Faculteit Rechtsgeleerdheid Universiteit Gent

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Faculteit Rechtsgeleerdheid Universiteit Gent"

Transcriptie

1 Faculteit Rechtsgeleerdheid Universiteit Gent Academiejaar Toerekening van mededingingsinbreuken aan moedermaatschappijen Masterproef van de opleiding Master in de rechten Ingediend door Jonas Stevens Promotor: Prof. Dr. Inge Govaere Commissaris: Dhr. Jan Bocken

2

3 Voorwoord Deze masterproef vormt het sluitstuk van mijn vijfjarige rechtenopleiding aan de Universiteit Gent. Het onderwerp van deze masterproef is zeer actueel en zal in de toekomst nog vele nieuwe ontwikkelingen en evoluties zal ondergaan. Dit voorwoord biedt tevens de gelegenheid om mijn oprechte dank te betuigen aan enkele personen. In de eerste plaatst gaat mijn dank uit naar mijn promotor, professor Inge Govaere, die voorzag in de nodige begeleiding van deze masterproef. Daarnaast dient ook een woord van dank uit te gaan naar mijn commissaris, meneer Jan Bocken, voor het beantwoorden van mijn vragen. Dit dankwoord gaat tot slot uit naar enkele personen die mij gesteund hebben, niet alleen bij het schrijven van deze masterproef, maar ook gedurende mijn volledige opleiding. Ik bedank daarbij in het bijzonder Laurence Vanhyfte en Dieter Van Hove, niet alleen voor het nalezen van dit werk, maar ook voor de leuke momenten tijdens onze opleiding. Daarnaast gaat mijn dank ook uit naar mijn ouders die mij zowel moreel als financieel hebben ondersteund.

4

5 Inhoudsopgave Inleiding... 1 HOOFDSTUK I. MEDEDINGINGSRECHTELIJK KADER: ART. 101 EN 102 VWEU... 5 A. Concernprivilege... 6 B. Toerekenen van aansprakelijkheid aan moedermaatschappijen... 6 C. Verband tussen concernprivilege en toerekening van aansprakelijkheid aan moedermaatschappijen... 7 HOOFDSTUK II. EU MEDEDINGINGSRECHT EN TOEREKENING VAN AANSPRAKELIJKHEID... 9 AFDELING I. DE ACTOREN Algemeen De vennootschapsgroep: moeder en dochter Joint venture A. Begrip B. Concentratie Algemeen: controle op concentraties van ondernemingen Begrip: Concentratie Full function joint venture a. Het full function criterium b. Zeggenschap AFDELING II. PUBLIEKE HANDHAVING: SITUERING VAN AANSPRAKELIJKHEID VAN VENNOOTSCHAPSGROEP RATIONE PERSONAE: DE ONDERNEMING ALS GEADRESSEERDE VAN MEDEDINGINGSREGELS A. De onderneming Economisch afhankelijke entiteiten Werknemers Tussenpersonen Verbonden vennootschappen B. Problematiek en implicaties van economisch verbonden vennootschappen I

6 1. Fout als voorwaarde voor aansprakelijkheid Principe van persoonlijke aansprakelijkheid Toerekening van aansprakelijkheid Aansprakelijkheid van de rechtsopvolger Aansprakelijkheid van een moedermaatschappij Geen hoofd aan de groep ondernemingen RATIONE MATERIAE: TOEREKENING VAN BOETES RATIONE LOCI RATIONE TEMPORIS: VERJARINGSTERMIJN VAN TOEREKENING AFDELING III. RATIO OM AANSPRAKELIJKHEID VOOR MEDEDINGINGSINBREUKEN TOE TE REKENEN AAN MOEDERMAATSCHAPPIJ AFDELING IV. CONCLUSIE HOOFDSTUK III. DE ECONOMISCHE EENHEID AFDELING I. DE ECONOMISCHE NOTIE VAN DE ONDERNEMING AFDELING II. INTRA-ENTERPRISE CONSPIRACY DOCTRINE Intra-enterprise conspiracy als gevestigde rechtspraak in de VSA A. De creatie van de doctrine: Yellow Cab B. Bevestiging van de doctrine Intra-enterprise conspiracy doctrine in de EU? Conclusie AFDELING III. MOEDER DOCHTER RELATIE %-dochtermaatschappij A. VSA: Copperweld B. EU: Viho C. Conclusie Afwijking van 100% aandeelhouderschap A. VSA: verdeeldheid in de lagere rechtspraak De minimis afwijking van 100% II

7 2. Legal control test B. EU C. Conclusie AFDELING IV. MOEDER JOINT VENTURE RELATIE VSA: Dagher en American Needle, verwarring troef! EU: ook verwarring troef? Conclusie AFDELING V. CONCLUSIE HOOFDSTUK IV. TOEREKENING VAN AANSPRAKELIJKHEID AAN MOEDERMAATSCHAPPIJEN AFDELING I. INLEIDING AFDELING II. BESLISSENDE INVLOED AFDELING III. MOEDERMAATSCHAPPIJ EN 100%-DOCHTERMAATSCHAPPIJ WEERLEGBAAR VERMOEDEN VAN BESLISSENDE INVLOED DUIDELIJKHEID MET HET AKZO NOBEL ARREST VERDERE UITBREIDING WEERLEGGEN VAN VERMOEDEN VAN BESLISSENDE INVLOED A. Gebrekkige motivering in hoofde van de Europese Commissie B. Portielje: toch geen succesvolle weerlegging C. Dubbele grondslag-methode HET VERMOEDEN VAN BESLISSENDE INVLOED EN FUNDAMENTELE RECHTEN: CONTRADICTIO IN TERMINIS? TUSSENCONCLUSIE AFDELING IV. MOEDERMAATSCHAPPIJ ALS MEERDERHEIDSAANDEELHOUDER AFDELING V. MOEDERMAATSCHAPPIJ EN JOINT VENTURES JOINT VENTURE EN MOEDERMAATSCHAPPIJ(EN): APARTE ONDERNEMINGEN AVEBE ALS BUITENBEENTJE? ALLIANCE ONE INTERNATIONAL FUJI III

8 5. DOW EN DUPONT BESPREKING RELATIE TUSSEN JOINT VENTURE EN HAAR MOEDERMAATSCHAPPIJEN A. Toerekening van aansprakelijkheid B. Dow en DuPont: uitrekking van het ondernemingsbegrip C. Toepassing van art. 101 VWEU op overeenkomsten gesloten tussen een joint venture en haar moedermaatschappij(en) AFDELING VI. WIE VALT ONDER DE CLEMENTIEREGELING? HOOFDSTUK V. CONCLUSIE Bibliografie Akten van de instellingen van de Europese Unie Verdragen en Verordeningen Beschikkingen van de Commissie Andere Rechtspraak Europese Unie Conclusies advocaat-generaal Verenigde Staten Rechtsleer Boeken Tijdschriften Internetbronnen Andere IV

9 Few rules in our time are so well established that they may not be called upon to justify their existence as means adopted to an end. 1 1 B. CARDOZO, The Nature of the Judicial Process, New Haven, Yale University Press, 1921, 98. V

10 VI

11 Inleiding 1. Deze masterproef spitst zich toe op de problematiek van de mogelijke aansprakelijkheid van een moedermaatschappij voor de mededingingsinbreuken die begaan zijn door haar dochtermaatschappij of joint venture. Het thema is opnieuw zeer actueel. Recentelijk hebben het Gerecht en het Hof van Justitie immers enkele controversiële en fel bediscussieerde arresten geveld, waarbij onder andere het mededingingsverstorende gedrag van een full function joint venture aan haar moedermaatschappijen werd toegerekend. De hamvraag is waarom de Europese Commissie dergelijke toerekening van aansprakelijkheid in haar beschikkingspraktijk hanteert en de Europese Hoven deze redenering bekrachtigen. De vraag stelt zich ook op welke criteria deze toerekening berust alsook of deze zienswijze, in het bijzonder in joint venture zaken, dient ondersteund te worden. 2. De toerekening van mededingingsinbreuken aan moedermaatschappijen is niet nieuw. Reeds in de jaren zeventig van de vorige eeuw oordeelde het Hof van Justitie in de ICI zaak dat een moedermaatschappij aansprakelijk kon worden gesteld voor het mededingingsverstorende gedrag van haar dochter omdat deze laatste, ondanks haar eigen rechtspersoonlijkheid, niet zelfstandig haar marktgedrag bepaalde doch in hoofdzaak de door haar moeder verstrekte instructies opvolgde. 2 Bij het aansprakelijk stellen van een moedermaatschappij voor de inbreuken van haar dochtermaatschappij of joint venture op het EU mededingingsrecht, wordt er bijgevolg geen rekening gehouden met de rechtspersoonlijkheid van de dochtermaatschappij of joint venture. Het beginsel van de rechtspersoonlijkheid, dat diep ingeworteld is in vele lidstaten van de Europese Unie, wordt overboord gegooid. 3 Enkele jaren nadien werd het weerlegbare vermoeden van beslissende invloed voor het eerst expliciet vermeld in de AEG zaak. 4 Vandaag de dag is er een zekere renaissance van deze problematiek. Sinds het Akzo Nobel arrest is het vaste rechtspraak dat een moedermaatschappij die (vrijwel) het gehele kapitaal van een dochtermaatschappij in handen heeft, aansprakelijk kan worden gesteld voor de mededingingsinbreuk van die dochter. 5 Er geldt dan namelijk een weerlegbaar vermoeden dat de moeder daadwerkelijk een beslissende invloed heeft uitgeoefend op haar dochter. De toerekening van aansprakelijkheid blijft de gemoederen in Luxemburg echter bezighouden. De getuigenis hiervan is de resem zaken die aanhangig waren of zijn bij de Europese Hoven, waarbij de mededingingsrechtelijke HvJ, 14 juli 1972, 48/69, ICI t. Commissie, Jur. 1972, 619. Zie voor een beknopt overzicht van het belang van rechtspersoonlijkheid voor vennootschappen in enkele lidstaten: J. BRIGGS en S. JORDAN, Presumed Guilty: Shareholder Liability for a Subsidiary s Infringements of Article 81 EC Treaty, Bus. L. Int l 2007, 4-9 HvJ, 25 oktober 1983, 107/82, AEG t. Commissie, Jur. 1983, HvJ, 10 september 2009, C-97/08 P, Akzo Nobel e.a. t. Commissie, Jur. 2009, I (hierna verkort Akzo Nobel) 1

12 verantwoordelijkheid van een moedermaatschappij voor haar dochter of joint venture een belangrijke of zelfs centrale rol opeist. Deze problematiek is niet alleen een voornaam thema in het academische debat, er is ook een zeer belangrijke praktische relevantie aan gekoppeld. Zo kan gewezen worden op de moeilijkheid om het weerlegbare vermoeden van beslissende invloed daadwerkelijk te weerleggen en de belangrijke financiële gevolgen waar de aansprakelijk gestelde moedermaatschappij mee geconfronteerd wordt. Een moedermaatschappij zal namelijk hoofdelijk aansprakelijk gehouden worden met haar dochter voor de betaling van de boete die berekend wordt op de wereldwijde omzet van de gehele vennootschapsgroep en niet enkel op basis van de omzet van de inbreukplegende dochtermaatschappij. De maximale boete die de Commissie kan opleggen, bedraagt 10% van deze omzet. 3. Dit onderwerp zal juridisch onderzocht worden aan de hand van de rechtspraak van de Europese Hoven en de beschikkingspraktijk van de Europese Commissie. In het bijzonder zullen drie situaties onderzocht worden. Eerst zal de aandacht worden gericht op de situatie waar de moedermaatschappij het volledige kapitaal van haar dochter in handen heeft. Vervolgens wordt de situatie onderzocht waarbij de moeder slechts een meerderheidsparticipatie in haar dochter aanhoudt. Als laatste wordt de situatie bekeken waarbij een joint venture een mededingingsinbreuk pleegt. De toerekening van aansprakelijkheid voor de mededingingsinbreuken van een joint venture aan haar moedermaatschappijen is de recentste tendens. De vroegere beschikkingspraktijk van de Europese Commissie leek te impliceren dat een joint venture en haar moedermaatschappij(en) geen economische eenheid vormden. Het gevolg hiervan was dat art. 101 VWEU 6 onverkort van toepassing bleef op de tussen hen gemaakte overeenkomsten. Een ander gevolg zou zijn dat de moeders ook niet aansprakelijk konden worden gesteld voor het mededingingsverstorende gedrag van de joint venture. De Europese Commissie lijkt, onder goedkeurend oog van de unierechter, deze zienswijze echter verlaten te hebben. Vandaag de dag kwalificeren de Europese Commissie en de Europese Hoven een joint venture en haar moedermaatschappij(en) mogelijks wel als een economische eenheid, met alle aansprakelijkheidsgevolgen van dien. 4. Bepaalde rechtsleer bekritiseert deze recente zienswijze. De bevestiging van het Gerecht voor de toerekening van aansprakelijkheid aan de moedermaatschappijen voor hun joint venture in de Avebe zaak 7 werd nog enigszins gerechtvaardigd geacht omwille van de specifieke omstandigheden van die zaak, waaronder het gebrek aan rechtspersoonlijkheid van de betrokken joint venture. De bevestiging van het Gerecht dat de Europese Commissie terecht de moedermaatschappijen aansprakelijk had gesteld voor hun full function joint venture kon daarentegen op minder sympathie 6 7 Geconsolideerde versie van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, P.B.C 115 van 9 mei Ger., 27 september 2006, T-314/01, Avebe t. Commissie (hierna verkort: avebe), Jur. 2006, II

13 rekenen. Op 26 september 2013 volgde ook het Hof van Justitie deze zienswijze. 8 Één van de kritieken die werd geuit, had betrekking op het feit dat een full joint venture beoordeeld wordt in het licht van de verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen 9 ( concentratieverordening ). Het full function concept wordt in de concentratieverordening gedefinieerd als het duurzaam [vervullen] van alle functies van een zelfstandige economische eenheid 10. Dit wil zeggen dat de joint venture zich als een onafhankelijke entiteit gedraagt op de markt en dit op een duurzame basis. Als deze joint venture zich voor de doeleinden van de concentratieverordening onafhankelijk op de markt gedraagt, hoe zouden de moeders dan een beslissende invloed op de joint venture kunnen hebben, waardoor ze aansprakelijk gesteld konden worden? 5. Het concept van een economische eenheid speelt een belangrijke rol bij het aansprakelijk stellen van de moedermaatschappij. Dit concept heeft als het ware twee gezichten. 11 Enerzijds kan het concept van een economische eenheid gehanteerd worden als een vervolgingsmiddel. De Europese Commissie kan namelijk een boete opleggen aan een moedermaatschappij, zonder aan te tonen dat zij zelf een inbreuk maakte op het Europees mededingingsrecht, wanneer een moedermaatschappij en een dochtermaatschappij of een joint venture een economische eenheid vormen. 12 Een ruime invulling van het concept van een economische eenheid laat de Europese Commissie dus toe om vennootschapsgroepen te sanctioneren. 13 Anderzijds kan dit concept gebruikt worden als een verdedigingsmiddel. Overeenkomsten die binnen een economische eenheid worden gesloten, vallen niet onder het toepassingsgebied van art. 101 VWEU. 14 Het concept van een economische eenheid leent er zich toe om rechtsvergelijkend te werken met de Verenigde Staten van Amerika ( VSA ). De verdedigende dimensie van het concept economische eenheid krijgt immers het meeste aandacht in de VSA, terwijl recente tendensen in de Europese rechtspraak aantonen dat hetzelfde concept voornamelijk als vervolgingsmiddel wordt gebruikt. 15 Beide rechtsstelsels gebruiken gelijkaardige criteria, maar het doorslaggevend belang kan verschillen HvJ., 26 september 2013, C-179/12 P, The Dow Chemical Company t. Commissie, Jur. 2013, n.n.g. Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen, P.B. L 24/1 van 29 januari Art. 3 (4) concentratieverordening. P. VAN CLEYENBREUGEL, Single entity test in U.S. antitrust and EU competition law, SSRN working paper, 2. Akzo Nobel, r.o A. MONTESA en A. GIVAJA, When Parents Pay for their Children s Wrongs: Attribution of Liability for EC Antitrust Infringements in Parent-Subsidiary Scenarios, W. Comp. 2006, (555) HvJ, 24 oktober 1996, C-73/95 P, Viho t. Commissie, Jur. 1996, I P. VAN CLEYENBREUGEL, Single entity test in U.S. antitrust and EU competition law, SSRN working paper, 3. 3

14 Onderzoeksopbouw 6. In het eerste verkennende hoofdstuk worden de belangrijkste mededingingsrechtelijke bepalingen kort toegelicht. In dit hoofdstuk wordt ook voor een eerste keer het concernprivilege en de toerekening van aansprakelijkheid aan een moedermaatschappij uitgelicht ten einde de lezer vertrouwd te maken met deze begrippen. In het tweede hoofdstuk wordt de problematiek van aansprakelijkheid van moedermaatschappijen gesitueerd in de handhaving van het EU mededingingsrecht. Dit hoofdstuk valt uiteen in twee luiken. In het eerste luik worden de actoren nader toegelicht. In het tweede luik wordt er onderzocht hoe het aansprakelijk stellen van vennootschapsgroepen kadert in de handhaving van het EU mededingingsrecht. Hierbij wordt stilgestaan bij de personele, temporele en territoriale toepassing van de mededingingsregels. Eveneens wordt gekeken naar de boetes die de Europese Commissie kan opleggen. Uit deze elementen worden de beweegreden gedestilleerd om moedermaatschappijen aansprakelijk te stellen voor de mededingingsinbreuken van haar groepsleden. In het derde hoofdstuk wordt dieper ingegaan op het concept van de economische eenheid. Dit hoofdstuk valt uiteen in twee luiken. In het eerste luik zal de economische notie van de onderneming worden aangehaald. In het tweede luik wordt er rechtsvergelijkend te werk gegaan. Het concept van de economische eenheid in de EU wordt vergeleken met het single entity concept dat in de VSA wordt gebruikt. Aan de hand van de belangrijkste arresten in beide jurisdicties wordt er onderzocht hoe beide concepten zich tegen elkaar verhouden. In het vierde hoofdstuk wordt onderzocht op welke criteria moedermaatschappijen aansprakelijkheid kunnen worden gesteld voor de mededingingsinbreuken van haar dochtermaatschappijen en joint ventures. Daarnaast wordt ook onderzocht waar mogelijke pijnpunten liggen. Dit hoofdstuk valt uiteen in drie luiken. In het eerste luik wordt de praktijk van de Europese Commissie en rechtspraak van het Gerecht en het Hof van Justitie onderzocht voor de situatie van 100%-dochtermaatschappijen. Het tweede luik spitst zich toe op de situatie van dochtermaatschappijen die niet volledig in handen zijn van de moedermaatschappij. In een laatste luik wordt onderzocht hoe de principes van aansprakelijkheid van de moedervennootschap worden toegepast op joint venture situaties. 4

15 HOOFDSTUK I. MEDEDINGINGSRECHTELIJK KADER: ART. 101 EN 102 VWEU 7. Art. 101 en 102 VWEU verbieden ondernemingen anticompetitieve gedragingen aan te nemen op de Europese markt. Art. 101 VWEU betreft de kartelvorming tussen ondernemingen terwijl art. 102 VWEU zich toespitst op het misbruik van machtspositie. Het is belangrijk te benadrukken dat deze artikelen niet alleen voorschrijven welk gedrag verboden wordt, maar dat zij ook aangeven dat een onderneming verantwoordelijk is voor haar mededingingsverstorende gedrag In het licht van een steeds (sneller) veranderende bedrijfswereld, werden de Europese Hoven geconfronteerd met interpretatievragen omtrent de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU. 17 De voorwaarden voor de toepassing van art. 101 en 102 VWEU worden namelijk door het Hof van Justitie geïnterpreteerd. 18 Één van de vragen waar het Hof van Justitie zich heeft over moeten buigen, betreft de vraag hoe de relatie tussen een moedervennootschap en haar dochtervennootschap moet worden beoordeeld. Recenter stelde zich ook de vraag hoe de relatie tussen een joint venture en haar moedervennootschap(pen) moet worden beoordeeld. Het kwalificeren van deze verhoudingen is belangrijk voor enerzijds de toerekening van aansprakelijkheid van mededingingsinbreuken aan een moedervennootschap ( parental liability ) en anderzijds het buiten toepassing laten van het kartelverbod, het zogenaamde concernprivilege. De vraag of de economische realiteit van een vennootschapsgroep in aanmerking wordt genomen in de handhaving van het EU mededingingsrecht is derhalve cruciaal. 9. In de context van het mededingingsrecht omvat het begrip onderneming 19 elke eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongedacht de rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd. 20 Het staat vast dat een dergelijke economische eenheid door verschillende natuurlijke of rechtspersonen kan worden gevormd. 21 Wanneer een moeder en haar dochter een economische eenheid vormen, dan kunnen zij zich derhalve beroepen op het zogenaamde concernprivilege, maar zij staan ook gezamenlijk in voor de door die economische eenheid begane mededingingsinbreuken. 22 In dit werk wordt voornamelijk ingegaan op de toerekening van aansprakelijkheid van de moedervennootschap, maar omdat er een zekere verwevenheid bestaat met het concernprivilege, wordt ook op dit laatste - zij het eerder summier - ingegaan W. WILS, The Undertaking as subject of E.C. competition law and the imputation of infringements to natural or legal persons, E.L.Rev. 2000, (100) Zie in dezelfde zin R. Meyers, Partial ownership of subsidiaries, Unity of Purpose and Antitrust Liability, The University of Chicago Law Review 2001, (1401) Art. 19 VWEU, art. 263 VWEU en art. 267 VWEU. Cf. Infra hoofdstuk II, afdeling II, 1, A. HvJ, 26 april 1991, C-41/90, Höfner en Elser t. Macrotron, Jur. 1991, I-1979, r.o. 21. HvJ, 17 juli 1984, 170/83, Hydrotherm, Jur. 1984, 2999, r.o. 11. Akzo Nobel, r.o

16 A. Concernprivilege 10. Het onder art. 101 VWEU gekende concernprivilege houdt in dat het kartelverbod niet van toepassing is op afspraken tussen moeder- en dochtervennootschappen indien deze een economische eenheid vormen waarbinnen de dochter haar marktgedrag niet werkelijk zelfstandig kan bepalen. 23 Unilateraal gedrag ontsnapt derhalve aan de toepassing van art. 101, eerste lid VWEU, maar het in art. 102 VWEU vervatte verbod op misbruik van machtspositie blijft wel gelden. Worden daarentegen overeenkomsten gesloten tussen onafhankelijk handelende ondernemingen, dan vindt het kartelverbod mogelijks wel toepassing. Ook de Europese Commissie geeft in zijn richtsnoeren inzake de toepasselijkheid van art. 101 VWEU op horizontale samenwerkingsovereenkomsten aan dat art. 101 VWEU enkel van toepassing is op overeenkomsten tussen onafhankelijke ondernemingen. Wanneer een bedrijf een beslissende invloed uitoefent over een andere bedrijf, dan vormen zij één economische entiteit waardoor het kartelverbod geen toepassing verkrijgt en de betrokken entiteiten niet als concurrerende ondernemingen worden aanzien. 24 B. Toerekenen van aansprakelijkheid aan moedermaatschappijen 11. De invulling van het entiteitsbegrip in functie van de economische realiteit heeft ook een keerzijde. De vraag stelt zich of en in welke omstandigheden mededingingsverstorend gedrag van een dochtermaatschappij of joint venture aan een moedermaatschappij kan worden toegerekend. Deze vraag is vooral gerezen in kartelzaken waar de moedermaatschappij geen directe deelnemer in het kartel was. In het kader van art. 102 VWEU kwam deze problematiek minder sterk naar voor Veeleer dan een doorbraak van aansprakelijkheid, impliceert de toerekening van aansprakelijkheid een vereenzelviging of identificatie tussen de moeder - en dochtermaatschappij. Deze term is terug te vinden in de Nederlandse rechtspraak en rechtsleer met volgende definiëring: het gebruiken door de wetgever of rechter van de juridische fictie dat verbonden rechtspersonen als één en dezelfde rechtseenheid moeten worden beschouwd, met als gevolg dat handelingen en verbintenissen van die rechtssubjecten aan elkaar over en weer worden toegerekend 26. Deze juridische fictie vloeit voort uit een extensieve interpretatie van het ondernemingsbegrip. 27 De toerekening van aansprakelijkheid aan een moedermaatschappij is gebaseerd op het begrip onderneming. De juridische grondslag en de reikwijdte van de toerekening van aansprakelijkheid HvJ, 24 oktober 1996, C-73/95 P, Viho t. Commissie, Jur. 1996, I-5457, r.o. 16. Richtsnoeren inzake de toepasselijkheid van artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op horizontale samenwerkingsovereenkomsten P.B. C 11/1 van 14 januari 2011, r.o. 11. J. PADILLA en R. O DONOGHUE, Law and economics of Article 102 TFEU, Oxford, Hart Publishing, 2013, 28. Zie hiervoor R.C. VAN DONGEN, Identificatie in het rechtspersonenrecht. Rechtsvergelijkende beschouwingen over Piercing the Corporate veil in het interne en internationaal privaatrecht van Nederland, Duitsland, Zwitserland, New York en Texas, Rotterdam, Kluwer, 1995, 363 p. W. DEVROE en C. GEERS, Het ondernemingsbegrip als nieuw concept, in B. TILLEMAN, E. TERYN en G.BALLON (eds.), Handels- en economische recht, 1, Ondernemingsrecht, A,Mechelen, Kluwer, 2011, (241)

17 vloeit bijgevolg voort uit de tekst van art. 101 en 102 VWEU. 28 Volgens vaste rechtspraak heeft de Europese Commissie de keuze om de aansprakelijkheid voor inbreukmakend gedrag toe te schrijven aan de moedermaatschappij, de dochtermaatschappij of om hen beiden hoofdelijk aansprakelijk te stellen. 29 De beslissing om de aansprakelijkheid van een mededingingsinbreuk toe te rekenen aan een moedervennootschap kan ingegeven worden omwille van redenen van doeltreffendheid en het ontradende effect dat een dergelijke beslissing met zich meebrengt In de Akzo Nobel 31 zaak heeft het Hof van Justitie duidelijkheid gegeven omtrent de omstandigheden waarin het mededingingsverstorend gedrag van een dochtermaatschappij aan haar moedermaatschappij kan worden toegerekend wanneer zij niet zelf deelnam aan de mededingingsinbreuk. Opdat het gedrag van een dochtervennootschap aan de moeder kan worden toegerekend, moet worden aangetoond dat de moedervennootschap de mogelijkheid had om een beslissende invloed op de dochter uit te oefenen en hiervan daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt. Bovendien is er een weerlegbaar vermoeden dat de moeder een beslissende invloed heeft uitgeoefend over haar dochter wanneer zij het volledige kapitaal van de dochter in handen heeft. In andere gevallen moet de Europese Commissie, ten einde aan te tonen dat er daadwerkelijk een beslissende invloed is uitgeoefend door de moeder, andere bewijselementen aanreiken die afgeleid kunnen worden uit alle organisatorische, economische en juridische banden die beiden verenigen. C. Verband tussen concernprivilege en toerekening van aansprakelijkheid aan moedermaatschappijen 14. Rechtspraak van het Hof van Justitie stelde reeds in de jaren zeventig van de vorige eeuw dat het bestaan van een onderscheiden rechtspersoon niet uitsluit dat een eenheid bestaat tussen deze rechtspersonen en hun marktgedrag. 32 Het Hof van Justitie legde in haar rechtspraak uitdrukkelijk de link tussen het concernprivilege en de toerekening van aansprakelijkheid aan moedermaatschappijen: [ ] de omstandigheid dat de dochtermaatschappij eigen rechtspersoonlijkheid bezit, niet voldoende is om de mogelijkheid uit te sluiten dat haar gedrag aan de moedermaatschappij mag worden toegerekend; [ ] M. FRESE, Sanctions in EU Competition Law: Principles and Practice, Oxford, Hart Publishing, 2014, 66. Zie bijvoorbeeld HvJ, 6 maart 1974, 6/73 en 7/73, Instituto Chemioterapico Italiano en Commerical Solvents t. Commissie, Jur. 1974, 223, r.o. 41; Ger., 24 maart 2011, T-386/06, Pegler t. Commissie, Jur. 2011, II- 1267, r.o Ger., 27 juni 2012, T-372/10, Bolloré t. Commissie, Jur. 2012, n.n.g., r.o. 92. Akzo Nobel, r.o W. DEVROE en C. GEERS, Het ondernemingsbegrip als nieuw concept, in B. TILLEMAN, E. TERYN en G.BALLON (eds.), Handels- en economische recht, 1, Ondernemingsrecht, A,Mechelen, Kluwer, 2011, (241)

18 Dat wanneer de dochtermaatschappij bij het uitzetten van haar gedragslijn op de markt niet over werkelijke zelfstandigheid beschikt, de verboden van artikel 85 [thans art. 101 VWEU], lid 1, kunnen worden geacht niet te gelden voor de verhouding tussen haar en de moedermaatschappij, waarmede zij een economische eenheid vormt; Dat deze eenheid - als concern medebrengt dat de handelingen der dochtermaatschappij in bepaalde omstandigheden aan de moedermaatschappij worden aangerekend; 33 Het concernprivilege en de toerekening van aansprakelijkheid aan moedermaatschappijen vormen dus als het ware twee zijden van dezelfde medaille. Vanuit het oogpunt van de onderneming staat tegenover het voordeel van het concernprivilege het nadeel van de toerekening van aansprakelijkheid aan moedermaatschappijen. Het concept economische eenheid werd oorspronkelijk door de rechtspraak ontwikkeld in het kader van het concernprivilege 34, maar door hetzelfde concept te gebruiken om de aansprakelijkheid toe te rekenen aan een moedervennootschap, is het duidelijk dat de voordelen van dit concept voor ondernemingen worden getemperd HvJ, 14 juli 1972, 53/69, Sandoz AG t. Commissie, Jur. 1972, 845, r.o. 44. S. WARD, The Economic Unity Doctrine in the EEC: A limited Exemption to Article 85 of the Treaty of Rome, Fordham International Law Journal 1985, (373)

19 HOOFDSTUK II. EU MEDEDINGINGSRECHT EN TOEREKENING VAN AANSPRAKELIJKHEID AFDELING I. DE ACTOREN 1. Algemeen 15. Vooraleer dieper wordt ingegaan op de problematiek van aansprakelijkheid in het EU mededingingsrecht, is het eerst van belang om de relevante actoren nader toe te lichten. In deze afdeling wordt een begripsomschrijving gegeven aan de hoofdactoren teneinde een duidelijke afbakening te krijgen. 2. De vennootschapsgroep: moeder en dochter 16. Multinationals domineren dezer dagen de wereldeconomie. Deze entiteiten vormen vaak vennootschapsgroepen of concerns 35 van een aanzienlijke grootte die hun operaties in verschillende delen van de wereld ontplooien door verschillende dochtervennootschappen in te schakelen. Daarnaast wordt soms beroep gedaan op joint ventures zodat niet alle operaties intern moeten worden geïntegreerd. Deze joint ventures vormen dan als het ware een deel van de vennootschapsgroep. 36 De structuur van een vennootschapsgroep kadert vaak in een beleid van risicospreiding en optimalisering van de productie van goederen en het leveren van diensten. Vanuit een economisch oogpunt is het een doel om de vennootschapsgroep zo te organiseren om een betere organisatorische flexibiliteit te verkrijgen, alsook synergie-effecten en fiscale voordelen te genieten. 37 De zeggenschap waarover een moedermaatschappij beschikt, laat haar toe om de bedrijfswerkzaamheden van de leden van de vennootschapsgroep te sturen. Het is mogelijk dat dochtermaatschappijen en joint ventures, als leden van een vennootschapsgroep, een autonome bedrijfsvoering ontplooien. Vaak zullen hun operationele activiteiten echter slechts een fragment vormen in het grotere kader van bedrijfsvoering van de moedermaatschappij In de Europese Unie werd in het verleden reeds meerdere malen de aandacht gericht op het recht van vennootschapsgroepen. Verschillende harmonisatiepogingen werden evenwel vruchteloos ondernomen. De negende richtlijn betreffende concernverhoudingen en de totstandkoming van regelgeving met betrekking tot de societas europaea zijn hiervan een pijnlijk voorbeeld. Recent gaat de aandacht voornamelijk naar de corporate governance van vennootschapsgroepen en de rechtspraak van het Hof van Justitie omtrent de vrijheid van vestiging van vennootschappen Deze termen zullen in het verdere verloop van dit werk afwisselend worden gebruikt. P. BLUMBERG en K. STRASSER, Blumberg on corporate groups, New York, Aspen Publishers, 2012, 1-3. B. HAAR, Corporate Group Law in J. BASEDOW, K. HOPT en R.ZIMMERMAN (eds.), Encyclopedia of European Private Law, Oxford, Oxford University Press, 2011, (1) 1. P. BLUMBERG en K. STRASSER, Blumberg on corporate groups, New York, Aspen Publishers, 2012, 1-3. E. WYMEERSCH, Hoofdlijnen van het Belgische recht van de vennootschapsgroepen, Working Paper Series Instituut Financieel Recht Universiteit Gent 2008, (1)

20 18. Ook in het EU mededingingsrecht trekken vennootschapsgroepen de aandacht naar zich toe. Daarbij kan inzonderheid gedacht worden aan de toerekening van aansprakelijkheid aan moedermaatschappijen. Het EU mededingingsrecht geeft echter geen uniforme definitie voor de begrippen vennootschapsgroep, moedermaatschappij en dochtermaatschappij. Zo wordt bijvoorbeeld in art. 5, vierde lid van de concentratieverordening een omschrijving gegeven aan het begrip groep. Dit artikel stelt gedetailleerde criteria vast om te bepalen van welke entiteiten de omzet moet toegerekend worden aan de betrokken onderneming vanwege bepaalde rechtstreekse of onrechtstreekse banden. De omvang van de onderneming wordt ofwel bepaald door onder andere het bezit van meer dan de helft van het kapitaal dan wel de bevoegdheid om meer dan de helft van de stemrechten uit te oefenen of om meer dan de helft van de leden van de raad van toezicht of bestuur te benoemen. In de geconsolideerde mededeling bevoegdheidskwesties geeft de Europese Commissie verder aan dat zij een dochtermaatschappij en haar moedermaatschappij als groep aanziet. 40 Deze definiëring is echter voorbehouden voor de concentratieverordening. 19. Er bestaat geen alles omvattend Europees vennootschapsrecht dat voor een concrete invulling kan zorgen voor deze begrippen. Het vennootschapsrecht wordt, buiten enkele harmonisatieoefeningen, grotendeels beheerst door het nationale recht waardoor verschillen tussen rechtstelsels aanzienlijk blijven. Bovendien is het groepsrecht in West-Europa traditioneel voortgevloeid uit de rechtspraak. 41 Een eenvoudige definiëring voor het begrip vennootschapsgroep is derhalve problematisch. 20. Ter illustratie kan gewezen worden op de in België heersende mening voor de invulling van het begrip vennootschapsgroep. Deze strekking stelt dat er geen recht is van de vennootschapsgroepen. Het wetboek vennootschap ( W. Venn. ) omvat slechts regelen die betrekking hebben op de relatie tussen vennootschappen die verbonden zijn op grond van art. 5 W.Venn. 42 Art. 5 W.Venn. geeft weer wat onder controle verstaan moet worden. Art. 6 W.Venn. geeft daarbij te kennen dat een moedervennootschap een vennootschap is die een controlebevoegdheid - in feite of in rechte - uitoefent over een andere vennootschap, namelijk de dochtervennootschap. Deze twee artikelen vermelden evenwel niet expliciet het groepsbegrip. De heersende Belgische opvatting benadert het groepsverschijnsel vanuit de verhouding tussen een vennootschap en een andere vennootschap waarbij de eerste een - in feite of in rechte - controlerende positie inneemt ten aanzien van de andere Geconsolideerde mededeling van de Commissie over bevoegdheidskwesties op grond van Verordening (EG) nr. 139/2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen, P.B. C 95/1 van 16 april 2008 (hierna verkort geconsolideerde mededeling over bevoegdheidskwesties), nr Duitsland, Portugal en Italië hebben echter in zekere mate formeel het groepsrecht in de vennootschapswet ingevoerd. Zie hiervoor E. WYMEERSCH, Hoofdlijnen van het Belgische recht van de vennootschapsgroepen, Working Paper Series Instituut Financieel Recht Universiteit Gent 2008, (1) 1. E. WYMEERSCH, Hoofdlijnen van het Belgische recht van de vennootschapsgroepen, Working Paper Series Instituut Financieel Recht Universiteit Gent 2008, (1) 4. E. WYMEERSCH, Hoofdlijnen van het Belgische recht van de vennootschapsgroepen, Working Paper Series Instituut Financieel Recht Universiteit Gent 2008, (1)

21 Daarnaast hecht het Hof van Cassatie groot belang aan de zelfstandigheid van de rechtspersoonlijkheid van een tot een groep behorende vennootschap. Zo heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat een verbintenis die de vennootschap heeft aangegaan enkel deze vennootschap bindt en niet kan meebrengen dat een derde, de verplichtingen moet nakomen welke deze verbintenis heeft doen ontstaan 44. De rechten en plichten van een entiteit met rechtspersoonlijkheid hebben niet de aandeelhouders als titularis, maar gelden als de rechten van die entiteit zelf Gelet op het feit dat er een gebrek is aan een uniforme Europese definitie en er een grote verscheidenheid bestaat in de nationale invulling van het begrip vennootschapsgroep, wordt voor het verdere verloop van dit werk geopteerd voor een eerder algemene omschrijving. Als uitgangspunt wordt aangenomen dat een vennootschapsgroep bestaat uit een geheel van juridisch afzonderlijke vennootschappen waarover een moedervennootschap zeggenschap uitoefent en die verenigd zijn onder een centrale leiding met een gemeenschappelijk economisch, sociaal of financieel doel. Onder een 100%-dochtermaatschappij zal de situatie worden verstaan waarin een moedermaatschappij het volledige kapitaal van haar dochter in handen heeft. De moedermaatschappij is bijgevolg de enige controlerende aandeelhouder die economisch gezien doorgaans begrepen wordt als de eigenaar van het geheel van activa en passiva die bestemd zijn voor een concrete economische activiteit van de desbetreffende dochtervennootschap. 46 Het is echter ook mogelijk dat een moedervennootschap niet het gehele kapitaal van haar dochtermaatschappij in handen heeft, maar slechts een meerderheidsbelang aanhoudt. In een dergelijke situatie zal verder, tenzij anders aangegeven, een moedermaatschappij voor ogen moeten worden gehouden die tenminste 50% + 1 van de aandelen met de daaraan verbonden stemrechten in handen heeft. Dit aandeelhouderschap impliceert, behoudens anders aangegeven, dat de moedermaatschappij uitsluitende zeggenschap uitoefent over de dochtermaatschappij De vraag kan gesteld worden of het EU mededingingsrecht rekening houdt met de vennootschapsgroep als verschijningsvorm. Economisch gezien, wordt een vennootschapsgroep gekenmerkt door een eenheid van leiding. Juridisch gezien, wordt de vennootschapsgroep evenwel gekenmerkt door de zelfstandigheid van iedere vennootschap. 48 De vraag stelt zich dus of er rekening gehouden wordt met de centrale leiding die uitgaat van een moedervennootschap, of wordt de Cass., 2 april 1970 pas. 1970, I, 658. J. VANANROYE, Onverdeelde boedel en rechtspersoon als technieken van vermogenafscheiding en vermogensoverang, K.U.Leuven, 2011, 9 e.v. J. VANANROYE en M. WAUTERS, Contracten met of met betrekking tot vennootschappen: enkele aandachtspunten in F. HELLEMANS, Vennootschapsrecht,Brugge, Die Keure, 2012, Voor de duidelijkheid wordt hier de term uitsluitende zeggenschap gebruikt om een dochtermaatschappij te onderscheiden van een joint venture. Bij een joint venture zijn er namelijk twee moedermaatschappijen die gezamenlijk zeggenschap uitoefenen. A. VAN HOE, Funktionswandel in het groepsrecht in A. VAN HOE en M. VANMEENEN (eds.), De vennootschapsgroep in het greep van het recht, Antwerpen, Intersentia, 2013, (1) 3. 11

22 vennootschapsgroep louter aanzien als een verzameling van afzonderlijke vennootschappen met een eigen rechtspersoonlijkheid. Het antwoord op deze vraag is genuanceerd. Het staat alleszins vast dat de greep van het EU mededingingsrecht uitdijt tot voorbij de grenzen van de afzonderlijke samenstellende rechtspersonen. 49 Het EU mededingingsrecht richt zich namelijk tot ondernemingen. De door het Hof van Justitie gegeven invulling van het begrip onderneming heeft als gevolg dat verschillende vennootschappen in een vennootschapsgroep, niettegenstaande hun aparte rechtspersoonlijkheid, als één onderneming kunnen worden aanzien Joint venture A. Begrip 23. Vanuit mededingingsrechtelijk oogpunt is er geen eenvormige definitie voorhanden voor het begrip joint venture. De Europese Commissie omschreef een joint venture in haar vroegere bekendmaking als volgt: een bijzondere, geïnstitutionaliseerde vorm van samenwerking tussen ondernemingen. De oprichters beschikken daarmee over een veelzijdig instrument waarmee velerlei doeleinden kunnen worden nagestreefd en verwezenlijkt 51. Het begrip joint venture omvat een grote verscheidenheid aan operaties, gaande van operaties met het karakter van een concentratie tot samenwerking op bepaalde gebieden zoals bijvoorbeeld onderzoek en ontwikkeling, productie en distributie. 52 De term joint venture wordt dus vaak gebruikt ter beschrijving van een overeenkomst waarbij twee of meer bedrijven een commercieel doel proberen te bereiken door een deel van hun operaties daarin te integreren en daarover gezamenlijk gezag uitoefenen. Er zal derhalve vaak sprake zijn van een oprichting van een nieuwe economische entiteit. 53 Daar waar een moeder uitsluitende zeggenschap uitoefent over een dochtermaatschappij, is er bij een joint venture het wezenlijke verschil dat twee of meer moedermaatschappijen gezamenlijk zeggenschap uitoefenen over de joint venture. Voor mededingingsdoeleinden kan een onderscheid gemaakt worden tussen een joint venture die een concentratie uitmaakt en een joint venture die geen concentratie uitmaakt. Dit onderscheid is cruciaal aangezien de concentratieverordening van toepassing is op de eerste categorie van joint ventures Zie hiervoor W. DEVROE en C. GEERS, Het ondernemingsbegrip als nieuw concept, in B. TILLEMAN, E. TERYN en G.BALLON (eds.), Handels- en economische recht, 1, Ondernemingsrecht, A,Mechelen, Kluwer, 2011, (241) 248 e.v. P. HUGHES, Competition law enforcement and corporate group liability adjusting the veil, E.C.L.R. 2014, (68) 71. Bekendmaking van de Commissie betreffende de beoordeling van gemeenschappelijke ondernemingen met het karakter van een samenwerkingsverband op grond van artikel 85 van het EEG-verdrag, P.B. C 43/2 van 16 februari 1993, nr. 1. Mededeling van de Commissie inzake het begrip volwaardige gemeenschappelijke onderneming in de zin van Verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad betreffende de controle op concentraties van ondernemingen, P.B. C 66/1 van 2 maart 1998, nr. 3. A. JONES, The boundaries of an Undertaking in EU Competition Law, ECJ 2012, (301)

23 Vormt de joint venture geen concentratie, dan zal deze desgevallend worden beoordeeld onder art. 101 VWEU of de nationale mededingingsregelgeving. B. Concentratie 1. Algemeen: controle op concentraties van ondernemingen 24. De mededingingsregels die betrekking hebben op de controle van concentraties zijn niet te vinden in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Hiervoor is een aparte verordening in het leven geroepen, de concentratieverordening. In principe is de Europese Commissie, met uitsluiting van de nationale overheden, belast met de voorafgaande controle op concentraties met een communautaire dimensie. Dit wil zeggen dat een concentratie de grenzen van een lidstaat en een bepaalde omzet op mondiaal en Europees niveau overschrijdt. Het one-stop shop - beginsel 54 biedt aan de relevante ondernemingen van de in aanmerking komende concentraties het voordeel dat zij niet verplicht worden om bij verschillende nationale mededingingsautoriteiten hun operatie aan te melden. Ook voor de nationale mededingingsautoriteiten is dit voordelig aangezien verschillende onderzoeken kunnen leiden tot inefficiëntie, vertragingen, kosten, onzekerheid en eventueel tegenstrijdige beslissingen 55. Ingevolge art. 4, vierde en negende lid van de concentratieverordening kan de Europese Commissie wel besluiten om in bepaalde gevallen een concentratie met een communautaire dimensie te verwijzen naar een nationale mededingingsautoriteit. Deze verwijzing kan gebeuren naar aanleiding van een verzoek van de betrokken ondernemingen voor de aanmelding van een concentratie of een verzoek van de betrokken lidstaat bij een reeds aangemelde concentratie. Omgekeerd kan een concentratie die geen communautaire dimensie heeft, op grond van art. 4, vijfde lid en art. 22 van de concentratieverordening, worden verwezen van de nationale lidstaten naar de Europese Commissie ofwel op verzoek van de betrokken ondernemingen vooraleer er een aanmelding is geweest ofwel op verzoek van een betrokken lidstaat nadat er reeds een aanmelding is geweest. 2. Begrip: Concentratie 25. De concentratieverordening is van toepassing op concentraties. Een concentratie wordt gedefinieerd in art. 3 van de concentratieverordening en wordt verder aangevuld door de Geconsolideerde mededeling van de Commissie over bevoegdheidskwesties op grond van Verordening (EG) nr. 139/2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen 56 (hierna geconsolideerde mededeling over bevoegdheidskwesties ) en rechtspraak van de Europese Hoven Art. 21 concentratieverordening. R. WHISH en D. BAILEY, Competition Law, Oxford, Oxford University Press, 2012, 844. Geconsolideerde mededeling over bevoegdheidskwesties, nr

24 Er zal volgens art. 3, eerste lid van de concentratieverordening sprake zijn van een concentratie wanneer een duurzame wijziging van zeggenschap voorvloeit uit: a) de fusie van twee of meer voorheen onafhankelijke ondernemingen of delen van ondernemingen of b) het verkrijgen, door één of meer personen die reeds zeggenschap over ten minste één onderneming bezitten, of door één of meer ondernemingen, van zeggenschap door de verwerving van participaties in het kapitaal of vermogensbestanddelen, bij overeenkomst of op elke andere wijze -, rechtstreeks of middellijk, over één of meer andere ondernemingen of delen daarvan. Art. 3, vierde lid van de concentratieverordening stelt dat de oprichting van een gemeenschappelijke onderneming die duurzaam alle functies van een zelfstandige economische eenheid vervult een concentratie vormt in de zin van art. 3, eerste lid, b) van de concentratieverordening. Deze bepaling viseert aldus de oprichting van een full function joint venture. Verder stelt overweging 20 van de concentratieverordening dat: Het wenselijk [is] het begrip concentratie dusdanig te definiëren dat het betrekking heeft op transacties welke een blijvende wijziging in de zeggenschap over de betrokken ondernemingen en derhalve in de structuur van de markt teweegbrengen. Het is daarom dienstig dat alle gemeenschappelijke ondernemingen die duurzaam alle functies van een zelfstandige economische eenheid vervullen, onder de toepassing van deze verordening vallen. [ ]. Overweging 20 geeft aldus de ratio aan waarom ook sommige joint ventures onder het toepassingsgebied van de concentratieverordening worden geplaatst Het begrip concentratie omvat aldus transacties die een blijvende wijziging in de marktstructuur teweegbrengen. Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat er sprake zal zijn van een concentratie in vier gevallen. Dit zal met name het geval zijn wanneer er een fusie is van voorheen onafhankelijke ondernemingen, wanneer zeggenschap wordt verkregen door een onderneming die alleen handelt of door verschillende gezamenlijk handelende ondernemingen, door wijzigingen in de kwaliteit van zeggenschap en als laatste door de oprichting van een full function joint venture. 3. Full function joint venture 27. In de nu opgeheven mededeling van de Europese Commissie inzake het begrip volwaardige gemeenschappelijke onderneming in de zin van Verordening (EEG) nr. 4064/89 wordt een joint venture omschreven als een onderneming die onder het gezamenlijke gezag staat van twee of meer andere ondernemingen. 58 Het is redelijkerwijze aan te nemen dat deze omschrijving mag gebruikt L. RUDOLF en B. LEUPOLD, Joint Ventures The relevance of the Full Functionality Criterion under the EU Merger Regulation, J.E.C.L&P. 2012, (439) 439. Mededeling van de Commissie inzake het begrip volwaardige gemeenschappelijke onderneming in de zin van Verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad betreffende de controle op concentraties van ondernemingen, P.B. C 66/1 van 2 maart 1998, nr

25 worden voor de nu geldende concentratieverordening omdat de geconsolideerde mededeling over bevoegdheidskwesties ondernemingen onder gezamenlijk zeggenschap benoemt als joint ventures Om te kunnen spreken van een full function joint venture zijn er drie vereisten. De desbetreffende onderneming moet (1) een zelfstandige economische eenheid zijn die (2) duurzaam aanwezig is op een markt en (3) er is gezamenlijk zeggenschap van ten minste twee ondernemingen. Het full function criterium beslaat de eerste twee voorwaarden. Het full function criterium bakent de toepassing af van de concentratieverordening voor de oprichting van een full function joint venture door de partijen, ongeacht of de joint venture vanuit het niets wordt opgericht, dan wel of de partijen vermogensbestanddelen toekennen aan de joint venture die voordien hun eigendom was. 60 De geconsolideerde mededeling over bevoegdheidskwesties geeft onder meer de visie weer van de Europese Commissie met betrekking tot het full function criterium. 61 a. Het full function criterium 29. Het full function criterium houdt volgens de Europese Commissie in dat een joint venture werkzaam is op een markt en waarop zij alle functies vervult die andere op die markt werkzame ondernemingen normaal gesproken vervullen. De joint venture moet derhalve beschikken over een raad van bestuur die zich aan haar dagelijkse bedrijfsvoering wijdt en toegang hebben tot voldoende middelen, waaronder financiën, personeel en (materiële en immateriële) vermogensbestanddelen, zodat zij binnen de grenzen van de overeenkomst inzake de joint venture op een duurzame wijze haar bedrijfswerkzaamheid kan uitoefenen. 62 Het is verder vereist dat de joint venture op een duurzame basis werkzaam is op een markt. Een joint venture die slechts voor een bepaalde periode bestaat, kan ook op een duurzame basis werkzaam zijn op een markt voor zover die periode lang genoeg is om een blijvende verandering in de structuur van de markt teweeg te brengen. 63 Ook contractuele bedingen in de joint venture overeenkomst die voorzien in de terugtrekking van een moedermaatschappij, zijn niet in strijd met de vereiste van duurzaamheid. 64 De joint venture zal evenwel niet worden geacht op een duurzame basis werkzaam te zijn indien zij louter voor een korte aflopende periode wordt opgericht. Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de joint venture voor een bepaald project wordt opgericht, maar na de voltooiing van het project niet betrokken wordt bij de exploitatie ervan Geconsolideerde mededeling over bevoegdheidskwesties, nr. 63. Geconsolideerde mededeling over bevoegdheidskwesties, nr. 92. Geconsolideerde mededeling over bevoegdheidskwesties, nr Geconsolideerde mededeling over bevoegdheidskwesties, nr. 94. Geconsolideerde mededeling over bevoegdheidskwesties, nr Geconsolideerde mededeling over bevoegdheidskwesties, nr Geconsolideerde mededeling over bevoegdheidskwesties, nr

COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN

COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN CBN-advies 2012/8 De boekhoudkundige verwerking van de inbreng in eigendom in een Belgische burgerlijke maatschap die niet de rechtsvorm heeft aangenomen van een handelsvennootschap

Nadere informatie

Richtlijn 98/59/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag

Richtlijn 98/59/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag Richtlijn 98/59/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag Publicatieblad Nr. L 225 van 12/08/1998 blz. 0016-0021 DE RAAD VAN

Nadere informatie

ZIFO Institute for Financial law en Corporate Law Amsterdam Toelichting bij de beantwoording van genoemde vragen uit de questionnaire.

ZIFO Institute for Financial law en Corporate Law Amsterdam Toelichting bij de beantwoording van genoemde vragen uit de questionnaire. Toelichting In dit document is een toelichting opgenomen bij de beantwoording op enkele - hieronder aangeduide - vragen uit de questionnaire. Vraag IV.5 Biedt de recente jurisprudentie van het EHvJ (bijv.

Nadere informatie

Toerekening kartelinbreuk aan moeder in strijd met onschuldpresumptie

Toerekening kartelinbreuk aan moeder in strijd met onschuldpresumptie Toerekening kartelinbreuk aan moeder in strijd met onschuldpresumptie Mr. S. Kennepohl het is inmiddels vaste rechtspraak dat een kartelinbreuk van een dochteronderneming (hierna: de dochter ) aan de moedermaatschappij

Nadere informatie

Zaak C-475/99. Firma Ambulanz Glöckner tegen Landkreis Südwestpfalz

Zaak C-475/99. Firma Ambulanz Glöckner tegen Landkreis Südwestpfalz Zaak C-475/99 Firma Ambulanz Glöckner tegen Landkreis Südwestpfalz (verzoek van het Oberverwaltungsgericht Rheinland-Pfalz om een prejudiciële beslissing) Artikelen 85, 86 en 90 EG-Verdrag (thans artikelen

Nadere informatie

BESLUIT. file://e:\archief1998\besluiten\bcm\bcm0439-9805.htm

BESLUIT. file://e:\archief1998\besluiten\bcm\bcm0439-9805.htm pagina 1 van 7 BESLUIT Besluit van de directeur-generaal van de Nederlandse mededingingsautoriteit als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de Mededingingswet. Nummer: 439 / UPC-NUON 1. Op 16 april 1998

Nadere informatie

Relevante feiten. Beoordeling. RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG VAN ANTWERPEN Vonnis van 09 oktober 2002 - Rol nr 00/2654/A - Aanslagjaar 1996

Relevante feiten. Beoordeling. RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG VAN ANTWERPEN Vonnis van 09 oktober 2002 - Rol nr 00/2654/A - Aanslagjaar 1996 RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG VAN ANTWERPEN Vonnis van 09 oktober 2002 - Rol nr 00/2654/A - Aanslagjaar 1996 Relevante feiten Als kaderlid van M heeft eerste eiser in 1993 aandelenopties verkregen op aandelen

Nadere informatie

COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN. CBN-advies 2013/5 - De aandeelhoudersstructuur van ondernemingen: opname in de toelichting van de jaarrekening

COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN. CBN-advies 2013/5 - De aandeelhoudersstructuur van ondernemingen: opname in de toelichting van de jaarrekening COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN CBN-advies 2013/5 - De aandeelhoudersstructuur van ondernemingen: opname in de toelichting van de jaarrekening I. Inleiding Advies van 4 maart 2013 1. Zowel het volledig

Nadere informatie

Inbesteding of aanbesteding?

Inbesteding of aanbesteding? APRIL 2006 Inbesteding of aanbesteding? Opdrachten die door een aanbestedende dienst worden gegund aan een overheidsgedomineerde onderneming (met eigen rechtspersoonlijkheid) vallen in beginsel onder de

Nadere informatie

Vertaling C-23/14-1. Zaak C-23/14

Vertaling C-23/14-1. Zaak C-23/14 Vertaling C-23/14-1 Zaak C-23/14 Samenvatting van het verzoek om een prejudiciële beslissing overeenkomstig artikel 98, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie Datum van

Nadere informatie

Knipperlichten. Mededingingsrecht. Milena Varga 20 februari 2014

Knipperlichten. Mededingingsrecht. Milena Varga 20 februari 2014 2014 Knipperlichten Mededingingsrecht Milena Varga 20 februari 2014 Minervastraat 5 1930 ZAVENTEM T +32 (0)2 275 00 75 F +32 (0)2 275 00 70 www.contrast -law.be Overzicht I. Basisbegrippen II. Knipperlichten

Nadere informatie

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau enz. enz. enz.

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau enz. enz. enz. Wijziging van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in verband met de omzetting van Richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november

Nadere informatie

Integraal mededingingsrecht

Integraal mededingingsrecht Integraal mededingingsrecht Verzameling van in Nederland geldende nationale en Europese regelgeving inzake kartelrecht en concentratiecontrole Samengesteid door: mr. P.B. Gaasbeek prof. mr. B.MJ. van der

Nadere informatie

Auteur. Onderwerp. Datum

Auteur. Onderwerp. Datum Auteur Stefan Nerinckx Onderwerp Het toepasselijk recht op verbintenissen voortvloeiend uit (internationale) arbeidsovereenkomsten: een nieuwe Europese verordening in de maak? Datum april 2005 Copyright

Nadere informatie

1. DOEL EN TOEPASSINGSBEREIK

1. DOEL EN TOEPASSINGSBEREIK EUROPESE COMMISSIE Directoraat-generaal Concurrentie Beleid en coördinatie inzake staatssteun Brussel, DG D(2004) COMMUNAUTAIRE KADERREGELING INZAKE STAATSSTEUN IN DE VORM VAN COMPENSATIES VOOR DE OPENBARE

Nadere informatie

GEZAMENLIJKE VERKLARING VAN DE RAAD EN DE COMMISSIE BETREFFENDE DE WERKING VAN HET NETWERK VAN MEDEDINGINGSAUTORITEITEN

GEZAMENLIJKE VERKLARING VAN DE RAAD EN DE COMMISSIE BETREFFENDE DE WERKING VAN HET NETWERK VAN MEDEDINGINGSAUTORITEITEN GEZAMEIJKE VERKLARING VAN DE RAAD EN DE COMMISSIE BETREFFENDE DE WERKING VAN HET NETWERK VAN MEDEDINGINGSAUTORITEITEN "1. De vandaag vastgestelde verordening betreffende de uitvoering van de mededingingsregels

Nadere informatie

Datum van inontvangstneming : 14/06/2013

Datum van inontvangstneming : 14/06/2013 Datum van inontvangstneming : 14/06/2013 Vertaling C-258/13-1 Zaak C-258/13 Verzoek om een prejudiciële beslissing Datum van indiening: 13 mei 2013 Verwijzende rechter: Varas Cíveis de Lisboa (Portugal)

Nadere informatie

Misleidende (B2B) reclame rgelij kende reclame

Misleidende (B2B) reclame rgelij kende reclame MONOGRAFIEËN BW Misleidende (B2B) reclame rgelij kende reclame Mr. D.W.F. Verkade Advocaat-generaal i.b.d. bij de Hoge Raad der Nederlanden Bijzonder hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam (Bregstein-leerstoel)

Nadere informatie

COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN

COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN CBN Advies 2009/7 - De boekhoudkundige verwerking van grensoverschrijdende fusies Advies van 15 juli 2009 Trefwoorden Belastingvrije reserves Fiscale aspecten Fusies

Nadere informatie

Update ' toezicht op bestuur in relatie tot de rol van participatiemaatschappijen in hun portefeuillebedrijven'

Update ' toezicht op bestuur in relatie tot de rol van participatiemaatschappijen in hun portefeuillebedrijven' Update ' toezicht op bestuur in relatie tot de rol van participatiemaatschappijen in hun portefeuillebedrijven' 1 Toezicht op bestuur Op 31 mei 2011 is het wetsvoorstel bestuur en toezicht (het "Wetsvoorstel")

Nadere informatie

Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder wet: Wet op het financieel toezicht.

Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder wet: Wet op het financieel toezicht. Besluit van [datum] houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 5:81, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht (Vrijstellingsbesluit overnamebiedingen Wft) Op voordracht van Onze Minister van

Nadere informatie

Inleiding / Doel van de vraag om advies. Belangrijkste gegevens van het dossier. Ref: Accom AFWIJKING 2004/1

Inleiding / Doel van de vraag om advies. Belangrijkste gegevens van het dossier. Ref: Accom AFWIJKING 2004/1 ADVIES- EN CONTROLECOMITE OP DE ONAFHANKELIJKHEID VAN DE COMMISSARIS Ref: Accom AFWIJKING 2004/1 Samenvatting van het advies met betrekking tot een vraag om afwijking van de regel die het bedrag beperkt

Nadere informatie

Datum van inontvangstneming : 12/03/2015

Datum van inontvangstneming : 12/03/2015 Datum van inontvangstneming : 12/03/2015 Samenvatting C-51/15-1 Zaak C-51/15 Samenvatting van het verzoek om een prejudiciële beslissing overeenkomstig artikel 98, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering

Nadere informatie

JURISPRUDENTIE VAN HET HVJEG 1987 BLADZIJDEN 3611

JURISPRUDENTIE VAN HET HVJEG 1987 BLADZIJDEN 3611 JURISPRUDENTIE VAN HET HVJEG 1987 BLADZIJDEN 3611 ARREST VAN HET HOF (DERDE KAMER) VAN 24 SEPTEMBER 1987. BESTUUR VAN DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK TEGEN J. A. DE RIJKE. VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING,

Nadere informatie

Aansprakelijkheid van de moeder voor kartelinbreuken van haar dochteronderneming

Aansprakelijkheid van de moeder voor kartelinbreuken van haar dochteronderneming KU LEUVEN FACULTEIT RECHTSGELEERDHEID Academiejaar 2014-2015 Aansprakelijkheid van de moeder voor kartelinbreuken van haar dochteronderneming Promotor: prof. dr. W. Devroe Begeleider: mr. M. Marelus Masterscriptie,

Nadere informatie

INHOUD. De KMO in het handelsrecht en het economisch recht Henri Swennen...1

INHOUD. De KMO in het handelsrecht en het economisch recht Henri Swennen...1 INHOUD De KMO in het handelsrecht en het economisch recht Henri Swennen...1 Hoofdstuk I. Meerdere lagen, niet meer beladen?...1 Hoofdstuk II. Meerdere lagen in de KMO...4 Hoofdstuk III. Het belang van

Nadere informatie

3 Consolidatieplicht

3 Consolidatieplicht 3 Consolidatieplicht 22 Wettelijk kader 1 Consolidatieplicht volgens BE GAAP 1.1 Wie moet consolideren Elke onderneming die: consolidatieplichtig is volgens het Wetboek vennootschappen en die ofwel moederonderneming

Nadere informatie

Het toerekeningsleerstuk: de balans opgemaakt

Het toerekeningsleerstuk: de balans opgemaakt Mededinging Het toerekeningsleerstuk: de balans opgemaakt Mr. I.W. VerLoren van Themaat en mr. M.C. van Heezik* 90 De recente arresten Akzo Nobel, Elf Acquitaine en Arkema nodigen uit de balans op te maken

Nadere informatie

BESLUIT. Besluit van de Raad van Bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (hierna: de Raad) als bedoeld in artikel 62 van de Mededingingswet.

BESLUIT. Besluit van de Raad van Bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (hierna: de Raad) als bedoeld in artikel 62 van de Mededingingswet. Nederlandse Mededingingsautoriteit BESLUIT Nummer: 5358-28.BT761 Betreft zaak: Kabel- & Leidingwerken Besluit van de Raad van Bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (hierna: de Raad) als bedoeld

Nadere informatie

Europese krijtlijnen voor een sociaal federalisme

Europese krijtlijnen voor een sociaal federalisme Europese krijtlijnen voor een sociaal federalisme prof. dr. Herwig VERSCHUEREN Universiteit Antwerpen De Europese context Overzicht De Europese spelers en hun instrumenten De Europese juridische krijtlijnen

Nadere informatie

TETRALERT - ONDERNEMING VOORSTEL TOT HERZIENING VAN DE RICHTLIJN AANDEELHOUDERSRECHTEN

TETRALERT - ONDERNEMING VOORSTEL TOT HERZIENING VAN DE RICHTLIJN AANDEELHOUDERSRECHTEN TETRALERT - ONDERNEMING VOORSTEL TOT HERZIENING VAN DE RICHTLIJN AANDEELHOUDERSRECHTEN 1. Inleiding Op 9 april 2014 maakte de Europese Commissie aan het Europees Parlement een voorstel van richtlijn over

Nadere informatie

Zaak C-524/04. Test Claimants in the Thin Cap Group Litigation tegen Commissioners of Inland Revenue

Zaak C-524/04. Test Claimants in the Thin Cap Group Litigation tegen Commissioners of Inland Revenue Zaak C-524/04 Test Claimants in the Thin Cap Group Litigation tegen Commissioners of Inland Revenue [verzoek van de High Court of Justice (England & Wales), Chancery Division, om een prejudiciële beslissing]

Nadere informatie

RJ-Uiting 2009-1: Gevolgen van aanpassingen in boek 2 van het Burgerlijk Wetboek als gevolg van Richtlijn 2006/46/EG van 14 juni 2006

RJ-Uiting 2009-1: Gevolgen van aanpassingen in boek 2 van het Burgerlijk Wetboek als gevolg van Richtlijn 2006/46/EG van 14 juni 2006 RJ-Uiting 2009-1: Gevolgen van aanpassingen in boek 2 van het Burgerlijk Wetboek als gevolg van Richtlijn 2006/46/EG van 14 juni 2006 Inleiding Op 22 december 2008 is een aantal artikelen in titel 9 van

Nadere informatie

Richtsnoeren. Richtsnoeren met betrekking tot centrale begrippen van de AIFMD 13.08.2013 ESMA/2013/611

Richtsnoeren. Richtsnoeren met betrekking tot centrale begrippen van de AIFMD 13.08.2013 ESMA/2013/611 Richtsnoeren Richtsnoeren met betrekking tot centrale begrippen van de AIFMD 13.08.2013 ESMA/2013/611 Datum: 13.08.2013 ESMA/2013/611 Inhoud I. Toepassingsgebied 3 II. Definities 3 III. Doel 4 IV. Naleving

Nadere informatie

Richtlijn betreffende bescherming rechten op aanvullend pensioen

Richtlijn betreffende bescherming rechten op aanvullend pensioen Richtlijn betreffende bescherming rechten op aanvullend pensioen Richtlijn 98/49/EG van de Raad van 29 juni 1998 betreffende de bescherming van de rechten op aanvullend pensioen van werknemers en zelfstandigen

Nadere informatie

COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN. CBN-advies 1-6 Europese economische samenwerkingsverbanden en economische samenwerkingsverbanden

COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN. CBN-advies 1-6 Europese economische samenwerkingsverbanden en economische samenwerkingsverbanden COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN CBN-advies 1-6 Europese economische samenwerkingsverbanden en economische samenwerkingsverbanden De Europese Ministerraad hechtte op 25 juli 1985 zijn goedkeuring

Nadere informatie

Inhoudstafel. iii. Ten geleide... HOOFDSTUK 1. TOEPASSELIJKE WETGEVING OP VASTGOEDCONTRACTEN

Inhoudstafel. iii. Ten geleide... HOOFDSTUK 1. TOEPASSELIJKE WETGEVING OP VASTGOEDCONTRACTEN Inhoudstafel Ten geleide...................................................... i HOOFDSTUK 1. TOEPASSELIJKE WETGEVING OP VASTGOEDCONTRACTEN GESLOTEN DOOR EEN RECHTSPERSOON.................. 1 Dirk MEULEMANS,

Nadere informatie

BESLUIT. Besluit van de Raad van Bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (hierna: de Raad) als bedoeld in artikel 62 van de Mededingingswet.

BESLUIT. Besluit van de Raad van Bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (hierna: de Raad) als bedoeld in artikel 62 van de Mededingingswet. Nederlandse Mededingingsautoriteit BESLUIT Nummer: 3938_432/13 Betreft zaak: B&U Besluit van de Raad van Bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (hierna: de Raad) als bedoeld in artikel 62 van

Nadere informatie

BESLUIT. Besluit van de directeur-generaal van de Nederlandse mededingingsautoriteit inzake de toepasselijkheid van artikel 34 van de Mededingingswet.

BESLUIT. Besluit van de directeur-generaal van de Nederlandse mededingingsautoriteit inzake de toepasselijkheid van artikel 34 van de Mededingingswet. BESLUIT Besluit van de directeur-generaal van de Nederlandse mededingingsautoriteit inzake de toepasselijkheid van artikel 34 van de Mededingingswet. Zaaknummer 1314/SNS Reaal Groep - Abfin I. MELDING

Nadere informatie

Richtsnoeren voor de behandeling van verbonden ondernemingen, waaronder deelnemingen

Richtsnoeren voor de behandeling van verbonden ondernemingen, waaronder deelnemingen EIOPA-BoS-14/170 NL Richtsnoeren voor de behandeling van verbonden ondernemingen, waaronder deelnemingen EIOPA Westhafen Tower, Westhafenplatz 1-60327 Frankfurt Germany - Tel. + 49 69-951119-20; Fax. +

Nadere informatie

BURGERLIJKE AANSPRAKELIJKHEID VAN DE ARCHITECT VERBONDEN DOOR EEN ARBEIDSOVEREENKOMST

BURGERLIJKE AANSPRAKELIJKHEID VAN DE ARCHITECT VERBONDEN DOOR EEN ARBEIDSOVEREENKOMST BURGERLIJKE AANSPRAKELIJKHEID VAN DE ARCHITECT VERBONDEN DOOR EEN ARBEIDSOVEREENKOMST 1) Omschrijving van de arbeidsovereenkomst Artikel 3 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten

Nadere informatie

VERSLAG VAN DE COMMISSARIS R0403 UITGIFTE VAN AANDELEN ZONDER VERMELDING VAN NOMINALE WAARDE BENEDEN FRACTIEWAARDE

VERSLAG VAN DE COMMISSARIS R0403 UITGIFTE VAN AANDELEN ZONDER VERMELDING VAN NOMINALE WAARDE BENEDEN FRACTIEWAARDE VERSLAG VAN DE COMMISSARIS R0403 UITGIFTE VAN AANDELEN ZONDER VERMELDING VAN NOMINALE WAARDE BENEDEN FRACTIEWAARDE IN KADER VAN ARTIKEL 582 VAN HET WETBOEK VAN VENNOOTSCHAPPEN 4ENERGY INVEST NV GEVESTIGD

Nadere informatie

COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN. Advies van 14 januari 2009 (Ter vervanging van oud advies 110-10)

COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN. Advies van 14 januari 2009 (Ter vervanging van oud advies 110-10) COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN CBN-advies 2009/2 - In België gevestigde vennootschappen naar buitenlands recht: toepassingsgebied van artikelen 81, 82, 83 en 107 van het Wetboek van vennootschappen

Nadere informatie

Samenwerkingsprotocol

Samenwerkingsprotocol Samenwerkingsprotocol Consumentenautoriteit Stichting Reclame Code 1 Samenwerkingsprotocol tussen de Consumentenautoriteit en de Stichting Reclame Code Partijen: 1. De Staatssecretaris van Economische

Nadere informatie

Onderwerp. Copyright and disclaimer

Onderwerp. Copyright and disclaimer Onderwerp Ontvangen reacties op ontwerp-advies 126/18 Aanschaffingswaarde bij inbreng in natura Copyright and disclaimer Gelieve er nota van te nemen dat de inhoud van dit document onderworpen kan zijn

Nadere informatie

Zaak Nr IV/M.1061 - ING / BBL. VERORDENING (EEG) nr. 4064/89 CONCENTRATIEPROCEDURE. Artikel 6, lid 1, sub b : GEEN BEZWAAR datum : 22/01/1998

Zaak Nr IV/M.1061 - ING / BBL. VERORDENING (EEG) nr. 4064/89 CONCENTRATIEPROCEDURE. Artikel 6, lid 1, sub b : GEEN BEZWAAR datum : 22/01/1998 NL Zaak Nr IV/M.1061 - ING / BBL Alleen de Nederlandse tekst is beschikbaar en authentiek. VERORDENING (EEG) nr. 4064/89 CONCENTRATIEPROCEDURE Artikel 6, lid 1, sub b : GEEN BEZWAAR datum : 22/01/1998

Nadere informatie

Concept Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van (Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder 2014)

Concept Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van (Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder 2014) Concept Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van (Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder 2014) De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, handelend in overeenstemming

Nadere informatie

BIJZONDER VERSLAG VAN DE RAAD VAN BESTUUR AAN DE AANDEELHOUDERS

BIJZONDER VERSLAG VAN DE RAAD VAN BESTUUR AAN DE AANDEELHOUDERS UCB NV - Researchdreef 60, 1070 Brussel - Ondernemingsnr. 0403.053.608 (RPR Brussel) BIJZONDER VERSLAG VAN DE RAAD VAN BESTUUR AAN DE AANDEELHOUDERS over het gebruik en de nagestreefde doeleinden van het

Nadere informatie

PUBLIC RAAD VA DE EUROPESE U IE. Brussel, 9 juli 2004 (14.07) (OR. en) 11091/04 Interinstitutioneel dossier: 2004/001 (COD) LIMITE

PUBLIC RAAD VA DE EUROPESE U IE. Brussel, 9 juli 2004 (14.07) (OR. en) 11091/04 Interinstitutioneel dossier: 2004/001 (COD) LIMITE Conseil UE RAAD VA DE EUROPESE U IE Brussel, 9 juli 2004 (4.07) (OR. en) PUBLIC 09/04 Interinstitutioneel dossier: 2004/00 (COD) LIMITE JUSTCIV 99 COMPET 3 SOC 337 CODEC 874 OTA van: het voorzitterschap

Nadere informatie

BESLUIT. Besluit van de Raad van Bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (hierna: de Raad) als bedoeld in artikel 62 van de Mededingingswet.

BESLUIT. Besluit van de Raad van Bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (hierna: de Raad) als bedoeld in artikel 62 van de Mededingingswet. Nederlandse Mededingingsautoriteit BESLUIT Nummer: 3938_777/7 Betreft zaak: B&U Besluit van de Raad van Bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (hierna: de Raad) als bedoeld in artikel 62 van

Nadere informatie

Zaak A 2005/1 - Bovemij Verzekeringen N.V. / Benelux-Organisatie voor de Intellectuele Eigendom

Zaak A 2005/1 - Bovemij Verzekeringen N.V. / Benelux-Organisatie voor de Intellectuele Eigendom COUR DE JUSTICE BENELUX GERECHTSHOF ~ Zaak A 2005/1 - Bovemij Verzekeringen N.V. / Benelux-Organisatie voor de Intellectuele Eigendom Nadere conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda (stuk A 2005/1/13)

Nadere informatie

2. In het arrest van 20 september 2001 heeft het Hof uitspraak gedaan over twee prejudiciële vragen die respectievelijk betrekking hadden op:

2. In het arrest van 20 september 2001 heeft het Hof uitspraak gedaan over twee prejudiciële vragen die respectievelijk betrekking hadden op: Conseil UE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE Brussel, 11 juni 2002 (26.06) (OR. fr) PUBLIC 9893/02 Interinstitutioneel dossier: 2001/0111 (COD) LIMITE 211 MI 108 JAI 133 SOC 309 CODEC 752 BIJDRAGE VAN DE IDISCHE

Nadere informatie

Nieuwe bepalingen over verbonden partijen en niet in de balans opgenomen regelingen

Nieuwe bepalingen over verbonden partijen en niet in de balans opgenomen regelingen Nieuwe bepalingen over verbonden partijen en niet in de balans opgenomen regelingen Eind 2008 zijn in de Nederlandse wet nieuwe bepalingen opgenomen met vereisten voor de toelichting van de jaarrekening.

Nadere informatie

De contractuele uitsluiting en beperking van de tienjarige aansprakelijkheid van de architect (Cass. 5 september 2014)

De contractuele uitsluiting en beperking van de tienjarige aansprakelijkheid van de architect (Cass. 5 september 2014) De contractuele uitsluiting en beperking van de tienjarige aansprakelijkheid van de architect (Cass. 5 september 2014) FORUM ADVOCATEN BVBA Nassaustraat 37-41 2000 Antwerpen T 03 369 95 65 F 03 369 95

Nadere informatie

Jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen wat micro-entiteiten betreft ***I

Jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen wat micro-entiteiten betreft ***I P7_TA(200)0052 Jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen wat micro-entiteiten betreft ***I Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 0 maart 200 over het voorstel voor een richtlijn van het

Nadere informatie

De Rechtbank te 's-gravenhage (nr. AWB 10/5062) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.

De Rechtbank te 's-gravenhage (nr. AWB 10/5062) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. 11 Oktober 2013 nr. 12/04012 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-gravenhage van 10 juli 2012, nr. BK-11/00544,

Nadere informatie

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België 12 OKTOBER 2009 C.08.0559.F/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.08.0559.F GT MANAGEMENT, bvba, Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen POLYCAR, vennootschap naar Italiaans

Nadere informatie

Transparante Vennootschap

Transparante Vennootschap Transparante Vennootschap Er is een Transparante Vennootschap (hierna: TV) ingevoerd. Een TV is een naamloze vennootschap (hierna NV) of een besloten vennootschap (hierna: BV) die verzcht heeft om voor

Nadere informatie

Besluit van de directeur-generaal van de Nederlandse mededingingsautoriteit als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de Mededingingswet.

Besluit van de directeur-generaal van de Nederlandse mededingingsautoriteit als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de Mededingingswet. BESLUIT Besluit van de directeur-generaal van de Nederlandse mededingingsautoriteit als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de Mededingingswet. Zaaknummer 1879/NS Stations - PTA I. MELDING 1. Op 30

Nadere informatie

INHOUD. VOORWOORD... v HOOFDSTUK 1. DISCRIMINATIE OP DE WERKVLOER EN DE WETTEN VAN 10 MEI 2007... 1

INHOUD. VOORWOORD... v HOOFDSTUK 1. DISCRIMINATIE OP DE WERKVLOER EN DE WETTEN VAN 10 MEI 2007... 1 INHOUD VOORWOORD....................................................... v HOOFDSTUK 1. DISCRIMINATIE OP DE WERKVLOER EN DE WETTEN VAN 10 MEI 2007........................................ 1 I. Inleiding

Nadere informatie

Corporate Governance Charter

Corporate Governance Charter Corporate Governance Charter Dealing Code Hoofdstuk Twee Euronav Corporate Governance Charter December 2005 13 1. Inleiding Op 9 december 2004 werd de Belgische Corporate Governance Code door de Belgische

Nadere informatie

COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN. CBN-advies 2012/17 - Erkenning van opbrengsten en kosten. Advies van 7 november 2012

COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN. CBN-advies 2012/17 - Erkenning van opbrengsten en kosten. Advies van 7 november 2012 COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN CBN-advies 2012/17 - Erkenning van opbrengsten en kosten Advies van 7 november 2012 I. Onderwerp van het advies 1. In het artikel 31, 1 van de Vierde Europese Richtlijn

Nadere informatie

Eerstverantwoordelijk ministerie Ministerie van Veiligheid en Justitie, in nauwe samenwerking met het Ministerie van Economische Zaken

Eerstverantwoordelijk ministerie Ministerie van Veiligheid en Justitie, in nauwe samenwerking met het Ministerie van Economische Zaken Fiche 1: Richtlijn eenpersoonsvennootschappen 1. Algemene gegevens Titel voorstel Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake besloten eenpersoonsvennootschappen met beperkte

Nadere informatie

Rechtsvorm en gebruik van LLP s en LLC s

Rechtsvorm en gebruik van LLP s en LLC s Rechtsvorm en gebruik van LLP s en LLC s Onderzoek door mr. J.M. Blanco Fernández en prof. mr. M. van Olffen (Van der Heijden Instituut, Radboud Universiteit Nijmegen) in opdracht van het Wetenschappelijk

Nadere informatie

Extern verzelfstandigde agentschappen in privaatrechtelijke vorm Dr. Steven Van Garsse Manager Vlaams Kenniscentrum PPS Overzicht Inleiding Begrip Wanneer Welke vorm Statuut PEVA s praktisch Onderscheid

Nadere informatie

Gevoegde zaken C-18 0/98 C-184/98. P. Pavlov e.a. tegen Stichting Pensioenfonds Medische Specialisten

Gevoegde zaken C-18 0/98 C-184/98. P. Pavlov e.a. tegen Stichting Pensioenfonds Medische Specialisten Gevoegde zaken C-18 0/98 C-184/98 P. Pavlov e.a. tegen Stichting Pensioenfonds Medische Specialisten (verzoek van het Kantongerecht te Nijmegen om een prejudiciële beslissing) Verplichte deelneming in

Nadere informatie

Richtlijn 85/577/EEG van de Raad van 20 december 1985 betreffende de bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten

Richtlijn 85/577/EEG van de Raad van 20 december 1985 betreffende de bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten Richtlijn 85/577/EEG van de Raad van 20 december 1985 betreffende de bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten Publicatieblad Nr. L 372 van 31/12/1985 blz. 0031-0033

Nadere informatie

Handboek Estate Planning Bijzonder Deel... Voorwoord... De auteurs... Verkrijgingen door de langstlevende echtgenoot via huwelijkcontract...

Handboek Estate Planning Bijzonder Deel... Voorwoord... De auteurs... Verkrijgingen door de langstlevende echtgenoot via huwelijkcontract... Inhoudsopgave Handboek Estate Planning Bijzonder Deel..................... Voorwoord.............................................. De auteurs............................................... i iii v DEEL

Nadere informatie

De bedrijfsopvolgingsfaciliteiten Successiewet en de verkrijging van aandelen in houdstervennootschappen

De bedrijfsopvolgingsfaciliteiten Successiewet en de verkrijging van aandelen in houdstervennootschappen Mr. Almer M.A. de Beer 1 De bedrijfsopvolgingsfaciliteiten Successiewet en de verkrijging van aandelen in houdstervennootschappen Wanneer is een houdstervennootschap beleidsbepalend? 1 Werkzaam bij Arenthals

Nadere informatie

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België 2 JANUARI 2014 C.12.0463.N/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.12.0463.N 1. WIBRA BELGIË nv, met zetel te 9140 Temse, Frank Van Dyckelaan 7A, 2. WIBRA HOLDING bv, vennootschap naar Nederlands recht,

Nadere informatie

26 mei 2014. secretaris - mr. C. Heck-Vink - Postbus 16020-2500 BA Den Haag - tel. 070-3307139 - fax. 070-3624568 - c.heck@knb.nl

26 mei 2014. secretaris - mr. C. Heck-Vink - Postbus 16020-2500 BA Den Haag - tel. 070-3307139 - fax. 070-3624568 - c.heck@knb.nl Beknopt advies inzake het Voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake besloten eenpersoonsvennootschappen met beperkte aansprakelijkheid ("SUP"), hierna: het Voorstel. 26 mei

Nadere informatie

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Eerste Kamer der Staten-Generaal Eerste Kamer der Staten-Generaal 1 Vergaderjaar 1996 1997 Nr. 352 24 139 Regels met betrekking tot naar buitenlands recht opgerichte, rechtspersoonlijkheid bezittende kapitaalvennootschappen die hun werkzaamheid

Nadere informatie

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer) 13 juli 1989*

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer) 13 juli 1989* SKATTEMINISTERIET / HENRIKSEN ARREST VAN HET HOF (Derde kamer) 13 juli 1989* In zaak 173/88, betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Højesteret, in het aldaar aanhangig

Nadere informatie

Faculteit der Rechtsgeleerdheid Amsterdam Center for International Law Postbus 1030 1000 BA Amsterdam

Faculteit der Rechtsgeleerdheid Amsterdam Center for International Law Postbus 1030 1000 BA Amsterdam Faculteit der Rechtsgeleerdheid Amsterdam Center for International Law Postbus 1030 1000 BA Amsterdam T 020 535 2637 Advies Luchtaanvallen IS(IS) Datum 24 september 2014 Opgemaakt door Prof. dr. P.A. Nollkaemper

Nadere informatie

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. Dividendbelasting; Inkomstenbelasting; Vennootschapsbelasting; EU-recht

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. Dividendbelasting; Inkomstenbelasting; Vennootschapsbelasting; EU-recht STAATSCOURANT Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. Nr. 22561 29 april 2016 Dividendbelasting; Inkomstenbelasting; Vennootschapsbelasting; EU-recht 25 april 2016 nr. DGB 2016/1731M

Nadere informatie

Omzendbrief 2014/2 ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

Omzendbrief 2014/2 /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Omzendbrief 2014/2 /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Omzendbrief betreffende art. 3.17.0.0.2 van de Vlaamse Codex

Nadere informatie

Statuut van Onafhankelijkheid

Statuut van Onafhankelijkheid Statuut van Onafhankelijkheid Zoals laatstelijk gewijzigd en vastgesteld door het bestuur van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs ingevolge artikel 6 lid 2 en artikel 12 lid 3 van de statuten van

Nadere informatie

Inhoudsopgave. Voorwoord / 9. Inleiding / 11

Inhoudsopgave. Voorwoord / 9. Inleiding / 11 Inhoudsopgave Voorwoord / 9 Inleiding / 11 1 Het toepasselijke recht op de internationale arbeidsovereenkomst / 13 1.1 Inleiding / 13 1.2 Rome I-Verordening en het EVO-Verdrag / 13 1.3 Arbeidsovereenkomst

Nadere informatie

BESLUIT. file://e:\archief1998\besluiten\bcm\bcm0890-9809.htm

BESLUIT. file://e:\archief1998\besluiten\bcm\bcm0890-9809.htm pagina 1 van 5 BESLUIT Besluit van de directeur-generaal van de Nederlandse mededingingsautoriteit als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de Mededingingswet. Zaak nr: 890/ECN - KEMA I. MELDING 1. Op

Nadere informatie

Rolnummer 3134. Arrest nr. 41/2005 van 16 februari 2005 A R R E S T

Rolnummer 3134. Arrest nr. 41/2005 van 16 februari 2005 A R R E S T Rolnummer 3134 Arrest nr. 41/2005 van 16 februari 2005 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag over artikel 3, 2, van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst, vóór de opheffing

Nadere informatie

De 30-dagenregeling: Revisited

De 30-dagenregeling: Revisited De 30-dagenregeling: Revisited Anna Gunn Inhoud 1. Achtergrond 2. De 30-dagenregeling (oud) 3. De 30-dagenregeling (nieuw) 4. Bevindingen 1. ACHTERGROND 1 De Nederlandse maritieme zones Maritieme zones:

Nadere informatie

Instelling. Onderwerp. Datum

Instelling. Onderwerp. Datum Instelling Ministerie van Justitie Onderwerp Wet betreffende de certificatie van effecten uitgegeven door handelsvennootschappen. Datum 15 juli 1998 Copyright and disclaimer Gelieve er nota van te nemen

Nadere informatie

ALGEMENE VOORWAARDEN. De Bedrijfsmakelaar.nl

ALGEMENE VOORWAARDEN. De Bedrijfsmakelaar.nl ALGEMENE VOORWAARDEN De Bedrijfsmakelaar.nl Deze algemene voorwaarden zijn van toepassing op de toegang en het gebruik van de website van De Bedrijfsmakelaar.nl. Deel I. Algemeen Artikel 1 Definities en

Nadere informatie

BENELUX COUR DE JUSTICE GERECHTSHOF. Zaak A 98/2 Campina Melkunie / Benelux-Merkenbureau

BENELUX COUR DE JUSTICE GERECHTSHOF. Zaak A 98/2 Campina Melkunie / Benelux-Merkenbureau COUR DE JUSTICE BENELUX GERECHTSHOF Zaak A 98/2 Campina Melkunie / Benelux-Merkenbureau Nadere conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda (stuk A 98/2/17) GRIFFIE REGENTSCHAPSSTRAAT 39 1000 BRUSSEL

Nadere informatie

Zaak T-205/99. Hyper Srl tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen

Zaak T-205/99. Hyper Srl tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen Zaak T-205/99 Hyper Srl tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen Douanerechten Invoer van televisietoestellen uit India Ongeldige certificaten van oorsprong Verzoek tot kwijtschelding van invoerrechten

Nadere informatie

BESLUIT. file://e:\archief1998\besluiten\bcm\bcm1069-9810.htm

BESLUIT. file://e:\archief1998\besluiten\bcm\bcm1069-9810.htm pagina 1 van 5 BESLUIT Besluit van de directeur-generaal van de Nederlandse mededingingsautoriteit als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de Mededingingswet. Zaaknummer: 1069/Low & Bonar-Waddington

Nadere informatie

BESLUIT. file://e:\archief1998\besluiten\bcm\bcm1064-9810.htm

BESLUIT. file://e:\archief1998\besluiten\bcm\bcm1064-9810.htm pagina 1 van 6 BESLUIT Besluit van de directeur-generaal van de Nederlandse mededingingsautoriteit als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de Mededingingswet. Zaaknummer: 1064/Friesland Coberco DF -

Nadere informatie

Feitelijke vereniging of VZW? Een overzicht

Feitelijke vereniging of VZW? Een overzicht Feitelijke vereniging of VZW? Een overzicht Ouders die zich willen engageren in de school van hun kind verenigen zich vaak in een ouderraad, oudervereniging, oudercomité. Verschillende begrippen die meestal

Nadere informatie

Rolnummers 5197, 5198 en 5199. Arrest nr. 192/2011 van 15 december 2011 A R R E S T

Rolnummers 5197, 5198 en 5199. Arrest nr. 192/2011 van 15 december 2011 A R R E S T Rolnummers 5197, 5198 en 5199 Arrest nr. 192/2011 van 15 december 2011 A R R E S T In zake : de prejudiciële vragen over de artikelen 2, 1 en 2, en 3, 2, van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken

Nadere informatie

Uw nummer (letter): 2014/28122 Uw brief van: 29 juli 2014 Ons nummer: 14082014.01 Willemstad, 14 augustus 2014

Uw nummer (letter): 2014/28122 Uw brief van: 29 juli 2014 Ons nummer: 14082014.01 Willemstad, 14 augustus 2014 Aan De Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning. De heer Earl Balborda Seru Arrarat z/n Alhier Uw nummer (letter): 2014/28122 Uw brief van: 29 juli 2014 Ons nummer: 14082014.01 Willemstad,

Nadere informatie

BESLUIT. file://e:\archief1998\besluiten\bcm\bcm0891-9807.htm

BESLUIT. file://e:\archief1998\besluiten\bcm\bcm0891-9807.htm pagina 1 van 6 BESLUIT Besluit van de directeur-generaal van de Nederlandse mededingingsautoriteit als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de Mededingingswet. Betreft: Zaak nr. 891 / debitel-cellway

Nadere informatie

Vertaling C-125/14-1. Zaak C-125/14. Verzoek om een prejudiciële beslissing. Fővárosi Törvényszék (Hongarije)

Vertaling C-125/14-1. Zaak C-125/14. Verzoek om een prejudiciële beslissing. Fővárosi Törvényszék (Hongarije) Vertaling C-125/14-1 Zaak C-125/14 Verzoek om een prejudiciële beslissing Datum van indiening: 18 maart 2014 Verwijzende rechter: Fővárosi Törvényszék (Hongarije) Datum van de verwijzingsbeslissing: 10

Nadere informatie

COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD

COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN Brussel, 14.3.2003 COM(2003) 114 definitief 2003/0050 (CNS) Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende de statistische gegevens die moeten worden gebruikt

Nadere informatie

EUROPEES PARLEMENT. Commissie verzoekschriften MEDEDELING AAN DE LEDEN

EUROPEES PARLEMENT. Commissie verzoekschriften MEDEDELING AAN DE LEDEN EUROPEES PARLEMENT 2004 Commissie verzoekschriften 2009 25.11.2008 MEDEDELING AAN DE LEDEN Betreft: Verzoekschrift 1103/2007, ingediend door Laurent Hermoye (Belgische nationaliteit), namens de vereniging

Nadere informatie

BRÜYLANT BRUSSEL-BRUXELLES 0 0 8

BRÜYLANT BRUSSEL-BRUXELLES 0 0 8 KATHOLIEKE UNIVERSITEIT LEUVEN (KULEUVEN) KATHOLIEKE UNIVERSITEIT BRUSSEL (HUB) CENTRUM VOOR INTELLECTUELE RECHTEN CENTRE FOR INTELLECTUAL PROPERTY RIGHTS CENTRE DE RECHERCHE EN PROPRIÉTÉ INTELLECTUELLE

Nadere informatie

Beroepsgeheim, deontologie en antiwitwas

Beroepsgeheim, deontologie en antiwitwas 1. Magistraten, Revisoren en Advocaten: drie beroepen met zware vereisten van morele orde die hun oorsprong vinden In de deontologische regels sensu stricto In de beroepsregels In de disciplinaire bepalingen

Nadere informatie

DISCRIMINATIE OP BASIS VAN HANDICAP EN GEZONDHEIDSTOESTAND IN DE ARBEIDSVERHOUDING

DISCRIMINATIE OP BASIS VAN HANDICAP EN GEZONDHEIDSTOESTAND IN DE ARBEIDSVERHOUDING DISCRIMINATIE OP BASIS VAN HANDICAP EN GEZONDHEIDSTOESTAND IN DE ARBEIDSVERHOUDING Anne RAHMÉ Frank HENDRICKX Othmar VANACHTER Aline VAN BEVER intersentia Antwerpen - Oxford INHOUD VOORWOORD. v HOOFDSTUK

Nadere informatie