Goud. Economisch Financiële Berichten. in dit nummer... Verloren glans? Goud Verloren glans?... 1 Krapte op de Belgische arbeidsmarkt...

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Goud. Economisch Financiële Berichten. in dit nummer... Verloren glans? Goud Verloren glans?... 1 Krapte op de Belgische arbeidsmarkt..."

Transcriptie

1 Maandelijks tijdschrift Jaargang 55 nr april 2 ISSN Goud Verloren glans? in dit nummer... Goud Verloren glans?... 1 Krapte op de Belgische arbeidsmarkt I n februari 198 bereikte de goudprijs een historisch hoogtepunt van 718 USD voor één troy ons (= 31,1 gram). In het spoor van de desinflatie in de industrielanden was hij daarna vrijwel voortdurend neerwaarts gericht. In de jaren 9 werd de prijsdaling nog geaccentueerd door de onzekerheid omtrent mogelijke goudverkopen door centrale banken en het Internationaal Muntfonds. In juli 1999 kostte een troy ons nog 253 USD, het laagste niveau in twintig jaar. Formele verklaringen dat goud in de komende jaren een belangrijk onderdeel van de monetaire reserves zal blijven, zorgden sindsdien voor een zeker prijsherstel. Al bij al ziet het ernaar uit dat de prijsbodem stilaan is bereikt en dat, vooral onder impuls van een stevige vraag vanuit de juwelensector, in het eerstkomende decennium vermoedelijk op een licht opwaartse prijstrend mag worden gerekend. Speculaties over officiële goudverkopen en plotselinge veranderingen van het rente- of beursklimaat zullen wel voor flink wat schommelingen blijven zorgen. Naast een industriële grondstof is goud van oudsher ook een financieel instrument. Deze laatste functie houdt verband met de monetaire rol die het gedurende een groot deel van de geldgeschiedenis vervulde (zie ook kader blz. 6). Onder de gouden standaard waren de nationale bankbiljetten en munten tegen een vaste koers omwisselbaar in goud en konden centrale banken het goud dat zij bezaten aanwenden om betalingsbalanstekorten te financieren. Dat was na de Tweede Wereldoorlog ook nog het geval onder het Bretton Woods-systeem, toen de USD door de centrale banken tegen een vaste koers in goud kon worden omgeruild. Sinds de ontmanteling van dit systeem in 1971 vervult goud geen monetaire rol meer, maar is het wel een belangrijk onderdeel van de reserves van de centrale banken gebleven. Ook particulieren houden nog goud aan uit beleggingsmotieven. In vergelijking met financiële activa, brengt het bezit van goud weliswaar geen rente of dividend op, maar de waarde ervan blijkt doorgaans beter bestand tegen een onverwacht opveren van de inflatie. Bovendien heeft goud bij vele beleggers in onzekere tijden nog steeds een aureool van veilige vluchthaven. Het relatieve belang van deze verschillende goudfuncties blijkt uit tabel I. Ongeveer 58 % van de totale bovengrondse goudvoorraad werd in 1998 gebruikt als industriële grondstof. Het leeuwendeel daarvan betreft goud dat verwerkt is in juwelen, maar er zijn nog andere industriële toepassingen, o.a. in de elektronica en de gezondheidszorg (vooral tandheelkunde). De overige 42 % wordt aangehouden als financiële reserve, hetzij door centrale banken en internationale instellingen (de officiële sector ), hetzij in de vorm van een belegging in fysiek goud door particulieren (inclusief institutionele beleggers). Economisch Financiële Berichten 1

2 Tabel I toont dat de verhouding tussen het industrieel en financieel gebruik de voorbije twee decennia grondig is gewijzigd. Eind 198 diende nog 55 % van de goudvoorraad voor financieel gebruik. Dat percentage is vooral in de jaren 9 vrij fors gedaald, hoofdzakelijk onder invloed van de nettogoudverkopen door de officiële sector. Vooral het aandeel van juwelen is in dezelfde periode daarentegen fors gestegen. Vanzelfsprekend is dit onderscheid tussen het industrieel en financieel gebruik niet haarfijn afgelijnd. Heel wat juwelen, medailles e.d. worden de facto aangehouden als belegging en maken dus eigenlijk deel uit van de financiële goudreserve. In tegenstelling tot de meeste andere grondstoffen wordt goud overigens niet verbruikt, maar gebruikt en ondergaat het in het productieproces geen onomkeerbare transformatie. Goudstaven kunnen zonder veel kosten en waardeverlies worden omgezet in munten en juwelen, en omgekeerd. Daardoor draagt nagenoeg al het jaarlijks nieuw ontgonnen goud cumulatief bij tot de bovengrondse goudvoorraad, die latent aanwezig blijft als een potentieel aanbod op de goudmarkt. Tabel I Aanwending van de bovengrondse goudvoorraad Eind 198 Eind 1998 In ton % totaal In ton % totaal Industrie Juwelen , ,9 Andere 9 8, ,1 Financieel Officiële sector (1) , ,2 Private beleggingen (2) , ,9 Totaal Bronnen: Gold Fields Mineral Services (GFMS), International Financial Statistics (IFS), eigen berekeningen. (1) Centrale banken en internationale financiële instellingen (o.a. IMF, BIS). (2) Hoofdzakelijk staven en munten. Primaire goudwinning Tussen 18 en 185 werd per jaar gemiddeld minder dan 25 ton goud uit de grond gehaald. De vondsten in Californië (1848), Australië (1851) en Zuid-Afrika (1886) deden dat gemiddelde in de tweede helft van de 19de eeuw ruim vertienvoudigen (zie grafiek I). Rond 19 bedroeg de jaarlijkse productie ongeveer 4 ton. Dat steeg verder naar 85 ton in 195. Vanaf 1948 zorgde de ontginning van nieuwe Zuid-Afrikaanse velden voor een verdere verhoging tot ruim 1 5 ton in 197. In dat jaar bracht Zuid-Afrika meer dan twee derde van de wereldgoudproductie voort. Na 197 ging de Zuid-Afrikaanse productie achteruit, maar dat belette niet dat de ontginning op wereldvlak vanaf de jaren 8 opnieuw een opwaartse trend volgde. Fijnere exploitatie- en raffinagetechnieken maakten het sindsdien immers mogelijk om nieuwe mijnen in o.a. de VS (Nevada), Australië en enkele opkomende nieuwe markten in gebruik te nemen. In 1998 werd ton goud opgehaald. Daarmee blijft het primaire goudaanbod bijzonder schaars. Ter vergelijking: in 1998 werd ruim 17 ton zilver en 14 miljoen ton koper gedolven. Merkwaardig is dat de primaire goudwinning sinds de jaren 8 nauwelijks door de daling van de goudprijs werd afgeremd. Heel wat goudproducenten voerden hun productie integendeel op, om zo hun inkomsten op peil te houden. In belangrijke producerende landen zoals Australië, Canada en Zuid-Afrika werd de negatieve impact van de prijsdaling op de winstmarges van de producenten bovendien deels gecompenseerd door depreciaties van hun nationale munten tegenover de USD. Daarnaast werd fors bespaard op de exploitatiekosten. Tussen 1989 en 1999 zakte de goudprijs in USD met 27 %, maar liepen ook de gemiddelde productiekosten in USD voor 2

3 de hele sector met 2 % terug. De rationalisatie was in alle goudmijnen wel niet even uitgesproken. In Zuid-Afrika kwam zij later op gang dan in de meeste andere producerende landen. Pas vanaf het midden van de jaren 9 volgde er een grondige herstructurering, met sluitingen van onrendabele mijnen en schaalvergroting door fusies en overnames, waardoor er vandaag nog maar een handvol Zuid-Afrikaanse goudmijnexploitanten zijn. Overigens is het wereldwijde primaire aanbod in handen van slechts een beperkt aantal producenten. Anders dan in de meeste oligopolistische sectoren, kan de goudprijs echter nauwelijks worden beïnvloed door kartelvorming en vrijwillige aanbodbeperkingen. Naast de primaire ontginning zorgt de mobilisatie van bestaande voorraden, in de vorm van recyclage of van een nettoverkoop van goud door beleggers, immers voor een belangrijk secundair aanbod op de goudmarkt, wat het prijszettingsvermogen van de producenten beperkt. De voorbije jaren nam dit secundaire aanbod stelselmatig sneller toe dan de primaire ontginning: in 1981 bedroeg het 24 % van het totale aanbod, in 1998 was dat 38 %. Ondanks de achteruitgang van de voorbije jaren, blijft Zuid-Afrika met een productie van 474 ton of 18,5 % van het totale primaire aanbod in 1998 de belangrijkste goudproducent, gevolgd door de VS (14,2 %), Australië (12,2 %), Canada (6,4 %) en Rusland (5, %). De jongste jaren verlegden de goudproducenten hun activiteiten wel steeds meer naar Latijns-Amerikaanse en Aziatische landen. Dat leidde tot een sterke productiegroei in o.a. China en vooral Indonesië. De totale ondergrondse goudreserves worden vandaag geschat op zowat 95 ton. Daarvan bevindt zich ongeveer 4 % in Zuid-Afrika, zodat dit land toch goed geplaatst blijft om zijn toonaangevende positie op de goudmarkt te behouden. Grafiek I Primaire goudontginning in de wereld ( ) In ton Europa (incl. ex-sovjetunie) Latijns-Amerika VS Canada Afrika, Azië, Oceanië Australië Zuid-Afrika Bronnen: Mitchell, GFMS. Goud als industriele grondstof In 1998 bedroeg de totale vraag naar goud voor industrieel gebruik ruim 3 7 ton. Ongeveer 85 % daarvan was afkomstig van de juwelenindustrie. Sinds 1981 is de vraag naar goud van de juwelenindustrie in volume bijna verviervoudigd. Dat weerspiegelt de forse toename van de vraag naar juwelen, die zelf verband houdt met de daling van de goudprijs en de algemene welvaartsgroei. Zeker in de industrielanden zijn juwelen geëvolueerd van exclusieve luxegoederen, hoofdzakelijk bestemd voor de rijksten, naar op ruimere schaal verhandelde duurzame consumptiegoederen die ook in het bereik liggen van de gemiddelde inkomensklassen. Daarnaast wordt de vraag naar juwelen tussen landen gedifferentieerd door verschillen in lokale consumentenvoorkeuren, culturele factoren en tradities die verband houden met de betekenis van juwelen als bruidsschat, uiting van welstand, e.d. In minder ontwikkelde landen met een zwak uitgebouwd financieel spaarwezen en een gebrekkig sociaal vangnet fungeert het bezit van gouden juwelen vaak als een alterna KBC Bank KVW41 Nr. 4 / 2 3

4 tieve sociale zekerheid. De aantrekkingskracht daarvan wordt vergroot door de bescherming die goud biedt tegen de vaak nog hoge inflatie in deze landen. Vooral in het Indiase subcontinent (India, Pakistan en Bangladesh), het Midden-Oosten en Zuidoost-Azië houden particulieren op grote schaal juwelen aan uit voorzorgsmotieven. Meestal gaat het om juwelen met een zeer hoog karaatsgehalte waarvan de marktwaarde de pure goudprijs van zeer dichtbij volgt, zodat ze vlot op de secundaire markt verkocht en/of in het productieproces gerecycleerd kunnen worden. De goudvraag in deze regio s is zeer prijselastisch en de prijsdaling van de voorbije jaren voedde er dan ook een bijzonder forse vraagexpansie. Samen waren de drie regio s goed voor meer dan de helft van de wereldwijde consumptie van gouden juwelen. Dat maakt de goudvraag van de juwelenindustrie op wereldvlak gevoelig voor factoren die de economische ontwikkelingen in deze regio s beïnvloeden, zoals mee- of tegenvallende landbouwoogsten in India of fluctuaties van de olieprijzen in het Midden-Oosten. Zo was de terugval van de goudvraag van de juwelenindustrie in 1998 ( 5,9 % tegenover 1997) uitsluitend te wijten aan de vraaguitval in Grafiek II Primaire goudontginning, recyclage en industriële vraag ( ) In ton Industrieel aanbod (primaire ontginning + recyclage) Primaire ontginning Industriële vraag Bron: GFMS. recyclage KBC Bank KVW42 Zuidoost-Azië als gevolg van de economische crisis in deze regio. Naast de juwelenindustrie vindt goud een afzet in tal van elektronische, decoratieve en medische toepassingen. Gouddraad wordt o.a. gebruikt in een brede waaier van consumentenelektronica en computers. Terwijl de sterke groei van de computerindustrie de voorbije jaren de goudvraag ondersteunde, waren er ook toepassingen waar de vraag neerwaarts was gericht, vooral in de defensieen ruimtevaartsector. Goud blijft voor al deze toepassingen trouwens een relatief dure grondstof. De betrokken industrieën streven dan ook voortdurend naar een beperking van het gebruik ervan, o.a. door gouddraad steeds dunner te maken of door goedkopere substituten te zoeken (bv. in de tandheelkunde). Alles samen is de vraag naar goud uit hoofde van deze toepassingen sinds 1981 ongeveer verdubbeld, d.i. een duidelijk tragere groei dan de vraagexpansie in de juwelenindustrie. In 1998 waren zij nog goed voor iets meer dan 1 % van de totale industriële vraag naar goud. Onder het industrieel gebruik van goud valt ook de aanmaak van medailles en officiële muntstukken. De markt van de officiële beleggingsmunten (o.a. Krugerrand (Zuid-Afrika) en Eagle (VS)) ontstond op het einde van de jaren 6 toen de particuliere beleggersinteresse voor goud begon toe te nemen. Zij kende vooral in de jaren 7 een sterke groei. Jaarlijks wordt zo n 2 à 3 % van het goudaanbod aangewend voor de aanmaak van dergelijke munten, al kan dat percentage van jaar tot jaar sterk variëren doordat heel wat munten worden uitgegeven naar aanleiding van eenmalige gebeurtenissen, verjaardagen, officiële evenementen De marktwaarde van deze munten is gelijk aan de goudkoers verhoogd met een premie van 4 tot 8 %, die de aanmaak- en commercialisatiekosten weerspiegelt 4

5 en schommelt onder invloed van de particuliere beleggersvraag naar goud. Tegenover de totale industriële vraag staat een industrieel aanbod dat niet alleen de primaire ontginning omvat, maar ook de recyclage van goud dat vroeger al in juwelen of andere industriële toepassingen werd verwerkt. Van de ton goud die in 1998 door de juwelenindustrie werd verwerkt, was aldus 59 ton (of ongeveer 16 %) afkomstig van recyclage. In de jaren 9 kwam gemiddeld 19 % van het totale industriële aanbod voort uit recyclage. Onder invloed van de Aziëcrisis bedroeg de recyclage in 1998 uitzonderlijk zelfs bijna 3 % van het totale industriële aanbod als gevolg van de massale verkopen van juwelen door particulieren in Zuidoost-Azie. Tot 1989 was het totale industriële aanbod (recyclage plus ontginning) ruim voldoende om de totale industriële vraag op de goudmarkt te dekken (zie grafiek II). Sindsdien overtreft die vraag evenwel voortdurend het aanbod. Het verschil tussen beide is per definitie gelijk aan het nettoaanbod van beleggingsgoud, d.w.z. goud dat als financiële reserve wordt aangehouden door de officiële sector of door particuliere beleggers. Vooral als gevolg van de goudverkopen van de officiële sector was dat netto-aanbod in de jaren 9 voortdurend positief. De prijsdaling die daarmee gepaard ging, ondersteunde op zijn beurt dan weer de toename van de industriële vraag, in vooral het prijsgevoelige juwelensegment. Officiële goudreserves Hoewel goud al sinds de jaren 7 geen officiële rol meer speelt in het internationaal monetair systeem, bleven de centrale banken en internationale instellingen tot het einde van de jaren 8 per saldo kopers van goud. Dat was vooral een gevolg van de reserveopbouw door centrale banken buiten de OESO (hoofdzakelijk in Azië). Sinds 1989 was de officiële sector evenwel ieder jaar nettoaanbieder op de goudmarkt (zie grafiek III), met o.a. de centrale banken van Canada, Australië, Nederland en België als belangrijke verkopers. Goud maakte in het midden van de jaren 8 een relatief groot aandeel in de totale officiële reserves van deze centrale banken uit. De verkopen waren dan ook in eerste instantie ingegeven door het streven naar een bredere diversificatie van hun reserves. In Canada en Australië speelde daarbij als bijkomende overweging dat een tekort aan bovengronds goud er snel door nieuwe ontginning vanuit de eigen mijnen kon worden aangevuld. In België was dan weer het streven naar een versnelde schuldafbouw een belangrijk verkoopsmotief. In de periode verkocht de Nationale Bank van België (NBB) ruim 1 ton of zowat driekwart van haar totale goudvoorraad. Dat was goed voor een meerwaarde van circa 325 miljard BEF die grotendeels werd aangewend voor de aflossing van de overheidsschuld. Het aandeel van goud in de officiële reserves van de NBB viel daardoor terug van 65 % eind 1988 naar 15 % tien jaar later. Grafiek III Nettogoudverkopen door de officiële sector ( ) Bron: GFMS. Nettogoudverkopen (in ton, linkse schaal) Goudkoers (in USD/troy ons, rechtse schaal) KBC Bank KVW43 Nr. 4 / 2 5

6 Goud als monetaire reserve De eerste officiële gouden muntstukken dateren van omstreeks 7 vóór Christus. In de middeleeuwen diende het edele metaal geregeld als betaalmiddel bij groothandelstransacties. Doordat het zeer schaars was, bleef het gebruik voor courante betalingen echter zeer beperkt. In het begin van de 18de eeuw koppelde Groot- Brittannië de waarde van zijn munt officieel aan goud (één Britse pond kreeg de waarde van 7,988 gram goud) en was daarmee lange tijd het enige land met een unieke gouden muntstandaard. Duitsland, Nederland, Oostenrijk en de Scandinavische landen legden tot het midden van de 19de eeuw de officiële waarde van hun munten vast tegenover zilver, terwijl Frankrijk, België, Zwitserland en de VS een bimetalliek stelsel hanteerden, d.w.z. aan hun munten een vaste pariteit gaven tegenover zowel goud als zilver. Vanaf 185 deden nieuwe ontginningen in Californië en Australië de beschikbare goudvoorraad sterk toenemen. Dat zette de marktprijs van goud tegenover zilver tijdelijk onder neerwaartse druk. Daardoor werd het interessant om met zilver goud op de markt te kopen en dat vervolgens in landen met een bimetalliek muntstelsel tegen de hogere officiële pariteit aan te munten. De toevloed van goud in deze landen vertaalde zich aanvankelijk vooral in een sterke groei van de gouden munten in omloop, terwijl de goudreserves van de centrale banken relatief beperkt bleven. Omstreeks 1875 circuleerden er voor ongeveer 3 ton gouden munten, dat was bijna het drievoud van de reserves van de centrale banken. De lichte terugval van de goudproductie tussen 186 en 189 en een sterke groei van de zilvervoorraden deden vanaf omstreeks 187 de marktprijs van goud tegenover zilver fors oplopen. Dit keer waren het de landen met een officiële zilverpariteit die kregen af te rekenen met een invoer van zilver dat er tegen de hogere officiële koers werd aangemunt. De monetaire instabiliteit die dat veroorzaakte, zette de meeste van deze landen er vanaf 187 toe aan om, naar het Britse voorbeeld, de officiële waarde van hun munt nog enkel tegenover goud vast te leggen. Op het einde van de 19de eeuw waren alle belangrijke industrielanden aldus op de gouden standaard overgeschakeld. De centrale banken van deze landen verbonden zich ertoe dat hun officiële bankbiljetten en munten bij hen tegen een vaste koers in goud konden worden omgewisseld. De garantie van deze goudconvertibiliteit vereiste dat zij zelf over voldoende goudreserves beschikten. In samenhang met de terugval van de wereldgoudproductie tussen 186 en 189 had zij ook als gevolg dat de groei van de totale geldhoeveelheid beperkt bleef. Dat bracht in die periode een deflatietendens op gang in vele industrielanden. Via hun vaste goudpariteiten waren de munten van de deelnemende landen vast aan elkaar gekoppeld en kon goud ook tussen centrale banken worden gebruikt als betaalmiddel ter financiering van betalingsbalanstekorten. In de praktijk werden betalingsbalansonevenwichtigheden evenwel vooral bijgestuurd door renteverschillen. Landen met externe tekorten verhoogden hun rente om buitenlands kapitaal aan te trekken. Groot-Brittannië was tot 1914 duidelijk dominant in het systeem. De Britse munt genoot zoveel vertrouwen dat vooral de kleinere landen een belangrijk deel van hun reserves niet in goud, maar in Britse ponden aanhielden. In de aanloop naar de Eerste Wereldoorlog voerden de meeste centrale banken hun goudreserves sterk op. Dat was mogelijk dankzij goudvondsten in Zuid-Afrika die vanaf 1895 de groei van de goudvoorraad opnieuw deden versnellen. Tijdens de oorlog werd de goudconvertibiliteit tijdelijk opgeschort en liep in de meeste industrielanden het prijspeil fors op als gevolg van een aanzienlijke creatie van papieren geld. Door de oorlogsinflatie ontstond een aanzienlijke discrepantie tussen de uitstaande nominale verplichtingen van de centrale banken en de fysiek beschikbare goudvoorraad. Toch werden de goudconvertibiliteit van het Britse pond en van de Amerikaanse dollar in de jaren 2 aanvankelijk hersteld tegen de irrealistische vooroorlogse pariteit. Toen in 1931 het Britse pond en in 1934 de dollar werden gedevalueerd, veroorzaakte dat zware wisselkoersverliezen in landen zoals België en Nederland, die een groot deel van hun reserves in deze munten aanhielden. Samen met de economische depressie en de oplopende internationale spanningen lag dit in de jaren 3 aan de oorsprong van een ware vlucht naar goud zowel door centrale banken als door particulieren. In 1944 werd in Bretton Woods het Internationaal Muntfonds (IMF) gecreëerd en een wisselkoersregime ingevoerd waarbij alle deelnemende landen hun munten vastkoppelden aan de dollar, die zelf tegen een vaste 6

7 pariteit in goud kon worden omgezet, zij het alleen nog door centrale banken. Naarmate de naoorlogse economische wederopbouw vorderde, konden de centrale banken op het Europese vasteland in de daaropvolgende jaren hun reserves fors uitbreiden. De totale officiële goudreserves stegen daardoor van ongeveer 29 ton in 1948 tot ruim 37 5 ton in Tegelijk vond een ingrijpende herverdeling van deze reserves plaats. De VS, die in de eerste jaren van het Bretton Woods-regime nog over meer dan twee derde van alle officiële goudreserves beschikten, waren als gevolg van oplopende betalingsbalanstekorten vanaf het einde van de jaren 5 immers voortdurend verplicht om goud te verkopen om de goudpariteit van de dollar te handhaven. Deze chronische betalingsbalanstekorten deden de dollartegoeden in de rest van de wereld fors stijgen. Zo groeide er een wanverhouding tussen de omvang van deze tegoeden en de VS-goudvoorraad, wat het vertrouwen in de dollar ondermijnde. In het begin van de jaren 6 vormden de centrale banken van de VS, het VK, Duitsland, Frankrijk, Italië, Nederland, België en Zwitserland een goudpool met de uitdrukkelijke bedoeling om door gezamenlijke aan- en verkopen de goudprijs rond de officiële pariteit tegenover de dollar te stabiliseren. Dit mechanisme werkte behoorlijk tot 1967, toen de devaluatie van het Britse pond en oplopende begrotingstekorten en inflatie in de VS de speculaties tegen de dollar hoog deden oplaaien. De speculatie verplichtte de deelnemers aan de goudpool omvangrijke hoeveelheden goud uit hun officiële reserves te verkopen. In maart 1968 werd een einde gemaakt aan de goudpool, maar verbonden de centrale banken zich er tegelijk toe om zelf geen goud meer op de wereldmarkt te kopen of te verkopen. Op die manier werd de verhandeling van goud formeel opgesplitst in een officiële markt (tegen de officiële koers tussen centrale banken) en een vrije markt. In 1968 werden ook de Speciale Trekkingsrechten (STR) ingevoerd als een alternatieve internationale reserve-eenheid, met dezelfde officiële goudwaarde als de dollar (1 STR = 1 USD =,889 gram goud). De bedoeling daarvan was de behoeften aan dollartegoeden buiten de VS te beperken, maar dat veranderde weinig aan het probleem van de externe tekorten van de VS. In augustus 1971 werd de goudconvertibiliteit van de dollar uiteindelijk opgeheven en stortte het Bretton Woods-systeem in elkaar. De waarde van de STR s bleef wel nog formeel uitgedrukt in goud tot 1976, toen zij werd vervangen door een korfformule met diverse samenstellende munten. Sindsdien heeft goud zijn officiële rol in het internationaal monetaire systeem definitief verloren. In 1976 besliste het IMF ook om over een periode van vier jaar een zesde van haar goudreserves (of 778 ton) te verkopen. De goudverkopen van de centrale banken van de grootste industrielanden daarentegen waren tot dusver per saldo zeer beperkt, zodat de huidige officiële goudreserves nog steeds grotendeels de weerspiegeling zijn van de verhoudingen die de wereldeconomie in het begin van de jaren 7 kenmerkten. Zo bleven de reserves van de VS sindsdien nagenoeg onveranderd op ruim 8 1 ton en hebben de beperkingen op het goudbezit die in Japan bestonden, als gevolg dat goud in dit land nog steeds slechts een fractie van de totale reserves uitmaakt. De grootste officiële goudbezitter vandaag is het Eurosysteem, d.w.z. de Europese Centrale Bank en de centrale banken van de 11 EMU-landen die samen ruim 12 5 ton goud of meer dan 35 % van alle officiële goudreserves aanhouden (zie tabel II). Tabel II Goudreserves van de officiële sector In ton Eind In % (1) VS ,1 Duitsland ,1 Frankrijk ,3 Zwitserland ,5 Italië ,6 Nederland ,8 Japan ,4 VK (2) 16,4 België ,5 Luxemburg ,5 Internationale instellingen n.b. wrv. IMF n.b. ECB 747 n.b. BIS 23 n.b. Totale officiële reserve n.b. Eurosysteem (3) ,4 Bronnen: IMF (IFS), World Gold Council. (1) Van de totale reserves, berekend op basis van een goudprijs van 28 USD/troy ons. (2) Situatie na de derde goudverkoop van 25 ton op 29 november (3) ECB + reserves nationale banken van de 11 EMU-landen. Nr. 4 / 2 7

8 Het perspectief van de Europese Muntunie (EMU) deed vanaf het midden van de jaren 9 op de goudmarkt de vrees ontstaan dat een aantal Europese centrale banken een deel van hun goudreserves van de hand zouden doen. De uitschakeling van de wisselkoersrisico s tussen de EMU-landen zou hun behoefte aan reserves immers fors reduceren. Het Verdrag van Maastricht bepaalde dat de Europese Centrale Bank (ECB) slechts 5 miljard EUR monetaire reserves zou aanhouden, terwijl de reserves van de centrale banken van de elf toekomstige EMU-landen eind 1995 ongeveer het negenvoud daarvan bedroegen. Ruim 35 % daarvan bestond uit goud en verwacht werd dat dit percentage tot 1 à 15 % zou worden afgebouwd. De verwachting van omvangrijke officiële goudverkopen werd vanaf 1997 verder gevoed door de intentie van de Zwitserse centrale bank om 1 3 ton op de markt te brengen en door plannen van het IMF om 1 % van haar goudreserves te verkopen en met de opbrengst daarvan de schulden van de armste ontwikkelingslanden te verlichten. Toen in mei 1999 ten slotte ook de Britse centrale bank bekendmaakte dat ze in vijf jaar 6 % van haar voorraad zou verkopen, deed dat de goudprijs kelderen naar een dieptepunt van 253 USD per troy ons in juli 1999, het laagste peil in twintig jaar. Toch bleven de effectieve verkopen van de officiële sector tot dusver relatief beperkt. In resulteerden zij in een nettoaanbod van ton, d.i. slechts iets meer dan 1 % van de totale officiële goudvoorraad. Het was evenwel vooral de onzekerheid omtrent mogelijke verkopen die een domper zette op het koersverloop. Paradoxaal genoeg hebben de centrale banken het zelf mee mogelijk gemaakt dat deze onzekerheid de goudkoers daadwerkelijk deed dalen. In het kader van een efficiënter beheer waren zij sinds het midden van de jaren 8 immers begonnen met goudleningen toe te staan waarop zij een rente van 1 à 3 % verdienden. Deze leningen hebben initieel hetzelfde effect op de prijs als een daadwerkelijke verkoop. Het geleende goud wordt door de tegenpartij onmiddellijk op de markt verkocht, waardoor er een versneld aanbod ontstaat, en later terugbetaald met nieuw ontgonnen goud of met nieuwe goudaankopen of -leningen. Doordat de voorbije jaren de hoeveelheid uitgeleend goud ieder jaar hoger lag, was dit versneld aanbod telkens groter dan het goud dat nadien aan de centrale banken werd teruggegeven, wat de prijs voortdurend onder neerwaartse druk zette. De forse prijsdaling in de eerste helft van 1999 deed het IMF uiteindelijk van haar goudverkopen afzien. De opbrengst daarvan en dus de feitelijke schuldverlichting van de armste landen zou immers niet meer opwegen tegen het inkomstenverlies dat sommige van die landen, die zelf voor een groot deel van de goudontginning leven, door de prijsdaling dreigden te leiden. In september 1999 stelde het Amerikaanse Congres zijn veto tegen de geplande IMF-verkopen. Enkele weken later kondigde de ECB samen met de centrale banken van de elf EMU-landen, het VK, Zwitserland en Zweden in de zgn. Verklaring van Washington aan dat zij hun gezamenlijke goudverkopen gedurende vijf jaar zouden beperken tot 4 ton per jaar en het volume goudleningen niet meer zouden uitbreiden. Tegelijk bevestigden zij uitdrukkelijk dat goud in de toekomst een belangrijke rol zou blijven spelen als internationale reserve. Deze verklaring deed in het najaar van 1999 de goudkoers opnieuw fors opveren. Beleggingsvraag van de particuliere sector Zoals al opgemerkt, valt de beleggersvraag van de particuliere sector naar goud niet 8

9 scherp van de industriële vraag te scheiden. Stricto sensu omvat zij enkel het fysieke goud dat in de vorm van goudstaven en zgn. goudplaatjes door particulieren en institutionele beleggers wordt aangehouden. De statistieken maken daarbij een onderscheid tussen enerzijds de nettobeleggersvraag in Europa en Noord-Amerika (het Westen ) en anderzijds de netto-oppotting van goudstaven in de rest van de wereld (de ontwikkelingslanden ). Deze beide componenten van de beleggersvraag vertoonden de voorbije jaren een opvallend verschillende dynamiek (zie grafiek IV). In de jaren en deden de olieprijsschokken, en de politieke en economische onzekerheid die daarmee gepaard ging, de Westerse beleggersvraag naar goud fors toenemen. Goud bood in die jaren bescherming tegen de forse inflatieversnelling, terwijl obligatie- en aandelenbeleggingen toen integendeel negatieve reële rendementen lieten optekenen (zie ook kader blz. 1). Vanaf 1981 volgde in de industrielanden, op enkele kortstondige onderbrekingen na, een langdurige periode van desinflatie, rentedaling en hausse op de aandelenmarkten. Dat deed de interesse van Westerse beleggers voor goud aanzienlijk teruglopen. Niettemin waren er nog tijdelijke hausses van de goudvraag op momenten van politieke onzekerheid of economische instabiliteit, bv. na het uitbreken van de internationale schuldencrisis (1983), de beurscrash in 1987, de Golfoorlog (199), de inflatieversnelling in de VS en de EMS-crisissen in en, meer recent, de financiële crisis in Rusland en het faillissement van het LTCM- hedge fund in Tegenover de tanende westerse interesse stond de voorbije jaren een aanhoudend sterke beleggersvraag naar goud vanuit de rest van de wereld. In sommige landen (zoals India) speelde de vrijmaking van het goudstavenbezit daarbij een rol. In vele ontwikkelingslanden Grafiek IV Netto-investeringsvraag in het Westen en de ontwikkelingslanden ( ) Westen (in ton, linkse schaal) Ontwikkelingslanden (in ton, linkse schaal) Goudkoers (in USD/troy ons, rechtse schaal) Bron: GFMS. KBC Bank KVW44 hebben beleggers nog steeds moeilijk toegang tot de internationale financiële markten en dus tot alternatieve beleggingen. Bovendien worden die landen vaak nog gekenmerkt door hoge inflatie (bv. Latijns-Amerika) en geregelde opflakkeringen van politieke instabiliteit (bv. in het Midden-Oosten) wat er de aantrekkingskracht van goudbeleggingen vergroot. Alles samen resulteerden de beleggingen van beleggers uit de ontwikkelingslanden in in een vraag naar ton goud. Westerse beleggers daarentegen desinvesteerden in dezelfde periode per saldo 142 ton. Opvallend is dat de westerse beleggersvraag en die van de ontwikkelinglanden tegengesteld gecorreleerd zijn met de ontwikkeling van de goudprijs. In het Westen gaat een toename van die vraag meestal gepaard met een stijging van de prijs, en omgekeerd. In de rest van de wereld daarentegen blijkt de correlatie tussen prijs en vraag meestal negatief. Dalingen van de goudkoers doen er de beleggersvraag toenemen, terwijl goudprijsstijgingen er die vraag afremmen. Een en ander illustreert de nog steeds dominante invloed van de westerse beleggersvraag op de goudprijs. Deze invloed loopt trouwens hoe langer hoe min Nr. 4 / 2 9

10 Inflatie en Reëel rendement van financiële beleggingen (in bef, index basis 197 = 1) Jaarstijging consumptieprijsindex (in %, rechtse schaal) Reëel rendement belegging op (linkse schaal): Aandelen Obligaties Goud Bronnen: Datastream, eigen berekeningen KBC Bank KVW45 Een belegger die in januari 197 voor 1 BEF goud kocht, zag zijn belegd vermogen, gecorrigeerd voor de inflatie, in de loop van de jaren 7 meer dan vervijfvoudigen tot ruim 54 BEF begin 198. Van dezelfde belegging in aandelen en obligaties hield hij reëel respectievelijk 99 6 en 9 1 BEF over. Daartegenover staat dat bij dezelfde belegging in januari 198 het in goud belegde kapitaal, opnieuw gecorrigeerd voor de inflatie, eind 1999 zou zijn gereduceerd tot 3 5 BEF, terwijl het bij aandelen en obligaties zou zijn gestegen tot ongeveer BEF respectievelijk 36 BEF. Dit neemt niet weg dat een belegger ook in deze periode door op de juiste momenten in en uit goud te stappen mooie rendementen kon realiseren. Ook op kortere termijn bestaat er een uitgesproken negatieve correlatie tussen het verloop van de goudkoers enerzijds en de aandelen- en obligatiekoersen anderzijds. Daardoor blijft goud nog steeds een geschikt diversificatie-instrument in een ruimere beleggingsportefeuille. der via de fysieke goudmarkt en steeds meer via de handel op de papieren goudmarkten, zoals COMEX in de VS en TOCOM in Japan, waar via termijn- en optiecontracten op de ontwikkeling van de goudprijs kan worden gespeculeerd. Deze contracten leiden slechts uiterst zelden tot een fysieke levering van goud, want meestal wordt de transactie vóór de vervaldag (d.i. de leveringsdag) tegengedraaid en nemen de betrokken partijen daarbij winst of verlies. Het totale aantal verhandelde termijncontracten op COMEX en TOCOM bedroeg in 1998 meer dan 18 miljoen of een equivalent van ruim 37 ton goud. Op COMEX werden datzelfde jaar ook bijna 2 miljoen opties verhandeld, goed voor een goudequivalent van bijna 6 ton. Daarmee bedroeg de totale verhandeling van papieren goud op deze markten in 1998 ruim een tienvoud van de totale vraag naar fysiek goud. Naast deze gestandaardiseerde papieren markten ontwikkelde zich de voorbije jaren een belangrijke over-the-counter -markt waar vooral transacties plaatsvinden tussen professionele marktintermediairs (de zgn. bullion banks ) en hun cliënten, dat zijn de officiële sector en de goudproducenten. De goudproducenten wenden zich tot deze markt om hun financieringskosten te drukken of om zich tegen het risico van prijsdalingen in te dekken. Dat gebeurt via transacties waarbij o.a. de bovengenoemde goudleningen centraal staan. Door de relatief lage interest (1 à 3 %) in vergelijking met de rente op klassieke geldleningen gebruikten de producenten deze leningen aanvankelijk vooral als een goedkoop financieringsalternatief. In de jaren 9 werd dit interestvoordeel uitgehold door de dalende marktrente en ruimde het financieringsmotief steeds meer plaats voor een afdekkingsmotief. Om zich tegen prijsdalingen in te dekken, sluiten de producenten nu termijncontracten af met gespecialiseerde bullion banks die zich zelf tegen een prijsdaling beschermen door 1

11 goud te lenen bij de centrale banken. Door het actiever en veelvuldiger uitlenen van goud door de officiële sector werd de goudmarkt liquider en kon het gamma afdekkingstechnieken worden uitgebreid. Naarmate de vrees voor een aanhoudende prijsdaling groeide, werden deze technieken ook actiever gebruikt en resulteerden zij in een toenemend effectief nettoaanbod van goud. In de jaren 9 sproot gemiddeld zo n 7 % van het totale aanbod op de goudmarkt voort uit afdekkingsactiviteiten van de producenten, tegenover 3,5 % in de jaren 8. Op die manier waren deze activiteiten natuurlijk zelf deels verantwoordelijk voor de daling van de goudkoers. De plotse omslag van de goudprijs in het najaar van 1999 illustreert evenwel de risico s die dat inhoudt als de prijs onverwacht in de andere richting beweegt. De forse prijsstijging die volgde op de verklaring van Washington (zie boven), was in belangrijke mate het gevolg van massale aankopen door goudproducenten en speculanten die aanzienlijke short-posities hadden ingenomen. Dit betekent dat zij op de termijnmarkt goud hadden verkocht in de verwachting dat later goedkoper te kunnen aankopen. Door de prijsstijging werden deze posities verliesgevend en begonnen zij op grote schaal goud te kopen om de schade te beperken. Dat ondersteunde de prijs echter nog meer. Door de onverwachte prijsstijging moesten ook steeds meer open optieposities door aankopen van goud worden afgedekt. Dat laatste bracht o.m. de Ghanese goudgroep Ashanti in zware liquiditeitsproblemen. Prijsbodem bereikt? Als het huidige ontginningstempo wordt aangehouden, zal ten laatste rond 237 de laatste ton goud zijn bovengehaald. Waarschijnlijk zal de primaire ontginning vooral in de tweede helft van het lopende decennium echter terugvallen. Het rationalisatieproces in de sector is immers nog niet achter de rug en verschillende producenten hebben onder druk van de lage prijs hun exploratiebudgetten de voorbije jaren teruggeschroefd. Normaal gezien kan deze beperking van het primaire aanbod de goudprijs op termijn wat ondersteunen. Daarnaast zal in de komende jaren de officiële sector per saldo wellicht niet veel invloed op het goudaanbod en dus ook niet op de prijsvorming uitoefenen. De centrale banken die in 1999 hebben aangekondigd dat goud een essentieel bestanddeel van hun reserves zal blijven uitmaken, zijn samen goed voor zowat 85 % van de totale officiële goudreserves en men mag ervan uitgaan dat de centrale banken in de opkomende markten hun reserves nog geleidelijk zullen aanvullen. De industriële vraag naar goud zal in de lift blijven zitten, vooral dankzij de juwelensector en de opkomende markten (met op termijn bv. een belangrijk groeipotentieel in China). Toch zal zij globaal allicht wat minder stijgen dan in de voorbije twee decennia, toen zij juist werd gesteund door een forse daling van de goudprijs. Anderzijds is het onwaarschijnlijk dat in de westerse landen de beleggersinteresse voor goud opnieuw zal toenemen. Er zijn immers weinig redenen om aan te nemen dat de inflatie fors zal opveren. Bovendien zullen de verbeterde situatie van de overheidsfinanciën en de grotere geloofwaardigheid van de centrale banken het beleggingsklimaat in het voordeel van financiële activa blijven beïnvloeden. Alles bij elkaar betekent dit dat in het komende decennium vermoedelijk toch op een licht opwaartse trend van de goudprijs mag worden gerekend. Maar speculaties over mogelijke verkopen door de officiële sector of plotse veranderingen in het rente- en beursklimaat zullen op korte termijn ongetwijfeld flink wat prijsschommelingen blijven veroorzaken. Nr. 4 / 2 11

12 Krapte op de Belgische arbeidsmarkt De voorbije maanden waren er steeds duidelijker tekenen van toenemende krapte op de Belgische, en vooral dan de Vlaamse arbeidsmarkt. Toch bestaat er naast de talrijke openstaande vacatures ook nog steeds een grote onbenutte arbeidsreserve. De voornaamste verklaringen hiervoor zijn het kwalitatief en regionaal slecht op elkaar afgestemd zijn van arbeidsvraag en -aanbod, de financiële werkloosheidsvallen en de nog altijd aanzienlijke vervroegde uittreding van ouderen uit de arbeidsmarkt. Meer drastische maatregelen die de beschik- en inzetbaarheid van de bevolking op de arbeidsmarkt verhogen, zijn dringend, aangezien de effecten hiervan zich meestal pas met vertraging manifesteren en al over enkele jaren de bevolking op arbeidsleeftijd zal beginnen af te nemen Blijkens de conjunctuurenquêtes van de Nationale Bank is het percentage bedrijfsleiders uit de verwerkende nijverheid met een tekort aan arbeidskrachten sinds 1996 fors toegenomen. Eind 1999 bereikte het zelfs het hoogste peil sinds 199. Ook het aantal openstaande vacatures bij de openbare arbeidsbureaus (VDAB in Vlaanderen, FOREM in Wallonië en BGDA in Brussel) bereikte eind 1999 het hoogste niveau in meer dan tien jaar en lag toen 38 % hoger dan een jaar eerder Grafiek I Tekorten op de Belgische arbeidsmarkt Openstaande vacatures op het einde van de maand (in, kwartaalgemiddelde, linkse schaal) Aantal bedrijven met een tekort aan arbeidskrachten (verwerkende nijverheid, in % van het totaal, rechtse schaal) Reëel BBP (jaargroei in %, rechtse schaal) Bronnen: NBB, RVA. KBC Bank JVG (zie grafiek I). Vooral in het Vlaams Gewest is het aantal openstaande VDAB-betrekkingen sterk gestegen, van gemiddeld,6 % van de werkgelegenheid in 1995 tot 1,4 % in In het Waals Gewest liep die verhouding in diezelfde periode op van,3 % tot,6 % (1). Deze toename is in de beide gewesten deels toe te schrijven aan de uitbreiding van de dienstverlening door de openbare arbeidsbemiddelaars, zoals de invoering van het WIS- en KISS-systeem door de VDAB en de samenwerking met uitzendkantoren en selectiebureaus. Die factor wordt grotendeels uitgeschakeld door het aantal openstaande vacatures op het einde van de maand te relateren tot het aantal in dezelfde maand ontvangen vacatures. De toename van die verhouding in Vlaanderen en Wallonië, van gemiddeld 1,8 respectievelijk 1,1 in 1995 tot gemiddeld 2,3 en 1,7 in 1999, duidt erop dat het de voorbije jaren alsmaar langer duurt vooraleer vacatures ingevuld geraken. De openbare arbeidskantoren bestrijken niet de volledige vacaturemarkt. Slechts ongeveer een vijfde van het totale aantal vacatures zou via hen worden ingevuld. De totale omvang van de vacaturemarkt kan echter moeilijk precies worden bepaald, aangezien bedrijven werknemers werven via diverse kanalen 12

13 gaande van kranten- en internetadvertenties, uitzend- en arbeidsbemiddelingskantoren tot informele kanalen (eigen personeel, externe relaties, ). Enquêtes leren wel dat bedrijven de voorbije jaren vaker meerdere kanalen inzetten bij hun zoektocht naar nieuwe werknemers (2). Anderzijds blijkt ook dat de openbare arbeidsbureaus relatief vaker worden ingeschakeld als deze alternatieve kanalen in periodes van krappere arbeidsmarkt hun limieten bereiken (3). Ook dat verklaart allicht de forse recente toename van de openstaande vacatures bij de openbare arbeidsbemiddelaars. Zij beschikken overigens als enige over gedetailleerde historische vacaturecijfers die het mogelijk maken om regio- en beroepsspecifieke knelpunten op de arbeidsmarkt te detecteren. De recente verkrapping van de Belgische arbeidsmarkt komt eveneens tot uiting in het verloop van de werkloosheid, al bestaan er in dit opzicht opnieuw significante verschillen tussen de gewesten. Eind 1999 bedroeg het aantal niet-werkende werkzoekenden in België , d.i. 6,4 % minder dan eind 1998 en het laagste cijfer sinds In het Vlaams Gewest lag dat aantal zelfs 12 % lager dan een jaar vroeger, tegenover respectievelijk slechts 2,6 % en 3,3 % in het Waals en Brussels Gewest. De werkloosheidsgraad, gemeten als de verhouding tussen de niet-werkende werkzoekenden en de totale beroepsbevolking, bedroeg in het Vlaams Gewest eind 1999 nog 7,1 %, d.i. ruim minder dan de helft van de Waalse (17,2 %) en de Brusselse (17,9 %). Symptomatisch voor de krapte is ook dat de instroom van jongeren op de arbeidsmarkt nu veel sneller door de bedrijven wordt geabsorbeerd. Eind 1999 lag de jongerenwerkloosheid ( 25 jaar) in het Vlaams Gewest 17 % lager dan eind In het Waals en Brussels Gewest was die tendens opnieuw minder zichtbaar en daalde de jongerenwerkloosheid in diezelfde periode slechts met respectievelijk 2,8 % en 1,1 %. Onderbenut arbeidspotentieel De krapte op de arbeidsmarkt weerspiegelt de gunstige economische conjunctuur in , en ook de grotere arbeidsintensiteit van de economische groei in vergelijking met de voorgaande jaren. In werden circa 87 nieuwe arbeidsplaatsen geschapen, dat is een toename van de werkgelegenheid met gemiddeld 1,2 % per jaar bij een economische groei van 2,5 % per jaar. In werd een economische groei van 2,3 % per jaar opgetekend, maar dat ging toen gepaard met een jaarlijkse werkgelegenheidsgroei van slechts,6 %. Gelet op de fase van de conjunctuurcyclus is deze hogere arbeidsintensiteit niet ongewoon. Als een conjunctuurversnelling op gang komt, zoals in 1997, kunnen bedrijven hun activiteiten aanvankelijk opvoeren door een vollediger aanwending van de al aanwezige arbeid. Daardoor creëert de activiteitsexpansie in een eerste fase relatief minder nieuwe werkgelegenheid. Pas in een meer gevorderde expansiefase, zoals in , gaan zij op grotere schaal over tot nieuwe aanwervingen. Los van dit cyclische aspect, werd de hogere arbeidsintensiteit nog in de hand gewerkt door de algemene loonmatiging en de lastenverlagingen, wat de substitutie van arbeid door kapitaal afremde, en door het activeringsbeleid van de overheid. Dat beleid was de afgelopen jaren vooral gericht op de jobcreatie voor laaggeschoolde, langdurige werklozen. Het gaat hier in hoofdzaak om de activering van de werkloosheidsuitkeringen via de Plaatselijke Werkgelegenheidsagentschappen (PWA s), de Smetbanen en de doorstromingsprogramma s. Circa een vijfde van de nettojobcreatie in was aan deze maatregelen toe te schrijven. Mede doordat het activeringsbeleid nagenoeg uitsluitend deeltijdse jobs creëerde, liep trouwens ook het aandeel van deeltijdarbeid in de totale werkgelegenheid op van Nr. 4 / 2 13

14 13,7 % in 1995 tot naar raming 16 % in Grafiek II Ontwikkeling van de budgettaire werkloosheid (juni-cijfers, in ) Werkgelegenheidsprogramma s (1) Loopbaanonderbrekers Werkloosheidsonderbrekers (om sociale en familiale redenen) Oudere niet-werkzoekende werklozen Bruggepensioneerden Niet-werkende werkzoekenden: inactiviteitsduur > 1 jaar inactiviteitsduur < 1 jaar Bronnen: MTA, NBB. (1) TWW/BTK, DAC, PRIME, GESCO, jongerenstages, interdepartementaal begrotingsfonds, KB 123 en KB 258, leningen werklozen, PWA, doorstromingsprogramma s en Smetbanen. KBC Bank JVG42 Door deze jobcreatie steeg de werkgelegenheidsgraad (d.i. de verhouding tussen de werkenden en de bevolking op arbeidsleeftijd) geleidelijk van een dieptepunt van 55,8 % in 1993 tot 58 % in Berekend in voltijdbaanequivalenten was deze toename geringer, van 53 % in 1993 tot 53,7 % in 1998 en naar schatting 54 % in Dat is nog altijd lager dan het EU-gemiddelde van 55,7 % in Deze relatief lage werkgelegenheidsgraad in België heeft deels te maken met de relatief late toetreding van jongeren tot de arbeidsmarkt, maar vooral met de vervroegde uittreding van ouderen als gevolg van het gulle brugpensioenregime en het grote aantal oudere werklozen die worden vrijgesteld van inschrijving als werkzoekende. Het aantal bruggepensioneerden is de laatste jaren wel gekrompen, maar dat werd ruimschoots tenietgedaan door de sterke stijging van het aantal vrijgestelde oudere werklozen. Per saldo hadden deze uittredingsstelsels sinds 1995 een negatieve impact van bijna 5 eenheden op de beroepsbevolking. Daarnaast nam ook het aantal loopbaanonderbrekers sinds 1995 met circa 3 toe. De invloed van dit laatste regime op het arbeidsaanbod is evenwel ambivalent. Het is immers best mogelijk dat zonder de mogelijkheid van tijdelijke loopbaanonderbreking een deel van de betrokkenen zich helemaal niet op de arbeidsmarkt zou aanbieden of deze definitief zou verlaten. De onderbenuttingsgraad op de arbeidsmarkt, gemeten als de verhouding van de niet-werkende werkzoekenden en de op non-actief geplaatsten (bruggepensioneerden, vrijgestelde werklozen (4) en loopbaanonderbrekers) tot de som van deze groepen en de werkende beroepsbevolking, bedroeg in 1999 nog 17,5 %, nauwelijks minder dan de piek van 18,2 % in 1996 en Naast deze vormen van gesubsidieerde non-activiteit bestaat er, ondanks de toenemende arbeidsmarktkrapte, in België paradoxaal genoeg ook nog altijd heel wat gesubsidieerde arbeid in de vorm van diverse door de overheid georganiseerde (her)tewerkstellingsprogramma s (DAC, PRIME, GESCO, jongerenstages, PWA, ). In het kader van het activeringsbeleid van de overheid nam het aantal personen in die programma s sinds 1995 nog met ruim 33 toe tot circa 15 in Als we de verschillende vormen van gesubsidieerde non-activiteit en arbeid bij het aantal niet-werkende werkzoekenden tellen, dan krijgt men een beeld van het aantal budgettaire werklozen. Grafiek II toont dat het aantal niet-werkende werkzoekenden sinds 1995 met 8 eenheden is gedaald, maar dat door de toename van de diverse gesubsidieerde statuten de totale budgettaire werkloosheid per saldo sindsdien nog met 27 eenheden toenam. Werkloosheid en vacatures Dat de overheid, als antwoord op de 14

15 vraagtekorten op de arbeidsmarkt in de jaren zeventig en het begin van de jaren tachtig, een breed gamma van uittredingsmogelijkheden uit de arbeidsmarkt heeft gecreëerd en die nadien nooit heeft teruggeschroefd, draagt thans ongetwijfeld bij tot de verscherping van het krapteprobleem. Vooral de personen die in de vervroegde-uittredingsregimes zijn terechtgekomen, zijn zo goed als definitief voor de arbeidsmarkt verloren. Het effectief beschikbare aanbod van arbeid beperkt zich dan ook in de eerste plaats tot de niet-werkende werkzoekenden. Ook die zijn trouwens nog altijd vrij talrijk. Deels is het gelijktijdig voorkomen van vacatures en deze zichtbare werklozen simpelweg het resultaat van zoekproblemen die aanleiding geven tot kortetermijnfrictiewerkloosheid. Als iemand zijn job verliest en naar een andere uitkijkt of als een pas afgestudeerde zijn eerste baan zoekt, gaat daar wat tijd over als gevolg van sollicitaties, gebrekkige informatie of kieskeurigheid van werklozen of werkgevers. Een belangrijker verklaring is evenwel de slechte aansluiting van de arbeidsreserve bij de vraag naar arbeidskrachten door onder meer een gebrek aan scholing of werkervaring van de kandidaten of soms ook te hoge eisen inzake ervaring of kwalificaties door de werkgevers (zie verder). Het verband tussen de werkloosheid en de openstaande vraag naar arbeid wordt weergegeven door de zgn. UV-curve (Unemployment/Vacancy) of Beveridgecurve. Een groot aanbodoverschot op de arbeidsmarkt gaat normaal gezien gepaard met een hoge werkloosheid en weinig vacatures, terwijl een groot vraagoverschot zich zou moeten vertalen in veel vacatures en lage werkloosheid. Theoretisch volgt daaruit een negatieve relatie tussen werkloosheid en vacatures. In de praktijk echter verloopt de curve veelal erg grillig (zie grafiek III). Dat komt onder meer door demografische aanbodschokken op de arbeidsmarkt, door maatregelen van het arbeidsmarktbeleid of imperfecties in de werking van de arbeidsmarkt, waardoor arbeidsvraag en -aanbod niet altijd (even snel) reageren op een economische opleving of terugval of zelfs tegen de conjuncturele trend kunnen ingaan. Zo was de negatieve helling van de UV-curve zowel in Vlaanderen als in Wallonië opvallend afwezig in de eerste helft van de jaren negentig, toen een nagenoeg ongewijzigd aantal vacatures gepaard ging met een sterk oplopende werkloosheid. In Wallonië deed nadien een toename van de vacatures de werkloosheid niet beduidend afnemen. In Vlaanderen ging een forse toename van het aantal vacatures sinds 1994 wel samen met een sterke werkloosheidsdaling en vertoont de UV-curve sindsdien dus wel het theoretisch verwachte verband. Een verschuiving van de UV-curve naar rechts wijst op een grotere structurele component van de werkloosheid. Vooral Wallonië wordt met die problematiek geconfronteerd. Elk niveau van openstaande vacatures gaat er gepaard met een hogere werkloosheidsgraad dan in Vlaanderen. Een andere uiting hiervan is het relatief groter aantal laaggeschoolde en langdurig werklozen in Wallonië: 61,1 % van Grafiek III UV-curve (in % van de regionale beroepsbevolking) Openstaande vacatures 1,6 1,4 1, ,8 1989, , , Niet-werkende werkzoekenden Bronnen: NBB, RVA. Vlaams Gewest Waals Gewest KBC Bank JVG43 Nr. 4 / 2 15

16 de werklozen had er eind 1999 een diploma van hoogstens lager secundair onderwijs en 53,6 % was er al meer dan twee jaar werkloos, tegenover respectievelijk 55,1 % en 38,2 % in Vlaanderen. Toch blijkt het aandeel van deze groepen in de totale werkloosheid stilaan af te nemen. Dat is deels toe te schrijven aan het activeringsbeleid van de overheid, dat vooral gericht is op jobcreatie voor risicogroepen die moeilijk in het reguliere arbeidscircuit te integreren zijn. Daarnaast beginnen bedrijven steeds meer bij deze groepen te werven, wat erop wijst dat werkgevers onder druk van de krapte hun eisen bij aanwerving temperen. Daardoor neemt de neerwaartse verdringing op de arbeidsmarkt (het aannemen van iemand met een hoger opleidingsniveau dan voor de functie vereist is) af en krijgen minder opgeleide of ervaren werkkrachten weer kansen. Die tendens blijkt wel opnieuw sterker in het Vlaams Gewest. Daar lag het aantal laaggeschoolde en langdurig werklozen eind 1999 respectievelijk 13 % en 16,5 % lager dan een jaar eerder, tegenover een daling van respectievelijk 2,5 % en 2,7 % in het Waals Gewest. Deelgebieden op de arbeidsmarkt Krapte op de arbeidsmarkt doet zich veelal scherp voelen op bepaalde deelmarkten (d.w.z. regio s, sectoren of beroepsgroepen), terwijl andere geen of veel minder spanning vertonen. Gebrek aan arbeidsmobiliteit en de tijd nodig om te voorzien in de opleiding tot de gevraagde beroepsprofielen verhinderen immers een efficiënte werking van de arbeidsmarkt die regionale of beroepsgebonden verschillen in de krapte spontaan zou uitvlakken. Zo blijkt uit de UV-ratio s (d.i. de verhouding tussen de niet-werkende werkzoekenden en de openstaande vacatures bij de openbare arbeidsbureaus) dat er ook binnen de gewesten grote verschillen qua krapte optreden en dat zulke verschillen binnen het Waals Gewest groter zijn dan binnen het Vlaamse (5). In Vlaanderen stelt de krapte zich het scherpst in de regio s Kortrijk-Roeselare en Vilvoorde, terwijl perifere regio s (Oostende-Westhoek, Hasselt, Tongeren en Turnhout) het minst met het probleem worden geconfronteerd. Niettemin vond sinds begin 1998 in alle Vlaamse regio s, uitgezonderd Oostende-Westhoek, minstens een halvering van de UV-ratio plaats. In Wallonië is de ratio relatief laag in Moeskroen, Doornik en Nijvel, al blijkt hij daar net als in de meeste andere Waalse regio s in 1999 niet of nauwelijks verder te zijn afgenomen. De traditionele Waalse industriecentra (Bergen, Luik, La Louvière en Charleroi) kennen een relatief hoge ratio binnen Wallonië en een werkloosheidsgraad die er nog steeds ruim een kwart van de beroepsbevolking bedraagt. In 1999 werden alsmaar meer knelpunten vastgesteld voor technisch-industriële arbeiders (elektriciens, tekenaars, ), voor hooggeschoolde werknemers (ingenieurs, informatici, kaderleden, ), maar ook voor relatief laaggekwalificeerde beroepen (chauffeurs, bewakers, ). Vooral de toename van de tekorten bij deze laatsten is merkwaardig, gezien de toch nog altijd ruime reserve laaggeschoolde arbeidskrachten. Dat blijkt althans uit de UV-ratio s voor deze beroepen in het Vlaams Gewest (zie grafiek IV). Een aantal erg uiteenlopende knelpuntberoepen (met name vertegenwoordigers, bewakers, tekenaars, technici, ingenieurs en vooral informatici) vormen al sinds 1995 een jaarlijks terugkerend probleem, dat de voorbije twee jaar nog fors is verergerd. Eind 1999 stond bijvoorbeeld tegenover elke twee openstaande VDAB-vacatures voor een informaticus slechts één werkzoekend informaticus. Verschillende tekorten, zoals die voor informatici en vertegenwoordigers, zijn sectoroverschrijdend, maar de meeste sectoren kampen daarnaast nog met specifieke problemen. Zo is er in de bouw- 16

17 sector een tekort aan metselaars, elektriciens en timmerlui en heeft de metaalsector een nijpend tekort aan lassers. In de industrie kampen vooral de metaalverwerkende sectoren, in het bijzonder die van de machineproductie, met tekorten. Bij de diensten stelt de krapte zich veruit het scherpst in de informaticasector, maar ook de diensten aan bedrijven en de telecommunicatiesectoren worden met aanzienlijke tekorten geconfronteerd. Grafiek IV Knelpuntberoepen in het Vlaams Gewest (aantal werkzoekenden per openstaande vacature) Arbeiders chauffeur elektricien machinist chemie-arbeider metaalarbeider bewaker arbeider voeding havenarbeider bouwvakker drukker Mismatch De krapte op de arbeidsmarkt is in hoofdzaak een probleem van mismatch. De profielen van de arbeidsreserve stemmen niet of onvoldoende overeen met de door de bedrijven gevraagde eigenschappen. De oorzaken van die slechte afstemming van vraag en aanbod zijn velerlei en veelal zijn knelpunten dan ook het gevolg van een combinatie van factoren die te maken hebben met zowel werkgeversstrategieën als kenmerken en reacties van werkzoekenden. Een eerste belangrijke factor is de boven al aangehaalde, geringe arbeidsmobiliteit tussen, maar ook binnen de gewesten, die kan worden verklaard door taal- en culturele barrières, hoge verhuiskosten, de fileproblematiek, het gebrekkige aanbod van openbaar vervoer en het niet beschikken over een wagen of een rijbewijs (37 % van de werklozen) Bedienden informaticus ingenieur tekenaar boekhouder technicus vertegenwoordiger kaderlid maatschappelijk assistent leraar administratief personeel Bron: VDAB Daarnaast dragen vooral kwalitatieve tekortkomingen van de kandidaat-werknemers inzake opleiding en ervaring bij tot de mismatch. Dat blijkt onder meer uit het nog hoge aandeel van laaggeschoolden in de werkloosheid (zie boven). Een aanzienlijk deel van de werklozen zit bovendien op een laag niveau van functionele geletterdheid, d.w.z. heeft problemen met lezen en schrijven en bezit weinig of geen computerkennis (6). Vooral wat de technisch geschoolden betreft, zijn die problemen deels te wijten aan de organisatie van het onderwijssysteem, dat jongeren systematisch van het algemeen secundair onderwijs doet afzakken naar het technisch of beroepsonderwijs (het zgn. watervaleffect ). Dat wordt dan ook als minderwaardig beschouwd en veelal bevolkt door minder gemotiveerde en weinig geïnteresseerde leerlingen. Het uiteindelijke resultaat is een tekort aan technisch goed geschoolde arbeidskrachten. Een ander gevolg van dit cascadesysteem is dat jongeren vaak langer op de schoolbanken blijven zitten dan voor hun opleiding nodig is en dus pas later voor de arbeidsmarkt beschikbaar zijn. Voor knelpuntberoepen als informatici en ingenieurs heeft het probleem dan weer veeleer te maken met de afschrikking van de als moeilijk ervaren, wiskundige opleidingen die bovendien niet altijd voldoende toepassingsgericht zijn. Het probleem van de kwalitatieve tekort- KBC Bank JVG44 Nr. 4 / 2 17

18 komingen verergert nog naarmate vaardigheden door langdurige werkloosheid worden aangetast of verschuivingen in de technologie de gevraagde kwalificaties voortdurend hoger tillen. Uit VDAB-cijfers blijkt niettemin dat laaggeschoolden toch voor circa de helft van alle VDAB-vacatures in aanmerking zouden kunnen komen. Een minstens even belangrijke tekortkoming zijn dan ook de zwakke scores van werklozen op het vlak van zogenoemde secundaire vaardigheden zoals flexibiliteit, persoonlijkheid, sociale en communicatieve vaardigheden en arbeidsattitudes, die trouwens vaak gepaard gaan met een laag opleidingsniveau. Enquêtes naar het wervingsgedrag van Belgische bedrijven tonen aan dat die secundaire kwalificaties vaak een belangrijker determinant voor aanwerving zijn dan het eigenlijke scholingsniveau (2). Nog afgezien van een verlies van vaardigheden, geraken langdurig werklozen vaak ontmoedigd of beleven zij hun werkloosheid zelfs positief. Dat uit zich in een afname van het sollicitatiegedrag en in het opgeven van de hoop om ooit nog werk te vinden, zodat zij de facto niet meer voor de arbeidsmarkt beschikbaar zijn. Een andere oorzaak van de mismatch houdt verband met de bovenmatige eisen die bedrijven vaak stellen inzake opleiding, ervaring of leeftijd. Wel lijkt die tendens onder invloed van de krapte recentelijk wat gekeerd te zijn (zie boven). Toch gaf in 1998 nog ruim 1 % van de Belgische bedrijven toe overgekwalificeerde mensen aan te werven en betrof amper 3,5 % van de aanwervingen werknemers die ouder waren dan 45 jaar (7). Ook ongunstige arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden, zoals relatief lage lonen, een relatief nadelig sociaal statuut of onregelmatige werkuren, spelen vaak een rol en verklaren onder meer het aanbodtekort voor beroepen zoals chauffeurs, bewakers en vertegenwoordigers (8). In zekere zin heeft ook de flexibilisering van de arbeidsmarkt de gebrekkige afstemming tussen arbeidsvraag en -aanbod versterkt. Deze flexibilisering resulteerde de voorbije jaren in een toenemende vraag van de bedrijven naar atypische arbeidspatronen. Zowat een derde van de werknemers in de industrie werkte in 1999 geregeld tijdens het weekend of s nachts en meer dan de helft werd geregeld in ploegenarbeid ingeschakeld (9). Daartegenover staat evenwel dat de beschikbare arbeidsreserve vaak maar in beperkte mate bereid wordt gevonden om zijn levensritme en gezinsorganisatie aan deze atypische patronen aan te passen, temeer daar de sociale infrastructuur (bv. te weinig en nietflexibele kinderopvangmogelijkheden) vaak niet aan deze atypische arbeidstijden is aangepast. Uiteraard is de mismatch ten slotte ook toe te schrijven aan de financiële werkloosheidsvallen. Dat zijn situaties waarbij het voor werklozen financieel beter of nauwelijks slechter is om werkloos te blijven. Redenen hiervoor zijn het lage te verdienen nettoloon als gevolg van de hoge loonwig (d.i. het verschil tussen de brutoloonkosten voor de werkgever en het nettoloon voor de werknemer), de vrijwel onbeperkte duur van de werkloosheidsuitkering en de financiële voordelen verbonden aan het werkloosheidsstatuut (vrijstelling van parafiscale bijdragen, gunstiger fiscaal regime, verhoogde kinderbijslag), de mogelijkheid tot bijklussen via de PWA s of in het zwarte circuit en de hoge kosten van kinderopvang en woon-werkverkeer. Recent nam de overheid wel beperkte maatregelen die het weer gaan werken financieel aantrekkelijker moeten maken (hogere fiscale aftrekbaarheid van kinderopvang, eenmalige tegemoetkoming in de verhuiskosten, verhoging van de nettominimumlonen, ). Zo n beleid van financiële prikkels en verkleining van de loonwig is zinvol, maar niettemin beperkt doeltreffend in de strijd tegen de krapte, aangezien het weinig verandert aan de realiteit dat werklozen vaak niet het juiste kwalitatieve profiel hebben om 18

19 in de knelpuntberoepen te worden ingeschakeld. Beleidsimplicaties en toekomstperspectief Het wegwerken van de schaarste op de arbeidsmarkt vereist in de eerste plaats een betere kwalitatieve afstemming van het arbeidsaanbod op de profielen van de vacatures, vooral door op de behoeften van de bedrijven afgestemde vormingsinspanningen. Een betere inzetbaarheid van jongeren op de arbeidsmarkt vergt structurele aanpassingen in het traditionele onderwijssysteem, zoals de herwaardering van het technisch en het beroepsonderwijs, het aanleren van secundaire vaardigheden en attitudes, het meer toepassingsgericht maken van hooggespecialiseerde opleidingen en meer mogelijkheden om deeltijds onderwijs met deeltijds werken te combineren, wat tegelijk hun instroom op de arbeidsmarkt zou vervroegen. Dit veronderstelt dat ook de bedrijven aan de jongeren voldoende opleidingskansen bieden. Maar vooral de jongeren zelf dragen hier een verantwoordelijkheid gezien het al ruime opleidings- en begeleidingsaanbod, zowel van de overheid (Rosetta-plan, jongerenstages, ) als van de door de krapte getroffen sectoren (COBOT in de textielsector, GRAFOC in de grafische sector, ). Er valt dan ook veel voor te zeggen om de hoogte en de duur van de werkloosheidsuitkeringen voor de jongeren afhankelijk van eigen vormingsinspanningen te maken. Activeringsmaatregelen gericht op andere doelgroepen dan de jongeren, zijn allicht sociaal zinvol, maar hun mogelijke impact op het effectieve arbeidsaanbod blijft hoe dan ook beperkt. Het doelgroepenbeleid van de overheid was de voorbije jaren vooral gericht op laaggeschoolde, langdurig werklozen. De diverse (her)tewerkstellingsprogramma s terzake blijven evenwel tot op vandaag erg versnipperd, vormen een aanzienlijke budgettaire kost voor de overheid en creëren deels een parallel circuit naast de reguliere arbeid, waardoor de beschikbaarheid van de betrokkenen voor de bedrijven in feite zelfs gereduceerd wordt. Anderzijds blijft de meest doeltreffende maatregel om die beschikbaarheid te vergroten, nl. de (geleidelijke) afschaffing van de regimes van gesubsidieerde non-activiteit voor oudere werknemers, nog onvoldoende benut. Dit terugschroeven van de vervroegde-uittredingsstelsels is echter voor een deel een eigen verantwoordelijkheid van de bedrijven en van de werknemers zelf en vergt vooral een mentaliteitsverandering bij de betrokken partijen. Bedrijven moeten de nodige vormingsinspanningen voor oudere werknemers garanderen. Oudere werknemers moeten meer kansen krijgen en grijpen om deeltijds te werken als dit hun langduriger inzet op de arbeidsmarkt helpt bevorderen en bovendien vlotter een stapje op de loonschaal kunnen terugzetten als zij dat wensen, zonder dat dit als stigmatiserend wordt ervaren. Aanvullend vergt dit een afbouw van loonschalen die te sterk zijn gebaseerd op anciënniteit of leeftijd. Volgens de klassieke definitie bestaat de bevolking op arbeidsleeftijd uit alle 15- tot 64-jarigen. Blijkens de recentste bevolkingsvooruitzichten van het NIS zal die leeftijdsgroep in België nog aangroeien met gemiddeld zo n 12 mensen per jaar tot 29 (1). Vanaf 21 zal de uitstroom van ouderen (65-jarigen) de instroom van jongeren (15-jarigen) evenwel overtreffen. Door de zeer lage werkgelegenheidsgraad bij jongeren en ouderen is deze definitie van de bevolking op arbeidsleeftijd in België echter minder relevant en dient zij te worden vernauwd tot de groep van 2- tot 54-jarigen. Grafiek V toont dat deze leeftijdsgroep sinds 1995 nog met gemiddeld circa 16 eenheden per jaar toenam, maar dat de negatieve balans van Nr. 4 / 2 19

20 Grafiek V Ontwikkeling van de bevolking op arbeidsleeftijd Linkse schaal: in Instroom 2-jarigen Uitstroom 55-jarigen Rechtse schaal: in Wijziging 2- tot 54-jarigen Wijziging 15- tot 64-jarigen Bronnen: NIS, Bevolkingsvooruitzichten Instroom 15-jarigen Uitstroom 65-jarigen KBC Bank JVG45 instromende jongeren (2-jarigen) en uitstromende ouderen (55-jarigen) zich hier al vanaf 22 zal beginnen te manifesteren. Dat wil zeggen dat bij een ongewijzigde werkgelegenheidsgraad van jongere en vooral oudere leeftijdsgroepen de arbeidskrapte snel zal worden versterkt door een krimpend arbeidsaanbod. En zelfs bij een hogere werkgelegenheidsgraad van deze groepen zal dat aanbodtekort zich vanaf 21 hoe dan ook beginnen te manifesteren. Vandaar dat nu reeds alle zeilen moeten worden bijgezet om dit toekomstige kwantitatieve tekort maximaal te compenseren door een afname van de kwalitatieve discrepantie tussen arbeidsvraag en -aanbod, die op dit ogenblik de belangrijkste vorm van arbeidsmarktkrapte is. Het is echter twijfelachtig of maatregelen in die zin op korte termijn vruchten zullen afwerpen. Een andere uitdaging bestaat er in de opwaartse loondruk die als gevolg van de arbeidsmarktkrapte dreigt te ontstaan, in toom te houden. De ervaring leert dat dit niet evident is. Zo was tijdens de hoogconjunctuur aan het einde van de jaren tachtig in België eveneens sprake van arbeidsmarktkrapte. Dat ging toen uiteindelijk gepaard met een loonkostenontsporing die de uitstoot van arbeid uit het productieproces tijdens de daaropvolgende recessie versterkte. (1) In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt de arbeidsmarkt sterk verstoord door omvangrijke pendelstromen naar dat gewest. De Brusselse vacaturemarkt ondergaat hiervan ook de invloed doordat veel werkaanbiedingen voor de Brusselse arbeidsmarkt bij de VDAB en de FOREM worden geplaatst, wat een afzonderlijke analyse ervan zo goed als onmogelijk maakt. (2) HIVA, Hoe werven bedrijven in België in 1998?, (3) OESO, Employment outlook, 1992, p. 21. (4) Naast de oudere werklozen betreft het hier nog een relatief geringe groep werklozen vrijgesteld van inschrijving om sociale en familiale redenen. (5) De divergentie van de UV-ratio s binnen het Waals Gewest, gemeten door de variatiecoëfficiënt, is 1,5 maal groter dan die binnen het Vlaamse. (6) D. Van Damme, Hoe geletterd/gecijferd is Vlaanderen?, Garant Leuven, (7) Verslag Hoge Raad voor de Werkgelegenheid, (8) Steunpunt WAV, De arbeidsmarkt in Vlaanderen: jaarboek 1999, (9) NBB, Verslag (1) Dit is grotendeels toe te schrijven aan de geringere uitstroom van ouderen door de terugval van de geboortes tijdens de Tweede Wereldoorlog. Correspondentieadres: KBC Bank NV, ECO - Economisch Financiële Berichten, Havenlaan 2, B-18 Brussel. Tel.: 2/ Fax: 2/ Jaarabonnementen kunnen op elk ogenblik ingaan. Aanvraagformulieren zijn verkrijgbaar in elk KBC-bankkantoor of op het bovenvermelde adres. Betaling na ontvangst van het overschrijvingsformulier. Abonnements- of adreswijzigingen kunt u vermelden op de enveloppe, die u afgeeft in een KBC-bankkantoor of opstuurt naar het bovenvermelde adres. Prijs jaarabonnement: Nederlands, Frans of Engels - maandelijks - 1 euro (5 euro voor jongeren tot 25 jaar die een KBC-rekening bezitten); Nadruk van artikelen of berichten is toegestaan onder opgave van de bron. De in dit blad voorkomende gegevens zijn ontleend aan door ons betrouwbaar geachte bronnen en worden alleen verstrekt bij wijze van inlichting. Voor de juistheid en volledigheid ervan kunnen wij echter niet instaan. Verantwoordelijke hoofdredacteur: Edwin De Boeck, Kardinaal Sterckxlaan 137, B-186 Meise. Drukk. Schaubroeck, Nazareth Ce bulletin paraît également en français. English edition also available. 2

Sterke toename van beleggingen in Duits en Frans schuldpapier. Grafiek 1 - Nederlandse aankopen buitenlandse effecten

Sterke toename van beleggingen in Duits en Frans schuldpapier. Grafiek 1 - Nederlandse aankopen buitenlandse effecten Sterke toename van beleggingen in Duits en Frans schuldpapier Nederlandse beleggers hebben in 21 per saldo voor bijna EUR 12 miljard buitenlandse effecten verkocht. Voor EUR 1 miljard betrof dit buitenlands

Nadere informatie

Hoe (slecht) gaat het met de conjunctuur? Edwin De Boeck Fedustria 13 oktober 2011

Hoe (slecht) gaat het met de conjunctuur? Edwin De Boeck Fedustria 13 oktober 2011 Hoe (slecht) gaat het met de conjunctuur? Edwin De Boeck Fedustria 3 oktober Grote Recessie was geen Grote Depressie Wereldhandel Aandelenmarkt 9 8 7 8 VS - S&P-5 vergelijking met crash 99 Wereld industriële

Nadere informatie

PERSBERICHT Brussel, 20 december 2013

PERSBERICHT Brussel, 20 december 2013 PERSBERICHT Brussel, 20 december 2013 Werkgelegenheid stabiel, werkloosheid opnieuw in stijgende lijn Arbeidsmarktcijfers derde kwartaal 2013 Na het licht herstel van de arbeidsmarkt in het tweede kwartaal

Nadere informatie

Markt voor onderhandse derivaten in korte tijd sterk gekrompen

Markt voor onderhandse derivaten in korte tijd sterk gekrompen Markt voor onderhandse derivaten in korte tijd sterk gekrompen De mondiale markt voor onderhandse derivaten - niet gestandaardiseerd verhandeld op de beurs maar in maatwerk tussen grote partijen - is sinds

Nadere informatie

Regionale economische vooruitzichten 2014-2019

Regionale economische vooruitzichten 2014-2019 2014/6 Regionale economische vooruitzichten 2014-2019 Dirk Hoorelbeke D/2014/3241/218 Samenvatting Dit artikel geeft een bondig overzicht van enkele resultaten uit de nieuwe Regionale economische vooruitzichten

Nadere informatie

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)!

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Vragen aangeduid met een * toetsen in het bijzonder het inzicht en toepassingsvermogen. Deze vragenreeksen zijn vrij beschikbaar.

Nadere informatie

QE in de eurozone: bezit van de zaak, einde van het vermaak?

QE in de eurozone: bezit van de zaak, einde van het vermaak? QE in de eurozone: bezit van de zaak, einde van het vermaak? Komt er QE in de eurozone? Sinds enige maanden wordt er op de financiële markten gezinspeeld op het opkopen van staatsobligaties door de Europese

Nadere informatie

Beleggingen institutionele beleggers in 2004 met 8,1 procent omhoog

Beleggingen institutionele beleggers in 2004 met 8,1 procent omhoog Publicatiedatum CBS-website Centraal Bureau voor de Statistiek 9 december 25 Beleggingen institutionele beleggers in 24 met 8,1 procent omhoog drs. J.L. Gebraad Centraal Bureau voor de Statistiek, Voorburg/Heerlen,

Nadere informatie

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)!

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Vragen aangeduid met een * toetsen in het bijzonder het inzicht en toepassingsvermogen. Deze vragenreeksen zijn vrij beschikbaar.

Nadere informatie

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)!

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Vragen aangeduid met een * toetsen in het bijzonder het inzicht en toepassingsvermogen. Deze vragenreeksen zijn vrij beschikbaar.

Nadere informatie

Veranderingen in de internationale positie van Nederlandse banken

Veranderingen in de internationale positie van Nederlandse banken Veranderingen in de internationale positie van Nederlandse banken De Nederlandse bancaire vorderingen 1 op het buitenland zijn onder invloed van de economische crisis en het uiteenvallen van ABN AMRO tussen

Nadere informatie

Oktober 2015. Macro & Markten. 1. Rente en conjunctuur :

Oktober 2015. Macro & Markten. 1. Rente en conjunctuur : Oktober 2015 Macro & Markten 1. Rente en conjunctuur : VS Zoals al aangegeven in ons vorig bulletin heeft de Amerikaanse centrale bank FED de beleidsrente niet verhoogd. Maar goed ook, want naderhand werden

Nadere informatie

Consumptieve bestedingen van de particulieren 2.0 2.6 1.4 Consumptieve bestedingen van de overheid 0.0 2.1 2.6 Bruto vaste kapitaalvorming 4.2 5.9 4.

Consumptieve bestedingen van de particulieren 2.0 2.6 1.4 Consumptieve bestedingen van de overheid 0.0 2.1 2.6 Bruto vaste kapitaalvorming 4.2 5.9 4. Kerncijfers voor de Belgische economie Wijzigingspercentages in volume - tenzij anders vermeld Consumptieve bestedingen van de particulieren 2.0 2.6 1.4 Consumptieve bestedingen van de overheid 0.0 2.1

Nadere informatie

Kredietverlening aan Nederlandse bedrijven loopt terug

Kredietverlening aan Nederlandse bedrijven loopt terug Het Nederlandse bedrijfsleven is in sterke mate afhankelijk van bancaire kredietverlening. De groei van de zakelijke kredietverlening is in de tweede helft van 28 vertraagd. Dit hangt grotendeels samen

Nadere informatie

Internationale varkensvleesmarkt 2012-2013

Internationale varkensvleesmarkt 2012-2013 Internationale varkensvleesmarkt 212-213 In december 212 vond de jaarlijkse conferentie van de GIRA Meat Club plaats. GIRA is een marktonderzoeksbureau, dat aan het einde van elk jaar een inschatting maakt

Nadere informatie

Langzaam maar zeker zijn ook de gevolgen van de economische krimp voor de arbeidsmarkt zichtbaar

Langzaam maar zeker zijn ook de gevolgen van de economische krimp voor de arbeidsmarkt zichtbaar In de vorige nieuwsbrief in september is geprobeerd een antwoord te geven op de vraag: wat is de invloed van de economische situatie op de arbeidsmarkt? Het antwoord op deze vraag was niet geheel eenduidig.

Nadere informatie

Toetsopgaven VWO bij de euro-editie van het Onderdeel Geld van Percent Economie voor de tweede fase

Toetsopgaven VWO bij de euro-editie van het Onderdeel Geld van Percent Economie voor de tweede fase Toetsopgaven VWO bij de euro-editie van het Onderdeel Geld van Percent Economie voor de tweede fase Opgave 1 Sinds 1 juni 1998 maakt De Nederlandsche Bank (DNB) samen met de centrale banken van andere

Nadere informatie

Januari 2013. Krediet en overmatige schuldenlast: wat leren wij uit de cijfers 2012 van de Centrale voor Kredieten aan Particulieren?

Januari 2013. Krediet en overmatige schuldenlast: wat leren wij uit de cijfers 2012 van de Centrale voor Kredieten aan Particulieren? Januari 2013 Krediet en overmatige schuldenlast: wat leren wij uit de cijfers 2012 van de Centrale voor Kredieten aan Particulieren? Analyse uitgevoerd voor het Observatorium Krediet en Schuldenlast Duvivier

Nadere informatie

2013 in het kort SAMENVATTING VAN HET JAARVERSLAG

2013 in het kort SAMENVATTING VAN HET JAARVERSLAG 2013 in het kort SAMENVATTING VAN HET JAARVERSLAG 1 Toelichting op het jaarverslag In het Jaarverslag 2013 legt het pensioenfonds uitgebreid verantwoording af over de ontwikkelingen, besluiten en gebeurtenissen

Nadere informatie

DOUBLEDIVIDEND OUTLOOK 2015 KWALITEIT ONAFHANKELIJK BETROKKEN

DOUBLEDIVIDEND OUTLOOK 2015 KWALITEIT ONAFHANKELIJK BETROKKEN DOUBLEDIVIDEND OUTLOOK 2015 KWALITEIT ONAFHANKELIJK BETROKKEN DECEMBER 2014 1. Economie VS blijg anker Het IMF verwacht een wereldwijde economische groei van 3,8% in 2015 Met een verwachte economische

Nadere informatie

PERSBERICHT Brussel, 24 september 2015

PERSBERICHT Brussel, 24 september 2015 PERSBERICHT Brussel, 24 september 2015 Lichte daling werkloosheid Arbeidsmarktcijfers tweede kwartaal 2015 De werkloosheidgraad gemeten volgens de definities van het Internationaal Arbeidsbureau daalde

Nadere informatie

Marktwaarde van de pensioenverplichtingen in het derde kwartaal gestegen van 16.893 miljoen naar 17.810 miljoen ( 15.008 miljoen ultimo Q4 2013).

Marktwaarde van de pensioenverplichtingen in het derde kwartaal gestegen van 16.893 miljoen naar 17.810 miljoen ( 15.008 miljoen ultimo Q4 2013). Kwartaalbericht 2014 Samenvatting Marktwaardedekkingsgraad per 30 september 2014 130,4%, een toename van 0,9%-punt ten opzichte van 30 juni 2014. Over de eerste negen maanden steeg de marktwaardedekkingsgraad

Nadere informatie

Het 1 e kwartaal van 2015.

Het 1 e kwartaal van 2015. 1 Het 1 e kwartaal van 2015. Achteraf bezien was het eerste kwartaal van 2015, vooral in Europa, uiterst vriendelijk voor beleggers. Hoewel door Invest4You, ondanks de jubelverhalen in de pers een zekere

Nadere informatie

Aandeel van de gerechtigden op wachten overbruggingsuitkeringen. volledige werkloosheid - analyse volgens arrondissement

Aandeel van de gerechtigden op wachten overbruggingsuitkeringen. volledige werkloosheid - analyse volgens arrondissement Aandeel van de gerechtigden op wachten overbruggingsuitkeringen in de volledige werkloosheid - analyse volgens arrondissement Inleiding In ons recent onderzoek betreffende de gerechtigden op wacht- en

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2001-I

Eindexamen economie 1 vwo 2001-I Opgave 1 Hoge druk op de arbeidsmarkt Gedurende een aantal jaren groeide de economie in Nederland snel waardoor de druk op de arbeidsmarkt steeds groter werd. Het toenemende personeelstekort deed de vrees

Nadere informatie

Huishoudens bouwen hun effectenportefeuille af

Huishoudens bouwen hun effectenportefeuille af Huishoudens bouwen hun effectenportefeuille af Inleiding Door de opkomst van moderne informatie- en communicatietechnologieën is het voor huishoudens eenvoudiger en goedkoper geworden om de vrije besparingen,

Nadere informatie

Perscommuniqué. Het Federaal Planbureau evalueert de gevolgen van de duurdere dollar en de hogere olieprijzen voor de Belgische economie

Perscommuniqué. Het Federaal Planbureau evalueert de gevolgen van de duurdere dollar en de hogere olieprijzen voor de Belgische economie Federaal Planbureau Economische analyses en vooruitzichten Perscommuniqué Brussel, 15 september 2000 Het Federaal Planbureau evalueert de gevolgen van de duurdere dollar en de hogere olieprijzen voor de

Nadere informatie

Kans op Amerikaanse dubbele dip is klein

Kans op Amerikaanse dubbele dip is klein Kans op Amerikaanse dubbele dip is klein De Verenigde Staten gaan meestal voorop bij het herstel van de wereldeconomie. Maar terwijl een gerenommeerd onderzoeksburo recent verklaarde dat de Amerikaanse

Nadere informatie

«Bestaat er een verband tussen de leeftijd van de werkloze en de werkloosheidsduur?» (2 de deel)

«Bestaat er een verband tussen de leeftijd van de werkloze en de werkloosheidsduur?» (2 de deel) «Bestaat er een verband tussen de leeftijd van de werkloze en de werkloosheidsduur?» (2 de deel) Tweede deel In de vorige Stat info ging de studie globaal (ttz. alle statuten bijeengevoegd) over het verband

Nadere informatie

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl)

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl) Economie 1 (nieuwe stijl) Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Donderdag 17 mei 13.30 16.30 uur 20 01 Voor dit examen zijn maximaal 65 punten te behalen; het examen bestaat uit

Nadere informatie

Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel. Vierde kwartaal 2014-1 oktober 2014 t/m 31 december 2014

Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel. Vierde kwartaal 2014-1 oktober 2014 t/m 31 december 2014 Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel Vierde kwartaal 2014-1 oktober 2014 t/m 31 december 2014 Samenvatting: dalende euro en dalende rente Nominale dekkingsgraad gedaald van 117,4% naar 115,1%

Nadere informatie

Kwartaalrapportage Arbeidsmarkt Breda 2009

Kwartaalrapportage Arbeidsmarkt Breda 2009 Kwartaalrapportage Arbeidsmarkt Breda 2009 Economische krimp in 2009 Aantal vacatures sterk gedaald Werkloosheid in Breda stijgt me 14% Bredase bijstand daalt minimaal Bijstand onder jongeren sterk gestegen

Nadere informatie

De evolutie van het arbeidsvolume in België, de gewesten en de Europese unie

De evolutie van het arbeidsvolume in België, de gewesten en de Europese unie De evolutie van het arbeidsvolume in België, de gewesten en de Europese unie In het kader van de Jaarreeks 2000 verscheen een studie over de evolutie van het arbeidsvolume in België, het Vlaams en het

Nadere informatie

Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel. Derde kwartaal 2015-1 juli 2015 t/m 30 september 2015. Samenvatting:

Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel. Derde kwartaal 2015-1 juli 2015 t/m 30 september 2015. Samenvatting: Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel Derde kwartaal 2015-1 juli 2015 t/m 30 september 2015 Samenvatting: De maandelijkse nominale dekkingsgraad is fors gedaald van 115,4% naar 103,7%. Dit

Nadere informatie

I B O. Een werknemer op maat gemaakt. 1. IBO = training-on-the-job. IBO = 'werkplekleren' IBO = 'een werknemer op maat'

I B O. Een werknemer op maat gemaakt. 1. IBO = training-on-the-job. IBO = 'werkplekleren' IBO = 'een werknemer op maat' I B O Een werknemer op maat gemaakt Eén van de kernopdrachten van de VDAB bestaat uit het verstrekken van opleiding. Het tekort aan specifiek geschoold personeel en de versnelde veranderingen in de werkomgeving

Nadere informatie

PERSBERICHT Brussel, 25 juni 2013

PERSBERICHT Brussel, 25 juni 2013 PERSBERICHT Brussel, 25 juni 2013 Meer 55-plussers aan het werk Arbeidsmarktcijfers eerste kwartaal 2013 66,7% van de 20- tot 64-jarigen is aan het werk. Dat percentage daalt licht in vergelijking met

Nadere informatie

Marktwaardedekkingsgraad per 31 maart 2014: 128,6%, een toename van 3,3%-punt ten opzichte van 31 december 2013.

Marktwaardedekkingsgraad per 31 maart 2014: 128,6%, een toename van 3,3%-punt ten opzichte van 31 december 2013. Kwartaalbericht 2014 Samenvatting Marktwaardedekkingsgraad per 31 maart 2014: 128,6%, een toename van 3,3%-punt ten opzichte van 31 december 2013. Meer informatie vindt u op de website. Beleggingsrendement

Nadere informatie

Goede tijden, slechte tijden. Soms zit het mee, soms zit het tegen

Goede tijden, slechte tijden. Soms zit het mee, soms zit het tegen Slides en video s op www.jooplengkeek.nl Goede tijden, slechte tijden Soms zit het mee, soms zit het tegen 1 De toegevoegde waarde De toegevoegde waarde is de verkoopprijs van een product min de ingekochte

Nadere informatie

Meeruitgaven in 2005 t.o.v. 1996 voor vrouwelijke 60-plussers als gevolg van de pensioenhervorming in 1996

Meeruitgaven in 2005 t.o.v. 1996 voor vrouwelijke 60-plussers als gevolg van de pensioenhervorming in 1996 Meeruitgaven in 2005 t.o.v. 1996 voor vrouwelijke 60-plussers als gevolg van de pensioenhervorming in 1996 Inleiding Bij de pensioenhervorming van 1996 werd besloten de pensioenleeftijd van vrouwen in

Nadere informatie

Trends op de Belgische arbeidsmarkt (1983-2013)

Trends op de Belgische arbeidsmarkt (1983-2013) 1 Trends op de Belgische arbeidsmarkt (1983-2013) Trends op de Belgische arbeidsmarkt (1983-2013) 1. Arbeidsmarktstatus van de bevolking van 15 jaar en ouder in 1983 en 2013 De Belgische bevolking van

Nadere informatie

CBS: Meer werkende vrouwen op de arbeidsmarkt

CBS: Meer werkende vrouwen op de arbeidsmarkt CBS: Meer werkende vrouwen op de arbeidsmarkt Tussen maart en mei is het aantal mensen met een baan met gemiddeld 6 duizend per maand gestegen. De stijging is volledig aan vrouwen toe te schrijven. Het

Nadere informatie

Examen HAVO. Economie 1

Examen HAVO. Economie 1 Economie 1 Examen HAVO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Tijdvak 2 Woensdag 21 juni 13.30 16.00 uur 20 00 Dit examen bestaat uit 31 vragen. Voor elk vraagnummer is aangegeven hoeveel punten met een goed

Nadere informatie

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)!

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Vragen aangeduid met een * toetsen in het bijzonder het inzicht en toepassingsvermogen. Deze vragenreeksen zijn vrij beschikbaar.

Nadere informatie

Persbericht ABP, eerste halfjaar 2008

Persbericht ABP, eerste halfjaar 2008 Persbericht ABP, eerste halfjaar 2008 Hoofdpunten Rendement over eerste helft 2008 is 5,1%. De dekkingsgraad is medio 2008 uitgekomen op 132%. De kredietcrisis eist zijn tol. Vooral aandelen en onroerend

Nadere informatie

Evolutie van de Brusselse arbeidsmarkt Maandverslag Januari 2015

Evolutie van de Brusselse arbeidsmarkt Maandverslag Januari 2015 Evolutie van de Brusselse arbeidsmarkt Maandverslag Januari 2015 INHOUDSOPGAVE Inhoudsopgave en kerncijfers... 1 Geharmoniseerde cijfers op Europees niveau... 2 Door de RVA vergoede werklozen... 3 Overzicht

Nadere informatie

Instituut voor de nationale rekeningen

Instituut voor de nationale rekeningen Instituut voor de nationale rekeningen 2015-02-17 Links: Publicatie BelgoStat Online Algemene informatie Broos herstel in 2013 na krimp in 2012 in Brussel en Wallonië; verdere groeivertraging in 2013 in

Nadere informatie

Marktontwikkelingen varkenssector

Marktontwikkelingen varkenssector Marktontwikkelingen varkenssector 1. Inleiding In de deze nota wordt ingegaan op de marktontwikkelingen in de varkenssector in Nederland en de Europese Unie. Waar mogelijk wordt vooruitgeblikt op de te

Nadere informatie

Fysiek goud is de ultieme veilige haven en zou de basis moeten vormen van ieder vermogen.

Fysiek goud is de ultieme veilige haven en zou de basis moeten vormen van ieder vermogen. Fysiek goud is de ultieme veilige haven en zou de basis moeten vormen van ieder vermogen. Goud is al duizenden jaren simpelweg een betaalmiddel: geld. U hoort de term steeds vaker opduiken in de media.

Nadere informatie

Economische voorjaarsprognoses 2015: herstel wint aan kracht dankzij economische rugwind

Economische voorjaarsprognoses 2015: herstel wint aan kracht dankzij economische rugwind Europese Commissie - Persbericht Economische voorjaarsprognoses 2015: herstel wint aan kracht dankzij economische rugwind Brussel, 05 mei 2015 De economie in de Europese Unie profiteert dit jaar van een

Nadere informatie

Recepten voor duurzame groei Beschouwingen naar aanleiding van het Jaarverslag 2014 van de Nationale Bank van België

Recepten voor duurzame groei Beschouwingen naar aanleiding van het Jaarverslag 2014 van de Nationale Bank van België Recepten voor duurzame groei Beschouwingen naar aanleiding van het Jaarverslag 2014 van de Nationale Bank van België Financieel Forum West-Vlaanderen Kortrijk - 24 februari 2015 Jan Smets A. De stand van

Nadere informatie

Examen HAVO en VHBO. Economie 1,2 oude en nieuwe stijl

Examen HAVO en VHBO. Economie 1,2 oude en nieuwe stijl Economie 1,2 oude en nieuwe stijl Examen HAVO en VHBO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Vooropleiding Hoger Beroeps Onderwijs HAVO Tijdvak 2 VHBO Tijdvak 3 Woensdag 21 juni 13.30 16.30 uur 20 00 Dit

Nadere informatie

Recepten voor duurzame groei Beschouwingen naar aanleiding van het Jaarverslag 2014 van de Nationale Bank van België

Recepten voor duurzame groei Beschouwingen naar aanleiding van het Jaarverslag 2014 van de Nationale Bank van België Recepten voor duurzame groei Beschouwingen naar aanleiding van het Jaarverslag 2014 van de Nationale Bank van België Financieel Forum Gent - 26 februari 2015 Jan Smets A. De stand van zaken 1. De (lange)

Nadere informatie

Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel. Tweede kwartaal 2015-1 april 2015 t/m 30 juni 2015. Samenvatting:

Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel. Tweede kwartaal 2015-1 april 2015 t/m 30 juni 2015. Samenvatting: Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel Tweede kwartaal 2015-1 april 2015 t/m 30 juni 2015 Samenvatting: De maandelijkse nominale dekkingsgraad is fors gestegen van 105,7% naar 115,4%. Dit komt

Nadere informatie

Notarisbarometer Vastgoed - familie - vennootschappen Juli - september 2015

Notarisbarometer Vastgoed - familie - vennootschappen Juli - september 2015 Notarisbarometer Vastgoed - familie - vennootschappen Juli - september 2015 n 26 T/3 www.notaris.be VASTGOEDACTIVITEIT IN BELGIË 99,8 101 102,1 102,6 106,4 106,8 101,7 103,4 105,9 94,1 94,9 102,8 98,9

Nadere informatie

Winstgroei en buffers ondersteunen investerings herstel

Winstgroei en buffers ondersteunen investerings herstel Na de snelle daling van de bedrijfswinsten door de kredietcrisis, is er recentelijk weer sprake van winstherstel. De crisis heeft echter geen gat geslagen in de grote financiële buffers van bedrijven.

Nadere informatie

Jaarverslag Herplaatsingsfonds. 1.1 Aanvragen voor outplacementbegeleiding

Jaarverslag Herplaatsingsfonds. 1.1 Aanvragen voor outplacementbegeleiding Jaarverslag Herplaatsingsfonds 1.1 Aanvragen voor outplacementbegeleiding Het Herplaatsingsfonds financiert de outplacementbegeleiding van alle ontslagen werknemers tewerkgesteld in bedrijven in het Vlaamse

Nadere informatie

Economische prognose IMF voor het GOS

Economische prognose IMF voor het GOS Economische prognose IMF voor het GOS Jan Limbeek Twee keer per jaar, in april en september of oktober, publiceert het IMF zijn World Economic Outlook, waarin het zijn economische verwachtingen voor de

Nadere informatie

Belgische kledingsector : redelijk goed klimaat in 2007 maar dreigende onweerswolken in 2008

Belgische kledingsector : redelijk goed klimaat in 2007 maar dreigende onweerswolken in 2008 PERSBERICHT Belgische kledingsector : redelijk goed klimaat in 2007 maar dreigende onweerswolken in 2008 Het jaar 2007 kan voor de kledingsector worden samengevat als een stabiel jaar. De omzetdaling was

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2004-II

Eindexamen economie 1 vwo 2004-II Opgave 1 Stoppen met roken!? In een land betalen rokers bij de aanschaf van tabaksproducten een flink bedrag aan indirecte belasting (tabaksbelasting)*. Dat vinden veel mensen terecht omdat de overheid

Nadere informatie

BUREAU VOOR DE STAATSSCHULD. Suriname Debt Management Office. Kosten en Risico analyse van de Surinaamse schuldportefeuille per ultimo 2014

BUREAU VOOR DE STAATSSCHULD. Suriname Debt Management Office. Kosten en Risico analyse van de Surinaamse schuldportefeuille per ultimo 2014 BUREAU VOOR DE STAATSSCHULD Suriname Debt Management Office Kosten en Risico analyse van de Surinaamse schuldportefeuille per ultimo 2014 Sarajane Marilfa Omouth Paramaribo, juni 2015 1. Inleiding De totale

Nadere informatie

De buitenlandse handel van België - 2009 -

De buitenlandse handel van België - 2009 - De buitenlandse handel van België - 2009 - De buitenlandse handel van België in 2009 (Bron: NBB communautair concept*) Analyse van de cijfers van 2009 Zoals lang gevreesd, werden in 2009 de gevolgen van

Nadere informatie

4. Werkloosheid in historisch perspectief

4. Werkloosheid in historisch perspectief 4. Werkloosheid in historisch perspectief Werkloosheid is het verschil tussen het aanbod van arbeid en de vraag naar arbeid. Het arbeidsaanbod in Noord-Nederland hangt samen met de mate waarin de inwoners

Nadere informatie

BEHEERSVERSLAG TRANSPARANTINVEST 4/3/2015. Macro & Markten, strategie. 1. Rente en conjunctuur : EUROPA

BEHEERSVERSLAG TRANSPARANTINVEST 4/3/2015. Macro & Markten, strategie. 1. Rente en conjunctuur : EUROPA BEHEERSVERSLAG TRANSPARANTINVEST 4/3/15 Macro & Markten, strategie 1. Rente en conjunctuur : EUROPA De Europese rentevoeten zijn historisch laag, zowel op het korte als op het lange einde, en geven de

Nadere informatie

Beleggingsthema s 2016. What a difference a day makes (1975), Dinah Washington

Beleggingsthema s 2016. What a difference a day makes (1975), Dinah Washington Beleggingsthema s 2016 What a difference a day makes (1975), Dinah Washington Inleiding De dagen die in 2015 het verschil maakten, zijn de dagen waarop centrale bankiers uitspraken deden, what a difference

Nadere informatie

Arbeidsmarktbarometer 2011 Basisonderwijs en Secundair onderwijs

Arbeidsmarktbarometer 2011 Basisonderwijs en Secundair onderwijs Arbeidsmarktbarometer 2011 Basisonderwijs en Secundair onderwijs Vlaams ministerie van Onderwijs & Vorming Agentschap voor Onderwijsdiensten (AgODi) Koning Albert II-laan 15, 1210 Brussel http://www.ond.vlaanderen.be/wegwijs/agodi

Nadere informatie

Allochtonen op de arbeidsmarkt 2009-2010

Allochtonen op de arbeidsmarkt 2009-2010 FORUM Maart Monitor Allochtonen op de arbeidsmarkt 9-8e monitor: effecten van de economische crisis In steeg de totale werkloosheid in Nederland met % naar 26 duizend personen. Het werkloosheidspercentage

Nadere informatie

Evolutie van het arbeidsongevallenrisico in de privésector in België tussen 1985 en 2013

Evolutie van het arbeidsongevallenrisico in de privésector in België tussen 1985 en 2013 Evolutie van het arbeidsongevallenrisico in de privésector in België tussen 1985 en 2013 Verschillende factoren bepalen het aantal arbeidsongevallen. Sommige van die factoren zijn meetbaar. Denken we daarbij

Nadere informatie

Bedrijvendynamiek en werkgelegenheid

Bedrijvendynamiek en werkgelegenheid M201207 Bedrijvendynamiek en werkgelegenheid 1987-2010 drs. K.L. Bangma drs. A. Bruins Zoetermeer, mei 2012 Bedrijvendynamiek en werkgelegenheid In de periode 1987-2010 is het aantal bedrijven per saldo

Nadere informatie

Internationale handel visproducten

Internationale handel visproducten Internationale handel visproducten Marktmonitor ontwikkelingen 27-211 en prognose voor 212 Januari 213 Belangrijkste trends 27-211 Ontwikkelingen export De Nederlandse visverwerkende industrie speelt een

Nadere informatie

AEGON Equity Fund. vierde kwartaal 2006

AEGON Equity Fund. vierde kwartaal 2006 Profiel Het AEGON Equity Fund is een besloten fonds voor gemene rekening, waarin verzekeringsrelaties van AEGON kunnen participeren. Het AEGON Equity Fund belegt wereldwijd in aandelen met de nadruk op

Nadere informatie

Internationale vorderingen Nederlandse banken onder druk

Internationale vorderingen Nederlandse banken onder druk Internationale vorderingen Nederlandse banken onder druk De vorderingen van Nederlandse banken op het buitenland zijn onder invloed van de financiële crisis en de splitsing van ABN AMRO in 2007 en 2008

Nadere informatie

Onafhankelijke denktank Fact-based Lange termijn

Onafhankelijke denktank Fact-based Lange termijn Leeftijd en arbeidsmarkt: naar een nieuw paradigma? Leeftijd en arbeidsmarkt Itinera Institute Onafhankelijke denktank Fact-based Lange termijn Aanreiken, verdedigen en bouwen van wegen voor beleidshervorming

Nadere informatie

Zelftest hoofdstuk 1 Gesloten vragen 1.22 D; 1.23 B; 1.24 A; 1.25 B; 1.26 B; 1.27 C; 1.28 D; 1.29 A; 1.30 B; 1,31 A; 1.32 A

Zelftest hoofdstuk 1 Gesloten vragen 1.22 D; 1.23 B; 1.24 A; 1.25 B; 1.26 B; 1.27 C; 1.28 D; 1.29 A; 1.30 B; 1,31 A; 1.32 A Zelftest hoofdstuk 1 1.22 D; 1.23 B; 1.24 A; 1.25 B; 1.26 B; 1.27 C; 1.28 D; 1.29 A; 1.30 B; 1,31 A; 1.32 A 1.33 a. $25 1, 1 = $27,50 b. -invoercontingenten, -kwaliteitseisen, -douaneformaliteiten, -subsidies

Nadere informatie

«Bestaat er een verband tussen de leeftijd van de werkloze en de werkloosheidsduur?» (1 ste deel)

«Bestaat er een verband tussen de leeftijd van de werkloze en de werkloosheidsduur?» (1 ste deel) «Bestaat er een verband tussen de leeftijd van de werkloze en de werkloosheidsduur?» (1 ste deel) Eerste deel Evolueert de werkloosheidsduur naargelang de leeftijd van de werkloze? Hoe groot is de kans

Nadere informatie

8. Werken en werkloos zijn

8. Werken en werkloos zijn 8. Werken en werkloos zijn In 22 is de arbeidsdeelname van allochtonen niet meer verder gestegen. Onder autochtonen is het aantal personen met werk nog wel licht toegenomen. De arbeidsdeelname onder Surinamers,

Nadere informatie

De afnemende vrees voor een Amerikaanse interventie in Syrië zorgde voor lagere olieprijzen. Ten opzichte van vorige week is de prijs 1,7 % gedaald.

De afnemende vrees voor een Amerikaanse interventie in Syrië zorgde voor lagere olieprijzen. Ten opzichte van vorige week is de prijs 1,7 % gedaald. Energiemarktanalyse Powerhouse Olie Olie (volgende maand) De afgelopen week waren de ogen van beleggers vooral gericht op een eventuele aanval van de VS op Syrië. Omdat het lijkt dat Obama steeds meer

Nadere informatie

Futures Trading Commission.

Futures Trading Commission. => We hebben op korte termijn een long positie in USD en een short positie in EUR Over minstens één aspect van de Amerikaanse economie zijn "stieren en beren" het eens: namelijk dat de dollar, de meest

Nadere informatie

Verdere evolutie van de geharmoniseerde werkloosheid in ruime zin

Verdere evolutie van de geharmoniseerde werkloosheid in ruime zin Verdere evolutie van de geharmoniseerde werkloosheid in ruime zin ruime zin in België, Duitsland, Frankrijk en Nederland in 2014 Directie Statistieken, Begroting en Studies stat@rva.be Inhoudstafel: 1

Nadere informatie

Wall Street of niet, dat is de vraag

Wall Street of niet, dat is de vraag Wall Street of niet, dat is de vraag 1. Beleggers hebben geen leuke tijd achter de rug. 2011 was een moeilijk beleggingsjaar. Het begon goed, alsof het ingezet herstel na het bloedbad van 2008/2009 zich

Nadere informatie

Obligaties 4-4-2014. Algemeen economisch:

Obligaties 4-4-2014. Algemeen economisch: Obligaties 4-4-2014 Algemeen economisch: Over de afgelopen maanden zet de bestaande trend zich door. De rente blijft per saldo onder druk, ondanks een tijdelijke hobbel na de start van het afbouwen van

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2000-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2000-II Opgave 1 Uit een krant: Uitzendbranche blijft groeien Uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt dat de uitzendbranche in het eerste kwartaal van 1998 flink is gegroeid. In vergelijking

Nadere informatie

notarisbarometer 2012 : meer vastgoedtransacties in België Vastgoedactiviteit in België www.notaris.be 106,4 106,8 101,6 99,2 100 99,2 99,8

notarisbarometer 2012 : meer vastgoedtransacties in België Vastgoedactiviteit in België www.notaris.be 106,4 106,8 101,6 99,2 100 99,2 99,8 notarisbarometer Vastgoed, vennootschappen, familie www.notaris.be A B C D E n 15 Oktober - december Trimester 4 - Vastgoedactiviteit in België Prijsevolutie Registratierechten Vennootschappen De familie

Nadere informatie

CBS: Voorzichtig herstel arbeidsmarkt in het tweede kwartaal

CBS: Voorzichtig herstel arbeidsmarkt in het tweede kwartaal Persbericht PB14 56 11 9 214 15.3 uur CBS: Voorzichtig herstel arbeidsmarkt in het tweede kwartaal Meer werklozen aan de slag Geen verdere daling aantal banen, lichte groei aantal vacatures Aantal banen

Nadere informatie

NOVEMBER 2014 BAROMETER

NOVEMBER 2014 BAROMETER NOVEMBER 2014 BAROMETER In deze nieuwe editie van de barometer staan we stil bij de Census 2011 die afgelopen maand werd gepubliceerd door Statistics Belgium, onderdeel van de FOD Economie. We vertalen

Nadere informatie

Eindexamen havo economie oud programma 2012 - I

Eindexamen havo economie oud programma 2012 - I Opgave 1 Beleggingen leiden tot inkomensverschillen Aangetrokken door voorspoedige ontwikkelingen op de effectenbeurs, zijn in een land de mensen steeds meer gaan beleggen in aandelen en obligaties. Mede

Nadere informatie

Niet-westerse allochtonen behoren minder vaak tot de werkzame beroepsbevolking 1) Arbeidsdeelname niet-westerse allochtonen gedaald

Niet-westerse allochtonen behoren minder vaak tot de werkzame beroepsbevolking 1) Arbeidsdeelname niet-westerse allochtonen gedaald 7. Vaker werkloos In is de arbeidsdeelname van niet-westerse allochtonen gedaald. De arbeidsdeelname onder rs is relatief hoog, zes van de tien hebben een baan. Daarentegen werkten in slechts vier van

Nadere informatie

Macro-economische Ontwikkelingen

Macro-economische Ontwikkelingen Macro-economische Ontwikkelingen e kwartaal 8 Overall conclusie De kredietcrisis zorgt voor een terugval van de economische bedrijvigheid in Nederland die sinds het begin van de jaren tachtig niet is voorgekomen.

Nadere informatie

Grafiek 1: Evolutie van de voornaamste aandelenindices in de VS, Eurozone, China en de groeilanden in vergelijking met de evolutie van de goudprijs.

Grafiek 1: Evolutie van de voornaamste aandelenindices in de VS, Eurozone, China en de groeilanden in vergelijking met de evolutie van de goudprijs. BEHEERSVERSLAG 31/3/2015 Macro & Markten, strategie Na de forse klim van de aandelenmarkten in 2014 zetten vooral de Zuidoost Aziatische en Europese aandelenmarkten deze trend in 2015 verder. Meer en meer

Nadere informatie

Een regionale opsplitsing van de sociale balansen

Een regionale opsplitsing van de sociale balansen Een regionale opsplitsing van de sociale balansen Nationale Bank van België (2004). De sociale balans 2003, Economisch Tijdschrift 4-2004. Voor het eerst heeft de Nationale Bank van België de sociale balansen

Nadere informatie

Valutamarkt. De euro op koers. Havo Economie 2010-2011 VERS

Valutamarkt. De euro op koers. Havo Economie 2010-2011 VERS Valutamarkt De euro op koers Havo Economie 2010-2011 VERS 2 Hoofdstuk 1 : Inleiding Opdracht 1 a. Dirham b. Internet c. Duitsland - Ierland - Nederland - Griekenland - Finland - Luxemburg - Oostenrijk

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-I

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-I 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Voorbeelden van een juist antwoord

Nadere informatie

Strategy Background Papers

Strategy Background Papers november 2013 Beleggen in vastgoed Huurder of eigenaar, iedereen krijgt in het dagelijkse leven te maken met vastgoed. De meeste eigenaars van een huis zien hun woning meer als een vorm van comfort dan

Nadere informatie

Centraal Bureau voor de Statistiek. Persbericht. Werkgelegenheid commerciële sector daalt. Minder banen in industrie en zakelijke dienstverlening

Centraal Bureau voor de Statistiek. Persbericht. Werkgelegenheid commerciële sector daalt. Minder banen in industrie en zakelijke dienstverlening Centraal Bureau voor de Statistiek Persbericht PB02-196 26 september 2002 9.30 uur Werkgelegenheid commerciële sector daalt Voor het eerst sinds 1994 is het aantal banen van werknemers in commerciële bedrijven

Nadere informatie

Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel. Eerste kwartaal 2014-1 januari 2014 t/m 31 maart 2014. Samenvatting: stijgende aandelen

Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel. Eerste kwartaal 2014-1 januari 2014 t/m 31 maart 2014. Samenvatting: stijgende aandelen Kwartaalbericht Pensioenfonds KLM-Cabinepersoneel Eerste kwartaal 2014-1 januari 2014 t/m 31 maart 2014 Samenvatting: stijgende aandelen Nominale dekkingsgraad gestegen van 123,0% naar 123,6% Reële dekkingsgraad

Nadere informatie

Grafische sector West-Vlaanderen Werkt 2, 2009

Grafische sector West-Vlaanderen Werkt 2, 2009 Grafische sector West-Vlaanderen Werkt 2, 2009 De grafische sector in West-Vlaanderen Foto: : Febelgra Jens Vannieuwenhuyse sociaaleconomisch beleid, WES De grafische sector is zeer divers. Grafische bedrijven

Nadere informatie

1.4 Factoren die bepalend zijn voor reële convergentie

1.4 Factoren die bepalend zijn voor reële convergentie Productiviteit, concurrentiekracht en economische ontwikkeling Concurrentiekracht wordt vaak beschouwd als een indicatie voor succes of mislukking van economisch beleid. Letterlijk verwijst het begrip

Nadere informatie

pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD

pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD De macro-vraaglijn of geaggregeerde vraaglijn geeft het verband weer tussen het algemeen prijspeil en de gevraagde hoeveelheid binnenlands product. De macro-vraaglijn

Nadere informatie

Kredietverlening aan Vlaamse ondernemingen

Kredietverlening aan Vlaamse ondernemingen Kredietverlening aan Vlaamse ondernemingen Monitoring Rapport: Mei 212 Jan van Nispen Inleiding De start van de financiële crisis ligt nu al enkele jaren achter ons, maar in 211 voelden we nog steeds de

Nadere informatie