Onvolkomen concurrentie

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Onvolkomen concurrentie"

Transcriptie

1 Onvolkomen concurrentie Productdifferentiatie 3.2 Monopolie 3.3 Oligopolie 3.4 Monopolistische concurrentie 3.5 Veilingen In dit hoofdstuk worden enkele van de strikte veronderstellingen van de marktvorm van volkomen concurrentie losgelaten. Zodra aan een van de voorwaarden van volkomen concurrentie niet is voldaan, is sprake van onvolkomen concurrentie. De marktvormen van komen concurrentie zijn het onderwerp van dit hoofdstuk. Het gaat in eerste instantie om een drietal criteria, namelijk naast een groot aantal vragers ook nog om het aantal aanbieders en de homogeniteit van de producten. Met behulp hiervan staan in paragraaf 3.1 de belangrijkste kenmerken van de verschillende marktvormen op een rijtje. Vervolgens worden in de paragrafen 3.2 tot en met 3.4 enkele marktvormen met een beperkte mededinging behandeld. In paragraaf 3.2 komt het monopolie, inclusief het natuurlijke monopolie, aan de orde. Natuurlijke monopolies staan momenteel, wegens de geleidelijke privatisering van overheidsbedrijven, in het centrum van de belangstelling. Het oligopolie wordt in paragraaf 3.3 behandeld. In paragraaf 3.4 wordt aandacht geschonken aan de monopolistische concurrentie. Ten slotte zal in paragraaf 3.5 de aandacht uitgaan naar veilingen en aanbestedingen. -onvol 69 economie&recht NIEUW.indd :57:31

2 3.1 Productdifferentiatie Prijspremie First-mover advantage Horizontale/ verticale productdifferentiatie Productdifferentiatie levert de individuele onderneming een beperkte vorm van marktmacht op. De machtspositie stelt de ondernemer in staat op de markt een hogere prijs te vragen dan bij volkomen concurrentie mogelijk zou zijn geweest. Dit wordt een prijspremie genoemd. Aan de kostenzijde levert productdifferentiatie een (mogelijk) nadeel op voor een toetredende onderneming. Zij zal de reeds aanwezige merkentrouw moeten doorbreken, wat additionele kosten (reclame, service, image-building) met zich mee zal brengen. De gevestigde ondernemingen hebben in dit opzicht een zogenoemd first-mover advantage. Dat wil zeggen, de ondernemer die als eerste zijn beslissing neemt, is in het voordeel. Het voordeel is er ten opzichte van de situatie waarbij de ondernemers gelijktijdig zouden beslissen. De gevestigde onderneming kan de toetreding nog verder bemoeilijken door de productdifferentiatie op het moment dat nieuwe concurrenten overwegen de markt te betreden nog verder te accentueren door een op zichzelf al breed assortiment van het product uit te brengen onder verschillende merken. Dit is bijvoorbeeld het geval in de sigaretten-, frisdrank- en waspoederindustrie. De toetreder moet additionele kosten maken om door middel van een intensieve reclamecampagne de aandacht van de consument op het eigen nieuwe product te vestigen. Productdifferentiatie is als toetredingsbelemmering vooral relevant op de markt voor consumptiegoederen. De kans op succesvolle productdifferentiatie is het grootst, indien de onderneming er in slaagt te appelleren aan aantrekkelijke persoonlijke eigenschappen, als schoonheid, vrouwelijkheid of mannelijkheid. De consument ontwikkelt dan een persoonlijke affiniteit met het product. Men maakt onderscheid tussen horizontale en verticale productdifferentiatie. Bij horizontale productdifferentiatie prefereren sommige consumenten het ene product, bijvoorbeeld Coca-Cola, terwijl anderen verslaafd zijn aan het andere product, bijvoorbeeld Hero Cassis. Bij verticale productdifferentiatie prefereren alle consumenten het ene product, bijvoorbeeld een Mercedes Maybach, boven het andere product, bijvoorbeeld een Opel Astra. Waarom koopt dan niet iedereen een Maybach? Omdat de meeste consumenten het bedrag dat een Maybach kost niet voor een dergelijke auto willen uitgeven. Heel bewust is er hier gekozen voor niet willen uitgeven en niet voor niet kunnen uitgeven. Weliswaar komt in de vraag op een markt alleen de vraag van de koopkrachtige consument tot uitdrukking, maar als iemand met een modaal inkomen, hoe dan ook een Maybach wil kopen, dan kan hij die door een bank laten financieren. Dat betekent dat hij na die aanschaf een groot deel van zijn inkomen moet besteden aan rente en aflossing. Er blijft dan weinig over voor andere uitgaven aan luxegoederen. Dat is het offer dat deze consument moet brengen voor de vervulling van zijn hartenwens. Sommigen zullen dat ook daadwerkelijk doen. Iemand die dat echter niet wil, heeft het er uiteindelijk niet voor over een groot deel van zijn inkomen aan een Maybach te besteden. Uiteraard gelden deze argumenten alleen voor luxegoederen Onvolkomen concurrentie economie&recht NIEUW.indd :57:31

3 Prijsvoorkeur Bij homogene goederen heeft de consument alleen een prijsvoorkeur. Omdat de goederen in zijn ogen volledig identiek zijn, zal de consument het goed tegen de laagste prijs in de markt aanschaffen. Als de consument liever het goed koopt tegen een hogere prijs bij de winkel om de hoek, dan bij de verder weg gelegen maar goedkopere supermarkt, dan wijst dit er op dat de goederen in zijn ogen niet identiek zijn. De lagere prijs bij de supermarkt compenseert de inspanning van het verder weg boodschappen te moeten doen niet. Er is in dit voorbeeld dus sprake van productdifferentiatie. Bij een combinatie van veel aanbieders en homogeniteit van de geproduceerde goederen, zal iedere individuele aanbieder niet of nauwelijks enige invloed kunnen uitoefenen op de prijsvorming van die goederen. Immers, zodra een aanbieder de prijs van zijn product verhoogt, zal de consument, die de producten als onderling volledig substitueerbaar beschouwt, overstappen naar een concurrent bij wie hij hetzelfde product tegen een lagere prijs kan verkrijgen. Indien op een markt voor homogene producten veel aanbieders actief zijn, zal een individuele aanbieder slechts een klein deel van de totale markt bedienen. Dit leidt er toe dat het weglopen van de klanten van één aanbieder nauwelijks gevolgen heeft voor de afzetmogelijkheden en de prijs van diens concurrenten. Een combinatie van veel vragers, veel aanbieders en een homogeen product legt als het ware de basis voor de marktvorm van volkomen concurrentie, waar de individuele vrager en de individuele aanbieder als hoeveelheidsaanpassers of prijsnemers optreden. Prijsnemers wil zeggen dat zij geen invloed kunnen uitoefenen op de prijsvorming. Met uitzondering van de markt van volkomen concurrentie is bij alle overige marktvormen sprake van beperkte of onvolkomen concurrentie, waarbij optimale allocatie niet vanzelf tot stand komt. Voor het bereiken van optimale allocatie bij onvolkomen concurrentie is overheidsinmenging onvermijdbaar. Naarmate het aantal aanbieders op een markt kleiner wordt, zal de individuele aanbieder een groter deel van die markt gaan bestrijken. Daardoor zullen de individuele acties van iedere aanbieder steeds grotere en duidelijker merkbare gevolgen hebben voor de prijs- en afzetmogelijkheden van zijn concurrenten. De aanbieders zullen steeds meer rekening met elkaar gaan houden en misschien zelfs met elkaar gaan samenspannen. Als het aantal aanbieders tot één gereduceerd is, zal een monopolist in de totale vraag van de markt voorzien. Hij treedt op als prijszetter. Er zijn niet altijd veel vragers in de markt. In sommige agrarische markten, bijvoorbeeld de markt voor boerenkool, zijn de aanbieders de boeren/tuinders die boerenkool telen. Aan de vraagkant komen er naast een aantal kleine vragers, voornamelijk groenteboeren, ook een aantal grote vragers voor: de supermarktketens en de producenten van diepvriesproducten. Ingeval er aan de vraagzijde sprake is van marktmacht, is het duidelijk dat de vragers de prijs kunnen beïnvloeden. Zo zou de diepvriesfabrikant kunnen weigeren meer dan een bepaalde prijs voor de boerenkool te betalen. Een aanbieder van boerenkool die hier niet mee akkoord gaat, loopt het gevaar niets te verkopen. Vaak brengen de veehouders die in een zelfde gebied actief zijn, hun melk naar dezelfde zuivelfabriek. In deze (lokale) markt zijn dan weinig aanbieders en is slechts één vrager. In Nederland is het gebruikelijk dat in dergelijke 3.1 Productdifferentiatie 71 economie&recht NIEUW.indd :57:31

4 gevallen de enkele vrager, de melkfabriek, het coöperatieve bezit is van de aanbieders, de veehouders. Als de overheid publieke werken wil laten uitvoeren, is er ook sprake van weinig aanbieders en maar één vrager. Hier komt de uiteindelijke toekenning van een project en de prijs die de overheid (de vrager) er uiteindelijk voor betaalt tot stand door een aanbestedingsmechanisme. Casus 2.1 gaf hiervan al een voorbeeld. Aanbestedingen en veilingen vinden meestal plaats als er één tot weinig aanbieders en één tot weinig vragers zijn. Bij aanbestedingen is het aantal aanbieders groter dan het aantal vragers, bij veilingen is juist het aantal vragers groter dan het aantal aanbieders. Ten slotte komt het voor dat er slechts één aanbieder en slechts één vrager in de markt optreden. Bijvoorbeeld bij loononderhandelingen zijn de centrale werkgeversorganisaties en de centrale werknemersorganisaties als één partij op te vatten. In dergelijke gevallen is sprake van een bilateraal monopolie, of ook wel monopolie-monopsonie. Prijzen komen in dat geval tot stand door onderhandelingen. In dit boek gaat het hoofdzakelijk om markten met aan de vraagzijde vele actieve agenten, die een onvoldoende marktaandeel bezitten om de prijzen te kunnen beïnvloeden. Slechts enkele malen zullen er markten met aan de vraagzijde één tot weinig actieve agenten worden besproken. In alle markten met veel actieve agenten aan de vraagzijde van de markt, waarbij bovendien elke agent een onvoldoende marktaandeel heeft, zijn deze agenten aan de vraagzijde van de markt prijsnemers, omdat zij de prijs niet kunnen beïnvloeden. Een indeling van dit soort markten, met veel agenten aan de vraagzijde wordt gegeven in tabel 3.1. Tabel 3.1 Markten met veel agenten aan de vraagzijde Zuiver monopolie Dominante onderneming Nauw oligopolie Ruim oligopolie Partieel oligopolie Monopolistische concurrentie Eén onderneming beheerst 100% van de markt. Eén onderneming beheerst tussen de 50 en 100% van de markt. De vier grootste ondernemingen beheersen tussen de 60 en 100% van de markt. De vier grootste ondernemingen beheersen minder dan 40% van de markt. Een klein aantal ondernemers heeft een relatief groot marktaandeel en een groot aantal ondernemers heeft een relatief klein marktaandeel. Veel met elkaar concurrerende ondernemingen, elk met een marktaandeel van niet meer dan 10%. De producten zijn heterogeen. Daarom is iedere ondernemer monopolist met zijn product, dat door de consumenten als specifiek wordt ervaren. Overigens moet bij het gebruik van bovenstaande tabel wel enige voorzichtigheid worden betracht. Zo is het denkbaar dat een onderneming met een marktaandeel van boven de 50% toch niet als dominant kan worden beschouwd door bijzondere omstandigheden, zoals kopersmacht van haar afnemers of de dreiging van toetreding van concurrenten Onvolkomen concurrentie economie&recht NIEUW.indd :57:32

5 3.2 Monopolie De marktvorm monopolie onderscheidt zich van alle andere marktvormen doordat er op de markt slechts één aanbieder actief is. Omdat er in werkelijkheid altijd wel substituten bestaan, ook van het product van een monopolist, spreekt men wel van een zuiver monopolie als er inderdaad maar één aanbieder is en er geen substituten zijn. Het waterbedrijf in Nederland is weliswaar een monopolie, maar kraanwater ondervindt concurrentie van pakken of flessen mineraalwater en zelfs van de diverse frisdranken. Het monopolistische NS-vervoer ondervindt concurrentie van busvervoer en van autovervoer. De zuivere monopolist voorziet in de totale vraag op de markt. Hij heeft dus niet te maken met concurrentie van andere ondernemingen. Dit is voor de monopolist een aantrekkelijk vooruitzicht, maar voor zijn afnemers een mogelijke bedreiging, aangezien zij volledig van hem afhankelijk zijn voor wat betreft de voorziening in het specifiek door hem aangeboden product. Alvorens op het prijs- en afzetgedrag van de monopolist in te gaan, wordt een overzicht gegeven van verschillende vormen van monopolie. Vervolgens komen innovatieconcurrentie en prijsdiscriminatie ter sprake Verschillende vormen van monopolie De afwezigheid van concurrenten moet een oorzaak hebben, aangezien het op korte termijn behalen van monopoliewinsten normaal gesproken toetreding zou uitlokken. Relevant is daarom de vraag waarom toetreding uitblijft. Het antwoord daarop ligt besloten in het bestaan van de verschillende soorten monopolies, die kunnen worden ingedeeld op basis van uiteenlopende toetredingsbelemmeringen. Achtereenvolgens behandelen wij: a een wettelijk monopolie; b een technisch monopolie; c een natuurlijk monopolie. Ad a Wettelijk monopolie Een dergelijk monopolie ontstaat als de overheid op basis van een wettelijke regeling het alleenrecht op productie toekent aan één producent. Het aantal aanbieders is dan bij wet geregeld. De bescherming tegen mogelijke concurrenten kan op verschillende manieren vorm krijgen. In de eerste plaats kan de overheid de productie van een goed of dienst door middel van overheidsbedrijven zelf ter hand nemen en tegelijkertijd het aanbod van hetzelfde goed door andere producenten bij wet verbieden. In Nederland is dit geruime tijd het geval geweest door de productie (en distributie) van onder andere gas en elektriciteit voor te behouden aan openbare (vaak lokale) nutsbedrijven. Momenteel is een kentering zichtbaar. De nieuwe Elektriciteitswet en de nieuwe Gaswet maken het mogelijk, zij het geleidelijk, dat verschillende concurrenten tot deze markten kunnen toetreden. In de tweede plaats kan het wettelijke monopolie gebaseerd zijn op het verlenen van een vergunning of een concessie. Het tot voor kort exclusief aan TNT verleende recht voor postdiensten in Nederland voor poststukken beneden een 3.2 Monopolie 73 economie&recht NIEUW.indd :57:32

6 bepaald gewicht (500 gram) is hiervan een voorbeeld. Ten slotte is er de wettelijke bescherming tegen mogelijke concurrenten die gebaseerd is op het verlenen van industriële en intellectuele eigendomsrechten aan uitvinders die een octrooi aanvragen (octrooirecht), makers van muziek, boeken en computerprogrammatuur (auteursrecht) en degenen die een merk deponeren (merkenrecht). De achterliggende economische gedachte van deze wetgeving is om de inspanningen van deze producenten te beschermen tegen plagiaat, namaak of imitatie. Onvoldoende bescherming leidt tot een ongewenste vermindering van dergelijke activiteiten. Zo zou bijvoorbeeld het onderzoek naar en de ontwikkeling van nieuwe producten ernstig worden geschaad. De producent moet wel de onderzoeks- en ontwikkelingskosten voor zijn rekening nemen, maar zou niet de mogelijkheid hebben om deze bij uitblijvende bescherming terug te verdienen. De wettelijke bescherming en het daaruit voortvloeiende monopolie dient het maatschappelijke belang. Rechten worden voor een beperkte periode toegekend, zij het dat bij sommige intellectuele eigendomsrechten verlenging mogelijk is. Ad b Technisch monopolie Een monopolie kan eveneens ontstaan door het bezitten van een unieke productiefactor of een technische of organisatorische voorsprong. Indien de monopolist de enige producent is die hierover beschikt, dan zijn mogelijke concurrenten niet op korte termijn in staat de monopolist te imiteren en tot de markt toe te treden. Op langere termijn is misschien toetreding mogelijk als alternatieve productie- en organisatietechnieken beschikbaar komen. Het bezitten van grond waar ijzererts in de bovenlaag aanwezig is, terwijl ondergrondse winning technisch gezien nog onmogelijk is, kan een technisch monopolie opleveren. Ad c Natuurlijk monopolie Er wordt gesproken van een natuurlijk monopolie, indien de kosten per eenheid op lange termijn blijven dalen bij een stijging van de geproduceerde hoeveelheid. Dit houdt in dat één producent goedkoper produceert dan twee of meer. De oorzaak hiervoor is gelegen in het grote aandeel van de totale constante kosten in de totale kosten. Bijvoorbeeld omdat het productieproces naar verhouding veel vaste kapitaalgoederen vergt. Bij de productie van computersoftware zit de grootste investering in het ontwikkelen van het programma. Wanneer het programma er eenmaal is, zijn de verdere (variabele) kosten, de kosten van het schijfje waar het programma op wordt gezet, de kosten van het drukken van de handleiding en de kosten van de verpakking, gering. Bij elk volgend product zijn de kosten per eenheid product steeds lager. Een onderneming die tot een dergelijke markt wil toetreden, is gedwongen relatief grote aanvangsinvesteringen te doen, terwijl op de markt slechts plaats is voor één efficiënte producent. Het hier geschetste monopolie ontstaat als het ware langs natuurlijke weg Monopolie versus volkomen concurrentie Bij volkomen concurrentie heeft de aanbieder alleen maar de mogelijkheid naar maximale totale winst te streven. Bovendien levert deze winst hem op den duur vanwege de vrije toetreding een winst van nul op. De 74 3 Onvolkomen concurrentie economie&recht NIEUW.indd :57:32

7 Prijsafzetcurve Maximale totale winst Maximale totale omzet Kostendekking monopolist kan naar maximale winst streven en inderdaad winst behalen, omdat hij nu eenmaal de enige aanbieder is. Toch zijn de mogelijkheden van een monopolist niet onbeperkt. Uit de prijsafzetcurve blijkt, dat hij niet ongelimiteerd elke prijs kan vaststellen. De prijsafzetcurve geeft weer hoeveel eenheden product een monopolist kan verkopen, afzetten, bij uiteenlopende prijzen. Omdat de prijsafzetcurve bij monopolie samenvalt met de collectieve vraagcurve, want de monopolist is de enige aanbieder, is de monopolist afhankelijk van de collectieve vraag. Wel kan hij proberen de voorkeuren van de consument te beïnvloeden met bijvoorbeeld reclame. De collectieve vraagcurve zou dan naar rechts kunnen verschuiven. Ook kan hij proberen meer winst te behalen door zijn kosten te verlagen. In plaats van te streven naar een maximale totale winst, kan een monopolist ook streven naar een maximale totale omzet. Door te streven naar maximale omzet is de totale winst lager, en kan het voor potentiele concurrenten minder aantrekkelijk zijn tot de markt toe te treden. Het marktaandeel is bij maximaal omzetstreven groter dan bij maximaal winststreven, wat soms een extra belemmering is voor potentiele toetreders. Een toetreder zou met een lagere prijs klanten kunnen weghalen bij de gevestigde ondernemer. De toetreder zou een positieve winst kunnen behalen, terwijl de gevestigde monopolist verlies lijdt. In geval van een staatsmonopolie is streven naar kostendekking een veelvoorkomende doelstelling. De opbrengsten moeten de kosten dekken, er hoeft geen winst of verlies te worden gemaakt. In figuur 3.1 is de situatie van een monopolist getekend. De curve AV is de prijsafzetcurve, die samenvalt met de collectieve vraagcurve. De marginale kostencurve (MK-curve) weerspiegelt de kosten van het opgeofferd alternatief. Hoe meer de monopolist wil produceren des te duurder het wordt productiemiddelen aan andere aanwendingsmogelijkheden te onttrekken. In punt C is de allocatie optimaal. De prijs OPC die de consumenten voor het goed van de monopolist over hebben, is dan precies gelijk aan de kosten van het opgeofferd alternatief. De consumenten vragen bij die prijs de hoeveelheid OQ V. Er is dus van een eng welvaartsbegrip uitgegaan. Het is aan te tonen dat de monopolist in punt F maximale winst behaalt. De prijs is dan OP m en de gevraagde hoeveelheid OQ m. (Zie de website.) Na het vaststellen van de evenwichtsprijs en -hoeveelheid van de monopolist bij het streven naar maximale totale winst, rijst de vraag hoe deze uitkomst zich verhoudt tot die onder de marktvorm van volkomen concurrentie. Immers, onder de laatstgenoemde marktvorm is aangetoond dat de welvaart beoordeeld op basis van het Pareto-criterium optimaal is. Bij een naar maximale winst strevende monopolist is hiervan in de evenwichtssituatie geen sprake, zoals figuur 3.1 aantoont. Bij volkomen concurrentie geldt in het evenwicht dat de prijs gelijk is aan de marginale kosten. Daarom is er bij volkomen concurrentie sprake van optimale allocatie. Voor een monopolist komt optimale allocatie overeen met punt C in figuur 3.1. Het punt C is het snijpunt van de marginale kostencurve en de prijsafzetcurve. Deze laatste is gelijk aan de totale vraagcurve (V). In punt C is de prijs (Q v C = OP c ) 3.2 Monopolie 75 economie&recht NIEUW.indd :57:32

8 Figuur 3.1 Monopolie versus volkomen concurrentie P, MO, MK A MK P m P c E D F G C B H O MO Q m Q v Q V gelijk aan de marginale kosten. Vergelijking van dit evenwicht met de evenwichtssituatie onder monopolie toont aan dat de marktmacht van de monopolist hem in staat stelt een hogere prijs voor zijn product in rekening te brengen. Bovendien is de door de monopolist geproduceerde en verhandelde hoeveelheid kleiner dan die onder volkomen concurrentie. De resultaten onder monopolie zijn dus inferieur in vergelijking met die onder volkomen concurrentie. In figuur 3.1 is, bij optimale allocatie, het consumenten- en producentensurplus gelijk aan respectievelijk de oppervlakten ACD en BCD. De som van beide is gelijk aan het oppervlak van ABC. Het consumentenen producentensurplus worden uitgedrukt in een geldbedrag. Hierbij wordt dus uitgegaan van het enge welvaartsbegrip. Bovendien, omdat zowel naar het consumentensurplus alsook naar het producentensurplus wordt gekeken, wordt afgeweken van het Paretiaanse welvaartsbegrip, dat uitsluitend de welvaart van de consumenten in ogenschouw neemt. Er zijn wel redenen aan te geven om ook rekening te houden met het producentensurplus. Uiteindelijk komen ook de winsten die ondernemers maken aan de maatschappij ten goede. Welvaartsverlies Deadweight loss In de evenwichtssituatie onder monopolie is de evenwichtsprijs (P m ) hoger en de geproduceerde hoeveelheid (Q m ) kleiner dan bij optimale allocatie, in het punt C, het geval zou zijn. Dit leidt ertoe dat het consumentensurplus onder monopolie gelijk is aan de oppervlakte van AEF. Vergeleken met punt C is het consumentensurplus afgenomen met de oppervlakte van P c CFP m. Er is bij monopolie sprake van een welvaartsverlies in de zin van Pareto. Het producentensurplus onder monopolie is gelijk aan de oppervlakte van BHFE. De som van beide surplussen is gelijk aan de oppervlakte van BHFA en ook dat is kleiner dan onder volkomen concurrentie. Er treedt een verlies op dat gelijk is aan de oppervlakte van HCF. Deze oppervlakte wordt aangeduid met de term deadweight loss. Dit verlies vormt een monetaire maatstaf voor de allocatieve inefficiëntie die het gevolg is van monopolie Onvolkomen concurrentie economie&recht NIEUW.indd :57:32

9 Naast dit verlies treden er ten gevolge van monopolie ook herverdelingseffecten op. Een deel van het consumentensurplus, namelijk de oppervlakte DGFE, gaat als gevolg van de prijsstijging naar de monopolist. Dit is een overdracht van de consumenten naar de monopolist. Het producentensurplus stijgt van BCD tot BHFE. Geruime tijd is door een aantal economen volgehouden dat het zogenoemde deadweight loss de enige vorm van maatschappelijke kosten van het monopolie zou zijn. Dit behoeft echter geenszins het geval te zijn, zoals een bespreking van de volgende drie elementen illustreert (zie ook de website bij dit hoofdstuk). Productie- of X-inefficiëntie Dynamische inefficiëntie In de eerste plaats is in het voorgaande geen rekening gehouden met de kosten die verbonden zijn aan het verwerven en in stand houden van een monopoliepositie. Alle middelen die worden besteed aan het behalen van monopoliewinsten zijn echter maatschappelijke kosten. Activiteiten, waarbij middelen worden uitgegeven om een verschuiving van de consumenten naar de monopolist te verwezenlijken, zijn voorbeelden van rent-seeking, een term die hierna nader verklaard zal worden. Daarnaast bestaan nog twee potentiële bronnen van welvaartsverlies, die beide samenhangen met het bestaan van toetredingsbelemmeringen. Door het gebrek aan concurrentie is bij de monopolist de prikkel tot kostenbeheersing in geringere mate aanwezig dan bij een onderneming die opereert op een markt met volkomen concurrentie. Hierdoor kan de marginale kostencurve in de loop van de tijd de neiging vertonen omhoog te schuiven: een deel van de monopoliewinsten DGFE kan daardoor opgaan aan stijgende kosten. Een dergelijke verspilling van productiemiddelen is een vorm van inefficiëntie die wordt aangeduid met de term productie- of X-inefficiëntie. Ten slotte kan een gebrek aan concurrentie ook een negatieve invloed uitoefenen op de prikkel tot innovatie bij de monopolist. De geringere welvaartsgroei die daarvan het resultaat is, wordt vaak aangeduid als dynamische inefficiëntie. Afsluitend, in vergelijking met de marktvorm van volkomen concurrentie kunnen bij monopolie inefficiënties optreden, doordat de monopolist: de productie beperkt (allocatieve inefficiëntie/deadweight loss); zich richt op het verwerven of het behoud van een monopoliepositie (rent-seeking); tegen hogere kosten produceert (productie- of X-inefficiëntie); mogelijkerwijs te weinig innoveert (dynamische inefficiëntie). Het totale verlies kan aanzienlijk hoger uitvallen dan de deadweight loss (driehoek HCF). De omvang van dergelijke verliezen rechtvaardigt het bestaan van mededingingswetgeving op dit gebied. Het belang van de verhouding tussen consumenten- en producentensurplus blijkt uit casus Monopolie 77 economie&recht NIEUW.indd :57:32

10 Casus 3.1 Mobiele afgiftetarieven Als een klant van KPN belt naar een abonnee van Vodafone, dan moet KPN dit gesprek afgeven op het netwerk van Vodafone. Voor zo n gespreksafgifte brengen aanbieders van telefonie elkaar tarieven in rekening, die uiteraard worden doorberekend aan de consument. Vooral voor bellen van vast naar mobiel worden hoge afgiftetarieven gevraagd. Telecomtoezichthouder OPTA wilde deze tarieven reguleren. Uit art. 1.3 van de Telecommunicatiewet volgt dat hiervoor een welvaartsanalyse moet worden gemaakt. OPTA kwam hierbij te staan voor het dilemma of zij moest kiezen voor het afgiftetarief dat het consumentensurplus maximaliseert, of ook rekening moet houden met het producentensurplus. Een eerste beslissing van de OPTA werd door het College van Beroep voor het bedrijfsleven vernietigd, onder meer omdat een kenbare afweging tussen de belangen van de consumenten en de mobiele aanbieders ontbrak. In de herziene beslissing overwoog OPTA dat een verlaging van het afgiftetarief van het bestaande tarief van 11 cent naar 5,6 cent per minuut zou leiden tot een extra consumentensurplus van 233 miljoen over de reguleringsperiode van drie jaar. Dit zou ten koste gaan van 208 miljoen producentensurplus en 3 miljoen reguleringskosten met zich meebrengen. De door de mobiele aanbieders voorgestelde verlaging naar 7 cent per minuut zou bij dezelfde reguleringskosten leiden tot een winst van 191 miljoen consumentensurplus en een verlies van 167 miljoen producentensurplus. Het netto-effect is in het eerste geval 22 miljoen en in het tweede geval 21 miljoen. OPTA overwoog dat gezien de doelstelling van art. 1.3 van de Telecommunicatiewet om de belangen van de eindgebruikers te bevorderen, een verlaging naar 5,6 cent een passende maatregel zou zijn. Bij dat tarief is het positief effect op het consumentensurplus immers maximaal. Uit de eerdere uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven leidde OPTA echter af dat zij diende te kijken naar het totaal van consumenten- en productensurplus. Wat dat totaal betreft is er tussen beide tariefmaatregelen slechts een klein en niet significant verschil. Het tariefvoorstel van de mobiele aanbieders had daarbij het voordeel dat deze niet in beroep zouden komen. Die rechtszekerheid gaf voor OPTA de doorslag en zij besloot tot een tariefsverlaging tot 7 cent per minuut. Overigens slaagde de opzet van OPTA niet helemaal, want de vaste aanbieder UPC ging tegen de beslissing van OPTA in beroep. Bron: nummer: OPTA/TN/2007/ Verder moet de monopolist oppassen voor potentiële concurrenten. Als een monopolist te hoge prijzen in rekening brengt, bestaat het gevaar dat een potentiële concurrent toetreedt tot de markt met een lagere prijs. Deze toetreder trekt dan alle of de meeste klanten naar zich toe. In zijn gedrag moet de monopolist daarmee rekening houden. De monopolist kan te maken krijgen met de volgende toetredingsbelemmeringen: wettelijke toetredingsbelemmeringen; materiële toetredingsbelemmeringen. Formele of wettelijke toetredingsbelemmeringen Wettelijke toetredingsbelemmeringen Veel monopolies kunnen zich handhaven dankzij het bestaan van toetredingsbelemmeringen. Dikwijls zijn er formele of wettelijke toetredingsbelemmeringen. Het waterleidingbedrijf in Nederland is (nog steeds) in handen van lagere overheden. Het bestaan van één waterleidingnet leidt tot grote schaalvoordelen. Dit maakt het bestaan van een monopolie begrijpelijk. Teneinde te voorkomen dat de monopolist te hoge prijzen zou gaan vragen, is de overheid eigenaar. De laatste jaren worden meer en meer van zulke overheidsmonopolies met netwerken geprivatiseerd. Een moeilijk probleem hierbij is de vraag wie het beheer van het netwerk in handen krijgt. Subparagraaf gaat uitvoeriger op privatisering in Onvolkomen concurrentie economie&recht NIEUW.indd :57:32

11 Feitelijke of materiële toetredingsbelemmeringen Rentseekers Materiële toetredingsbelemmeringen Er zijn ook feitelijke of materiële toetredingsbelemmeringen. Wil men een concurrerende winkelketen tegen bijvoorbeeld Albert Heijn opzetten, dan kan alleen al het verwerven van een zelfde naamsbekendheid een belemmering vormen. Constante kosten die wel rusten op een toetreder maar niet op de gevestigde monopolist, kunnen een toetredingsbelemmering vormen als zij verzonken zijn, dus niet bij uittreding kunnen worden terugverdiend. De door toetredingsbelemmeringen ontstane monopoliewinsten zijn voorbeelden van de hiervoor genoemde rents. Degenen die dergelijke winsten nastreven zijn rentseekers. Een ander voorbeeld van dergelijke rents is een octrooi. Ondernemers die in onderzoek en ontwikkeling (research and development, R&D) investeren, hopen een octrooi te verwerven op nieuwe producten en/of productiemethoden en zijn derhalve rentseekers. Een ander voorbeeld van toetredingsbelemmeringen zijn vergunningen. Degene die een vergunning koopt, zal er minstens de rents voor willen ontvangen. De prijs van een vergunning zal dan ook hoogstens zo hoog zijn als de rents, die ermee zijn te verdienen. Ook lobbyisten zijn rent-seekers, omdat zij proberen voor hun klanten privileges te verwerven waarmee die klanten rents kunnen verdienen. Een verleend privilege kan niet nog eens aan een ander worden verleend. Daarom functioneert het privilege als toetredingsbelemmering. Ten slotte, ook de hoge salarissen van kunstenaars, artiesten en profsporters, zijn als rents te beschouwen. Het salaris van een profvoetballer is vaak hoger dan van een universitair econoom. Waarom zijn de schrijvers van dit boek dan geen profvoetballer geworden? Alhoewel enkelen van ons best aardige voetballers zijn, hebben wij onvoldoende talent om het voetballen professioneel te beoefenen. Het ontbreken van voldoende talent is een toetredingsbelemmering om profvoetballer te worden. De rents voortkomende uit deze toetredingsbelemmering, zijn de hoge salarissen van profvoetballers. Ook op de productiemarkt voor harddrugs zijn er toetredingsbelemmeringen. Anders dan op de markt voor softdrugs, die onderwerp vormde van casus 2.3, heeft deze markt meer trekken van een monopolie dan van volkomen concurrentie Zie casus 3.2. Casus 3.2 De markt voor harddrugs Monopolistische harddrugsaanbieders beheersen niet alleen de prijsvorming op hun eigen afzetmarkten, maar ook de prijzen bij de lagere geledingen van de bedrijfskolom, tot en met de prijzen die de consument moet betalen. Een dergelijke vorm van verticale prijsbinding is in de EU niet toegestaan. Fabrikanten mogen hoogstens een adviesprijs geven. Maar in de illegale wereld van harddrugs is verticale prijsbinding uiteraard wel mogelijk. Dit houdt in dat ondernemers in de lagere geledingen van de bedrijfskolom op hun inkoopmarkten inderdaad niet veel meer zijn dan hoeveelheidsaanpassers, omdat zij de opgelegde prijzen niet kunnen beïnvloeden. Het Nederlandse drugsbeleid is gebaseerd op de veronderstelling dat de markt voor softdrugs is te scheiden van die van harddrugs. Men probeert hiermee te voorkomen dat met name jongeren de stap van softdrugs naar harddrugs gemakkelijk zouden kunnen zetten. Als politie en justitie een grote partij harddrugs vangen, wordt dikwijls gesteld dat hiervan een averechts effect uitgaat. Omdat er minder harddrugs op de consumentenmarkt zijn, stijgt de prijs hiervan en zouden de producenten er juist beter van worden. Dit zou toetreding van nieuwe aanbieders uitlokken. Bovendien zou de door de verslaafden veroorzaakte criminaliteit toenemen vanwege de hogere prijzen. Omdat deze markt illegaal is, zou de toetreding wel 3.2 Monopolie 79 economie&recht NIEUW.indd :57:32

12 eens extra lastig kunnen zijn en bijvoorbeeld met bendeoorlogen gepaard kunnen gaan. Hier staat tegenover dat voor de monopolist het vangen van een grote partij harddrugs betekent dat een gedeelte van zijn consumenten niet wordt bediend. Met andere woorden, de monopolist moet meer produceren en verkopen dan wanneer het product legaal zou zijn. Dit houdt in, dat hij vanwege het vangen van grote partijen harddrugs niet het punt kan kiezen, waarbij hij maximale totale winst behaalt. Dit betekent dat zijn winst lager uitvalt doordat grote partijen worden onderschept. Het beleid dat gericht is op het onderscheppen van grote partijen harddrugs is zo geredeneerd wel effectief. Soms wordt wel eens gesuggereerd, dat een staatsmonopolie van harddrugs uitkomst zou kunnen bieden voor de bestrijding van het illegale karakter ervan. Toch is dit maar de vraag. Zelfs water, dat door monopolistische overheidsbedrijven wordt aangeboden, kent substituten. Deze substituten worden door de particuliere sector aangeboden. Er is geen aanleiding aan te nemen, dat dit in geval van harddrugs anders zou zijn Monopolie en innovatieconcurrentie Creatieve vernietiging Teneinde te vermijden dat een nieuw product ogenblikkelijk door de concurrentie zou worden geïmiteerd, bestaat het octrooirecht. Hierdoor kan de monopolist meer profiteren van de monopoliewinsten. Zonder octrooi zou de voorsprongpremie van de monopolist snel verdwijnen door imitatie van andere producenten. Deze andere producen- Innovatieconcurrentie De uitdrukking creatieve vernietiging (creative destruction) is afkomstig van de Oostenrijks-Amerikaanse econoom Joseph A. Schumpeter. Zijn gedachtegang is als volgt weer te geven. Als een ondernemer innoveert, een nieuw product of een nieuwe productiemethode ontwerpt, verwerft hij een voorsprong op zijn concurrenten. De door deze innovatieconcurrentie op voorsprong gebaseerde monopoliepositie maakt het mogelijk dat hij hoge monopoliewinsten behaalt. Hij verwerft een voorsprongpremie. Dit duurt voort totdat een andere ondernemer met een nieuw substituut of betere productiemethode op de markt komt. De eerste ondernemer raakt zijn monopoliepositie kwijt aan de tweede. De tweede behoudt zijn monopoliepositie totdat er een derde ondernemer komt met een nog beter substituut of een nog betere productiemethode. De innovatie maakt het bestaande product verouderd. Vandaar de uitdrukking creatieve vernietiging. De overgang van de loopfiets, een fiets die voortgedreven wordt door zich met de voeten tegen de grond af te zetten, naar een gewone fiets, die voortgedreven wordt door trappers en een ketting, is hiervan een voorbeeld. Vanuit een welvaartstheoretisch gezichtspunt is creatieve vernietiging te beschouwen als een welvaartsverbetering als de consument het nieuwe substituut als een verbetering beschouwt, en het gebruikt in plaats van het oude product. Of de consumenten kunnen dankzij de nieuwe productiemethode goedkoper het product bemachtigen, wat zij ook ervaren als een welvaartsverbetering. Enerzijds ontstaan monopoliewinsten door van consumenten een hoge prijs te verlangen. Hun welvaart wordt daardoor aangetast. Monopolisten stellen een prijs boven de marginale kosten vast. Anderzijds kunnen de monopoliewinsten worden gebruikt voor de innovaties, die kunnen leiden tot een welvaartsverbetering Onvolkomen concurrentie economie&recht NIEUW.indd :57:32

13 ten romen vooral de winst van de innoverende monopolist af, zonder dat de consumenten daar voordeel van hebben. Een en ander wordt getoond met behulp van figuur 3.2, dat een spel in normale vorm weergeeft. Figuur 3.2 Innovatie en imitatie Innoveren Onderneming B Imiteren Onderneming A Innoveren Imiteren Figuur 3.2 laat het volgende zien. Er zijn twee spelers: onderneming A en onderneming B. Elke speler kan kiezen uit twee strategieën: innoveren of imiteren. De uitbetalingen zijn als volgt. Als een speler innoveert, zijn zijn uitbetalingen, onafhankelijk van wat de andere speler doet: 1. Als een speler imiteert, zijn zijn uitbetalingen afhankelijk van wat de andere speler doet. De uitbetalingen zijn: 2 als de andere speler innoveert, 0 als de andere speler ook imiteert. Hieruit volgt dat imiteren een best response is ten opzichte van innoveren en dat innoveren een best response is ten opzichte van imiteren. Het spel heeft twee Nash-evenwichten in zuivere strategieën. In elk van die evenwichten kiest de ene speler voor imiteren en de andere speler voor innoveren. First-to-file beginsel First-to-invent beginsel Als beide ondernemingen een octrooi kunnen verwerven, komt het spel er anders uit te zien, omdat imitatie dan niet meer mogelijk is. Binnen de EU verwerft degene die het eerst een octrooi aanvraagt het octrooi. Dit wordt het first-to-file beginsel genoemd. In de VS verwerft degene die kan aantonen, dat zij of hij daadwerkelijk de uitvinder is het octrooi. Dit wordt het first-to-invent beginsel genoemd. Zo n octrooirace is enigszins vergelijkbaar met de toetreding van een potentiële concurrent op de markt van een zittende monopolist. Als de potentiële concurrent de octrooirace wint en toetreedt, is het niet ondenkbaar dat hij de zittende monopolist zelfs van de markt verdringt. De zittende monopolist zal dan ook veel uitgeven aan research en ontwikkeling teneinde potentiële concurrenten voor te blijven. Als dit lukt, kan de zittende monopolist het octrooi winnen. Het gevaar bestaat dan echter dat hij het octrooi in de kast laat liggen en er niets mee doet. Hij heeft geen last meer van de potentiële concurrentie, omdat hij bescherming geniet van het octrooi. Dit probleem kan worden opgelost met behulp van dwanglicenties. 3.2 Monopolie 81 economie&recht NIEUW.indd :57:32

14 In deze tijd van het internet zijn de transactiekosten van informatieverspreiding of diffusie echter bijzonder laag. Dit betekent dat het moeilijker wordt om octrooien gedurende tien jaar te beschermen. Bovendien blijkt het in de praktijk niet eenvoudig vast te stellen of er sprake is van plagiaat of van een volledig nieuw substituut. Rechten die de intellectuele eigendom beschermen, zijn soms gemakkelijk uit te hollen. Deze rechten worden uitgebreider besproken in paragraaf Prijsdiscriminatie In het voorafgaande is besproken dat monopolisten extra winsten kunnen maken door prijzen hoger te stellen dan de marginale kosten en door rents. Als een monopolist de verkoopprijs van een product hoger stelt dan de marginale kosten, behaalt hij extra winsten ten koste van de welvaart van de consumenten. Rents kunnen worden behaald door een monopolist indien er een toetredingsbelemmering bestaat. Prijsdiscriminatie Prijsdifferentiatie Prijsdiscriminatie Specifieke vraagcondities Doorverkoop Er bestaat nog een derde manier waarop monopolisten extra winsten kunnen behalen ten koste van de welvaart van de consument, namelijk door prijsdiscriminatie. Monopolisten kunnen hun marktmacht gebruiken om op gescheiden deelmarkten de consumenten voor (vrijwel) hetzelfde product verschillende prijzen in rekening brengen Dit verschijnsel staat bekend als prijsdifferentiatie. Dit hoeft geen probleem te zijn indien de prijsverschillen kunnen worden verklaard uit kostenverschillen. Een Steinway-vleugel kan in Nederland duurder zijn dan in Duitsland, omdat de vervoerskosten naar Nederland vanuit Duitsland hoger zijn dan de vervoerskosten binnen Duitsland. Maar bij een fabrikant, die een parfum voor 50 in een flesje verkoopt en voor 100 in een verstuiver die hem slechts 1 meer kost dan het flesje, is het prijsverschil niet uit kostenverschillen te verklaren. In dat geval is er sprake van prijsdiscriminatie. Ook als een monopolist aan een specifieke groep afnemers een lagere prijs in rekening brengt die niet te verklaren is uit kostenverschillen, is er sprake van prijsdiscriminatie. Prijsdiscriminatie door een monopolist is mogelijk als er sprake is van: gescheiden deelmarkten; deelmarkten met specifieke vraagcondities; de onmogelijkheid van doorverkoop. Deelmarkten houden alleen stand als de consumenten van elkaar zijn te onderscheiden. Dit laatste is alleen mogelijk indien de vraag van de consumenten per deelmarkt verschillend is. Elke deelmarkt heeft specifieke vraagcondities. Het scheiden van deelmarkten komt bijvoorbeeld voor in het kader van internationale handel, waarbij de producent met een sterke positie op de binnenlandse markt (marktmacht) een hogere prijs in rekening kan brengen dan op de buitenlandse markt waar hij meer concurrentie ondervindt. In dit geval zijn de betrokken deelmarkten geografisch van elkaar gescheiden. Bovendien moeten de specifieke vraagcondities zo verschillend zijn, dat doorverkoop van de ene naar de andere deelmarkt is uitgesloten. Zou doorverkoop wel mogelijk zijn, dan zouden de prijsverschillen tussen de twee markten ogenblikkelijk verdwijnen, want de producten zouden van de goedkope markt wor Onvolkomen concurrentie economie&recht NIEUW.indd :57:33

15 Arbitrage den doorverkocht naar de dure markt. De aangeboden hoeveelheden op de dure markt nemen hierdoor toe, wat prijsverlagend werkt. Op de relatief goedkope markt wordt minder aangeboden, waardoor op die markt de prijs wat omhoog kan gaan. De eerst gescheiden markten vormen dan één markt. Het op deze manier gebruikmaken van gelijktijdig voorkomende prijsverschillen op één markt heet arbitrage. Het is niet noodzakelijk dat de markten geografisch gescheiden zijn. Een bekend voorbeeld zijn de NS. De vraag naar spoorvervoer van bejaarden verschilt van die van tieners. De NS hebben dan ook bijvoorbeeld 65+-tarieven en tienertoertarieven. Omdat een 65+ er niet op een tienerkaartje kan reizen, is doorverkoop niet mogelijk. De deelmarkten zijn volledig van elkaar gescheiden, al is het niet geografisch. De Nederlandse Aardoliemaatschappij en de elektriciteitsbedrijven hanteren verschillende tarieven voor groot- (bedrijven) en kleinverbruikers (gezinnen). Diverse telefoonaanbieders hanteren verschillende tarieven voor het bellen van vaste telefoons naar vaste telefoons, van vaste naar mobiele telefoons, van mobiel naar vast en van mobiel naar mobiel. Arbitrage is hier niet mogelijk omdat men niet naar een mobiele telefoon kan bellen tegen het tarief van bellen naar een vaste telefoon. Bovendien hanteren telefoonaanbieders vaak een dag- en een nachttarief. Doorverkoop is weer niet mogelijk, omdat het nu eenmaal niet mogelijk is om overdag te bellen tegen het nachttarief. Hier zijn de twee markten niet gescheiden door locatie, maar door tijd. Nog een voorbeeld is studentenkortingen; dit zijn kortingen die alleen zijn te verkrijgen op vertoon van een collegekaart. Een ander voorbeeld betreft de markt voor notariële akten. De vraag naar hypothecaire akten verschilt van die naar akten van erfrecht. Doorverkoop is uitgesloten, dus kunnen notarissen als monopolist van dit soort akten prijsdiscriminatie toepassen. Notarissen zelf ontkennen overigens dat zij prijsdiscriminatie toepassen en verklaren het prijsverschil tussen beide typen akten aan de hand van kostenverschillen. Naar deze kostenverschillen zijn verscheidene onderzoeken gedaan. Volgens sommige onderzoeken bestonden deze kostenverschillen wel, volgens andere niet. In 1999 is een nieuwe wet op het Notarisambt in werking getreden waardoor er in het notariaat meer marktwerking zou moeten ontstaan. Een gedachte hierachter was dat er tussen notarissen onderling meer zou worden geconcurreerd, wat zou leiden tot lagere tarieven. In hoofdstuk 4 wordt hierop teruggekomen. Dumping Het in rekening brengen van verschillende prijzen voor min of meer identieke producten levert in het internationale handelsverkeer vaak een beschuldiging van dumping op. Dumping doet zich voor als een ondernemer goederen verkoopt tegen een prijs die lager is dan de gemiddelde kosten. Dergelijke beschuldigingen aan het adres van exporterende ondernemingen zijn vaak afkomstig van sectoren of bedrijven (in het importland) die stellen door een dergelijk prijsbeleid in economische moeilijkheden te komen. Onder bepaalde voorwaarden, vastgesteld in het kader van de Wereld Handels Organisatie (World Trade Organisation, WTO), is het mogelijk dat importerende landen dan zogenoemde antidumpingheffingen op de betreffende producten kunnen instellen. Deze heffingen leiden in beginsel tot een hogere prijs 3.2 Monopolie 83 economie&recht NIEUW.indd :57:33

16 in het invoerland, waardoor de bedreigde sectoren en ondernemingen in zekere mate tegen invoerconcurrentie worden beschermd. Reserveringsprijs Een monopolist past prijsdiscriminatie toe, omdat hij dan een hogere winst kan behalen. Immers, een monopolist streeft naar een zo hoog mogelijke winst. Een monopolist die actief is op twee of meer gescheiden deelmarkten, zou in elk van die markten dezelfde prijs in rekening kunnen brengen. Als dat meer winst oplevert, zal deze monopolist dat zeker doen. Door prijsdiscriminatie toe te passen, probeert de monopolist zo veel mogelijk van het consumentensurplus af te romen. Door prijsdiscriminatie betalen de consumenten met een hogere reserveringsprijs ook een hogere marktprijs. De reserveringsprijs is de (individuele) prijs die de consument voor het goed over heeft. Alleen indien de marktprijs lager is dan zijn reserveringsprijs, koopt de consument het goed. De scherpste vorm van prijsdiscriminatie ontstaat bij individuele onderhandelingen over de prijs van een product. De verkoper stelt een prijs voor, waarop de koper geacht wordt af te dingen. Er ontstaat een proces van loven en bieden. De verkoper probeert achter de reserveringsprijs van de koper te komen en hem die te laten betalen. Als dat lukt, roomt de verkoper het gehele consumentensurplus van de koper af. 3.3 Oligopolie Van de marktvorm van oligopolie is sprake als een klein aantal aanbieders (minimaal twee) de markt beheerst. Oligopolisten nemen altijd een economische machtspositie in. Dit betekent, dat zij een dominante positie op de markt innemen. Binnen het oligopolie wordt onderscheid gemaakt tussen een homogeen (puur) en een heterogeen oligopolie. In een homogeen oligopolie biedt een beperkt aantal producenten goederen aan die in de ogen van de consumenten identiek zijn. Belangrijke bedrijfstakken waarin dergelijke vrijwel homogene producten worden geproduceerd, zijn onder andere staal, aluminium, lood, koper en aardolie. Vaak gaat het hierbij om markten van halffabrikaten. Van een heterogeen oligopolie is sprake indien het beperkte aantal producenten gedifferentieerde (dat wil zeggen naar het oordeel van de consumenten van elkaar verschillende, dus heterogene) producten op de markt brengt. De producten behoren wel tot dezelfde productcategorie, maar verschillen van elkaar wat betreft productkenmerken, zoals kwaliteit, imago of merk. Voorbeelden uit de werkelijkheid van dergelijke heterogene oligopolistische markten zijn de grote supermarktketens, de grote autofabrikanten, de banken in Nederland, de oliemaatschappijen, de computer-, de sigaretten- en de elektronica-industrie. Oligopolisten kunnen met de hoeveelheid of met de prijs concurreren. Ook zijn er meestal toetredingsbelemmeringen bij oligopolie. Verder komt prijsleiderschap vaak voor in oligopolistische situaties. Zo is Shell in Nederland meestal de eerste onderneming die de benzineprijs verhoogt of verlaagt (zie ook de website) Onvolkomen concurrentie economie&recht NIEUW.indd :57:33

17 3.3.1 Cournot-duopolie Prijsvorming Cournot-Nashevenwicht De prijsvorming op oligopolistische markten is in het algemeen moeilijker te verklaren dan de prijsvorming bij een monopolie. Dit heeft te maken met de omstandigheid dat de marktprijzen ontstaan door interactie tussen de oligopolisten, en niet zoals bij monopolie door slechts één ondernemer. Iedere oligopolist weet, dat elke actie een reactie kan uitlokken. In hun prijsstelling moeten oligopolisten daarmee rekening houden. Oligopolie is te beschouwen als een non-coöperatief spel. De ondernemers zijn de spelers. De uitbetalingen zijn hun winsten en het bepalen van hun prijzen of hoeveelheden zijn de strategieën. Dit non-coöperatieve spel is, zij het niet onder die naam, in 1838 beschreven door Cournot. Hij ging uit van een oligopolie met twee aanbieders, duopolie, met homogene goederen. De spelers zijn de twee ondernemers, hun strategie is de keuze van de hoeveelheid die elk op de markt wil afzetten. De prijs die in de markt tot stand komt, is die prijs waarbij de totale vraag gelijk is aan de totale afzet van de twee duopolisten. Omdat Cournot er ter vereenvoudiging van het probleem van uitging dat er noch variabele noch vaste kosten zijn, was de uitbetaling voor elk der spelers gelijk aan de opbrengsten. Hoe zouden de duopolisten handelen indien ze zouden samenwerken. Als de duopolisten samenwerken, vormen zij een kartel en opereren in de markt als een monopolist. Het is echter niet zeker dat zij zich aan deze afspraak zullen houden. In de niet-coöperatieve speltheorie wordt uitgegaan van de veronderstelling dat bindende afspraken niet kunnen worden gesloten. De duopolisten kunnen hun contract niet afdwingen voor een rechter, kartelafspraken zijn immers bij de wet verboden. Het gevaar is dus groot dat ze zich niet aan hun afspraak zullen houden. In het Cournot-Nash-evenwicht van het spel zetten duopolisten meer af dan wanneer zij zouden samenwerken. Daardoor wordt de marktklarende prijs (de prijs waarbij de gevraagde hoeveelheid juist de totale afzet is) lager en de opbrengsten voor beide duopolisten ook lager. Dit is een situatie analoog aan het prisoner s dilemma. Net als in dit bekende spel geldt dat best response spelen een dominante strategie is, maar er een uitkomst bestaat die meer oplevert namelijk: afspraken maken en zich er aan houden Bertrand-duopolie In 1883 leverde Bertrand kritiek op het duopolievoorbeeld van Cournot. Zijns inziens betreft de strategische keuze van de duopolisten niet de hoeveelheid, maar de prijs. Evenals Cournot veronderstelde Bertrand dat de goederen homogeen zijn. Ook het Bertrand-duopolie is op te vatten als een spel. De spelers zijn weer de beide duopolisten. Hun strategie is ditmaal de prijs die zij voor hun goederen in rekening brengen en de uitbetalingen zijn weer hun winsten. Bertrand hield wel rekening met kosten. Hij veronderstelde dat de ondernemers geen vaste kosten hadden en dat de gemiddelde kosten niet van de productieomvang afhingen. Bertrand veronderstelt dat beide duopolisten dezelfde constante marginale kosten hadden. Verondersteld mag worden dat geen van de duopolisten zijn prijs lager dan de marginale kosten zal zetten, omdat hij dan nooit winst kan maken. Ook is het aannemelijk 3.3 Oligopolie 85 economie&recht NIEUW.indd :57:33

18 dat geen van de duopolisten een prijs zal zetten die hoger is dan de prijs die een monopolist zou zetten in deze markt. Bij deze monopolieprijs is de winst maximaal. Een gevolg is dat als men een prijs zet die hoger is dan de monopolieprijs, er een lagere prijs is waarbij men meer winst kan maken. Het probleem van het Bertrand-duopolie is dat de duopolist met de laagste prijs de gehele marktvraag naar zich toe zal trekken. Immers, de consumenten hebben bij homogene goederen alleen maar een prijsvoorkeur. Als beide duopolisten dezelfde prijs zetten, zullen zij de markt fifty-fifty verdelen. Welke keuzen van prijzen vormen nu een Nash-evenwicht? De gekozen strategieën in een Nash-evenwicht zijn best response ten opzichte van elkaar. De strategie die de ene speler kiest is, gegeven de keuze van de ander, het beste wat hij kan kiezen. Met andere woorden, in een Nash-evenwicht kan geen van de spelers zijn uitbetaling verbeteren door eenzijdig van de gekozen strategieën af te wijken. De enige mogelijkheid voor een Bertrand-Nash-evenwicht is dat beide duopolisten hun prijs gelijk maken aan de marginale kosten. Als zij dat doen, verdelen zij de markt. Maar omdat hun prijs gelijk is aan de marginale kosten, is de winst nul. Door eenzijdig af te wijken, kunnen zij hun uitbetaling niet verbeteren. Immers, een lagere prijs dan de marginale kosten leidt tot verlies. Ook een verhoging van de prijs leidt niet tot een verbetering, omdat bij een hogere prijs de afzet nul is en dus ook de winst. Dit wordt wel de Bertrand-paradox genoemd: voor een uitkomst, analoog aan die van volkomen concurrentie, zijn twee aanbieders voldoende. Ook bij een heterogeen duopolie kan men onderscheid maken tussen Cournot-concurrentie, met hoeveelheden als strategische variabelen, en Bertrand-concurrentie, met prijzen als strategische variabelen. In een Cournot-Nash-evenwicht zijn in het algemeen de evenwichtshoeveelheden kleiner, maar de evenwichtsprijzen hoger dan in een Bertrand- Nash-evenwicht. De winsten zijn bij Bertrand in het algemeen lager dan bij Cournot, daarom is een Bertrand-oligopolie meer concurrerend dan een Cournot-oligopolie. Het belang van de vraag of een marktsituatie zich als een Cournot- of Bertrand-monopolie laat karakteriseren, blijkt uit casus 3.3. Casus 3.3 Is twee genoeg? De Onafhankelijke Post- en Telecommunicatieautoriteit (OPTA) is belast met onder meer het toezicht op de telecommunicatiemarkten in Nederland. Op die markten wordt in toenemende mate triple play aangeboden, dat is een combinatie van vaste telefonie, internet en televisie. Er tekent zich een situatie af waarin er in een regio steeds twee aanbieders zijn. Het gaat dan steeds om KPN en het kabelbedrijf dat in dat gebied een monopoliepositie heeft. OPTA staat nu voor de vraag of twee aanbieders voldoende zijn of dat zij de markt moet reguleren. In een Economic Policy Note van september 2006 probeert OPTA deze vraag te beantwoorden door na te gaan of er sprake is van een Cournot-duopolie of van een Bertrand-duopolie. Indien het laatste geval is, wordt een situatie van effectieve concurrentie dichter benaderd en hoeft OPTA wellicht niet in te grijpen. De eerste vraag is daarbij uiteraard of de aanbieders concurreren op prijs of op hoeveelheid. Kabel- en telecombedrijven moeten eerst grote investeringen doen om hun diensten te kunnen aanbieden. De situatie laat zich daarom volgens OPTA het beste beschrijven als een spel waarin de spelers in de eerste fase kiezen voor de door hen te leveren hoeveelheid en 86 3 Onvolkomen concurrentie economie&recht NIEUW.indd :57:33

19 in de tweede fase concurreren op prijs. Deze situatie stemt het meest overeen met een Cournot-duopolie. De tweede vraag is of beide aanbieders in staat zijn om de hele markt te voorzien. In theorie zou dit kunnen, maar in de praktijk blijken allerlei administratieve en technische problemen in de weg te staan aan een snelle uitbreiding van het aantal klanten. Ook aan deze voorwaarde voor een Bertrand-duopolie is dus niet voldaan. Hetzelfde geldt voor nog een aantal andere uitgangspunten van het Bertrand-model. De aanbieders kunnen aan prijscompetitie ontsnappen door geen homogene maar heterogene diensten aan te bieden. Voorbeelden zijn verschillen in internetcapaciteit en aantallen televisiezenders. Daarnaast gaat het Bertrand-model ervan uit dat consumenten kosteloos kunnen overstappen. In werkelijkheid zijn deze kosten er wel degelijk, bijvoorbeeld omdat een nieuw modem moet worden aangeschaft. Omdat bovendien toetreding van nieuwe concurrenten onwaarschijnlijk is, kan volgens OPTA het risico van heimelijke samenspanning tussen de aanbieders ten nadele van de consumenten niet worden uitgesloten. OPTA acht nader onderzoek nodig, alvorens te besluiten tot ingrijpen, maar misschien is twee inderdaad niet genoeg. Bron: document EPN Oligopolie en toetredingsbelemmeringen Bij de behandeling van diverse marktvormen in de voorafgaande paragrafen is de term toetredingsbelemmering, zij het veelal terloops, reeds enkele keren gevallen. De aan- of afwezigheid van toetredingsbelemmeringen heeft belangrijke gevolgen voor de uitkomsten van het concurrentieproces tussen ondernemingen. Op een markt met volkomen concurrentie zorgt de afwezigheid van dergelijke belemmeringen ervoor dat individuele ondernemingen niet in staat zijn duurzaam hoge winsten te behalen. Toetreding van nieuwe concurrenten oefent een drukkende werking op zowel het winst- als prijsniveau uit. Op een oligopolistische markt is het aantal concurrenten daarentegen vrij beperkt. De aanwezigheid van toetredingsbelemmeringen wordt doorgaans als een belangrijke oorzaak voor het bestaan van een oligopolie aangemerkt. Dit kan ingrijpende consequenties met zich meebrengen voor de uitkomsten van het concurrentieproces, aangezien de disciplinerende werking van toetreding in meer of mindere mate ontbreekt. Hoe hoger de toetredingsbelemmeringen zijn, des te meer zijn individuele ondernemingen in staat zich monopolistisch te gedragen. Met andere woorden, toetredingsbelemmeringen stellen ondernemingen in staat duurzaam een (te) hoog prijs- en winstniveau te handhaven, wat negatieve gevolgen kan hebben voor de maatschappelijke welvaart. Er zijn de volgende toetredingsbelemmeringen: absolute kostenvoordelen schaalvoordelen productdifferentiatie overcapaciteit. Absolute kostenvoordelen Hiermee wordt bedoeld dat de gemiddelde totale kostencurve van de reeds gevestigde ondernemingen in zijn geheel op een lager niveau ligt dan die van de potentiële toetreders. De oorzaak hiervoor kan bijvoorbeeld te maken hebben met het beschikken over een superieure productietechniek, het bezit van een belangrijk octrooi, het exclusief 3.3 Oligopolie 87 economie&recht NIEUW.indd :57:33

20 kunnen beschikken over voor het productieproces vitale grondstoffen en het tegen lagere (rente)kosten kunnen verkrijgen van kapitaal. Schaalvoordelen In dit geval wordt gedoeld op het feit dat aan het produceren op grote schaal dusdanige kostenvoordelen zijn verbonden dat er voor de potentiële toetreder onvoldoende afzetmogelijkheden overblijven om ook die schaalvoordelen te kunnen behalen. De gevestigde ondernemingen zijn in staat de minimaal benodigde efficiënte productieomvang te bereiken, de toetreders niet. Schaalvoordelen, zoals hier uitgelegd, vormen uitsluitend een toetredingsbelemmering indien de bedoelde optimale productieomvang relatief groot is ten opzichte van de totale marktvraag. Indien er sprake is van een groeimarkt of een relatief grote mate van productdifferentiatie vormen schaalvoordelen in veel geringere mate een toetredingsbelemmering. Productdifferentiatie Het begrip productdifferentiatie is al eerder behandeld. De betekenis van productdifferentiatie bij toetredingsbelemmeringen heeft betrekking op het feit dat naarmate de productiedifferentiatie sterker is er minder substituten zullen zijn. De toetreding van nieuwe aanbieders met een substituut wordt hierdoor belemmerd. Productdifferentiatie is al in paragraaf 3.1 ter sprake gekomen. Overcapacitieit Overcapaciteit komt in hoofdstuk 4 aan de orde Stackelberg-oplossing Imperfecte informatie Volledige informatie Leider Volger Dynamisch spel Bij het Cournot-oligopolie en het Bertrand-oligopolie was er sprake van volledige maar imperfecte informatie. Bij imperfecte informatie is er sprake van hidden actions, de ene agent weet niet wat de ander doet. Dit is de situatie die tot nu toe is behandeld bij de voorbeelden uit de speltheorie. De spelers nemen hun beslissingen gelijktijdig, of in elk geval zonder te weten wat de anderen beslissen. Op het moment dat een speler zijn beslissing neemt, kent hij de beslissingen van de andere spelers niet. Bij de tot nu toe behandelde oligopolies is er sprake van volledige informatie, omdat alle oligopolisten alle prijs-afzetcurves in de markt kennen alsmede de kostenfuncties. Dit laatste wil zeggen dat alle oligopolisten hun eigen kostenfunctie kennen maar ook die van hun concurrenten. Dit maakt dat elke oligopolist kan uitrekenen wat hij gedaan zou hebben indien hij in de schoenen van zijn concurrent zou staan. Stackelberg stelde een oplossing voor waarbij spelers niet gelijktijdig, maar volgtijdig hun strategieën kiezen. Dus één duopolist, hij wordt de leider genoemd, maakt eerst zijn keuze en de andere duopolist, de volger, maakt daarna zijn keuze. Het is een spel met perfecte informatie, omdat op het moment dat de volger zijn beslissing maakt, hij de keuze van de leider kent. Verder is er sprake van een dynamisch spel omdat beide duopolisten hun beslissingen op een verschillend tijdstip nemen Onvolkomen concurrentie economie&recht NIEUW.indd :57:33

Economie Module 3 H1 & H2

Economie Module 3 H1 & H2 Module 3 H1 & H2 Hoofdstuk 1 1.1 - Markt, marktstructuur en marktvorm De markt is het geheel van factoren waaronder vragers en aanbieders elkaar ontmoeten en producten verhandelen. Er zijn twee soorten:

Nadere informatie

Domein D: markt (module 3) vwo 4

Domein D: markt (module 3) vwo 4 1. Noem 3 kenmerken van een marktvorm met volkomen concurrentie. 2. Waaraan herken je een markt met volkomen concurrentie? 3. Wat vormt het verschil tussen een abstracte en een concrete markt? 4. Over

Nadere informatie

Domein D: markt. 1) Nee, de prijs wordt op de markt bepaald door het geheel van vraag en aanbod.

Domein D: markt. 1) Nee, de prijs wordt op de markt bepaald door het geheel van vraag en aanbod. 1) Geef 2 voorbeelden van variabele kosten. 2) Noem 2 voorbeelden van vaste (=constante) kosten. 3) Geef de omschrijving van marginale kosten. 4) Noem de 4 (macro-economische) productiefactoren. 5) Hoe

Nadere informatie

Markt. Kenmerken van marktvormen:

Markt. Kenmerken van marktvormen: 1 1 1 Markt 1 3 5 7 9 1 1 1 1 1 hoeveelheid 1 3 5 7 9 Qv Qa nieuw Qa Qv nieuw p Kenmerken van marktvormen: Volkomen concurrentie: Veel aanbieders Homogeen product(mais) Vrije toetreding Alle kennis van

Nadere informatie

Evenwichtspri js MO WINST

Evenwichtspri js MO WINST Volkomen concurrentie Volledige mededinging Hoeveeldheidsaanpassing: prijs komt door Qa en Qv tot stand, individu heeft alleen invloed op de hoeveelheid die hij gaat produceren Veel vragers en veel aanbieders

Nadere informatie

Domein D: markt. 1) Noem de 4 (macro-economische) productiefactoren. 2) Groepeer de micro-economische productiefactoren bij de macroeconomische

Domein D: markt. 1) Noem de 4 (macro-economische) productiefactoren. 2) Groepeer de micro-economische productiefactoren bij de macroeconomische 1) Noem de 4 (macro-economische) productiefactoren. 2) Groepeer de micro-economische productiefactoren bij de macroeconomische productiefactoren. 3) Hoe ontwikkelt de gemiddelde arbeidsproductiviteit als

Nadere informatie

Samenvatting Economie Hoofdstuk 5: Produceren voor de markt

Samenvatting Economie Hoofdstuk 5: Produceren voor de markt Ondernemingsvormen Samenvatting Economie Hoofdstuk 5: Produceren voor de markt De eenmanszaak = een onderneming met één eigenaar. De vennootschap onder firma (VOF) = een onderneming waarbij enkele mensen

Nadere informatie

Domein D markt UITWERKINGEN. monopolie enzo. Zie steeds de eenvoud!! Frans Etman

Domein D markt UITWERKINGEN. monopolie enzo. Zie steeds de eenvoud!! Frans Etman Domein D markt monopolie enzo Zie steeds de eenvoud!! UITWERKINGEN vwo Frans Etman Opgave 1 Opgave 2 1. Bij welke afzet geldt dat de MO-lijn de MK-lijn snijdt? q= 6 2. Teken een stippellijn naar de prijslijn

Nadere informatie

T3: Niet-competitieve en onvolkomen competitieve markten

T3: Niet-competitieve en onvolkomen competitieve markten Onvolkomen competitieve markten - 1 van 5 T3: Niet-competitieve en onvolkomen competitieve markten 1. Monopolie 1/ Wanneer spreken we van een monopolie? 2/ Geef enkel voorbeelden van ondernemingen met

Nadere informatie

1 Markt en marktvormen

1 Markt en marktvormen 1 Markt en marktvormen Wat is het verschil tussen een markt en een marktvorm? Markt= Concrete markt, plaats waar vragers en aanbieders van een bepaald goed elkaar ontmoeten en transacties afsluiten Marktvorm

Nadere informatie

Extra opgaven hoofdstuk 14

Extra opgaven hoofdstuk 14 Extra opgaven hoofdstuk 14 Opgave 1 In onderstaand figuur zijn de afzet en de kosten van een autoproducent afgebeeld. De afzetcurve en de marginale-opbrenstcurve zijn respectievelijk de curven CDE en CFGH.

Nadere informatie

Economie Module 2 & Module 3 H1

Economie Module 2 & Module 3 H1 Economie Module 2 & Module 3 H1 Module 2 1.1 De individuele vraag Individuele vraaglijn kent een dalend verloop: als de prijs daalt, stijgt als gevolg daarvan de gevraagde hoeveelheid. Men wil voor 1 appel

Nadere informatie

Het Vijfkrachtenmodel van Porter

Het Vijfkrachtenmodel van Porter Het Vijfkrachtenmodel van Porter (een concurrentieanalyse en de mate van concurrentie binnen een bedrijfstak) 1 Het Vijfkrachtenmodel van Porter Het vijfkrachtenmodel is een strategisch model wat de aantrekkelijkheid

Nadere informatie

I. Vraag en aanbod. Grafisch denken over micro-economische onderwerpen 1 / 6. fig. 1a. fig. 1c. fig. 1b P 4 P 1 P 2 P 3. Q a Q 1 Q 2.

I. Vraag en aanbod. Grafisch denken over micro-economische onderwerpen 1 / 6. fig. 1a. fig. 1c. fig. 1b P 4 P 1 P 2 P 3. Q a Q 1 Q 2. 1 / 6 I. Vraag en aanbod 1 2 fig. 1a 1 2 fig. 1b 4 4 e fig. 1c f _hoog _evenwicht _laag Q 1 Q 2 Qv Figuur 1 laat een collectieve vraaglijn zien. Een punt op de lijn geeft een bepaalde combinatie van de

Nadere informatie

Tentamen. Tentamen Spm1212 Economie & Bedrijf 19 januari 2011. Spm1212 Economie & Bedrijf. Naam:... Studentnummer:

Tentamen. Tentamen Spm1212 Economie & Bedrijf 19 januari 2011. Spm1212 Economie & Bedrijf. Naam:... Studentnummer: Spm1212 Economie & Bedrijf Tentamen Woensdag 19 januari 2011 14.00 uur 17.00 uur Instructies: Dit tentamen bestaat uit zowel meerkeuze- als open vragen. Er zijn 20 meerkeuzevragen en 2 open vragen. De

Nadere informatie

Grafieken Economie Hoofdstuk 7

Grafieken Economie Hoofdstuk 7 Economie: Grafieken Hoofdstuk 7 1 Inhoud Grafieken Economie Hoofdstuk 7 door ieter Nobels ONDERNEMERSGEDRG BIJ OLKOMEN CONCURRENTIE... 3 GLOBL MRKTEENWICHT... 3 ERSCHUIINGEN N RG- EN NBODCURE (GLOBLE MRKT)...

Nadere informatie

Modal shift en de rule of half in de kosten-batenanalyse

Modal shift en de rule of half in de kosten-batenanalyse Modal shift en de rule of half in de kosten-batenanalyse Sytze Rienstra en Jan van Donkelaar, 15 januari 2010 Er is de laatste tijd bij de beoordeling van projecten voor de binnenvaart veel discussie over

Nadere informatie

1 De bepaling van de optimale productiegrootte

1 De bepaling van de optimale productiegrootte 1 De bepaling van de optimale productiegrootte Voor wat zorgen de bedrijven en welk probleem treed zich op? De bedrijven zorgen voor het produceren van goederen en diensten. Er treed een keuzeprobleem

Nadere informatie

4p 6 Leg uit waarom de marktvorm en het marktgedrag kunnen veranderen. Opgave 3 2000 Economische wetenschappen 1 en Recht - 1 opgave 2

4p 6 Leg uit waarom de marktvorm en het marktgedrag kunnen veranderen. Opgave 3 2000 Economische wetenschappen 1 en Recht - 1 opgave 2 Opgave 1 1999 Economische wetenschappen 1 en Recht - 1 opgave 2 Enige tijd geleden is de firma Lovers de exploitatie van de Kennemerland Express gestart, een treinverbinding tussen Amsterdam en IJmuiden.

Nadere informatie

auteursrechtelijk beschermd materiaal

auteursrechtelijk beschermd materiaal OPLOSSINGEN OEFENINGEN Hoofdstuk 9 Open vragen OEFENING 1 a) Aantal Prijs Totale ontvangst Marginale ontvangst 1 9 9 9 2 8 16 7 3 7 21 5 4 6 24 3 5 5 25 1 6 4 24-1 7 3 21-3 8 2 16-5 9 1 9-7 10 0 0-9 b)

Nadere informatie

Samenvatting. Kort overzicht. Kartels

Samenvatting. Kort overzicht. Kartels Samenvatting Kort overzicht Dit proefschrift gaat over de economische theorie van kartels. Er is sprake van een kartel wanneer een aantal bedrijven, expliciet of stilzwijgend, afspreekt om de prijs te

Nadere informatie

1 Aanbodfunctie. 2 Afschrijvingskosten Asymmetrische 3 informatie

1 Aanbodfunctie. 2 Afschrijvingskosten Asymmetrische 3 informatie 1 Aanbodfunctie 2 Afschrijvingskosten Asymmetrische 3 informatie Het verband tussen prijs een aangeboden hoeveelheid kun je weergeven met een vergelijking: de aanbodfunctie. De jaarlijkse waardevermindering

Nadere informatie

4h economie module 5 samenwerken en onderhandelen

4h economie module 5 samenwerken en onderhandelen 4h economie module 5 samenwerken en onderhandelen Vb. werknemers en werkgevers CAO-onderhandelingen via vakbonden Stel: vakbond van werknemers eist arbeidstijdverkorting van 4 uur per week; van 40 uur

Nadere informatie

MINISTERIE VAN HANDEL EN INDUSTRIE

MINISTERIE VAN HANDEL EN INDUSTRIE MINISTERIE VAN HANDEL EN INDUSTRIE VRAGEN OVER MEDEDINGING CONTACT INFORMATIE: Telefoon: 402080 of 402339 tst. 1080 Fax: 404834 E-mail: juridischezaken@yahoo.com Paramaribo, december 2011 Ministerie van

Nadere informatie

Hoofdstuk 1 Structuur, evenwicht en prestaties

Hoofdstuk 1 Structuur, evenwicht en prestaties Hoofdstuk 1 Structuur, evenwicht en prestaties Verkenning 1 a De kosten van het onderzoek en het risico dat het mislukt moet worden afgewogen tegen de mogelijke winst als het onderzoek wel lukt en het

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 havo 2000-I

Eindexamen economie 1 havo 2000-I Opgave 1 Meer mensen aan de slag Het terugdringen van de werkloosheid is in veel landen een belangrijke doelstelling van de overheid. Om dat doel te bereiken, streeft de overheid meestal naar groei van

Nadere informatie

Module 7 Antwoorden. Experimenteel lesprogramma nieuwe economie

Module 7 Antwoorden. Experimenteel lesprogramma nieuwe economie Module 7 Antwoorden Experimenteel lesprogramma nieuwe economie Verantwoording 2010, Stichting leerplanontwikkeling (SLO), Enschede Het auteursrecht op de modules voor Economie berust bij SLO. Voor deze

Nadere informatie

Hoofdstuk 14 Prijsbeleid

Hoofdstuk 14 Prijsbeleid Hoofdstuk 14 Prijsbeleid Leerdoelen 1. De rol van prijszetting bespreken en aangeven waarom het belangrijk is om inzicht te hebben in de waardepercepties van de klant. 2. Het belang van bedrijfs en productkosten

Nadere informatie

Economie. Boekje Markt & Overheid Samenvattingen + overige voorbereiding voor de toets. Inhoud:

Economie. Boekje Markt & Overheid Samenvattingen + overige voorbereiding voor de toets. Inhoud: Boekje Markt & Overheid Samenvattingen + overige voorbereiding voor de toets Economie Inhoud: Wat? blz. h1 samengevat 2 h2 samengevat 3 h3 samengevat 3, 4 & 5 h4 samengevat 5 h5 samengevat 6 & 7 h6 samengevat

Nadere informatie

Prijszetting: interactie marktpraktijken en mededinging. 10 Maart 2016

Prijszetting: interactie marktpraktijken en mededinging. 10 Maart 2016 Prijszetting: interactie marktpraktijken en mededinging 10 Maart 2016 Agenda Overzicht enkele bepalingen marktpraktijken Analyse mogelijke relatie mededinging Overzicht 0. Algemeen 1. Prijsaanduiding 2.

Nadere informatie

Samenvatting hypothekenonderzoek

Samenvatting hypothekenonderzoek Samenvatting hypothekenonderzoek De Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) heeft in 2011 onderzoek uitgevoerd naar de manier waarop hypotheekverstrekkers met elkaar concurreren op de Nederlandse hypotheekmarkt.

Nadere informatie

Inhoud. 1 Inleiding. Markt of overheid. 1 wat is economie? 11 Productiefactoren 11 Schaarste en welvaart 12 2

Inhoud. 1 Inleiding. Markt of overheid. 1 wat is economie? 11 Productiefactoren 11 Schaarste en welvaart 12 2 Inhoud 1 Inleiding 1 wat is economie? 11 Productiefactoren 11 Schaarste en welvaart 12 2 modellen 12 2 Markt of overheid 1 de vraag 14 Prijzen en gevraagde hoeveelheid 14 D De vraagfunctie 14 D Verschuiving

Nadere informatie

Aanvullingen havo Lesbrief Vervoer, druk 2012 Hoofdstuk 5

Aanvullingen havo Lesbrief Vervoer, druk 2012 Hoofdstuk 5 Aanvullingen op de havo-lesbrieven druk 2012 n.a.v. wijzigingen in syllabus door CvE De CvE heeft de syllabus van de commissie Hinloopen aangepast. Helaas heeft ze dat gedaan nadat de methodeschrijvers

Nadere informatie

Uitwerking Examentraining havo voor economisch tekenen

Uitwerking Examentraining havo voor economisch tekenen Uitwerking Examentraining havo voor economisch tekenen Opgave 1 Vraag- en aanbodcurve met consumenten- en producentensurplus. Qv = -0,5p + 10 Qa = 0,5p 2 Qa = Qv Prijs in euro, q in stuks. 1. Teken de

Nadere informatie

Onderneming en omgeving - Speltheorie

Onderneming en omgeving - Speltheorie Onderneming en omgeving - Speltheorie 1 Inleiding... 1 2 Het oplossen van een standaard tweepersonenspel... 1 3 Twee aanbieders van bronwater... 3 4 Links of rechts rijden... 5 5 Free rider gedrag... 6

Nadere informatie

Domein Markt. Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit. vwo Frans Etman

Domein Markt. Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit. vwo Frans Etman Domein Markt Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit vwo Frans Etman Opgave 1 Opgave 2 1.Lees in de grafiek af hoe hoog de totale omzet (TO) en de totale kosten (TK) is bij een afzet van 3 producten,

Nadere informatie

Misbruik van een economische machtspositie

Misbruik van een economische machtspositie Mededingingswet Misbruik van een economische machtspositie Nederlandse Mededingingsautoriteit Mededingingswet Misbruik van een economische machtspositie De Mededingingswet stelt regels ten aanzien van:

Nadere informatie

Extra opgaven hoofdstuk 15

Extra opgaven hoofdstuk 15 Extra opgaven hoofdstuk 15 Opgave 1 Veronderstel dat de oliemarkt wordt beschreven door het onderstaande model (1) q v = 20 p + 16.000 p prijs per vat olie in euro s (2) q a = 20 p q v, q a aangeboden,

Nadere informatie

Eindexamen havo economie 2012 - II

Eindexamen havo economie 2012 - II Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Een antwoord waaruit blijkt dat consumenten

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I VAK: ECONOMIE 1,2 NIVEAU: VWO EXAMEN: 2001-I De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen.

Nadere informatie

Eindexamen economie pilot havo 2009 - I

Eindexamen economie pilot havo 2009 - I Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 ja Een voorbeeld van een juiste

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2005-II

Eindexamen economie 1 vwo 2005-II Opgave 1 Quartaire sector onder vuur In de periode 1998-2001 steeg de arbeidsproductiviteit in de Nederlandse economie. Die productiviteitsstijging was niet in iedere sector even groot, zoals blijkt uit

Nadere informatie

Antwoordmodel. Meerkeuzevragen (40 punten) Aan dit antwoordmodel kunnen geen rechten worden ontleend.

Antwoordmodel. Meerkeuzevragen (40 punten) Aan dit antwoordmodel kunnen geen rechten worden ontleend. Antwoordmodel Aan dit antwoordmodel kunnen geen rechten worden ontleend. Meerkeuzevragen (40 punten) Vraag Antwoord Oosterhaven, J. A. (2010). ICT-strategie en -organisatie. Den Haag: SDU. ISBN: 978901222870

Nadere informatie

Uitgebreide samenvatting

Uitgebreide samenvatting Uitgebreide samenvatting Bereik van het onderzoek De Nederlandse minister van Economische Zaken heeft een voorstel gedaan om het huidig toegepaste systeem van juridische splitsing van energiedistributiebedrijven

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2008-II

Eindexamen economie 1-2 vwo 2008-II Beoordelingsmodel Opgave 1 1 maximumscore 1 (primaire) inkomensrekening 2 maximumscore 2 Voorbeelden van een juist antwoord zijn: De nieuwe productie-eenheid trekt ook toeleveringsbedrijven aan die zorgen

Nadere informatie

Domein Markt. Uitwerking. Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit. Frans Etman

Domein Markt. Uitwerking. Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit. Frans Etman Domein Markt Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit Uitwerking vwo Frans Etman Opgave 1 Opgave 2 1.Lees in de grafiek af hoe hoog de totale omzet (TO) en de totale kosten (TK) is bij een afzet

Nadere informatie

Eindexamen vmbo gl/tl economie 2011 - II

Eindexamen vmbo gl/tl economie 2011 - II Beoordelingsmodel Aan het juiste antwoord op een meerkeuzevraag wordt 1 scorepunt toegekend. MINpunten 1 maximumscore 1 2 / 6 x 100 % = 33,3% 2 maximumscore 1 Voorbeeld van een juiste reden: Klantenbinding:

Nadere informatie

pdf04 CONSUMENTEN- EN PRODUCENTENSURPLUS

pdf04 CONSUMENTEN- EN PRODUCENTENSURPLUS pdf04 ONSUMENTEN- EN PRODUENTENSURPLUS ONSUMENTENSURPLUS Het consumentensurplus is het bedrag dat consumenten bereid zijn voor een product te betalen min het bedrag dat de consumenten er werkelijk voor

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2004-II

Eindexamen economie 1 vwo 2004-II Opgave 1 Stoppen met roken!? In een land betalen rokers bij de aanschaf van tabaksproducten een flink bedrag aan indirecte belasting (tabaksbelasting)*. Dat vinden veel mensen terecht omdat de overheid

Nadere informatie

Saxionstudent.nl Blok1

Saxionstudent.nl Blok1 Samenvatting eindopdracht Trends en ontwikkelingen op consumentenniveau Macro In dit eind rapport hebben we de navigatiesystemen markt in kaart gebracht. In de macro, meso en micro omgevingen hebben we

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores

Vraag Antwoord Scores Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 1 Op de gegevens voor de top 10% van 1999

Nadere informatie

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl)

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl) Economie 1 (nieuwe stijl) Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Donderdag 17 mei 13.30 16.30 uur 20 01 Voor dit examen zijn maximaal 65 punten te behalen; het examen bestaat uit

Nadere informatie

Aanvullingen vwo Lesbrief Kleding, druk 2012 Hoofdstuk 2

Aanvullingen vwo Lesbrief Kleding, druk 2012 Hoofdstuk 2 Aanvullingen op de vwo-lesbrieven druk 2012 n.a.v. wijzigingen in syllabus door CvE De CvE heeft de syllabus van de commissie Hinloopen aangepast. Helaas heeft ze dat gedaan nadat de methodeschrijvers

Nadere informatie

H1: Economie gaat over..

H1: Economie gaat over.. H1: Economie gaat over.. 1: Belangen Geld is voor de economie een smeermiddel, door het gebruik van geld kunnen we handelen, sparen en goederen prijzen. Belangengroep Belang = Ze komen op voor belangen

Nadere informatie

Lesbrief Kopen en Werken 2 e druk Hoofdstuk 8 Markten 8.1 a. Aisha en Marije. b. Bovenbouwleerlingen.

Lesbrief Kopen en Werken 2 e druk Hoofdstuk 8 Markten 8.1 a. Aisha en Marije. b. Bovenbouwleerlingen. Hoofdstuk 8 Markten 8.1 a. Aisha en Marije. Bovenbouwleerlingen. 8.2 a. Schoonmaakbedrijven, glazenwassers, mobiele telefoonaanbieders, advocaten, enzovoort. Vuilophaaldienst, politie, openbaar vervoer,

Nadere informatie

Euronext.liffe. Inleiding Optiestrategieën

Euronext.liffe. Inleiding Optiestrategieën Euronext.liffe Inleiding Optiestrategieën Vooraf De inhoud van dit document is uitsluitend educatief van karakter. Voor advies dient u contact op te nemen met uw bank of broker. Het is verstandig alvorens

Nadere informatie

pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD

pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD De macro-vraaglijn of geaggregeerde vraaglijn geeft het verband weer tussen het algemeen prijspeil en de gevraagde hoeveelheid binnenlands product. De macro-vraaglijn

Nadere informatie

Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie

Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie 6 December 2002 Advies van het BIPT inzake het marktonderzoek in de context van de SMP bepaling op de markt van de huurlijnen. BIPT - Astrotoren

Nadere informatie

Aan de slag met excel

Aan de slag met excel Aan de slag met excel Start een eigen bedrijf in één van de volgende producten: Brommers Computerspelletjes Fietsen Frisdrank Luxe koek Mobiele telefoons Scooters Sportschoenen Sporttassen P R O D U C

Nadere informatie

Monitor Financiële Sector:

Monitor Financiële Sector: Nederlandse Mededingingsautoriteit Monitor Financiële Sector: Notitie bij Sectorstudie Vastgoedfinanciering, SEO Economisch Onderzoek oktober 2011 Nederlandse Mededingingsautoriteit Postbus 16326 2500

Nadere informatie

geeft aan wat de verhouding is tussen de afzet van een merk (Coca Cola) en de totale afzet van een productvorm (cola)

geeft aan wat de verhouding is tussen de afzet van een merk (Coca Cola) en de totale afzet van een productvorm (cola) Lesbrief Consument en Producent Hoofdstuk 1 De klant Marktaandeel van een merk: geeft aan wat de verhouding is tussen de afzet van een merk (Coca Cola) en de totale afzet van een productvorm (cola) Afzet

Nadere informatie

Onderneming en omgeving - Economisch gereedschap

Onderneming en omgeving - Economisch gereedschap Onderneming en omgeving - Economisch gereedschap 1 Rekenen met procenten, basispunten en procentpunten... 1 2 Werken met indexcijfers... 3 3 Grafieken maken en lezen... 5 4a Tweedegraads functie: de parabool...

Nadere informatie

Kaarten module 4 derde klas

Kaarten module 4 derde klas 1. Uit welke twee onderdelen bestaan de totale kosten? 2. Geef 2 voorbeelden van variabele kosten. 3. Geef 2 voorbeelden van vaste (of constante) kosten. 4. Waar is de totale winst gelijk aan? 5. Geef

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2001-I

Eindexamen economie 1 vwo 2001-I Opgave 1 Hoge druk op de arbeidsmarkt Gedurende een aantal jaren groeide de economie in Nederland snel waardoor de druk op de arbeidsmarkt steeds groter werd. Het toenemende personeelstekort deed de vrees

Nadere informatie

OVER OMZET, KOSTEN EN WINST

OVER OMZET, KOSTEN EN WINST OVER OMZET, KOSTEN EN WINST De Totale Winst (TW) van bedrijven vindt men door van de Totale Opbrengsten (TO), de Totale Kosten (TK) af te halen. Daarvoor moeten we eerst naar de opbrengstenkant van het

Nadere informatie

Eindexamen havo economie 2012 - I

Eindexamen havo economie 2012 - I Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 3 bij (1) substitueerbaar voor bij (2) stijging

Nadere informatie

Examen HAVO. Economie 1

Examen HAVO. Economie 1 Economie 1 Examen HAVO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Tijdvak 2 Woensdag 21 juni 13.30 16.00 uur 20 00 Dit examen bestaat uit 31 vragen. Voor elk vraagnummer is aangegeven hoeveel punten met een goed

Nadere informatie

bedrijven Hoeveel jonge bedrijven hebben geïnvesteerd? Waarin hebben de bedrijven geïnvesteerd?

bedrijven Hoeveel jonge bedrijven hebben geïnvesteerd? Waarin hebben de bedrijven geïnvesteerd? Minirapportage: Het investeringsgedrag van jonge bedrijven inlichtingen: drs. A. Bruins datum: augustus 03 bestelnummer: M0306 Voor bedrijven die de startfase zijn doorgekomen - zogenaamde jonge bedrijven

Nadere informatie

Eindexamen economie pilot vwo 2011 - II

Eindexamen economie pilot vwo 2011 - II Beoordelingsmodel Vraag Antwoord Scores Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore

Nadere informatie

M&O VWO 2011/2012. www.lyceo.nl

M&O VWO 2011/2012. www.lyceo.nl Hoofdstuk 8: Marketing M&O VWO 2011/2012 www.lyceo.nl Overzicht Management & Organisatie School Examen (SE) 7. Organisaties 8. Marketing Organisatiestructuren Niet commerciële organisaties Commerciële

Nadere informatie

Het Cournot oligopolie een openbare les

Het Cournot oligopolie een openbare les Het Cournot oligopolie een openbare les 1. INLEIDING Verreweg de meeste markten om ons heen zijn oligopolies. Of het nu gaat om de markt voor witgoed, auto s, kantoormeubilair of wasmiddelen, allen worden

Nadere informatie

Eindexamen vwo economie pilot 2013-I

Eindexamen vwo economie pilot 2013-I Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 maximale winst als MO

Nadere informatie

Gelet op artikel 21, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en artikel 5d van de Mededingingswet;

Gelet op artikel 21, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en artikel 5d van de Mededingingswet; CONCEPT 26 juni 2013 Besluit van de Minister van Economische Zaken van (datum), (nr.), houdende beleidsregel inzake de toepassing door de Autoriteit Consument en Markt van artikel 6, derde lid, van de

Nadere informatie

Antwoorden module 9, versie 2012

Antwoorden module 9, versie 2012 Antwoorden module 9, versie 2012 Opdracht 1 a. Niemand wil de eerste zijn die de prijzen fors verhoogt, allemaal kijken ze naar elkaar. b. Het risico dat de klanten over zullen stappen naar de concurrenten

Nadere informatie

1 Kostprijsberekening en bezettingsresultaat

1 Kostprijsberekening en bezettingsresultaat 1 Kostprijsberekening en bezettingsresultaat 1.1 Inleiding In het Basisboek Bedrijfseconomie heb je al veel geleerd over hoe de prijs van een product tot stand komt. De eerste hoofdstukken in dat boek

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores

Vraag Antwoord Scores Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 1 600 bezoekers (2.800 2.200) 2 maximumscore

Nadere informatie

ALGEMENE VOORWAARDEN AGILE MARKETING AGENCY. 1. Definities/begripsbepalingen. Agile Marketing Agency: Agile Marketing Agency B.V.,

ALGEMENE VOORWAARDEN AGILE MARKETING AGENCY. 1. Definities/begripsbepalingen. Agile Marketing Agency: Agile Marketing Agency B.V., ALGEMENE VOORWAARDEN AGILE MARKETING AGENCY 1. Definities/begripsbepalingen Agile Marketing Agency: Agile Marketing Agency B.V., Klant: Elk natuurlijk of rechtspersoon aan wie Agile Marketing Agency een

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-I

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-I 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Voorbeelden van een juist antwoord

Nadere informatie

1. Leg uit dat het sparen door gezinnen een voorbeeld is van ruilen in de tijd. 2. Leg uit waarom investeren door bedrijven als ruilen over de tijd beschouwd kan worden. 3. Wat is intertemporele substitutie?

Nadere informatie

Als de lonen dalen, dalen de loonkosten voor de producent. Hetgeen kan betekenen dat de producent niet overgaat tot mechanisatie/automatisering.

Als de lonen dalen, dalen de loonkosten voor de producent. Hetgeen kan betekenen dat de producent niet overgaat tot mechanisatie/automatisering. Top 100 vragen. De antwoorden! 1 Als de lonen stijgen, stijgen de productiekosten. De producent rekent de hogere productiekosten door in de eindprijs. Daardoor daalt de vraag naar producten. De productie

Nadere informatie

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl)

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl) Economie 1 (nieuwe stijl) Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 2 Woensdag 19 juni 13.3 16.3 uur 2 2 Voor dit examen zijn maximaal 63 punten te behalen; het examen bestaat uit 32

Nadere informatie

Optie strategieën. Brochure bestemd voor particuliere beleggers BASIC. Member of the KBC group

Optie strategieën. Brochure bestemd voor particuliere beleggers BASIC. Member of the KBC group Optie strategieën Brochure bestemd voor particuliere beleggers Gepubliceerd door KBC Securities in samen werking met Euronext. p. 2 Index 1. Basisstrategieën 2 2. Voorbeelden van toepassingen 2 3. Grafische

Nadere informatie

Eindexamen vwo economie 2014-I

Eindexamen vwo economie 2014-I Opgave 1 1 maximumscore 2 Een antwoord waaruit blijkt dat verantwoord autogebruik wordt beloond met premiekorting / onverantwoord gebruik wordt gestraft met premieverhoging, zodat voorzichtig rijgedrag

Nadere informatie

Economie H5 : Markt & Overheid

Economie H5 : Markt & Overheid 1. De telefoniemarkt Het kan per land verschillen wat de overheid aanbiedt en wat door de bedrijven wordt aangeboden. Dit kan aan de politiek liggen maar ook aan de tijdsperiode. Voorbeelden telefonie,

Nadere informatie

Goede tijden, slechte tijden. Soms zit het mee, soms zit het tegen

Goede tijden, slechte tijden. Soms zit het mee, soms zit het tegen Slides en video s op www.jooplengkeek.nl Goede tijden, slechte tijden Soms zit het mee, soms zit het tegen 1 De toegevoegde waarde De toegevoegde waarde is de verkoopprijs van een product min de ingekochte

Nadere informatie

Hoe groot is het marktaandeel van onderneming B? Vul een geheel getal in (zonder decimalen).

Hoe groot is het marktaandeel van onderneming B? Vul een geheel getal in (zonder decimalen). Basiskennis Ondernemerschap Correctiemodel Vraag 1 Toetsterm 1.1 - Beheersingsniveau: B - Aantal punten: 1 In Alkmaar wordt elke vrijdag een kaasmarkt gehouden. De kazen worden aangeleverd door de producenten

Nadere informatie

Besluit van de directeur-generaal van de Nederlandse mededingingsautoriteit als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de Mededingingswet.

Besluit van de directeur-generaal van de Nederlandse mededingingsautoriteit als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de Mededingingswet. BESLUIT Besluit van de directeur-generaal van de Nederlandse mededingingsautoriteit als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de Mededingingswet. Zaaknummer 1139/CSS-CCN I. MELDING 1. Op 10 november 1998

Nadere informatie

De fabricant TV Rama verlaagt de P van zijn kleuren TV s, hun zwart-wit TV s blijven hetzelfde. De prijselasticiteit van TV s is 0.8.

De fabricant TV Rama verlaagt de P van zijn kleuren TV s, hun zwart-wit TV s blijven hetzelfde. De prijselasticiteit van TV s is 0.8. De fabricant TV Rama verlaagt de P van zijn kleuren TV s, hun zwart-wit TV s blijven hetzelfde. De prijselasticiteit van TV s is 0.8. De ontvangsten van: a) kleuren TV s stijgen en die van zwart-wit TV

Nadere informatie

Deze examenopgaven bestaan uit 7 pagina s, inclusief het voorblad. Controleer of alle pagina s aanwezig zijn.

Deze examenopgaven bestaan uit 7 pagina s, inclusief het voorblad. Controleer of alle pagina s aanwezig zijn. Basiskennis Ondernemerschap Voorbeeldexamen Belangrijke informatie Deze examenopgaven bestaan uit 7 pagina s, inclusief het voorblad. Controleer of alle pagina s aanwezig zijn. Dit voorbeeldexamen bestaat

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores

Vraag Antwoord Scores Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 1 monopolie 2 maximumscore 3 bij

Nadere informatie

Inleiding tot de economie (HIR(b)) VERBETERING Test 14 november 2008 1

Inleiding tot de economie (HIR(b)) VERBETERING Test 14 november 2008 1 Inleiding tot de economie (HIR(b)) VERBETERING Test 14 november 2008 1 Vraag 1 (H1-14) Een schoenmaker heeft een paar schoenen gerepareerd en de klant betaalt voor deze reparatie 16 euro. De schoenmaker

Nadere informatie

1.3 De toepasselijkheid van eventuele inkoop of andere voorwaarden van opdrachtgever wordt uitdrukkelijk van de hand gewezen.

1.3 De toepasselijkheid van eventuele inkoop of andere voorwaarden van opdrachtgever wordt uitdrukkelijk van de hand gewezen. Artikel 1. Algemeen 1.1 Deze voorwaarden zijn van toepassing op iedere aanbieding, offerte en overeenkomst tussen GerLing Translations te Wijchen, hierna te noemen: opdrachtnemer, en een opdrachtgever

Nadere informatie

Inhoud. Onderwijseenheid 1 Onderzoek en acquisitie 11. Onderwijseenheid 2 Verkopen 45

Inhoud. Onderwijseenheid 1 Onderzoek en acquisitie 11. Onderwijseenheid 2 Verkopen 45 Inhoud Onderwijseenheid 1 Onderzoek en acquisitie 11 1 Het verwerven van verkoopopdrachten 11 1.1 Marketing, wat is dat? 12 1.2 Het marketingplan 13 1.3 De instrumenten van de marketingmix 14 2 Public

Nadere informatie

(Niet-wetgevingshandelingen) VERORDENINGEN

(Niet-wetgevingshandelingen) VERORDENINGEN 23.4.2010 Publicatieblad van de Europese Unie L 102/1 II (Niet-wetgevingshandelingen) VERORDENINGEN VERORDENING (EU) Nr. 330/2010 VAN DE COMMISSIE van 20 april 2010 betreffende de toepassing van artikel

Nadere informatie

Trendrapportage Marktwerking en Consumentenvertrouwen in de energiemarkt Tweede halfjaar 2012

Trendrapportage Marktwerking en Consumentenvertrouwen in de energiemarkt Tweede halfjaar 2012 Trendrapportage Marktwerking en Consumentenvertrouwen in de energiemarkt Tweede halfjaar 2012 Inhoud Inleiding en leeswijzer... 4 1 Tevredenheid en vertrouwen van de consument... 5 2 Tevredenheid over

Nadere informatie

Proefschoolexamen Management & Organisatie 5 vwo. Hoofdstuk 17 tot en met 28. Normering. Aantal punten x 9 + 1 = cijfer 63

Proefschoolexamen Management & Organisatie 5 vwo. Hoofdstuk 17 tot en met 28. Normering. Aantal punten x 9 + 1 = cijfer 63 Proefschoolexamen Management & Organisatie 5 vwo Hoofdstuk 17 tot en met 28 Normering Opgave 1 Opgave 1 Opgave 2 Opgave 4 Opgave 5 Opgave 6 Opgave 7 1: 2 punten 1: 2 punten a: 2 punten 1: 3 punten 1: 2

Nadere informatie