Inhoud. Aflevering 8 15 juli 2011 Jaargang 15

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Inhoud. Aflevering 8 15 juli 2011 Jaargang 15"

Transcriptie

1 Aflevering 8 15 juli 2011 Jaargang 15 Redactie: prof. mr. G.P.M.F. Mols mr. J. Anker mr. dr. J.A.A.C. Claessen mr. M.P. de Graaf prof. mr. T. Spronken mr. J.H. Wesselink prof. mr. J.H.M. Willems Inhoud Redactioneel Eindvonnis in de zaak Wilders p. 621 Regelgeving. Inwerkingtreding van de artikelen IV en X van de Wet OM-afdoening p Inwerkingtreding van de wet tot wijziging van de Beginselenwet p. 624 justitiële jeugdinrichtingen, het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten, in verband met de aanpassing van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende jeugdsancties. Wijziging van het Reglement justitiële jeugdinrichtingen en het Besluit p. 624 tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht Aanwijzing OM-afdoening p Aanwijzing Opiumwet p Aanwijzing effectieve afdoening strafzaken jeugdigen p Aanwijzing politiestrafbeschikking inzake eenvoudige diefstal en p. 626 verduistering. Aanwijzing pre opsporing, opsporing en vervolging van maritieme p. 627 strafbare feiten. Aanwijzing binnenvaart p Richtlijn voor strafvordering tarieven en feitomschrijvingen voor p. 627 misdrijven, overtredingen en gedragingen als bedoeld in de WAHV. Richtlijn voor strafvordering Wet vervoer gevaarlijke stoffen ten p. 628 aanzien van vervoer over de weg. Richtlijn voor strafvordering binnenvaart p. 628

2 NbSr INHOUD Rechtspraak 186 Hoge Raad 17 mei 2011, nr , LJN BP0183 De opvatting dat de strafbepaling van art. 142a lid 2 Sr zich ten opzichte van art. 142 lid 2 Sr verhoudt als een bijzondere tot een algemene strafbepaling in die zin dat in gevallen als de onderhavige uitsluitend eerstgenoemde bepaling mag worden toegepast, kan niet als juist worden aanvaard. De strafbepalingen van respectievelijk art. 142a lid 2 Sr en art. 142 lid 2 Sr hebben verschillende strekkingen. Het Hof heeft terecht art. 57 Sr toegepast. [Sr art. 55 lid 2, 57, 142, 142a] 187 Hoge Raad 17 mei 2011, nr , LJN BP9406 De rechter is niet gehouden op een bij appelschriftuur gedaan verzoek tot oproeping van getuigen te beslissen. Alleen een herhaald, ter terechtzitting gedaan verzoek noopt tot een beslissing. De omstandigheid dat de verdachte in hoger beroep niet werd bijgestaan door een raadsman maakt dat niet anders. [Sv art. 287 lid 3 onder a, 450 lid 3] 188 Hoge Raad 24 mei 2011, nr P, LJN BP4399 Gelet op de verwijzing in deze zaak na vernietiging in cassatie en in aanmerking genomen dat art. 577b lid 2 Sv de betrokkene de bevoegdheid geeft na de afdoening van de hoofdzaak te verzoeken om vermindering of kwijtschelding van het vastgestelde ontnemingsbedrag, heeft de betrokkene geen belang bij beoordeling van de klacht in cassatie dat het Hof zijn schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten onrechte mede heeft gebaseerd op een feit waarvan de betrokkene is vrijgesproken. [EVRM art. 6; Sr art. 36e; Sv art. 577b lid 2] 189 Hoge Raad 24 mei 2011, nr , LJN BO1587 Met het oordeel dat, ook indien ervan moet worden uitgegaan dat de verdachte in Nederland slechts op doorreis was, haar niet de bescherming toekomt van art. 31 lid 1 Vluchtelingenverdrag, heeft het Hof onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang. Indien het Hof heeft geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat de vluchteling via een derde land naar Nederland is gereisd en daardoor gedurende die reis in dat andere land heeft verbleven meebrengt dat geen sprake is van coming directly als bedoeld in art. 31 Vluchtelingenverdrag, heeft het blijk gegeven van onjuiste rechtsopvatting. Indien het Hof niet van die opvatting is uitgegaan, is zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen dat het Hof niets heeft vastgesteld omtrent de duur van het verblijf van de verdachte in dat derde land. [Verdrag betreffende de status van vluchtelingen art. 31 lid 1] 190 Hoge Raad 24 mei 2011, nr , LJN BP4479 Het in de overwegingen van het Hof besloten liggende oordeel dat de raadsvrouwe er niet op mocht vertrouwen dat de door de griffiemedewerkster verstrekte informatie omtrent het instellen van een rechtsmiddel geen later fataal p. 628 p. 630 p. 631 p. 632 p Nieuwsbrief Strafrecht , afl. 8 Sdu Uitgevers

3 INHOUD NbSr blijkende fouten of leemten bevat en dat door het instellen van hoger beroep conform deze verstrekte informatie ook het beoogde doel, te weten het rechtsgeldig instellen van het rechtsmiddel wordt bereikt, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. [Sv art. 450 lid 1 aanhef en onder b] 191 Hoge Raad 24 mei 2011, nr P, LJN BP6044 Nu noch uit de in het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel aangehaalde verklaringen van getuigen, noch uit de verklaring die de betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd kan volgen dat de betrokkene vijftig gram cocaïne per week verkocht, is de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend gemotiveerd. [Sr art. 36e] 192 Hoge Raad 24 mei 2011, nr , LJN BQ5858 Het middel beroept zich in de toelichting op feiten en omstandigheden waarvan niet blijkt dat die in hoger beroep door de verdachte en zijn raadsman naar voren zijn gebracht. Deze feiten en omstandigheden kunnen in cassatie niet op hun juistheid worden onderzocht en daarom daar ook niet voor het eerst naar voren worden gebracht. Zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting is het Hof op grond van de gebezigde bewijsmiddelen tot een bewezenverklaring en tot de kwalificatie poging tot zware mishandeling begaan tegen zijn kind kunnen komen. [Sr art. 304; Sv art. 437] 193 Hoge Raad 24 mei 2011, nr , LJN BP6581 Uit de bewijsvoering van het Hof kan niet volgen dat de verdachte wat betreft het bewezenverklaarde opzettelijk verkopen van hennepplanten en stekken van hennepplanten zo nauw en bewust met een ander heeft samengewerkt dat sprake is van het medeplegen van die gedragingen. De door het Hof in dit verband in het bijzonder in aanmerking genomen omstandigheden dat de verdachte verantwoordelijk is voor hetgeen zich in zijn zaak afspeelt en dat hij zeggenschap heeft over zijn medewerkers, welke omstandigheden eraan zouden kunnen bijdragen dat de verdachte als functionele dader van die gedragingen wordt aangemerkt, zijn onvoldoende om een dergelijke bewuste en nauwe samenwerking te kunnen aannemen. [Sr art. 47, 48, 49, 50, 51; Opiumwet art. 3] 194 Hoge Raad 24 mei 2011, nr B, LJN BP9413 De Rechtbank heeft art. 552a lid 7 Sv miskend door enerzijds het beklag gegrond te achten doch anderzijds het verzoek van de klager tot teruggave niet ontvankelijk te verklaren. Aan het geven van een last tot teruggave aan de beslagene staat niet in de weg dat aan de last niet kan worden voldaan, bijvoorbeeld omdat de zaak inmiddels aan een ander is afgegeven. [Sv art. 552a lid 7] p. 635 p. 637 p. 639 p Sdu Uitgevers Nieuwsbrief Strafrecht , afl

4 NbSr INHOUD 195 Hoge Raad 31 mei 2011, nr , LJN BP6043 Het kennelijke oordeel van het Hof dat onder de bevoegdheid als bedoeld in art. 55b lid 2 Sv tot het doen van onderzoek naar de voorwerpen die de verdachte bij zich draagt of met zich voert, onder omstandigheden ook het onderzoeken van het dashboardkastje van een auto van de verdachte kan vallen voor zover zulks noodzakelijk is voor de vaststelling van de identiteit van de verdachte, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. [Sv art. 55b lid 2] 196 Hoge Raad 31 mei 2011, nr , LJN BQ1978 Het oordeel van het Hof dat het vorderen van inzage van het legitimatiebewijs van de verdachte redelijkerwijs noodzakelijk was voor de uitoefening van de politietaak als bedoeld in art. 8a lid 1 Politiewet 1993, is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat de ambtenaren van politie de opdracht hadden gekregen extra controle uit te voeren op de voertuigen op de snelwegen langs, en de toe- en afritten vanuit en naar Hendrik-Ido-Ambacht in verband met het terugdringen van het toenemende aantal inbraken in die gemeente, dat de verdachte zich in de bewuste nacht om uur bevond in een voertuig op een afgelegen plaats in de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht, te weten een tankstation aldaar, dat zich in dat voertuig twee andere personen bevonden die antecedenten bleken te hebben ter zake van diefstal/inbraak en dat de bestuurder de politie had medegedeeld dat hij eerder was aangehouden omdat hij een breekijzer bij zich had. [Politiewet 1993 art. 8a lid 1; Wet op de identificatieplicht] 197 Hoge Raad 31 mei 2011, nr , LJN BO6332 De advocaat-generaal bij het Hof en de verdachte zijn bevoegd voor of bij de behandeling van een zaak in hoger beroep nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen. De uitoefening van die bevoegdheid is evenwel onderworpen aan de eisen die voortvloeien uit de beginselen van een behoorlijke procesorde. Een algemene regel daaromtrent valt niet te geven. Ingeval bij de behandeling van een zaak in hoger beroep door het openbaar ministerie dan wel door of namens de verdachte het verzoek wordt gedaan om nadere bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen, zal de rechter een afwijzende beslissing op een dergelijk verzoek dienen te motiveren aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaf. Het Hof heeft bedoelde maatstaf niet toegepast. [Sv art. 414 lid 1] 198 Hoge Raad 31 mei 2011, nr , LJN BQ0050 In het licht van hetgeen aan het verzoek van de raadsman ten grondslag is gelegd, is het oordeel van het Hof dat de noodzaak tot het oproepen van een tweetal getuigen niet is gebleken om redenen als ter terechtzitting uiteengezet door de advocaat-generaal en zoals door hem verwoord in zijn schrijven aan de raadsman, niet zonder meer begrijpelijk. [Sv art. 315] p. 641 p. 643 p. 646 p Nieuwsbrief Strafrecht , afl. 8 Sdu Uitgevers

5 INHOUD NbSr 199 Hoge Raad 31 mei 2011, nr , LJN BP1179 Onrechtmatige afname van een referentiemonster en het daaruit vervaardigde en opgeslagen DNA-profiel is geen vormverzuim, begaan bij het voorbereidend onderzoek als bedoeld in art. 359a Sv. Het oordeel van het Hof dat het beroep van de verdachte op bewijsuitsluiting van het door het NFI verrichte DNA-onderzoek, waarvan blijkt uit de rapporten van het NFI, moet worden verworpen op de grond dat de verdachte in de gegeven omstandigheden niet in een rechtens te respecteren belang is geschaad, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook toereikend gemotiveerd (verg. NbSr 2011, 202). [EVRM art. 5, 8; Sv art. 132, 359a; Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden art. 2] 200 Hoge Raad 31 mei 2011, nr , LJN BQ2467 Niet blijkt dat een afschrift van de dagvaarding aan de raadsman is gezonden. Ter terechtzitting in hoger beroep is noch de verdachte, noch een voor de verdachte optredende raadsman verschenen. Daaruit vloeit het ernstige vermoeden voort dat ten aanzien van de dagvaarding in hoger beroep het voorschrift vervat in de tweede volzin van art. 51 Sv niet is nageleefd. Dit in het belang van de verdachte gegeven voorschrift is van zo grote betekenis dat, al is dit niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet-nakoming ervan moet worden geacht aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting buiten tegenwoordigheid van de verdachte en diens raadsman in de weg te staan. Een goede procesorde brengt voorts mee dat indien reden bestaat tot twijfel omtrent de naleving van voormeld voorschrift, de rechter, alvorens nadat de zaak is uitgeroepen het onderzoek ter terechtzitting voort te zetten en nog voordat kan worden onderzocht of het bepaalde in art. 416 lid 2 Sv toepassing moet vinden, zich ervan vergewist dat hetzij voormeld voorschrift is nageleefd hetzij één der uitzonderingsgevallen zich voordoet. [Sv art. 51, 416 lid 2] 201 Hoge Raad 31 mei 2011, nr B, LJN BQ2483 Ingeval een beslag is gelegd als bedoeld in art. 94a Sv en een derde die stelt eigenaar te zijn, een klaagschrift heeft ingediend, dient de rechter als maatstaf aan te leggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de klager als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt en daarvan in zijn beslissing blijk te geven. Indien de klager als eigenaar wordt aangemerkt, zal de rechter tevens moeten onderzoeken en daarvan blijk moeten geven of zich de situatie van art. 94a lid 3 of 4 Sv voordoet. Gelet daarop en in aanmerking genomen dat de Rechtbank heeft vastgesteld dat de klaagster in gemeenschap van goederen is gehuwd met degene onder wie het beslag is gelegd, geeft het oordeel van de Rechtbank, dat het klaagschrift gegrond is omdat niet is voldaan aan de eisen van art. 94a lid 3 Sv, blijk van een onjuiste rechtsopvatting. [Sv art. 94a, 552a] 202 Hoge Raad 31 mei 2011, nr , LJN BP6159 De vaststelling van het Hof dat aannemelijk is dat het bevel tot afname van celmateriaal in de zaak waarin de verdachte in 2005 is veroordeeld niet is p. 648 p. 652 p. 653 p Sdu Uitgevers Nieuwsbrief Strafrecht , afl

6 NbSr INHOUD uitgevoerd omdat, gezien art. 2 lid 1 onder a Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, van de verdachte reeds in 2004 een referentiemonster was afgenomen en een DNA-profiel in de databank was opgenomen, kan de daaruit door het Hof getrokken conclusie, dat het NFI de in de databank aanwezige DNA-sporenprofielen had kunnen vergelijken met het profiel van de verdachte dat na het rechtbankvonnis van 9 februari 2005 had moeten zijn bepaald en verwerkt, niet zonder meer dragen. Het Hof heeft daarbij immers niet kenbaar aandacht eraan besteed of aannemelijk is dat na de veroordeling in 2005 ook de in art. 2 lid 1 onder b Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden vermelde uitzondering zich niet zou hebben voorgedaan. Zijn oordeel is dus zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk (verg. NbSr 2011, 199). [Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden art. 2 lid 1 onder b] 203 Hoge Raad 7 juni 2011, nr , LJN BO9834 De wet stelt niet de eis dat een appelschriftuur door de indiener daarvan is ondertekend. Wel moet worden aangenomen dat indien door het Openbaar Ministerie hoger beroep is ingesteld, de appelschriftuur door de officier van justitie dient te worden ingediend. Het Hof heeft vastgesteld dat aan die eis is voldaan. Mede gelet daarop is het oordeel van het Hof dat de niet-ondertekening van de appelschriftuur niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn hoger beroep, juist. [Sv art. 410; Wet RO art. 126; Besluit reorganisatie openbaar ministerie en instelling landelijk parket art. 2] 204 Hoge Raad 7 juni 2011, nr , LJN BP9352 Het behoort tot de taak van de rechter die heeft te beslissen omtrent de in de art. 348 en 350 Sv vermelde vragen, daarbij slechts te oordelen op de grondslag van hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in diens zaak. Het Hof heeft dan ook ten onrechte bij zijn oordeel omtrent de strafoplegging betrokken dat het (...) het Hof ambtshalve bekend (is), uit eerdere strafzaken van de verdachte in hoger beroep, dat de verdachte één en andermaal heeft verklaard niet voornemens te zijn Nederland te verlaten of daartoe pogingen te ondernemen. [Sv art. 359 lid 5] 205 Hoge Raad 7 juni 2011, nr , LJN BQ3126 Het Hof heeft uit de gebezigde bewijsmiddelen, die inhouden dat uit raadpleging van het kentekenregister en het Centrale Register Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen is gebleken dat voor de personenauto met het kenteken TT-50-KS, welk kenteken was opgegeven aan de verdachte, geen verzekering overeenkomstig de WAM stond geregistreerd, eveneens kunnen afleiden dat voor dat motorrijtuig een kentekenbewijs was afgegeven. De bewezenverklaring is derhalve naar de eis der wet met redenen omkleed. [Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen art. 2, 30 lid 2; Kentekenreglement art. 2 lid 1] p. 657 p. 659 p Nieuwsbrief Strafrecht , afl. 8 Sdu Uitgevers

7 INHOUD NbSr 206 Hoge Raad 7 juni 2011, nr , LJN BP2740 Een getuige dient de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zeggen, terwijl de getuige bij zijn verklaring zo veel mogelijk uitdrukkelijk opgeeft wat hij heeft waargenomen en wat zijn redenen van wetenschap zijn. In het onderhavige geval is belet dat de getuige gevolg zou geven aan de vraag van de verdediging zijn litteken te laten zien. Die vraag strekte niet tot het doen van een verklaring in de hiervoor bedoelde zin, maar had ten doel de getuige een bepaalde handeling te laten verrichten. Art. 293 lid 1 Sv is daarop niet van toepassing. De regel dat indien een aangehouden verdachte niet dan wel niet binnen redelijke grenzen de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie een advocaat te raadplegen, zulks in beginsel een vormverzuim oplevert als bedoeld in art. 359a Sv dat in de regel dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen, strekt tot bescherming van het recht van de verdachte op een eerlijk proces en in het bijzonder tot bescherming van diens recht om niet aan zijn eigen veroordeling te hoeven meewerken en is beperkt tot de verklaring die de verdachte in zijn eigen strafzaak heeft afgelegd. Ten aanzien van een eventuele inbreuk op het voornoemd recht van een medeverdachte geldt het uitgangspunt dat indien het niet de verdachte is die door de niet-naleving van het voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen, in de te berechten zaak als regel geen rechtsgevolg zal behoeven te worden verbonden aan het verzuim. [EVRM art. 6; Sv art. 290 lid 2, 291, 293 lid 1, 359a lid 2] 207 Hoge Raad 7 juni 2011, nr , LJN BQ3160 Het middel klaagt terecht dat het bezigen als bewijsmiddel van de verklaring van de verdachte in strijd is met de overweging van het Hof dat de verklaring van de verdachte niet voor het bewijs zal worden gebezigd. [Sv art. 359 lid 3] 208 Hoge Raad 14 juni 2011, nr P, LJN BQ3641 De regeling van art. 36e lid 6 Sr beoogt te voorkomen dat iemand hetzelfde wederrechtelijk verkregen voordeel meermalen zou moeten terugbetalen, zij het aan verschillende (rechts)personen. Dit brengt mee dat bij de toepassing van die regeling slechts in aanmerking komt de in rechte onherroepelijk toegekende vordering van een (rechts)persoon strekkende tot vergoeding van diens schade als gevolg van het feit waarop de ontnemingsvordering (mede) steunt, indien en voor zover tegenover die schade een daarmee corresponderend voordeel voor de veroordeelde staat. Tegenover de immateriële schade die een (rechts)persoon heeft geleden als gevolg van het feit waarop de ontnemingsvordering (mede) steunt, staat niet een zodanig voordeel. Het vorenstaande laat onverlet dat de rechter met toepassing van de maatstaf, zoals vervat in de laatste volzin van het vierde lid van art. 36e Sr, het aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel te betalen bedrag lager kan vaststellen dan het geschatte voordeel. [Sr art. 36e] p. 662 p. 664 p Sdu Uitgevers Nieuwsbrief Strafrecht , afl

8 NbSr INHOUD 209 Hoge Raad 14 juni 2011, nr B, LJN BQ3667 Door het bevel in de strafzaak tot bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het inbeslaggenomen geldbedrag waarvan in de nadien ingestelde beklagprocedure teruggave aan de klager wordt verzocht, is het beslag nog niet geëindigd. Zolang het beslag niet is beëindigd, kan een belanghebbende een klaagschrift indienen strekkende tot teruggave aan hem van de inbeslaggenomen voorwerpen. De klager, die stelt rechthebbende op het geldbedrag te zijn, heeft belang bij en is derhalve ontvankelijk in zijn beklag. Het andersluidende oordeel van het Hof geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. [Sv art. 552a] 210 Hoge Raad 14 juni 2011, nr , LJN BQ7790 De opvatting dat art. 14 lid 5 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten zich ertegen verzet dat de verdachte niet ontvankelijk wordt verklaard in zijn beroep op de op art. 416 lid 2 Sv gebaseerde grond dat de verdachte noch bij schriftuur, noch ter terechtzitting in hoger beroep zijn bezwaren heeft opgegeven tegen het bestreden vonnis, is onjuist. [Internationaal verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten art. 14 lid 5; Sv art. 416 lid 2] 211 Hoge Raad 14 juni 2011, nr , LJN BP0287 Deventer moordzaak. In een geval als het onderhavige waarin sprake is van voorafgaande civielrechtelijke veroordelingen wegens smaad, moet een onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de vraag in hoeverre art. 10 EVRM in de weg staat aan een strafrechtelijke vervolging en anderzijds de vraag of een strafrechtelijke veroordeling valt te verenigen met art. 10 EVRM. In dat opzicht gaat het er niet zozeer om of die verdragsbepaling aan de onderhavige vervolging in de weg staat, maar of volgens de op grond van die bepaling aan te leggen toets een strafrechtelijke veroordeling van de verdachte gerechtvaardigd is ter bescherming van de belangen van de aangevers. Het Hof heeft geoordeeld dat dat laatste het geval is. Daarbij heeft het Hof de aard en de reikwijdte van de door de civiele rechter uitgesproken veroordelingen meegewogen bij de oplegging van de straf die geheel voorwaardelijk is opgelegd. Een en ander getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting over de vrijheid van meningsuiting zoals die wordt gewaarborgd door art. 10 EVRM en is evenmin onbegrijpelijk. Het Hof heeft tegen elkaar afgewogen enerzijds het algemeen belang dat kan zijn gediend met het zonder terughoudendheid bekritiseren van de waarheidsvinding in een strafzaak en anderzijds het belang van een gewone burger om te worden beschermd tegen herhaalde beschuldigingen van een ernstig misdrijf. Dat heeft het Hof gebracht tot de slotsom dat de strafrechtelijke veroordeling van de verdachte gerechtvaardigd is ter bescherming van de belangen van de aangevers. Een en ander getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, meer in het bijzonder niet omtrent de door art. 10 EVRM vereiste belangenafweging, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Het oordeel van het Hof dat de door de verdachte gedane beweringen feitelijke beweringen zijn en geen waardeoordelen, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. De beslissing van het Hof op het verweer dat de uitlatingen van de verdachte worden beschermd door het recht op vrijheid van meningsuiting zoals neergelegd in p. 667 p. 668 p Nieuwsbrief Strafrecht , afl. 8 Sdu Uitgevers

9 INHOUD NbSr art. 10 EVRM en dat de exceptie van art. 261 Sr lid 3 van toepassing is, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. [EVRM art. 10; Sr art. 261; Sv art. 167, 261 lid 3] 212 Hoge Raad 14 juni 2011, nr , LJN BQ3804 Voor een veroordeling ter zake van het voorhanden hebben van een wapen in de zin van art. 13 Wet wapens en munitie, is vereist dat de verdachte zich in meer of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van dat wapen. Gelet hierop is het oordeel van het Hof dat de verdachte het wapen voorhanden had, immers zich in meer of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van dat wapen, niet zonder meer begrijpelijk, in aanmerking genomen hetgeen namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd met betrekking tot de vindplaats van het wapen en de vele momenten dat andere personen toegang hadden tot de plek waar het wapen is aangetroffen. [Wet wapens en munitie art. 13] 213 Hof Arnhem 11 november 2010, rolnr Ondanks dat de verdachte nadat de zaak was uitgeroepen en daarmee een aanvang was genomen tweemaal zijn hoger beroep door middel van een akte heeft ingetrokken, wordt de zaak inhoudelijk behandeld, nu genoegzaam is gebleken dat de verdachte niet voldoende voor zijn belangen kan opkomen. [Sv art. 453] 214 Hof Arnhem 2 februari 2011, rolnr Dat de verdachte de specifiek aan hem tenlastegelegde ontuchtige handelingen heeft begaan vindt naast de verklaringen van aangeefster geen steun in andere bewijsmiddelen, zodat de verdachte wordt vrijgesproken van het hem tenlastegelegde. [Sv art. 342 lid 2] 215 Hof Arnhem 24 maart 2011, nr TBS, LJN BP9015 De terbeschikkingstelling wordt verlengd met een termijn van twee jaar met beëindiging van de verpleging van overheidswege en onder voorwaarden, waaronder die dat de terbeschikkinggestelde meewerkt aan een intake bij en wanneer aan hem een behandelaanbod wordt gedaan zich laat behandelen en begeleiden door een door de reclassering aan te wijzen instelling, indien en zolang de reclassering dit nodig acht. [Sr art. 38d] 216 Hof Arnhem (te Leeuwarden) 28 maart 2011, rolnr Vanwege de schending van de eis dat de officier van justitie uiterlijk bij zijn requisitoir in de strafzaak kenbaar maakt of hij voornemens is een vordering als bedoeld in art. 36e Sr aanhangig te maken, is het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk in de ontnemingsvordering. [Sr art. 36e; Sv art. 311 lid 1] p. 683 p. 685 p. 685 p. 687 p Sdu Uitgevers Nieuwsbrief Strafrecht , afl

10 NbSr INHOUD 217 Hof Arnhem 21 april 2011, nr TBS, LJN BQ2578 Ongeacht het gesloten stelsel van strafrechtelijke rechtsmiddelen vloeit uit het systeem van de wet voort dat verlenging van een terbeschikkingstelling, die niet opgelegd had mogen worden, ontoelaatbaar is. Ter zake van mishandeling kan niet de maatregel van terbeschikkingstelling worden opgelegd. Dat, zoals in het onderhavige geval, sprake is van mishandeling, meermalen gepleegd maakt dit niet anders, nu naar de bewoordingen van art. 37a lid 1 sub 18 Sr het wettelijk strafmaximum van de afzonderlijke delicten bepalend is en de samenloopregeling van art. 57 Sr hier buiten toepassing dient te worden gelaten. Gelet hierop dient de vordering tot verlenging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege afgewezen te worden. [Sr art. 37a lid 1 sub 18, 38d] 218 Hof s-gravenhage 10 maart 2011, rolnr In de omstandigheden van het geval levert het betreden van het privéparkeerterrein een uiterst beperkte inbreuk op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer op, welke inbreuk door de taakuitoefening in het kader van art. 2 Politiewet 1993 gewettigd wordt. Van onrechtmatigheid is daarom geen sprake. [EVRM art. 8; Politiewet 1993 art. 2] 219 Hof s-gravenhage 5 april 2011, rolnr In dit geval is aannemelijk dat de draagkracht van de verzoeker onvoldoende is en ook in de toekomst onvoldoende zal zijn om aan de hem opgelegde betalingsverplichting volledig te voldoen, maar niet dat de verzoeker in zijn geheel niet aan de betalingsverplichting kan voldoen. De betalingsverplichting wordt dan ook niet in zijn geheel kwijtgescholden, maar het te betalen bedrag wordt gematigd. [Sv art. 577b lid 2] 220 Hof s-hertogenbosch 23 december 2010, rolnr Het ingevolge art. 63 Sr toepasselijke art. 57 Sr beperkt de cumulatie van nietvrijheidsbenemende sancties niet. Deze beperking ligt ook niet opgesloten in het bepaalde in art. 22c Sr. De rechter in eerste aanleg was derhalve niet beperkt tot het opleggen van een werkstraf van 40 uur voor de bewezen verklaarde feiten in deze zaak. [Sr art. 22c, 57, 63] 221 Hof s-hertogenbosch 21 maart 2011, rolnr Nu twijfel bestaat of aan de verdachte een bevel mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in art. 8 Wegenverkeerswet 1994 is gegeven, wordt de verdachte van het ten laste gelegde vrijgesproken. [Sv art. 352 lid 1; Wegenverkeerswet 1994 art. 8] p. 694 p. 695 p. 696 p. 697 p Nieuwsbrief Strafrecht , afl. 8 Sdu Uitgevers

11 INHOUD NbSr 222 Hof Leeuwarden 12 april 2011, rolnr , LJN BQ0978 De verdachte en zijn medeverdachte hebben gehandeld binnen de maatschappelijk aanvaardbare grenzen van hun taakuitoefening als portier, welke met name gericht is op het ordentelijke verloop in en om de horecagelegenheid. Om deze reden wordt de verdachte vrijgesproken. [Sr art. 141; Sv art. 352 lid 1] 223 Hof Leeuwarden 12 april 2011, nr Uit de systematiek van de wet volgt dat in de beschikking van de Rechtbank waarbij een gevorderde gevangenhouding wordt afgewezen ten aanzien van het gevorderde zoals vermeld in het bevel bewaring en de vordering tot gevangenhouding, die vordering in zoverre niet is toegewezen in de zin van art. 446 lid 1 Sv, zodat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in het hoger beroep. Er zijn geen gronden voor voorlopige hechtenis aanwezig. [Sv art. 65 lid 1, 67b lid 1, 78 lid 2, 446 lid 1] 224 Rechtbank Amsterdam 15 september 2010, parketnrs en De vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging is niet binnen een redelijke termijn ingediend en er zijn onvoldoende bijzondere omstandigheden aanwezig, waardoor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, verlenging van de termijn eist. De officier van justitie wordt dan ook niet ontvankelijk verklaard in zijn vordering. [Sr art. 37b, 38d; Sv art. 509oa] 225 Rechtbank Amsterdam 23 juni 2011, parketnr , LJN BQ9001 Zaak Wilders. De tenlastelegging is niet onduidelijk en dus geldig. De ten laste gelegde uitlatingen kunnen goeddeels aan de verdachte worden toegeschreven. Wat betreft de ten laste gelegde groepsbelediging geldt dat de uitlatingen en de kritiek van de verdachte niet zijn gericht tegen moslims maar tegen het geloof en zij zijn daarom op zichzelf niet strafbaar. Wat betreft het ten laste gelegde aanzetten tot haat en de ten laste gelegde discriminatie geldt dat de uitlatingen van de verdachte niet zien op ras. Een aantal uitlatingen zou kunnen worden gebracht onder aanzetten tot haat en hebben onder meer te gelden als grof, denigrerend en opruiend van karakter, maar zijn, mede gezien de context van het maatschappelijk debat, hoezeer tegen de grens en soms op de grens van het strafrecht, niet strafbaar. Ook sommige passages in de film Fitna kunnen aanzetten tot haat en hebben te gelden als onfatsoenlijk, kwetsend, schokkend, choquerend en aanstootgevend, maar zijn, mede gezien de context van het maatschappelijk debat en hetgeen overigens door de verdachte is gezegd, niet strafbaar (zie ook NbSr 2009, 51, 2010, 306, 329 en 376, 2011, 74, 146 en 149). [EVRM art. 10; Sr art. 137c lid 1, 137d lid 1; Sv art. 12, 261, 352 lid 1] 226 Rechtbank Arnhem 1 november 2010, parketnr De rechter-commissaris acht de verlenging van de inverzekeringstelling onrechtmatig en gelast de onmiddellijke invrijheidstelling met ingang van de afloop van p. 698 p. 699 p. 701 p. 703 p Sdu Uitgevers Nieuwsbrief Strafrecht , afl

12 NbSr INHOUD de inverzekeringstelling van de verdachte (zie ook NbSr 2011, 227). [Sv art. 57, 59a] 227 Rechtbank Arnhem 11 november 2010, parketnr Nu op het moment van de behandeling van de rechtmatigheidstoets van de inverzekeringstelling tevens de verlenging van de inverzekeringstelling zich in het dossier bevond, is deze laatste daarmee onder de reikwijdte van art. 59a Sv en dus de bevoegdheid van de rechter-commissaris gebracht (zie ook NbSr 2011, 226). [Sv art. 57, 59a] 228 Rechtbank Arnhem 5 april 2011, parketnr De verdachte voldoet aan de meeste formele vereisten om voor de ISD-maatregel in aanmerking te komen, maar de officier van justitie kon niet garanderen dat er een ISD-plaats beschikbaar is. Alleen om die reden al komt de Rechtbank aan het opleggen van de ISD-maatregel niet toe. Daarbij komt dat het opleggen van de ISD-maatregel als ultimum remedium dient te worden beschouwd, en dat vastgesteld wordt dat de verdachte niet eerder in een klinische setting is behandeld. Ook om die reden wordt de ISD-maatregel niet opgelegd. [Sr art. 38m] 229 Rechtbank Assen 20 oktober 2010, parketnr Ook de reiskosten die de verzoeker maakt voor bezoek aan zijn raadsman komen voor vergoeding in aanmerking. [Sv art. 591a] 230 Rechtbank Breda 2 december 2010, parketnr Mede gelet op het feit dat veroordeelde niet als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven staat en zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland is, moet ervan worden uitgegaan dat veroordeelde zich niet langer in Nederland bevindt. Daarom kan veroordeelde als uitgezette asielzoeker zich niet houden aan de bijzondere voorwaarde. Daarom wordt de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf afgewezen. [Sr art. 14g] 231 Rechtbank Breda 20 december 2010, parketnr Het gepleegde geweld is tenlastegelegd als het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dan wel een poging daartoe dan wel mishandeling. Om het feit als zodanig te kwalificeren, dient de verdachte bewust de aanmerkelijke kans te hebben aanvaard dat door zijn handelen (zwaar lichamelijk) letsel kon ontstaan. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake, nu niet sprake is van opzet, ook niet in voorwaardelijke zin. [Sr art. 302] p. 729 p. 730 p. 730 p. 731 p Nieuwsbrief Strafrecht , afl. 8 Sdu Uitgevers

13 REDACTIONEEL NbSr Redactioneel Eindvonnis in de zaak Wilders Velen zullen op 23 juni wellicht een zucht van verlichting hebben geslaakt bij de vrijspraak van Wilders, nr. 225 in deze aflevering. Eindvonnis in zaak Wilders, zo luidt de inhoudsindicatie op Rechtspraak.nl. En bij dat eindvonnis zal het in Nederland ook blijven. Geen hoger beroep of cassatie, geen nadere toetsing of de rechtbank wel de juiste juridische maatstaf heeft aangelegd, geen mediacircus meer, geen martelaarschap en geen ongemakkelijke zittingen meer. Laten ze het in de politiek maar verder uitvechten, of bij het Mensenrechtencomité, maar dat zal nog wel duren. Er was al voor gewaarschuwd: een strafrechtelijke vervolging van Wilders zou alleen maar dienen als diens politieke podium, met schadelijke gevolgen voor het aanzien van de rechtspraak als instituut. Wat kun je ook anders verwachten van iemand die in feite de scheiding tussen rechtspraak en politiek wil opheffen en de rechterlijke macht onder politieke curatele wil stellen door rechters maar voor zes jaar te benoemen? Daarom is het ook moeilijk de uitspraak te lezen zonder dat zich in het achterhoofd de film van het afgelopen jaar afspeelt, waarin de verwikkelingen in het proces een katalysator werden van kritiek op het functioneren van de rechtspraak als zodanig. De rechtbank die tot een oordeel moest komen had geen gemakkelijke taak. Er staat zoveel meer op het spel dan in een doorsnee strafzaak, zoals het vinden van een antwoord op de vraag waar politieke vrijheid van meningsuiting de grenzen van het toelaatbare overschrijdt, daar waar het gaat om de godsdienst van een bevolkingsgroep van allochtone afkomst in een maatschappelijke context waar angst voor vreemdelingen voor een belangrijk deel de politieke agenda bepaalt. Een cruciale overweging in de uitspraak van de rechtbank is, dat juist deze maatschappelijke context de strafbaarheid aan op zichzelf discriminatoire uitlatingen en haatzaaiende beelden ontneemt. Ik heb bij deze benadering grote vraagtekens: zijn we niet te gemakkelijk opgelucht? De rechtbank heeft Wilders gevolgd in zijn verweer dat zijn uitlatingen en kritiek op de Islam niet gericht zijn tegen moslims maar tegen het geloof als zodanig en daarom niet als groepsbelediging kunnen worden gekwalificeerd. Dat oordeel is gelet op de uitspraak van de Hoge Raad in het Gezwel-arrest 1 niet verrassend. Spannender wordt het bij de vraag of de uitlatingen aanzetten tot haat of discriminatie opleveren. Een deel van de uitlatingen wordt daar niet toe gerekend omdat het krachtversterkende element ontbreekt waarin uitdrukking wordt gegeven aan een extreme emotie van diepe afkeer en vijandigheid of omdat de uitlating als zodanig niet discriminatoir is. Ten aanzien van een aantal uitlatingen en onderdelen van de film Fitna komt de rechtbank in eerste instantie wel tot de conclusie dat deze op zichzelf een discriminatoir karakter hebben respectievelijk het gaat dan om de film Fitna het risico van aanzetten tot haat in zich bergen. Meer specifiek gaat het om de volgende tenlastegelegde uitlatingen: 1. De grenzen gaan nog diezelfde dag dicht voor alle niet-westerse allochtonen. 5. Iedereen past zich aan onze dominante cultuur aan. Wie dat niet doet, is hier over twintig jaar niet meer. Die wordt het land uitgezet. 6. We hebben een gigantisch probleem met moslims, het loopt aan alle kanten de spuigaten uit, en we komen met oplossingen waarmee je een muis nog niet het hok in krijgt. en 11. We willen genoeg. De grenzen dicht, geen islamieten meer Nederland in, veel moslims Nederland uit, denaturalisatie van Islamitische criminelen HR 10 maart 2009, LJN BF0655, NbSr 2009, Sdu Uitgevers Nieuwsbrief Strafrecht , afl

14 NbSr REDACTIONEEL Het onderdeel van de film Fitna dat het risico in zich bergt van aanzetten tot haat wordt door de rechtbank als volgt beschreven: In (met name het eerste deel van) het tweede gedeelte van de film vanaf het onderdeel Nederland in de ban van de islam wordt een beeld neergezet van Nederland, waarin steeds meer moslims in Nederland komen wonen. Er worden grafieken getoond van de toename in de loop der jaren van het aantal moslims in Nederland en Europa; te zien zijn onder meer vrouwen met hoofddoek, schotelantennes, Nederlandse agenten in uniform die hun schoenen uitdoen alvorens een moskee te betreden, een persoon die de eerwraak verdedigt en preken uitgesproken in Nederlandse moskeeën. Vervolgens verschijnt de tekst in beeld: Nederland in de toekomst? en worden beelden getoond met daarop onder meer mannen die worden opgehangen met in beeld het woord homo s en vrouwen die worden gedood. Met deze beelden wordt aldus de rechtbank de suggestie gewekt dat door de toename van moslims in Nederland gewelddadigheden en criminaliteit zullen toenemen en dat dit (mede) veroorzaakt wordt door de al in Nederland aanwezige moslims. Volgens de rechtbank zijn deze uitlatingen en de beelden in de film Fitna echter niet strafbaar omdat zij gedaan zijn in het kader van het politieke debat politieke voorstellen bevatten in een periode waarin de multiculturele samenleving en immigratie een prominente rol hadden (sic) in het maatschappelijk debat. Door deze context wordt het discriminatoire karakter aan de uitlating onderscheidenlijk het haatzaaiende karakter aan de film ontnomen. Naarmate dit debat heviger is, komt volgens de rechtbank aan de vrijheid van meningsuiting meer ruimte toe en mogen uitlatingen zelfs kwetsen, choqueren en verontrusten. Kan discriminatie of haatzaaien wel worden gerechtvaardigd door het maatschappelijke debat? Wordt hiermee de bescherming die art. 137d Sr moslims moet bieden niet in de kern aangetast? Welke betekenis moet worden toegekend aan het feit dat met name Wilders en zijn PVV de aanjagers zijn van het opvoeren van de felheid waarmee over moslims en vreemdelingen wordt gedebatteerd, met name de kwetsende toon waarop dit gebeurt? Het moeilijke bij de beantwoording van deze vragen is dat de context waarin uitlatingen worden gedaan het discriminatoire karakter mede bepalen. Of de uitlating binnen de grenzen van het aanvaardbare zijn gebleven, is daardoor voor een groot deel een feitelijke afweging waarbij de grenzen van de vrijheid van meningsuiting en, in casu, van godsdienst worden bepaald. Diezelfde context kan echter ook juist de strafbaarheid van de aansporing tot discriminatie opleveren of aan de strafbaarheid bijdragen. 2 Dat betekent dat voor hetzelfde geld geredeneerd zou kunnen worden dat juist nu de uitlatingen zijn gedaan door een politicus in een maatschappelijke context waarin de positie van moslims onder druk staat, dit aan de strafbaarheid van die uitlatingen bijdraagt. De vraag blijft dan waarom de rechtbank daar niet voor gekozen heeft? Dat wordt in de uitspraak niet nader uitgelegd. De door de rechtbank aangehaalde jurisprudentie van het EHRM, met name de zaak Féret versus België 3 biedt voor een andere benaderingswijze onderscheidenlijk inkleuring van de context voldoende aanknopingspunten. Het EHRM overweegt in de zaak Féret namelijk niet alleen dat in het kader van de vrijheid van meningsuiting zelfs uitlatingen toegestaan zijn die kwetsen, choqueren en verontrusten, maar voegt daar in een adem aan toe dat bestrijding van racisme en discriminatie in Europa de hoogste prioriteit heeft en dat het van cruciaal belang is dat volksvertegenwoordigers, wanneer zij zich in het openbaar uitlaten, reacties die intolerantie kunnen bevorderen, voorkomen. Het EHRM hecht bijzondere betekenis aan het feit dat de uitlatingen door Féret zijn gedaan in politieke pamfletten in het kader van een verkiezingscampagne, omdat daardoor het gehele electoraat, dus de gehele bevolking, wordt aan- 2. Zie conclusie A-G Jörg bij het zogenaamde Combat 18 arrest, HR 23 november 2010, LJN BM9135, NbSr 2010, 367; hij verwijst naar HR 18 mei 1999, NJ 1999, 634, NbSr 1999, 126 en HR 15 april 2003, NJ 2003, EHRM 16 juli 2009, NJ 2009, Nieuwsbrief Strafrecht , afl. 8 Sdu Uitgevers

15 REGELGEVING NbSr gesproken en de stellingen van kandidaten onvermijdelijk neerslaan in stereotype formules en slogans. De impact van racistische en xenofobe uitlatingen wordt daardoor volgens het EHRM groter en schadelijker. Het had dus ook anders kunnen uitpakken voor Wilders als de rechtbank had gewild en dat maakt dat ik helemaal niet opgelucht ben. Zeker niet als ik in de krant 4 lees dat Minister Verhagen de vrees van Nederlanders voor buitenlandse invloeden begrijpelijk en terecht vindt. Vooral het woordje terecht baart mij zorgen. Problematisch is ook dat er sluipenderwijs een zekere gewenning optreedt aan het grove en kwetsende taalgebruik. Als ik de 28 uitlatingen die in de uitspraak staan opgesomd zo op een rij zie, dan wil ik hier vooral niet aan wennen. Het is mijns inziens een gemiste kans dat de rechtbank niet de moed heeft opgebracht om grenzen te stellen, waar dat had gekund. Terwijl ik dit schrijf hoor ik op de achtergrond, alsof het toeval ermee speelt, op de radio het lied van Bob Dylan, Blowing in the wind: Yes and how many times can a man turn his head, pretending he just doesn t see? The answer my friend is blowing in the wind, the answer is blowing in the wind. Regelgeving Inwerkingtreding van de artikelen IV en X van de Wet OM-afdoening Op 1 juli 2011 is in werking getreden het Besluit van 20 juni 2011 houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen IV en X van de Wet OM-afdoening. De artikelen IV en X van de Wet OM-afdoening (Stb. 2006, 330) treden in werking met ingang van 1 juli Bron: Stb. 2011, 308. Taru Spronken 4. NRC Handelsblad 28 juni Sdu Uitgevers Nieuwsbrief Strafrecht , afl

16 NbSr REGELGEVING Inwerkingtreding van de wet tot wijziging van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten, in verband met de aanpassing van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende jeugdsancties Op 1 juli 2011 is in werking getreden de wet van 13 december 2010 tot wijziging van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten, in verband met de aanpassing van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende jeugdsancties. Op 1 september 2001 trad de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (Bjj) in werking. De wet regelt het verblijf van jeugdigen in justitiële jeugdinrichtingen. Onderhavige wet heeft als doel de tenuitvoerlegging van jeugdsancties op onderdelen te optimaliseren. De verbeteringen zijn een gevolg van het verschijnen van het rapport Veiligheid in justitiële jeugdinrichtingen: opdracht met risico s, het advies Verbetervoorstellen justitiële jeugdinrichtingen en de evaluatie van de Bjj. Onderwerpen die aan de orde komen zijn: de pedagogische time-out maatregel; het stelsel van de aan de directeur voorbehouden beslissingen; het verblijf in de groep als uitgangspunt; het perspectiefplan; de herziening van de procedure van bemiddeling, beklag en beroep; het verlofstelsel en het scholings- en trainingsprogramma; de bestemming van de justitiële jeugdinrichting; het toezicht op de justitiële jeugdinrichting; het optimaliseren van de tenuitvoerlegging; de regeling kind-bij-ouderplaatsing; informatieplicht ouders bij straffen; wettelijke basis voor nachtdetentie; verplichte nazorg na jeugddetentie en de maatregel van plaatsing in een jeugdinrichting (Pijmaatregel). Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om een aantal wijzigingen op te nemen die min of meer los staan van het verschijnen van de genoemde rapporten en de evaluatie. Zoals het herzien van het stelsel van aan de directeur voorbehouden beslissingen alsmede de bepalingen betreffende de bestemmingen van de jeugdinrichting. Bron: Stb. 2011, 296; Stb. 2010, 818; Kamerstukken Wijziging van het Reglement justitiële jeugdinrichtingen en het Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht 1994 Op 1 juli 2011 is in werking getreden het Besluit van 16 juni 2011 houdende wijziging van het Reglement justitiële jeugdinrichtingen en het Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht 1994 ter uitwerking van de wet van 13 december 2010 tot wijziging van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met de aanpassing van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende jeugdsancties. De wijzigingen in dit besluit vloeien rechtstreeks 624 Nieuwsbrief Strafrecht , afl. 8 Sdu Uitgevers

17 REGELGEVING NbSr voort uit de wijzigingen in de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en in het jeugdstrafrecht, zoals neergelegd in de wet van 13 december 2010 tot wijziging van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten, in verband met de aanpassing van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende jeugdsancties (Stb. 2010, 818). De wijzigingen in de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en het Wetboek van Strafrecht maken voornamelijk technische wijzigingen noodzakelijk in dit uitvoeringsbesluit. Hiermee wordt verder navolging gegeven aan de aanbevelingen uit het rapport Veiligheid in justitiële jeugdinrichtingen: opdracht met risico s, waarin de Inspectie Jeugdzorg, de Inspectie voor de Gezondheidszorg, de Inspectie van het Onderwijs en de Inspectie voor de Sanctietoepassing gemeenschappelijk aanbevelingen tot verbetering van de veiligheid in inrichtingen hebben gedaan. Daarnaast wordt met het besluit nader uitvoering gegeven aan het rapport van de Algemene Rekenkamer Detentie, behandeling en nazorg criminele jeugdigen (Kamerstukken II 2007/08, , nr. 2). Bron: Stb. 2011, 304. Aanwijzing OM-afdoening Op 1 juli 2011 is in werking getreden de Aanwijzing OM-afdoening. Deze aanwijzing is geldig tot 1 juli In deze Aanwijzing wordt de regeling van de Wet OM-afdoening geschetst die in het Wetboek van Strafvordering is doorgevoerd, waarna definities van de belangrijkste op basis van deze wet geïntroduceerde termen, worden gegeven. De Wet OM-afdoening regelt kort gezegd dat het OM in plaats van het aanbieden van een transactie, een zaak zelf buitengerechtelijk kan bestraffen. Ook de (buitengewoon) opsporingsambtenaar kan bij politiestrafbeschikkingsfeiten een zaak zelf buitengerechtelijk bestraffen. Een schematisch overzicht van de gefaseerde invoering is te vinden in Bijlage 1: Zaakstromen. Deze Aanwijzing is gezien de invoering per zaakstroom een groeidocument dat periodiek wordt aangepast. Deze versie geldt voor het uitvaardigen van strafbeschikkingen voor: 1. overtredingen van art. 8 Wegenverkeerswet 1994, waarbij de volgende straffen of maatregel kunnen worden opgelegd aanwijzingen kunnen worden gegeven: een geldboete, ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, de maatregel onttrekking aan het verkeer, de aanwijzing tot afstand van voorwerpen die in beslag zijn genomen en vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en 2. de overige feitgecodeerde zaken (uitgezonderd de feitgecodeerde zaken die betrekking hebben op overtreding van art. 30 lid 2 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen) voor zover deze niet op kenteken zijn geconstateerd, waarbij de volgende straffen of maatregel kunnen worden opgelegd aanwijzingen kunnen worden gegeven: een geldboete, ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, de maatregel onttrekking aan het verkeer, de aanwijzing tot afstand van voorwerpen die in beslag zijn genomen en vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer. Bijlagen: 1. Zaakstromen: schema s; 2. Contraindicaties: schema; 3. Leidraad informatieverstrekking OM-afdoening; 4. Leidraad kennisneming van alle processtukken (art. 33 Sv). Bron: Stcrt. 2011, Aanwijzing Opiumwet Op 1 juli 2011 is in werking getreden de Aanwijzing Opiumwet. Deze aanwijzing is geldig tot 1 juli De beleidsregels in deze aanwijzing hebben Sdu Uitgevers Nieuwsbrief Strafrecht , afl

18 NbSr REGELGEVING gelding vanaf de datum van inwerkingtreding. Deze aanwijzing heeft betrekking op de opsporing en de vervolging van personen die delicten uit de Opiumwet begaan. Bijzondere aandacht wordt besteed aan de bestuurlijke en strafrechtelijke aspecten van het gedoogbeleid ten aanzien van coffeeshops. Bron: Stcrt. 2011, Aanwijzing effectieve afdoening strafzaken jeugdigen Op 1 juli 2011 is in werking getreden de Aanwijzing effectieve afdoening strafzaken jeugdigen. Deze aanwijzing is geldig tot 1 juli De aanwijzing effectieve afdoening strafzaken jeugdigen wordt gewijzigd in verband met een aantal wijzigingen op het terrein van wet- en regelgeving, die consequenties hebben voor de afdoening van jeugdzaken (afschaffen Stop-maatregel, de wet versterking positie slachtoffers, rechtsbijstand bij politieverhoor). Ook op het beleidsterrein jeugd zelf zijn er ontwikkelingen geweest die een plek moeten krijgen in de aanwijzing (persoonsgerichte aanpak en erkende interventies, nazorg en gewijzigd ketenproces). Deze aanwijzing bevat niet alleen een regeling voor het effectief afdoen van strafzaken tegen jeugdigen, maar ook een model procesbeschrijving. Bron: Stcrt. 2011, Aanwijzing politiestrafbeschikking inzake eenvoudige diefstal en verduistering Op 1 juli 2011 is in werking getreden de Aanwijzing politiestrafbeschikking inzake eenvoudige diefstal en verduistering. Deze aanwijzing is geldig tot 1 juli Deze aanwijzing heeft betrekking op het toepassen van de politiestrafbeschikking inzake eenvoudige winkeldiefstal en -verduistering ten aanzien van uitsluitend een strafrechtelijk meerderjarige verdachte. De strafbeschikkingsbevoegdheid in het Besluit OM-afdoening (Stb. 2007, nr. 255) is een doeltreffende en doelmatige justitiële aanpak van eenvoudige misdrijven, die veel voorkomen, gemakkelijk te bewijzen zijn en ten aanzien waarvan de besluitvorming met betrekking tot de afdoening in de praktijk is gestandaardiseerd. De mogelijkheid tot het uitvaardigen van een politiestrafbeschikking voor het in art. 3.3 aanhef en onder a van het Besluit OM-afdoening aangewezen misdrijf is wettelijk beperkt tot de meerderjarige verdachte. Ten aanzien van minderjarigen geldt immers een andere wijze van rechtspleging die meer de mogelijkheid biedt specifiek in te gaan op de bijzondere omstandigheden van het geval. Bij het vaststellen van de passende reactie ten aanzien van minderjarigen wordt derhalve sterk geïndividualiseerd. In deze aanwijzing wordt onder politie mede begrepen de Koninklijke Marechaussee. Bron: Stcrt. 2011, Nieuwsbrief Strafrecht , afl. 8 Sdu Uitgevers

19 REGELGEVING NbSr Aanwijzing pre opsporing, opsporing en vervolging van maritieme strafbare feiten Op 1 juli 2011 is in werking getreden de Aanwijzing pre opsporing, opsporing en vervolging van maritieme strafbare feiten. Deze aanwijzing is geldig tot 1 juli Deze aanwijzing bevat beleids- en werkafspraken voor pre opsporing en opsporen en vervolgen van strafbare feiten, die: 1. opgespoord zijn of worden door de opsporingsambtenaren die vanuit diverse opsporingsdiensten zijn tewerkgesteld bij de Kustwacht, op alle schepen varend in Nederlandse / territoriale wateren, 2. gepleegd worden aan boord van vaartuigen varend onder de Nederlandse vlag waar ook ter wereld (art. 4 Sv). Bron: Stcrt. 2011, Aanwijzing binnenvaart Op 1 juli 2011 is in werking getreden de Aanwijzing binnenvaart. Deze aanwijzing is geldig tot 1 juli Deze aanwijzing bevat regels voor het OM en opsporingsambtenaren voor de strafrechtelijke handhaving van de belangrijkste wet- en regelgeving op het gebied van de scheepvaart op de binnenwateren (beroeps- en recreatievaart). In het bijzonder wordt aandacht besteed aan de strafrechtelijke handhaving van de Binnenvaartwet. Verder wordt ingegaan op het opsporingsen vervolgingsbeleid ten aanzien van varen onder invloed, alsmede op interventies als het stilleggen van schepen en het opleggen van vaarverboden. Ook bevat deze aanwijzing een beleidslijn voor de opsporing en vervolging van bij of krachtens de Herziene Rijnvaartakte strafbaar gestelde feiten (Rijnvaart). Bron: Stcrt. 2011, Richtlijn voor strafvordering tarieven en feitomschrijvingen voor misdrijven, overtredingen en gedragingen als bedoeld in de WAHV Op 1 juli 2011 is in werking getreden de Richtlijn voor strafvordering tarieven en feitomschrijvingen voor misdrijven, overtredingen en gedragingen als bedoeld in de WAHV. Deze richtlijn is geldig tot 1 juli Deze richtlijn voor strafvordering bevat het transactie- en strafvorderingsbeleid van het OM inzake misdrijven, overtredingen en gedragingen als bedoeld in de WAHV waarvoor feitomschrijvingen (feitcodes) zijn vastgesteld. In deze richtlijn wordt de gefaseerde inwerkingtreding van de Wet OM-afdoening gevolgd. Deze richtlijn heeft betrekking op de overgangsperiode en zal in de toekomst nogmaals worden aangepast. Bron: Stcrt. 2011, Sdu Uitgevers Nieuwsbrief Strafrecht , afl

20 NbSr 186 RECHTSPRAAK Richtlijn voor strafvordering Wet vervoer gevaarlijke stoffen ten aanzien van vervoer over de weg Op 1 juli 2011 is in werking getreden de Richtlijn voor strafvordering Wet vervoer gevaarlijke stoffen ten aanzien van vervoer over de weg. Deze richtlijn is geldig tot 1 juli Deze richtlijn bevat de te hanteren tarieven bij vervoer over de weg ten aanzien van de meest voorkomende overtredingen van de regels bij of krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. De tarieven zijn opgenomen in een zogenoemde tarieflijst. Bron: Stcrt. 2011, Richtlijn voor strafvordering binnenvaart Op 1 juli 2011 is in werking getreden de Richtlijn voor strafvordering binnenvaart. Deze richtlijn is geldig tot 1 juli Deze richtlijn bevat de te hanteren tarieven voor een aantal meer voorkomende overtredingen van de belangrijkste wet- en regelgeving op het gebied van de scheepvaart op de binnenwateren (beroeps- en recreatievaart). Bron: Stcrt. 2011, Rechtspraak 186 Hoge Raad 17 mei 2011, nr , LJN BP0183 (Mrs. Corstens, Thomassen, Loth) [Cassatie van Hof s-gravenhage] De opvatting dat de strafbepaling van art. 142a lid 2 Sr zich ten opzichte van art. 142 lid 2 Sr verhoudt als een bijzondere tot een algemene strafbepaling in die zin dat in gevallen als de onderhavige uitsluitend eerstgenoemde bepaling mag worden toegepast, kan niet als juist worden aanvaard. De strafbepalingen van respectievelijk art. 142a lid 2 Sr en art. 142 lid 2 Sr hebben verschillende strekkingen. Het Hof heeft terecht art. 57 Sr toegepast. [Sr art. 55 lid 2, 57, 142, 142a] 2. Beoordeling van het eerste middel 2.1. Het middel behelst onder meer de klacht dat het Hof ten onrechte tussen de feiten 4 en 5, alsmede tussen de feiten 6 en 7, geen systematische specialiteit in de zin van art. 55 lid 2 Sr heeft aangenomen Het Hof heeft overeenkomstig de tenlastelegging ten laste van de verdachte onder 4, 5, 6 en 7 bewezenverklaard dat: 4. hij in de periode van 11 april 2007 tot en met 14 juni 2007 te Gorinchem Dordrecht Driebergen telkens gegevens, te weten dat hij, verdachte, lid was van Al-Qaida verschillende aanslagen zou plegen en Over een paar minuten gaat hij af, een autobom in Gorinchem. en Er zit een bom in jouw huis., heeft doorgegeven, met het oogmerk anderen ten onrechte te doen geloven dat op een al dan niet voor het publiek toegankelijke plaats een voorwerp aanwezig was, waardoor een ontploffing kon worden teweeggebracht, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar voornoemde gegevens telefonisch doorgegeven aan de Unit Teleservice 628 Nieuwsbrief Strafrecht , afl. 8 Sdu Uitgevers

JURISPRUDENTIE STRAFRECHT. Uitspraken 10 februari 2015 Paul Verloop

JURISPRUDENTIE STRAFRECHT. Uitspraken 10 februari 2015 Paul Verloop JURISPRUDENTIE STRAFRECHT Uitspraken 10 februari 2015 Paul Verloop HR uitspraken 10 februari 2015 Beslissingen voorlopige hechtenis (Cassatie in het belang der wet) HR:2015:247 HR:2015:255 HR:2015:256

Nadere informatie

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 26 maart 2013 in de zaak tegen: thans gedetineerd in de.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 26 maart 2013 in de zaak tegen: thans gedetineerd in de. vonnis RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf Locatie Schiphol Meervoudige strafkamer Parketnummer: Uitspraakdatum: 8 april 2013 Tegenspraak Strafvonnis Dit vonnis is gewezen naar

Nadere informatie

Strafprocesrecht Bijzondere kenmerken: Hoger beroep Wetsverwijzingen: Wetboek van Strafrecht 197a, geldigheid: 2014-05-11

Strafprocesrecht Bijzondere kenmerken: Hoger beroep Wetsverwijzingen: Wetboek van Strafrecht 197a, geldigheid: 2014-05-11 ECLI:NL:GHSHE:2015:3566 Instantie: Gerechtshof 's-hertogenbosch Datum uitspraak: 16-09-2015 Datum publicatie: 17-09-2015 Zaaknummer: 20-002514-14 Rechtsgebieden: Materieel strafrecht Strafprocesrecht Bijzondere

Nadere informatie

Titel II. Straffen. 1. Algemeen. Artikel 1:11

Titel II. Straffen. 1. Algemeen. Artikel 1:11 Titel II Straffen 1. Algemeen Artikel 1:11 1. De straffen zijn: a. de hoofdstraffen: 1. gevangenisstraf; 2. hechtenis; 3. taakstraf; 4. geldboete. b. de bijkomende straffen: 1. ontzetting van bepaalde

Nadere informatie

ECLI:NL:HR:2013:1157. 1 Geding in cassatie. 2 Beoordeling van het eerste middel. 3 Beoordeling van het derde middel. Uitspraak.

ECLI:NL:HR:2013:1157. 1 Geding in cassatie. 2 Beoordeling van het eerste middel. 3 Beoordeling van het derde middel. Uitspraak. ECLI:NL:HR:2013:1157 Uitspraak 12 november 2013 Strafkamer nr. 11/04366 P Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam

Nadere informatie

Leidraad voor het nakijken van de toets

Leidraad voor het nakijken van de toets Leidraad voor het nakijken van de toets STRAFPROCESRECHT 14 OKTOBER 2011 (Uit het antwoord moet blijken dat de cursist de stof heeft begrepen en juist heeft toegepast; een enkel ja of nee is niet voldoende)

Nadere informatie

ARRESTANTENVERZORGING. Juridische aspecten De politie Het strafproces Verzorging Ethiek

ARRESTANTENVERZORGING. Juridische aspecten De politie Het strafproces Verzorging Ethiek ARRESTANTENVERZORGING Juridische aspecten De politie Het strafproces Verzorging Ethiek januari 2013 Doel van het strafproces / strafvordering = het nemen van strafvorderlijke beslissingen Bestaat uit =

Nadere informatie

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKEL 475 Jo 460 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKEL 475 Jo 460 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKEL 475 Jo 460 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING Gelezen het namens [klager] ingediend verzoekschrift, welke ertoe strekt dat het Hof

Nadere informatie

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 oktober 2015.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 oktober 2015. ECLI:NL:RBROT:2015:7773 Instantie: Rechtbank Rotterdam Datum uitspraak: 29-10-2015 Datum publicatie: 02-11-2015 Zaaknummer: 11/870399-12.ov Rechtsgebieden: Strafrecht Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg

Nadere informatie

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Eerste Kamer der Staten-Generaal Eerste Kamer der Staten-Generaal 1 Vergaderjaar 1997 1998 Nr. 239 24 112 Wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 (wijziging van de regelingen van de invordering en inhouding van rijbewijzen en de bijkomende

Nadere informatie

De gevolgen van een strafrechtelijke afdoening voor de verblijfsrechtelijke positie van jongeren

De gevolgen van een strafrechtelijke afdoening voor de verblijfsrechtelijke positie van jongeren De gevolgen van een strafrechtelijke afdoening voor de verblijfsrechtelijke positie van jongeren Dit document beoogt de strafrechtelijke consequenties voor de verblijfsrechtelijke positie van een vreemdeling

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1994 1995 24 112 Wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 (wijziging van de regelingen van de invordering en inhouding van rijbewijzen en de bijkomende straf

Nadere informatie

Rapport. Datum: 15 juni 2004 Rapportnummer: 2004/222

Rapport. Datum: 15 juni 2004 Rapportnummer: 2004/222 Rapport Datum: 15 juni 2004 Rapportnummer: 2004/222 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat de officier van justitie te Maastricht geen uitvoering heeft gegeven aan de door het gerechtshof te 's-hertogenbosch

Nadere informatie

Edèlhoogachtbare Heer/Vrouwe,

Edèlhoogachtbare Heer/Vrouwe, Edèlhoogachtbare Heer/Vrouwe, X Z (belanghebbende), \ beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 4 juli 2013. Bij brief van 11 oktober 2013 heeft de griffier mij

Nadere informatie

Grondtrekken van het Nederlandse strafrecht

Grondtrekken van het Nederlandse strafrecht Grondtrekken van het Nederlandse strafrecht Mr. J. Kronenberg Mr. B. de Wilde Vijfde druk Kluwer a Kluwer business Deventer - 2012 Inhoudsopgave Voorwoord 13 Aanbevolen literatuur 15 Afkortingenlijst 17

Nadere informatie

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 2007 575 Wet van 20 december 2007, tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de jeugdzorg met het

Nadere informatie

http://zoeken.rechtspraak.nl/resultpage.aspx

http://zoeken.rechtspraak.nl/resultpage.aspx LJN: BK6789, Gerechtshof 's-gravenhage, 22-000700-08 Datum uitspraak: Datum publicatie: Rechtsgebied: 16-12-2009 16-12-2009 Straf Soort procedure: Hoger beroep Inhoudsindicatie: Computercriminaliteit.

Nadere informatie

ECLI:NL:HR:2013:898. 1 Geding in cassatie. 2. Beoordeling van het eerste middel. Uitspraak. 8 oktober 2013. Strafkamer. nr.

ECLI:NL:HR:2013:898. 1 Geding in cassatie. 2. Beoordeling van het eerste middel. Uitspraak. 8 oktober 2013. Strafkamer. nr. ECLI:NL:HR:2013:898 Uitspraak 8 oktober 2013 Strafkamer nr. 11/04842 Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 30 september 2011,

Nadere informatie

LJN: BM6944, Gerechtshof Leeuwarden, 24-000403-09 Print uitspraak

LJN: BM6944, Gerechtshof Leeuwarden, 24-000403-09 Print uitspraak Het LJN nummer is belangrijk om terug te zoeken voor derden. +++++ LJN: BM6944, Gerechtshof Leeuwarden, 24-000403-09 Print uitspraak Datum uitspraak: 04-06-2010 Datum publicatie: 07-06-2010 Rechtsgebied:

Nadere informatie

32 539 Wijziging van de Scheepvaartverkeerswet en de Binnenvaartwet in verband met de invoering van de ontzegging van de vaarbevoegdheid

32 539 Wijziging van de Scheepvaartverkeerswet en de Binnenvaartwet in verband met de invoering van de ontzegging van de vaarbevoegdheid TWEEDE KAMER DER 2 STATEN-GENERAAL Vergaderjaar 2010-2011 32 539 Wijziging van de Scheepvaartverkeerswet en de Binnenvaartwet in verband met de invoering van de ontzegging van de vaarbevoegdheid Nr. 2

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2011 2012 33 012 Wijziging van de Opiumwet en de Wet wapens en munitie in verband met de verruiming van de kring van ambtenaren, belast met de opsporing

Nadere informatie

ECLI:NL:RBNHO:2015:1805

ECLI:NL:RBNHO:2015:1805 ECLI:NL:RBNHO:2015:1805 Uitspraak Vonnis RECHTBANK NOORD-HOLLAND, LOCATIE HAARLEM Strafrecht Datum uitspraak : 10 maart 2015 Parketnummer: 15/840083-08 (ontneming) Vonnis ex artikel 36e van het Wetboek

Nadere informatie

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. STAATSCOURANT Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. Nr. 35062 17 december 2013 Aanwijzing bijstand van tolken en vertalers bij de opsporing en vervolging van strafbare feiten

Nadere informatie

Zoekresultaat - inzien document. ECLI:NL:RBOBR:2015:5776 Permanente link: Uitspraak. Rechtbank Oost-Brabant

Zoekresultaat - inzien document. ECLI:NL:RBOBR:2015:5776 Permanente link: Uitspraak. Rechtbank Oost-Brabant Zoekresultaat - inzien document ECLI:NL:RBOBR:2015:5776 Permanente link: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ec Instantie Datum uitspraak 07-10-2015 Datum publicatie 07-10-2015 Rechtbank Oost-Brabant

Nadere informatie

een bij een Aangesloten Instelling geregistreerde mediator; de door een Aangesloten Instelling vastgestelde gedragsregels;

een bij een Aangesloten Instelling geregistreerde mediator; de door een Aangesloten Instelling vastgestelde gedragsregels; 10 november 2009 REGLEMENT STICHTING TUCHTRECHTSPRAAK MEDIATORS Artikel 1 Definities In dit reglement wordt verstaan onder: Stichting: Aangesloten Instelling: Mediator: Gedragsregels: Klachtenregeling:

Nadere informatie

De positie van het slachtoffer in het strafproces. 3.2. De benadeelde. 3.3. Nabestaanden. 3.4. Splitsing van de vordering door de benadeelde

De positie van het slachtoffer in het strafproces. 3.2. De benadeelde. 3.3. Nabestaanden. 3.4. Splitsing van de vordering door de benadeelde 3. Schadevergoeding (voegen) 3.2. De benadeelde Degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, kan zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2004 2005 29 849 Wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met de buitengerechtelijke afdoening

Nadere informatie

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Hof Amsterdam 19 januari 2011, nr. 23-001234-09 VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF AMSTERDAM gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 16 december 2008 in de

Nadere informatie

Als aan één van de voertuigverplichtingen niet wordt voldaan, is dat strafbaar (zie Achtergrond, onder 1. en 2.).

Als aan één van de voertuigverplichtingen niet wordt voldaan, is dat strafbaar (zie Achtergrond, onder 1. en 2.). Rapport 2 h2>klacht Verzoeker klaagt erover dat de Dienst Wegverkeer (verder ook: RDW) hem na een periode van meer dan zeven jaar heeft aangesproken op het feit dat hij niet over een geldige APK voor zijn

Nadere informatie

De Rechtbank te 's-gravenhage (nr. AWB 10/5062) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.

De Rechtbank te 's-gravenhage (nr. AWB 10/5062) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. 11 Oktober 2013 nr. 12/04012 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-gravenhage van 10 juli 2012, nr. BK-11/00544,

Nadere informatie

ECLI:NL:GHSHE:2010:BN7215

ECLI:NL:GHSHE:2010:BN7215 ECLI:NL:GHSHE:2010:BN7215 Gerechtshof s-hertogenbosch Datum uitspraak: 17-09-2010 Datum publicatie: 17-09-2010 Zaaknummer: 20-003936-09 Rechtsgebieden Strafrecht Bijzondere kenmerken Hoger beroep Uitspraak

Nadere informatie

ECLI:NL:GHARL:2015:2577

ECLI:NL:GHARL:2015:2577 ECLI:NL:GHARL:2015:2577 Uitspraak Arrest GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN Strafrecht Parketnummer: 21-008157-13 Datum uitspraak: 9 april 2015 Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen

Nadere informatie

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Eerste Kamer der Staten-Generaal Eerste Kamer der Staten-Generaal 1 Vergaderjaar 2004 2005 29 849 Wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met de buitengerechtelijke afdoening

Nadere informatie

STRAFRECHTELIJKE VERANTWOORDELIJKHEID VAN MINISTERS. Wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van ministers 1

STRAFRECHTELIJKE VERANTWOORDELIJKHEID VAN MINISTERS. Wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van ministers 1 STRAFRECHTELIJKE VERANTWOORDELIJKHEID VAN MINISTERS Wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van ministers 1 TITEL I TOEPASSINGSGEBIED Artikel 1 Deze wet regelt een

Nadere informatie

RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN

RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN U I T S P R A A K Nr. i n d e k l a c h t nr. 070.00 ingediend door: hierna te noemen klager`, tegen: hierna te noemen 'verzekeraar. De Raad van Toezicht Verzekeringen heeft

Nadere informatie

ECLI:NL:RBAMS:2012:BZ0417. Uitspraak. Instantie: Rechtbank Amsterdam Datum uitspraak: 16-11- 2012 Datum publicatie: 04-02- 2013

ECLI:NL:RBAMS:2012:BZ0417. Uitspraak. Instantie: Rechtbank Amsterdam Datum uitspraak: 16-11- 2012 Datum publicatie: 04-02- 2013 ECLI:NL:RBAMS:2012:BZ0417 Instantie: Rechtbank Amsterdam Datum uitspraak: 16-11- 2012 Datum publicatie: 04-02- 2013 Zaaknummer: 13.706829-12 Rechtsgebieden: Strafrecht Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg

Nadere informatie

NEDERLANDsE ORDE VAN ADVOCATEN. Strafprocesrecht

NEDERLANDsE ORDE VAN ADVOCATEN. Strafprocesrecht 4. NEDERLANDsE ORDE VAN ADVOCATEN. Strafprocesrecht Samsom H.D. Tjeenk Willink Alphen aan den Rijn 1992 Derde druk Prof. mr M. Wladimiroff Mr S.E. Marseille Dr mr J.M. Sjöcrona Mr P.R. Wery Strafprocesrecht

Nadere informatie

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Eerste Kamer der Staten-Generaal Eerste Kamer der Staten-Generaal 1 Vergaderjaar 2010 2011 32 551 Wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering in verband met de invoering van een rechterlijke vrijheidsbeperkende

Nadere informatie

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Eerste Kamer der Staten-Generaal Eerste Kamer der Staten-Generaal 1 Vergaderjaar 1998 1999 Nr. 204 26 027 Wijziging van het Wetboek van Strafvordering, de Wet op de rechterlijke organisatie en enkele andere wetten met betrekking tot het

Nadere informatie

1 of 10 08-08-12 11:47

1 of 10 08-08-12 11:47 LJN: BG3449, Hoge Raad, 01207/07 E Datum uitspraak: Datum publicatie: Rechtsgebied: 23-12-2008 23-12-2008 Straf Soort procedure: Cassatie Inhoudsindicatie: Rechtstreekse schade. O.g.v. art. 361.2.b Sv

Nadere informatie

HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN. Artikel 1

HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN. Artikel 1 DECREET van 15 september 1981, houdende vaststelling van regelen inzake het verlenen van vergunningen voor het uitoefenen van enig bedrijf of beroep (Decreet Vergunningen Bedrijven en Beroepen) (S.B. 1981

Nadere informatie

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 2004 334 Wet van 6 juli 2004, houdende regeling van het conflictenrecht met betrekking tot het geregistreerd partnerschap (Wet conflictenrecht geregistreerd

Nadere informatie

3.2.1 Aard en karakter van de gedragsaanwijzing

3.2.1 Aard en karakter van de gedragsaanwijzing 3.2 De bevoegdheid van de officier van justitie tot het geven van een gedragsaanwijzing 3.2.1 Aard en karakter van de gedragsaanwijzing Zoals in het voorgaande aan de orde kwam, kunnen bepaalde tot ernstige

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1997 1998 25 240 Wijziging van het Wetboek van Strafvordering, de Uitleveringswet en de Wet economische delicten betreffende de bepalingen aangaande de procedure

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1995 1996 24 834 Wijziging van enige bepalingen in het Wetboek van Strafvordering inzake het rechtsgeding voor de politierechter en de mededeling van vonnissen

Nadere informatie

Uitspraak ECLI:NL:GHAMS:2012:BV9608

Uitspraak ECLI:NL:GHAMS:2012:BV9608 ECLI:NL:GHAMS:2012:BV9608 Instantie Gerechtshof Amsterdam Datum uitspraak 19-03-2012 Datum publicatie 21-03-2012 Zaaknummer 23-004614-10 Rechtsgebieden Strafrecht Bijzondere kenmerken Hoger beroep Inhoudsindicatie

Nadere informatie

ECLI:NL:RBSHE:2012:BV8479

ECLI:NL:RBSHE:2012:BV8479 ECLI:NL:RBSHE:2012:BV8479 Instantie Rechtbank 's-hertogenbosch Datum uitspraak 14-03-2012 Datum publicatie 14-03-2012 Zaaknummer 01/889082-09 Rechtsgebieden Strafrecht Bijzondere kenmerken Eerste aanleg

Nadere informatie

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. Uitspraak Voorzieningenrechter van de rechtbank 's-gravenhage sector bestuursrecht vreemdelingenkamer UITSPRAAK ingevolge artikel 8:84 Algemene wet bestuursrecht Reg.nr : AWB 08/11247 BEPTDN Inzake : [verzoekster],

Nadere informatie

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: 200904515/1/V1. Datum uitspraak: 13 januari 2010 RAAD VAN STATE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep

Nadere informatie

Inhoud. Aflevering 7 25 juni 2010 Jaargang 14

Inhoud. Aflevering 7 25 juni 2010 Jaargang 14 Aflevering 7 25 juni 2010 Jaargang 14 Redactie: prof. mr. G.P.M.F. Mols mr. J. Anker mr. J.A.A.C. Claessen mr. M.P. de Graaf prof. mr. T. Spronken mr. J.H. Wesselink prof. mr. J.H.M. Willems Inhoud Redactioneel

Nadere informatie

U moet terechtstaan. Inhoud

U moet terechtstaan. Inhoud U moet terechtstaan Inhoud Deze brochure 3 Dagvaarding 3 Bezwaarschrift 3 Rechtsbijstand 4 Slachtoffer 4 Inzage in uw dossier 4 Getuigen en deskundigen 5 Uitstel 5 Aanwezigheid op de terechtzitting 6 Verstek

Nadere informatie

U wordt verdacht. Inhoud

U wordt verdacht. Inhoud Inhoud Deze brochure 3 Aanhouding en verhoor 3 Inverzekeringstelling 3 Uw advocaat 4 De reclassering 5 Verlenging van de inverzekeringstelling of niet 5 Beperkingen en rechten 5 Voorgeleiding bij de officier

Nadere informatie

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. STAATSCOURANT Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. Nr. 46384 18 december 2015 Aanwijzing feitegcodeerde misdrijven, overtredingen en Muldergedragingen Rechtskarakter: Aanwijzing

Nadere informatie

AANWIJZING VOOR DE PRAKTIJK 1 HET VORDEREN VAN BILLIJKE GENOEGDOENING

AANWIJZING VOOR DE PRAKTIJK 1 HET VORDEREN VAN BILLIJKE GENOEGDOENING AANWIJZING VOOR DE PRAKTIJK 1 HET VORDEREN VAN BILLIJKE GENOEGDOENING I. Introductie 1. De toekenning van billijke genoegdoening is geen automatisch gevolg van de vaststelling door het Europees Hof voor

Nadere informatie

betreft: [klager] datum: 8 september 2014

betreft: [klager] datum: 8 september 2014 nummer: 14/794/GA betreft: [klager] datum: 8 september 2014 De beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat

Nadere informatie

De uitvoering van het jeugdstrafrecht

De uitvoering van het jeugdstrafrecht Stelselwijziging Jeugd Factsheet De uitvoering van het jeugdstrafrecht Na inwerkingtreding van de Jeugdwet De uitvoering van het jeugdstrafrecht 1 De uitvoering van het jeugdstrafrecht 2 Inleiding Deze

Nadere informatie

21 mei 2013 Strafkamer nr. 11/03075. Hoge Raad der Nederlanden. Arrest

21 mei 2013 Strafkamer nr. 11/03075. Hoge Raad der Nederlanden. Arrest 21 mei 2013 Strafkamer nr. 11/03075 Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's- Gravenhage van 5 juli 2011, nummer 22/003675-10, in de strafzaak

Nadere informatie

vonnis van de meervoudige strafkamer van 13 februari 2013

vonnis van de meervoudige strafkamer van 13 februari 2013 RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Zittingslocatie Utrecht Parketnummer: 16/800203-12 (P) vonnis van de meervoudige strafkamer van 13 februari 2013 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren

Nadere informatie

1 De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

1 De uitspraak waarvan herziening is gevraagd Uitspraak 13 januari 2015 Strafkamer nr. 14/02438 H Hoge Raad der Nederlanden Arrest op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te 's-gravenhage van

Nadere informatie

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ2356

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ2356 ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ2356 Instantie Gerechtshof Leeuwarden Datum uitspraak 22-04-2011 Datum publicatie 27-04-2011 Zaaknummer 24-000037-11 Formele relaties Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:2010:BO9043, Meerdere

Nadere informatie

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Eerste Kamer der Staten-Generaal Eerste Kamer der Staten-Generaal 1 Vergaderjaar 2014 2015 33 662 Wijziging van de Wet bescherming persoonsgegevens en enige andere wetten in verband met de invoering van een meldplicht bij de doorbreking

Nadere informatie

Zaaknummers : CBHO nrs. 93/69 t/m 93/73

Zaaknummers : CBHO nrs. 93/69 t/m 93/73 Zaaknummers : CBHO nrs. 93/69 t/m 93/73 Rechter(s) : mr. Olivier Datum uitspraak : 5 januari 1994 Partijen : Appellanten tegen Christelijke Hogeschool Noord-Nederland Trefwoorden : bevoegdheid voorzitter

Nadere informatie

betreft: [klager] datum: 8 augustus 2014 Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:

betreft: [klager] datum: 8 augustus 2014 Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt: nummer: 14/1038/GA betreft: [klager] datum: 8 augustus 2014 De beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat

Nadere informatie

ECLI:NL:RBNNE:2015:389

ECLI:NL:RBNNE:2015:389 ECLI:NL:RBNNE:2015:389 Instantie Datum uitspraak 03-02-2015 Datum publicatie 03-02-2015 Zaaknummer Awb 15/245 Rechtsgebieden Rechtbank Noord-Nederland Bestuursrecht Bijzondere kenmerken Voorlopige voorziening

Nadere informatie

opleiding BOA Wetgeving adhv eindtermen

opleiding BOA Wetgeving adhv eindtermen In de eindtermen (juni 2005) voor de opleiding BOA wordt verwezen naar een aantal artikelen van wetten. Deze wetten zijn: de Algemene wet op het Binnentreden (Awob) Besluit Buitengewoon Opsporingsambtenaar

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1997 1998 26 027 Wijziging van het Wetboek van Strafvordering, de Wet op de rechterlijke organisatie en enkele andere wetten met betrekking tot het beroep

Nadere informatie

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. STAATSCOURANT Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. Nr. 10909 22 juni 2011 Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 15 juni 2011, nr. 5700090/11, houdende wijziging

Nadere informatie

NBSTRAF 2015/115 Witwassen. Ook gepubliceerd in: ECLI:NL:HR:2015:888, JIN 2015/90, NJB 2015/763, RvdW 2015/650

NBSTRAF 2015/115 Witwassen. Ook gepubliceerd in: ECLI:NL:HR:2015:888, JIN 2015/90, NJB 2015/763, RvdW 2015/650 pagina 1 van 5 NBSTRAF 2015/115 Witwassen Ook gepubliceerd in: ECLI:NL:HR:2015:888, JIN 2015/90, NJB 2015/763, RvdW 2015/650 Aflevering 2015 afl. 7 Rubriek Rechtspraak College Hoge Raad Datum 07 april

Nadere informatie

Aanwijzing. Slachtofferzorg. Parket Curaçao

Aanwijzing. Slachtofferzorg. Parket Curaçao Aanwijzing Slachtofferzorg Parket Curaçao Samenvatting Deze aanwijzing stelt regels betreffende de bejegening van slachtoffers van misdrijven, zoals zeden, geweld- en verkeersmisdrijven. Daarbij worden

Nadere informatie

LJN: BO2154,Voorzieningenrechter Rechtbank 's-hertogenbosch, AWB 10/2913 en 10/3065

LJN: BO2154,Voorzieningenrechter Rechtbank 's-hertogenbosch, AWB 10/2913 en 10/3065 LJN: BO2154,Voorzieningenrechter Rechtbank 's-hertogenbosch, AWB 10/2913 en 10/3065 Print uitspraak Datum uitspraak: 22-10-2010 Datum publicatie: 29-10-2010 Rechtsgebied: Bouwen Soort procedure: Voorlopige

Nadere informatie

Werkwijze (rolreglement) Rekestenkamer Strafsector. Rechtbank Amsterdam

Werkwijze (rolreglement) Rekestenkamer Strafsector. Rechtbank Amsterdam Werkwijze (rolreglement) Rekestenkamer Strafsector Rechtbank Amsterdam I Algemeen deel 1.1 Algemene bepalingen 1.1.1 Strekking werkwijze Dit reglement heeft betrekking op de behandeling van strafrechtelijke

Nadere informatie

Afkoopsom lijfrente belast in het jaar waarin de afkoopsom vorderbaar en inbaar is

Afkoopsom lijfrente belast in het jaar waarin de afkoopsom vorderbaar en inbaar is Afkoopsom lijfrente belast in het jaar waarin de afkoopsom vorderbaar en inbaar is ECLI:NL:GHARL:2015:4336 Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Datum uitspraak 16-06-2015 Datum publicatie 19-06-2015

Nadere informatie

CLI:NL:RBMNE:2014:6501

CLI:NL:RBMNE:2014:6501 CLI:NL:RBMNE:2014:6501 Instantie: Rechtbank Midden-Nederland Datum uitspraak: 09-12-2014 Datum publicatie: 09-12-2014 Zaaknummer: 16/711877-11 (ontneming) Rechtsgebieden: Strafrecht Bijzondere kenmerken:

Nadere informatie

De Nederlandse Strafvordering

De Nederlandse Strafvordering De Nederlandse Strafvordering MrA. Minkenhof Zesde druk, herzien door Prof. mrj.m. Reijntjes met medewerking van mrm.p. Bart en mrja. W. Lensing Gouda Quint bv (S. Gouda Quint - D. Brouwer en Zoon) Arnhem

Nadere informatie

Rolnummer 5678. Arrest nr. 108/2014 van 17 juli 2014 A R R E S T

Rolnummer 5678. Arrest nr. 108/2014 van 17 juli 2014 A R R E S T Rolnummer 5678 Arrest nr. 108/2014 van 17 juli 2014 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 418, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering, gesteld door het Hof van Cassatie.

Nadere informatie

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 14 mei 2004 in het geding tussen:

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 14 mei 2004 in het geding tussen: LJN: AT7485, Raad van State, 200405147/1 (Printbare versie) Datum uitspraak: 15-06-2005 Datum publicatie: 15-06-2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht overig Soort procedure: Hoger beroep Inhoudsindicatie: Bij

Nadere informatie

Inhoudsopgave. N.B. Waar in deze brochure hij staat, kan ook zij worden gelezen.

Inhoudsopgave. N.B. Waar in deze brochure hij staat, kan ook zij worden gelezen. U wordt verdacht Inhoudsopgave Deze brochure 2 Aanhouding en verhoor 2 Inverzekeringstelling 2 Uw advocaat 3 De reclassering 3 Verlenging van de inverzekeringstelling of niet 4 Beperkingen en rechten

Nadere informatie

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 2009 33 Wet van 22 januari 2009 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering tot verbetering van de regeling van de positie van de deskundige

Nadere informatie

613093 omslag terechtstaan 16-08-2006 10:07 Pagina 2. U moet terechtstaan

613093 omslag terechtstaan 16-08-2006 10:07 Pagina 2. U moet terechtstaan 613093 omslag terechtstaan 16-08-2006 10:07 Pagina 2 U moet terechtstaan 613093 binnenwerk terechtstaan 16-08-2006 10:08 Pagina 2 613093 binnenwerk terechtstaan 16-08-2006 10:08 Pagina 1 Inhoud Deze brochure

Nadere informatie

HET WERK VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE

HET WERK VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE HET WERK VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE Opsporen en vervolgen Wie doet dat eigenlijk? De ene moord is nog niet gepleegd of je ziet alweer de volgende ontvoering. Politieseries en misdaadfilms zijn populair

Nadere informatie

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Eerste Kamer der Staten-Generaal Eerste Kamer der Staten-Generaal 1 Vergaderjaar 1998 1999 Nr. 200 25 927 Wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie en van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften, strekkende

Nadere informatie

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ECLI:NL:GHDHA:2015:80 Uitspraak Rolnummer: 22-002584-14 Parketnummers: 10-750263-13, 22-003524-12 (TUL) en 22-004272-11 (TUL) Datum uitspraak: 27 januari 2015 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige

Nadere informatie

Aangenomen en overgenomen amendementen

Aangenomen en overgenomen amendementen Overzicht van stemmingen in de Tweede Kamer afdeling Inhoudelijke Ondersteuning aan De leden van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie Datum 20 december 2011 Betreffende wetsvoorstel: 32045 Wijziging

Nadere informatie

Beoordeling. h2>klacht

Beoordeling. h2>klacht Rapport 2 h2>klacht Verzoeker (advocaat) klaagt erover dat een met naam genoemde officier van justitie te Breda hem op 10 november 2006 pas één minuut voor aanvang van de behandeling van zijn ingediende

Nadere informatie

Het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk, in haar vergadering van 26 juli 2005;

Het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk, in haar vergadering van 26 juli 2005; Het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk, in haar vergadering van 26 juli 2005; gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, de artikelen 1, tweede lid, en 29a, tweede lid, van

Nadere informatie

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België 27 JUNI 2012 P.12.0873.F/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.12.0873.F I. P. D. V., II. III. IV. P. D. V., P. D. V., P. D. V., V. P. D. V., Mrs. Cédric Vergauwen en Olivia Venet, advocaten bij de

Nadere informatie

Het adolescentenstrafrecht

Het adolescentenstrafrecht Het adolescentenstrafrecht Wetswijziging 1 april 2014, Prof mr E.M.Mijnarends, bijzonder hoogleraar jeugdstrafrecht Leiden, coordinerend jongeren officier MN Drie pijlers onder wet ASR 1. overgrote deel

Nadere informatie

ECLI:NL:GHARL:2015:2047

ECLI:NL:GHARL:2015:2047 ECLI:NL:GHARL:2015:2047 Uitspraak Arrest GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN Strafrecht Datum uitspraak: 20 maart 2015 Parketnummer: 21-002919-12 ONTNEMINGSZAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

Nadere informatie

Juridische basiskennis over de maatregel TBS, oplegging en verlenging

Juridische basiskennis over de maatregel TBS, oplegging en verlenging TBS voor Dummies Juridische basiskennis over de maatregel TBS, oplegging en verlenging Auteur: Miriam van der Mark, advocaat-generaal en lid van de Kerngroep Forum TBS Algemeen De terbeschikkingstelling

Nadere informatie

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 15 november 2012, nummer AWB 12/4016, in het geding tussen

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 15 november 2012, nummer AWB 12/4016, in het geding tussen Uitspraak GERECHTSHOF VHERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Uitspraak op het hoger beroep van * ^ p n i a w a ï i i b.v., gevestigd te > hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1997 1998 25 927 Wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie en van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften, strekkende

Nadere informatie

Wet schadefonds geweldsmisdrijven in werking per 1.1.2012

Wet schadefonds geweldsmisdrijven in werking per 1.1.2012 Regelingen en voorzieningen CODE 6.5.6.32 Wet schadefonds geweldsmisdrijven in werking per 1.1.2012 bronnen Nieuwsbericht Schadefonds geweldsmisdrijven 6.6.2011; www.schadefonds.nl Wet van 6 juni 2011

Nadere informatie

Wet van 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor accountants en belastingconsulenten

Wet van 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor accountants en belastingconsulenten Wet van 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor accountants en belastingconsulenten Bron : Wet van 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor accountants en belastingconsulenten (Belgisch Staatsblad,

Nadere informatie

JPF 2013/115 Rechtbank Den Haag 11 februari 2013, C/09/419508 FA RK 12-3722; ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ3284. ( mr. Brakel )

JPF 2013/115 Rechtbank Den Haag 11 februari 2013, C/09/419508 FA RK 12-3722; ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ3284. ( mr. Brakel ) JPF 2013/115 Rechtbank Den Haag 11 februari 2013, C/09/419508 FA RK 12-3722; ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ3284. ( mr. Brakel ) [De minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], Frankrijk, wonende

Nadere informatie

Gehoord de gerechten, adviseert de Raad als volgt. 3

Gehoord de gerechten, adviseert de Raad als volgt. 3 Aan de minister van Justitie Dr. E.M.H. Hirsch Ballin Postbus 20301 2500 EH DEN HAAG Afdeling Ontwikkeling datum 7 januari 2010 doorkiesnummer 070-361 9721 e-mail Voorlichting@rechtspraak.nl onderwerp

Nadere informatie

: G. Wilders Parketnummer : 13/425046-09 Officieren van justitie : mr. P. Velleman en mr. B. van Roessel Datum : 15 oktober 2010 (Samenvatting deel 2)

: G. Wilders Parketnummer : 13/425046-09 Officieren van justitie : mr. P. Velleman en mr. B. van Roessel Datum : 15 oktober 2010 (Samenvatting deel 2) Parket Amsterdam Zaak : G. Wilders Parketnummer : 13/425046-09 Officieren van justitie : mr. P. Velleman en mr. B. van Roessel Datum : 15 oktober 2010 (Samenvatting deel 2) Requisitoir G. Wilders (deel

Nadere informatie

Rapport. Rapport over een klacht over het College van procureurs-generaal te Den Haag. Datum: 25 februari 2014. Rapportnummer: 2014/010

Rapport. Rapport over een klacht over het College van procureurs-generaal te Den Haag. Datum: 25 februari 2014. Rapportnummer: 2014/010 Rapport Rapport over een klacht over het College van procureurs-generaal te Den Haag. Datum: 25 februari 2014 Rapportnummer: 2014/010 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat het College van procureurs-generaal

Nadere informatie

het college van bestuur van de Universiteit Leiden, gevestigd te Leiden, verweerder.

het college van bestuur van de Universiteit Leiden, gevestigd te Leiden, verweerder. Zaaknummer: 2008/008 Rechter(s): mrs. Loeb, Lubberdink, Mollee Datum uitspraak: 20 juni 2008 Partijen: appellant tegen college van bestuur van de Universiteit Leiden Trefwoorden: Bijzondere omstandigheden,

Nadere informatie