Ontslagvergoedingen - De nieuwe CRvB-formule

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Ontslagvergoedingen - De nieuwe CRvB-formule"

Transcriptie

1 Ontslagvergoedingen - De nieuwe CRvB-formule Magna Charta is een onderdeel van de Academie voor de Rechtspraktijk Jaargang

2 W E B I N A R S HOOGLERAREN De Academie voor de Rechtspraktijk heeft onder de naam Magna Charta Webinars 30 hoogleraren bereid gevonden webinars te verzorgen op de verschillende rechtsgebieden. Prof. mr. B.J. van Ettekoven, senior rechter Rechtbank Utrecht en hoogleraar Bestuursrecht Universiteit van Amsterdam Prof. mr. dr. I.N. Tzankova, bijzonder hoogleraar Comparative mass litigation Universiteit van Tilburg, advocaat BarentsKrans N.V. en mr. C.M. Verhage, advocaat BarentsKrans N.V. Prof. mr. G.T.M.J. Raaijmakers, hoogleraar Ondernemings- en Effectenrecht Vrije Universiteit Amsterdam, advocaat NautaDutilh N.V. Prof. mr. F.T. Oldenhuis, universitair hoofddocent aan de vakgroep Privaatrecht en Notarieel Recht van de Rijksuniversiteit Groningen Prof. mr. F.W.J.M. Schols, hoogleraar Privaatrecht, in het bijzonder notarieel recht, Radboud Universiteit Nijmegen, estate planner Prof. dr. M.B.M. Loos, hoogleraar Privaatrecht Universiteit van Amsterdam Prof. mr. J.G.J. Rinkes, hoogleraar Privaatrecht Open Universiteit, bijzonder hoogleraar Europees Consumentenrecht Universiteit Maastricht, raadsheer-plaatsvervanger Hof Arnhem, rechter-plaatsvervanger Rechtbank Rotterdam, adviseur Paulussen advocaten Prof. mr. M.M. van Rossum, hoofd Wetenschappelijk Bureau Deterink Advocaten en Notarissen, bijzonder hoogleraar Privaatrecht Open Universiteit Heerlen Prof. mr. M.E. Koppenol-Laforce, hoogleraar Faculteit Rechtsgeleerdheid, Instituut voor Privaatrecht, Ondernemingsrecht, Universiteit Leiden, advocaat Houthoff Buruma Prof. mr. drs. M.L. Hendrikse, bijzonder hoogleraar Handelsrecht en Verzekeringsrecht Open Universiteit (JPR advocatenleerstoel), directeur UvA Amsterdam Centre for Insurance Studies (ACIS), opleidingsdirecteur Master Verzekeringskunde UvA Amsterdam Business School, universitair hoofddocent Privaatrecht Universiteit van Amsterdam, rechterplaatsvervanger Rechtbank Utrecht, lid geschillencommissie Kifid (verzekeringskamer) Prof. mr. G.C.C. Lewin, bijzonder hoogleraar Bijzondere aspecten van het Privaatrecht Universiteit van Amsterdam, raadsheer Hof Amsterdam Prof. mr. CH. E.F.M. Gielen, hoogleraar Intellectueel Eigendomsrecht Universiteit van Groningen, advocaat NautaDutilh N.V. Prof. mr. A.H.N. Stollenwerck, hoogleraar Notarieel en Fiscaal Recht Vrije Universiteit Amsterdam, raadsheerplaatsvervanger Hof Den Bosch Prof. mr. C.A. Schwarz, hoogleraar Handels- en Ondernemingsrecht Universiteit Maastricht Prof. mr. J.M. Hebly, hoogleraar Bouw- en Aanbestedingsrecht Universiteit Leiden, advocaat Houthoff Buruma Prof. mr. G.K. Sluiter, hoogleraar Internationaal Strafrecht Universiteit van Amsterdam, advocaat Böhler Advocaten Prof. mr. M.W. Scheltema, hoogleraar Enforcement issues in Private Law Erasmus Universiteit Rotterdam, advocaat Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V. Prof. mr. P. Vlaardingerbroek, hoogleraar Familie- en Personenrecht Universiteit Tilburg, raadsheer-plaatsvervanger Hof Den Bosch, rechter-plaatsvervanger Rechtbank Rotterdam Prof. W.H. van Boom, hoogleraar Privaatrecht Erasmus School of Law, Erasmus Universiteit Rotterdam Prof. mr. dr. G.J. Zwenne, professor Faculteit Rechtsgeleerdheid, Instituut voor Metajuridica, Universiteit Leiden, advocaat Bird & Bird LLP Prof. dr. S. Perrick, bijzonder hoogleraar Universiteit van Amsterdam, advocaat Spinath & Wakkie Prof. dr. K.F. Haak, hoogleraar Handelsrecht Erasmus Universiteit Rotterdam, rechter-plaatsvervanger Hof Arnhem Prof. W.D. Kolkman, hoogleraar Privaatrecht Rijksuniversiteit Groningen, raadsheer-plaatsvervanger Hof Arnhem Prof. mr. dr. M.G.C.M. Peeters, bijzonder hoogleraar Derivatenrecht Universiteit van Amsterdam, advocaat NautaDutilh N.V. Prof. mr. E.P.M. Vermeulen, hoogleraar Business & Financial Law Universiteit van Tilburg Prof. mr. dr. W. Burgerhart, hoogleraar Rijksuniversiteit Groningen, estate planner Prof. mr. dr. M. Heemskerk, bijzonder hoogleraar Pensioenrecht Radboud Universiteiten Nijmegen, advocaat Onno F. Blom Advocaten Prof. dr. H.B. Winter, bijzonder hoogleraar Toezicht Rijksuniversiteit Groningen Prof. mr. B. Barentsen, bijzonder hoogleraar Albeda leerstoel Universiteiten Leiden Prof. mr. dr. R.F.H. Mertens, bijzonder hoogleraar Zakelijke Rechten Open Universiteit Heerlen, advocaat Paulussen Advocaten Klik hier voor meer informatie Magna Charta is onderdeel van de Academie voor de Rechtspraktijk Postbus LH Utrecht T F E

3 Inhoudsopgave Sprekers Mr. J.J. Blanken, advocaat Capra Advocaten Mr. P.R.M. Berends-Schellens, advocaat Capra Advocaten CRvb d.d. 10 juli 1997, LJN: ZB7062 p. 4 CRvb d.d. 8 januari 2009, LJN: BG8844 p. 9 CRvb d.d. 7 oktober 2010, LJN: BO1803 p. 18 CRvb d.d. 29 oktober 2009, LJN: BK2509 p. 23 CRvb d.d. 9 december 2010, LJN: BO8173 p. 28 CRvb d.d. 10 maart 2011, LJN: BP7874 p. 32 Rechtbank Amsterdam d.d. 22 juni 2011, LJN: BR0604 p. 35 CRvb d.d. 28 februari 2013, LJN: BZ2044 p. 42 CRvb d.d. 28 februari 2013, LJN: BZ2043 p. 48 CRvb d.d. 2 augustus 2012, LJN: BX3521 p. 53 CRvb d.d. 14 februari 2013, LJN: BZ1337 p. 57 Mr. J.J. Blanken advocaat Capra Advocaten Mr. P.R.M. Berends-Schellens Advocaat Capra Advocaten

4 Deze uitspraak is niet gepubliceerd op Rechtspraak.nl. Hieronder ziet u de gegevens die bij ons over deze uitspraak bekend zijn. LJN: ZB7062, Centrale Raad van Beroep, 96/1458 AW Datum uitspraak: Vindplaats(en): TAR 1997, 202 TAR 1997/202: Verstoorde verhoudingen en het gegeven dat gedaagde niet meer als rectrix kan functioneren rechtvaardigen een ontslag wegens gewichti... Instantie: Centrale Raad van Beroep Datum: 10 juli 1997 Magistraten: Brink, van den Zaaknr: 96/1458 AW Conclusie: - LJN: ZB7062 Noot: - Roepnaam: - Essentie Verstoorde verhoudingen en het gegeven dat gedaagde niet meer als rectrix kan functioneren rechtvaardigen een ontslag wegens gewichtige redenen. Aan voorgestane overeenkomst komt, doordat deze niet ge ffectueerd is en partijen zich voor die situatie alle rechten voorbehouden hadden, geen betekenis toe. Ontslag zonder tenminste wachtgeld(garantie) houdt in rechte geen stand. Schadevergoeding dient alsnog door de rechtbank vastgesteld te worden. Samenvatting Voorgeschiedenis Betrokkene is per 1 april 1986 aangesteld als rectrix bij een scholengemeenschap te Coevorden. In de loop van 1992 is een conflict ontstaan tussen betrokkene, de medezeggenschapsraad, de vergadering van leraren en de beambtenraad over een voorgenomen fusie. Aanbevelingen om tot een oplossing te komen zijn door de diverse geledingen afgewezen, terwijl ook de conrectoren hun vertrouwen in betrokkene opzegden. Tussen betrokkene en de gemeenteraad van Coevorden is op 25 november 1992 een overeenkomst gesloten, inhoudende buitengewoon verlof tot 1 augustus 1993 en het streven naar beëindiging van het dienstverband met recht op wachtgeld en een nader overeen te komen schadevergoeding. Betrokkene heeft om een schadevergoeding van f ,- gevraagd. Na verlenging van het buitengewoon verlof bleek opname in de directie van de ontstane fusieschool niet mogelijk Besluit Bij besluit van 22 november 1993 heeft het bevoegd gezag betrokkene eervol ontslagen wegens gewichtige redenen in de vorm van blijvend verstoorde verhouding en de gebleken onmogelijkheid samen te werken. Uitspraak Partijen bestrijden niet dat sprake is van verstoorde verhoudingen, zodat in beginsel een ontslagbevoegdheid bestaat. De Raad is van oordeel dat het ontslag slechts kan worden verleend, als het gepaard gaat met recht op een ontslaguitkering als bedoeld in hoofdstuk I-H, Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel (Rpbo). Nu het Rpbo niet voorziet in de garantie van zo'n aanspraak, lag het op de weg van het bevoegd gezag een adequate voorziening te waarborgen. Nu dit niet is gebeurd, kan het bestreden besluit wegens strijd met de evenredigheid niet in stand blijven. De rechtsgevolgen worden evenwel in stand gelaten onder bepaling dat betrokkene aanspraak heeft op een normale ontslaguitkering. De Raad ziet voorts geen aanleiding de gemeenteraad een groter deel 4

5 van de nadelige financiële gevolgen van het ontslag voor zijn rekening te laten nemen. Weliswaar maakten allerlei omstandigheden het functioneren van betrokkene niet eenvoudig, maar het staat niet vast dat de verstoorde verhoudingen in het geheel niet aan haar kunnen worden toegeschreven. Aan de gesloten overeenkomst komt geen betekenis toe, nu partijen zich alle rechten hebben voorbehouden indien een minnelijke afwikkeling uiteindelijk niet mogelijk zou blijken. Bron: Juridisc Ambtenarenrecht Uitspraak Uitspraak in het geding tussen: de raad van de gemeente Coevorden, appellant, en A, wonende te V, gedaagde. I. Ontstaan en loop van het geding Namens appellant heeft F.J. Kragten, verbonden aan Kragten & Partner Beilen BV, op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Assen op 20 december 1995 onder nr. 93/159 AW P04 G10 gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde heeft mr. F.G. Kuiper, advocaat te Houten, een verweerschrift ingediend. Appellants gemachtigde heeft schriftelijk gerepliceerd en daarbij nog enkele stukken overgelegd. Het geding is behandeld ter zitting van 15 mei 1997, waar namens appellant is verschenen F.J. Kragten, voornoemd, en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Kuiper, voornoemd. II. Motivering Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in werking getreden en zijn de Ambtenarenwet sindsdien geheten: Ambtenarenwet - en de Beroepswet gewijzigd. De hieruit voortvloeiende wijziging van het procesrecht (ook) in ambtenarenzaken brengt mee dat op een hoger beroep, dat is ingesteld na 31 december 1993, voor zover de Beroepswet niet anders aangeeft hoofdstuk 8 van de Awb moet worden toegepast. De in het kader van evengenoemde wetswijzigingen gegeven regels van overgangsrecht brengen overigens mee dat ten aanzien van de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen besluiten die vóór 1 januari 1994 zijn bekendgemaakt, onderscheidenlijk hoger beroep in te stellen tegen uitspraken die vóór 1 januari 1994 zijn gedaan, het recht zoals dat gold vóór dat tijdstip van toepassing blijft. Gedaagde is per 1 april 1986 als rectrix aangesteld bij de toenmalige Rijksscholengemeenschap te Coevorden. In 1988 heeft het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum te Amsterdam een rapport uitgebracht over het functioneren van de school en over (tekortkomingen in) het optreden en beleid van onder anderen gedaagde. In juni 1992 is met de medezeggenschapsraad (MR) onenigheid ontstaan met betrekking tot de voorgenomen fusie van de school met het Veste College en over de samenstelling van een Stuurgroep Fusieonderzoek waarin gedaagde zitting zou hebben. Op 16 juni 1992 zijn door de vergadering van leraren en de beambtenraad van de school drie moties aangenomen gericht tegen (de positie en opstelling in het kader van de voorgenomen fusie van) gedaagde. Met ingang van 1 augustus 1992 zijn de bestuurlijke taken en bevoegdheden ten aanzien van de school door het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen overgedragen aan de gemeente Coevorden. Gedaagde werd aldus rectrix van de gemeentelijke Regionale Scholengemeenschap (RSG). In verband met de spanningen in de werkverhoudingen is nog in opdracht van genoemd ministerie - aan de Computer Management Group (CMG) opdracht gegeven tot een onderzoek. Uit het op 2 oktober 1992 uitgebrachte CMG-rapport blijkt van ernstig verstoorde werkverhoudingen en van een geïsoleerde positie van gedaagde. Gedaagde reageert in de algemene personeelsvergadering van 28 oktober 1992 met een Persoonlijke verklaring op de uitgebrachte moties. Aanbevelingen in het CMG-rapport om te komen tot herstel van de vertrouwensbreuk worden begin november 1992 door de 5

6 diverse personeelsgeledingen afgewezen. Ook het team van conrectoren zegt unaniem het vertrouwen in gedaagde op. Tussen het bevoegd gezag van de RSG en gedaagde wordt op 25 november 1992 een overeenkomst gesloten. Overeengekomen wordt dat gedaagde met buitengewoon verlof gaat tot uiterlijk 1 augustus 1993 en dat partijen streven naar een beëindiging van het dienstverband met recht op wachtgeld en nader overeen te komen schadevergoeding; tot slot wordt bepaald: mocht er geen overeenkomst tot stand komen dan behouden beide partijen zich alle rechten voor. Gedaagde vraagt een schadevergoeding van f Over het betalen van schadevergoeding wordt, zonder resultaat, door de gemeente Coevorden overleg gevoerd met het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen. Het buitengewoon verlof van gedaagde wordt verlengd tot uiterlijk 1 augustus Op het voorstel van gedaagde om haar per 1 augustus 1994 deel te gaan laten uitmaken van de directie van de fusieschool wordt door de MR en de rector ad interim negatief gereageerd. Laatstgenoemde spreekt in een brief van 15 september 1993 aan de wethouder van onderwijs van de gemeente Coevorden zijn ernstige bezorgdheid uit over de slepende kwestie en stelt tot de conclusie te zijn gekomen dat de schade in vertrouwen in gedaagde als rectrix, gedurende vele jaren ontstaan, niet met een aantal maatregelen is weg te nemen. Door het bevoegd gezag van de RSG en gedaagde wordt geen overeenstemming bereikt. Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Coevorden doet appellant daarop het voorstel gedaagde eervol ontslag te verlenen met toepassing van artikel II-D3, tweede lid, onder f, van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel (Rpbo). Bij het thans in geding zijnde besluit van 22 november 1993 verleent appellant gedaagde op basis van genoemde bepaling eervol ontslag wegens gewichtige redenen, zijnde blijvend verstoorde verhoudingen en verder gebleken onmogelijkheid om vruchtbaar samen te werken in enig andere constellatie. Het door gedaagde tegen dat besluit ingestelde beroep is bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard; het bestreden besluit is vernietigd en er is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven; naast een veroordeling van appellant in de proceskosten en de bepaling dat de gemeente Coevorden aan gedaagde het door haar betaalde griffierecht dient te vergoeden, is de gemeente Coevorden veroordeeld tot vergoeding van de schade van gedaagde voor zover zij schade heeft geleden en lijdt van voornoemd besluit; de rechtbank heeft in dat verband bepaald dat het onderzoek wordt heropend. Alleen appellant heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. De Raad overweegt als volgt. Door partijen wordt niet (meer) betwist dat sprake is geworden van verstoorde verhoudingen en van een situatie waarin gedaagde niet meer kan functioneren als rectrix van de RSG. Er zijn aldus redenen van gewichtige aard in de zin van artikel II-D3, tweede lid, onder f, van het Rpbo. Aan appellant komt in een dergelijk geval de bevoegdheid toe het dienstverband van gedaagde te beëindigen. Partijen worden echter verdeeld gehouden door de vraag of appellant in redelijkheid - zonder meer - van zijn ontslagbevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. De Raad moet dus de vraag beantwoorden of moet worden gezegd dat appellant bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het in geding zijnde ontslagbesluit heeft kunnen komen zonder het ontslag gepaard te doen gaan met enigerlei vorm van financiële tegemoetkoming. Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting stelt appellant zich op het standpunt dat gedaagde in verband met haar ontslag aanspraak behoort te hebben op wachtgeld als bedoeld in hoofdstuk I-H van het Rpbo. In het ontslagbesluit is in die aanspraak echter op generlei wijze voorzien. Ook aan andere - ten tijde van het ontslagbesluit beschikbare - stukken kan gedaagde niet (de garantie van) de aanspraak op (een ontslaguitkering ter grootte van) bedoeld wachtgeld ontlenen. De Raad acht het standpunt van appellant juist dat het onderhavige ontslag slechts kan worden verleend indien het gepaard gaat met de aanspraak op een ontslaguitkering ter 6

7 grootte van het meerbedoelde wachtgeld. Het bovenbedoelde beginsel van behoorlijke belangenafweging brengt in het algemeen met zich dat een ontslagverlening wegens gewichtige redenen (of op andere gronden dan de in de toepasselijke voorschriften voorziene specifieke ontslaggronden) gepaard gaat met aanspraak op een uitkering die (tenminste) gelijk is aan het gebruikelijke wachtgeld bij eervol, niet aan betrokkenes eigen schuld of toedoen te wijten, ontslag. De Raad wijst erop dat in tal van rechtspositieregelingen door de regelgever reeds een dergelijke belangenafweging is gemaakt in een bepaling (als bijvoorbeeld artikel 99, tweede lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement) dat het tot ontslagverlening bevoegde gezag een regeling treft waarbij aan de ambtenaar een uitkering wordt verleend, die in geen geval minder zal mogen bedragen dan die welke de ambtenaar zou toekomen bij een reorganisatieontslag. Uit de stukken en hetgeen partijen naar voren hebben gebracht is de Raad niet gebleken dat dit in het onderhavige geval anders zou moeten zijn. Waar in (de systematiek van) het Rpbo niet is voorzien in (de garantie van) een dergelijke aanspraak, ligt het op de weg van het ontslagverlenende bestuursorgaan terzake een adequate voorziening te waarborgen. Nu appellant dit laatste heeft nagelaten, kan het ontslagbesluit wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel derhalve niet in stand blijven. Ook de rechtbank heeft geoordeeld dat het zonder toekenning van enige vorm van financiële compensatie verleende ontslagbesluit moet worden vernietigd. Zij heeft om begrijpelijke redenen de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Gedaagde heeft tegen (dit onderdeel van) de uitspraak geen hoger beroep ingesteld. De Raad zal daarom de uitspraak in zoverre bevestigen. Daarmee is het niet meer aan appellant om het besluit als het ware aan te vullen met de toekenning van een zodanige financiële compensatie dat het (totale) ontslagbesluit de rechterlijke toetsing kan doorstaan - in het bijzonder op het punt van de evenwichtige belangenafweging -, maar aan de rechter om hier met overeenkomstige toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf een voorziening te treffen. De Raad acht toekenning van meer dan de (garantie van) aanspraak op wachtgeld als boven is uiteengezet, in het onderhavige geval niet geboden. Hij overweegt daartoe het volgende. In de aangevallen uitspraak zijn weliswaar passages uit het CMG-rapport aangehaald waaruit blijkt dat de bestaande overlegstructuren en de opstelling van de betrokken personeelsgeledingen en van de MR het goed functioneren van gedaagde als rectrix niet eenvoudig maakten en ongunstig waren voor het oplossen van een groeiend vertrouwensconflict, maar uit die passages blijkt niet dat de verstoorde verhoudingen in het geheel niet aan gedaagde kunnen worden toegeschreven, zoals ook door de rechtbank is opgemerkt en haar heeft geleid tot de overweging: In haar functie van rectrix mocht verwacht worden dat (gedaagde) aan het bestaande overleg tussen de diverse geledingen zodanig vorm en inhoud zou geven dat zij op de hoogte was van de opvattingen van die geledingen waar het de inhoud van beleidsvoorstellen alsmede de wijze van uitvoering betrof. De Raad voegt hieraan toe dat in het onderzoeksrapport van CMG als zakelijk argument voor het geconstateerde gebrek aan vertrouwen in gedaagde wordt genoemd (op blz. 21) het gemis aan managementvaardigheden die in de situatie op de RSG onmisbaar zijn: strategisch inzicht, onderhandelingsvaardigheden en communicatieve vaardigheden. Tevens komt in het rapport naar voren dat het op de RSG ontstane conflict een sterk emotionele lading heeft, in welk verband (op blz. 22) wordt opgetekend dat gedaagde de vaardigheid mist om op de juiste momenten adequaat te reageren en de juiste woorden te gebruiken. De Raad wil in dit verband niet nalaten te wijzen op de persoonlijke verklaring van gedaagde van 28 oktober 1992 over de geconstateerde - en door haar niet volledig ontkende - gebreken in haar optreden. Voorts wijst hij op een door de rector ad interim uitgebracht rapport, waarin enkele concrete voorbeelden worden gegeven van optreden van gedaagde dat heeft geleid tot ernstig gebrek aan vertrouwen in gedaagde van alle betrokken geledingen. De door gedaagde op dit laatste rapport gegeven reactie heeft de Raad niet kunnen overtuigen van de onjuistheid van de geschetste problematiek. 7

8 Anders dan de rechtbank ziet de Raad in al deze gegevens onvoldoende aanleiding om appellant een groter deel van de voor gedaagde met het ontslagbesluit samenhangende nadelige financiële gevolgen voor zijn rekening te moeten laten nemen dan overeenkomend met een voorziening in (de garantie van) meerbedoelde wachtgeldaanspraak. Aan de bovenvermelde overeenkomst van 25 november 1992 komt in dit verband naar het oordeel van de Raad geen betekenis toe omdat beide partijen bij die overeenkomst zich alle rechten hebben voorbehouden voor het geval geen overeenkomst tot stand mocht komen betreffende een minnelijke afwikkeling van het geschil; dat laatste is hier het geval. Het door gedaagde bij haar beroep in eerste aanleg gedane verzoek om toekenning van schadevergoeding, welk verzoek bij de aangevallen uitspraak in abstracto is gehonoreerd, kan, omdat ingevolge de onderhavige uitspraak van de Raad het ontslag gepaard gaat met de - door de Raad voldoende geachte - (garantie van) aanspraak op een ontslaguitkering ter grootte van het wachtgeld op grond van hoofdstuk I-H van het Rpbo, geen betrekking meer hebben op schade die een gevolg is van het vernietigde ontslag als zodanig. Het verzoek betreft nog slechts schade die een gevolg is van het gebrek aan afweging van belangen waardoor het ontslagbesluit niet aanstonds gepaard is gegaan met toekenning van (de garantie van) wachtgeld. De Raad denkt hier in het bijzonder aan renteschade als gevolg van niet (tijdig) betaald wachtgeld. Omdat namens gedaagde uitdrukkelijk is gevraagd de behandeling van dit verzoek in eerste instantie te laten geschieden door de rechtbank, zoals ook voortvloeit uit de aangevallen uitspraak, zal de Raad ook het desbetreffende gedeelte van de uitspraak in stand laten. De Raad ziet in het hiervoor overwogene aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep, welke zijn begroot op f 2130 als kosten van verleende rechtsbijstand, en op f 93,50 aan reiskosten, totaal derhalve f 2223,50. Daarbij heeft de Raad het gewicht van deze zaak als zwaar aangemerkt. De Raad beslist derhalve als volgt: III. Beslissing De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak met dien verstande dat met overeenkomstige toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb tevens wordt bepaald dat gedaagde jegens appellant met ingang van de datum van haar ontslag aanspraak heeft op een ontslaguitkering ter grootte van het wachtgeld krachtens hoofdstuk I-H van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel zoals luidend ten tijde van het bestreden besluit, indien en voor zover door gedaagde niet op de gebruikelijke in het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel voorziene wijze aanspraak op een dergelijk wachtgeld geldend gemaakt zou kunnen worden; Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag van f 2223,50, te betalen door de gemeente Coevorden; Bepaalt dat van de gemeente Coevorden een griffierecht wordt geheven van f

9 LJN: BG8844, Centrale Raad van Beroep, 07/2389 AW + 07/2391 AW + 07/2394 AW + 07/4575 AW + 08/1644 AW + 08/1645 AW + 08/2534 AW etc Datum uitspraak: Datum publicatie: Rechtsgebied: Ambtenarenrecht Soort procedure: Hoger beroep Inhoudsindicatie: Ziekmelding als gevolg van toenemend conflict met werkgever Na vertrouwensbreuk wordt groepsleerkracht overgeplaatst. Na niet verschijnen op het werk wordt maatregel opgelegd en wordt appellant geschorst en vervolgens ontslagen. Werkgever heeft niet adequaat gehandeld en heeft niet al het mogelijke gedaan wat van een goed werkgever mag worden verwacht om te voorkomen dat het conflict zodanig zou escaleren dat het niet langer verantwoord was om appellant en de directeur op één school te handhaven. Rehabilitatie. Vindplaats(en): Rechtspraak.nl TAR 2009, 89 Uitspraak 07/2389 AW, 07/2391 AW, 07/2394 AW, 07/4575 AW, 08/1644 AW, Q. 08/1645 AW, 08/2534 AW en 08/3370 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op de hoger beroepen van: [Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant), tegen de uitspraken van de rechtbank Almelo van 14 maart 2007, 06/1391, 14 maart 2007, 06/1417 en 07/187, 4 februari 2008, 07/1350, 07/1351, 07/1482 en 07/1483, en 19 maart 2008, 07/899 en 07/1233, (hierna respectievelijk: aangevallen uitspraken 1, 2, 3 en 4), in de gedingen tussen: appellant en de Stichting [naam Stichting] (hierna: [naam Stichting]) Datum uitspraak: 8 januari 2009 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken. [naam Stichting] heeft verweerschriften ingediend. Ter uitvoering van aangevallen uitspraak 1 heeft [naam Stichting] op 5 juli 2007 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. 9

10 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. G.J. van Brakel, advocaat te Huissen. [naam Stichting] heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.M.M. Meijer, werkzaam bij de vereniging Verenigde Bijzondere Scholen voor onderwijs op algemene grondslag, en W. Bruil, senior beleidsmedewerker bij [naam Stichting]. II. OVERWEGINGEN 1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraken. De Raad volstaat hier met het volgende Appellant was werkzaam als groepsleerkracht op de openbare basisschool (hierna: obs) [school 1] te [woonplaats]. Op 3 februari 2005, tijdens een gesprek van appellant, de duo-leerkracht van zijn groep en de directeur van de school met de moeder van leerling M over het gedrag van M in de groep, heeft die moeder zich in beschuldigende zin uitgelaten over het gedrag van appellant tegenover haar zoon M en appellant toegevoegd pedofiele gedachten te hebben. In het bijzonder de gebeurtenissen die zich na dit gesprek hebben voorgedaan, hebben ertoe geleid dat appellant zich ziek heeft gemeld en dat kort daarna de directeur het vertrouwen in appellant heeft opgezegd. Op verzoek van [naam Stichting] heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) op 18 november 2005 een deskundigenoordeel gegeven. Het Uwv achtte appellant op 25 augustus 2005 niet op grond van ziekte arbeidsongeschikt, maar wel als gevolg van een toenemend conflict met zijn werkgever. Als het conflict zou worden opgelost, kon appellant zijn eigen werk weer normaal doen Bij brief van 31 oktober 2005 heeft [naam Stichting] appellant in kennis gesteld van het voornemen hem met toepassing van artikel C16 van de toen geldende CAO Primair Onderwijs (hierna: CAO PO) over te plaatsen naar een andere school. Dit was gebaseerd op een door [naam Stichting] vastgestelde vertrouwensbreuk tussen appellant en de schoolleiding, welke dusdanig groot was dat terugkeer van appellant op [school 1] niet mogelijk was. Bij primair besluit van 23 december 2005 heeft [naam Stichting] overeenkomstig dit voornemen besloten. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt Dit besluit is, nadat mediation niet tot oplossing van het conflict leidde, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo bij uitspraak van 20 juni 2006 geschorst tot zes weken nadat op het bezwaar was beslist. Bij beslissing op bezwaar van 19 oktober 2006 (besluit 1) is het besluit van 23 december 2005 herroepen en is appellant met toepassing van artikel 10.6, tweede lid, aanhef en onder b, van de CAO PO per 1 november 2006 overgeplaatst naar obs [school 2] te [woonplaats] Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het tegen besluit 1 ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit (deels) vernietigd en [naam Stichting] opgedragen een nieuw besluit te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank was, gezien het conflict tussen appellant en de directeur van obs [school 1], overplaatsing noodzakelijk om tot werkbare verhoudingen te komen. Niettemin vernietigde de rechtbank besluit 1 omdat [naam Stichting] de belangen van appellant onvoldoende bij haar besluitvorming had betrokken en de rechtbank het aanbod van [naam Stichting] om het nadeel dat appellant van de overplaatsing ondervindt te compenseren, ontoereikend achtte [naam Stichting], die heeft berust in aangevallen uitspraak 1, heeft ter uitvoering van die uitspraak op 5 juli 2007 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (besluit 3), waarbij appellant met ingang van 20 augustus 2007 is overgeplaatst naar obs [school 3] te [woonplaats]. Ook met dit besluit 3 kan appellant zich niet verenigen. 10

11 Bij primair besluit van 31 augustus 2006 is appellant met toepassing van artikel 4.13, aanhef en onder b, van de CAO PO, met ingang van 4 september 2006 voor een periode van drie maanden bij wijze van ordemaatregel geschorst. Tegen dit besluit heeft appellant op 7 september 2006 bezwaar gemaakt. Op 7 december 2006 heeft appellant bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar. [naam Stichting] heeft op 30 januari 2007 alsnog een beslissing op bezwaar genomen (besluit 2), waarbij het bezwaar van appellant gegrond is verklaard en het besluit van 31 augustus 2006 is herroepen. Besloten is appellant van 4 september tot 1 december 2006 te schorsen op grond van artikel 4.13, aanhef en onder b, van de CAO PO Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar van 7 september 2006 niet-ontvankelijk verklaard wegens het inmiddels ontbreken van belang. Het beroep tegen het besluit van 30 januari 2007 is ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen feiten of omstandigheden op grond waarvan gezegd zou moeten worden dat [naam Stichting] in redelijkheid niet tot de bij dat besluit getroffen maatregel heeft kunnen komen. Nu de schorsing in stand bleef, bestond er ook geen grond voor rehabilitatie als bedoeld in artikel 4.14, vijfde lid, van de CAO PO Appellant heeft geen gehoor gegeven aan oproepen om zijn werkzaamheden op obs [school 3] op 20 augustus, respectievelijk 27 augustus 2007 te hervatten. [naam Stichting] heeft het niet hervatten op 27 augustus 2007 aangemerkt als plichtsverzuim in de zin van artikel 4.15, tweede lid, van de CAO PO. Bij besluit van 8 oktober 2007 (besluit 4) is appellant (onder meer) medegedeeld dat met toepassing van artikel 4.16, eerste lid, van de CAO PO per 27 augustus 2007 wordt overgegaan tot het maandelijks inhouden van het salaris over een halve maand Omdat appellant vervolgens evenmin gehoor heeft gegeven aan de oproep om op 6 september 2007 op het werk te verschijnen, is appellant bij besluit van 18 oktober 2007 (besluit 5) met ingang van 24 oktober 2007 de disciplinaire maatregel van ontslag als bedoeld in artikel 4.15, derde lid, onder e, en artikel 4.7, aanhef en onder j, van de CAO PO opgelegd De op 15 november 2007 tegen de besluiten van 8 en 18 oktober 2007 ingediende bezwaarschriften zijn met toepassing van artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doorgezonden aan de rechtbank. Op 20 december 2007 heeft appellant de rechtbank verzocht om ten aanzien van voornoemde besluiten voorlopige voorzieningen te treffen Bij de aangevallen uitspraak van 4 februari 2008 (aangevallen uitspraak 3) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (hierna: rechtbank) met toepassing van artikel 8:86 van de Awb uitspraak gedaan op de ingestelde beroepen. De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, het beroep tegen het besluit van 8 oktober 2007 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover de salarisinhouding meer bedraagt dan een bedrag van ten hoogste het salaris over een halve maand. Het beroep tegen het besluit van 18 oktober 2007 is ongegrond verklaard. [naam Stichting] heeft in deze uitspraak berust Bij besluit van 5 maart 2007 heeft [naam Stichting] appellant bij wijze van ordemaatregel ingaande 1 december 2006 voor drie maanden geschorst op grond van artikel 4.13, aanhef en onder b, van de CAO PO. Bij beslissing op bezwaar van 3 juli 2007 (besluit 6) heeft [naam Stichting] het bezwaar van appellant tegen die schorsing ongegrond verklaard. Het door appellant op 11

12 13 augustus 2007 ingestelde beroep bij de rechtbank tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn bezwaar is door de rechtbank met toepassing van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb mede gericht geacht tegen besluit Bij aangevallen uitspraak 4 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar. Het beroep tegen het besluit van 3 juli 2007 is ongegrond verklaard. 2. Appellant heeft tegen de aangevallen uitspraken hoger beroep ingesteld en heeft in afzonderlijke hoger beroepschriften zijn grieven tegen die uitspraken uiteengezet. Van de zijde van [naam Stichting] is uitgebreid verweer gevoerd. 3. De Raad overweegt naar aanleiding daarvan als volgt De overplaatsing (besluiten 1 en 3, aangevallen uitspraak 1) Appellant heeft, ondanks het feit dat de rechtbank het overplaatsingsbesluit heeft vernietigd, hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 1 omdat hij van mening is dat de rechtbank bij die uitspraak ten onrechte niet op al zijn grieven en vorderingen is ingegaan. Eén van de vorderingen van appellant is [naam Stichting] op te dragen appellant toe te laten tot zijn oude werkplek en hem in de gelegenheid te stellen daar, na een re-integratie-traject, zijn oude werkzaamheden te laten hervatten. De Raad leest hierin dat appellant betwist dat er een reden was om tot overplaatsing over te gaan. Omdat de rechtbank van oordeel was dat die noodzaak wel aanwezig was, kan appellant belang bij een beoordeling van zijn hoger beroep niet worden ontzegd [naam Stichting] heeft op 31 oktober 2005 het voornemen tot overplaatsing op grond van artikel C16, tweede lid, aanhef en onder b, van de CAO PO kenbaar gemaakt. Op grond van dat artikel (gelijkluidend aan artikel 10.6 van de CAO PO ) kan de werkgever de werknemer zonder zijn instemming overplaatsen ingeval er sprake is van een conflictsituatie, waarbij overplaatsing noodzakelijk is om tot werkbare verhoudingen te komen. Bezien dient dus te worden of er op 31 oktober 2005 sprake was van een conflictsituatie, waarbij overplaatsing noodzakelijk was Anders dan de rechtbank in aangevallen uitspraak 1 is de Raad tot het oordeel gekomen dat daarvan op dat moment geen sprake was. Daarbij heeft de Raad het volgende overwogen De Raad ontkent niet dat er sprake was van een conflictsituatie tussen appellant en de directeur, maar voor de Raad is onvoldoende komen vast te staan dat het conflict op dat moment reeds onoplosbaar was. De Raad wijst er in dit verband op dat het Uwv de situatie ten tijde van het uitbrengen van een deskundigenoordeel kennelijk niet zodanig achtte dat terugkeer van appellant niet mogelijk was. Uit het rapport Februari 2005 [naam appellant] van de directeur en uit hetgeen door de directeur is verklaard op de zitting van de rechtbank van 28 februari 2007, kan worden geconcludeerd dat aan het conflict dan wel aan de vertrouwensbreuk niet de door de moeder van M op 3 februari 2005 geuite beschuldigingen ten grondslag liggen. Blijkens dat rapport, en ook later nog, heeft die directeur een en andermaal verklaard dat van onprofessioneel of onbehoorlijk gedrag van appellant op dit punt geen sprake is geweest. De vertrouwensbreuk is volgens de directeur veroorzaakt door het feit dat appellant, ondanks een eerder met hem gemaakte afspraak daaromtrent, zou zijn doorgegaan met chatten met leerlingen. Ook was de directeur zeer verontwaardigd over de 27 grieven, die tegen hem zijn geuit in een door appellant in februari 2006 ingediende klacht Voor het door de directeur aan appellant gemaakte verwijt ten aanzien van het chatten, dat appellant uitdrukkelijk ontkent, en dat voor [naam Stichting] mede een 12

13 reden is geweest om tot overplaatsing over te gaan, is in het dossier geen enkele onderbouwing te vinden. De door appellant ingediende klacht dateert van na het voornemen tot overplaatsing, nadat pogingen om te komen tot een oplossing van de conflictsituatie, hoe die ook is ontstaan, niet tot resultaat hadden geleid. Over die ondernomen pogingen merkt de Raad op dat er op initiatief van [naam Stichting] op 24 mei 2005 een gesprek heeft plaatsgevonden tussen onder anderen appellant, de directeur en (vertegenwoordigers van) [naam Stichting]. Uit de correspondentie die daarna is gevolgd tussen de (destijds) gemachtigde van appellant en [naam Stichting] (een door [naam Stichting] opgesteld verslag van het gesprek op 24 mei 2005 ontbreekt in het dossier), kan worden afgeleid dat [naam Stichting], anders dan appellant, niet van oordeel was dat appellant vanuit de school onvoldoende steun heeft gekregen tegenover de moeder van M. Volgens [naam Stichting] was er dan ook geen grond voor een publieke rehabilitatie, zoals door appellant verzocht. Bovendien zijn er, aldus [naam Stichting] in een brief van 22 juli 2005, geen mededelingen naar ouders gegaan over het conflict met de moeder De Raad is van opvatting dat [naam Stichting] hiermee onvoldoende oog heeft gehad voor de belangen van appellant. Ook al heeft [naam Stichting] geen mededelingen gedaan aan de ouders over de problemen tussen appellant en de moeder van M, moet toch worden geconstateerd dat [naam Stichting] ermee bekend was dat die moeder daarover wel mededelingen heeft gedaan tegenover ouders van medeleerlingen. De Raad verwijst hiervoor naar een door brigadier M. van de regiopolitie Twente opgesteld procesverbaal van 20 januari 2006, waarin deze verklaart dat hij in april 2005 door obs [school 1] op de hoogte is gebracht van het feit dat de moeder appellant zwart maakte door allerlei verhalen rond te bazuinen, waarna die brigadier een gesprek heeft gehad met de moeder en haar heeft voorgehouden op te passen met het uiten van onbewezen beschuldigingen. Onder deze omstandigheden mocht van [naam Stichting] worden verwacht zelf actie te ondernemen in de richting van de ouders. Pas na ontvangst van het advies van de bezwarencommissie heeft [naam Stichting] zich bij besluit 1 bereid getoond appellant tegenover de ouders te rehabiliteren. Omdat partijen niet tot overeenstemming konden komen over de inhoud ervan, is rehabilitatie tot op heden achterwege gebleven Partijen geven voorts verschillende lezingen van de pogingen die anderszins nog zijn ondernomen om tot een oplossing van het conflict te komen, wie daartoe het initiatief heeft genomen en door welke oorzaak die initiatieven niet tot resultaat leidden. Nu verslaglegging daarover in het dossier ontbreekt, kan de Raad zich hierover geen oordeel vormen. Onder de gegeven omstandigheden dient dit voor risico van [naam Stichting] te komen De Raad komt tot de conclusie dat [naam Stichting] voorafgaande aan het voornemen om appellant over te plaatsen, niet adequaat heeft gehandeld en niet al het mogelijke heeft gedaan wat van een goed werkgever mag worden verwacht om te voorkomen dat het conflict zodanig zou escaleren dat het niet langer verantwoord was om appellant en de directeur op één school te handhaven. Dit houdt in dat niet gezegd kan worden dat het conflict op dat moment alleen nog maar kon worden opgelost door appellant over te plaatsen. Die situatie was ten tijde van het (primaire) besluit van 23 december 2005 niet anders Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant tegen aangevallen uitspraak 1 slaagt. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat er sprake was van een situatie, die overplaatsing van appellant noodzakelijk maakte. Met het overplaatsingsbesluit heeft [naam Stichting] gehandeld in strijd met de CAO PO Omdat het aan besluit 1 klevende gebrek naar het oordeel van de Raad niet kan worden hersteld bij een nieuwe beslissing op bezwaar, is de Raad van oordeel dat ook het primaire overplaatsingsbesluit van 23 december 2005 niet in stand kan blijven. 13

14 Omdat de rechtbank dit besluit in stand heeft gelaten en [naam Stichting] ten onrechte heeft opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, zal de Raad aangevallen uitspraak 1 ook in zoverre vernietigen. Hij zal het besluit van 23 december 2005 herroepen. Dan blijven van aangevallen uitspraak 1 dus slechts in stand de gegrondverklaring van het beroep en de veroordeling tot vergoeding van proceskosten en griffierecht Op grond van het onder overwogene is de grondslag komen te ontvallen aan besluit 3. De Raad zal ook dat besluit vernietigen Appellant heeft verzocht om schadevergoeding in de vorm van rehabilitatie. Ook de Raad acht deze genoegdoening, waartoe [naam Stichting] zich bereid heeft verklaard, op zijn plaats. Met het oog op de definitieve geschilbeslechting bepaalt de Raad dat [naam Stichting] zo spoedig mogelijk aan de leerkrachten en ouders van de leerlingen van obs [school 1], alsmede aan de ouders van de ex-leerlingen die sedert het schooljaar die school hebben verlaten, een bericht met de volgende inhoud mededeelt: Rehabilitatie [Appellant] De Centrale Raad van Beroep te Utrecht (CRvB) heeft bij uitspraak van 8 januari 2009, LJN BG8844, het besluit van de Stichting [naam Stichting] tot overplaatsing van de heer [Appellant], destijds groepsleerkracht op de openbare basisschool [[school 1]], vernietigd. De CRvB heeft overwogen dat de Stichting [naam Stichting] met dit overplaatsingsbesluit heeft gehandeld in strijd met de toepasselijke rechtspositieregeling en zich niet heeft gedragen zoals van een goed werkgever mag worden verwacht. Er was immers geen sprake van een (conflict)situatie waarbij overplaatsing noodzakelijk was om tot werkbare verhoudingen te komen. Van de zijde van [naam Stichting] is niet adequaat gereageerd op een over de heer [Appellant] geuite - maar niet juist bevonden - klacht en de Stichting [naam Stichting] heeft in strijd met de jegens een personeelslid vereiste zorgvuldigheid geen adequate informatie verschaft toen daarover geruchten de ronde gingen doen. Ten onrechte, aldus de CRvB, is daardoor de reputatie van de heer [Appellant] beschadigd. Vandaar dat de CRvB de Stichting [naam Stichting] heeft opgedragen de heer [Appellant] door middel van deze mededeling te rehabiliteren De disciplinaire maatregelen (besluiten 4 en 5 en aangevallen uitspraak 3) Aan deze besluiten, waarbij als disciplinaire maatregelen het salaris van appellant over een halve maand is ingehouden, respectievelijk hem met ingang van 24 oktober 2007 ontslag is verleend, ligt ten grondslag dat appellant zijn werkzaamheden op obs [[school 3]], naar welke school hij bij besluit 3 was overgeplaatst, ondanks herhaalde oproepen niet heeft hervat. Zoals hiervoor onder is overwogen, houdt besluit 3 geen stand. Gezien de vernietiging van dat besluit moet achteraf worden geconstateerd dat [naam Stichting] niet was gerechtigd appellant op te roepen om aldaar het werk te hervatten. Van plichts-verzuim, gebaseerd op het geen gevolg geven aan deze oproepen, kan dan ook geen sprake zijn. Hiermee is aan de besluiten 4 en 5 de grondslag komen te ontvallen, zodat ook die besluiten geen stand houden en voor vernietiging in aanmerking komen. Ook aangevallen uitspraak 3 kan geen stand houden, althans voor zover daarbij de beroepen tegen besluiten 4 en 5 (deels) ongegrond zijn verklaard De schorsing met ingang van 1 september 2006 (besluit 2 en aangevallen uitspraak 2) Appellant stelt dat hij bij aangevallen uitspraak 2 ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard in zijn beroep tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar. In dit verband overweegt de Raad dat in artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb het niet tijdig nemen van een besluit voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit is gelijkgesteld. Met deze bepaling is beoogd 14

15 belanghebbenden een procedureel middel in handen te geven om een nalatig bestuursorgaan tot besluitvorming te bewegen. Indien hangende het bezwaar of beroep alsnog een reëel besluit wordt genomen, is dit doel verwezenlijkt en heeft betrokkene in beginsel geen processueel belang meer bij vernietiging van het in artikel 6:2 van de Awb bedoelde fictieve besluit In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, ziet de Raad geen grond voor een ander oordeel. De grief van appellant dat hem door de late bekendmaking van de beslissing op bezwaar de mogelijkheid is ontnomen zijn bezwaren inhoudelijk kenbaar te maken, zal worden besproken bij de beoordeling van besluit 2. Nu van andere processuele belangen niet is gebleken, moet worden geconcludeerd dat de rechtbank het beroep van appellant op dit onderdeel op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard Met betrekking tot de grief van appellant dat hij niet de mogelijkheid heeft gehad om zijn inhoudelijke bezwaren tegen besluit 2 kenbaar te maken, gezien de korte tijd tussen de bekendmaking van het besluit en de rechtbankzitting van 28 februari 2007, merkt de Raad op dat partijen, zo blijkt uit het proces-verbaal van die zitting, aldaar hebben verklaard geen bezwaar te hebben tegen behandeling van besluit 2 op die zitting. Overigens heeft appellant in de bezwaarprocedure voldoende gelegenheid gehad om zijn inhoudelijke grieven naar voren te brengen Besluit 2 is gebaseerd op artikel 4.13, aanhef en onder b, van de CAO PO. Volgens deze bepaling kan de werknemer worden geschorst in gevallen waarin het belang van de instelling dit vereist, voor ten hoogste drie maanden met dien verstande dat deze termijn in bijzondere gevallen éénmaal kan worden verlengd met ten hoogste drie maanden. Het gaat hier dus om een bevoegdheid van het bestuur een ordemaatregel te treffen. Gezien het karakter van het onderhavige besluit past de rechter hier een terughoudende toetsing in die zin dat, indien geoordeeld moet worden dat het besluit op een toereikende feitelijke grondslag berust, er voor ingrijpen slechts plaats is indien het bestuursorgaan in redelijkheid niet tot schorsing heeft kunnen besluiten De Raad is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat [naam Stichting] in redelijkheid niet tot schorsing van appellant heeft kunnen besluiten. De Raad sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen. In hetgeen appellant tegen deze besluiten in hoger beroep heeft aangevoerd, ziet de Raad geen reden voor een ander oordeel. Dat de voorzieningenrechter van de rechtbank bij zijn uitspraak van 20 juni 2006 het verzoek van appellant om weer te worden toegelaten tot obs [school 1] heeft afgewezen, ontzegt [naam Stichting] niet de bevoegdheid om het niet (kunnen) werken van appellant van een rechtspositionele basis te voorzien. Dat er mogelijk minder ingrijpende maatregelen genomen hadden kunnen worden om tot hetzelfde resultaat te komen, leidt, gezien de terughoudende toetsing, evenmin tot vernietiging van besluit Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant tegen aangevallen uitspraak 2 niet slaagt en dat deze uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt De schorsing met ingang van 1 december 2006 (besluit 6 en aangevallen uitspraak 4) Appellant heeft op 13 augustus 2007 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door [naam Stichting] op zijn bezwaar tegen het besluit van 5 maart 2007, waarbij hij met ingang van 1 december 2006 voor de duur van drie maanden is geschorst. Omdat [naam Stichting] echter op 3 juli 2007 reeds een beslissing op bezwaar had genomen (besluit 6), welk besluit appellant door de vakantieperiode pas na 13 augustus 2007 zou hebben ontvangen, heeft de rechtbank het beroep van appellant mede gericht geacht tegen besluit 6 en zijn beroep, voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar, niet-ontvankelijk verklaard. 15

16 Appellant stelt in hoger beroep ten onrechte niet-ontvankelijk te zijn verklaard door de rechtbank. Zo [naam Stichting] al op 3 juli 2007 een beslissing op bezwaar heeft genomen, is die in ieder geval niet eerder dan bij toezending aan hem op 20 augustus 2007 bekendgemaakt. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar had volgens appellant dus wel ontvankelijk moeten worden verklaard, waarbij tevens vergoeding van griffierecht had moeten worden gelast Gelet op de verklaring van [naam Stichting] ter zitting acht de Raad het inderdaad niet onmogelijk dat besluit 6 pas door middel van toezending op 20 augustus 2007 aan appellant bekend is gemaakt. Dit leidt echter niet tot de conclusie dat appellant ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De Raad verwijst hiervoor naar hetgeen hiervoor in en is overwogen. Voor vergoeding van griffierecht is geen aanleiding nu van appellant in eerste aanleg slechts eenmaal griffierecht is geheven Voor de vraag of besluit 6 in stand kan blijven verwijst de Raad naar de overwegingen, zoals weergegeven in en Niet gezegd kan worden dat er geen (bijzondere) omstandigheden waren, die (voortzetting van) de schorsing noodzakelijk maakten. De Raad benadrukt dat een schorsing als hier aan de orde geen diffamerend karakter heeft. Dat appellant dit, mogelijk mede door reacties uit zijn omgeving, anders heeft ervaren, leidt de Raad niet tot een ander oordeel Aangevallen uitspraak 4 komt dus ook voor bevestiging in aanmerking Uit het vorenstaande volgt dat appellant ten onrechte is ontslagen en dat hij dus nog steeds in dienst is van [naam Stichting]. Het is primair aan [naam Stichting] om zich te beraden over de stappen die thans gezet moeten worden. Gezien de inmiddels ontstane situatie en de opstelling van partijen in deze zaken komt het de Raad onaannemelijk voor dat er in de toekomst nog sprake zal kunnen zijn van een werkbare verhouding tussen appellant enerzijds en de directeur van obs [[school 1]] en [naam Stichting] anderzijds. Om die reden overweegt de Raad, ten overvloede, dat zich door de impasse die aldus is ontstaan, een situatie voordoet waarbij op grond van artikel 4.7, aanhef en onder k, van de CAO PO ontslag kan worden verleend op grond van andere met name genoemde en aan de werknemer schriftelijk meegedeelde redenen van gewichtige aard, te weten een ernstig verstoorde werkrelatie Ontslagverlening op grond van dit artikel dient volgens vaste rechtspraak (CRvB 2 maart 2006, LJN AV3953 en TAR 2006, 72) ten minste gepaard te gaan met toekenning van een aanspraak (garantie) op een reguliere ontslaguitkering. Een dergelijke garantie is volgens vaste rechtspraak (CRvB 23 mei 2001, LJN AD3438 en TAR 2001, 122) onvoldoende, indien gezegd moet worden dat het [naam Stichting] is geweest die een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de impasse, of indien gezegd moet worden dat het bestuursorgaan met het oog op de omstandigheden van het geval een uitkering die niet uitgaat boven genoemde (garantie op een) uitkering, niet redelijk heeft kunnen achten De Raad is van oordeel dat er aanleiding is voor het treffen van een aanvullende financiële regeling. Daarbij heeft de Raad overwogen dat aan het ontstaan van het conflict [naam Stichting] in overwegende mate schuldig is door appellant niet die steun te geven, die in de gegeven omstandigheden op zijn plaats zou zijn geweest. Anderzijds is appellant ook te verwijten dat hij wat al te star op zijn strepen is blijven staan. Ook heeft het de verhou-dingen geschaad dat appellant zowel tegen de directeur als de voorzitter van [naam Stichting] bij de politie aangifte heeft gedaan van het plegen van strafbare feiten. Een voorziening waarbij appellant, naast de hierboven genoemde garantie, een bedrag van ,- wordt toegekend, is naar het oordeel van de Raad redelijk te achten. 16

17 5.1. De Raad ziet aanleiding om [naam Stichting] te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze bedragen voor alle zaken in hoger beroep 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift tegen aangevallen uitspraak 3. Met inbegrip van de reiskosten van appellant van 36,84, bedraagt de vergoeding in totaal 680,84. Voor de kosten van die procedure in beroep is door de rechtbank reeds een proceskostenveroordeling uitgesproken Op grond van artikel 25 van de Beroepswet komt appellant in aanmerking voor restitutie van het door hem met betrekking tot de aangevallen uitspraken 1 en 3 betaalde griffierecht van respectievelijk 214,- en 216,-, zijnde in totaal 430,-. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Vernietigt aangevallen uitspraak 1 behoudens wat betreft de gegrondverklaring van het beroep en de bepalingen betreffende vergoeding van proceskosten en griffierecht; Herroept het besluit van 23 december 2005; Vernietigt besluit 3; Veroordeelt de Stichting [naam Stichting] als onder is vermeld; Vernietigt aangevallen uitspraak 3 voor zover daarbij de beroepen tegen besluiten 4 en 5 ongegrond zijn verklaard; Verklaart de beroepen tegen de besluiten 4 en 5 gegrond en vernietigt die besluiten; Bevestigt aangevallen uitspraken 2 en 4; Veroordeelt de Stichting [naam Stichting] in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van 680,84; Bepaalt dat de Stichting [naam Stichting] aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal 430,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en J.Th. Wolleswinkel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 januari (get.) H.A.A.G. Vermeulen. (get.) M. van Berlo. HD 17

18 LJN: BO1803, Centrale Raad van Beroep, 09/1639 AW + 09/3675 AW Datum uitspraak: Datum publicatie: Rechtsgebied: Ambtenarenrecht Soort procedure: Hoger beroep Inhoudsindicatie: Verlening bijzonder verlof met onmiddellijke ingang. Verlening eervol ontslag op grond van artikel 8:8 (oud) van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling / Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO). Daarbij is een uitkeringsregeling toegekend die erin voorziet dat betrokkene tot aan het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar recht heeft op een WW-uitkering en de bovenwettelijke uitkeringen bedoeld in hoofdstuk 10a van de CAR/UWO (minimale uitkeringsregeling). De Raad komt tot de conclusie dat appellant een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die hem aanleiding heeft gegeven betrokkene ontslag te verlenen. Appellant had dus niet mogen volstaan met het treffen van de minimale uitkeringsregeling. Appellant heeft naar aanleiding van de aangevallen uitspraak bestreden besluit 2 genomen. Daarbij is aan betrokkene een bedrag van ,- bruto toegekend ter compensatie voor pensioenschade. Omdat daarmee niet geheel tegemoetgekomen is aan de bezwaren van betrokkene wordt deze geacht beroep te hebben ingesteld tegen bestreden besluit 2. Gegeven het overwegende aandeel van appellant en gelet op het niet substantiële aandeel van betrokkene en gelet op de door hem gestelde schadeposten is naar het oordeel van de Raad de toekenning, naast de minimale uitkeringsregeling, van een bedrag van ,- redelijk te achten. Omdat bij bestreden besluit 2 slechts een bedrag van ,- is toegekend, is het beroep van betrokkene tegen bestreden besluit 2 gegrond. De Raad zal bestreden besluit 2 vernietigen. Met het oog op de definitieve beslechting van het geschil zal de Raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dit bedrag zelf bij zijn uitspraak toekennen. Vindplaats(en): Rechtspraak.nl TAR 2010, 175 Uitspraak 09/1639 AW 09/3675 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Oost Gelre (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 5 februari 2009, 08/214 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: [betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene), en appellant 18

19 Datum uitspraak: 7 oktober 2010 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft op 29 juni 2009 ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (hierna: bestreden besluit 2). Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.C.C. Balke, advocaat te Zwolle, en mr. J.J. Dijkman, gemeentesecretaris van de gemeente Oost Gelre. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. H.C.M. Verkade te Amsterdam. II. OVERWEGINGEN 1. Voor een uitgebreid overzicht van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende Betrokkene was sedert 1986 in dienst van de gemeente Lichtenvoorde en heeft tot aan de gemeentelijke herindeling, met ingang van 1 januari 2005, naar behoren gefunctioneerd als c[naam functie A]. Per 1 januari 2005 is hij benoemd tot [naam functie B] van de afdeling Ruimtelijk beheer van de nieuw gevormde gemeente Oost Gelre, welke afdeling werd geleid door V. Doelstelling van de nieuwe organisatie was dat er een meer bedrijfsmatige aanpak en werkwijze van de Buitendienst tot stand zouden worden gebracht. Betrokkene heeft aanvaringen gehad met V, voortkomend uit de opvatting van V dat betrokkene weinig veranderingsgezind was, weerstand had tegen de nieuwe koers en onvoldoende bijdrage leverde aan het wij-gevoel. Niet is gebleken dat de Buitendienst niet goed functioneerde en evenmin dat een meningsverschil over bezuinigingstaakstellingen heeft geleid tot budgetoverschrijding door betrokkene In een gesprek op 12 april 2006 met de gemeentesecretaris en V is betrokkene (opnieuw) aangesproken op zijn werkhouding. In een vervolggesprek op 26 april 2006 is hem voorgesteld gebruik te maken van de FPU-regeling. Betrokkene, die op zijn vraag of hij hierover mocht spreken een bevestigend antwoord had gekregen, heeft op 27 april 2006 zijn medewerkers gemeld dat er gesprekken gaande waren over zijn positie en dat hij een fpu-regeling aangeboden zou krijgen. Deze mededeling heeft geleid tot onrust bij de medewerkers en tot grote ontstemming bij de gemeentesecretaris. Een en ander was voor deze laatste aanleiding betrokkene op 28 april 2006 met onmiddellijke ingang met bijzonder verlof te zenden Na tevergeefs gedane pogingen van betrokkene om terug te keren en na niet geslaagde voorstellen van de kant van appellant om door middel van een minnelijke regeling tot een beëindiging van het dienstverband te komen, heeft appellant bij besluit van 27 juni 2007 (hierna: primaire besluit) betrokkene op grond van artikel 8:8 (oud) van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling / Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) met ingang van 1 juli 2007 eervol ontslag verleend. Daarbij is hem een uitkeringsregeling toegekend die erin voorziet dat hij tot aan het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar recht heeft op een WW-uitkering en de bovenwettelijke uitkeringen bedoeld in hoofdstuk 10a van de CAR/UWO (hierna: minimale uitkeringsregeling). Appellant heeft aan het ontslagbesluit ten grondslag gelegd dat de verhoudingen tussen betrokkene en zijn leidinggevende V verstoord waren op een zodanige wijze dat aan het dienstverband geen vruchtbare invulling meer kon worden gegeven. 19

20 Na bezwaar heeft appellant het primaire besluit gehandhaafd bij besluit van 17 december 2007 (hierna: bestreden besluit 1). 2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, bestreden besluit vernietigd 1. Zij heeft geoordeeld dat het gehandhaafde ontslagbesluit weliswaar op een juiste grondslag berust, maar zij heeft overwogen dat appellant niet in redelijkheid heeft kunnen volstaan met toekenning van de minimale uitkeringsregeling. Gelet op de omstandigheden heeft appellant met het ontslagbesluit de nadelige gevolgen ervan te zwaar en in onevenredige mate bij betrokkene gelegd. Ten overvloede heeft de rechtbank overwogen dat het ontslagbesluit de rechterlijke toetsing zou hebben kunnen doorstaan als aan het ontslagbesluit een schadevergoeding zou zijn verbonden die zou kunnen dienen ter compensatie van de pensioenschade van betrokkene. De rechtbank heeft appellant opdracht gegeven een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. 3. Appellant kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat hij niet had kunnen volstaan met toekenning van de minimale uitkeringsregeling. Hij is van opvatting dat het betrokkene is geweest die ervoor heeft gezorgd dat de verhoudingen verstoord zijn geraakt en dat een impasse is ontstaan waarin geen invulling meer kon worden gegeven aan het dienstverband. Omdat uit de jurisprudentie volgt dat in gevallen waarin een betrokkene een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortduren van de verstoorde verhouding, volstaan kan worden met een minimale uitkeringsregeling, ziet appellant geen aanleiding een extra voorziening toe te kennen bovenop hetgeen is toegekend. Appellant heeft erop gewezen dat bovenop de uitkeringsregeling de advocaatkosten van betrokkene zijn vergoed over de periode tot aan het mislukken van de onderhandelingen over een fpu-regeling. Verder is gedurende het jaar van bijzonder verlof de bezoldiging aan betrokkene doorbetaald. 4. Betrokkene heeft zich neergelegd bij het oordeel van de rechtbank dat er een grondslag was voor het verleende ontslag. Hij kan zich verder verenigen met het oordeel van de rechtbank dat appellant niet had kunnen volstaan met de minimale uitkeringsregeling. Gelet op de omstandigheden acht hij de ten overvloede gegeven overweging over de te verlenen compensatie ontoereikend. Hij heeft berekeningen gemaakt van ten dele nauwkeurig vast te stellen en ten dele op basis van een schatting vast te stellen (inkomens)schadeposten die neerkomen op een bedrag van zo n ,-. 5. De Raad overweegt naar aanleiding hiervan als volgt Het hoger beroep van appellant Ingevolge het derde lid van artikel 8:8 van de CAR/UWO, zoals dat ten tijde in geding luidde, moet het college in geval van ontslag op grond van dit artikel een regeling treffen waarbij de gewezen ambtenaar een uitkering wordt verzekerd welke met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten, met dien verstande dat de betrokkene minimaal recht heeft op een aanvullende en een aansluitende uitkering overeenkomstig hoofdstuk 10a van de CAR/UWO. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 7 mei 2009, LJN BI4841 en TAR 2009, 142) kan de rechter slechts tot het oordeel komen dat een minimale uitkeringsregeling onvoldoende is, indien komt vast te staan dat het bestuursorgaan een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag heeft geleid, of indien gezegd moet worden dat het bestuursorgaan met het oog op de omstandigheden van het geval een uitkeringsregeling die niet uitgaat boven het niveau van de reguliere uitkeringen, niet redelijk heeft kunnen achten. Het gaat hierbij overigens niet om volledige schadevergoeding maar om compensatie voor dat aandeel De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant niet had mogen volstaan met de minimale uitkeringsregeling. Omdat dat oordeel in de eerste plaats juist is wanneer het 20

Ongeoorloofde kennisvoorsprong in het aanbestedingsrecht: twee uitspraken

Ongeoorloofde kennisvoorsprong in het aanbestedingsrecht: twee uitspraken Mr. drs. T. Berben Advocaat AKD Advocaten & Notarissen Ongeoorloofde kennisvoorsprong in het aanbestedingsrecht: twee uitspraken Magna Charta is een onderdeel van de Academie voor de Rechtspraktijk 02

Nadere informatie

CENTRALE RAAD VAN BEROEP MEERVOUDIGE KAMER U I T S P R A A K

CENTRALE RAAD VAN BEROEP MEERVOUDIGE KAMER U I T S P R A A K CENTRALE RAAD VAN BEROEP MEERVOUDIGE KAMER 11/9 AW U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van

Nadere informatie

LJN: BH1764, Centrale Raad van Beroep, 07/2959 WWB + 07/2960 WWB + 08/6263 WWB + 08/6264 WWB + 08/6265 WWB

LJN: BH1764, Centrale Raad van Beroep, 07/2959 WWB + 07/2960 WWB + 08/6263 WWB + 08/6264 WWB + 08/6265 WWB LJN: BH1764, Centrale Raad van Beroep, 07/2959 WWB + 07/2960 WWB + 08/6263 WWB + 08/6264 WWB + 08/6265 WWB Datum uitspraak: 20-01-2009 Datum publicatie: 04-02-2009 Rechtsgebied: Bijstandszaken Soort procedure:

Nadere informatie

ECLI:NL:RVS:2014:3559 Deeplink http://d

ECLI:NL:RVS:2014:3559 Deeplink http://d ECLI:NL:RVS:2014:3559 Deeplink http://d Instantie Raad van State Datum uitspraak 01-10-2014 Datum publicatie 01-10-2014 Zaaknummer 201309659/1/A3 Rechtsgebieden Bestuursrecht Bijzondere kenmerken Hoger

Nadere informatie

het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden.

het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden. LJN: AU3784, Raad van State, 200501342/1 Print uitspraak Datum uitspraak: 05-10-2005 Datum publicatie: 05-10-2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht overig Soort procedure: Hoger beroep Inhoudsindicatie: Bij

Nadere informatie

[Appellant 1] en [Appellant 2], beiden wonende te [woonplaats], (hierna: appellanten)

[Appellant 1] en [Appellant 2], beiden wonende te [woonplaats], (hierna: appellanten) LJN: BI3542, Centrale Raad van Beroep, 08/3709 WJZ + 08/3713 WJZ Datum uitspraak: 15-04-2009 Datum publicatie: 12-05-2009 Rechtsgebied: Sociale zekerheid Soort procedure: Hoger beroep Inhoudsindicatie:

Nadere informatie

CENTRALE RAAD VAN BEROEP U I T S P R A A K

CENTRALE RAAD VAN BEROEP U I T S P R A A K CENTRALE RAAD VAN BEROEP 02/2895 AOW en 05/6118 AOW in het geding tussen: [appellant], wonende te Spanje, appellant, en U I T S P R A A K de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.

Nadere informatie

TAR 2009/142: ontslag op andere gronden wegens verstoorde arbeidsrelatie

TAR 2009/142: ontslag op andere gronden wegens verstoorde arbeidsrelatie Page 1 of 5 TAR 2009/142: ontslag op andere gronden wegens verstoorde arbeidsrelatie Instantie: Centrale Raad van Beroep Datum: 7 april 2009 Magistraten: Vermeulen Zaaknr: 07/6209AW Conclusie: - LJN: BK0290

Nadere informatie

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 9 april 2008, 07/1916 (hierna: aangevallen uitspraak)

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 9 april 2008, 07/1916 (hierna: aangevallen uitspraak) LJN: BI6832, Centrale Raad van Beroep, 08/2290 WMO + 08/2317 WMO Datum uitspraak: 29-04-2009 Datum publicatie: 08-06-2009 Rechtsgebied: Sociale zekerheid Soort procedure: Hoger beroep Inhoudsindicatie:

Nadere informatie

het College van Beroep voor de Examens van de Hogeschool Utrecht (hierna: het CBE), verweerder.

het College van Beroep voor de Examens van de Hogeschool Utrecht (hierna: het CBE), verweerder. Zaaknummer : 2013/068 Rechter(s) : mrs. Nijenhof, Olivier, Borman Datum uitspraak : 6 november 2013 Partijen : Appellante tegen CBE Hogeschool Utrecht Trefwoorden : Beleidsvrijheid, in stand laten rechtsgevolgen,

Nadere informatie

zaaknummer 200703432/1 datum van uitspraak woensdag 13 februari 2008 Kamer 2 - Milieu - Schadevergoeding

zaaknummer 200703432/1 datum van uitspraak woensdag 13 februari 2008 Kamer 2 - Milieu - Schadevergoeding Essentie uitspraak: Artikel 15.20, schade komt in aanmerking voor vergoeding vanwege het niet langer op grond van een milieubeheer mogen uitoefenen van een activiteit. Casus en uitspraak Een exploitant

Nadere informatie

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder, gemachtigden: mrs. C.J. Telting en B.A. Veenendaal.

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder, gemachtigden: mrs. C.J. Telting en B.A. Veenendaal. Uitspraak RECHTBANK AMSTERDAM Sector bestuursrecht zaaknummer: AWB 11/2308 WWB uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, gemachtigde mr. W.G. Fischer,

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. de Raad voor Rechtsbijstand 's-gravenhage, appellant,

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. de Raad voor Rechtsbijstand 's-gravenhage, appellant, Raad vanstate 200700246/1. Datum uitspraak: 6 juni 2007 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de Raad voor Rechtsbijstand 's-gravenhage, appellant, tegen de uitspraak in zaak

Nadere informatie

De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het geschil, omdat sprake zou zijn van een nieuw primair besluit.

De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het geschil, omdat sprake zou zijn van een nieuw primair besluit. USZ 2001/163 CRvB, 04-04-2001, 99/117 AAW/WAO Bezwaarprocedure, Heroverweging, Herroeping besluit in primo, Vervanging door nieuw besluit waarin een andere datum in geding aan de orde is Publicatie USZ

Nadere informatie

http://zoeken.rechtspraak.nl/resultpage.aspx?snelzoeken=true&searchtype=ljn&ljn=br1...

http://zoeken.rechtspraak.nl/resultpage.aspx?snelzoeken=true&searchtype=ljn&ljn=br1... pagina 1 van 5 LJN: BR1463, Raad van State, 201011448/1/H1 Datum 13-07-2011 uitspraak: Datum 13-07-2011 publicatie: Rechtsgebied: Bouwen Soort procedure: Hoger beroep Inhoudsindicatie: Bij besluit van

Nadere informatie

105753 - Beroep tegen schorsing als ordemaatregel en tegen ontslag wegens gewichtige reden; hbo

105753 - Beroep tegen schorsing als ordemaatregel en tegen ontslag wegens gewichtige reden; hbo 105753 - Beroep tegen schorsing als ordemaatregel en tegen ontslag wegens gewichtige reden; De werknemer is geschorst vanwege het opnemen van gesprekken met leidinggevenden en het delen van deze opnamen.

Nadere informatie

Zaaknummer : 2013/129

Zaaknummer : 2013/129 Zaaknummer : 2013/129 Rechter(s) : mr. Olivier Datum uitspraak : 13 november 2013 Partijen : Appellante tegen CBE Hogeschool van Amsterdam Trefwoorden : Bindend negatief studieadvies, finale geschillenbeslechting,

Nadere informatie

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 15 november 2012, nummer AWB 12/4016, in het geding tussen

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 15 november 2012, nummer AWB 12/4016, in het geding tussen Uitspraak GERECHTSHOF VHERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Uitspraak op het hoger beroep van * ^ p n i a w a ï i i b.v., gevestigd te > hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak

Nadere informatie

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 31 december 2009 in zaak nr. 09/272 in het geding tussen:

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 31 december 2009 in zaak nr. 09/272 in het geding tussen: Uitspraak 201001294/ 1/H2 gevonden via " pagina l van 5 Uitspraken ZAAKNUMMER 201001294/1/H2 DATUM VAN UITSPRAAK woensdag 13 oktober 2010 TEGEN het college van burgemeester en wethouders van Emmen PROCEDURESOORT

Nadere informatie

1)estuursreclaqirA,IL

1)estuursreclaqirA,IL Raad vanstate 1)estuursreclaqirA,IL Raad van de gemeente Hof van Twente Postbus 54 7470 AB GOOR Gemeente Hof van Twente [Nr: [Afdeling: Bvo: a / nee lingekomen: 2 JULI 2015 Kopie aan: Archief: \N / NR

Nadere informatie

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen: RECHTBANK ARNHEM Sector bestuursrecht Registratienummer: AWB06/4812 Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen: [eiser], eiser, wonende te [woonplaats],

Nadere informatie

Verweerder heeft op 20 september 1995 desverzocht nog een stuk in het geding gebracht.

Verweerder heeft op 20 september 1995 desverzocht nog een stuk in het geding gebracht. Zaaknummer: 1995/122 Rechter(s): mrs. Olivier, Nijenhof, Hingst Datum uitspraak: 15 december 1995 Partijen: X tegen het college van bestuur van de Katholieke Universiteit Nijmegen Trefwoorden: Motiveringsbeginselen,

Nadere informatie

CENTRALE RAAD VAN BEROEP U I T S P R A A K. de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.

CENTRALE RAAD VAN BEROEP U I T S P R A A K. de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde. CENTRALE RAAD VAN BEROEP 00/5419 AKW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde. I. ONTSTAAN

Nadere informatie

Nu premies AOV zijn afgetrokken vormen uitkeringen belastbare periodieke uitkeringen uit inkomensvoorziening (art. 3.100, lid 1, ond.

Nu premies AOV zijn afgetrokken vormen uitkeringen belastbare periodieke uitkeringen uit inkomensvoorziening (art. 3.100, lid 1, ond. Nu premies AOV zijn afgetrokken vormen uitkeringen belastbare periodieke uitkeringen uit inkomensvoorziening (art. 3.100, lid 1, ond. b) LJN: BX8102, Gerechtshof 's-gravenhage, BK-10/00754 en 10/00233

Nadere informatie

JURISPRUDENTIE --- Zfw

JURISPRUDENTIE --- Zfw vorige home jurisprudentie jur. Zfw Zfw sz-wetten overige wetten zoeken JURISPRUDENTIE --- Zfw LJN: AY4168 Instantie: Centrale Raad van Beroep Datum uitspraak: 04-07-2006 Soort procedure: hoger beroep

Nadere informatie

Afkoopsom lijfrente belast in het jaar waarin de afkoopsom vorderbaar en inbaar is

Afkoopsom lijfrente belast in het jaar waarin de afkoopsom vorderbaar en inbaar is Afkoopsom lijfrente belast in het jaar waarin de afkoopsom vorderbaar en inbaar is ECLI:NL:GHARL:2015:4336 Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Datum uitspraak 16-06-2015 Datum publicatie 19-06-2015

Nadere informatie

CENTRALE RAAD VAN BEROEP UTRECHT U I T S P R A A K

CENTRALE RAAD VAN BEROEP UTRECHT U I T S P R A A K CENTRALE RAAD VAN BEROEP UTRECHT 98/4586 AKW U I T S P R A A K in het geding tussen: de Sociale Verzekeringsbank, appellant, en A, wonende te B, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij beslissing

Nadere informatie

** [201005426/1/M1.], [10 november 2010]: [afstandseis tussen een lpg tankstation en een scholengemeenschap ], [Harlingen]

** [201005426/1/M1.], [10 november 2010]: [afstandseis tussen een lpg tankstation en een scholengemeenschap ], [Harlingen] ** [201005426/1/M1.], [10 november 2010]: [afstandseis tussen een lpg tankstation en een scholengemeenschap ], [Harlingen] Essentie uitspraak: De Afdeling stelt vast dat ten tijde van het bestreden besluit

Nadere informatie

het College van Beroep voor de Examens van de Haagse Hogeschool (hierna: het CBE), verweerder.

het College van Beroep voor de Examens van de Haagse Hogeschool (hierna: het CBE), verweerder. Zaaknummer : CBHO 2015/293 en 2015/293.1 Rechter(s) : mr. Olivier Datum uitspraak : 12 januari 2016 Partijen : Appellant en Haagse Hogeschool Trefwoorden : bindend negatief studieadvies BNSA duidelijkheid

Nadere informatie

LJN: BO2154,Voorzieningenrechter Rechtbank 's-hertogenbosch, AWB 10/2913 en 10/3065

LJN: BO2154,Voorzieningenrechter Rechtbank 's-hertogenbosch, AWB 10/2913 en 10/3065 LJN: BO2154,Voorzieningenrechter Rechtbank 's-hertogenbosch, AWB 10/2913 en 10/3065 Print uitspraak Datum uitspraak: 22-10-2010 Datum publicatie: 29-10-2010 Rechtsgebied: Bouwen Soort procedure: Voorlopige

Nadere informatie

Eerste aanleg: ECLI:NL:RBASS:2012:2307, Bekrachtiging/bevestiging

Eerste aanleg: ECLI:NL:RBASS:2012:2307, Bekrachtiging/bevestiging ECLI:NL:RVS:2014:110 Instantie Raad van State Datum uitspraak 22-01-2014 Datum publicatie 22-01-2014 Zaaknummer Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 201300676/1/A2 Eerste

Nadere informatie

SAMENVATTING. 105871/105939 - Beroep (2) tegen schorsing als ordemaatregel en verlenging schorsing; BVE

SAMENVATTING. 105871/105939 - Beroep (2) tegen schorsing als ordemaatregel en verlenging schorsing; BVE SAMENVATTING 105871/105939 - Beroep (2) tegen schorsing als ordemaatregel en verlenging schorsing; Gelet op de mogelijke onregelmatigheden in leerlingdossiers bestond er op zichzelf voldoende reden voor

Nadere informatie

Uitspraak ex artikel 8:84 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:84 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht LJN: AT6229, Rechtbank Leeuwarden, 04/1143 & 04/1453 Datum uitspraak: 18-04-2005 Datum publicatie: 25-05-2005 Rechtsgebied: Bijstandszaken Soort procedure: Voorlopige voorziening+bodemzaak Inhoudsindicatie:

Nadere informatie

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 10 november 2011, 11/512 (aangevallen uitspraak)

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 10 november 2011, 11/512 (aangevallen uitspraak) LJN: BZ9358, Centrale Raad van Beroep, 11/7248 AWBZ-T Datum uitspraak: 01-05-2013 Datum publicatie: 03-05-2013 Rechtsgebied: Sociale zekerheid Soort procedure: Hoger beroep Inhoudsindicatie: Tussenuitspraak.

Nadere informatie

U I T S P R A A K 1 1-0 6 9

U I T S P R A A K 1 1-0 6 9 U I T S P R A A K 1 1-0 6 9 van het College van beroep voor de examens van de Universiteit Leiden inzake het beroep van XXX, appellante tegen de Masterexamencommissie Criminologie, verweerder en van de

Nadere informatie

Zaaknummer : CBHO 2014/302 Rechter(s) : mrs. Borman, Troostwijk en Kleijn Datum uitspraak : 23 september 2015 Partijen : Appellant en Hogeschool van

Zaaknummer : CBHO 2014/302 Rechter(s) : mrs. Borman, Troostwijk en Kleijn Datum uitspraak : 23 september 2015 Partijen : Appellant en Hogeschool van Zaaknummer : CBHO 2014/302 Rechter(s) : mrs. Borman, Troostwijk en Kleijn Datum uitspraak : 23 september 2015 Partijen : Appellant en Hogeschool van Amsterdam Trefwoorden : aanmelden bekostiging belangenafweging

Nadere informatie

pagina 1 van 5 ECLI:NL:RBDHA:2014:6145 Instantie Rechtbank Den Haag Datum uitspraak 20-05-2014 Datum publicatie 04-06-2014 Zaaknummer Rechtsgebieden AWB-13_10151 Belastingrecht Bijzondere kenmerken Bodemzaak

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Raad vanstate 201 304470/1/RI. Datum uitspraak: 27 november 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Koninklijke Jongeneel

Nadere informatie

het college van burgemeester en wethouders van Hoogeveen Eerste aanleg - meervoudig

het college van burgemeester en wethouders van Hoogeveen Eerste aanleg - meervoudig uitspraak deze uitspraak Essentie uitspraak: Bevi niet van toepassing indien verandering geen nadelig gevolg heeft voor het plaatsgebonden risico. Via milieubeheervergunning kunnen, buiten het Bevo om,

Nadere informatie

CENTRALE RAAD VAN BEROEP U I T S P R A AK

CENTRALE RAAD VAN BEROEP U I T S P R A AK CENTRALE RAAD VAN BEROEP 97/524 WW U I T S P R A AK in het geding tussen: het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant, en A, wonende te B, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met

Nadere informatie

het college van gedeputeerde staten van Zeeland.

het college van gedeputeerde staten van Zeeland. . Datum uitspraak: 5 augustus 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: [appellant A], [appellant B], wonend te [woonplaats], [appellant C], wonend te [woonplaats], [appellant

Nadere informatie

Uitspraak 201403254/1/A4

Uitspraak 201403254/1/A4 1 van 7 8-3-2015 21:16 Uitspraak 201403254/1/A4 Datum van uitspraak: woensdag 14 januari 2015 Tegen: het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant Proceduresoort: Eerste aanleg - meervoudig Rechtsgebied:

Nadere informatie

Uitspraak 200904084/1/R2 gevonden via '' d eze uitsp raa k il de ze uitsp ra ak Page 1 of 4 Uitspraken ZAAKNUMMER 200904084/1/R2 DATUM VAN UITSPRAAK woensdag 24 maart 2010 TEGEN het college van gedeputeerde

Nadere informatie

Zaaknummers : CBHO nrs. 93/69 t/m 93/73

Zaaknummers : CBHO nrs. 93/69 t/m 93/73 Zaaknummers : CBHO nrs. 93/69 t/m 93/73 Rechter(s) : mr. Olivier Datum uitspraak : 5 januari 1994 Partijen : Appellanten tegen Christelijke Hogeschool Noord-Nederland Trefwoorden : bevoegdheid voorzitter

Nadere informatie

ECLI:NL:RBNNE:2015:389

ECLI:NL:RBNNE:2015:389 ECLI:NL:RBNNE:2015:389 Instantie Datum uitspraak 03-02-2015 Datum publicatie 03-02-2015 Zaaknummer Awb 15/245 Rechtsgebieden Rechtbank Noord-Nederland Bestuursrecht Bijzondere kenmerken Voorlopige voorziening

Nadere informatie

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 14 mei 2004 in het geding tussen:

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 14 mei 2004 in het geding tussen: LJN: AT7485, Raad van State, 200405147/1 (Printbare versie) Datum uitspraak: 15-06-2005 Datum publicatie: 15-06-2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht overig Soort procedure: Hoger beroep Inhoudsindicatie: Bij

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: Raad vanstate 201113051/1/V3. Datum uitspraak: 30 december 2011 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep

Nadere informatie

Zaaknummer : 2012/220 en 220.1

Zaaknummer : 2012/220 en 220.1 Zaaknummer : 2012/220 en 220.1 Rechter(s) : mr. Olivier Datum uitspraak : 3 december 2012 Partijen : Appellant tegen NHTV internationale hogeschool Breda Trefwoorden : Begeleiding student, bindend negatief

Nadere informatie

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 september 2013, nummer AWB 13/915, in het geding tussen belanghebbende

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 september 2013, nummer AWB 13/915, in het geding tussen belanghebbende Uitspraak GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN Afdeling belastingrecht Locatie Arnhem nummer 13/01077 uitspraakdatum: 20 mei 2014 Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van drs.

Nadere informatie

ECLI:NL:RBDHA:2015:3059

ECLI:NL:RBDHA:2015:3059 ECLI:NL:RBDHA:2015:3059 Instantie Rechtbank Den Haag Datum uitspraak 10-03-2015 Datum publicatie 10-04-2015 Zaaknummer AWB - 14 _ 7359 Rechtsgebieden Belastingrecht Bijzondere kenmerken Bodemzaak Eerste

Nadere informatie

Feitelijke informatie De Afdeling bestuursrechtspraak heeft samengevat - het beroep gegrond verklaard op de volgende overwegingen.

Feitelijke informatie De Afdeling bestuursrechtspraak heeft samengevat - het beroep gegrond verklaard op de volgende overwegingen. Onderwerp Uitspraak RvS inzake wijzigingsbesluit Duinweg 56 Collegevoorstel Zaaknummer: OLOGMM27 Inleiding Op 30 november 2010 heeft uw college besloten het wijzigingsbesluit Duinweg 56, Drunen vast te

Nadere informatie

Gerechtshof te 's-gravenhage negende enkelvoudige belastingkamer 29 maart 2002 Nr. BK-00/01073 UITSPRAAK

Gerechtshof te 's-gravenhage negende enkelvoudige belastingkamer 29 maart 2002 Nr. BK-00/01073 UITSPRAAK Gerechtshof te 's-gravenhage negende enkelvoudige belastingkamer 29 maart 2002 Nr. BK-00/01073 UITSPRAAK op het beroep van de Stichting X te Y tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid

Nadere informatie

heeft de volgende beslissing gegeven naar aanleiding van het hoger beroep van verweerder.

heeft de volgende beslissing gegeven naar aanleiding van het hoger beroep van verweerder. HOF VAN DISCIPLINE No. 4516 ------------ HET HOF VAN DISCIPLINE heeft de volgende beslissing gegeven naar aanleiding van het hoger beroep van verweerder. Bij beslissing van 6 februari 2006 heeft de Raad

Nadere informatie

ECLI:NL:RVS:2014:1722

ECLI:NL:RVS:2014:1722 1 van 5 16-9-2014 16:37 ECLI:NL:RVS:2014:1722 Instantie Raad van State Datum uitspraak 14-05-2014 Datum publicatie 14-05-2014 Zaaknummer Rechtsgebieden 201306176/1/R2 Bestuursrecht Bijzondere kenmerken

Nadere informatie

het college van bestuur van de Hogeschool van Amsterdam (hierna: de hogeschool), verweerder.

het college van bestuur van de Hogeschool van Amsterdam (hierna: de hogeschool), verweerder. Zaaknummer : 2013/249 Rechter(s) : mrs. Troostwijk, Lubberdink, Borman Datum uitspraak : 9 mei 2014 Partijen : Appellant tegen CvB Hogeschool van Amsterdam Trefwoorden : Bedreigingsgevaar, belangenafweging,

Nadere informatie

1.2 De Verzekeraar heeft op het beroepschrift gereageerd bij brief van 2 mei 2014.

1.2 De Verzekeraar heeft op het beroepschrift gereageerd bij brief van 2 mei 2014. Uitspraak Commissie van Beroep 2014-028 d.d. 23 september 2014 (mr. F.R. Salomons, voorzitter, mr. A. Bus, mr. J.B. Fleers, mr. F.P. Peijster en mr. J.B.B.M. Wuisman, leden, en mr. M.J. Drijftholt, secretaris)

Nadere informatie

CENTRALE RAAD VAN BEROEP UITSPRAAK. het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, gedaagde.

CENTRALE RAAD VAN BEROEP UITSPRAAK. het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, gedaagde. CENTRALE RAAD VAN BEROEP 95/5134 ABW, 95/5148 ABW in het geding tussen: T.J.P.M. K. te T, appellant, en UITSPRAAK het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, gedaagde. I. ONTSTAAN

Nadere informatie

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 juli 2013 in zaak nr. 12/4468 in het geding tussen:

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 juli 2013 in zaak nr. 12/4468 in het geding tussen: Uitspraak 201306462/1/A1 Datum van uitspraak: woensdag 25 juni 2014 Tegen: Proceduresoort: Rechtsgebied: het college van burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug Hoger beroep 201306462/1/A1.

Nadere informatie

het college van bestuur van de Universiteit Leiden, gevestigd te Leiden, verweerder.

het college van bestuur van de Universiteit Leiden, gevestigd te Leiden, verweerder. Zaaknummer: 2008/008 Rechter(s): mrs. Loeb, Lubberdink, Mollee Datum uitspraak: 20 juni 2008 Partijen: appellant tegen college van bestuur van de Universiteit Leiden Trefwoorden: Bijzondere omstandigheden,

Nadere informatie

de voorzitter van het managementteam van de eenheid Belastinqdienat^ÉI^ van de rijksbelastingdienst, hierna: de Inspecteur,

de voorzitter van het managementteam van de eenheid Belastinqdienat^ÉI^ van de rijksbelastingdienst, hierna: de Inspecteur, uitspraak / GERECHTSHOF 's-hertogenbosch Sector belastingrecht Eerste meervoudige Belastingkamer Kenmerk: 09/00515 Uitspraak van de eerste meervoudige Belastingkamer op het hoger beroep van de voorzitter

Nadere informatie

TAR 2008/32: nieuw ontslag op een andere grond met oude ontslagdatum

TAR 2008/32: nieuw ontslag op een andere grond met oude ontslagdatum Page 1 of 7 TAR 2008/32: nieuw ontslag op een andere grond met oude ontslagdatum Instantie: Rechtbank Assen (Kantonrechter, Datum: 22 november 2007 voorzieningenrechter) Magistraten: Bartstra Zaaknr: 07/838

Nadere informatie

CENTRALE RAAD VAN BEROEP MEERVOUDIGE KAMER U I T S P R A A K

CENTRALE RAAD VAN BEROEP MEERVOUDIGE KAMER U I T S P R A A K CENTRALE RAAD VAN BEROEP MEERVOUDIGE KAMER 08/5117 WWB 08/5118 WWB U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante] (hierna: appellante) en [appellant] (hierna: appellant), beiden wonende te Amsterdam,

Nadere informatie

College van Beroep voor het bedrijfsleven (VV), AWB 13/159, LJN: BZ8475

College van Beroep voor het bedrijfsleven (VV), AWB 13/159, LJN: BZ8475 21-03-2013 College van Beroep voor het bedrijfsleven (VV), AWB 13/159, LJN: BZ8475 Datum uitspraak: 21-03-2013 Datum publicatie: 24-04-2013 Rechtsgebied: Bestuursrecht overig Soort procedure: Voorlopige

Nadere informatie

CENTRALE RAAD VAN BEROEP MEERVOUDIGE KAMER U I T S P R A A K

CENTRALE RAAD VAN BEROEP MEERVOUDIGE KAMER U I T S P R A A K CENTRALE RAAD VAN BEROEP MEERVOUDIGE KAMER 07/6943 WWB 07/6944 WWB U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank

Nadere informatie

PDF hosted at the Radboud Repository of the Radboud University Nijmegen

PDF hosted at the Radboud Repository of the Radboud University Nijmegen PDF hosted at the Radboud Repository of the Radboud University Nijmegen The following full text is a publisher's version. For additional information about this publication click this link. http://hdl.handle.net/2066/77981

Nadere informatie

LJN: BX6509, Raad van State, 201201225/1/A1. Datum uitspraak: 05-09-2012 Datum publicatie: 05-09-2012

LJN: BX6509, Raad van State, 201201225/1/A1. Datum uitspraak: 05-09-2012 Datum publicatie: 05-09-2012 LJN: BX6509, Raad van State, 201201225/1/A1 Datum uitspraak: 05-09-2012 Datum publicatie: Rechtsgebied: 05-09-2012 Bestuursrecht overig Soort procedure: Hoger beroep Inhoudsindicatie: Afwijzing handhavingsverzoek

Nadere informatie

het College van Bestuur van C, gevestigd te B, verweerder, hierna te noemen de werkgever gemachtigde: mr. S.A. van Lammeren

het College van Bestuur van C, gevestigd te B, verweerder, hierna te noemen de werkgever gemachtigde: mr. S.A. van Lammeren SAMENVATTING 104767 Werkneemster is wegens plichtsverzuim ontslagen omdat zij weigerde in gesprek te gaan over de aard van haar problemen, over mediation, over werkhervatting en over de aangeboden passende

Nadere informatie

JB 1999/256 Rechtbank Amsterdam, 09-08-1999, AWB 98/3128 HUISV 06 Besluit (huisnummerbeschikking), Mededeling omtrent feiten

JB 1999/256 Rechtbank Amsterdam, 09-08-1999, AWB 98/3128 HUISV 06 Besluit (huisnummerbeschikking), Mededeling omtrent feiten JB 1999/256 Rechtbank Amsterdam, 09-08-1999, AWB 98/3128 HUISV 06 Besluit (huisnummerbeschikking), Mededeling omtrent feiten Aflevering 1999 afl. 13 College Rechtbank Amsterdam Datum 9 augustus 1999 Rolnummer

Nadere informatie

CENTRALE RAAD VAN BEROEP U I T S P R A A K. [appellante], appellante, en [appellant], appellant, beiden wonende te [woonplaats],

CENTRALE RAAD VAN BEROEP U I T S P R A A K. [appellante], appellante, en [appellant], appellant, beiden wonende te [woonplaats], CENTRALE RAAD VAN BEROEP 00/3642 NABW 00/3649 NABW U I T S P R A A K in de gedingen tussen: [appellante], appellante, en [appellant], appellant, beiden wonende te [woonplaats], en het College van burgemeester

Nadere informatie

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. Uitspraak Voorzieningenrechter van de rechtbank 's-gravenhage sector bestuursrecht vreemdelingenkamer UITSPRAAK ingevolge artikel 8:84 Algemene wet bestuursrecht Reg.nr : AWB 08/11247 BEPTDN Inzake : [verzoekster],

Nadere informatie

19-03-2015 03-04-2015 13-4235 AW. Ambtenarenrecht. Hoger beroep

19-03-2015 03-04-2015 13-4235 AW. Ambtenarenrecht. Hoger beroep Instantie Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 19-03-2015 03-04-2015 13-4235 AW Ambtenarenrecht Hoger beroep Het hoger

Nadere informatie

18 december 2007 Uitspraak Raad van State 31 oktober 2007; nieuwe beslissing op bezwaar

18 december 2007 Uitspraak Raad van State 31 oktober 2007; nieuwe beslissing op bezwaar Stichting Algemene Programma Raad (APR) p/a Hellingman Bunders advocaten t.a.v. mr. M. Bunders Postbus 75401 1070 AK AMSTERDAM Datum Onderwerp 18 december 2007 Uitspraak Raad van State 31 oktober 2007;

Nadere informatie

Zaaknummer : 2014/145

Zaaknummer : 2014/145 Zaaknummer : 2014/145 Rechter(s) : mr. Olivier Datum uitspraak : 10 december 2014 Partijen : Appellant en CBE Hogeschool van Amsterdam Trefwoorden : (schriftelijk) advies studentendecaan, bindend negatief

Nadere informatie

Uitspraak 201307838/3/R3 Raad van State Lees voor Lettergrootte Home Publicaties Veelgestelde vragen Contact Zoeken in Home Over de Raad van State Onze werkwijze Adviezen Uitspraken Agenda Pers Werken

Nadere informatie

Gezien het voorstel van Gedeputeerde Staten, d.d. 21 juli 2009, nr. 2009-013327,

Gezien het voorstel van Gedeputeerde Staten, d.d. 21 juli 2009, nr. 2009-013327, Provinciale Staten Vergadering d.d. 23 september 2009 Besluit nr. PS2009-658 PROVINCIALE STATEN VAN GELDERLAND Gezien het voorstel van Gedeputeerde Staten, d.d. 21 juli 2009, nr. 2009-013327, Gelet op

Nadere informatie

RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN. Voor zover voor de beoordeling van de klacht van belang, is het navolgende gebleken.

RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN. Voor zover voor de beoordeling van de klacht van belang, is het navolgende gebleken. RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN U I T S P R A A K Nr. i n d e k l a c h t nr. 2005.2662 (068.05) ingediend door: hierna te noemen 'klagers', tegen: hierna te noemen 'verzekeraar'. De Raad van Toezicht

Nadere informatie

Commissie van Beroep PO

Commissie van Beroep PO 106226 - Beroepen tegen vermindering betrekkingsomvang; SAMENVATTING Werknemers zijn bij de werkgever in vaste dienst met een betrekkingsomvang boven de normbetrekking van 1 wtf. Omdat de werkgever vele

Nadere informatie

http://zoeken.rechtspraak.nl/resultpage.aspx

http://zoeken.rechtspraak.nl/resultpage.aspx pagina 1 van 5 LJN: BW5380, Gerechtshof Leeuwarden, BK 11/00154 Inkomstenbelasting Datum 08-05-2012 uitspraak: Datum 10-05-2012 publicatie: Rechtsgebied: Belasting Soort procedure: Hoger beroep Inhoudsindicatie:In

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Raad vanstate 201 202934/1 /V3. Datum uitspraak: 25 juli 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het

Nadere informatie

ECLI:NL:GHAMS:2014:310

ECLI:NL:GHAMS:2014:310 pagina 1 van 6 ECLI:NL:GHAMS:2014:310 Instantie Datum uitspraak 30-01-2014 Datum publicatie 12-02-2014 Zaaknummer 12/00966 Rechtsgebieden Gerechtshof Amsterdam Belastingrecht Bijzondere kenmerken Hoger

Nadere informatie

Uitspraak 201306462/1/A1

Uitspraak 201306462/1/A1 Uitspraak 201306462/1/A1 DATUM VAN UITSPRAAK woensdag 25 juni 2014 TEGEN PROCEDURESOORT RECHTSGEBIED het college van burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug Hoger beroep Algemene kamer - Hoger

Nadere informatie

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) f,r'- J Wop uitspraak RECHTBAN ARNHEM Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) VM 1 o HAART 2008 inzake \f de erven van

Nadere informatie

' s Sftg. de Rechtspraak. Over het beroep met procedurenummer 11 / 685 WOB JAN 1 deel ik u het volgende mee.

' s Sftg. de Rechtspraak. Over het beroep met procedurenummer 11 / 685 WOB JAN 1 deel ik u het volgende mee. ' s Sftg -IKdV.2011 de Rechtspraak datum onderdeel contactpersoon doorkiesnummer ons kenmerk uw kenmerk biilage(n) faxnummer afdeling onderwerp De heer mr. J.C. Binnerts Postbus 280 2000 AG Haarlem 28

Nadere informatie

11-09-2015 21-09-2015 14/00330. Belastingrecht. Hoger beroep

11-09-2015 21-09-2015 14/00330. Belastingrecht. Hoger beroep ECLI:NL:GHSHE:2015:3523 http://deeplink. Deeplink Instantie Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Gerechtshof 's-hertogenbosch 11-09-2015 21-09-2015

Nadere informatie

12/4521 APPA-VV, 12/4523 APPA-W, 12/4525 APPA-W, 12/4696 APPA-VV 12/4522 APPA, 12/4356 APPA, 12/4524 APPA, 4695 APPA

12/4521 APPA-VV, 12/4523 APPA-W, 12/4525 APPA-W, 12/4696 APPA-VV 12/4522 APPA, 12/4356 APPA, 12/4524 APPA, 4695 APPA 12/4521 APPA-VV, 12/4523 APPA-W, 12/4525 APPA-W, 12/4696 APPA-VV 12/4522 APPA, 12/4356 APPA, 12/4524 APPA, 4695 APPA Centrale Uitspraak op de verzoeken om voorlopige voorziening in verband met de gedingen

Nadere informatie

Echtscheidingsproblematiek. Optreden als makelaar op grond van rechterlijk vonnis. Contact met advocaten van partijen.

Echtscheidingsproblematiek. Optreden als makelaar op grond van rechterlijk vonnis. Contact met advocaten van partijen. Echtscheidingsproblematiek. Optreden als makelaar op grond van rechterlijk vonnis. Contact met advocaten van partijen. Een makelaar is door de rechtbank als deskundige benoemd om te komen tot de verkoop

Nadere informatie

106593 - Docente terecht op staande voet ontslagen omdat zij stagebezoeken heeft gefingeerd en hiervoor reiskostendeclaraties heeft ingediend.

106593 - Docente terecht op staande voet ontslagen omdat zij stagebezoeken heeft gefingeerd en hiervoor reiskostendeclaraties heeft ingediend. 106593 - Docente terecht op staande voet ontslagen omdat zij stagebezoeken heeft gefingeerd en hiervoor reiskostendeclaraties heeft ingediend. in het geding tussen: UITSPRAAK mevrouw A, wonende te B, appellante,

Nadere informatie

Print deze uitspraak rechtsgebied. Kamer 2 - Milieu - Bestuursdwang / E-mail deze uitspraak

Print deze uitspraak rechtsgebied. Kamer 2 - Milieu - Bestuursdwang / E-mail deze uitspraak Essentie uitspraak: Indien in een inrichting meerdere overslag- of laad- en losgedeelten aanwezig zijn, mag per overslag- of laad- en losgedeelte maximaal 10.000 kilogram gevaarlijke stoffen tijdelijk

Nadere informatie

Afd eli n g bes tuursrechtspraak TEAM: Behandelend amhten.iar P. Slappendel 070-4264288

Afd eli n g bes tuursrechtspraak TEAM: Behandelend amhten.iar P. Slappendel 070-4264288 Raad vanstate Afd eli n g bes tuursrechtspraak TEAM: INGEK. - 8 MEI ZOU DOC NR.: Raad van de gemeente Sint-Oedenrode Postbus 44 5490 AA SINT OEDENRODE Datum Ons nummer Uw kenmerk 7 mei 2014 201 301 984/3/R3

Nadere informatie

SAMENVATTING. 106233 - Beroep ontslag wegens arbeidsongeschiktheid, subsidiair wegens gewichtige redenen; BVE

SAMENVATTING. 106233 - Beroep ontslag wegens arbeidsongeschiktheid, subsidiair wegens gewichtige redenen; BVE SAMENVATTING 106233 - Beroep ontslag wegens arbeidsongeschiktheid, subsidiair wegens gewichtige redenen; De werkgever heeft de arbeidsovereenkomst wegens blijvende arbeidsongeschiktheid opgezegd op het

Nadere informatie

betreft: [klager] datum: 2 februari 2015

betreft: [klager] datum: 2 februari 2015 nummer: 14/3322/GA en 14/3394/GA betreft: [klager] datum: 2 februari 2015 De beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van bij

Nadere informatie

Uitspraak GERECHTSHOF s-hertogenbosch Uitspraak op het hoger beroep van de heer [belanghebbende], belanghebbende

Uitspraak GERECHTSHOF s-hertogenbosch Uitspraak op het hoger beroep van de heer [belanghebbende], belanghebbende Uitspraak GERECHTSHOF s-hertogenbosch Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Kenmerk: 13/00784 Uitspraak op het hoger beroep van de heer [belanghebbende], wonende te [woonplaats], hierna: belanghebbende,

Nadere informatie

MEINDERT OOSTERHOF, in zijn hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder, kantoorhoudende te Drachten,

MEINDERT OOSTERHOF, in zijn hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder, kantoorhoudende te Drachten, Vonnis RECHTBANK LEEUWARDEN Sector kanton Locatie Heerenveen zaak-/rolnummer: 371218 CV EXPL i 1-5231 vonnis van de kantonrechter d.d. 14 maart 2012 inzake X wonende te eiser. procederende met toevoeging.

Nadere informatie

Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade gemeente Renkum

Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade gemeente Renkum Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade gemeente Renkum De raad van de gemeente Renkum; Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 11 december 2012; Gelet op artikel

Nadere informatie

Zaaknummer : CBHO 2015/104 Rechter(s) : mrs. Olivier, Van der Spoel en Verheij Datum uitspraak : 5 november 2015 Partijen : Appellante en

Zaaknummer : CBHO 2015/104 Rechter(s) : mrs. Olivier, Van der Spoel en Verheij Datum uitspraak : 5 november 2015 Partijen : Appellante en Zaaknummer : CBHO 2015/104 Rechter(s) : mrs. Olivier, Van der Spoel en Verheij Datum uitspraak : 5 november 2015 Partijen : Appellante en Universiteit Maastricht Trefwoorden : algemeen verbindend voorschrift

Nadere informatie

3 oktober 2012 heeft plaatsgevonden, leidt niet tot een ander oordeel.

3 oktober 2012 heeft plaatsgevonden, leidt niet tot een ander oordeel. Zaaknummer : 2013/073 Rechter(s) : mrs. Loeb, Troostwijk, Van der Spoel Datum uitspraak : 7 oktober 2013 Partijen : Appellante tegen Rijksuniversiteit Groningen Trefwoorden : Aanmelding, afstudeertijdstip,

Nadere informatie

Leidraad voor het nakijken van de toets BESTUURSPROCESRECHT 19 juni 2009

Leidraad voor het nakijken van de toets BESTUURSPROCESRECHT 19 juni 2009 Leidraad voor het nakijken van de toets BESTUURSPROCESRECHT 19 juni 2009 OPGAVE 1 (34 punten) Vraag 1.1 (5 punten) Er staan geen bestuursrechtelijke rechtsmiddelen open. Het voorbereidingsbesluit van artikel

Nadere informatie

Afdeling bestuursrechtspraak. Behandelend ambtenaar. I.P». Feis 070-4264578

Afdeling bestuursrechtspraak. Behandelend ambtenaar. I.P». Feis 070-4264578 Raad vanstate Afdeling bestuursrechtspraak IN14.0053S llltillullllllilllill College van burgemeester en wethouders van Beuningen Postbus 14 6640 AA BEUNINGEN GLD GEMEENTE BEÜNt, ocn INGEKOMEN 0 3 FEB 2011

Nadere informatie

Zaaknummer: 2000/026 en 2000/026.1 Rechter(s): mr. Olivier Datum uitspraak: 22 mei 2000 X tegen het college van bestuur van de Universiteit Leiden

Zaaknummer: 2000/026 en 2000/026.1 Rechter(s): mr. Olivier Datum uitspraak: 22 mei 2000 X tegen het college van bestuur van de Universiteit Leiden Zaaknummer: 2000/026 en 2000/026.1 Rechter(s): mr. Olivier Datum uitspraak: 22 mei 2000 Partijen: X tegen het college van bestuur van de Universiteit Leiden Trefwoorden: Algemeen verbindend voorschrift,

Nadere informatie

S QÉMEEKT 1 ING. r j in hh. i i l. Uw kenmerk

S QÉMEEKT 1 ING. r j in hh. i i l. Uw kenmerk Raad van State Af d c 11 n g b e s tim rsrc c h tspraa k S QÉMEEKT 1 ING i bi r j in hh. i i l Stuknummer: AH 5.00288 Raad van de gemeente Den Helder Postbus 36 1780 AA DEN HELDER r j Datum 1 5 januari

Nadere informatie