Reader eigen vaardigheid Nederlands. Spelling & grammatica

Save this PDF as:
 WORD  PNG  TXT  JPG

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Reader eigen vaardigheid Nederlands. Spelling & grammatica"

Transcriptie

1 Reader eigen vaardigheid Nederlands Spelling & grammatica 1

2 Inhoudsopgave Regeling eigen vaardigheid Nederlands 3 Oefeningen spelling 4 Theorie grammatica 5 Zinsontleding Woordbenoeming 9 Oefeningen zinsontleding 13 Oefeningen woordbenoeming 15 2

3 Regeling instaptoetsen eigen vaardigheid Nederlands in schooljaar Alle eerstejaars krijgen voor Nederlands twee instaptoetsen eigen vaardigheid: het onderdeel spelling en het onderdeel grammatica (elke toets duurt een half uur). Deze toetsen moeten in het eerste jaar gehaald worden. Norm voor het behalen van beide toetsen is: 80% goed beantwoorden. Bij het niet behalen van deze toetsen zijn er voor beide onderdelen drie herkansingsmogelijkheden, steeds in de tentamenperioden. Je moet een herkansing aanvragen, altijd een week voor de betreffende tentamenperiode. Stof voor de spellingtoets: het kunnen toepassen van alle Nederlandse spellingregels, inclusief regels voor de interpunctie en het afbreken van woorden. Stof voor de grammaticatoets: ontleden en woordbenoemen op niveau groep 8+ van de basisschool. Voor zinsontleden is dat: Persoonsvorm, werkwoordelijk en naamwoordelijk gezegde, onderwerp, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp, voorzetselvoorwerp, bijwoordelijke bepaling. Voor woordbenoemen: zelfstandig werkwoord, koppel-werkwoord, hulpwerkwoord, lidwoord, zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, telwoord, voorzetsel, voegwoord, persoonlijk voornaamwoord, bezittelijk vnw., aanwijzend vnw., betrekkelijk vnw., bijwoord. Voor spelling krijg je het advies om te kopen: Spellinggids, Op het netwerk staat voor spelling, zinsontleding en woordbenoeming een oefenprogramma. Thuis kun je op internet via de startpagina op allerlei gratis sites komen om grammatica-oefeningen te doen. Andere goede sites zijn (doorklikken op Nederlands, spelling), (doorklikken op oefeningen) en (doorklikken op digitale lessen, spelling of grammatica) Voor de eerstejaars voltijdstudenten zijn er het hele jaar bijspijkerlessen spelling en grammatica. Die zijn verplicht zolang je de toets nog niet gehaald hebt. Ook kan daar een gemaakte toets worden nabesproken. Het behalen van beide toetsen levert een studiepunt EV op voor de propedeuse. 3

4 OEFENING WERKWOORDSPELLING + BIJVOEGLIJK NAAMWOORD Kies de juiste spellingwijze: 1. Zij rijdt/rijd elke dag op haar brommer naar school. 2. Hij griste/grisste de papieren uit haar hand. 3. Ik wordt/word elke nacht wakker. 4. De klok van de kerk begon te luiden/luidden. 5. Wij hebben de verzonde/verzonden brief nooit ontvangen. 6. Johan aarde/aardde naar zijn vader. 7. Ik vermoede/vermoedde dat hij ziek zou zijn. 8. De le/ len pan is eindelijk stuk gegaan. 9. Het verdwene/verdwenen hondje was gelukkig weer terecht gekomen. 10. Ik vergat te melden/meldden dat ik aanwezig was. 11. Zij betichten/betichtten haar vorige week van diefstal. 12. Ik heb het gras gisteren ingezaait/ingezaaid. 13. De verrichte/verrichtte arbeid was zwaar. 14. De overvaller richte/richtte een pistool op de bankbediende. 15. De advocaat probeert voor vrijspraak te pleiten/pleitten. 16. De gebakke/gebakken vis smaakte me lekker. 17. Wat raadt/raad je me aan te doen? 18. De werknemers eisten/eistten een loonsverhoging. 19. De doktoren vreesten/vreesden voor uitbraak van de ziekte. 20. Bied/biedt nu je verontschuldigingen aan, Mark! 21. De bevrijde/bevrijdde gevangenen waren intens blij. 22. Het bericht verraste/verrastte mijn moeder erg. 23. Het huis was de hele nacht aan het branden/brandden. 24. De rage verspreide/verspreidde zich snel over het land. 25. Rijd/rijdt je vader nog elke dag naar Alkmaar? 26. De ontbode/ontboden politieagent kwam snel aan op de motor. 27. Op het doden/doodden van een beschermd dier stond vroeger geen boete. 28. De dief ontvreemde/ontvreemdde de juwelen van de oude vrouw. 29. Wij hebben de ontlede/ontleedde zinnen goed nagekeken. 30. De gevluchte/gevluchtte misdadiger werd door de politie onderschept. 31. Het plenste/plensde van de regen. 32. Die jongen probeerde een konijntje te vermoorden/vermoordden. 33. Wij stonden al heel lang op de bus te wachten/wachtten. 34. De vergulde/verguldde spiegel viel kapot. 35. Hij heeft het land lang van zijn grootvader kunnen pachten/pachtten. 36. De gebrade/gebraden eend smaakte een beetje taai. 37. Het mistte/mistte gisteren erg in de polder. 38. Het gestorte/gestortte bedrag is nooit aangekomen. 39. De boeren hebben de bieten alweer gerooit/gerooid. 40. De katoene/katoenen trui is in de was erg gekrompen. 4

5 Grammatica, informatie over zinsontleding en woordbenoeming Basiskennis van de traditionele ontleding, samengesteld om je kennis op te frissen in het kader van de instaptoetsen op de Hogeschool IPABO. De informatie gaat niet in op de didactiek van de grammatica. Zinsontleding Zinsdelen Bij zinsontleding bekijk je in welke stukjes je een zin kunt verdelen. Vervolgens krijgen al die zinsdelen een naam. Neem bijvoorbeeld de volgende zin: a Joris gaf gisteren aan oma een dikke bos bloemen. Je bekijkt welke stukjes van de zin vooraan kunnen komen te staan, als je de zinsdelen van volgorde gaat veranderen. Je komt dan tot de volgende vijf mogelijkheden: a1 a2 a3 a4 a5 Joris gaf gisteren aan oma een dikke bos bloemen. Gaf Joris gisteren aan oma een dikke bos bloemen? Gisteren gaf Joris aan oma een dikke bos bloemen. Aan oma gaf Joris gisteren een dikke bos bloemen. Een dikke bos bloemen gaf Joris gisteren aan oma. Je kunt deze zin als volgt in zinsdelen verdelen: / Joris / gaf / gisteren / aan oma / een dikke bos bloemen /. Daarna kun je elk zinsdeel gaan benoemen. Enkelvoudige en samengestelde zinnen Bij zinsontleding is stap 1, dat je kijkt of je met een enkelvoudige of samengestelde zin te maken hebt. In een enkelvoudige zin staan één persoonsvorm en één onderwerp, in een samengestelde zin (vaak) meer dan één persoonsvorm en meer dan één onderwerp. In een samengestelde zin moet je elke zin apart ontleden. b We gaan wandelen in het noorden van het land. enkelvoudig c Ik blijf hem trouw, hoewel hij niet altijd eerlijk is. samengesteld Persoonsvorm en onderwerp De persoonsvorm en het onderwerp zijn twee belangrijke, zo niet de belangrijkste, zinsdelen in een zin. Ze vormen volgens veel taalmethoden de kern van een zin. De persoonsvorm vind je door de zin in een andere tijd te plaatsen. Het werkwoord dat dan verandert, is de persoonsvorm: 5

6 b We gaan wandelen in het noorden van het land. b" We gingen wandelen in het noorden van het land. In [b] is dus gaan de persoonsvorm, in b" gingen. In [c] staan twee persoonsvormen, blijf en is, te vinden door de zin weer in een andere tijd te zetten: c Ik blijf hem trouw, hoewel hij niet altijd eerlijk is. c" Ik bleef hem trouw, hoewel hij niet altijd eerlijk was. Het onderwerp komt 'in getal' overeen met de persoonsvorm. Staat de persoonsvorm in het meervoud, dan ook het onderwerp. Twijfel je, verander dan de persoonsvorm van getal; het onderwerp verandert mee. b"" c"" Ik ga wandelen in het noorden van het land. Wij blijven hen trouw, hoewel zij niet altijd eerlijk zijn. Let op bij zinnen als: d Het regende weer de hele dag. e Wie gaat er mee naar de winkel? In [d] is het onderwerp, in [e] wie. Gezegde Je hebt de keuze tussen een werkwoordelijk gezegde en een naamwoordelijk gezegde. Je moet je altijd eerst afvragen of je in een zin met een naamwoordelijk gezegde te maken hebt. In een naamwoordelijk gezegde wordt doorgaans een beroep, functie, eigenschap of kenmerk van het onderwerp genoemd. Vier voorbeelden hiervan; het naamwoordelijk gezegde is onderstreept, het onderwerp is cursief geschreven.. g h i j In dat dorpje is zij jarenlang dokter geweest. Bleef hij toch chef van die afdeling? Dat meisje schijnt een nogal vervelend type te zijn. Dit keer werd onze buurman het slachtoffer. Zo'n naamwoordelijk gezegde bestaat uit een werkwoordelijk deel (de werkwoorden) en een naamwoordelijk deel (naamwoord en overige woorden). De naamwoordelijke delen van de vier voorbeeldzinnen zijn respectievelijk: dokter, chef van die afdeling, een nogal vervelend type en het slachtoffer. Het naamwoordelijk deel wordt als zinsdeel in de toets niet apart gevraagd. In een naamwoordelijk gezegde moet altijd een koppelwerkwoord staan. Er zijn er negen: zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken, vóorkomen. Let op: alleen deze werkwoorden kunnen koppelwerkwoord zijn, maar ze komen ook voor als zelfstandig werkwoord of hulpwerkwoord (zie ook uitleg van de werkwoorden onder woordbenoeming). Heb je niet te maken met een naamwoordelijk gezegde, dan staat er een werkwoordelijk gezegde in de zin: de werkwoorden uit de zin. Het is dus of-of. 6

7 ! De persoonsvorm maakt altijd onderdeel uit van het gezegde. Lijdend voorwerp Als aanvulling bij een gezegde kan een lijdend voorwerp voorkomen. In officiële termen: het is een zinsdeel dat de handeling die door het werkwoordelijk gezegde uitgedrukt wordt, ondergaat. Een voorbeeld: l Tante Alie verzorgde in de vakantie mijn planten. Je vindt het lijdend voorwerp met de proef van de lijdende vorm. l" In de vakantie werden mijn planten door tante Alie verzorgd. m De jongen maakte de toets snel af. m" De toets werd door de jongen snel afgemaakt. Het lijdend voorwerp uit de eerste zin wordt onderwerp in de tweede. In [m] is de toets dus lijdend voorwerp. In [m"] staat geen lijdend voorwerp. Een andere manier, met de vraag wie/wat + persoonsvorm + onderwerp?, werkt vaak, maar levert ook wel eens problemen op. Kijk uit! In een zin met een naamwoordelijk gezegde komt geen lijdend voorwerp voor. Meewerkend voorwerp Het meewerkend voorwerp is het zinsdeel dat meewerkt om de handeling van het gezegde mogelijk te maken. Het meewerkend voorwerp begint vaak met 'aan' of 'voor' (soms ook 'bij'), of je kunt deze voorzetsels juist weglaten. Als aan of voor er niet staat, moet je het ervoor kunnen zetten. Drie voorbeelden: n o p We hebben (aan) de buurvrouw een mooi cadeau gegeven. Het ijs is (voor) mij te onbetrouwbaar. De instaptoets leverde (bij) hem veel problemen op. Voorzetselvoorwerp Voorbeelden van het voorzetsel voorwerp zijn: q r Ik twijfelde geen moment aan zijn kwaliteiten. De jongen stond al een uur op zijn vader te wachten. Opvallend is de vaste combinatie tussen werkwoord en voorzetsel (het voorzetsel hoort in deze uitdrukkingen bij het werkwoord), en het voorzetsel heeft geen letterlijke maar een figuurlijke betekenis: de jongen in [r] stond natuurlijk niet werkelijk óp zijn vader te wachten. Bijwoordelijke bepaling 7

8 Een bijwoordelijke bepaling geeft een nadere omschrijving van het gezegde of van de hele zin. Het geeft antwoord op vragen als: waar? wanneer? waarheen? hoe? waarom? waardoor? hoe lang? waarmee? In een zin kunnen meerdere bijwoordelijke bepalingen staan. s t In het weekend gaan we een dagje naar het strand. Misschien kun je dit prentenboek snel terugbrengen naar de bibliotheek? De instaptoets In de instaptoets van de IPABO komen acht zinsdelen voor. 1 persoonsvorm 5 lijdend voorwerp 2 werkwoordelijk gezegde 6 meewerkend voorwerp 3 naamwoordelijk gezegde 7 voorzetselvoorwerp 4 onderwerp 8 bijwoordelijke bepaling In de toets worden de zinnen als volgt aangeboden: Joris / heeft / gisteren / een dikke bos bloemen / aan oma / gegeven. A B+F C D E F Op een antwoordvel schrijf je vervolgens de oplossingen op, waarbij je gebruik maakt van de code van de zinsdelen (persoonsvorm = 1; werkwoordelijk gezegde = 2, naamwoordelijk gezegde = 3 enz.). De antwoorden van bovenstaande zin: A= 4 B= 1 C= 8 D= 5 E= 6 F= 2 8

9 Woordbenoeming Woordsoorten Bij woordbenoeming deel je alle woorden in bij de verschillende woordsoorten. Vaak kun je onafhankelijk van het zinsverband de woorden benoemen, soms moet je uit de zin opmaken met wat voor woord je te maken hebt. De instaptoets In de instaptoets van woordbenoeming komen 15 verschillende woordsoorten voor: 1 lidwoord 6 voegwoord 11 bezittelijk voornaamwoord 2 bijvoeglijk naamwoord 7 zelfstandig werkwoord 12 aanwijzend voornaamwoord 3 zelfstandig naamwoord 8 koppelwerkwoord 13 vragend voornaamwoord 4 voorzetsel 9 hulpwerkwoord 14 betrekkelijk voornaamwoord 5 telwoord 10 persoonlijk voornaamw. 15 bijwoord In de toets zien de zinnen er als volgt uit: Joris heeft gisteren aan oma een dikke bos bloemen gegeven. A B C D E Op een antwoordvel schrijf je weer de nummers achter de letters. Dus (voor wie het al weet): A= 9 B= 15 C= 3 D= 2 E= 7 Een kort overzicht van de woordsoorten 1 De, het en een zijn lidwoorden. 2 Het zelfstandig naamwoord noemt namen van mensen, dieren, planten en dingen, maar ook eigennamen, geografische namen, namen van de maanden, de dagen van de week en abstracte zaken (advies, raad, kennis). Ook komt het voor dat andere woordsoorten zelfstandig gebruikt worden: Hij heeft een acht gehaald voor het tentamen. Het eigenaardige is, dat ik niet eens meedeed. Voor de meeste zelfstandige naamwoorden kun je een lidwoord plaatsen en zelfstandige naamwoorden kunnen meestal in het meervoud gezet worden. 9

10 3 Het bijvoeglijk naamwoord kan voor een zelfstandig naamwoord geplaatst worden. Het zegt dan iets van dat zelfstandig naamwoord: Een hoge boom. Een duidelijk standpunt. Denk ook aan de vergrotende en overtreffende trappen: hoger, hoogst en de stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden zilveren, gouden, wollen. Een bijvoeglijk naamwoord hoeft niet vóór een zelfstandig naamwoord te staan, maar kan bijvoorbeeld ook voorkomen als naamwoordelijk deel in een naamwoordelijk gezegde: De boom is hoog. Je standpunt is duidelijk. 4 Het voorzetsel Wij gaan in het voorjaar met vakantie naar Duitsland. Andere voorbeelden van voorzetsels: op, naast, voor, achter, over, uit, bij, van, aan, door, vanaf, tussen, om. Vaak werkt het ezelsbruggetje: voorzetsel + de kast, maar voor een aantal voorzetsels (tijdens, gedurende) werkt het ezelsbruggetje: voorzetsel + vakantie. 5 Het telwoord. Het telwoord telt of nummert; het geeft een hoeveelheid aan of een volgorde, rang. Er zijn hoofdtelwoorden: vijf, duizend, enige, verschillende, en rangtelwoorden: eerste, vijfde, hoeveelste, laatste, zoveelste. In de toets worden deze samen genomen als telwoord. 6 Het voegwoord voegt zinnen of delen van zinnen samen. Er zijn nevenschikkende en onderschikkende voegwoorden, maar dat onderscheid hoef je niet te maken op de toets. Voorbeelden van voegwoorden: en, maar, want, of, dat (!), omdat, zodat, terwijl, hoewel, ofschoon Achter dat staat een uitroepteken, omdat het ook voornaamwoord kan zijn. Ik heb je toch gezegd, dat ik het antwoord niet weet. (Dat is voegwoord) Is dat het boek, dat je gelezen hebt. (Dat is in beide gevallen een voornaamwoord, respectievelijk aanwijzend en betrekkelijk voornaamwoord) 7 Het zelfstandig werkwoord Dit is het werkwoord dat zelfstandig, zonder hulp van een ander werkwoord, een gezegde kan vormen ( hoofdwerkwoord ). Hij speelt de hele dag op straat. Fiets jij even langs de bakker? In een zin met meer dan één werkwoord staat ook één zelfstandig werkwoord, mits je te maken hebt met een werkwoordelijk gezegde. Zij heeft wel twintig baantjes gezwommen. 10

11 Let op: ook een koppelwerkwoord kan het enige werkwoord ( hoofdwerkwoord ) in een zin zijn. Je hebt dan te maken met een naamwoordelijk gezegde. 8 Het hulpwerkwoord In een (enkelvoudige) zin met meer dan één werkwoord staan altijd één of meer hulpwerkwoorden. De persoonsvorm is in zo n geval altijd hulpwerkwoord. We hebben kip gegeten. Ik wil je wel helpen. Hij kan zich vergist hebben. 9 Het koppelwerkwoord In een naamwoordelijk gezegde staat altijd een koppelwerkwoord. Er zijn 9 werkwoorden, die als koppelwerkwoord (kunnen) voorkomen: zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken en voorkomen. Let op in zinnen met meer dan één werkwoord. Welk werkwoord is koppelwerkwoord in het volgende voorbeeld? Zou hij daar blij mee geweest zijn? 10 Het persoonlijk voornaamwoord Voorbeelden: ik, jij, u, hij, zij, wij, jullie. Maar ook me, mij, jou, hem, haar, ons, hen, hun. Let wel op, sommige van deze woorden kom je ook tegen als bezittelijk voornaamwoord. In de volgende zinnen is het een persoonlijk voornaamwoord: Ik zie mijn geboortehuis, het staat er nog. Het is zeker, dat ik een voldoende haal. 11 Het bezittelijk voornaamwoord Dit zijn woorden die een relatie van bezit uitdrukken: mijn boek, jouw reader, hun huis. 12 Het aanwijzend voornaamwoord Die, deze, dat, dit, dezelfde, hetzelfde, diezelfde, datzelfde, zo n, zulk, dergelijk, zodanig + zelfstandig naamwoord. Dat boek heb ik ook gelezen. Zo n plan heb ik nog nooit gehad. 13 Het betrekkelijk voornaamwoord heeft betrekking op een antecedent, het woord dat vooraf gaat : Het boek dat ik aan het lezen ben. Een vriend op wie je kunt vertrouwen. De man wiens fiets gestolen is. En een voorbeeld met ingesloten antecedent: Wie (= degene die) het weet, mag het zeggen. 14 Het vragend voornaamwoord vraagt naar namen, eigenschappen, details. 11

12 Wie heeft hier zitten roken? Wat is het voor weer? Welk boek lees je daar? Maar ook: Ik heb je gevraagd, wat ik moet doen. Hoe is altijd bijwoord. 15 Het bijwoord is een woord dat in zijn eentje als bijwoordelijke bepaling voorkomt in de zin. Hij tekent prachtig. (Prachtig is een bijwoord bij een zelfstandig werkwoord). Ik zal daar straks eens poolshoogte nemen. Wat een geweldig mooie boot. Let op het verschil: Hij is klein (= bijvoeglijk naamwoord). Hij schrijft klein (= bijwoord). Het bijwoord kan soms ook een deel van een zinsdeel zijn: Ik heb een erg leuke zus. 12

13 OEFENSTOF ZINSONTLEDEN 1.Persoonsvorm 2.Werkwoordelijk gezegde 3.Naamwoordelijk gezegde 4.Onderwerp 5. Lijdend voorwerp 6. Meewerkend voorwerp 7. Voorzetselvoorwerp 8. Bijwoordelijke bepaling Ontleed de volgende zinnen. Ze zijn al verdeeld in zinsdelen. Als je ontleedt, doe dat dan in bovenstaande volgorde. 1. Jan / koopt / vanmiddag / een bos bloemen / voor zijn moeder. 2. Wil / jij / later / tandarts / worden? 3. Mijn tante / verlangt / al jaren / naar een reisje naar de zon. 4. Ik / heb / het hekje / groen / geverfd / met die oude kwast. 5. Ibrahim / heeft / zijn grammaticatoets / heel goed / gemaakt. 6. Wil / je / je / niet / steeds / met mijn zaken / bemoeien? 7. Ik / zou / hem / dat / heel graag / willen / hebben /gegeven. 8. Hij / schijnt / op vakantie / opnieuw / ziek / te zijn / geworden. 9. Mijn zus / heet / Anna / en / ze / woont / sinds kort / in Rhenen. 10. Wie / heeft / mijn tas / hier ergens / zien / liggen / vandaag? 13

14 OEFENING ZINSONTLEDEN (oefening lv en vzv) Benoem in onderstaande zinnen de zinsdelen Kies uit: 1. persoonsvorm 5. lijdend voorwerp 2. werkwoordelijk gezegde 6. meewerkend voorwerp 3. naamwoordelijk gezegde 7. voorzetselvoorwerp 4. onderwerp 8. bijwoordelijke bepaling 1. Op het schoolplein/ bekommerde /de juf/ zich/ niet /om de huilende kinderen. A B C B D 2. Eén jongen/ beschuldigde/ een andere jongen/ van diefstal van zijn voetbal. A B C D 3. De juf/ verlangde/ van de jongens /dat/ zij /samen /voor een oplossing /zorgden. A B C D E F G H 4. De jongens/ gaven/ elkaar /daarom /maar/ een hand /en/ alles /was /weer goed. A B C D E F G H H 5. Drie meisjes/ legden/ zich /ondertussen/ toe/ op het touwtrekken. A B B C B D 6. Alleen /trokken/ ze/ niet/ aan een touw, maar /de meiden /hadden /een lange jas/ A B C D E F G vast. F 7. De juf/ werd/ moe/ en /schreeuwde /tegen de meisjes /dat/ ze/ op /moesten houden/ A B B C D E F F met die onzin. G 8. Dat /deden /ze /niet, /de jas /scheurde /bijna /in twee stukken. A B C D E F G 9. Van de juf /moesten/ ze/ nu/ echt/ stoppen /en /ze/ moesten /ook/ voor straf/ naar A B C D E B F G H I binnen /gaan. J G 10. De drie /gaven/ het andere meisje/ nog snel/ een schop. A B C D E 11. De juf /was /blij/ dat /ze/ s middags/ geen pleinwacht/ hoefde/ te zijn! A B B C D E E E 14

15 OEFENSTOF WOORDBENOEMEN Bij Woordbenoemen geef je aan welk woordsoort het onderstreepte woord is 1.Lidwoord 6.Voegwoord 11. Bezittelijk vnw. 2.Bijvoeglijk naamwoord 7.Zelfstandig werkwoord 12.Aanwijzend vnw. 3.Zelfstandig naamwoord 8.Koppelwerkwoord 13.Vragend vnw. 4.Voorzetsel 9.Hulpwerkwoord 14.Betrekkelijk vnw. 5.Telwoord 10.Persoonlijk vnw. 15.Bijwoord 11. Jan koopt vanmiddag een bos bloemen voor zijn moeder Wil jij later tandarts worden, of liever dichter? Mijn lieve tante verlangt al jaren naar een reisje naar de zon Ik heb het hekje groen geverfd met die twee oude kwasten Ibrahim heeft deze grammaticatoets heel goed gemaakt Wil je je niet steeds met mijn zaken bemoeien? Ik zou hem dat heel graag willen hebben gegeven De man die hoge koorts had, is opnieuw ziek geworden Mijn eerste zus heet Anna en ze woont sinds kort in Rhenen Wie heeft mijn gele tas hier ergens zien liggen vandaag?

16 OEFENING WOORDBENOEMEN Benoem in onderstaande zinnen de vijftig onderstreepte woorden Bij Woordbenoemen geef je aan welk woordsoort het onderstreepte woord is 1.Lidwoord 6.Voegwoord 11. Bezittelijk vnw. 2.Bijvoeglijk naamwoord 7.Zelfstandig werkwoord 12.Aanwijzend vnw. 3.Zelfstandig naamwoord 8.Koppelwerkwoord 13.Vragend vnw. 4.Voorzetsel 9.Hulpwerkwoord 14.Betrekkelijk vnw. 5.Telwoord 10.Persoonlijk vnw. 15.Bijwoord 1. Op het schoolplein bekommerde de juf zich niet om de huilende kinderen. A B C D E 2. Eén jongen beschuldigde een andere jongen van diefstal van zijn voetbal. A B C D E F 3. Hij heeft mijn bal afgepakt, juf!, schreeuwde de jongen. A B C D E 4. Die pestkop, waarover de jongen zich beklaagde, liep fluitend naar het klimrek. A B C D E F G 5. Hij pakte een lang en vies touw dat op de grond hing en slingerde zich omhoog. A B C D E F G 6. Hij werd niet warm of koud van de eis van zijn juf dat hij naar beneden moest A B C D E F G H komen. I 7. Waarom kom je nu niet? Dat vind ik kinderachtig van je, zei de juf. A B C D 8. De juf verlangde van de twee dat zij samen voor een oplossing zorgden. A B C D E F G H I 16

Z I N S O N T L E D I N G

Z I N S O N T L E D I N G - 1 - Z I N S O N T L E D I N G Waarom is zinsontleding zo belangrijk? Elke scholier op de middelbare school maar ook de kinderen op de lagere school, komen veelvuldig met zinsontleding in aanraking, eigenlijk

Nadere informatie

Zinsontleden en woordbenoemen groep 7/8

Zinsontleden en woordbenoemen groep 7/8 Zinsontleden en woordbenoemen groep 7/8 Naam: 1 Inhoudsopgave: 3 - Onderwerp 4 - Persoonsvorm 5 - Gezegde 6 - Lijdend voorwerp 7 - Meewerkend voorwerp 8 - Werkwoorden 8 - Zelfstandig naamwoorden 9 - Bijvoeglijk

Nadere informatie

Woordsoorten. Nederlands. Aanwijzend voornaamwoord. Onderschikkend voegwoord. Persoonlijk voornaamwoord. Betrekkelijk voornaamwoord

Woordsoorten. Nederlands. Aanwijzend voornaamwoord. Onderschikkend voegwoord. Persoonlijk voornaamwoord. Betrekkelijk voornaamwoord Woordsoorten Nederlands Aanwijzend voornaamwoord Betrekkelijk voornaamwoord Bezittelijk voornaamwoord Bijvoeglijk gebruikt werkwoord Bijvoeglijk naamwoord Bijwoord Bijzin Hoofdzin Hulpwerkwoord Koppelwerkwoord

Nadere informatie

Werkwoorden zijn woorden die aangeven wat iets of iemand doet, is of wordt.

Werkwoorden zijn woorden die aangeven wat iets of iemand doet, is of wordt. DEEL 1: werkwoorden 1. Werkwoorden Werkwoorden zijn woorden die aangeven wat iets of iemand doet, is of wordt. Voorbeelden: komen, gaan, zwemmen, lopen, zijn enz. 1.1 Vormen van het werkwoord Werkwoorden

Nadere informatie

Zin 1: Lijkt + een vriendelijke jongen: kww + naamwoordelijk deel, samen naamwoordelijk geheel (nwg). Verklaring: lijken is kww.,

Zin 1: Lijkt + een vriendelijke jongen: kww + naamwoordelijk deel, samen naamwoordelijk geheel (nwg). Verklaring: lijken is kww., Zinsontleding: onderwerp, persoonsvorm, werkwoordelijk gezegde, naamwoordelijk gezegde, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp, handelend voorwerp, voorzetselvoorwerp en bijwoordelijke bepalingen in zinnen.

Nadere informatie

2 hv. 1

2 hv.  1 2 hv www.mevrouwzus.wordpress.com 1 1. pv= persoonsvorm 2. = zinsdeel 3. wwg = werkwoordelijk gezegde 4. nwg = naamwoordelijk gezegd 5. ond = onderwerp 6. lv = lijdend voorwerp 7. mv = meewerkend voorwerp

Nadere informatie

Grammaticaboekje NL. Om een beeld te krijgen van de inhoud: De inhoudsopgave, een paar onderwerpen en de eerste bladzijde van de trefwoorden.

Grammaticaboekje NL. Om een beeld te krijgen van de inhoud: De inhoudsopgave, een paar onderwerpen en de eerste bladzijde van de trefwoorden. 9 789082 208306 van Om een beeld te krijgen van de inhoud: De inhoudsopgave, een paar onderwerpen en de eerste bladzijde van de trefwoorden. Opzoekboekje voor leerlingen in klas 1 tot en met 3 in de onderbouw

Nadere informatie

Jan Heerze. Kortom. Nederlandse grammatica. Walvaboek

Jan Heerze. Kortom. Nederlandse grammatica. Walvaboek Jan Heerze Kortom Nederlandse grammatica Walvaboek WOORD VOORAF Kennis van de Nederlandse grammatica is geen doel in zichzelf, maar een hulpmiddel om tekortkomingen in eigen taalgebruik te corrigeren.

Nadere informatie

1

1 3a www.mevrouwzus.wordpress.com 1 1. pv= persoonsvorm 2. = zinsdeel 3. wwg = werkwoordelijk gezegde 4. nwg = naamwoordelijk gezegd 5. ond = onderwerp 6. lv = lijdend voorwerp 7. mv = meewerkend voorwerp

Nadere informatie

Eigen vaardigheid Taal

Eigen vaardigheid Taal Eigen vaardigheid Taal Door middel van het beantwoorden van de vragen in dit blok heeft u inzicht gekregen in uw kennis en vaardigheden van de grammatica en spelling van de Nederlandse taal. In het overzicht

Nadere informatie

Online cursus spelling en grammatica

Online cursus spelling en grammatica Handleiding Online cursus spelling en grammatica Het hoofdmenu In het hoofdmenu kun je links op een niveau klikken. Daarnaast zie je een overzicht van de modules die bij dit niveau horen. Modules Rechts

Nadere informatie

π (spreek uit uiltje ): hulpwerkwoorden of modale hulpwerkwoorden 46

π (spreek uit uiltje ): hulpwerkwoorden of modale hulpwerkwoorden 46 Inhoud Inleiding 6 1 Wie? (mensen) Wat? (dieren en dingen) 10 π Het zelfstandig naamwoord (man, vrouw, Jan) 12 π Het zelfstandig naamwoord, meervoud (lepels, bloemen) 13 π Het zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

Nadere informatie

handelingswijzer redekundig ontleden zinsdelen

handelingswijzer redekundig ontleden zinsdelen handelingswijzer redekundig ontleden zinsdelen Naslagwerk Voor leerlingen en ouders INHOUD INHOUD... 2 REDEKUNDIGE ONTLEDING: ZINSDELEN... 3 PERSOONSVORM (pv)... 3 WERKWOORDELIJK GEZEGDE (ww gez)... 3

Nadere informatie

In dit boekje staan verschillende mogelijkheden om iets op te lossen.

In dit boekje staan verschillende mogelijkheden om iets op te lossen. In dit boekje staan verschillende mogelijkheden om iets op te lossen. Mochten er aanvullingen zijn, kunt u altijd een e-mail sturen naar info@obs-delandweert.nl. ONTLEDEN Taalkundig ontleden. benoem de

Nadere informatie

Niveauproef voor Nederlands in ASO 3 de graad

Niveauproef voor Nederlands in ASO 3 de graad Niveauproef voor Nederlands in ASO 3 de graad Waarom? Voor Nederlands zijn er 3 modules van elk 4 uur per week. De uren worden aansluitend gegeven, het gaat dus om een volledige namiddag. De vaardigheden

Nadere informatie

CVO Tweedekansonderwijs Antwerpen NIVEAUBEPALING NEDERLANDS ASO 3

CVO Tweedekansonderwijs Antwerpen NIVEAUBEPALING NEDERLANDS ASO 3 CVO Tweedekansonderwijs Antwerpen NIVEAUBEPALING NEDERLANDS ASO 3 Voor Nederlands zijn er 3 modules van elk 4 uur per week. De uren worden aansluitend gegeven, het gaat dus om een volledige namiddag. De

Nadere informatie

GRAMMATICA WERKWOORDELIJK GEZEGDE NAAMWOORDELIJK GEZEGDE VOLLEDIGE UITLEG UITLEG PER ONDERDEEL UITLEG PER ONDERDEEL VOLLEDIGE UITLEG

GRAMMATICA WERKWOORDELIJK GEZEGDE NAAMWOORDELIJK GEZEGDE VOLLEDIGE UITLEG UITLEG PER ONDERDEEL UITLEG PER ONDERDEEL VOLLEDIGE UITLEG GRAMMATICA WERKWOORDELIJK GEZEGDE NAAMWOORDELIJK GEZEGDE VOLLEDIGE UITLEG UITLEG PER ONDERDEEL VOLLEDIGE UITLEG UITLEG PER ONDERDEEL OEFENSITES WERKWOORDELIJK GEZEGDE ONTLEDEN ZIN OEFENSITES NAAMWOORDELIJK

Nadere informatie

LESSTOF. Ontleden en Benoemen

LESSTOF. Ontleden en Benoemen LESSTOF Ontleden en Benoemen 2 Lesstof Ontleden en Benoemen INHOUD INLEIDING... 4 DOELGROEP... 5 STRUCTUUR... 6 INHOUD ONTLEDEN EN BENOEMEN 1... 10 INHOUD ONTLEDEN EN BENOEMEN 2... 17 Lesstof Ontleden

Nadere informatie

Pdf versie uitleg Grammatica

Pdf versie uitleg Grammatica Uitleg Grammatica Inleiding In deze zelfstudiemodule kun je grammatica oefenen. Grammatica betekent volgens de Van Dale Leer van het systeem van een taal, geheel van regels volgens welke woorden en zinnen

Nadere informatie

Grammatica. Op niveau onderbouw - Naslag

Grammatica. Op niveau onderbouw - Naslag Op niveau onderbouw - Naslag Grammatica In dit naslagdocument vind je de belangrijkste onderdelen van grammatica die in Op niveau onderbouw, leerjaar 1 t/m 3, worden behandeld. Als je wilt weten welke

Nadere informatie

De laat gearriveerde koerier drinkt achter een bruin bureau koude koffie. Deze jonge verpleegster huppelt meestal vrolijk door de lange gangen.

De laat gearriveerde koerier drinkt achter een bruin bureau koude koffie. Deze jonge verpleegster huppelt meestal vrolijk door de lange gangen. Zinsdelen Nederlands Bijvoeglijke bepaling Bijwoordelijke bepaling Lijdend voorwerp Meewerkend voorwerp Naamwoordelijk gezegde Onderwerp Persoonsvorm Voorzetselvoorwerp Werkwoordelijk gezegde Bijvoeglijke

Nadere informatie

instapkaarten taal verkennen

instapkaarten taal verkennen -b fl41..- 1 rair î ; : ; - / 0 t- t-, 9 S QURrz 71 1 t 5KM 1o r MALNBERG St 4) 4 instapkaarten ji - S 1,1 1 thema 5 1 les 2 S S S - -- t. Je leert hoe je van het hele werkwoord een voltooid deelwoord

Nadere informatie

Hiermee wijs je een speciaal iemand of iets aan. Je begint met de ene zinsstructuur en maakt de zin af in een andere zinsstructuur.

Hiermee wijs je een speciaal iemand of iets aan. Je begint met de ene zinsstructuur en maakt de zin af in een andere zinsstructuur. Kernwoordenlijst Kernwoord Uitleg Voorbeeld Aanwijzend Achtervoegsel Afleiding Anakoloet (ontspoorde zin) Beknopte bijzin Bepaling van gesteldheid Betrekkelijk Bezittelijk Bijstelling Bijvoeglijk naamwoord

Nadere informatie

3 vwo. 1

3 vwo.  1 3 vwo www.mevrouwzus.wordpress.com 1 1. pv= persoonsvorm 2. = zinsdeel 3. wwg = werkwoordelijk gezegde 4. nwg = naamwoordelijk gezegd 5. ond = onderwerp 6. lv = lijdend voorwerp 7. mv = meewerkend voorwerp

Nadere informatie

π (spreek uit uiltje ): hulpwerkwoorden of modale hulpwerkwoorden 46

π (spreek uit uiltje ): hulpwerkwoorden of modale hulpwerkwoorden 46 Inhoud Inleiding 6 1 Wie? (mensen) Wat? (dieren en dingen) 10 π Het zelfstandig naamwoord (man, vrouw, Jan) 12 π Het zelfstandig naamwoord, meervoud (lepels, bloemen) 13 π Het zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

Nadere informatie

MEMORY WOORDEN 1.1. TaalCompleet A1 Memory Woorden 1 1

MEMORY WOORDEN 1.1. TaalCompleet A1 Memory Woorden 1 1 MEMORY WOORDEN 1.1 TaalCompleet A1 Memory Woorden 1 1 ik jij hij zij wij jullie zij de baby het kind ja nee de naam TaalCompleet A1 Memory Woorden 1 2 MEMORY WOORDEN 1.2 TaalCompleet A1 Memory Woorden

Nadere informatie

Redekundig ontleden. Arend van den Brink

Redekundig ontleden. Arend van den Brink Redekundig ontleden Arend van den Brink - Inhoudsopgave Redekundig ontleden... 3 Persoonsvorm... 3 Onderwerp... 4 Naamwoordelijk gezegde... 4 Werkwoordelijk gezegde... 7 Lijdend voorwerp... 8 Meewerkend

Nadere informatie

- De zin in een andere tijd zetten (tijdproef). - De zin vragend maken. - Van enkelvoud meervoud maken of andersom (getalproef).

- De zin in een andere tijd zetten (tijdproef). - De zin vragend maken. - Van enkelvoud meervoud maken of andersom (getalproef). 2. Persoonsvorm pv Wat is de persoonsvorm? Daar draait in een zin eigenlijk alles om. De persoonsvorm is altijd een werkwoord. Hoe kun je de persoonsvorm vinden? - De zin in een andere tijd zetten (tijdproef).

Nadere informatie

Werkwoordelijk gezegde Dit zijn alle werkwoorden in een zin met alles wat bij deze werkwoorden hoort. 1. Francien stond maar te kijken.

Werkwoordelijk gezegde Dit zijn alle werkwoorden in een zin met alles wat bij deze werkwoorden hoort. 1. Francien stond maar te kijken. Ontleden Persoonsvorm 3 trucjes om de persoonsvorm te vinden zijn: 1. Maak van de zin een vraagzin. Het werkwoord dat vooraan komt te staan is de persoonsvorm. 2. Zet de zin in een andere tijd, de persoonsvorm

Nadere informatie

De bovenkamer. Josée Coenen. een kleurrijke grammatica van het Nederlands. colofon

De bovenkamer. Josée Coenen. een kleurrijke grammatica van het Nederlands. colofon Josée Coenen De bovenkamer een kleurrijke grammatica van het Nederlands colofon Dit overzicht is samengesteld door Josée Coenen, auteur van De bovenkamer. Vormgeving Marjo Starink Bazalt 2016 Voor meer

Nadere informatie

Grammatica - Woordsoorten v3. CC Naamsvermelding 3.0 Nederland licentie.

Grammatica - Woordsoorten v3. CC Naamsvermelding 3.0 Nederland licentie. Auteur VO-content Laatst gewijzigd Licentie Webadres 05 December 2016 CC Naamsvermelding 3.0 Nederland licentie http://maken.wikiwijs.nl/80864 Dit lesmateriaal is gemaakt met Wikiwijs Maken van Kennisnet.

Nadere informatie

Ontleden. Er zijn twee manieren van ontleden: taalkundig ontleden en redekundig ontleden.

Ontleden. Er zijn twee manieren van ontleden: taalkundig ontleden en redekundig ontleden. Ontleden Er zijn twee manieren van ontleden: taalkundig ontleden en redekundig ontleden. Bij het redekundig ontleden verdeel je de zin in zinsdelen en geef je elk zinsdeel een redekundige naam. Deze zinsdelen

Nadere informatie

Loopt vader met moeder in het park?

Loopt vader met moeder in het park? Oefening 3 Maak van de gewone zin een vraagzin. Kleur de persoonsvorm lichtblauw. 1. Vader loopt met moeder in het park. Loopt vader met moeder in het park? 2. Morgen ga ik boodschappen doen. Soms begint

Nadere informatie

instapkaarten taal verkennen

instapkaarten taal verkennen instapkaarten inhoud instapkaarten Taal verkennen thema 1 les 2 1 thema 1 les 4 2 thema 1 les 7 3 thema 1 les 9 4 thema 2 les 2 5 thema 2 les 4 6 thema 2 les 7 7 thema 2 les 9 8 thema 3 les 2 9 thema 3

Nadere informatie

vraag 1 Geef aan of het onderstreepte werkwoord hulpwerkwoord, koppelwerkwoord of zelfstandig werkwoord is.

vraag 1 Geef aan of het onderstreepte werkwoord hulpwerkwoord, koppelwerkwoord of zelfstandig werkwoord is. Toets grammatica hoofdstuk 1, 2+3 vraag 1 Geef aan of het onderstreepte werkwoord hulpwerkwoord, koppelwerkwoord of zelfstandig werkwoord is. Zou Zidane de beste voetballer van de wereld zijn? Bij iedere

Nadere informatie

Spiekkaart. Persoonsvorm - p.v.

Spiekkaart. Persoonsvorm - p.v. Persoonsvorm - p.v. DE PERSOONSVORM IS EEN WERKWOORD 1. 2. 3. Zet de zin in een andere tijd: Muis schrijft een brief. Muis schreef een brief. Het werkwoord dat verandert is de persoonsvorm. Maak van de

Nadere informatie

Basisgrammatica. Doelgroep Basisgrammatica

Basisgrammatica. Doelgroep Basisgrammatica Basisgrammatica In Muiswerk Basisgrammatica wordt aandacht besteed aan de drie belangrijkste woordsoorten die de traditionele grammatica onderscheidt. Verder komen de eerste beginselen van zinsontleding

Nadere informatie

Het Muiswerkprogramma Basisgrammatica bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw.

Het Muiswerkprogramma Basisgrammatica bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw. Basisgrammatica Het Muiswerkprogramma Basisgrammatica bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw. Doelgroepen Basisgrammatica Het computerprogramma Basisgrammatica

Nadere informatie

Zinnen. Zinsontleding VOORBEELDPAGINA S. Bestelnr Het grote taalboek - oefenboek - Paragraaf 18 Zinsontleding.

Zinnen. Zinsontleding VOORBEELDPAGINA S. Bestelnr Het grote taalboek - oefenboek - Paragraaf 18 Zinsontleding. VOORBEELDPAGINA S Zinnen Zinsontleding Soorten zinnen Er zijn verschillende soorten zinnen. De meest gebruikte zijn: s MEDEDELENDE ZINNEN IN DE AANTONENDE WIJS )K GA VANDAAG NAAR HET STRAND s VRAGENDE

Nadere informatie

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT) Vak: Nederlands Programma van Inhoud en Toetsing (PIT) 2016-2017 Lesperiode: 1 Hoofdstuk: Spelling 2 t/m 6 De stam van het werkwoord Splitsbare werkwoorden Persoonsvorm tegenwoordige tijd en de bijbehorende

Nadere informatie

Inhoudsopgave. Dit boekje bestaat uit drie delen:

Inhoudsopgave. Dit boekje bestaat uit drie delen: Inhoudsopgave Dit boekje bestaat uit drie delen: Deel 1: uitleg (stappenplan) blz. 2 t/m 5 Deel 2: oefenzinnen blz. 6 Deel 3: antwoorden blz. 7 t/m 12 Disclaimer Aan de inhoud van dit boekje kunnen geen

Nadere informatie

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT) Lesperiode: 1 week 36 t/m week 38 Hoofdstuk: Spelling 2 t/m 6 De stam van het werkwoord Splitsbare werkwoorden Persoonsvorm tegenwoordige tijd en de bijbehorende regel De stam van werkwoorden kunnen noteren

Nadere informatie

Benodigde voorkennis taal verkennen groep 5

Benodigde voorkennis taal verkennen groep 5 Taal actief 4 taal verkennen groep 5-8 taal verkennen groep 5 In dit document een overzicht opgenomen van de benodigde voor de lessen Taal verkennen groep 5. Deze kenn maakt onderdeel uit van de leerlijn

Nadere informatie

PIT HAVO-2 +HAVO/VWO Onderdeel: Spelling H1 en H2 Algemene informatie: Wat moet je kennen: Wat moet je kunnen: Toetsing:

PIT HAVO-2 +HAVO/VWO Onderdeel: Spelling H1 en H2 Algemene informatie: Wat moet je kennen: Wat moet je kunnen: Toetsing: PIT HAVO-2 +HAVO/VWO-2 2016-2017 Vak: Nederlands Onderdeel: Spelling H1 en H2 Lesperiode: 1 Aantal lessen per week: 4 Hoofdstuk: 1 en 2 Extra materiaal: Nieuw Nederlands Online De leerling kent de volgende

Nadere informatie

FORMULEREN Vragen + antwoorden

FORMULEREN Vragen + antwoorden FORMULEREN Vragen + antwoorden Dubbelopfouten Welke dubbelopfouten zijn er? (bij elke soort een voorbeeld) A. onjuiste herhaling (daarin heb ik nu geen zin in) B. foutief pleonasme (de ouderloze wees)

Nadere informatie

1.2.3 Trappen van vergelijking 20

1.2.3 Trappen van vergelijking 20 INHOUD DEEL I Woord voor woord 13 1.1 Zelfstandig naamwoord (substantief) 16 1.1.1 Definitie 16 1.1.2 Soorten 16 1.1.2.1 Soortnaam of eigennaam 16 1.1.2.2 Concrete of abstracte zelfstandige naamwoorden

Nadere informatie

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT) Programma van Inhoud en Toetsing (PIT) 2015-2016 Lesperiode: 1 week 36 t/m week 38 Hoofdstuk: Spelling 2 t/m 6 De stam van het werkwoord Splitsbare werkwoorden Persoonsvorm tegenwoordige tijd en de bijbehorende

Nadere informatie

Inhoud. Inleiding 15. Deel 1 Spelling 18

Inhoud. Inleiding 15. Deel 1 Spelling 18 Inhoud Deel 1 Spelling 18 Inleiding 15 1 Grondbeginselen van de Nederlandse spelling 21 1.1 Verschil tussen klank en letter 22 1.2 Hoofdregels 22 1.3 Interactie tussen de regels 24 1.4 Belang van de regel

Nadere informatie

Het Muiswerkprogramma Grammatica op maat bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw.

Het Muiswerkprogramma Grammatica op maat bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw. Grammatica op maat Het Muiswerkprogramma Grammatica op maat bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw. Doelgroepen Grammatica op maat Dit programma is

Nadere informatie

Inhoud. 1 Spelling 5. Noordhoff Uitgevers bv

Inhoud. 1 Spelling 5. Noordhoff Uitgevers bv Inhoud 1 Spelling 5 1 geschiedenis van de nederlandse spelling in vogelvlucht 11 2 spellingregels 13 Klinkers en medeklinkers 13 Spelling van werkwoorden 14 D De stam van een werkwoord 14 D Tegenwoordige

Nadere informatie

Les 5 Werkwoorden 22 Les 6 De persoonsvorm van het werkwoord 24 Les 7 De, het, een 26 Les 8 Het meervoud (op -en, -s of - s) 28 Herhalingstoets 2 30

Les 5 Werkwoorden 22 Les 6 De persoonsvorm van het werkwoord 24 Les 7 De, het, een 26 Les 8 Het meervoud (op -en, -s of - s) 28 Herhalingstoets 2 30 Inhoud Deel 1 Grammaticale vormen Les 1 Letter, woord, zin, getal, cijfer 12 Les 2 Zinnen 14 Les 3 Persoonlijke voornaamwoorden (1) 16 Les 4 Hij / het / je / we / ze 18 Herhalingstoets 1 20 Les 5 Werkwoorden

Nadere informatie

Taalbeschouwelijke termen bao so 2010

Taalbeschouwelijke termen bao so 2010 1 Bijlage: Vergelijking taalbeschouwelijke termen leerplannen basisonderwijs en secundair onderwijs In deze lijst vindt u in de linkerkolom een overzicht van de taalbeschouwelijke termen uit het leerplan

Nadere informatie

71 S. instapkaarten taal verkennen 5KM. MALtABERG. QVRre. v;rw>r t. -t.

71 S. instapkaarten taal verkennen 5KM. MALtABERG. QVRre. v;rw>r t. -t. v;rw>r t 7 S SS QVRre F9 - -t. t- L 5KM i r MALtABERG instapkaarten taal verkennen S -4 taal verkennen komt er vaak een -e achter. Taa actief. instapkaarten taal verkennen. groep 8 Maimberg s-hertogenbosch

Nadere informatie

De bovenkamer. Het gebruik van De bovenkamer bij Taal actief. Josée Coenen. een kleurrijke grammatica van het Nederlands

De bovenkamer. Het gebruik van De bovenkamer bij Taal actief. Josée Coenen. een kleurrijke grammatica van het Nederlands Josée Coenen De bovenkamer een kleurrijke grammatica van het Nederlands Het gebruik van De bovenkamer bij Taal actief Bij de verschillende onderdelen van Taal actief kunt u onderdelen uit De bovenkamer

Nadere informatie

Nederlands C.T samenvatting

Nederlands C.T samenvatting Nederlands C.T samenvatting Wat te leren: Blok 4 + helft blok 5, op de leer s.o stof na. Blok 4 2.2 Chronologische tijdsvolgorde: de ene gebeurtenis na de andere Tijdsprong: het overslaan van een stuk

Nadere informatie

Grammatica - Woordsoorten herhaling vmbo-kgt34

Grammatica - Woordsoorten herhaling vmbo-kgt34 Auteur VO-content Laatst gewijzigd Licentie Webadres 06 December 2016 CC Naamsvermelding 3.0 Nederland licentie http://maken.wikiwijs.nl/74568 Dit lesmateriaal is gemaakt met Wikiwijs Maken van Kennisnet.

Nadere informatie

Compacte taalgids Nederlands (basis en gevorderd) les- en werkboek

Compacte taalgids Nederlands (basis en gevorderd) les- en werkboek Compacte taalgids Nederlands (basis en gevorderd) les- en werkboek Bezoek- en postadres: Bredewater 16 2715 CA Zoetermeer info@uitgeverijbos.nl www.uitgeverijbos.nl 085 2017 888 Aan de totstandkoming van

Nadere informatie

Handleiding basiswoordenschat.

Handleiding basiswoordenschat. basiswoordenschat. Inleiding. In de basismodule wordt een basis van ongeveer 80 woorden gelegd. Deze woorden worden aangeboden om de woordenschat, maar ook om de communicatieve vaardigheden van de cursist

Nadere informatie

Tipboekje. Herman Jozefschool. Groep 8

Tipboekje. Herman Jozefschool. Groep 8 Tipboekje Herman Jozefschool Groep 8 Inhoudsopgave Tips: Woordsoorten Werkwoorden, Lidwoorden,Zelfstandige naamwoorden en eigen namen Bijvoeglijke naamwoorden,voorzetsels,vragende voornaamwoorden Bezittelijke

Nadere informatie

Grammatica - Woordsoorten herhaling vmbo-kgt34

Grammatica - Woordsoorten herhaling vmbo-kgt34 Auteur VO-content Laatst gewijzigd Licentie Webadres 02 augustus 2017 CC Naamsvermelding 3.0 Nederland licentie https://maken.wikiwijs.nl/74568 Dit lesmateriaal is gemaakt met Wikiwijs van Kennisnet. Wikiwijs

Nadere informatie

Voordat ik je uitleg wat voornaamwoorden zijn, wil ik je vragen of je bij het lezen van de onderstaande zinnen een plaatje voor je ziet.

Voordat ik je uitleg wat voornaamwoorden zijn, wil ik je vragen of je bij het lezen van de onderstaande zinnen een plaatje voor je ziet. Voornaamwoorden Door Henk Wolf. Groningen, 2014. In dit artikeltje leer je wat voornaamwoorden zijn, welke soorten voornaamwoorden er bestaan en welke kenmerken elk van die soorten heeft. Wat zijn voornaamwoorden?

Nadere informatie

Deel 1: Persoonsvorm tegenwoordige tijd

Deel 1: Persoonsvorm tegenwoordige tijd Deel 1: Persoonsvorm tegenwoordige tijd In deze les leer je zwakke werkwoorden als persoonsvorm in de tegenwoordige tijd op de juiste manier spellen. De sterke werkwoorden leveren vaak geen d- of t-problemen

Nadere informatie

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT) Onderdeel: Grammatica zinsdelen 1F Grammaticale kennis: onderwerp, lijdend voorwerp, hoofdzin, bijzin, gezegde, persoonsvorm. 1E Grammaticale kennis: meewerkend voorwerp. 2E Grammaticale kennis: bijwoordelijke

Nadere informatie

Taalkundig ontleden A. van den Brink

Taalkundig ontleden A. van den Brink Taalkundig ontleden A. van den Brink Taalkundig ontleden A. van den Brink 2016 1 Taalkundig ontleden A. van den Brink 2016 2 Inhoudsopgave Taalkundig ontleden... 5 Lidwoord (1/3)... 5 Zelfstandig naamwoord

Nadere informatie

Grammatica - Meewerkend voorwerp HV12

Grammatica - Meewerkend voorwerp HV12 Auteurs VO-content Laatst gewijzigd Licentie Webadres 13 December 2016 CC Naamsvermelding 3.0 Nederland licentie http://maken.wikiwijs.nl/52679 Dit lesmateriaal is gemaakt met Wikiwijs Maken van Kennisnet.

Nadere informatie

handelingswijzer taalkundig ontleden woordsoorten

handelingswijzer taalkundig ontleden woordsoorten handelingswijzer taalkundig ontleden woordsoorten Naslagwerk Voor leerlingen en ouders 1 INHOUD INHOUD... 2 TAALKUNDIGE ONTLEDING: WOORDSOORTEN... 3 WERKWOORDEN... 3 ZELFSTANDIG NAAMWOORD (zelfst.nw)...

Nadere informatie

Meewerkend voorwerp hv12. CC Naamsvermelding 3.0 Nederland licentie.

Meewerkend voorwerp hv12. CC Naamsvermelding 3.0 Nederland licentie. Auteurs VO-content Laatst gewijzigd Licentie Webadres 21 July 2015 CC Naamsvermelding 3.0 Nederland licentie http://maken.wikiwijs.nl/52679 Dit lesmateriaal is gemaakt met Wikiwijsleermiddelenplein. Wikiwijsleermiddelenplein

Nadere informatie

Juf is Ziek boekje. Groep 8

Juf is Ziek boekje. Groep 8 Juf is Ziek boekje Groep 8 Wanneer je dit boekje hebt is de juf of meester waarschijnlijk ziek. Met dit boekje kun je vandaag zelfstandig aan het werk. Er zitten verschillende opdrachten in voor rekenen,

Nadere informatie

Inhoud. 1 Spelling 10

Inhoud. 1 Spelling 10 Inhoud 1 Spelling 10 1 geschiedenis van de friese spelling (stavering) in het kort 10 2 spellingregels 12 Hulpmiddelen 12 Klinkers en medeklinkers 12 Lettergrepen 13 Stemhebbend en stemloos 13 Basisregels

Nadere informatie

instapkaarten taal verkennen

instapkaarten taal verkennen 7 instapkaarten inhoud instapkaarten Taal verkennen thema 1 les 2 1 thema 1 les 4 2 thema 1 les 7 3 thema 1 les 9 4 thema 2 les 2 5 thema 2 les 4 6 thema 2 les 7 7 thema 2 les 9 8 thema 3 les 2 9 thema

Nadere informatie

DE SAMENGESTELDE ZIN ONDERWERPSZIN. ( Wie niet sterk is ),( moet ) [ slim ] { zijn }.

DE SAMENGESTELDE ZIN ONDERWERPSZIN. ( Wie niet sterk is ),( moet ) [ slim ] { zijn }. 1 DE SAMENGESTELDE ZIN Voordat een zin als samengestelde zin ontleed kan worden, moet hij eerst als enkelvoudige zin ontleed zijn, d.w.z. in een zin met maar één persoonsvorm ( en andere zinsdelen). Een

Nadere informatie

Wat gaan we doen? Kies uit: bijzondere dagelijks gratis aanstaande praktisch. 1 Dick en Anna gaan vrijdag trouwen. Dat is over twee dagen.

Wat gaan we doen? Kies uit: bijzondere dagelijks gratis aanstaande praktisch. 1 Dick en Anna gaan vrijdag trouwen. Dat is over twee dagen. 103 103 HOOFDSTUK 7 Wat gaan we doen? WOORDEN 1 Kies uit: bijzondere dagelijks gratis aanstaande praktisch 1 Dick en Anna gaan vrijdag trouwen. Dat is over twee dagen. 2 Op 22 november zijn we 25 jaar

Nadere informatie

PV ( ) OW ( ) WW REST { } NIET-WW REST [ ] GEMENGDE REST [ } NAAMW. DEEL MW ======= BIJW. BEPALING

PV ( ) OW ( ) WW REST { } NIET-WW REST [ ] GEMENGDE REST [ } NAAMW. DEEL MW ======= BIJW. BEPALING PV ( ) OW ( ) WW REST { } NIET-WW REST [ ] GEMENGDE REST [ } NAAMW. DEEL LV MW ======= VV BIJW. BEPALING PERSOONSVORM (PV) In elke zin staan een of meer werkwoorden. Een van die werkwoorden is altijd de

Nadere informatie

Indien je de regels uit dit bestand kunt toepassen en je kent de stappen die je in het schema moet maken, dan beheers je de werkwoordspelling goed.

Indien je de regels uit dit bestand kunt toepassen en je kent de stappen die je in het schema moet maken, dan beheers je de werkwoordspelling goed. Regels werkwoordspelling In dit bestand worden de 5 werkwoordsvormen uitgelegd. Het gaat om: 1. Tegenwoordige tijd 2. Verleden tijd 3. Voltooid deelwoord 4. Onvoltooid deelwoord 5. Bijvoeglijk gebruikt

Nadere informatie

TAAL- en REDEKUNDIG ONTLEDEN

TAAL- en REDEKUNDIG ONTLEDEN TAAL- en REDEKUNDIG ONTLEDEN Blz. Onderwerp 2 Zelfstandig naamwoord 3 Betrekkelijk voornaamwoord 4 Bijvoeglijk naamwoord 5 Gezegde 6 Koppelwerkwoord 7 Lijdend en meewerkend voorwerp 8 Onderwerp 9 Persoonlijk

Nadere informatie

Spreekopdrachten thema 1 Voorstellen

Spreekopdrachten thema 1 Voorstellen Spreekopdrachten thema 1 Voorstellen Opdracht 1 bij 1.2 * Doe de opdracht met de groep. Uitleg voor de docent: De cursisten lopen door elkaar door het lokaal. Laat de cursisten elkaar in tweetallen begroeten,

Nadere informatie

Taaljournaal Leerlijnenoverzicht - Lezen

Taaljournaal Leerlijnenoverzicht - Lezen Taaljournaal Leerlijnenoverzicht - Lezen 1.1 Eigen kennis 1.1.1 Kinderen kunnen hun eigen kennis activeren, m.a.w. ze kunnen aangeven wat ze over een bepaald onderwerp al weten en welke ervaringen ze er

Nadere informatie

Toets grammaticale termen met sleutel

Toets grammaticale termen met sleutel Schrijf Vaardig 1, 2 en 3 Methode met grammaticale opbouw voor anderstaligen Toets grammaticale termen met sleutel Marilene Gathier u i t g e v e r ij c o u t i n h o c bussum 2012 Deze toets hoort bij

Nadere informatie

Ontleden. a) het onderwerp b) het gezegde c) de voorwerpen (lijdend en meewerkend voorwerp, voorzetselvoorwerp) d) de bepalingen

Ontleden. a) het onderwerp b) het gezegde c) de voorwerpen (lijdend en meewerkend voorwerp, voorzetselvoorwerp) d) de bepalingen Ontleden 1. Ontleden is een vorm van syntactische analyse die traditioneel op lagere en middelbare scholen onderwezen wordt (werd). Deze traditionele zinsontleding gaat terug op de Nederlandse spraakkunst

Nadere informatie

Een boek samenstellen over woordsoorten. Dat betekent: keuzes maken. Wat overigens ook geldt voor het gebruiken ervan.

Een boek samenstellen over woordsoorten. Dat betekent: keuzes maken. Wat overigens ook geldt voor het gebruiken ervan. Woordsoorten bloemlezing uit het 40 bladzijden tellende boek. Inleiding Een boek samenstellen over woordsoorten. Dat betekent: keuzes maken. Wat overigens ook geldt voor het gebruiken ervan. Over de keuzes

Nadere informatie

2 Правописание Spelling 11 Hoofdletters en kleine letters 11 Klinkers na de sisklanken ж, ч, ш, щ / г, к, х / ц 12 Interpunctie 12

2 Правописание Spelling 11 Hoofdletters en kleine letters 11 Klinkers na de sisklanken ж, ч, ш, щ / г, к, х / ц 12 Interpunctie 12 Inhoudsopgave 1 Русский алфавит Het Russische alfabet 10 2 Правописание Spelling 11 Hoofdletters en kleine letters 11 Klinkers na de sisklanken ж, ч, ш, щ / г, к, х / ц 12 Interpunctie 12 3 Фонетика Fonetiek

Nadere informatie

1 Spelling en uitspraak

1 Spelling en uitspraak Inhoud 1 Spelling en uitspraak 1 de spellingregels 11 Klinkers en medeklinkers 12 Accenttekens 11 Apostrof ( ) en koppelteken (-) 12 Hoofdletters 13 Los of aan elkaar? 13 Afbreken 14 2 uitspraak 14 Medeklinkers

Nadere informatie

Toets 1 35 Toets 2 36 Toets 3 37 Toets 4 38 Toets 5 39 Toets 6 40

Toets 1 35 Toets 2 36 Toets 3 37 Toets 4 38 Toets 5 39 Toets 6 40 Bloemlezing 25 bladzijden Inleiding 2 1 Zinsontleding 3 2 Persoonsvorm 4 3 Zinsdelen 8 4 Werkwoordelijk gezegde wwg 10 5 Onderwerp ond 13 6 Lijdend voorwerp lv 16 7 Meewerkend voorwerp mv 20 8 Bijwoordelijke

Nadere informatie

Zoals beloofd eerst nog een herhaling van de theorie van de lijdende en de bedrijvende vorm:

Zoals beloofd eerst nog een herhaling van de theorie van de lijdende en de bedrijvende vorm: Huiswerk klas 2 6 november 2014 Beste Eva en Yfke, Zoals beloofd eerst nog een herhaling van de theorie van de lijdende en de bedrijvende vorm: Wat betekent het als een zin in de bedrijvende vorm staat?

Nadere informatie

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT) 2016-2017 Vak: Nederlands Klas: vmbo-tl 2 Onderdeel: Spelling 1 & 2 Digitale methode 1F Spelling: verdubbeling en verenkeling. 1F Spelling: vorming van het bijvoeglijk naamwoord. 1F Werkwoordspelling waarvan

Nadere informatie

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT) Week 1 t/m week 12 Nieuw Nederlands. 3 vwo. 5 e editie Onderdeel Grammatica Zinsdelen en Grammatica Woordsoorten 1 en 2 2 uur per week Additionele methode: Klare taal plus Weten wat de volgende begrippen

Nadere informatie

In elke zin staat een werkwoord. Werkwoorden zijn woorden die aangeven welke handeling of toestand of welk proces in de zin centraal staat.

In elke zin staat een werkwoord. Werkwoorden zijn woorden die aangeven welke handeling of toestand of welk proces in de zin centraal staat. Grammatica: werkwoorden werkwoordsen uitleg Werkwoordsen 1. Persoonsvorm In elke zin staat een werkwoord. Werkwoorden zijn woorden die aangeven welke handeling of toestand of welk proces in de zin centraal

Nadere informatie

instapkaarten taal verkennen

instapkaarten taal verkennen 6 instapkaarten inhoud instapkaarten Taal verkennen thema 1 les 2 1 thema 1 les 4 2 thema 1 les 7 3 thema 1 les 9 4 thema 2 les 2 5 thema 2 les 4 6 thema 2 les 7 7 thema 2 les 9 8 thema 3 les 2 9 thema

Nadere informatie

LESSTOF. Basisgrammatica

LESSTOF. Basisgrammatica LESSTOF Basisgrammatica 2 Lesstof Basisgrammatica INHOUD INLEIDING... 4 BASISGRAMMATICA EN MEIJERINK... 5 DOELGROEP... 5 STRUCTUUR... 6 OMVANG... 7 INHOUD... 9 Lesstof Basisgrammatica 3 INLEIDING Muiswerkprogramma

Nadere informatie

Bureau Bijles. werkwoord werkwoord. Bureau Bijles

Bureau Bijles. werkwoord werkwoord. Bureau Bijles Bureau Bijles Woordsoorten spel Uitleg: Je speelt dit spel alleen, in tweetallen of met drie kinderen tegelijk. In het spel heb je kaarten met korte verhaaltjes en je hebt speelkaartjes. De speelkaartjes

Nadere informatie

Spreekopdrachten thema 3 Kinderen

Spreekopdrachten thema 3 Kinderen Spreekopdrachten thema 3 Kinderen Opdracht 1 bij 3.2 Jullie zijn bij het consultatiebureau. Cursist A: je bent arts bij het consultatiebureau. Cursist B: je bent met je baby van twee maanden bij het consultatiebureau.

Nadere informatie

instapkaarten taal verkennen

instapkaarten taal verkennen instapkaarten inhoud instapkaarten Taal verkennen thema 1 les 2 1 thema 1 les 4 2 thema 1 les 7 3 thema 1 les 9 4 thema 2 les 2 5 thema 2 les 4 6 thema 2 les 7 7 thema 2 les 9 8 thema 3 les 2 9 thema 3

Nadere informatie

1.Taalzee. 2. De zee Hieronder zie je een voorbeeld van hoe een stukje zee er uit kan zien.

1.Taalzee. 2. De zee Hieronder zie je een voorbeeld van hoe een stukje zee er uit kan zien. 1.Taalzee Bij Taalzee krijgen leerlingen een eigen stukje zee met dieren. Deze dieren moeten ze in leven/gezond houden door taaloefeningen te doen. Er zijn ruim 20.000 verschillende opgaven, verdeeld over

Nadere informatie

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT) Schooljaar 2015 2016 Nederlands havo vwo 1 Lesperiode: 1 week 36 t/m week 38 Hoofdstuk: Spelling H 2 t/m 6 De stam van het werkwoord Splitsbare werkwoorden Persoonsvorm tegenwoordige tijd en de bijbehorende

Nadere informatie

Mannelijk Vrouwelijk Onzijdig de slaaf de meester het gevecht het land het beest enkelvoud nominativus genitivus accusativus

Mannelijk Vrouwelijk Onzijdig de slaaf de meester het gevecht het land het beest enkelvoud nominativus genitivus accusativus ZELFSTANDIG NAAMWOORD Mannelijk Vrouwelijk Onzijdig de slaaf de meester het gevecht het land het beest enkelvoud nominativus genitivus accusativus meervoud nominativus genitivus accusativus BIJVOEGLIJK

Nadere informatie

TAALVERZORGING KGT 2 SPORTIEF PERRON 1

TAALVERZORGING KGT 2 SPORTIEF PERRON 1 Sportief! TAALVERZORGING KGT SPORTIEF PERRON Je zit alweer in het tweede jaar van het vmbo. Vorig jaar heb je veel geleerd bij het onderdeel Taalverzorging, maar misschien ben je ook wel iets vergeten.

Nadere informatie

Grammatica - Zinsontleding herhaling vmbo-kgt34

Grammatica - Zinsontleding herhaling vmbo-kgt34 Auteur VO-content Laatst gewijzigd Licentie Webadres 23 August 2016 CC Naamsvermelding 3.0 Nederland licentie http://maken.wikiwijs.nl/74611 Dit lesmateriaal is gemaakt met Wikiwijs Maken van Kennisnet.

Nadere informatie

Auteur: Mirjam Wind, docent en coördinator NT2, Educatie Video s: Gabe Dijkstra en Rick Biemolt, studenten Alfa-college, MultiMedia en Design

Auteur: Mirjam Wind, docent en coördinator NT2, Educatie Video s: Gabe Dijkstra en Rick Biemolt, studenten Alfa-college, MultiMedia en Design Woord voor Woord is een programma mondelinge vaardigheden NT2 voor analfabete beginners. Het omvat 12 lessen. De ontwikkeling van het programma en de daarbij behorende video s is mogelijk gemaakt door

Nadere informatie

Les 4: Les conversatie + grammatica Nederlands Conversatie Les 2 A-klas

Les 4: Les conversatie + grammatica Nederlands Conversatie Les 2 A-klas Les 4: Les conversatie + grammatica Nederlands Conversatie Les 2 A-klas Leraar: Dag Jef. Jef: Dag mevrouw. Hoe gaat het met u? Leraar: Goed, dank je. En met jou? Jef: Ook goed. ----------- Mark: Hallo

Nadere informatie

Toets: Lees vaardig Blok 1+2 en Nieuwsbegrip

Toets: Lees vaardig Blok 1+2 en Nieuwsbegrip JAAROVERZICHT NEDERLANDS H3 Omschrijving lesstof per week Blok 1 Wk1. Spreken informatieve tekst/ artikel oefenen Begin Lees vaardig blok 1+2 Toetsper. 1 week 39 Toets: Lees vaardig Blok 1+2 en Nieuwsbegrip

Nadere informatie