Sportspecifieke adaptaties in de schouder bij zwemmers: glenohumerale en scapulothoracale spierbalans.

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Sportspecifieke adaptaties in de schouder bij zwemmers: glenohumerale en scapulothoracale spierbalans."

Transcriptie

1 Afstudeerrichting revalidatiewetenschappen en kinesitherapie bij musculoskeletale aandoeningen Faculteit geneeskunde en gezondheidswetenschappen Academiejaar Sportspecifieke adaptaties in de schouder bij zwemmers: glenohumerale en scapulothoracale spierbalans. Masterproef voorgelegd tot het behalen van de graad van Master in de Revalidatiewetenschappen en de Kinesitherapie Sebastiaan Dorchain Valentina Gaytant Promotor: Prof. Dr. Ann Cools Co-promotor: Lic. Annemie Van De Velde

2 Voorwoord Deze scriptie kwam tot stand dankzij de hulp van heel wat mensen. Langs deze weg willen wij dan ook onze dank betuigen aan deze personen. Onze dank gaat in het bijzonder uit naar onze promotor, Prof. Dr. A. Cools, voor de waardevolle richtlijnen bij het opstellen van deze scriptie. Ook gaat onze dank uit naar onze co-promotor, A. Van De Velde, voor de hulpvaardige begeleiding bij het verwerken van de resultaten. Vanzelfsprekend gaat onze oprechte dank ook uit naar alle proefpersonen die zich vrijwillig ter beschikking gesteld hebben voor het onderzoek en zich steeds volledig ingezet hebben tijdens de uitvoering van de testen.

3 Inhoudstabel Hoofdstuk Pagina 1. Inleiding 1 2. Rol van de schouder in de zwembeweging 2 3. Kracht Zijdeverschillen Glenohumerale krachtratio s Scapulothoracale krachtratio s 8 4. Sportspecifieke adaptaties van de schouder bij bovenhandse atleten 8 5. Dynamometrie Hand-Held Dynamometrie Hand-Held dynamometrie bij glenohumerale musculatuur Hand-held dynamometrie vergeleken met andere testmethodes Testposities Hand-Held dynamometrie bij scapulothoracale musculatuur Testposities Schouderletsels bij bovenhandse sporters Impingement Krachtveranderingen bij impingement Veranderingen in activatiepatroon bij impingement Instabiliteit Tendinopathie Risicofactoren met betrekking tot schouderblessures 26

4 9.1 Overuse en Vermoeidheid Zwemtechniek Range of Motion Onderzoeksvraag Nulhypothese Materiaal en Methode Krachttesting van de glenohumerale musculatuur Krachttesting van de scapulothoracale musculatuur Data analyse Resultaten Scapulothoracaal Descriptieve statistiek Vergelijkende statistiek Geslachtsverschillen Groepsverschillen Zijdeverschillen Ratio's Ratio's groepsverschillen Ratio's zijdeverschillen Glenohumeraal Descriptieve statistiek Vergelijkende statistiek Geslachtsverschillen Groepsverschillen Zijdeverschillen Ratio's 48

5 Ratio's groepsverschillen Ratio's zijdeverschillen Kracht endo- en exorotatoren in verschillende uitgangshoudingen Discussie Scapulothoracale kracht bij zwemmers Glenohumerale kracht bij zwemmers Blessurepatronen en preventie bij zwemmers Scapulothoracaal Glenohumeraal Bedenkingen Nulhypothese Besluit Referentielijst 64

6 1. Inleiding Aangezien wij beide een LO achtergrond hebben en dusdanig geïnteresseerd zijn in sport en de daarmee gepaard gaande blessures was de keuze voor het onderwerp sportspecifieke adaptaties in de schouder bij zwemmers snel gemaakt. Het enthousiasme van enkele docenten binnen het vakgebied schouderrevalidatie heeft ons ertoe aangezet ons te verdiepen in dit onderwerp. Blessurepreventie in het zwemmen onder de vorm van droogtraining om langdurige afwezigheid op competitieniveau uit te sluiten wint aan belang, maar is echter nog weinig onderzocht. In het kader van de doctoraatstudie van lic. kinesitherapie en revalidatiewetenschappen Annemie Van De Velde werd omtrent dit onderwerp een grootschalige studie opgezet. Hierbij ging de aandacht uit naar scapulaire positie, glenohumerale mobiliteit, schouderproprioceptie en glenohumerale en scapulothoracale spierbalans. Hoewel elk van deze vier factoren kunnen leiden tot het ontwikkelen van blessures, geniet spierkracht onze voorkeur. Een verandering van glenohumerale en scapulothoracale kracht als gevolg van een sportspecifieke adaptatie kan zowel de zwemprestatie ten goede komen als aanleiding geven tot blessures. Het doel van onze studie is het vroegtijdig detecteren van deze krachtadaptaties op een manier die bruikbaar is in de praktijk en op lange termijn vast te stellen tot welke blessures dit leidt. Door middel van isometrische krachtmetingen met een hand-held dynamometer is het mogelijk om op een snelle en eenvoudige manier in een veldsituatie minimale krachtsveranderingen op te sporen. Aan de hand van onze resultaten kunnen we als kinesitherapeut richtlijnen geven aan de trainers voor het opstellen van een blessurepreventief programma. 1

7 2. Rol van de schouder in de zwembeweging De zwemslag bij crawl bestaat uit twee fasen, de pull-through en de recovery fase. De pullthrough wordt ingedeeld in drie verschillende delen respectievelijk de downsweep, insweep en upsweep. (Zie figuur 1) Figuur 1 (Maglischo et al., 1982) De downsweep begint met de catch, dit is net na de hand-entry, hierbij is de schouder in interne rotatie en is de handpalm naar buiten gericht. De arm is net niet gestrekt en bevindt zich in het verlengde van de schouder. De arm beweegt afwaarts, waarbij de hand zich lager bevindt dan de elleboog. Bij de insweep wordt de elleboog gebogen tot 90 en de hand bevindt zich dan op de middellijn van het lichaam. We kunnen stellen dat de arm een adductiebeweging beschrijft. De elleboog blijft hierbij steeds hoger dan de hand. Vanaf dit punt wordt de elleboog terug gestrekt en beweegt de arm zich naar achter. (Maglischo et al., 1982) Bij de upsweep wordt de schouderextensie voortgezet, waarbij de elleboog licht gebogen blijft en de arm een abductiebeweging beschrijft. De elleboog wordt eerst uit het water gehaald, waarbij de hand volgt. In de recovery fase blijven de arm en hand ontspannen en de elleboog wordt ter hoogte van de schouderlijn terug gestrekt om opnieuw te kunnen insteken. (Maglischo et al., 1982) 2

8 Tijdens het eerste deel van de pull-through vindt er een abductie en interne rotatie van de schouder plaats door de m. upper trapezius, m. rhomboïdeus, m. subscapularis, m. supraspinatus en de anterieure en laterale bundel van de m. deltoideus. De m. serratus anterior heeft een piekactiviteit tijdens de hand-entry om een opwaartse rotatie en protractie van de scapula te bewerkstelligen, terwijl de m. upper trapezius een schouderelevatie uitvoert en de m. rhomboïdeus een retractie. (Pink et al., 1991; Allegrucci et al., 1994; Moynes et al., 1986) De arm beweegt dan verder naar een interne rotatie van de schouder met horizontale adductie en abductie van 90 bij de mid pull through. (Nuber et al., 1986) Tijdens deze fase werd activiteit gezien van de m. pectoralis major voor adductie. De m. pectoralis major en m. teres minor veroorzaken tevens een schouderextensie, waarbij de m. teres minor excentrisch de interne rotatie afremt. (Pink et al., 1991; Allegrucci et al., 1994) Bij een dry land studie van Moynes et al. (1986) werd ook activiteit gezien van de m. biceps brachii voor de elleboog flexie, maar deze is bij studies in het water inconsistent. Tijdens de late pull through bereikt de activiteit van de m. latissimus dorsi zijn piek bij 90 abductie en eindigt bij volledige adductie en mediale rotatie. (Moynes et al., 1986) De m. latissimus dorsi zorgt voor de verdere schouderextensie. De m. serratus anterior ondersteunt de activiteit van de m. pectoralis major en de m. lattissimus dorsi om zo de gewrichtscongruentie te behouden. De late pull through eindigt bij het raken van de dij met de hand. (Maglischo et al., 1982) In deze fase zijn respectievelijk de posterieure, laterale en anterieure deltoïdeus bundel actief. De posterieure deltoïdeus bundel is actief net voor hand-exit. De laterale bundel zorgt voor abductie en wordt hierbij ondersteund door de m. supraspinatus. De anterieure bundel zorgt na hand exit voor anteflexie van de schouder. Hierbij zijn ook de m. upper trapezius, m. rhomboïdeus en m. serratus anterior actief om respectievelijk een scapula rotatie, retractie en protractie te bekomen. (Pink et al., 1991; Allegrucci et al., 1994) In het eerste deel van de recovery fase zijn de laterale deltoïdeus bundel en de m. supraspinatus actief om de schouder te liften en te abduceren samen met de m. rhomboïdeus, die voor een retractie van de scapula zorgt. Daarna is de m. infraspinatus actief om een depressie van de humerus te verkrijgen en de m. subscapularis om een interne rotatie van de humerus te verkrijgen. Ook de m. serratus anterior is actief gedurende de volledige recovery fase om de humerus te centraliseren en een scapulaire rotatie te bekomen. (Pink et al., 1991; Glousman et al., 1993; Moynes et al., 1986; Allegrucci et al., 1994) 3

9 Uit verschillende onderzoeken (Pink et al., 1991; Allegrucci et al., 1994; Glousman et al., 1993; Moynes et al., 1986; Maglischo et al., 1982; Nuber et al., 1986) kunnen we afleiden dat de zwemdominante spieren bestaan uit de m. subscapularis, m. serratus anterior en de schouderadductoren. Bij de m. subscapularis en m. serratus anterior stellen we vast dat deze gedurende heel de zwembeweging actief zijn en tevens gevoelig zijn voor vermoeidheid. (Pink et al., 1991) Er is een grote variabiliteit waar te nemen in de procentuele activatie van deze spieren tussen verschillende zwemmers. De m. subscapularis is gemiddeld 46.1% van de maximale willekeurige contractie (MWC) actief gedurende de volledige zwemslag, met een range van 26% tot 71%. De m. serratus anterior is gemiddeld 31.4% van de MWC actief, met een range van 18% tot 48%. Ook bij de m. teres minor en m. latissimus dorsi is een gelijkaardig fenomeen vast te stellen. (Pink et al., 1991) Blanch et al. (2004) verklaart dit fenomeen doordat zwemmers verschillende kinematische eigenschappen vertonen tijdens de zwembeweging. 3. Kracht De glenohumerale musculatuur bestaat uit de rotator cuff, die samengesteld is uit de m. subscapularis, m. infraspinatus, m. supraspinatus en m. teres minor. Wanneer deze spieren afzonderlijk werken zorgen ze voor beweging in het glenohumeraal gewricht. Hierbij voert de m. subscapularis een endorotatie uit, de m. supraspinatus een abductie en de m. infraspinatus en m. teres minor een exorotie. (Sesam, 1999) Als de spieren van de rotator cuff samen actief zijn zorgen ze voor een centralisatie van de humeruskop in het glenoïd door een compressiekracht ten opzichte van de cavitas glenoïdalis. Daarnaast vormen ze een krachtenkoppel met de m. deltoïdeus, waarbij deze spier een opwaartse translatie van de humeruskop veroorzaakt en de rotator cuff een caudale translatie veroorzaakt. Ook de m. teres major behoort tot de glenohumerale musculatuur en veroorzaakt een retroversie met een beperkte interne rotatie van de arm. (Sesam, 1999) Bij bovenhandse sport werken de endo- en exorotatoren als krachtenkoppel samen, waarbij de exorotatoren excentrisch de beweging van de endorotatoren afremmen en er zo stabiliteit in het glenohumeraal gewricht ontstaat. (Donatelli et al., 2004) De scapulothoracale spieren hebben hun oorsprong op de thorax. Meerbepaald op de ribbenboog, de wervels en het sternum en hun insertie op de scapula. De m. serratus anterior zorgt voor een protractie en opwaartse rotatie van de scapula. De m. trapezius bestaat uit drie bundels, respectievelijk de upper trapezius, middle trapezius en lower trapezius. De bovenste trapeziusbundel zorgt voor een elevatie van de scapula, de 4

10 middenste trapeziusbundel voor een retractie en de onderste trapeziusbundel voor een scapulaire depressie.(sesam, 1999) Scapulothoracaal kunnen we een intermusculair en een intramusculair krachtenkoppel beschrijven. Intermusculair werken de m. serratus anterior en m. trapezius samen om een opwaartse rotatie te verkrijgen van de scapula rond de as van de spina scapula. Dit krachtenkoppel kan in het sagitaal vlak een posterieure tilt van de scapula veroorzaken door het samenwerken van de onderste bundels van de m. serratus anterior en de onderste bundels van de m. trapezius. In het transversaal vlak kunnen ze een externe rotatie teweeg brengen. (Ludewig et al., 2004) Biomechanisch kunnen we stellen dat de bovenste bundel van de m. trapezius (elevatie) en de m. serratus anterior (protractie) eerder bewegingsgevende spieren zijn en dat de onderste bundel van de m. trapezius deze bewegingen afremt tijdens scapulaire rotaties. Intramusculair werken de onderste bundel van de m. trapezius samen met de bovenste bundel van de m. trapezius, waarbij de bovenste bundel bewegingsgevend werkt en de onderste bundel bewegingsregulerend. (Lindman, 1990; Johnson, 1994) 3.1 Zijdeverschillen Men heeft vastgesteld dat de interne rotatoren bij zwemmers significant sterker zijn dan deze van sedentairen en dit voor zowel de dominante als de niet dominante zijde, terwijl de externe rotatoren niet significant verschillen. (Rupp et al., 1995) Deze verhoogde kracht van de interne rotatoren kan voornamelijk worden toegeschreven aan de hoge krachten die worden gegenereerd in de catch en pull fase door de endorotatoren. (Yanai et al., 2000) In de pull through fase zijn de endorotatoren en adductoren actief. Deze zwemfase neemt ongeveer 70 % van de totale zwemslag in beslag. (Richardson et al., 1980) Daarnaast is zwemmen een sport met veel repetitieve bewegingen, waardoor de dominantie van de anterieure spieren nog toeneemt. (Bak et al., 1997) Ramsi et al. (2004) omschrijven deze hogere krachtwaarden als een sportspecifieke adaptatie. Er is een significante stijging in interne rotatie kracht in de loop van het zwemseizoen. (Ramsi et al., 2004) Zowel jongens als meisjes hebben een grotere interne rotatie kracht aan de dominante arm. (Ramsi et al., 2004) Ook Olivier et al. (2008), die isokinetische testen afnamen, vonden een hogere interne rotatiekracht aan de dominante zijde bij zwemmers. Bij sedentairen vond men in deze studie geen links/rechts verschillen terug. (Gozlan et al., 2005; Warner et al., 1990) Dus niettegenstaande zwemmen een bilaterale bovenhandse sport is, zijn er toch mogelijke asymmetrieën in kracht merkbaar. (Olivier et al., 2008) Deze bevindingen komen niet overeen met de resultaten van Magnusson et al. (1995) bij zwemmers. In deze studie 5

11 vond men bij isometrische krachtmetingen geen significante links/rechts verschillen voor zowel mannen als vrouwen en dit bij interne en externe rotatie. Ook tijdens abductie in het frontale en scapulaire vlak werden er geen links/rechts verschillen waargenomen. (Magnusson et al., 1995) Gedurende het zwemseizoen vond men een stijging in kracht van de exorotatoren. De grootste stijging stelde men vast in het begin van het seizoen. Vanaf het midden van het seizoen tot het eind van het seizoen was er geen stijging meer in kracht van de exorotatoren. (Ramsi et al., 2004) De externe rotatoren staan dan ook niet in voor de propulsie tijdens het zwemmen, maar dienen eerder om de stabiliteit in het glenohumerale gewricht te behouden. (Allegrucci et al., 1994) Voor zowel externe en interne rotatie behaalden de mannelijke zwemmers grotere krachtwaarden dan de vrouwen. (Ramsi et al., 2004; Magnusson et al., 1995). Voor de abductie in het scapulair vlak scoorden de vrouwen hogere absolute krachtwaarden dan de mannen. Bij abductie in het frontale vlak waren geen significante verschillen tussen mannen en vrouwen waar te nemen. (Magnusson et al., 1995) De krachtwaarden uit dit onderzoek werden genormaliseerd voor lichaamsgewicht. Indien deze krachtwaarden niet genormaliseerd werden voor lichaamsgewicht, zouden de mannen op alle krachttesten significant hoger scoren dan vrouwen. (Ivey et al., 1985; McMaster et al., 1992; Murray et al., 1985) Donatelli et al. (2000) vonden bij isometrische krachtmetingen, gebruik makend van een hand-held dynamometer, significante links/rechts verschillen bij bovenhandse sporters voor de middle trapezius, lower trapezius, interne rotatoren en externe rotatoren. Enkel de externe rotatoren waren sterker aan de niet-dominante zijde, terwijl de andere spieren significant sterker waren aan de dominante zijde. Voor de m. supraspinatus werden geen links/rechts verschillen teruggevonden. (Donatelli et al., 2000) Gelijkaardig onderzoek (Trakis et al., 2008) bij bovenhandse sporters vond dezelfde resultaten terug voor de middle en lower trapezius en voor de interne rotatiekracht. In tegenstelling tot Donatelli et al. (2000) vond deze studie ook grotere isometrische krachtwaarden terug voor de externe rotatie aan de dominante zijde. (Trakis et al., 2008) Ook isokinetische studies hebben aangetoond dat de interne rotatoren sterker zijn aan de dominante zijde in vergelijking met de niet-dominante zijde. Deze studies vonden echter geen dominantiekenmerken voor de externe rotatoren. (Bartlett et al., 1989; Brown et al., 1988; Ellenbecker et al., 1996, Alderink et al., 1986; Cook et al., 1987) Wilk et al. (1993) en Magnusson et al. (1994) vonden gelijkaardige resultaten als Donatelli et al. (2000) betreffende de externe rotatoren. (Hinton et al., 1988) 6

12 3.2 Glenohumerale krachtratio's De glenohumerale ratio (ER/IR) is de verhouding maximale kracht externe rotatoren op maximale kracht interne rotatoren. Deze ratio kan ook uitgedrukt worden in IR/ER. De normale ratio (ER/IR) bij sedentairen is 2/3. Dit wil zeggen dat de absolute kracht van de externe rotatoren 66 % van de absolute kracht van de interne rotatoren bedraagt. (Ivey et al., 1985; Warner et al., 1990; Leroux et al., 1994; Beach et al., 1992; Falkel et al., 1988) De ratio concentrische peak torque interne rotatoren/concentrische peak torque externe rotatoren is hoger bij bovenhandse atleten dan bij andere atleten en dan bij niet-sporters. Deze hogere ratio wordt veroorzaakt door sterkere interne rotatoren. (Codine et al., 1997; Allegrucci et al., 1994; Weldon et al., 2001; Scoville et al., 1997; Bak et al.,1997; Newsham et al., 1998) Codine et al. (1997) vonden een hogere ratio bij bovenhandse sporters aan de dominante zijde in vergelijking met de niet-dominante zijde. Dit komt door sterkere interne rotatoren aan de dominante zijde en geen verschil in externe rotatie kracht tussen de dominante en niet-dominante zijde. (Codine et al., 1997; Mullaney et al., 2005; Donatelli et al., 2000; Wilk et al., 1993; Cook et al., 1987; Hinton et al., 1988) Andere studies vonden echter geen significant verschil in ratiowaarde tussen de dominante en niet-dominante zijde bij zowel bovenhandse sporters als niet-atleten. (Newsham et al., 1998) Bij zwemmers werd een gemiddelde ratio ( ER/IR) teruggevonden van 76.2% (SD = 12.6%) en 68.3% (SD = 12.8%) voor de rechter en linker schouder respectievelijk. In vergelijking tot de controlegroep, waar een gemiddelde ratio (ER/IR) werd teruggevonden van 94.1% ( SD = 15.7%) en 82.6% (SD = 17.1%) voor de rechter en linker schouder respectievelijk. De verschillen tussen zwemmers en de controlegroep waren significant voor de rechter en voor de linker schouder. Uit dit onderzoek kan men concluderen dat zwemmers over een gewijzigde krachtverhouding tussen interne en externe rotatoren beschikken. De oorzaak hiervan is terug te vinden in een toegenomen kracht van de interne rotatoren. (Rupp et al., 1995) Olivier et al. (2008) vonden in hun studie een zelfde tendens terug bij zwemmers, maar met lagere percentages. Men vond een ER/IR ratio voor sedentairen van gemiddeld 0.75 voor de dominante arm en een ratio van 0.52 bij zwemmers. (Olivier et al., 2008) Beach et al. (1992) vonden geen links/rechts verschillen voor externe/interne rotatie ratio bij zwemmers. Aan de linker zijde vond hij een gemiddelde ratio terug van 71% (SD 10) en aan de rechter zijde een gemiddelde ratio van 70% (SD 9). (Beach et al., 1992) Er werden ook ER/IR ratios teruggevonden van 1/1 bij zwemmers. (Magnusson et al., 2008; Ramsi et al., 2004) Hierbij moet wel vermeld worden dat de testpositie, waarin de krachtwaarden gemeten werden een bepalende rol spelen. Dit 7

13 kan een mogelijke verklaring zijn voor de sterk uiteenlopende ratio s uit voorgaande studies. (Olivier et al., 2008; Beach et al., 1992; Magnusson et al., 2008) 3.3 Scapulothoracale krachtratio's Bij niet-atleten is de agonist/antagonist ratio iets hoger dan 1, wat erop wijst dat de protractoren van nature sterker zijn. (Cools et al., 2007; Cools et al., 2005) Men vond bij bovenhandse sporters een hogere protractie/retractie ratio dan bij niet-atleten met een significant verschil aan de niet-dominante zijde. Deze hogere ratio is het resultaat van hogere protractie krachtwaarden bij de bovenhandse atleten. Bij de bovenhandse sporters zijn de protractoren sterker aan de niet-dominante zijde en de retractoren zijn sterker aan de dominante zijde. Hierdoor kan het zijn dat de ratio aan de dominante zijde niet significant verschillend is van de niet-atleten. De protractie/retractie ratio was bij de atleten lager aan de dominante zijde dan aan de niet-dominante zijde en de ratio aan de nietdominante zijde was hoger dan bij de niet-atleten. (Cools et al., 2007; Cools et al.,2005) Cools et al. (2007) bepaalden intramusculaire activiteit ratio's voor de m. trapezius bij bovenhandse sporters. Tijdens een abductie beweging varieerde de UT/MT en UT/LT ratio's van 1,23 tot 1,36. Dit betekent dat de upper trapezius hogere activiteit vertoont dan de middle en lower trapezius. De MT/LT ratio's lagen tussen 1,09 en 0,92. De middle en lower trapezius vertonen dezelfde mate van activiteit tijdens abductie. Dit toont aan dat de UT tijdens abductie scapulaire beweging veroorzaakt en de MT en LT eerder een stabiliserende functie hebben. De waarden bekomen tijdens een externe rotatie zijn lager dan deze bekomen tijdens abductie, dit kan te wijten zijn aan het feit dat de externe rotatie werd gemeten met de arm ondersteund. (Cools et al., 2007) 4. Sportspecifieke adaptaties van de schouder bij bovenhandse atleten Er zijn bij bovenhandse atleten aanpassingen teruggevonden in de schouder op het vlak van ROM, scapulaire positie, kracht en krachtuithouding als gevolg van het beoefenen van bovenhandse sporten. (Thomas et al., 2009; Torres et al., 2009; Beach et al., 1992; Rupp et al., 1995; Oyama et al., 2008; Myers et al., 2005) 8

14 Bij bovenhandse sporters is er een stijging van de externe rotatie door een repetitieve stretch van het anterieur kapsel door het veelvuldig sporten.(jobe et al., 1989; Ellenbecker et al., 1996; Meister et al., 2000; Meister et al., 2005) Andere onderzoekers wijzen de stijging toe aan een vergrote retroversie stand van de humerus bij bovenhandse sporters. (Osbahr et al., 2002; Reagan et al., 2002) Daarnaast is er een daling in interne rotatie ROM door een verkorting van het posterieur kapsel. (Burkhart et al., 2003; Allegrucci et al., 1994; Murphy et al., 1994; Spigelman et al., 2003; Weldon et al., 2001) Dit fenomeen beschrijft Burkhart als GIRD: glenohumerale interne rotatie deficit. (Burkhart et al., 2003) Thomas et al. (2009) maten de interne en externe rotatie ROM over het verloop van een sportseizoen. Ze vonden een daling in interne rotatie over het verloop van het seizoen en dit was het minst uitgesproken bij zwemmers in vergelijking met volleyballers en tennissers. Zwemmers hadden echter wel het grootste deficit in interne rotatie. Dit kan verklaard worden door het feit dat zwemmen bestaat uit veel meer herhalingen en de musculatuur altijd op de zelfde manier wordt belast. Bij volleybal en tennis worden er veel verschillende technieken gebruikt en wordt de musculatuur dan ook op verschillende manieren belast. De ROM was kleiner in de dominante arm dan in de niet-dominante arm. (Thomas et al., 2009) Torres et al. (2009) vonden ook een dominantieverschil terug bij zwemmers met een verschil tussen de niet-dominante en dominante zijde van 12, waarbij het interne rotatie deficit het grootst is aan de dominante zijde. De controlegroep had een significant kleiner links/rechts verschil dan de zwemmers met slechts een verschil van 5. Ook Beach et al. (1992) vonden bij zwemmers gelijkaardige resultaten met een gemiddelde interne rotatie ROM aan de linker zijde van 49 (SD 14) en aan de rechter zijde 45 (SD 12). (Beach et al., 1992) Over het verloop van het seizoen was er een daling van de externe rotatie bij zwemmers. (Thomas et al., 2009) Dit is in contrast met wat andere studies (Torres et al., 2009; Rupp et al., 1995) vonden bij zwemmers. Een verhoogde stress op het anterieur kapsel kan aanleiding geven tot een vergrote externe rotatie ROM. Bij zwemmers vonden Torres et al. (2009) een gestegen externe rotatie ROM in vergelijking met een controlegroep. Hierbij was de externe rotatie ROM aan de dominante zijde groter dan aan de niet-dominante zijde. (Torres et al., 2009; Thomas et al., 2009) Rupp et al. (1995) vonden een verhoogde externe rotatie ROM terug bij de dominante arm van zwemmers ( 115 +/- 14 ) in vergelijking met de dominante arm van niet atleten (80 +/- 12 ). (Rupp et al., 1995) De zwemmers in de studie van Thomas et al.( 2009) hadden echter een gemiddelde leeftijd van 15 jaar, waardoor het kan dat deze sportspecifieke adaptatie nog niet heeft plaatsgevonden. Daarnaast kan een stijging van de interne rotatie kracht tijdens de verloop van het seizoen de externe rotatie ROM beperken door musculaire spanning. (Thomas et al., 2009) Beach et 9

15 al. (1992) vonden waarden voor de externe rotatie ROM van gemiddeld 100 (SD 10 ) aan de linker zijde en 101 (SD 11 ) aan de rechter zijde. Voor de abductie ROM vonden ze aan de linker zijde gemiddelde waarden van 96 (SD 14) en aan de rechter zijde 195 (SD 15 ). (Beach et al., 1992) Bij bovenhandse sporters werden er ook alteraties in scapulaire positie en scapulaire beweging teruggevonden. (Burkhart et al., 2003; Oyama et al., 2008; Myers et al., 2005) Bij bovenhandse sporters is er vaak een schouderasymmetrie te zien. Dit uit zich in een lagere stand van de schouder aan de dominante zijde bekomen door een ligamentaire en kapsulaire stretch en musculaire aanpassingen ten gevolge van het bovenhands sporten. (Kendall et al., 1983) Deze schouderasymmetrie kan verder ontwikkeld worden bij bovenhandse sporten waar vaak unilaterale bewegingen gebeuren. (Oyama et al., 2008) Deze asymmetrie kan aanleiding geven tot pathologie en wordt dan beschreven als de SICK scapula. (Burkhart et al., 2003) Oyama et al. (2008) vonden scapulaire asymmetrieën in rust bij gezonde bovenhandse sporters (baseball pitchers, tennissers, volleyballers). Hierbij vond men een grotere anterieure tilt en interne rotatie aan de dominante zijde. Bij tennisspelers werd ook een vergrote protractie gezien aan de dominante zijde. Dit toont aan dat de aanpassingen sportspecifiek zijn. Deze gevonden scapulaire aanpassingen bij gezonde atleten zijn dezelfde als deze beschreven door Burkhart et al. (2003) bij gekwetste atleten. Bij atleten met impingement is er echter een gedaalde opwaartse rotatie in tegenstelling tot gezonde atleten, waar er een gestegen opwaartse rotatie is. (Oyama et al., 2008) Bij werpers vindt men een gestegen opwaartse rotatie, retractie en interne rotatie in vergelijking met niet-bovenhandse sporters. Er is geen verschil tussen werpers en nietbovenhandse sporters voor anterieure/posterieure tilt en elevatie/depressie. Een gestegen opwaartse rotatie voorkomt subacromiaal impingement en kan als een chronische adaptatie ten gevolge van het bovenhands sporten worden toegeschreven om zo beter te presteren en blessures te voorkomen. Bij sporters met impingement klachten vindt men dan ook een daling van de opwaartse rotatie terug. (Myers et al., 2005) Een gestegen opwaartse rotatie werd ook teruggevonden door Thomas et al. (2008) bij zwemmers bij 90 abductie over het verloop van het seizoen. De opwaartse rotatie daalde echter over het verloop van het seizoen bij volleyballers. Dit kan te wijten zijn aan een daling van de interne rotatie ROM. Deze studie vond een daling van de protractie terug bij zwemmers, volleyballers en tennissers. (Thomas et al., 2008) Dit is een positieve scapulaire aanpassing, daar een stijging in protractie een daling van de rotator cuff kracht met zich meebrengt en zo tot blessures leidt. (Smith et al., 2006, Smith et al., 2002) 10

16 Als sportspecifieke adaptatie kunnen we ook krachtsveranderingen in de glenohumerale en scapulothoracale musculatuur beschouwen zoals eerder reeds vermeld. (zie hoofdstuk 3) Beach et al. (1992) onderzochten krachtuithouding bij zwemmers. Hij liet hen 50 herhalingen uitvoeren op een isokinetisch toestel. De som van de laatste drie herhalingen werd gedeeld door de som van de eerste drie herhalingen. Indien er vermoeidheid optreedt zou men aan een waarde lager dan 100% uitkomen, dit fenomeen werd vastgesteld bij de abductoren en externe rotatoren. Een aanzienlijke toename in kracht werd bij de adductoren gemeten en een beperkte toename bij de interne rotatoren. (Beach et al., 1992) 5. Dynamometrie Dynamometrie is een methode om isometrisch of isokinetisch kracht te meten bij proefpersonen. Manual muscle testing is de meest courante manier om isometrische kracht te meten. Bij manual muscle testing wordt er geen meettoestel gebruikt, maar palpeert de tester de gegeven krachtwaarde van de proefpersoon. Bij manual muscle testing wordt de krachtwaarde in 5 stadia ingedeeld: waarde 0, geen beweging of contractie zichtbaar en voelbaar; waarde 1, contractie voelbaar en niet zichtbaar of palpeerbaar; waarde 2, proefpersoon kan volledige range of motion bereiken zonder zwaartekracht; waarde 3, volledige ROM bereiken tegen zwaartekracht; waarde 4, beweging mogelijk tegen milde weerstand; waarde 5, beweging mogelijk tegen hoge weerstand. Hand-Held dynamometrie kan ook de isometrische kracht meten, gebruik makend van een toestel, die een objectieve waarde weergeeft. Naast isometrische testing kan men ook de maximale kracht op een isokinetische manier testen. Het voordeel van deze methode is dat je een beter beeld krijgt over het krachtverloop en het moment in het bewegingsverloop waarop de peak force wordt bereikt, doch kan de zwemslag niet nagebootst worden op dit toestel. Het toestel laat eveneens toe om aan verschillende testsnelheden te meten, wat een voordeel kan zijn bij sportspecifieke metingen. Daarnaast zijn isokinetische testen, labotesten en zijn isometrische testen makkelijker in een veldsituatie te hanteren. Oudere personen (56 jaar) behalen bij alle hoeken waarin isometrisch wordt gemeten dezelfde krachtwaarden. De krachtwaarden bij jongeren (24 jaar) dalen wanneer de hoek waarin wordt gemeten toeneemt. Bij een grotere hoek verkort de spier-pees eenheid en hebben de vezels geen optimale lengte meer om te contraheren. Wanneer men echter in het scapulair vlak meet is er een optimale lengte-spanning verhouding wat resulteert in hogere 11

17 isometrische krachtwaarden. (Kuhlman et al., 1992) De peak torque wordt bij isokinetische en isometrische testing op het zelfde moment ontwikkeld, dwz. bij dezelfde hoek. Hoe verder weg van de hoek waarin de peak torque ontstaat, hoe minder kracht men kan ontwikkelen en dan is de isokinetische waarde ook hoger dan de isometrisch bekomen waarde. Bij het vergelijken van isokinetische en isometrische maximale krachtwaarden moet men de waarden gemeten in dezelfde hoek met elkaar vergelijken. (Kuhlman et al., 1992) 5.1 Hand-held dynamometrie Hand-Held dynamometrie is een methode om isometrisch de musculaire kracht te meten. Het toestel registreert digitaal de behaalde peak force, bekomen aan hoge of lage threshold. Het meten met een lage threshold is sensitiever en neemt waarden op van 3.6 tot 660 Newton met een sensitiviteit van 0.4 Newton. Het meten met een hoge threshold registreert waarden van 13 tot 660 Newton met een sensitiviteit van 4 Newton. De hand-held dynamometer is een draagbaar toestel dat toelaat de schouder in verschillende posities te testen. De tester moet de gevraagde schouderbeweging van de proefpersoon manueel tegenhouden, terwijl de proefpersoon de desbetreffende beweging met maximale kracht uitvoert. (Hayes et al., 2002; Kolber et al., 2007; Leggin et al., 1996) De proefpersonen ondergaan een 'make' test, waarbij de dynamometer niet beweegt en de proefpersoon met een maximale kracht tegen het toestel duwt. Bij de 'break' test moet de tester de isometrische contractie van de proefpersoon doorbreken. (Bohannon et al., 1990) Bij het meten van de kracht voor elleboogflexie vond Bohannon et al. (1988) een goede betrouwbaarheid voor zowel de make als break test. De krachtwaarden bekomen door de break test waren wel significant groter dan deze bekomen door de make test. Hand-held dynamometrie heeft enkele beperkingen, die de betrouwbaarheid en validiteit negatief kunnen beïnvloeden. Bij de make test moet de kracht van de tester om de gevraagde beweging tegen te houden groot genoeg zijn, zodat er daadwerkelijk isometrisch getest wordt en de proefpersoon de weerstand van de tester niet doorbreekt. (Bohannon et al., 1990; Bohannon et al., 1999; Deones et al., 1994, Wadsworth et al., 1987; Wang et al., 2002; Wikholm et al., 1991) Daarnaast is het moeilijk om de proefpersoon en het toestel te stabiliseren, zodat er geen compensaties optreden of het toestel van plaats verschuift. (Agre et al., 1987; Bohannon et al.,1999; Deones et al., 1994; Reed et al., 1993; Wadsworth et al.,1987; Wang et al., 2002) Bij het testen van dezelfde beweging, maar in andere uitgangshoudingen kunnen verschillende resultaten optreden. Om verschillende studies te vergelijken of bij het testen 12

18 van proefpersonen met HHD moeten dus altijd dezelfde uitgangshoudingen worden gebruikt. (Agre et al., 1987; Roebroeck et al., 1998; Wadsworth et al., 1987; Wang et al., 2002) Er zijn minimaal drie herhalingen nodig per testpositie met minimum 30 sec rust tussen de verschillende metingen. De proefpersoon moet de maximale isometrische contractie voor minimum 5 seconden aanhouden. De tester moet loodrecht op het bewegend segment weerstand geven en zorgen voor voldoende stabiliteit, zodat er geen compensaties optreden. (Kolber et al., 2007; Hayes et al., 2002; Leggin et al.,1996) 6. Hand-Held dynamometrie bij glenohumerale musculatuur Betrouwbaarheid is de capaciteit van het toestel om dezelfde resultaten weer te geven bij verschillende metingen. Deze metingen kunnen telkens uitgevoerd worden door dezelfde tester. Vervolgens spreekt men over (intrarater) intratester betrouwbaarheid. Of de metingen kunnen door twee verschillende testers afgenomen worden. Desgevallend spreekt men over (interrater) intertester betrouwbaarheid. Validiteit is de zekerheid dat het toestel meet wat hij zou moeten meten. Men drukt de betrouwbaarheid uit dmv. de intraclass correlation coëfficiënt (ICC) met een excellente betrouwbaarheid, wanneer ICC > 0.75; een matig tot goede betrouwbaarheid met een ICC tussen ; en een zwakke betrouwbaarheid met een ICC <0.4. (Hayes et al., 2002) Hand-Held dynamometrie is een betrouwbare meetmethode om krachtmetingen uit te voeren in de schouder, wat van belang is om musculaire disbalans en schouderzwakte op te sporen. (Malerba et al., 1993; Hayes et al., 2002; Kolber et al., 2007; Leggin et al., 1996) HHD in combinatie met een stabilisatietoestel is een bruikbare methode om op een betrouwbare en valide manier de interne en externe rotatiekracht te meten bij asymptomatische en symptomatische proefpersonen. Kolber et al. (2007) hebben de interne en externe rotatiekracht gemeten in zit, in het scapulair vlak met 90 elleboogflexie met het gebruik van een stabiliserend toestel bij asymptomatische proefpersonen en vonden een hoge intrarater betrouwbaarheid. Er werd een hoge test-retest betrouwbaarheid gevonden voor zowel interne (ICC = 0.971) als externe (ICC = 0.972) rotatie. Een intra class correlation coëfficiënt van meer dan 0.90 is nodig om te kunnen spreken over een betrouwbare test. De standard error of measurements (SEM) bedroeg 0.62 kg voor externe rotatie en 1.15 kg voor interne rotatie. Er is geen significant verschil voor externe (P = 0.431) en interne (P = 0.780) rotatie tussen 13

19 sessie 1 en sessie 2. (Kolber et al., 2007) Donatelli et al. (2000) vonden een hoge intrarater betrouwbaarheid terug voor het testen van de externe en interne rotatie in ruglig in het scapulaire vlak met een ICC van respectievelijk en Bij het testen van de rotatoren in 90 abductie en 90 elleboogflexie vond men een ICC terug van voor de interne rotatoren en voor de externe rotatoren. Voor het testen van de m. supraspinatus in de empty can positie in zit behaalde men een ICC van (Donatelli et al., 2000) Bij het meten van de interne en externe rotatie bij symptomatische proefpersonen in ruglig bekomt men een excellente interrater (ICC = ) en intrarater (ICC = ) betrouwbaarheid. Ook bij het meten van het lift-off manoeuvre om de m. subscapularis activiteit te meten bij interne rotatie bekomt men met de HDD een excellente interrater betrouwbaarheid. De intrarater betrouwbaarheid van de HDD bij het lift-off manoeuvre was matig tot goed (ICC = 0.70). (Hayes et al., 2002) Uit onderzoek van Malerba et al. (1993) is gebleken dat isometrische krachtmetingen van de interne en externe rotatie van de schouder superieur zijn aan isokinetische krachtmetingen wanneer het om test-hertest betrouwbaarheid gaat en dit voor zowel gezonde als aangedane schouders. 6.1 Hand-held dynamometrie vergeleken met andere testmethodes De hand-held dynamometer, de spring-scale dynamometer, biodex en isobex 2.0 zijn betrouwbare methodes om een isometrische krachtmeting te registreren. (Hayes et al., 2002; Leggin et al., 1996) Manual muscle testing heeft een veel lagere betrouwbaarheid. MMT is eerder subjectief en is bij één tester opmerkelijk meer betrouwbaar dan bij het gebruik van verschillende testers. Daarnaast kan men met MMT geen kleine krachtsverschillen en nuances registreren, wat van belang is voor het detecteren van spierletsels en spierzwakte. Zowel de hand-held dynamometer en spring-scale dynamometer zijn draagbaar, makkelijk om te gebruiken en kost-beperkend, maar de SSD is soms onmogelijk te gebruiken bij bepaalde uitgangsposities zoals bij het lift-off manoeuvre. (Hayes et al., 2002) De isobex 2.0 is eveneens draagbaar, kost-effectief en heeft een goede stabiliteit. De biodex is in tegenstelling tot de andere isometrische testen niet draagbaar, duur en tijdrovend. (Leggin et al., 1996) Naast de hand-held dynamometer heeft ook de spring-scale dynamometer een excellente interrater (ICC = ) betrouwbaarheid voor interne rotatie. Hierbij werden de metingen niet uitgevoerd zoals bij de hand-held dynamometer in ruglig, maar wel in zit. De spring-scale dynamometer heeft een matig tot goede interrater (ICC = 0.75) 14

20 betrouwbaarheid voor externe rotatie. De interrater correlatie tussen de HDD en SSD is hoog met een pearson correlatie coëfficiënt voor interne en externe rotatie van respectievelijk 0.82 en 0.77 ( p < ). De SSD heeft een excellente intrarater betrouwbaarheid voor externe rotatie (ICC = ) en een matig tot goede intrarater betrouwbaarheid voor interne rotatie ( ICC = 0.72). De intrarater correlatie tussen de HDD en SSD was hoog met een pearson correlatie coëfficiënt van 0.85 voor externe rotatie en 0.86 voor interne rotatie. Het lift-off manoeuvre kon men niet meten met de spring-scale dynamometer. (Hayes et al., 2002) Hayes et al. (2002) positioneerden de proefpersonen in zit voor de MMT. De interrater betrouwbaarheid bij het gebruik van de manual muscle test (MMT) varieert van zwak tot matig tot goed (ICC = ). Het lift-off manoeuvre gemeten door de MMT is het minst betrouwbaar (ICC = 0.38) en hiervoor is de HHD significant betrouwbaarder (ICC = 0.79) dan de MTT. Bij het gebruik van MTT voor het meten van de interne rotatie dmv. het lift-off manoeuvre is er een grote interrater variabiliteit in vergelijking met het gebruik van de HDD. De intrarater betrouwbaarheid voor interne en externe rotatie gemeten door MMT was hoog (respectievelijk ICC = 1.0 en ICC = 0.86), maar had een lage betrouwbaarheid voor het lift-off manoeuvre (ICC = 0.29). (Hayes et al., 2002) Leggin et al. (1996) vonden voor de manual muscle testing een excellente betrouwbaarheid met een interrater betrouwbaarheid van 0.79 in tegenstelling tot Hayes et al. (2002) die een zwakkere interrater betrouwbaarheid terugvonden voor interne en externe rotatie. Leggin et al. (1996) vonden een intrarater betrouwbaarheid van 0.84, wat overeenkomt met de bevindingen van Hayes et al. (2002). Net zoals Hayes et al. (2002) waren de proefpersonen gepositioneerd in zit voor zowel externe en interne rotatie. (Leggin et al 1996) De interrater betrouwbaarheid voor de biodex en isobex 2.0 is respectievelijk en De intrarater betrouwbaarheid voor de biodex en isobex 2.0 is respectievelijk en (Leggin et al., 1996) Ook de HHD die door ons gebruikt zal worden, de microfet2, is een toestel met een zeer goede betrouwbaarheid ( ICC > 0.86). (Fiebert et al., 1999) De interrater en intrarater betrouwbaarheid voor elevatie is hoog voor zowel de hand-held dynamometer als de spring-scale dynamometer. Elevatie werd voor beide toestellen uitgevoerd in zit bij symptomatische proefpersonen. De interrater en intrarater correlatie tussen beide toestellen is hoog voor elevatie met een pearson correlatie coëfficiënt van respectievelijk 0.88 en De interrater betrouwbaarheid bij manual muscle testing voor elevatie is zwak tot goed met een ICC van In tegenstelling tot de interrater 15

Lichamelijk onderzoek

Lichamelijk onderzoek Hoofdstuk 3 Lichamelijk onderzoek Het lichamelijk onderzoek omvat de volgende onderdelen: -- inspectie in rust -- passief en actief uitgevoerd onderzoek naar de beweeglijkheid van de cervicale wervelkolom,

Nadere informatie

SNT KLINISCHE TESTS. Dia 1 / 64

SNT KLINISCHE TESTS. Dia 1 / 64 SNT KLINISCHE TESTS Tests letsels rotator cuff (lag tests): dia s 2 9. Tests scapula diskinesie: dia s 10-14. (Klassieke) Tests bij impingement: dia s 15 28. Tests voor lengte dorsale kapsel: dia s 29

Nadere informatie

Rotator cuff impingement. Beate Dejaco-Lanz Sportfysiotherapeute MSc Orthopedisch manueel therapeute Sport Medisch Centrum Papendal

Rotator cuff impingement. Beate Dejaco-Lanz Sportfysiotherapeute MSc Orthopedisch manueel therapeute Sport Medisch Centrum Papendal Rotator cuff impingement Beate Dejaco-Lanz Sportfysiotherapeute MSc Orthopedisch manueel therapeute Sport Medisch Centrum Papendal introductie definitie impingement classificatie impingement diagnostiek

Nadere informatie

Rol van de scapula in normale schouderfunctie

Rol van de scapula in normale schouderfunctie Scapula disfuncties Rol van de scapula in normale schouderfunctie Stabiele basis bieden voor het glenohumerale gewricht Voldoende pro-en retractie geven bij ADL bewegingen Voldoende elevatie van acromion

Nadere informatie

SCAPULOTHORACALE REVALIDATIE

SCAPULOTHORACALE REVALIDATIE Update schouderpathologie 2013 Symposium orthopedie Sint-Truiden 30 november 2013 SCAPULOTHORACALE REVALIDATIE Liesbeth Motmans Kinesitherapeute revalidatie Belangrijke taken scapula Stabiele basis vormen

Nadere informatie

SAMENVATTING. Schouder pijn na een beroerte.

SAMENVATTING. Schouder pijn na een beroerte. SAMENVATTING Schouder pijn na een beroerte. Schouderpijn na een beroerte is een veelvoorkomend bijverschijnsel bij patiënten met een hemiplegie (halfzijdige verlamming) en het voorkomen ervan wordt geschat

Nadere informatie

Skillslab handleiding

Skillslab handleiding Skillslab handleiding Faculteit Geneeskunde & Gezondheidswetenschappen Inleiding tot het orthopedisch onderzoek Academiejaar 2012-2013 Dr. Francis Hugelier - Dr. Jan Reniers Dr. Hans Van den Abbeele Met

Nadere informatie

Schouderblessures bij bovenhandse sporten. Sportfysiotherapeut Merel Hoezen

Schouderblessures bij bovenhandse sporten. Sportfysiotherapeut Merel Hoezen Schouderblessures bij bovenhandse sporten Sportfysiotherapeut Merel Hoezen Keten zorg Casus 18 jarige talentvolle tennister 2 jaar langzaam progressieve schouderklachten Pijn achterzijde van de schouder

Nadere informatie

Masterproef in Revalidatiewetenschappen en Kinesitherapie: deel 2

Masterproef in Revalidatiewetenschappen en Kinesitherapie: deel 2 Masterproef in Revalidatiewetenschappen en Kinesitherapie: deel 2 Sportspecifieke adaptaties in de schouder bij jonge zwemmers: Range of motion glenohumeraal, scapulothoracaal en in de kinetische keten.

Nadere informatie

OEFENTHERAPIE ALS CONSERVATIEVE BEHANDELING BIJ SCHOUDERINSTABILITEIT.

OEFENTHERAPIE ALS CONSERVATIEVE BEHANDELING BIJ SCHOUDERINSTABILITEIT. OEFENTHERAPIE ALS CONSERVATIEVE BEHANDELING BIJ SCHOUDERINSTABILITEIT. Dr. Carl Dierickx, dienst orthopaedie Virga-Jesseziekenhuis, Stadsomvaart 11, 35OO Hasselt. Samenvatting : na een korte bespreking

Nadere informatie

Diagnostiek aan de schoudergordel. Model orthopedische geneeskunde ( James Cyriax) (Dos winkel)

Diagnostiek aan de schoudergordel. Model orthopedische geneeskunde ( James Cyriax) (Dos winkel) Diagnostiek aan de schoudergordel Model orthopedische geneeskunde ( James Cyriax) (Dos winkel) Doorsnede art. humeri bicepspees, loopt door bovenkant van kapsel en voorkomt inklemming van kapsel in gewrichtsspleet

Nadere informatie

Schuitemaker fysiotherapie en manuele therapie bv www.fysio.net - Amsterdam

Schuitemaker fysiotherapie en manuele therapie bv www.fysio.net - Amsterdam Uit: Egmond-Schuitemaker schouderprotocol (conform Kibler, Cools en Walraven) Excentrische oefeningen rotatorencuff schouder www.fysio.net (nog niet op de huiswerkfilmpjes.) Toe te passen bij stabiliseren

Nadere informatie

Skillslab handleiding

Skillslab handleiding Skillslab handleiding Faculteit Geneeskunde & Gezondheidswetenschappen Inleiding tot het orthopedisch onderzoek Academiejaar 2011-2012 Skillslabteam : Dr. Francis Hugelier - Dr. Jan Reniers Dr. Hans Van

Nadere informatie

Update schouderpathologie 2013

Update schouderpathologie 2013 Update schouderpathologie 2013 Symposium orthopedie Sint-Truiden 30 november 2013 Vanessa Vleugels Kinesitherapeut- revalidatie Pathologie RC RC is kwetsbaar voor peesletsels: a) overbelasting of overuse

Nadere informatie

Auteur: S. van Grinsven (klinisch epidemioloog paramedische diensten Rijnstate, Arnhem)

Auteur: S. van Grinsven (klinisch epidemioloog paramedische diensten Rijnstate, Arnhem) Auteur: S. van Grinsven (klinisch epidemioloog paramedische diensten Rijnstate, Arnhem) Meetbatterij t.b.v. hemi, totale of reversed prothese, VERPLICHT GEDEELTE: 1) PIJN / TEVREDENHEID: VAS-SCORE O Preoperatief

Nadere informatie

P. van der Tas & J.M. Klomp-Jacobs

P. van der Tas & J.M. Klomp-Jacobs Naam: Datum: 15-8-2009 Maatschap voor Sport-Fysiotherapie Manuele Therapie Medische Trainings Therapie en Echografie en EMG Stadtlohnallee 2 7595 BP WEERSELO Telefoon 0541-661590 Molemansstraat 52 7561

Nadere informatie

FYSIOTHERAPIE en het behandelen van patiënten met SCHOUDERKLACHTEN. Voorjaar, SCHcombi 2015 BLOK 5, door: Gerard Koel.

FYSIOTHERAPIE en het behandelen van patiënten met SCHOUDERKLACHTEN. Voorjaar, SCHcombi 2015 BLOK 5, door: Gerard Koel. FYSIOTHERAPIE en het behandelen van patiënten met SCHOUDERKLACHTEN. Voorjaar, SCHcombi 2015 BLOK 5, door: Gerard Koel. Inhoud blok 5 : 1. Huiswerkopdracht dagdeel 2: - artikel Haahr: opereren of oefenen?

Nadere informatie

Theorie-examen Anatomie 13 januari 2006.

Theorie-examen Anatomie 13 januari 2006. Theorie-examen Anatomie 13 januari 2006. 1. Wat is de diafyse van een pijpbeen? A. Het uiteinde van een pijpbeen. B. Het middenstuk van een pijpbeen. C. De groeischijf. 2. Waar bevindt zich de pink, ten

Nadere informatie

FYSIOTHERAPIE en het behandelen van patiënten met SCHOUDERKLACHTEN.

FYSIOTHERAPIE en het behandelen van patiënten met SCHOUDERKLACHTEN. FYSIOTHERAPIE en het behandelen van patiënten met SCHOUDERKLACHTEN. Voorjaar 2015, BLOK 2, door: Gerard Koel. SNT KLINISCHE TESTS Tests letsels rotator cuff (lag tests): dia s 3 11. Tests scapula / GH

Nadere informatie

Lieven De Wilde, MD, PhD Alexander Van Tongel, MD Department of Orthopedic Surgery Gent University Hospital

Lieven De Wilde, MD, PhD Alexander Van Tongel, MD Department of Orthopedic Surgery Gent University Hospital Klinisch onderzoek van de schouder Lieven De Wilde, MD, PhD Alexander Van Tongel, MD Department of Orthopedic Surgery Gent University Hospital Klinisch onderzoek van de schouder 12 stappen Stap 1: Anamnese

Nadere informatie

Disclosure belangen spreker: Gerard Koel

Disclosure belangen spreker: Gerard Koel Disclosure belangen spreker: Gerard Koel (potentiële) belangenverstrengeling Geen Voor bijeenkomst mogelijk relevante relaties met bedrijven Sponsoring of onderzoeksgeld Honorarium of andere (financiële)

Nadere informatie

Kennis Quiz. SNN congres 2015

Kennis Quiz. SNN congres 2015 Schouder Netwerk en Nederland Kennis Quiz SNN congres 2015 De kennisquiz is live gescoord met behulp van het Voxvote software programma. De goede antwoorden zijn vet weergegeven. Over de uitslagen: geen

Nadere informatie

De meerwaarde van ElektroMyografie bij de behandeling van scapula diskinesie

De meerwaarde van ElektroMyografie bij de behandeling van scapula diskinesie De meerwaarde van ElektroMyografie bij de behandeling van scapula diskinesie Lilian Brinkman Rik Schurink Enschede, mei 2009 Saxion Hogeschool Enschede Academie Gezondheidszorg Opleiding Fysiotherapie

Nadere informatie

NVAB Richtlijn Klachten aan Arm, Nek of Schouder. Werk en KANS. 11-5-2015 Hoge School Leiden. Dr. Leo. A.M. Elders

NVAB Richtlijn Klachten aan Arm, Nek of Schouder. Werk en KANS. 11-5-2015 Hoge School Leiden. Dr. Leo. A.M. Elders NVAB Richtlijn Klachten aan Arm, Nek of Schouder 1 11-5-2015 Hoge School Leiden Dr. Leo. A.M. Elders Werk en KANS Tel: 06-55741585 E-mail: info@nvka.nl Inhoud presentatie Schouderklachten /SAPS Epidemiologie

Nadere informatie

Eerste bijeenkomst 2014 van het Schouder Netwerk Twente. 3 Juni 2014, Saxion Hogeschool Enschede.

Eerste bijeenkomst 2014 van het Schouder Netwerk Twente. 3 Juni 2014, Saxion Hogeschool Enschede. Eerste bijeenkomst 2014 van het Schouder Netwerk Twente. 3 Juni 2014, Saxion Hogeschool Enschede. AGENDA 03-06-2014; F 1.09. 17:30 18:30 uur: ontvangst, mededelingen bestuur. 18:30 19:15 uur: Inhoud theorie;

Nadere informatie

Biomechanische mechanismen van het secundair subacromiaal impingement syndroom. Een narrative review

Biomechanische mechanismen van het secundair subacromiaal impingement syndroom. Een narrative review Biomechanische mechanismen van het secundair subacromiaal impingement syndroom. Een narrative review Auteur: Jos Vreeken Inleiding. Het subacromiaal Impingement Syndroom (SAIS) is de meest voorkomende

Nadere informatie

Richtlijn bij revalidatie na een SLAP REPAIR

Richtlijn bij revalidatie na een SLAP REPAIR Richtlijn bij revalidatie na een SLAP REPAIR We onderscheiden een 3-tal postoperatieve fasen: Fase 1: 0 t/m 6 Fase 2: 7 t/m 12 Fase3: 3 tot 6 maanden Elke fase is ingedeeld in een 3-tal onderdelen, te

Nadere informatie

Protocol 1 Scopische subacromiale decompressie

Protocol 1 Scopische subacromiale decompressie Protocol 1 Scopische subacromiale decompressie 1. Algemeen Sling: eerste 2 weken. Samenvatting van de prognose betreffende herstel van functies en activiteiten: Wanneer kan ik verwachten Werk onder Functionele

Nadere informatie

Revalidatie: Biodex-meting. Dr. Sam Hendrix Fysische Geneeskunde & Revalidatie 15 november 2014

Revalidatie: Biodex-meting. Dr. Sam Hendrix Fysische Geneeskunde & Revalidatie 15 november 2014 Revalidatie: Biodex-meting Dr. Sam Hendrix Fysische Geneeskunde & Revalidatie 15 november 2014 Wat is Biodex? Objectief, gestandaardiseerd meet- en trainingsinstrument voor de perifere gewrichten Isokinetische

Nadere informatie

DE SCHOUDER van BINNEN naar BUITEN. Wietske Wind Thom van der Sloot

DE SCHOUDER van BINNEN naar BUITEN. Wietske Wind Thom van der Sloot DE SCHOUDER van BINNEN naar BUITEN Wietske Wind Thom van der Sloot WIE ZIJN WIJ WIETSKE WIND DOCENTE CIOS HEERENVEEN OPLEIDER SPORTMASSAGE/VERZORGING 1997 SPORTMASSEUR SINDS 1995 THOM vd SLOOT Ex DOCENT

Nadere informatie

Effect van functionele schoudervermoeidheid op de subacromiale ruimte bij bovenhandse sporters

Effect van functionele schoudervermoeidheid op de subacromiale ruimte bij bovenhandse sporters FACULTEIT GENEESKUNDE & GEZONDHEIDSWETENSCHAPPEN UNIVERSITEIT GENT REVALIDATIEWETENSCHAPPEN & KINESITHERAPIE ACADEMIEJAAR 2010-2011 Effect van functionele schoudervermoeidheid op de subacromiale ruimte

Nadere informatie

Schouder impingement. Opdracht stage: schouder impingement. Diagnosen geassocieerd met impingementsyndroom:

Schouder impingement. Opdracht stage: schouder impingement. Diagnosen geassocieerd met impingementsyndroom: Schouder impingement Inleiding Impingement - Geen pathologie, maar cluster van symptomen = het is een syndroom - Geassocieerd met: rotatorcuff pathologie, scapulaire diskinesie, schouderinstabiliteit,

Nadere informatie

Sport-Fysiotherapie R. de Vries en Medische Trainings Therapie

Sport-Fysiotherapie R. de Vries en Medische Trainings Therapie Sport-Fysiotherapie R. de Vries en Medische Trainings Therapie Kerkweg 45a 4102 KR Zijderveld Telefoon 0345-642618 Fax 0345-641004 E-mail vriesfysio@planet.nl Internet www.fysiodevries.nl/ Frozen shoulder

Nadere informatie

Schouderproblemen te boven Rotator Cuff Laesies. R Corveleijn Orthopedisch Chirurg

Schouderproblemen te boven Rotator Cuff Laesies. R Corveleijn Orthopedisch Chirurg Schouderproblemen te boven Rotator Cuff Laesies R Corveleijn Orthopedisch Chirurg M. Supraspinatus M. Infraspinatus M. Subscapularis M. Teres minor Rotatorcuff Functie rotatorcuff Mobiliteit elevatie rotaties

Nadere informatie

1 G>=>KE:G=L> Dutch summary

1 G>=>KE:G=L> Dutch summary 1 Dutch summary * - nederlandse samenvatting Alhoewel cerebrale parese (CP) wordt gezien als een non-progressieve aandoening treden er wel degelijk secundaire complicaties op zoals afname van beweeglijkheid,

Nadere informatie

Theorie-examen anatomie 12 januari 2007

Theorie-examen anatomie 12 januari 2007 Theorie-examen anatomie 12 januari 2007 1. Welke uitspraak met betrekking tot spiercontracties is altijd juist? A. Bij concentrische contracties wordt de spanning in de spier kleiner. B. Bij excentrische

Nadere informatie

Theorie - herexamen Anatomie 23 mei 2008

Theorie - herexamen Anatomie 23 mei 2008 Theorie - herexamen Anatomie 23 mei 2008 1. Wat gebeurt er bij een excentrische contractie van een spier? A. De spier wordt korter. B. De spier wordt langer. C. De spierlengte blijft gelijk. 2. In welk

Nadere informatie

1. m. Rectus Abdominis (rechte buikspier) A. Origo en insertie: van 5-7de rib naar schaambeen. C. Indeling en functie van de spier:

1. m. Rectus Abdominis (rechte buikspier) A. Origo en insertie: van 5-7de rib naar schaambeen. C. Indeling en functie van de spier: 1. m. Rectus Abdominis (rechte buikspier) A. Origo en insertie: B. Overspanning van: C. Indeling en functie van de spier: D. Bijzonderheden: E. Voorbeelden van oefeningen: van 5-7de rib naar schaambeen

Nadere informatie

Scapulothoracale ritme

Scapulothoracale ritme Opdrachtgever: Alexander Opdrachtgever: Reeuwijk Young Fokker Docent begeleider: Wypke Docent de begeleider: Boer Karl Jacobs Scapulothoracale ritme Beroepsopdracht 10-06-11 Kirsten Hoelandt Jeuren Sleebos

Nadere informatie

Sportspecifieke adaptaties bij jonge competitiezwemmers: veranderingen in scapulaire posities en invloed van vermoeidheid

Sportspecifieke adaptaties bij jonge competitiezwemmers: veranderingen in scapulaire posities en invloed van vermoeidheid Revalidatiewetenschappen en kinesitherapie Faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen Academiejaar 2009-2010 Sportspecifieke adaptaties bij jonge competitiezwemmers: veranderingen in scapulaire

Nadere informatie

Effect van twee stretching technieken op de lengte van de. m. pectoralis minor bij jonge zwemmers

Effect van twee stretching technieken op de lengte van de. m. pectoralis minor bij jonge zwemmers Universiteit Gent, Faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen Revalidatiewetenschappen en Kinesitherapie Academiejaar 2010-2011 Effect van twee stretching technieken op de lengte van de m. pectoralis

Nadere informatie

Update schouderpathologie 2013

Update schouderpathologie 2013 Update schouderpathologie 2013 Symposium orthopedie Sint-Truiden 30 november 2013 Echografie: Sherpa van de eerste lijn Stefaan Verhamme Symposium orthopedie: update schouderchirurgie 2013 Anatomie Beenderige

Nadere informatie

CORRELATIE TUSSEN DE VERNAUWING VAN DE SUBACROMIALE RUIMTE EN POSTERIEURE KAPSELCONTRACTUUR EN HET EFFECT VAN STRETCHING

CORRELATIE TUSSEN DE VERNAUWING VAN DE SUBACROMIALE RUIMTE EN POSTERIEURE KAPSELCONTRACTUUR EN HET EFFECT VAN STRETCHING Revalidatiewetenschappen en Kinesitherapie Academiejaar 2010-2011 Faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen CORRELATIE TUSSEN DE VERNAUWING VAN DE SUBACROMIALE RUIMTE EN POSTERIEURE KAPSELCONTRACTUUR

Nadere informatie

Arthroscopische Stabilisatie (Bankart herstel)

Arthroscopische Stabilisatie (Bankart herstel) Labrum scheuren Het schoudergewricht wordt gezien als een kop en kom gericht. De kom (cavitas glenoidalis) hiervan is zeer oppervlakkig en smal en bedekt slechts een derde van de kop (humeruskop). De kom

Nadere informatie

RICHTLIJNEN BIJ REVALIDATIE NA. Partiële clavicula resectie

RICHTLIJNEN BIJ REVALIDATIE NA. Partiële clavicula resectie RICHTLIJNEN BIJ REVALIDATIE NA Partiële clavicula resectie We onderscheiden een 5-tal postoperatieve fasen: Fase 1 : week 0-1 - 2 Fase 2 : week 3-4 5 Fase 3 : week 6 7 8 9 Fase 4 : week 10 tot en met 26

Nadere informatie

M. supraspinatus. Origo: Insertio: Innervatie: Functie: Fossa supraspinata. Tuberculum maius. N. suprascapularis. Abductie arm

M. supraspinatus. Origo: Insertio: Innervatie: Functie: Fossa supraspinata. Tuberculum maius. N. suprascapularis. Abductie arm M. supraspinatus Fossa supraspinata Tuberculum maius N. suprascapularis Abductie arm M. infraspinatus Fossa infraspinata Tuberculum maius N. suprascapularis Exorotatie arm M. teres maior Dorsale zijde

Nadere informatie

Schouderprothesiologie bij een cuff insufficiëntie. Max Hoelen Orthopedisch chirurg Reinier de Graaf Gasthuis

Schouderprothesiologie bij een cuff insufficiëntie. Max Hoelen Orthopedisch chirurg Reinier de Graaf Gasthuis Schouderprothesiologie bij een cuff insufficiëntie Max Hoelen Orthopedisch chirurg Reinier de Graaf Gasthuis klinisch beeld Neer 1983: arthrose ten gevolge van een massale cufflesie: cuff tear arthropathy

Nadere informatie

Postacademiale cursus SCH combi. Door Gerard Koel, Blok 9, 2014, Saxion Hogeschool Enschede.

Postacademiale cursus SCH combi. Door Gerard Koel, Blok 9, 2014, Saxion Hogeschool Enschede. Postacademiale cursus SCH combi. Door Gerard Koel, Blok 9, 2014, Saxion Hogeschool Enschede. Inhoud: relatie anatomie & glenohumerale hypomobiliteit. 1. Huiswerkopdracht dagdeel 3. 2. Excentrisch oefenen

Nadere informatie

Samenvatting. Een nieuwe kijk op GIRD & de schouderdiagnostiek. Externe opdrachtgever: Michael Davidson Coach: Simone Andriessen

Samenvatting. Een nieuwe kijk op GIRD & de schouderdiagnostiek. Externe opdrachtgever: Michael Davidson Coach: Simone Andriessen Samenvatting Een nieuwe kijk op GIRD & de schouderdiagnostiek Externe opdrachtgever: Michael Davidson Coach: Simone Andriessen Gemaakt door: Lisette Klompmaker Mike Smeelen Riccardo Wakker Beroepsopdracht

Nadere informatie

De primaire frozen shoulder Stenvers, Jan Derek

De primaire frozen shoulder Stenvers, Jan Derek De primaire frozen shoulder Stenvers, Jan Derek IMPORTANT NOTE: You are advised to consult the publisher's version (publisher's PDF) if you wish to cite from it. Please check the document version below.

Nadere informatie

Luxaties van schouder elleboog en vingers. Compagnonscursus 2012

Luxaties van schouder elleboog en vingers. Compagnonscursus 2012 Luxaties van schouder elleboog en vingers Compagnonscursus 2012 De schouder - Epidemiologie Meest gedisloceerde gewricht: NL 2000/jaar op SEH 45% van alle luxaties betreffen schouder 44% in de leeftijdsgroep

Nadere informatie

Theorie-examen anatomie 25 januari 2008

Theorie-examen anatomie 25 januari 2008 Theorie-examen anatomie 25 januari 2008 1. Welke van de volgende spieren is eenkoppig? A. De m. biceps brachii. B. De m. coracobrachialis. C. De m. gastrocnemius. 2. Welke van de volgende spieren geeft

Nadere informatie

RICHTLIJN BIJ REVALIDATIE NA EEN GESLOTEN EN OPEN BANKART

RICHTLIJN BIJ REVALIDATIE NA EEN GESLOTEN EN OPEN BANKART RICHTLIJN BIJ REVALIDATIE NA EEN GESLOTEN EN OPEN BANKART We onderscheiden een 5-tal postoperatieve fasen: Fase 1 : week 0-1 - 2 Fase 2 : week 3-4 5 Fase 3 : week 6 7 8 9 Fase 4 : week 10 tot en met 15

Nadere informatie

Blessurepreventie zwemmen

Blessurepreventie zwemmen Blessurepreventie zwemmen AZ&PC 6 december 2014 Master of Science Physiotherapy Orthopedisch manueel therapeut Werkzaam en mede eigenaar bij Geeresteingroep (www.geeresteingroep.nl) Fysio- en manueel therapeut

Nadere informatie

Anatomie. Hier volgen 50 opgaven. Bij elke opgave zijn drie antwoorden gegeven. Slechts één van deze antwoorden is het goede.

Anatomie. Hier volgen 50 opgaven. Bij elke opgave zijn drie antwoorden gegeven. Slechts één van deze antwoorden is het goede. Examenstichting Perimedische Opleidingen Diploma: sportmassage, massage, wellness massage 22 januari 2010, Beschikbare tijd: 60 minuten Anatomie Aanwijzing: Hier volgen 50 opgaven. Bij elke opgave zijn

Nadere informatie

Spierkracht meten met de microfet

Spierkracht meten met de microfet Spierkracht meten met de microfet Jan Willem Wisselink biometricsmotion.com Overzicht Algemeen Functionele testen / testen op stoornisniveau Spierkracht meten (MRC, MVC bv. HHD) Validiteit Doelstelling

Nadere informatie

Click to add title. Hasselt Cuff /11/2010

Click to add title. Hasselt Cuff /11/2010 Click to add title Hasselt Cuff 2010 Revalidatie na een rotator cuff hechting 1 Ons Voorstel: Dr Guido Claes, Dr Bonneux en Dr Dierickx, Dr Vaninbroukx Algemeen uitgangspunt blijft de patient. Uitgaande

Nadere informatie

Een schouderluxatie wat nu? Methodische actieve revalidatie na een schouderluxatie. Lezing symposium Onderzoek in Beweging 26 januari 2013

Een schouderluxatie wat nu? Methodische actieve revalidatie na een schouderluxatie. Lezing symposium Onderzoek in Beweging 26 januari 2013 Een schouderluxatie wat nu? Methodische actieve revalidatie na een schouderluxatie. Lezing symposium Onderzoek in Beweging 26 januari 2013 Indeling presentatie Voorstellen Actieve revalidatie van patiënten

Nadere informatie

Schouderpathologie voorde huisarts

Schouderpathologie voorde huisarts Schouderpathologie voorde huisarts Linda Cervenka Ellen de Wit Ron Onstenk April 2012 Schouderklachten?? Nekklachten Radiculaire klachten CTS Infectieus Polymyalgia Schouder/POB klachten Gecombineerd Schouder

Nadere informatie

Palpatie. De pijnlijke schouder: Klinisch onderzoek en infiltraties. Inspectie v. d. Schouder. Passieve R.O.M. Horizontale Adductie

Palpatie. De pijnlijke schouder: Klinisch onderzoek en infiltraties. Inspectie v. d. Schouder. Passieve R.O.M. Horizontale Adductie Hoe aanpakken als HA? De pijnlijke schouder: Klinisch onderzoek en infiltraties Dr. Carl Dierickx Dienst Orthopedie V.J.Z. Hasselt Klinisch onderzoek : SEE, MOVE, FEEL Infiltratie technieken : Theorie

Nadere informatie

Wat zorgt voor de stabiliteit? Instabiliteit ontstaat wanneer er iets mis met het actieve of passieve systeem.

Wat zorgt voor de stabiliteit? Instabiliteit ontstaat wanneer er iets mis met het actieve of passieve systeem. (In-) Stabiliteit Inleiding Wat is instabiliteit? Instabiliteit van het schoudergewricht houdt in dat de weefsels in en rond de schouder niet in staat zijn de kop van de bovenarm op een juiste manier in

Nadere informatie

Verdiepingsmodule. Vaardigheid schouderonderzoek. Schoudersklachten: Vaardigheid schouderonderzoek. 1. Toelichting. 2. Doel, doelgroep en tijdsduur

Verdiepingsmodule. Vaardigheid schouderonderzoek. Schoudersklachten: Vaardigheid schouderonderzoek. 1. Toelichting. 2. Doel, doelgroep en tijdsduur Schoudersklachten: 1. Toelichting Deze verdiepingsmodule is gebaseerd op de NHG Standaard van oktober 2008 (tweede herziening). De anatomie van de schouder is globaal wel bekend bij de huisarts. Veelal

Nadere informatie

De schouder. Anatomie De schouder bestaat uit 3 botstukken: - het schouderblad met de schouderkom - de bovenarm met schouderkop - het sleutelbeen

De schouder. Anatomie De schouder bestaat uit 3 botstukken: - het schouderblad met de schouderkom - de bovenarm met schouderkop - het sleutelbeen De schouder De schouder is een relatief complex gewricht. De vorm van het gewricht laat het toe om onze arm in alle richtingen te bewegen. Zolang alle componenten normaal functioneren kan de schouder perfect

Nadere informatie

Henny Leentvaar (Sport)Massage. Functie testen. Datum: 14 mei 2008. Opgesteld door: Henny Leentvaar

Henny Leentvaar (Sport)Massage. Functie testen. Datum: 14 mei 2008. Opgesteld door: Henny Leentvaar Henny Leentvaar (Sport)Massage Functie testen Datum: 14 mei 2008 Opgesteld door: Henny Leentvaar Functie testen Voordat kan worden overgegaan tot tapen of bandageren van een aangedane spier en/of gewricht

Nadere informatie

In het eerste artikel over schouderrevalidatie (nummer 8-2010) is een algemene inleiding op de actieve schouderrevalidatie van hobby- en

In het eerste artikel over schouderrevalidatie (nummer 8-2010) is een algemene inleiding op de actieve schouderrevalidatie van hobby- en In het eerste artikel over schouderrevalidatie (nummer 8-2010) is een algemene inleiding op de actieve schouderrevalidatie van hobby- en prestatiegerichte sporters gegeven. Daarin wordt aangegeven dat

Nadere informatie

Het kinesitherapeutisch dossier in het ICF-kader:

Het kinesitherapeutisch dossier in het ICF-kader: Het kinesitherapeutisch dossier in het ICF-kader: Casus Musculoskeletale kinesitherapie Stap 1: voorschrift en aanmelding K. H. Vrouw, 51 jaar Gehuwd, geen kinderen meer ten laste Oefent geen beroep uit,

Nadere informatie

Tweede bijeenkomst 2011 van het Schouder Netwerk Twente. 6 December 2011, Saxion Hogeschool Enschede.

Tweede bijeenkomst 2011 van het Schouder Netwerk Twente. 6 December 2011, Saxion Hogeschool Enschede. Tweede bijeenkomst 2011 van het Schouder Netwerk Twente. 6 December 2011, Saxion Hogeschool Enschede. AGENDA 06-12-2011; F 1.09. 18:30 19:00 uur: Ontvangst. 19:00 19:20 uur: Mededelingen van het bestuur;

Nadere informatie

Impingement van de schouder

Impingement van de schouder Impingement van de schouder anatomie pathofysiologie diagnostiek behandeling conclusie Peer Poelmann Anatomie Ossaal Musculair Gewricht Anatomie Ossaal Musculair Gewricht posterieur zij aanzicht Anatomie

Nadere informatie

www.proralph.nl Speedfoot ladder

www.proralph.nl Speedfoot ladder Literatuur 1. Capelli, C., Pendergast, D.R. & Termin, B. (1998). Energetics of swimming at maximal speeds in humans. European Journal of Applied Physiology, 78 (5), 385-393. 2. Cappaert, J.M., Pease, D.L.

Nadere informatie

HEUP EN LIESKLACHTEN. Sport Medisch Netwerk Zoetermeer. Barry Faas (sport)fysiotherapeut. Aartsen Praktijk voor Fysiotherapie

HEUP EN LIESKLACHTEN. Sport Medisch Netwerk Zoetermeer. Barry Faas (sport)fysiotherapeut. Aartsen Praktijk voor Fysiotherapie HEUP EN LIESKLACHTEN EN HET HERSTEL IN DE PRAKTIJK Sport Medisch Netwerk Zoetermeer Barry Faas (sport)fysiotherapeut Aartsen Praktijk voor Fysiotherapie Inhoud Heup en liesblessures in de sportpraktijk

Nadere informatie

ANATOMIE. Spieren. Sportmassage /Wellnessmassage. Kollaart opleidingen

ANATOMIE. Spieren. Sportmassage /Wellnessmassage. Kollaart opleidingen ANATOMIE Spieren Sportmassage /Wellnessmassage Kollaart opleidingen M. Sternocleidomastoideus = Borstbeen/sleutelbeen/tepelspier voorste caput : manubrium sterni achterste caput : mediaal 1/3 deel clavicula

Nadere informatie

6. Van welk deel van de wervelkolom is de vertebra prominens een onderdeel? 7. Hoe wordt de binnenste laag van het gewrichtskapsel genoemd?

6. Van welk deel van de wervelkolom is de vertebra prominens een onderdeel? 7. Hoe wordt de binnenste laag van het gewrichtskapsel genoemd? Examen anatomie januari 2009 1. Wat kan gesteld worden van slow twitch spiervezels? A. Ze hebben een groot agonistisch vermogen. B. Ze hebben een groot anaeroob vermogen. C. Ze hebben een groot aeroob

Nadere informatie

Core training. Door: Roeland Smits. Roeland Smits Core training voor zwemmers 1

Core training. Door: Roeland Smits. Roeland Smits Core training voor zwemmers 1 Core training Door: Roeland Smits Roeland Smits Core training voor zwemmers 1 Voorbereiding krachttraining zwemmen: Core training: In eerste instantie zal er een grondige bases gelegd moeten worden waar

Nadere informatie

Rotator cuff scheur. De meeste scheuren treden op in de supraspinatus maar andere delen van de pees kunnen ook zijn aangedaan.

Rotator cuff scheur. De meeste scheuren treden op in de supraspinatus maar andere delen van de pees kunnen ook zijn aangedaan. Rotator Cuff Scheur Rotator cuff scheur Inleiding Een rotator cuff scheur is een vaak voorkomende oorzaak van pijn en ongemak in de schouder bij een volwassene. De rotator cuff bestaat uit 4 spieren en

Nadere informatie

De glenohumerale proprioceptie in de schouder bij zwemmers

De glenohumerale proprioceptie in de schouder bij zwemmers Revalidatiewetenschappen en Kinesitherapie Academiejaar 2009-2010 De glenohumerale proprioceptie in de schouder bij zwemmers Masterproef voorgelegd tot het behalen van de graad van Master in de Revalidatiewetenschappen

Nadere informatie

Revalidatie Schouder na een labrum reconstructie. www.groningensportrevalidatie.nl

Revalidatie Schouder na een labrum reconstructie. www.groningensportrevalidatie.nl Revalidatie Schouder na een labrum reconstructie Groningen Sport Revalidatie (sport) fysiotherapie praktijk locatie Alfa - Kardingerweg 48 9735 AH Groningen locatie Hanze - Eyssoniusplein 18 9714 CE Groningen

Nadere informatie

Nabehandeling na stabiliserende o.k. Latarjet procedure Hechten Bankart laesie door: Pascal Ligter

Nabehandeling na stabiliserende o.k. Latarjet procedure Hechten Bankart laesie door: Pascal Ligter Nabehandeling na stabiliserende o.k. Latarjet procedure Hechten Bankart laesie door: Pascal Ligter Inhoud Richtlijn behandeling: vernieuwd Algemene aandachtspunten beide o.k s Behandeling in 3 fasen: 0-5,

Nadere informatie

Bewegingsapparaat schouder glenohumeraal Pagina 1 van 5

Bewegingsapparaat schouder glenohumeraal Pagina 1 van 5 Pagina 1 van 5 Glenohumerale artropathie Luxatie Glenohumerale instabiliteit index Glenohumerale artropathie arthrose glenohumuraal Capsulair patroon Closed packed patroon delta prothese Frozen shoulder

Nadere informatie

Gewrichten in beweging 14 maart WDH Breda

Gewrichten in beweging 14 maart WDH Breda Gewrichten in beweging 14 maart WDH Breda Anne van Vegchel SGA West-brabant CV 2000-2006 geneeskunde Utrecht 2007-2011 sportgeneeskunde Utrecht 2008-2012 clubarts eredivisieploeg handbal 2008-heden bondarts

Nadere informatie

Schouderletsels (Dr. W.J. Willems, Orthopedisch chirurg, Onze Lieve Vrouwe Gasthuis, Amsterdam)

Schouderletsels (Dr. W.J. Willems, Orthopedisch chirurg, Onze Lieve Vrouwe Gasthuis, Amsterdam) Schouderletsels (Dr. W.J. Willems, Orthopedisch chirurg, Onze Lieve Vrouwe Gasthuis, Amsterdam) Schouderklachten vormen een steeds groter aandeel van de klachten van het bewegingsapparaat. Deels wordt

Nadere informatie

(potentiële) belangenverstrengeling

(potentiële) belangenverstrengeling Disclosure belangen Leo Elders (potentiële) belangenverstrengeling Geen Voor bijeenkomst mogelijk relevante relaties met bedrijven Sponsoring of onderzoeksgeld Honorarium of andere (financiële) vergoeding

Nadere informatie

EVALUATIE VAN DE EXCENTRISCHE SPIERKRACHT VAN DE ROTATOR CUFF BIJ BOVENHANDSE SPORTERS MET BEHULP VAN DE HAND DYNAMOMETER: EEN NIEUW PROTOCOL.

EVALUATIE VAN DE EXCENTRISCHE SPIERKRACHT VAN DE ROTATOR CUFF BIJ BOVENHANDSE SPORTERS MET BEHULP VAN DE HAND DYNAMOMETER: EEN NIEUW PROTOCOL. Faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen Revalidatiewetenschappen en Kinesitherapie Academiejaar 2012-2013 EVALUATIE VAN DE EXCENTRISCHE SPIERKRACHT VAN DE ROTATOR CUFF BIJ BOVENHANDSE SPORTERS

Nadere informatie

OVER FT DIAGNOSTIEK bij patiënten met SCHOUDERPIJN , Klimmen, deel 2, Gerard Koel.

OVER FT DIAGNOSTIEK bij patiënten met SCHOUDERPIJN , Klimmen, deel 2, Gerard Koel. OVER FT DIAGNOSTIEK bij patiënten met SCHOUDERPIJN. 14-05-2016, Klimmen, deel 2, Gerard Koel. Programma 1 dagdeel, 14 mei 2016, Klimmen, Limburg 09:00 10:30 uur: Eerste deel over FT diagnostiek bij patiënten

Nadere informatie

UNIVERSITAIRE ZIEKENHUIZEN LEUVEN

UNIVERSITAIRE ZIEKENHUIZEN LEUVEN UNIVERSITAIRE ZIEKENHUIZEN LEUVEN INHOUDSOPGAVE INHOUDSOPGAVE... 1 KINESITHERAPEUTISCHE BEHANDELING NA EEN DISTENTIE ARTROGRAFIE... 2 KINESITHERAPEUTISCHE BEHANDELING NA EEN ARTROSCOPISCHE SUBACROMIALE

Nadere informatie

De gevolgen van de toename van de thoracale kyphose.

De gevolgen van de toename van de thoracale kyphose. 1 De gevolgen van de toename van de thoracale kyphose. Mei 2011 Een schets van therapeutische mogelijkheden om de toename van de thoracale kyphose en de gevolgen daarvan te beperken. Copyright: C.G. de

Nadere informatie

RICHTLIJNEN BIJ REVALIDATIE NA EEN OPEN CUFF REPAIR

RICHTLIJNEN BIJ REVALIDATIE NA EEN OPEN CUFF REPAIR RICHTLIJNEN BIJ REVALIDATIE NA EEN OPEN CUFF REPAIR In het revalidatie schema is uitgegaan van de meest voorkomende cuff repair (supra spinatus met of zonder infraspinatus). Indien er sprake is van repair

Nadere informatie

Masterproef voorgelegd tot het behalen van de graad van Master of Science in de Revalidatiewetenschappen en de Kinesitherapie

Masterproef voorgelegd tot het behalen van de graad van Master of Science in de Revalidatiewetenschappen en de Kinesitherapie Revalidatiewetenschappen en Kinesitherapie Academiejaar 2012-2013 SPIERACTIVITEIT EN KRACHT VAN DE PERISCAPULAIRE MUSCULATUUR: EEN VERGELIJKENDE STUDIE TUSSEN BEELDSCHERMWERKERS MET NEKKLACHTEN EN PATIËNTEN

Nadere informatie

RICHTLIJNEN BIJ REVALIDATIE NA EEN GESLOTEN ARTHROSCOPISCHE SUBACROMIALE DECOMPRESSIE

RICHTLIJNEN BIJ REVALIDATIE NA EEN GESLOTEN ARTHROSCOPISCHE SUBACROMIALE DECOMPRESSIE RICHTLIJNEN BIJ REVALIDATIE NA EEN GESLOTEN ARTHROSCOPISCHE SUBACROMIALE DECOMPRESSIE We onderscheiden een 5-tal postoperatieve fasen: Fase 1 : week 0-1 - 2 Fase 2 : week 3-4 5 Fase 3 : week 6 7 8 9 Fase

Nadere informatie

Actieve schouderrevalidatie bij hobby- en prestatiegerichte sporters (deel 1)

Actieve schouderrevalidatie bij hobby- en prestatiegerichte sporters (deel 1) Actieve schouderrev en prestatiegerichte 6 alidatie bij hobbysporters (deel 1) De fysiotherapeut ziet in de verwijzingssituatie in zijn dagelijkse werk naast een grote groep patiënten met lage rugklachten

Nadere informatie

RICHTLIJNEN BIJ REVALIDATIE NA EEN CAPSULAR SHIFT VAN HET SCHOUDERGEWRICHT

RICHTLIJNEN BIJ REVALIDATIE NA EEN CAPSULAR SHIFT VAN HET SCHOUDERGEWRICHT RICHTLIJNEN BIJ REVALIDATIE NA EEN CAPSULAR SHIFT VAN HET SCHOUDERGEWRICHT We onderscheiden een 5-tal post-operatieve fasen: Fase 1 : week 0-1 - 2 Fase 2 : week 3-4 5 Fase 3 : week 6 7 8 9 Fase 4 : week

Nadere informatie

Eerste bijeenkomst 2008 van het Schouder Netwerk Twente. 3 juni 2008, Saxion Hogeschool Enschede.

Eerste bijeenkomst 2008 van het Schouder Netwerk Twente. 3 juni 2008, Saxion Hogeschool Enschede. Eerste bijeenkomst 2008 van het Schouder Netwerk Twente. 3 juni 2008, Saxion Hogeschool Enschede. AGENDA 03-06-2008. 18:30 19:00 uur: Ontvangst. 19:00 19:30 uur: Mededelingen van het bestuur; -Maria Knippers

Nadere informatie

Het doorbewegen bij een dwarslaesie. Tetraplegie

Het doorbewegen bij een dwarslaesie. Tetraplegie Het doorbewegen bij een dwarslaesie Tetraplegie Inhoud Inleiding 3 Algemene opmerkingen 3 Zelfstandig doorbewegen 4 Doorbewegen door een hulppersoon 9 De Sint Maartenskliniek 24 Colofon 24 Inleiding In

Nadere informatie

Diagnostisch landschap

Diagnostisch landschap Schouderklachten Casus 1 Een vrouw van 47j is deeltijds bediende en heeft pijn in de rechter schouder ter hoogte van de voorbuitenzijde. De pijn is geleidelijk begonnen zonder gekende oorzaak zowat 2 maand

Nadere informatie

KNGF-richtlijn Beroerte Verantwoording en Toelichting Map K

KNGF-richtlijn Beroerte Verantwoording en Toelichting Map K KNGF-richtlijn Beroerte Verantwoording en Toelichting Map K K.3.5 Brunnstrom Fugl-Meyer assessment (Aanbevolen generiek meetinstrument) Het Brunnstrom Fugl-Meyer assessment (BFM) is een test, waarmee de

Nadere informatie

Workshop Themadag Physios Mobiliseren van bindweefselplaten

Workshop Themadag Physios Mobiliseren van bindweefselplaten Workshop Themadag van door Ruud Schuitemaker fysiotherapeut, manueeltherapeut, docent manuele therapie en auteur van Extremiteiten, manuele therapie in enge en ruime zin, BSL Houten (11de druk) 14 maart

Nadere informatie

Revalidatiewetenschappen en Kinesitherapie Academiejaar Faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen

Revalidatiewetenschappen en Kinesitherapie Academiejaar Faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen Revalidatiewetenschappen en Kinesitherapie Academiejaar 2009-2010 Faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen Het effect van een zes weken durend scapulair oefenprogramma op het spierrekruteringspatroon

Nadere informatie

Bewegingsleer Deel I De bovenste extremiteit

Bewegingsleer Deel I De bovenste extremiteit Bewegingsleer Deel I De bovenste extremiteit Bewegingsleer Deel I De bovenste extremiteit I.A. Kapandji Bohn Stafleu van Loghum Houten 2009 Ó 2009 Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Uitgeverij

Nadere informatie

Helder en transparant aan de patiënt en aan de mede- en vervolgbehandelaars, de oorzaak en gevolgen van de aandoening en de keuzemogelijkheden van

Helder en transparant aan de patiënt en aan de mede- en vervolgbehandelaars, de oorzaak en gevolgen van de aandoening en de keuzemogelijkheden van Helder en transparant aan de patiënt en aan de mede- en vervolgbehandelaars, de oorzaak en gevolgen van de aandoening en de keuzemogelijkheden van behandeling uit te leggen. Eenduidige terminologie tussen

Nadere informatie

Evaluatietechnieken ter objectivatie van de gevolgen van een whiplashtrauma

Evaluatietechnieken ter objectivatie van de gevolgen van een whiplashtrauma Evaluatietechnieken ter objectivatie van de gevolgen van een whiplashtrauma prof. dr. Gaëtane Stassijns fysische geneeskunde en revalidatie Universitair ziekenhuis Antwerpen Universiteit Antwerpen Algemene

Nadere informatie

Instructie. Motor Assessment Scale Auteur: Carr J.H Scoring. Testvolgorde en instructies

Instructie. Motor Assessment Scale Auteur: Carr J.H Scoring. Testvolgorde en instructies Instructie Motor Assessment Scale Auteur: Carr J.H. 1985 3 Scoring De therapeut scoort ieder motorische vaardigheid op een schaal van o tot 6. De test moet in een rustige ruimte worden uitgevoerd. De patiënt

Nadere informatie