SECUNDAIR ONDERWIJS ASO. tweede graad. eerste en tweede leerjaar BASISVORMING. WW-k. (vervangt 2002/003) (vervangt 2002/209//1/I/BV/1/II/ /V/04)

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "SECUNDAIR ONDERWIJS ASO. tweede graad. eerste en tweede leerjaar BASISVORMING. WW-k. (vervangt 2002/003) (vervangt 2002/209//1/I/BV/1/II/ /V/04)"

Transcriptie

1 SECUNDAIR ONDERWIJS Onderwijsvorm: ASO Graad: tweede graad Jaar: eerste en tweede leerjaar BASISVORMING Vak(ken): AV Chemie 1/1 lt/w Vakkencode: WW-k Leerplannummer: 2004/007 (vervangt 2002/003) Nummer inspectie: 2004 / 9 // 1 / I / BV / 1 / II / / D/ (vervangt 2002/209//1/I/BV/1/II/ /V/04)

2 ASO 2de graad opties met 1 lestijd 1 INHOUD Visie...2 Beginsituatie...5 Algemene doelstellingen...6 Leerplandoelstellingen / leerinhouden / specifieke wenken...8 Pedagogisch-didactische wenken en timing...28 Minimale materiële vereisten...39 Evaluatie...40 Bibliografie...43

3 ASO 2de graad opties met 1 lestijd 2 VISIE 1. Chemie als kennisdomein Chemie is een natuurwetenschap. Ze bestudeert de moleculaire structuur van stoffen, eigenschappen die er uit voortvloeien, transformaties en energie-uitwisselingen die kunnen optreden. Net als andere natuurwetenschappen biedt chemie ook een kader aan om de fysische werkelijkheid te interpreteren door ordenen en verklaren en om er handelend mee om te gaan. Dit handelings- en denkkader bevat begrippen en modellen, wetten en regels die toelaten problemen in de fysische realiteit te herkennen en te formuleren, er oplossingen voor te zoeken en deze ook uit te testen. Aldus is chemie ook in essentie een probleemherkennende en probleemoplossende activiteit. Dit wezenlijk kenmerk moet uiteraard ook in het onderwijs van de chemie een centrale plaats toebedeeld krijgen. Natuurwetenschappen onderscheiden zich onderling en van andere kennisvormen door de aard van de probleemstellingen, door de criteria waaraan aanvaardbare oplossingen moeten voldoen en door de hulpmiddelen die worden ingezet om oplossingen te bereiken. Met andere natuurwetenschappen heeft chemie een aantal kenmerken gemeen. Ze onderscheidt zich echter van deze door haar onderzoeksobject (probleemstelling) en door de eigen aard van haar onderzoeksmethoden (hulpmiddelen). De chemie onderzoekt entiteiten op een organisatieniveau tussen dat van de fysica en de biologie. Haar verklaringsmodellen zijn bij uitstek corpusculair. Ze onderzoekt de bereiding en de eigenschappen van stoffen en de transformaties die deze kunnen ondergaan. Ze verklaart eigenschappen en structuren van stoffen op macroniveau door deze terug te voeren op de eigenschappen en structuren van submicroscopische entiteiten zoals moleculen, die zelf zijn samengesteld uit atomen van een beperkt aantal chemische elementen. Ze verklaart omzettingen van stoffen in termen van hun corpusculaire structuur en in termen van energie-uitwisselingen die hierbij kunnen optreden. In deze zin is chemie een moleculaire wetenschap. Beschrijvende aspecten spelen een grotere rol dan in fysica, maar minder dan in biologie. Ze laat minder kwantitatieve conclusies toe dan de fysica, maar is sterker geformaliseerd dan de biologie. Voor het onderwijs betekent dit dat via chemie in het bijzonder het corpusculair modeldenken en het ordenen volgens waarnemingscriteria zullen worden ingeoefend. De uitbouw van het chemieonderwijs vereist een bijzondere aandacht voor het tonen van de expliciete samenhang tussen de diverse onderdelen van de chemie als wetenschap: - chemie beschrijft en ordent de submicroscopische corpusculaire structuren waaruit de stoffen zijn opgebouwd; - chemie karakteriseert en classificeert stoffen op basis van hun samenstelling en eigenschappen; - chemie ordent en beschrijft stofveranderingen en interacties tussen stoffen op corpusculair niveau; - chemie beschrijft de dynamische en energetische aspecten van de interactie tussen stoffen. Chemie reikt middelen aan om: - stoffen kwalitatief en kwantitatief te detecteren; - stoffen te isoleren uit mengsels; - stoffen te synthetiseren.

4 ASO 2de graad opties met 1 lestijd chemie 3 2. Chemie als onderwijsvak Chemie als onderwijsvak in het secundair onderwijs wordt gestructureerd rond volgende pijlers: chemie als wetenschap, chemie als maatschappelijk verschijnsel en chemie als toegepaste en praktische wetenschap. 2.1 Chemie als wetenschap In dit luik wordt chemie als zuivere natuurwetenschap geïntroduceerd. De leerinhouden worden intern, d.w.z. binnen de wetenschappelijke vakstructuur, bepaald en geselecteerd op basis van de spilfunctie die ze vervullen bij het op- en uitbouwen van de conceptuele basisstructuur van de chemie. Wetten, theorieën en modellen worden bij voorkeur op een zodanig niveau geformuleerd dat ze ook kwantitatieve conclusies toelaten. Taal en denken zijn nauw met elkaar verbonden: helder denken in chemie veronderstelt een ondubbelzinnig taalgebruik. Aan het correct leren hanteren van de chemische vaktaal moet bijgevolg bijzondere aandacht worden besteed, te meer omdat begrippen uit de alledaagse omgangstaal vaak geproblematiseerd worden in de chemie en er een heel andere betekenis krijgen. Concepten, stofnamen en symbolen moeten zorgvuldig en eenduidig worden gebruikt. Zoals in elke andere natuurwetenschap neemt ook in de chemie het experiment een belangrijke plaats in. In het onderwijs mag het experiment niet uitsluitend een visualiseringsmiddel van chemische verschijnselen zijn maar zal het ook en vooral worden aangewend om het onderzoekend handelen als onderdeel van de wetenschappelijke onderzoeksmethode te illustreren en te ontwikkelen. Tevens biedt het zelfstandig experimenteren door leerlingen de mogelijkheid typische vaardigheden en attitudes te verwerven. De leerinhouden en vaardigheden die via dit luik aan de leerlingen worden aangeboden zullen hen ertoe aanzetten eigen mogelijkheden en voorkeuren te exploreren en hen helpen eigen waarden en doelen te bepalen. 2.2 Chemie als maatschappelijk verschijnsel Traditioneel is het wetenschapsonderwijs erg productgericht: centraal staat de bekommernis de leerlingen zo dicht mogelijk te laten aansluiten bij het corpus van de thans algemeen aanvaarde chemische kennis en hen de vaardigheden te doen verwerven om deze kennis op nieuwe, maar aanverwante problemen en probleemgebieden te kunnen toepassen. Chemie wordt beschouwd als gedreven door haar interne dynamiek, waarbij externe factoren geen wezenlijke rol vervullen. Voor historische, sociale en ethische beschouwingen was in het traditionele, productgerichte chemieonderwijs weinig plaats. Het succes van de chemie is ongetwijfeld voor een deel aan deze benadering te danken. Aan de andere kant heeft dit er ook toe geleid dat chemie door velen als een cultuurvreemd en soms zelfs als een cultuurvijandig element wordt ervaren. Door de menselijke aspecten uitdrukkelijk in het onderwijs te betrekken, toont de chemie via onderwijs hoe ze een bijdrage kan leveren aan een harmonische persoonlijkheidsontwikkeling. Het onderwijs in chemie mag zich bijgevolg niet beperken tot het overdragen van instrumentele, vakspecifieke kennis, vaardigheden en attituden, maar moet ook expliciet aandacht vragen voor de chemie als maatschappelijk proces, tijdens hetwelk ook externe randvoorwaarden van sociale, historische, filosofische of ethische aard een rol spelen. De diverse leerinhouden zullen zo worden uitgebouwd dat op exemplarische wijze aandacht kan worden besteed aan de interrelaties tussen chemie en samenleving, aan de cultuurhistorische en de maatschappelijke context waarin chemie functioneert en tot ontwikkeling komt. Alleen op deze wijze is een genuanceerd oordeel over het belang, de waarde en beperkingen van chemie mogelijk en kan de band met de algemene cultuur worden gevrijwaard.

5 ASO 2de graad opties met 1 lestijd chemie 4 Er is bovendien ook een didactisch argument om historische aspecten in het chemieonderwijs te betrekken. Opvattingen over chemie ontstaan vaak vanuit de media (milieu- en afvalproblematiek) of vanuit dagelijkse ervaringen in de omgang met stoffen. Daardoor kunnen conflicten ontstaan tussen gezond verstand en desinformatie via onkritische berichtgeving enerzijds en de wetenschappelijke chemie anderzijds. Kritisch en zinvol leren ontstaat pas als vooraf dergelijke preconcepties op een actieve wijze worden afgebouwd. De verschillende stadia in de ontwikkeling van de historische chemie zijn erg illustratief voor de moeilijkheden die onze jongeren ondervinden om hun misconcepties af te bouwen. Ze kunnen een weg wijzen om nieuwe kennis in de cognitieve structuur van de lerenden te integreren. 2.3 Chemie als toegepaste en praktische wetenschap Zoals elke natuurwetenschap kan ook chemie onder een dubbel aspect worden beschouwd. Enerzijds is ze een conceptueel kader om fenomenen te beschrijven, te ordenen, te verklaren of te voorspellen. De chemie-als-theorie is dan losgemaakt van haar concrete voedingsbodem van steeds wisselende en fluctuerende verschijnselen om, onafhankelijk ervan, tot de stabiele en gemeenschappelijke kern achter deze verschijnselen door te dringen. Anderzijds staat niet het uitbouwen van dit conceptuele kader centraal, maar wordt de toepassing ervan in de courante ervaringswereld of voor het vervullen van specifieke materiële noden en behoeften beoogd. Het accent ligt dan niet meer op verklaren of beschrijven, maar op het omgaan met en het maken van stoffen. Het is vooral via dit technischindustriële aspect dat de natuurwetenschappen in het algemeen en de chemie in het bijzonder onze hedendaagse materiële cultuur verregaand bepalen. In een algemeen chemische vorming mogen basiselementen van de industriële chemie en van haar impact op de samenleving en milieu bijgevolg niet ontbreken. Een accentverschuiving naar toegepaste chemie zal er bovendien toe bijdragen de waarde van de tweedeling tussen denken en doen, tussen zuivere en toegepaste kennis te relativeren. In het onderwijs bestaat tussen beide aspecten een onmiskenbaar onevenwicht. Traditioneel wordt aan het uitbouwen van het conceptuele kader zoveel aandacht en tijd besteed dat aspecten van toegepaste chemie zeer beperkt of nauwelijks aan bod kunnen komen. De hogere waardering die het zuivere, abstracte denken in onze cultuur geniet, in vergelijking met toepassingsgericht denken, is hiervoor een belangrijke oorzaak. Doordat ze vele disparate feiten onder één noemer brengt is theoretische kennis denkeconomisch ongetwijfeld nuttig. Sommigen zullen er, precies door het afstandelijke en abstracte karakter ervan, door aangetrokken worden. Het is niettemin ook onmiskenbaar dat kennis die geen of onvoldoende ankerpunten in de concrete ervaringswereld vindt, vaak niet beklijft en dat haar relevantie in vraag kan worden gesteld. Zowel met het oog op een evenwichtige vorming door chemie, als om leerpsychologische redenen is het bijgevolg van belang de lesdoelstellingen zodanig uit te bouwen dat ook aan de technische en toepassingsgerichte aspecten van de chemie aandacht kan worden besteed.

6 ASO 2de graad opties met 1 lestijd chemie 5 BEGINSITUATIE Bepaling van de leerlingengroep Dit leerplan is bestemd voor leerlingen die slechts een lestijd chemie per week (= minor) volgen in de tweede graad algemeen secundair onderwijs. Leerlingen met twee lestijden chemie per week volgen een ander leerplan: het majorleerplan, met een specifieke benaderingswijze en andere accenten. Om de veiligheid bij het uitvoeren van leerlingenproeven niet in het gedrang te brengen is het aangewezen dat het aantal leerlingen niet meer dan 20 bedraagt. De leraar oordeelt of hij, rekening houdend met het aantal leerlingen, met de uitrusting van zijn laboratorium en de aard van de te gebruiken toestellen en producten, de door het leerplan voorgeschreven demonstratie- en leerlingenproeven zonder gevaar kan uitvoeren of laten uitvoeren. Indien hij oordeelt dat de beschikbare uitrusting gevaar voor hemzelf of voor de leerlingen oplevert, verwittigt hij onmiddellijk het instellingshoofd, die de nodige maatregelen treft om de activiteiten in gunstige omstandigheden te laten doorgaan. Beginsituatie Als beginsituatie wordt uitgegaan van het feit dat de leerlingen die de tweede graad aanvatten de minimumdoelstellingen van de eerste graad (A-stroom) hebben bereikt. Chemie start als onderwijsvak pas in de tweede graad van het secundair onderwijs. Een reden hiervoor is dat de beschrijving van macroscopische fenomenen met corpusculaire modellen, waarop in de chemie voortdurend een beroep wordt gedaan, een cognitieve ontwikkeling van de leerlingen vereist die bij de aanvang van de tweede graad meestal niet is bereikt. Dit neemt evenwel niet weg dat leerlingen al lang voordien hebben leren omgaan met dagelijkse stoffen en materialen, deze hebben leren herkennen en enige vertrouwdheid met sommige chemische reacties hebben verworven. Sommige eindtermen voor wereldoriëntatie in het lager onderwijs en voor aardrijkskunde, technologische opvoeding en biologie in de eerste graad van het secundair onderwijs bieden een geschikt aangrijpingspunt om in de tweede graad macroscopisch waarneembare verschijnselen en eigenschappen, chemisch - d.w.z. corpusculair- te vertalen. Voorbeelden De leerlingen kunnen gangbare materialen benoemen en kunnen op basis van eigen waarnemingen of eenvoudige proefjes deze materialen groeperen volgens minstens twee gemeenschappelijke eigenschappen. (Lager onderwijs: wereldoriëntatie, eindterm 1.13) De leerlingen kunnen enkele gesteenten op monsters benoemen op basis van proefondervindelijke waarnemingen. (Eerste graad SO: aardrijkskunde, eindterm 9) De leerlingen kunnen het belang van de stofwisseling beschrijven voor de instandhouding van het menselijk lichaam en verduidelijken dat het opnemen, het transport en de verwerking van voedingsstoffen en zuurstof daarbij een belangrijke rol spelen. (Eerste graad SO: biologie, eindterm 8)

7 ASO 2de graad opties met 1 lestijd chemie 6 ALGEMENE DOELSTELLINGEN Deze doelstellingen stemmen overeen met gemeenschappelijke eindtermen die gelden voor het geheel van de wetenschappen in de 2de graad ASO. Ze worden op een voor de tweede graad aangepast beheersingsniveau aangeboden. Ze worden, telkens waar mogelijk, in concrete lesdoelstellingen omgezet. 1 Onderzoekend leren / leren onderzoeken Met betrekking tot een concreet wetenschappelijk of toegepast wetenschappelijk probleem, vraagstelling of fenomeen kunnen de leerlingen G 1 relevante parameters of gegevens aangeven, hierover informatie opzoeken en deze oordeelkundig aanwenden; G 2 een eigen hypothese (bewering, verwachting) formuleren en aangeven hoe deze kan worden onderzocht; G 3 voorwaarden en omstandigheden die een hypothese (bewering, verwachting) weerleggen of ondersteunen, herkennen of aangeven; G 4 ideeën en informatie verzamelen om een hypothese (bewering, verwachting) te testen en te illustreren; G 5 omstandigheden die een waargenomen effect kunnen beïnvloeden, inschatten; G 6 aangeven welke factoren een rol kunnen spelen en hoe ze kunnen worden onderzocht; G 7 resultaten van experimenten en waarnemingen afwegen tegenover de verwachte, rekening houdende met de omstandigheden die de resultaten kunnen beïnvloeden; G 8 resultaten van experimenten en waarnemingen verantwoord en bij wijze van hypothese, veralgemenen; G 9 experimenten of waarnemingen in klassituaties met situaties uit de leefwereld verbinden; G10 doelgericht, vanuit een hypothese of verwachting, waarnemen; G11 waarnemings- en andere gegevens mondeling en schriftelijk verwoorden en weergeven in tabellen, grafieken, schema's of formules; G12 alleen of in groep, een opdracht uitvoeren en er een verslag over uitbrengen. 2 Wetenschap en samenleving De leerlingen kunnen met betrekking tot vakinhouden van de vakspecifieke eindtermen G13 voorbeelden geven van mijlpalen in de historische en conceptuele ontwikkeling van de natuurwetenschappen en ze in een tijdskader plaatsen; G14 met een voorbeeld verduidelijken hoe de genese en de acceptatie van nieuwe begrippen en theorieën verlopen; G15 de wisselwerking tussen de natuurwetenschappen, de technologische ontwikkeling en de leefomstandigheden van de mens met een voorbeeld illustreren; G16 een voorbeeld geven van positieve en nadelige (neven)effecten van natuurwetenschappelijke toepassingen; G17 met een voorbeeld sociale en ecologische gevolgen van natuurwetenschappelijke toepassingen illustreren; G18 met een voorbeeld illustreren dat economische en ecologische belangen de ontwikkeling van de natuurwetenschappen kunnen richten, bevorderen of vertragen;

8 ASO 2de graad opties met 1 lestijd chemie 7 G19 met een voorbeeld de wisselwerking tussen natuurwetenschappelijke en filosofische opvattingen over de werkelijkheid illustreren; G20 met een voorbeeld verduidelijken dat natuurwetenschappen behoren tot cultuur, nl. verworven opvattingen die door meerdere personen worden gedeeld en die aan anderen overdraagbaar zijn; G21 met een voorbeeld de ethische dimensie van natuurwetenschappen illustreren. 3 Attitudes De leerlingen G22* zijn gemotiveerd om een eigen mening te verwoorden; G23* houden rekening met de mening van anderen; G24* zijn bereid om resultaten van zelfstandige opdrachten objectief voor te stellen; G25* zijn bereid om samen te werken; G26* onderscheiden feiten van meningen of vermoedens; G27* beoordelen eigen werk en werk van anderen kritisch en objectief; G28* trekken conclusies die ze kunnen verantwoorden; G29* hebben aandacht voor het correct en nauwkeurig gebruik van wetenschappelijke terminologie, symbolen, eenheden en data; G30* zijn ingesteld op het veilig en milieubewust uitvoeren van een experiment; G31* houden zich aan de instructies en voorschriften bij het uitvoeren van opdrachten. Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid. Het volstaat om deze eindtermen na te streven. Omwille van de leesbaarheid worden de leerplandoelstellingen, de leerinhouden en de methodologische wenken in afzonderlijke cellen geplaatst per hoofdstuk. Binnen deze cellen werd getracht de horizontale lezing zo veel als mogelijk door te trekken. Daarom dient elk blok als een geheel te worden beschouwd. De vakgebonden eindtermen voor chemie worden opgenomen in de eerste kolom, voorafgegaan door een C. De niet-verplichte uitbreidingsdoelstellingen zijn met de letter U aangeduid. Voor meer informatie, o.a. richtlijnen, lesmateriaal, nuttige links, zie:

9 ASO 2de graad opties met 1 lestijd chemie 8 LEERPLANDOELSTELLINGEN / LEERINHOUDEN / SPECIFIEKE WENKEN 1ste leerjaar ET LEERPLANDOELSTELLINGEN LEERINHOUDEN SPECIFIEKE WENKEN De leerlingen kunnen: 1 Stoffen en mengsels 1 Stoffen en mengsels C2 G16 - de chemie in algemene termen als natuurwetenschap beschrijven; - aangeven wat de chemie bestudeert; - door voorbeelden illustreren dat men de chemie zowel ten goede als ten kwade kan toepassen; 1.1 Wat is chemie? Chemie als natuurwetenschap Contextgebied: chemie is overal Er kan vertrokken worden vanuit het idee dat leerlingen zelf over chemie hebben en de vertoning van de video Chemie voor vandaag en morgen van SIREV. Mogelijk contexten: G15 - het verband tussen chemie en samenleving aangeven; - onderzoek van de omgeving - geneesmiddelen, huishoudproducten, C4 C4 C3 C2 - de rol van chemici in het beroepsleven illustreren; - studie- en beroepsmogelijkheden in verband met chemie opnoemen en er enkele algemene kenmerken van aangeven; - aantonen dat het laboratorium centraal staat in de empirische wetenschap chemie; - een aantal praktische tips opsommen om veilig en verantwoord te werken in het laboratorium; - gevarensymbolen interpreteren en R- en S-zinnen opzoeken; Chemie als beroep Het laboratorium - wapens, giftige stoffen, drugs, - kunststoffen versus natuurproducten. Studie- en beroepsmogelijkheden kunnen o.a. bij de Federatie van de Chemische Nijverheid: en bij de Koninklijke Vlaamse Chemische Vereniging bekomen worden. Bij elk experiment moet rekening gehouden worden met de nodige veiligheidsmaatregelen. Voor praktische tips rond Veiligheid in de schoollaboratoria : Vooral tijdens de leerlingenpractica zullen de attitudinale eindtermen (G*-22 t/m G*-31) nagestreefd worden.

10 ASO 2de graad opties met 1 lestijd chemie 9 ET LEERPLANDOELSTELLINGEN LEERINHOUDEN SPECIFIEKE WENKEN U - aan de hand van een aantal dagelijkse gebruiksvoorwerpen het onderscheid uitleggen tussen een voorwerp en de stof(fen) waaruit dat voorwerp bestaat; 1.2 Voorwerpen en stoffen In de vakken fysica en technologische opvoeding in de 1ste graad is reeds aandacht besteed aan grondstoffen, materialen en voorwerpen. Mogelijke context: stoffen herkennen. C5 - het verschil tussen fysische en chemische eigenschappen van een stof verwoorden; - aangeven dat stoffen door fysische en chemische eigenschappen van elkaar verschillen; 1.3 Fysische en chemische eigenschappen De verschillen tussen stoffen zoals azijn, water, alcohol, ijzer, koper, zout, kristalsuiker, enz. zijn te omschrijven als fysische en chemische eigenschappen. C25 C25 C25 C25 C5 - met een voorbeeld uitleggen wat een oplossing is; - met een voorbeeld uitleggen wat een emulsie is; - met een voorbeeld uitleggen wat een suspensie is; - aan de hand van bovenstaande en andere voorbeelden uitleggen wat het verschil is tussen een homogeen en heterogeen mengsel; - mengsels onderscheiden van zuivere stoffen aan de hand van gegeven of van waargenomen fysische eigenschappen; 1.4 Mengsels Mogelijke context: chemie thuis Enkele mengsels die in het dagelijkse leven voorkomen worden bij voorkeur als voorbeelden gebruikt: dranken (o.a. spuitwater, limonade, wijn) voedingswaren (o.a. mayonaise), cosmetica (o.a. huidcrèmes). Aan bv. suikerwater en jenever ziet men niet dat het mengsels zijn, zelfs niet met optische hulpmiddelen; aan witbier, vette bouillon, bierschuim of melk wel. C2 - het belang van water uitleggen; 2 Water 2.1 Belang 2 Water Het biologische, huishoudelijke en industriële belang van water laten opzoeken en weergeven.

11 ASO 2de graad opties met 1 lestijd chemie 10 ET LEERPLANDOELSTELLINGEN LEERINHOUDEN SPECIFIEKE WENKEN C2 - de aggregatietoestanden van water beschrijven en verklaren door een verschillende beweeglijkheid van de samenstellende deeltjes (moleculen,...); 2.2 Aggregatietoestanden De waterkringloop in de natuur verklaren door de verandering van aggregatietoestanden. C5 - een verzameling van gelijke moleculen als een zuivere stof herkennen; 2.3 Moleculen Het kleinste deeltje van een stof noemen we voorlopig een molecule en wordt als een bolletje voorgesteld. Het verband tussen de aggregatietoestanden en de warmtebeweging van de moleculen uitleggen. C25 - filtratie, indamping, destillatie, adsorptie en extractie beschrijven als belangrijkste methoden om zuivere stoffen uit mengsels te isoleren; 2.4 Scheiding van mengsels Mogelijke contexten: winning van zout uit zeewater, drinkwaterbereiding, het zetten van koffie en thee, gebruik van gasmaskers. C1, G met eenvoudig materiaal een chromatografie veilig uitvoeren; Leerlingenpracticum 1 Bijvoorbeeld: papierchromatogram van een viltstiftvlek. Bij het uitvoeren van leerlingenpractica zullen de eindtermen onderzoekend leren / leren onderzoeken (G-1 t/m G-12) bij de leerlingen bereikt worden. Vanaf het begin wordt gewezen op de nodige veiligheids- en milieuaspecten, door o.a. de leerlingen telkens de betreffende R- en S-zinnen te laten opzoeken en noteren. C1, G met eenvoudig materiaal volgende scheidingstechnieken veilig uitvoeren: filtratie, extractie; Leerlingenpracticum 2 Bijvoorbeeld: scheiden van zeewater (zout, zand, water); extractie van olie uit pindanoten, bladgroen uit bladeren,

12 ASO 2de graad opties met 1 lestijd chemie 11 ET LEERPLANDOELSTELLINGEN LEERINHOUDEN SPECIFIEKE WENKEN U U U - het verschil tussen hard en zacht water beschrijven; - de invloed van het zuurstofgehalte op de biologische kwaliteit van oppervlaktewater uitleggen; - de werking van een rioolwaterzuiveringsinstallatie beschrijven; 2.5 Waterkwaliteit De oorzaken van de waterhardheid, nl. de aanwezigheid van opgeloste calcium- en magnesiumzouten en de gevolgen ervan in het dagelijks leven beschrijven. Het zuurstofgehalte als belangrijke parameter voor de kwaliteit van oppervlaktewater aangeven (cf. biologie). De afvalwaterzuivering in verschillende stappen (mechanische, biologische en chemische) beschrijven. 3 Stoffen en reacties 3 Stoffen en reacties Als voorbeelden kunnen omzettingen van eetwaren gekozen worden, bv. bakken en braden, zuur worden van melk en wijn, gisting van deeg, rottingsprocessen. - het begrip chemische reactie beschrijven en met voorbeelden illustreren; 3.1 Chemische reactie C7 - onderscheid maken tussen enkelvoudige en samengestelde stoffen, steunend op hun verschil in chemische eigenschappen en met voorbeelden illustreren; 3.2 Enkelvoudige en samengestelde stoffen Stoffen die niet kunnen ontleed worden in andere stoffen noemt men enkelvoudige stoffen, stoffen die wel ontleed kunnen worden noemt men samengestelde stoffen. Als voorbeeld kan de ontleding van suiker door verhitting gekozen worden: er ontstaat kool en water. Water kan door elektrolyse ontleed worden in waterstofgas en zuurstofgas.

13 ASO 2de graad opties met 1 lestijd chemie 12 ET LEERPLANDOELSTELLINGEN LEERINHOUDEN SPECIFIEKE WENKEN G14 C8 - de atoomtheorie van Dalton formuleren; - enkelvoudige en samengestelde stoffen definiëren als functie van hun opbouw uit één of meer atoomsoorten of elementen en dit met voorbeelden illustreren; - het symbool schrijven als de naam gegeven is en de naam noemen als het symbool gegeven is van minstens twintig elementen; - aangeven dat de chemische symbolen universeel zijn en ook in andere schrijftalen gebruikt worden; 3.3 Atomen, elementen, symbolen Als context kunnen historische aspecten rond de atoomtheorie gekozen worden, bv. Democritus, Dalton. Atomen zijn uiterst kleine deeltjes die bij een chemische reactie niet vernietigd worden. In de natuur komen 92 atoomsoorten (elementen) voor; ze verschillen in grootte en in massa. Elementen worden door symbolen voorgesteld. Het is aan te raden volgende symbolen te kennen: Cl, I, O, S, N, P, C, H, He, Ne, Ar, Na, Ca, Mg, Fe, Zn, Hg, Al, Pb, Cu, Ag, Au. Het voorbeeld van de ontleding van suiker kan hier verder uitgewerkt worden. Suiker (C,H,O) wordt ontleed in kool (C) en water (H,O). Water kan ontleed worden in waterstofgas (H) en zuurstofgas (O). - een stof voorstellen door haar elementformule, waarbij de elementsymbolen, gescheiden door komma s, tussen haakjes worden geplaatst; C18 - een chemische reactie voorstellen door een reactieschema, waarbij de uitgangsstoffen en de reactieproducten worden vermeld met hun elementformule en eventueel boven de pijl de omstandigheden worden geschreven; - in een reactieschema de toestand van de stoffen aanduiden met (v) voor vast, (vl) voor vloeibaar, (g) voor gasvormig en (aq) voor opgelost in water; 3.4 Reactieschema s Voorbeelden van reactieschema s: verwarmen suiker kool + water (C,H,O) (C) (H,O) De enkelvoudige stof (C) die uit suiker bekomen wordt, is suikerkool; zo bestaat ook houtskool, beenderkool, bloedkool, enz. Het element C is koolstof. elektrolyse water waterstofgas + zuurstofgas (H,O) vl (H) g (O) g

14 ASO 2de graad opties met 1 lestijd chemie 13 ET LEERPLANDOELSTELLINGEN LEERINHOUDEN SPECIFIEKE WENKEN G13 C7 C7 - het historisch belang van het periodiek systeem toelichten; - op het periodiek systeem aanwijzen dat de elementen gerangschikt zijn volgens stijgende massa van de atomen; - op het periodiek systeem aanwijzen dat elementen waarvan de enkelvoudige stoffen overeenkomstige chemische eigenschappen hebben, onder elkaar staan en dus behoren tot dezelfde groep; - op het periodiek systeem afleiden dat de metalen links staan en de niet-metalen rechts; - in het periodiek systeem de groep van de edelgassen aanwijzen; 3.5 Periodiek systeem Het historisch belang van het periodiek systeem wordt uitgelegd: D. I. Mendelejev kon voorspellingen doen over het bestaan van elementen en eigenschappen van de overeenstemmende stoffen De eigenschappen van alkalimetalen onderzoeken en vergelijken met die van een aardalkalimetaal. Een Nederlandstalige versie van het periodiek systeem van de elementen, met ontdekking, voorkomen, eigenschappen, bereiding, enz. is te raadplegen op: Het gebruik van edelgassen bv. in lampen toelichten. C7, C24 - van de enkelvoudige stoffen diwaterstof, dizuurstof, trizuurstof, dichloor, dijood, diamant, grafiet, octazwavel, natrium, magnesium, aluminium, ijzer, zink, lood, koper, kwik, goud, zilver één of meer van de volgende aspecten bespreken: voorkomen, winning, bereiding, fysische eigenschappen, chemische eigenschappen, toepassingen; 3.6 Kennismaking met enkelvoudige stoffen Voorbeelden Octazwavel (S) is een gele vaste stof. Men vindt zwavel in de grond in de omgeving van vulkanen. Zwavel zit in de kop van een lucifer, in buskruit, in vuurwerk,... omdat hij goed brandt. Tientallen miljoenen ton zwavel worden jaarlijks omgezet in zwavelzuur (H,S,O). Kwikmetaal (Hg) is het enige metaal dat bij kamertemperatuur vloeibar is. Men gebruikt het in thermometers en barometers. Zilverkoper-amalgaam wordt gebruikt als tandvulling. Om bij metalen het onderscheid tussen het element en de enkelvoudige stof te maken, spreken we van natriummetaal, ijzermetaal, kopermetaal, enz. Pas als de leerlingen duidelijk het verschil inzien tussen het element en de enkelvoudige stof, kan voor metalen de uitgang -metaal weggelaten worden.

15 ASO 2de graad opties met 1 lestijd chemie 14 ET LEERPLANDOELSTELLINGEN LEERINHOUDEN SPECIFIEKE WENKEN C24, G enkele eenvoudige experimenten met enkelvoudige en samengesteld stoffen uitvoeren; Leerlingenpracticum 3 Eigenschappen van metalen (bv. Fe) en niet-metalen (bv. S) onderzoeken. Verwarmen van bv. bakpoeder, suiker, ammoniumchloride. C24 C6, G18 - van de samengestelde stoffen waterstofchloride, (di)waterstofsulfaat, natriumhydroxide, ammoniak, calcium(di)hydroxide, natriumchloride, natriumwaterstofcarbonaat en calciumcarbonaat ten minste een toepassing, een zintuiglijk of een fysicochemisch kenmerk aangeven; - uitleggen dat de oorsprong van een zuivere stof, natuurlijk ontstaan of synthetisch bereid, geen invloed heeft op haar eigenschappen; 3.7 Kennismaking met samengestelde stoffen Voorbeelden Waterstofchloride (H,Cl) : verwijdering van cementresten Zwavelzuur (H,S,O): accu Natriumhydroxide (Na,O,H): ontstopper van afvoerbuizen Ammoniak (N,H): ontvettingsmiddel Calciumhydroxide (Ca,O,H): bepleisteren van muren Natriumchloride (Na,Cl): keukenzout Natriumwaterstofcarbonaat (Na,H,C,O): maagzout Calciumcarbonaat (Ca,C,O): krijt, marmer C23 C23 - de betekenis van chemische energie uitleggen; - voorbeelden aanhalen van stoffen die als bron van chemische energie gebruikt worden; - de begrippen exo- en endo-energetisch illustreren met voorbeelden van chemische processen; - de elektrolyse van water herkennen als een endoenergetisch proces; 4 Verbranding en chemische energie 4.1 Exo-energetische en endoenergetische reacties 4 Verbranding en chemische energie Exo-energetische reacties omschrijven als reacties die energie vrijmaken onder de vorm van: - warmte, bv. verbranding - licht, bv. light-stick - elektriciteit, bv. batterij - beweging, geluid, Endo-energetische reacties omschrijven als reacties die energie opnemen.

16 ASO 2de graad opties met 1 lestijd chemie 15 ET LEERPLANDOELSTELLINGEN LEERINHOUDEN SPECIFIEKE WENKEN C23 - een verbranding herkennen als een exo-energetische reactie; - de verbranding van een enkelvoudige stof definiëren als een reactie met zuurstofgas waarbij een oxide gevormd wordt; 4.2 Verbranding van enkelvoudige stoffen Houtskool Bij de verbranding van houtskool ontstaat er een gas dat kalkwater troebel maakt: koolstofdioxide. Houtskoolpoeder kan vanaf een bepaalde temperatuur stofexplosies veroorzaken. C1 - de verbranding van een enkelvoudige stof in een reactieschema weergeven; - een reactie met zuurstofgas als een oxidatie beschrijven; Steenkool In de cokesfabrieken wordt steenkool ontleed in een aantal fracties: steenkoolgas, ammoniak en teer. Het residu bestaat uit bijna zuivere kool: cokes. - met eenvoudig materiaal enkele verbrandingen uitvoeren (koolstofdioxide aantonen); Gebruik van cokes in hoogovens. - de verbranding van een samengestelde stof beschrijven als een reactie met zuurstofgas waarbij verschillende oxiden gevormd worden; - de verbranding van een samengestelde stof in een reactieschema weergeven; 4.3 Verbranding van samengestelde stoffen Aardgas Bij de verbranding van aardgas ontstaan er water en koolstofdioxide. Bij zeer snelle verbranding van aardgas treedt er een explosie op. U - het onderscheid uitleggen tussen een volledige en onvolledige verbranding; Bij de onvolledige verbranding van aardgas blijven er gloeiende kooldeeltjes over, die de vlam geel kleuren. Daarnaast kan het zeer giftige koolstofmonoxide ontstaan. C1, G eenvoudige verbrandingsreacties van enkelvoudige stoffen uitvoeren en bestuderen; Leerlingenpracticum 4 Bijvoorbeeld: verbranding van magnesiummetaal, houtskool, aardgas. C1, G eenvoudige verbrandingsreacties van samengestelde stoffen uitvoeren en bestuderen; Identificatie van koolstofdioxide.

17 ASO 2de graad opties met 1 lestijd chemie 16 ET LEERPLANDOELSTELLINGEN LEERINHOUDEN SPECIFIEKE WENKEN C12 C18,C 21 C18 - met voorbeelden en aan de hand van de begrippen molecule en atoom, uitleggen wat een formule is; - een eenvoudige verbrandingsreactie corpusculair voorstellen, symbolisch weergeven en interpreteren en de wet van het behoud van atomen toepassen; - gebruik maken van de gegeven formules om de reactievergelijking te schrijven van de verbranding van enkelvoudige en samengestelde stoffen; 4.4 Formules en reactievergelijkingen Verbrandingsreacties Uit bv. vergelijking van koolstofdioxide en koolstofmonoxide blijkt dat de elementformule (C,O) niet genoeg informatie verschaft om deze stoffen te kunnen onderscheiden. Voorstelling van stoffen door moleculetekeningen. Moleculeformules van stoffen, bv. CO 2, CO, O 2, C. Voorstelling van reacties door moleculetekeningen. Reactievergelijkingen, bv. C + O 2 CO 2 2 C + O 2 2 CO U U - aardolie beschrijven als mengsel van koolwaterstoffen; - de namen geven van de alkanen met 1 tot 8 C- atomen en hun moleculen voorstellen; - het verband uitleggen tussen de grootte van de moleculen en de vluchtigheid van de overeenkomstige stoffen; 4.5 Koolwaterstoffen Aardolie Bij de gefractioneerde destillatie van aardolie wordt het mengsel gedeeltelijk gescheiden. Samenstelling en toepassingen van de verschillende fracties. De vluchtigste fracties zijn het meest ontvlambaar. Vaste stoffen zoals kaarsvet moeten eerst smelten, waarna de vloeistof met behulp van een wiek moet verdampen om te kunnen branden. C8 C21 - het roesten van metalen beschrijven als trage oxidatie; - de reactievergelijking schrijven van de oxidatie van metalen en de naam van de gevormde oxiden geven als de formules gekend zijn; - de wet van behoud van massa formuleren en uitleggen aan de hand van de oxidatie van een metaal; 4.6 Oxidatie Bij het roesten van ijzermetaal treedt een oxidatie op. Roest is een volksnaam voor ijzeroxide. De verbranding van metalen zoals Mg en Al wordt toegepast in wegwerpflitslampjes en in vuurwerk. De massa van het verbrandingsproduct van ijzer is groter dan de massa van het ijzer vóór de verbranding. De massa van het wegwerpflitslampje is voor en na de (flits) reactie even groot.

18 ASO 2de graad opties met 1 lestijd chemie 17 ET LEERPLANDOELSTELLINGEN LEERINHOUDEN SPECIFIEKE WENKEN U - de samenstelling van lucht geven; - met voorbeelden uitleggen wat legeringen zijn; Bij verbranding van ijzerwol in een afgesloten ruimte kan men aantonen dat slechts 1/5 volume van de lucht de verbranding onderhoudt en dus uit zuurstofgas bestaat. Metalen kunnen onderling legeringen vormen. Deze legeringen hebben meestal betere technische eigenschappen dan de zuivere metalen. Metalen gebruiksvoorwerpen worden meestal gemaakt uit legeringen van minstens twee metalen, bv.: roestvrij staal, dural (aluminiumkookpotten),... Deze legeringen zijn veel steviger dan de zuivere metalen en roesten langzamer. U U - een reductie definiëren als een reactie waarbij een samengestelde stof zuurstof afgeeft; - een ontploffing beschrijven als een zeer snelle exotherme reactie; - een ontploffing beschrijven door gebruik te maken van de begrippen oxidatie en reductie. 4.7 Reductie Buskruit Buskruit is een mengsel van kaliumnitraat (75%), houtskool (15%) en zwavel (10%). Bij de ontploffing van buskruit wordt kaliumnitraat gereduceerd: 2 KNO 3 2 KNO 2 + O 2 Dank zij het zuurstofgas, vrijgekomen bij deze reductie, worden zwavel en kool zo snel geoxideerd dat de reactie explosief verloopt. Dynamiet Dynamiet is een springstof op basis van glyceroltrinitraat, vroeger ook wel nitroglycerine genoemd. Glyceroltrinitraat bevat moleculen die de twee vereiste eigenschappen voor een explosie in zich dragen. Een deel van de molecule kan gemakkelijk zuurstof opnemen, terwijl een ander deel van de molecule zuurstof afgeeft.

19 ASO 2de graad opties met 1 lestijd chemie 18 2de leerjaar ET LEERPLANDOELSTELLINGEN LEERINHOUDEN SPECIFIEKE WENKEN De leerlingen kunnen: 5 Zouten 5 Zouten C11 C11 C13 C18 C8 C13 C24 U - een elektrische stroom definiëren als een verplaatsing van geladen deeltjes; - het elektrisch geleidingsvermogen van gesmolten of opgelost natriumchloride met ionen uitleggen; - de corpusculaire bouw van zouten beschrijven aan de hand van natriumchloride en met gebruik van de begrippen ion, ionbinding, ionrooster en ionkristal; - het smelten en oplossen van natriumchloride als een dissociatie in ionen voorstellen; - natriumchloride benoemen als een elektrolyt; - ionroosters in verband brengen met de formule, de bindingsaard en de eigenschappen van zouten; - voorbeelden en eigenschappen geven van andere zouten, die belangrijk zijn voor onze samenleving; - het voorkomen van kristalwater met voorbeelden beschrijven; 5.1 Formules en corpusculaire structuur van zouten Keukenzout in de samenleving: - in het menselijk lichaam - in de voeding - winning - gebruik Geleidingsvermogen van: - zuiver water - vast keukenzout - keukenzout opgelost in water - gesmolten keukenzout Keukenzout is natriumchloride. NaCl Na + + Cl - Andere zouten in de samenleving, bv. - bakpoeder of maagzout (NaHCO 3 ) - strooizout (CaCl 2 ) - glas (CaNa 2 SiO 14 ) - mineralen - gips: hydratatie van pleister bouwmaterialen: - pleister: de witte afwerkinglaag van stucwerk - cement = calciumsilicaat - mortel: hydratatie van calciumsilicaat.

20 ASO 2de graad opties met 1 lestijd chemie 19 ET LEERPLANDOELSTELLINGEN LEERINHOUDEN SPECIFIEKE WENKEN G19 C9 C9 C9 C10 C11 C11 C11 - het atoommodel van Rutherford-Bohr beschrijven; - met voorbeelden de betekenis van het begrip atoommassa uitleggen; - de samenstelling van een atoom afleiden uit het atoomnummer en de atoommassa (nucleonental); - voor atomen met Z 18, hun elektronenconfiguratie en hun plaats in het periodiek systeem van de elementen geven; - voor atomen uit de hoofdgroepen, het aantal elektronen op de buitenste schil afleiden uit hun plaats in het periodiek systeem; - het verband leggen tussen de stabiliteit van de edelgasatomen en hun octetstructuur; - beredeneren dat neutrale metaalatomen (uit de a- groepen) door verlies van één of meer elektronen, in positieve ionen met een stabiele edelgasstructuur worden omgezet; - beredeneren dat neutrale niet-metaalatomen door opname van één of meer elektronen, in negatieve ionen met een stabiele edelgasstructuur worden omgezet; - éénatomige ionen benoemen; 5.2 Atoombouw Demonstratie met de buis van Crookes: enkel de negatieve ladingen komen uit de negatieve elektrode vrij, hetgeen fluorescentie van het glas veroorzaakt en een schaduw achter de positieve elektrode; de positieve ladingen kunnen niet vrijkomen, ook niet uit de positieve elektrode. De beeldbuis In de kathodestraalbuis van een tv komen uiterst kleine negatieve deeltjes (elektronen) vrij uit de gloeiende kathode. Ze botsen tegen een scherm en veroorzaken de fluorescentie van zouten. Hierdoor ontstaat er een beeld. Synthese van natriumchloride 2 Na + Cl 2 2 NaCl Lijst met belangrijke éénatomige ionen. C23 - de elektrolyse van een natriumchloride-oplossing voorstellen op het elektrisch schema van de stroomkring en de bijhorende vergelijkingen met elektronenuitwisseling schrijven; 5.3 Elektrolyse Industriële elektrolyse van natriumchloride: - reeds in 1898 toegepast door E. Solvay - bereiding van chloorgas (uitgangsstof voor PVC) (alles over chloor: ) - bereiding van waterstofgas (raketbrandstof; synthese van ammoniak) - bereiding van natriumhydroxide: ontstoppen van leidingen.

21 ASO 2de graad opties met 1 lestijd chemie 20 ET LEERPLANDOELSTELLINGEN LEERINHOUDEN SPECIFIEKE WENKEN 5.4 Meeratomige ionen Stikstofmeststoffen C24 - de bereiding aangeven van ammoniak; C12 - eigenschappen aangeven van stoffen waarin de volgende meeratomige ionen voorkomen: ammonium-, nitraat-, sulfaat-, carbonaaten fosfaationen; Bereiding van ammoniak volgens het Haber-Bosch-procédé: N H 2 2 NH 3 Bereiding van ammoniumzouten uit ammoniak en zuren C2 - tabellen raadplegen met de naam en de formule van één- en meeratomige ionen; C14 - door gebruik te maken van deze tabellen en door toepassing van de neutraliteitsregel, de formules van zouten schrijven en hun namen geven; C18 C17 C2 - dissociatievergelijkingen van zouten voorstellen; - de massaconcentratie van een oplossing definiëren als het aantal gram opgeloste stof per 100 ml oplossing; - de oplosbaarheid van een stof definiëren als de hoogst mogelijke concentratie - een tabel met oplosbaarheid van zouten raadplegen; 5.5 Oplossingen van zouten Componenten in de grond. In België treft men o.m. volgende bodems aan: - zand = SiO 2 - klei = AlKSi 3 O 8 - kalk = CaCO 3 - leem = zand + klei - mergel = zand + kalk Zouten in water: massaconcentratie van natriumchloride oplossing (gebruikelijke eenheid: gram per 100 ml) massaconcentratie van chloride-ionen in zeewater, rivierwater, leidingwater, mineraal water, C1, G eenvoudige neerslagreacties uitvoeren en voorstellen met ionen; Leerlingenpracticum 5 De leerlingen vertrekken van de vaste zouten, die ze zelf in water oplossen, zodat ze een idee krijgen van de oplosbaarheid van zouten.

22 ASO 2de graad opties met 1 lestijd chemie 21 ET LEERPLANDOELSTELLINGEN LEERINHOUDEN SPECIFIEKE WENKEN C2 C19 - door gebruik van tabellen met ionen en met oplosbaarheden, neerslagreacties voorstellen door reactievergelijkingen met ionen; 5.6 Neerslagreacties Bereiden van een neerslag door samenvoegen van twee oplossingen bv. zilverchloride, calciumcarbonaat. Drinkwater: in sommige waterwinningsgebieden zijn er teveel ijzerzouten opgelost in het water, hetgeen een roestkleur en slechte smaak geeft aan het drinkwater; door toevoeging van natriumfosfaat slaat ijzerfosfaat neer. C11, C12 C11 C11 C11 - uit de vaststelling dat sommige stoffen in een smelt niet elektrisch geleiden, afleiden dat ze uit ongeladen deeltjes bestaan, namelijk moleculen; - het model van de atoombinding als gemeenschappelijk elektronenpaar tussen twee atomen kenschetsen; - bespreken dat men het bereiken van de octetstructuur en de vorming van neutrale moleculen met elkaar in overeenstemming kan brengen; - eenvoudige structuurformules schrijven; 6 Aardolieproducten 6.1 Atoombinding 6 Brandstoffen Het voorkomen van methaan in de natuur: moerasgas, biogas, mijngas, aardgas. Het ontstaan van aardolie en aardgas. Vaststellen dat moleculeverbindingen de elektrische stroom niet geleiden. De verbranding van methaan in de bunsenbrander: structuurformules van CH 4, O 2, H 2 O, CO 2. C13 C13 - een moleculerooster als een regelmatige stapeling van moleculen kenschetsen; - algemene eigenschappen van moleculeverbindingen, zoals laag smelt- en kookpunt, verklaren door kleine aantrekkingskrachten (vanderwaalskrachten) tussen neutrale moleculen; Vanderwaalskrachten Sublimeren van dijoodkristallen Met behulp van simulatieprogramma s (o.a. Simchemistry) kunnen de wisselwerkingen tussen bewegende moleculen getoond worden

23 ASO 2de graad opties met 1 lestijd chemie 22 ET LEERPLANDOELSTELLINGEN LEERINHOUDEN SPECIFIEKE WENKEN C8, G20 C14 C22 C13 - de historische en de hedendaagse betekenis van de term "organische stof" aangeven en het onderscheid maken tussen organische en anorganische stoffen; - de formules en de namen van eenvoudige alkanen geven; - uit de moleculeformule en de atoommassa's, de moleculemassa berekenen; - de aggregatietoestand van alkanen verklaren; 6.2 Alkanen Tot in de 18de eeuw worden organische stoffen uitsluitend gewonnen uit plantaardig en dierlijk materiaal, bv. kleurstoffen zoals indigo, karmijnrood, Campinggas, LPG Noot: Naar analogie van atoommassa schrijven we moleculemassa (i.p.v. moleculenmassa). C22 C22 C22 - uitleggen wat een mol materie is; - eenvoudige omrekeningen maken van een stofhoeveelheid (in mol) van een bepaalde stof naar de massa (in g) van die stof en omgekeerd; - een reactievergelijking in mol en in gram interpreteren; 6.3 Hoeveelheid stof Broeikaseffect: koolstofdioxide als belangrijke oorzaak van het broeikaseffect. Berekenen hoeveel koolstofdioxide ontstaat door verbranding van een gegeven hoeveelheid methaan. Airbag: berekenen hoeveel natriumazide (NaN 3 ) nodig is om een airbag te vullen met stikstofgas. U U - met een voorbeeld uitleggen wat een substitutiereactie is; - aangeven dat halogeenalkanen ontstaan wanneer in alkanen één of meer waterstofatomen vervangen worden door halogeenatomen (F, Cl, Br, I); 6.4 Substitutiereacties CFK's: chloorfluorkoolwaterstoffen (CFK's) als mogelijke oorzaak van het "gat" in de ozonlaag. Het gebruik van halogeenalkanen.

24 ASO 2de graad opties met 1 lestijd chemie 23 ET LEERPLANDOELSTELLINGEN LEERINHOUDEN SPECIFIEKE WENKEN C14 U - het verschijnsel isomerie uitleggen; - reforming omschrijven als een reactie waarbij onvertakte alkanen in vertakte alkanen worden omgezet; 6.5 Isomerie Benzine: de samenstelling en het octaangetal van benzine. loodvrije benzine en auto-uitlaatgas-katalysatoren. U C14 U U - met behulp van een voorbeeld het kraakproces beschrijven; - de structuurformule van etheen en ethyn schrijven en enkele toepassingen opsommen; - additiereacties van etheen schrijven; - polymerisatiereacties als een bijzonder geval van additiereacties beschrijven; 6.6 Alkenen en alkynen Kunststoffen: etheen als belangrijke uitgangsstof voor het bereiden van kunststoffen. Lassen: het gebruik van ethyn (acetyleen) om te lassen. Uit vinylchloride wordt polyvinylchloride (PVC) gemaakt. C1, G eenvoudige reageerbuisproeven met organische stoffen uitvoeren; Leerlingenpracticum 6 Bijvoorbeeld: bereiding van koolwaterstoffen en aantonen van de brandbaarheid, bereiding van een kunststof. C14 U G21 - de structuurformule van methanol en ethanol schrijven; - de bereiding van ethanol door additie van water aan etheen schrijven; - het gebruik van methanol en ethanol beschrijven; 6.7 Alcoholen Alcoholische brandstoffen: het gebruik van methanol en ethanol als brandstof. Wijzen op de giftigheid van methanol. Alcoholische dranken.

25 ASO 2de graad opties met 1 lestijd chemie 24 ET LEERPLANDOELSTELLINGEN LEERINHOUDEN SPECIFIEKE WENKEN U U - de structuur van benzeen beschrijven; - het belang van enkele substitutieproducten van benzeen beschrijven; 6.8 Aromatische verbindingen Het belang van benzeen voor de bereiding van o.a. geneesmiddelen (bv. aspirine), kleurstoffen en kunststoffen (bv. polystyreen). C15 C13 C13 C13 C13 - voor een watermolecule het verband leggen tussen de polariteit van de molecule enerzijds en anderzijds de ruimtelijke structuur en het verschil in elektronegatieve waarde van de samenstellende atomen; - driedimensionale modellen van moleculen in verband brengen met hun polariteit; - polaire moleculeverbindingen benoemen als stoffen die opgebouwd zijn uit dipoolmoleculen; - apolaire moleculeverbindingen benoemen als stoffen die opgebouwd zijn uit apolaire moleculen; - de oplosbaarheid van polaire en apolaire moleculeverbindingen en van ionverbindingen in verband brengen met de polariteit van het oplosmiddel; 7 Zuren en basen 7.1 Dipoolmoleculen 7 Zuren en basen IJskristallen en sneeuw In ijskristallen houden de watermoleculen stevig aan elkaar. Sneeuw bestaat uit verschillende ijskristallen, die tijdens hun val zwak aan elkaar hechten. Aantrekking van een waterstraal door een positief geladen glazen staaf en door een negatief geladen plastieken staaf. Oplosbaarheid van stoffen onderzoeken, bv.: - natriumchloride in water; - suiker in water; - dijood in koolstoftetrachloride.

26 ASO 2de graad opties met 1 lestijd chemie 25 ET LEERPLANDOELSTELLINGEN LEERINHOUDEN SPECIFIEKE WENKEN C26 C1 C8, C14, C24 C19 C19 U - door gebruik van de smaak en van indicatoren een oplossing karakteriseren als zuur, neutraal of basisch; - indicatoren gebruiken om zure oplossingen aan te tonen; - aan de hand van de formule (HZ), de volgende stoffen classificeren als zuur: HCl, H 2 SO 4, HNO 3, H 3 PO 4, H 2 CO 3 en CH 3 COOH; - de ionisatie van zuren in water voorstellen door een ionisatievergelijking; - zuren definiëren als stoffen met formule HZ, die in water H + -ionen vrijmaken; - onderscheid maken tussen sterke en zwakke zuren; - enkele belangrijke organische zuren kenschetsen; 7.2 Zuren Zuren in het dagelijks leven en in de industrie De zure smaak van azijn en de bittere smaak van natriumcarbonaat neutraliseren elkaar. Algemene voorstelling van de ionisatie van zuren: HZ H + + Z - (Z - stelt de zuurrest voor.) Gebruik van zuur-base-indicatoren. Bereiding en eigenschappen van zuren. Onderzoeken van geconcentreerde en verdunde oplossingen van een sterk zuur. Het verschil in ionisatie tussen een sterk zuur (bv. HCl) en een zwak zuur (bv. HAc) aantonen d.m.v. het elektrisch geleidingsvermogen. Eigenschappen en toepassingen van vetzuren. C1 C8, C24 C19 C19 C19 - indicatoren gebruiken om basische oplossingen aan te tonen; - een stof classificeren als een hydroxide aan de hand van de formule MOH; - de dissociatie van hydroxiden in water voorstellen door een dissociatievergelijking; - basen voorstellen als stoffen die in water OH - -ionen vrijmaken; - de ionisatie van ammoniak in water door een ionisatievergelijking voorstellen; 7.3 Basen Basen in de industrie en het dagelijks leven Bereiding, eigenschappen en toepassingen van natriumhydroxide (bijtende soda) en ammoniak. Reactie van ammoniak met water: NH 3 + H 2 O NH 4 OH NH OH -

I. Basiskennis. ijs. Een chemisch verschijnsel is het verschijnsel waarbij wel nieuwe stoffen ontstaan.

I. Basiskennis. ijs. Een chemisch verschijnsel is het verschijnsel waarbij wel nieuwe stoffen ontstaan. Basiskennis 4 chemie 2 de graad, 2 de jaar = 4avv & 4bav 1 1. Natuurwetenschappen I. Basiskennis De studie van de natuurverschijnselen kan je ruwweg onderverdelen in: Biologie: Studie van de levende materie.

Nadere informatie

Secundair onderwijs - Tweede graad ASO/KSO/TSO - Natuurwetenschappen - Vakgebonden eindtermen

Secundair onderwijs - Tweede graad ASO/KSO/TSO - Natuurwetenschappen - Vakgebonden eindtermen Eindtermen educatief project Korstmossen, snuffelpalen van ons milieu 2 de en 3 de graad SO Secundair onderwijs - Tweede graad ASO/KSO/TSO - Natuurwetenschappen - Vakgebonden eindtermen I. Gemeenschappelijke

Nadere informatie

5 Formules en reactievergelijkingen

5 Formules en reactievergelijkingen 5 Formules en reactievergelijkingen Stoffen bestaan uit moleculen en moleculen uit atomen (5.1) Stoffen bestaan uit moleculen. Een zuivere stof bestaat uit één soort moleculen. Een molecuul is een groepje

Nadere informatie

5.2.5 - atomen uit de hoofdgroepen, het aantal elektronen op de buitenste schil afleiden uit hun plaats in het periodiek systeem;

5.2.5 - atomen uit de hoofdgroepen, het aantal elektronen op de buitenste schil afleiden uit hun plaats in het periodiek systeem; Leergebied: groep Leerplannen LP Chemie 2e gr KSO GO 3.5.3 - op het periodiek systeem aanwijzen dat elementen waarvan de enkelvoudige stoffen overeenkomstige chemische eigenschappen hebben, onder elkaar

Nadere informatie

ZUIVERE STOF één stof, gekenmerkt door welbepaalde fysische constanten zoals kooktemperatuur, massadichtheid,.

ZUIVERE STOF één stof, gekenmerkt door welbepaalde fysische constanten zoals kooktemperatuur, massadichtheid,. PARATE KENNIS CHEMIE 4 e JAAR SCHEMA ZUIVERE STOF één stof, gekenmerkt door welbepaalde fysische constanten zoals kooktemperatuur, massadichtheid,. MENGSEL bestaat uit meerdere zuivere stoffen, de kooktemperatuur,

Nadere informatie

Scheikunde Samenvatting H4+H5

Scheikunde Samenvatting H4+H5 Scheikunde Samenvatting H4+H5 Hoofdstuk 4 4.2 Stoffen worden ingedeeld op grond van hun eigenschappen. Er zijn niet-ontleedbare stoffen en ontleedbare stoffen. De niet-ontleedbare stoffen zijn verdeeld

Nadere informatie

I. Basiskennis. Zuivere stof*: Is materie die uit 1 stof bestaat en niet meer gescheiden kan worden door fysische scheidingstechnieken.

I. Basiskennis. Zuivere stof*: Is materie die uit 1 stof bestaat en niet meer gescheiden kan worden door fysische scheidingstechnieken. Basiskennis 5 chemie 3 de graad, 1 ste jaar = 5avv, 5av, 5bv 1 1.1 Opbouw van de materie I. Basiskennis Zuivere stof*: Is materie die uit 1 stof bestaat en niet meer gescheiden kan worden door fysische

Nadere informatie

Voorkennis chemie voor 1 Ba Geografie

Voorkennis chemie voor 1 Ba Geografie Onderstaand overzicht geeft in grote lijnen weer welke kennis er van je verwacht wordt bij aanvang van een studie bachelor Geografie. Klik op een onderdeel om een meer gedetailleerde inhoud te krijgen

Nadere informatie

Rekenen aan reacties (de mol)

Rekenen aan reacties (de mol) Rekenen aan reacties (de mol) 1. Reactievergelijkingen oefenen: Scheikunde Deze opgaven zijn bedoeld voor diegenen die moeite hebben met rekenen aan reacties 1. Reactievergelijkingen http://www.nassau-sg.nl/scheikunde/tutorials/deeltjes/deeltjes.html

Nadere informatie

Paragraaf 1: Fossiele brandstoffen

Paragraaf 1: Fossiele brandstoffen Scheikunde Hoofdstuk 2 Samenvatting Paragraaf 1: Fossiele brandstoffen Fossiele brandstof Koolwaterstof Onvolledige verbranding Broeikaseffect Brandstof ontstaan door het afsterven van levende organismen,

Nadere informatie

Stoffen, structuur en bindingen

Stoffen, structuur en bindingen Hoofdstuk 1: Stoffen, structuur en bindingen Scheikunde vwo 2011/2012 www.lyceo.nl Onderwerpen Scheikunde 2011 2012 Stoffen, structuur en binding Kenmerken van Reacties Zuren en base Redox Chemische technieken

Nadere informatie

Het spel: Rad van Fortuin

Het spel: Rad van Fortuin Het spel: Rad van Fortuin Spelregels: - iedereen draait om beurt aan het rad. - als het rad stopt, moeten ze een vraag beantwoorden. Goed antwoord: krijgen ze de punten waar het rad is gestopt en mogen

Nadere informatie

1) Stoffen, moleculen en atomen

1) Stoffen, moleculen en atomen Herhaling leerstof klas 3 1) Stoffen, moleculen en atomen Scheikundigen houden zich bezig met stoffen. Betekenissen van stof zijn onder andere: - Het materiaal waar kleding van gemaakt is; - Fijne vuildeeltjes;

Nadere informatie

Onderwijsinspectie Vlaanderen

Onderwijsinspectie Vlaanderen 1. Doel practica in ASO, KSO en TSO Onderwijsinspectie Vlaanderen Hoe is het in de praktijk gesteld met het uitvoeren van leerlingenproeven? Het empirisch karakter van het vak tot uiting brengen Leerlingen

Nadere informatie

INTRODUCTIECURSUS BOUWCHEMIE HOOFDSTUK 1: INLEIDING MOLECULEN EN ATOMEN

INTRODUCTIECURSUS BOUWCHEMIE HOOFDSTUK 1: INLEIDING MOLECULEN EN ATOMEN INTRODUCTIECURSUS BOUWCHEMIE HOOFDSTUK 1: INLEIDING MOLECULEN EN ATOMEN 1 OVERZICHT 1. Zuivere stof, moleculen en atomen 1. Moleculeformules 2. Elementen 3. Atoomtheorie 4. Atoommassa 5. Moleculemassa

Nadere informatie

1. Elementaire chemie en chemisch rekenen

1. Elementaire chemie en chemisch rekenen In onderstaande zelftest zijn de vragen gebundeld die als voorbeeldvragen zijn opgenomen in het bijhorend overzicht van de verwachte voorkennis chemie. 1. Elementaire chemie en chemisch rekenen 1.1 Grootheden

Nadere informatie

1. Elementaire chemie en chemisch rekenen

1. Elementaire chemie en chemisch rekenen In onderstaande zelftest zijn de vragen gebundeld die als voorbeeldvragen zijn opgenomen in het bijhorend overzicht van de verwachte voorkennis chemie. 1. Elementaire chemie en chemisch rekenen 1.1 Grootheden

Nadere informatie

Onderwerp: Onderzoek doen Kerndoel(en): 28 Leerdoel(en): - Onderzoek doen aan de hand van onderzoeksvragen - Uitkomsten van onderzoek presenteren.

Onderwerp: Onderzoek doen Kerndoel(en): 28 Leerdoel(en): - Onderzoek doen aan de hand van onderzoeksvragen - Uitkomsten van onderzoek presenteren. Vak: Scheikunde Leerjaar: Kerndoel(en): 28 De leerling leert vragen over onderwerpen uit het brede leergebied om te zetten in onderzoeksvragen, een dergelijk onderzoek over een natuurwetenschappelijk onderwerp

Nadere informatie

Hoofdstuk 4 Kwantitatieve aspecten

Hoofdstuk 4 Kwantitatieve aspecten Hoofdstuk 4 Kwantitatieve aspecten 4.1 Deeltjesmassa 4.1.1 Atoommassa De SI-eenheid van massa is het kilogram (kg). De massa van een H-atoom is gelijk aan 1,66 10 27 kg. m(h) = 0,000 000 000 000 000 000

Nadere informatie

Oefenopgaven CHEMISCHE INDUSTRIE

Oefenopgaven CHEMISCHE INDUSTRIE Oefenopgaven CEMISCE INDUSTRIE havo OPGAVE 1 Een bereidingswijze van fosfor, P 4, kan men als volgt weergeven: Ca 3 (PO 4 ) 2 + SiO 2 + C P 4 + CO + CaSiO 3 01 Neem bovenstaande reactievergelijking over

Nadere informatie

5-1 Moleculen en atomen

5-1 Moleculen en atomen 5-1 Moleculen en atomen Vraag 1. Uit hoeveel soorten moleculen bestaat een zuivere stof? Vraag 2. Wat is een molecuul? Vraag 3. Wat is een atoom? Vraag 4. Van welke heb je er het meeste: moleculen of atomen?

Nadere informatie

Antwoorden deel 1. Scheikunde Chemie overal

Antwoorden deel 1. Scheikunde Chemie overal Antwoorden deel 1 Scheikunde Chemie overal Huiswerk 2. a. Zuivere berglucht is scheikundig gezien geen zuivere stof omdat er in lucht verschillende moleculen zitten (zuurstof, stikstof enz.) b. Niet vervuild

Nadere informatie

universele gasconstante: R = 8,314 J K -1 mol -1 Avogadroconstante: N A = 6,022 x 10 23 mol -1 normomstandigheden:

universele gasconstante: R = 8,314 J K -1 mol -1 Avogadroconstante: N A = 6,022 x 10 23 mol -1 normomstandigheden: Nuttige gegevens: universele gasconstante: R = 8,314 J K -1 mol -1 vogadroconstante: N = 6,022 x 10 23 mol -1 normomstandigheden: θ = 0 p = 1013 hpa molair volume van een ideaal gas onder normomstandigheden:

Nadere informatie

Hoofdstuk 3: Water, zuren en basen

Hoofdstuk 3: Water, zuren en basen Hoofdstuk 3: Water, zuren en basen NaSk II Vmbo 2011/2012 www.lyceo.nl Hoofdstuk 3: Water, zuren en basen NaSk II 1. Bouw van materie 2. Verbranding 3. Water, zuren en basen 4. Basis chemie voor beroep

Nadere informatie

WATER. Krachten tussen deeltjes. Intramoleculaire en intermoleculaire krachten

WATER. Krachten tussen deeltjes. Intramoleculaire en intermoleculaire krachten WATER Krachten tussen deeltjes Intramoleculaire en intermoleculaire krachten Intramoleculaire en intermoleculaire krachten De atomen in een molecuul blijven samen door intramoleculaire krachten (atoombinding)

Nadere informatie

Eindexamen scheikunde havo 2006-I

Eindexamen scheikunde havo 2006-I 4 Beoordelingsmodel Rood licht Maximumscore 1 1 edelgassen 2 Voorbeelden van een juist antwoord zijn: De (negatieve) elektronen bewegen zich richting elektrode A dus is elektrode A de positieve elektrode.

Nadere informatie

Toets HAVO 4 Chemie Hfdst. 2 Schatkamer aarde

Toets HAVO 4 Chemie Hfdst. 2 Schatkamer aarde Toets HAVO 4 Chemie Hfdst. 2 Schatkamer aarde Opgave 1 Op het etiket van een pot pindakaas staat als een van de ingrediënten magnesium genoemd. Scheikundig is dit niet juist. Pindakaas bevat geen magnesium

Nadere informatie

OEFENTOETS Zuren en basen 5 VWO

OEFENTOETS Zuren en basen 5 VWO OEFENTOETS Zuren en basen 5 VWO Gesloten vragen 1. Carolien wil de zuurgraad van een oplossing onderzoeken met twee verschillende zuur-baseindicatoren en neemt hierbij het volgende waar: I de oplossing

Nadere informatie

LUMC SPECIALISTISCHE OPLEIDINGEN Tentamen Scheikunde voor operatieassistenten i.o. 2007

LUMC SPECIALISTISCHE OPLEIDINGEN Tentamen Scheikunde voor operatieassistenten i.o. 2007 LUMC SPECIALISTISCHE OPLEIDINGEN Tentamen Scheikunde voor operatieassistenten i.o. 2007 docent: drs. Ruben E. A. Musson Het gebruik van uitsluitend BINAS is toegestaan. 1. Welk van de volgende processen

Nadere informatie

Chemie 4: Atoommodellen

Chemie 4: Atoommodellen Chemie 4: Atoommodellen Van de oude Grieken tot het kwantummodel Het woord atoom komt va, het Griekse woord atomos dat ondeelbaar betekent. Voor de Griekse geleerde Democritos die leefde in het jaar 400

Nadere informatie

Eerste graad A-stroom

Eerste graad A-stroom EINDTERMEN en ONTWIKKELINGSDOELEN Vijverbiotoopstudie Eerste graad A-stroom Vakgebonden eindtermen aardrijkskunde Het natuurlijk milieu Reliëf 16* De leerlingen leren respect opbrengen voor de waarde van

Nadere informatie

Eindexamen scheikunde havo 2008-I

Eindexamen scheikunde havo 2008-I Beoordelingsmodel Uraan 1 maximumscore 2 aantal protonen: 92 aantal neutronen: 146 aantal protonen: 92 1 aantal neutronen: 238 verminderen met het aantal protonen 1 2 maximumscore 2 UO 2 + 4 HF UF 4 +

Nadere informatie

Antwoorden deel 1. Scheikunde Chemie overal

Antwoorden deel 1. Scheikunde Chemie overal Antwoorden deel 1 Scheikunde Chemie overal Huiswerk 2. a. Zuivere berglucht is scheikundig gezien geen zuivere stof omdat er in lucht verschillende moleculen zitten (zuurstof, stikstof enz.) b. Niet vervuild

Nadere informatie

3.1. 1. In een reactieschema staan de beginstoffen en de reactieproducten van een chemische reactie.

3.1. 1. In een reactieschema staan de beginstoffen en de reactieproducten van een chemische reactie. 3.1 1. In een reactieschema staan de beginstoffen en de reactieproducten van een chemische reactie. 2. De pijl in een reactieschema (bijvoorbeeld: A + B C) betekent: - A en B reageren tot C of - Er vindt

Nadere informatie

Eindexamen scheikunde havo 2001-I

Eindexamen scheikunde havo 2001-I Eindexamen scheikunde havo -I 4 Antwoordmodel Nieuw element (in de tekst staat:) deze atomen zijn eerst ontdaan van een aantal elektronen dus de nikkeldeeltjes zijn positief geladen Indien in een overigens

Nadere informatie

3. Welke van onderstaande formules geeft een zout aan? A. Al 2O 3 B. P 2O 3 C. C 2H 6 D. NH 3

3. Welke van onderstaande formules geeft een zout aan? A. Al 2O 3 B. P 2O 3 C. C 2H 6 D. NH 3 Toelatingsexamens en Ondersteunend Onderwijs VOORBLAD EXAMENOPGAVEN Toetsdatum: n.v.t. Vak: Scheikunde voorbeeldexamen 2015 Tijdsduur: 2 uur en 30 minuten De volgende hulpmiddelen zijn toegestaan bij het

Nadere informatie

Examenprogramma scheikunde vwo

Examenprogramma scheikunde vwo Examenprogramma scheikunde vwo Het eindexamen Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen. Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen: Domein A Vaardigheden Domein B Stoffen,

Nadere informatie

AV Chemie. Sportwetenschappen Sport ASO tweede graad LEERPLAN SECUNDAIR ONDERWIJS. 2/2 lt/w. eerste en tweede leerjaar

AV Chemie. Sportwetenschappen Sport ASO tweede graad LEERPLAN SECUNDAIR ONDERWIJS. 2/2 lt/w. eerste en tweede leerjaar LEERPLAN SECUNDAIR ONDERWIJS Vak: Studierichting: Studiegebied: Onderwijsvorm: Graad: Leerjaar: AV Chemie Basisvorming (1/1 lt/w) Specifiek gedeelte (+1/+1 lt/w) Sportwetenschappen Sport ASO tweede graad

Nadere informatie

Opgave 1. n = m / M. e 500 mg soda (Na 2CO 3) = 0,00472 mol. Opgave 2. m = n x M

Opgave 1. n = m / M. e 500 mg soda (Na 2CO 3) = 0,00472 mol. Opgave 2. m = n x M Hoofdstuk 8 Rekenen met de mol bladzijde 1 Opgave 1 n = m / M a 64,0 g zuurstofgas (O 2) = 2,00 mol (want n = 64,0 / 32,0) enz b 10,0 g butaan (C 4H 10) = 0,172 mol c 1,00 g suiker (C 12H 22O 11) = 0,00292

Nadere informatie

26ste Vlaamse Chemie Olympiade 2008-2009

26ste Vlaamse Chemie Olympiade 2008-2009 Georganiseerd door de sectie Cultuur en Popularisering van de Koninklijke Vlaamse Chemische Vereniging De Vlaamse Olympiades voor Natuurwetenschappen worden actief gesteund door: 26ste Vlaamse Chemie Olympiade

Nadere informatie

3.7 Rekenen in de chemie extra oefening 4HAVO

3.7 Rekenen in de chemie extra oefening 4HAVO 3.7 Rekenen in de chemie extra oefening 4HAVO 3.7.1 Tellen met grote getallen In het dagelijks leven tellen we regelmatig het aantal van bepaalde voorwerpen. Vaak bepalen we dan hoeveel voorwerpen er precies

Nadere informatie

T2: Verbranden en Ontleden, De snelheid van een reactie en Verbindingen en elementen

T2: Verbranden en Ontleden, De snelheid van een reactie en Verbindingen en elementen T2: Verbranden en Ontleden, De snelheid van een reactie en Verbindingen en elementen 2008 Voorbeeld toets dinsdag 29 februari 60 minuten NASK 2, 2(3) VMBO-TGK, DEEL B. H5: VERBRANDEN EN ONTLEDEN 3(4) VMBO-TGK,

Nadere informatie

7.0 Enkele belangrijke groepen van verbindingen

7.0 Enkele belangrijke groepen van verbindingen 7.0 Enkele belangrijke groepen van verbindingen 7.1 Oxiden Vrijwel alle elementen kunnen, min of meer heftig reageren met zuurstof. De gevormde verbindingen worden oxiden genoemd. In een van de voorafgaande

Nadere informatie

Eindexamen scheikunde havo 2004-I

Eindexamen scheikunde havo 2004-I 4 Beoordelingsmodel Rookmelder 1 aantal protonen: 93 aantal neutronen: 144 naam van element X: neptunium aantal protonen: 93 1 aantal neutronen: 241 verminderen met het genoemde aantal protonen en verminderen

Nadere informatie

Hoofdstuk 1 Stoffen en mengsels

Hoofdstuk 1 Stoffen en mengsels Hoofdstuk 1 Stoffen en mengsels 1.1 Wat is chemie? #1 We bekijken een platinadraad. Beschrijf hem. We houden de platinadraad even in de vlam van een bunsenbrander. Wat gebeurt er? We bekijken een stukje

Nadere informatie

Overzicht van reactievergelijkingen Scheikunde

Overzicht van reactievergelijkingen Scheikunde verzicht van reactievergelijkingen Scheikunde Algemeen Verbranding Een verbranding is een reactie met zuurstof. ierbij ontstaan de oxiden van de elementen. Volledige verbranding Bij volledige verbranding

Nadere informatie

Eindexamen scheikunde havo 2001-II

Eindexamen scheikunde havo 2001-II Eindexamen scheikunde havo 00-II 4 Antwoordmodel Energievoorziening in de ruimte et (uiteenvallen van de Pu-38 atomen) levert energie dus het is een exotherm proces. er komt energie vrij aantal protonen:

Nadere informatie

LEERPLAN SECUNDAIR ONDERWIJS

LEERPLAN SECUNDAIR ONDERWIJS LEERPLAN SECUNDAIR ONDERWIJS Vakken: AV/TV /Chemie/Toegepaste chemie/ (2/2 lt/w) Basisvorming en specifiek gedeelte Studierichting: Biotechnische wetenschappen Studiegebied: Land- en tuinbouw Onderwijsvorm:

Nadere informatie

NATIONALE SCHEIKUNDEOLYMPIADE

NATIONALE SCHEIKUNDEOLYMPIADE NATINALE SHEIKUNDELYMPIADE RRETIEMDEL VRRNDE 1 (de week van) woensdag 4 februari 2009 Deze voorronde bestaat uit 24 meerkeuzevragen verdeeld over 5 onderwerpen en 3 open vragen met in totaal 13 deelvragen

Nadere informatie

5 a de gele vlam wappert, is minder heet en geeft roet af b vlak boven de kern c met de gasregelknop d de brander is dan moeilijk aan te steken

5 a de gele vlam wappert, is minder heet en geeft roet af b vlak boven de kern c met de gasregelknop d de brander is dan moeilijk aan te steken 3HV Antwoorden samenvatting onderouw scheikunde 1.6 Scheidingsmethoden 1 a stofnaam voorwerp c voorwerp d stofnaam e voorwerp f stofnaam 2 a goed slecht c goed d slecht e slecht f matig (zuurstof) tot

Nadere informatie

7.4.3 - de ph-schaal van 0 tot 14 in verband brengen met zure, neutrale en basische oplossingen en met de concentratie van H+-ionen en OH--ionen;

7.4.3 - de ph-schaal van 0 tot 14 in verband brengen met zure, neutrale en basische oplossingen en met de concentratie van H+-ionen en OH--ionen; Leergebied: concentratie Leerplannen LP Chemie 2e gr KSO GO 5.5.2 - de massaconcentratie van een oplossing definiëren als het aantal gram opgeloste stof per 100 ml oplossing; de oplosbaarheid van een stof

Nadere informatie

Eindtermen Natuurwetenschappen. Voor de eerste graad van het secundair onderwijs.

Eindtermen Natuurwetenschappen. Voor de eerste graad van het secundair onderwijs. Voor de eerste graad van het secundair onderwijs. 11 januari 2010 MOTIVERING VOOR HET INDIENEN VAN VERVANGENDE EINDTERMEN NATUURWETENSCHAPPEN Een belangrijk onderscheid tussen de door de Vlaamse regering

Nadere informatie

Stoffen en Reacties 2

Stoffen en Reacties 2 Stoffen en Reacties 2 Practicum Metalen Naam student 1. Naam student2..... Pagina 2 van 13 Inleiding Reageert metaal met zuurstof? Sinds de mensheid metalen kent worden ze voor allerlei toepassingen gebruikt

Nadere informatie

Uitwerkingen. T2: Verbranden en Ontleden, De snelheid van een reactie en Verbindingen en elementen

Uitwerkingen. T2: Verbranden en Ontleden, De snelheid van een reactie en Verbindingen en elementen Uitwerkingen T2: Verbranden en Ontleden, De snelheid van een reactie en Verbindingen en elementen 2008 Voorbeeld toets dinsdag 29 februari 60 minuten NASK 2, 2(3) VMBO-TGK, DEEL B. H5: VERBRANDEN EN ONTLEDEN

Nadere informatie

SE voorbeeldtoets 5HAVO antwoordmodel

SE voorbeeldtoets 5HAVO antwoordmodel SE voorbeeldtoets 5AV antwoordmodel Stikstof Zwaar stikstofgas bestaat uit stikstofmoleculen waarin uitsluitend stikstofatomen voorkomen met massagetal 15. 2p 1 oeveel protonen en hoeveel neutronen bevat

Nadere informatie

Examenprogramma scheikunde vwo

Examenprogramma scheikunde vwo Examenprogramma scheikunde vwo Het eindexamen Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen. Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen: Domein A Vaardigheden Domein B Stoffen,

Nadere informatie

Hoeveel deeltjes zijn aanwezig in één mol? Wat is de concentratie van een oplossing? molaire concentratie.

Hoeveel deeltjes zijn aanwezig in één mol? Wat is de concentratie van een oplossing? molaire concentratie. Zowel in het vat, de fles als het glas zit dezelfde soort whisky. Is er een verschil in percentage alcohol? Hoeveel deeltjes zijn aanwezig in één mol? Geef de formule die het verband weergeeft tussen de

Nadere informatie

HOOFDSTUK 11. Kwantitatieve aspecten van reacties

HOOFDSTUK 11. Kwantitatieve aspecten van reacties HOOFDSTUK 11. Kwantitatieve aspecten van reacties Nadat je dit hoofdstuk verwerkt heb, kun je de volgende vragen beantwoorden: - Wat is de massa van een molecule H 2 SO 4? Van een Fe 2+ -ion? - Hoeveel

Nadere informatie

Basiskennis en Basisvaardigheden IV (404)

Basiskennis en Basisvaardigheden IV (404) ASISKENNIS EN ASISVAARDIGHEDEN IV 404 asiskennis en asisvaardigheden IV (404) SCHEIKUNDE 404.01 De kandidaat kan het scheiden van mengsels in verschillende zuivere stoffen 404.02 De kandidaat kan de opbouw

Nadere informatie

Chemisch rekenen, zo doe je dat!

Chemisch rekenen, zo doe je dat! 1 Chemisch rekenen, zo doe je dat! GOE Opmerkingen vooraf: 1. Belangrijke schrijfwijzen: 100 = 10 2 ; 1000 = 10 3, enz. 0,1 = 1/10 = 10-1 ; 0,001 = 1/1000 = 10-3 ; 0,000.000.1 = 10-7, enz. gram/kg = gram

Nadere informatie

Zelfs zuiver water geleidt in zeer kleine mate elektrische stroom en dus wijst dit op de aanwezigheid van geladen deeltjes.

Zelfs zuiver water geleidt in zeer kleine mate elektrische stroom en dus wijst dit op de aanwezigheid van geladen deeltjes. Cursus Chemie 4-1 Hoofdstuk 4: CHEMISCH EVENWICHT 1. DE STERKTE VAN ZUREN EN BASEN Als HCl in water opgelost wordt dan bekomen we een oplossing die bijna geen enkele covalente HCl meer bevat. In de reactievergelijking

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I VAK: SCHEIKUNDE 1,2 EXAMEN: 2001-I

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I VAK: SCHEIKUNDE 1,2 EXAMEN: 2001-I UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I VAK: SCHEIKUNDE 1,2 NIVEAU: VWO EXAMEN: 2001-I De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen.

Nadere informatie

2 Concentratie in oplossingen

2 Concentratie in oplossingen 2 Concentratie in oplossingen 2.1 Concentratiebegrippen gehalte Er zijn veel manieren om de samenstelling van een mengsel op te geven. De samenstelling van voedingsmiddelen staat op de verpakking vermeld.

Nadere informatie

Eindexamen vmbo gl/tl nask2 2011 - I

Eindexamen vmbo gl/tl nask2 2011 - I Beoordelingsmodel Aan het juiste antwoord op een meerkeuzevraag wordt één scorepunt toegekend. Chemische geesten 1 B 2 maximumscore 1 zoutzuur Wanneer het antwoord 'waterstofchloride-oplossing' is gegeven,

Nadere informatie

PTA scheikunde Belgisch park cohort 14 15-16

PTA scheikunde Belgisch park cohort 14 15-16 Het examenprogramma scheikunde is vernieuwd. In 2013 is in 4 HAVO met dat nieuwe examenprogramma scheikunde gestart. De methode Chemie Overal 4 e editie is geschreven voor dit nieuwe examenprogramma. Toegestaan

Nadere informatie

Cursus Chemie 5-1. Hoofdstuk 5: KWANTITATIEVE ASPECTEN VAN CHEMISCHE REACTIES 1. BELANGRIJKE BEGRIPPEN. 1.1. Relatieve Atoommassa (A r)

Cursus Chemie 5-1. Hoofdstuk 5: KWANTITATIEVE ASPECTEN VAN CHEMISCHE REACTIES 1. BELANGRIJKE BEGRIPPEN. 1.1. Relatieve Atoommassa (A r) Cursus Chemie 5-1 Hoofdstuk 5: KWANTITATIEVE ASPECTEN VAN CHEMISCHE REACTIES 1. BELANGRIJKE BEGRIPPEN 1.1. Relatieve Atoommassa (A r) A r = een onbenoemd getal dat de verhouding weergeeft van de atoommassa

Nadere informatie

Elementen; atomen en moleculen

Elementen; atomen en moleculen Elementen; atomen en moleculen In de natuur komen veel stoffen voor die we niet meer kunnen splitsen in andere stoffen. Ze zijn dus te beschouwen als de grondstoffen. Deze stoffen worden elementen genoemd.

Nadere informatie

Inleiding 15. Inleidende oefeningen Basisbegrippen fysica en wiskunde 17

Inleiding 15. Inleidende oefeningen Basisbegrippen fysica en wiskunde 17 Inhoud Inleiding 15 Inleidende oefeningen Basisbegrippen fysica en wiskunde 17 Reeks I.1: wiskunde 17 Reeks I.2: fysica 19 Reeks I.3: gemengd 19 Antwoorden 21 Hoofdstuk 1 De samenstelling van de materie

Nadere informatie

Examenprogramma scheikunde havo

Examenprogramma scheikunde havo Examenprogramma scheikunde havo Het eindexamen Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen. Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen: Domein A Vaardigheden Domein B Kennis

Nadere informatie

verwijderen P 31 32 kleurenblindheid 3.6 Optische toestellen: bril verwijderen P 45 (3.6) - 47 A Terugkaatsing en spiegels Nieuw Bijlage 48a

verwijderen P 31 32 kleurenblindheid 3.6 Optische toestellen: bril verwijderen P 45 (3.6) - 47 A Terugkaatsing en spiegels Nieuw Bijlage 48a Inhoud EUREK(H)A! 1 2015-2016 Leerplandoelstellingen 2015/7841/017 Opmerkingen n voor de e doelstellingen EUREK(H)A! 1 Thema 1 Zintuigen 3.2 Netvlies, kegeltjes, staafjes en verwijderen P 31 32 kleurenblindheid

Nadere informatie

Extra oefenopgaven. Inleiding Scheikunde voor anesthesiemedewerkers en operatie-assistenten assistenten i.o. voorjaar 2008

Extra oefenopgaven. Inleiding Scheikunde voor anesthesiemedewerkers en operatie-assistenten assistenten i.o. voorjaar 2008 Extra oefenopgaven Inleiding Scheikunde voor anesthesiemedewerkers en operatie-assistenten assistenten i.o. voorjaar 2008 1. Geef van de volgende stoffen de chemische formule; geef ook aan tot welke categorie

Nadere informatie

Alles om je heen is opgebouwd uit atomen. En elk atoom is weer bestaat uit protonen, elektronen en neutronen.

Alles om je heen is opgebouwd uit atomen. En elk atoom is weer bestaat uit protonen, elektronen en neutronen. 2 ELEKTRICITEITSLEER 2.1. Inleiding Je hebt al geleerd dat elektriciteit kan worden opgewekt door allerlei energievormen om te zetten in elektrische energie. Maar hoe kan elektriciteit ontstaan? En waarom

Nadere informatie

kleuteronderwijs lager onderwijs secundair onderwijs 1 ste graad A- stroom en B-stroom eindtermen en en ontwikkelingsdoelen techniek

kleuteronderwijs lager onderwijs secundair onderwijs 1 ste graad A- stroom en B-stroom eindtermen en en ontwikkelingsdoelen techniek 1 kleuteronderwijs lager onderwijs secundair onderwijs 1 ste graad A- stroom en B-stroom eindtermen en ontwikkelingsdoelen techniek 2 Ontwikkelingsdoelen techniek Kleuteronderwijs De kleuters kunnen 2.1

Nadere informatie

SCHEIKUNDE VOOR BEGINNERS

SCHEIKUNDE VOOR BEGINNERS SCHEIKUNDE VOOR BEGINNERS Ing. Sc. Frank Lakiere Cursus Chemie Inleiding - 2 INHOUDSTAFEL INLEIDING 1. Enkele begrippen inzake materie en aggregatietoestand inl - 6 1.1. Heterogene systemen 1.2. Homogene

Nadere informatie

Scheikunde samenvatting H1 t/m H4

Scheikunde samenvatting H1 t/m H4 samenvatting H1 t/m H4 Hoofdstuk 1 Als je stoffen bij elkaar doet, kunnen er verschillende dingen gebeuren: 1) De vaste stof waarbij een vloeistof wordt gedaan, lost op oplossing helder. 2) Wanneer we

Nadere informatie

Basiskennis en Basisvaardigheden II (245)

Basiskennis en Basisvaardigheden II (245) ASISKENNIS EN ASISVAARDIGHEDEN II 245 asiskennis en asisvaardigheden II (245) SCHEIKUNDE 245.01 De kandidaat kan de belangrijkste scheikundige en natuurkundige verschijnselen onderscheiden. 245.02 De kan

Nadere informatie

Uitwerkingen 3.7.1. Uitwerkingen 3.7.4

Uitwerkingen 3.7.1. Uitwerkingen 3.7.4 Uitwerkingen 3.7.1 1 1,5 12 = 18 eieren 2 3,25 144 = 468 figuurzaagjes 3 25 24 = 600 bierflesjes 4 3,75 20.000 = 75.000 korrels hagelslag 5 2,25 10.000.000 = 22.500.000 zoutkorrels 6 1,5 6 10 23 = 9 10

Nadere informatie

Oefenvraagstukken 4 VWO Hoofdstuk 6 antwoordmodel

Oefenvraagstukken 4 VWO Hoofdstuk 6 antwoordmodel efenvraagstukken 4 VW oofdstuk 6 antwoordmodel Een 0 D komt overeen met 7,1 mg a 2+ per liter water. 1 In 0,5 liter water is 58,3 mg a 2+ opgelost. oeveel 0 D is dit? Per L opgelost: 2 x 58,3 mg a 2+ =

Nadere informatie

CHEMIE OVERAL. Nieuw in 6e editie 2011 Chemie Overal 3h en 3v

CHEMIE OVERAL. Nieuw in 6e editie 2011 Chemie Overal 3h en 3v Nieuw in 6e editie 2011 Chemie Overal 3h en 3v Opbouw leerboek Elk hoofdstuk begint met een hoofdstukschema. Daarin vindt u een overzicht van de paragrafen, experimenten en de leerling-ict van dat hoofdstuk.

Nadere informatie

Cursus Chemie 3-1. Hoofdstuk 3: Zuren, basen en zouten 1. INLEIDING

Cursus Chemie 3-1. Hoofdstuk 3: Zuren, basen en zouten 1. INLEIDING Cursus Chemie 3-1 Hoofdstuk 3: Zuren, basen en zouten 1. INLEIDING Gedurende de geschiedenis van de scheikunde is er gepoogd om op allerlei manieren een classificatie van de verbindingen op te stellen.

Nadere informatie

gelijk aan het aantal protonen in de kern. hebben allemaal hetzelfde aantal protonen in de kern.

gelijk aan het aantal protonen in de kern. hebben allemaal hetzelfde aantal protonen in de kern. 1 Atoombouw 1.1 Atoomnummer en massagetal Er bestaan vele miljoenen verschillende stoffen, die allemaal zijn opgebouwd uit ongeveer 100 verschillende atomen. Deze atomen zijn zelf ook weer opgebouwd uit

Nadere informatie

Eindexamen scheikunde havo 2011 - I

Eindexamen scheikunde havo 2011 - I Beoordelingsmodel Uraanerts 1 maximumscore 2 aantal protonen: 92 aantal elektronen: 88 aantal protonen: 92 1 aantal elektronen: aantal protonen verminderd met 4 1 2 maximumscore 2 Voorbeelden van een juist

Nadere informatie

NATIONALE SCHEIKUNDEOLYMPIADE

NATIONALE SCHEIKUNDEOLYMPIADE NATIONALE SCHEIKUNDEOLYMPIADE CORRECTIEMODEL VOORRONDE 1 af te nemen in de periode van woensdag 5 januari 01 tot en met woensdag 1 februari 01 Deze voorronde bestaat uit 4 meerkeuzevragen verdeeld over

Nadere informatie

5 Water, het begrip ph

5 Water, het begrip ph 5 Water, het begrip ph 5.1 Water Waterstofchloride is een sterk zuur, het reageert als volgt met water: HCI(g) + H 2 0(I) Cl (aq) + H 3 O + (aq) z b Hierbij reageert water als base. Ammoniak is een zwakke

Nadere informatie

vrijdag 15 juni 2012 15:26:05 Midden-Europese zomertijd H6 Zuren en basen 4havo voorjaar 2012

vrijdag 15 juni 2012 15:26:05 Midden-Europese zomertijd H6 Zuren en basen 4havo voorjaar 2012 H6 Zuren en basen 4havo voorjaar 2012 Toetsing in periode 4! 6 juni! DTM-T zuur/base t/m 6.6! Tabel 6.10,6.13,6.17 en ph-berekeningen (zoals in vragen 14,15,26 en 27)! Toetsweek einde periode! TW441 H1

Nadere informatie

In de natuur komen voor Cu en Cl respectievelijk de isotopen 63 Cu, 65 Cu en 35 Cl, 37 Cl voor.

In de natuur komen voor Cu en Cl respectievelijk de isotopen 63 Cu, 65 Cu en 35 Cl, 37 Cl voor. Chemie Vraag 1 In de natuur komen voor Cu en Cl respectievelijk de isotopen 63 Cu, 65 Cu en 35 Cl, 37 Cl voor. Nuclide Nuclidemassa (u) 63 Cu 62,93 65 Cu 64,93 35 Cl 34,97 37 Cl 36,95 Wat is de verhouding

Nadere informatie

31 ste Vlaamse Chemie Olympiade 2013-2014

31 ste Vlaamse Chemie Olympiade 2013-2014 31 ste Vlaamse Chemie Olympiade 2013-2014 2 de ronde 26 februari 2014 Je naam en voornaam: Je adres: De naam van je school: Het adres van je school: Je leerjaar: Aantal lesuren chemie per week die je dit

Nadere informatie

Module 2 Chemische berekeningen Antwoorden

Module 2 Chemische berekeningen Antwoorden 2 Meten is weten 1 Nee, want bijvoorbeeld 0,0010 kg is net zo nauwkeurig als 1,0 gram. 2 De minst betrouwbare meting is de volumemeting. Deze variabele bepaald het aantal significante cijfers. 3 IJs: 1,5

Nadere informatie

Chemisch rekenen versie 22-03-2016

Chemisch rekenen versie 22-03-2016 Chemisch rekenen versie 22-03-2016 Je kunt bij een onderwerp komen door op de gewenste rubriek in de inhoud te klikken. Wil je vanuit een rubriek terug naar de inhoud, klik dan op de tekst van de rubriek

Nadere informatie

verwijderen P 31 32 kleurenblindheid 3.6 Optische toestellen: bril verwijderen P 45(3.6) - 47 A Terugkaatsing en spiegels Nieuw Bijlage 48a

verwijderen P 31 32 kleurenblindheid 3.6 Optische toestellen: bril verwijderen P 45(3.6) - 47 A Terugkaatsing en spiegels Nieuw Bijlage 48a Inhoud EUREK(H)A! 1 2015-2016 Leerplandoelstellingen 2015/7841/016 Opmerkingen n voor de nieuwe doelstellingen EUREK(H)A! 1 Thema 1 Zintuigen 3.2 Netvlies, kegeltjes, staafjes en verwijderen P 31 32 kleurenblindheid

Nadere informatie

Cursus Chemie 2-1. Hoofdstuk 2: Chemische bindingen 1. INLEIDING

Cursus Chemie 2-1. Hoofdstuk 2: Chemische bindingen 1. INLEIDING Cursus Chemie 2-1 Hoofdstuk 2: Chemische bindingen 1. INLEIDING In hoofdstuk 1 hebben we geleerd over de atoombouw. De atoomstructuur bepaalt de chemische en fysische eigenschappen van de stoffen. In chemische

Nadere informatie

Oplossingen oefeningenreeks 1

Oplossingen oefeningenreeks 1 Oplossingen oefeningenreeks 1 4. Door diffractie van X-stralen in natriumchloride-kristallen stelt men vast dat de eenheidscel van dit zout een kubus is waarvan de ribbe een lengte heeft van 5.64 10-10

Nadere informatie

THEORIE UIT EXPERIMENTEN TABELLEN SCIENCE / NATUURKUNDE / SCHEIKUNDE

THEORIE UIT EXPERIMENTEN TABELLEN SCIENCE / NATUURKUNDE / SCHEIKUNDE THEORIE UIT EXPERIMENTEN ONDERBOUW TABELLEN SCIENCE / NATUURKUNDE / SCHEIKUNDE TABEL 1 DICHTHEID (bij 25 C) gram per cm 3 = g cm -3 aardgas 0,00076 alcohol 0,8 aluminium 2,7 broom 3,1 butagas 0,0024 eikenhout

Nadere informatie

Voor de beoordeling zijn de volgende passages van de artikelen 41, 41a en 42 van het Eindexamenbesluit van belang:

Voor de beoordeling zijn de volgende passages van de artikelen 41, 41a en 42 van het Eindexamenbesluit van belang: scheikunde Correctievoorschrift AVO oger Algemeen Voortgezet Onderwijs 20 06 Tijdvak 2 et correctievoorschrift bestaat uit: 1 Regels voor de beoordeling 2 Algemene regels 3 Vakspecifieke regels 4 Beoordelingsmodel

Nadere informatie

scheikunde oude stijl havo 2015-I

scheikunde oude stijl havo 2015-I Snelle auto's 1 maximumscore 2 Voorbeelden van een juist antwoord zijn: De molecuulformule C 7 H 12 voldoet niet aan de algemene formule voor alkanen: C n H 2n+2. Het mengsel bestaat dus niet uitsluitend

Nadere informatie

Examenprogramma scheikunde vwo

Examenprogramma scheikunde vwo Examenprogramma scheikunde vwo Het eindexamen Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen. Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen: Domein A Vaardigheden Domein B Stoffen

Nadere informatie