van afwijkende emoties, gedachten en gedrag

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "van afwijkende emoties, gedachten en gedrag"

Transcriptie

1 3Classificatie en beoordeling van afwijkende emoties, gedachten en gedrag HOOFDSTUKoverzicht 3.1 Inleiding Classificatie van afwijkende gedragspatronen De DSM-IV en modellen van afwijkend gedrag Kenmerken van de DSM-IV Evaluatie van het DSM-systeem Voor- en nadelen van het DSM-systeem Beoordelingsmethoden Het klinische interview Psychologische tests Neuropsychologische beoordeling Gedragsbeoordeling Fysiologische beoordeling en beeldvormende technieken 71 Nevid_8ed_boek.indb 52

2 paniekaanval Interviewer: Kun je vertellen waarom je naar de polikliniek bent gekomen? Jerry: Nou in het begin van dit jaar kreeg ik voor het eerst een paniekaanval. ik wist niet wat me overkwam. Interviewer: Wat voelde je? Jerry: Eh, hartkloppingen, snelle hartslag Interviewer: Je hart sloeg op hol. Jerry: En toen, eh, ik kon niet blijven waar ik was, of ik nou in de bioscoop was of in de kerk de muren kwamen op me af en ik moest opstaan en weglopen. Interviewer: de eerste keer dat dit gebeurde, kun je je dat nog herinneren? Jerry: Eh, ja, dat was Interviewer: Vertel eens precies wat je toen voelde. Jerry: ik reed op de snelweg, ongeveer tien, vijftien minuten. Interviewer: Ja. Jerry: Plotseling voelde ik die angst. Mijn hart sloeg eh, op hol. Interviewer: dus je merkte dat je angstig werd? Jerry: Ja. Interviewer: Je hart ging als een razende tekeer en je begon te zweten. Wat nog meer? Jerry: Zweten en eh, ik durfde niet verder te rijden. ik was bang dat ik tegen een andere auto zou botsen. dus, eh, ik kon gewoon niet, ik kon gewoon niet functioneren. ik kon gewoon niet verder rijden. Interviewer: Wat heb je toen gedaan? Jerry: ik reed naar, eh, nou, naar de eerstvolgende afslag. ik ging gewoon van de snelweg af eh, stopte en, ik had nog nooit zoiets meegemaakt. Interviewer: dat was Jerry: Volkomen onverwacht Interviewer: Volkomen onverwacht? En wat dacht je dat er aan de hand was? Jerry: ik had geen idee. Interviewer: Je wist alleen dat je Jerry: ik vroeg me af of ik een hartaanval had. Interviewer: Goed. Bron: Panic Disorder: The Case of Jerry. Uit: Video s in Abnormal Psychology, zie de video op 3.1 Inleiding Bovengenoemde casus illustreert dat iemand zelf kan vinden dat er iets vreemds of raars met hem of haar gebeurt. In andere gevallen is het echter niet de patiënt, maar zijn het mensen in zijn omgeving die iets opmerken wat ze afwijkend vinden. Maar wat is dan afwijkend? Hoe noem je dat afwijkende? En natuurlijk de centrale vraag: waarom is het zo belangrijk om afwijkend gedrag te classificeren? Ten eerste vormt classificatie de basis van wetenschap. Als patronen van afwijkend gedrag niet gedefinieerd en geordend zijn, kunnen wetenschappers hun onderzoeksresultaten niet met elkaar bespreken. Onze kennis over dit soort stoornissen kan dan ook niet toenemen. Als een arts iemand naar een ziekenhuis stuurt, omdat hij vermoedt dat er sprake is van een hartinfarct of psychose, weten ze in het ziekenhuis waar ze naar moeten kijken doordat die aandoeningen geclassificeerd zijn. Ten tweede worden op basis van classificatiesystemen belangrijke beslissingen genomen. Sommige stoornissen kun je beter met de ene therapie behandelen en andere stoornissen met de andere. Sommige stoornissen reageren beter op een bepaald soort medicijn en andere weer op een ander. Ten derde kan classificatie behandelaars helpen om het verloop van een ziekte te voorspellen. Schizofrenie volgt bijvoorbeeld een min of meer vast patroon, en daarin onderscheidt zij zich van een psychose (hoofdstuk 9). Ten vierde kan classificatie onderzoekers helpen populaties met gelijksoortige patronen van afwijkend gedrag, emoties en gedachten te onderscheiden. Door een bepaalde groep mensen bijvoorbeeld te classificeren als depressief of psychotisch kunnen onderzoekers op zoek gaan naar gemeenschappelijke factoren, die nieuw licht kunnen werpen op de oorzaken van depressie of psychose (zie ook de kadertekst Classificeren of diagnosticeren op pagina 54). Eigentijdse diagnostische modellen: Sue Mineka Hoofdstuk 3 classificatie en beoordeling van afwijkende emoties, gedachten en gedrag 53 Nevid_8ed_boek.indb 53

3 Waar of onwaar? Mensen praten eerder over persoonlijke problemen als ze geïnterviewd worden door iemand van vlees en bloed dan als ze geïnterviewd worden door een computer. (p. 63) Waar Onwaar De meest gebruikte persoonlijkheidstest bevat vragen die ogenschijnlijk geen verband houden met de trekken die de test geacht wordt te meten. (p. 66) Waar Onwaar Voor een objectieve persoonlijkheidstest zijn geen subjectieve oordelen nodig van de persoon die de test ondergaat. (p. 68) Waar Onwaar Artsen kunnen aan de hand van geavanceerde MRI-scans de diagnose schizofrenie stellen. (p. 74) Waar Onwaar Classificeren van gedrag, gedachten en emoties gebeurt al eeuwenlang, zoals je in hoofdstuk 1 hebt kunnen lezen. Onthoud daarbij dat door de eeuwen heen mensen en hun ziekten in grote lijnen hetzelfde zijn gebleven, maar dat de wijze van classificatie kan wisselen, mede op basis van voortschrijdend inzicht over oorzaak en gevolg van ziekten in het algemeen, en psychische stoornissen in het bijzonder. Classificeren is iets typisch menselijks. Intuïtief vind je mensen sympathiek of niet; wat ertoe kan leiden dat je bepaalde personen wel of niet mijdt. De mate waarin je je daarvan bewust bent, is zeker in de psychiatrie van groot belang. Als je als hulpverlener werkzaam bent in de psychiatrie of in een andere instelling op het gebied van de geestelijke gezondheidszorg, krijg je met allerlei soorten patiënten te maken. De ene persoon spreekt je meer aan dan de andere, en met sommige patiënten kun je beter omgaan dan met andere. Je kunt je ergeren aan bepaalde typen patiënten of sommige patiënten mijden. Dit komt doordat jijzelf ook steeds de wereld, en de mensen daarin, classificeert: op basis van kennis die je hebt over bepaalde onderwerpen. Op basis van de emoties die bepaald gedrag bij je oproepen, deel je mensen in groepen en categorieën in, al dan niet terecht. Dit soort gevoelens zijn normaal, zolang je maar beseft dat ze een rol spelen en mogelijk niet alleen iets over de patiënt zeggen, maar ook over jou. Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de manieren waarop psychische stoornissen tegenwoordig worden geclassificeerd en beoordeeld. De Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, vierde versie (DSM-IV) van de American Psychiatric Association (APA) en de International Classification of Diseases, tiende versie (ICD-10) van de World Health Organization (WHO), zijn de bekendste en gangbaarste classificatiesystemen. 3.2 Classificatie van afwijkende gedragspatronen De allereerste versie van de DSM verscheen in De nieuwste versie (uit 2000) is de DSM-IV-TR: de tekstrevisie (TR) van de vierde editie (DSM- IV) (APA, 2000). Een nieuwe versie is op komst: de DSM-5 (zie de kadertekst DSM-5 ). Een ander gangbaar classificatiesysteem is de International Statistical Classification of Diseases and Related Health Problems (ICD) waarvan tot nu toe tien versies zijn verschenen (de nieuwste heet dan ook ICD-10). Dit systeem wordt voornamelijk gebruikt bij het samenstellen van statistieken over de mondiale verspreiding van allerlei ziekten, waaronder ook psychische stoornissen. De DSM en de ICD zijn compatibel, zodat een diagnose volgens de DSM ook in het Nader bekeken Classificeren of diagnosticeren Wat is het verschil tussen classificeren en diagnosticeren? Beide begrippen worden vaak door elkaar gebruikt en dat kan verwarrend zijn. Als iemand rillerig is, koorts heeft en moeite heeft met plassen (= symptomen), heeft hij mogelijk een urinewegontsteking (= classificatie). Indien we ook een urinekweek doen en er daardoor achter komen welke specifieke bacterie de urinewegontsteking veroorzaakt, weten we ook de oorzaak van de aandoening (= diagnose). Als er ondanks de behandeling vaker ontstekingen zijn, kan blijken dat die urineweginfectie een uiting is van wat anders, bijvoorbeeld een nier- of prostaatziekte. In de psychiatrie weten we nog relatief weinig over precieze oorzaken van stoornissen. Dit is de reden waarom we vaak niet verder komen dan classificeren, op basis van wat we klinisch te weten zijn gekomen over de aard, het type en het verloop van diverse verschijnselen of symptomen. 54 Psychiatrie een inleiding Nevid_8ed_boek.indb 54

4 ICD-systeem gecodeerd kan worden. Met andere woorden: de informatie over de prevalenties (het vóórkomen van een ziekte) en kenmerken van specifieke stoornissen uit beide systemen, kunnen naast elkaar worden gebruikt. Het overgrote deel van de deskundigen in de geestelijke gezondheidszorg maakt voornamelijk gebruik van de DSM-IV, met name in wetenschappelijke publicaties. Zowel de DSM-IV als de ICD-10 wordt gebruikt voor de, door de overheid en verzekeraars verplichte, registratie van aard en type ziekten die in behandeling zijn bij de diverse zorgaanbieders. Uitgangspunt om een aandoening in de DSM-IV en de ICD-10 op te nemen is dat er sprake moet zijn van de volgende verschijnselen: emotioneel lijden (gewoonlijk depressie of angst); ernstige belemmeringen in het functioneren (problemen op het werk, in het gezin of in de maatschappij in het algemeen); gedrag dat kan leiden tot persoonlijk lijden, pijn, invaliditeit, zelfverminking of de dood (bijvoorbeeld krassen en snijden, zelfmoordpogingen, herhaald gebruik van schadelijke drugs); de belemmering houdt langere tijd aan en past niet meer in een normale reactie binnen een bepaalde (culturele) context. In dit boek is ervoor gekozen om vooral de aandacht te richten op de DSMsystematiek, omdat deze het meest wordt gebruikt door hulpverleners. Ook richt de DSM zich speciaal op psychische stoornissen en wordt er meer recent wetenschappelijk onderzoek in verwerkt De DSM-IV en modellen van afwijkend gedrag Net als het biologische model beschouwt de DSM-IV afwijkende gedragingen als uitingen of symptomen van onderliggende stoornissen of ziekten. Het systeem is niet gebaseerd op het idee dat afwijkend gedrag per definitie wordt Nader bekeken DSM-5 Een nieuwe versie van de DSM, deel 5, is op komstin mei Op basis van voortschrijdend inzicht door ervaring uit de klinische praktijk en door wetenschappelijk onderzoek naar psychische stoornissen, wordt deze belangrijkste referentie voor het classificeren van ziekten aangepast. We weten op dit moment nog niet exact welke veranderingen doorgevoerd zullen worden, maar we verwachten de volgende: Er gaan categorieën verdwijnen en er zullen nieuwe bijkomen. Vooral stoornissen die nu bekendstaan als NAO (niet anderszins omschreven) zijn aan grondige wijzigingen toe. De aparte categorie Stoornissen die ontstaan in de kindertijd en adolescentie gaat mogelijk verdwijnen. Het wordt steeds duidelijker dat sommige stoornissen zich misschien wel in de jeugd openbaren, maar niet ophouden als mensen volwassen worden. Een voorbeeld hiervan is autisme, maar ook angststoornissen en stemmingsstoornissen kunnen dit patroon volgen. De introductie van een gemengde classificatie angst-depressie, omdat deze stoornissen zo vaak samen voorkomen. De As II-dimensie Persoonlijkheidsstoornissen staat erg ter discussie, omdat de grens tussen As I- en As II-stoornissen zo moeilijk te trekken is. Ook bestaat er veel overlap in symptomen tussen de nu beschreven persoonlijkheidsstoornissen (zie ook tabel 3.2). De nieuwe indeling van de DSM-5 is meer en meer een internationaal gebeuren geworden, hoewel de Amerikaanse inbreng nog altijd groot is. Toch zijn bij de ontwikkelingen van de DSM- 5 vijf Nederlandse psychiaters betrokken geweest, onder wie prof. dr. H.W. Hoek (Parnassia Bavo Groep, Den Haag) en prof. dr. S.M. Bögels (Universiteit van Amsterdam). Door zogeheten field trials wordt gekeken of de nieuwe indelingen ook kloppen met de klinische praktijk. De laatste stand van zaken en de mogelijkheid om als professional commentaar te geven is te vinden op In de hoofdstukken waarin we de verschillende psychische stoornissen bespreken, zullen we zo veel mogelijk aangeven welke belangrijke veranderingen verwacht worden in de DSM-5. Hoofdstuk 3 Classificatie en beoordeling van afwijkende emoties, gedachten en gedrag 55 Nevid_8ed_boek.indb 55

5 veroorzaakt door biologische oorzaken of defecten, maar gaat ervan uit dat dit wordt veroorzaakt door een complexe interactie van (genetische) aanlegfactoren en omgevingsfactoren. Zoals al eerder is besproken, moet men zich steeds goed realiseren dat de oorzaken van de meeste stoornissen nog onbekend zijn. Sommige stoornissen hebben wellicht een puur biologische oorzaak, terwijl andere waarschijnlijk meer psychologisch bepaald zijn. Weer andere stoornissen, waarschijnlijk de meeste, kunnen het best verklaard worden met behulp van een multifactormodel dat berust op de interactie tussen biologische, psychologische en sociale factoren (zoals het biopsychosociale model en het diathese-stressmodel). Ten slotte willen we benadrukken dat de DSM-IV wordt gebruikt bij het classificeren van stoornissen, en niet bij het classificeren van mensen. In plaats van iemand een schizofreen of een autist te noemen, spreken we over een patiënt met schizofrenie of een patiënt met autisme. Dit verschil in terminologie is niet alleen een kwestie van semantiek. Als je iemand het etiket schizofreen opplakt, heeft dat het ongelukkige en stigmatiserende gevolg dat iemands totale identiteit wordt bepaald door zijn of haar stoornis. Denk bijvoorbeeld ook eens aan iemand die een hersentumor heeft: deze persoon is geen hersentumor. 3.3 Kenmerken van de DSM-IV De DSM-IV beschrijft, maar geeft geen verklaring: het handboek is a-theoretisch. Deels is dit te verklaren door het feit dat van veel stoornissen nog geen eenduidige, algemeen erkende oorzaak bekend is. Het blijft dus bij een opsomming van de diagnostische kenmerken en symptomen van afwijkend gedrag, emoties of gedachten. Het model doet geen uitspraken over de oorsprong ervan en is niet gebaseerd op een theoretisch raamwerk, zoals het psychodynamische model of de leertheorie. De behandelaar komt tot een diagnose door het gedrag van de patiënt te vergelijken met de criteria die het DSM-classificatiesysteem geeft voor specifieke patronen van psychische stoornissen. In tabel 3.1 vind je de diagnostische criteria voor een gegeneraliseerde angststoornis. Tabel 3.1 Voorbeeld van de diagnostische criteria voor een gegeneraliseerde angststoornis 1 Gedurende zes maanden of langer bijna elke dag overdreven gevoelens van angst en bezorgdheid. 2 Deze gevoelens betreffen meer dan een of enkele onderwerpen of gebeurtenissen. 3 Betrokkene heeft moeite om deze gevoelens in de hand te houden. 4 Er is sprake van een aantal kenmerken die samenhangen met angst en bezorgdheid, zoals: a gevoelens van onrust of nervositeit; b snel vermoeid; c concentratieproblemen of black-outs; d prikkelbaarheid; e hoge spierspanning; f moeite met inslapen of doorslapen, of onrustige, onbevredigende nachtrust. 5 Betrokkene ervaart emotioneel lijden of belemmeringen in het sociale of beroepsmatige functioneren of op andere gebieden van het leven, als gevolg van angst, bezorgdheid of bijbehorende lichamelijke symptomen. 6 Bezorgdheid of angst kunnen niet verklaard worden als kenmerken van een andere stoornis. 7 De verstoring is niet het gevolg van drugs- of medicijngebruik of van een somatische aandoening, en hangt niet samen met een andere stoornis. Bron: gebaseerd op DSM-IV-TR (APA, 2000). 56 Psychiatrie een inleiding Nevid_8ed_boek.indb 56

6 Afwijkende gedragspatronen zijn geordend op grond van gemeenschappelijke kenmerken. Zo vallen afwijkende gedragspatronen met als opvallendste kenmerk angst, zoals voorkomt bij een paniekstoornis en gegeneraliseerde angststoornis (zie tabel 3.1), in de categorie angststoornissen, terwijl gedragspatronen die zich vooral kenmerken door een verstoorde stemming, thuishoren in de categorie stemmingsstoornissen. De criteria voor stoornissen worden bepaald door panels van experts die samen per stoornis trachten een zo juist mogelijke systematiek te maken. De DSM-IV adviseert de behandelaar om de geestelijke toestand van zijn of haar patiënt te beoordelen volgens vijf factoren, of assen. Samen leveren deze vijf assen een diagnose op, plus veel aanvullende informatie over het functioneren van de betrokkene (zie tabel 3.2, 3.3 en 3.4). Tabel 3.2 Het meerassige classificatiesysteem van de DSM-IV As Soort informatie Korte omschrijving I Klinische stoornissen Patronen van stoornissen die het functioneren van de betrokkene belemmeren en die stress oproepen. Voorbeelden zijn: angststoornissen, stemmingsstoornissen, schizofrenie en andere psychotische stoornissen, aanpassingsstoornissen en stoornissen die gewoonlijk voor het eerst worden gediagnosticeerd tijdens de babytijd, kindertijd of adolescentie (met uitzondering van zwakzinnigheid, die op As II thuishoort). As I omvat ook relatieproblemen, leer- en werkproblemen, intens verdriet en problemen waar bij de diagnose of behandeling de nadruk op kan liggen, maar die op zichzelf geen definieerbare psychische stoornissen zijn. Op As I vinden we ook psychologische factoren die invloed hebben op somatische aandoeningen. Denk hierbij aan de negatieve invloed van angst op astma of aan depressieve symptomen die het herstel na een operatie vertragen. II Persoonlijkheidsstoornissen Zwakzinnigheid Persoonlijkheidsstoornissen zijn zeer langdurige, hardnekkige en ongepaste vormen van gedrag, tegenover anderen, en emoties, deels als reactie op eisen van buitenaf. Bijvoorbeeld de antisociale, paranoïde, narcistische en borderline persoonlijkheidsstoornis. Zwakzinnigheid kenmerkt zich door een algemene belemmering van het intellectuele functioneren. III Somatische aandoeningen Chronische en acute ziekten en somatische aandoeningen die een belangrijke rol spelen in het ontstaan, het verloop of de behandeling van de psychische stoornis. Stel bijvoorbeeld dat iemand aan een stemmingsstoornis (zoals een ernstige depressie) lijdt, die rechtstreeks wordt veroorzaakt door hypothyroïdi (vertraagde werking van de schildklier), dan hoort deze aandoening aan de schildklier thuis op As III. IV Psychosociale en omgevingsproblemen Problemen in de sociale of fysieke omgeving die invloed hebben op de diagnose, behandeling en het verloop van de psychische stoornis. In tabel 3.3 vind je hiervan een aantal voorbeelden. V Globale beoordeling van het functioneren Algemeen oordeel over het huidige functioneren op psychologisch, sociaal en beroepsmatig niveau. De behandelaar kan ook bepalen wat het hoogste niveau is waarop de betrokkene het afgelopen jaar minstens een paar maanden heeft gefunctioneerd. Dit oordeel wordt uitgedrukt in een zogenaamde GAF-score (zie tabel 3.4). Bron: gebaseerd op DSM-IV-TR (APA, 2000). Tabel 3.3 Psychosociale en omgevingsproblemen Soort problemen Voorbeelden Problemen in het gezin dood of verlies van familieleden gezondheidsproblemen van familieleden huwelijksproblemen in de vorm van echtscheiding of verwijdering seksueel misbruik of lichamelijke mishandeling binnen de familie verwaarlozing van kinderen geboorte van broer of zus Problemen in de sociale omgeving dood of verlies van een vriend sociale isolatie of alleen wonen aanpassingsproblemen in een nieuwe cultuur (inburgering) discriminatie aanpassing aan een nieuwe levensfase, zoals pensionering Hoofdstuk 3 Classificatie en beoordeling van afwijkende emoties, gedachten en gedrag 57 Nevid_8ed_boek.indb 57

7 Soort problemen Voorbeelden Problemen met onderwijs analfabetisme leerproblemen problemen met docenten of klasgenoten slecht onderwijs Problemen op het werk werkgerelateerde problemen, inclusief te hoge werkdruk en problemen met leidinggevenden of collega s verandering van baan ontevredenheid met baan dreigende werkloosheid werkloosheid Huisvestingsproblemen inadequate huisvesting of dakloosheid onveilige leefomgeving problemen met buren of huisbaas Financiële problemen financiële zorgen of extreme armoede Problemen met de gezondheidszorg inadequate gezondheidszorg of onvoldoende verzekerd tegen ziektekosten problemen met vervoer naar arts of ziekenhuis Problemen met de politie arrestatie of gevangenschap betrokken bij strafrechtelijke of civiele rechtszaak slachtoffer van een misdrijf Andere psychosociale problemen natuurrampen of door mensen veroorzaakte rampen oorlog of andere vijandigheden problemen met zorgverleners buiten de familie, zoals counselors, maatschappelijk werkers en behandelaars lange wachtlijsten Bron: gebaseerd op DSM-IV-TR (APA, 2000). Tabel 3.4 Globale beoordeling van het functioneren met behulp van de GAF-schaal Code Ernst van de symptomen Voorbeelden Uitstekend functioneren op vele terreinen van het leven Geen symptomen Hanteert problemen zonder ze uit de hand te laten lopen Geen of nauwelijks symptomen, niet meer dan alledaagse problemen en zorgen Tijdelijke en voorspelbare reacties op stressvolle gebeurtenissen OF slechts lichte belemmering van het functioneren Enkele lichte symptomen OF enige moeite in de omgang met vrienden, op het werk of op school Matige symptomen OF matige moeite met functioneren met vrienden, op het werk of op school Ernstige symptomen OF ernstige belemmeringen in de omgang met vrienden, op het werk of op school Geringe verstoring van het realiteitsbesef of in de communicatie OF ernstige belemmeringen op verschillende terreinen Gedrag sterk beïnvloed door wanen of hallucinaties OF ernstige belemmeringen in de communicatie of het realiteitsbesef OF onvermogen om te functioneren op bijna alle terreinen Licht gevaar om zichzelf of anderen fysieke schade toe te brengen OF niet altijd in staat om zichzelf te verzorgen OF ernstige belemmeringen in de communicatie 1-10 Voortdurend gevaar om zichzelf of anderen fysieke schade toe te brengen OF voortdurend onvermogen om zichzelf te verzorgen OF serieuze zelfmoordpoging Lichte angst voor examens Af en toe ruzie met familieleden Concentratieproblemen na ruzie met gezinslid Raakt soms achter op school Voelt zich down, lichte slapeloosheid Af en toe spijbelen of kleine diefstal thuis Af en toe paniekaanvallen Weinig vrienden, conflicten met collega s Gedachten aan zelfmoord, regelmatig winkeldiefstal Niet in staat om baan te behouden, geen vrienden Onsamenhangende spraak Gedeprimeerd, niet in staat om te werken, verwaarloost gezin en mijdt vrienden Uiterst ongepast gedrag, spraak soms onsamenhangend Ligt de hele dag in bed, geen baan, geen thuis, noch vrienden Zelfmoordpogingen, wordt regelmatig gewelddadig Speelt met fecaliën Grotendeels onsamenhangende spraak of geen helemaal spraak Serieuze zelfmoordpoging, herhaaldelijk gewelddadig Bron: gebaseerd op DSM-IV-TR (APA, 2000). 58 Psychiatrie een inleiding Nevid_8ed_boek.indb 58

8 In tabel 3.5 vind je een voorbeeld van een diagnose (zie het openingsverhaal over Jerry op pagina 53) volgens het meerassige DSM-systeem. De betrokkene krijgt twee diagnoses: een As I-diagnose van een gegeneraliseerde angststoornis (hoofdstuk 11) en een As II-diagnose van een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis (hoofdstuk 16). Daarnaast heeft de betrokkene een somatische aandoening (verhoogde bloeddruk) en is er sprake van meerdere psychosociale of omgevingsproblemen, dreigende echtscheiding en werkproblemen, die op As IV zijn aangegeven. De behandelaar schat het globale functioneringsniveau van de betrokkene volgens de beoordelingsschaal (GAF) op As V op 62. Dat wil zeggen dat de betrokkene ondanks lichte symptomen of enigszins belemmerd functioneren, redelijk goed functioneert. Tabel 3.5 Voorbeeld van diagnose in het meerassige DSM-IV-systeem As I As II As III As IV Gegeneraliseerde angststoornis Afhankelijke persoonlijkheidsstoornis Verhoogde bloeddruk Problemen in het gezin (echtscheiding); problemen met werk (werkloos) As V GAF = Evaluatie van het DSM-systeem Een diagnostisch systeem als de DSM is alleen bruikbaar als het zowel betrouwbaarheid als validiteit bezit. We kunnen de DSM betrouwbaar, oftewel consistent noemen, als verschillende behandelaars bij hun beoordeling van dezelfde gevallen met behulp van dit systeem tot dezelfde diagnose komen. De beste manier om de validiteit van de DSM te testen, is door te kijken in hoeverre de diagnoses overeenkomen met geobserveerd gedrag. Als mensen met de diagnose sociale fobie in sociale situaties inderdaad extreem angstig zijn, kun je ervan uitgaan dat de diagnose redelijk valide is. In het algemeen wordt de betrouwbaarheid en validiteit aangenomen van verscheidene DSMcategorieën, waaronder tal van angst- en stemmingsstoornissen, alsook alcoholverslaving en drugsverslaving (Grant et al., 2006a; Hasin et al., 2006). Toch blijven er vragen bestaan over de validiteit ten aanzien van sommige diagnostische categorieën, zoals persoonlijkheidsstoornissen op As II en de globale beoordeling van het functioneren, ofwel de GAF-score, op As V (McCoy & Moos, 2000; Widiger & Simonsen, 2005). Je kunt stellen dat het debat over en onderzoek naar de validiteit van de DSM volop aan de gang is (Hummelen et al., 2006; Watson & Clark, 2006). Veel diagnostische categorieën hebben ook voorspellende validiteit, oftewel het vermogen om te voorspellen hoe de stoornis zich waarschijnlijk zal ontwikkelen, of hoe deze zal reageren op een bepaalde behandeling. De meeste mensen met de diagnose bipolaire stoornis reageren bijvoorbeeld goed op het medicijn lithium (hoofdstuk 10). Mensen met een specifieke fobie (zoals hoogtevrees) hebben vaak baat bij het aanleren van gedragstechnieken voor angstreductie (hoofdstuk 11) Voor- en nadelen van het DSM-systeem Het grote voordeel van de DSM-IV is de beschrijving van specifieke diagnostische criteria. Dankzij de DSM-IV kan een behandelaar de klachten en aanvullende gegevens van zijn patiënt vergelijken met specifieke normen, om te zien welke diagnoses het meest van toepassing zijn. Auditieve hallucinaties (zoals stemmen horen ) en wanen (hardnekkige, maar onterechte ideeën, zoals de nobetrouwbaarheid In een psychologische beoordeling de consistentie van een maatstaf of van een diagnostisch instrument of systeem. validiteit De mate waarin een test of diagnostisch systeem de trekken of concepten meet die deze test of dit systeem geacht wordt te meten. Hoofdstuk 3 Classificatie en beoordeling van afwijkende emoties, gedachten en gedrag 59 Nevid_8ed_boek.indb 59

9 tie dat andere mensen duivels zijn) zijn bijvoorbeeld kenmerkende symptomen van schizofrenie. Het meerassige systeem integreert informatie over afwijkend gedrag, somatische aandoeningen die dat gedrag beïnvloeden, psychosociale en omgevingsproblemen die stress kunnen oproepen en het globale functioneringsniveau van de patiënt. Dat levert een gedetailleerd beeld op. De mogelijkheid van meerdere diagnoses dwingt behandelaars om zowel de huidige problemen (As I) te benoemen, als om aandacht te besteden aan langduriger persoonlijkheidsproblemen (As II) die wellicht van invloed zijn op de huidige problemen. Er is ook kritiek op het DSM-classificatiesysteem. Sommige critici zetten vraagtekens bij specifieke diagnostische criteria, zoals de eis dat een ernstige depressie al minstens twee weken voor de diagnose moet hebben bestaan (Kendler & Gardner, 1998). Anderen vinden dat het systeem te veel leunt op het biologische model. De DSM-IV vat problematische gedragingen op als symptomen van onderliggende psychische stoornissen, grotendeels op dezelfde manier als het medische model lichamelijke symptomen beschouwt als tekenen van onderliggende somatische aandoeningen. Alleen al het gebruik van de term diagnose zou suggereren dat het medische model een geschikte basis is voor het classificeren van afwijkende gedragingen. Sommige behandelaars vinden echter dat gedrag, afwijkend of niet, te complex en te betekenisvol is om enkel en alleen als symptoom op te vatten. Zij stellen dat het medische model te veel nadruk legt op wat zich misschien binnen in de betrokkene afspeelt, en te weinig nadruk legt op externe invloeden op gedrag, zoals sociale factoren (sociaaleconomisch, sociaal-cultureel en etnisch) en fysieke omgevingsfactoren. Nog een punt van zorg is dat het medische model zich richt op het categoriseren van psychische stoornissen in plaats van op het beschrijven van sterkten en zwakten in iemands gedrag. Daarom betwijfelen vele onderzoekers of het diagnostische model zijn categorische opzet zou moeten behouden (een stoornis is aanwezig of niet). Misschien, stellen zij, zou deze opzet moeten worden vervangen door een dimensionale aanpak. In die aanpak zouden afwijkende gedragspatronen als angst-, depressieve en persoonlijkheidsstoornissen uitersten voorstellen op een spectrum van gemoedstoestanden en psychologische kenmerken die in het grote publiek worden aangetroffen (bijvoorbeeld Akiskal & Benazzi, 2006; First, 2006). Sommige deskundigen vinden dat de nieuwe DSM-5 een gemengd model zou moeten opnemen dat elementen bevat van zowel categorische als dimensionale classificatie (bijvoorbeeld Drabick, 2009; Kamphuis & Noordhof, 2009; Maser et al., 2009). Zie ook de kadertekst DSM-5 op pag. 55. Veel deskundigen vinden dat de DSM bij diagnostische beoordelingen meer oog moet hebben voor de culturele en etnische diversiteit (bijvoorbeeld Alarcón et al., 2009). Zij zeggen: laten we niet vergeten dat de symptomen of problematische gedragingen die als diagnostische criteria in de DSM zijn opgenomen eensgezind zijn vastgesteld door grotendeels in de VS opgeleide psychiaters, psychologen en sociaal werkers. Als de American Psychiatric Association bijvoorbeeld aan in Azië of in Latijns-Amerika opgeleide professionals had gevraagd om een diagnostisch handboek te ontwikkelen, zouden er wellicht andere diagnostische criteria, of zelfs andere diagnostische categorieën uit zijn gekomen. De nieuwste uitgave van de DSM doet echter meer dan ooit zijn best om bij de beoordeling van afwijkend gedrag rekening te houden met culturele factoren. Er staat bijvoorbeeld in dat behandelaars die niet bekend zijn met de culturele achtergrond van een patiënt, het risico lopen om zijn of haar gedrag ten onrechte als afwijkend te bestempelen, terwijl het in werkelijkheid binnen het normale spectrum van de cultuur in kwestie valt. In hoofdstuk 1 hebben we al opgemerkt dat hetzelfde gedrag in de ene cultuur normaal kan zijn, terwijl mensen in andere culturen het misschien abnormaal vinden. De DSM-IV-TR benadrukt het feit dat 60 Psychiatrie een inleiding Nevid_8ed_boek.indb 60

10 afwijkend gedrag pas tot een diagnose kan leiden als het buiten de grenzen valt van een in de desbetreffende cultuur te verwachten respons op een bepaalde gebeurtenis. Dat geldt ook voor gedrag dat buiten de culturele normen van de onderzoeker valt. De DSM-IV-TR benadrukt bovendien dat sommige afwijkende gedragspatronen in verschillende culturen verschillende vormen kunnen aannemen, en dat andere afwijkende gedragspatronen specifiek zijn voor één bepaalde cultuur. Een ander kritiekpunt op het DSM-systeem luidt dat het mensen kan stigmatiseren, doordat ze een sticker van een psychiatrische diagnose krijgen opgeplakt. In onze samenleving bestaan veel vooroordelen over mensen die officieel psychisch gestoord zijn verklaard. Ze worden vaak gemeden, zelfs door familieleden, en zijn het slachtoffer van discriminatie op de arbeidsmarkt en bij het zoeken van een woning. Ondanks deze kritiekpunten is het DSM-systeem uitgegroeid tot een logisch onderdeel van de dagelijkse praktijk van de meeste westerse deskundigen op het gebied van de geestelijke gezondheidszorg. Het is wellicht het enige handboek dat in bijna alle behandelkamers op de boekenplank staat, groezelig en vol ezelsoren door veelvuldig gebruik. Misschien moeten we de DSM-IV beschouwen als een werk in aanbouw en niet als een eindproduct, vanwege de toch wel terechte kritiek dat het model te statisch is. Laten we nu eens kijken naar de verschillende manieren waarop we afwijkend gedrag kunnen beoordelen. 3.4 Beoordelingsmethoden Om tot een classificatie en mogelijke diagnose te komen, gebruiken behandelaars verschillende beoordelingsmethoden, zoals interviews, psychologische tests, zelfbeoordelingsschalen, observatieschalen en fysiologische meetinstrumenten. Beoordelen gaat echter verder dan classificeren alleen. Een zorgvuldige beoordeling levert een schat aan informatie op over de persoonlijkheid en het cognitieve functioneren van de patiënt. Dankzij deze informatie krijgt de behandelaar een breder inzicht in de problemen van zijn patiënt en is hij in staat om een geschikte behandelmethode te kiezen. In de meeste gevallen bestaat de formele beoordeling uit een of meer klinische interviews met de patiënt, die uiteindelijk leiden tot een diagnostische indruk en een behandelplan. In sommige gevallen worden meer formele psychologische tests gebruikt, om psychische problemen van de patiënt en zijn of haar intellectuele, persoonlijke en neuropsychologische functioneren in kaart te brengen Het klinische interview Het klinische interview is de meest gebruikte beoordelingsmethode. Deze houdt in dat behandelaar en patiënt in gesprek met elkaar zijn en dat in die interactie de basis ligt van alle verdere interventies. Het zal duidelijk zijn dat de eerste keer dat men elkaar ontmoet andere zaken inhoudelijk of emotioneel aan de orde kunnen komen dan in latere ontmoetingen. Het eerste gesprek dat een behandelaar en een patiënt met elkaar voeren heet het intakegesprek. Deze intake kan over meerdere sessies gespreid worden. Ook later in de behandeling worden klinische interviews afgenomen, bijvoorbeeld om de voortgang van de behandeling te bespreken. In het interview spelen niet alleen feiten en gegevens een rol, maar ook de emoties en het gedrag van de patiënt, en de invloed die dat heeft op de emoties van de interviewer. Er vindt dus een interactie plaats op emotioneel niveau; daarom is het ook zo belangrijk dat behandelaren zelf enig zicht hebben op hun eigen gevoelens en reacties die het verhaal van de patiënt bij hen oproept, zoals angst, afkeer, medelijden, bezorgdheid of woede. Hoofdstuk 3 Classificatie en beoordeling van afwijkende emoties, gedachten en gedrag 61 Nevid_8ed_boek.indb 61

11 Een verstandhouding opbouwen Een deskundige interviewer probeert een goede verstandhouding op te bouwen met zijn patiënt. Door deze vertrouwensband voelt de patiënt zich op zijn gemak en is er ruimte voor een openhartig gesprek. ongestructureerd interview Interview waarbij de behandelaar volgens zijn of haar eigen stijl te werk gaat, in plaats van zich aan een vooropgezet stramien te houden. semigestructureerd interview Interview waarbij de behandelaar een globaal stramien volgt dat bedoeld is om essentiële informatie te verzamelen, maar zelf bepaalt in welke volgorde hij de vragen stelt, en vrij is om een uitstapje te maken naar een ander onderwerp. gestructureerd interview Interview waarbij de behandelaar een van tevoren vastgestelde reeks vragen stelt in een vaste volgorde. In de eerste gesprekken vraagt de behandelaar de patiënt om in zijn of haar eigen woorden te beschrijven wat het probleem is: Kun je vertellen met welke problemen je de laatste tijd worstelt? Vervolgens zal hij op bepaalde aspecten van het gepresenteerde probleem doorvragen, zoals afwijkend gedrag en onprettige gevoelens, de omstandigheden waarin het probleem is ontstaan, hoe de patiënt vroeger met het probleem is omgegaan en welke invloed het probleem nu heeft op zijn dagelijks functioneren. Hij informeert naar gebeurtenissen die het probleem kunnen verergeren, zoals veranderingen in levensomstandigheden, relaties, de situatie op het werk of op school. De behandelaar moedigt de patiënt aan om het probleem in zijn eigen woorden te beschrijven, zodat hij begrijpt hoe de patiënt zijn eigen situatie ziet. Denk maar aan de interviewer in de korte gevalsbeschrijving aan het begin van dit hoofdstuk, die Jerry vroeg wat de aanleiding was om hulp te zoeken. Hoewel de opzet van een dergelijk gesprek natuurlijk kan variëren, komen de volgende onderwerpen in bijna elk interview aan de orde: 1. Gegevens verzamelen. Informatie over algemene en demografische kenmerken van de patiënt, zoals adres en telefoonnummer, huwelijkse staat, leeftijd, gender, etniciteit, religie, werk en gezinssamenstelling. 2. Beschrijving van het gepresenteerde probleem. Hoe kijkt de patiënt tegen het probleem aan? Welke verontrustende gedragingen, gedachten en gevoelens noemt hij? Welke invloed hebben die gedachten en gevoelens op zijn functioneren? Wanneer is het probleem ontstaan? 3. Psychosociale geschiedenis. Informatie over de ontwikkelingsgeschiedenis van de patiënt: gezinssituatie in jeugd, opleiding, sociale ontwikkeling, carrière et cetera. 4. Medische/psychiatrische geschiedenis. Informatie over medische en psychiatrische behandelingen en opnames in het verleden: is het huidige probleem een terugkerende episode van een ouder probleem? Hoe is het probleem in het verleden behandeld? Was de behandeling succesvol? Waarom wel, waarom niet? 5. Somatische problemen/medicijngebruik. Beschrijving van huidige somatische problemen plus behandeling, inclusief medicatie. De behandelaar is alert op de mogelijke invloed van somatische problemen op de huidige psychologische problemen. Zo hebben sommige medicijnen tegen somatische aandoeningen invloed op de stemming en het gehele niveau van alertheid en spanning van de patiënt. Interviewvormen Het klinische interview bestaat in drie globale vormen. In een ongestructureerd interview heeft de behandelaar een eigen manier van vragen stellen. Hij gebruikt dus geen standaardvragenlijst. In een semigestructureerd interview volgt de behandelaar een globale vragenlijst die is bedoeld om essentiële informatie te verzamelen. Hij is echter vrij om die vragen in elke gewenste volgorde te stellen en hij kan ook andere onderwerpen aansnijden. In een gestructureerd interview stelt de interviewer een van tevoren vastgestelde reeks vragen in een specifieke volgorde. Het belangrijkste voordeel van het ongestructureerde interview is de spontaniteit en de conversatieachtige stijl. Omdat de interviewer niet gebonden is aan een specifieke reeks vragen, is er een actieve interactie met de patiënt. Het grootste nadeel is het gebrek aan standaardisering. Interviewers kunnen een vraag immers op tal van manieren stellen. Zo kan de ene interviewer vragen: Hoe heb je je de laatste tijd gevoeld?, terwijl een ander informeert: Heb je de afgelopen twee weken veel gehuild of je huilerig gevoeld? Hoe de patiënt reageert, is tot op zekere hoogte afhankelijk van de manier waarop de vraag wordt gesteld. Daarnaast bestaat het gevaar dat het ongestructureerde interview door de conversatieachtige sfeer geen aandacht besteedt aan de belangrijke klinische 62 Psychiatrie een inleiding Nevid_8ed_boek.indb 62

12 informatie die nodig is om een diagnose te kunnen stellen. De meeste patiënten hebben bijvoorbeeld een zetje in de rug nodig voordat ze over hun zelfmoordgedachten vertellen. Een semigestructureerd interview geeft meer structuur en uniformiteit, maar dat gaat vaak ten koste van spontaniteit. Behandelaars die voor een semigestructureerd interview kiezen, volgen een globale vragenlijst, maar gunnen zichzelf de ruimte om van het protocol af te wijken als ze willen doorvragen op onderwerpen die belangrijk lijken. Gestructureerde interviews (ook wel gestandaardiseerde interviews genoemd) hebben de hoogste mate van betrouwbaarheid en consistentie wat betreft hun diagnostische oordeel; daarom worden ze vaak gebruikt in psychologische onderzoeken. Het Structured Clinical Interview (SCID) van de DSM-IV bestaat uit een aantal gesloten vragen waarmee de behandelaar kan vaststellen of de patiënt gedrag vertoont dat wijst in de richting van specifieke diagnostische categorieën. Ook bevat het een aantal open vragen die de patiënt aanmoedigen om zijn problemen en gevoelens verder uit de doeken te doen. Met behulp van de SCID kan de behandelaar tijdens het interview verschillende diagnostische hypotheses onderzoeken. In verschillende klinische settingen heeft het SCID zijn betrouwbaarheid bewezen (Williams et al., 1992). Tijdens een interview kan de behandelaar zich ook een oordeel vormen over het cognitieve functioneren van de patiënt. Dat doet hij door middel van een psychiatrisch en psychologisch onderzoek (Hengeveld & Schudel, 2007). De details van een dergelijk onderzoek variëren, maar meestal omvatten ze onder meer de volgende elementen: Uiterlijk: Maakt de patiënt een schone en verzorgde indruk? Psychomotoriek: Hoe is de houding en de spraak van de patiënt? Maakt de patiënt oogcontact? Bewustzijn: Is de patiënt suf of helder en reageert hij op vragen en prikkels uit de omgeving? Oriëntatie: Weet de patiënt wie hij is, waar hij is en welke dag het is? Aandacht: Hoe goed kan de patiënt zich concentreren? Reageert hij op de vragen van de interviewer? Waarneming: Ziet, hoort, voelt, ruikt en/of proeft de patiënt dingen die niet met de dagelijkse werkelijkheid overeenkomen (hallucinaties)? Denkprocessen: Kan de patiënt helder en consistent een verhaal vertellen en is hij goed te volgen? Is de inhoud van wat de patiënt zegt normaal of niet reëel? Kan hij realiteit en fantasie onderscheiden (wanen)? Stemming: Welke emoties toont de patiënt tijdens het interview? Komen die overeen met de inhoud van wat er gezegd wordt (congruent)? Beoordelingsvermogen: Kan de patiënt in het dagelijks leven weloverwogen beslissingen nemen? De interviewer voegt alle informatie uit het interview, het overzicht van de achtergrond van de patiënt en de beschrijving van de problemen samen, en vormt zo een diagnostische indruk. Toch rijst de vraag of het nu echt noodzakelijk is dat een (klinisch) interview wordt afgenomen door een fysieke interviewer. In de kadertekst Moeten we interviewers vervangen door computers? geven we een overzicht van de stand van zaken in de huidige discussie over digitale psychologische beoordelingsmethoden. Waar of onwaar? Mensen praten eerder over persoonlijke problemen als ze geïnterviewd worden door iemand van vlees en bloed, dan door een computer. Onwaar Er zijn bewijzen dat mensen evenveel of zelfs meer over zichzelf onthullen als ze door een computer geïnterviewd worden, dan wanneer er iemand van vlees en bloed tegenover hen zit. Misschien zijn ze minder beducht om door de computer beoordeeld te worden. Hoofdstuk 3 Classificatie en beoordeling van afwijkende emoties, gedachten en gedrag 63 Nevid_8ed_boek.indb 63

13 Controverses in de psychiatrie Moeten we interviewers vervangen door computers? Moeten klinische interviews per se door een daartoe opgeleide, persoonlijk aanwezige interviewer worden afgenomen? Tegenwoordig regelen velen van ons hun bankzaken per computer, we bestellen onze vliegtickets online en houden elektronisch onze agenda bij. Zou de klinische interviewer niet ook kunnen worden vervangen door een computer? Er wordt steeds meer gebruikgemaakt van gecomputeriseerde beoordelingsmethoden, al is het niet waarschijnlijk dat deze binnen afzienbare tijd menselijke interviewers zullen vervangen. In een gecomputeriseerd klinisch interview beantwoorden mensen vragen over hun psychologische symptomen en aanverwante klachten die hun op een beeldscherm worden gesteld. Het computerinterview kan problemen aan het licht brengen waarvoor cliënten zich schamen, of die ze liever niet aan een interviewer van vlees en bloed vertellen (Taylor & Luce, 2003). Soms onthullen mensen tegenover een computer zelfs meer over zichzelf dan tegenover een menselijke interviewer. Misschien voelen mensen zich minder verlegen als er tijdens het interview niemand naar hen kijkt. Of misschien lijkt het alsof de computer meer bereid is de tijd te nemen om alle klachten te noteren. Daartegenover staat dat computers de menselijke aanpak missen die soms nodig is om gevoelige zaken aan het licht te brengen, zoals iemands diepste angst, relatieproblematiek, seksuele problemen en dergelijke. Een computer kan evenmin de nuances in gezichtsuitdrukkingen van mensen beoordelen, terwijl die misschien meer vertellen over hun diepste zorgen dan hun ingetypte of gesproken antwoorden. Over de hele linie is er echter voldoende bewijs dat computerprogramma s net zo goed als ervaren klinisch psychologen informatie van cliënten kunnen verkrijgen en een zorgvuldige diagnose stellen (Taylor & Luce, 2003). Computerprogramma s zijn bovendien minder duur en tijdsefficiënter dan persoonlijke interviews. De meeste cliënten en klinische psychologen reageren positief op gecomputeriseerde beoordelingen, maar dit geldt niet voor iedereen (Richard & Bobicz, 2003). De weerstand tegen het gebruik van computerinterviews lijkt eerder van klinisch psychologen te komen dan van cliënten. Sommige klinisch psychologen geloven dat persoonlijk oogcontact nodig is om de onderliggende zorgen van een cliënt boven water te krijgen. Aangezien diagnostische interviews per computer soms misleidende bevindingen opleveren, zouden gecomputeriseerde beoordelingen moeten worden gecombineerd met een klinisch interview en beoordeling door een daartoe opgeleide psycholoog of psychiater (Garb, 2007). De computer zal de menselijke interviewer wellicht nooit helemaal vervangen. Wel kan een beoordeling gebaseerd op een combinatie van een klinisch interview en vragen/opdrachten via de computer het beste evenwicht bieden tussen efficiëntie en gevoeligheid. Een andere verandering die in het verschiet ligt, is de ontwikkeling van online beoordelingen. Sommige psychologen voeren nu al psychologische beoordelingen uit via , videochat of op een andere manier via internet (Naglieri et al., 2004; Shore et al., 2007). Het is te verwachten dat deze ontwikkeling doorzet en een grote invloed zal hebben op de wijze waarop psychologische behandelingen zullen plaatsvinden. Kritisch denken Hoe kan de betrouwbaarheid van computergestuurde beoordelingen gemeten worden? En hoe zit dat met de validiteit van deze beoordelingstechniek? Zijn computergestuurde beoordelingen misschien geschikter voor mensen met de ene stoornis, zoals een sociale fobie, dan met een andere, zoals schizofrenie? Leg uit. Computergestuurd interview Zou je je problemen eerder aan een computer vertellen dan aan een persoon van vlees en bloed? Computer gestuurde interviews worden al meer dan 25 jaar toegepast, en uit onderzoek blijkt dat de computer wellicht beter in staat is om problemen boven tafel te krijgen dan zijn menselijke tegenhanger. 64 Psychiatrie een inleiding Nevid_8ed_boek.indb 64

14 3.4.2 Psychologische tests Een psychologische test is een gestructureerde beoordelingsmethode die wordt gebruikt om redelijk stabiele trekken te meten, zoals intelligentie en persoonlijkheid. Dit soort tests wordt meestal gestandaardiseerd met behulp van een groot aantal proefpersonen, en verschaft normen waarmee de scores van de patiënt vergeleken kunnen worden met het gemiddelde. Door de testresultaten van een steekproef van mensen zonder een psychische stoornis te vergelijken met die van mensen die wel een diagnosticeerbare psychische stoornis hebben, krijgen we inzicht in welke typen van responspatronen een indicatie vormen van afwijkend gedrag. Intelligentietests Bij de beoordeling van afwijkend gedrag wordt dikwijls ook gekeken naar de intelligentie van de betrokkene. Formele intelligentietests worden bijvoorbeeld gebruikt bij de diagnose zwakzinnigheid (hoofdstuk 6). Ze meten intellectuele belemmeringen die worden veroorzaakt door andere stoornissen, zoals organische stoornissen die het gevolg zijn van een hersenbeschadiging. Ze geven ook een beeld van de sterke en zwakke kanten van het intellectuele vermogen van de patiënt, wat weer van invloed is op de keuze voor een bepaalde behandelmethode; deze moet immers aansluiten op de mogelijkheden van de patiënt. Intelligentietests zijn ontworpen voor het meten van intelligentie, die gewoonlijk wordt uitgedrukt in de vorm van een intelligentiequotiënt (IQ). Een IQ-score is gebaseerd op de relatieve afwijking (deviatie) van een score op een intelligentietest van de norm, die geldt voor de leeftijdsgroep waartoe de betrokkene behoort. Een score van 100 is het gemiddelde. Mensen die meer vragen correct beantwoorden dan het gemiddelde krijgen een IQ-score die hoger is dan 100, en mensen die minder vragen correct beantwoorden dan het gemiddelde, krijgen een IQ-score die lager is dan 100 (zie figuur 3.1). Bekende tests zijn: Wechsler Adult Intelligence Scale (WAIS-III ). Wechslers test omvat zowel verbale als performale subtests, die een verbaal en een performaal IQ opleveren. Verbale subtests doen over het algemeen een beroep op kennis van verbale concepten; performale subtests meten vooral vaardigheden op het gebied van ruimtelijk inzicht. Groninger Intelligentie Test (GIT ). Deze intelligentietest wordt naast de WAIS in Nederland veel gebruikt. De test bestaat uit negen onderdelen die verschillende deelaspecten van de intelligentie beogen te meten, onder andere rekenen, logisch redeneren en ruimtelijk inzicht. Stanford-Binet Intelligence Scale. Deze test meet de intelligentie van kinderen en jongvolwassenen. Raven Matrixes. Een intelligentietest waarin taal weinig of geen rol speelt. Daardoor kan het een middel zijn om personen die een bepaalde taal niet spreken te testen op hun IQ. De deugdelijkheid van intelligentietests: Robert Guthrie Culturele biases: Robert Guthrie Zelfbeoordelingsvragenlijst Houd je van tijdschriften over auto s? Word je snel wakker van een nachtelijk geluid? Voel je je bij tijd en wijle angstig of beverig? Zelfbeoordelingsvragenlijsten gebruiken dit soort gestructureerde items om persoonlijkheidstrekken als emotionele (in)stabiliteit, mannelijkheid-vrouwelijkheid en intro- en extraversie te meten. De proefpersoon reageert op specifieke vragen of uitspraken over zijn gevoelens, gedachten, zorgen, attitudes, interesses, opvattingen et cetera. Zelfbeoordelingsvragenlijsten worden ook wel objectieve tests genoemd, omdat het aantal mogelijke antwoorden beperkt is. Proefpersonen moeten bijvoorbeeld aangeven of bepaalde bijvoeglijke naamwoorden bij hen passen, of uitspraken waar of onwaar zijn, welke activiteiten op een lijst ze het leukst vinden om te doen of welke items altijd, soms of nooit op hen van toepassing zijn. Een testitem luidt bijvoorbeeld: Ik voel me ongemakkelijk in menigten, met als mogewww.pearsonxtra.nl Hoofdstuk 3 classificatie en beoordeling van afwijkende emoties, gedachten en gedrag 65 Nevid_8ed_boek.indb 65

15 Figuur 3.1 Normale distributie van IQscores De verdeling van IQ-scores is gebaseerd op een klokvormige curve, die psychologen een normale verdeling noemen. Het IQ is een genormaliseerd getal op een schaal waarvan het gemiddelde (de mediaan) op 100 wordt gesteld, met een standaarddeviatie van 15. Een standaarddeviatie is een statistische maat voor de variatie, oftewel de verspreiding, van de scores rond de mediaan. Zie je dat 50 procent van de scores binnen het brede gemiddelde van 90 tot 110 valt? % 95% 99+% Waar of onwaar? De meest gebruikte persoonlijkheidstest bevat vragen die ogenschijnlijk geen verband houden met de trekken die de test geacht wordt te meten. Waar Uit uitgebreid wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat het op indirecte wijze met atypische vragen mogelijk is om een verschil aan te tonen tussen mensen die een klinische diagnose ontvingen en referentiegroepen die deze diagnose niet hadden. lijke antwoorden waar of onwaar. We zullen nu een aantal persoonlijkheidstests bespreken die in de psychiatrie veel gebruikt worden. Minnesota Multiphasic Personality Inventory (MMPI-2) De MMPI-2 bevat meer dan 500 waar/onwaar-uitspraken die een beeld geven van iemands interesses, familierelaties, lichamelijke (somatische) klachten, attitudes, opvattingen en gedragingen die kenmerkend zijn voor psychische stoornissen. De test wordt op grote schaal gebruikt als persoonlijkheidstest en helpt behandelaars bij het diagnosticeren van afwijkende gedragspatronen. De MMPI-2 bestaat uit een aantal individuele schalen met items die in de meeste gevallen anders werden beantwoord door leden van zorgvuldig geselecteerde diagnostische groepen, zoals patiënten met de diagnose schizofrenie of depressie, dan door leden van controlegroepen. Veel items die een scheiding teweegbrengen tussen controlegroepen en klinische groepen zijn gemakkelijk te herkennen, zoals: Ik voel me vaak somber. Sommige items zijn echter een stuk subtieler en andere lijken geen enkel verband te houden met de te meten trek. Dat geldt bijvoorbeeld voor een hypothetisch item als: Ik denk dat het voor mensen beter zou zijn als ze vaker met de trein reisden in plaats van met het vliegtuig. De items op de MMPI zijn verdeeld over een aantal klinische schalen (zie tabel 3.6). Een score van 65 of hoger op een specifieke schaal wordt klinisch significant genoemd. De MMPI-2 bevat ook een aantal validiteitschalen die meten in hoeverre de betrokkene geneigd is om zijn antwoorden bij te sturen in positieve ( beter voordoen ) of negatieve ( slechter voordoen ) richting. Andere schalen meten de specifieke klachten en zorgen van de betrokkene, zoals angst, woede, gezinsproblemen en problemen met zelfachting. Millon Clinical Multiaxial Inventory (MCMI) De Millon Clinical Multiaxial Inventory is ontwikkeld om de behandelaar te helpen een diagnose te stellen binnen het meerassige DSM-systeem, met name bij de persoonlijkheidsstoornissen op As II (Millon, 1982, 2003). De MCMI is de enige objectieve persoonlijkheids test die zich richt op een beschrijving van de persoonlijkheid en eventuele persoonlijkheidsstoornissen. De MMPI-2 legt de focus op persoonlijkheidspatronen die samenhangen met As I-diagnoses, zoals stemmingsstoornissen, angststoornissen en psychotische stoornissen. Gecombineerd gebruik van de MCMI en de MMPI-2 stelt de behandelaar in staat om een subtieler diagnostisch onderscheid te maken dan wanneer hij slechts een van beide tests afneemt. Dat komt doordat beide tests verschillende patronen van psychopathologie beoordelen (Antoni et al., 1986). De relatie tussen de MCMI en de onderliggende 66 Psychiatrie een inleiding Nevid_8ed_boek.indb 66

16 Tabel 3.6 Klinische schalen van de MMPI-2 Schaalnummer Naam van de schaal Gelijksoortige items als op de MMPI-schaal Kenmerken van mensen met een hoge score op genoemde schaal 1 Hypochondrie Soms lijkt mijn lichaam overal pijn te doen. Ik heb vaak last van mijn maag. 2 Depressie Niets lijkt me nog te interesseren. Mijn slaap wordt soms verstoord door verontrustende dromen. 3 Hysterie Soms word ik zonder duidelijke aanleiding opgewonden. Als mensen aardig tegen me doen, geloof ik ze al snel op hun woord. Veel lichamelijke klachten, cynische, defaitistische attitude, komen dikwijls over als klagerig, veeleisend Gedeprimeerde stemming: pessimistisch, zorgelijk, moedeloos, lethargisch Naïef, egocentrisch, weinig inzicht in eigen problemen, onvolwassen; ontwikkelen lichamelijke klachten in reactie op stress 4 Psychopathische afwijking Mijn ouders keuren de meeste van mijn vrienden af. Mijn gedrag bracht me op school soms in de problemen. Moeite om zich maatschappelijke normen eigen te maken, opstandig, impulsief, antisociale neigingen; moeizame relatie met familie; negatief school- en werkverleden 5 Mannelijk-vrouwelijk Ik werk graag in het theater. (V) Ik lees graag over elektronica. (M) 6 Paranoia Ik had meer kunnen bereiken in het leven, maar ik heb nooit een eerlijke kans gehad. Je kunt tegenwoordig niemand meer vertrouwen. Mannen die vrouwelijke eigenschappen onderschrijven, hebben culturele en artistieke interesses en zijn vrouwelijk, gevoelig, passief Vrouwen die mannelijke interesses onderschrijven, zijn mannelijk, agressief, vol zelfvertrouwen, actief, assertief, daadkrachtig Wantrouwend, op hun hoede, geven anderen de schuld, haatdragend, afstandelijk, kunnen paranoïde wanen hebben 7 Psychastenie Ik ben een van die mensen die zich altijd ergens druk over moeten maken. Het lijkt of ik angstiger ben dan de meeste mensen die ik ken. 8 Schizofrenie Soms hoor ik dingen die anderen niet kunnen horen. Soms lijken dingen gewoon niet echt. 9 Hypomanie Soms neem ik meer taken op me dan ik aankan. Mensen zeggen wel eens dat ik druk of gehaast praat. 10 Sociale introversie Ik hou niet van drukke feestjes. Ik was nooit erg actief bij schoolactiviteiten. Angstig, bevreesd, gespannen, bezorgd, onzeker, moeite met concentreren, geobsedeerd, twijfelen aan zichzelf Verward en onlogisch denken, voelen zich vervreemd en miskend, sociaal geïsoleerd of teruggetrokken, kunnen duidelijke psychotische symptomen vertonen zoals hallucinaties of wanen, of een onthechte, schizoïde leefstijl Energiek, mogelijk manisch, impulsief, optimistisch, sociaal, actief, wispelturig, lichtgeraakt, mogelijk overdreven eigendunk of opgeblazen zelfbeeld, maken onrealistische plannen Verlegen, geremd, teruggetrokken, introvert, gebrek aan zelfvertrouwen, gereserveerd, angstig in sociale situaties persoonlijkheidsstoornissen die hij geacht wordt te meten, moet echter nog nader onderzocht worden. De MCMI kan de behandelaar helpen om onderscheid te maken tussen verschillende As I- en As II-stoornissen en kan onderliggende persoonlijkheidskenmerken aan het licht brengen (Kubiszyn et al., 2000; Salekin et al., 2003). Sommige onderzoekers zijn echter van mening dat deze test te snel tot de diagnose persoonlijkheidsstoornis leidt (Guthrie & Mobley, 1994; Wetzler & Marlowe, 1993). Op het gebied van klachten en symptomen is de Symptom Check List (SCL-90) een van de meest gebruikte zelfbeoordelingstesten. Een patiënt beoordeelt zelf op een vijfpuntsschaal of hij in de afgelopen week last heeft gehad van bepaalde klachten of symptomen, waarbij de antwoorden lopen van helemaal niet tot heel erg. Voorbeelden zijn: zomaar plotseling schrikken of bang worden, en het gevoel hebben dat de meeste mensen niet te vertrouwen zijn. Hoofdstuk 3 Classificatie en beoordeling van afwijkende emoties, gedachten en gedrag 67 Nevid_8ed_boek.indb 67

17 Waar of onwaar? Voor een objectieve persoonlijkheidstest zijn geen subjectieve oordelen nodig van de persoon die de test ondergaat. Onwaar Objectieve persoonlijkheidstests zijn zelfbeoordelingsinstrumenten die erop rekenen dat personen subjectieve oordelen over zichzelf geven. Ze worden als objectief beschouwd in die zin dat ze beperkte antwoordmogelijkheden bieden, die objectief kunnen worden verwerkt. neuropsychologische beoordeling Het meten van een gedraging of een prestatie die een indicatie kan geven van een onderliggende hersenbeschadiging of defect. In Nederland zijn ook verschillende tests ontwikkeld om persoonlijkheid en klachten te meten. We bespreken er hier twee kort: De Nederlandse Persoonlijkheidsvragenlijst (NPV) is een vragenlijst die zich richt op persoonlijkheidstrekken die relevant zijn in verschillende praktijkgebieden, waaronder de psychiatrie. De test bestaat uit de volgende zeven schalen: inadequatie (vage lichamelijke klachten, somberheid, vage angsten, insufficiëntiegevoelens); sociale inadequatie (vermijden van sociale situaties, onprettig voelen in sociale situaties); rigiditeit (mate van behoefte aan controle, intellectuele starheid); verongelijktheid (kritiek hebben op anderen, wantrouwen van anderen); zelfgenoegzaamheidschaal (gevoel van tevredenheid dat individu over zich heeft, gebrek aan interesse voor de ander); dominantie (zelfvertrouwen, initiatief nemen, leiding willen geven); zelfwaardering (positieve instelling bijvoorbeeld ten opzichte van werk, flexibiliteit en aanpassingsvermogen). De Nederlandse verkorte MMPI (NVM) is ontwikkeld vanuit de originele MMPI. Hierbij is de MMPI teruggebracht tot 83 vragen en de test meet de persoonlijkheid op vijf schalen: negativisme, somatisering, verlegenheid, psychopathologie en extraversie. Evaluatie van zelfbeoordelingsvragenlijsten Zelfbeoordelingsvragenlijsten zijn relatief gemakkelijk af te nemen. Als de testpsycholoog of assistent de instructies aan de patiënt heeft voorgelezen en zich ervan heeft vergewist dat die de items kan lezen en begrijpen, kan de patiënt zonder verdere begeleiding aan de slag. Omdat de tests slechts beperkte responsmogelijkheden bieden, waar of onwaar bijvoorbeeld, kunnen ze gescoord worden met een hoge interbeoordelaarsbetrouwbaarheid (daarbij komen twee deskundigen tot hetzelfde oordeel; als je jezelf beoordeelt, heb je immers geen objectieve bron om te oordelen of de zelfbeoordeling juist is). Een nadeel van zelfbeoordelingsvragenlijsten is dat de patiënt de enige bron van informatie is. Daardoor kunnen zijn responsen op de test verstoord zijn door onderliggende responsbiases, zoals de neiging om items op een sociaal acceptabele manier te beantwoorden in plaats van op grond van werkelijke gevoelens. Zelfbeoordelingsvragenlijsten zijn misschien alleen nuttig als ze worden afgenomen bij relatief hoog functionerende mensen die goed kunnen lezen, openstaan voor verbale informatie en het vermogen hebben om zich te concentreren op een potentieel saaie taak. Ongestructureerde, instabiele of verwarde patiënten zijn wellicht helemaal niet in staat om zo n test te maken. De toenemende culturele diversiteit van de bevolking maakt het ook moeilijker om instrumenten te vinden die voor verschillende groepen even waardevol en valide zijn Neuropsychologische beoordeling Bij een neuropsychologische beoordeling gebruikt men tests om te bepalen of psychische problemen wellicht het gevolg zijn van onderliggende neurologische beperkingen of beschadigingen. Als men vermoedt dat er sprake is van een neurologische beperking, kan de patiënt worden doorverwezen naar een neuroloog, een arts die gespecialiseerd is in aandoeningen aan het zenuwstelsel. Een klinisch neuropsycholoog onderzoekt met behulp van neuropsychologische beoordelingstechnieken, zoals gedragsobservatie en psychologische tests, of er tekenen zijn die duiden op hersenletsel. Soms gebruikt men naast neuropsychologische tests ook andere technieken om de relaties tussen hersenfuncties en onderliggende afwijkingen in kaart te brengen, zoals de MRI- en CT-scan (Fiez, 2001). Uit neuropsychologische tests blijkt niet alleen of iemand wel of geen hersenbeschadiging heeft, maar ook welke delen van de hersenen eventueel zijn aangetast. 68 Psychiatrie een inleiding Nevid_8ed_boek.indb 68

18 A (A) (B) Figuur 3.2 De Bender Visual Motor Gestalt Test De Bender wordt geacht organische beperkingen op te sporen. In afbeelding (A) zie je de reeks figuren die respondenten moeten kopiëren. Afbeelding (B) toont de tekeningen van iemand van wie bekend is dat hij hersenletsel heeft. De Bender Visual Motor Gestalt Test Een van de eerste en nog steeds meest gebruikte neuropsychologische tests is de Bender Visual Motor Gestalt Test (Raphael et al., 2002). De Bender bestaat uit negen geometrische figuren die verschillende gestaltprincipes van perceptie vertegenwoordigen (Bender, 1938) en die de patiënt moet kopiëren (zie figuur 3.2). Rotatie, vervorming en verkeerde onderlinge verhoudingen van de figuren zijn indicatoren van mogelijk hersenletsel. Vervolgens moet de patiënt de figuren nogmaals, zonder ze weer te zien, reproduceren. Het is namelijk ook mogelijk dat het geheugen door een hersenbeschadiging niet meer correct werkt. De Halstead-Reitan Neuropsychologische Batterij De tests in de batterij meten de perceptuele, intellectuele en motorische vaardigheden en prestaties van de patiënt. Het voordeel van een hele batterij tests is dat de psycholoog bepaalde patronen kan waarnemen in de resultaten. Als er bijvoorbeeld sprake is van een patroon van tekortschietende prestaties, kan dat op een organisch defect wijzen. De Luria-Nebraska Neuropsychologische Batterij De Luria-Nebraska Batterij meet een breed scala aan vaardigheden, waaronder tactiele, kinesthetische en ruimtelijke vaardigheden; complexe motorische vaardigheden; auditieve vaardigheden; receptieve en expressieve spreekvaardigheid; vaardigheden op het gebied van lezen, schrijven en rekenen; en algemene intelligentie en geheugen. Hoofdstuk 3 Classificatie en beoordeling van afwijkende emoties, gedachten en gedrag 69 Nevid_8ed_boek.indb 69

19 Kerry, een verschrikkelijk kind Een zevenjarig jongetje wordt op verzoek van zijn ouders onderzocht. Zijn moeder beschrijft hem als een verschrikkelijk kind. Zijn vader klaagt dat de jongen naar niemand luistert. Kerry krijgt driftbuien in de supermarkt. Als zijn ouders weigeren te kopen wat hij wil hebben, schreeuwt hij en trapt iedereen van zich af. Thuis maakt hij zijn speelgoed kapot door het tegen de muur te gooien. En dan wil hij nieuwe speeltjes hebben. Soms is hij nukkig en weigert urenlang om ook maar een woord te zeggen. Op school lijkt hij geremd en hij heeft moeite om zich te concentreren. Zijn leerprestaties zijn heel matig en hij heeft moeite met lezen. Zijn leraren klagen dat hij een korte aandachtsboog heeft en ongemotiveerd overkomt. Bron: uit een dossier van de auteur. gedragsbeoordeling Vorm van klinische beoordeling die bestaat uit het objectief vastleggen en beschrijven van problematisch gedrag. zelfwaarneming Het proces van het observeren of vastleggen van de eigen gedragingen, gedachten of emoties Gedragsbeoordeling Door middel van gedragsbeoordeling tracht de behandelaar een beeld te krijgen van het gedrag van de betrokkene in situaties die zo veel mogelijk lijken op situaties in het dagelijks leven, waardoor de relatie tussen de testsituatie en het criterium zo groot mogelijk is. Gedragsbeoordeling bestaat uit observatie, en het meten kan overal plaatsvinden: thuis, op school of op het werk. Het is ook mogelijk om in de kliniek of het laboratorium situaties na te bootsen die zo veel mogelijk lijken op de problemen waar de betrokkene in het dagelijks leven tegenaan loopt. De testpsycholoog kan het probleemgedrag aan een functionele analyse onderwerpen. Dat wil zeggen dat hij onderzoek doet naar de relatie tussen het probleemgedrag en zijn antecedenten: de stimulus die het gedrag ontketende en zijn consequenties, de bekrachtigers die het gedrag in stand houden. Als de therapeut weet onder welke omstandigheden en in welke omgeving het probleemgedrag optreedt, kan hij de patiënt en zijn gezin helpen om veranderingen aan te brengen in de omstandigheden die het gedrag uitlokken en in stand houden. Lees onderstaande casus over Kerry. Om de interactie tussen Kerry en zijn ouders te observeren, kan de psycholoog het gezin thuis bezoeken of het drietal in de kliniek uitnodigen en via een spiegelruit kijken hoe ze met elkaar omgaan. Tijdens dergelijke directe observaties kunnen interacties aan het licht komen die de tegendraadsheid van het kind verklaren. Op basis van dit soort observaties kan de behandelaar aangeven hoe Kerry s ouders de communicatie zouden kunnen verbeteren, waardoor het gewenste gedrag wordt opgeroepen en bekrachtigd. Het is ook een vorm van diagnostisch onderzoek om duidelijk te krijgen welke pathologie het kind eventueel zelf heeft. Gedragsbeoordeling Een vorm van gedragsbeoordeling bij fobieën is een meting van de mate waarin een persoon een beangstigende stimulus kan benaderen of ermee kan interacteren. Hier zien we een vrouw met een fobie voor honden: zij probeert de hond aan te raken. Anderen zouden de hond misschien niet eens durven benaderen als hij niet veilig opgesloten zou zitten. Zelfwaarneming Een andere methode om het verband te vinden tussen probleemgedrag en de situatie waarin het optreedt, is door de patiënt te leren hoe hij dat gedrag in het dagelijks leven moet opmerken en registreren. Bij zelfwaarneming is de patiënt zelf verantwoordelijk voor de beoordeling van het probleemgedrag, in de omstandigheden waarin het normaal plaatsvindt. Zelfwaarneming werkt vooral bij gedragingen die gemakkelijk geteld kunnen worden, zoals wat en hoeveel je eet, hoeveel je rookt, nagelbijt of aan de haren trekt, of hoeveel tijd je besteedt aan je huiswerk of sociale contacten. De methode kan een zeer accuraat beeld opleveren, omdat het gedrag meteen wordt geregistreerd op het moment dat het optreedt, en de beoordeling dus niet afhankelijk is van een reconstructie vanuit het geheugen. Er zijn verschillende hulpmiddelen om het beoogde gedrag in de gaten te houden. Een log- of dagboek is een handige manier om bij te houden hoeveel calorieën je hebt ingenomen of hoeveel sigaretten je hebt gerookt. In één onder- 70 Psychiatrie een inleiding Nevid_8ed_boek.indb 70

20 zoeksvoorbeeld gebruikten tieners handheld apparaten om hun rookgedrag en hun agressieve en depressieve symptomen bij te houden (Whalen et al., 2001). In toenemende mate kan men met behulp van bepaalde apps op de mobiele telefoon zelfregistratie ondersteunen. Deze monitoringprocedures spelen ook een belangrijke rol bij cognitieve gedragstherapeutische interventies en behandelingen. Cognitieve beoordeling Er bestaan verschillende cognitieve (zelf)beoordelingsmethoden. Een van de meest directe methoden is het bijhouden van gedachten in een dagboek. Gedeprimeerde patiënten kunnen bijvoorbeeld zorgen dat ze hun dagboek altijd bij zich hebben, zodat ze elke disfunctionele gedachte kunnen opschrijven, zodra die in hen opkomt. Aaron Beck (Beck et al., 1979) ontwierp een dergelijk gedachtedagboek, het Dagelijks verslag van niet-functionele gedachten, om zijn patiënten te helpen bij het in kaart brengen van denkpatronen die samenhangen met verontrustende emotionele gevoelens. Telkens als de patiënt negatieve emoties ervaart, zoals woede of verdriet, moet hij de volgende dingen noteren: 1. In welke situatie kwam de emotie op? 2. Welke automatische of verontrustende gedachten gingen er door je hoofd? 3. Welk type of welke categorie van gestoord gedrag past het best bij die automatische gedachte(n)? (Denk aan selectieve abstractie, overgeneralisatie, vergroting of absoluut denken, zie hoofdstuk 2.) 4. Wat zou een rationele respons zijn op de verontrustende gedachte(n)? 5. Wat is het emotionele resultaat of de uiteindelijke emotionele respons? Fysiologische beoordeling en beeldvormende technieken Fysiologische beoordeling is het onderzoek naar de fysiologische reacties van mensen. Angst hangt bijvoorbeeld samen met een prikkeling van het sympathische deel van het autonome zenuwstelsel (hoofdstuk 2). Angstige mensen hebcognitieve beoordeling Meten van gedachten, opvattingen en attitudes die wellicht samenhangen met emotionele problemen. Met behulp van de Automatic Thoughts Questionnaire (ATQ-30); Hollon & Kendall, 1980) kunnen patiënten bijhouden hoe vaak per week en hoe sterk dertig automatische gedachten bij hen opkomen (zie tabel 3.7). De ATQ-30 is dan zowel een hulpmiddel als een uitkomstmaat voor de behandeling. Tabel 3.7 Items in de Automatic Thoughts Questionnaire Factor 1: Persoonlijke onaangepastheid en wens tot verandering Factor 2: Negatief zelfbeeld en negatieve verwachtingen Factor 3: Lage zelfachting Factor 4: Snel opgeven, hulpeloosheid Er moet iets veranderen. Wat is er met me aan de hand? Ik wou dat ik een beter mens was. Wat is er mis met mij? Ik ben zo teleurgesteld in mezelf. Mijn toekomst is somber. Ik ben een mislukkeling. Ik zal het nooit halen. Mijn leven verloopt niet zoals ik wil. Ik ben een verliezer. Waarom lukt me nooit iets? Ik deug nergens voor. Ik ben waardeloos. Ik haat mezelf. Ik kan nooit iets afmaken. Het is niet de moeite waard. Bron: gebaseerd op Hollon & Kendall, fysiologische beoordeling Het meten van een fysiologische respons die kan samenhangen met afwijkend gedrag. Hoofdstuk 3 Classificatie en beoordeling van afwijkende emoties, gedachten en gedrag 71 Nevid_8ed_boek.indb 71

Grensoverschrijdend gedrag. Les 2: inleiding in de psychopathologie

Grensoverschrijdend gedrag. Les 2: inleiding in de psychopathologie Grensoverschrijdend gedrag Les 2: inleiding in de psychopathologie Programma Psychopathologie; wat is het? Algemene functionele psychopathologie DSM Psychopathologie = Een onderdeel van de psychiatrie

Nadere informatie

Our brains are not logical computers, but feeling machines that think.

Our brains are not logical computers, but feeling machines that think. Drs. Fernando Cunha (Child Support Europe) Ontwikkelingspsycholoog Gezondheidspsycholoog (BIG) Kinder- en Jeugdpsycholoog (NIP) Onderwijsspecialist http://www.child-support-europe.com In dienst van kinderen,

Nadere informatie

TSCYC Ouderversie. Vragenlijst over traumasymptomen bij jonge kinderen. Jeroen de Groot. ID 256-18 Datum 24.12.2014. Informant:

TSCYC Ouderversie. Vragenlijst over traumasymptomen bij jonge kinderen. Jeroen de Groot. ID 256-18 Datum 24.12.2014. Informant: TSCYC Ouderversie Vragenlijst over traumasymptomen bij jonge kinderen ID 256-18 Datum 24.12.2014 Informant: Mieke de Groot-Aerts moeder TSCYC Inleiding 2 / 10 INLEIDING De TSCYC is een vragenlijst die

Nadere informatie

Hij heeft 7(angst, depressie, sociale fobie, agorafobie, somatische klachten, vijandigheid, cognitieve klachten)+2 (vitaliteit en werk) subschalen

Hij heeft 7(angst, depressie, sociale fobie, agorafobie, somatische klachten, vijandigheid, cognitieve klachten)+2 (vitaliteit en werk) subschalen SQ-48: 48 Symptom Questionnaire Meetpretentie De SQ-48 bestaat uit 48 items en is in 2011 ontworpen door de afdeling psychiatrie van het LUMC om algemene psychopathologie (angst, depressie, somatische

Nadere informatie

Een depressie. P unt P. kan u helpen. volwassenen

Een depressie. P unt P. kan u helpen. volwassenen Een depressie P unt P kan u helpen volwassenen Iedereen is wel eens moe, somber en lusteloos. Het is een normale reactie op tegenvallers, een verlies en andere vervelende gebeurtenissen. Wanneer dit soort

Nadere informatie

Symptom Questionnaire SQ-48. V. Kovács! M. de Wit! M. Lucas! LUMC Psychiatrie

Symptom Questionnaire SQ-48. V. Kovács! M. de Wit! M. Lucas! LUMC Psychiatrie Symptom Questionnaire SQ-48 V. Kovács! M. de Wit! M. Lucas! LUMC Psychiatrie SQ-48 Naam patiënt: Datum: Nummer: Geboortedatum: HOEVEEL LAST HAD U VAN: Nooit Zelden Soms Vaak Zeer Vaak 18. Ik had zin om

Nadere informatie

Informatie voor Familieleden omtrent Psychose. InFoP 2. Inhoud

Informatie voor Familieleden omtrent Psychose. InFoP 2. Inhoud Informatie voor Familieleden omtrent Psychose InFoP 2 Inhoud Introductie Module I: Wat is een psychose? Module II: Psychose begrijpen? Module III: Behandeling van psychose de rol van medicatie? Module

Nadere informatie

Een depressie. PuntP kan u helpen. groep: volwassenen

Een depressie. PuntP kan u helpen. groep: volwassenen Een depressie PuntP kan u helpen groep: volwassenen Iedereen is wel eens moe, somber en lusteloos. Het is een normale reactie op tegenvallers, een verlies en andere vervelende gebeurtenissen. Wanneer dit

Nadere informatie

Correcties DSM 5 : Beknopt overzicht van de criteria

Correcties DSM 5 : Beknopt overzicht van de criteria Correcties DSM 5 : Beknopt overzicht van de criteria Vierde oplage, juni 2016 In deze lijst zijn de belangrijkste wijzigingen opgenomen t.o.v. de derde oplage (juni 2015). Pagina Stoornis Derde oplage,

Nadere informatie

Posttraumatische stressstoornis na uitzending

Posttraumatische stressstoornis na uitzending Posttraumatische stressstoornis na uitzending Factsheet Inleiding Een ruime meerderheid van de Nederlandse bevolking (ongeveer 80%) krijgt ooit te maken met één of meer potentieel traumatische gebeurtenissen.

Nadere informatie

VERANDERING VAN GEDRAG: EEN PROBLEEM OF NIET? Marieke Schuurmans Verpleegkundige & onderzoeker UMC Utrecht/Hogeschool Utrecht

VERANDERING VAN GEDRAG: EEN PROBLEEM OF NIET? Marieke Schuurmans Verpleegkundige & onderzoeker UMC Utrecht/Hogeschool Utrecht VERANDERING VAN GEDRAG: EEN PROBLEEM OF NIET? Marieke Schuurmans Verpleegkundige & onderzoeker UMC Utrecht/Hogeschool Utrecht GEDRAG: De wijze waarop iemand zich gedraagt, zijn wijze van doen, optreden

Nadere informatie

Meer informatie MRS 0610-2

Meer informatie MRS 0610-2 Meer informatie Bij de VGCt zijn meer brochures verkrijgbaar, voor volwassenen bijvoorbeeld over depressie en angststoornissen. Speciaal voor kinderen zijn er brochures over veel piekeren, verlatingsangst,

Nadere informatie

Psychiatrisering en de terreur van het perfecte kind. Prof. Dr. Stijn Vanheule Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen

Psychiatrisering en de terreur van het perfecte kind. Prof. Dr. Stijn Vanheule Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen Psychiatrisering en de terreur van het perfecte kind Psychiatriseren = Het moeilijke kind stelt de volwassene vragen: Wie is de volwassene is die hem of haar zo moeilijk vindt? Met welke ver(w)achtingen

Nadere informatie

Chapter 8. Nederlandse samenvatting

Chapter 8. Nederlandse samenvatting Chapter 8 Nederlandse samenvatting NEDERLANDSE SAMENVATTING Angst is een menselijke emotie die iedereen van tijd tot tijd wel eens ervaart. Veel mensen voelen zich angstig of nerveus wanneer ze bijvoorbeeld

Nadere informatie

De Stemmenpolikliniek

De Stemmenpolikliniek Universitair Centrum Psychiatrie (UCP) De Stemmenpolikliniek Inhoud Inleiding 1 Stemmen horen 1 De behandeling 2 Kennismaking 3 De inhoud van de behandeling 3 Behandelaars 4 Vragen 4 Belangrijke adressen

Nadere informatie

Psychisch of Psychiatrie? 12-06-2012

Psychisch of Psychiatrie? 12-06-2012 Wat is een psychische stoornis? Een psychische stoornis is een patroon van denken, voelen en gedrag dat binnen de geldende cultuur ongebruikelijk is. Het patroon veroorzaakt last bij de persoon zelf en/of

Nadere informatie

Registratie-richtlijnen

Registratie-richtlijnen BEROEPSGEBONDEN BURNOUT/OVERSPANNING (niet in Europese Lijst van Beroepsziekten) (CAS: Burnout P611 en Overspanning P619) 1 Achtergrondinformatie Van burnout wordt gesproken indien sprake is van een langdurige

Nadere informatie

Factoren in de relatie tussen angstige depressie en het risico voor hart- en vaatziekten

Factoren in de relatie tussen angstige depressie en het risico voor hart- en vaatziekten Factoren in de relatie tussen angstige depressie en het risico voor hart- en vaatziekten In dit proefschrift werd de relatie tussen depressie en het risico voor hart- en vaatziekten onderzocht in een groep

Nadere informatie

Cognitieve gedragstherapie

Cognitieve gedragstherapie Cognitieve gedragstherapie Een succesvolle psychotherapie voor diverse emotionele stoornissen en problemen Afdeling Psychiatrie en Medische Psychologie Wat is Cognitieve Gedragstherapie? Cognitieve gedragstherapie

Nadere informatie

PK Broeders Alexianen Tienen

PK Broeders Alexianen Tienen PROGRAMMA 09u30 Ontvangst Koffie 10u00 Verwelkoming en inleiding Ivo Vanschooland Dr. H. Peuskens Getuigenis Pauze Getuigenis Herman Hacour 12u00 Aperitief en lunch 14u00 Werkgroepen begeleid door: Hacour

Nadere informatie

Borderline. Als gevoelens en gedrag snel veranderen. Deze folder is voor doven en slechthorenden die meer willen weten over borderline

Borderline. Als gevoelens en gedrag snel veranderen. Deze folder is voor doven en slechthorenden die meer willen weten over borderline ggz voor doven & slechthorenden Borderline Als gevoelens en gedrag snel veranderen Deze folder is voor doven en slechthorenden die meer willen weten over borderline Herkent u dit? Bij iedereen gaat wel

Nadere informatie

BELEIDSREGEL CV-6300-4.0.1.-2

BELEIDSREGEL CV-6300-4.0.1.-2 BELEIDSREGEL Tarief en prestatiebeschrijvingen voor eerstelijns psychologische zorg 1. Algemeen a. Deze beleidsregel is van toepassing op zorgaanbieders die eerstelijns psychologische zorg leveren, welke

Nadere informatie

WAAR KAN IK HULP VINDEN? Informatie over geestelijke gezondheidsproblemen

WAAR KAN IK HULP VINDEN? Informatie over geestelijke gezondheidsproblemen WAAR KAN IK HULP VINDEN? Informatie over geestelijke gezondheidsproblemen Tekst: Aziza Sbiti & Cha-Hsuan Liu Colofon: Deze brochure is totstandgekomen met hulp van het Inspraak Orgaan Chinezen. De inhoud

Nadere informatie

Wanneer de vlag de lading niet meer dekt: over het gebruik van labels voor stoornissen

Wanneer de vlag de lading niet meer dekt: over het gebruik van labels voor stoornissen Wanneer de vlag de lading niet meer dekt: over het gebruik van labels voor stoornissen Het moeilijke kind stelt ons vragen: Wie is de volwassene is die hem of haar zo moeilijk vindt? Met welke ver(w)achtingen

Nadere informatie

DSM 5 - psychose Dr. S. Geerts Dr. O. Cools 28-11-2014

DSM 5 - psychose Dr. S. Geerts Dr. O. Cools 28-11-2014 DSM 5 - psychose Dr. S. Geerts Dr. O. Cools 28-11-2014 Inhoud DSM IV -> DSM 5 DSM IV: Schizofrenie als kernsyndroom Even stilstaan bij SCHIZOFRENIE Kritiek op DSM IV Overzicht DSM 5 Schizofrenie (1) Epidemiologie:

Nadere informatie

Informatie voor patiënten

Informatie voor patiënten Informatie voor patiënten gegeneraliseerde angststoornis: wat is dat precies? Bij u is na de intakeprocedure de diagnose gegeneraliseerde angststoornis gesteld. Om deze diagnose te kunnen krijgen moet

Nadere informatie

MOEILIJKE MENSEN? HTTP://WWW.YOUTUBE.COM/WATCH?V=GGHL0QQUXVU&FEATURE=REL ATED. Bernard Kloostra en Alie Schenk, Frontlijnteam 19-04-2012

MOEILIJKE MENSEN? HTTP://WWW.YOUTUBE.COM/WATCH?V=GGHL0QQUXVU&FEATURE=REL ATED. Bernard Kloostra en Alie Schenk, Frontlijnteam 19-04-2012 MOEILIJKE MENSEN? HTTP://WWW.YOUTUBE.COM/WATCH?V=GGHL0QQUXVU&FEATURE=REL ATED Bernard Kloostra en Alie Schenk, Frontlijnteam 19-04-2012 Moeilijke mensen, ze zijn overal. In je huis, in je buurt, op je

Nadere informatie

Geven en ontvangen van steun in de context van een chronische ziekte.

Geven en ontvangen van steun in de context van een chronische ziekte. Een chronische en progressieve aandoening zoals multiple sclerose (MS) heeft vaak grote consequenties voor het leven van patiënten en hun intieme partners. Naast het omgaan met de fysieke beperkingen van

Nadere informatie

De PID-5 brengt het DSM-5 persoonlijkheidstrekkenmodel in kaart

De PID-5 brengt het DSM-5 persoonlijkheidstrekkenmodel in kaart DSM-5 whitepaper De PID-5 brengt het DSM-5 persoonlijkheidstrekkenmodel in kaart Prof. dr. Gina Rossi, Vakgroep Klinische en LEvensloopPsychologie (KLEP) aan de Vrije Universiteit Brussel De Personality

Nadere informatie

Terrorisme en dan verder Wat te doen na een aanslag?

Terrorisme en dan verder Wat te doen na een aanslag? Terrorisme en dan verder Wat te doen na een aanslag? Publieksversie Ga zo veel mogelijk door met uw normale dagelijkse activiteiten. Dat geeft u het gevoel dat u de baas bent over de situatie. Dit is ook

Nadere informatie

De Selfreportmethode in de Psychiatrie

De Selfreportmethode in de Psychiatrie De Selfreportmethode in de Psychiatrie Dhr..J.M.Klaver Spatie Apeldoorn Overzicht colleges 1 Algemeen - methodes - definities - Scl-90, UCL, VM 2 Stressmanagement - Kernberg - Indicatie behandeling/beleid

Nadere informatie

Omgaan met onaangepast gedrag in het Sociaal Raadsliedenwerk en Schuldhulpverlening. Sjaak Boon www.bureauboon.nl

Omgaan met onaangepast gedrag in het Sociaal Raadsliedenwerk en Schuldhulpverlening. Sjaak Boon www.bureauboon.nl Omgaan met onaangepast gedrag in het Sociaal Raadsliedenwerk en Schuldhulpverlening Sjaak Boon www.bureauboon.nl Sombere stemming Verminderde interesse in activiteiten Duidelijke gewichtsvermindering Slecht

Nadere informatie

Individuele verschillen in. persoonlijkheidskenmerken. Een genetisch perspectief

Individuele verschillen in. persoonlijkheidskenmerken. Een genetisch perspectief N Individuele verschillen in borderline persoonlijkheidskenmerken Een genetisch perspectief 185 ps marijn distel.indd 185 05/08/09 11:14:26 186 In de gedragsgenetica is relatief weinig onderzoek gedaan

Nadere informatie

Angststoornissen. Verzekeringsgeneeskundig protocol

Angststoornissen. Verzekeringsgeneeskundig protocol Angststoornissen Verzekeringsgeneeskundig protocol Epidemiologie I De jaarprevalentie voor psychische stoornissen onder de beroepsbevolking in Nederland wordt geschat op: 1. 5-10% 2. 10-15% 15% 3. 15-20%

Nadere informatie

hoofdstuk 3 Hoofdstuk 4 Hoofdstuk 5

hoofdstuk 3 Hoofdstuk 4 Hoofdstuk 5 SAMENVATTING 117 Pas kortgeleden is aangetoond dat ADHD niet uitdooft, maar ook bij ouderen voorkomt en nadelige gevolgen kan hebben voor de patiënt en zijn omgeving. Er is echter weinig bekend over de

Nadere informatie

Psychosociale problemen bij kanker

Psychosociale problemen bij kanker INTERNE GENEESKUNDE Psychosociale problemen bij kanker Mogelijkheden voor begeleiding in het Laurentius ziekenhuis Deze brochure is bedoeld voor mensen waarbij de diagnose kanker is gesteld en voor hun

Nadere informatie

Bijlage 25: Autismespectrumstoornis in DSM-5 (voorlopige Nederlandse vertaling) 1

Bijlage 25: Autismespectrumstoornis in DSM-5 (voorlopige Nederlandse vertaling) 1 Bijlage 25: Autismespectrumstoornis in DSM-5 (voorlopige Nederlandse vertaling) 1 Moet voldoen aan de criteria A, B, C en D A. Aanhoudende tekorten in sociale communicatie en sociale interactie in meerdere

Nadere informatie

PERSOONLIJKHEIDSSTOORNIS

PERSOONLIJKHEIDSSTOORNIS PERSOONLIJKHEIDSSTOORNIS PATIËNTENINFORMATIE ALGEMEEN Wat is een persoonlijkheidsstoornis? Ieder mens heeft een persoonlijkheid. Een persoonlijkheid is de optelsom van hoe u als persoon bent, hoe u zich

Nadere informatie

Verstandelijke beperkingen

Verstandelijke beperkingen 11 2 Verstandelijke beperkingen 2.1 Definitie 12 2.1.1 Denken 12 2.1.2 Vaardigheden 12 2.1.3 Vroegtijdig en levenslang aanwezig 13 2.2 Enkele belangrijke overwegingen 13 2.3 Ernst van verstandelijke beperking

Nadere informatie

Paranormaal of psychisch gestoord? Wat te doen als er problemen zijn?

Paranormaal of psychisch gestoord? Wat te doen als er problemen zijn? Paranormaal of psychisch gestoord? Wat te doen als er problemen zijn? door Kees Aaldijk transpersoonlijk coach en therapeut 06-142 742 93 www.transpersoonlijk.nl gepubliceerd in Spiegelbeeld januari 2010

Nadere informatie

ANGST. Dr. Miriam Lommen. Zit het in een klein hoekje? Assistant professor Klinische Psychologie en Experimentele Psychopathologie m.j.j.lommen@rug.

ANGST. Dr. Miriam Lommen. Zit het in een klein hoekje? Assistant professor Klinische Psychologie en Experimentele Psychopathologie m.j.j.lommen@rug. ANGST Zit het in een klein hoekje? Dr. Miriam Lommen Assistant professor Klinische Psychologie en Experimentele Psychopathologie m.j.j.lommen@rug.nl Wie is er NOOIT bang? Heb ik een angststoornis? Volgens

Nadere informatie

Correcties DSM 5 : Handboek voor de classificatie van psychische stoornissen

Correcties DSM 5 : Handboek voor de classificatie van psychische stoornissen Correcties DSM 5 : Handboek voor de classificatie van psychische stoornissen Derde oplage, mei 2015 In deze lijst zijn de belangrijkste wijzigingen opgenomen t.o.v. de tweede oplage (november 2014). Pagina

Nadere informatie

Stemmingsstoornissen. Van DSM-IV-TR naar DSM-5. Johan van Dijk, klinisch psycholoog-psychotherapeut Max Güldner, klinisch psycholoog-psychotherapeut

Stemmingsstoornissen. Van DSM-IV-TR naar DSM-5. Johan van Dijk, klinisch psycholoog-psychotherapeut Max Güldner, klinisch psycholoog-psychotherapeut Stemmingsstoornissen Van DSM-IV-TR naar DSM-5 Johan van Dijk, klinisch psycholoog-psychotherapeut Max Güldner, klinisch psycholoog-psychotherapeut Inhoud Veranderingen in de DSM-5 Nieuwe classificaties

Nadere informatie

Gatekeeper training. 08-10- 2014 workshop Trainer: Gerrie Hendriks

Gatekeeper training. 08-10- 2014 workshop Trainer: Gerrie Hendriks Gatekeeper training 08-10- 2014 workshop Trainer: Gerrie Hendriks Gatekeepers Jullie gaan deuren openen naar hulp voor mensen die gevaar lopen zichzelf wat aan te doen waarom 1600 suïcides per jaar waarvan

Nadere informatie

Rapportage 2010. Landelijk Informatie Netwerk Eerstelijnspsychologen (LINEP) Nederlands Instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg

Rapportage 2010. Landelijk Informatie Netwerk Eerstelijnspsychologen (LINEP) Nederlands Instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg Nederlands Instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg Postbus 1568 3500 BN Utrecht Tel. 030-272 9700 Rapportage 2010 Landelijk Informatie Netwerk Eerstelijnspsychologen (LINEP) 2 Hieronder worden

Nadere informatie

Psychiatrie. De Stemmenpolikliniek

Psychiatrie. De Stemmenpolikliniek Psychiatrie De Stemmenpolikliniek Inhoud Inleiding 0 Stemmen horen 0 Klachten en symptomen 0 Oorzaken De behandeling 0 Doel 0 Voor wie 0 Tijdsduur 0 De inhoud van de behandeling 0 Coping-training 0 Psycho-educatie

Nadere informatie

Bipolaire stoornissen

Bipolaire stoornissen Bipolaire stoornissen PuntP kan u helpen volwassenen Sommige mensen hebben last van stemmingsschommelingen die niet in verhouding staan tot wat er in hun persoonlijke omgeving gebeurt. De stemming lijkt

Nadere informatie

Zorgpad Autisme Spectrum Stoornissen

Zorgpad Autisme Spectrum Stoornissen Zorgpad Autisme Spectrum Stoornissen Wanneer u autisme heeft, ondervindt u problemen in het contact met anderen. Het kan zijn dat u geen contact maakt of juist veel aandacht vraagt. U kunt zich moeilijk

Nadere informatie

Wetenschappelijke Samenvatting. 1. Kwetsbaarheid en emotionele verwerking bij depressie

Wetenschappelijke Samenvatting. 1. Kwetsbaarheid en emotionele verwerking bij depressie Wetenschappelijke Samenvatting 1. Kwetsbaarheid en emotionele verwerking bij depressie In dit proefschrift wordt onderzocht wat spaak loopt in de hersenen van iemand met een depressie. Er wordt ook onderzocht

Nadere informatie

Richtlijn JGZ-richtlijn Kindermishandeling

Richtlijn JGZ-richtlijn Kindermishandeling Richtlijn JGZ-richtlijn Kindermishandeling 2. Gevolgen van kindermishandeling voor kind en omgeving De emotionele, lichamelijke en intellectuele ontwikkeling van een kind berust op genetische mogelijkheden

Nadere informatie

Depressies en angststoornissen - Net zo vaak samen als apart. Prof.dr. W.A. Nolen UMC Groningen

Depressies en angststoornissen - Net zo vaak samen als apart. Prof.dr. W.A. Nolen UMC Groningen Depressies en angststoornissen - Net zo vaak samen als apart Prof.dr. W.A. Nolen UMC Groningen NESDA - Verschillende cohorten Vanuit NEMESIS (303) Vanuit ARIADNE (261) 1 e lijn (1611) Met huidige depressie/angststoornis

Nadere informatie

Samenvatting. Samenvatting

Samenvatting. Samenvatting Samenvatting Op grond van klinische ervaring en wetenschappelijk onderzoek, is bekend dat het gezamenlijk voorkomen van een pervasieve ontwikkelingsstoornis en een verstandelijke beperking tot veel bijkomende

Nadere informatie

P. de Beurs, psychiater en adviseur voor de IGZ

P. de Beurs, psychiater en adviseur voor de IGZ P. de Beurs, psychiater en adviseur voor de IGZ Dilemma s bij risicotaxatie Risicotaxatie is een nieuw en modieus thema in de GGZ Veilige zorg is een illusie Hoe veiliger de zorg, hoe minder vrijheid voor

Nadere informatie

Samenvatting (summary in Dutch)

Samenvatting (summary in Dutch) Samenvatting (summary in Dutch) 149 Samenvatting (summary in Dutch) Één van de meest voorkomende en slopende ziektes is depressie. De impact op het dagelijks functioneren en op de samenleving is enorm,

Nadere informatie

Deeltijdbehandeling onbegrepen lichamelijke klachten

Deeltijdbehandeling onbegrepen lichamelijke klachten Deeltijdbehandeling onbegrepen lichamelijke klachten 2 Deze folder geeft u informatie over het deeltijdprogramma (gedeeltelijk) onbegrepen lichamelijke klachten op de zorgeenheid Psychiatrie van het CWZ.

Nadere informatie

KITTY VAN DER HEIJDEN BORDERLINE BELEVENISSEN. Ervaringen van mensen met borderline én hun naasten

KITTY VAN DER HEIJDEN BORDERLINE BELEVENISSEN. Ervaringen van mensen met borderline én hun naasten KITTY VAN DER HEIJDEN BORDERLINE BELEVENISSEN Ervaringen van mensen met borderline én hun naasten Borderline belevenissen Ervaringen van mensen met borderline en hun naasten Kitty van der Heijden Inhoud

Nadere informatie

Angst en depressie in de huisartspraktijk: signaleren van risicogroepen. Peter F M Verhaak NIVEL

Angst en depressie in de huisartspraktijk: signaleren van risicogroepen. Peter F M Verhaak NIVEL Angst en depressie in de huisartspraktijk: signaleren van risicogroepen Peter F M Verhaak NIVEL 12-maands prevalentie stemmings-, angst- en middelenstoornis 250 200 N/1000 patiënten 150 100 50 Depressie

Nadere informatie

Angststoornissen. P unt P. kan u helpen. volwassenen

Angststoornissen. P unt P. kan u helpen. volwassenen Angststoornissen P unt P kan u helpen volwassenen Iedereen is wel eens bang en dat is maar goed ook. Angst is een ingebouwd verdedigingsmechanisme dat ons waarschuwt voor gevaar. Hormonen, zoals adrenaline,

Nadere informatie

Borderline in het gezin. Koos Krook, sr. preventiefunctionaris GGZ Midden Brabant

Borderline in het gezin. Koos Krook, sr. preventiefunctionaris GGZ Midden Brabant Borderline in het gezin. Koos Krook, sr. preventiefunctionaris GGZ Midden Brabant Inleiding - Stellingen. - Ontstaan psychiatrische aandoeningen. - Wat zien naastbetrokkenen. - Invloed van borderline op

Nadere informatie

In de war? Op de Intensive Care

In de war? Op de Intensive Care In de war? Op de Intensive Care Albert Schweitzer ziekenhuis juni 2015 pavo 1168 Inleiding Uw partner of familielid is in het Albert Schweitzer ziekenhuis opgenomen op de Intensive Care. Waarschijnlijk

Nadere informatie

Psychische. problemen. bij ouders. Wat doe je met ouders die in de knoop zitten?

Psychische. problemen. bij ouders. Wat doe je met ouders die in de knoop zitten? Psychische problemen bij ouders Wat doe je met ouders die in de knoop zitten? Alles over psychische problemen bij je ouders IKMAAKDEKLIK.be Een onlineplatform voor kinderen van ouders met psychische problemen.

Nadere informatie

Psychosociale problemen bij kanker

Psychosociale problemen bij kanker Psychosociale problemen bij kanker mogelijkheden voor begeleiding in het azm Psychosociale problemen bij kanker Inleiding 3 Reacties 3 Begeleiding 3 Wanneer hulp inschakelen 4 Vroegtijdige herkenning 4

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting

Nederlandse samenvatting Cannabisgebruik en stoornissen in het gebruik van cannabis in de adolescentie en jongvolwassenheid. Cannabis is wereldwijd een veel gebruikte drug. Het gebruik van cannabis is echter niet zonder consequenties:

Nadere informatie

Persoonlijkheidsstoornis Cluster C

Persoonlijkheidsstoornis Cluster C Persoonlijkheidsstoornis Cluster C Deze folder geeft informatie over de diagnostiek en behandeling van cluster C persoonlijkheidsstoornissen. Wat is een cluster C Persoonlijkheidsstoornis? Er bestaan verschillende

Nadere informatie

Samenwerkingsverband Vrijgevestigde Psychologen Amsterdam

Samenwerkingsverband Vrijgevestigde Psychologen Amsterdam Samenwerkingsverband Vrijgevestigde Psychologen Amsterdam Sanne Bakker en Marjan Kroon, 19 juni 2014 1. De invoering van de Basis GGZ 2. Het verwijsmodel 3. Overzicht van de DSM-IV stoornissen die vergoed

Nadere informatie

V O O R L I C H T I N G. Drs. Fernando Cunha Ontwikkelingspsycholoog Gezondheidspsycholoog (BIG) Kinder- en Jeugdpsycholoog (NIP) Onderwijsspecialist

V O O R L I C H T I N G. Drs. Fernando Cunha Ontwikkelingspsycholoog Gezondheidspsycholoog (BIG) Kinder- en Jeugdpsycholoog (NIP) Onderwijsspecialist V O O R L I C H T I N G Drs. Fernando Cunha Ontwikkelingspsycholoog Gezondheidspsycholoog (BIG) Kinder- en Jeugdpsycholoog (NIP) Onderwijsspecialist w w w. c hild -suppor t -euro pe.c om 1 Zorgen voor

Nadere informatie

Triple Trouble in de praktijk. Triple Trouble in de praktijk. Komt een man bij de dokter. Drie soorten middelen. Stoornis in het gebruik van middelen

Triple Trouble in de praktijk. Triple Trouble in de praktijk. Komt een man bij de dokter. Drie soorten middelen. Stoornis in het gebruik van middelen Triple Trouble in de praktijk Triple Trouble in de praktijk LEDD congres 2014 Joanneke van der Nagel Jannelien Wieland Robert Didden Van enkelvoudig naar complex licht tot ernstig Over wat te doen wie

Nadere informatie

gegeven met informatie over risico, complexiteit, duur, ernst en een doorverwijzingsadvies.

gegeven met informatie over risico, complexiteit, duur, ernst en een doorverwijzingsadvies. Geachte, Pearson start een onderzoek naar Innerview. Innerview is een beslissingsondersteunend instrument (BOI) voor doorverwijzing in de geestelijke gezondheidszorg en is uniek in zijn soort als het gaat

Nadere informatie

SAMENVATTING. Achtergrond en doelstellingen van dit proefschrift

SAMENVATTING. Achtergrond en doelstellingen van dit proefschrift 153 SAMENVATTING Achtergrond en doelstellingen van dit proefschrift Angst en depressie zijn de meest voorkomende psychische stoornissen, de ziektelast is hoog en deze aandoeningen brengen hoge kosten met

Nadere informatie

Acute psychiatrie voor de acute internist. Joris J.B. van der Vlugt Ziekenhuis psychiater

Acute psychiatrie voor de acute internist. Joris J.B. van der Vlugt Ziekenhuis psychiater Acute psychiatrie voor de acute internist Joris J.B. van der Vlugt Ziekenhuis psychiater Inhoud Wilsbekwaamheid beoordeling Indicaties voor psychiatrische opname na TS Wilsonbekwaamheid Bij wilsonbekwaamheid

Nadere informatie

AGRESSIE. Basis emoties. Basis emoties. Agressie - sociologisch. Agressie - biologisch. Agressie en psychiatrie 16-3-2014

AGRESSIE. Basis emoties. Basis emoties. Agressie - sociologisch. Agressie - biologisch. Agressie en psychiatrie 16-3-2014 Basis emoties AGRESSIE en psychiatrische stoornissen Angst Verdriet Boosheid Verbazing Plezier Walging Paul Ekman Basis emoties Psychofysiologische reactie op een prikkel Stereotype patroon van motoriek,

Nadere informatie

Coaching, Counseling & DSM

Coaching, Counseling & DSM Coaching, Counseling & DSM Ron van Deth - Overgang van DSM-IV naar DSM-5 - Wat kan/moet ik als coach/counselor met de DSM? Valkuilen coach/counselor Gaan diagnosticeren Iemand met een psychische stoornis

Nadere informatie

Delirium op de Intensive Care (IC)

Delirium op de Intensive Care (IC) Deze folder is bedoeld voor de partners, familieleden, naasten of bekenden van op de Intensive Care (IC) afdeling opgenomen patiënten. Door middel van deze folder willen wij u als familie* uitleg geven

Nadere informatie

Patiënteninformatie. Acuut optredende verwardheid. (delier) Acuut optredende verwardheid (delier)

Patiënteninformatie. Acuut optredende verwardheid. (delier) Acuut optredende verwardheid (delier) Patiënteninformatie Acuut optredende verwardheid (delier) Acuut optredende verwardheid (delier) 1 Acuut optredende verwardheid (delier) Intensive Care, route 3.3 Telefoon (050) 524 6540 Inleiding Uw familielid

Nadere informatie

Acute verwardheid (delirium) op de Intensive Care

Acute verwardheid (delirium) op de Intensive Care Acute verwardheid (delirium) op de Intensive Care Op dit moment verblijft uw partner of familielid op de afdeling Intensive Care. Dit is een afdeling waar (ernstig) zieke mensen worden behandeld en verzorgd.

Nadere informatie

MIDDELENGERELATEERDE en VERSLAVINGSSTOORNISSEN. Dr. Marie-Catherine Monté en Dr. Marieke Waignein

MIDDELENGERELATEERDE en VERSLAVINGSSTOORNISSEN. Dr. Marie-Catherine Monté en Dr. Marieke Waignein MIDDELENGERELATEERDE en VERSLAVINGSSTOORNISSEN Dr. Marie-Catherine Monté en Dr. Marieke Waignein 28 november 2014 Middelengerelateerde problematiek 1. Algemeen A. Middelengebruik in België B. Gevolgen:

Nadere informatie

07-04-15. Herkennen van en omgaan met. Angst en Depressie. Na vanmiddag. bij ouderen met een verstandelijke beperking

07-04-15. Herkennen van en omgaan met. Angst en Depressie. Na vanmiddag. bij ouderen met een verstandelijke beperking Na vanmiddag Herkennen van en omgaan met Angst en Depressie bij ouderen met e Weet u hoe vaak angst en depressie voorkomen, Weet u wie er meer risico heeft om een angststoornis of depressie te ontwikkelen,

Nadere informatie

Autisme en de DSM-5 symposium autismenetwerk Zuid- Holland Zuid Autismeweek

Autisme en de DSM-5 symposium autismenetwerk Zuid- Holland Zuid Autismeweek Autisme en de DSM-5 symposium autismenetwerk Zuid- Holland Zuid Autismeweek Woensdag 2 april 2014 Ad van der Sijde, Yulius Autisme Paul Reijnen, BOBA Inhoud Presentatie Vragen Veranderingen DSM-5 autisme

Nadere informatie

SCHEMA S STOORNISSEN KINDERPSYCHIATRIE

SCHEMA S STOORNISSEN KINDERPSYCHIATRIE SCHEMA S STOORNISSEN KINDERPSYCHIATRIE Dyslexie Moeite met de techniek van het lezen en spellen, door problemen om het woordniveau en met als belangrijk kenmerk dat geen echte automatisering van het lezen

Nadere informatie

Slachtoffers van mensenhandel en geestelijke gezondheidszorg

Slachtoffers van mensenhandel en geestelijke gezondheidszorg Slachtoffers van mensenhandel en geestelijke gezondheidszorg Informatie voor cliënten Cliënten en geestelijke gezondheidszorg Slachtoffers van mensenhandel hebben vaak nare dingen meegemaakt. Ze zijn geschokt

Nadere informatie

ouderenpsychiatrie Het mooie van oud worden, is dat het zo lang duurt Lotte van Elburg en Hester Geerlinks

ouderenpsychiatrie Het mooie van oud worden, is dat het zo lang duurt Lotte van Elburg en Hester Geerlinks ouderenpsychiatrie Het mooie van oud worden, is dat het zo lang duurt Lotte van Elburg en Hester Geerlinks INTER-PSY GGz Assen Delfzijl Drachten Groningen Hoogezand Meppel Muntendam Oosterwolde Oude Pekela

Nadere informatie

Samenvatting (Summary in Dutch)

Samenvatting (Summary in Dutch) Samenvatting (Summary in Dutch) Het aantal eerste en tweede generatie immigranten in Nederland is hoger dan ooit tevoren. Momenteel wonen er 3,2 miljoen immigranten in Nederland, dat is 19.7% van de totale

Nadere informatie

PTSS - diagnostiek en behandeling. drs. Mirjam J. Nijdam psycholoog / onderzoeker Topzorgprogramma Psychotrauma AMC De Meren

PTSS - diagnostiek en behandeling. drs. Mirjam J. Nijdam psycholoog / onderzoeker Topzorgprogramma Psychotrauma AMC De Meren PTSS - diagnostiek en behandeling drs. Mirjam J. Nijdam psycholoog / onderzoeker Topzorgprogramma Psychotrauma AMC De Meren Opbouw Diagnose PTSS Prevalentiecijfers PTSS en arbeid Preventie van PTSS Behandeling

Nadere informatie

Y-BOCS. Alvorens te beginnen met het stellen van de vragen, geef eerst een definitie van dwanggedachten en dwanghandelingen.

Y-BOCS. Alvorens te beginnen met het stellen van de vragen, geef eerst een definitie van dwanggedachten en dwanghandelingen. Y-BOCS Algemene instructies Het is de bedoeling dat deze vragenlijst wordt gebruikt als een semi-gestructureerd interview. De interviewer dient de items in de aangegeven volgorde af te nemen en de vragen

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting (Dutch summary)

Nederlandse samenvatting (Dutch summary) Nederlandse samenvatting (Dutch summary) 125 Angststoornissen zijn veel voorkomende psychiatrische aandoeningen (ongeveer 1 op de 5 Nederlanders heeft, op enig moment in het leven een angststoornis). Onder

Nadere informatie

Psychosociale problemen bij kanker. Mogelijkheden voor begeleiding

Psychosociale problemen bij kanker. Mogelijkheden voor begeleiding Psychosociale problemen bij kanker Mogelijkheden voor begeleiding Inleiding Deze folder is bedoeld voor mensen waarbij de diagnose kanker is gesteld en voor hun partner, familie en/of vrienden. Het krijgen

Nadere informatie

Leer uw kind De Ondergoedregel.

Leer uw kind De Ondergoedregel. 1. Leer uw kind De Ondergoedregel. Ongeveer één op de vijf kinderen is slachtoffer van seksueel geweld, waaronder seksueel misbruik. U kunt helpen voorkomen dat het uw kind overkomt. Leer uw kind De Ondergoedregel.

Nadere informatie

Probleemgedrag bij ouderen

Probleemgedrag bij ouderen Probleemgedrag bij ouderen Machteloos, bang of geïrriteerd. Zo kunnen medewerkers en cliënten in de thuiszorg zich voelen in situaties waarin sprake is van probleemgedrag. Bijvoorbeeld als een cliënt alleen

Nadere informatie

The Glue of (ab)normal Mental Life: Networks of Interacting Thoughts, Feelings and Behaviors A.O.J. Cramer

The Glue of (ab)normal Mental Life: Networks of Interacting Thoughts, Feelings and Behaviors A.O.J. Cramer The Glue of (ab)normal Mental Life: Networks of Interacting Thoughts, Feelings and Behaviors A.O.J. Cramer Wat is een psychische stoornis? Als we de populaire media en sommige stromingen in de gedragswetenschappen

Nadere informatie

BELEIDSREGEL CV-6300-4.0.1.-3

BELEIDSREGEL CV-6300-4.0.1.-3 BELEIDSREGEL Tarief en prestatiebeschrijvingen voor eerstelijns psychologische zorg Gelet op het bepaalde in artikel 57 van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) heeft de NZa besloten de volgende

Nadere informatie

Jaarrapport Het Voorbeeld BV 2007

Jaarrapport Het Voorbeeld BV 2007 Jaarrapport Het Voorbeeld BV 2007 Copyright Niets uit deze uitgave mag zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Cenzo worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt. Voor het gebruik van

Nadere informatie

Depressie bij ouderen

Depressie bij ouderen Depressie bij ouderen Bij u of uw familielid is een depressie vastgesteld. Hoewel relatief veel ouderen last hebben van depressieve klachten, worden deze niet altijd als zodanig herkend. In deze folder

Nadere informatie

Delirium of delier (acuut optredende verwardheid)

Delirium of delier (acuut optredende verwardheid) Delirium of delier (acuut optredende verwardheid) In deze folder leest u wat een delirium is, wat de verschijnselen van een delirium zijn en leest u informatie over de behandeling en tips voor patiënten

Nadere informatie

Stemmingsstoornissen. Postpartum depressie. Depressie na bevalling

Stemmingsstoornissen. Postpartum depressie. Depressie na bevalling Stemmingsstoornissen Postpartum depressie Depressie na bevalling GGZ Friesland is de grootste aanbieder van geestelijke gezondheidszorg in de provincie Friesland. We bieden u hulp bij alle mogelijke psychische

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting

Nederlandse samenvatting Nederlandse samenvatting 119 120 Samenvatting 121 Inleiding Vermoeidheid is een veel voorkomende klacht bij de ziekte sarcoïdose en is geassocieerd met een verminderde kwaliteit van leven. In de literatuur

Nadere informatie

Nederlandse Samenvatting

Nederlandse Samenvatting Nederlandse Samenvatting 99 Nederlandse Samenvatting Depressie is een veel voorkomend en ernstige psychiatrisch ziektebeeld. Depressie komt zowel bij ouderen als bij jong volwassenen voor. Ouderen en jongere

Nadere informatie

Discussion Summary Samenvatting Dankwoord Curriculum Vitae

Discussion Summary Samenvatting Dankwoord Curriculum Vitae chapter 7 Discussion Summary Samenvatting Dankwoord Curriculum Vitae 140 chapter 7 SAMENVATTING De bipolaire stoornis (of manisch-depressieve stoornis) is een stemmingsstoornis waarin episodes van (hypo)manie

Nadere informatie