Uw brief van Uw kenmerk Datum februari Ons kenmerk Behandeld door Doorkiesnummer O&O/ mw. drs. J. Zwaap (020)

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Uw brief van Uw kenmerk Datum ---- ---- 7 februari 2011. Ons kenmerk Behandeld door Doorkiesnummer O&O/2011016738 mw. drs. J. Zwaap (020) 797 88 08"

Transcriptie

1 ACP 19 Aan leden van de Adviescommissie Pakket Uw brief van Uw kenmerk Datum februari 2011 Ons kenmerk Behandeld door Doorkiesnummer O&O/ mw. drs. J. Zwaap (020) Onderwerp Agenda vergadering ACP d.d. 18 februari 2011 Hierbij stuur ik u de agenda en bijbehorende stukken voor de vergadering van de Adviescommissie Pakket. De vergadering vindt plaats in het gebouw van het College voor zorgverzekeringen te Diemen op vrijdag 18 februari De vergadering begint om uur in vergaderzaal Kentaurus. 1. Opening en mededelingen 2. Ingekomen stukken ter kennisneming: ACP 19/ v9 3. Verslag van de vergadering van 3 december Brief minister: Stringent pakketbeheer 2012 Stand van zaken ACP 19/ ACP 19/4 5. Resultaten onderzoek patiëntenpreferenties Toelichting: Sander van der Scheur en Ilse Verstijnen Presentatie onderzoekers Nivel/LUMC 6. Standpunt preferentiebeleid biologische geneesmiddelen Toelichting Jolanda de Boer, Fauzia Roepnarain, Arnold van Halteren 6. Rondvraag en sluiting ACP 19/5 + bijlage ACP 19/6 + bijlagen Aanbiedingsnotitie + rapport

2 v9 ACP 19/2 Stukken ter kennisneming voor de vergadering van 18 februari CFH-rapport 10/24: denosumab (Prolia ) CFH-rapport 10/22: pazopanib (Votrient ) CFH-rapport 11/25: rasagiline (Azilect ) Brief aan Nza betreft trastuzumab (Herceptin )

3 ACP 19/3 Verslag Vergadering Adviescommissie Pakket CVZ d.d. 21 januari 2011 Leden: dr. A. Boer, voorzitter mw. prof. dr. I.D. de Beaufort drs. M.C. Dekker prof. dr. J. Kievit dr. C. Smit prof. dr. G.J. van der Wilt mw. H.B.M. Grobbink CCMM Verder zijn aanwezig: mw. drs. J. Zwaap, secretaris drs. R. Doeschot, hoofd afdeling Onderzoek & Ontwikkeling mw. M. Piekhaar, notulist Agendapunt 4 mw. drs. P.I. Polman MPH Agendapunt 5 mw. drs. A.J. Link mw. E.C.M. Visser Agendapunt 6 mw. J. Heymans, arts mw. mr. A.M.J. Le Cocq drs. A. van Halteren Afwezig: mw. mr. W. Sorgdrager dr. P.C. Hermans 1. Opening en mededelingen De voorzitter opent de vergadering van de Adviescommissie Pakket (ACP) om uur en heet de aanwezigen welkom. Het Koninklijk Nederlands Genootschap Fysiotherapie (KNGF) verzoekt tot inspreken bij agendapunt 6 Discussiestuk Beoordeling stand van de wetenschap en praktijk fysiotherapie en oefentherapie en strategisch keuzevoorstel basispakket. Bericht van verhindering is ontvangen van de heer Hermans en mevrouw Sorgdrager. Ter vergadering wordt de brief van VWS d.d. 18 januari 2011 uitgedeeld met het onderwerp Stringent pakketbeheer In deze brief verzoekt het ministerie van VWS het CVZ om alternatieve voorstellen voor pakketmaatregelen te doen ter hoogte van het bedrag van 30 mln. Het punt wordt geagendeerd voor een volgende vergadering van de ACP. 2. Ingekomen stukken ter kennisneming

4 -2- BB/ v2 De voorzitter heeft een verzoek tot inspreken ontvangen bij een van de stukken die de ACP-leden ter kennisgeving hebben ontvangen. De voorzitter heeft niet met dit verzoek ingestemd, omdat geen advies op deze onderwerpen van de ACP van toepassing is en de adviezen al zijn uitgebracht. De ACP krijgt deze stukken ter kennisneming. De ACP-leden hebben de volgende stukken ter kennisneming ontvangen. - CFH-rapport 10/23: abatacept (Orencia ) - CFH-rapport 10/21: roflumilast (Daxas ) - Beoordeling lapatinib (Tyverb ) bij gemetastaseerde borstkanker - Brief aan de NZa betreffende canakinumab (Ilaris ) - Farmacotherapeutisch rapport canakinumab (Ilaris ) bij de indicatie Cryopyrin- Associated Periodic Syndromes - Kostenprognose van opname van canakinumab (Ilaris ) in de beleidsregel weesgeneesmiddelen in academische ziekenhuizen. - CFH-rapport 10/19: natriumpicosulfaat/magnesiumcitraat (Picoprep ) - Farmacotherapeutisch rapport natriumpicosulfaat/magnesiumoxide/citroenzuur (Picoprep ) bij de Indicatie darmreiniging - Beoordeling plerixafor (Mozobil ) - Farmacotherapeutisch rapport plerixafor (Mozobil ) bij de indicatie stamcelmobilisatie bij lymfoom of multipel myeloom - Kostenprognose van opname van plerixafor (Mozobil ) in de beleidsregel dure geneesmiddelen Gezien de reacties uit het veld zou een ACP-lid graag inhoudelijk ingegaan zijn op het stuk Beoordeling lapatinib (Tyverb ) bij gemetastaseerde borstkanker. Gezien de soort overwegingen die hierbij zijn gemaakt, is het lid achteraf van mening dat een discussie over dit stuk in de ACP gerechtvaardigd is. De voorzitter bespreekt intern of en wanneer bij bepaalde dossiers in het bestuurlijke traject in de toekomst ook een rol voor de ACP is weggelegd. Naar aanleiding van de stukken ter kennisneming zijn er verder geen vragen of opmerkingen. 3. Verslag van de vergadering van ACP 3 december 2010 Tekstueel en naar aanleiding van: Blz. 2. agendapunt 2, ingekomen stukken ter kennisname, Icatibant. De vraag staat nog open waarom Icatibant niet op de beleidsregel is opgenomen. De secretaris licht toe op welke gronden het advies is gestoeld om het middel Icatibant niet op de beleidsregel op te nemen. Icatibant heeft een gelijke therapeutische waarde als een middel dat ook niet op de beleidsregel staat. De regel is dan dat het middel, in dit geval Icatibant, ook niet op de beleidsregel wordt opgenomen omdat er een alternatief middel is waarvoor opname op de beleidsregel kennelijk niet nodig was. Het verslag wordt ongewijzigd vastgesteld. 4. Stand van zaken pakketadvies Mevrouw Polman geeft een toelichting. De ACP-leden hebben het Pakketadvies 2011 en de begeleidende brief, die aan de belanghebbende partijen is verzonden, ter informatie ontvangen. In de ACP vergadering van 11 maart a.s. bespreekt de ACP het rapport inhoudelijk. Bij deze vergadering worden ook de ontvangen reacties samen met een notitie, met het commentaar van het CVZ, besproken. De ACP adviseert op haar beurt de RvB van het CVZ. De RvB behandelt op 28 maart het Pakketadvies Er zijn geen vragen uit de commissie bij deze procedure 5. Drie adviezen met betrekking tot functiegerichte omschrijvingen van hulpmiddelen (HM)

5 -3- BB/ v2 Mevrouw Visser geeft een toelichting. De ACP heeft drie systeemadviezen ontvangen voor het functiegericht omschrijven van (delen van) enkele categorieomschrijvingen uit de paragraaf Hulpmiddelenzorg van de Regeling zorgverzekering. Het CVZ neemt elk jaar enkele categorieomschrijvingen ter hand met als doel deze functiegericht te omschrijven. Twee jaar geleden is door het CVZ het advies over de heroriëntatie aan VWS voorgelegd. Hier is nog geen besluit door het ministerie van VWS over genomen. In dit advies is door het CVZ voorgesteld om een aantal hulpmiddelen naar de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) te verplaatsen. Voor wat betreft de visuele- en de hoorfunctie adviseert het CVZ dat deze in de zorgverzekeringswet (Zvw) moeten blijven. HM ter compensatie voor beperkingen in het spreken Mevrouw Link geeft een toelichting. In de paragraaf Hulpmiddelenzorg uit de regeling zorgverzekering (Rzv) is een categorie opgenomen met hulpmiddelen voor communicatie, informatievoorziening en signalering. Deze categorie hulpmiddelen wordt op basis van de ICF-classificatie opgesplitst in een aantal functiegerichte omschrijvingen. Naar aanleiding van de consultatie zijn er tekstuele aanpassingen in het advies gemaakt. De ACP heeft de volgende vragen en opmerkingen: Een ACP- lid vraagt waarom niet gekozen is voor de omschrijving van hulpmiddelen ter compensatie van beperkingen in de communicatie. Valt door deze omschrijving een computer die gebruikt wordt om te communiceren en met het oog wordt bestuurd niet buiten de omschrijving? Mevrouw Link antwoordt dat het voorbeeld dat het ACP-lid geeft onder spreken valt. Een opmerking vanuit het veld was of de definitie niet te eng is, maar bij de indeling is er opgelet dat er geen hulpmiddelen uitgesloten worden. Door het CVZ is een verschilanalyse gemaakt waaruit naar voren is gekomen dat doordat het woord spreken in plaats van communicatie wordt gebruikt er geen middelen worden uitgesloten. In het rapport op de tweede pagina, derde alinea staat dat de kosten van normaal gebruik van hulpmiddelen voor rekening van de verzekerde komen, tenzij bij ministeriele regeling anders is bepaald. Een ACP-lid vraagt wat hier wordt bedoeld en hoe dit zich verhoudt tot algemeen gebruik. Mevrouw Link licht toe dat het hier om twee verschillende criteria gaat. Bij normaal gebruik, een term die in de wet wordt toegepast, worden bijvoorbeeld de stroomkosten voor een computer of de kosten van batterijen bedoeld. Een ACP-lid stelt voor bij alle drie de adviezen bij de uitsluitingsgronden een specifieke ordening toe te passen. Een ACP-lid vraagt of er in het advies een passage opgenomen kan worden dat een uitzondering kan worden gemaakt wanneer een verzekerde, vanwege zijn financiële omstandigheden, niet in staat is om een algemeen gebruikelijk artikel, zoals bijvoorbeeld een mobiele telefoon, aan te schaffen waarop de software die hij/zij als hulpmiddel nodig heeft kan draaien. Mevrouw Link antwoordt dat algemeen gebruikelijke zaken niet onder de verzekerde prestaties vallen en het vangnet hiervoor de bijzondere bijstand is waarop de verzekerde aanspraak kan doen. Een ACP-lid merkt op dat de reactie van de BOSK/FOSS kritisch is. Zij juichen het toe dat de ICF als classificatie-instrument wordt gebruikt, maar zijn van mening dat de ICF onjuist wordt toegepast en daarom niet leidt tot verbetering van de indeling. Mevrouw Link vermoedt toe dat de indeling door de BOSK/FOSS verkeerd is geïnterpreteerd. Het ACP-lid adviseert om alsnog met de BOSK/FOSS contact op te nemen om de indeling toe te lichten en na te gaan of daar inderdaad sprake is van een misinterpretatie Een ACP-lid vraagt op welke wijze de functiegerichte omschrijving van hulpmiddelen in zijn algemeenheid in de praktijk werkt. Verwacht het CVZ veel vragen of een hulpmiddel binnen de functiegerichte omschrijving past? Mevrouw Link antwoordt dat in de polis van de verzekerde specifiek staat omschreven wat binnen het verzekerde pakket valt. In de

6 -4- BB/ v2 polis is echter ook een zin opgenomen dat wanneer een hulpmiddel niet in de polis wordt genoemd, hierover contact opgenomen kan worden met de verzekeraar. Door het CVZ kan op verzoek van de verzekeraar getoetst worden of het hulpmiddel binnen de functiegerichte omschrijving past, voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk of dat er sprake is van algemeen gebruik. Door de hulpmiddelen functiegericht te omschrijven is er niet meer een wetswijziging nodig om een hulpmiddel in het verzekerde pakket op te nemen. Tevens is het voor innovatieve producten mogelijk om sneller in het verzekerde pakket in te stromen. Op de site van het CVZ staat het Beoordelingskader hulpmiddelenzorg, hierin staat het toetsingskader waaraan een hulpmiddel moet voldoen om onder verzekerde zorg te vallen. De ACP steunt het rapport, maar doet de RvB een aantal suggesties om de tekst bij alle drie de adviezen te verduidelijken en een specifieke ordening toe te passen bij de uitsluitingsgronden. Verder adviseert de ACP de behandelaars van het rapport contact op te nemen met de BOSK/FOSS om de indeling door middel van de ICF classificatie nader toe te lichten. HM gerelateerd aan stoornissen van de visuele functie Mevrouw Visser geeft een toelichting. Het CVZ adviseert de huidige functiegerichte omschrijving van hulpmiddelen voor stoornissen in de visuele functie uit te breiden met die hulpmiddelen die een compensatie bieden voor beperkingen die een persoon met visuele beperkingen ondervindt bij het uitoefenen van bepaalde activiteiten, zoals lezen, schrijven, gebruik van telecommunicatieapparatuur, het om obstakels heenlopen en de oriëntatie. Het gaat daarbij om communicatiehulpmiddelen en bepaalde hulpmiddelen voor de mobiliteit. De eerste reacties uit het veld waren kritisch, maar nadat in samenspraak met het veld de omschrijvingen zijn aangepast, kunnen ook de veldpartijen zich in de functiegerichte omschrijvingen vinden. Een ACP-lid vraagt of onder mobiliteit, naast taststokken voor blinden, hier ook navigatiesystemen onder vallen. Mevrouw Visser antwoordt dat de verwachting is dat deze hier in de toekomst ook onder vallen. Op dit moment loopt echter een groot onderzoek naar navigatiehulpmiddelen en wordt afgewacht wat hiervan de uitkomst is. Op pagina 7, paragraaf 1.a.6 staat dat van de hulpmiddelen die onder de verzekerde prestatie vallen de functiegerichte omschrijving van hulpmiddelen die samenhangen met de visuele functie in ICF-termen gedefinieerd kunnen worden als hulpmiddelen ter correctie van stoornissen van de visuele functie en van functies van aan het oog verwante structuren en hulpmiddelen ter compensatie van beperkingen in het. Een ACP-lid stelt voor om recht te doen aan een brede functiegerichte omschrijving en hulpmiddelen ter compensatie van beperkingen te wijzigen in hulpmiddelen ter compensatie van beperkingen die voortvloeien uit stoornissen in de visuele functie die onvoldoende gecorrigeerd kunnen worden. Door het op deze wijze te omschrijven wordt het generieker geformuleerd. Mevrouw Visser antwoordt dat dit onderzocht moet worden, omdat zij niet kan overzien wat de indicaties zijn wanneer het op deze wijze wordt omschreven. Op pagina 8, wordt een paragraaf aan Budgetneutraliteit gewijd. Dit komt niet in de andere rapporten voor. Gezien de consistentie van de rapporten stelt een ACP-lid voor hier ook in de andere rapporten een paragraaf over op te nemen. In het voorliggende advies vallen de kosten voor de afdekpleister onder verzekerde zorg. Gezien de kosten van de afdekpleister stelt het ACP-lid voor om dit niet onder verzekerde zorg te laten vallen. Door dit volgens de gebruikte criteria te omschrijven, is dit goed te beargumenteren. ZieZo geeft in haar reactie op pagina 21 van het rapport aan dat zij het jammer vinden dat het CVZ zich op het standpunt stelt dat het de verantwoordelijkheid van de fabrikant is om gegevens aan te leveren over de bijdrage van hulpmiddelen. Een ACP-lid merkt op dat het genereren van bewijslasten in bepaalde sectoren lastiger ligt en de ACP er alert op moet blijven of dit standpunt in de praktijk realistisch is. Het is voor kleinere

7 -5- BB/ v2 bedrijven, gezien de kosten en tijd die hiermee gemoeid gaan, moeilijker om bewijzen te krijgen dat een hulpmiddel effectief is. De voorzitter geeft aan dat hiervoor voorwaardelijke financiering de oplossing is. De ACP adviseert de RvB om: - in de paragraaf over de huidige aanspraak de functiegerichte omschrijving als dit mogelijk is generieker te omschrijven; - de afdekpleister uit te sluiten uit het verzekerde pakket; - overall naar de algemene consistentie van de rapporten te kijken met betrekking tot de volgorde van de argumentatie. HM voor stoornissen van het spijsverteringsstelsel Mevrouw Link geeft een toelichting. Het CVZ adviseert de hulpmiddelen voor het toedienen van voeding vanaf 1 januari 2014 functiegericht te omschrijven. In functiegerichte terminologie is hierbij sprake van hulpmiddelen gerelateerd aan stoornissen in de functies van het spijsverteringsstelsel of aan ziektegerelateerde ondervoeding of een risico daarop. De eetapparaten vallen op dit moment ook onder de hulpmiddelen voor het toedienen van voeding. Op basis van de ICF is echter sprake van een functiestoornis in het bewegingssysteem. Er is bij patiënten die zijn aangewezen op een eetapparaat namelijk sprake van een stoornis in de arm- en handfunctie. Om die reden stelt het CVZ voor de eetapparaten vanaf 1 januari 2012 te laten vallen onder de omschrijving van artikel 2.35 van de Regeling zorgverzekering. De consultatie van het veld heeft twee reacties opgeleverd. Een van deze reacties betrof het standpunt van het CVZ uit 2009 Afbakening hulpmiddelenzorg en geneeskundige zorg, zoals medischspecialisten die plegen te bieden. Het probleem van de NFK heeft betrekking op de bekostigingssystematiek. Naar aanleiding van deze reactie stelt het CVZ in zijn advies voor deze functiegerichte omschrijving pas 1 januari 2014 door te voeren per zodat de partijen de gelegenheid hebben de betreffende DBC s en de uitvoeringspraktijk aan te passen conform dit standpunt. Ook bij dit rapport adviseert een ACP-lid om de functiegerichte omschrijving generieker te omschrijven. Het voorstel is hiervan te maken functies van de spijsvertering en te spreken over beperkingen die het gevolg zijn van onvoldoende gecorrigeerde stoornissen in de spijsvertering. In het advies staat op pagina 6 bij de paragraaf over speekselvorming Omdat speekselsubstituten en mondspoelmiddelen op dit moment niet tot de te verzekeren prestaties behoren, dient de functie speekselvorming uitgesloten te worden van de functiegerichte omschrijving. De ACP vindt dit geen goed argument en kan zich niet vinden in de uitleg die tijdens de vergadering wordt gegeven dat het huidige pakket zonder wijzigingen doorvertaald is naar een functiegerichte omschrijving. Een ACP-lid is van mening dat een heldere functiegerichte omschrijving gemaakt moet worden ondanks het feit dat de middelen nog beoordeeld moeten worden. De ACP adviseert de RvB: om de functiegerichte omschrijving generieker te omschrijven; de paragraaf over speekselvorming conform de functiegerichte omschrijving te omschrijven en daarna te beoordelen of deze middelen wel of niet in aanmerking komen voor verzekerde zorg. 6. Discussiestuk Beoordeling stand van de wetenschap en praktijk fysiotherapie en oefentherapie en strategisch keuzevoorstel basispakket De voorzitter licht de volgorde toe. Eerst wordt het agendapunt toegelicht door mevrouw Le Cocq van het CVZ. Na deze toelichting kan de ACP vragen stellen. Daarna krijgt de KNGF haar inspreektijd. De voorzitter benadrukt dat het niet de bedoeling is dat er een discussie ontstaat tussen de insprekers en de ACP. Vragen om verheldering zijn uiteraard welkom. Het enige doel van inspreken, is het inspreken zelf.

8 -6- BB/ v2 Mevrouw Le Cocq geeft een toelichting. Het basispakket omvat langdurige intermitterende fysio- en oefentherapeutische behandelingen van de aandoeningen die zijn opgenomen op de zogenaamde chronische lijst. Naar aanleiding van de discussie over deze lijst en de vraag of bepaalde aandoeningen niet aan de lijst zouden moeten worden toegevoegd, heeft het CVZ de effectiviteit van langdurige intermitterende fysiotherapie en oefentherapie beoordeeld van de nog niet op de chronische lijst staande aandoeningen. De toepassing van het CVZ-beoordelingskader leidt tot de conclusie dat langdurige fysiotherapie- of oefentherapie bij de beoordeelde aandoeningen geen stand van de wetenschap en praktijk is, terwijl het wel in het basispakket zit. In de notitie analyseert het CVZ dit probleem en komt tot een conclusie over de stand van de wetenschap en praktijk. Omdat deze conclusie ingrijpende gevolgen kan hebben voor de fysiotherapie en oefentherapie en er een aantal principiële zaken aan ten grondslag liggen, worden in de notitie een aantal opties geschetst. Het doel is om een bredere discussie te voeren en te komen tot een passende keuze voor de te verzekeren prestatie fysio- en oefentherapie. In 2007 is het CVZ gestart met het onderzoek door Regioplan. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat zowel zorgaanbieders, -verzekeraars en patiëntenorganisaties vinden dat een aantal aandoeningen aan de lijst moeten worden toegevoegd. Volgens de zorgverzekeringswet moeten deze aandoeningen worden getoetst aan het criterium de stand van de wetenschap en praktijk. Naar aanleiding van de inleiding vraagt een ACP-lid of bedoeld wordt dat langdurige fysiotherapie en oefentherapie niet effectief is, of dat bedoeld wordt dat er geen onderzoek is waaruit blijkt dat langdurige fysiotherapie effectief is. Mevrouw Le Cocq antwoordt dat het laatste het geval is. Mevrouw Veldhuizen en de heer Kiers van het KNGF worden uitgenodigd om aan tafel te komen zitten voor de inspraak. Onderstaand een samenvatting van deze inspraak. Mevrouw Veldhuizen geeft aan dat het KNGF graag bij het traject betrokken wordt. Overall is de conclusie van het KNGF dat het onderzoek en de conclusies meer vragen bij het KNGF oplevert dan oplossingen. De vragen richten zich op drie thema s: - Is er evidence voor de conclusie dat langdurige fysiotherapie niet bewezen effectief is of is er nog steeds geen langdurig onderzoek gedaan? - De indruk bestaat bij het KNGF dat er geworsteld is met de definities en het consequent hanteren van de criteria. Het KNGF doelt dan met name op langdurige fysiotherapie, het langdurige effect van fysiotherapie en langdurige intermitterende fysiotherapie die in het onderzoek en in de conclusies door elkaar lopen. - Het KNGF wil de maatschappelijke waarde van fysiotherapie onder de aandacht brengen. In toenemende mate is er evidence voor het effect van bewegen en het voorkomen van klachten. Juist voor mensen met chronische aandoeningen. Op detailniveau heeft het KNGF veel vragen. Deze zullen zij het CVZ op schrift doen toekomen. De heer Kiers krijgt het woord en zal op een aantal punten nader ingaan. Een samenvatting van deze punten is: - De gebruikte systematiek in het rapport en de wetenschappelijke onderbouwing voor de fysiotherapie die volgens het CVZ nooit van de grond gekomen is. - De gebruikte systematiek kent een drievoudige vertraging. Gekeken is naar RCT s. Hierbij merkt de heer Kiers op dat het een aantal jaren duurt voordat artikelen zijn gepubliceerd. Wanneer gepubliceerd is duurt het een aantal jaren voordat hier een review over komt. Wanneer de review is gepubliceerd gaat het Dutch Cochrane Centre (DCC) een overview doen. Het KNGF is van mening dat door de gebruikte systematiek artikelen van recentere datum niet in het onderzoek zijn meegenomen en pleit ervoor dat ook evidence van een recentere datum meegenomen wordt in de analyse. - De wijze waarop naar het onderzoek gekeken is; de inclusiecriteria. In het stuk is niet opgenomen waarom deze vergelijking is gedaan en waarom alleen is vergeleken met usual care en niet met andere interventies. - Ook uit de verouderde literatuur komt volgens het KNGF overduidelijk naar voren dat een programmatische aanpak van fysiotherapie bij veel aandoeningen effectief is. In de conclusie wordt er alleen over gesproken dat langdurige fysiotherapie niet

9 -7- BB/ v2 effectief is. Spreker wil een parallel trekken tussen diabetes patiënten en insuline. Het effect van insuline is kortdurend, maar wordt daarom niet uit het basispakket gehaald. Een ACP-lid vraagt wat de input van het KNGF is geweest naar aanleiding van het onderzoek dat in 2007/2008 is uitgevoerd. Is het KNGF zelf proactief aan de slag gegaan? Mevrouw Veldhuizen geeft aan dat het KNGF destijds een algemeen gesprek met het CVZ heeft gehad en hierbij is gesproken over de algemene systematiek. Het KNGF is niet betrokken bij de opzet of het onderzoek in de voorliggende notitie. Een ACP-lid vraagt wat het KNGF bedoelt met een programmatische aanpak. De heer Kiers antwoordt dat hiermee intermitterende fysiotherapie wordt bedoeld en de wijze waarop dit wordt ingericht. De voorzitter geeft aan dat in de terminologie van het KNGF gesproken wordt over een andere interventie en vraagt of dit leidt tot een andere conclusie bij de evidence bij intermitterende fysiotherapie dan die in de notitie staat? De heer Kiers antwoordt dat dit niet tot een andere conclusie leidt. Het feit dat langdurige fysiotherapie niet is onderzocht, betekent niet dat dit niet werkt. Een ACP-lid vraagt waar voor het KNGF de grens ligt bij langdurig en intermitterende fysiotherapie? Volgens het ACP-lid is ook langdurig intermitterend omdat een patiënt niet 24 uur per dag bezig is met fysiotherapie. De heer Kiers geeft aan dat dit niet duidelijk is. Afhankelijk van de definitie van intermitterende fysiotherapie kan gesteld worden of een therapie intermitterend is. Mevrouw Veldhuizen geeft een voorbeeld uit de praktijk van een patiënt met reumatische artritis die één keer per week fysiotherapie krijgt. Hierbij kan de vraag gesteld worden of dit effectiever is dan een kortdurende interventie. In de praktijk is het niet meer gebruikelijk dat een patiënt met reumatische artritis wekelijks fysiotherapie krijgt. De tendens is een programmatische aanpak waarbij patiënten bijvoorbeeld om de drie maanden terugkomen om weer het zetje te krijgen om de opgegeven oefeningen uit te voeren of bij een acute episode. Hier is wellicht onvoldoende onderzoek naar gedaan, maar dit is wel de dagelijkse praktijk. Een ACP-lid vraagt of langdurige fysiotherapie überhaupt wel bestaat en of het in alle gevallen niet intermitterende fysiotherapie betreft? De heer Kiers antwoordt dat een zeer select aantal patiënten langdurige fysiotherapie krijgt. Dit gaat om bijzondere situaties en waarschijnlijk niet in de eerstelijn. Voor 99% van de patiënten is dit niet het geval. Een ACP-lid geeft aan dat langdurige fysiotherapie wel bestaat. In Nijmegen is hier onderzoek naar gedaan bij patiënten met neuromusculaire aandoeningen. Uit het onderzoek kwam naar voren dat verhoudingsgewijs deze groep van patiënten langduriger en frequenter paramedische behandeling ondergaan dan naar het idee van het expertteam nodig was. De voorzitter vraagt of de beroepsgroep een definitie heeft wanneer gesproken wordt van intermitterende fysiotherapie? De heer Kiers geeft aan dat hiervoor geen terminologie bestaat. De heer Kiers kan ook niet aangeven welke termen in de richtlijnen van de beroepsgroep worden gebruikt. Dit wordt per geval beschreven op basis van de initiëring. Een ACP-lid merkt op dat volgens het KNGF de evidence er niet is, maar dit komt omdat hiernaar geen onderzoek is gedaan. Waarom heeft de beroepsgroep hier geen onderzoek naar gedaan? De heer Kiers kan het officieel standpunt vanuit het KNGF niet geven, omdat de voorbereidingstijd te kort was om een bestuursvergadering te houden. Wel kan de heer Kiers aangeven dat in het verleden 5% van de totale begroting besteed is aan direct wetenschappelijk onderzoek. Bij het uitgeven van deze gelden moeten keuzes worden gemaakt waaraan het wordt besteed. Dit is gebeurd op basis van evidence die al bestaat en behandelingen die tot het meeste perspectief voor de patiënt leiden. De voorzitter geeft aan dat bijvoorbeeld voor het CVZ juist reden tot onderzoek is wanneer er verdenking is van geen effectiviteit. Is dit geen reden voor de beroepsgroep geweest om dit daarom hoog op de onderzoeksagenda te plaatsen? Wordt er door de beroepsgroep geen onderzoek gedaan naar interventies of programma s waar de kans

10 -8- BB/ v2 bestaat dat de uitkomst is dat deze niet effectief zijn? Mevrouw Veldhuizen geeft aan dat de KNMF een beperkt budget heeft en dat er ook door verschillende universiteiten onderzoek wordt gedaan. Het KNGF betreurt het dat het RGO-advies om onderzoek te starten niet van de grond is gekomen. Het is niet het geval dat de beroepsgroep alleen onderzoek doet naar zaken waar zij belang bij hebben. Een ACP-lid merkt op dat fysiotherapie en beweging elkaar versterken, maar de vraag is of zij ook tegengesteld kunnen werken. De patiënt is ook zelf verantwoordelijk dat hij/zij actief en in beweging blijft. Kan fysiotherapie ook het ongewenst effect geven dat de patiënt wacht met bewegen omdat hij/zij toch op korte termijn naar de fysiotherapeut gaat? Mevrouw Veldhuizen geeft aan dat de fysiotherapeut er voor verantwoordelijk is dat de patiënt inzicht krijgt, maar dat de patiënt zelf verantwoordelijk is voor bewegen. De verantwoordelijkheid voor gedragsverandering ligt bij de patiënt zelf. De voorzitter vraagt wat de waarde is die het KNGF hecht dat bewezen is dat een interventie effectief is. Mevrouw Veldhuizen geeft aan dat massagetechniek uit de richtlijn en protocollen zijn gehaald toen dat bleek dat dit niet effectief is. Hiermee wordt aangetoond dat de beroepsgroep bereid is om behandelingen te schrappen wanneer deze niet effectief blijken te zijn. De ACP heeft verder geen vragen aan het KNGF. Mevrouw Veldhuizen vraagt op welke wijze verder wordt gegaan. De voorzitter geeft aan dat dit nog niet bekend is. Afhankelijk van de resultaten van de discussie wordt binnen het CVZ besloten hoe verder wordt gegaan. De inspraak is afgesloten. De voorzitter bedankt mevrouw Veldhuizen en de heer Kiers voor hun inbreng. Een ACP-lid geeft aan dat hij een conflicterend belang bij het dossier heeft, omdat hij als chronisch zieke patiënt langdurig gebruik maakt van fysiotherapie en hier ook baat bij heeft. De voorzitter en de andere ACP leden zien het conflicterend belang niet. In zijn geval is het doel van de behandeling gericht op het tegengaan van de achteruitgang. Door de fysiotherapie komt hij minder snel in aanmerking voor gewrichtvervangende operaties. Het is lastig om studie te doen naar de effecten, omdat ook medische behandeling plaatsvindt. Hierdoor is in een onderzoek niet te onderscheiden wat de effecten van de medicijnen en wat de effecten van de fysiotherapie zijn. Ook moet in oogschouw genomen worden dat de kosten voor de fysiotherapie niet in verhouding staan tot de andere medische kosten. De kosten van de fysiotherapie zijn een druppel op een gloeiende plaat. Door de aard van de oefeningen is het niet mogelijk om deze in de thuissituatie zelf uit te voeren. Een ACP-lid vraagt hoe het ACP-lid weet dat het werkt. Als patiënt gelooft hij in de fysiotherapie omdat hij er baat bij heeft, maar is dit bewezen? Het ACP-lid geeft aan dat een langdurige ziekenhuisopname en het niet krijgen van fysiotherapie in zijn geval tot achteruitgang heeft geleid. Een ACP-lid is van mening dat er wel onderzoek gedaan kan worden naar de effecten van fysiotherapie. Een voorbeeld is onderzoek dat is gedaan naar multi- en monodisciplinaire benadering van patiënten met ernstige reuma. Op bladzijde 8 van de notitie staat dat in geval van de onderzochte of intermitterende fysio- of oefentherapie het CVZ oordeelt dat er geen redenen zijn om op basis van lagere evidence een positieve beslissing te nemen. Een ACP-lid vindt dat dit niet is aangetoond. Een ACP-lid vraagt waarom, in de adviezen die eerder in deze vergadering zijn behandeld, wel gebruik gemaakt wordt van de ICF-classificaties en waarom bij de fysiotherapie niet? Naar aanleiding van de discussie die in 2007/2008 met de veldpartijen is gevoerd vraagt een ACP-lid op welke wijze verder gegaan wordt met de indicaties. Hieraan is geen

11 -9- BB/ v2 vervolg gegeven. De reumapatiëntenvereniging is door middel van onderzoek en pilots bezig het probleem helder in kaart te brengen. Het ACP-lid adviseert het CVZ hier ook naar te kijken. Een ACP-lid geeft aan dat uit de discussie naar voren komt de noodzaak tot ordentelijk onderzoek. In de notitie moet er wellicht aandacht aan besteed worden waarom dit zo lastig is. Hiervoor moet meer geld beschikbaar worden gesteld. Net zoals bij de dokters het geval is, die ook niet al het onderzoek zelf financieren. Het ACP-lid zou graag een duidelijke omschrijving willen wat intermitterende en wat langdurige fysiotherapie is en of hier een verschil tussen is. Een ACP-lid stelt voor dat een aantal voorbeelden, zoals door het ACP-lid ter vergadering zijn gedaan, in de notitie worden opgenomen. Aan de hand van een persoonlijk verhaal merkt een ACP-lid op dat persoonlijke beleving geen evidence is. De heer Kievit verlaat de vergadering. In het licht van consistentie in de beoordelingen van de ACP merkt een ACP-lid op dat in het verleden door de ACP de gecombineerde leefstijlinterventie is beoordeeld. Toen is op basis van een modelmatige analyses, waaruit bleek dat het aannemelijk is dat dergelijke interventies in de toekomst werken, door de ACP positief geoordeeld. Daarentegen is psychoanalyse bij gebrek aan evidence uit het pakket gehaald. Bij de langdurige intermitterende fysiotherapie spelen volgens het ACP-lid dezelfde dilemma s. Een ACP-lid merkt op dat het lastig is om evidence te genereren, maar dat het CVZ vast moet houden aan de eis dat evidence noodzakelijk is, tenzij de Commissie er van overtuigd kan worden dat dit niet hoeft of niet kan. Dit moet per geval bekeken worden. In de notitie Stand van wetenschap en praktijk van het CVZ zijn een aantal ontheffingsgronden gedefinieerd, waaronder dat het legitiem is om geen evidence te hoeven geven. Deze ontheffingsgronden kunnen ook van toepassing zijn bij de conclusies op pagina 8 van de voorliggende notitie bij de stand van de wetenschap en praktijk. Met betrekking tot de opties geeft de ACP aan dat de bespreking neigt naar een optie tussen 2 en 3. Optie 5 valt af omdat bij deze optie geen evidence wordt gevraagd en voor zorg die niet in voldoen aan de criteria van het basispakket de patiënt zich aanvullend moet verzekeren. Het advies van de ACP aan de RvB is: - Het criteria van evidence dient gehandhaafd te worden en hiervan kan alleen worden afgeweken bij de ontheffingsgronden zoals deze zijn gedefinieerd in de notitie Stand van de wetenschap en praktijk, waarbij duidelijk moet zijn wanneer onderzoek niet mogelijk is en niet te snel opgegeven moet worden. - Onderzocht moet worden of met het veld afspraken gemaakt kunnen worden over het soort onderzoek en op welke termijn deze onderzoeken worden uitgevoerd (de onderzoeksagenda). - De ACP constateert dat er een spanningsveld zit tussen de objectiveerbare effecten en de effecten die toe te schrijven zijn aan de fysiotherapie. Dit speelt bij meerdere vakgebieden, maar weegt bij de fysiotherapie in het bijzonder. - Helder moet worden gemaakt wat met interventie wordt bedoeld. Hierbij spelen ook wetteksten een rol. - De effectmaat niet achteruitgaan is een valide maat, waarbij moet aangegeven worden wat de maatschappelijk relevant gevonden effectmaat is. - De vraag waarom niet uitgegaan is van de ICF-classificaties, dient in de notitie beantwoord te worden.

12 -10- BB/ v2 - De ACP pleit voor consistentie in de beoordeling: dit hangt samen met de beoordeling van de gecombineerde leefstijlinterventie en psychoanalyse. Gepast gebruik is hierbij ook een belangrijk onderwerp en hierop kan worden geanticipeerd. Mevrouw Polman merkt op, naar aanleiding van de vragen of het uitgevoerde onderzoek ook internationaal onderzoek behelst, dat dit het geval is. De heer Van Halteren vult hierbij aan dat bij de literatuurstudie ruim onderzoek is gedaan naar fysiotherapie. Het criterium is niet geweest of dit langdurige of kortdurende fysiotherapie betrof, maar gekeken is wat voor implicaties dit zou hebben. Bij het onderzoek zijn ook buitenlandse richtlijnen meegenomen. Verder merkt mevrouw Polman op dat de Cochrane studies die vanaf 2007 zijn uitgevoerd in samenspraak met de KNGF tot stand zijn gekomen. 7. Rondvraag en sluiting De secretaris geeft aan dat nog niet bekend is of de vergadering die op 20 mei a.s. gepland staat een gewone vergadering of een heidag wordt. Mevrouw De Beaufort geeft aan niet bij deze vergadering aanwezig te kunnen zijn. Een ACP-lid spreekt zijn zorgen uit of de kritische grens niet bereikt is bij het opleidingsniveau en het aantal mensen die werkzaam zijn in de geestelijke gezondheidsen ouderenzorg. Een voorbeeld hiervan is Brandon, die de afgelopen weken uitvoerig in het nieuws is geweest. Is het mogelijk om naar alternatieve oplossingen te zoeken? Het ACP-lid wil een signaal afgeven over de beschikbare middelen om dit soort problemen op te vangen of op te pakken in relatie tot de brief van het ministerie van VWS om 30 mln. extra te gaan bezuinigen in het basispakket. De voorzitter geeft aan dat niet op voorhand is te zeggen op welke termijn en in welke mate bezuinigd gaat worden, omdat het mogelijk is dat de minister van VWS de accenten binnen het regeerakkoord anders legt. Het pakketbeheer en het betrokken zijn bij de besluiten tot het nemen van maatregelen ten aanzien van het pakketbeheer heeft voor het CVZ de hoogste prioriteit. De voorzitter geeft aan dat het punt gepast gebruik voor de volgende ACP-vergadering wordt geagendeerd. De voorzitter bedankt de aanwezigen voor hun inbreng en sluit om uur de vergadering.

13 ACP 19/5 Aan Van : Leden ACP : drs. R.Doeschot, dr. I.M. Verstijnen en drs. S. vd Scheur Datum : 7 februari 2011 Volgnr. : Betreft : Rapport Preferentieonderzoeken Hierbij bieden wij u het rapport Preferentieonderzoek pakketadviezen aan. Aanleiding Het CVZ was voornemens zijn toekomstige pakketadviezen aan te vullen met een diagram/schema, waarin duidelijk wordt hoe de bevolking over de voorgestelde veranderingen denkt. Daarom heeft het CVZ het NIVEL, het LUMC en de VU gevraagd om een onderzoek te doen naar hoe de preferenties, ofwel voorkeuren, van burgers voor de in de pakketadviezen genoemde zorginterventies kunnen worden gemeten. Het doel van het Preferentieonderzoek PakketAdviezen (PrePA) was om te bepalen met welke methode de preferenties van de Nederlandse bevolking voor zorginterventies gemeten zouden kunnen worden. In de studie is ook onderzocht wat de preferenties met betrekking tot de beoordeelde zorginterventies zijn. Methode In de PrePA studie zijn drie waarderingsmethoden onderzocht en vergeleken. Dit zijn Ordenen en Waarderen (OW), Contingent Valuation (CV) en de Budget Methode (BM). Er is voor alle waarderingsmethoden een internetapplicatie ontwikkeld. Voor alle waarderingsmethoden gold dat respondenten vijf zorginterventies kregen aangeboden. Deze zorginterventies werden, voordat zij een taak kregen, uitgebreid beschreven aan de hand van een aantal kenmerken. Tijdens het uitvoeren van de taak konden respondenten de beschrijvingen nogmaals lezen door op een informatie-icoon te klikken. In totaal zijn 29 zorginterventies beoordeeld. Voor het onderzoek zijn panelleden uit het Consumentenpanel Gezondheidszorg en het Verzekerdenpanel benaderd. Beide panels worden beheerd door het NIVEL. Het aantal volledig ingevulde vragenlijsten was (responspercentage 57%). De onderzoekers hebben veel gemeten, naast de voorkeur van de respondenten om een bepaalde interventie wel een te verzekeren prestatie te laten zijn en een andere niet (dus de één te prefereren boven een ander), ook wat de overwegingen waren bij deze voorkeur. Of de ernst van de aandoening heeft meegewogen, de kosten, hoe hoog men de kans achtte zelf last te krijgen van de aandoening waar de interventie zich op richt, etc. Ook algemene vragen zijn gesteld zoals de prikkelende vraag of men vindt dat rokers meer moeten betalen voor de basis verzekering. Daarnaast zijn persoonsgegevens geregistreerd (leeftijd, geslacht, wel/geen aanvullende verzekering etc.).

14 Uitkomsten Uitkomst van het onderzoek is dat de preferenties van de bevolking voor het opnemen van zorginterventies in de basisverzekering kunnen gemeten worden met elk van de drie waarderingsmethoden die in het onderzoek zijn vergeleken. Er zijn slechts beperkte verschillen wat betreft theoretische validiteit, benodigde tijd, gerapporteerde moeilijkheid en onderscheidend vermogen. De waarderingsmethoden geven een vergelijkbaar beeld wat betreft de preferenties, waardoor geen harde criteria zichtbaar zijn geworden voor de keuze van een waarderingsmethode. Toekomst Al met al heeft deze pilot geleid tot een schat aan informatie waar het CVZ veel nadere analyses op zou kunnen uitvoeren. De oorspronkelijke aanleiding voor het onderzoek was voorgestelde veranderingen die gecommuniceerd worden bij de bevolking te onderzoeken. De opzet van het pakketadvies is met ingang van 2010 echter veranderd; niet langer zullen nog uit te brengen adviezen onderdeel vormen van het pakketadvies. Het preferentie onderzoek naar al uitgebrachte adviezen wordt daarmee volledig evaluatief. De afdeling onderzoek (het CVZ) ziet de vergaarde informatie echter nog steeds als waardevol omdat de data (wanneer periodiek gemeten) inzicht geven in de ontwikkeling van het maatschappelijk draagvlak van onze adviezen en de ontwikkeling van solidariteit (monitorfunctie). Het neemt zich daarom voor de meting voor wat betreft al uitgebrachte adviezen eens per twee jaar te herhalen. Het CVZ heeft de onderzoeksapplicatie in zijn beheer gekregen. Dit maakt het mogelijk om ook nog niet uitgebrachte adviezen te onderzoeken op solidariteit. Ook kan het gebruikt worden om nog niet uitgebrachte adviezen te prioriteren of om het draagvlak van een eventueel uit te brengen advies te toetsen, bijv. verschillende interventies met lage ziektelast onderling te laten vergelijken. Vraag aan de ACP Welke andere mogelijkheden ziet de ACP voor het gebruik van de data zoals het onderzoek in zijn huidige vorm heeft opgeleverd en in de toekomst zal opleveren? Ziet de ACP er been in om deze applicatie te gebruiken voor prioritering van adviezen? Wij willen hierbij specifiek wijzen op de mogelijkheid om vragen toe te voegen aan de exitvragenlijst.

15 Aan Van : de leden van de Adviescommissie Pakket : Jolanda de Boer, Arnold van Halteren en Fauzia Roepnarain Datum : 10 februari 2011 Volgnr. : Betreft : Standpunt preferentiebeleid biologische geneesmiddelen Doel Doel van de bespreking van het standpunt in uw vergadering van 18 februari is dat u advies uitbrengt aan de Raad van Bestuur van het CVZ. 1. Proces Op 17 december 2010 heeft het CVZ zijn concept-standpunt verstuurd voor bestuurlijke consultatie. De consultatieronde duurde tot 14 januari De reacties van partijen zijn gegroepeerd in een aantal thema s. Vanwege de veelvuldige reacties en het reeds aangekondigde tijdspad voor het uitbrengen van het uiteindelijke standpunt, kiezen wij ervoor om op deze wijze het commentaar weer te geven en te bespreken. Van een individuele reactie wordt afgezien. Een overzicht van geconsulteerde partijen en commentaar is bijgevoegd. 2. Standpunt Naar aanleiding van de adviesaanvraag d.d. 13 augustus 2010 van zorgverzekeraar UVIT heeft het CVZ beoordeeld of het mogelijk is om op grond van artikel 2.8, derde lid Besluit zorgverzekering preferentiebeleid te voeren op biologische geneesmiddelen. Dit artikel stelt als voorwaarde dat preferentiebeleid gevoerd wordt op geneesmiddelen met dezelfde werkzame stof. In tegenstelling tot generieke geneesmiddelen worden biologische geneesmiddelen niet alleen gekenmerkt door de werkzame stof maar door het gehele productieproces van deze geneesmiddelen. Het CVZ kan geen eenduidige uitleg geven van de huidige bepaling of preferentiebeleid bij biologische geneesmiddelen mogelijk is: de voorwaarde dezelfde werkzame stof is onvoldoende helder in zijn betekenis als het toegepast moet worden op biologische geneesmiddelen. Het CVZ kan wel een uitspraak doen of het wenselijk is om het artikel in het Besluit zorgverzekering zo aan te passen dat het duidelijk is dat preferentiebeleid toegepast kan worden op biologische geneesmiddelen. Hierbij maakt het CVZ onderscheid tussen nieuwe en bestaande gebruikers van biologische geneesmiddelen. Aan deze groep kan een biologisch geneesmiddel zonder voorwaarden worden voorgeschreven. Voor bestaande gebruikers van biologische geneesmiddelen is dit onder bepaalde voorwaarden mogelijk. De mogelijkheid om een ander geneesmiddel voor te schrijven dan het door de zorgverzekeraar aangewezen geneesmiddel, als behandeling met dit geneesmiddel medisch niet verantwoord, wil het CVZ handhaven. Vragen aan de ACP 1. Bent u het eens met de conclusie van het CVZ dat er geen eenduidige uitleg gegeven kan worden van de huidige bepaling of preferentiebeleid bij biologische geneesmiddelen mogelijk is, omdat de voorwaarde dezelfde werkzame stof onvoldoende helder is. 2. Kunt u zich vinden in het voorstel van het CVZ om onder de geschetste voorwaarden de toepasselijke wet-en regelgeving aan te passen zodat preferentiebeleid op biologische geneesmiddelen mogelijk wordt? Zijn er voorwaarden die naar uw mening nog toegevoegd zou moeten worden? 3. Heeft u nog verdere suggesties of commentaar?

16 Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Mevrouw E. Schippers Postbus EJ DEN HAAG Uw brief van Uw kenmerk Datum februari 2011 Ons kenmerk Behandeld door Doorkiesnummer ZA/ mw. J.E. De Boer, arts (020) Onderwerp Standpunt preferentiebeleid biologische geneesmiddelen Geachte minister, Op 13 augustus 2010 heeft het College voor zorgverzekeringen (CVZ) een adviesaanvraag van zorgverzekeraar Univé-VGZ-IZA-Trias (UVIT) ontvangen. UVIT vraagt het CVZ om een standpunt uit te brengen over de vraag of de Zorgverzekeringswet toelaat dat een zorgverzekeraar preferentiebeleid voert ten aanzien van biologische geneesmiddelen, de zogenaamde biologicals (zie bijlage A). In het eerste deel van deze brief zet het CVZ uiteen waarom een eenduidige uitleg geven van de huidige bepaling of preferentiebeleid bij biologische geneesmiddelen niet mogelijk is: de voorwaarde dezelfde werkzame stof is onvoldoende helder in zijn betekenis als het toegepast moet worden op biologische geneesmiddelen. Het CVZ is van mening dat het preferentiebeleid op biologische geneesmiddelen wenselijk is; de beweegredenen van het CVZ treft u aan in het tweede deel van deze brief. Het kunnen toepassen van het preferentiebeleid op biologische geneesmiddelen is echter niet mogelijk zonder wijziging van de toepasselijke regelgeving. Om deze reden richt het CVZ zijn reactie op de adviesaanvraag tot de minister. Deel 1: Huidige mogelijkheden preferentiebeleid Sinds 2003 is het voor zorgverzekeraars mogelijk om preferentiebeleid te voeren. Bij een preferentiebeleid worden geneesmiddelen aangewezen op basis van selectie aan de hand van een prijscriterium. Hierdoor is het voor de zorgverzekeraar mogelijk om zijn verzekerden geneesmiddelen met dezelfde werkzame stof goedkopere versies te verstrekken. En vergroot het de doelmatige geneesmiddelenverstrekking.

17 2/ZA/ In het Besluit zorgverzekering is de mogelijkheid tot het voeren van preferentiebeleid als volgt geformuleerd. Artikel 2.8, eerste lid Besluit zorgverzekering Farmaceutische zorg omvat terhandstelling van: a. de bij ministeriële regeling aangewezen geregistreerde geneesmiddelen voor zover deze zijn aangewezen door de zorgverzekeraar. Artikel 2.8, derde lid Besluit zorgverzekering De aanwijzing door de zorgverzekeraar geschiedt zodanig dat van alle werkzame stoffen die voorkomen in de bij ministeriële regeling aangewezen geneesmiddelen tenminste een geneesmiddel voor de verzekerde beschikbaar is. Artikel 2.8, vierde lid Besluit zorgverzekering Farmaceutische zorg omvat ook een ander bij ministeriële regeling aangewezen geneesmiddel, voor zover behandeling met het door de zorgverzekeraar aangewezen geneesmiddel voor de verzekerde niet medisch verantwoord is. Het uitgangspunt bij de registratie van generieke (merkloze) geneesmiddelen is dat deze middelen een gelijkwaardige effectiviteit en veiligheid moeten hebben ten opzichte van het referentieproduct (= het spécialité). Sinds 1986 wordt deze gelijkwaardigheid bij de registratie getoetst aan de hand van bio-equivalentieonderzoek ten opzichte van het spécialité. Men gaat er daarbij van uit dat een vergelijkbare plasmaconcentratietijdcurve (= bio-equivalentie) leidt tot een gelijke werking en veiligheid. Er is dus wettelijk geen herhaling nodig van dierproeven of klinisch onderzoek voor de registratie van generieke geneesmiddelen. Het generieke geneesmiddel bevat dezelfde actieve ingrediënten, in dezelfde concentratie, als het oorspronkelijke geneesmiddel. Bovendien heeft het geneesmiddel dezelfde farmaceutische vorm. Generieke geneesmiddelen en de referentiegeneesmiddelen waarop ze zijn gebaseerd zijn daarom op farmaceutisch niveau uitwisselbaar: het éne kan door het andere vervangen worden. De stofnaam is dan ook gelijk en er is sprake van dezelfde werkzame stof. Een zorgverzekeraar kan de aanspraak op geneesmiddelen, die zijn opgenomen in het basispakket, beperken tot door hem aangewezen middelen. Als voorwaarde geldt dat een zorgverzekeraar van elke werkzame stof die zit in een bij de Regeling zorgverzekering aangewezen middel, tenminste een geneesmiddel aanwijst. Een voorschrijver mag van een aangewezen geneesmiddel afwijken indien behandeling van een verzekerde met het door de zorgverzekeraar aangewezen geneesmiddel medisch niet verantwoord is. Biologische geneesmiddelen en biosimilars Met het aflopen van de octrooien van de oorspronkelijk biologische geneesmiddelen (innovator) zijn inmiddels biologisch vergelijkbare producten in opkomst, de zogenaamde biosimilars. Gelet op het groeiend aandeel en de groeiende kosten van biologicals vindt zorgverzekeraar UVIT het van belang om het preferentiebeleid ook toe te passen op biologische geneesmiddelen (zie bijlage A). Biologische geneesmiddelen zijn middelen die gemaakt worden door of afgeleid zijn van levende (genetisch gemodificeerde) cellen of organismen. In de meeste gevallen gaat het bij deze geneesmiddelen om eiwitten of polypeptiden. De effectiviteit en veiligheid worden bepaald door verschillende factoren zoals de aminozuurvolgorde (primaire structuur), de ruimtelijke structuur (secundaire, tertiaire en quaternaire structuur), de gekoppelde suikerketens (glycosylering) en eventuele onzuiverheden van het eindproduct. Om de eigenschappen te kunnen vaststellen van een biologisch geneesmiddel is een veelheid van analysetechnieken nodig, en zelfs dan is het geneesmiddel niet volledig te karakteriseren.

18 3/ZA/ Belangrijke groepen biologische geneesmiddelen zijn groeihormonen, TNF-alfa blokkers, interferonen, epoëtines, insulinen, koloniestimulerende factoren en monoklonale antilichamen. Biosimilars kunnen dezelfde INN (International Nonproprietary Name) of generieke naam hebben als het innovator product. Bij de INN naamgeving door de WHO wordt voor biologische geneesmiddelen de wijze waarop het geneesmiddel wordt geproduceerd niet meegenomen. De aminozuurvolgorde is bepalend voor de INN naam, verschillen ten gevolge posttranslationele modificaties zoals glycosylering worden aangegeven met een toevoeging zoals een Griekse letter bij epoëtines (bijvoorbeeld epoëtine alfa, epoëtine beta). Een biologisch geneesmiddel wordt echter niet alleen gekarakteriseerd door de stofnaam, dus het eindproduct, maar het hele productieproces kan de eigenschappen van het uiteindelijke product mede bepalen. Aan de registratie-eisen voor een van een origineel afgeleid biologisch geneesmiddel worden dan ook additionele eisen gesteld om de vergelijkbaarheid aan te tonen. Bio-equivalentie onderzoek is niet voldoende. Eisen van de Europese registratie-autoriteiten voor registratie van biosimilars Voor de registratie van biosimilars hanteert de European Medicines Agency (EMA) sinds 2005 het uitgangspunt dat het biosimilar vergelijkbaar ( similar ) moet zijn aan het referentieproduct voor wat betreft kwaliteit, veiligheid en effectiviteit. De EMA heeft hiervoor algemene richtlijnen opgesteld, die aangeven welke vergelijkende onderzoeken dienen plaats te vinden tussen het referentieproduct en biosimilar. De registratie-autoriteit hanteert daarbij de volgende criteria: de immunogeniteit (incl. karakterisering van antilichamen) en de gevolgen voor effectiviteit, veiligheid en kinetiek dient te worden onderzocht in klinische studies. na het in de handel brengen dient de veiligheid te worden gevolgd met behulp van een risk management program of een pharmacovigilance plan. Daarnaast zijn door de EMA per productgroep aanvullende, productspecifieke richtlijnen opgesteld waarin eisen zijn weergegeven ten aanzien van bijvoorbeeld kinetische parameters, de farmacodynamische en klinische eindpunten die gemeten moeten worden, de duur en het aantal studies. Voor groeihormoon moet die vergelijkbaarheid bijvoorbeeld worden aangetoond bij niet eerder behandelde groeihormoon-deficiënte kinderen. Voor de registratie van biosimilars is dus uitgebreider onderzoek nodig dan voor de registratie van generieken van gewone geneesmiddelen, zij het dat de patiëntenaantallen voor de klinische studies van de biosimilars meestal kleiner zijn dan voor het innovatorproduct. Als een biosimilar aan de eisen zoals gesteld door de Europese registratie-autoriteit voldoet, is het biosimilar vergelijkbaar met het originele product met dezelfde sterkte, dezelfde farmaceutische vorm en dezelfde toedieningsweg (dezelfde GPK code in de G-standaard). Standpunt registratie-autoriteiten CBG en EMA over biosimilars en zijn referentiegeneesmiddel Het College ter beoordeling van geneesmiddelen (CBG) is van oordeel dat het werkzame bestanddeel van een biosimilar geneesmiddel soortgelijk (=vergelijkbaar) is aan het werkzame bestanddeel van het biologische referentiegeneesmiddel. In specifieke samenvattingen van European Public Assessment Reports (EPAR s) voor het publiek omschrijft het CBG dat een biosimilar dezelfde werkzame stof bevat als zijn referentiegeneesmiddel. De EMA geeft in zijn officiële documenten aan dat een biosimilar a similar active substance heeft als het referentiegeneesmiddel. Een biosimilar en zijn referentiegeneesmiddel zijn similar, but not identical. In specifieke EPAR s omschrijft

19 4/ZA/ de EMA juist weer dat de biosimilar the same active substance bevat als zijn referentiegeneesmiddel. Conclusie CVZ Het CVZ geeft in zijn hoedanigheid als pakketbeheerder een eenduidige uitleg van de Zorgverzekeringswet. Het begrip dezelfde werkzame stof is cruciaal in de uitleg of preferentiebeleid voor biologische geneesmiddelen nu mogelijk is. Onder de toenmalige Ziekenfondswet is op 19 december 2003 het preferentiebeleid in werking getreden door invoering van artikel 9a Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering. Het kabinetsbeleid was er al enige jaren op gericht om de onderling concurrerende ziekenfondsen een leidende rol in de geneesmiddelenvoorziening te geven en zodoende de doelmatigheid in de geneesmiddelenverstrekking te vergroten. Om ziekenfondsen de mogelijkheid te geven bepaalde farmaceutische zorg in te kopen is voornoemde bepaling opgenomen. Op grond hiervan is het mogelijk voor (een of meer) groepen van werkzame stoffen te besluiten dat verzekerden slechts aanspraak hebben op het geregistreerde geneesmiddel(en) die door het ziekenfonds zijn aangewezen. Preferentiebeleid wordt alleen gevoerd op basis van dezelfde werkzame stof. In zijn concept-standpunt heeft het CVZ aangegeven dat er geen preferentiebeleid kan worden gevoerd op biologische geneesmiddelen omdat deze geneesmiddelen in tegenstelling tot bij generieke geneesmiddelen zich niet alleen kenmerken door de werkzame stof maar tot op zekere hoogte door het gehele productieproces. Uit de consultatie komt naar voren dat de meeste partijen uitgezonderd het RIVM, BOGIN en zorgverzekeraar UVIT - het hiermee eens zijn. Maar de meningen zijn verdeeld over hoe er invulling moet worden gegeven aan het begrip werkzame stof, dan wel hoe er bepaald kan worden dat er sprake is van dezelfde werkzame stof. Zo wordt onder andere verwezen naar de ATC-classificatie (Anatomisch Therapeutisch Chemisch) of naar de International Nonproprietary Names (INN). De EMA en CBG hanteren verschillende definities om de overeenkomsten en verschillen tussen biosimilars en zijn referentiegeneesmiddel toe te lichten. Feit is dat het begrip dezelfde werkzame stof slecht toepasbaar is op biologische geneesmiddelen. Dit komt met name door de kwalificatie dezelfde. Zelfs de actieve ingrediënt van chemische geneesmiddelen is nooit exact dezelfde, bij biologische geneesmiddelen is dat zeker zo. Wat is een acceptabele bandbreedte in verschillen om toch tot een oordeel te komen dat sprake is van dezelfde werkzame stof? De wetshistorie biedt op dit punt geen aanknopingspunten. Tot de invoering van het preferentiebeleid in 2003 kwam het begrip niet voor in de wet-en regelgeving (AWBZ en Ziekenfondswet) over de aanspraak op farmaceutische hulp. Met de invoering van het preferentiebeleid wordt in de toelichting op de wijziging van het Verstrekkingenbesluit Ziekenfondsverzekering het begrip dezelfde werkzame stof niet gedefinieerd of in ieder geval niet nader omschreven. De toelichting biedt voornamelijk inzicht in de beweegredenen van het toenmalige kabinet om de aanspraak op farmaceutische hulp te flexibiliseren door middel van het preferentiebeleid. Ook de toelichting op artikel 2.8 Besluit zorgverzekering laat zich hier niet over uit. Het CVZ wil geen eenduidige uitleg geven over de vraag of de huidige bepaling preferentiebeleid bij biologische geneesmiddelen toelaat. De bepaling dezelfde werkzame stof is onvoldoende helder in zijn betekenis als het toegepast moet worden op biologische geneesmiddelen. Het CVZ kan wel een uitspraak doen of het wenselijk is om het artikel in het Besluit zorgverzekering zo aan te passen dat het duidelijk is dat preferentiebeleid toegepast kan worden op biologische geneesmiddelen. Hieronder volgt het advies aan de minister.

20 5/ZA/ Deel 2: advies bijstelling wettelijk kader De wettelijke beperking van het preferentiebeleid voor geneesmiddelen met dezelfde werkzame stof was een belangrijke eerste stap in het vergroten van de kostenbeheersende maatregelen die een zorgverzekeraar kan nemen zonder de kwaliteit van de verzekerde zorg te verminderen. Inmiddels is ervaring opgedaan met het preferentiebeleid en zijn hiermee grote besparingen gerealiseerd. Op het gebied van biologische geneesmiddelen zijn ook steeds meer biosimiliars beschikbaar. Het CVZ heeft dan ook onderzocht of biosimilars en het oorspronkelijke innovatorproduct, alsmede de originele producten onderling, die voor een zelfde indicatie zijn geregistreerd zoveel op elkaar lijken dat aanpassing van het wettelijk kader voor preferentiebeleid gerechtvaardigd is. Het CVZ zal nu in gaan op de vraag of aanpassing van het wettelijk kader gerechtvaardigd is. I Zijn biologicals uitwisselbaar? Oorspronkelijk lijkt de omschrijving van het artikel over preferentiebeleid zo te zijn opgesteld dat voor geneesmiddelen die chemisch hetzelfde actieve ingrediënt hebben de verzekeraar regie kan voeren op de keuze voor een voorkeursgeneesmiddel. Hier is altijd een bepaling aan toegevoegd dat een voorschrijver hiervan in een individueel geval om medische redenen van mag afwijken. De vraag ligt nu voor of, en zo ja, onder welke voorwaarden biologische geneesmiddelen die voor een zelfde indicatie zijn geregistreerd vergelijkbaar zijn om een zorgverzekeraar de bevoegdheid te geven om een voorkeursgeneesmiddel in zijn polis te laten opvoeren. Bij het preferentiebeleid wordt uitgegaan van de uitwisselbaarheid van geneesmiddelen met dezelfde stofnaam. Bij biologicals is het de vraag of - gezien de bijzondere kenmerken van de samenstelling en productie van deze geneesmiddelen sprake is van een gelijkwaardige werkzaamheid en veiligheid. Waarmee dient er rekening te worden gehouden? a. Werkzaamheid en veiligheid- immunogeniteit De werkzaamheid van een biologisch geneesmiddel wordt bepaald door de farmacokinetiek en dynamiek. Deze worden op hun beurt beïnvloed door de structuur van het eiwit, die invloed heeft op de duur en de mate van de biologische activiteit. Voorts speelt de immunogeniteit een rol bij de werkzaamheid. Bijna alle biologische geneesmiddelen zijn immunogeen, d.w.z. geven bij een deel van de patiënten aanleiding tot de vorming van antilichamen. Deze antilichamen kunnen de effectiviteit van het geneesmiddel beïnvloeden. De gevolgen van een immunogene respons kunnen verschillen in ernst van klinisch niet relevant tot, in zeldzame gevallen, een levensbedreigende immuunrespons tegen het lichaamseigen eiwit. Meestal zijn deze immuunreacties voor een groot deel van de patiënten van voorbijgaande aard. De oorzaak van immunogeniteit is onduidelijk en hangt samen met de vorming van aggregaten, toedieningsweg, dosering, behandelduur en frequentie van toediening. Daarnaast spelen patiëntgebonden factoren een rol zoals genetische predispositie, immuunstatus en comorbiditeit. Bij onvoldoende werking van het geneesmiddel of bij het optreden van overgevoeligheidsreacties tijdens toediening blijkt het zinvol om het mogelijke ontstaan van geneesmiddel-specifieke antistoffen te onderzoeken. Een immuunrespons treedt vaak pas op na langduriger gebruik en ontstaat slechts in een klein deel van de patiënten. Indien na uitwisseling van biologicals vorming van antilichamen optreedt, is het niet altijd duidelijk door welk geneesmiddel de bijwerking is veroorzaakt. Voor het opsporen en volgen hiervan is een goede geneesmiddelenbewaking noodzakelijk. De EMA heeft een richtlijn opgesteld over het evalueren van de immunogeniteit van biologische geneesmiddelen. Ook na registratie dient het risico op het ontwikkelen van specifieke antilichamen te worden gevolgd.

Fluorideapplicaties bij jeugdige verzekerden

Fluorideapplicaties bij jeugdige verzekerden Rapport Fluorideapplicaties bij jeugdige verzekerden Op 22 november 2011 uitgebracht aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Publicatienummer Uitgave College voor zorgverzekeringen Postbus

Nadere informatie

Op welke vragen geeft dit digitale kaartenboek antwoord?

Op welke vragen geeft dit digitale kaartenboek antwoord? Op welke vragen geeft dit digitale kaartenboek antwoord? Wie doet wat in de bekostiging, verstrekking, financiering en het pakketbeheer van specialistische en? Hoe kan een specialistisch worden bekostigd?

Nadere informatie

Zorginstituut Nederland

Zorginstituut Nederland > Retouradres Postbus 320, 1110 AH Diemen Algemene Rekenkamer t.a.v. drs. C.C.M. Vendrik, wnd voorzitter Lange Voorhout 8 Postbus 20015 2500 EA DEN HAAG Betreft 2740.2015036391 Reactie op het Conceptrapport

Nadere informatie

Algemeen APRIL 2009 04. Pakketadvies 2009. Preventie bij overgewicht en obesitas. Rapport: Preventie diabetes

Algemeen APRIL 2009 04. Pakketadvies 2009. Preventie bij overgewicht en obesitas. Rapport: Preventie diabetes APRIL 2009 04 Algemeen Pakketadvies 2009 Het CVZ heeft het Pakketadvies 2009 uitgebracht. Dit jaarlijkse advies is een bundeling van nieuwe en eerder uitgebrachte standpunten en adviezen over het basispakket

Nadere informatie

Juridische aspecten van behandel- en vergoedingsbeslissingen

Juridische aspecten van behandel- en vergoedingsbeslissingen Juridische aspecten van behandel- en vergoedingsbeslissingen NVTAG Symposium Juridische kaders van HTA 7 juni 2007 Koosje van Lessen Kloeke k.vanlessenkloeke@leijnseartz.com 1 Inleiding -Welke partijen

Nadere informatie

Toegang tot weesgeneesmiddelen en zorg

Toegang tot weesgeneesmiddelen en zorg Toegang tot weesgeneesmiddelen en zorg NFK Staat voor mensen geraakt door kanker Pauline Evers, beleidsmedewerker 15 november 2013 Nationaal plan En nu? DOEL-workshop Implementatie van het nationaal plan

Nadere informatie

Voorwaarden voor vergoeding

Voorwaarden voor vergoeding Voorwaarden voor vergoeding Introductie in de procedures voor de aanvraag van een DBC. Mr. Ron de Graaff 12 maart 2008 Vergoeding medische technologie Extramuraal (Regeling Hulpmiddelen) AWBZ gefinancierde

Nadere informatie

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Ons kenmerk Inlichtingen bij Doorkiesnummer Den Haag Onderwerp Bijlage(n) Uw brief Standpunt pakketbeheer en Pakketadvies

Nadere informatie

GENEESMIDDELEN Veel gestelde vragen en antwoorden. Augustus 2008

GENEESMIDDELEN Veel gestelde vragen en antwoorden. Augustus 2008 GENEESMIDDELEN Veel gestelde vragen en antwoorden Augustus 2008 Toelichting: De vragen zijn ingedeeld in drie onderdelen: -1- vergoedingen voor geneesmiddelen, -2- preferentiebeleid van zorgverzekeraars,

Nadere informatie

ACP 42 Vergadering Adviescommissie Pakket

ACP 42 Vergadering Adviescommissie Pakket College voor Eekholt 4 1112 XH Diemen Postbus 320 1110 AH Diemen www.cvz.nl info@cvz.nl ACP 42 Vergadering Adviescommissie T +31 (0)20 797 89 59 ACP 43-3 Vergaderdatum 8 november 2013 Vergaderplaats CVZ,

Nadere informatie

Preferentieonderzoek PakketAdviezen

Preferentieonderzoek PakketAdviezen Preferentieonderzoek PakketAdviezen De geschiktheid van drie waarderingsmethoden om de preferenties van verzekerden voor de samenstelling van de basisverzekering te meten A. Victoor (NIVEL) M.E. van den

Nadere informatie

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG. Datum 10 december 2012 Betreft Kamervragen. Geachte voorzitter,

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG. Datum 10 december 2012 Betreft Kamervragen. Geachte voorzitter, > Retouradres Postbus 20350 2500 EJ Den Haag De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Bezoekadres: Parnassusplein 5 2511 VX DEN HAAG T 070 340 79 11 F 070 340

Nadere informatie

Leidraad beoordelingen behandelingen tot verzekerde pakket door Kenniscentrum GGZ van Zorgverzekeraars Nederland

Leidraad beoordelingen behandelingen tot verzekerde pakket door Kenniscentrum GGZ van Zorgverzekeraars Nederland Leidraad beoordelingen behandelingen tot verzekerde pakket door Kenniscentrum GGZ van Zorgverzekeraars Nederland Mei 2014 Aanleiding Het CVZ beschrijft in het Rapport geneeskundige GGZ deel 2 de begrenzing

Nadere informatie

Aandachtspuntenlijst beoordeling modelpolissen

Aandachtspuntenlijst beoordeling modelpolissen Aandachtspuntenlijst beoordeling modelpolissen BAHA met Softband Een BAHA met softband valt onder de functiegerichte omschrijving van hulpmiddelen ter correctie van stoornissen in de hoorfunctie. Indien

Nadere informatie

2. De dieetadvisering die vergoed wordt op basis van dit standpunt over artikel 2.6 lid 7 Bzv, valt onder het verplichte eigen risico binnen de Zvw.

2. De dieetadvisering die vergoed wordt op basis van dit standpunt over artikel 2.6 lid 7 Bzv, valt onder het verplichte eigen risico binnen de Zvw. 2012095565 DE UITVOERING VAN ARTIKEL 2.6 lid 7 Bzv In het bijgevoegde standpunt legt CVZ artikel 2.6 lid 7 Bzv uit. Op 1 januari 2012 is de omschrijving van de prestatie 'dieetadvisering' in het Besluit

Nadere informatie

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG. Datum 9 maart 2015 Betreft Kamervragen. Geachte voorzitter,

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG. Datum 9 maart 2015 Betreft Kamervragen. Geachte voorzitter, > Retouradres Postbus 20350 2500 EJ Den Haag De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Bezoekadres: Rijnstraat 50 2515 XP DEN HAAG T 070 340 79 11 F 070 340 78

Nadere informatie

FAQ FNV 4 machtiging fysiotherapie/ oefentherapie versie 16-12-2014

FAQ FNV 4 machtiging fysiotherapie/ oefentherapie versie 16-12-2014 Vraag Is er sprake van een chronische aandoening die voorkomt op de lijst van chronische ziekten 2015 zoals deze door het Ministerie van VWS is opgesteld? Uw fysiotherapeut kan u aangeven of dit in 2015

Nadere informatie

2. Verklaringen conflicterende belangen De bijgevoegde verklaringen geven geen aanleiding tot opmerkingen over mogelijk conflicterende belangen.

2. Verklaringen conflicterende belangen De bijgevoegde verklaringen geven geen aanleiding tot opmerkingen over mogelijk conflicterende belangen. Verslag van ACP 38: Vergadering Adviescommissie Pakket CVZ d.d. 17 mei 2013 Leden: mw. prof. dr. I.D. de Beaufort dr. A. Boer (voorzitter) drs. M.C. Dekker mw. prof. dr. H.M. Dupuis mw. H.B.M. Grobbink

Nadere informatie

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG. Datum 10 maart 2015 Betreft Kamervragen. Geachte voorzitter,

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG. Datum 10 maart 2015 Betreft Kamervragen. Geachte voorzitter, > Retouradres Postbus 20350 2500 EJ Den Haag De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Bezoekadres: Rijnstraat 50 2515 XP DEN HAAG T 070 340 79 11 F 070 340 78

Nadere informatie

1. Uitstroom mondzorg achttien- tot tweeëntwintigjarigen

1. Uitstroom mondzorg achttien- tot tweeëntwintigjarigen Samenvatting In 1995 is de aanspraak op tandheelkundige hulp voor volwassen verzekerden beperkt. De beperking van de aanspraak op tandheelkundige hulp is doorgevoerd om daarmee de gewenste financiële verantwoordelijkheid

Nadere informatie

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG > Retouradres Postbus 20350 2500 EJ Den Haag De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Bezoekadres Rijnstraat 50 2515 XP Den Haag www.rijksoverheid.nl Bijlage(n)

Nadere informatie

Datum 1 oktober 2013 Betreft Advies over het concept wetsvoorstel Langdurige Intensieve Zorg

Datum 1 oktober 2013 Betreft Advies over het concept wetsvoorstel Langdurige Intensieve Zorg > Retouradres Postbus 320, 1110 AH Diemen Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport t.a.v. de heer Van Rijn Postbus 203 50 2500 EJ DEN HAAG 0530.2013118287 College voor zorgverzekeringen Pakket

Nadere informatie

Bekostiging van dure geneesmiddelen (incl. off-label gebruik)

Bekostiging van dure geneesmiddelen (incl. off-label gebruik) Bekostiging van dure geneesmiddelen (incl. off-label gebruik) Ingrid van der Eijk Market Access Manager NIA Symposium, 27 maart 2014 Takeda Nederland bv Vergoeding van dure geneesmiddelen hoe werkt dat?

Nadere informatie

ANONIEM BINDEND ADVIES

ANONIEM BINDEND ADVIES ANONIEM BINDEND ADVIES Partijen : A te B, in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige dochter vs. C te D Zaak : geneesmiddelen (Melatonine) Zaaknummer : ANO06.88 Zittingsdatum

Nadere informatie

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG. Datum 2 februari 2015 Betreft Kamervragen. Geachte voorzitter,

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG. Datum 2 februari 2015 Betreft Kamervragen. Geachte voorzitter, > Retouradres Postbus 20350 2500 EJ Den Haag De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Bezoekadres: Rijnstraat 50 2515 XP DEN HAAG T 070 340 79 11 F 070 340 78

Nadere informatie

In dit reglement staat beschreven wat de opdracht van de adviescommissie is, hoe de commissie is samengesteld en welke werkwijze ze hanteert.

In dit reglement staat beschreven wat de opdracht van de adviescommissie is, hoe de commissie is samengesteld en welke werkwijze ze hanteert. Reglement adviescommissie add-on Geneesmiddelen Versie 1.0: 20 november 2014 1. Inleiding De Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra (NFU), Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ),

Nadere informatie

BELEIDSREGEL BR/CU-7073

BELEIDSREGEL BR/CU-7073 BELEIDSREGEL Stoppen-met-rokenprogramma Ingevolge artikel 57, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels

Nadere informatie

BELEIDSREGEL BR/CU-2017

BELEIDSREGEL BR/CU-2017 BELEIDSREGEL BR/CU-2017 Dure Geneesmiddelen Ingevolge artikel 57, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels

Nadere informatie

heeft krachtens de paragrafen 2 en 4 van hoofdstuk 4 van de Wmg

heeft krachtens de paragrafen 2 en 4 van hoofdstuk 4 van de Wmg PRESTATIEBESCHRIJVINGBESCHIKKING Nummer Datum ingang Datum beschikking Datum verzending 1 januari 2011 21 december 2010 21 december 2010 Volgnr. Geldig tot Behandeld door 4 directie Zorgmarkten Cure De

Nadere informatie

College voor Zorgverzekeringen t.a.v. de Weledelgeleerde Vrouwe drs. A.J. Link Postbus 320 1110 H DIEMEN augustus 2010

College voor Zorgverzekeringen t.a.v. de Weledelgeleerde Vrouwe drs. A.J. Link Postbus 320 1110 H DIEMEN augustus 2010 College voor Zorgverzekeringen t.a.v. de Weledelgeleerde Vrouwe drs. A.J. Link Postbus 320 1110 H DIEMEN augustus 2010 Geachte mevrouw Link, Betreft: systeemadvies functiegerichte omschrijving van uitwendige

Nadere informatie

Aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Postbus 20350 2500 EJ DEN HAAG. Datum 13 maart 2015 GVS rapport 15/04 dulaglutide (Trulicity )

Aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Postbus 20350 2500 EJ DEN HAAG. Datum 13 maart 2015 GVS rapport 15/04 dulaglutide (Trulicity ) > Retouradres Postbus 320, 1110 AH Diemen Aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Postbus 20350 2500 EJ DEN HAAG 0530.2015030019 Zorginstituut Nederland Pakket Eekholt 4 1112 XH Diemen Postbus

Nadere informatie

Dure of waardevolle geneesmiddelen? Waar maken we ons druk over?

Dure of waardevolle geneesmiddelen? Waar maken we ons druk over? Dure of waardevolle geneesmiddelen? Waar maken we ons druk over? Joris Uges Haga Ambassade 8-september 2015 waardecreatie in de zorg 2 Uit onderzoek blijkt dat de lancering van nieuwe geneesmiddelen tussen

Nadere informatie

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. STAATSCOURANT Nr. Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. 842 24 november 2008 Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 november 2008, nr. Z/VU-2890148,

Nadere informatie

Hierbij zend ik u de antwoorden op de vragen van de Kamerleden Leijten (SP) en Van Gerven (SP) over de nieuwe zorgverzekeraar Anno12 (2014Z16670).

Hierbij zend ik u de antwoorden op de vragen van de Kamerleden Leijten (SP) en Van Gerven (SP) over de nieuwe zorgverzekeraar Anno12 (2014Z16670). > Retouradres Postbus 20350 2500 EJ Den Haag De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Bezoekadres: Rijnstraat 50 2515 XP DEN HAAG T 070 340 79 11 F 070 340 78

Nadere informatie

Is een aanvullende verzekering nog wel voor iedereen weggelegd? Marloes van Dijk, Anne Brabers, Margreet Reitsma en Judith de Jong

Is een aanvullende verzekering nog wel voor iedereen weggelegd? Marloes van Dijk, Anne Brabers, Margreet Reitsma en Judith de Jong Dit factsheet is een uitgave van het NIVEL. De gegevens mogen met bronvermelding (Marloes van Dijk, Anne Brabers, Margreet Reitsma en Judith de Jong. Is een aanvullende verzekering nog wel voor iedereen

Nadere informatie

Compensatie eigen risico is nog onbekend

Compensatie eigen risico is nog onbekend Deze factsheet is een uitgave van het NIVEL. De gegevens mogen met bronvermelding (M. Reitsma-van Rooijen, J. de Jong. Compensatie eigen risico is nog onbekend Utrecht: NIVEL, 2009) worden gebruikt. U

Nadere informatie

B&W 30 maart 2010 Gemeenteblad. Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn nr. B155 Fysiotherapie en oefentherapie

B&W 30 maart 2010 Gemeenteblad. Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn nr. B155 Fysiotherapie en oefentherapie Jaar: 2010 Nummer: 47 Besluit: B&W 30 maart 2010 Gemeenteblad GEWIJZIGDE RICHTLIJN NR. B155 FYSIOTHERAPIE EN OEFENTHERAPIE Het college van burgemeester en wethouders, Collegevoorstel 30 maart 2010, nummer

Nadere informatie

Rolstoelen AWBZ Gevolgen van artikel 15 BZA-AWBZ

Rolstoelen AWBZ Gevolgen van artikel 15 BZA-AWBZ Onderzoeksrapport Rolstoelen AWBZ Gevolgen van artikel 15 BZA-AWBZ Op 19 juni 2006 uitgebracht aan het hoofd van de afdeling Geschillen van het College voor zorgverzekeringen Uitgave College voor zorgverzekeringen

Nadere informatie

Aanvraag MRI door een huisarts in de Zorgverzekeringswet

Aanvraag MRI door een huisarts in de Zorgverzekeringswet Onderwerp: Samenvatting: Aanvraag voor een MRI door een huisarts in voorgeschreven situaties is zorg zoals huisartsen plegen te bieden Indien een MRI wordt aangevraagd door een huisarts voor indicaties

Nadere informatie

over schadejaar 2006 zal hebben gepubliceerd.

over schadejaar 2006 zal hebben gepubliceerd. MEMO 23 februari 2009 Inleiding In diverse overleggen tussen de accountantskantoren werkzaam in de sector zorgverzekeringen is aan de orde geweest in hoeverre voor 2008 de accountants door middel van opname

Nadere informatie

Aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Postbus 20350 2500 EJ s GRAVENHAGE

Aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Postbus 20350 2500 EJ s GRAVENHAGE > Retouradres Postbus 320, 1110 AH Diemen Aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Postbus 20350 2500 EJ s GRAVENHAGE 2731.2013089824 Zorginstituut Nederland Pakket Eekholt 4 1112 XH Diemen

Nadere informatie

website www.nvmetc.nl

website www.nvmetc.nl Verslag NVMETC secretarissenoverleg 19 juni 2014 1. Opening en vaststelling agenda Dhr. Davids geeft aan, dat een belangrijke reden van dit secretarissenoverleg is, dat we van elkaar horen wat er speelt

Nadere informatie

De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG. Datum 30 juni 2011 Betreft Kamervragen. Geachte voorzitter,

De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG. Datum 30 juni 2011 Betreft Kamervragen. Geachte voorzitter, > Retouradres Postbus 20350 2500 EH Den Haag De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Bezoekadres: Parnassusplein 5 2511 VX Den Haag www.rijksoverheid.nl Bijlage(n)

Nadere informatie

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG > Retouradres Postbus 20350 2500 EJ Den Haag De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Bezoekadres Parnassusplein 5 2511 VX Den Haag www.rijksoverheid.nl Bijlage(n)

Nadere informatie

Referentie: 2014042238. Regeling ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling bij commissies van Zorginstituut Nederland

Referentie: 2014042238. Regeling ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling bij commissies van Zorginstituut Nederland Referentie: 2014042238 Regeling ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling bij commissies van Zorginstituut Nederland De Raad van Bestuur van Zorginstituut Nederland, gelet

Nadere informatie

VERSLAG MR VERGADERING

VERSLAG MR VERGADERING VERSLAG MR VERGADERING Datum: 22 september 2015 Aanwezig: Afwezig: Verslag: (P) Annemieke, Annick, Astrid, Saskia (O) Edwin, Lizzy, Michel, Harm, Gabor. (D) Adriana, Madelon. Ellen (met kennisgeving) Edwin

Nadere informatie

> Retouradres Postbus 20350 2500 EJ Den Haag. De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG

> Retouradres Postbus 20350 2500 EJ Den Haag. De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG > Retouradres Postbus 20350 2500 EJ Den Haag De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Bezoekadres: Parnassusplein 5 2511 VX DEN HAAG T 070 340 79 11 F 070 340

Nadere informatie

heeft krachtens de paragrafen 2 en 4 van hoofdstuk 4 van de Wmg

heeft krachtens de paragrafen 2 en 4 van hoofdstuk 4 van de Wmg PRESTATIEBESCHRIJVINGBESCHIKKING Nummer Datum ingang Datum beschikking Datum verzending 6300-1900-10-1 1 januari 2010 14 december 2009 15 december 2009 Volgnr. Geldig tot Behandeld door 3 directie Zorgmarkten

Nadere informatie

Inzicht in zorgrekeningen door verzekerden: stand van zaken 2013. Anne E.M. Brabers, Margreet Reitsma-van Rooijen en Judith D.

Inzicht in zorgrekeningen door verzekerden: stand van zaken 2013. Anne E.M. Brabers, Margreet Reitsma-van Rooijen en Judith D. Dit factsheet is een uitgave van het NIVEL. De gegevens mogen met bronvermelding (Anne E.M. Brabers, Margreet Reitsma-van Rooijen en Judith D. de Jong. Inzicht in zorgrekeningen door verzekerden: stand

Nadere informatie

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG. Datum 24 oktober 2013 Betreft Kamervragen. Geachte voorzitter,

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG. Datum 24 oktober 2013 Betreft Kamervragen. Geachte voorzitter, > Retouradres Postbus 20350 2500 EJ Den Haag De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 2008 2500 EA DEN HAAG Bezoekadres: Rijnstraat 50 255 XP DEN HAAG T 070 340 79 F 070 340 78 34

Nadere informatie

BELEIDSREGEL CV-6300-4.0.1.-3

BELEIDSREGEL CV-6300-4.0.1.-3 BELEIDSREGEL Tarief en prestatiebeschrijvingen voor eerstelijns psychologische zorg Gelet op het bepaalde in artikel 57 van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) heeft de NZa besloten de volgende

Nadere informatie

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG. Datum 23 juni 2015 Betreft Kamervragen. Geachte voorzitter,

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG. Datum 23 juni 2015 Betreft Kamervragen. Geachte voorzitter, > Retouradres Postbus 20350 2500 EJ Den Haag De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Bezoekadres: Parnassusplein 5 2511 VX Den Haag T 070 340 79 11 F 070 340

Nadere informatie

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG > Retouradres Postbus 20350 2500 EJ Den Haag De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Bezoekadres: Rijnstraat 50 2515 XP Den Haag www.rijksoverheid.nl Bijlage(n)

Nadere informatie

biosimilars Biologische geneesmiddelen en biosimilars Vereniging Biotechnologische Farmaceutische Industrie

biosimilars Biologische geneesmiddelen en biosimilars Vereniging Biotechnologische Farmaceutische Industrie biosimilars Biologische geneesmiddelen en biosimilars Vereniging Biotechnologische Farmaceutische Industrie Inhoud 5 Woord vooraf 7 Biologische geneesmiddelen en biosimilars; hoe moeten we ermee omgaan?

Nadere informatie

Basiszorg verzekerd?

Basiszorg verzekerd? Rapport Basiszorg verzekerd? Signalement verzekerde prestaties Zorgverzekeringswet versus aanspraken Ziekenfondswet Op 8 september 2005 uitgebracht aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Nadere informatie

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG. Datum 27 juni 2013 Betreft Kamervragen. Geachte voorzitter,

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG. Datum 27 juni 2013 Betreft Kamervragen. Geachte voorzitter, > Retouradres Postbus 20350 2500 EJ Den Haag De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Bezoekadres: Rijnstraat 50 2515 XP Den Haag www.rijksoverheid.nl Ons kenmerk

Nadere informatie

Reglement Farmaceutische zorg BeterDichtbij 2015. 1. Algemeen

Reglement Farmaceutische zorg BeterDichtbij 2015. 1. Algemeen Reglement Farmaceutische zorg BeterDichtbij 2015 1. Algemeen Dit Reglement is een uitwerking van de modelovereenkomst van de Zorgverzekering BeterDichtbij welke weer een uitwerking is van het Besluit zorgverzekering

Nadere informatie

Reglement Geestelijke gezondheidszorg (GGZ)

Reglement Geestelijke gezondheidszorg (GGZ) Reglement Geestelijke gezondheidszorg (GGZ) geldig vanaf 1 januari 2016 575.774.000.000.1550 Pagina 1 van 10 INHOUDSOPGAVE INHOUDSOPGAVE...2 Reglement GGZ 2016...3 1.1. Het Reglement Geestelijke gezondheidszorg

Nadere informatie

Verslag. Klankbordgroep honorariumtarieven DOT 2012 Datum: 19 september 2011. Tijd: 19.00 uur Locatie: NZa

Verslag. Klankbordgroep honorariumtarieven DOT 2012 Datum: 19 september 2011. Tijd: 19.00 uur Locatie: NZa Verslag Klankbordgroep honorariumtarieven DOT 2012 Datum: 19 september 2011 Tijd: 19.00 uur Locatie: NZa Opening Voorzitter de heer Noorlag van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) opent de vergadering

Nadere informatie

ACP 32/5 + 9 bijlagen Agendapunt 4

ACP 32/5 + 9 bijlagen Agendapunt 4 ACP 32/5 + 9 bijlagen Agendapunt 4 2012052446 ACP- juni 2012 Agendapunt 4 Titel advies: Advies ranibizumab (Lucentis ) bij de indicatie neovasculaire leeftijdsgebonden maculadegeneratie Projectleider CVZ

Nadere informatie

Driehoek Arts, Patiënt, Verzekeraar: Het geld of de behandeling? mr. drs. Nicole U.N. Kien, advocaat-partner KienLegal B.V.

Driehoek Arts, Patiënt, Verzekeraar: Het geld of de behandeling? mr. drs. Nicole U.N. Kien, advocaat-partner KienLegal B.V. Driehoek Arts, Patiënt, Verzekeraar: Het geld of de behandeling? mr. drs. Nicole U.N. Kien, advocaat-partner KienLegal B.V. 19 maart 2015 mr. drs. Nicole U.N. Kien Beëdigd als advocaat sinds 1993 Pels

Nadere informatie

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG. Datum 10 juli 2015 Betreft Kamervragen. Geachte voorzitter,

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG. Datum 10 juli 2015 Betreft Kamervragen. Geachte voorzitter, > Retouradres Postbus 20350 2500 EJ Den Haag De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Bezoekadres: Parnassusplein 5 2511 VX Den Haag T 070 340 79 11 F 070 340

Nadere informatie

Transparantie-eisen aan apotheken

Transparantie-eisen aan apotheken Transparantie-eisen aan apotheken Toelichting bij de verplichte informatieverstrekking door apotheken aan consumenten Juni 2013 2 Inhoud 1. Vooraf 5 2. Transparantie-eisen voor apotheken en zorgverzekeraars

Nadere informatie

Uitgebreid bloed- of fecesonderzoek bij maagklachten, gericht op voedselallergie is geen te verzekeren prestatie

Uitgebreid bloed- of fecesonderzoek bij maagklachten, gericht op voedselallergie is geen te verzekeren prestatie Onderwerp: Uitgebreid bloed- of fecesonderzoek bij maagklachten, gericht op voedselallergie is geen te verzekeren prestatie Samenvatting: Soort uitspraak: Datum: 28 februari 2007 Uitgebracht aan: De vraag

Nadere informatie

Evaluatie aspecten verplicht eigen risico 2012 en 2013

Evaluatie aspecten verplicht eigen risico 2012 en 2013 Rapportage Evaluatie aspecten verplicht eigen risico 2012 en 2013 - Betalingsregelingen eigen risico Zvw - Sturing met eigen risico 13 mei 2014 Rapport evaluatie aspecten verplicht eigen risico 2012 en

Nadere informatie

BELEIDSREGEL AL/BR-0021

BELEIDSREGEL AL/BR-0021 BELEIDSREGEL Verpleging in de thuissituatie, noodzakelijk in verband met medisch specialistische zorg Ingevolge artikel 57, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg

Nadere informatie

ANONIEM BINDEND ADVIES

ANONIEM BINDEND ADVIES ANONIEM BINDEND ADVIES Partijen : A te B, in deze vertegenwoordigd door C te D vs E te F Zaak : Geneeskundige zorg, medisch specialistische zorg, MoM heupprothese, buitenland Zaaknummer : ANO07.202 Zittingsdatum

Nadere informatie

Behandeld door Telefoonnummer E-mailadres Kenmerk l 129240/186658. Uw verzoek tot ingrijpen in de markt voor diabeteshulpmiddelen 1 juli 2015

Behandeld door Telefoonnummer E-mailadres Kenmerk l 129240/186658. Uw verzoek tot ingrijpen in de markt voor diabeteshulpmiddelen 1 juli 2015 Diabetesvereniging Nederland T.a.v. Postbus 470 3830 AM LEUSDEN Newtonlaan 1-41 3584 BX Utrecht Postbus 3017 3502 GA Utrecht T 030 296 81 11 F 030 296 82 96 E info@nza.nl I www.nza.nl Behandeld door

Nadere informatie

Nieuwsbrief Verzekerdenpanel Februari 2010

Nieuwsbrief Verzekerdenpanel Februari 2010 Nieuwsbrief Verzekerdenpanel Februari 2010 Beste Panelleden, Het is alweer even geleden dat u nieuws van ons hebt ontvangen. In 2009 hebben we weer een aantal interessante onderzoeken over de zorg en uw

Nadere informatie

Er blijft gezondheidswinst liggen doordat vaccins onvoldoende benut worden

Er blijft gezondheidswinst liggen doordat vaccins onvoldoende benut worden Samenvatting Er blijft gezondheidswinst liggen doordat vaccins onvoldoende benut worden Nieuwe biotechnologische methoden, met name DNA-technieken, hebben de vaccinontwikkeling verbeterd en versneld. Met

Nadere informatie

Zorgovereenkomst Ambulante GGZ zorg in het kader van de Zorgverzekeringswet: Volwassenenzorg

Zorgovereenkomst Ambulante GGZ zorg in het kader van de Zorgverzekeringswet: Volwassenenzorg Zorgovereenkomst Ambulante GGZ zorg in het kader van de Zorgverzekeringswet: Volwassenenzorg Geachte cliënt, U heeft een eerste gesprek bij het Cognito Praktijk/Virenze. Afhankelijk van uw klachten vindt

Nadere informatie

Geachte leden van de Vaste Commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Geachte leden van de Vaste Commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Sparrenheuvel 16 Postbus 520 3700 AM ZEIST Telefoon (030) 698 89 11 Telefax (030) 698 83 33 E-mail info@zn.nl Contactpersoon Doorkiesnummer

Nadere informatie

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG. Datum 26 mei 2015 Betreft Kamervragen. Geachte Voorzitter,

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG. Datum 26 mei 2015 Betreft Kamervragen. Geachte Voorzitter, > Retouradres Postbus 20350 2500 EJ Den Haag De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 2008 2500 EA DEN HAAG Bezoekadres: Rijnstraat 50 255 XP DEN HAAG T 070 340 79 F 070 340 78 34

Nadere informatie

Betreft : Aanspraak Wijkverpleging in de Zorgverzekeringswet (Zvw)

Betreft : Aanspraak Wijkverpleging in de Zorgverzekeringswet (Zvw) N O T I T I E Aan : Leden IVVU Van : Kees Weevers Betreft : Aanspraak Wijkverpleging in de Zorgverzekeringswet (Zvw) Datum : 13 oktober 2014 Op 4 maart 2014 hebben minister Schippers en staatssecretaris

Nadere informatie

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG. Datum 30 november 2015 Betreft Kamervragen. Geachte voorzitter,

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG. Datum 30 november 2015 Betreft Kamervragen. Geachte voorzitter, > Retouradres Postbus 20350 2500 EJ Den Haag De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Bezoekadres: Parnassusplein 5 2511 VX Den Haag T 070 340 79 11 F 070 340

Nadere informatie

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Postbus 20350 2500 EJ DEN HAAG. Advisering Besluit langdurige zorg.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Postbus 20350 2500 EJ DEN HAAG. Advisering Besluit langdurige zorg. POSTADRES Postbus 93374, 2509 AJ Den Haag BEZOEKADRES Juliana van Stolberglaan 4-10 TEL 070-88 88 500 FAX 070-88 88 501 INTERNET www.cbpweb.nl www.mijnprivacy.nl AAN De Staatssecretaris van Volksgezondheid,

Nadere informatie

Kwaliteit begrotingsprogramma's Gemeente Dordrecht Bijlage 1

Kwaliteit begrotingsprogramma's Gemeente Dordrecht Bijlage 1 Kwaliteit begrotingsprogramma's Gemeente Dordrecht Bijlage 1 Beoordelingskader, ofwel hoe wij gekeken en geoordeeld hebben Inhoudsopgave 1 Inleiding 2 2 Uitgangspunten 2 3 Beoordelingscriteria 3 4 Hoe

Nadere informatie

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG. Datum 8 maart 2016 Betreft Kamervragen. Geachte voorzitter,

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG. Datum 8 maart 2016 Betreft Kamervragen. Geachte voorzitter, > Retouradres Postbus 20350 2500 EJ Den Haag De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 2008 2500 EA DEN HAAG Bezoekadres: Parnassusplein 5 25 VX Den Haag T 070 340 79 F 070 340 78 34

Nadere informatie

Colofon 1 1. 5 5 5 2. 7 7 7 8 3. 11 11 12 13 13 13 15 17 1. 2. 3. - - - - Passage uit het verslag van de WAR-CG vergadering van 28 juli 2014 over febuxostat (Adenuric

Nadere informatie

In te stemmen met bijgevoegde raadsinformatiebrief en met toezending hiervan aan de raad.

In te stemmen met bijgevoegde raadsinformatiebrief en met toezending hiervan aan de raad. VOORSTEL AAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS & RAADSINFORMATIEBRIEF Van: C.P.G. Kraan Tel nr: 06 8333 8358 Nummer: 15A.00667 Datum: 7 juli 2015 Team: Onderwijs, Welzijn en Zorg Tekenstukken: Ja Bijlagen: 1

Nadere informatie

BELEIDSREGEL BR/CU-5094

BELEIDSREGEL BR/CU-5094 BELEIDSREGEL Dyslexiezorg Ingevolge artikel 57, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking

Nadere informatie

Behandeld door Telefoonnummer E-mailadres Kenmerk SBES/djon/GGZ 088 770 8770 vragencure@nza.nl 0146749/0204428

Behandeld door Telefoonnummer E-mailadres Kenmerk SBES/djon/GGZ 088 770 8770 vragencure@nza.nl 0146749/0204428 Aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport T.a.v. mevrouw drs. E.I. Schippers Postbus 20350 2500 EJ 'S-GRAVENHAGE Newtonlaan 1-41 3584 BX Utrecht Postbus 3017 3502 GA Utrecht T 030 296 81 11

Nadere informatie

Inhoudelijke veranderingen per 28 juli 2014 in de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ van het ministerie van VWS en de CIZ Indicatiewijzer

Inhoudelijke veranderingen per 28 juli 2014 in de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ van het ministerie van VWS en de CIZ Indicatiewijzer Hoofdkantoor Princenhof Park 3 3972 NG Driebergen Postbus 232 3970 AE Driebergen T 030-751 80 00 F 030-751 80 01 E info@ciz.nl www.ciz.nl Inhoudelijke veranderingen per 28 juli 2014 in de Beleidsregels

Nadere informatie

Zorgen over de voorgenomen overheveling van het kortdurend eerstelijnsverblijf naar de Zvw per 2017.

Zorgen over de voorgenomen overheveling van het kortdurend eerstelijnsverblijf naar de Zvw per 2017. Ministerie van VWS Mevrouw drs. E.I. Schippers Postbus 20350 2500 EJ 'S-GRAVENHAGE Sparrenheuvel 16 Postbus 520 3700 AM ZEIST Telefoon (030) 698 89 11 Telefax (030) 698 83 33 E-mail info@zn.nl Contactpersoon

Nadere informatie

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG. Datum 29 mei 2012 Betreft Kamervragen. Geachte voorzitter,

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG. Datum 29 mei 2012 Betreft Kamervragen. Geachte voorzitter, > Retouradres Postbus 20350 2500 EJ Den Haag De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Bezoekadres: Parnassusplein 5 2511 VX DEN HAAG T 070 340 79 11 F 070 340

Nadere informatie

Passages uit de notulen van de WAR-CG vergaderingen Product: Fycompa Besproken op: 28 oktober 2013 en 16 december 2013 Eerste bespreking 28 oktober 2013 perampanel (Fycompa ) Inleiding Het betreft de eerste

Nadere informatie

! Introduc)e Project. 5 maart 2015

! Introduc)e Project. 5 maart 2015 Introduc)e Project 1 Betrokkenen verstrekking OST Cliënt / pa1ënt - > probleem + behoe9e Behandelaar medicus - > indiceerder Orthopedisch schoentechnicus - > leverancier Zorgverzekeraar - > betaler, contractgever

Nadere informatie

Het voorkomen van geneesmiddel gerelateerde problemen bij oudere patiënten met polyfarmacie ontslagen uit het ziekenhuis

Het voorkomen van geneesmiddel gerelateerde problemen bij oudere patiënten met polyfarmacie ontslagen uit het ziekenhuis Samenvatting Het voorkomen van geneesmiddel gerelateerde problemen bij oudere patiënten met polyfarmacie ontslagen uit het ziekenhuis Hoofdstuk 1 bevat de algemene inleiding van dit proefschrift. Dit hoofdstuk

Nadere informatie

ACP 43 Vergadering Adviescommissie Pakket

ACP 43 Vergadering Adviescommissie Pakket Eekholt 4 1112 XH Diemen Postbus 320 1110 AH Diemen www.cvz.nl info@cvz.nl ACP 43 Vergadering Adviescommissie T +31 (0)20 797 89 59 Vergaderdatum 6 december 2013 Vergaderplaats CVZ, Diemen Aanwezig Bert

Nadere informatie

De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG. Datum 1 juni 2011 Betreft hulpmiddelen beter geregeld

De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG. Datum 1 juni 2011 Betreft hulpmiddelen beter geregeld > Retouradres Postbus 20350 2500 EJ Den Haag De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Bezoekadres: Parnassusplein 5 2511 VX Den Haag www.rijksoverheid.nl Bijlage(n)

Nadere informatie

Toezicht op de toegankelijkheid en kwaliteit van de veteranenzorg met behulp van de CQ-index

Toezicht op de toegankelijkheid en kwaliteit van de veteranenzorg met behulp van de CQ-index 110309.08/03 Toezicht op de toegankelijkheid en kwaliteit van de veteranenzorg met behulp van de CQ-index Inleiding In oktober 2007 is het Landelijk Zorgsysteem Veteranen (LZV) van start gegaan. Het LZV

Nadere informatie

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG > Retouradres Postbus 20350 2500 EJ Den Haag De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Bezoekadres Parnassusplein 5 2511 VX Den Haag www.rijksoverheid.nl Correspondentie

Nadere informatie

ANONIEM BINDEND ADVIES

ANONIEM BINDEND ADVIES ANONIEM BINDEND ADVIES Partijen : A te B tegen C te D Zaak : EU/EER, geneeskundige zorg, IVF met eiceldonatie, leeftijd wensmoeder, indicatie Zaaknummer : 2010.01458 Zittingsdatum : 11 mei 2011 1/6 Geschillencommissie

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2012 2013 Aanhangsel van de Handelingen Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden 2327 Vragen van het lid

Nadere informatie

Verzekeringsvoorwaarden 2014 inzake fysiotherapie, voor zover relevant

Verzekeringsvoorwaarden 2014 inzake fysiotherapie, voor zover relevant Bijlage 2 Verzekeringsvoorwaarden 2014 inzake fysiotherapie, voor zover relevant Basisverzekering: -Alles Verzorgd Polis. Dit is een naturapolis voor heel Nederland. -Online Verzorgd Polis. Dit is een

Nadere informatie

1 van 13. WTCG Handreiking voor (kader)leden. PCOB Zwolle, oktober 2010

1 van 13. WTCG Handreiking voor (kader)leden. PCOB Zwolle, oktober 2010 WTCG Handreiking voor (kader)leden PCOB Zwolle, oktober 2010 Inhoud Pagina 1. Wat is de Wtcg? 2 2. Wie komt in aanmerking voor de algemene tegemoetkoming? 3 3. Hoe hoog is de algemene tegemoetkoming? 4

Nadere informatie

Van goede zorg verzekerd

Van goede zorg verzekerd Van goede zorg verzekerd Hoe Zorginstituut Nederland adviseert over de inhoud van het basispakket Van goede zorg verzekerd 2 Van goede zorg verzekerd Van goede zorg verzekerd 3 Van goede zorg verzekerd

Nadere informatie