TAAL- en REDEKUNDIG ONTLEDEN

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "TAAL- en REDEKUNDIG ONTLEDEN"

Transcriptie

1 TAAL- en REDEKUNDIG ONTLEDEN Blz. Onderwerp 2 Zelfstandig naamwoord 3 Betrekkelijk voornaamwoord 4 Bijvoeglijk naamwoord 5 Gezegde 6 Koppelwerkwoord 7 Lijdend en meewerkend voorwerp 8 Onderwerp 9 Persoonlijk voornaamwoord 10 Persoonsvorm 12 Telwoord 13 Voegwoorden 14 Voorzetsel 15 Vragend voornaamwoord 16 Werkwoorden en vormen 18 Zelfstandig werkwoord 19 Zinsdelen (redekundig ontleden) 1

2 Zelfstandig naamwoord Zelfstandige naamwoorden zijn woorden die 'een zelfstandigheid' aanduiden; dat kunnen concrete zaken zijn als mensen (man, Ineke), dieren (paard) en dingen (huis, hout), maar ook abstracte zaken als gevoelens (liefde), tijdsruimten (dag), plaatsen (Den Haag, Frankrijk), eigenschappen (grootte), gebeurtenissen (botsing) en denkbeeldige personen of zaken (elf, luilekkerland), enz. Zelfstandige naamwoorden kunnen meestal gecombineerd worden met een van de lidwoorden de, het of een: de kast, het geluk, een week, enz. Ze worden daarom ook wel de-woorden en het-woorden genoemd. In verbindingen als het grote huis is huis het zelfstandig naamwoord. Het huis kun je immers wel zeggen, maar het grote niet. In veel zinnen staat er geen lidwoord bij het zelfstandige naamwoord: 'Hij staat sterk in zijn schoenen', 'Schoonheid zit vooral van binnen', 'T-shirts worden vaak van katoen gemaakt.' De meeste zelfstandige naamwoorden komen zowel in het enkelvoud (kast) als in het meervoud (kasten) voor; uitzonderingen hierop zijn bijvoorbeeld politie, vee (alleen enkelvoud) en hersens/hersenen (alleen meervoud). Ook kan van veel zelfstandige naamwoorden een verkleinvorm gemaakt worden: kastje, kindje, mannetje, enz. Van zelfstandige naamwoorden die personen aanduiden kan, door een s achter het woord te zetten ook een bezitsvorm worden gevormd: Jans fiets, mijn zusjes kamer, mama s kantoor. Zelfstandige naamwoorden kunnen met elkaar gecombineerd worden in samenstellingen: kast + deur = kastdeur; kastdeur + sleutel = kastdeursleutel. Een zelfstandig naamwoord kan ook gecombineerd worden met een bijvoeglijk naamwoord; zulke combinaties worden bijna altijd los geschreven: mooie liedjes, groene appel. Als de combinatie een eigen betekenis heeft gekregen, wordt deze soms wel aaneengeschreven: hogeschool, kleinkind. Zelfstandige naamwoorden kunnen in verschillende zinsdelen voorkomen: De vrouw slaapt. (onderwerp) Dat lijkt wel hout. (naamwoordelijk deel van het gezegde) Ik spreek mijn buurvrouw dagelijks. (lijdend voorwerp) Ik geef de kat te eten. (meewerkend voorwerp) Op vrijdagavond danst hij altijd. (bijwoordelijke bepaling) 2

3 Betrekkelijk voornaamwoord Het betrekkelijk voornaamwoord verbindt een hoofdzin en een (betrekkelijke) bijzin met elkaar. Het heeft dus behalve een verwijzende functie (die alle voornaamwoorden hebben) ook een grammaticale functie. Betrekkelijke voornaamwoorden kunnen als antecedent (datgene waar ze naar verwijzen) een woord of een hele zin hebben, maar het antecedent kan ook, zoals in 'Wie dit leest is gek', 'ingesloten' zijn in het betrekkelijk voornaamwoord. Dat is dan uit te breiden tot degene die of datgene wat. Er zijn zelfstandige en niet-zelfstandige betrekkelijke voornaamwoorden. Niet zelfstandig is welk(e), zelfstandig zijn dat, wat, die, wie, welke, hetwelk en hetgeen. Het niet-zelfstandige welke wordt alleen in heel formele zinnen gebruikt: 'Hier ziet u de zitkamer, in welk vertrek dure schilderijen hangen.' Gewoner is het gebruik van het voornaamwoordelijk bijwoord: 'Hier ziet u de zitkamer, waarin dure schilderijen hangen.' De zelfstandige betrekkelijke voornaamwoorden worden wel veel gebruikt, maar zorgen soms wel voor twijfels. Kort samengevat worden ze als volgt gebruikt: Die wordt gebruikt als het antecedent een de-woord of een meervoudsvorm is: 'Iedereen die achttien jaar of ouder is, heeft stemrecht', 'Kinderen die vragen, worden overgeslagen.' Wie wordt gebruikt als het meewerkend voorwerp is in de bijzin en naar personen verwijst: 'De man, wie we een tientje gaven, bedankte ons uitvoerig.' In het dagelijks taalgebruik wordt in deze zinnen ook vaak die gebruikt; dat is ook mogelijk. Dat wordt gebruikt om te verwijzen naar het-woorden: 'Het boek dat ik lees, is erg spannend', 'De stagiair vertelde enthousiast over het plan dat hij 's nachts bedacht had', 'Het meisje, dat piloot wil worden, is erg goed in wiskunde.' In zinnen als die laatste komt in de spreektaal ook vaak die voor, maar dat vindt lang niet iedereen acceptabel. Wat wordt gebruikt om te verwijzen naar onbepaalde woorden, overtreffende trappen en hele zinnen: 'Het enige wat ik wil, is een weekje vakantie', 'Dat is wel het laatste wat ik ooit zou doen', 'Fenna wilde graag naar de speeltuin, wat haar moeder een uitstekend idee vond.' Wie en wat kunnen bovendien gebruikt worden aan het begin van een zin, als het antecedent achterwege blijft: 'Wie niet mee wil doen, kan hier op ons wachten', 'Wat hij zegt, is volslagen onzin.' Welke wordt ook wel gebruikt om naar de-woorden te verwijzen, maar dat is voor de meeste situaties te formeel: 'U vindt hier een overzicht van de bedrijven welke in uw postcodegebied actief zijn.' Die zou hier een betere keus zijn. Naar het-woorden kan nooit met welke worden verwezen. Hetwelk en hetgeen zijn eveneens verouderd. Hetwelk kan naar een het-woord of naar een hele zin verwijzen; het kan beter worden vervangen door dat of wat. Hetgeen verwijst naar een hele zin, of heeft een ingesloten antecedent; het kan worden vervangen door wat. o Het Genootschap Onze Taal, hetwelk in 1931 werd opgericht, is de grootste taalvereniging ter wereld. (liever: dat) o Zij beweerde altijd vrolijk te zijn, hetwelk ook bleek toen ik haar beter leerde kennen. (liever: wat) o Wij gingen zaterdag naar de bioscoop, hetgeen wij een aangenaam tijdverdrijf vinden. (liever: wat) o Zijn beweringen stemmen niet overeen met hetgeen er die dag gebeurde. (liever: wat) 3

4 Bijvoeglijk naamwoord Rood is hier een bijvoeglijk naamwoord, net als in de rode auto. Bijvoeglijke naamwoorden geven een eigenschap of toestand aan van een zelfstandig naamwoord. Bijvoeglijke naamwoorden staan vaak direct voor het zelfstandig naamwoord waar ze bij horen, maar kunnen ook als apart zinsdeel voorkomen. Enkele voorbeelden (het bijvoeglijk naamwoord is gecursiveerd): de blonde jongen de dronken vrouw de ovale tafel Fries suikerbrood het gouden kettinkje de jaarlijkse ledenvergadering Sommige hobby's zijn levensgevaarlijk. Ook een tegenwoordig of voltooid deelwoord kan als bijvoeglijk naamwoord gebruikt worden: een opvliegend karakter, een onderworpen volk, de vergrote foto. Gebruik van bijvoeglijke naamwoorden Bijvoeglijke naamwoorden kunnen op vier manieren gebruikt worden: attributief, zelfstandig, predicatief en bijwoordelijk. 1. Een attributief gebruikt bijvoeglijk naamwoord staat direct voor het zelfstandig naamwoord waar het bij hoort: de blonde jongen, de dronken vrouw. Het bijvoeglijk naamwoord is dan een bijvoeglijke bepaling. 2. Zelfstandig gebruikte bijvoeglijke naamwoorden staan los in zinnen als: Wil jij een rode of een witte? Zij is de slimste van de klas. 3. Een predicatief gebruikt bijvoeglijk naamwoord staat onder meer in zinnen met een koppelwerkwoord; het is dan het naamwoordelijk deel van het gezegde: 'De auto is rood', 'De tafel is ovaal.' Ook als een bijvoeglijk naamwoord gebruikt wordt als bepaling van gesteldheid, is het predicatief gebruikt: 'Dronken kwam zij thuis', 'Vind je haar niet rustig?' 4. Als het bijvoeglijk naamwoord bijwoordelijk gebruikt is, is het een bijwoordelijke bepaling. Meestal wordt het bijvoeglijk naamwoord dan ook een bijwoord genoemd. De auto rijdt snel. Het tijdschrift verschijnt wekelijks. 4

5 Gezegde Het gezegde is het zinsdeel dat aangeeft welke handeling centraal staat in een zin; het geeft aan wie of wat het onderwerp is of doet. Het gezegde bestaat uit minstens één werkwoord, dat soms aangevuld wordt met een naamwoord of met andere werkwoorden. Er bestaan twee soorten gezegdes: het werkwoordelijk gezegde en het naamwoordelijk gezegde. Het werkwoordelijk gezegde bestaat uit alle werkwoorden die in de (hoofd)zin staan, daar zit dus ook altijd de persoonsvorm bij: Jan kijkt naar buiten. Jan heeft naar buiten gekeken. Jan had naar buiten kunnen kijken. Jan, die bij het raampje zat, had naar buiten kunnen kijken. In de vierde zin hoort zat, dat in een bijzin staat, niet bij het gezegde. Ook werkwoordelijke uitdrukkingen horen tot het werkwoordelijk gezegde. Het naamwoordelijk gezegde bestaat uit één of meer werkwoorden en een (zelfstandig, bijvoeglijk, enz.) naamwoord; ook hier zit altijd de persoonsvorm bij. Het hoofdwerkwoord van een naamwoordelijk gezegde heet het koppelwerkwoord. Met het naamwoordelijk gezegde wordt altijd een vaste eigenschap of toestand gegeven van het onderwerp: Jan is timmerman. Jan schijnt aardig te zijn. Alles bleek fout. Ook koppelwerkwoorden kunnen vergezeld worden door een hulpwerkwoord: Zij is voorzitter geweest. Mijn vriend wil leraar worden. Mijn broertje is beklemd geraakt tussen de spijlen van de trap. 5

6 Koppelwerkwoord Koppelwerkwoorden zijn hoofdwerkwoorden die iets zeggen over de toestand waarin het onderwerp zich bevindt. Ze worden in het gezegde gecombineerd met een (zelfstandig of bijvoeglijk) naamwoord; daarom heet dit het naamwoordelijk gezegde. Zijn 'koppelt' het bijvoeglijk naamwoord aardig aan het onderwerp zij. Zijn aardig is in zijn geheel het naamwoordelijk gezegde. De bekendste koppelwerkwoorden zijn zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken en voorkomen. In onderstaande voorbeelden is steeds het hele naamwoordelijk gezegde gecursiveerd. 1. Zij is voorzitter. 2. Mijn vriend wordt leraar. 3. Mijn tante blijft op de hoogte van de laatste ontwikkelingen. 4. De uitslag bleek al bij iedereen bekend. 5. Het huis leek onbewoond. 6. Zijn broer scheen nogal slim. 7. Die vrouw heet Anna. 8. Dat dunkt me geloofwaardig. 9. Zij komt me erg gespannen voor. In de betekenissen 'bestaan, zich bevinden' is zijn geen koppelwerkwoord, maar een zelfstandig werkwoord: 'Er zijn mensen die dit moelijk vinden', 'Ik ben op kantoor.' Ook blijven kan als zelfstandig werkwoord gebruikt worden: 'Hij bleef liever in Frankrijk wonen.' Ook andere werkwoorden kunnen wel als koppelwerkwoord gebruikt worden; de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS, 1997) noemt gaan, komen, lopen, raken, staan, vallen en zitten: 10. Je computer gaat op die manier kapot. 11. Zo komt je huiswerk nooit af. 12. Mijn band loopt langzaam leeg. 13. Mijn broertje raakte beklemd tussen de spijlen van de trap. 14. Zij staat bekend als uitstekend actrice. 15. Het afscheid viel hem zwaar. 16. Dat zit niet goed. 6

7 Lijdend voorwerp Het lijdend voorwerp is degene die of datgene wat de werking van het gezegde ondergaat. Het lijdend voorwerp wordt ook wel direct object genoemd. In onderstaande voorbeelden is het lijdend voorwerp steeds gecursiveerd: 1. Onder de douche zong hij vanochtend Satisfaction. 2. Pieter heeft Anna gisteren nog gezien. 3. Denise showde haar moeder haar nieuwe kleren. 4. Iedereen verdient liefde. Het lijdend voorwerp kan gevonden worden door antwoord te geven op de vraag 'wie/wat + gezegde + onderwerp'. Voor de zinnen hierboven gaat dat als volgt: 1. Wat zong hij? Satisfaction 2. Wie heeft Pieter gezien? Anna 3. Wat showde Denise? Haar nieuwe kleren 4. Wat verdient iedereen? Liefde Een lijdend voorwerp kan ook een bijzin omvatten, of zelfs bestaan uit een hele zin. In dat laatste geval wordt gesproken van een lijdendvoorwerpszin: 5. Denise showde haar moeder de kleren die zij die ochtend gekocht had. (Wat showde Denise? De kleren die zij die ochtend gekocht had) 6. Evelien vertelde dat ze volgende week op vakantie gaat. (Wat vertelde mijn vriendin? Dat ze volgende week op vakantie gaat) 7. 'Ik ga volgende week op vakantie', vertelde Evelien. (Wat vertelde Evelien? Ik ga volgende week op vakantie) 8. Haar collega's willen weten wie er meegaan met het personeelsuitje. (Wat willen haar collega's weten? Wie er meegaan met het personeelsuitje) Meewerkend voorwerp Wat is een meewerkend voorwerp? Een meewerkend voorwerp is degene die iets ontvangt of verneemt of van wie iets wordt afgenomen; het is een bepaald soort indirect object. Het meewerkend voorwerp begint vaak met het voorzetsel aan als dat niet in de zin staat, kan het er meestal bij gedacht worden. Enkele voorbeelden: 1. Julia en Kim gaven een cadeautje aan hun moeder. 2. Ik vroeg (aan) haar of ze nog op vakantie ging. 3. Mijn vriend geeft de poes en de hond hun eten. 4. Hij laat al zijn geld na aan goede doelen. 5. Toen de kinderen niet luisterden, nam hun vader hun de playstation af. Het meewerkend voorwerp is meestal een levend wezen of een instantie, maar in sommige gevallen kan ook een ding of iets abstracts meewerkend voorwerp zijn: 'Zij heeft de kast een lik verf gegeven', 'Zij geven prioriteit aan samenwerking.' 7

8 Onderwerp van de zin Het onderwerp van de zin is degene die of datgene wat in de zin iets doet of is. Wat moeilijker gezegd: het onderwerp is degene die of datgene wat de werking van het gezegde verricht of van wie of wat die werking uitgaat. In de volgende zinnen is het onderwerp steeds gecursiveerd. 1. Sam speelt verstoppertje. (Sam doet iets) 2. Op donderdag is het restaurant bij mij op de hoek gesloten. (het restaurant bij mij op de hoek is iets) 3. Mijn moeder, die zelf uit Amsterdam komt, woont al dertig jaar in Rotterdam. (mijn moeder, die zelf uit Amsterdam komt, doet iets) 4. Het regent nu al dagen. (het doet iets) 5. Het probleem zijn de hoge kosten. (de hoge kosten zijn iets) 6. Mijn zusje gaat nooit naar de discotheek. (mijn zusje doet iets) Zoals uit bovenstaande zinnen blijkt, kan het onderwerp bestaan uit een of twee woorden, maar ook uit langere constructies, zoals de zinnen 2, 3 en 5. Het onderwerp van de zin bevat een zelfstandig naamwoord of een persoonlijk voornaamwoord. Bepalen wat het onderwerp van de zin is, is in de meeste gevallen vrij makkelijk. Het onderwerp en de persoonsvorm moeten grammaticaal met elkaar overeenkomen; beide moeten bijvoorbeeld eerste persoon enkelvoud zijn. Dat wordt ook wel congruentie genoemd. Als de persoonsvorm van een enkelvoud in een meervoud verandert, verandert het onderwerp mee: 1a. Sam en Milan spelen verstoppertje. 2a. Op donderdag zijn de restaurants bij mij op de hoek gesloten. Een ander trucje dat wel gebruikt wordt, is de vraag stellen: 'Wie of wat doet iets of is iets?' Het antwoord op die vraag is het onderwerp van de zin: 'Wie doet/speelt?', 'Sam'; 'Wat is gesloten?', 'Het restaurant bij mij op de hoek', enz. In zin 5 twijfelen mensen nog wel eens over wat het onderwerp van de zin moet zijn: het probleem of de hoge kosten. Grammaticaal komen beide woordgroepen in aanmerking; we kijken dan naar welke woordgroep het meest specifiek is, de meeste informatie geeft. Dat is in dit geval de hoge kosten. Overigens vinden de meeste mensen het mooier om het onderwerp voorop te plaatsen: 'De hoge kosten zijn het probleem.' Zie ook de adviezen over meervoud of enkelvoud. 8

9 Persoonlijk voornaamwoord Je is hier een persoonlijk voornaamwoord. Persoonlijke voornaamwoorden verwijzen meestal naar levende wezens. De vorm hangt af van persoon en getal (eerste, tweede of derde persoon, en enkelvoud of meervoud), van de functie in de zin (als het voornaamwoord het onderwerp van de zin is, is de vorm anders dan wanneer het een andere functie heeft), of de vorm benadrukt wordt of niet (de zogenoemde volle en gereduceerde vormen) en het geslacht (mannelijk, vrouwelijk, onzijdig). persoon onderwerpsvorm niet-onderwerpsvorm volle vorm gereduceerd volle vorm gereduceerd eerste enkelvoud ik 'k mij me tweede enkelvoud jij, u je jou, u je derde enkelvoud hij, zij ie, die, ze, het, 't hem, haar 'm, 'r, d'r, ze, het, 't eerste meervoud wij we ons - tweede meervoud jullie, u je jullie, u je derde meervoud zij ze hen, hun ze De vormen ie en die (vaak uitgesproken als tie) worden alleen gebruikt in informele taal direct na een persoonsvorm: 'Hoe gaat-ie?', 'Dat zal die wel niet meer doen.' Het is een persoonlijk voornaamwoord in zinnen als 'Weet je waar mijn boek is? Nee, ik heb het niet gezien.' Omdat het woord het vrijwel altijd wordt uitgesproken als [ut], is het te beschouwen als gereduceerde vorm. De onderwerpsvorm wordt behalve als onderwerp van de zin ook gebruikt als aanspreekvorm en als naamwoordelijk deel van het gezegde. Zij gaan in februari trouwen. Mijn broer is twee jaar ouder dan ik. Jij daar, kom eens hier! 't Is een bijzonder kind, dat is-ie. (ie is naamwoordelijk deel) Dat is opa, en dat is tante Emma, en dat ben jij. (jij is naamwoordelijk deel) De niet-onderwerpsvorm wordt gebruikt als lijdend voorwerp of indirect object, na een voorzetsel en als naamwoordelijk deel van het gezegde. Daarnaast komt 'm voor in sommige vaste uitdrukkingen. Sam zag haar gisteren nog. (haar is lijdend voorwerp) Het is me wat! (me is indirect object) Voor jou doe ik alles. (jou staat na een voorzetsel) Als ik jou was, zou ik niet naar hem luisteren. (jou is naamwoordelijk deel van het gezegde) Daar zit 'm de kneep. (vaste uitdrukking) 9

10 Persoonsvorm De persoonsvorm is een werkwoordsvorm. Meestal is de persoonsvorm het eerste werkwoord in een zin. De persoonsvorm geeft ons veel grammaticale informatie over de zin: hij geeft aan of de zin in het enkelvoud of meervoud staat, of de zin in de eerste, tweede of derde persoon staat, en in welke tijd de zin staat. Hieronder worden eerst deze drie aspecten toegelicht, daaronder volgen wat 'trucjes' om vast te stellen welk woord in een zin de persoonsvorm is. Enkelvoud of meervoud De persoonsvorm is nauw verbonden aan het onderwerp van de zin; als het onderwerp een enkelvoud is, moet de persoonsvorm dat ook zijn; is het onderwerp een meervoud dan is de pv dat ook: 1. De jongen fietst naar school. (onderwerp (de jongen) en persoonsvorm (fietst) zijn beide enkelvoud) 2. De jongens fietsen naar school. (onderwerp (de jongens) en persoonsvorm (fietsen) zijn beide meervoud) Eerste, tweede of derde persoon Het onderwerp en de persoonsvorm moeten ook in hetzelfde getal staan; dat wil zeggen dat ze beide eerste, tweede of derde persoon moeten zijn: 3. Ik ben in de zomer jarig. (onderwerp (ik) en persoonsvorm (ben) zijn beide eerste persoon enkelvoud) 4. Jij bent in de zomer jarig. (tweede persoon enkelvoud) 5. Hij is in de zomer jarig. (derde persoon enkelvoud) 6. Wij zijn in de zomer jarig. (eerste persoon meervoud) Het verschijnsel dat de persoonsvorm en het onderwerp met elkaar overeenkomen, wordt congruentie genoemd. Tegenwoordige, toekomende of verleden tijd Aan de persoonvorm is ook te zien in welke tijd de zin staat: tegenwoordige, toekomende of verleden tijd. 7. Hij gaat elke dag met de trein naar zijn werk. (tegenwoordige tijd) 8. Mijn oma hield erg van bietjes. (verleden tijd) 9. De Olympische Spelen van 2008 zullen in Peking worden gehouden. (toekomende tijd) De persoonsvorm gaat ook vaak vergezeld van een voltooid deelwoord of een infinitief; samen geven die werkwoorden informatie over de tijd van de zin: 10. De SP heeft de verkiezingen gewonnen. (voltooid tegenwoordige tijd) 11. Hij had dat drie weken geleden al gezegd. (voltooid verleden tijd) 12. We zullen volgend jaar naar Frankrijk gaan. (onvoltooid tegenwoordig toekomende tijd) De persoonsvorm vinden Vaststellen wat de persoonsvorm van een zin is, is meestal vrij eenvoudig. Een enkelvoudige zin kan bijvoorbeeld meervoudig gemaakt worden. Het werkwoord dat dan verandert, is de persoonsvorm: 10. De SP heeft de verkiezingen gewonnen. 10

11 a. De SP en de PvdA hebben de verkiezingen gewonnen. (Het onderwerp is nu meervoud: heeft is meeveranderd in hebben, dus dat is de persoonsvorm van zin 9.) b. De SP had de verkiezingen gewonnen. (Van de voltooid tegenwoordige tijd is een voltooid verleden tijd gemaakt: heeft is veranderd in had en is dus de persoonsvorm van zin 9.) Een ander trucje om de persoonsvorm te vinden, is de zin vragend te maken; de persoonsvorm komt dan vooraan in de zin: 10c. Heeft de SP de verkiezingen gewonnen? 11c. Had hij dat drie weken geleden al gezegd? 12c. Zullen wij volgend jaar naar Frankrijk gaan? Samengestelde werkwoorden Samengestelde werkwoorden zijn in hun geheel de persoonsvorm, ook als ze gescheiden in de zin staan: 13. De jongen leidde het meisje de hele tijd af. (Het hele werkwoord is afleiden) 14. Hoe laat kom je thuis? (Het hele werkwoord is thuiskomen) 15. Zij maakt veel gebruik van het internet. (Het hele werkwoord is gebruikmaken) 11

12 Telwoord Veel is een telwoord, en wel een onbepaald hoofdtelwoord. Telwoorden zijn woorden die het aantal of (rang)nummer van iets aangeven. Er zijn twee soorten telwoorden: hoofdtelwoorden en rangtelwoorden. Beide soorten komen in bepaalde en in onbepaalde vorm voor. Bepaalde telwoorden geven het precieze aantal of (rang)nummer, onbepaalde geven een niet-gespecificeerd aantal of (rang)nummer. Hoofdtelwoord Hoofdtelwoorden geven een aantal of nummer; bepaalde hoofdtelwoorden zijn getallen als vijf, miljoen, drieëntwintig. Ook beide is een bepaald hoofdtelwoord; het duidt altijd een tweetal aan. Onbepaalde hoofdtelwoorden zijn veel en weinig en hun trappen van vergelijking (veel - meer - meest en weinig - minder - minst). In informeel taalgebruik komt ook tig voor: 'Dat heb ik je al tig keer verteld.' Ook afgeleide vormen als tweeën ('Wij tweeën weten wel beter') en drietjes ('We gaan gezellig met z'n drietjes op vakantie') zijn hoofdtelwoorden. De woorden enige, enkele, ettelijke, menig(e), sommige, verscheidene, verschillende, genoeg, voldoende, zat ('Ik heb zat boeken'), wat ('Hij kan wel wat steun gebruiken') en alle worden soms als onbepaald voornaamwoord en soms als onbepaald telwoord gezien. Rangtelwoorden De rangtelwoorden geven de rangorde in een reeks aan. Bepaalde rangtelwoorden geven een absolute positie in de reeks aan, onbepaalde een relatieve. Bepaalde rangtelwoorden worden gevormd door -de of -ste aan een bepaald hoofdtelwoord toe te voegen: achtste, tiende, twintigste. Bij één hoort het rangtelwoord eerste, bij drie hoort derde. Onbepaalde rangtelwoorden zijn woorden als laatste, middelste, hoeveelste en zoveelste. Breuken Breuken worden gevormd door een hoofdtelwoord en een rangtelwoord met elkaar te verbinden: eenderde, drievierde. Let op: in het Witte Boekje zijn breuken één woord, in het Groene Boekje worden ze los geschreven (een derde, drie vierde). 12

13 Voegwoorden Voegwoorden zijn woorden die zinnen (of woorden) 'aan elkaar voegen'. Met voegwoorden wordt het verband tussen (de inhoud van de) zinnen duidelijk. Er zijn verschillende soorten verbanden mogelijk: Voegwoorden van tijd geven aan in welke volgorde de zaken zich afspelen: 'Hij brengt de kinderen weg voordat hij naar zijn werk gaat.' Voegwoorden van tijd zijn onder meer nadat, voordat, zolang, terwijl en totdat. Voegwoorden van voorwaarde geven aan dat wat in de ene zin beschreven wordt een voorwaarde is voor de andere zin: 'Ze geeft een feestje, tenzij ze ziek is', 'Hij geeft een feestje, mits hij voldoende geld heeft.' Voegwoorden van voorwaarde zijn bijvoorbeeld mits, tenzij, wanneer, als en indien. Voegwoorden van reden, oorzaak en gevolg zijn bijvoorbeeld omdat en doordat, zodat en opdat, en want: 'Henny werd directeur doordat ze zo veel ervaring had', 'Joep begon te schreeuwen, omdat hij het zat was', 'Ik zeg het je, zodat je er iets aan kunt doen.' Tegenstellende voegwoorden geven een tegenstelling tussen zinnen aan: 'Hij wil niet, maar zij wel', 'De voorstelling was lang doch interessant.' Voegwoorden van toegeving zijn bijvoorbeeld hoewel en ofschoon. De informatie in de ene zin nuanceert de informatie in de andere zin: 'Ik vond het een vervelende man, hoewel hij wel goed kon uitleggen.' Ook en, dat en of zijn voegwoorden: 'Hij deed de afwas en bracht de auto naar de garage', 'Rij jij of rij ik?', 'Ze vroeg of het leuk was', 'Ik vertelde dat ik ziek was.' Voegwoorden kunnen zowel nevenschikkend als onderschikkend zijn. Nevenschikkende voegwoorden leggen een verband tussen twee hoofdzinnen, nevenschikkende tussen een hoofdzin en een bijzin. Het is koud en het regent. (en verbindt twee hoofdzinnen) Het is koud want het regent. (want verbindt twee hoofdzinnen) Het is koud omdat het regent. (omdat verbindt een hoofdzin en een bijzin) Terwijl je in de trein zit, kun je mooi je proefwerk leren. (terwijl verbindt een bijzin en een hoofdzin) Nevenschikkend zijn bijvoorbeeld en, maar, of, dan (wel), dus en want. Onderschikkende voegwoorden zijn bijvoorbeeld: dat, voordat, nadat, tot, terwijl, als, toen, omdat, doordat en zodat. 13

14 Voorzetsel Voorzetsels drukken de relatie uit tussen de woordgroep waar het voorzetsel deel van uitmaakt en een ander element in de zin. Voorzetsels zijn bijna altijd onderdeel van een woordgroep waarin het hoofdwoord een zelfstandig naamwoord is. Voorbeelden van voorzetsels zijn aan, achter, bij, op en voor: De pen ligt op de tafel. Ik ga met de trein naar mijn werk. (met hoort bij de trein; naar bij mijn werk) In tegenstelling tot wat de naam doet vermoeden, kunnen voorzetsels ook achter de woordgroep staan waar ze bij horen: 'Hij reisde de hele wereld over.' Er zijn ook combinaties van voorzetsel mogelijk, zoals op... af en door... heen: 'Hij fietste hard op de stoep af', 'Je kunt niet meer door het glas heen kijken.' Voorzetseluitdrukkingen Voorzetseluitdrukkingen zijn vaste combinaties met een of meer voorzetsels die in hun geheel de functie van voorzetsel hebben. Voorbeelden zijn met betrekking tot, in het kader van, door middel van. Ze zijn vaak te vervangen door één ander voorzetsel. Voorzetsel of bijwoord Sommige woorden kunnen zowel voorzetsel als bijwoord zijn. Ze worden dan wel voorzetselbijwoorden genoemd. Ze kunnen verschillende functies hebben in de zin: ze kunnen deel uitmaken van een scheidbaar samengesteld werkwoord, deel zijn van het naamwoordelijk gezegde of een bijwoordelijke bepaling zijn. In dat laatste geval gaat het vrijwel altijd om bepalingen van plaats, maar het kan ook een nadere bepaling zijn bij een woordgroep die met een voorzetsel begint. Hoe laat komen we in New York aan? (deel van het werkwoord aankomen; zie ook het advies over de persoonsvorm) Kleding uit de jaren tachtig is tegenwoordig weer helemaal in. (deel van het naamwoordelijk gezegde) Spring maar achterop. (bijwoordelijke bepaling van plaats) Let op gevallen als: 'Zij zat het liefst achter op de fiets.' Achter is hier een bijwoord dat bij op de fiets hoort, en op is een voorzetsel, dat bij de fiets hoort; achter op wordt in dit soort constructies als twee woorden geschreven. 14

15 Vragend voornaamwoord Tot welk woordsoort hoort wie in de zin: 'Wij vragen ons af wie de volgende president van de Verenigde Staten wordt'? Wie is daar een vragend voornaamwoord. Vragende voornaamwoorden kunnen zelfstandig en niet-zelfstandig gebruikt worden. De zelfstandige vragende voornaamwoorden kunnen zowel naar personen als naar niet-personen verwijzen: Wie hoor ik daar? Weet jij wie zich voor de wedstrijd hebben ingeschreven? Wat zeg je? Ik vraag me weleens af wat een huis in het Gooi nou eigenlijk kost. Er zijn drie boeken te vergeven. Welk wil jij? Wil je een glaasje wijn? Lekker, wat voor heb je? De niet-zelfstandige vragende voornaamwoorden passen zich aan aan het zelfstandig naamwoord dat erop volgt: Welk boek wil je hebben? Weet jij welke auto het hardst kan? Wat voor (een) man is hij? Wiens idee was dat? Ook bijwoorden kunnen als vraagwoord gebruikt worden; ze worden dan nog steeds benoemd als bijwoord: Wanneer ga je op vakantie? Hoe gaat hij naar zijn werk nu de auto kapot is? 15

16 Werkwoord Werkwoorden zijn woorden die aangeven welke handeling of toestand of welk proces in de zin centraal staat. Werkwoorden geven aan in welke tijd de zin staat: de verleden, tegenwoordige of toekomende tijd. Het werkwoord past zich altijd aan aan het onderwerp van de zin; als het onderwerp in de eerste persoon enkelvoud staat, moet het werkwoord dat ook zijn. Dit verschijnsel heet congruentie. 1. Ik ga met de trein naar mijn werk. (eerste persoon enkelvoud, tegenwoordige tijd) 2. De meisjes hebben de hele middag verstoppertje gespeeld. (derde persoon meervoud, voltooid tegenwoordige tijd) Als in een zin meer dan één werkwoord staat, is een van die werkwoorden het hoofdwerkwoord. De andere werkwoorden zijn hulpwerkwoorden. Het hoofdwerkwoord heeft de vorm van een voltooid deelwoord of het hele werkwoord, ook wel de infinitief genoemd. Het hoofdwerkwoord is onmisbaar; als het wordt weggelaten uit de zin blijft een ongrammaticale zin over. In de tweede zin hierboven kan hebben worden weggelaten: 'De meisjes speelden de hele middag verstoppertje.' (De zin moet wel wat 'omgebouwd' worden: 'De meisjes de hele middag verstopppertje gespeeld' is natuurlijk geen correcte zin.) Zonder spelen is de zin echter niet meer te begrijpen: 'De meisjes hebben de hele middag verstoppertje.' Hebben is hier het hulpwerkwoord. Zinnen met meer dan één hulpwerkwoord zijn ook mogelijk: 'Hij zou zich wel uit zo'n situatie hebben weten te redden' heeft maar liefst vier werkwoorden. Welk is daarvan het hoofdwerkwoord? Daar is achter te komen door de werkwoorden één voor één weg te strepen: 3. Hij heeft zich wel uit zo'n situatie weten te redden. 4. Hij weet zich wel uit zo'n situatie te redden. 5. Hij redt zich wel uit zo'n situatie. Redden blijft in de laatste zin over, en is dus het hoofdwerkwoord. Hoofdwerkwoorden kunnen we overigens ook weer onderverdelen in twee soorten: zelfstandige werkwoorden en koppelwerkwoorden. 6. Heb jij de nieuwste Harry Potter al gelezen? (heb is hulpwerkwoord van tijd; het hoofdwerkwoord gelezen is een zelfstandig werkwoord) 7. Zij is lange tijd voorzitter geweest (is is hulpwerkwoord van tijd, het hoofdwerkwoord geweest is een koppelwerkwoord) Vormen van het werkwoord Voltooid deelwoord, infinitief en conjunctief zijn allemaal vormen van het werkwoord. Ze worden op verschillende manieren gebruikt. Dit advies biedt een beknopt overzicht van de werkwoordsvormen. Meer informatie is in specifiekere adviezen te vinden; zie daarvoor de links. Infinitief (onbepaalde wijs) Infinitief is een ander woord voor het hele werkwoord. Soms wordt deze vorm ook wel de onbepaalde wijs genoemd. Voorbeelden van infinitieven zijn: gaan, lopen, benoemen, updaten. Stam Van de infinitief worden andere werkwoordsvormen afgeleid, vaak door eerst de stam van het werkwoord te bepalen. Kort gezegd is dat het hele werkwoord zonder de uitgang -en. De stam van werken is werk, de stam van reizen is reiz en de stam van gaan is ga. 16

17 Voltooid deelwoord (participium) Het voltooid deelwoord is een werkwoordsvorm die gebruikt wordt in combinatie met een hulpwerkwoord en die aangeeft dat een handeling voltooid is. Voorbeelden van voltooide deelwoorden zijn gewerkt, gelopen, onthouden, verkocht en beloofd. Het hulpwerkwoord en het voltooid deelwoord vormen samen het gezegde van de zin. Het voltooid deelwoord kan zowel in actieve als in passieve zinnen gebruikt worden: 'Wij hebben een heel eind gefietst', 'De deur wordt geverfd', 'Het huis is verkocht.' Het voltooid deelwoord kan op verschillende manieren gevormd worden. Vaak wordt het voorvoegsel ge- voor de stam van het werkwoord geplaatst en komt er een d of t achter. Soms komt de uitgang -en achter de stam. Het voltooid deelwoord wordt zonder ge- gevormd bij onscheidbaar samengestelde werkwoorden waarbij de klemtoon op het tweede deel valt (doorlópen, weerleggen, misbruiken) en bij veel werkwoorden die beginnen met be-, er-, ge-, her-, ont- of ver-: bewonen, erkennen, gebeuren, herinneren, ontdekken, verdelen, enz. Meer informatie over het vormen van het voltooid deelwoord staat in de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS). Tegenwoordig deelwoord (participium presens) Behalve het voltooid deelwoord bestaat er ook een tegenwoordig deelwoord, soms ook wel onvoltooid deelwoord genoemd. Dit wordt gevormd door een d achter het hele werkwoord te plaatsen; het geeft aan dat een handeling bezig is: lopend, lachend, staand. Het tegenwoordig deelwoord wordt meestal gebruikt als bijvoeglijke bepaling of als bepaling van gesteldheid: 'De lachende jongen fietste bijna tegen een paaltje op' (bijvoeglijke bepaling), 'De jongen fietste lachend bijna tegen een paaltje op' (bepaling van gesteldheid). Aantonende wijs (indicatief) De indicatief of aantonende wijs is een van de vier 'wijzen' die Nederlandse werkwoorden kunnen aannemen. De andere zijn de infinitief (of onbepaalde wijs), de aanvoegende en de gebiedende wijs. De bekende werkwoordstijden als onvoltooid tegenwoordige tijd, voltooid verleden tijd, enz. vallen onder de aantonende wijs. Het is dus de overkoepelende term om alle werkwoordstijden mee aan te duiden. Een overzicht van de werkwoordstijden staat elders op deze website. Aanvoegende wijs (conjunctief) De conjunctief, of aanvoegende wijs, is bijna uit het Nederlands verdwenen. De vorm, die een wens uitdrukt, komt eigenlijk alleen nog voor in vaste verbindingen als Leve de Koningin! en Men neme twee eieren. In het meervoud komt er eigenlijk een n achter de conjunctief, maar die blijft tegenwoordig vaak achterwege. Zie ook het advies over 'Leve(n) de kinderen!' Gebiedende wijs (imperatief) De imperatief of gebiedende wijs wordt gebruikt om bevelen, aansporingen of verzoeken uit te drukken: 'Kom binnen', 'Ga zitten'. De gewone gebiedende wijs is gelijk aan de eerste persoon enkelvoud van het werkwoord. De enige uitzondering hierop is de gebiedende wijs van het werkwoord zijn, die wees is: 'Wees maar niet bang'. Bij werkwoorden als houden en rijden kan de d wegvallen: 'Hou(d) je mond', 'Rij(d) voorzichtig'. Zie ook het advies over 'Ik hou(d) van jou'. Vroeger kon er in het meervoud een t achter de gebiedende wijs komen, maar tegenwoordig niet meer. Zie ook het advies over 'Red(t) de tijger'. Een lastig geval is de kwestie 'Meld u aan via onze website'. 17

18 Zelfstandig werkwoord Als in een zin meerdere werkwoorden staan, is één daarvan het hoofdwerkwoord. Dit kan een koppelwerkwoord zijn of een zelfstandig werkwoord; hoofdwerkwoord is hier een overkoepelende term voor. De overige werkwoorden in de zin zijn hulpwerkwoorden. Zinnen waarin het hoofdwerkwoord een zelfstandig werkwoord is, hebben een werkwoordelijk gezegde. Het zelfstandig werkwoord geeft een actie aan. Dat het begrip 'actie' zeer ruim moet worden opgevat, blijkt uit het feit dat ook zinnen als 'Ik zit op een stoel' en 'Hij ligt in bed' een werkwoordelijk gezegde hebben. Ik ga naar de bakker. (ga is het zelfstandig werkwoord) Ik zou dat anders gedaan hebben. (zou en hebben zijn hulpwerkwoorden, gedaan is het zelfstandig werkwoord) Het zelfstandig werkwoord is voor de betekenis van een zin onmisbaar; als het zou worden weggelaten, blijft een onbegrijpelijke zin over. Zo kunnen als de zin wat 'omgebouwd' wordt de werkwoorden zou en hebben wel weggelaten worden uit de zin 'Ik zou dat anders gedaan hebben': 'Ik doe/deed dat anders.' Gedaan kan echter onmogelijk weggelaten worden: 'Ik zou dat anders hebben' en 'Ik heb dat anders' zijn onbegrijpelijk. 18

19 Zinsdelen (redekundig ontleden) Wat is redekundig ontleden en hoe doe je dat? Bij redekundig ontleden wordt een zin verdeeld in zinsdelen. Een zinsdeel is een eenheid die een bepaalde functie heeft in de zin. Traditioneel worden de volgende zinsdelen onderscheiden: onderwerp, persoonsvorm, gezegde, meewerkend voorwerp, belanghebbend voorwerp, oorzakelijk voorwerp, lijdend voorwerp, bijwoordelijke bepaling, bijvoeglijke bepaling, voorzetselvoorwerp en bepaling van gesteldheid. Natuurlijk komen niet al die zinsdelen samen in één zin voor, maar elke zin (behalve een elliptische zin) heeft een onderwerp en een gezegde. 'Ik slaap' bestaat uit een onderwerp (ik) en een gezegde (slaap). De zin 'Anna leest een boek' heeft een onderwerp (Anna), een gezegde (leest) en een lijdend voorwerp (een boek). In dit advies staat hóé zinnen ontleed worden; meer informatie over de verschillende zinsdelen staat in de afzonderlijke adviezen over de zinsdelen. Stel dat de zin 'Mijn moeder heeft gisteren op de markt appels gekocht' redekundig ontleed moet worden. Wat is dan de beste aanpak? Het volgende stappenplan geeft houvast: 1. Stel eerst vast wat de persoonsvorm is, bijvoorbeeld door de zin vragend te maken: 'Heeft mijn moeder gisteren op de markt appels gekocht?' De persoonsvorm is het woord dat nu vooraan staat: heeft. 2. Kijk vervolgens of er nog meer werkwoorden in de zin staan, die samen met heeft het gezegde kunnen vormen. Gekocht is het enige andere werkwoord; het gezegde van de zin is dus heeft gekocht. Omdat dit gezegde alleen uit werkwoorden bestaat, en een actie aanduidt, is het een werkwoordelijk gezegde. 3. Ga dan op zoek naar het onderwerp van de zin; dat kan bijvoorbeeld gevonden worden door antwoord te geven op de vraag 'Wie (of wat) heeft gekocht?' Het antwoord daarop is mijn moeder, wat dus het onderwerp van de zin is. 4. Het hoofdwerkwoord van deze zin is kopen. Een eigenschap van dit werkwoord is dat het altijd een lijdend voorwerp bij zich heeft (het is overgankelijk); er moet altijd in de zin staan wát iemand koopt: in dit geval appels. 5. In de zin staat geen meewerkend voorwerp; er wordt niet aangegeven voor wie de appels zijn. 6. Dan is er nog het stukje gisteren op de markt. Dit zijn twee aparte zinsdelen; ze kunnen los van elkaar verplaatst of weggelaten worden: 'Gisteren heeft mijn moeder op de markt appels gekocht', 'Mijn moeder heeft op de markt appels gekocht', 'Mijn moeder heeft gisteren appels gekocht.' Gisteren en op de markt zijn beide bepalingen. Gisteren is een bepaling van tijd, op de markt een bepaling van plaats. Samenvattend wordt de zin 'Mijn moeder heeft gisteren op de markt appels gekocht' dus als volgt ontleed: mijn moeder = onderwerp heeft = persoonvorm heeft gekocht = werkwoordelijk gezegde gisteren = bepaling van tijd op de markt = bepaling van plaats appels = lijdend voorwerp Op vergelijkbare wijze kan de zin 'Die nieuwe buurman lijkt me heel aardig' ontleed worden: 1. Als de zin vragend wordt gemaakt, luidt hij: 'Lijkt die nieuwe buurman me heel aardig?' De persoonsvorm is dus lijkt. 2. Lijken is een koppelwerkwoord. Deze zin heeft dus een naamwoordelijk gezegde. Omdat een naamwoordelijk gezegde een vaste eigenschap aangeeft, moet die 19

20 eigenschap genoemd worden in de zin. Dat is heel aardig; lijkt heel aardig is dus het naamwoordelijk gezegde. Heel aardig is van dit gezegde het naamwoordelijk deel. 3. Het antwoord op de vraag 'Wie lijkt heel aardig?' is die nieuwe buurman, dat dus het onderwerp is. 4. Blijft over me. Dit is een ondervindend voorwerp. De volledige ontleding van de zin 'Die nieuwe buurman lijkt me heel aardig' is dus: die nieuwe buurman = onderwerp lijkt = persoonsvorm lijkt heel aardig = naamwoordelijk gezegde me = ondervindend voorwerp heel aardig = naamwoordelijk deel van het gezegde 20

Woordsoorten. Nederlands. Aanwijzend voornaamwoord. Onderschikkend voegwoord. Persoonlijk voornaamwoord. Betrekkelijk voornaamwoord

Woordsoorten. Nederlands. Aanwijzend voornaamwoord. Onderschikkend voegwoord. Persoonlijk voornaamwoord. Betrekkelijk voornaamwoord Woordsoorten Nederlands Aanwijzend voornaamwoord Betrekkelijk voornaamwoord Bezittelijk voornaamwoord Bijvoeglijk gebruikt werkwoord Bijvoeglijk naamwoord Bijwoord Bijzin Hoofdzin Hulpwerkwoord Koppelwerkwoord

Nadere informatie

Z I N S O N T L E D I N G

Z I N S O N T L E D I N G - 1 - Z I N S O N T L E D I N G Waarom is zinsontleding zo belangrijk? Elke scholier op de middelbare school maar ook de kinderen op de lagere school, komen veelvuldig met zinsontleding in aanraking, eigenlijk

Nadere informatie

Werkwoorden zijn woorden die aangeven wat iets of iemand doet, is of wordt.

Werkwoorden zijn woorden die aangeven wat iets of iemand doet, is of wordt. DEEL 1: werkwoorden 1. Werkwoorden Werkwoorden zijn woorden die aangeven wat iets of iemand doet, is of wordt. Voorbeelden: komen, gaan, zwemmen, lopen, zijn enz. 1.1 Vormen van het werkwoord Werkwoorden

Nadere informatie

Inhoud. Inleiding 15. Deel 1 Spelling 18

Inhoud. Inleiding 15. Deel 1 Spelling 18 Inhoud Deel 1 Spelling 18 Inleiding 15 1 Grondbeginselen van de Nederlandse spelling 21 1.1 Verschil tussen klank en letter 22 1.2 Hoofdregels 22 1.3 Interactie tussen de regels 24 1.4 Belang van de regel

Nadere informatie

CVO Tweedekansonderwijs Antwerpen NIVEAUBEPALING NEDERLANDS ASO 3

CVO Tweedekansonderwijs Antwerpen NIVEAUBEPALING NEDERLANDS ASO 3 CVO Tweedekansonderwijs Antwerpen NIVEAUBEPALING NEDERLANDS ASO 3 Voor Nederlands zijn er 3 modules van elk 4 uur per week. De uren worden aansluitend gegeven, het gaat dus om een volledige namiddag. De

Nadere informatie

Niveauproef voor Nederlands in ASO 3 de graad

Niveauproef voor Nederlands in ASO 3 de graad Niveauproef voor Nederlands in ASO 3 de graad Waarom? Voor Nederlands zijn er 3 modules van elk 4 uur per week. De uren worden aansluitend gegeven, het gaat dus om een volledige namiddag. De vaardigheden

Nadere informatie

Grammaticaboekje NL. Om een beeld te krijgen van de inhoud: De inhoudsopgave, een paar onderwerpen en de eerste bladzijde van de trefwoorden.

Grammaticaboekje NL. Om een beeld te krijgen van de inhoud: De inhoudsopgave, een paar onderwerpen en de eerste bladzijde van de trefwoorden. 9 789082 208306 van Om een beeld te krijgen van de inhoud: De inhoudsopgave, een paar onderwerpen en de eerste bladzijde van de trefwoorden. Opzoekboekje voor leerlingen in klas 1 tot en met 3 in de onderbouw

Nadere informatie

Werkwoordelijk gezegde Dit zijn alle werkwoorden in een zin met alles wat bij deze werkwoorden hoort. 1. Francien stond maar te kijken.

Werkwoordelijk gezegde Dit zijn alle werkwoorden in een zin met alles wat bij deze werkwoorden hoort. 1. Francien stond maar te kijken. Ontleden Persoonsvorm 3 trucjes om de persoonsvorm te vinden zijn: 1. Maak van de zin een vraagzin. Het werkwoord dat vooraan komt te staan is de persoonsvorm. 2. Zet de zin in een andere tijd, de persoonsvorm

Nadere informatie

Grammatica. Op niveau onderbouw - Naslag

Grammatica. Op niveau onderbouw - Naslag Op niveau onderbouw - Naslag Grammatica In dit naslagdocument vind je de belangrijkste onderdelen van grammatica die in Op niveau onderbouw, leerjaar 1 t/m 3, worden behandeld. Als je wilt weten welke

Nadere informatie

Tipboekje. Herman Jozefschool. Groep 8

Tipboekje. Herman Jozefschool. Groep 8 Tipboekje Herman Jozefschool Groep 8 Inhoudsopgave Tips: Woordsoorten Werkwoorden, Lidwoorden,Zelfstandige naamwoorden en eigen namen Bijvoeglijke naamwoorden,voorzetsels,vragende voornaamwoorden Bezittelijke

Nadere informatie

Nederlands C.T samenvatting

Nederlands C.T samenvatting Nederlands C.T samenvatting Wat te leren: Blok 4 + helft blok 5, op de leer s.o stof na. Blok 4 2.2 Chronologische tijdsvolgorde: de ene gebeurtenis na de andere Tijdsprong: het overslaan van een stuk

Nadere informatie

De laat gearriveerde koerier drinkt achter een bruin bureau koude koffie. Deze jonge verpleegster huppelt meestal vrolijk door de lange gangen.

De laat gearriveerde koerier drinkt achter een bruin bureau koude koffie. Deze jonge verpleegster huppelt meestal vrolijk door de lange gangen. Zinsdelen Nederlands Bijvoeglijke bepaling Bijwoordelijke bepaling Lijdend voorwerp Meewerkend voorwerp Naamwoordelijk gezegde Onderwerp Persoonsvorm Voorzetselvoorwerp Werkwoordelijk gezegde Bijvoeglijke

Nadere informatie

instapkaarten taal verkennen

instapkaarten taal verkennen -b fl41..- 1 rair î ; : ; - / 0 t- t-, 9 S QURrz 71 1 t 5KM 1o r MALNBERG St 4) 4 instapkaarten ji - S 1,1 1 thema 5 1 les 2 S S S - -- t. Je leert hoe je van het hele werkwoord een voltooid deelwoord

Nadere informatie

π (spreek uit uiltje ): hulpwerkwoorden of modale hulpwerkwoorden 46

π (spreek uit uiltje ): hulpwerkwoorden of modale hulpwerkwoorden 46 Inhoud Inleiding 6 1 Wie? (mensen) Wat? (dieren en dingen) 10 π Het zelfstandig naamwoord (man, vrouw, Jan) 12 π Het zelfstandig naamwoord, meervoud (lepels, bloemen) 13 π Het zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

Nadere informatie

2 Правописание Spelling 11 Hoofdletters en kleine letters 11 Klinkers na de sisklanken ж, ч, ш, щ / г, к, х / ц 12 Interpunctie 12

2 Правописание Spelling 11 Hoofdletters en kleine letters 11 Klinkers na de sisklanken ж, ч, ш, щ / г, к, х / ц 12 Interpunctie 12 Inhoudsopgave 1 Русский алфавит Het Russische alfabet 10 2 Правописание Spelling 11 Hoofdletters en kleine letters 11 Klinkers na de sisklanken ж, ч, ш, щ / г, к, х / ц 12 Interpunctie 12 3 Фонетика Fonetiek

Nadere informatie

handelingswijzer redekundig ontleden zinsdelen

handelingswijzer redekundig ontleden zinsdelen handelingswijzer redekundig ontleden zinsdelen Naslagwerk Voor leerlingen en ouders INHOUD INHOUD... 2 REDEKUNDIGE ONTLEDING: ZINSDELEN... 3 PERSOONSVORM (pv)... 3 WERKWOORDELIJK GEZEGDE (ww gez)... 3

Nadere informatie

Les 5 Werkwoorden 22 Les 6 De persoonsvorm van het werkwoord 24 Les 7 De, het, een 26 Les 8 Het meervoud (op -en, -s of - s) 28 Herhalingstoets 2 30

Les 5 Werkwoorden 22 Les 6 De persoonsvorm van het werkwoord 24 Les 7 De, het, een 26 Les 8 Het meervoud (op -en, -s of - s) 28 Herhalingstoets 2 30 Inhoud Deel 1 Grammaticale vormen Les 1 Letter, woord, zin, getal, cijfer 12 Les 2 Zinnen 14 Les 3 Persoonlijke voornaamwoorden (1) 16 Les 4 Hij / het / je / we / ze 18 Herhalingstoets 1 20 Les 5 Werkwoorden

Nadere informatie

Werkwoorden. Hebben en zijn. De twee belangrijkste werkwoorden in het Nederlands zijn hebben en zijn. Ik ben Thomas. Ik heb een fiets.

Werkwoorden. Hebben en zijn. De twee belangrijkste werkwoorden in het Nederlands zijn hebben en zijn. Ik ben Thomas. Ik heb een fiets. Werkwoorden Hebben en zijn De twee belangrijkste werkwoorden in het Nederlands zijn hebben en zijn. Ik ben Thomas. Ik heb een fiets. persoon onderwerp hebben zijn 1 enk. ik heb ben 2 enk. jij/u hebt bent

Nadere informatie

π (spreek uit uiltje ): hulpwerkwoorden of modale hulpwerkwoorden 46

π (spreek uit uiltje ): hulpwerkwoorden of modale hulpwerkwoorden 46 Inhoud Inleiding 6 1 Wie? (mensen) Wat? (dieren en dingen) 10 π Het zelfstandig naamwoord (man, vrouw, Jan) 12 π Het zelfstandig naamwoord, meervoud (lepels, bloemen) 13 π Het zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

Nadere informatie

DE SAMENGESTELDE ZIN ONDERWERPSZIN. ( Wie niet sterk is ),( moet ) [ slim ] { zijn }.

DE SAMENGESTELDE ZIN ONDERWERPSZIN. ( Wie niet sterk is ),( moet ) [ slim ] { zijn }. 1 DE SAMENGESTELDE ZIN Voordat een zin als samengestelde zin ontleed kan worden, moet hij eerst als enkelvoudige zin ontleed zijn, d.w.z. in een zin met maar één persoonsvorm ( en andere zinsdelen). Een

Nadere informatie

Pdf versie uitleg Grammatica

Pdf versie uitleg Grammatica Uitleg Grammatica Inleiding In deze zelfstudiemodule kun je grammatica oefenen. Grammatica betekent volgens de Van Dale Leer van het systeem van een taal, geheel van regels volgens welke woorden en zinnen

Nadere informatie

De bovenkamer. Het gebruik van De bovenkamer bij Taal actief. Josée Coenen. een kleurrijke grammatica van het Nederlands

De bovenkamer. Het gebruik van De bovenkamer bij Taal actief. Josée Coenen. een kleurrijke grammatica van het Nederlands Josée Coenen De bovenkamer een kleurrijke grammatica van het Nederlands Het gebruik van De bovenkamer bij Taal actief Bij de verschillende onderdelen van Taal actief kunt u onderdelen uit De bovenkamer

Nadere informatie

Redekundig ontleden. Arend van den Brink

Redekundig ontleden. Arend van den Brink Redekundig ontleden Arend van den Brink - Inhoudsopgave Redekundig ontleden... 3 Persoonsvorm... 3 Onderwerp... 4 Naamwoordelijk gezegde... 4 Werkwoordelijk gezegde... 7 Lijdend voorwerp... 8 Meewerkend

Nadere informatie

71 S. instapkaarten taal verkennen 5KM. MALtABERG. QVRre. v;rw>r t. -t.

71 S. instapkaarten taal verkennen 5KM. MALtABERG. QVRre. v;rw>r t. -t. v;rw>r t 7 S SS QVRre F9 - -t. t- L 5KM i r MALtABERG instapkaarten taal verkennen S -4 taal verkennen komt er vaak een -e achter. Taa actief. instapkaarten taal verkennen. groep 8 Maimberg s-hertogenbosch

Nadere informatie

Wat is een zelfstandig naamwoord?

Wat is een zelfstandig naamwoord? Wat is een zelfstandig naamwoord? 1. Inleiding Zelfstandig naamwoorden zijn woorden die 'een zelfstandigheid' aanduiden: een persoon of dier: vrouw, oom, hond een eigennaam: Sara, Apple een ding: fiets,

Nadere informatie

Kernwoord Uitleg Voorbeeld

Kernwoord Uitleg Voorbeeld Aanhalingstekens Accenttekens Achtervoegsel Afbreekteken Gebruik je voor een citaat of als iets niet letterlijk is bedoeld. Gebruik je om iets nadruk te geven of om dubbelzinnigheid te voorkomen. Een nietzelfstandig

Nadere informatie

GRAMMATICA WERKWOORDELIJK GEZEGDE NAAMWOORDELIJK GEZEGDE VOLLEDIGE UITLEG UITLEG PER ONDERDEEL UITLEG PER ONDERDEEL VOLLEDIGE UITLEG

GRAMMATICA WERKWOORDELIJK GEZEGDE NAAMWOORDELIJK GEZEGDE VOLLEDIGE UITLEG UITLEG PER ONDERDEEL UITLEG PER ONDERDEEL VOLLEDIGE UITLEG GRAMMATICA WERKWOORDELIJK GEZEGDE NAAMWOORDELIJK GEZEGDE VOLLEDIGE UITLEG UITLEG PER ONDERDEEL VOLLEDIGE UITLEG UITLEG PER ONDERDEEL OEFENSITES WERKWOORDELIJK GEZEGDE ONTLEDEN ZIN OEFENSITES NAAMWOORDELIJK

Nadere informatie

Inhoudsopgave. Dit boekje bestaat uit drie delen:

Inhoudsopgave. Dit boekje bestaat uit drie delen: Inhoudsopgave Dit boekje bestaat uit drie delen: Deel 1: uitleg (stappenplan) blz. 2 t/m 5 Deel 2: oefenzinnen blz. 6 Deel 3: antwoorden blz. 7 t/m 12 Disclaimer Aan de inhoud van dit boekje kunnen geen

Nadere informatie

1 Werkwoord. (wonen, werken, lopen,...) 8 Grammatica is niet moeilijk. wonen, werken, lopen,... noemen we werkwoorden.

1 Werkwoord. (wonen, werken, lopen,...) 8 Grammatica is niet moeilijk. wonen, werken, lopen,... noemen we werkwoorden. 1 Werkwoord (wonen, werken, lopen,...) wonen, werken, lopen,... noemen we werkwoorden. 8 Grammatica is niet moeilijk 1.1 woon, woont, wonen Ik woon nu in Nederland. Jij woont nu in Nederland. U woont nu

Nadere informatie

PV ( ) OW ( ) WW REST { } NIET-WW REST [ ] GEMENGDE REST [ } NAAMW. DEEL MW ======= BIJW. BEPALING

PV ( ) OW ( ) WW REST { } NIET-WW REST [ ] GEMENGDE REST [ } NAAMW. DEEL MW ======= BIJW. BEPALING PV ( ) OW ( ) WW REST { } NIET-WW REST [ ] GEMENGDE REST [ } NAAMW. DEEL LV MW ======= VV BIJW. BEPALING PERSOONSVORM (PV) In elke zin staan een of meer werkwoorden. Een van die werkwoorden is altijd de

Nadere informatie

Ontleden. Er zijn twee manieren van ontleden: taalkundig ontleden en redekundig ontleden.

Ontleden. Er zijn twee manieren van ontleden: taalkundig ontleden en redekundig ontleden. Ontleden Er zijn twee manieren van ontleden: taalkundig ontleden en redekundig ontleden. Bij het redekundig ontleden verdeel je de zin in zinsdelen en geef je elk zinsdeel een redekundige naam. Deze zinsdelen

Nadere informatie

Inhoud. 1 Spelling 5. Noordhoff Uitgevers bv

Inhoud. 1 Spelling 5. Noordhoff Uitgevers bv Inhoud 1 Spelling 5 1 geschiedenis van de nederlandse spelling in vogelvlucht 11 2 spellingregels 13 Klinkers en medeklinkers 13 Spelling van werkwoorden 14 D De stam van een werkwoord 14 D Tegenwoordige

Nadere informatie

Onze-Lieve-Vrouwlyceum Genk Lycipedia: Beter leren CAPUT SECUNDUM TAALSTUDIE. Werkwoorden vervoegen

Onze-Lieve-Vrouwlyceum Genk Lycipedia: Beter leren  CAPUT SECUNDUM TAALSTUDIE. Werkwoorden vervoegen CAPUT SECUNDUM TAALSTUDIE Werkwoorden vervoegen 1. De infinitief In de woordenlijst vinden we de woorden altijd in dezelfde vorm. Deze vorm, die we het grondwoord noemen, is voor een werkwoord de infinitief..

Nadere informatie

Taaljournaal Leerlijnenoverzicht - Lezen

Taaljournaal Leerlijnenoverzicht - Lezen Taaljournaal Leerlijnenoverzicht - Lezen 1.1 Eigen kennis 1.1.1 Kinderen kunnen hun eigen kennis activeren, m.a.w. ze kunnen aangeven wat ze over een bepaald onderwerp al weten en welke ervaringen ze er

Nadere informatie

DPS. Communicatie. Werkblad: werkwoordspelling

DPS. Communicatie. Werkblad: werkwoordspelling Werkstuk schrijven DPS Communicatie Werkblad: werkwoordspelling On line, korte, doelgerichte cursussen. Aan de slag wanneer het u uitkomt. Via Skype contact met een ervaren docent. Makkelijker was het

Nadere informatie

DE ONVOLTOOID TOEKOMENDE TIJD

DE ONVOLTOOID TOEKOMENDE TIJD DE ONVOLTOOID TOEKOMENDE TIJD Een didactiek om het begrip ONVOLTOOID TOEKOMENDE TIJD aan te leren in het 4e leerjaar (Groep 6). Enkele voorafgaande opmerkingen over de toekomende tijd van het werkwoord.

Nadere informatie

instapkaarten taal verkennen

instapkaarten taal verkennen instapkaarten inhoud instapkaarten Taal verkennen thema 1 les 2 1 thema 1 les 4 2 thema 1 les 7 3 thema 1 les 9 4 thema 2 les 2 5 thema 2 les 4 6 thema 2 les 7 7 thema 2 les 9 8 thema 3 les 2 9 thema 3

Nadere informatie

1 Spelling en uitspraak

1 Spelling en uitspraak Inhoud 1 Spelling en uitspraak 1 de spellingregels 11 Klinkers en medeklinkers 12 Accenttekens 11 Apostrof ( ) en koppelteken (-) 12 Hoofdletters 13 Los of aan elkaar? 13 Afbreken 14 2 uitspraak 14 Medeklinkers

Nadere informatie

WEEK MAANDAG WOENSDAG DINSDAG DONDERDAG VRIJDAG ZONDAG ZATERDAG. Vul het juiste voorzetsel in. Nico fietst elke dag (aan, naar, op) de cursus.

WEEK MAANDAG WOENSDAG DINSDAG DONDERDAG VRIJDAG ZONDAG ZATERDAG. Vul het juiste voorzetsel in. Nico fietst elke dag (aan, naar, op) de cursus. Vul het juiste voorzetsel in. Nico fietst elke dag (aan, naar, op) de cursus. 1 Voeg een woord aan de zin toe zodat hij correct wordt. Micky werkt graag in tuin. Verbeter de fout in de zin. Floortje leeft

Nadere informatie

Inhoud. Extra oefeningen 68

Inhoud. Extra oefeningen 68 Inhoud Les 1 Zinnen 8 Les 2 Werkwoordstijden 10 Les 3 Soorten werkwoorden 12 Les 4 Hulp- en koppelwerkwoorden 14 Les 5 Zwakke en sterke werkwoorden 16 Les 6 Vraagvormen 18 Les 7 Gebiedende en aanvoegende

Nadere informatie

Een boek samenstellen over woordsoorten. Dat betekent: keuzes maken. Wat overigens ook geldt voor het gebruiken ervan.

Een boek samenstellen over woordsoorten. Dat betekent: keuzes maken. Wat overigens ook geldt voor het gebruiken ervan. Woordsoorten bloemlezing uit het 40 bladzijden tellende boek. Inleiding Een boek samenstellen over woordsoorten. Dat betekent: keuzes maken. Wat overigens ook geldt voor het gebruiken ervan. Over de keuzes

Nadere informatie

handelingswijzer taalkundig ontleden woordsoorten

handelingswijzer taalkundig ontleden woordsoorten handelingswijzer taalkundig ontleden woordsoorten Naslagwerk Voor leerlingen en ouders 1 INHOUD INHOUD... 2 TAALKUNDIGE ONTLEDING: WOORDSOORTEN... 3 WERKWOORDEN... 3 ZELFSTANDIG NAAMWOORD (zelfst.nw)...

Nadere informatie

Doelen taalbeschouwing die verworven moeten zijn in het vierde leerjaar

Doelen taalbeschouwing die verworven moeten zijn in het vierde leerjaar Doelen taalbeschouwing die verworven moeten zijn in het vierde leerjaar Hieronder vindt u de leerplandoelen taalbeschouwing die we met onze evaluatie in kaart willen brengen. Ze staan in dezelfde volgorde

Nadere informatie

Luister naar het alfabet en de voorbeelden. Kijk ook naar de afbeeldingen. voorbeeld letter. b bee [b] bus [ə] een. hemd

Luister naar het alfabet en de voorbeelden. Kijk ook naar de afbeeldingen. voorbeeld letter. b bee [b] bus [ə] een. hemd Het alfabet Van A tot Z Het Nederlandse alfabet heeft 26 letters. Deze letters zijn klinkers en medeklinkers. Er zijn 6 klinkers: a, e, i, o, u, y. Er zijn 20 medeklinkers: b, c, d, f, g, h, j, k, l, m,

Nadere informatie

Onderdeel onderwerp aantekening opdrachten extra huiswerk. 1, 2 A, B, C 3 A en B. synoniemen ja 1,2 3,4. ja 1 2 3 A,B 4,5 6 Ja. Test Blz 45 en 46 Test

Onderdeel onderwerp aantekening opdrachten extra huiswerk. 1, 2 A, B, C 3 A en B. synoniemen ja 1,2 3,4. ja 1 2 3 A,B 4,5 6 Ja. Test Blz 45 en 46 Test Boek 1, H 1 Onderdeel onderwerp aantekening opdrachten extra huiswerk Lezen Onderwerp van een tekst ja 1, 2 A, B, C 3 A en B 3C of 4 Vaardigheden interview Kattebelletje nee 1, 2 4 2 Taal en Woordenschat

Nadere informatie

Spreekopdrachten thema 1 Voorstellen

Spreekopdrachten thema 1 Voorstellen Spreekopdrachten thema 1 Voorstellen Opdracht 1 bij 1.2 * Doe de opdracht met de groep. Uitleg voor de docent: De cursisten lopen door elkaar door het lokaal. Laat de cursisten elkaar in tweetallen begroeten,

Nadere informatie

MEMORY WOORDEN 1.1. TaalCompleet A1 Memory Woorden 1 1

MEMORY WOORDEN 1.1. TaalCompleet A1 Memory Woorden 1 1 MEMORY WOORDEN 1.1 TaalCompleet A1 Memory Woorden 1 1 ik jij hij zij wij jullie zij de baby het kind ja nee de naam TaalCompleet A1 Memory Woorden 1 2 MEMORY WOORDEN 1.2 TaalCompleet A1 Memory Woorden

Nadere informatie

Maandbrief groep 7/8 april / mei 2016

Maandbrief groep 7/8 april / mei 2016 Maandbrief groep 7/8 april / mei 2016 Beste ouders, verzorgers, Onderzoekend leren Alle kinderen van de hele school hebben gewerkt met onderzoekend leren. Het thema was: waarnemen en bewegen. Er werden

Nadere informatie

Inhoud. 1 Spelling 10

Inhoud. 1 Spelling 10 Inhoud 1 Spelling 10 1 geschiedenis van de friese spelling (stavering) in het kort 10 2 spellingregels 12 Hulpmiddelen 12 Klinkers en medeklinkers 12 Lettergrepen 13 Stemhebbend en stemloos 13 Basisregels

Nadere informatie

Inhoud. 1 Spelling en uitspraak. 2 Grammatica

Inhoud. 1 Spelling en uitspraak. 2 Grammatica Inhoud 1 Spelling en uitspraak 1 spelling 11 Algemene regels 11 Klinkers en medeklinkers 11 Accenttekens 12 Hoofdletters 13 Los of aan elkaar? 13 Afbreken 14 2 uitspraak 14 De letters van het alfabet 15

Nadere informatie

Het Muiswerkprogramma Grammatica op maat bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw.

Het Muiswerkprogramma Grammatica op maat bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw. Grammatica op maat Het Muiswerkprogramma Grammatica op maat bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw. Doelgroepen Grammatica op maat Dit programma is

Nadere informatie

1.Taalzee. 2. De zee Hieronder zie je een voorbeeld van hoe een stukje zee er uit kan zien.

1.Taalzee. 2. De zee Hieronder zie je een voorbeeld van hoe een stukje zee er uit kan zien. 1.Taalzee Bij Taalzee krijgen leerlingen een eigen stukje zee met dieren. Deze dieren moeten ze in leven/gezond houden door taaloefeningen te doen. Er zijn ruim 20.000 verschillende opgaven, verdeeld over

Nadere informatie

Thema 10. We ruilen van plek

Thema 10. We ruilen van plek Thema 10 We ruilen van plek Les 10.1 1. zakenreis 2. industrieën 3. raketten 4. percentage 5. demonstratie Les 1 gouden, ziekenhuis In het ankerverhaal staat dat de moeder van Gaby Pak kersen geeft in

Nadere informatie

Toets: Lees vaardig Blok 1+2 en Nieuwsbegrip

Toets: Lees vaardig Blok 1+2 en Nieuwsbegrip JAAROVERZICHT NEDERLANDS H3 Omschrijving lesstof per week Blok 1 Wk1. Spreken informatieve tekst/ artikel oefenen Begin Lees vaardig blok 1+2 Toetsper. 1 week 39 Toets: Lees vaardig Blok 1+2 en Nieuwsbegrip

Nadere informatie

VOORWOORD. René van Royen

VOORWOORD. René van Royen VOORWOORD Priscianus was een knappe man. Toen Rome lang geleden nog een rijk was, leerde hij de kinderen in zijn klas Latijn. Hij gaf dus les, maar wat hij in de klas vertelde schreef hij ook op. Zo ontstond

Nadere informatie

LESSTOF. Basisgrammatica

LESSTOF. Basisgrammatica LESSTOF Basisgrammatica 2 Lesstof Basisgrammatica INHOUD INLEIDING... 4 BASISGRAMMATICA EN MEIJERINK... 5 DOELGROEP... 5 STRUCTUUR... 6 OMVANG... 7 INHOUD... 9 Lesstof Basisgrammatica 3 INLEIDING Muiswerkprogramma

Nadere informatie

Reality Reeks Verwerkingsopdrachten. Mooi meisje Verliefd op een loverboy

Reality Reeks Verwerkingsopdrachten. Mooi meisje Verliefd op een loverboy Reality Reeks Verwerkingsopdrachten Mooi meisje Verliefd op een loverboy Lees blz. 3. Woont Laura in de stad of op het platteland? Hoe weet je dat? Lees blz. 5 en 7. Woont Laura s oma al lang op de boerderij?

Nadere informatie

2c nr. 1 zinnen met want en omdat

2c nr. 1 zinnen met want en omdat OPDRACHTKAART www.nt2taalmenu.nl nt2taalmenu is een website voor mensen die Nederlands willen leren én voor docenten NT2. Iedereen die Nederlands wil leren, kan gratis online oefenen. U kunt ook veel oefeningen

Nadere informatie

Over de verschillen en gelijkenissen tussen talen bij taalbeschouwing

Over de verschillen en gelijkenissen tussen talen bij taalbeschouwing Vraag 46 Is dit Chinees voor jou? Over de verschillen en gelijkenissen tussen talen bij taalbeschouwing COD, pronom réciproque, main clause Je moet heel wat begrippen kennen als je een andere taal leert.

Nadere informatie

Beginnersfouten Nederlandse Vertalers

Beginnersfouten Nederlandse Vertalers Beginnersfouten Nederlandse Vertalers Inhoud 1. Samenstellingen los schrijven die aan elkaar horen... 3 2. De komma tussen twee werkwoordsvormen vergeten... 3 3. Vele/velen en beide/beiden... 3 4. Die/dat...

Nadere informatie

Denken over taal: ontleden #2.0

Denken over taal: ontleden #2.0 DOMINICUS COLLEGE tweede klassen VWO NIJMEGEN december 2011 Denken over taal: ontleden #2.0 Je krijgt in tweetallen een aantal losse kaartjes, waarop taaluitingen staan van een tweejarige kleuter. Je ziet

Nadere informatie

instapkaarten taal verkennen

instapkaarten taal verkennen 6 instapkaarten inhoud instapkaarten Taal verkennen thema 1 les 2 1 thema 1 les 4 2 thema 1 les 7 3 thema 1 les 9 4 thema 2 les 2 5 thema 2 les 4 6 thema 2 les 7 7 thema 2 les 9 8 thema 3 les 2 9 thema

Nadere informatie

instapkaarten taal verkennen

instapkaarten taal verkennen instapkaarten inhoud instapkaarten Taal verkennen thema 1 les 2 1 thema 1 les 4 2 thema 1 les 7 3 thema 1 les 9 4 thema 2 les 2 5 thema 2 les 4 6 thema 2 les 7 7 thema 2 les 9 8 thema 3 les 2 9 thema 3

Nadere informatie

Nieuwsbrief leren. leren en studeren op de basisschool. nummer 7 maart 2002. Lieven Coppens

Nieuwsbrief leren. leren en studeren op de basisschool. nummer 7 maart 2002. Lieven Coppens België Finland Griekenland Japan Nigeria Noorwegen Polen Rusland Singapore Slovakije Tsjechië Verenigd Koninkrijk Verenigde Staten Percentage Nieuwsbrief leren leren en studeren op de basisschool nummer

Nadere informatie

D of T Bingo! www.meesterklaas.nl. Hoe heette dat meisje dat daar zo veel tijd aan besteedde? Wie heeft de tv uitgezet?

D of T Bingo! www.meesterklaas.nl. Hoe heette dat meisje dat daar zo veel tijd aan besteedde? Wie heeft de tv uitgezet? Lees de zinnen voor in willekeurige volgorde. De leerlingen moeten vervolgens het d/t woord in die zin juist invullen. Wanneer een leerling alle zinnen als eerst heeft roept hij of zij INGO! Zijn alle

Nadere informatie

Inhoud. Hoe is uw zoekwoord gebruikt? 4 Let op het naamwoordelijk deel van een gezegde 4. Het zoekwoord is zelfstandig gebruikt 5

Inhoud. Hoe is uw zoekwoord gebruikt? 4 Let op het naamwoordelijk deel van een gezegde 4. Het zoekwoord is zelfstandig gebruikt 5 td Fokschaap Werkwoorden spellen valt niet mee. U bent niet de enige die worstelt met d of t. Noem het werkwoord waar u de spelling van betwijfelt "zoekwoord". Beantwoord de vragen van het td Fokschaap,

Nadere informatie

Het Adjectief. Wanneer krijgt het adjectief een [-e]?

Het Adjectief. Wanneer krijgt het adjectief een [-e]? Het Adjectief Groen, groot, dik, donker, zijn allemaal adjectieven. We kunnen ze op verschillende manieren in een zin gebruiken. Als we het adjectief direct voor een substantief zetten, komt er soms een

Nadere informatie

Spelling. 1. Werkwoorden

Spelling. 1. Werkwoorden Stijl en spelling Hieronder volgt een overzicht van de belangrijkste stijl- en spellingregels die in de onderbouw bij Nederlands zijn behandeld. Bij schrijfopdrachten en bij het examen wordt in de bovenbouw

Nadere informatie

AANWIJZEND VOORNAAMWOORD. A) Welk woord past in de zin? Kies uit die of dat. 1. Heb je het huiswerk gemaakt? 7. Ga je naar één van onze feestjes?

AANWIJZEND VOORNAAMWOORD. A) Welk woord past in de zin? Kies uit die of dat. 1. Heb je het huiswerk gemaakt? 7. Ga je naar één van onze feestjes? A) Welk woord past in de zin? Kies uit die of dat. 1. Heb je het huiswerk gemaakt? Ja, heb ik gedaan. 2. Komt Willem dit weekend? Nee, moet helaas werken. 3. Ga je met het vliegtuig naar Hamburg? Nee,

Nadere informatie

BIJBELS GRIEKS LES 8

BIJBELS GRIEKS LES 8 Pagina:1 8.1 De aoristus medium Voordat we zo het lezen van een stuk uit Johannes 3 gaan voorbereiden eerst nog de aoristus medium en de conjunctivus en het woordje Hieronder vindt u nog naast elkaar de

Nadere informatie

Les 4: Les conversatie + grammatica Nederlands Conversatie Les 2 A-klas

Les 4: Les conversatie + grammatica Nederlands Conversatie Les 2 A-klas Les 4: Les conversatie + grammatica Nederlands Conversatie Les 2 A-klas Leraar: Dag Jef. Jef: Dag mevrouw. Hoe gaat het met u? Leraar: Goed, dank je. En met jou? Jef: Ook goed. ----------- Mark: Hallo

Nadere informatie

de aanbieding reclame, korting De appels zijn in de a Ze zijn vandaag extra goedkoop.

de aanbieding reclame, korting De appels zijn in de a Ze zijn vandaag extra goedkoop. Woordenlijst bij hoofdstuk 4 de aanbieding reclame, korting De appels zijn in de a Ze zijn vandaag extra goedkoop. alleen zonder andere mensen Hij is niet getrouwd. Hij woont helemaal a, zonder familie.

Nadere informatie

Extra oefeningen grammaticale termen met sleutel

Extra oefeningen grammaticale termen met sleutel Schrijf Vaardig 1, 2 en 3 Methode met grammaticale opbouw voor anderstaligen Extra oefeningen grammaticale termen met sleutel Marilene Gathier u i t g e v e r ij c o u t i n h o c bussum 2012 Deze extra

Nadere informatie

Eindexamen wiskunde A havo 2011 - I

Eindexamen wiskunde A havo 2011 - I Zuinig rijden Tijdens rijlessen leer je om in de auto bij foto 20 km per uur van de eerste naar de tweede versnelling te schakelen. Daarna ga je bij 40 km per uur naar de derde versnelling, bij 60 km per

Nadere informatie

Toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen

Toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen 1. Print deze tekst 2. Download het geluidsbestand en luister Je gaat een toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen maken. Dit is een leestoets. De toets heeft vijf delen. Deel A, B, C, D en E. Deze toets

Nadere informatie

GRAMMATICA. taalkundig ontleden - theorie. samenstellers Ans Mathu - Hans Wellink

GRAMMATICA. taalkundig ontleden - theorie. samenstellers Ans Mathu - Hans Wellink GRAMMATICA taalkundig ontleden - theorie samenstellers Ans Mathu - Hans Wellink 1 INHOUDSOPGAVE Voorwoord 9 Inleiding 11 1 Zelfstandige naamwoorden (substantiva) 12 2 Lidwoorden (articula) 13 3 Telwoorden

Nadere informatie

De Edukese Taal Edukeser Språkerne. Door Lars

De Edukese Taal Edukeser Språkerne. Door Lars De Edukese Taal Edukeser Språkerne Door Lars Fonologie Letter IPA Letter IPA A ɐ P B b Q C ʃ / k * R D S ʂ / s ** E F G H I J K L M N O T U V W X Y Z Å Æ Þ Ð Ø *= De c wordt in het Edukees soms als ʃ en

Nadere informatie

Uitgebreide basisgrammatica NT2 Jenny van der Toorn-Schutte Boom, Amsterdam

Uitgebreide basisgrammatica NT2 Jenny van der Toorn-Schutte Boom, Amsterdam Klare taal! Uitgebreide basisgrammatica NT2 Klare taal! Jenny van der Toorn-Schutte Boom, Amsterdam Tweede herziene druk, vijfde oplage, 2010 2006, Jenny van der Toorn-Schutte, Houten Behoudens de in

Nadere informatie

Vierkantje 4 groepen 7

Vierkantje 4 groepen 7 Vierkantje 4 groepen 7 De meivakantie staat voor de deur en dat hebben de kinderen zeker verdiend na al het harde werken van de afgelopen weken. Buiten de CITO entree en het Verkeersexamen moest er ook

Nadere informatie

Theorieboek. leeftijd, dezelfde hobby, of ze houden van hetzelfde. Een vriend heeft iets voor je over,

Theorieboek. leeftijd, dezelfde hobby, of ze houden van hetzelfde. Een vriend heeft iets voor je over, 3F Wat is vriendschap? 1 Iedereen heeft vrienden, iedereen vindt het hebben van vrienden van groot belang. Maar als we proberen uit te leggen wat vriendschap precies is staan we al snel met de mond vol

Nadere informatie

Tegenwoordige en verleden tijd De persoonsvorm staat in de tegenwoordige tijd of in de verleden tijd.

Tegenwoordige en verleden tijd De persoonsvorm staat in de tegenwoordige tijd of in de verleden tijd. Belangrijk om te weten in groep 7 en 8 Een handig naslagwerk. Als het onderwerp enkelvoud is, wordt de persoonsvorm ook in enkelvoud geschreven. Ik loop naar huis. Jij loopt naar huis. Mijn broer loopt

Nadere informatie

Spelling & Formuleren. Week 2-7

Spelling & Formuleren. Week 2-7 Spelling & Formuleren Week 2-7 Tentamenstof Boek: Praktische cursus Spelling 6e druk Auteur: M. Klein & M. Visscher Alle hoofdstukken behalve hoofdstuk 4 Proeftentamens zie Blackboard Succes! TEGENWOORDIGE

Nadere informatie

Aartsbisdom Mechelen-Brussel Vicariaat Onderwijs Diocesane Pedagogische Begeleiding Secundair Onderwijs

Aartsbisdom Mechelen-Brussel Vicariaat Onderwijs Diocesane Pedagogische Begeleiding Secundair Onderwijs Aartsbisdom Mechelen-Brussel Vicariaat Onderwijs Diocesane Pedagogische Begeleiding Secundair Onderwijs Vakdocumenten Frans (2004) Taalbeschouwing (Nederlands): verklarende woordenlijst Taalbeschouwing

Nadere informatie

Thema Gezondheid. Lesbrief 5. De tandarts

Thema Gezondheid. Lesbrief 5. De tandarts Thema Gezondheid Lesbrief 5. De tandarts Inleiding Deze les gaat over praten bij de tandarts. De man (meneer Onuso / Bashir) komt voor controle bij de tandarts. De tandarts kijkt of alle tanden en kiezen

Nadere informatie

Nederlandse taalbeschouwing als ondersteuning voor het vreemdetalenonderwijs? Elena Lievens workshop studiedag Taal en Tekst, ENW AUGent, 6/11/2013

Nederlandse taalbeschouwing als ondersteuning voor het vreemdetalenonderwijs? Elena Lievens workshop studiedag Taal en Tekst, ENW AUGent, 6/11/2013 Nederlandse taalbeschouwing als ondersteuning voor het vreemdetalenonderwijs? Elena Lievens workshop studiedag Taal en Tekst, ENW AUGent, 6/11/2013 Gewijzigde eindtermen Taalprof Peter-Arno Coppen van

Nadere informatie

Zoals beloofd eerst nog een herhaling van de theorie van de lijdende en de bedrijvende vorm:

Zoals beloofd eerst nog een herhaling van de theorie van de lijdende en de bedrijvende vorm: Huiswerk klas 2 6 november 2014 Beste Eva en Yfke, Zoals beloofd eerst nog een herhaling van de theorie van de lijdende en de bedrijvende vorm: Wat betekent het als een zin in de bedrijvende vorm staat?

Nadere informatie

Les 3. Familie, vrienden en buurtgenoten

Les 3. Familie, vrienden en buurtgenoten www.edusom.nl Opstartlessen Les 3. Familie, vrienden en buurtgenoten Wat leert u in deze les? Een gesprek voeren over familie, vrienden en buurtgenoten. Antwoord geven op vragen. Veel succes! Deze les

Nadere informatie

(ZAKELIJKE) TAALVERZORGING 2 NEDERLANDS

(ZAKELIJKE) TAALVERZORGING 2 NEDERLANDS (ZAKELIJKE) TAALVERZORGING 2 NEDERLANDS 0 AAN HET EINDE VAN DEZE UITLEG: - Kun je op een juiste manier in meervoud schrijven. - Hoofdletters op een juiste manier gebruiken. - Onbepaalde hoofdtelwoorden

Nadere informatie

Dagdeel 2 Werkwoordspelling: t ex-kofschip, vervoegen, werkwoordtijden

Dagdeel 2 Werkwoordspelling: t ex-kofschip, vervoegen, werkwoordtijden Nederlands Dagdeel 1 Introductie en vaststelling leerdoelen Redekundig ontleden: persoonsvorm, werkwoordelijk gezegde, naamwoordelijk gezegde, onderwerp, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp, bijwoordelijke

Nadere informatie

Bijwoordelijke bepaling HV 2. CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie. http://maken.wikiwijs.nl/52704

Bijwoordelijke bepaling HV 2. CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie. http://maken.wikiwijs.nl/52704 Bijwoordelijke bepaling HV 2 Auteurs VO-content Laatst gewijzigd Licentie Webadres 21 July 2015 CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie http://maken.wikiwijs.nl/52704 Dit lesmateriaal is

Nadere informatie

WOORDLEER Woordsoorten theorie

WOORDLEER Woordsoorten theorie Woordsoorten theorie BERLE Pagina 1 van 11 WOORDLEER Woordsoorten theorie Woordleer = indelen van de woorden in 10 soorten. 1. Het lidwoord (=lw) In het Nederlands zijn er drie lidwoorden: de, het, een.

Nadere informatie

Meewerkend voorwerp hv12. CC Naamsvermelding 3.0 Nederland licentie.

Meewerkend voorwerp hv12. CC Naamsvermelding 3.0 Nederland licentie. Auteurs VO-content Laatst gewijzigd Licentie Webadres 21 July 2015 CC Naamsvermelding 3.0 Nederland licentie http://maken.wikiwijs.nl/52679 Dit lesmateriaal is gemaakt met Wikiwijsleermiddelenplein. Wikiwijsleermiddelenplein

Nadere informatie

Toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen

Toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen 1. Print deze tekst 2. Download het geluidsbestand en luister Je gaat een toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen maken. Dit is een leestoets. De toets heeft vijf delen. Deel A, B, C, D en E. Deze toets

Nadere informatie

Nederlands voor Arabisch taligen A0 A1/A2

Nederlands voor Arabisch taligen A0 A1/A2 Auteur boek: مو لف الكتاب: Vera Lukassen Titel boek: Nederlands voor Arabisch taligen كتاب : الھولندي للناطقین باللغة العربیة المستوى Niveau A0 A2, A0 A2 2015, Serasta Uitgegeven in eigen beheer info@serasta.nl

Nadere informatie

NOORWEGEN. Vertrek: s ochtends moesten we gewoon naar school tot 12 uur. we werden 09-05-2012 13-05-2012

NOORWEGEN. Vertrek: s ochtends moesten we gewoon naar school tot 12 uur. we werden 09-05-2012 13-05-2012 NOORWEGEN 09-05-2012 13-05-2012 Vertrek: s ochtends moesten we gewoon naar school tot 12 uur. we werden door onze ouders naar Schiphol gebracht. Ik zat bij Ilonka in de auto. Op Schiphol gaf meester Hendrie

Nadere informatie

Goedendag! Ik, ik ben. Ben jij? En jij? Jij bent! nee. één. twee. drie. vier. vijf. zes. zeven. acht. negen. tien. Gaat het? Het gaat goed.

Goedendag! Ik, ik ben. Ben jij? En jij? Jij bent! nee. één. twee. drie. vier. vijf. zes. zeven. acht. negen. tien. Gaat het? Het gaat goed. Vocabulaire En Action 5 : Nederlans naar Frans Unité 1 Goedendag! Ik ben Ik, ik ben ja Ben jij? En jij? Jij bent! nee één twee drie vier vijf zes zeven acht negen tien Unité 2 Gaat het? Het gaat goed.

Nadere informatie

Toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen

Toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen 1. Print deze tekst 2. Download het geluidsbestand en luister Je gaat een toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen maken. Dit is een leestoets. De toets heeft vijf delen. Deel A, B, C, D en E. Deze toets

Nadere informatie