datum uitspraak 18-10-2013 Datum publicatie ECLI:NL:HR:2013:983 Instantie Hoge Raad Datum uitspraak 18-10-2013 Datum publicatie 18-10-2013 Zaaknummer 12/03380 Formele relaties Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:52, Gevolgd In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2012:BW8529,

Nadere informatie

NR. 3. AMBTELIJKE AANSTELLING NAAST TOELATINGSOVEREENKOMST. BEVOEGDHEID VAN SCHEIDSGERECHT. PREMIE VOORTGEZETTE ZIEKTEKOSTENVERZEKERING BIJ VUT.

NR. 3. AMBTELIJKE AANSTELLING NAAST TOELATINGSOVEREENKOMST. BEVOEGDHEID VAN SCHEIDSGERECHT. PREMIE VOORTGEZETTE ZIEKTEKOSTENVERZEKERING BIJ VUT. NR. 3. AMBTELIJKE AANSTELLING NAAST TOELATINGSOVEREENKOMST. BEVOEGDHEID VAN SCHEIDSGERECHT. PREMIE VOORTGEZETTE ZIEKTEKOSTENVERZEKERING BIJ VUT. De onderhavige vordering is rechtstreeks gebaseerd op de

Nadere informatie

het college van bestuur van de Universiteit Leiden, gevestigd te Leiden, verweerder.

het college van bestuur van de Universiteit Leiden, gevestigd te Leiden, verweerder. Zaaknummer: 2008/008 Rechter(s): mrs. Loeb, Lubberdink, Mollee Datum uitspraak: 20 juni 2008 Partijen: appellant tegen college van bestuur van de Universiteit Leiden Trefwoorden: Bijzondere omstandigheden,

Nadere informatie

De Rechtbank te 's-gravenhage (nr. AWB 10/5062) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.

De Rechtbank te 's-gravenhage (nr. AWB 10/5062) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. 11 Oktober 2013 nr. 12/04012 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-gravenhage van 10 juli 2012, nr. BK-11/00544,

Nadere informatie

Dit is een voorbeeld van Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zoals gegenereerd met de Arbeidsovereenkomst generator van ICTRecht:

Dit is een voorbeeld van Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zoals gegenereerd met de Arbeidsovereenkomst generator van ICTRecht: Dit is een voorbeeld van Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zoals gegenereerd met de Arbeidsovereenkomst generator van ICTRecht: https://ictrecht.nl/diensten/juridische- generatoren/arbeidsovereenkomst-

Nadere informatie

JAR 2012/33 27-12-2011, 200.065.076/01, LJN BU9564

JAR 2012/33 27-12-2011, 200.065.076/01, LJN BU9564 Informatie 2012 afl. 2 Gerechtshof Amsterdam 27 december 2011 200.065.076/01 LJN BU9564 mr. Kingma mr. Smit mr. Van der Kwaak Appellant te (...), appellant, advocaat: mr. W.A. van Veen te Utrecht, tegen

Nadere informatie

Nu premies AOV zijn afgetrokken vormen uitkeringen belastbare periodieke uitkeringen uit inkomensvoorziening (art. 3.100, lid 1, ond.

Nu premies AOV zijn afgetrokken vormen uitkeringen belastbare periodieke uitkeringen uit inkomensvoorziening (art. 3.100, lid 1, ond. Nu premies AOV zijn afgetrokken vormen uitkeringen belastbare periodieke uitkeringen uit inkomensvoorziening (art. 3.100, lid 1, ond. b) LJN: BX8102, Gerechtshof 's-gravenhage, BK-10/00754 en 10/00233

Nadere informatie

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND. Afdeling civielrecht Zittingsplaats Lelystad. zaaknummer / rolnummer: C/16/369978 / HL ZA 14-173

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND. Afdeling civielrecht Zittingsplaats Lelystad. zaaknummer / rolnummer: C/16/369978 / HL ZA 14-173 RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling civielrecht Zittingsplaats Lelystad zaaknummer / rolnummer: C/16/369978 / HL ZA 14-173 Vonnis van 25 februari 2015 in de zaak van maatschap [naam maatschap], gevestigd

Nadere informatie

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken:

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken: Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 52 d.d. 14 juli 2009 (mr R.J. Verschoof, voorzitter, mr drs M.L. Hendrikse en mr M.M. Mendel) 1. Procedure De Commissie beslist met inachtneming

Nadere informatie

Verplichte deelneming directeur in pensioenfonds PGGM

Verplichte deelneming directeur in pensioenfonds PGGM Verplichte deelneming directeur in pensioenfonds PGGM Mr. Z. Kasim 1 HR 13 juli 2007, nr. C05/331, LJN BA231 Verplichte deelneming pensioenfonds, criteria arbeidsovereenkomst BW artikel 7: 610, artikel

Nadere informatie

Webinar arbeidsrecht. 26 oktober 2015 Capra Advocaten Den Haag mr. P.R.M. Berends-Schellens mr. J.J. Blanken

Webinar arbeidsrecht. 26 oktober 2015 Capra Advocaten Den Haag mr. P.R.M. Berends-Schellens mr. J.J. Blanken Webinar arbeidsrecht 26 oktober 2015 Capra Advocaten Den Haag mr. P.R.M. Berends-Schellens mr. J.J. Blanken 1. Highlights Wwz-jurisprudentie Aanzegverplichting Ontbinding op tegenspraak Pro forma-ontbinding

Nadere informatie

SCHEIDSGERECHT GEZONDHEIDSZORG. Kenmerk: 03/12. Arbitraal vonnis in de zaak van:

SCHEIDSGERECHT GEZONDHEIDSZORG. Kenmerk: 03/12. Arbitraal vonnis in de zaak van: SCHEIDSGERECHT GEZONDHEIDSZORG Kenmerk: 03/12 Arbitraal vonnis in de zaak van: X, wonende te Amsterdam eiseres, gemachtigde: jhr. mr. A.B. van Kinschot, tegen de stichting Y gevestigd te Z verweerster,

Nadere informatie

partijen zijn op de hoogte van de Richtlijn/Adviesregeling Arbeidsvoorwaarden Bestuurder kinderopvang van de NVTK (hierna: de Richtlijn).

partijen zijn op de hoogte van de Richtlijn/Adviesregeling Arbeidsvoorwaarden Bestuurder kinderopvang van de NVTK (hierna: de Richtlijn). MODEL ARBEIDSOVEREENKOMST BESTUURDER KINDEROPVANG DE ONDERGETEKENDEN: 1. [NAAM RECHTSPERSOON], gevestigd te [PLAATS], ten deze rechtsgeldig vertegenwoordigd door [NAAM], in zijn/haar hoedanigheid van [FUNCTIE],

Nadere informatie

RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN. Uit de stukken is, voor zover voor de beoordeling van de klacht van belang, het navolgende gebleken.

RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN. Uit de stukken is, voor zover voor de beoordeling van de klacht van belang, het navolgende gebleken. RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN U I T S P R A A K Nr. ingediend door: i n d e k l a c h t nr. 054.01 hierna te noemen 'klager tegen: hierna te noemen 'verzekeraar'. De Raad van Toezicht Verzekeringen heeft

Nadere informatie

RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN. Uit de stukken is, voor zover voor de beoordeling van de klacht van belang, het navolgende gebleken.

RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN. Uit de stukken is, voor zover voor de beoordeling van de klacht van belang, het navolgende gebleken. RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN U I T S P R A A K Nr. i n d e k l a c h t nr. 2002.3660 (105.02) ingediend door: hierna te noemen 'klager', tegen: hierna te noemen 'verzekeraar'. De Raad van Toezicht Verzekeringen

Nadere informatie

de vennootschap naar Duits recht MECKLENBURGER KARTOFFELVEREDLUNG GMBH, gevestigd te Hagenow, Bondsrepubliek Duitsland,

de vennootschap naar Duits recht MECKLENBURGER KARTOFFELVEREDLUNG GMBH, gevestigd te Hagenow, Bondsrepubliek Duitsland, LJN: AD9613, Hoge Raad, C00/311HR Datum uitspraak: 26-04-2002 Datum publicatie: 26-04-2002 Rechtsgebied: Handelszaak Soort procedure: Cassatie Vindplaats(en): JOL 2002, 260 Rechtspraak.nl Uitspraak 26

Nadere informatie

het College van Beroep voor de Examens van de Haagse Hogeschool (hierna: het CBE), verweerder.

het College van Beroep voor de Examens van de Haagse Hogeschool (hierna: het CBE), verweerder. Zaaknummer : CBHO 2015/293 en 2015/293.1 Rechter(s) : mr. Olivier Datum uitspraak : 12 januari 2016 Partijen : Appellant en Haagse Hogeschool Trefwoorden : bindend negatief studieadvies BNSA duidelijkheid

Nadere informatie

» Samenvatting. JPF 2013/101 Rechtbank Den Haag 22 mei 2013, C/09/416244; ECLI:NL:RBDHA:2013:CA2361. ( mr. Bellaart mr. Brakel mr.

» Samenvatting. JPF 2013/101 Rechtbank Den Haag 22 mei 2013, C/09/416244; ECLI:NL:RBDHA:2013:CA2361. ( mr. Bellaart mr. Brakel mr. JPF 2013/101 Rechtbank Den Haag 22 mei 2013, C/09/416244; ECLI:NL:RBDHA:2013:CA2361. ( mr. Bellaart mr. Brakel mr. Brandt ) [De man] te [woonplaats], hierna: de man, advocaat: mr. C.A. Lucardie te s-gravenhage.

Nadere informatie

ECLI:NL:RBAMS:2014:564

ECLI:NL:RBAMS:2014:564 ECLI:NL:RBAMS:2014:564 Instantie Rechtbank Amsterdam Datum uitspraak 04-02-2014 Datum publicatie 13-02-2014 Zaaknummer 2672942 \ KK EXPL 14-17 Rechtsgebieden Civiel recht Bijzondere kenmerken Eerste aanleg

Nadere informatie

Uitspraak Rechtbank Arnhem Sector civiel recht. Zaak-/rolnummer: 111855 / KG ZA 04-217 Datum vonnis: 19 mei 2004. Vonnis.

Uitspraak Rechtbank Arnhem Sector civiel recht. Zaak-/rolnummer: 111855 / KG ZA 04-217 Datum vonnis: 19 mei 2004. Vonnis. Uitspraak Rechtbank Arnhem Sector civiel recht Zaak-/rolnummer: 111855 / KG ZA 04-217 Datum vonnis: 19 mei 2004 Vonnis in kort geding in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Nadere informatie

CENTRALE RAAD VAN BEROEP U I T S P R A A K

CENTRALE RAAD VAN BEROEP U I T S P R A A K CENTRALE RAAD VAN BEROEP 02/2895 AOW en 05/6118 AOW in het geding tussen: [appellant], wonende te Spanje, appellant, en U I T S P R A A K de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.

Nadere informatie

Zaaknummer : 2013/129

Zaaknummer : 2013/129 Zaaknummer : 2013/129 Rechter(s) : mr. Olivier Datum uitspraak : 13 november 2013 Partijen : Appellante tegen CBE Hogeschool van Amsterdam Trefwoorden : Bindend negatief studieadvies, finale geschillenbeslechting,

Nadere informatie

Zaaknummer: 2000/026 en 2000/026.1 Rechter(s): mr. Olivier Datum uitspraak: 22 mei 2000 X tegen het college van bestuur van de Universiteit Leiden

Zaaknummer: 2000/026 en 2000/026.1 Rechter(s): mr. Olivier Datum uitspraak: 22 mei 2000 X tegen het college van bestuur van de Universiteit Leiden Zaaknummer: 2000/026 en 2000/026.1 Rechter(s): mr. Olivier Datum uitspraak: 22 mei 2000 Partijen: X tegen het college van bestuur van de Universiteit Leiden Trefwoorden: Algemeen verbindend voorschrift,

Nadere informatie

LJN: BR2500, Gerechtshof Leeuwarden, 200.040.671/01 Print uitspraak. Datum uitspraak: 05-07-2011 Datum publicatie: 20-07-2011

LJN: BR2500, Gerechtshof Leeuwarden, 200.040.671/01 Print uitspraak. Datum uitspraak: 05-07-2011 Datum publicatie: 20-07-2011 LJN: BR2500, Gerechtshof Leeuwarden, 200.040.671/01 Print uitspraak Datum uitspraak: 05-07-2011 Datum publicatie: 20-07-2011 Rechtsgebied: Soort procedure: Handelszaak Hoger beroep Inhoudsindicatie: Aannemingsovereenkomst

Nadere informatie

Hoge Raad, 26 januari 2001 (Weststrate/De Schelde); blootstelling aan asbest niet aangetoond. Vordering afgewezen.

Hoge Raad, 26 januari 2001 (Weststrate/De Schelde); blootstelling aan asbest niet aangetoond. Vordering afgewezen. Hoge Raad, 26 januari 2001 (Weststrate/De Schelde); blootstelling aan asbest niet aangetoond. Vordering afgewezen. Samenvatting Werknemer met mesothelioom spreekt werkgever aan. De schadevergoeding wordt

Nadere informatie

Uitspraak GCHB 401-S80044

Uitspraak GCHB 401-S80044 Uitspraak GCHB 401-S80044 arbeidsongeschiktheidsverzekering, Wet op de medische keuringen, art. 4 leden 4 en 6, aan de arbeidsverhouding verbonden verzekering, uitsluitingsclausule. Bekijk de uitspraak

Nadere informatie