Mens en landschap in het Dijlebekken

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Mens en landschap in het Dijlebekken"

Transcriptie

1 AFDELING ARCHEOLOGIE / ONDERZOEKSGROEP FYSISCHE EN REGIONALE GEOGRAFIE EENHEID PREHISTORISCHE ARCHEOLOGIE REDINGENSTRAAT 16 B-3000 LEUVEN KATHOLIEKE UNIVERSITEIT LEUVEN Mens en landschap in het Dijlebekken Eindrapport fase 1, Studie uitgevoerd in opdracht van het Vlaams Gewest, Afdeling Monumenten & Landschappen November 2004 Bart Vanmontfort 1 Doortje Van Hove 1 Gert Verstraeten 2 Anton Van Rompaey 2 Joris De Man 3 Philip Van Peer 1 1 Eenheid Prehistorische Archeologie, K.U.Leuven 2 Onderzoeksgroep Fysische & Regionale Geografie, K.U.Leuven 3 Ondersteunend Centrum GIS-Vlaanderen, Vlaamse Gemeenschap

2 1 Achtergrond & doelstellingen 1.1 INLEIDING PROBLEMATIEK Het landschap zoals we het op dit ogenblik kunnen beleven is het product van een millennialange evolutie. In deze evolutie speelt de impact van de mens een bijzonder belangrijke rol. Vanaf het Neolithicum, in Vlaanderen zowat 7000 jaar geleden, heeft de mens actief zijn omgeving georganiseerd en processen in gang gezet die verantwoordelijk zijn voor de vorming van het huidige landschap. Het is echter pas vrij recent dat de relatie tussen mens en landschap een prominente plaats inneemt in het wetenschappelijke discours en een fundamenteel deel van historische en archeologische studies is geworden. Niettegenstaande het groeiende belang van deze interactie in studies van landinrichting en landschapsevaluatie, bleef een integratie van beide elementen (evolutie van mens en landschap) in Vlaanderen veelal beperkt tot het opnemen van een menselijke bewoningsgeschiedenis zonder dat deze op een voldoende manier geïntegreerd werd in de geformuleerde beheersmaatregelen. Nochtans kan dit de basis vormen van een beheer- en beschermingpolitiek in projectgebieden, met betrekking tot monumenten, landschappen en archeologische sites. Het maakt bovendien een betere integratie in de bestaande en komende landinrichtingsprojecten mogelijk. 1.2 ACHTERGROND & ALGEMENE DOELSTELLINGEN Het Dijlebekken project heeft als doel deze problematiek te concretiseren voor het Vlaamse Boven-Dijlebekken en specifieke voorschriften uit te werken voor een verantwoord beheer van het archeologisch erfgoed. Het omvat tevens een haalbaarheidsonderzoek voor het gebruik van het hoge resolutie Digitaal Hoogtemodel Vlaanderen (DHM) in archeologische toepassingen op regionale schaal. Het project bouwt verder op de conclusies van het landinrichtingsproject 'Brabants Plateau' in opdracht van de Vlaamse Landmaatschappij (Mens & Ruimte 2003) en op een proefproject gelinkt aan de Centrale Archeologische Inventaris (CAI) van het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium (IAP). Voor het eerstgenoemde project werd door het IAP een basisinventaris van een deel van het gebied aangemaakt op basis van de voorhanden zijnde documentatie met betrekking tot archeologische prospecties en opgravingen. Hieruit bleek dat het gebied zeer rijk is aan archeologische vindplaatsen, ondanks het weinige onderzoek dat er geleverd is. Veldkarteringen werden met uitzondering van de neolithische site te Ottenburg nog niet systematisch uitgevoerd of gerapporteerd in het gebied. Eén van de belangrijkste conclusies van het landinrichtingsproject met betrekking tot het archeologische erfgoed is dan ook de nood aan bijkomend verkennend onderzoek, een gestructureerd beheer van de gekende erfgoedwaarden en een betere ontsluiting ervan. Het tweede project in het gebied liep gedurende het jaar 2003 en was gericht op de evaluatie van de bewaring van de midden-neolithische site van Ottenburg/Grez-Doiceau-Kaneelveld. Bodemverlies door watererosie, landbewerking en het oogsten van gewassen is een belangrijke vernietigende factor voor het archeologisch erfgoed. Voor de uitwerking van specifieke beheersmaatregelen en de uitvoering van een archeologische beschermingspolitiek is dan ook een evaluatie van deze bewaringstoestand en de inschatting van acute bedreigingen door actuele erosie noodzakelijk. De resultaten van dit onderzoek kunnen worden gebruikt om het beheer van de site te sturen (cf. infra). Daarnaast liet het gebruik van het hoge resolutie Digitaal Hoogtemodel-Vlaanderen (DHM), ontwikkeld door het OC GIS-Vlaanderen in opdracht van de Vlaamse waterbeheerders, toe om verschillende archeologische sporen te identificeren die tot op vandaag in het reliëf bewaard bleven (o.a. Vanmontfort et al. 2003). 2

3 1.3 STUDIEGEBIED In overleg met de partners binnen het project en met name op basis van de werkbaarheid van uitvoering van het DHM werd besloten het studiegebied te beperken tot een gebied van 120 km². Dit gebied (Fig. 1) werd gekozen op basis van het rivierennet en de aanwezigheid van bosgebieden, in het bijzonder Meerdaalwoud en Heverleebos. Het omvat delen van het grondgebied van de gemeentes Bertem (Bertem, Korbeek-Dijle, Leefdaal), Bierbeek (Bierbeek, Korbeek-Lo), Leuven (Heverlee), Oud-Heverlee (Blanden, Oud-Heverlee, Sint- Joris-Weert, Vaalbeek, Haasrode), Overijse, Huldenberg (Huldenberg, Ottenburg, Loonbeek, Sint-Agatha-Rode, Neerijse) en Tervuren (Duisburg, Vossem). Het gebied is begrensd door de gewestgrens in het zuiden en door de benedenloop van Voer en Molenbeek/Herpendaalbeek in het noorden. In het oosten en westen is het gebied arbitrair afgebakend, respectievelijk door de lijn tussen de dorpskern van Vossem (Tervuren) en de Venusberg (Overijse) en door de lijn tussen de Galgenberg (Haasrode) en de Cayberg (Hamme-Mille). Het gebied omvat aldus delen van de plateaus van Ottenburg (ten zuiden van de Laan), Maleizen (tussen Laan en IIse) en Duisburg (tussen IJse en Voer) met de benedenloop van de respectieve rivieren ten westen van de Dijle en het gebied Meerdaalwoud/Heverleebos en de Vaalbeek ten oosten van de Dijle. Het omvat tevens de traditionele landschappen (landschapsatlas) Land van Bertem-Kortenberg, het Serreland van Hoeilaant-Overijse, de Dijlevallei, Meerdaalbos en een deel van Zandlemige Hageland. Fig. 1. Begrenzing van het studiegebied. Zwart: studiegebied, rood: gewestgrens, blauw: hydrografisch net 3

4 1.4 FASERING & SPECIFIEKE DOELSTELLINGEN EERSTE FASE De algemene doelstellingen worden om praktische redenen gefaseerd aangepakt. In totaal kunnen nu reeds een drietal fasen worden onderscheiden. De financiering van het project verloopt hiermee parallel en wordt gedragen door het Vlaamse Gewest, i.e. de afdeling Monumenten & Landschappen (fase 1), het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (fase 2) en het Ondersteunend Centrum-GIS Vlaanderen (fase 1 en 2), en door de Provincie Vlaams-Brabant (fase 3). Dit verslag heeft enkel betrekking op de eerste fase en zal tijdens de volgende fasen worden vervolledigd. De doelstellingen van deze eerste fase omvatten een voorbereidende desktopstudie en het opstellen van de eerste voorstellen naar het beheer van het archeologisch erfgoed in het studiegebied. Bij de voorbereidende desktopstudie gaat de aandacht voornamelijk naar de constructie van een kennisbalans met betrekking tot het archeologisch erfgoed in het Vlaamse Boven-Dijlebekken. Deze wordt geconstrueerd op basis van een omvattende inventaris van archeologische en geografisch-landschappelijke informaties die een analyse van de landschapsgeschiedenis en de rol van de mens hierin mogelijk maken. Met betrekking tot de tweede doelstelling wordt nagegaan hoe het onderzoek dat te Ottenburg werd uitgevoerd in het kader van het CAI-project (cf. supra) kan worden omgezet tot een specifiek beheerplan van de site. Hierbij wordt dan ook nadruk gelegd op de bewaringstoestand van de Neolithische sporen, in het bijzonder bepaald op basis van historische en actuele erosie, en tot de mogelijkheden om tot een ontsluiting van de site te komen. Tenslotte werd in deze fase werk gemaakt van een eerste exploratie van de mogelijkheden van het gebruik van het DHM met betrekking tot een regionale erosiestudie en de identificatie van antropogene reliëfverschillen. De tweede fase gaat van start op 1 december 2004 en wordt gefinancierd door het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (Vlaams Gewest). Gedurende deze fase zal de onderzoeksstrategie, voortvloeiend uit de kennisbalans van dit verslag worden omgezet in de praktijk. Met name zal werk gemaakt worden van een terreinprospectie... Daarnaast omvat deze fase ook de haalbaarheidsstudie voor het gebruik van het DHM met hoge resolutie (gemiddeld één punt per 4 m²) voor archeologische doeleinden. Een laatste doelstelling van deze fase is de contsructie van een archeologisch beheerplan op regionale schaal in functie van bewaring en bewaringsprognoses. Een derde fase, tenslotte, neemt aanvang half februari 2005 en zal worden gefinancierd door de provincie Vlaams-Brabant. Deze fase is voornamelijk gericht op het verderzetten van het terreinwerk, in nauwe samenwerking met amateurs en verenigingen die in het gebied actief zijn, en de ontsluiting van de resultaten van het project. 2 Ottenburg Met het oog op het beter beheren van het archeologisch erfgoed op de Neolithische site van Ottenburg werd een voorontwerp van een beheerplan opgesteld. Hierin zijn elementen opgenomen die de wetenschappelijke waarde van de site, de mogelijkheden voor ontsluiting, de specifieke bedreigingen en een voorstel tot bescherming ervan aangeven. Tot op heden zijn echter nog geen beheerplannen beschikbaar zijn waarop dit deel naar vorm en inhoud zou kunnen worden gebaseerd. 2.1 DE ARCHEOLOGISCHE SITE VAN OTTENBURG/GREZ-DOICEAU De site van Ottenburg, gesitueerd op de grens van de gemeenten Huldenberg (Vlaams- Brabant) en Grez-Doiceau (Waals Brabant), is sinds meer dan een eeuw gekend als site uit de steentijd (Jacques 1898; Knapen-Lescrenier 1960: 63-65; Dijkman 1981: 3 ff). Ze omvat 4

5 een concentratie van (vuur)stenen artefacten aan het oppervlak, in de literatuur vaak aangeduid als openlucht station (De Laet 1979), en twee monumentale overblijfselen die tot op vandaag aan het oppervlak bewaard gebleven zijn. De eerste is De Tomme, een artificieel opgeworpen wal van zowat 125 meter lang en 3,5 tot 4 meter hoog (Fig. 2: 1). Sinds de jaren 1950 wordt hierin een voorbeeld gezien van een Neolithische earthen longbarrow (De Laet 1956). Dit zijn funeraire structuren die vooral uit de eerste fase van het Neolithicum in Engeland gekend zijn. Voor zover bekend werd dit monument nooit aan een degelijk archeologisch onderzoek onderworpen 4 en blijft deze vergelijking en datering bijgevolg speculatief. De Tomme werd op 15 oktober 1974 bij KB beschermd als landschap. Het tweede restant van prehistorische occupatie is een enclosure bestaande uit een gracht en wal. Een deel van deze structuur is tot op vandaag duidelijk bewaard gebleven aan het oppervlak in het Bois de Laurensart of Crakelbos (Grez-Doiceau) (Fig. 2: 2 & 3) en werd in de zomer van 1909 archeologisch onderzocht door A. Baron de Loë en E. Rahir (de Loë 1910; de Loë & Rahir 1924; Dijkman 1981). Dit onderzoek liet toe om de constructie in het Neolithicum te dateren. De oorspronkelijke interpretatie van grafheuvel (de Loë & Rahir 1924; De Laet 1982) werd reeds in het begin van de jaren 1980 weerlegd op basis van de determinatie van de beenderfragmenten. Hieruit bleek dat geen enkel menselijk beenderfragment onder de wal was teruggevonden (Van Neer 1980 & 1981). Het precieze verloop van deze enclosure bleef echter onbekend (cf. Dijkman 1981: 87). Pas recent, en deels op aangeven van Benoît Clarys, werd een stuk van het verdere verloop geïdentificeerd (Vanmontfort et al & in druk) (Fig. 2: 4 & 6). Dit werd onder meer mogelijk gemaakt door het gebruik van het Digitaal Hoogtemodel Vlaanderen dat recentelijk door het Ondersteunend Centrum GIS-Vlaanderen werd aangemaakt in opdracht van de Vlaamse waterbeheerders (Fig. 2). Op basis van deze nieuwe gegevens lijkt het zelfs mogelijk dat de enclosure het hele plateau, zo n 90 ha groot, besloeg. De datering van de sporen in het Neolithicum is op dit ogenblik echter uitsluitend gebaseerd op het schijnbaar continue verloop van gracht en wal in het Krakelbos en dient door verder onderzoek te worden bevestigd. In elk geval werden in de voorbije eeuw artefacten aan het oppervlak teruggevonden over het hele plateau (Knapen-Lescrenier 1960: 63-65). Het grootste deel van deze artefacten behoort toe aan de Neolithische occupatiefase (Dijkman 1981; Clarys et al. in voorbereiding), hoewel ook artefacten zijn aangetroffen uit het Midden-Paleolithicum (Van Peer 1986; Clarys 1992) en uit het Mesolithicum (Dijkman 1981). De intensieve en nauwkeurig geregistreerde prospectiegegevens van Benoît Clarys (et al. in voorbereiding) geven een betrouwbaar beeld van de ruimtelijke spreiding van artefacten. Halfweg de jaren 1990 werd een opgravingscampagne georganiseerd in de zuidwestelijke zone van het plateau, waar de meest dense artefactenconcentraties waren teruggevonden (BURNEZ-LANOTTE et al. 1996). Deze campagne was gericht op de identificatie van eventuele structuren die uit de betreffende periode bewaard gebleven waren. Drie kuilen en één paalgat konden met zekerheid aan de Neolithische occupatie van het plateau worden toegewezen. Enkele andere kuilen en paalgaten leverden geen dateerbare vondsten op (ibid.). In elk geval tonen de resterende Neolithische sporen het belang van bodemerosie in deze zone aan, waardoor enkel de diepste sporen zullen zijn bewaard gebleven. Concluderend kan worden gesteld dat de site van Ottenburg/Grez-Doiceau een uitzonderlijk restant is van de Neolithische occupatie van het gebied. Dit niet alleen door de nog bewaard gebleven restanten aan het oppervlak, maar eveneens door de aanwezigheid van archeologische grondsporen zoals aangetoond door de opgravingen halfweg de jaren de Loë (1919) maakt vermelding van een opgraving door Dr. Balteaux (Waver) die zonder succes werd uitgevoerd in

6 Dergelijke sporen zijn immers erg zeldzaam voor de betreffende periode, waardoor tot op heden weinig informatie kon worden verzameld omtrent de ruimtelijke organisatie en het precieze functioneren van enclosures in Vlaanderen en België (Vanmontfort 2004: 301 ff). Fig. 2. Uittreksel uit het DHM-Vlaanderen AMINAL-afdeling water, AWZ, OC GIS-Vlaanderen. 1. de Tomme; 2. Neolithische wal en gracht in het Bois de Laurensart (cf. de Loë & Rahir 1924); 3. Talud ten westen van de neolithische wal en gracht (cf. de Loë & Rahir 1924); 4. Verder verloop en ontdubbeling van de wal in het Bois de Laurensart; 5. Accumulatie van sediment op de scheiding tussen bos en akkers; 6. wal en gracht aan de toegang tot het plateau; 7. gesloten concaviteit. 2.2 EVALUATIE EROSIEONDERZOEK Op het plateau van Ottenburg werd in het kader van de Centrale Archeologische Inventaris een studie uitgevoerd met het oog op het bepalen van de historische en actuele erosie (Vanmontfort et al & in druk). De historische impact van bodemerosie werd bepaald met behulp van een tweehonderdtal handboringen, verspreid over het hele plateau. Op basis van de diepte van de natuurlijke bodemhorizonten werd een viertal erosiezones onderscheiden (Fig. 3). Op het centrale deel van het plateau bevinden de kalkhoudende loess en de onderkant van de met klei aangerijkte B-horizont zich min of meer op de diepte waar ze natuurlijk voorkomen (ibid.). Hier kan worden verondersteld dat de historische erosie er tot op heden beperkt gebleven is. In de zuidwestelijke en noordoostelijke zones, echter, bevinden deze pedologische contacten zich een stuk minder diep en kan respectievelijk een belangrijke en een matige bodemerosie worden verondersteld (ibid.). De hellingen, ten slotte, worden gekenmerkt door een nog sterkere historische erosie (ibid.). De zuidwestelijke sector van het plateau, waar een belangrijke concentratie van artefacten is teruggevonden en waar opgravingen de aanwezigheid van archeologische (Neolithische) sporen kon bevestigen, werd in het verleden reeds in belangrijke mate aangetast door bodemerosie. Het gevolg 6

7 hiervan is dat minder diepe sporen wellicht volledig vernietigd zijn en enkel diepere sporen nog gedeeltelijk bewaard zijn gebleven. Fig. 3. Dieptes van de kalkhoudende loess onder het oppervlak zonder eventueel colluvium en drie onderscheiden erosiezones. In de vierde erosiezone (hellingen) is geen kalkhoudende loess bewaard. Om ook de bedreiging van bodemerosie op de archeologische sporen naar de toekomst toe te kunnen nagaan, werd in samenwerking met het Laboratorium voor Experimentele Geomorfologie van de K.U.Leuven (Onderzoeksgroep Fysische en Regionale Geografie) de actuele erosie door watererosie en door landbouwbewerking gemodelleerd (Vanmontfort et al & in druk). Het resultaat van deze modellering toont een grote overeenkomst tussen de historische erosiezones en de actuele erosie door water (Fig. 4: a). Deze correlatie is niet geheel onverwacht, gezien wordt verondersteld dat bewerkingserosie pas sinds de laatste halve eeuw erg intens is geworden met de ontwikkeling van nieuwe landbouwtechnieken. Watererosie, daarentegen, speelde vanaf de eerste ontbossingen en ingebruik name van het land een belangrijke rol. Voor het plateau van Ottenburg gaat het op zijn minst om verschillende eeuwen (akkerland reeds aanwezig halfweg de 18 de eeuw op de Ferrariskaart), maar gezien de archeologische gegevens misschien wel om enkele millennia van erosie. Deze conclusie onderschrijft de hoge (kwalitatieve) voorspellingswaarde van het (WaTEM) erosiemodel voor de identificatie van historische erosie. Dit betekent dat dit erosiemodel bruikbaar is op regionale en locale schaal om de hoeveelheid historische erosie op een kwalitatieve manier te bepalen, mits bevestiging door referentie-handboringen. Op deze manier kunnen bedreigde, maar archeologisch waardevolle zones worden geïdentificeerd, 7

8 waarbij niet enkel met actuele, maar eveneens met historische erosie moet worden rekening gehouden. a. b. non-eroding surface very high erosion rate (> 50 ton/ha.y) high erosion rate (5-50 ton/ha.y) moderate erosion rate (2-5 ton/ha.y) low erosion rate (<2 ton/ha.y) moderate sedimentation rate (<5 ton/ha.y) high sedimentation rate (> 5 ton/ha.y) m c. Fig. 4. Voorspellingsmodel van de actuele erosie. a: erosie onder invloed van afspoelend water; b: erosie onder invloed van bewerking.; c. totale erosie. 2.3 OPTIES VOOR EEN BETER ERFGOEDBEHEER TE OTTENBURG Naast zijn waarde voor het evalueren van historische erosie, kan het actuele erosiemodel (cf. supra) vanzelfsprekend ook worden gebruikt om de actuele bedreiging van de site door bodemerosie te evalueren. Hiervoor dient te worden uitgegaan van de som van erosie door water en door bewerking (Fig. 4: c). Dit model toont een sterke erosie op de hellingen van het plateau en op de randen van de gesloten concaviteiten op het centrale deel. Voor deze laatste betekent dit een progressieve vervlakking, waarbij de randen geërodeerd worden en sediment in het centrum wordt afgezet. De erosiewaarden op de hellingen bereiken een 8

9 gemiddelde van 5 tot 50 ton per hectare per jaar wat overeenkomt met een jaarlijks bodemverlies van 0,4 mm tot 4 mm 5. Erosie op deze schaal is reeds werkzaam over een periode van drie tot vier decennia, wat betekent dat gedurende de laatste halve eeuw anderhalve tot 15 cm sediment is verdwenen. Hierbij moeten we de historische erosie tellen die de eeuwen voordien het plateau al teisterde. Ons baserend op de watererosie uit het erosiemodel, komt dit voor het grootste deel van het plateau neer op 2 tot 5 ton per hectare per jaar, i.e. nog eens 15 tot 40 cm bodemverlies over een tijdspanne van één millennium. Tenslotte dient nog de huidige ploeglaag van 25 tot 30 cm te worden in rekening genomen, waarin de archeologische sporen nu reeds zijn vernietigd. Door een reeks onzekerheden kunnen deze aantallen niet zomaar bij elkaar worden opgeteld, maar ze geven ons wel een idee van de hoeveelheid erosie waaraan het plateau reeds onderhevig is geweest. Hierdoor zijn enkel de diepste archeologische sporen bewaard gebleven, maar kunnen die ook door elke bijkomende erosie vernietigd worden. Een goed beheer van het archeologische erfgoed dient hier rekening mee te houden. Op basis van deze gegevens kunnen vijf verschillende beheerszones worden onderscheiden (Fig. 5). 1. Zuidwestelijke deel van het plateau: in deze zone is de meest dense artefactenconcentratie aan het oppervlak geobserveerd (Clarys et al. in voorbereiding) en is de bewaring van enkele Neolithische sporen halfweg de jaren 1990 vastgesteld in het kader van een archeologische opgraving (Burnez-Lanotte et al. 1996). In deze zone werden hoge waarden van historische erosie geobserveerd, alsook een hoge actuele bodemerosie. 2. Noordwestelijke helling: uit deze zone komt eveneens een dense concentratie artefacten (Clarys et al. in voorbereiding), wat op de mogelijke aanwezigheid van archeologische sporen wijst. Ook hier werden hoge erosiewaarden opgemerkt. 3. Noordoostelijke helling: deze zone vertoont grote gelijkenissen met zone 2, i.e. een concentratie artefacten aan het oppervlak en hoge actuele erosiewaarden. 4. Zuidoostelijke helling van het plateau: hier zijn artefacten aan het oppervlak aangetroffen, maar niet in een dense concentratie. In deze zone worden hoge erosiewaarden voorspeld. 5. Centrale zone plateau: hier werden slechts sporadisch artefacten aan het oppervlak aangetroffen. Dit is een zone met groot aantal gesloten concaviteiten. Er werd een matige historische erosie geobserveerd. Met uitzondering van de rand en hellingen van de gesloten concaviteiten voorspelt ook het erosiemodel geringe actuele erosiewaarden. 5 Het verlies van 13 ton bodem komt overeen met een laag van 1 mm. 9

10 Fig. 5. Onderscheiden beheerszones voor de site van Ottenburg. De eerste zone is zowel wetenschappelijk als beheersmatig de meest waardevolle maar acuut bedreigde zone van het hele plateau. De erfgoedwaarden die er aanwezig waren zijn reeds voor een groot deel vernietigd, maar belangrijke restanten zijn er tot op heden bewaard gebleven. Ook in zones 2 en 3 kunnen archeologische sporen worden verwacht. Door het ontbreken van opgravingen is het echter niet zeker of hier nog archeologische sporen bewaard zijn gebleven. De zones 4 en 5, tenslotte, zijn het minst acuut bedreigd. De beheersmaatregelen die op het plateau zouden moeten worden toegepast om een adequate bescherming te bieden voor het erfgoed, kunnen ingedeeld worden in twee groepen: archeologisch onderzoek en bestrijding van bodemerosie. De prognoses van actuele erosie op het plateau maken inspanningen nodig om verder bodemverlies tegen te gaan. Verschillende erosiebestrijdingsmaatregelen zijn mogelijk en werden reeds in het verleden door AMINAL- Afdeling Land van de Vlaamse Gemeenschap voorgesteld 6. Bodemerosie is immers niet enkel nadelig voor de conservatie van archeologische sites, maar ook ruimer voor de samenleving en de landbouwer door het wegspoelen en/of begraven van zaaigoed, meststoffen en bestrijdingsmiddelen, de vermindering van bodemkwaliteit, de vervuiling van waterlopen, overstromingen en de dichtslibbing van wachtbekkens en waterlopen (infobrochure Werk maken van erosiebestrijding). Maatregelen die geërodeerd sediment onderaan of halfweg een helling opvangen, zoals grasgangen, bufferstroken, dammen en taluds, infiltratie-, bergings- en bezinkingszones zijn voornamelijk gericht op het bestrijden van sediment export en gaan het sedimentverlies aan het oppervlak niet rechtstreeks tegen. Deze erosiebestrijdingsmaatregelen zijn dan ook niet geschikt om het bodemverlies op een 6 Zie ook infobrochure Werk maken van erosiebestrijding. Administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer, Afdeling Land, Brussel

11 archeologische site onder controle te houden. Dit geldt echter wel voor een reeks maatregelen die de structuurkenmerken van de bodem en de vegetatieve bedekking beïnvloeden. Voorbeelden van dergelijke maatregelen zijn minimale bodembewerking, het laten van groenbedekker, herbebossing of de aanleg van permanent grasland. Indien het grasland dienst doet als hooiweide en niet als weiland, is deze laatste maatregel veruit de meest ideale voor de bestrijding van erosie op archeologische sites. In de meeste gevallen staat ze echter niet in verhouding met het bewezen belang van de site en kan ze niet als een realistische maatregel worden opgenomen. Daarom lijkt een vorm van conservatielandbouw, door het ploegen volledig achterwege te laten (directe inzaai) of te minimaliseren (oppervlakkige, niet-kerende bodembewerking of niet-kerende bodembewerking tot op ploegdiepte) (Gillijns et al. 2002: 31 ff) op het eerste zicht het beste alternatief. Recente gegevens uit experimenten tonen aan dat een dergelijke minimale bewerking geen nadelige invloed heeft op de gewasopbrengsten en het nettorendement (ibid.). Bovendien wordt een dergelijke bewerking sinds kort ook financieel ondersteund door de Vlaamse Gemeenschap via de beheersovereenkomst voor erosiebestrijding (http://www.vlaanderen.be/bodemerosie). Het toepassen van de minimale bewerking impliceert echter ook een eerste bewerkingsrijp maken van het land door met behulp van een grondbreker de ploegzool te breken (Gillijns et al. 2002), waardoor nog een extra zone onder de ploeglaag wordt verstoord. Bovendien stimuleert deze conservatielandbouw de activiteit van wormpopulaties (o.a. Ehlers 1975, Jordan et al. 1997, Chan 2001), die op hun beurt de archeologische sporen homogeniseren en dus vernietigen (literatuuroverzicht bij Bubel 2003: 148 ff). Op dit ogenblik lopen verschillende projecten, onder meer aan de K.U.Leuven en aan het Harper Adams University College (Newport, Verenigd Koninkrijk) waarin de correlatie tussen conservatielandbouw en wormpopulaties en activiteit wordt nagegaan. Daar dit onderzoek gericht is op de lange termijneffecten, worden definitieve resultaten pas over enkele jaren verwacht. Voorlopig lijkt het beter om de huidige bewerkingsmethodes te behouden, mits een aantal minimale conserveringsmaatregelen. Zo dienen in de toekomst de perceellering en de perceelsranden intact te worden gehouden. Daarnaast dient ook het ploegen volgens de contouren te worden aangemoedigd. Deze maatregelen zorgen ervoor dat de hellingen waarop het afstromend water vloeit verkleind of verzacht worden. Tenslotte dient braakliggend land te worden vermeden en moet de bodem steeds bedekt worden gehouden. Hierbij dient evenwel de bedenking te worden gemaakt dat elke vorm van bijkomende erosie en/of homogenisatie door wormactiviteit in beheerszone 1 het definitieve verlies betekenen van de archeologische sporen die nog bewaard zijn gebleven. De meest adequate bescherming van het erfgoed in deze zone behelst dan ook het nauwgezet documenteren van de resterende sporen in een archeologische opgraving. Ook voor beheerszones 2 en 3 is deze bedreiging reëel en acuut. Door het ontbreken van archeologisch bodemonderzoek is de aard van het archeologische erfgoed in deze zones erg onzeker. Er dient dan ook een archeologisch vooronderzoek te worden uitgevoerd, met behulp van enkele proefsleuven, op basis waarvan de wenselijkheid van bepaalde bijkomende beheersmaatregelen kan worden bepaald. 2.4 CONCLUSIE Voor de site van Ottenburg kunnen verschillende beheerszones worden bepaald, elk met eigen kenmerken van archeologische waarde en bedreiging. De maatregelen die dienen te worden genomen voor het grootste deel van het plateau, met inbegrip van beheerszones 4, 5 en 6, zijn erg beperkt en eerder gericht op het behoud van de huidige structuren: behoud van perceellering en perceelsgrenzen, contourploegen en het steeds bedekt houden van het oppervlak. Voor een deel van de site vormen dergelijke maatregelen echter geen voldoende 11

12 bescherming. Meer bepaald in beheerszones 1, 2 en 3 dient dringend een archeologisch (voor)onderzoek te worden uitgevoerd om de bewaard gebleven sporen te documenteren en/of om tot een goede inschatting te kunnen komen van de archeologische waarde binnen die zones, om aldus bijkomende beheersnoden te kunnen formuleren. Tenslotte dient verder onderzoek te worden afgewacht om de effecten op lange termijn van conservatielandbouw op de groei van wormpopulaties en aldus op de bewaring van archeologische sporen, na te gaan. 3 Kennisbalans Vlaamse Boven-Dijlevallei Met als primaire doelstelling de reconstructie en ontsluiting van een bewoningsgeschiedenis van het studiegebied en de daaruit volgende invloed van de mens op zijn omgeving werd een kennisbalans opgesteld, gebaseerd op een confrontatie tussen archeologische waarnemingen in het studiegebied en een reeks landschappelijke gegevens. De meeste geografische gegevens werden in digitale vorm ter beschikking gesteld via de CAI. Het OC GIS werkte in het kader van dit project ook aan een hoge resolutie DHM van het studiegebied. De lage resolutie gegevens van het DHM werden eveneens ter beschikking gesteld en zullen in de tweede projectfase worden gebruikt voor een vergelijkende studie van de verschillende resoluties. De geïntegreerde archeologische, topografische, bodemkundige en paleo-ecologische studie vormt de basis voor een kritische evaluatie van de bestaande leemtes in de tot nu toe gekende menselijke activiteiten in het studiegebied en voor een mogelijke invulling van deze door een reeks van systematische prospecties. Aanvullend is hiervoor ook een fysiografische kennis en vegetatie geschiedenis van het studiegebied in heden en verleden van belang. 3.1 FYSIOGRAFISCHE BESCHRIJVING VAN HET STUDIEGEBIED 7 Het lithologisch substraat van het gebied bestaat uit Tertiaire zandige en kleiige sedimenten die gedurende zeetransgressies waren afgezet. De Tertiaire formaties die in het studiegebied voorkomen onder het kwartaire dek zijn de formaties van Hannut (Laan- en Dijlevallei in het zuiden van het studiegebied), Kortrijk (Laan-, IJse- en Dijlevallei), Brussel (plateaus van Ottenburg, Maleizen en Duisburg en Meerdaalwoud/Heverleebos), Lede (plateau van Maleizen en plateau van Duisburg) en St-Huib-Hern (plateau van Duisburg en Meerdaalwoud/Heverleebos) 8. De rivieren sneden zich voornamelijk gedurende de ijstijdtussenijstijdcyclus van het Kwartair verder in het plateau in. Dit resulteerde in het reliëf zoals we het vandaag min of meer terugvinden: brede alluviale vlakten met oeverwallen en komgronden en zacht golvende plateaus met droge dalen op de interfluvia (Mens & Ruimte 2003: 20). De valleihellingen zijn vaak erg steil en kunnen hellingsgraden van 30% bereiken ; op deze plaatsen is het kwartaire loessdek vaak niet meer aanwezig en liggen Tertiaire sedimenten aan het oppervlak (ibid.). De sedimenten uit het kwartiar bestaan uit (kalkhoudende) loess die door de wind als een dekmantel op de Tertiaire sedimenten is afgezet. De bodems van de leemplateaus zijn in deze sedimenten ontwikkeld. Deze bodemvorming bestond en bestaat achtereenvolgens uit een ontkalking van de kalkhoudende loess door de insijpeling van regen- en smeltwater, de vorming van een humeuze oppervlaktehorizont en de migratie en accumulatie van klei in smalle banden of in een zowat 50 tot 70 cm dikke, compacte B2t /aanrijkings-horizont. De bodems in de riviervalleien zijn 7 Voor een uitgebreidere beschrijving verwijzen we naar de studie van Mens & Ruimte (2003). 8 Digitale versie van de Tertiaire geologische kaart, MVG, EWBL, afdeling Natuurlijke Rijkdommen & Energie, uitgave 2001 (OC GIS-Vlaanderen) 12

13 ontwikkeld in recentere sedimenten die door de rivieren zelf zijn afgezet in het oeverwallenkomgronden systeem. 3.2 VEGETATIEGESCHIEDENIS IN HET STUDIEGEBIED Pollenspectra en profielen vormen de belangrijkste bron van informatie voor de reconstructie van de vegetatie in het Dijlebekken. De interpretatie van pollenspectra en profielen voor de reconstructie van de vegetatie en de interactie tussen mens en milieu in het algemeen, gaat echter gepaard met een aantal moeilijkheden. Vooreerst geeft een pollenspectrum voornamelijk een afspiegeling van de vegetatie in de onmiddellijke nabijheid van de bemonsteringsplaats. Voor het studiegebied zijn de meeste pollenmonsters genomen in de venige afzettingen van riviervalleien, waardoor het beeld op de vegetatie voornamelijk een weerspiegeling is van dit milieu. De informatie over de plantengroei in andere delen van het landschap is dan ook beperkt tot soorten waarvan de pollen over grote afstand door de wind kunnen worden getransporteerd. Pollen van grassen, met inbegrip van graangewassen, worden veel moeilijker verspreid op lange afstand dan boompollen. De reconstructie van de vegetatie in het hele landschap dient dus goed te worden beredeneerd. Een tweede probleem verbonden met de pollenprofielen uit het studiegebied is het ontbreken van (absolute of relatieve) dateringen waardoor een direct verband tussen archeologische gegevens en ecologische fenomenen vaak ontbreekt. Specifieke fenomenen in de vegetatiegeschiedenis, zoals grootschalige ontbossingen, kunnen bijvoorbeeld niet altijd precies in de tijd worden gesitueerd. Er werden tot op heden slechts drie pollenstudies gepubliceerd die zijn uitgevoerd op stalen uit het studiegebied zelf. Het betreft de pollenprofielen van Bierbeek-Brise-Tout I tot III uit het Meerdaalwoud (Munaut 1967: ), Dijle IV-Arenberg (Mullenders & Gullentops 1956) en Dijle X-Rotspoel (De Smedt 1973: 13-20). Voor een vollediger beeld van de vegetatiegeschiedenis kunnen deze profielen worden aangevuld met pollenonderzoek dat net buiten het studiegebied werd uitgevoerd. Het gaat meer bepaald om pollenprofielen uit Holsbeek (Mullenders et al. 1971), Rotselaar-Molen (De Smedt 1973), Néthen (Mullenders et al. 1966), Tourinnes-la-Grosse (Mullenders et al. 1966), Rosières (Ngatanda & Munaut 1987), Chaumont-Gistoux (Geurts 1976) en Ottignies (Munaut 1967). De problemen uit de eerste paragraaf indachtig kan dus toch een algemene vegetatiegeschiedenis worden opgesteld op basis van deze pollenstudies. Een aantal van deze analyses zijn bovendien geassocieerd met sedimentologische studies (vb. Mullenders & Gullentops 1956; De Smedt 1973), waardoor ook een beeld wordt bekomen van de activiteit van de rivieren en hun evolutie in het studiegebied. Gedurende het Laat-Glaciaal, de laatste fase van het Pleistoceen, was de Dijle een meanderende rivier die rustig stroomde in een brede alluviale vlakte. In de pollenprofielen is duidelijk de opeenvolging van gematigde en koude fasen te zien die deze periode kenmerkt. In de koude fasen, respectievelijk Oudste Dryas, Oude Dryas en Jonge Dryas, is het landschap voornamelijk bedekt met een grassteppe waar kleine bosjes van den en berk in te vinden zijn. Gedurende de gematigde fasen, respectievelijk Bölling en Alleröd, worden grote delen van het landschap bedekt met een dennenbos en verschijnen warmtelievende soorten zoals hazelaar, linde, els en olm. Vanaf het Holoceen, zowat jaar geleden, wordt het warmer en wordt het hele gebied bedekt door een bosvegetatie. Gedurende het preboreaal, tot ca v.chr., overheerst het dennenbos nog. Pas vanaf het Boreaal, tot ca v.chr., is er een duidelijke uitbreiding van hazelaar merkbaar, terwijl ook het gemengd eikenbos met eik, linde en olm aan belang wint op de plateaus en valleihellingen. Het dennenbos blijft echter in de alluviale vlakte domineren. Gedurende deze eerste fasen van 13

14 het Holoceen is nergens ook maar enige menselijke invloed te merken op het landschap en op de vegetatie. Archeologisch komt dit begin van het Holoceen overeen met het Mesolithicum waarin de mens van het natuurlijke milieu gebruik maakte zonder deze in belangrijke mate zelf te beïnvloeden. Vanaf de tweede helft van het 7 de millennium begint het Neolithicum en kan een grotere invloed van de mens op het natuurlijk milieu worden geobserveerd. Dit deel van het Holoceen wordt ingedeeld in Atlanticum, tot het begin van het 4 de millennium v.chr., het Subboreaal, tot het begin van het eerste millennium v.chr. en het Subatlanticum tot heden. Het Atlanticum is een warme en vochtige fase. Het begin ervan wordt gekenmerkt door een uitbreiding van linde en hazelaar in het Atlantisch bos op de plateaus, terwijl elzenbroeken de dennenbossen vervangen in de alluviale vlakte. In een aantal profielen is hier een onderbreking in de veengroei zichtbaar door de plotse sedimentatie van leem en kleiige leem. De verklaring van dit fenomeen wordt veelal gezocht in de klimatologische veranderingen die leidden tot een hogere grondwaterstand, een grotere erosie en bijgevolg sedimentatie van alluvium. Menselijke invloed blijft beperkt in de geanalyseerde pollenprofielen. Slechts op het einde van deze periode worden, met name te Nethen (Mullenders et al. 1966), de eerste graanpollen geïdentificeerd die wijzen op akkerbouw. Ook gedurende het Subboreaal blijven de aanwijzingen voor menselijke impact op de natuurlijke vegetatie in de pollenprofielen beperkt. Het bos wordt in deze periode gekenmerkt door het verschijnen van een gemengd beukenbos met eik, hazelaar en linde. Het verdwijnen van delen van het bos en het verschijnen van een gediversifieerde kruidenvegetatie met de ruderalen weegbree en ganzevoet te Rosières en Nethen wijzen in beperkte mate op de aanwezigheid van de mens. Dat deze aanwezigheid slechts beperkt zichtbaar is kunnen we zonder enige twijfel wijten aan de bemonsteringslocaties die niet in de onmiddellijke omgeving van toenmalige nederzettingen zijn gelegen. Dit wijst op zijn beurt op het eerder kleinschalige exploitatiesysteem en nietcontinue bewoning van de mens gedurende het late Neolithicum en de Bronstijd, met een impact vrijwel uitsluitend op de onmiddellijke omgeving van een nederzetting. Op grootschalige ontbossingen en akkerbouw is het echter wachten tot het Subatlanticum. Het natuurlijke bos wordt in deze fase gekenmerkt door een belangrijke uitbreiding van beuk en het verschijnen van haagbeuk. Linde kent bij het begin van deze periode een definitieve terugval. In het eerste deel van het Subatlanticum, corresponderend met de IJzertijd, is de menselijke invloed beperkt tot de aanleg van (weinig talrijke) akkers in de ruimere omgeving. Pas gedurende de historische periode en meer bepaald vanaf de vroege middeleeuwen wordt het bosbestand sterk verkleind door ontbossingen en worden op grootschalige manier akkers aangelegd. Deze ontbossingen veroorzaken een belangrijk verlies van sediment op de hellingen door erosie, een sedimentatie in de alluviale vlakte van leem en zandige leem en een einde aan de veengroei die gedurende het begin van het Subatlanticum weer op gang was gekomen. De continue bewoning en de schaal van de landbouw resulteerden in een in grote mate gecultiveerd landschap. Door deze ontbossingen verandert de Dijle van een rustig meanderende stroom in de rivier met onregelmatig debiet zoals we ze vandaag kennen (De Smedt 1973: 24-25). Een laatste fenomeen dat in de pollenprofielen zichtbaar is, is een gedeeltelijke herbebossing van zandige plateaus met beuken en dennen gedurende de Oostenrijke periode (18 de eeuw). 3.3 EROSIEMODELLERING EN HET GEBRUIK VAN HET DHM. EEN EERSTE EXPLORATIE Om de mogelijkheden van het nieuwe LIDAR-DHM met betrekking tot het modelleren van erosie en sedimentatie-patronen te onderzoeken werd het studiegebied Kinderveld geselecteerd. Kinderveld is een stroomgebied van 255 hectare dat via de Ruwaal naar de 14

15 Dijle afwatert (zie Fig. 6 en Fig. 7). Kinderveld werd gekozen als eerste testgebied omdat de Onderzoeksgroep Fysische en Regionale Geografie over een uitgebreide dataset met opgemeten erosie en sedimentatiepatronen beschikt. Fig. 6. Situering van het studiegebied Kinderveld (in wit afgebakend) in de Dijlevallei (hoogte in meter) Fig. 7. Topografie van het studiegebied Kinderveld (hoogte in meter) 15

16 Voor dit studiegebied werd het hoge resolutie LIDAR-DHM (resolutie 2mx2m) gebruikt om WaTEM/SEDEM (Van Oost et al. 2000, Van Rompaey et al. 2001) toe te passen. WaTEM/SEDEM is een ruimtelijk gedistribueerd model dat de geërodeerde bodemdeeltjes via 2-dimensionale afstromingsalgoritmen over het landschap verdeelt. De sedimentproductie veroorzaakt door watererosie in iedere gridcel wordt geschat met behulp van een 2Dtoepassing van de Universele Bodemverlies Vergelijking (Desmet & Govers 1996). Het geproduceerde sediment wordt verder stroomafwaarts gevoerd indien de transportcapaciteit in iedere gridcel voldoende groot is. In de gridcellen waar er meer sediment toekomt dan de lokale transportcapaciteit is er sedimentatie. WaTEM/SEDEM maakt ook een schatting van de bodemverplaatsingen door bewerking van het landbouwland. Sedimentfluxen veroorzaakt door bodembewerkingen worden geschat aan de hand van vergelijkingen voorgesteld door Govers et al Convexe hellingen verliezen netto bodemmateriaal dat wordt geaccumuleerd in de concave gedeelten van het landschap. Taluds kunnen zich vormen aan perceelsgrenzen. Het uiteindelijke resultaat van zowel bodemerosie door water als bodemerosie door bewerking is een rasterbeeld met voor iedere gridcel een gemiddelde bodemerosie of depositie waarde uitgedrukt in ton/ha.j. Gridcellen met een netto-bodemerosie hebben een negatieve waarde, gridcellen met een netto sedimentatie hebben een positieve waarde. De invoergegegevens voor WaTEM/SEDEM zijn een aantal continue rasterlayers met perceelsstructuur, bodemgebruik en bodemerosiegevoeligheid. Het belangrijkste invoergegeven is het DHM omdat dit gebruikt wordt zowel om de hellingslengte als de hellingsgradiënt te bepalen. Bovendien wordt aan de hand van het DHM bepaald in welk richting het geërodeerde sediment zich zal verplaatsen. Het hoge resolutie DHM dat voor deze studie werd gebruikt had als belangrijk nadeel dat voor een groot aantal gridcellen de hoogte onbekend was. Op de plaatsen waar gebouwen of wegen voorkomen is het DHM gecodeerd met een waarde Het ontbreken van deze gegevens is problematisch omdat (verharde) wegen in de meeste gevallen belangrijke stroompaden vormen. Voor deze toepassing werden de onbrekende gegevens aangevuld via een uitgebreide filtering van het DHM. De hoogtewaarden van de ontbrekende pixels werd op die manier gelijkgesteld aan de hoogte van de omliggende pixels. De hoogte van de omliggende pixels werd evenwel niet gewijzigd. Vervolgens werd op het vervolledigde DHM een pit removal procedure toegepast die alle kleine gesloten depressies (die niet afwateren naar een natuurlijke waterloop) opvult. Dit is nodig om met WATEM/SEDEM een consequente afstromingstopologie op te stellen. De bodemerosiegevoeligheid is geschat aan de hand van textuurgegevens die afgeleid werden van de digitale bodemkaart Vlaanderen (OC-GIS Vlaanderen). Voor de erosiviteit van de neerslag werd gebruik gemaakt van het lange termijngemiddelde van de neerslagerosiviteit waargenomen te Ukkel. Gegevens met betrekking tot het landgebruik en de perceelsstructuur werden afgeleid van het bestand Landbouwpercelen 2002 (Vlaamse Landmaatschappij). Voor de landbouwpercelen werd een gemiddelde gewas- en bedrijfsvoeringsfactor gebruikt die schommelt tussen 0,2 en 0,55 (zie MIRA-T 2003, hoofdstuk 2.20 Bodemerosie) en een bewerkingserosiecoëfficient van 500 (kg.m -1 ). Voor de transportcapaciteitscoëfficient werd een waarde van 250 gebruikt voor akkerland en een waarde van 75 voor bos- en weideland. Deze parameterwaarden zijn het resultaat van een modelcalibratie en -validatie op basis van een dataset met gemiddelde sedimentexportgegevens voor 18 stroomgebieden in de Belgische Leemstreek. 16

17 Fig. 8 geeft het voorspelde erosie- en sedimentatiepatroon weer zoals berekend werd met WaTEM/SEDEM. Elke pixel geeft een gemiddelde jaarlijkse netto erosie- of sedimentatiewaarde weer in ton/ha.j. De geschatte jaarlijkse sedimentexport voor het hele stroomgebied bedraagt 0,45 ton/ha.j. Dit is een vrij lage waarde daar de langetermijnssedimentexportwaarde geschat wordt op 2-4 t/ha.jaar voor het Kinderveld-bekken (Steegen et al. 2000). Mogelijks is deze lage waarde eigen aan het modelleren met een hoge resolutie. Van Rompaey et al. (2001) hebben eerder reeds het effect van een veranderende resolutie aangetoond op de gemodelleerde sedimentexportwaarde. Waarschijnlijk dienen de transportcapaciteitcoëfficiënten verhoogd te worden voor hoogresolutie DHM s. Een gedetailleerde analyse toont verder aan dat in landbouwpercelen trapvormige erosie en sedimentatiepatronen voorkomen. Deze artificiële patronen kunnen te wijten zijn aan de gebruikte interpolatiemethode. Verder onderzoek zal deze hypothese onderzoeken en nagaan met welk algoritme het DHM eventueel verbeterd kan worden. Fig. 8. Voorspeld erosie- en sedimentatiepatroon (pixelwaarden in ton/ha.j). Negatieve waarden geven erosie weer, positieve waarden sedimentatie. 3.4 MENS IN HET STUDIEGEBIED: ARCHEOLOGISCHE INVENTARIS & KENNISBALANS Teneinde het beter begrijpen van de geschiedenis van menselijke aanwezigheid in het studiegebied doorheen een confrontatie van archeologische en landschappelijke elementen, is het van belang om van een zo volledig mogelijke archeologische basisinventaris gebruik te kunnen maken. De bestaande Centrale Archeologische inventaris werd zodoende geverifieerd op inhoud en waarde, vergeleken met bestaande gegevendatabanken aan de K.U.Leuven en aangevuld. Archiefonderzoek en een reeks van historische kaarten (Ferraris/Vandermaelen) werd hiervoor gecombineerd. Deze (zo compleet mogelijke) set van archeologische gegevens werd vervolgens aan een exploratieve GIS-analyse onderworpen, waarvan in fase 1 vooral het heuristisch en in de eerste plaats kwalitatief aspect benadrukt wordt. Deze omvatte een algemeen beeld van de prehistorische en historische bewoningsgeschiedenis, het opstellen van correlaties tussen site-locaties en geologisch substraat, rivierennet, bodemtextuur, landbouwgebruik en erosiegevoeligheid van de zone in 17

18 kwestie, en een preliminaire kennismaking met het hoge-resolutie DHM met uiteindelijk doel een haalbaarheidsstudie voor zijn gebruik voor archeologisch onderzoek Archeologische waarnemingen per periode. De bewoningsgeschiedenis van het studiegebied. Een preliminaire visuele analyse van het archeologisch erfgoed in de studiezone toont een duidelijke concentratie van sites langs rivieren. Slechts een kleiner aantal vindplaatsen bevindt zich op verre afstand van het rivierennet. In Meerdaalwoud liggen de totnogtoe ontdekte sites dan weer geconcentreerd rond de Tiense groef, een vermoedelijke Romeinse weg. Drie restanten van Romeinse wegen elders groeperen enkele sites maar zijn globaal niet voorzien van zeer dichte concentratie. Duidelijke lacunes zijn te lokaliseren in de interfluviale zones, met uitzondering van het plateau van Maleizen, tussen IJse en Laan. Door de aard van de informatie die in publicaties en rapporten beschikbaar is, is het onmogelijk om op dit moment een kwantitatieve waarde en representativiteit toe te kennen aan de gekende sites. Bestaande lacunes kunnen bijvoorbeeld het resultaat zijn van een concentratie van archeologisch onderzoek in de riviervalleien, aangezien naar de huidige periode toe steeds meer mensen zich aan of dichtbij een rivier vestigden (cf. infra, exploratie hydrografie). Of lege gebieden het resultaat zijn van een afwezigheid van archeologische vondsten of van een gebrek aan archeologisch terreinonderzoek moet dus nog worden geverifieerd. Daar een meer gedetailleerde bewoningsgeschiedenis het uiteindelijke doel is van de exploratie van deze gegevens, werd geopteerd voor een splitsing per periode voor verdere analyse. De gekozen tijdskaders zijn gebaseerd op de een combinatie van datering en verfijningen op twee niveaus gebruikt in de CAI. Dit zijn: Steentijd (onbepaald, 24 sites), Paleolithicum (7 sites), Mesolithicum (1 site), Neolithicum (7 sites), Bronstijd (1 site), IJzertijd (1 site), Romeinse Periode (25 sites), Middeleeuwen (onbepaald, 1 site), Vroege Middeleeuwen (2 sites), Volle Middeleeuwen (11 sites), Late Middeleeuwen (17 sites), 16 e eeuw (6 sites), 17 e eeuw (5 sites), 18 e eeuw (14 sites), Nieuwe Tijd (onbepaald, 3 sites). Omwille van het lage aantal sites voor bepaalde periodes en aangezien het hier om een kwalitatieve en geen kwantitatieve exploratie gaat, die als basis dient voor de verdere concrete archeologische exploitatie van het gebied, werd het nuttig geacht het archeologisch erfgoed van het studiegebied in grotere periodes in te delen. Achtereenvolgens worden prehistorische (in de meest ruime zin van het woord, 41 sites), Romeinse (25 sites), middeleeuwse (31 sites) en postmiddeleeuwse (28 sites) periodes belicht (cf. infra). Met uitzondering van Meerdaalwoud kan tijdens de prehistorische periode geen echte concentratie van sites aangeduid worden. Hierbij dient de representativiteit van de gekende sites in rekenschap genomen te worden. Een verdere exploratie van het DHM kan mogelijk verduidelijking brengen of het hier misschien gaat om het uitkiezen van welbepaalde hellingsoriëntaties of specifieke hoogtes, alsook de ontdekking van verdere bewaarde grondsporen. Geologische, hydrografische en pedologische vergelijkingen kunnen mogelijks ook welbepaalde locaties verklaren (cf. infra). De Romeinse periode toont een ietwat ander beeld met een belangrijke concentratie van vondsten in de nabijheid van Romeinse wegen, een logische conclusie. Is het hierbij zo dat men totnogtoe steeds het bestaan van wegen heeft gebruikt om verder onderzoek te ondersteunen? Een lineaire tendens is inderdaad zichtbaar bij een aantal van de Romeinse vindplaatsen, maar een meer gedetailleerd onderzoek zal moeten uitwijzen met welk soort sites we te maken hebben en of het functioneel aspect eventueel een aanduiding is voor de aard van locatie. Ook hier zijn verdere prospecties noodzakelijk om een objectiever beeld te 18

19 krijgen van de nederzettingstendensen in de Romeinse periode, mogelijks in relatie tot vergelijkingspunten gevonden in geologische, hydrografische en pedologische studies (cf. infra). Met de Middeleeuwen breekt een fase aan waarin het rivierennetwerk een grotere rol speelt in de situering van archeologische sites. De meerderheid van de archeologische sporen zijn te vinden vlak aan of binnen 100 meter afstand van een rivier. Slechts een handvol sites maken een uitzondering op deze regel. Deze tendens kan het gevolg zijn van een meer uitgebreid archeologisch onderzoek naar dorpskernen die gebouwd zijn op de plaats van hun middeleeuwse voorgangers en zodoende een onderzoeksbias is gecreëerd wat betreft de locaties van middeleeuwse vindplaatsen. Het loont de moeite om de interfluviale hoogtes intensief te prospecteren naar middeleeuws materiaal. Opvallend is ook de totale afwezigheid van middeleeuws materiaal uit Meerdaalwoud. Hiervoor kan de doctorale studie van Tom Vanwalleghem (K.U.Leuven) een mogelijke interessante bron van informatie zijn. Deze stelt duidelijk dat een aantal geomorfologische fenomenen in Meerdaalwoud, onder meer ravijnen en gesloten depressies, waarschijnlijk gevormd zijn onder akkerland dat na de Romeinse periode verlaten werd (meer details in Vanwalleghem et al. in druk). De nederzettingstendens gestart met de Middeleeuwen wordt verder gezet vanaf de 16 e eeuw. Rivieren zijn duidelijk aantrekpleisters gebleven en slechts een klein deel van de archeologische vondsten bevindt zich midden op de interfluvia. Opnieuw is een afwezigheid van vondsten uit Meerdaalwoud tekenend voor de representativiteit van het gekende patrimonium en dient meer terreinwerk verricht te worden voor de reconstructie van een meer objectieve bewoningsgeschiedenis van het studiegebied Confrontatie archeologische gegevens met geologische, pedologische en hydrografische informaties. De bovenstaande archeologische gegevens werden vervolgens aan een heuristisch GIS onderzoek onderworpen waarbij deze geconfronteerd werden met respectievelijk geologische, pedologische en hydrografische gegevens en met landbouwgebruiksinformatie over het studiegebied. Een vergelijking met topografisch en geomorfologische informatie is voorzien in de tweede fase van het project. Percentages dienen enkel als indicatief te worden gezien en zullen verder worden gekwantificeerd in de tweede fase van het project, wanneer ook bijkomende informatie van terreinprospecties beschikbaar is. Hierbij is een vergelijking nodig met het percentage dat elk respectievelijk landschapselement inneemt in het totale onderzoeksgebied, om zo tot een objectievere observatie te komen die autocorrelaties uitsluit. Eenmaal vastgelegd wat de correlaties zijn tussen sites en landschappelijke kenmerken, kunnen deze als basis dienen voor een verdere aanvulling van onderstaande kennisbalansindicaties, door middel van verschillende prospectiecampagnes (fase 2 en 3 van het project) Geologie (Fig. 9) Wat betreft geologische substraat bevindt een groot deel (ca. 51 %) van de prehistorische sites zich op de Tertiaire formatie van Brussel, gevolgd door die van Lede (20%) en St-Huib- Hern (20%). Een kleiner aantal sites (<5 %) verspreidt zich over de formaties van Hannut en Borgloon en Kortrijk. Een totaal ander beeld krijgen we door de confrontatie van Romeinse sites met hun respectievelijk geologisch substraat waarbij de St-Huib-Hern formatie een duidelijke voorkeur 19

20 geniet (38%), onmiddellijk gevolgd door die van Brussel (24%), Kortrijk (19%) en Lede (14%). De formatie van Hannut vormt een duidelijke minderheid. Tijdens de Middeleeuwen zijn is de meerderheid van de sites gelokaliseerd op de formatie van Brussel (68%). De formaties van Kortrijk (23%), Hannut (6%) en Lede (3%) vervolledigen het geheel. Na de Middeleeuwen krijgen we de volgende spreiding: Formaties van Brussel (46%), Kortrijk (21%), Lede (18%), St Huib-Hern (4%), Hannut (4%) en Eenheid van Haccout (4%). Alhoewel een correlatie tussen de formatie van Brussel en archeologische vondsten in het studiegebied overduidelijk is, dient hier te worden opgemerkt dat een groot deel van de studiezone ook gelegen is op de formatie van Brussel. Een meer gedetailleerde en kwantitatieve analyse kan een dergelijke autocorrelatie uitsluiten en tot een waardevoller resultaat komen. Deze zal echter pas in de volgende fase worden uitgevoerd, wanneer nieuwe prospectiegegevens zijn verzameld. Fig. 9 Overlay van archeologische vindplaatsen op rivierennet en geologische substraat (Prehistorie = rood, Romeins = blauw, Middeleeuwen = groen, Post-Middeleeuws = lichtblauw) Pedologie (Fig. 10) Voor fase 1 werd bekeken wat de relatie is tussen site-situering en bodemtextuur. Over het algemeen werd een lemige textuur verkozen door het merendeel van de sites doorheen alle periodes (percentages van 23 tot 72 %). Daarnaast zijn zandleem, licht zandleem en lemig zand van belang. Het moet wel worden opgemerkt dat voor een derde van alle sites geen bodemtextuur werd opgetekend. Een zelfde opmerking met betrekking tot de aanwezigheid 20

Steekkaart. Meer uitleg over de structuur en inhoud van de steekkaarten, vindt u in de leeswijzer.

Steekkaart. Meer uitleg over de structuur en inhoud van de steekkaarten, vindt u in de leeswijzer. INVENTARIS GRONDVERSCHUIVINGEN Steekkaart Meer uitleg over de structuur en inhoud van de steekkaarten, vindt u in de leeswijzer. De gegevens in dit rapport en in de steekkaarten worden enkel meegedeeld

Nadere informatie

Bart Vanmontfort 1, Joris De Man 2, Anton Van Rompaey 3, Roger Langohr 4 & Benoît Clarys

Bart Vanmontfort 1, Joris De Man 2, Anton Van Rompaey 3, Roger Langohr 4 & Benoît Clarys - II: Thematisch inventarisatie- en evaluatieonderzoek De evaluatie van bodemerosie op de neolithische site van Ottenburg/Grez-Doiceau Bart Vanmontfort 1, Joris De Man 2, Anton Van Rompaey 3, Roger Langohr

Nadere informatie

Archeo-rapport 45 Het archeologisch vooronderzoek aan de Heibloemstraat te Meerhout

Archeo-rapport 45 Het archeologisch vooronderzoek aan de Heibloemstraat te Meerhout Archeo-rapport 45 Het archeologisch vooronderzoek aan de Heibloemstraat te Meerhout Kessel-Lo, 2010 Studiebureau Archeologie bvba Archeo-rapport 45 Het archeologisch vooronderzoek aan de Heibloemstraat

Nadere informatie

Archeologie en cultuurhistorie Strijpsche Kampen

Archeologie en cultuurhistorie Strijpsche Kampen Archeologie en cultuurhistorie Strijpsche Kampen Bijlage 3 bij Nota van Uitgangspunten Strijpsche Kampen Definitief Gemeente Oirschot Grontmij Nederland bv Eindhoven, 11 mei 2007 Verantwoording Titel :

Nadere informatie

Over ijzertijdboeren en middeleeuwse. erven in het Demerbroek te Rotselaar- Hellicht

Over ijzertijdboeren en middeleeuwse. erven in het Demerbroek te Rotselaar- Hellicht Over ijzertijdboeren en middeleeuwse Een huisstijl voor het VIOE erven in het Demerbroek te Rotselaar- Hellicht Dirk Pauwels (Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed) Viering werking Winar Holsbeek

Nadere informatie

- Steekkaarten gemeente Brakel - VAN GRONDVERSCHUIVINGEN IN DE GEMEENTE

- Steekkaarten gemeente Brakel - VAN GRONDVERSCHUIVINGEN IN DE GEMEENTE SITES ZONDER DUIDELIJKE SPOREN VAN GRONDVERSCHUIVINGEN IN DE GEMEENTE BRAKEL STEEKKAARTEN De gegevens in de steekkaarten worden enkel meegedeeld ter informatie. De auteurs bieden geen absolute zekerheid

Nadere informatie

The Zakynthos Survey 2005 -- Verslag van de werkzaamheden en resultaten

The Zakynthos Survey 2005 -- Verslag van de werkzaamheden en resultaten The Zakynthos Survey 2005 -- Verslag van de werkzaamheden en resultaten Gert Jan van Wijngaarden Het veldwerk binnen het verkennende onderzoek van de Zakynthos Survey 2005 duurde vier weken: maandag 4

Nadere informatie

Bijlage III. Plangebied Van Voorst tot Voorststraat te Vught Archeologisch bureauonderzoek

Bijlage III. Plangebied Van Voorst tot Voorststraat te Vught Archeologisch bureauonderzoek Bijlage III Plangebied Van Voorst tot Voorststraat te Vught Archeologisch bureauonderzoek 1017 10 woningen en huisartsenpraktijk Van Voorst tot Voorststraat te Vught 11-6-2013 Bijlage III van X 5222

Nadere informatie

Studiedag NKB: Inleiding

Studiedag NKB: Inleiding Wat is bodemerosie Gevolgen Instrumenten Liesbeth Vandekerckhove Afdeling Land en Bodembescherming, Ondergrond, Natuurlijke Rijkdommen Departement Leefmilieu, Natuur en Energie Studiedag niet-kerende bodembewerking,

Nadere informatie

Archeo(rapport!289!! Het! archeologisch! vooronderzoek! aan! de! Lage! Kaart! te! Brasschaat!

Archeo(rapport!289!! Het! archeologisch! vooronderzoek! aan! de! Lage! Kaart! te! Brasschaat! Archeo(rapport289 Het archeologisch vooronderzoek aan de Lage Kaart te Brasschaat AnneliesDeRaymaeker&MaartenSmeets Kessel(Lo,2015 StudiebureauArcheologiebvba Archeo(rapport289 Het archeologisch vooronderzoek

Nadere informatie

KLEINSCHALIGE EEN PRAKTIJKVOORBEELD EROSIEBESTRIJDINGSWERKEN. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap

KLEINSCHALIGE EEN PRAKTIJKVOORBEELD EROSIEBESTRIJDINGSWERKEN. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap KLEINSCHALIGE EROSIEBESTRIJDINGSWERKEN EEN PRAKTIJKVOORBEELD A F D E L I N G L A N D Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap 3 Inhoudsopgave 1. Situering en doel van deze brochure 5 2. Voorstellen en ontwerpen

Nadere informatie

Bodemerosie: oorzaken en oplossingen. Jan Vermang, Martien Swerts, Petra Deproost Departement LNE Dienst Land en Bodembescherming

Bodemerosie: oorzaken en oplossingen. Jan Vermang, Martien Swerts, Petra Deproost Departement LNE Dienst Land en Bodembescherming Bodemerosie: oorzaken en oplossingen Jan Vermang, Martien Swerts, Petra Deproost Departement LNE Dienst Land en Bodembescherming Wat is bodemerosie? Bodemerosie = belangrijke bron van sediment in oppervlaktewater!!

Nadere informatie

De geomorfologie in het gebied wordt voor een belangrijk deel bepaald door de stuwwalvorming tijdens de Saale-ijstijd (afbeelding I.1).

De geomorfologie in het gebied wordt voor een belangrijk deel bepaald door de stuwwalvorming tijdens de Saale-ijstijd (afbeelding I.1). De geomorfologie in het gebied wordt voor een belangrijk deel bepaald door de stuwwalvorming tijdens de Saale-ijstijd (afbeelding I.1). Afbeelding I.1. Vorming stuwwal Nijmegen en stuwwal Reichswald Zandige

Nadere informatie

Archeo-rapport 77 Het archeologisch vooronderzoek aan het Gemeenteplein 8 te Kontich

Archeo-rapport 77 Het archeologisch vooronderzoek aan het Gemeenteplein 8 te Kontich Archeo-rapport 77 Het archeologisch vooronderzoek aan het Gemeenteplein 8 te Kontich Kessel-Lo, 2011 Studiebureau Archeologie bvba Archeo-rapport 77 Het archeologisch vooronderzoek aan het Gemeenteplein

Nadere informatie

Een huisstijl voor het VIOE

Een huisstijl voor het VIOE CAA Nederland- Vlaanderen, 4-12-2013 DHM Vlaanderen I en II en archeologie in Vlaanderen, een terug- en vooruitblik. MEYLEMANS E. AGENTSCHAP ONROEREND ERFGOED Een huisstijl voor het VIOE Midden neolithische

Nadere informatie

Archeo-rapport 60 De archeologische begeleiding aan de pastorie van Wezemaal

Archeo-rapport 60 De archeologische begeleiding aan de pastorie van Wezemaal Archeo-rapport 60 De archeologische begeleiding aan de pastorie van Wezemaal Kessel-Lo, 2011 Studiebureau Archeologie bvba Archeo-rapport 60 De archeologische begeleiding aan de pastorie van Wezemaal Kessel-Lo,

Nadere informatie

Archeologische MonumentenZorg

Archeologische MonumentenZorg Provincie NoordBrabant Archeologische MonumentenZorg 1. EINDOORDEEL ADVIES Onderwerp Waalwijk, Sprang, Plangebied Aansluiting Bevrijdingsweg, N261 locatie B te Sprang, N261 archeologisch onderzoek. Aan

Nadere informatie

Wat is niet-kerende bodembewerking? Resultaten Interreg-project Prosensols

Wat is niet-kerende bodembewerking? Resultaten Interreg-project Prosensols Jan Vermang Afdeling Land en Bodembescherming, Ondergrond, Natuurlijke Rijkdommen Departement Leefmilieu, Natuur en Energie Studiedag Erosie: niet-kerende bodembewerking, 27 augustus 2013 Ruraal Netwerk

Nadere informatie

Bureauonderzoek Archeologie

Bureauonderzoek Archeologie Bijlage 9 Bureauonderzoek Archeologie (voorontwerp) Ommen Oost NL.IMRO.0175.20131005003-VO01 197-236 !"#$%&&""%'$!"( )#*"( -( "( -%*0(!( )%"( +, +., /* 12 3 4 30#5! 657 7$58 9": 5 "%:$:%"%%;&$:%%%% %"$5$:$%:#'%$5%%%&0%#$

Nadere informatie

PROVINCIE ANTWERPEN STAD HERENTALS GEMEENTE GROBBENDONK RUIMTELIJK UITVOERINGSPLAN HAZENPAD VERZOEK TOT RAADPLEGING BIJLAGE BUNDELING ADVIEZEN

PROVINCIE ANTWERPEN STAD HERENTALS GEMEENTE GROBBENDONK RUIMTELIJK UITVOERINGSPLAN HAZENPAD VERZOEK TOT RAADPLEGING BIJLAGE BUNDELING ADVIEZEN PROVINCIE ANTWERPEN STAD HERENTALS GEMEENTE GROBBENDONK RUIMTELIJK UITVOERINGSPLAN HAZENPAD VERZOEK TOT RAADPLEGING BIJLAGE BUNDELING ADVIEZEN bvba Advies Ruimtelijke Kwaliteit (bvba ARK) Augustijnenlaan

Nadere informatie

OPGRAVING BEST-AARLE AFGEROND

OPGRAVING BEST-AARLE AFGEROND OPGRAVING BEST-AARLE AFGEROND In het najaar van 2011 en de lente van 2012 deed een team archeologen van Archeologisch Onderzoek Leiden (Archol bv) en Diachron UvA bv opgravingen in Aarle in de gemeente

Nadere informatie

Selectiebesluit archeologie Breda, Molengracht JEKA

Selectiebesluit archeologie Breda, Molengracht JEKA Gemeente Breda Bureau Cultureel Erfgoed ErfgoedBesluit 2009-30 Selectiebesluit archeologie Breda, Molengracht JEKA Controle BCE Johan Hendriks Bureau Cultureel Erfgoed, Naam Afdeling/bedrijf Datum Paraaf

Nadere informatie

Interpretatie Gevoeligheidskaart voor grondverschuivingen. bij de interpretatie van de GEVOELIGHEIDSKAART VOOR GRONDVERSCHUIVINGEN

Interpretatie Gevoeligheidskaart voor grondverschuivingen. bij de interpretatie van de GEVOELIGHEIDSKAART VOOR GRONDVERSCHUIVINGEN TOELICHTING bij de interpretatie van de GEVOELIGHEIDSKAART VOOR GRONDVERSCHUIVINGEN 1 Inleiding Grondverschuivingen komen typisch voor op steile hellingen in combinatie met een specifieke geologische lagenopbouw

Nadere informatie

UITGEWERKT VOORBEELD ERKENNINGSDOSSIER WAARDEVOLLE SITE VOOR BODEM LOMMEL - MAATHEIDE

UITGEWERKT VOORBEELD ERKENNINGSDOSSIER WAARDEVOLLE SITE VOOR BODEM LOMMEL - MAATHEIDE UITGEWERKT VOORBEELD ERKENNINGSDOSSIER WAARDEVOLLE SITE VOOR BODEM LOMMEL - MAATHEIDE Ir. Sven Defrijn & Prof. Dr. Ir. Seppe Deckers 7 mei 2006 Beknopte beschrijving waarde van de site De vindplaats Maatheide

Nadere informatie

Archeologisch onderzoek Geluidswal Spier

Archeologisch onderzoek Geluidswal Spier Archeologisch onderzoek Geluidswal Spier Bureauonderzoek GRONTMIJ ARCHEOLOGISCHE RAPPORTEN 1081 Archeologisch onderzoek Geluidswal Spier Bureauonderzoek GRONTMIJ ARCHEOLOGISCHE RAPPORTEN 1081 Definitief

Nadere informatie

Drie aardkundige monumenten

Drie aardkundige monumenten 10 Drie aardkundige monumenten Aardkundige monumenten geven iets weer van de ontstaansgeschiedenis van ons landschap. Een geschiedenis die ons honderden, duizenden of zelfs miljoenen jaren terugvoert in

Nadere informatie

Juist Klimaatverandering en kustlandschappen

Juist Klimaatverandering en kustlandschappen Juist Klimaatverandering en kustlandschappen ONDERZOEKSOPDRACHT KCNR SEPTEMBER 2014 klimaatverandering en kustlandschappen De aardkundige geschiedenis leert dat klimaat verandering altijd gepaard gaat

Nadere informatie

Hoe komen de annual air quality kaarten tot stand?

Hoe komen de annual air quality kaarten tot stand? Hoe komen de annual air quality kaarten tot stand? De annual air quality kaarten tonen het resultaat van een koppeling van twee gegevensbronnen: de interpolatie van luchtkwaliteitsmetingen (RIO-interpolatiemodel)

Nadere informatie

Kijk eens naar de grond. Een blik op het Hagelandse prehistorische bodemarchief

Kijk eens naar de grond. Een blik op het Hagelandse prehistorische bodemarchief Winar Wingense archeologische dienst KONINKLIJKE VLAAMSE ACADEMIE VAN BELGIË VOOR WETENSCHAPPEN EN KUNSTEN Kijk eens naar de grond. Een blik op het Hagelandse prehistorische bodemarchief 2011 Pierre M.

Nadere informatie

Archeologisch onderzoek locaties Oranjehof en Appelgaard

Archeologisch onderzoek locaties Oranjehof en Appelgaard Archeologisch onderzoek locaties Oranjehof en Appelgaard Inventariserend veldonderzoek GRONTMIJ ARCHEOLOGISCHE RAPPORTEN 201 Archeologisch onderzoek locaties Oranjehof en Appelgaard Inventariserend veldonderzoek

Nadere informatie

Hoofdweg 39 te Slochteren (gemeente Slochteren) Een Archeologisch Bureauonderzoek

Hoofdweg 39 te Slochteren (gemeente Slochteren) Een Archeologisch Bureauonderzoek Hoofdweg 39 te Slochteren (gemeente Slochteren) Een Archeologisch Bureauonderzoek Administratieve gegevens provincie: gemeente: plaats: Groningen Slochteren Slochteren toponiem: Hoofdweg 39 bevoegd gezag:

Nadere informatie

Inventaris Archeologische Zones. 2 december 2013

Inventaris Archeologische Zones. 2 december 2013 Inventaris Archeologische Zones 2 december 2013 1 Inhoud A. Archeologische zones 1. Definitie(s) 2. Aanpak van de inventarisatie (methodologie) - Selectie - Afbakening 3. Projectverloop B. Gebieden waar

Nadere informatie

De archeologie van Weert-Nederweert van de prehistorie tot de Middeleeuwen

De archeologie van Weert-Nederweert van de prehistorie tot de Middeleeuwen De archeologie van Weert-Nederweert van de prehistorie tot de Middeleeuwen dr. H.A. Hiddink senior-archeoloog VUhbs, Amsterdam cursus Weerterlogie, 17-02-2016 Geologie - hooggelegen rug in Roerdalslenk

Nadere informatie

Aandeel van de gerechtigden op wachten overbruggingsuitkeringen. volledige werkloosheid - analyse volgens arrondissement

Aandeel van de gerechtigden op wachten overbruggingsuitkeringen. volledige werkloosheid - analyse volgens arrondissement Aandeel van de gerechtigden op wachten overbruggingsuitkeringen in de volledige werkloosheid - analyse volgens arrondissement Inleiding In ons recent onderzoek betreffende de gerechtigden op wacht- en

Nadere informatie

Bijlage 4 Archeologisch onderzoek

Bijlage 4 Archeologisch onderzoek 39 Bijlage 4 Archeologisch onderzoek Wijzigingsplan "Emmastraat Pijnacker" (vastgesteld) Wijzigingsplan "Emmastraat Pijnacker" (vastgesteld) 40 Bodemverstoringsvergu nning Archeologie Plangebied: Gemeente:

Nadere informatie

Plangebied naast Warfhuisterweg 12 te Wehe-Den Hoorn (gemeente De Marne) Een Archeologisch Bureauonderzoek

Plangebied naast Warfhuisterweg 12 te Wehe-Den Hoorn (gemeente De Marne) Een Archeologisch Bureauonderzoek Plangebied naast Warfhuisterweg 12 te Wehe-Den Hoorn (gemeente De Marne) Een Archeologisch Bureauonderzoek Administratieve gegevens provincie: gemeente: plaats: toponiem: bevoegd gezag: opdrachtgever:

Nadere informatie

- Steekkaarten gemeente Ieper - IN DE GEMEENTE IEPER

- Steekkaarten gemeente Ieper - IN DE GEMEENTE IEPER - Steekkaarten gemeente Ieper - INVENTARIS GRONDVERSCHUIVINGEN IN DE GEMEENTE IEPER STEEKKAARTEN De gegevens in de steekkaarten worden enkel meegedeeld ter informatie. De auteurs bieden geen absolute zekerheid

Nadere informatie

Buro de Brug Rapporten Quickscan Archeologie Kabeltracé Waarderpolder - Vijfhuizen B09-38

Buro de Brug Rapporten Quickscan Archeologie Kabeltracé Waarderpolder - Vijfhuizen B09-38 Buro de Brug Rapporten Quickscan Archeologie Kabeltracé Waarderpolder - Vijfhuizen B09-38 Administratieve gegevens 3 1. Inleiding 4 2. De uitgangspunten 4 3. Beschrijving van de historische situatie 4

Nadere informatie

Samenvatting 203 Klimaatverandering leidt volgens de voorspellingen tot een toename van de mondiale temperatuur en tot veranderingen in de mondiale waterkringloop. Deze veranderingen in de waterkringloop

Nadere informatie

De fotogrammetrie bij het NGI

De fotogrammetrie bij het NGI De fotogrammetrie bij het NGI 1. Inleiding De fotogrammetrie is de techniek die toelaat metingen te verrichten vanaf foto s (of volgens de ontwikkelingen gedurende de laatste jaren metingen te verrichten

Nadere informatie

Inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven in het plangebied Weert-Vrouwenhof. Proefsleuf 41-62.

Inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven in het plangebied Weert-Vrouwenhof. Proefsleuf 41-62. Inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven in het plangebied Weert-Vrouwenhof. Proefsleuf 41-62. Henk Hiddink Zuidnederlandse Archeologische Notities 61 Amsterdam 2006 Archeologisch Centrum

Nadere informatie

Een Archeologisch Bureauonderzoek voor het bestemmingsplan De Grift 3 in Nieuwleusen (gemeente Dalfsen, Overijssel). Figuur 1.

Een Archeologisch Bureauonderzoek voor het bestemmingsplan De Grift 3 in Nieuwleusen (gemeente Dalfsen, Overijssel). Figuur 1. Een Archeologisch Bureauonderzoek voor het bestemmingsplan De Grift 3 in Nieuwleusen (gemeente Dalfsen, Overijssel). (Steekproef 2006-03/18, ISSN 1871-269X) Inleiding Voor De Lange, Bureau voor Stedebouw

Nadere informatie

Waarderend Archeologisch Onderzoek te Handel, Rector van de Laarschotstraat. E.N.A. Heirbaut

Waarderend Archeologisch Onderzoek te Handel, Rector van de Laarschotstraat. E.N.A. Heirbaut Waarderend Archeologisch Onderzoek te Handel, Rector van de Laarschotstraat E.N.A. Heirbaut Colofon Archol Rapport 27 Waarderend archeologisch onderzoek te Handel, Rector van de Laarschotstraat Uitvoering:

Nadere informatie

Publiekssamenvatting. Archeologisch onderzoek Groene Rivier Pannerden

Publiekssamenvatting. Archeologisch onderzoek Groene Rivier Pannerden Publiekssamenvatting Archeologisch onderzoek Groene Rivier Pannerden Catastrofale overstromingen kwamen vaak voor in de geschiedenis van Pannerden, wat met de ligging in de driehoek tussen de rivieren

Nadere informatie

Cursus landschapsgeschiedenis. De ontstaans- en bewoningsgeschiedenis van Appelscha

Cursus landschapsgeschiedenis. De ontstaans- en bewoningsgeschiedenis van Appelscha Cursus landschapsgeschiedenis De ontstaans- en bewoningsgeschiedenis van Appelscha Programma van de cursus 02-04 09-04 16-04 23-04 Ontstaansgeschiedenis Dorpsgeschiedenis Veldnamen Natuur 11-04 25-04 Fietsexcursie

Nadere informatie

Archeologietoets. locatie kerkstraat 57 Riel gemeente Goirle

Archeologietoets. locatie kerkstraat 57 Riel gemeente Goirle Archeologietoets locatie kerkstraat 57 Riel gemeente Goirle Archeologietoets Locatie Kerkstraat 57, Riel projectleider: B. van Spréw Datum: 13 oktober 2006 Uitgevoerd in opdracht van SAB Eindhoven contactpersoon:

Nadere informatie

SAMENVATTING GEOLOGIE / BODEM - BODEMKWALITEIT

SAMENVATTING GEOLOGIE / BODEM - BODEMKWALITEIT SAMENVATTING GEOLOGIE / BODEM - BODEMKWALITEIT Geologie Over het algemeen geldt dat de toplaag van 0,0 tot 0,5 m mv. zal bestaan uit opgebrachte zand/grond dat plaatselijk (licht) puinhoudend is. Ter plaatse

Nadere informatie

Archeologiebeleid op Walcheren

Archeologiebeleid op Walcheren Archeologiebeleid op Walcheren Netwerkbijeenkomst Erfgoed en Ruimte RCE 12 december 2012 Walcherse Archeologische Dienst, december 2012 Archeologie op Walcheren Verdrag van Malta 1992: bescherming archeologie

Nadere informatie

Project 434: Bureaustudie Actualisering archeologische verwachting nieuwbouwlocatie Stadhuiskwartier. Interne Rapportages Archeologie Deventer 55

Project 434: Bureaustudie Actualisering archeologische verwachting nieuwbouwlocatie Stadhuiskwartier. Interne Rapportages Archeologie Deventer 55 Interne Rapportages Archeologie Deventer 55 Mei 2012 Project 434: Bureaustudie Actualisering archeologische verwachting nieuwbouwlocatie Stadhuiskwartier COLOFON 2012, Gemeente Deventer, Deventer. Auteur:

Nadere informatie

Het gebied Begrenzing

Het gebied Begrenzing Cursus Reitdiep Het gebied Begrenzing -In het Oosten: de lijn Westerdijkshorn Wolddijk - Noorderhogebrug -In het Westen: de lijn Zuurdijk Lammerburen - Balmahuizen -In het Noorden: de lijn Onderwierum

Nadere informatie

RISICO-INVENTARISATIE DE WEID TE CASTRICUM

RISICO-INVENTARISATIE DE WEID TE CASTRICUM RISICO-INVENTARISATIE DE WEID TE CASTRICUM LUPGENS EN PARTNERS (STICHTING SIG) 13 augustus 2012 076558654:0.4 - Concept B01043.200918.0100 Inhoud Samenvatting... 3 1 Inleiding en Doel Onderzoek... 4 1.1

Nadere informatie

LANDSCHAPSANALYSE. 3: Landschapsvormen Hoog-Nederland. Sabine Geerlings Academie van Bouwkunst - 27 aprii. 27 september 2013 Academie van Bouwkunst

LANDSCHAPSANALYSE. 3: Landschapsvormen Hoog-Nederland. Sabine Geerlings Academie van Bouwkunst - 27 aprii. 27 september 2013 Academie van Bouwkunst LANDSCHAPSANALYSE 3: Landschapsvormen Hoog-Nederland 27 september 2013 Academie van Bouwkunst Sabine Geerlings Academie van Bouwkunst - 27 aprii Onderwerpen 1. Rivierenlandschap 2. Zandlandschap 3. Krijt-

Nadere informatie

Opgravingen in Ruien - Rosalinde (gem. Kluisbergen) : van een prehistorisch kampement uit de ijstijd tot de Romeinse periode

Opgravingen in Ruien - Rosalinde (gem. Kluisbergen) : van een prehistorisch kampement uit de ijstijd tot de Romeinse periode Opgravingen in Ruien - Rosalinde (gem. Kluisbergen) : van een prehistorisch kampement uit de ijstijd tot de Romeinse periode Het onderzoeksgebied vanuit de lucht bekeken (Foto: Birger Stichelbaut). De

Nadere informatie

a. vakgebonden eindtermen p. 2 b. leerplandoelstelllingen in het vrij onderwijs (VSKO) p. 3

a. vakgebonden eindtermen p. 2 b. leerplandoelstelllingen in het vrij onderwijs (VSKO) p. 3 VELDWERK LANDSCHAP DOELEN Met dit educatief pakket, ontwikkeld door de natuur- en milieueducatie dienst van de Provincie West-Vlaanderen worden belangrijke doelen en leerplandoelstellingen bereikt in het

Nadere informatie

gewenste ruimtelijke structuur voor Sint-Truiden

gewenste ruimtelijke structuur voor Sint-Truiden gewenste ruimtelijke structuur voor Sint-Truiden stad sint-truiden - rup recastrip brustem - kaart 1 secundaire verbindingsweg met laanbeplanting beekvalleien te ontwikkelen als natuurlijke dragers met

Nadere informatie

Bijlage 1 Aanvullend advies archeologisch onderzoek, Wozoco Giessenburg, Neerpolderseweg 19, Giessenburg, Gemeente Giessenlanden

Bijlage 1 Aanvullend advies archeologisch onderzoek, Wozoco Giessenburg, Neerpolderseweg 19, Giessenburg, Gemeente Giessenlanden Bijlage 1 Aanvullend advies archeologisch onderzoek, Wozoco Giessenburg, Neerpolderseweg 19, Giessenburg, Gemeente Giessenlanden 0 SOB Research, 26 juni 2014 1 1. Archeologisch onderzoek 1.1 Inleiding

Nadere informatie

Bijlage 1. Geohydrologische beschrijving zoekgebied RBT rond Bornerbroek

Bijlage 1. Geohydrologische beschrijving zoekgebied RBT rond Bornerbroek Bijlage 1 Geohydrologische beschrijving zoekgebied RBT rond Bornerbroek Bijlagel Geohydrologische beschrijving zoekgebied RBT rond Bornerbroek Bodemopbouw en Geohydrologie Inleiding In deze bijlage wordt

Nadere informatie

Samenvatting Dit proefschrift gaat over de geschiedenis van prehistorische grafheuvellandschappen in Midden- en Zuid-Nederland, gereconstrueerd door middel van palynologisch onderzoek (onderzoek met behulp

Nadere informatie

HOOFDSTUK 2 Gebiedsanalyse

HOOFDSTUK 2 Gebiedsanalyse HOOFDSTUK 2 Gebiedsanalyse 2.1 Inleiding In dit hoofdstuk zijn achtereenvolgens de ruimtelijke structuur en de functionele structuur van het plangebied uiteengezet. De ruimtelijke structuur is beschreven

Nadere informatie

3000 jaar historie van Best-Aarle opgegraven

3000 jaar historie van Best-Aarle opgegraven Locatie: Best en Aarle Periode: NEO, BRONS, IJZ, ROM, XME, NT Complextype: ELA, GC, GVX, IX, IPER, NX, NHP, XXX. Soort onderzoek: opgraving Jaartal onderzoek:2011 en 2012 Datum vondst:2011 en 2012 Uitvoerder:

Nadere informatie

Archeo-rapport 1 Archeologisch vooronderzoek van het Berkenhof te Opvelp

Archeo-rapport 1 Archeologisch vooronderzoek van het Berkenhof te Opvelp Archeo-rapport 1 Archeologisch vooronderzoek van het Berkenhof te Opvelp Kessel-Lo, 2009 Studiebureau Archeologie bvba Archeo-rapport 1 Archeologisch vooronderzoek van het Berkenhof te Opvelp Kessel-Lo,

Nadere informatie

Advies Archeologie Plangebied Smidsvuurke 5, (gemeente Veldhoven)

Advies Archeologie Plangebied Smidsvuurke 5, (gemeente Veldhoven) Administratieve gegevens Advies Archeologie NAW-gegevens plan: Plan: Oppervlakteplangebied: RO-procedure: Smidsvuurke 5 te Veldhoven Realisatie van een woning. De totale oppervlakte van het plangebied/perceel

Nadere informatie

1 Hoe gaan we om met archeologie in de gemeente Oss? U heeft een omgevingsvergunning aangevraagd.voordat we een vergunning kunnen verlenen,

1 Hoe gaan we om met archeologie in de gemeente Oss? U heeft een omgevingsvergunning aangevraagd.voordat we een vergunning kunnen verlenen, Sinds 2010 heeft de gemeente Oss een archeologiebeleid. Vanaf 1 januari 2013 geldt dit voor het gehele grondgebied van de nieuwe gemeente Oss, inclusief Lith dus. Deze brochure is voor iedereen bedoeld

Nadere informatie

2 Bemesting 44 2.1 Meststoffen 44 2.2 Soorten meststoffen 46 2.3 Grondonderzoek 49 2.4 Mestwetgeving 49

2 Bemesting 44 2.1 Meststoffen 44 2.2 Soorten meststoffen 46 2.3 Grondonderzoek 49 2.4 Mestwetgeving 49 Inhoud Voorwoord 5 Inleiding 6 1 Bodem en grond 9 1.1 Grond, bodem en grondsoorten 9 1.2 Eigenschappen van grond 20 1.3 Problemen met de grond 23 1.4 Verbeteren van landbouwgronden 30 1.5 Transport van

Nadere informatie

Voorstel van resolutie. betreffende het behoud van de poldergraslanden en de andere historische permanente graslanden

Voorstel van resolutie. betreffende het behoud van de poldergraslanden en de andere historische permanente graslanden stuk ingediend op 1440 (2011-2012) Nr. 1 20 januari 2012 (2011-2012) Voorstel van resolutie van de heren Dirk Van Mechelen, Marc Vanden Bussche en Bart Tommelein, mevrouw Mercedes Van Volcem, de heer Karlos

Nadere informatie

Prospectie- en evaluatieonderzoek in het kader van het Sigmaplan, deel 4 (Oost-Vlaanderen, B)

Prospectie- en evaluatieonderzoek in het kader van het Sigmaplan, deel 4 (Oost-Vlaanderen, B) Prospectie- en evaluatieonderzoek in het kader van het Sigmaplan, deel 4 Samenvatting Prospectie- en evaluatieonderzoek in het kader van het Sigmaplan, deel 4 (Oost-Vlaanderen, B) Yves PERDAEN & Erwin

Nadere informatie

ADVIES ARCHEOLOGIE 16 dec 2013

ADVIES ARCHEOLOGIE 16 dec 2013 NAW plan: Plan: Opp plangebied: RO-procedure: Opsteller: Aanvrager: Inrichting openbare ruimte plangebied Pantarhei aanleg ontsluitingsweg, parkeergelegenheid, openbaar groen ca. 5000 m² (locatie Pantarhei);

Nadere informatie

Gemeente Haarlem. Archeologisch onderzoek en waardestellend rapport

Gemeente Haarlem. Archeologisch onderzoek en waardestellend rapport Gemeente Haarlem Archeologisch onderzoek en waardestellend rapport Archeologisch onderzoek en waardestellend rapport Om archeologisch erfgoed te beschermen, kan bij een vergunningsaanvraag een waardestellend

Nadere informatie

Buro Maerlant. Boxtel Halderheiweg tussen nummer 3 en 5. Historische verkenning en waardering vijver

Buro Maerlant. Boxtel Halderheiweg tussen nummer 3 en 5. Historische verkenning en waardering vijver Buro Maerlant L a n d s c h a p, E c o l o g i e & R u i m t e l i j k e O r d e n i n g BM-NOTITIE 2015 Boxtel Halderheiweg tussen nummer 3 en 5 Historische verkenning en waardering vijver J. van Suijlekom,

Nadere informatie

Het groeiende beek concept

Het groeiende beek concept Het groeiende beek concept Een ontwikkelingsstrategie voor de Wilderbeek Aanleiding In juni 07 is de Wilderbeek verlegd ten behoeve van de aanleg van de A73. De Wilderbeek kent over het traject langs de

Nadere informatie

MEMO. Projectgegevens

MEMO. Projectgegevens MEMO Van : W.J. Weerheijm (Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie) Aan : Dhr. W. Nouwens (Amerpoort) Onderwerp : Archeologisch onderzoek Mariaoordlaan Baarn Datum : 23 juli 2013 Ons kenmerk : V13-29344/2677/WW

Nadere informatie

Stroomgebied Koude Beek. visie en beheer 11/03/2013

Stroomgebied Koude Beek. visie en beheer 11/03/2013 Stroomgebied Koude Beek visie en beheer 11/03/2013 Inhoud Facelift Koude Beek 1998-2008 ad-hoc werkgroep Koude Beek (2008) Aanleiding Visie: functietoekenningen Koude Beek Beheerplan vallei van de Koude

Nadere informatie

Vraag nr. 351 van 26 februari 2013 van PAUL DELVA

Vraag nr. 351 van 26 februari 2013 van PAUL DELVA VLAAMS PARLEMENT SCHRIFTELIJKE VRAGEN PASCAL SMET VLAAMS MINISTER VAN ONDERWIJS, JEUGD, GELIJKE KANSEN EN BRUSSEL Vraag nr. 351 van 26 februari 2013 van PAUL DELVA Nederlandstalig onderwijs Brussel Capaciteit

Nadere informatie

Bijlage 1.3 Bodemdaling in het Eems-Dollardgebied in relatie tot de morfologische ontwikkeling

Bijlage 1.3 Bodemdaling in het Eems-Dollardgebied in relatie tot de morfologische ontwikkeling Bijlage 1.3 Bodemdaling in het Eems-Dollardgebied in relatie tot de morfologische ontwikkeling........................................................................................ H. Mulder, RIKZ, juni

Nadere informatie

13 Bedrijventerrein voor kantoren en kantoorachtigen en bedrijven van lokaal belang Keppekouter

13 Bedrijventerrein voor kantoren en kantoorachtigen en bedrijven van lokaal belang Keppekouter 13 Bedrijventerrein voor kantoren en kantoorachtigen en bedrijven van lokaal belang Keppekouter 84 A Relatie met het afbakeningsproces In de hypothese van gewenste ruimtelijke structuur van het regionaalstedelijk

Nadere informatie

Archeo-rapport 82 Het archeologisch vooronderzoek aan de Gorsemweg te Sint-Truiden

Archeo-rapport 82 Het archeologisch vooronderzoek aan de Gorsemweg te Sint-Truiden Archeo-rapport 82 Het archeologisch vooronderzoek aan de Gorsemweg te Sint-Truiden Kessel-Lo, 2011 Studiebureau Archeologie bvba Archeo-rapport 82 Het archeologisch vooronderzoek aan de Gorsemweg te Sint-Truiden

Nadere informatie

CHECKLIST. 1. Het IVO-verkennend (voorzover booronderzoek) dient te zijn uitgevoerd door een instelling die beschikt over een opgravingsvergunning

CHECKLIST. 1. Het IVO-verkennend (voorzover booronderzoek) dient te zijn uitgevoerd door een instelling die beschikt over een opgravingsvergunning ARCHEOLOGIE CHECKLIST Beoordeling standaard rapport IVO-verkennend Algemene vragen 1. Het IVO-verkennend (voorzover booronderzoek) dient te zijn uitgevoerd door een instelling die beschikt over een opgravingsvergunning

Nadere informatie

Provinciaal Ruimtelijk Uitvoeringsplan AFBAKENING VAN HET STRUCTUURONDERSTEUNEND KLEINSTEDELIJK GEBIED KNOKKE-HEIST

Provinciaal Ruimtelijk Uitvoeringsplan AFBAKENING VAN HET STRUCTUURONDERSTEUNEND KLEINSTEDELIJK GEBIED KNOKKE-HEIST Provinciaal Ruimtelijk Uitvoeringsplan AFBAKENING VAN HET STRUCTUURONDERSTEUNEND KLEINSTEDELIJK GEBIED KNOKKE-HEIST DEFINITIEVE VASTSTELLING SEPTEMBER 2011 STEDENBOUWKUNDIGE VOORSCHRIFTEN Inhoudstafel

Nadere informatie

RAAP-NOTITIE 1378. Plangebied Weideveld. Gemeente Bodegraven Een archeologische begeleiding

RAAP-NOTITIE 1378. Plangebied Weideveld. Gemeente Bodegraven Een archeologische begeleiding RAAP-NOTITIE 1378 Plangebied Weideveld Gemeente Bodegraven Een archeologische begeleiding Colofon Opdrachtgever: gemeente Bodegraven Titel: Plangebied Weideveld, gemeente Bodegraven; een archeologische

Nadere informatie

2 Archeologisch vooronderzoek Sint-Denijs-Westrem - Flanders Expo Zone 3

2 Archeologisch vooronderzoek Sint-Denijs-Westrem - Flanders Expo Zone 3 Sint-Denijs-Westrem - Flanders Expo Zone 3 / Immpact & Natha: Archeologisch vooronderzoek van 16 tot 18 februari 2009 (stad Gent, provincie Oost-Vlaanderen) Liesbeth Messiaen & Tom Boncquet Natha 2 Archeologisch

Nadere informatie

MEROVINGISCHE PIONIERS BRABANTSE BOEREN

MEROVINGISCHE PIONIERS BRABANTSE BOEREN MEROVINGISCHE PIONIERS BRABANTSE BOEREN Middeleeuwse bewoning in de Kempen AdAK P R O V I N C I A L E I N F O D A G A R C H E O L O G I E 2 0 1 3 Turnhout zaterdag 16 februari 2013 Het voorbije decennium

Nadere informatie

Waterhuishouding en riolering Groot Zonnehoeve

Waterhuishouding en riolering Groot Zonnehoeve Waterhuishouding en riolering Groot Zonnehoeve Inleiding Dit document is opgesteld als vervolg en update van de analyse van de waterhuishouding, opgesteld in januari 2008. Toen is geconstateerd dat de

Nadere informatie

RUP SION. Gemeentelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan. bijlage 5: aanvullende watertoets. stad Lier. 04 mei 2011

RUP SION. Gemeentelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan. bijlage 5: aanvullende watertoets. stad Lier. 04 mei 2011 RUP SION bijlage 5: aanvullende watertoets Gemeentelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan stad Lier 04 mei 2011 RUP SION LIER BIJLAGE 5 aanvullende watertoets dd. 04.05.2011 PAGINA 2 / 10 Inhoud 1. Inleiding

Nadere informatie

Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid Afdeling Sociale Zekerheid

Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid Afdeling Sociale Zekerheid Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid Afdeling Sociale Zekerheid SCSZ/10/071 BERAADSLAGING NR 10/040 VAN 1 JUNI 2010 MET BETREKKING TOT DE MEDEDELING VAN GECODEERDE PERSOONSGEGEVENS

Nadere informatie

Een huisstijl voor het VIOE

Een huisstijl voor het VIOE Wichelen, 4-11-2014 Rivierlandschappen van het Scheldebekken: milieu en archeologie van het Laatglaciaal en Holoceen. MEYLEMANS E. AGENTSCHAP ONROEREND ERFGOED Een huisstijl voor het VIOE Structuur van

Nadere informatie

De Zandmaas - landschapsontwikkeling en onderzoeksmethoden

De Zandmaas - landschapsontwikkeling en onderzoeksmethoden 39 Piet van der Gaauw De Zandmaas - landschapsontwikkeling en onderzoeksmethoden Landschapsontwikkeling in het Maasdal Het is tijdens het onderzoek van de afgelopen jaren duidelijk geworden dat het huidige

Nadere informatie

14. Geohydrologie Zuidbuurt eemnes Tauw Kenmerk N001-4524746BTM-V01 06-12-2007

14. Geohydrologie Zuidbuurt eemnes Tauw Kenmerk N001-4524746BTM-V01 06-12-2007 14. Geohydrologie Zuidbuurt eemnes Tauw 06-12-2007 Notitie Concept Contactpersoon Maaike Bevaart Datum 6 december 2007 Geohydrologie Zuidbuurt Eemnes 1 Inleiding Ter voorbereiding op de ontwikkeling van

Nadere informatie

x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x

x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x Jaarplan GESCHIEDENIS Algemene doelstellingen Eerder gericht op kennis en inzicht 6 A1 A2 A3 A4 A5 Kunnen hanteren van een vakspecifiek begrippenkader en concepten, nodig om zich van het verleden een wetenschappelijk

Nadere informatie

Nieuw onderzoek op het sitecomplex langs de Molse Nete te Lommel

Nieuw onderzoek op het sitecomplex langs de Molse Nete te Lommel Nieuw Notae Praehistoricae onderzoek op 29-2009 het sitecomplex : 87-91 langs de Molse Nete te Lommel 87 Nieuw onderzoek op het sitecomplex langs de Molse Nete te Lommel Thierry VAN NESTE, Wouter YPERMAN,

Nadere informatie

Heesch - Beellandstraat

Heesch - Beellandstraat Archeologische Quickscan Heesch - Beellandstraat Gemeente Bernheze 1 Steller Drs. A.A. Kerkhoven Versie Concept 1.0 Projectcode 12110023 Datum 22-11-2012 Opdrachtgever LWM Ewislaan 12 1852 GN Heiloo Uitvoerder

Nadere informatie

Perceelswerken NU! Tope Tegoare Oproep 2014 SUBSIDIEREGLEMENT

Perceelswerken NU! Tope Tegoare Oproep 2014 SUBSIDIEREGLEMENT Landinrichtingsproject Jabbeke Wingene Inrichtingsplan Groenhove Vrijgeweid Perceelswerken NU! Tope Tegoare Oproep 2014 SUBSIDIEREGLEMENT Inhoud 1. Inleiding... 2 2. Wie kan de subsidie aanvragen?... 2

Nadere informatie

Het landschap als randvoorwaarde voor stuifzand natuur

Het landschap als randvoorwaarde voor stuifzand natuur Het landschap als randvoorwaarde voor stuifzand natuur Onderzoek stuifzandprocessen in relatie tot beheer 20-06-2013, Michel Riksen Inhoud Inleiding stuifzand als geomorfologische eenheid Onderzoek stuifzand

Nadere informatie

Visuele inspectie voormalige stortplaatsen in de gemeente Apeldoorn

Visuele inspectie voormalige stortplaatsen in de gemeente Apeldoorn Notitie Contactpersoon Erik Vonkeman Datum 12 december 2013 Kenmerk N003-1220503ERT-baw-V01-NL Visuele inspectie voormalige stortplaatsen in de gemeente Apeldoorn Voor u ligt de uitwerking van de visuele

Nadere informatie

Dordrecht Ondergronds / Briefrapport 1. Dordrecht - Meidoornlaan

Dordrecht Ondergronds / Briefrapport 1. Dordrecht - Meidoornlaan Dordrecht - Meidoornlaan Archeologische begeleiding T. Hos, 2008 Colofon Titel ISSN Briefrapportnummer 1 Aantal pagina's 7 Auteur Redactie Afbeeldingen Dordrecht Meidoornlaan, archeologische begeleiding

Nadere informatie

Dienst Studies. Evolutie van de tijdelijke werkloosheid art. 50 (slecht weer) in het licht van de geregistreerde weersomstandigheden

Dienst Studies. Evolutie van de tijdelijke werkloosheid art. 50 (slecht weer) in het licht van de geregistreerde weersomstandigheden Dienst Studies Evolutie van de tijdelijke werkloosheid art. 50 (slecht weer) in het licht van de geregistreerde weersomstandigheden Focus op de periode januari 2008 december 2012 Inhoudstafel: 1 INLEIDING

Nadere informatie

Doelstellingennota - Basisinventarisatie

Doelstellingennota - Basisinventarisatie Kaart 4: Reliëf vha-zonegrens auteur: Infrastructuur / Waterlopen datum: 13/05/04 hoogtelijnen DTM niveau 2 (NGI, 1978) DuLo-waterplan deelbekken van de Winge/Nieuwe Motte Kaart 5: Bodemkaart 01. Antropogeen

Nadere informatie

Projectnummer: D03011.000284. Opgesteld door: Ons kenmerk: Kopieën aan: Kernteam

Projectnummer: D03011.000284. Opgesteld door: Ons kenmerk: Kopieën aan: Kernteam MEMO Onderwerp Geohydrologisch vooronderzoek Amsterdam, WTC 5C, 2 oktober 2013 Van mw. M. Duineveld MSc. Afdeling IBZ Aan ZuidasDok Projectnummer D03011.000284. Opgesteld door mw. M. Duineveld MSc. Ons

Nadere informatie

Adviesnotitie (Quickscan) Middenweg te Horssen

Adviesnotitie (Quickscan) Middenweg te Horssen Adviesnotitie (Quickscan) Middenweg te Horssen (gemeente Druten) Colofon Opdrachtgever: HSRO bv Contactpersoon: Dhr. J. van Lierop Hoogstraat 1 6654 BA AFFERDEN Projectnummer: S090135 Titel: Adviesnotitie

Nadere informatie

Resultaten meerjarenproef: bewerking van de ploegzool bij nietkerende grondbewerking (NKG)

Resultaten meerjarenproef: bewerking van de ploegzool bij nietkerende grondbewerking (NKG) PROSENSOLS Resultaten meerjarenproef: bewerking van de ploegzool bij nietkerende grondbewerking (NKG) Doelstellingen De ploegzool is een verdichte laag in de bodem die weinig water doorlaat en moeilijker

Nadere informatie

Archeologische Quickscan

Archeologische Quickscan Archeologische Quickscan ten behoeve van Bestemmingsplan De Biezenkamp Leusden juli 2011 Opgesteld door: Drs. ML. Verhamme Regio-archeoloog Centrum voor Archeologie Gemeente Amersfoort 033-4637797 06-21950997

Nadere informatie