The standard for both surveyors and civil engineers. Handleiding

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "The standard for both surveyors and civil engineers. Handleiding"

Transcriptie

1 The standard for both surveyors and civil engineers Handleiding

2

3 De informatie in dit document kan zonder mededeling gewijzigd worden en houdt geen enkele verbintenis in vanwege Pythagoras BVBA. De in dit document beschreven software werd ontwikkeld door Pythagoras BVBA en mag niet door of voor derden gekopieerd worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Pythagoras BVBA Pythagoras CAD+GIS V12.14 Referentie Gids Februari 2010 Trademarks Microsoft en Windows zijn trademarks van Microsoft Corporation. IBM is een "registered trademark" van International Business Machines Corporation. Copyright Pythagoras BVBA. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, vertaling of opgeslagen worden in een retrieval systeem zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Pythagoras BVBA.

4

5 REFERENTIE... 1 DEEL I CONCEPTEN EN TERMINOLOGIE... 3 HOOFDSTUK 1: COÖRDINATENSYSTEMEN... 5 Het Coördinaten Referentiesysteem...5 Paspunten...7 Het Lokaal Coördinatensysteem...8 Het Globaal Coördinatensysteem...8 Het Eigen Coördinatensysteem...8 Het Paginacoördinatensysteem...9 Het Tijdelijk Coördinatensysteem...9 Aangrijpen Puntnummer Subdocumenten Lagen Symbolen / Lijnstijlen / Patronen Groepen Beelden Niveaus Uitzichten Viewport Planbladen HOOFDSTUK 3: PYTHAGORAS DATABANK Datatypes en Waarden Benaming Tabellen Attribuut Tabellen Dictionary Tabellen Tabellen en subdocumenten Tabelkolommen Indexeren Referenties Systeemtabellen (voorgedefinieerde uitzichten) Databank Uitzichten Eenvoudig Uitzicht Samengesteld Uitzicht Ruimtelijke Combinatie Validiteit / Bewaren Tabelinhoud i

6 Data- en Structuurbescherming HOOFDSTUK 4: UITDRUKKINGEN HOOFDSTUK 5: THEMATISCHE KAARTEN Voorbeeld Thematische Kaart Conditionering Ruimtelijke Interpolatie HOOFDSTUK 6: TERREINMODELLEN DTM Aanmaken Berekeningen op een DTM Volumeberekening Profielen Wegontwerp Een DTM bewerken HOOFDSTUK 7: MACRO S Pythagoras VBA Pythagoras Macrobibliotheken Macrobeheer HOOFDSTUK 8: STANDAARDINSTELLINGEN Grafische Attributen Eigen Instellingen Documentinstellingen Voorkeuren HOOFDSTUK 9: TEKST BEWERKEN ASCII editor RTF editor VBA editor HOOFDSTUK 10: PYTHAGORAS WERKBALK Een coördinaten referentiesysteem selecteren Attributen (eigenschappen) kopiëren van het geselecteerde object Attributen (eigenschappen) toepassen op geselecteerde objecten Opmeten van een detailpunt en uitzetten van een geselecteerd punt Een Laag Actief Maken Een Eigen Instelling Actief Maken Macro-knoppen (Pythagoras VBA) HOOFDSTUK 11: PYTHAGORAS CONTROLEPANEEL Het Coördinatensysteem Selecteren Rechthoekige/Polaire Coördinaten Selecteren DEEL II MENUFUNCTIE HOOFDSTUK 1: HET MENU BESTAND Nieuw ii

7 Open Sluit Bewaar Bewaar Als Tekening Info Importeer Coördinatenlijst DXF/DWG-bestand SHAPE-bestand Datatabel SICAD-SQD Veldgeheugen Beeld Lijst met beelden Exporteer Coördinatenlijst DXF/DWG-Bestand (AutoDesk uitwisselingsformaat/autocad Drawing-formaat) Terreinmodel Beeld SHAPE Datatabel Google Earth SICAD-SQD Objectenlijst Uitzetlijst Open Tekstdocument Lagen Organiseren van Subdocumenten Databank Databankbeheer Tabelstructuur Eenvoudig Uitzicht Samengesteld Uitzicht Tabelinhoud Sturen Standaardbrief Thematische kaarten Beheer thematische kaarten Thematische kaarten Editor Voorstelling Automatische Opvulling Speciaal geval : Ruimtelijke Interpolatie Terreinmodellen Symbolen iii

8 Symboolbeheer Creëer Symbool Creëer Lijnstijl Creëer Patroon Creëer Dwarsprofiel Importeer Systeemsymbolen Exporteer Systeemsymbolen Macro s Laad Macrobibliotheek Macrobibliotheek Macro editor Importeer Systeemmacro s Exporteer Systeemmacro s Paspunten Selecteer Planblad (Print Planblad) Planbladbeheer (Print) Planblad Printer Bladschikking Print Recente Documenten Stop Over HOOFDSTUK 2: HET MENU BEWERKEN Herstel Herdoe Selecteer Zoek Knip Kopieer Pythagoras-klembord Windows-klembord Actief terreinmodel kopiëren Plak Plak Speciaal Wis Knip weg Verplaats Roteer Dupliceer Wis Coördinatensysteem Aanpassen Bewaar alle gewijzigde beelden iv

9 Omzetten naar polylijnen Lokaal Pagina Pagina Lokaal Groepeer Scheid Splits op Selecteer Printgebied Wis Printgebied HOOFDSTUK 3: HET MENU WERKTUIGEN Inleiding Gebruik van de ESCAPE-Toets bij het Aanmaken van Objecten De Positie van een Object Invoeren met hulp van het Controlepaneel Courante werktuigen Standaardattributen - Actieve Laag Macro uitvoeren Selecteer Selectiemogelijkheden Informatie over Objecten Opvragen Objecten Selecteren Tekst Slepen Bewerkingen op Geselecteerde Objecten Aligneer Verbind Knip uit Verdeel Maak Snijpunt Verleng Knip weg Nieuw Object Symbool Rich Text Gealigneerde Rich Text Curve Clothoïde Bewerk Lijn Bewerk Kromme Bewerk Polygoon Bewerk Pad Bewerk Groep DTM Verwissel Diagonaal Verwijder Driehoek Vertex Verplaatsen v

10 Vertex Toevoegen Vertex Verwijderen Wijzig Hoogte Lasso Gom Maten Lijnen Polygoon: Oppervlakte en Omtrek Annotatie Creëer Viewport Eigen werktuig HOOFDSTUK 4: HET MENU OPMAAK Eigenschappen Kopieer Plak Lijst met Eigen Instellingen Data Kopieer Plak Puntstijl Bibliotheeksymbool Documentsymbool Lijnstijl Bibliotheek Lijnstijl Document Lijnstijl Lijndikte Lijn pijltjes Kromming Teksteigenschappen Tekstinhoud Patroon Bibliotheek Patroon Document Patroon Polygoon Schaal Symbool Tekst Beeld Lijn Patroon Aligneer Patroon Tekst vi

11 Symbool Beeld Laag Niveau Kleur Bewerking Hernummer punten Coördinatenlijst Polygonenlijst Hoogte aanpassen Commentaar aanpassen Annotatie HOOFDSTUK 5: HET MENU INSTELLING Aangrijpen Eigen Instelling Puntstijl Lijnstijl Lijndikte Lijnpijltjes Tekst Polygoon Niveau Kleur Standaard instellingen Eigen instellingen Herstel Bewaar Documentinstellingen Puntbevestiging Schaalfactor Pagina-Coördinaten Volgende puntnummer Kaarthoek van de tekening Coördinaten Referentiesysteem instellen Voorkeuren Eenheden Annotaties Datum en tijd Veldgeheugen CRS Laad Andere HOOFDSTUK 6: HET MENU VENSTER Zoom In Zoom Uit Werkelijke Grootte Vul Venster vii

12 Weergave-opties Legende Object Informatie Kenmerken Data Info Open extern bestand Maak koppeling extern bestand Folder externe bestanden Extern bestand mode Wegontwerp Google Earth Werkbalken Actieve DTM Configuratie Eigen Instellingen Tekenfuncties Lagen Macrobibliotheek Planblad Aangrijpinfo Standaard Subdocument Uitzicht Werkbalken aanpassen Tekeningen in het Venstermenu HOOFDSTUK 7: HET MENU BEREKEN Snijpunten Middelpunt Rooster Best passende Veelhoeksmeting Voorwaartse Insnijding Achterwaartse Insnijding Transformatie Transformatie over 2 punten Helmert transformatie Affine transformatie Hoogte aanpassen Transformeer naar een Coördinaten Referentiesysteem DTM Terreinmodel Combinatie van 2 terreinmodellen viii

13 Verwijder grensdriehoeken Genereer Delauney Wijzig hoogte Hoogtelijnen Volumes Profielen D-Zicht Talud D-Oppervlakte DEEL III WEGONTWERP HOOFDSTUK 1: CONCEPTEN Het planvenster Het profielvenster Het dwarsprofielvenster Types dwarsprofielen Het afwerken van lengte- en dwarsprofielen HOOFDSTUK 2: MENU S Bestand Bewerken Werktuigen Overgang Instellingen Bereken DEEL IV UITDRUKKINGEN HOOFDSTUK 1: GENERAL TERMS Lexemes Constants Field names Function names Prefixes Separating dot Operators Item separator Parentheses Language versions Preferences Localization HOOFDSTUK 2: SYNTAX AND SEMANTICS Data types Type coercion ix

14 NULL value Comparison operations Arithmetic operations Unary minus Addition Subtraction Multiplication Division String concatenation HOOFDSTUK 3: FUNCTIONS Function calls Prefixing Type conversions Unit conversion XY assembler and disassemblers Comparison functions Logical functions Function IF Function COALESCE Functions MINIMUM and MAXIMUM Numeric functions Date/time functions String functions Function OBJECT Graphic object features Pythagoras specific functions Aggregate functions HOOFDSTUK 4: EXPRESSION KINDS AND COMPILATION Expression kinds Determining main or auxiliary rowset Expression compilation HOOFDSTUK 5: EXAMPLES One-dimensional expressions Without aggregate functions Using aggregate functions Aggregations views APPENDIX APPENDIX A: FORMAAT COÖRDINATENLIJST Inleiding x

15 De Structuur APPENDIX B: SNELTOETSEN Inleiding Overzicht APPENDIX C: PLAATSHOUDERS Inleiding Overzicht van de mogelijke plaatshouders APPENDIX D: HET PYTHAGOR.INI-BESTAND MAXIDS MAXUNDO EXT_DC_IMPORT EXT_DC_EXPORT MOUSE_WHEEL_ZOOMING AUTOMATIC_BACKUP AUTOMATIC_SAVE AUTOMATIC_SAVE_INTERVAL CMDLINE APPENDIX E: SYSTEEMBESTANDEN BEWAREN xi

16 xii

17 Referentie 1

18 2

19 Deel I Concepten en Terminologie 3

20 4

21 Hoofdstuk 1: Coördinatensystemen Pythagoras ondersteunt 5 types coördinatensystemen. Het is belangrijk dat u begrijpt op welke principes elk coördinatensysteem steunt zodat u ze ook correct kan gebruiken. Deze 5 types Coördinatensystemen zijn: Het Lokaal Coördinatensysteem. Het Globaal Coördinatensysteem. Het Eigen Coördinatensysteem. Het Pagina Coördinatensysteem. Het Tijdelijk Coördinatensysteem. Voor het uitdrukken van coördinaten ondersteunt Pythagoras de volgende conventies: XYZ: rechthoekige coördinaten die in een XYZ- (horizontale X-as) coördinatensysteem uitgedrukt worden. NOZ: rechthoekige coördinaten: Noord, Oost, Elevatie (Z). HDZ: Horizontale hoek, Afstand (horizontaal), Elevatie (Z). HVD: Horizontale hoek, Verticale hoek, Afstand (horizontaal). HVS: Horizontale hoek, Verticale hoek, Schuine Afstand. CDZ: Cumulatie, Afstand en Elevatie (Z). CRS: Coördinaten Referentiesysteem. In het Lokaal, Globaal en Eigen coördinatensysteem kan u coördinaten invoeren ofwel posities opvragen in elk van de hierboven beschreven conventies. Op elk moment kan u wisselen tussen de hierboven beschreven conventies, zoals verder zal worden uitgelegd. Standaardinstellingen: definitie van de referentie-as. Zowel XYZ (horizontale X-as) als NOZ (Noord(Y)-Oost(X)) worden ondersteund. Standaard: NOZ. lengte-eenheid: kan ingesteld worden op meter, mm, mijl of voet. Standaard: meter. hoekeenheid: GON (GRAD), Graden, Radialen of Mil. Standaard: GON. hoekrichting: uurwijzerzin of tegenuurwijzerzin. Standaard: uurwijzerzin. elevatie: (Z) komt overeen met ons natuurlijk gevoel voor elevatie; hogere posities resulteren in grotere waarden. Bij het gebruik van het HVS- of HVD-systeem heeft de verticale hoek ofwel het zenit als basis (100 GRAD = horizontaal) ofwel de horizon als basis. De standaardmaateenheden voor de hierboven opgesomde waarden kunnen op elk moment gewijzigd worden. Als u een nieuwe standaardinstelling kiest voor een gegeven waarde, dan blijft die nieuwe standaardinstelling geldig zelfs als u Pythagoras verlaat of uw computer uitzet. Het Coördinaten Referentiesysteem Het Coördinaten Referentiesysteem (CRS) bestaat uit: 5

22 een Geografisch Coördinatensysteem en een Kaartprojectiesysteem, zodanig dat elk punt op Aarde kan voorgesteld worden op een plat vlak. Het Geografisch Coördinatensysteem wordt gedefinieerd door een ellipsoïde en de datum (= de definitie van de oorsprong en de oriëntatie). Deze twee elementen samen zijn voldoende om een systeem te bepalen om eender welk punt, ter land of ter zee, ondubbelzinnig te bepalen in een bepaalde regio. Er bestaan honderden geodetische data en projectiesystemen, afhankelijk van regio en toepassingsgebied. Meer informatie hierover kan u vinden op onderstaande links: - Geografische coördinatensystemen: - Kaartprojecties: - Coördinaten Referntiesystemen en positionering: oning - Information and Service System for European Coordinate Reference Systems: Pythagoras bevat momenteel meer dan 50 voorgedefinieerde Coördinaten Referentiesystemen, die gebruikt worden in een specifiek land of regio Pythagoras bevat momenteel meer da n 50 voorgedefinieerde Coördinaten Referentiesystemen, die gebruikt worden in een specifiek land of bepaalde regio, en UTM. Enkele voorbeelden: - UTM (gebaseerd op WGS84) - Lambert 72 België - Lambert 2008 België - RD (Rijksdriehoeknet) Nederland - GK (4 zones) in Duitsland Coördinaten in deze systemen worden voorgesteld in een XY coördinatensysteem. Geografische coördinaten (breedtegraad, lengtegraad) worden eveneens ondersteund. Het aantal CRS en zal toenemen met de vraag en de beschikbare informatie. Pythagoras voorziet u van werktuigen om: - Data van een verschillend CRS te gebruiken in eenzelfde tekening. B.v.: het toevoegen van een tekening in Lambert 72 in een tekening in UTM Z31. - Een tekening te converteren van één CRS naar een ander. B.v.: van Lambert 72 naar Lambert Geografische coördinaten te converteren naar cartesische. B.v.: importeren van een Shape file in WGS84 in een tekening met coördinaten in Lambert In real-time posities in een tekening te converteren van het ene CRS naar het andere, evenals naar geografische coördinaten. B.v.: In een tekening in Lambert 72 de cursorpositie weergeven in WGS84. Bij het veranderen van één CRS naar een ander, moet u rekening houden met een aantal beperkingen: - In een tekening kan slechts één CRS actief zijn. - Elk CRS bevat een afgebakende zone waarbinnen punten met hoge nauwkeurigheid gekend zijn. Wanneer u dus overschakelt naar een ander CRS, de data kan betekenisloos of onnauwkeurig worden. Tijdens 6

23 importeer of plak commando s kunnen objecten die buiten de zone van het actieve CRS vallen, verloren gaan. Paspunten Tussen een aantal systemen is het mogelijk transformaties met een hoge nauwkeurigheid te verkrijgen door gebruik te maken van paspunten. Als een aantal punten gekend zijn in CRS 1 en CRS 2, dan zal Pythagoras deze informatie kunnen gebruiken om de nauwkeurigheid van de andere punten in het zelfde gebied te verbeteren. Veronderstel dat een set punten gekend is in twee coördinaten referentie systemen: GK2 en UTM. Op deze set punten zal Pythagoras een aantal berekeningen doen zodat een punt dat niet tot de originele set behoorde toch nauwkeurig kan omgezet worden van het ene CRS naar het andere CRS. De originele set noemen we een set Paspunten. De laatste berekening is een Helmert transformatie. Deze geeft een translatie (dx, dy), een rotatie (Fi) en een schaalfactor voor de conversie. Voor elk punt in de set wordt eveneens een residu (fx,fy) berekent. Dit residu is het verschil tussen de UTM coördinaat in de paspunten set en de UTM coördinaat die bekomen werd na transformatie. De verschillende stappen om een punt (xy) om te zetten van GK2 naar UTM door middel van paspunten zijn: 1. Transformatie van het punt xy van GK2 naar UTM punt xy 2. Helmerttransformatie (voor de set paspunten) van het punt xy punt xy 3. Uitvlakken van de residu s Residu s worden op volgende manieren opgevat: - Residu s niet uitvlakken: geen verdere correcties nodig - Natural Neighbours volgens afstand: hier wordt gebruik gemaakt van de afstand van het punt tot zijn Natural Neighbours van de set paspunten - Natural Neighbours volgens oppervlakte: zelfde als hiervoor, enkel wordt hier de oppervlakte gebruikt wanneer het geïnterpoleerde punt wordt toegevoegd Een set paspunten kan geïmporteerd worden door middel van het Paspuntenbeheer (Deel II, Hoofdstuk 1, Paspunten). Het ASCII bestand met een set paspunten heeft een speciaal formaat. Dit formaat hangt af de ingestelde eenheden in Pythagoras en de coördinatenvolgorde op het moment dat het bestand wordt ingelezen. Een set paspunten kan enkel gedefinieerd worden tussen projectiesystemen, geodetische coördinaten (WGS84) kunnen niet gebruikt worden. Het formaat van de set paspunten is vergelijkbaar met het formaat van de coördinatenlijst. De informatie van elk paspunt moet in één regel geplaatst worden en moet de volgende elementen bevatten: <PointId><separator> <first coordinate in Projection system 1><separator> <second coordinate in Projection system 1><separator> <first coordinate in Projection system 2><separator> <second coordinate in Projection system 2> 7

24 Tab of spatie kunnen als scheidingsteken gebruikt worden. Waarden kunnen een punt of komma als decimaalteken bevatten. Een commentaar kan toegevoegd worden door gebruik te maken van : of ;. UTM coördinaten moeten binnen de lang/kort/geen prefix instelling van de voorkeuren passen. Instellingen in verband met transformaties van paspunten worden beheert via het venster Selecteer Coördinaten Referentiesysteem. Bekijk Deel II: Het Lokaal Coördinatensysteem Dit is het basiscoördinatensysteem dat u hoofdzakelijk zal gebruiken als u met een nieuwe tekening van start gaat. Het Lokaal Coördinatensysteem komt meestal overeen met het lokaal coördinatensysteem dat u gebruikt heeft bij het opmeten van de landmeetkundige gegevens. De positie van het eerste station komt normaal gezien overeen met het beginpunt van het Lokaal coördinatensysteem en de referentierichting (Hor. Hoek = 0.0) komt overeen met de X-as of Noord-as (afhankelijk van de voorkeur voor XY of NO) van het Lokaal coördinatensysteem. Zoals verder zal worden uitgelegd, is het mogelijk om de tekening om het even waar op het Lokaal coördinatensysteem te positioneren. U kan de pagina roteren, naar boven of naar beneden verplaatsen en op schaal zetten. U kan dit op elk moment weer wijzigen zodat u uw tekening kan roteren en de meest geschikte schaal kan selecteren zodat de tekening uiteindelijk de pagina vult. Het Globaal Coördinatensysteem Het Globaal Coördinatensysteem wordt na transformatie gebruikt als u wil kopiëren en plakken tussen twee tekeningen met een verschillend lokaal coördinatensysteem. U moet de coördinaten van minstens twee punten kennen in zowel het lokaal als in het globaal coördinatensysteem. Eens dit systeem gedefinieerd is na transformatie, kan u zowel in globale als lokale coördinaten werken. De coördinatensysteem conventies die hiervoor beschreven werden, gelden voor het globaal coördinatensysteem met uitzondering van de polaire coördinaten die niet gebruikt kunnen worden. Een meer gedetailleerde beschrijving is terug te vinden in het deel over transformatie. Het Eigen Coördinatensysteem U kan zonder meer nieuwe coördinatensystemen definiëren. Deze krijgen de naam Eigen Coördinatensystemen (ECS) en u kan er maximaal 32 in éénzelfde tekening definiëren. Een ECS kan verwijderd worden indien u het slechts tijdelijk nodig heeft. Wanneer berekende coördinaten manueel ingevoerd worden, zal een nieuw stationpunt met een nieuw Eigen Coördinatensysteem overeenstemmen. 8

25 Om een Eigen Coördinatensysteem te definiëren, moet u slechts het beginpunt en een punt op de referentierichting kennen. De hiervoor beschreven coördinatensysteem conventies zijn van toepassing voor de Eigen Coördinatensystemen. U kan altijd wisselen tussen het lokaal coördinatensysteem en elk gedefinieerd eigen-coördinatensysteem. De gegevens in het controlepaneel stemmen altijd overeen met het geselecteerde coördinatensysteem. Dit geldt voor zowel het invoeren van gegevens als voor het tonen van gegevens. Op deze manier kan u de coördinaten van elk punt op uw tekening bekomen in elk van de gedefinieerde coördinatensystemen en zowel in XYZ-, NOZ-, HDZ-, HVD- als HVS-coördinaten. Opmerking: De elevatie van punten in een Eigen coördinatensysteem staat in relatie met de elevatie van het beginpunt van het Eigen coördinatensysteem. Het Paginacoördinatensysteem Dit coördinatensysteem houdt geen verband met de landmeetkundige gegevens. Het Pagina coördinatensysteem wordt gebruikt om gegevens te tekenen die niet gebonden zijn aan het plan. Dit kunnen eenvoudige dingen zijn zoals een boord rond de tekening. Maar ook meer complexe tekeningen die niets met de landmeetkundige gegevens te maken hebben (bijvoorbeeld de doorsnede van een wegfundering), worden in het Paginacoördinatensysteem gemaakt. Het beginpunt van het Pagina coördinatensysteem is de linkeronderhoek van de pagina en de X-as komt overeen met de onderkant van het blad. De positie van in paginacoördinaten gedefinieerde gegevens blijft ongewijzigd, zelfs als u de positie, de rotatie of de schaal van het Lokaal coördinatensysteem verandert. De in pagina-coördinaten gebruikte schaalfactor kan altijd veranderd worden, waardoor in éénzelfde tekening gegevens in verschillende schalen kunnen getekend worden. Eens u een schaalfactor definieert, is deze van toepassing voor alle elementen die in pagina-coördinaten gedefinieerd worden. Ook al worden er objecten in lokale coördinatensystemen en in paginacoördinatensystemen in eenzelfde tekening gedefinieerd, toch bestaat er geen verband tussen deze objecten. Het Tijdelijk Coördinatensysteem U kan in een tekening één tijdelijk coördinatensysteem aanmaken. Het Tijdelijk coördinatensysteem wordt niet opgeslagen in het document. Een oud Tijdelijk coördinatensysteem wordt automatisch vervangen wanneer u er een nieuw aanmaakt. Een Tijdelijk coördinatensysteem kan ofwel in het document ofwel op de pagina gecreëerd worden. Wordt het in het document aangemaakt, dan zijn alle regels met betrekking tot Eigen coördinatensystemen ook voor het Tijdelijk coördinatensysteem van toepassing. Wordt het Tijdelijk coördinatensysteem in het Pagina coördinatensysteem aangemaakt, dan verwijzen zowel de input- als de outputgegevens in het controlepaneel naar het Tijdelijk coördinatensysteem. 9

26 10 Het beginpunt is 0,0 en de coördinaten worden bepaald door de huidige schaal van de paginacoördinaten.

27 Hoofdstuk 2: Basisconcepten Aangrijpen Pythagoras zal een lijn, een punt, een boog, een cirkel of het middelpunt van een polygoon aangrijpen als de muis ongeveer 2 mm van het object verwijderd is. Dit aangrijpen wordt duidelijk weergegeven op het scherm. Het zogenaamde "vizier" zal op het object getoond worden. De vorm van het vizier is afhankelijk van het type object waarop het betrekking heeft. In het controlepaneel vindt u dan gegevens omtrent het object in het vizier. Bij het creëren van lijnen, bogen en cirkels kunnen andere aangrijpsymbolen verschijnen om aan te geven dat objecten tangentieel of loodrecht zijn. Het aangrijpen kan aan- of uitgezet worden. Dit kan ingesteld worden voor elk soort object afzonderlijk. (zie menu Instelling onder hoofdstuk 6) Via het View Menu -> Toolbars kan u een werkbalk activeren die het toelaat om de aangrijpmogelijkheden zowel te bekijken als te veranderen. Puntnummer Een puntnummer is de naam of een getal dat aan een punt toegekend werd. Elk punt in Pythagoras heeft een identiteit van max. 8 tekens lang. Geldige identiteiten zijn: 1, 1050, A punt, Punt 1, S1. Pythagoras verbindt geen inhoud aan deze naam die aan het punt wordt toegekend. Het puntnummer wordt toegekend ofwel door de gebruiker ofwel automatisch door Pythagoras op het moment dat een nieuw punt gecreëerd wordt. U kan trouwens op elk moment een beginpunt instellen waar het automatisch nummeren van puntidentiteiten dient te beginnen. Zie ook Documentinstellingen voor verdere details. Subdocumenten Subdocumenten laten het toe om tekeningen te creëren met miljoenen objecten zonder aan werkingssnelheid in te boeten. Het kan soms handig zijn om een aantal documenten met elkaar te verbinden, waardoor het één grote tekening lijkt. Bijvoorbeeld het bij elkaar brengen van verschillende gebieden van een stad in één groot stadsplan. Verder kan ook handig zijn om een basisplan te gebruiken als achtergrondkaart in een tekening. Het gebruik van subdocumenten geeft u deze mogelijkheden. U kan verschillende (grote/zware) documenten met elkaar verbinden. Zeker als de tekeningen te groot zijn om de klassieke kopieer- en plakfuncties te gebruiken, omdat de tekening dan onhandelbaar wordt. Het resultaat is, dat het lijkt alsof u in één grote tekening werkt. Alle subdocumenten in de tekening worden bewaard met een relatieve naamgeving. De bestandsnaam bevat de locatie van het subdocument, 11

28 relatief tot het hoofddocument. Een aanbeveling is om de subdocumenten te bewaren in dezelfde map als het hoofddocument. Dit om te vermijden dat de verbinding met deze subdocumenten verloren gaat als ze verplaatst worden. De mogelijkheid tot editeren en de zichtbaarheid kan aangepast worden. Ook kan u kiezen of eventuele aanpassingen aan de subdocumenten bewaard moeten worden of niet. Enkel zichtbare en bewerkbare subdocumenten kunnen een actieve status meekrijgen. Wees voorzichtig met het gebruik van coördinaten referentiesystemen in subdocumenten. Wanneer een CRS gedefinieerd werd in het hoofddocument, zou het subdocument hetzelfde CRS of geen CRS mogen bevatten. De lokale coördinaten van het hoofddocument en het subdocument zouden overeen moeten komen. Om het werken met subdocumenten te vergemakkelijken, is een concept toegevoegd: Configuratie Subdocumenten. Na het verbinden van de nodige documenten en het bepalen van hun status, kan u de configuratie bewaren worden door het toekennen van een naam. Een tekening kan verschillende configuraties bevatten waartussen snel gekozen kan worden. Verdere details rond dit onderdeel kan u terugvinden onder hoofdstuk 2: Subdocument Manager. Lagen Dankzij de lagen in Pythagoras kan u verwante delen van uw tekening groeperen. Lagen moet u zien als een set transparante vellen. Pythagoras ondersteunt maximaal 4095 lagen. U kan een laag een naam geven en u kan laag per laag of alle lagen in één keer zichtbaar/onzichtbaar, beschermd/onbeschermd en actief/niet-actief maken. Verder is het mogelijk om lagen in groepen onder te brengen zodat er nog meer structuur in de tekening zit. Deze attributen worden per document vastgelegd. Om tot een betere controle te komen van een groot aantal lagen, geeft Pythagoras de mogelijkheid om groepen te creëren. Deze groepen kunnen hernoemd en verwijderd worden. Een laag kan altijd uit een groep verwijderd worden en kan tot meerdere groepen of geen enkele groep behoren. Het voordeel van de geroepstructuur is dat wanneer u attributen van een bepaalde groep veranderd, de attributen van alle lagen in deze groep veranderen. Het beheren van lagen kan op deze manier sterk vereenvoudigd worden. De volgende attributen kunnen aan lagen en groepen toegewezen worden: - Zichtbaar: bepaalt of lagen zichtbaar zijn of niet - Beschermd: aanpassingen zijn niet toegestaan - Zet uit: de objecten in een laag zullen getoond worden, maar kunnen niet bewerkt of geselecteerd worden. Lagen kunnen ingesteld worden, zodat bepaalde informatie enkel zichtbaar is tussen twee schaalfactoren. B.v.: tussen 1/10000 en 1/5000. Buiten dit bereik zijn de objecten niet zichtbaar. Wanneer geen limiet naar boven wordt ingesteld, blijven de objecten zichtbaar bij het uitzoomen. Geen limiet naar onder, laat de objecten altijd zien bij het inzoomen. Deze functie is vooral handig bij grote tekeningen met veel objecten. Om bijvoorbeeld een algemeen beeld van een stadsplan te tonen, moeten niet 12

29 alle details zichtbaar zijn. Deze zullen enkel te voorschijn komen bij het inzoomen op een bepaalde regio van de stad. Lagen kunnen in verschillende tekeningen verschillende betekenissen hebben. Bijgevolg moet u zeer aandachtig zijn als u tussen tekeningen gegevens gaat uitwisselen (Kopieer/Plak, export/import). We raden u dan ook aan om het gebruik van lagen te standaardiseren zodat het niet nodig is objectenlayers te wijzigen op het moment dat u gegevens van de ene naar de andere tekening verplaatst. Symbolen / Lijnstijlen / Patronen Pythagoras voorziet een aantal werktuigen om eigen symbolen, lijnstijlen en patronen aan te maken. Eens aangemaakt, kunnen deze eigenschappen toegekend worden aan om het even welk punt, lijn of polygoon in een tekening. Symbolen, lijnstijlen en patronen kunnen schaalafhankelijk of schaalonafhankelijk zijn. Een schaalafhankelijk object heeft reële afmetingen; het schaalonafhankelijke object heeft afmetingen die overeenkomen met de grootte van afdrukken. Hierboven kunnen symbolen roteerbaar en Noord georiënteerd zijn en kunnen patronen een bepaalde rotatiehoek meekrijgen. Eenmaal aangemaakt, worden de symbolen, lijnstijlen en patronen in de bibliotheek geplaatst (PYTHAGOR.LIB) of in de actieve tekening. Bibliotheekobjecten kunnen gebruikt worden in alle bestaande en nieuwe tekeningen. Documentobjecten kunnen enkel gebruikt worden in de actieve tekening. Wanneer het geplakt wordt in een andere tekening, wordt het object automatisch een documentobject in de nieuwe tekening. Opmerkingen: PYTHAGOR.LIB : Deze file wordt bewaard in dezelfde folder als het programma Pythagoras. Het is aanbevolen regelmatig een backup te nemen van deze file. Indien geen backup beschikbaar is betekent het verlies van deze file het volledig terug opbouwen van de bibliotheek. In een tekening worden alle symbolen bewaard die in de tekening zelf gebruikt worden. Dit geldt zowel voor bibliotheek- als voor documentsymbolen. Indien een bibliotheeksymbool gewist of gewijzigd wordt, zal bij het oproepen van een document waarin het symbool voorkomt, dit symbool automatisch een document-symbool worden. Het is bijgevolg mogelijk tekeningen van andere gebruikers van Pythagoras te gebruiken, zonder de bibliotheken uit te wisselen. De naam van elk symbool bestaat uit 2 delen: groep en symbool. De combinatie Groep-Symbool vormt de eigenlijke naam van het symbool. Door het indelen in groepen, bv. een groep "Bomen", kan u sneller een symbool selecteren in de menu's. Gedetailleerde instructies rond het creëren en aanpassen van eigen symbolen, lijnstijlen of patronen kan u terugvinden in hoofdstuk 2: Symbolen. 13

30 Groepen In Pythagoras is het mogelijk om verschillende objecten met elkaar te verbinden. We spreken over het groeperen van objecten. In tegenstelling tot paden en polygonen kunnen objecten niet meermaals in dezelfde groep voorkomen. Een CAD-object kan niet tot meerdere groepen behoren. Een groep, en alle elementen in die groep, moeten binnen hetzelfde tekengebied en subdocument vallen. Objecten binnen een groep kunnen wel tot verschillende lagen behoren. Groepen kunnen uit alle types objecten bestaan, uitgezonderd van een coördinatensysteem of een weg. Een groep elementen kan geen onderdeel uitmaken van een andere groep elementen, een pad of een polygoon. Als geselecteerde objecten reeds een onderdeel zijn van een andere groep wanneer een groep wordt gemaakt, zal Pythagoras een waarschuwing geven: - Verwijder de objecten uit de andere groepen en ga verder met het aanmaken van de groep. - Voeg de elementen, die behoren tot een andere groep, niet toe aan de aangemaakte groep. - Stop met het aanmaken van de groep. Gelijkaardig, wanneer elementen geselecteerd worden, die tot verschillende groepen behoren, en men wil de groep opheffen, dan zal Pythagoras vragen of alle groepen opgeheven mogen worden. Een groep heeft geen eigenschappen, maar de objecten in de groep behouden hun attributen en kunnen individueel veranderd worden. Daarentegen bevat een groep wel data-eigenschappen die bijvoorbeeld verbonden kunnen worden met een tabel. In dit geval zal elk element in de groep dezelfde data bevatten en kunnen de elementen afzonderlijk, niet meer met een tabel verbonden worden. Indien geselecteerde objecten verbonden zijn met een databank, wanneer een groep wordt aangemaakt, dan zal Pythagoras een waarschuwing geven: - Hef de link met de databank op en groepeer. - Voeg de met de database verbonden elementen niet toe aan de groep. - Stop met het aanmaken van de groep. Gelijkaardig, als een groep, verbonden met een databank, verwijderd wordt, dan zal Pythagoras een waarschuwing geven en de groep loskoppelen van de databank alvorens de groep op te heffen. Groepen zijn niet zichtbaar op het scherm. Wanneer een groep aangeklikt wordt, zullen alle elementen in deze groep geselecteerd worden. Wanneer echter objecten geselecteerd worden door middel van het lasso-commando, zullen enkel de objecten binnen het afgebakend gebied geselecteerd worden. Meer informatie in verband met het creëren en editeren van groepen kan gevonden worden onder deel II, hoofdstuk 2: Groepeer/Splits op en onder hoofdstuk 3: Groepen editeren. 14

31 Beelden Een beeld kan een gescande tekening of foto zijn. Ook bestanden aangemaakt of bewerkt met programma s zoals Photoshop, Paintbrush,... kunnen ingelezen worden. Pythagoras leest beelden in die opgeslagen zijn in het Windows BMP (bitmap) formaat, het TIFF-formaat, het GeoTIFF (zie opmerking onderaan), het JPEG-formaat of het eigen Pythagoras formaat. Gescande beelden die niet in bovenstaande formaten zijn opgeslagen, moeten eerst via een conversie-programma omgezet worden. BMP-beelden kunnen monochroom zijn, ofwel 16, 256 of 24-bit kleuren bevatten. Gecomprimeerde (RLE) beelden worden niet ingelezen. Gescande beelden kunnen zeer groot worden. De grootte hangt af van het volgende: - De kleurdiepte van het beeld: een monochroom beeld zal minder geheugen innemen als een 24-bit kleurenbeeld. - De resolutie (dpi) van het gescande beeld. - De afmetingen van het beeld. Bijvoorbeeld een A4 kleurenbeeld, gescand op 300 dpi en 24-bit kleuren, resulteert in een bestand van 26 MB. Wanneer hetzelfde beeld op 600 dpi gescand wordt, zal het geheugengebruik 4x vergroten. Een A0 zwart-wit beeld neemt ongecomprimeerd 17,4 MB geheugen in. Tijdens het importeren waarbij het beeld aan de tekening gelinkt wordt zal het beeld worden geconverteerd naar een eigen Pythagoras beeldformaat. (Windows extensie.img). Dit formaat is geoptimaliseerd om het beeld snel te kunnen afbeelden op het beeldscherm (inzoomen, uitzoomen, scrollen,...). Gemiddeld kunnen we stellen dat een zwart-wit beeld 5x kleiner is. De grootte van een A0, zwart-wit beeld gescand op 300 dpi, zal in Pythagoras 4 MB innemen. De tekening zelf bevat in dit geval, naast algemene informatie over het beeld, een verwijzing naar de naam en de plaats van het beeld in de computer. Het is bijgevolg belangrijk de geconverteerde beelden samen met uw tekeningen te bewaren. Indien een beeldbestand gewist wordt, of de naam veranderd, zal een boodschap gegeven worden bij het openen van de tekening die het beeld bevat. Indien het beeld nog op uw computer aanwezig is, kan de nieuwe naam (of plaats) ingegeven worden. Verder bestaat de mogelijkheid om beelden ook in de tekening zelf te integreren. Deze methode is niet gevoelig voor bovenstaande probleemstelling. Het nadeel hiervan is echter dat de Pythagorastekening aanzienlijk in grootte (aantal MB) zal toenemen. Indien bewerkingen gedaan worden op beelden, worden deze opgeslagen in het Pythagorasbestand en niet in het origineel, wat impliceert dat het origineel van het beeld niet gewijzigd wordt. Eventueel kan het bewerkte beeld opgeslagen worden onder een andere naam (zie verder voor een gedetailleerde beschrijving). Een gelinkt beeld kan in meerdere tekeningen gebruikt worden. Het is evident dat het beeldbestand maar éénmaal opgeslagen wordt. Om deze reden worden de bewerkingen los van het beeld bewaard en kan een bestaand beeldbestand niet overschreven worden. 15

32 Wanneer een beeld wordt verbonden met een document, zal de naam van het Pythagoras beeldbestand en de locatie relatief zijn ten opzichte van de locatie waar het document is opgeslagen. Bijvoorbeeld, als het document in de map C:\MyDocs\Proj1 staat en het verbonden beeld staat in de map C:\MyDocs\Proj1\Images, dan zal het beeldbestand MyPic.jpg bewaard worden als Images\MyPic.img. We adviseren om het beeld te bewaren in dezelfde map als de tekening of in een submap. Opmerking: Het GeoTIFF-formaat bv. de gewestplannen uitgegeven door het OC GIS-Vlaanderen - is een variante op het gekende TIFF-formaat. Het voordeel van GeoTIFF-beelden is dat dit formaat geografische gegevens bevat. Bijgevolg is het mogelijk om deze soort beelden te georefereren. Het is dus bv. mogelijk om topografische kaarten exact in het nationaal coördinatenstelsel (bv. Lambert, ) in te passen. Pythagoras zal beelden georefereren indien een World File (.jpw,.tfw of.bpw) bestaat in dezelfde map als het beeld. De World File is een standaard die gebruikt wordt door applicaties als ArcView en MapInfo. Er zijn twee manieren om verschillende beelden in een tekening te importeren: selecteer één of meerdere beelden in het Open dialoogvenster of selecteer een tekstbestand dat een lijst met beelden bevat. Verdere instructies kan u vinden in deel II, hoofdstuk 1: Importeren. Na het importeren kan u de eigenschappen (schaal, intensiteit, ) van het beeld en het beeld zelf aanpassen. Volgende handelingen kunnen worden uitgevoerd: 1. Een beeld selecteren Een beeld kan geselecteerd worden door B of I in te drukken terwijl u op het beeld klikt. Vervolgens kan het beeld verplaatst of verwijderd worden. 2. Een beeld editeren Als slechts een deel van het beeld nodig is, of een deel van het beeld moet gecorrigeerd worden, kan u het beeld aanpassen met de volgende werktuigen: Knip weg Lasso Gom Verdere details kan u vinden onder deel II, hoofdstuk 3: Werktuigen. 3. Attributen van een beeld aanpassen Door te dubbelklikken op een beeld zal een dialoogvenster verschijnen met alle relevante informatie over het beeld. In dit venster heeft u de mogelijkheid om de aangebracht aanpassingen te bewaren. Het origineel kan niet overschreven worden. Meer info onder het menu Uitzicht en Objectinformatie. 4. Digitaliseren van beelden Door gebruik te maken van een gescand beeld als achtergrond, Pythagoras is een ideaal hulpmiddel om beelden te digitaliseren. Het hoofddoel is om een tekening te verkrijgen met reële afmetingen. Een afstand op het beeld, welke in werkelijkheid 1 meter bedraagt, moet in de gedigitaliseerde tekening eveneens 1 meter bedragen. Om de juiste schaal te verkrijgen, moet u volgende stappen volgen: 16

33 - Importeer het beeld in een lege tekening. - De schaal van de tekening moet dezelfde zijn als de schaal van het beeld. - Controleer de horizontale en verticale afmetingen. Corrigeer de afmetingen van het beeld door de X- en/of Y-schaalfactor aan te passen. - Wanneer u wilt werken in een gekend coördinatenstelsel, plaats u punten op locaties die u kent in coördinaten. Gebruik vervolgens de functie Transformatie door n-punten om de complete tekening te transformeren naar het gekend coördinatensysteem. Terwijl u werkt in een gekend coördinatensysteem, kan u gebruik maken van de kopieer en plak functies tussen een tekening met een beeld en een tekening met hetzelfde coördinatensysteem. Als echter het beeld zelf wordt gekopieerd en geplakt, zal de oorsprong getransformeerd worden, maar niet geroteerd. Bent u klaar met het beeld te editeren. Dan kan u het terug exporteren naar een beeldbestand. Het geëxporteerde beeld kan bewaard worden in twee formaten: BMP of JPEG. Geëxporteerde beelden kunnen de georeferentie meedragen door het genereren van een BMPW of JPW bestand. Niveaus De standaardinstelling van het niveau voor nieuwe objecten kan worden ingesteld via dit commando. De schaalverdeling heeft waarden van 10 tot Het instellen van verschillende niveaus betekent een voorrang voor de objecten in kwestie. Men definieert de prioriteit waarmee elk object in de tekening moet verschijnen. Zo wordt een polygoon van een huis in het niveau 1 met een hogere prioriteit behandeld dan de polygoon van een stuk grond in de omgeving die een niveau 0 kreeg toegewezen. Het huis zal dus volledig zichtbaar zijn; het stuk grond zal gedeeltelijk verborgen blijven. Een ander voorbeeld is het bedekken van deelgebieden op een rasterkaart. Indien men op een rasterkaart bepaalde delen als onzichtbaar wenst te definiëren, is het mogelijk om een witte en ondoorzichtige polygoon hiervoor te definiëren. Deze polygoon verkrijgt een 100% vulling en een hoger niveau. De polygoon overdekt dit gebied van de rasterkaart zoals een blad papier dat er wordt opgelegd. Kiest men voor deze bedekkingpolygoon een bepaalde laag, dan kan men op een later tijdstip d.m.v. een eenvoudige selectie en bijvoorbeeld kleurverandering dit bedekkinggebied opnieuw zichtbaar maken. Uitzichten Een uitzicht is een verzameling van instellingen die bepalen hoe de tekening eruit zal zien op het scherm. Wordt zulk een verzameling instellingen benoemd en bewaard, dan spreken we van een uitzicht. Pythagoras laat toe zoveel uitzichten aan te maken als u zelf wil, terwijl u de instellingen naar wens aanpast. Eenmaal u een uitzicht voor een document gecreëerd hebt, kan u het een naam geven en bewaren. Zo kan het gebruikt worden voor andere documenten. Een uitzicht kan ook toegewezen worden aan een planblad, waardoor dit uitzicht automatisch actief wordt bij het selecteren van het desbetreffende planblad. 17

34 Onafhankelijk of u de instellingen van het uitzicht heeft bewaard of niet, zal het laatste, actieve uitzicht bewaard worden in het Pythagoras document en hersteld worden wanneer u het document terug opent. Uw uitzicht kan de volgende eigenschappen meedragen: Selecteer lagen die zichtbaar moeten zijn in de tekening. Toon of verberg objecten en attributen, zoals patronen, teksten, puntnummers, hoogtes, commentaren, lijnstijlen, beelden, Specificeer bepaalde parameters voor het weergeven van DTM s. Activeer thematische kaarten. Voeg subdocumenten toe. Een printuitzicht is een combinatie van een uitzicht, dat de lay-out van uw tekening zal bepalen, en de gebruikelijke printinstellingen. Een printuitzicht kan niet benoemd of bewaard worden en is enkel beschikbaar tijdens het afdrukken. Als u het actieve uitzicht niet aanpast, dan zal de tekening afgedrukt worden zoals getoond op het scherm. U kan een ander uitzicht kiezen of de printeigenschappen veranderen. Meer informatie, zie deel II, hoofdstuk 1: Printen. Viewport Complexe tekeningen kunnen zeer groot worden en moeilijk te bekijken. Om u te helpen het overzicht te bewaren, is het mogelijk om viewports te creëren. Deze viewports kunnen van elk deel van de tekening gemaakt worden en om het even waar geplaatst worden. Een viewport is een kleine kopie van een gekozen gebied van het hoofddocument en kan aan de eigen noden aangepast worden. Naast het bepalen van de juiste vorm (rechthoek of ellips) en kader om de tekening mooi weer te geven, kunnen nog de schaal en de oriëntatie veranderd worden. Zoomen kan eveneens op elk moment. Een viewport wordt beschouwd als een optische vergroting of verkleining van de tekening en al zijn attributen. Om dit gedrag te beïnvloeden, kan een schaalfactor toegewezen worden. Deze doet niet hetzelfde als het veranderen van de viewport-schaal. De schaalfactor beïnvloedt enkel de grootte/breedte van de schaalonafhankelijke objecten in de viewport. Bijvoorbeeld als de schaal van een tekening wordt ingesteld op 1/500 en de schaal van de viewport bedraagt 1/250, dan zal de lijndikte in de viewport het dubbele zijn van de lijndikte in de eigenlijke tekening. De schaalfactor dient dan wel op 100% ingesteld te worden. Dit geldt ook voor teksten. Een tekst met puntgrootte 12 zal in de viewport een puntgrootte 24 krijgen. Echter wanneer de schaalfactor op 50% wordt ingesteld, blijven alle groottes dezelfde. Elke schaalfactor is geldig en zal alle schaalonafhankelijke attributen beïnvloeden. Na het creëren en instellen van een viewport, is het eenvoudig om de grootte van het frame aan te passen en te verplaatsen. Indien u een andere voorstelling binnen de viewport wenst, is het niet nodig om de viewport te verwijderen. U kan pannen in het viewport, waardoor een ander gebied van de eigenlijke tekening in viewport wordt voorgesteld. Bovendien kan u een uitzicht koppelen aan een viewport. Dit uitzicht moet niet hetzelfde zijn als het eventuele uitzicht, gekoppeld aan de hoofdtekening. 18

35 Eenmaal u het viewport heeft aangepast, kan u het dupliceren of kopiëren naar een ander planblad. Verdere instructies omtrent het creëren van een viewport vind u terug in deel II, hoofdstuk 3: Creëer Viewport. Planbladen Planbladen laten toe om grote projecten op te splitsen in verschillende printgebieden. Zo kan u zeer eenvoudig het juiste printgebied koppelen met de juiste titelpagina. In Pythagoras kunnen verschillende planbladen (tot 256) gecreëerd worden. Planbladen verwijzen naar het Pagina Coördinatensysteem, dus alle objecten getekend in paginacoördinaten zullen tot het planblad behoren dat op dat ogenblik actief was. Elk planblad heeft eigen instellingen, zoals printer, afmetingen,positie, pagina objecten, bladschikking, Printer, papiergrootte en oriëntatie kunnen afzonderlijk ingesteld worden voor elk planblad in planbladbeheer (Deel II, hoofdstuk 1: Selecteer planblad (Print planblad)). U kan eveneens een standaard uitzicht kiezen (verschillend van het huidig uitzicht van het document), dat de uitzichtparameters voor de lagen, subdocumenten, objectinformatie, bepaalt. Positie van het planblad, alsook rotatiehoek en schaal worden gedefinieerd aan de hand van de bladschikking (Deel II, hoofdstuk 1: Bladschikking). U kan een willekeurige polygoon als printgebied selecteren. Enkel objecten binnen dit gebied zullen worden afgedrukt (Deel II, hoofdstuk 2: Selecteer printgebied). Elk planblad kan eigen paginaobjecten (uitgezonderd van coördinatensystemen, paden en wegen) bezitten, die u kan tekenen in paginacoördinaten. Wanneer een bepaalde bladschikking gekozen wordt, zal u merken dat de objecten samen met het planblad verplaatsen binnen de tekening. Legendes behoren ook tot de paginaobjecten, evenals logo s, kaders, (Deel II, hoofdstuk 6: Legende voor verder details) Viewports kunnen gedefinieerd worden in paginacoördinaten, waardoor het tot het planblad behoort, vergelijkbaar met de legendes en logo s. De coördinaten in een viewport worden berekend vanaf de bovenste grens van het planblad. Objecten in pagina worden nooit weergegeven in de viewport. Binnen een tekening kunnen verschillende planbladen aangemaakt worden, maar slecht één kan actief geplaatst worden. Dit betekent dat dit planblad zal afgedrukt worden als een printcommando gegeven wordt. Wilt u als het ware een print screen van uw tekening maken (met schaal en rotatiehoek zoals afgebeeld), dan kan u het planblad vlottend plaatsen. Deze instelling zal de pagina verbergen. Zulk een planblad kan geen eigen paginaobjecten bezitten. Pythagoras planbladen kunnen geëxporteerd worden naar AutoCAD door het document te bewaren als een DWG bestand. Enige beperking is het feit dat AutoCAD geen uitzichten kent. Dit brengt met zich mee dat alle planbladen hetzelfde afgebeeld worden volgens het uitzicht van het document. 19

36 Hoofdstuk 3: Pythagoras Databank Een Pythagoras document kan een databank bevatten. Dit met de bedoeling om meer informatie toe te voegen aan grafische en niet grafische objecten. Data kan manueel in de databank gebracht worden of via het importeren van andere bestanden of databanken. Pythagoras interne databank is een relationele databank met 2 niveaus (tables, views). Meer informatie kan u vinden op Datatypes en Waarden De volgende types van gegevens kunnen in de Pythagoras gegevensbank voorkomen: - Integer, geheel getal opgeslagen als 32-bit met teken - Real, reëel getal opgeslagen als een 64-bit vlottende punt nummer met dubbele nauwkeurigheid - Boolean, bevat enkel de waarden TRUE (waar) en FALSE (niet waar) - Date/time (één type), dit type wordt intern gestockeerd als een 64-bit integer zonder teken en bevat een getal per 10 nano seconden, volgens de (hypothetische) Gregoriaans tijd (nulpunt op 0 uur op de 1ste januari van het jaar 1 volgens de Gregoriaanse kalender). Hierbij worden schrikkelseconden niet meegerekend. Deze voorstelling is equivalent met de voorstelling van date/time in beide GUIDs (Global Unique identifiers) alsook in.net - Date, datumtype dat intern gestockeerd wordt als het aantal volledige dagen vanaf het begin van de Gregoriaanse tijd - Time, wordt in het geheugen opgeslagen als een 64-bit integer met teken en bevat een getal per 10 nano seconden (wat gelijk is aan een tick). Dit type kan op twee manier worden gebruikt : als het tijdstip op een dag (het aantal ticks na middernacht) en als een tijdsinterval (het aantal ticks tussen twee momenten). - String, een opeenvolging van Unicode karakters uitgezonderd de zogeheten verboden non-karakters - Verwijzingen naar CAD objecten. Dit impliceert dat een rij van de databank een referentie bevat naar een CAD object van hetzelfde Pythagoras document. Intern wordt dit opgeslagen als een unieke referentie naar het CAD object. De hierboven beschreven datatypes voldoen aan de volgende regels: - Zoals in andere relationele databases kan een waarde in een kolom van eender welk type NULL zijn. Een lege string en een NULL waarde worden als gelijk aanzien. - De vergelijkingsoperaties kleiner dan, kleiner of gelijk aan, groter dan, groter of gelijk aan, gelijk aan en niet gelijk aan kunnen toegepast worden op twee waarden van hetzelfde type, en waarden verschillend 20

37 van NULL. Hierop bestaat één uitzondering: referenties naar objecten kunnen enkel worden vergelijk op gelijkheid. - TRUE wordt behandeld als groter dan FALSE. - Strings worden vergeleken in alfabetische volgorde met gebruik van het operating systeem. Bijgevolg hangt het resultaat van een vergelijking van twee strings af van de taalvoorkeur instellingen. Bij de vergelijking wordt geen onderscheid gemaakt tussen het gebruik van hoofd en kleine letters. Strings die enkel daarin verschillen worden als gelijk beschouwd. Benaming Tabellen, uitzichten, kolommen en andere databank items hebben namen. De naam kan elke niet lege Unicode-string zijn, zonder verboden of controle karakters te bevatten. Het is echter aanbevolen om geen te lange namen of namen met spaties te gebruiken. Dit kan immers problemen geven bij het exporteren naar bepaalde formaten, bv. DBF. In Pythagoras behoort de naam van een databank tot één van volgende vier categorieën: Strikt gewone namen: bevatten enkel Latijnse letters van de basisset (A- Z, a-z) en cijfers. Ze beginnen altijd met een letter. Gewone namen: zulke namen bevatten enkel letters, tekens zoals $ en # en cijfers en beginnen niet met een cijfer. Ongewone namen: zijn niet gewoon, maar toch niet foutief. Foutieve namen: bevatten controle karakters. Een lege string is eveneens foutief. Indien niet strikt gewone naamgeving gebruikt wordt, zal Pythagoras een waarschuwing tonen. Wanneer twee namen enkel van elkaar verschillen door het gebruik van een hoofdletter, zal Pythagoras deze tabellen toch als gelijk beschouwen. Tabel1 is dus gelijk aan tabel1. Tabellen In Pythagoras worden twee soorten tabellen gebruikt: attribuut tabellen en dictionaries. Attribuut Tabellen Elke rij van een attribuut tabel is verbonden met een object in Pythagoras. Het doel is om attributen van objecten te bewaren in een attribuut tabel. Zo kan u bijvoorbeeld een attribuut tabel BusStop aanmaken en hier informatie over verschillende bushaltes in bewaren die verbonden zijn met bepaalde objecten. Volgende objecten kunnen verbonden worden meeteen attribuut tabel: lijnen, punten, polygonen, teksten, bogen, cirkels, polylijnen, paden, beelden, clothoïdes, rich text, wegen en groepen. Voor elke attribuut tabel 21

38 kan men het aantal types objecten beperken. Zo is het logisch om de tabel BusStop enkel te verbinden met puntobjecten. Een object kan niet verbonden worden met meer dan één attribuut tabel. Elementen van groepen kunnen niet met een tabel verbonden worden. Indien een object verwijderd wordt, zal automatisch de link met de tabel verwijderd worden. Dictionary Tabellen Dictionaries zijn relationele tabellen en kunnen voornamelijk gebruikt worden om klassen van niet grafische objecten te definiëren. U maakt bijvoorbeeld een tabel aan met de naam TypeBuis. Elke rij van deze tabel beschrijft een buistype. Terwijl een attributen tabel Buis beschrijft de plaats waar buizen geïnstalleerd zijn of worden. De dictionary tabel beschrijft dus welke type van buizen op welke plaats geïnstalleerd worden of zijn. Tabellen en subdocumenten Tabellen worden in elk document opgeslagen. Wanneer een documentoverzicht wordt geopend, worden de tabellen van alle subdocumenten samengevoegd en gecontroleerd op gelijke namen. Wanneer twee tabellen met een zelfde naam worden gevonden, worden deze gecontroleerd op equivalentie. Indien één paar tabellen niet equivalent bevonden wordt, wordt het subdocument niet geopend. Een mededeling wordt getoond. Tabellen worden equivalent verondersteld als: ze tot dezelfde soort behoren. ze dezelfde eigenschappen hebben. ze dezelfde lijst kolommen bevatten. de kolommen dezelfde namen en eigenschappen hebben. Daarenboven moet dictionaries dezelfde data in rijen bevatten om equivalent te zijn. Ten behoeve van de efficiëntie worden tabeldata niet vergeleken, maar wordt een label (GUID) opgeslagen na elke verandering. Deze labels worden vergeleken om te controleren of datasets identiek zijn. Hierdoor worden dictionary tabellen als equivalent beschouwd als de één een kopie is van de andere. Een attributen tabel van een overzicht bevat rijen van alle geopende subdocumenten. Een dictionary van een overzicht bevat de gebruikelijke rijen. Wanneer een subdocument wordt bewaard, worden ook de tabellen bewaard. Maar het kan ook zijn dat andere tabellen naar dit document worden geschreven om de integriteit van de data te behouden, bijvoorbeeld wanneer een verwijzing naar een bepaalde tabel werd gemaakt. Tabellen die gebruik worden in verschillende subdocumenten moet men zeer voorzichtig gebruikt worden. Een wijziging in structuur of data kan problemen veroorzaken wanneer het overzicht geopend wordt. Om dit te vermijden, bevelen wij aan om alle subdocumenten te openen samen met het plan, wanneer veranderingen aangebracht worden. 22

39 Tabelkolommen Twee kolommen die tot dezelfde tabel behoren kunnen geen gelijke naam hebben. Maar er zijn geen beperkingen voor kolommen van verschillende tabellen en voor namen die gebruikt worden voor andere databankobjecten. Voor elke kolom kan een bepaald datatype gedefinieerd worden. Kolommen die naar CAD objecten verwijzen kunnen enkel door attribuut tabellen gedefinieerd worden. Meerbepaald, een kolom van een attribuut tabel kan bekeken worden als een objecteigenschap. Bijvoorbeeld, binnen een tabel BusStop kunnen kolommen gedefinieerd worden Start en Stop van het type Tijd om de aankomsttijd van de eerste en de laatste bus te bewaren. Andere attributen kunnen ook gedefinieerd worden: minimum of maximum waarden. of de NULL-waarde toegestaan is. CAD-types die naar een kolom mogen verwijzen. Indexeren Elk type kolom, uitgezonderd een kolom die verwijst naar objecten, kan geïndexeerd geplaatst worden. Dit betekent dat een index wordt opgebouwd volgens de waarden van de kolom. Deze index laat toe om sneller naar een bepaalde rij te zoeken in een kolom. Een index bevat geen NULL-waarden. Indexeren verandert niets aan de databank of de werking van Pythagoras. Het heeft enkel invloed op de snelheid van bepaalde handelingen: Toevoegen van een rij met een waarde in de geïndexeerde kolom Verwijderen van een rij met een waarde in de geïndexeerde kolom Wijzigen van een waarde in de geïndexeerde kolom Een kolom indexeren, versnelt het zoekproces volgens de waarden in deze kolom en activeert het scannen van rijen volgens de waarden van de geïndexeerde kolom. De gebruiker kan eveneens een unieke waarde -kolom aanduiden. Dit betekent dat de verschillende rijen geen gelijke waarde mogen bevatten in een kolom. Om te controleren of de waarden uniek zijn moet de kolom geïndexeerd worden. Referenties Vaak is het nodig een rij van een tabel te doen refereren naar een andere. Zo kunnen we bijvoorbeeld referenties definiëren van elke rij van tabel Buis naar een bepaalde rij in de tabel TypeBuis. Bijvoorbeeld, we definiëren een kolom Uitrusting, type String, in de TypeBuis tabel welke een uitrustingscode bevat. Dezelfde kolom definiëren we in de Buis tabel. De eerste kolom (TypeBuis) moet unieke waarden bevatten, en zal dus als een unieke waarde -kolom beschouwd worden. De tweede kolom (Buis) zal dezelfde waarden bevatten. 23

40 In dit geval zal de kolom Buis-Uitrusting refereren naar de kolom TypeBuis- Uitrusting. De eerste is de referentiekolom, de tweede noemt mende gerefereerde kolom. Deze laatste moet tot een dictionary tabel behoren en als een unieke waarde -tabel beschouwd worden. In het geval dat de gerefereerde rij wordt verwijderd, heeft men de volgende opties voor de referentierij: Behoudt de hangende referentie Wijzig de referentiewaarde naar NULL Verwijder de referentierij Opmerking: De Pythagoras databank kent twee soorten referenties: referenties naar objecten en referenties naar andere kolommen. Indien, in het geval van objectreferenties, de gerefereerde rij verwijderd wordt, zal de bovenstaande handeling enkel uitgevoerd kunnen worden via VBA. Systeemtabellen (voorgedefinieerde uitzichten) Systeemtabellen zijn speciale objecten van de Pythagoras databank die automatisch worden aangemaakt en niet verwijderd kunnen worden. Het zijn pseudotabellen die eigenschappen van objecten voorstellen. Systeemtabellen worden nergens bewaard. Elke systeemtabel verwijst naar één of meerdere objecttypes. Dit betekent dat er een overeenkomst bestaat tussen de objecten van een bepaald type en de rijen van de tabel. Elke kolom van een systeemtabel komt overeen met een bepaalde eigenschap van een objecttype. Bijvoorbeeld: alle systeemtabellen bevatten een integer -type kolom, Niveau genaamd. Waarden van objectniveaus worden naar deze kolom weggeschreven. Databank Uitzichten Een databank uitzicht toont een deel van de data. Op deze manier krijgt de gebruiker een overzicht van de data. Een databank (DB) uitzicht is niet hetzelfde als een gewoon uitzicht in Pythagoras. DB uitzichten bevatten geen eigen data. Het uitzicht wordt gegenereerd op basis van andere databankobjecten. Deze objecten noemt men de basis rijenset. Zulk een rijenset kan een tabel, systeemtabel of DB uitzicht zijn. Per DB uitzicht kunnen een aantal uitdrukkingen gedefinieerd worden (Zie Hoofdstuk 4: Uitdrukkingen). Deze uitdrukkingen geven voorwaarden om bepaalde rijen al dan niet te selecteren. Andere uitdrukkingen berekenen de rijwaarden van een bepaald DB uitzicht. Verschillende DB uitzichten kunnen geen zelfde naam dragen. De naam kan wel gelijk zijn aan deze van tabellen of systeemtabellen. Er wordt echter aanbevolen zulke overeenkomsten te vermijden. Een DB uitzicht kan gekoppeld worden aan zowel een dictionary of een attribuut tabel. In Pythagoras werden twee soorten DB uitzichten geïmplementeerd: een eenvoudig uitzicht of een samengesteld uitzicht. 24

41 Eenvoudig Uitzicht Een eenvoudig uitzicht bestaat uit een basis, een locatie en kolomdefinities. De locatie bestaat uit een uitdrukking die toegepast wordt op de kolommen van de basistabel en heeft een Boolean waarde. Elke kolomdefinitie bevat dus een zogenaamde kolomuitdrukking. Om alle rijen te kunnen opvragen, is het noodzakelijk om elke rij van de basis rijenset een bepaalde locatie mee te geven. Voor alle rijen die een bepaalde locatie meedragen, worden alle kolomuitdrukkingen berekend. Deze zullen dan een nieuwe rij vormen, gebaseerd op het gedefinieerde uitzicht. Een kolomuitdrukking is vaak niet meer dan een naam van een kolom van de basis rijenset. Voorbeeld: Gegeven een attribuut tabel Steden, verbonden met polygonen, terwijl de tabel de steden en dorpen van een bepaald land bevat. De tabel heeft twee kolommen genaamd Naam (string) en Populatie (integer). Vervolgens willen we een attribuut uitzicht dat namen en bevolkingsdichtheden geeft van steden met een populatie boven de We definiëren een eenvoudig uitzicht gebaseerd op de tabel. De locatie wordt gegeven als populatie >= De kolomuitdrukkingen worden gedefinieerd als Naam en Populatie / Oppervlakte. Oppervlakte is de naam van de functie die de oppervlakte van de polygoon weergeeft. Samengesteld Uitzicht Een samengesteld uitzicht bestaat uit een hoofd- en bijelement. Om volledig te zijn bevat een samengesteld uitzicht twee bases, een locatie, een koppeling en kolomdefinities. De koppeling is een uitdrukking die wordt toegepast op zowel hoofd- als bijelement en heeft een Boolean waarde. Deze koppeling vormt paren van de rijen uit beide tabellen. De locatie en kolomdefinities worden eveneens toegepast op beide elementen, maar op een andere manier. Kolommen van het bijelement kunnen enkel binnen telfuncties gebruikt worden. Deze functies worden toegepast op de ganse rijenset. Bijgevolg zullen locatie en kolomdefinities toegepast worden op beide tabellen als geheel. Maar vooraf uitgefilterd door de koppeling. Het overige is hetzelfde als bij de eenvoudige uitzichten. Voor elke rij van het hoofdelement wordt de locatie gecontroleerd. Als deze een TRUE waarde teruggeeft, worden alle kolomuitdrukkingen berekent. Deze vormen een nieuwe rij van het samengesteld uitzicht. Voorbeeld: Verdergaand op bovenstaand voorbeeld. Een attribuut tabel Hotels, verbonden met punten, geeft informatie over verschillende hotels. Deze tabel heeft een integer kolom Bedden, welke het aantal bedden weergeeft per hotel. Nu willen we een DB uitzicht dat de namen van alle hotels weergeeft, per stad, waar meer dan 1000 bedden aanwezig zijn. We definiëren een nieuw samengesteld uitzicht, gebaseerd op de tabel Steden en Hotels. De koppeling wordt gedefinieerd als een geografische insluiting. Een hotel ligt binnen een stad. De voorwaarde kan als volgt neergeschreven worden: Afstand(Hoofd.Element(),Bij.Element()=0. De locatie als volgt: Som(Bij.Bedden) >= De kolomuitdrukkingen worden 25

42 gedefinieerd als Naam en Som(Bij.Bedden). Som staat voor de naam van een ingebouwde telfunctie die de som berekent van alle waarden binnen een rijenset. Ruimtelijke Combinatie Een ruimtelijk combinatie uitzicht is een samengesteld uitzicht met de twee basiselementen en een koppeling die een ruimtelijke verhouding uitdrukt tussen objecten van beide basiselementen. Voorbeeld: De koppeling kan uitgebreider bekeken worden. Om zo niet alleen de hotels binnen een stad in rekening te brengen, maar ook de hotels die binnen een bepaalde afstand liggen, kunnen we de koppeling herschrijven als Afstand(Hoofd.Element(),Bij.Element() = < 1*km. Validiteit / Bewaren DB uitzichten worden niet gecontroleerd op validiteit. Dit betekent dat wanneer de databankstructuur wijzigt, een waarschuwing kan volgen dat een bepaald uitzicht niet meer geldig is. Ongeldigheid is een typisch gevolg van het verwijderen of hernoemen van een databankobject (tabel, kolom, DB uitzicht). Als de gebruiker een ongeldig uitzicht wil gebruiken, zal de handeling stopgezet worden en wordt een waarschuwing getoond. Net zoals tabellen worden uitzichten gelezen van en geschreven naar documenten. Maar enkel uitzicht definities worden bewaard, omdat de datastructuur in realtime wordt opgebouwd. Op deze manier komt het dat uitzichten ENKEL gelezen en geschreven kunnen worden van en naar het hoofddocument. Tabelinhoud De tabelinhoud laat de gebruiker toe om attribuuttabellen, dictionaries en DB views van de actieve tekening te bekijken. In de tabelviewer kunnen kolommen wel of niet verborgen worden, kan de kolomvolgorde en de kolombreedte gewijzigd worden. Deze veranderingen hebben geen inhoudelijke, enkel een representatieve invloed op de tabel die in het document is bewaard. De veranderingen zullen toegepast worden wanneer de tabel geëxporteerd wordt. Vanuit de viewer kan de tabel: - Geëxporteerd worden naar het klembord. - Bewaard worden als een bestand in TXT, RTF of HTML formaat. - Ingevoegd worden in het document. 26

43 Data- en Structuurbescherming Data en structuur van een databank kunnen worden beschermd. Er zijn twee soorten bescherming: - Bescherming van data en structuur van één tabel. - Bescherming van een databankstructuur als geheel. Elke tabel kent vier toegangsniveaus: 1. Volledige toegang: zowel de data als de structuur van een tabel kan worden gelezen en aangepast als er geen andere redenen zijn die dit verhinderen. Eén van die redenen kan een subdocument zijn dat als alleen-lezen werd ingesteld. Dit maakt het onmogelijk om data te veranderen in rijen die naar dit subdocument verwijzen. Ook is het mogelijk dat het datatype van een kolom niet te wijzigen is, omdat er naar een andere kolom wordt gerefereerd. 2. Lezen/Schrijven toegang: de data uit de tabel kan gelezen en gewijzigd worden, de tabelstructuur daarentegen is niet aanpasbaar. 3. Lezen toegang: de data uit de tabel kan worden gelezen, noch de data als de structuur kan worden gewijzigd. Het is echter wel mogelijk om rijen uit een attribuuttabel te verwijderen, samen met de grafische objecten waarmee deze mee verbonden zijn. 4. Geen toegang: data kan niet gelezen of gewijzigd worden. Ook de tabelstructuur is niet aanpasbaar. Het is echter wel mogelijk om rijen uit een attribuuttabel te verwijderen, samen met de grafische objecten waarmee deze mee verbonden zijn. Deze optie laat wel toe om tabeldata te bekijken via DB uitzichten. Een databankstructuur kan beschermd worden met een naam en paswoord. Wanneer de structuur beschermd is kunnen er geen aanpassingen gebeuren aan de structuur of de tabellen. Ook het toegangsniveau, uitzichten, DB uitzichten en bestaande tabellen kunnen niet veranderd worden. Bestaande tabellen en uitzichten kunnen niet verwijderd worden. 27

44 Hoofdstuk 4: Uitdrukkingen Uitdrukkingen worden in Pythagoras gebruikt om databank uitdrukkingen, een bijkomende voorwaarde in het Zoek -venster of een waarde om een thematische kaart te definiëren. We introduceren een speciale taal om manueel uitdrukkingen te kunnen ingeven waar nodig. Deze taal is heeft veel weg van de taal gebruikt zoals in Microsoft Excel,maar is niet volledig gelijk. In Pythagoras wordt een uitdrukking toegevoegd aan een CAD object of een rij van een databank. Een tekstuele uitdrukking mag namen van kolommen, ingebouwde functies en verschillende operators bevatten. Ingebouwde functies definiëren constanten zoals π, verschillende wiskundige functies en specifiek eigenschappen van CAD objecten. Uitdrukkingen kunnen eveneens uit niet-tekstuele informatie opgebouwd worden. Bijvoorbeeld voorwaarden in de databankmanager, het Zoek - venster en thematische kaarten. De gebruiker vult een tabelachtige structuur en Pythagoras maakt een overeenkomstige uitdrukking aan. Verdere details kan u terugvinden in de Deel IV: Uitdrukkingen. 28

45 Hoofdstuk 5: Thematische Kaarten Een thematische kaart is een manier om op grafische wijze objecteigenschappen of data uit een tabel, gekoppeld aan een object, voor te stellen. Op een visuele manier worden zo bepaalde objecten gemarkeerd die overeenkomen met de gestelde voorwaarden. De gebruiker kiest met welke databank in de tekening bepaalde objecten worden verbonden. Voor alle objecten verbonden met deze tabel of die beschikken over een vooraf gekozen eigenschap, kan een presentatie worden bepaald die afhangt van de waarde van deze eigenschap. Ook een systeemtabel kan gekozen worden, omdat elk object in Pythagoras altijd verbonden is met één of meerdere systeemtabellen. Op deze manier wordt een thematische kaart opgebouwd niet gebaseerd op data uit een databank, maar op objecteigenschappen zoals coördinaten, lijnlengtes, oppervlakte, laag, Een thematische kaart kan zowel in paginacoördinaten als in lokale coördinaten getoond worden. Alle instellingen voor thematische kaarten worden gecontroleerd via de Thematische Kaarten Manager Voorbeeld Thematische Kaart De definitie thematische kaart kan beter aangetoond worden met een voorbeeld. Hier wordt een deel van Europa getoond, ingekleurd volgens bevolkingsdichtheid, met symbolen van verschillende grootte die de hoofdsteden in hun aantal inwoners voorstelt: We kunnen zien dat België de hoogste bevolkingsdichtheid heeft en dat Londen de dichtstbevolkte stad is. Opmerking: Wanneer een thematische kaart op basis van polygonen wordt opgebouwd, moet gezorgd worden dat een bepaald patroon als eigenschap wordt meegegeven. 29

46 Verschillende thematische kaarten kunnen op hetzelfde moment geactiveerd worden, om zo verschillende condities te tonen. Bovenstaand voorbeeld gebruikt twee thematieken: de bevolkingsdichtheid, gevisualiseerd door de ingekleurde polygonen, en de aanduiding met symbolen van verschillende grootte van de hoofdsteden. Conditionering Objecten die verbonden zijn met een bepaalde tabel kunnen rechtstreeks verwijzen naar veld van deze tabel, of via een uitdrukking. Bovenstaand voorbeeld kan ons tonen hoe conditionering werkt voor het aanmaken van thematische kaarten. Voor de hoofdsteden gebruiken we enkel de punten van de tekening die verwijzen naar de tabel Hoofdsteden die een kolom Populatie bevat. De symbolen worden groter naarmate de waarde in deze kolom groter wordt. De bevolkingsdichtheid wordt gevisualiseerd door de polygonen de verbinden met de tabel Landen welke een kolom Populatie heeft. In dit geval zal een uitdrukking Populatie / Oppervlakte gedefinieerd worden, waarbij de waarde voor de populatie genomen afkomstig is van de kolom en de waarde voor de oppervlakte een objecteigenschap is van de polygoon. Wanneer het resultaat van deze uitdrukking binnen een bepaalde limiet valt, zal de polygoon ingekleurd worden volgens de gekozen voorstelling. Ruimtelijke Interpolatie Door middel van thematiek kunnen bepaalde regels rond het visualiseren van een DTM gedefinieerd worden. Enkel wanneer deze thematiek een tabel verbindt met punten of punten en lijnen. Deze instelling noemen we Ruimtelijke Interpolatie. Onderstaand voorbeeld toont een thematische kaart met een ruimtelijke interpolatie over de hoofdsteden van de wereld. We interpoleren tussen hoofdsteden, gebruikmakend van de bevolkingswaarde uit de tabel Hoofdsteden. 30

47 Samen met ruimtelijke interpolatie kan een grens geselecteerd worden waarbinnen de ruimtelijke interpolatie moet gebeuren. Dit gebeurt door het selecteren van een polygoon. Er kan slechts één polygoon geselecteerd worden. In onderstaand voorbeeld zien we een ruimtelijke interpolatie enkel voor het Verenigd Koninkrijk. 31

48 Hoofdstuk 6: Terreinmodellen Een digitaal terreinmodel (DTM) is een digitale voorstelling van een grondoppervlak, topografie of reliëf. DTM Aanmaken In Pythagoras wordt een DTM voorgesteld als een onregelmatig driehoeksnetwerk om het aantal mogelijke fouten te minimaliseren. De triangulatie wordt opgebouwd aan de hand van een aantal punten welke afkomstig zijn van bijvoorbeeld landmeetkundige metingen. Het gekozen netwerk is een Delauney triangulatie (voor meer informatie, zie Enkel de geselecteerde punten en de eindpunten van de geselecteerde lijnen worden in de berekening betrokken. Opmerking: Het wordt aanbevolen om verschillende lagen te gebruiken wanneer terreinmodellen worden berekend. Niet-relevante lagen verbergen, laat toe om snel de juiste objecten te selecteren. Een document kan tot 256 verschillende terreinmodellen bevatten, elk gebaseerd op een bepaalde selectie punten en/of lijnen (maximum 2 miljoen punten of 4 miljoen driehoeken). Het DTM Terrein kan de bestaande toestand voorstellen. Ontwerp kan een nieuwe situatie voorstellen (Een weg, een gebouw, ). Om het aantal punten te verminderen en de berekeningstijd te verkorten, kunnen overbodige punten, die niet van grote invloed zijn op het DTM, weggelaten worden. Zo kunnen punten die in het vlak van een reeds bestaande driehoek liggen niet in rekening gebracht worden. Ook grensdriehoeken met zeer kleine hoeken en/of lange zijden kunnen verwijderd worden. Tijdens het opbouwen van een DTM kunnen breeklijnen geselecteerd worden die de richting van het reliëf bepalen, zoals bijvoorbeeld een bergtop of ravijn. Indien geselecteerd zal geen enkele zijde van de driehoeken deze breeklijnen kruisen. De hoogte van de eindpunten en de geïnterpoleerde hoogtes op breeklijnen komen overeen met de werkelijke hoogte van het terrein. Bogen en cirkels worden door Pythagoras verdeeld in polylijnen en elk segment zal als breeklijn beschouwd worden. Voor onregelmatigheden, zoals kruisende breeklijnen of samenvallende punten met verschillende hoogte, zal Pythagoras een waarschuwing en een mogelijke oplossing geven. De gebruiker zal het juiste punt of de juiste lijn kunnen kiezen of de tekening aanpassen, zodat de berekening van de triangulatie voortgezet kan worden. Indien een polygoon geselecteerd wordt, zal deze beschouwd worden als de grens van de Delauney triangulatie. Elke geselecteerd punt buiten de polygoon zal niet in rekening gebracht worden. Dit is handig voor DTM s met gaten of complexe grenzen. Wanneer geen polygoon geselecteerd wordt, zal Pythagoras alle geselecteerde punten en lijnen in het terreinmodel betrekken. 32

49 Berekeningen op een DTM Eenmaal één of meerdere DTM s werden aangemaakt, kunnen allerhande berekeningen worden uitgevoerd. In de eerste plaats is het mogelijk om 2 terreinmodellen te combineren. Een nieuw model zal opgebouwd worden op basis van de twee basismodellen. Er moeten dus geen punten of lijnen geselecteerd worden. Een DTM kan op verschillende manieren gevisualiseerd worden: - Toon de triangulatie met een bepaalde kleur. - Toon een ingekleurde kaart van de triangulatie gebaseerd op hoogte of helling. - Teken hoogtelijnen op het DTM. - Genereer een 3D-zicht van het actieve DTM. Het is ook mogelijk om: - De hoogte te wijzigen door een waarde toe te voegen aan alle z- coördinaten van de vertexen. - Een talud te berekenen met een vaste helling of vaste breedte. - Een twee- en driedimensionale oppervlakte te berekenen. Meer complexe functies zijn volumeberekening en de het uitrekenen van dwars- en lengteprofielen. Volumeberekening Het volume wordt berekent binnen een gebied dat wordt afgebakend door een geselecteerde polygoon. De polygoon moet volledig binnen het actieve DTM vallen. De polygoon mag punten, lijnen en bogen bevatten. Opmerking: Indien de polygoon gedeeltelijk buiten het terreinmodel valt, zal het volume van het niet overlappende deel geschat worden door extrapolatie van het DTM. De hoogtes van de punten die de polygoon vormen hebben geen invloed op de berekening van het volume. Indien twee terreinmodellen worden berekend,is het mogelijk om DTM1-DTM2 te selecteren in het Grondverzet venster. Pythagoras zal vervolgens het volume tussen beide DTM s berekenen. De volumeberekening is gebaseerd op numerieke integratie. De nauwkeurigheid kan verhoogd worden door de afstand tussen de dwarsprofielen te verkleinen. De berekeningstijd zal wel vergroten. Het maximum aantal profielen bedraagt Opmerking: De berekening van de triangulatie, in het geval dat enkele punten op dezelfde lijn en aan de grens van het terrein liggen, is soms onmogelijk. De beste oplossing is om een aantal punten aan de rand toe te voegen en deze mee op te nemen in de berekening van de triangulatie. 33

50 Profielen Pythagoras biedt de mogelijkheid om profielen te creëren volgens een geselecteerd pad (lengteprofiel) of loodrecht op dit pad (dwarsprofiel). Het berekende profiel zal automatisch geplakt worden in een nieuw document en op het klembord geplaatst worden. Verschillende instellingen kunnen gekozen worden. Lengteprofiel Het is mogelijk een referentiehoogte in te geven, de horizontale X-schaal en de verticale Z-schaal van het profiel. Enkel de overlapping tussen pad en DTM zal worden berekend. De X-as, van het berekende profiel, wordt op hoogte 0 geplaatst, terwijl de X-waarden in het profiel overeenkomen met de geaccumuleerde afstand van het geselecteerde pad. Tot slot kunnen referenties toegevoegd worden, door deze te selecteren voor de berekening. Dwarsprofiel In dit geval kan u het aantal dwarsprofielen op één rij opgeven en de afstand tussen de profielen. Deze afstand kan automatisch berekend worden of kan opgegeven worden. De dwarsprofielen worden getekend in een nieuw document of kunnen worden toegevoegd aan een bestaand document. Daarenboven kan de lay-out van het dwarsprofiel bepaald worden. Het eerste deel specificeert welk deel van het geselecteerde pad zal worden gebruikt voor de berekening van de profielen. Het uitzicht van de dwarsprofielen kan ingesteld worden, door het definiëren van hun breedte. Ofwel worden de terreinlimieten gebruikt, ofwel kan een afstand links en rechts van het pad ingegeven worden. De referentiehoogte en horizontale en verticale schaal kan eveneens ingegeven worden. Wegontwerp Wegen worden ontworpen naargelang het bestaande terrein. Later zal dit terrein (reliëf) gebruikt worden voor het ontwerp van lengte- en dwarsprofielen. Zie Deel III: Wegontwerp. Een DTM bewerken Volgende bewerkingen kunnen worden uitgevoerd op een DTM, wanneer de triangulatie zichtbaar is. Zie Deel II, HOOFDSTUK 3: DTM - Verwissel diagonaal: vervang twee aangrenzende driehoeken door de twee driehoeken in dezelfde vierhoek door gebruik te maken van de andere diagonaal. - Verwijder een driehoek. - Verwijder een vertex. 34

51 - Voeg een vertex toe. - Verander de hoogte van een vertex. - Verplaats een vertex. Wanneer een DTM bewerkt wordt, zullen de veranderingen enkel van toepassing zijn op het DTM en niet op de punten en lijnen waarop het DTM gebaseerd is. Opmerking: Bewerkingen op een DTM kunnen niet ongedaan gemaakt worden. 35

52 Hoofdstuk 7: Macro s Macro s zijn programma s geschreven in Pythagoras VBA en laten toe om de functionaliteiten van Pythagoras uit te breiden. Enkele voorbeelden hiervan: Automatiseren van repetitieve taken. Integratie van bepaalde processen binnen een bepaald bedrijf, zoals het overbrengen van data uit een Pythagoras document naar een databank. Toevoegen van menu s of werktuigen om bepaalde taken te automatiseren die specifiek zijn voor een project of om meer algemene functie toe te voegen. Andere mogelijkheden van Pythagoras VBA zijn: Import en export van niet-standaard dataformaten: SmallWorld, Google KML, PostGIS, GRASS GIS, XML-based formats zoals LandXML, CityXML, SVG, GPX, Uitwisseling van data met een veldgeheugen. Aanmaken van verschillende rapporten volgens lokale standaarden. Verder in dit hoofdstuk zal een korte beschrijving gegeven worden van de Pythagoras VBA omgeving en het beheren van macro s. Voor verdere informatie verwijzen we naar de Pythagoras VBA Handboek. Pythagoras VBA Pythagoras VBA is een programmeeromgeving die de gebruiker toelaat om mogelijkheden toe te voegen aan Pythagoras. De taal is bijna identiek aan de taal gebruikt door de Microsoft producten Visual Basic en MS Office VBA. De manier waarop toegang wordt verkregen tot Pythagoras objecten, is vergelijkbaar met de manier waarop dit in de MS Office producten gebeurt. De meeste functies van Visual Basic zijn ook beschikbaar in Pythagoras VBA. Er zijn natuurlijk verschillen. Zo is, in tegenstelling tot Microsoft VBA, het Pythagoras objectmodel niet toegankelijk van buitenaf. Het Pythagoras objectmodel biedt toegang tot bijna alle Pythagoras objecten, zoals documenten, tekenelementen (lijnen, punten, ), lagen, Dit model is zeer krachtig en laat toe om de functionaliteiten van Pythagoras uit te breiden. Opmerking: In Pythagoras VBA worden enkel standaardeenheden gebruikt: Meter voor afstand Radialen voor hoeken In andere eenheden nodig zijn kunnen speciale functies gebruikt worden. 36

53 Pythagoras Macrobibliotheken Een macrobibliotheek bestaat uit één of meer modules, die op hun beurt bestaan uit één of meer macro s. Modules worden onderverdeeld in Code en Formulier. Bibliotheken worden bewaard in de Macro Systeembibliotheek (.MLB) of in een Pythagoras document. Op deze manier kan het Pythagoras.mlb bestand meerdere bibliotheken bevatten en elke bibliotheek meerdere macro s. Wanneer Pythagoras opstart, zal het Pythagoras.mlb bestand in het geheugen geladen worden. Indien een opstartbibliotheek werd gekozen, zal deze automatisch opstarten telkens Pythagoras gestart wordt. Als de opstartbibliotheek een macro bevat, OnStartUp genaamd, dan zal deze macro worden opgestart. Op deze manier kan de standaard Pythagoras omgeving bij opstarten worden aangepast. Bij een document met meer dan één bibliotheek, zullen de bibliotheken in het geheugen worden gelezen als het document geopend wordt en het actieve venster wordt. Vergelijkbaar met een systeembibliotheek, kan een documentbibliotheek een opstartbibliotheek bevatten. Deze functie laat toe om de Pythagoras omgeving te laten afhangen van een specifiek document. Er kan slechts één macrobibliotheek actief zijn. Ofwel een systeem- ofwel een documentbibliotheek. Enkel macro s van de actieve bibliotheek kunnen uitgevoerd worden. Macrobeheer De Macrobibliotheek Manager geeft controle over de verschillende macrobibliotheken. Zo kunnen bibliotheken verplaatst, hernoemd of verwijderd worden. Ook kan een opstartbibliotheek toegewezen worden of een bibliotheek geblokkeerd om te voorkomen dat de macro veranderd. Daarbovenop kunnen de bibliotheken geïmporteerd en geëxporteerd worden, om oude bibliotheken terug te plaatsen of een back-up te maken van de huidige bibliotheek. Doordat verschillende macrobibliotheken beschikbaar zijn voor een tekening, moet telkens de juiste macro geladen worden voordat deze gebruikt kan worden. De macro-code bewerken gebeurt in de Macro-editor. Dit is een programmeeromgeving met eigen commando s, die toelaat de code te beheren, bewerken en laten lopen. De beschreven functie kunnen gebruikt worden via het Macro s menu. 37

54 Hoofdstuk 8: Standaardinstellingen De standaardinstellingen van een object duiden op de grafische attributen die worden bewaard in Pythagoras en toegepast op ieder nieuw object. In Pythagoras spreken we eveneens over andere categorieën die verwijzen naar de standaardinstellingen: Eigen instellingen Documentinstellingen Voorkeuren Volledige beschrijving van de functie kan u vinden in Deel II, Hoofdstuk 5: Menu Instelling. Alle standaardinstellingen, uitgezonderd de documentinstellingen, worden bewaard in het Pythagor.def bestand. Bij het opstarten wordt bestand ingeladen. Grafische Attributen Grafische attributen van objecten die als standaard kunnen worden ingesteld: Puntstijl en symbool Lijneigenschappen Teksteigenschappen Kleur Niveau De instellingen zullen worden toegepast op alle nieuwe objecten. De instellingen worden niet automatisch bewaard. De Bewaar optie moet gekozen worden. Vervolgens zullen de standaardinstellingen gebruikt worden, de volgende maal Pythagoras wordt opgestart. Eigen Instellingen Een eigen instelling is een set grafische attributen, welke voorrang krijgen op de standaardinstellingen wanneer deze geselecteerd wordt. Tot 256 eigen instellingen kunnen worden aangemaakt. Dit laat toe om verschillende sets objectattributen te bewaren, waardoor de gebruiker steeds de gewenste set kan gebruiken, zonder deze opnieuw te moeten definiëren. Voor instructies over het aanmaken van eigen instellingen, zie Deel II, Hoofdstuk 5: Eigen Instellingen Documentinstellingen Documentinstellingen zijn de instellingen van het actieve document. Hier kan de schaalfactor van de paginacoördinaten systeem ingesteld worden, en de kaarthoek van de tekening. Ook het instellen van het CRS en het bepalen 38

55 van het volgende puntnummer zodat dit automatisch oploopt. Tot slot kan de puntbevestiging aan- of uitgeschakeld worden. Documentinstellingen worden enkel bewaard in het actieve document. Een nieuw document zal geopend worden met de standaardinstellingen. Voorkeuren De voorkeuren bestaan uit verschillende instellingen: Datum- en tijdconventies Eenheden Annotaties Coördinatensystemen Eigenschappen van het veldgeheugen Eigenschappen van teksten en commentaren De volledige lijst kan u terugvinden in het Voorkeuren venster. De geselecteerde voorkeuren worden toegepast op alle geopende tekeningen, worden automatisch bewaard wanneer Pythagoras wordt afgesloten en geladen wanneer Pythagoras wordt opgestart. 39

56 Hoofdstuk 9: Tekst Bewerken Pythagoras voorziet u met de basis werktuigen om tekst en VBA programmatuur te bekijken, genereren en gebruiken. Dit hoofdstuk toont een overzicht. ASCII editor Pythagoras standaard editor is beschikbaar in het menu Bestand (Deel II, hoofdstuk 1: Open tekstbestanden). Dit werktuig laat toe om eenvoudige tekstbestanden te openen, korte teksten te schrijven en tekstdocumenten te bewerken. Daarbovenop, gebruikt Pythagoras de ASCII editor om: - Fouten te tonen gedurende het uitvoeren van bepaalde acties. Bijvoorbeeld, wanneer een CDF of een bestand van een veldgeheugen wordt ingeladen. De editor toont de lijn waar de fout voorkomt en geeft de mogelijkheid om naar de volgende fout te gaan. - Rapporten te openen na het uitvoeren van sommige commando s. Bijvoorbeeld, na het importeren of exporteren van een databank, zal het resultaat weergeven worden. De ASCII editor heeft een beperkte aantal werktuigen en een eenvoudig menu, bestaande uit een bestand, bewerk en venster menu. Verschillende documenten kunnen tegelijkertijd geopend en bewerkt worden. Opmerking: De standaard codepagina voor de ASCII editor is de huidige Windows codepagina. Hier moet aan gedacht worden wanneer teksten in een andere taal bewerkt worden. RTF editor De RTF editor is beschikbaar in het Werktuigen menu (Deel II, hoofdstuk 3: Nieuw object: Rich tekst). Dit werktuig is uitgebreider dan de ASCII editor. Het laat toe om tekst een speciaal formaat te geven en leest.rtf en.doc documenten. Een document kan niet rechtsreeks met de RTF editor geopend worden. Ofwel wordt de tekst overgetypt, ofwel kopieer en plak je de tekst vanuit een ander programma (Word, Notepad, Wordpad, ). Telkens wanneer een tabel met informatie in de tekening geplakt wordt kan deze bewerkt worden via de RFT editor. Om een nieuwe rij aan de tabel toe te voegen in de RTF editor, dient de cursor rechts van de vorige rij geplaatst en Enter gedrukt te worden. Een rij verwijderen is mogelijk als de ganse rij geselecteerd wordt en de Delete toets ingedrukt wordt. Het aantal kolommen en de eigenschappen (kleur) kunnen niet gewijzigd worden in versie 12. De positie van de rich tekst kan veranderd worden op dezelfde manier als elk ander object. De breedte van de tekst hangt af van de breedte van de tekstrechthoek in de tekening. De tekst wordt dus automatisch naar de juiste grootte omgezet. 40

57 De RTF editor laat toe om tekst weer te geven in een door de gebruiker gekozen formaat. Gebruik uitlijning, tussenruimte, tekstgrootte, kleur en stijl. De tekstuitlijning in de editor bepaalt de uitlijning in de rechthoek in de tekening. Om de uitlijning van het tekstblok te veranderen, dienen de Kenmerken van het tekstblok opgevraagd te worden via het menu Bestand, of via de linker muistoets kunnen de Grafische kenmerken worden op opgevraagd. Opmerking: Let op dat de standaard codepagina voor de RTF editor ingesteld wordt, wanneer een nieuw lettertype gekozen wordt voor detekst die wordt bewerkt. Opmerking: De getoonde grootte van de rich tekst is enkel correct als de zoom-factor gelijk of een veelvoud van 1 is. Zo zal de grootte van de tekst in een 1/1000 tekening enkel correct op het scherm getoond worden bij de schalen 1/500, 1/250, 1/125, Pythagoras kan immers enkel teksten tonen waarvan de puntgrootte een geheel getal is. VBA editor De VBA editor kan gevonden onder het menu Bestand (Deel II, hoofdstuk 1: Macro s, Macro s bewerken). Deze editor is vergelijkbaar met de ASCII editor, maar heeft een ander doel: VBA macro s bewerken. Het verschil zit in de commando s voor het compileren en lopen van demacro s. 41

58 Hoofdstuk 10: Pythagoras Werkbalk De Pythagoras-werkbalk is een aparte set knoppen die de meest voorkomende en voor de hand liggende commando s huisvest. Naast de standaard Windows documentfuncties (zoals het openen, bewaren, afdrukken, ), zijn er ook specifiekere elementen aanwezig. Delen van de werkbalk kunnen tevens verborgen worden. Zie hiervoor verder onder het deel II: hoofdstuk 6: Werkbalken Pythagoras laat toe om eigen werkbalken te maken en te veranderen. Zie deel II: hoofdstuk 6: Werkbalken aanpassen voor verdere informatie. Een coördinaten referentiesysteem selecteren De knop opent het menu Selecteer Coördinaten Referentiesysteem. In dit venster kan u één van de CRS en kiezen en het toewijzen aan het lokaal of globaal coördinatensysteem. Eveneens het toewijzen van een transformatie aan de hand van een Tie Points is mogelijk. Attributen (eigenschappen) kopiëren van het geselecteerde object Deze knop ( ) wordt actief wanneer een object met bepaalde eigenschappen wordt geselecteerd. Na het drukken op de knop, zullen de huidige instellingen vervangen worden door de instellingen die van toepassing zijn op het object. Dit laat de gebruiker toe om snel de eigenschappen in te stellen van reeds getekende objecten, zodat nieuwe objecten automatisch dezelfde eigenschappen krijgen als het basis -object. Attributen (eigenschappen) toepassen op geselecteerde objecten De huidige (actieve) instellingen kunnen geplakt worden op een reeks geselecteerde objecten met de knop snel van uiterlijk gewijzigd worden.. Op deze wijze kan een tekening De huidige instellingen kunnen verkregen worden door alles naar believen in te stellen in de menu Instelling, door een gewenste Eigen Instelling te selecteren (zie verder) of door eigenschappen te kopiëren van reeds getekende objecten (zie vorig punt) Opmeten van een detailpunt en uitzetten van een geselecteerd punt De knoppen en worden gebruikt enkel wanneer de Tachymetermodule geactiveerd werd en een totaalstation verbonden is met 42

59 uw computer. Voor meer informatie, raadpleeg de handleiding van de Tachymetermodule. Een Laag Actief Maken De geactiveerde laag is de laag waarin u nieuwe objecten creëert. De naam van de geactiveerde laag wordt in de werkbalk getoond en u kan deze laag wijzigen door zijn naam te selecteren in het menu dat verschijnt wanneer u met de muis klikt op het actieve layerveld in de werkbalk. Een Eigen Instelling Actief Maken De geactiveerde Eigen Instelling bepaalt de eigenschappen waarmee u nieuwe objecten creëert. (voor Eigen Instellingen: zie verder deel II, hoofdstuk 5: Instellingen) De naam van de geactiveerde Eigen Instelling wordt in de werkbalk getoond en u kan deze Eigen Instelling wijzigen door zijn naam te selecteren in het menu dat verschijnt wanneer u met de muis klikt op het eigen instelling veld in de werkbalk. Macro-knoppen (Pythagoras VBA) Deze knoppen ( ) kunnen toegewezen worden aan bepaalde (zelf-) geschreven VBA-programma s. De respectievelijke toepassing wordt dan actief door op de desbetreffende knop te drukken. Deze balk kan echter slechts actief (zichtbaar) gemaakt worden wanneer macro s geladen zijn waarvoor deze knoppen van toepassing kunnen zijn (zie verder menu Venster) 43

60 Hoofdstuk 11: Pythagoras controlepaneel Het Pythagoras-controlepaneel is een apart venster dat steeds op het scherm te zien is en dat alle gegevens toont, die voor het creëren van punten en lijnen vereist zijn. De informatie in het controlepaneel is contextgevoelig. Wanneer het vizier bijvoorbeeld overeenstemt met een lijn, dan worden de lijnlengte en de afstand van het vizier tot de eindpunten getoond. Deze functie is niet alleen nuttig voor het verkrijgen van informatie over objecten, maar biedt ook belangrijke voordelen bij het definiëren van nieuwe lijnen of punten. Pythagoras geeft automatisch de contextgevoelige ingavevelden. De velden en de daarin aanwezige gegevens zijn afhankelijk van het geselecteerde gereedschapskistitem en van het object dat het vizier op dat moment aangeeft. Wanneer u een veld in het Pythagoras-controlepaneel wijzigt (bv. het wijzigen van de afstand van een punt tot één van de eindpunten van de lijn), worden alle verwante gegevens in het controlepaneel (d.w.z. de coördinaten, de afstand tot het andere punt, de lijnlengte) getoond. Tegelijkertijd wordt er rechtstreeks op de op het scherm getoonde tekening een visuele feedback gegeven, die een punt of lijn in aanbouw toont. Het Coördinatensysteem Selecteren Het geselecteerde coördinatensysteem wordt in het controlepaneel weergegeven. De coördinaten die in het Pythagoras-controlepaneel ingetypt of getoond worden, hangen af van het geselecteerde coördinatensysteem. U kan een coördinatensysteem selecteren door zijn naam te selecteren in het menu dat verschijnt wanneer u met de muis klikt op het coördinatensysteemveld in het Pythagoras-controlepaneel. Rechthoekige/Polaire Coördinaten Selecteren Het controlepaneel toont ofwel XYZ-, NOZ-, HDZ-, HVD-, HVS- of CDZcoördinaten. Deze selectie wordt in het controlepaneel getoond. U kan deze selectie veranderen door met uw muis op dit veld te klikken en uw keuze te maken in het menu dat tevoorschijn komt. 44

61 Deel II Menufunctie 45

62 46

63 Hoofdstuk 1: Het Menu Bestand Nieuw Het Nieuw-commando maakt een lege tekening aan in een nieuw venster. De paginagrootte is afhankelijk van de printer of plotter die op dat moment als standaardprinter geselecteerd is. Als u een tekening voor een andere printer of plotter wil aanmaken, moet u eerst die printer selecteren. Instellingen Printer Een bestaande tekening kan altijd aangepast worden aan een andere printer. Open Het Open-commando opent een tekening van uw schijf en toont deze op uw scherm. Wanneer Open geselecteerd wordt, zal het standaardinformatievenster "Open" verschijnen. Om een tekening te openen selecteert u ofwel de tekening die u wil openen en klikt u dan op de Open-knop, ofwel dubbelklikt u op de naam van de tekening. Indien u meer informatie over de mogelijkheden van het informatievenster "Open" wenst, consulteer dan de handleiding van MS-Windows. Wanneer u een tekening bewaart, wordt niet alleen de tekening zelf, maar ook alle relevante informatie samen met de tekening opgeslagen. De printer waarvoor deze tekening gemaakt werd alsook de paginagrootte worden samen met de tekening bewaard. Dit betekent dat u een tekening kan bewerken voor een niet geselecteerde printer. Ook de informatie onder "Weergave-opties..." wordt bewaard. De lagen zullen zichtbaar zijn zoals ze opgeslagen werden. Vergeet niet dat een tekening meer gegevens kan bevatten dan wat er zichtbaar is op het scherm! Bij het openen van een document (Pythagoras-tekening) krijgt men de keuze om een tekening te openen (*.PYT), of een prototype (*.PPD). Het prototype kan gekopieerd worden: men krijgt een nieuwe tekening die een kopie is van de prototype tekening. De prototype tekening zelf wordt automatisch terug gesloten. als prototype geopend worden waardoor men de mogelijkheid heeft de tekening nog bij te werken en terug op te slaan als prototype. Pythagoras geeft een foutmelding wanneer de gebruiker probeert om een bestand te openen waaraan een andere gebruiker aan het werken is. Op die manier zijn ongewenste parallelbewerkingen uitgesloten. Het bestand kan eventueel Enkel lezen (Read-Only) geopend worden. 47

64 Als een bestand het attribuut Read-Only werd toegekend, dan krijgt de gebruiker eveneens een melding van Pythagoras. In dit geval kunt u beslissen om het gewenste bestand, niettegenstaande de schrijfbeveiliging, te openen. Eventuele veranderingen die reeds aan die tekening werden gemaakt, moeten dan onder een andere naam worden opgeslagen Zie ook -knop in de werkbalk Sluit Het Sluit-commando sluit het venster van de actieve tekening. Als de tekening in het venster niet opgeslagen wijzigingen bevat, verschijnt er een informatievenster dat vraagt het bewaren te bevestigen. Bewaar Het Bewaar-commando slaat de actieve tekening op een schijf op en gebruikt daarbij de bestandsnaam die bovenaan het venster getoond wordt. Als het over een nieuwe tekening gaat, verschijnt er een informatievenster dat de naam van het nieuwe document vraagt. Zie ook -knop in de werkbalk Bewaar Als Het commando "Bewaar Als" bewaart de nieuwe tekening, of een nieuwe versie van de actieve tekening. Een informatievenster verschijnt en u typt de nieuwe naam van de tekening in. Als de naam reeds gebruikt werd, zal Pythagoras u vragen of u het bestaande document wenst te vervangen. De nieuwe naam van het document wordt bovenaan het actieve venster weergegeven. Naast Bestandstype kan u instellen onder welk formaat u wenst te bewaren. Het is mogelijk te bewaren onder het formaat van de vorige versie die op uw systeem is geïnstalleerd. Bv. Als u Pythagoras versie 11 heeft, kan u bewaren onder het Pythagoras 10-formaat. Dit kan impliceren dat sommige gegevens - die in het vorige formaat niet ondersteund werden niet mee bewaard kunnen worden. Verder kan op deze wijze uw tekening ook bewaard worden onder het DWGof DXF-formaat. Verder in het handboek wordt besproken hoe dit ook kan gebeuren met de exportfunctie. Deze functie echter bewaart sowieso de ganse tekening, ongeacht verborgen lagen, e.d. Het selecteren van objecten op voorhand is derhalve overbodig, in tegenstelling tot de exportfunctie (zie Export ). Lijndiktes worden mee bewaard, indien er geen conversietabel geladen werd. Objecten in paginacoördinaten worden nog niet meebewaard. Deze bewaarfunctie is eenmalig: indien eenmaal bewaard onder de vorige versie, zal bij het normale Bewaar -commando terug onder het huidige 48

65 formaat bewaard worden. Het is dus aan te raden slechts te bewaren onder de vorige versie als de tekening volledig is afgewerkt. De instellingen van de gekozen printer, bladgrootte, en oriëntering, belangrijk voor het kunnen afdrukken van gegevens, vormen een onderdeel van de tekening en worden samen met de tekening opgeslagen. In de praktijk komt dit hierop neer dat bij het laden van een Pythagoras-tekening de printer- en papierinstellingen per planblad automatisch op dezelfde wijze gezet worden als bij het opslaan van de gegevens. Als men in Pythagoras een tekening bewaart met de extensie.ppd, dan wordt deze tekening een prototype document. Dit wil zeggen dat men deze tekening als beginsituatie voor een nieuwe tekening kan gaan gebruiken. Het gebruik van het prototype: zie het menu Openen. Tekening Info Het commando "Tekening Info" maakt het mogelijk algemene informatie over uw tekening te wijzigen. Onder de algemene info vindt u de naam, de datum en de beschrijving van het project terug, waarbij de tekening hoort. Importeer Het Import-commando leest gegevens in de actieve tekening, zelfs als die met andere programma's (bv. veldgeheugen, werkblad, andere CADprogramma's) gecreëerd werden. De geïmporteerde gegevens zijn een DXF/DWG-bestand, een SHAPEbestand (enkel Windows) een SQD-bestand (enkel Windows), een coördinatenlijst, een veldgeheugenbestand, een beeld of een lijst van beelden. Wanneer de Pythagoras tekening reeds een databankstructuur bevat, kan die ingevuld worden door het importeren van een datatabel. Opmerking: Geïmporteerde tekstbestanden kunnen eenvoudig vanuit Pythagoras geopend worden via "Bestand" - "Open tekstdocument". Wanneer u in een Eigen-Coördinatensysteem importeert, wordt de hoogte van alle punten in het geïmporteerde document gerelateerd aan de hoogte van het beginpunt van het ECS. Coördinatenlijst Een coördinatenlijst is een tekstbestand dat het puntnummer en de coördinaten van een aantal punten bevat. De structuur van een coördinatenlijst wordt beschreven in appendix A. Een coördinatenlijst kan met bijna alle tekstverwerkers- of spreadsheetprogramma's gemaakt worden (Microsoft Excel, Lotus 123,...). Wanneer u een coördinatenlijst importeert, worden de coördinaten in het bestand beschouwd als coördinaten van het door u geselecteerde coördinatensysteem. Wanneer het Lokaal coördinatensysteem geselecteerd werd, zijn de coördinaten in de coördinatenlijst lokale coördinaten. Wanneer er een eigen coördinatensysteem geselecteerd werd, zijn de coördinaten 49

66 deze t.o.v. het geselecteerde eigen coördinatensysteem. De hoogte is relatief t.o.v. de oorsprong van het coördinatenstelsel. Importeren in paginacoördinaten is onmogelijk. Voordat u een coördinatenlijst importeert, moet u de door Pythagoras gebruikte voorkeuren aanpassen aan de conventies die in de coördinatenlijst gebruikt worden. De coördinaten in de coördinatenlijst kunnen zowel cartesiaanse als polaire coördinaten zijn en ze kunnen zowel de X-as (XYZ) als Noord-Oost (NEZ) als basis hebben. De mogelijk bestaat ook om punten te importeren tov een pad (in CDZ formaat). Een z-waarde is niet verplicht. Formaat : <Puntnummer> <X> <Y> Commentaar (in de 7de kolom) wordt ingelezen en gekoppeld aan het punt. Wanneer de instrumenthoogte en de reflectorhoogte in de coördinatenlijst vermeld zijn, zal Pythagoras hiermee rekening houden bij het berekenen van de elevatie van de punten. We raden u aan een coördinatenlijst te gebruiken wanneer er veel punten of veldgegevens dienen ingevoerd te worden. Indien u een coördinatenlijst wenst in te lezen waarin codering gebruikt werd, en u wenst dat Pythagoras met deze codering rekening houdt (automatische creatie van een tekening), gebruik dan de functie Importeer Veldgeheugen ). Zie verder. DXF/DWG-bestand Hiermee importeert u bestanden aangemaakt in het AutoDesk uitwisselingsformaat (DXF) of het AutoCAD-drawing-formaat (DWG). De schaal die kan opgegeven worden heeft enkel betrekking op de grootte van tekst, symbolen, lijnstijlen en arceringen, NIET op de schaal van de tekening. Indien u de schaal kent, geeft u zie hier op. Indien u de schaal niet kent, laat u 1/500 staan en kan u eventueel nadien via het planbladbeheer de schaal voor het planblad aanpassen. (zie verder) SHAPE-bestand Hiermee importeert u Shape-bestanden aangemaakt in het ESRI uitwisselingsformaat (*.shp). Tijdens de import van Shape (*.shp) bestanden kunnen de databankgegevens samen met de grafische gegevens geïmporteerd worden. Automatisch worden de bestaande tabellen overgenomen en de velden ingevuld. Per tabel kan een Laag aangemaakt worden en kunnen de grafische kenmerken vastgelegd worden. Het is mogelijk om een tabel met dezelfde naam 2x in te voeren. 50

67 Shape import instellingen Shape: dit is de naam van het bestand dat ingeladen wordt. Per bestand kan u een aantal instellingen wijzigen. Attr: er zijn 3 verschillende objecten: punt, lijn en polygoon. Hier kan u de opmaak van deze objecten wijzigen. U klikt op het symbool dat staat voor punt, lijn of polygoon. Naargelang het object krijgt u een aangepast venster: 1. punt: de kleur en de stijl kunnen gewijzigd worden 2. lijn: kleur, dikte van de lijn en de kleur kunnen gewijzigd worden 3. polygoon: patroon, kleur, rand en achtergrond kunnen gewijzigd worden. Laag: hier kan u opgeven in welke laag het object moet geplaatst worden. De laag kan on the fly aangemaakt worden : de naam kan hier voor het eerst ingegeven worden en dient niet noodzakelijk op voorhand te bestaan. 51

68 Data: aanvinken zodat de data mee in de tekening geladen wordt Tabel Naam: deze namen moeten uniek zijn, ze kunnen gewijzigd worden. Meetwaarde: negeer (niet wijzigen) Opmerking: Vermits alle objecten automatisch in lagen worden geplaatst door de ingestelde voorkeuren van import, kan de opmaak natuurlijk ook achteraf gebeuren door selectie van objecten in die verschillende lagen. Datatabel Deze optie laat u toe om data te importeren in een datatabel (in *.dbf, *.txt of *.csv formaat) reeds gedefinieerd in de actieve Pythagoras tekening. Het is belangrijk dat het document, waarin een datatabel geïmporteerd wordt, reeds een databank bevat. Zo niet zal Pythagoras een waarschuwing geven en het importeren afbreken. Eerst zal gevraagd worden om het juiste bestand te selecteren. Daarna zal volgend venster verschijnen: 52

69 Tekstbestand: hier wordt het scheidingsteken gekozen dat voorkomt in het geselecteerde bestand. Tab, Komma en Puntkomma kunnen worden gekozen. Wordt het scheidingsteken fout gekozen, dan zal het bestand slecht ingelezen worden. Ook wordt hier bepaald of de eerste lijn mee wordt ingelezen of deze een hoofding bevat en dus overgeslagen moet worden. Opties: de geïmporteerde data kan kan informatie bevatten diereeds aanwezig is in de doeltabel. Er kan gekozen worden ombestaande dat te overschrijven en nieuwe rijen toe te voegen (Overschrijven en toevoegen), enkel bestaande data te overschrijven of enkel nieuwe rijen toe te voegen. De knop Geavanceerd bepaalt de instellingen voor de tekstcodering, het decimaal teken en het datumformaat. Import definities: na het selecteren van de doeltabel, kunnen de instellingen aangepast worden en kunnen rijen en kolommen toegevoegd of verwijderd worden door op de knop Databankbeheer te drukken. Een nieuwe tabel aanmaken is onmogelijk tijdens het importeren, dit moet vooraf gebeurd zijn. Opmerking: De doeltabel kan een attribuuttabel of een dictionary zijn. Import in een systeemtabel is onmogelijk. Het bepalen van de sleutelkolom is zeer belangrijk voor een geslaagde import. Voor de vergelijking van data moeten kolommen in bron- en doeltabel aangeduid worden. De sleutelkolom uit de brontabel kan gekozen worden in het menu Eerste sleutelkolom. De kolom van de doeltabel kan overeenkomen met de bronkolom of het objectcommentaar, indien geïmporteerd wordt in een attribuuttabel (Vink de optie Sleutel = objectcommentaar aan). Tijdens de import zal Pythagoras zoeken naar overeenkomstige sleutels en de databank updaten volgens de gekozen schrijfrechten. In het geval van een attribuuttabel, waarbij de sleutel niet het objectcommentaar is, moet de sleutel uniek zijn enkunnen geen rijen worden toegevoegd. Men zal enkel kunnen overschrijven. De hoofdlijst toont de kolommen van de databank tabel aan de linkerkant. Rechts kunnen kolomnamen geselecteerd worden die geïmporteerd moeten worden in elke databank kolom. Voor de geselecteerde paren zal de middelste kolom een groene pijl tonen. Wordt de kolom niet geïmporteerd, dan zal een rood kruis verschijnen. De knoppen Vorige ingave en Volgende ingave kunnen gebruikt worden om door de lijst te lopen. Op deze manier kan gecontroleerd worden of het scheidingsteken juist werd gekozen en of de juiste data geïmporteerd wordt. Na de instellingen gekozen te hebben en de knop OK te hebben ingedrukt, zal Pythagoras de data importeren en een LOG-bestand aanmaken met het resultaat. SICAD-SQD Hiermee importeert u de SQD-bestanden van het pakket SICAD. 53

70 Veldgeheugen Het import Veldgeheugencommando laat u toe bestanden van een variëteit van veldgeheugens en totaalstations in te lezen. Deze bestanden hebben hierdoor een formaat dat door de toestelfabricant werd bepaald. Tijdens het importeren bestaat de mogelijkheid om uw meetgegevens te vereffenen (indien punten opgemeten zijn die vereffend kunnen worden). Vermits dit enkel mogelijk is met de module Geocodering, verwijzen wij u naar het handboek Inlezen veldgeheugen met uitgebreide codering. Indien er bij het importeren van veldgeheugen fouten gedetecteerd worden, dan wordt het ingelezen tekstbestand geopend in de Pythagoras ASCIIeditor en wordt de lijn met de fout opgelicht. Na correctie van de gevonden fouten, kan het bestand automatisch opnieuw ingelezen worden door op de F1-toets te drukken. De verbeteringen worden dan in één handeling bewaard en opnieuw ingelezen. Indien u een coördinatenlijst wenst in te lezen waarin codering gebruikt werd, vergewis er u dan van dat het formaat Coördinatenlijst is geconfigureerd als veldgeheugen (Deel II, Hoofdstuk 5, Voorkeuren). Beeld Gebruik makend van Bestand -> Importeer -> Beeld, zal Pythagoras één of meerdere beelden importeren in een tekening. Beelden kunnen op 2 manieren in Pythagoras ingevoerd worden: Beeld per beeld Via een lijst Beeld per beeld Bij het inlezen beeld per beeld krijgt u via een melding de keuze om het beeld automatisch te laten georefereren of niet. Indien u het automatisch georefereren verkiest, zal het beeld direct op de juiste coördinaten gepositioneerd worden. Indien u dit niet verkiest, wordt het normaal middenin uw pagina gezet. Via een lijst U kunt ook de optie kiezen om beelden via een lijst te importeren. In deze lijst worden de bestandsnamen van de te importeren beelden weergegeven met hun respectievelijke coördinaten (zie verder). Het is mogelijk om beelden van verschillende formaten in deze lijst op te nemen. Indien er GeoTiff-beelden aanwezig zijn, zullen de coördinaten (indien opgegeven) genegeerd worden. De coördinaten vermeld in het formaat zelf hebben voorrang op diegene die opgegeven worden. 54

71 Lijst met beelden In Pythagoras is het mogelijk een reeks van beelden in te lezen. Dit gebeurt door een tekstbestand aan te maken die een lijst bevat van beelden die geïmporteerd moeten worden. Om een reeks van beelden te importeren: Ga naar de menu Bestand en selecteer Importeer - Lijst met beelden. Het is ook mogelijk om attributen (laag, schaal, ) toe te kennen aan de in te lezen beelden. Het inlezen van meerdere beelden (vooral (land)kaarten die als achtergrond moeten dienen en een uitgestrekt gebied bekleden), wordt op deze wijze dus volledig geautomatiseerd. Syntax van het bestand Hieronder wordt de structuur beschreven van zo n tekstbestand. Het bestand bestaat uit twee delen: 1. De hoofding 2. De lijst van bestandsnamen van beelden met de coördinaten van hun LINKERONDERHOEK en eventueel hun rechterbovenhoek. Deze laatste wordt gebruikt indien het beeld door het scannen een vervorming heeft ondergaan. Door ingave van de coördinaten van de rechterbovenhoek, zal het beeld vervormen zodat het toch in het vierkant past dat bepaald wordt door de coördinaten. De Hoofding Opmerking: verschillende velden worden gescheiden door een spatie of TAB De hoofding begint steeds met een dubbele punt Originele bestanden: hier wordt de padnaam van de originele bestanden (TIFF s of BMP's) ingegeven Geconverteerde bestanden: Pythagoras converteert de beelden naar zijn eigen formaat. Specifieer hier de padnaam waar de geconverteerde bestanden opgeslagen moeten worden Opmerkingen De mappen/directories worden gescheiden door een een backslash (\). BV.: C:\documenten\beelden\ Zorg er altijd voor dat het pad eindigt met een een backslash. 1) Schaal: hier wordt de schaal van de originele bestanden ingegeven. 2) Niveau: dit specificeert het niveau waarin de ingelezen beelden afgebeeld worden. Wij raden aan om het laagste niveau (= -10) te gebruiken aangezien beelden meestal als achtergrond dienen. Zodoende worden er geen getekende objecten verborgen door het beeld. 3) Laag: Indien de ingegeven laag nog niet bestaat, zal deze automatisch aangemaakt worden. 4) Kleur: een nummer geeft de kleur weer waarin het beeld afgebeeld zal worden (0=zwart) 55

72 5) Y of N : (enkel zwart/wit beelden) Y negatief beeld N normaal beeld 6) Intensiteit: bestaat uit een waarde in % (100%, 50%,...) De Lijst De lijst zit als volgt in elkaar: "Bestandsnaam "X-coördinaatLO" "Y-coördinaatLO" "X-coördinaatRB" "Y-coördinaatRB Indien het beeld vervormd is door het scannen, kunnen de coördinaten van de rechterbovenhoek ingegeven worden achter de coördinaten van de linker-onderhoek. Let er wel op dat de bestandsnamen extensies kunnen bevatten. Kijk na of deze overeenkomen met het origineel. Voorbeeld Hieronder vindt u een voorbeeld van hoe zo n importbestand eruit ziet: : C:\DATA\ D:\GIS\NGI\ 1/ NGI N 100 top08-2.tif top08-3.tif top08-4.tif top08-6.tif top08-7.tif top08-8.tif top16-4.tif top16-8.tif top17-1.tif top17-5.tif Exporteer Het export-commando schrijft gegevens over geselecteerde objecten weg naar een bestand dat één van de volgende vormen kan aannemen: 1) Coördinatenlijst (of een offset lijst indien u in CDZ exporteert) 2) DXF/DWG-bestand 3) Terreinmodel 4) Beeld 5) Shape 6) Datatabel 7) SICAD-SQD-bestand 8) Objectenlijst 9) Uitzetlijst Maak eerst en vooral een selectie van objecten alvorens dit menu item op te roepen. Wanneer gegevens geëxporteerd worden, worden alle coördinaten van het exportbestand aan het op dat moment geselecteerde coördinatensysteem aangepast. Ook de gebruikte conventies (zie het deel over coördinatensystemen) zijn de conventies die op het moment dat u gegevens exporteert, geselecteerd zijn. Opmerking: 56

73 Geëxporteerde tekstbestanden kunnen eenvoudig vanuit Pythagoras geopend worden via "Bestand" - "Open tekstdocument". Coördinatenlijst De coördinatenlijst bevat enkel gegevens over de geselecteerde punten. Deze informatie bevat: het puntnummer; de coördinaten (XYZ, NOZ of HDZ). Eventuele commentaar (bijv. gegeven Code) Attributen en andere gegevens worden niet geëxporteerd. Een door Pythagoras geëxporteerde coördinatenlijst wordt altijd volgens het puntnummer gerangschikt. U heeft de keuze om al dan niet punten zonder puntnummer in de coördinatenlijst op te nemen. U kunt het gemaakte tekstbestand direct inkijken via de menukeuze "Bestand" - "Open tekstdocumenten". De coördinatenlijst heeft één van de volgende formaten: RTF-bestand (*.RTF) Webpagina (*.HTML) Komma gescheiden tekstbestand (*.CSV) Puntkomma gescheiden tekstbestand (*.TXT) Tab gescheiden tekstbestand (*.TXT) Opmerking : wanneer CDZ coördinaten geëxporteerd worden, zal dit steeds gebeuren tov het actieve pad (zie controlepaneel). DXF/DWG-Bestand (AutoDesk uitwisselingsformaat/autocad Drawing-formaat) De geselecteerde objecten worden naar een DXF- of een DWG-bestand weggeschreven. DWG is het formaat waarin AutoCAD-tekeningen worden bewaard. DXF-bestanden daarentegen, kunnen in AutoCAD en in de meeste andere CAD-programma's ingelezen worden. Alle objecten worden uitgevoerd in 3D. Alle versies tot AutoCAD 2010 worden ondersteund. Pythagoras ondersteunt alle versies vanaf AutoCAD Rel.13 en ook de respectievelijke LT-versies De omzetting naar DXF/DWG kan aangepast worden aan de eisen van de gebruiker van de DXF/DWG file. Punten Als punt (AutoCAD POINT): Elk geselecteerd punt wordt als POINT weggeschreven, ongeacht de stijl. De stijl van het punt zoals het in de Pythagoras-tekening staat, blijft niet behouden. Als symbool: Een BLOCK staat in de DXF/DWG file voor elke Pythagoras puntstijl. De punten in de DXF/DWG file worden weggeschreven als INSERT <BLOCKNAME>. 57

74 Het wegschrijven van een punt als symbool heeft als voordeel dat ook de puntnummer en de puntinformatie als ATTRIBS toegevoegd worden. Een AutoCad-gebruiker kan bijgevolg deze informatie afvragen of zichtbaar maken op de tekening. Symbolen De symbolen kunnen op 3 manieren in de DXF/DWG file worden weggeschreven: als punt: deze wijze van export is aangewezen, als de ontvanger niets of weinig heeft aan het symbool zoals gebruikt in de Pythagoras tekening. als symbool : Een BLOCK staat in de DXF/DWG Blocks Section voor elk in de tekening gebruikte symbool. Het symbool zelf wordt in de DXF/DWG file gevormd door een INSERT (Block name, X scale factor, Y scale factor, rotation angle). opgesplitst : het symbool wordt opgesplitst in zijn basiselementen en weggeschreven in de ENTITIES section van de DXF/DWG file. Lijnen Oudere versies van het DXF/DWG formaat kennen geen lijndiktes. Gebruik makend van een teksttabel, kan gespecificeerd worden hoe een bepaalde lijndikte naar een bepaalde kleur moet vertaald worden. Deze tabel kan geladenworden in het Voorkeuren menu. (meer uitleg hierover verder in de handleiding). De Pythagoras standaard -lijnstijlen en alle Eigen lijnstijlen die kunnen omgezet worden naar LTYPE s, blijven behouden. Het volgende is dus enkel van toepassing op andere speciale lijnstijlen De speciale lijnstijlen kunnen op 3 manieren in de DXF/DWG file worden weggeschreven: als normale lijn: deze wijze van export is aangewezen, als de ontvanger niets of weinig heeft aan de lijnstijl in de Pythagoras tekening. lijnstijl wordt behouden : Een BLOCK staat in de DXF/DWG Blocks Section voor elke in de tekening gebruikte lijnstijl. De BLOCK bevat de tekening van één segment. De lijn zelf wordt in de DXF/DWG file gevormd door een INSERT (Block name, X scale factor, rotation angle, column count). Bogen en cirkels worden als één "anonymous" BLOCK weggeschreven. opgesplitst : de lijnen worden opgesplitst in hun basiselementen en weggeschreven in de ENTITIES section van de DXF/DWG file. Export van onzichtbare punten. Onzichtbare punten worden geëxporteerd (als DXF/DWG POINT), indien deze keuze gemaakt wordt. In het andere geval worden onzichtbare punten niet geëxporteerd. BLOCK-namen De namen van de symbolen en lijntypes in de BLOCKS Section van de DXF/DWG file komen overeen met de gebruikte naam in de Pythagoras tekening. Ofwel met de combinatie van de namen "groep" en "symbool" 58

75 gescheiden door het teken "_", ofwel met de naam van het symbool zonder de groepnaam. Opmerkingen: Patronen: Deze worden weggeschreven als een AutoCad HATCH -entiteit. Enkel polygonen die niet kunnen omgezet worden naar een HATCH-commando, worden weggeschreven als een ANONYMOUS BLOCK. Indien u de volledige tekening (inclusief de gegevens in paginacoördinaten) wenst te exporteren naar het DXF/DWG formaat, dan moet de volledige tekening in lokale coördinaten staan. Om draaiing van de tekening in een ander tekenprogramma te voorkomen, kiest u bij het exporteren best een horizontaal coördinatensysteem. Exporteer polygonen/paden als polyline Bij het aanduiden van deze optie, worden alle geselecteerde polygonen en paden geëxporteerd als een AutoCad-POLYLINE. Opmerking: AutoCAD bevat geen uitzichten. Alle geëxporteerde planbladen zullen in DXF/DWG formaat getoond worden volgens het huidige document uitzicht. Terreinmodel Het actieve terreinmodel wordt geëxporteerd in DXF/DWG formaat. Elke driehoek wordt een 3DFACE entiteit in het DXF/DWG-bestand. Deze files kunnen ingelezen worden in sommige 3D tekenpakketten en in "rendering" programma's, om eventueel een getrouwe afbeelding te maken van het terrein. Beeld Het geselecteerde beeld kan als een BMP- of JPEG-bestand bewaard worden. In het dialoogvenster dat verkregen wordt kan de locatie bepaald worden en kan tevens een bestandsnaam ingegeven worden. SHAPE De geselecteerde objecten worden naar een SHAPE-bestand weggeschreven. SHAPE is het formaat waarin ESRI-tekeningen (welke ook gebruikt worden in programma s als ArcInfo, ArcView, ) worden bewaard. Alle objecten kunnen in 3D worden uitgevoerd. Datatabel Gegevens uit de databank en zelfs de standaard grafische kenmerken van Pythagoras objecten (uit het zogenoemde systeem) van de geselecteerde objecten zullen geëxporteerd worden als een *.dbf of *. txt bestand. 59

76 Eerst zal gevraagd worden een bestandsnaam op te geven en een formaat om naar te exporteren. Er kan gekozen worden tussen een *dbf bestand of een *txt bestand met een bepaald scheidingstype: Komma gescheiden (*.csv) Puntkomma gescheiden (*.txt) TAB gescheiden (*.txt) Vervolgens zal onderstaand venster verschijnen: Brontabel: niet alleen de aangemaakte attribuuttabellen kunnen geëxporteerd worden, maar ook Pythagoras systeemtabellen die objectattributen bevatten. Dictionaries kunnen echter niet geëxporteerd worden. Als Systeem tabellen incl. wordt aangevinkt, zullen de namen van de systeemtabellen verschijnen in de lijst na de databank tabellen. Attributen van ofwel alle ofwel enkele de geselecteerde objecten kunnen geëxporteerd worden. Indien geen objecten werden geselecteerd, zal Pythagoras een waarschuwing geven en deze optie uitschakelen. Indien vooraf enkele objecten werden geselecteerd en Enkel geselecteerde objecten werd aangevinkt, zal de brontabel uitgefilterd worden en enkel deze tabellen exporteren die refereren naar de geselecteerd objecten. Sorteren output: het geëxporteerde bestand kan gesorteerd worden in oplopende of aflopende richting, volgens de gekozen kolom in de lijst. Eveneens kunnen kolom hoofdingen toegevoegd worden door Eerste rij bevat kolomnamen aan te vinken. Deze optie is enkel beschikbaar wanneer een *.txt bestand wordt geëxporteerd. Geavanceerd bevat opties met betrekking tot tekstcodering, decimaalteken en datumformaat. 60

77 Kolommen: de linkse lijst bevat alle kolommen van de geselecteerde tabel. Bij het exporteren van een attribuuttabel kunnen hier systeemtabellen toegevoegd worden, zoals commentaar, layer, door de optie Systeem velden incl. aan te vinken. De linkse kolommen zullen verplaatst worden naar de rechter lijst als de groene pijl ingedrukt wordt. De volgorde kan gewijzigd worden met de groene pijlen onderaan. Na het indrukken van de OK knop zal Pythagoras de datatabel exporteren en een LOG-bestand genereren met het resultaat. Google Earth Pythagoras tekeningen kunnen geëxporteerd worden naar het populaire Google Earth. Vergelijkbaar met het exporteren naar andere bestandsformaten, kan er gekozen worden voor Bestand, Exporteer, Google Earth. Pythagoras zal vragen naar een bestandsnaam en bewaren in het KML formaat. Deze optie is enkel ingeschakeld, wanneer conversie naar WGS84 coördinaten mogelijk is exporteerbare objecten (niet in paginacoördinaten) geselecteerd werden. Lijnen, polylijnen, bogen, cirkels en polygonen worden geëxporteerd. Deze elementen worden op het aardoppervlak geprojecteerd. Na exporteren naar Google Earth is het mogelijk om: Een zicht te verkrijgen van het project bovenop de luchtfoto s. De verkregen KML-bestanden te verdelen. Specifiek eigenschappen van het Google Earth formaat behelzen: Enkel de geselecteerde objecten worden geëxporteerd. De actieve thematiek wordt toegepast op de eigenschappen die naar het KML bestand geschreven worden. Pythagoras lagen worden overgedragen. Objecten, getoond in Google Earth, houden rekening met de niveaus van deze objecten in de Pythagoras tekening. Een tekening kan ook rechtstreeks in Google Earth getoond worden, door de corresponderende optie te kiezen in het menu Venster (Deel II, Hoofdstuk 6, Google Earth). SICAD-SQD De geselecteerde objecten worden naar een SQD-bestand weggeschreven. Dit is het formaat van het pakket SICAD. Objectenlijst Een geëxporteerde objectenlijst is een tekstbestand dat voor alle geselecteerde objecten de respectievelijke info bevat. Voor polygonen kan dit de oppervlakte van de polygoon, eventueel de puntnummers van de punten die de polygoon vormen en de omtreksmaten (zowel horizontaal als schuine afstanden) zijn. Bij punten zullen dit de puntnummers en hun respectievelijke coördinaten zijn, etc 61

78 De objectenlijst heeft één van de volgende formaten: RTF-bestand (*.RTF) Webpagina (*.HTML) Komma gescheiden tekstbestand (*.CSV) Puntkomma gescheiden tekstbestand (*.TXT) Tab gescheiden tekstbestand (*.TXT) Uitzetlijst De geselecteerde objecten worden geëxporteerd naar het formaat van het ingestelde meettoestel. Het meettoestel is geconfigureerd via de menukeuze: Instelling Configureer Veldgeheugen. Open Tekstdocument Pythagoras bewaart de namen van de 9 laatste geïmporteerde en geëxporteerde tekstdocumenten. Deze namen komen in de menu "Open tekstdocument". Het volstaat het betreffende document in deze menu te selecteren om het te openen. Standaard worden deze teksten geopend in de Pythagoras ASCII-editor. Het is eveneens mogelijk om een bestaand bestand rechtstreeks te openen via Open of een nieuw tekstdocument aan te maken via Nieuw. Indien het bestand te groot is voor de Pythagoras-editor, wordt een alternatieve tekstverwerker gebruikt. Windows zal dan de applicatie openen die standaard voor.txt bestanden wordt gebruikt Lagen Met dit commando ( Bestand -> Lagen ) controleert u het gebruik van de lagen. 62

79 Groepen U kan logische groepen aanmaken om uw laagstructuur te vereenvoudigen. Bijvoorbeeld een aparte laag voor elektriciteit, gas,water, Lagen kunnen tot een groep toegevoegd worden of verwijderd worden. Dit één per één of verschillende lagen tegelijkertijd. Attributen Volgende attributen kunnen toegevoegd worden: beschermd en passief. De zichtbaarheid wordt ingesteld in het Weergave menu. Als het B attribuut geselecteerd wordt, zal de laag beschermd zijn. Dit betekent dat aanpassing aan deze laag onmogelijk worden. De derde optie P toont de objecten van de lagen (resp. groepen) op een passieve manier. De objecten zijn zichtbaar, maar niet editeerbaar of aangrijpbaar. De optie Alle lagen laat toe om een bepaald attribuut te selecteren voor alle lagen in één muisklik. Schaalafhankelijk uitzicht Om een laag zichtbaar te maken tussen twee schaalfactoren, drukt u op Kenmerken en een nieuw venster zal verschijnen. Hier kunnen de bovenste en onderste schaalfactor ingevoerd worden. Opmerking Een schaal moet ingegeven als een breukgetal (1/n). Als u geen boven- of ondergrens wilt ingeven, laat u respectievelijk Van of Tot leeg. Organiseren van Subdocumenten 63

80 De subdocument manager geeft u de mogelijkheid om de verbonden documenten te zien en te controleren. Hier kunnen de instellingen van elk subdocument toegevoegd, verwijderd en aangepast worden. De iconen en dienen om documenten toe te voegen en te verwijderen. Voor elke tekening zijn verschillende instellingen mogelijk. Elke document kan in één van volgende toestanden geplaatst worden: Slapend (niet in het geheugen geladen) Zichtbaar (zichtbaar, niet editeerbaar) Editeerbaar Al deze toestanden zijn slechts tijdelijk en worden niet bewaard met de tekening. Nota: Tijdelijk betekent dat de toestand geen deel uitmaakt van de configuratie. Wanneer er overgegaan wordt naar deconfiguratie, zullen de tijdelijke toestanden de toestand van de vorige configuratie overnemen. Elk object dat wordt getekend, wordt in het actieve document geplaatst. Als R (Relatief) wordt aangevinkt, overeenkomstige delen van de bestandsnaam zullen niet getoond worden. De gecreëerde configuratie kan bewaard worden. Het bovenste deel van het venster bevat de Configuratie knoppen: Voeg een configuratie toe door een naam in te geven in het venster. Verwijder de huidige configuratie (druk knop). Hernoem een bestaande configuratie. Toon informatie over de uitzichten waarin de huidige configuratie actief is door de knop Info in te drukken. 64

81 Databank Elke Pythagoras tekening kan een interne databank bevatten, welke bestaat uit één of meer tabellen. Databankbeheer Databankbeheer laat toe om de structuur van een databank te definiëren: Creëer tabellen ( Attribuut en Dictionary ) Creëer DB uitzichten ( Eenvoudig en Samengesteld ) Dupliceer, wis en hernoembestaande tabellenen uitzichten Bewerk tabelstructuur en uitzichtvoorwaarden ( Instellingen ) Bekijk data van tabellen en DB uitzichten ( Bekijk data ) Databanken kunnen vergrendeld worden met een paswoord om wijziging door een andere gebruiker te vermijden. Vergrendeld staat aangevinkt als de recente aanpassingen veranderd en bewaard worden. Tabelstructuur 65

82 In het venster Tabelstructuur kunnen de kolomnamen, types, standaard, limietwaarden en indexering aangepast worden. Dit kan eenvoudig gebeuren door in de desbetreffende kolom te klikken. Onderaan staan de knoppen om kolommen toe te voegen, te verwijderen en van volgorde te veranderen. Voor attribuuttabellen is er een tweede tabblad CAD object. Hier kan bepaald worden met welke objecten de tabel wordt verbonden. Eenvoudig Uitzicht Het venster Definitie eenvoudig uitzicht bestaat uit de basisdefinitie en twee tabbladen voor de kolom- en locatievoorwaarden. Het opbouwen van een eenvoudig uitzicht wordt gedetailleerd beschreven in Deel I, Hoofdstuk 3: Databank Uitzichten. 66

83 Samengesteld Uitzicht Een samengesteld uitzicht bestaat uit een hoofd- en hulpdefinitie en drie tabbladen. Kolompagina, Locatie pagina en de Indeling. Opbouwen van samengestelde uitzichten wordt gedetailleerd beschreven in Deel I, Hoofdstuk 3: Databank Uitzichten. Opmerking: Er zijn drie soorten indelingen: - Binnen: geldig voor punten binnen een polygoon. - Binnen een afstand van: vergelijkt de afstanden tussen objecten. - Uitdrukking: laat toe om een uitdrukking in te geven. Tabelinhoud De tabelinhoud maakt het mogelijk om de inhoud van een bestaande tabel en DB uitzichten te bekijken. Eveneens is het mogelijk om de tabel in de tekening te plaatsen, weg te schrijven als een *txt, *csv, *rtf en *html bestand te bewaren of op het klembord te plaatsen. 67

84 Sturen Standaardbrief Deze functie laat toe om standaardbrieven automatisch te genereren en te verzenden. Bepaalde informatie in deze brieven kan automatisch ingevuld worden met data afkomstig van een databank of gebaseerd op grafische kenmerken van geselecteerde objecten. De standaardbrief moet aangemaakt worden als een Pythagoras document dat een tekstobject bevat met daarin tekst en plaatshouders. Een plaatshouder begint altijd met <* en eindigt met *>. Dit betekent dat deze karakters niet mogen gebruikt worden in de brief. Een grafisch attribuut wordt aangeduid met een #-teken. De namen van tabellen en velden zijn niet hoofdlettergevoelig. Geldige plaatshouders bevatten: <*table.column*> voor databank kolommen <*#object type.attribute*> voor grafische attributen Bijvoorbeeld: Veronderstel de onderstaande tekst Beste collega s van <*Production.Country*>, Dit jaar werden <*Production.Production*> nieuwe dieselwagens geproduceerd in uw land. De oppervlakte van uw land bedraagt <*#Polygons.Area*> duizend m². Het aantal geproduceerde wagens zou volgend jaar dus zeker moeten stijgen. Management We veronderstellen dat de tabel Production met de bovenstaande kolommen bestaan in de tekening en dat de standaardbrief gegenereerd wordt aan de hand van de polygonen. Eerst worden de polygonen geselecteerd van de landen die een brief moeten toegestuurd krijgen. Vervolgens activeren we de functie. In het bovenste gedeelte van het venster wordt de prototype tekening gevraagd. Dit is een Pythagoras document met daarin de tekst en de plaatshouders op de juiste plaats. Het onderste deel geeft de output opties. De aangemaakte brief kan onmiddellijk afgedrukt of bewaard worden. Wanneer de documenten bewaard worden zullen oplopende nummers aan de bestandsnaam toegevoegd worden. Onder Plaatshouders wordt een lijst getoond met alle plaatshouders gevonden in de standaardbrief. Telkens worden eveneens de waarde van de plaatshouder en het aantal decimalen vermeld. De laatste kolom maakt het mogelijk te kiezen welke waarde gebruikt wordt voor het LOG-bestand. 68

85 Thematische kaarten Het commando thematische kaarten laat toe om een bepaalde thematiek te definiëren op basis van attributen en criteria, aanwezig in een tekening of in een databank gekoppeld aan een tekening. Er kunnen verschillende thema s gelijktijdig actief zijn. Beheer thematische kaarten De Thematische kaarten Manager beheert de thema s. Nieuwe thema s kunnen aangemaakt worden. Bestaande thema s kunnen gekopieerd, gewijzigd of verwijderd worden. De volgorde waarin de thema s staan bepaalt welk thema voorrang heeft op een ander. Thematische kaarten Editor In de Thematische kaarten Editor worden alle voorwaarden ingesteld. Bij een nieuw thema kan men een tabel selecteren. 69

86 Deze tabel bevat volgende Pythagoras objecttypes : Alle objecten, punten, alle lijnen (ook bogen, curven, e.d.), lijnen, bogen, cirkels, clothoïdes, curven, paden, polygonen, teksten, afbeeldingen en ook alle bestaande databanktabellen in de actieve tekening. Deze tabellen worden aangemaakt in het Databank Beheer in het menu Bestand. Bij waarde worden de zoekcriteria vastgelegd. Een waarde kan afkomstig uit een bepaald Veld (van de databank of uit het Pythagoras systeem) of kan het resultaat zijn van een ingegeven Uitdrukking. De mogelijkheden hierbij zijn afhankelijk van wat er bij Tabel geselecteerd is. Bvb. als Alle objecten bij Tabel geselecteerd is, heeft de lijst onder waarde enkel laag, niveau en commentaar. Is er een tabel geselecteerd in Tabel, dan bestaat de lijst bij waarde uit alle veldnamen van de geselecteerde tabel. De Uitdrukkingen zijn analoog aan de mogelijkheden die in MS Excel als formules kunnen ingeven worden. De lijst van mogelijke Operatoren is afhankelijk van welke soort de betreffende waarde is. Is dit een numerisch veld heeft dit andere mogelijkheden dan bij tekstvelden. Onder Voorstelling kunnen 1 of meerdere vergelijkingswaarden ingevuld worden met bijhorende attributen. Met het + -teken wordt een nieuwe regel beschikbaar. Met het - -teken wordt de geselecteerde regel gewist. Per regel kan er een waarde ingesteld worden, die moet voldoen aan de vergelijking van het onderwerp. Aan elke regel kunnen verschillende attributen gegeven worden. Door op 1 van de beschikbare attributen te klikken, wordt het Voorstellings venster geopend. Voorstelling De attributen die kunnen ingesteld worden zijn afhankelijk van welk veldtype gebruikt is. Van de verschillende mogelijkheden is een tabblad. Wordt er een kleur boven de tabbladen ingesteld, dan geldt deze kleur voor alle attributen, ook al is er een kleur bij één of meerdere attributen ingesteld. De voorstelling kan ook automatisch ingevuld worden wanneer gekozen wordt voor de uiterst rechtse knop met de blauw-geel-groene bollen. Deze functie geeft een aanduiding van minimum en maximum waarde en het 70

87 interval of het aantal categorieën kan ingegeven worden, alsook een kleurschakering van-tot. Automatische Opvulling Opvulling van thematische kaarten kan automatisch gebeuren. Druk op Automatische Opvulling. Het menu Limieten zal verschijnen: - Ten eerste kan gekozen worden voor een het aantal waarden of een interval dat moet getoond worden in de thematische kaart. Ook de minimum- en maximumwaarde kan ingesteld worden. In beide gevallen zal Pythagoras de indeling automatisch berekenen. - Onder Stijl en toepassing wordt de stijl gekozen die op de thematische kaart wordt toegepast. Bijvoorbeeld, inkleuren van polygonen en symbolen koppelen aan punten. - Schaal : geeft de schaalverandering voor symbolen, lijnstijlen en patronen weer. Bijvoorbeeld, een puntstijl die gaat van een kleine cirkel voor een kleine gemeente tot een grote cirkel voor een grote stad. - Kleur : bepaalt de start- en eindkleur. Pythagoras zal automatisch de tussenliggende kleuren bepalen. Speciaal geval : Ruimtelijke Interpolatie Meetwaarden gekoppeld aan een positie, bv. de graad van luchtverontreiniging in bepaalde steden, kan ook visueel voorgesteld worden a.d.h.v. een thematische kaart. Het volstaat hiervoor de betreffende databank tabel en het overeenkomende veld te selecteren waarin deze gegevens zich bevinden, en vervolgens bij het aanmaken van een thematische kaart de optie ruimtelijke interpolatie aan te vinken. Tenslotte, kiest u voor de automatische invulling en werkt u de thematische kaart verder af. 71

88 Terreinmodellen In het hieropvolgend dialoogvenster beheert men de berekende terreinmodellen. Opgepast! De bewerkingen in dit dialoogvenster kunnen niet ongedaan gemaakt worden! Wis Het commando "Wis wist het geselecteerde terreinmodel in de actieve tekening. Alleen de op dat ogenblik berekende terreinmodellen kunnen gekozen worden. Herbenoem Met het commando "Herbenoem kan je een andere naam geven aan het geselecteerde terreinmodel. Alleen de op dat ogenblik berekende terreinmodellen kunnen gekozen worden. Activeren Dit commando activeert het geselecteerde terreinmodel. Het wordt dan zichtbaar op het grondplan door de groene triangulatie. De overeenstemmende instellingen moeten in het Weergave menu geactiveerd zijn. Zie ook deel II, hoofdstuk 6: Weergave Menu. Alle coördinaten worden dan t.o.v. van dit terreinmodel berekend. Symbolen Symboolbeheer Gebruik makend van het menu Symboolbeheer ( Bestand -> Symbolen -> Symboolbeheer ), kunnen volgende handelingen uitgevoerd worden op symbolen,lijnstijlen en patronen: Verplaatsen van document symbolen naar de bibliotheek. Groepsnaam veranderen. De naam van een symbool veranderen. Een symbool verwijderen uit het document of de bibliotheek. Opmerkingen: Symbolen die worden gebruikt in één of meer geopende documenten kunnen niet verwijderd worden. De groepen en symbolen in de menu s worden alfabetisch gerangschikt. 72

89 Creëer Symbool Het commando "Creëer Symbool" laat toe een symbool te vormen dat bepaald wordt door een reeks geselecteerde lijnen, bogen, cirkels, polygonen en tekst. Om een symbool te creëren maakt u eerst een tekening op de gewenste grootte van het symbool. De eigenschappen lijndikte, polygoonpatroon en kleur worden overgenomen in het symbool. Als alle elementen van het symbool dezelfde kleur hebben, kan bij gebruik van het symbool een willekeurige kleur gegeven worden. Eén punt van het symbool moet aangegeven worden als "Hotspot". (Menu "Opmaak", "Punt stijl"). De hotspot van een symbool is het aangrijpingspunt. Als een symbool op de tekening staat, zullen de coördinaten van de hotspot beschouwd worden als de coördinaten van het symbool. Vooraleer het commando "Creëer symbool" opgeroepen wordt, moeten de elementen, inclusief de hotspot, die het segment vormen, geselecteerd worden. Het dialoogvenster "Creëer Symbool" zal het symbool zoals het in de tekening komt in een venster afbeelden. De grootte van deze afbeelding stemt niet overeen met de werkelijke afmetingen. 1) Eigenschappen van een symbool: a) Roteerbaar. Niet roteerbare symbolen zullen altijd volgens de richting waarin ze aangemaakt zijn afgedrukt worden. Deze symbolen zullen niet meedraaien als de tekening geroteerd wordt, of indien door "Bladschikking", de hoek van de tekening met het blad verandert.( Indien roteerbare symbolen op de tekening geplaatst worden zonder een richting aan te duiden, zullen ze op dezelfde manier behandeld worden als niet roteerbare symbolen.) b) Schaalafhankelijk. Een schaalafhankelijk symbool heeft reële afmetingen. (Bv. Inspectieput van 1.2m diameter). Een symbool dat niet Schaalafhankelijk is, heeft afmetingen die overeenkomen met de grootte op de afdruk. (bv. gelijkzijdige driehoek met zijden van 2 mm.). Symbolen die Schaalonafhankelijk zijn, die bijgevolg moeten afgebeeld en afgedrukt worden in een grootte die onafhankelijk is van de schaal van de tekening, kunnen het beste in een tekening in paginacoördinaten aangemaakt worden. Het is voor het aanmaken van deze symbolen ook aangeraden de instelling "mm" te kiezen. c) Noord Symbool. Een noord symbool oriënteert zichzelf steeds naar het noorden. Enkele kenmerken : - Een noord symbool kan niet manueel geroteerd worden - Het kan gebruikt worden in het lokale of pagina coördinatensysteem. - Per definitie stemt het noorden overeen met de richting van de Y- as van het lokale coördinatensysteem van de tekening. 73

90 - De kaarthoek van deze tekening tov het geografische noorden kan worden ingesteld in het menu Instelling; Documentinstellingen. Opmerkingen: 1. Een te creëren symbool mag maximaal uit ca elementen bestaan 2. Indien alle elementen van een symbool dezelfde kleur hebben, kan het symbool bij het gebruik een kleur gegeven worden. Symbolen waarin verschillende kleuren voorkomen zijn ongevoelig voor aanpassing van de kleur. 2) Bibliotheeksymbool - Documentsymbool Symbolen kunt ofwel in de bibliotheek geplaatst worden ofwel in de actieve tekening. Verdere informatie is terug te vinden in deel I, hoofdstuk 2: Symbolen / Lijnstijlen / Patronen. 3) Groep Symbool De naam van elk symbool bestaat uit 2 delen: groep en symbool. Nadat een symbool als bibliotheek- of documentsymbool toegevoegd is, zal het voorkomen in de menu's "Opmaak" en "Instellingen" onder "Bibliotheek symbool" of onder "Document symbool", afhankelijk van de keuze. Creëer Lijnstijl Het commando "Creëer lijnstijl" laat toe een lijntype te vormen waarvan het zich herhalende segment bepaald wordt door een reeks geselecteerde lijnen, bogen, cirkels en polygonen. Om een lijnstijl te creëren maakt u eerst een tekening van één segment op de gewenste grootte. Het begin- en eindpunt van het segment worden aangeduid met een "Hotspot". Bij het gebruik van de lijnstijl voor lijnen, bogen of cirkels, zal de lijn opgebouwd worden door deze segmenten achter elkaar te plaatsen. Pythagoras zal de segmenten schalen in de X-richting, zodat altijd een geheel aantal segmenten tussen de eindpunten geplaatst wordt. Als gebruiker merkt u niets van de interne opbouw van die segmenten. Een dergelijke lijn, heeft alle eigenschappen van een gewone lijn. De eigenschappen lijndikte, polygoonpatroon en kleur van de elementen die een segment vormen, worden overgenomen in de lijnstijl. Er zijn enkele uitzonderingen op deze regel: 1) Kleur : indien alle elementen dezelfde kleur hebben, kan aan de lijn bij gebruik een kleur toegekend worden. 2) Lijndikte: a) De dikte van het lijnelement dat de twee hotspots verbindt, zal bij gebruik kunnen aangepast worden met de menu keuze "Lijn dikte" als er slechts één lijn loopt van hotspot1.x tot hotspot2.x. b) De dikte van de andere lijnelementen zullen enkel gevoelig zijn voor "Lijn dikte" als: 74

91 alle lijnelementen dezelfde dikte hebben en er ofwel geen lijn is die de twee hotspots verbindt ofwel er meerdere horizontale lijnen zijn die lopen van hotspot1.x tot hotspot2.x. Vooraleer het commando "Creëer lijnstijl" opgeroepen wordt, moeten de elementen, inclusief de hotspots die het segment vormen, geselecteerd worden. Het dialoogvenster "Creëer Lijnstijl" zal een lijn bestaande uit 5 segmenten in een venster afbeelden. De grootte van deze afbeelding stemt niet overeen met de werkelijke afmetingen. 1) Eigenschappen van een lijnstijl: a) Schaalafhankelijk. Een schaalafhankelijke lijnstijl heeft reële afmetingen. (Bv. spoorweg met spoorbreedte van 1.7 m.). Een lijnstijl die niet schaalafhankelijk is, heeft afmetingen die overeenkomen met de grootte op de afdruk. (bv. weideafsluiting met kruisjes van 1mm. elke cm.). b) Schaalonafhankelijk Lijnstijlen die schaalonafhankelijk zijn, die bijgevolg moeten afgebeeld en afgedrukt worden in een grootte die onafhankelijk is van de schaal van de tekening, kunnen het beste in een tekening in paginacoördinaten aangemaakt worden. Het is voor het aanmaken van deze lijnstijlen ook aangeraden de instelling "mm" te kiezen. 2) Bibliotheeklijnstijl Documentlijnstijl Evenals symbolen kunnen lijnstijlen ofwel in de bibliotheek geplaatst worden, ofwel enkel in het actieve document gebruikt worden. Alle opmerkingen die gelden voor symbolen betreffende dit onderwerp gelden ook voor lijnstijlen. (Zie deel I, hoofdstuk 2: Symbolen / Lijnstijlen / Patronen) 3) Groep Symbool De naam van elk lijnstijl bestaat uit 2 delen: groep en symbool. Nadat een lijnstijl als bibliotheek- of documentlijnstijl toegevoegd is, zal het voorkomen in de menu's "Opmaak" en "Instellingen" onder "Bibliotheek lijnstijl" of onder "Document lijnstijl", afhankelijk van de keuze. Opmerkingen: 1. Een te creëren lijnstijl mag maximaal uit 3 lijnen bestaan en elke lijn uit ca elementen. 2. Indien alle elementen van een lijnstijl dezelfde kleur hebben, kan de lijn bij het gebruik een kleur gegeven worden. Lijnstijlen waarin verschillende kleuren voorkomen zijn ongevoelig voor aanpassing van de kleur. 3. Lijndikte van de lijnelementen (basislijn = lijn die loopt van hotspot tot hotspot): De lijn is diktegevoelig voor de basislijn zelf als er een basislijn is zonder evenwijdigen met dezelfde lengte. Lijnstijlen zonder basislijn waarin verschillende lijndiktes voorkomen zijn ongevoelig voor aanpassing van de lijndikte. 75

92 Creëer Patroon Het commando "Creëer patroon" laat toe een patroon te vormen voor het vullen van polygonen. Om een patroon te creëren tekent u eerst een rechthoek waarvan de afmetingen overeenkomen met de afmetingen van het patroon. Lijndiktes en kleur van de lijnen worden in het patroon overgenomen. Indien alle lijnen dezelfde kleur hebben, kan het patroon bij gebruik een kleur toegekend worden. De grenzen van het patroon, namelijk 2 tegenoverliggende hoeken (bv. linker onder en rechter bovenhoek), worden aangeduid met een "Hotspot". De positie van de hotspots wordt getoond in de preview van het patroon. Elementen van een patroon mogen lijnen zijn in elke richting, bogen en cirkels. Opmerking: Het wordt aanbevolen enkel horizontale, verticale en diagonale lijnen te gebruiken. Wanneer andere lijnrichtingen, bogen of cirkels gebruikt worden, zal het patroon complex en de tekening traag worden. 1) Eigenschappen van een patroon a) Schaalafhankelijk. Een Schaalafhankelijk patroon heeft reële afmetingen.. Een patroon dat niet Schaalafhankelijk is, heeft afmetingen die overeenkomen met de grootte op de afdruk. b) Schaalonafhankelijk Patronen die Schaalonafhankelijk zijn, die bijgevolg moeten afgebeeld en afgedrukt worden in een grootte die onafhankelijk is van de schaal van de tekening, kunnen het beste in een tekening in paginacoördinaten aangemaakt worden. Vooraleer het commando "Creëer patroon" opgeroepen wordt, moeten de elementen die het patroon vormen, inclusief de hotspots, geselecteerd worden. Indien lijnen van de hulprechthoek die eerst geconstrueerd was niet tot het patroon behoren, dienen die eerst gewist te worden. Het dialoogvenster "Creëer Patroon" zal het patroon afbeelden in een venster. De grootte van deze afbeelding stemt overeen met de werkelijke afmetingen, zoals het patroon zal afgedrukt worden. c) Rotatiehoek : bij de definitie van een patroon kan een hoek met de bladrand ingegeven worden. Het dialoogvenster zal steeds het patroon tonen zoals het op het blad zal afgedrukt worden. Voor eenvoudige arceringen, bv. een arcering van een volle lijn van 0.3mm of afstand van 3mm van elkaar en onder een hoek van 45, volstaat het 1 lijn van 0.3 mm te tekenen in een rechthoek met een hoogte van 3 mm. Door het aangeven van de rotatiehoek wordt het gewenste patroon bekomen. 2) Bibliotheekpatroon Documentpatroon Evenals symbolen kunnen patronen ofwel in de bibliotheek geplaatst worden, ofwel enkel in het actieve document gebruikt worden. Alle 76

93 opmerkingen die gelden voor symbolen betreffende dit onderwerp gelden ook voor patronen (Zie deel I, hoofdstuk 2: Symbolen / Lijnstijlen / Patronen). 3) Groep Symbool De naam van elk patroon bestaat uit 2 delen: groep en symbool. Nadat een patroon als bibliotheek- of documentpatroon toegevoegd is, zal het voorkomen in de menu "Opmaak" onder "Bibliotheek patroon" of onder "Document patroon", afhankelijk van de keuze. Opmerkingen: 1. Een te creëren patroon mag maximaal uit ca richtingen bestaan en elke richting uit ca elementen. 2. Indien alle elementen van een patroon dezelfde kleur hebben, kan het patroon bij het gebruik een kleur gegeven worden. Patronen waarin verschillende kleuren voorkomen zijn ongevoelig voor aanpassing van de kleur. Creëer Dwarsprofiel Zie deel III: Wegontwerp Importeer Systeemsymbolen Alle Pythagoras systeemsymbolen worden bewaard in het PYTHAGOR.LIB bestand. Het importeren ( Bestand -> Symbolen -> Importeer Systeemsymbolen ) van een symboolbibliotheek wordt gebruikt om: - Een bibliotheek te kopiëren naar een computer waar Pythagoras nieuw geïnstalleerd is. - Het terugplaatsen van een backup van het PYTHAGOR.LIB bestand. - Veranderen van symboolbibliotheek. Deze functie overschrijft het PYTHAGOR.LIB bestand met de gekozen symboolbibliotheek. Wij bevelen aan alle documenten te sluiten voor deze functie te gebruiken. Exporteer Systeemsymbolen Deze functie ( Bestand -> Symbolen -> Exporteer Systeemsymbolen ) laat toe om een symboolbibliotheek te exporteren. Er wordt een kopie gemaakt van het PYTHAGOR.LIB bestand. Deze functie wordt gebruikt om: - Een back-up te creëren van het PYTHAGOR.LIB bestand. - Verscheidene bibliotheken aan te maken. Dit laat toe om gemakkelijk te veranderen tussen bibliotheken. Bekijk Importeer Systeemsymbolen 77

94 Macro s Laad Macrobibliotheek Via Laad Macrobibliotheek, wordt een dialoogvenster getoond met een lijst van beschikbare Macrobibliotheken. Door aan te klikken kan de gewenste bibliotheek geladen worden. Opmerking: indien slechts 1 bibliotheek bestaat, wordt er geen dialoogvenster getoond. Macrobibliotheek In het venster dat verkregen wordt door hierop te klikken, kan men de Macrobibliotheken beheren. Het principe is analoog aan dat van het beheer van symbolen: verplaatsten van documentbibliotheken naar het systeem, hernoemen van bibliotheken, wissen Opstartbibliotheek Het is tevens mogelijk één van de bibliotheken aan te duiden als Opstartbibliotheek. Hierdoor wordt de geselecteerde bibliotheek automatisch geladen bij het opstarten van Pythagoras. Dit kan handig zijn om bepaalde routines bij het opstarten te automatiseren. Vergrendeld Het vergrendelen van bibliotheken voorkomt dat gebruikers aan de macrocodes van de betreffende bibliotheek wijzigingen kunnen aanbrengen. De vergrendeling wordt geactiveerd door het ingeven van een naam en een paswoord. De vergrendeling kan ook terug weggenomen worden door dezelfde gegevens terug in te geven (naam + wachtwoord). Macro editor Vanaf het moment dat er een Macrobibliotheek geladen is, wordt deze actief. Dit geeft u toegang tot de macrocodes, zodat u uw programma kan aanmaken of kan editeren. Wanneer de Macro-editor actief is, zijn de menu s aan deze omgeving aangepast: Onder Bestand vindt men de basiscommando s terug die te maken hebben met het beheer van bestanden. Bewerken herbergt de editeercommando s die nuttig kunnen zijn tijdens het programmeren, zoals kopieer en plak, zoek en vervang, De menu Uitvoeren bestaat uit compileren en uitvoeren. Compileren gaat de geschreven programmatuur checken op fouten en vertalen naar machinetaal. Uitvoeren compileert het geschreven deel en voert ook ineens de geschreven routine uit. 78

95 Voor meer specifieke informatie over het programmeren op zich, verwijzen wij naar het VBA-handboek. Importeer Systeemmacro s Alle Pythagoras systeem-macro s worden bewaard in het PYTHAGOR.MLB bestand. Het importeren ( Bestand -> Macro s -> Importeer Systeemmacro s ) van een macrobibliotheek wordt gebruikt om: - Een bibliotheek te kopiëren naar een computer waar Pythagoras nieuw geïnstalleerd is. - Het terugplaatsen van een backup van het PYTHAGOR.MLB bestand. - Veranderen van macrobibliotheek. Deze functie overschrijft het PYTHAGOR.MLB bestand met de gekozen macrobibliotheek. Wij bevelen aan alle documenten te sluiten voor deze functie te gebruiken. Exporteer Systeemmacro s Deze functie ( Bestand -> Macro s -> Exporteer Systeem-macro s ) laat toe om een macrobibliotheek te exporteren. Er wordt een kopie gemaakt van het PYTHAGOR.MLB bestand. Deze functie wordt gebruikt om: - Een back-up te creëren van het PYTHAGOR.MLB bestand. - Verscheidene bibliotheken aan te maken. Dit laat toe om gemakkelijk te veranderen tussen bibliotheken. Bekijk Importeer Systeem-macro s Paspunten Onder Paspuntenbeheer (Bestand, Paspunten ) kunnen sets paspunten ingeladen en beheerd worden. Het principe van deze bibliotheek is vergelijkbaar met het beheer van symbolen: documentbibliotheken kunnen naar de systeembibliotheek gekopieerd worden, sets kunnen van naam wijzigen, verwijderd worden, Wanneer een set paspunten wordt geïmporteerd, moeten de projectiesystemen aangeduid worden. Het formaat wordt beschreven in deel I, hoofdstuk 1: Coördinaten Referentiesystemen. Pythagoras zal de transformatie berekenen als voldoende data aanwezig is. Het resultaat kan geëxporteerd worden als een ASCII bestand. Zo kunnen de sets onderling worden uitgewisseld. Dit resultaat bestaat uit de berekende transformatie en de residu s van alle paspunten. Dit bestand heeft niet meer het formaat van de initiële set paspunten. Na bevestiging zullen de paspunten in de bibliotheek verschijnen. Het vorige venster kan steeds terug bereikt worden via de knop Bewerken. 79

96 Selecteer Planblad (Print Planblad) Planbladbeheer Planbladbeheer laat u toe verschillende planbladen per tekening aan te maken. Met de knop Nieuw worden nieuwe planbladen aangemaakt, waarvan nadien de eigenschappen gewijzigd kunnen worden in de volgende menu s: Bestand > Selecteer planblad -> Planbladbeheer. Is er reeds een planblad geselecteerd in dit venster, dan wijzigt de knop Nieuw in een knop Dupliceer. Zo kan op eenvoudige wijze een nieuw planblad aangemaakt worden met dezelfde instellingen, maar desgewenst een andere bladschikking (andere positie op de tekening). De knop Wis is bedoeld om planbladen te verwijderen. Een planblad kan tevens vlottend gemaakt worden. Klik daarvoor in de kolom Vlottend op de regel van het gewenste planblad Deze instelling zorgt ervoor dat de pagina verborgen wordt en wordt vooral gebruikt om a.h.w. een Printscreen van uw werk te maken. U zoomt dus simpelweg in op het gedeelte waarvan u een afdruk wenst en geeft het print-commando. Het daaropvolgende venster Bladschikking laat u toe de positie van uw blad te verfijnen. Scherm wordt licht uitgezoomd en het blad wordt getoond zodat duidelijk is wat afgedrukt zal worden. Vanuit dit specifieke venster kan onmiddellijk het Print-commando gegeven worden, waarna tevens het aantal exemplaren kan ingesteld worden. Een vlottend planblad kan paginaobjecten en een printgebied hebben. Dit wordt enkel zichtbaar als in het controlepaneel "Pagina" gekozen wordt. Enkel de paginaobjecten zijn dan zichtbaar. Bij het afdrukken worden de paginaobjecten mee afgedrukt en er wordt rekening gehouden met het printgebied. De kolom Verschaal kan een percentage bevatten waarmee teksten, stijlen, lijndiktes e.d. verschaald moeten worden voor het afdrukken en/of weergeven op het scherm. Indien een kruisje staat bij een planblad onder de kolom Actief, wordt dit planblad het planblad waarin je actueel werkt. De kolom "Standaard Uitzicht" toont aan welk Uitzicht gekoppeld is aan een planblad. Zo kunnen dus 2 identieke planbladen een verschillend uitzicht hebben, of kan bv. een bepaalde thematiek zichtbaar zijn in 2 verschillende planbladen. (Print) Planblad Hier wordt een lijst met beschikbare (dus reeds aangemaakte) planbladen getoond. Het actieve planblad wordt gekenmerkt door een merkteken voor zijn respectievelijke naam. 80

97 Printer Hiermee kan men de printerinstellingen, zoals o.a. het papierformaat en de oriëntatie (staand of liggend), wijzigen voor het actieve planblad. De instellingen hangen af van het type printer. Bijvoorbeeld in het geval van een A0-plotter kan men één of meerdere paginaformaten (A0, A1, A2, A3, A4) selecteren. In deze menu kan u ook van printer veranderen. U krijgt een lijst met alle geïnstalleerde printers te zien. Daarin is de huidige standaard printer geselecteerd. U kunt vrij een andere printer kiezen. Met de knop 'Instellingen' kan men de printereigenschappen eventueel wijzigen. Wanneer de Pythagoras-tekening gemaakt werd voor een andere dan de geselecteerde printer, zal Pythagoras een waarschuwingsbericht geven. Wanneer men toch verdergaat, zal de tekening aan de geselecteerde printer aangepast worden. Wanneer men Pagina-Instelling bevestigt, gaat Pythagoras verder met het commando "Bladschikking". Voor meer info over de beschikbare instellingen, verwijzen we naar de documentatie van de desbetreffende printer. Bladschikking Dit commando regelt de transformatie van de Lokale coördinaten t.o.v. Paginacoördinaten. Wanneer u dit commando selecteert of wanneer u de pagina-instellingen (gebruik van het commando Printer ) bevestigt, toont het controlepaneel het informatievenster "Bladschikking". Het tekeningvenster toont de zichtbare lagen van het volledige document. De bladrand van de afdrukpagina wordt weergegeven door een solide rechthoek en het printgebied met een streepjesrechthoek. U kunt ten alle tijde de "Toon Pagina" knop gebruiken om te zien wat de nieuwe instellingen tot gevolg hebben. De schaalfactor kunt u manueel wijzigen door deze in te tikken of te kiezen in de uitklapbare selectielijst, of u kunt gebruik maken van de knop "Vul Pagina" waardoor Pythagoras zelf de schaalfactor berekent. Er wordt alleen rekening gehouden met alle gegevens van de zichtbare lagen en het midden van het blad blijft behouden. De rotatiehoek kan alleen manueel gewijzigd worden, maar het midden van het blad blijft behouden. De translatieparameters (x,y) kunnen op verschillende manieren gewijzigd worden: 1) u kunt ze manueel wijzigen 2) u kunt gebruik maken van de "Centreer" knop waardoor Pythagoras zelf nieuwe waarden voor de translatieparameters berekent zodat de tekening gecentreerd op de afdrukpagina verschijnt. Er wordt op deze manier enkel rekening gehouden met de zichtbare lagen. 3) als u met de muis naar de afdrukpagina gaat, dan verandert de cursor automatisch in het "Handje". Door het "Handje" te verslepen (muisknop indrukken, verplaatsen en loslaten) op de tekening, verplaatst u de 81

98 afdrukpagina. Indien u bij het slepen de CTRL-toets ingedrukt houdt, kunt u enkel in horizontale of verticale richting de afdrukpagina verslepen. Dit is nuttig voor het afdrukken van grotere documenten op een klein papierformaat. De afdrukpagina kan gedraaid worden ten opzichte van de tekening met behulp van de muis. Plaats de muis op één van de hoeken van de afdrukpagina zodat de cursor verandert in het volgende symbool : Zolang de muisknop ingedrukt blijft, kunt u, door de muis te verplaatsen, het afdrukblad roteren rond zijn middelpunt. Druk eventueel na het roteren van het blad op de knop Toon Pagina om de afdrukpagina te kunnen beoordelen. Nota: tijdens bladschikking kunt u inzoomen, uitzoomen, scrollen. Het veranderen de bladschikking instellingen kunt u om het even wanneer afbreken met de ESC-toets of de "Annuleer" knop. U kunt de nieuwe instellingen actief maken door de "OK" knop of één van de Enter-toetsen te gebruiken. Opmerkingen: u kunt ten alle tijde het in- en uitzoomen en het scrollen gebruiken om het blad juist te positioneren. indien de bladrand niet zichtbaar is (blad valt buiten de tekening) gebruik dan de "Centreer" knop om de bladrand zichtbaar te maken. Zie ook -knop in de werkbalk Print Met het Print commando kan u de actieve tekening printen of plotten. Na het selecteren van het Print commando, zal een dialoogvenster verschijnen met daarin 7 tabbladen. Opmerking : een aangemaakt Uitzicht zal de lay-out van de afdruk mee bepalen. Wanneer het informatievenster verschijnt, zijn de mogelijke selecties identiek aan die van "Weergaveopties..." die toen op dat moment geselecteerd werden. Dit betekent dat als u dit informatievenster bevestigt zonder de selecties te wijzigen, de tekening afgedrukt zal worden zoals u ze op het scherm ziet. Het eerste tabblad Layers laat toe om een selectie te maken van de lagen die moeten geprint worden. In het tweede tabblad Toon kunnen eigenschappen van objecten al dan niet aangevinkt worden om mee geprint te worden. Het tabblad DTM stuurt enkele mogelijkheden ivm Digitale Terrein Modellen (indien van toepassing). Het tabblad Thematische Kaarten laat toe om een bepaalde thematiek af te printen. 82

99 Het tabblad Subdocumenten laat toe de subdocumenten te kiezen die worden afgedrukt. Wanneer een planblad een standaard uitzicht heeft, zullen alle instellingen van dit uitzicht, ook thematiek en subdocumenten, toegepast worden wanneer het planblad wordt afgedrukt. In het tabblad Print kunnen de planbladen gekozen worden die moeten afgeprint worden, evenals het aantal afdrukken. Tenslotte is er het tabblad "Opties" dat toelaat om tijdens het afdrukken eventueel omzettingen te doen. De omzetting van kleur naar zwart is altijd mogelijk, maar de andere zijn alleen beschikbaar indien er in de menukeuze "Instelling" - "Configureer" - "Laad Omzettingstabel" een bijbehorende tabel geladen is. (Voor meer uitleg daarover zie verder in de handleiding). U heeft de keuze om geen omzetting te doen (standaard) kleuren naar zwart om te zetten (dus alles zwart-wit afdrukken met behoud van de originele dikte) kleuren naar een bepaalde dikte (en eventueel een andere kleur) om te zetten breedtes naar een bepaalde kleur om te zetten Het plotten van speciale kleuren in bepaalde percentages van intensiteit (75%, 50%, 25% ) kan problemen opleveren onder Windows. Sommige plotter-drivers onder deze systemen ondersteunen deze kleuren namelijk niet en drukken bijgevolg een gans andere kleur af. Door het vinkje voor Gebruik volle kleuren voor bitmapvulling aan te zetten, wordt deze problematiek omzeild. Pythagoras berekent gelijkaardige kleuren en deze worden dan als 100%-kleur naar de printer gestuurd. Het aantal exemplaren dat afgedrukt moet worden, kan ingesteld worden naast Aantal kopieën. Zie ook -knop in de werkbalk Na de bevestiging zal een printer-afhankelijk dialoogvenster verschijnen. Recente Documenten De namen van de laatste 16 gebruikte Pythagoras-tekeningen worden hierin vermeld. Door een naam rechtstreeks aan te duiden, opent men automatisch deze tekening. Stop Het Stop-commando sluit alle vensters op uw scherm en beëindigt de Pythagoras-sessie. Als u aan de tekeningen wijzigingen heeft aangebracht en deze nog niet vastgelegd heeft, dan zal Pythagoras voor elke niet bewaarde tekening een informatievenster doen verschijnen. Wanneer u stopt, bewaart Pythagoras alle informatie van deze sessie in een bestand. Het sessiegegevens-bestand bevat alle standaardwaarden en voorkeuren die ingesteld waren op het moment dat u Pythagoras verlaat. 83

100 De volgende keer dat u Pythagoras start, zal de informatie van deze sessie hersteld worden. Over Geeft een informatievenster weer dat alle relevante informatie vermeldt over de versie van Pythagoras die u op dat moment gebruikt alsook de contactgegevens voor technische ondersteuning over Pythagoras. Hier kan tevens het Configuratieprogramma opgeroepen worden door op de desbetreffende knop te klikken. 84

101 Hoofdstuk 2: Het Menu Bewerken Herstel Met het herstel-commando ( ) brengt u de tekening opnieuw in de staat waarin zij zich bevond net voor het laatst uitgevoerde bewerken-commando. Het aantal herstelniveaus is vastgelegd op 25. Meerdere herstelniveaus zijn erg handig als u constructies wil maken met het oog op het bereiken van een resultaat. U selecteert het resulterende punt of de resulterende lijn, plaatst die op het klembord en roept zo vaak als nodig herstel op om de tussenconstructie te wissen. Wanneer alle tussenobjecten verwijderd zijn, plakt u het resultaat terug op de tekening. Opmerking: Een nieuw wijzigingscommando na Herstel zal alle uitgevoerde herstelcommando's uit de herstellijst wissen. Herdoe Het "Herdoe"-commando ( ) herroept het Herstel-commando. Selecteer Het commando "Selecteer" selecteert alle objecten van één soort (punten, lijnen, tekst, polygonen, paden, coördinaten systemen) of alle objecttypes. "Alle" is van toepassing op de zichtbare lagen en zelfs op de objecten die in Pagina-coördinaten of in Lokale (en Globale en eigen) coördinaten gedefinieerd zijn, afhankelijk van het op dat moment geselecteerde coördinatensysteem. Zoek Deze functie (of de -knop in de werkbalk) laat toe naar objecten met specifieke kenmerken te zoeken. De gevonden objecten kunnen dan eventueel worden geselecteerd. Bijvoorbeeld: zoek alle blauwe teksten in laag 'Test' selecteer alle lijnen die niet rood zijn en in laag 'test' liggen. U kan zoeken naar bepaalde objecttypes : punten, polygonen, paden, wegen en beelden. Ook kan gezocht worden naar lijnen of specifieke lijntypes: rechte lijnen, bogen, cirkels, krommen of clothoïdes evenals eenvoudige teksten of rich teksten. De mogelijkheid om de elementen in groepen te bekijken als aparte objecten of als een geheel. Deze keuze 85

102 beïnvloedt het aantal gevonden objecten. Door Grafische kenmerken te kiezen, kunnen meer criteria gespecificeerd worden. Opmerking: Een Rich Text voldoet als de volledige tekst de gevraagde attributen heeft. Mogelijke zoekcriteria bij Grafische kenmerken : Kleur: objecten moeten een bepaalde kleur hebben, Laag: objecten moeten in een bepaalde laag liggen. Niveau : objecten moeten een bepaald weergave niveau hebben. Stijl: objecten moeten aan een stijl voldoen; deze stijl is te bepalen per objecttype (punt, lijn, polygoon of tekst). Puntnummer van x tot y: indien x en y gegeven zijn: alle punten met puntnummers startend vanaf puntnummer x tot en met puntnummer y. indien x en y beide leeg zijn: alle punten zonder puntnummer. indien x niet ingevuld wordt: alle punten tot en met nummer y. indien y niet ingevuld wordt: alle punten vanaf x (x inclusief). Commentaar: de commentaar van de objecten moet gelijk zijn aan, beginnen met of de gegeven tekst bevatten. Hoogte : hoogte moet ±, =, <= of >= bepaalde waarde zijn. Tot slot, door het selecteren van het tabblad Databank, kunnen extra zoekcriteria rond de databankinhoud toegevoegd worden. Gebruik de groene + om zoekcriteria toe te voegen. Door de knop "Zoek" in te drukken, worden de objecten die gelijktijdig aan alle aangekruiste criteria voldoen geteld. Het aantal gevonden objecten wordt getoond in het dialoogvenster. Met de knop Selecteren worden deze gevonden objecten geselecteerd. U kan: een nieuwe selectie maken: vorige selectie wordt vergeten, en de nieuwe komt in de plaats bij de selectie voegen: de gevonden objecten worden bij de eventueel reeds bestaande selectie gevoegd uit de selectie verwijderen: de gevonden objecten worden uit de bestaande selectie verwijderd selecteren in een selectie: men gaat de bestaande selectie verder uitdunnen door alleen de gevonden objecten in die selectie nog maar te selecteren. Wanneer er gezocht wordt naar groepen die elementen bevatten die voldoen aan de criteria, zal de ganse groep geselecteerd worden als slecht één element aan de criteria voldoet. In de zoekdialoog vindt u een toets vensteropties. Daar kan men instellen hoe een venster er na het zoeken moet uitzien. Met alle geselecteerde objecten + m legt men een rand met de ingegeven radius vast die moet afgebeeld worden rond de geselecteerde objecten Met de Zoomfactor wordt een vermenigvuldigingsfactor voor de huidige schaal vast ingesteld. Hiermee wordt de feitelijke, voor het drukken relevante, schaal bedoeld. De gebruiker kan deze schaal herkennen door in het venster - menu de werkelijke grootte van de tekening te activeren, waarna de schaal linksboven kan worden afgelezen. 86

103 Een verdere mogelijkheid is om het huidige zicht te behouden, t.t.z. na het zoeken de vergroting van de tekening niet te veranderen. Hiertoe vindt u in het menu de keuzemogelijkheid Verander het venster niet. Gelieve er acht op te slaan dat in principe enkel de keuze alle geselecteerde objecten + m de gebruiker de zekerheid geeft dat na het zoeken alle uitgekozen objecten ook inderdaad in het weergegeven gebied te vinden zijn. Met de checkbox geselecteerde objecten markeren worden de gevonden objecten niet alleen automatisch geselecteerd, maar eveneens duidelijk aangeduid d.m.v. een flikkeren. Een muisklik of de toets Esc stopt het flikkeren. Om de instellingen voor de volgende zoekopdracht te bewaren, dient de knop Toevoegen ingedrukt en een naam ingeven te worden. De naam en de instellingen worden bewaard in het.def bestand. Men kan bewaarde zoekopdrachten inladen door ze te selecteren uit de lijst. Alle bewaarde zoekopdrachten worden opgelijst in het submenu Bewerken, Zoek. Wanneer een zoekopdracht geselecteerd wordt, zal deze worden uitgevoerd. Knip Het knip-commando ( naar het klembord. ) wist de geselecteerde objecten en kopieert ze De coördinaten worden op het klembord geschreven en hierbij wordt rekening gehouden met het geselecteerde coördinatensysteem. Kopieer Het kopieer-commando ( ) kopieert de geselecteerde objecten en hun attributen naar een klembord. De coördinaten worden op het klembord geschreven en hierbij wordt rekening gehouden met het geselecteerde coördinatensysteem. Er wordt echter een onderscheid gemaakt tussen het Pythagoras-klembord en het OS-klembord (OS = Operating System). Pythagoras-klembord Het kopiëren van gegevens naar het Pythagoras-klembord houdt in dat deze enkel binnen Pythagoras kunnen gebruikt worden. Het betreft hier het gebruikelijke Kopieer -commando. Dit wordt gebruikt om delen van de ene tekening in een andere tekening te kunnen invoegen. 87

104 Windows-klembord Het kopiëren naar het Windows-klembord laat toe gegevens van Pythagoras rechtstreeks in te voegen (via plakken ) in andere toepassingen (MS Word, MS Excel, ). Dit heeft als doel het document in die welbepaalde toepassing te kunnen verduidelijken a.d.h.v. een tekeningetje dat gemaakt is in Pythagoras. Actief terreinmodel kopiëren Plak Pythagoras laat toe om het actief terreinmodel te kopiëren ( Bewerken -> Kopieer -> Actief terreinmodel ) naar bijvoorbeeld een nieuwe tekening. Het plak-commando ( ) plakt alle objecten en hun attributen van het klembord naar de actieve tekening. Coördinaten die van het klembord afgelezen worden, worden gelezen volgens het geselecteerde coördinatensysteem. Ook met de elevatie van het beginpunt van het coördinatensysteem wordt er rekening gehouden. Wanneer u een gedeelte van de tekening kopieert op het moment dat CS S1-S2 geselecteerd is en u dan Plak selecteert in het CS S3-S4, dan zal er een transformatie (translatie en rotatie) uitgevoerd worden en zal eveneens de elevatie aangepast worden. Bij het plakken in een leeg document zal de tekening automatisch de schaal van de gegevens van het klembord krijgen en zal er een automatische overschakeling gebeuren naar globale coördinaten indien de gegevens op het klembord in globale coördinaten staan. Indien u plakt in een "eigen coördinatensysteem", dan wordt er bij een verschil van afstanden (tussen het "Kopieer" en "Plak" coördinatensysteem) een waarschuwing gegeven. U heeft dan de keuze om de gegevens op het klembord eventueel te verschalen. Als het klembord een DTM bevat, zal het DTM in de tekening geplakt worden. Plak Speciaal Het commando "Plak Speciaal" doet een informatievenster verschijnen, waarin onder andere een schaalfactor gevraagd wordt. Alle coördinaten op het klembord zullen volgens de ingegeven factor aangepast worden alvorens de objecten naar de actieve tekening gekopieerd worden. Om een deel van de tekening te spiegelen kan u met het gebied spiegelas een spiegeling aan de X of Y as of aan beide gelijktijdig bewerkstelligen. Bovendien kan u met de functie schets aanpassen een eerder aangemaakte schets perfect inpassen in uw tekening. In de schets 88

105 selecteert u de objecten die u in uw meting wil inpassen en drukt u vervolgens op Bewerken-kopieer. U opent vervolgens de tekening met de meting en kiest dan het commando Bewerken-Plak Speciaal. Door het vakje Schets aanpassen aan te kruisen en op OK te drukken wordt de schets mooi in uw tekening ingepast. LET OP: de puntnummers in de 2 tekeningen moeten identiek zijn! Wis Het wis-commando verwijdert de geselecteerde objecten van de tekening. Wanneer een geselecteerd object door een ander object gebruikt wordt en dat laatste object werd niet geselecteerd, dan zal het geselecteerde object ook niet verwijderd worden. Bijvoorbeeld: het eindpunt van een lijn kan niet verwijderd worden als de lijn niet gewist wordt. Opmerking : Coördinatensystemen gebruiken ook de punten die het coördinatensysteem opzetten. Knip weg Het Knip weg commando verwijdert alle objecten (raster- en/of vectorinformatie) binnen of buiten een willekeurig gebied. Objecten die op de rand vallen, worden afgeknipt. (Uitzondering: teksten en symbolen) Dit menupunt kan enkel dan worden gekozen als exact één polygoon geselecteerd is Nota: bij beelden kan de inhoud van meerdere polygonen gewist worden Volgende functies kunnen gekozen worden: Zowel vector- als rasterinformatie tegelijkertijd wegknippen Enkel vectorinformatie wegknippen Enkel rasterinformatie wegknippen Op deze manier kan men willekeurige deelgebieden uit een kaart selecteren en voor een afdruk gebruiken of naar een andere tekening kopiëren. De randen zijn mooi afgesneden. Opmerkingen: Een onachtzaam opslaan op harde schijf of diskette van de kaart na het wegknippen verstoort de oorspronkelijke gegevens in het computerbestand. Immers, wegknippen wist delen van de kaart uit! Wegknippen zal ook enkel die objecten verwijderen die voordien ook effectief zichtbaar waren. Het kan bijgevolg niet gebeuren dat delen van een laag weggeknipt worden die door de huidige schaal niet werden weergegeven. 89

106 Verplaats Met het verplaats-commando kan u geselecteerde objecten naar andere posities verplaatsen. Wanneer het Verplaats-commando geselecteerd wordt, verandert de vorm van de cursor. Plaats de cursor op één van de geselecteerde punten, druk de muisknop in en sleep de objecten naar de nieuwe positie. Opmerking : Worden de polygoonoppervlaktes weergegeven en deze veranderen wanneer u de objecten versleept, zullen de nieuwe oppervlaktes voortdurend aangegeven worden. Het Verplaats-commando verandert de coördinaten van de verplaatste punten. Gebruik dit commando niet om de positie van de tekening te veranderen in het planblad. Bladschikking is hier het te gebruiken werktuig. Roteer Met behulp van het Roteercommando kan u geselecteerde objecten rond een aangegeven positie laten roteren. Wanneer u het Roteercommando selecteert, moet u eerst op het punt klikken, waarrond de geselecteerde objecten geroteerd zullen worden. Vervolgens kan u de geselecteerde objecten rond dit punt slepen. Teksten worden normaal altijd in de leesrichting geplaatst (zelfs als het document gedraaid wordt). Er zijn echter twee uitzonderingen: als u één enkele tekst selecteert en deze ondersteboven roteert, dan blijft deze instelling behouden bij de bemating van leidingen komen de teksten altijd in de richting van de referentielijn te staan. Opmerking : Het Roteer-commando verandert de coördinaten van de verplaatste punten. Gebruik dit commando niet om de positie van de tekening te veranderen in het planblad. Bladschikking is hier het te gebruiken werktuig. Dupliceer Met het Dupliceercommando maakt u een kopie van de geselecteerde objecten. De gedupliceerde objecten worden op de tekening op een kleine afstand van de originele objecten geplaatst en ze worden eveneens geselecteerd. Opmerkingen: Gedupliceerde objecten krijgen geen puntnummer. Bij de objecten behorende gegevens wordt niet gekopieerd. 90

107 Wis Coördinatensysteem Met dit commando "Wis Coördinatensysteem" verwijdert u het geselecteerde (actieve) eigen coördinatensysteem. Aanpassen Bewaar alle gewijzigde beelden Alle beelden waarop een rasterbewerking (knippen, gommen, ) is uitgevoerd, kunnen na aanpassing bewaard worden in een te specificeren folder op uw harde schijf. De namen van de beelden blijven echter wel ongewijzigd. Deze functie is echter enkel mogelijk indien meer dan één beeld wijzigingen heeft ondergaan, m.a.w.: deze functie wordt niet geactiveerd indien een tekening maar één beeld bevat. In dit geval moet u dubbelklikken op het beeld om de wijzigingen te bewaren. Het is dan wel noodzakelijk een andere naam aan het beeld te geven. Omzetten naar polylijnen Dit commando laat toe om reeksen van op elkaar volgende lijnen te converteren naar polylijnen. Het voordeel hiervan is dat het aantal objecten in uw tekening sterk zal verminderen vermits x-aantal objecten (= de reeks lijnen + de punten) veranderd worden in 1 object (= polylijn). Het grote nadeel echter is het verdwijnen van zowel commentaar als de punten (en dus ook de puntnummers) die voorheen gemeenschappelijk waren. Snappen op de knikpunten behoort evenwel nog tot de mogelijkheden, net als de andere snapfuncties. De conversie wordt uitgevoerd op de geselecteerde objecten in alle zichtbare lagen. Het is aan te raden deze functie enkel te gebruiken voor lagen die achtergrondinformatie bevatten en waarmee geen constructies moeten gemaakt worden! Lokaal Pagina Deze functie verplaatst de geselecteerde objecten van het Lokale Coördinatensysteem naar het Paginacoördinatensysteem. Pagina Lokaal Deze functie verplaatst de geselecteerde objecten van het Paginacoördinatensysteem naar het Lokale Coördinatensysteem. 91

108 Groepeer Het Groepeercommando zal de geselecteerde objecten in één groep combineren. De objecten die tot eenzelfde groep behoren, zullen allemaal geselecteerd worden, wanneer u met de muis op één van de tot eenzelfde groep behorende objecten klikt. De afzonderlijke elementen van de groep kunnen echter nog wel bewerkt worden door op het gewenste object te dubbelklikken. Scheid Met dit commando zullen alle items van een groep opnieuw tot individuele items hersteld worden. Splits op Het "Splits op" commando zal de geselecteerde symbolen en speciale lijnstijlen opsplitsen in afzonderlijke elementen. Selecteer Printgebied Selecteer Printgebied maakt het u mogelijk om willekeurige polygonen als printgebied te definiëren. Alle lijnen, bogen, prenten en andere objecten die zich buiten deze polygoon bevinden, verschijnen dan niet op de afdruk. Objecten, die gedeeltelijk binnen de polygoon getekend zijn, worden dienovereenkomstig afgeknipt. In tegenstelling tot de clipping-functie, waardoor men eveneens objecten kan selecteren die zich binnen een polygoon bevinden, om dan bijvoorbeeld dat bepaalde fragment af te drukken, verandert de definitie van een printgebied niets aan de tekening zelf. Bovendien is een printgebied altijd pagina-afhankelijk, d.w.z. het beschrijft een afgebakend geheel van het blad, niet van de tekening. Als men bijgevolg onder het menupunt Selecteer printgebied de bladzijde verschuift of draait, dan zal het speciaal gedefinieerde printgebied in overeenstemming hiermee veranderen. De menukeuze Selecteer Printgebied staat enkel in het bladcoördinatensysteem ter beschikking. De polygoon die het printgebied bepaalt, moet bijgevolg in paginacoördinaten opgemaakt worden. Een op het tijdstip van aanmaak reeds bestaand printgebied wordt automatisch opgeheven, vanaf het moment dat de nieuwe definitie ingang vindt. Op een gegeven tijdstip kan dus niet meer dan één printgebied actief zijn. 92

109 Wis Printgebied Wis Printgebied laat toe een vooraf omschreven printgebied opnieuw te deactiveren. 93

110 Hoofdstuk 3: Het Menu Werktuigen Inleiding Pythagoras voorziet een aantal basisobjecten die u helpen bij het aanmaken van uw tekening. Dit gedeelte geeft u informatie over de commando's die gebruikt worden bij het tekenen en selecteren van basisobjecten. Opmerkingen : De meest gebruikelijke objectinstrumenten worden niet meer weergegeven in het Werktuigen-menu. Deze zijn voortaan oproepbaar met behulp van een knop uit de gereedschapskist van het Pythagorascontrolepaneel. Voor een bespreking van deze werktuigen: zie verder in deze inleiding. Met behulp van de spatiebalk op het toetsenbord kan u wisselen tussen de selecteermodus en de laatst geselecteerde gereedschapskistmodus. Gebruik van de ESCAPE-Toets bij het Aanmaken van Objecten Het creëren van een object wordt afgebroken als u op de escape-toets drukt. Deze functie kan ook gebruikt worden om de afstand tussen twee punten of de loodrechte afstand van een punt tot een lijn op te vragen. Begin de lijn te tekenen, waarvan u de lengte wil kennen. Wanneer u de lijn aan het tekenen bent, zal het controlepaneel u de lengte ervan aangeven. Wanneer de cursor het eindpunt bereikt heeft (dat weet u zeker wanneer het vizier verschijnt), zal de afstand die u wenst te kennen, in het controlepaneel vermeld worden. U kan nu op de escape-toets drukken en het tekenen van de lijn wordt dan afgebroken. De Positie van een Object Invoeren met hulp van het Controlepaneel Wanneer u punten of lijnen aan het creëren bent en de positie van een punt is niet precies gedefinieerd, dan zal Pythagoras u aanmanen om de gegevens in het controlepaneel in te voeren zodat de positie van het punt kan gedefinieerd worden. Het controlepaneel heeft de volgende ingavevelden: de coördinatenvelden: in deze velden kunnen de rechthoekige of polaire coördinaten van een punt ingevoerd worden. twee afstandsvelden: in deze velden kan u de afstand van een punt tot de eindpunten van een bestaande lijn invoeren. het lijnlengteveld: in dit veld kan u de lengte invoeren van een lijn die u wil creëren. het loodrechte-afstandsveld: in dit veld kan u de loodrechte afstand van een punt tot een referentielijn invoeren. Voor de laatste twee velden gebruikt u dezelfde positie op het scherm. De letters "L" (Lengte) en "D" (Loodrechte Afstand) geven de inhoud van het veld op dat bepaalde moment aan. Wanneer u gevraagd wordt de gegevens in te voeren, die nodig zijn om de positie van een punt te bepalen, zal één van de hierboven vermelde ingavevelden het eerste in te vullen veld worden. U kan de TAB-toets 94

111 gebruiken om naar het volgende veld te gaan. Pythagoras zal u alleen toestaan die velden te wijzigen, die in de gegeven context mogen gewijzigd worden. Als bijvoorbeeld het eindpunt van een nieuwe lijn op een andere bestaande lijn ligt, dan kan u ofwel (1) de afstand tot één van de eindpunten van de bestaande lijn invoeren ofwel (2) de lengte van de nieuwe lijn. Wanneer u op de TAB-toets drukt, zullen alle velden in het controlepaneel opnieuw berekend worden en de positie van het punt of van de lijn zal op de tekening verschijnen. De ingevoerde gegevens bevestigt u met de Entertoets of met de OK-knop in het controlepaneel. Met de Annuleer-knop of de Escape-toets breekt u de operatie af. Opmerking : In de afstandsvelden kan u negatieve waarden invoeren, wat betekent dat het punt op de aangegeven afstand moet gecreëerd worden, maar wel buiten het lijnsegment. Courante werktuigen De werktuigen die hieronder aan bod komen, zijn ondergebracht in de toolbox. Vermits deze zeer courant gebruikt worden en om plaats te besparen in de menu s, werden deze sinds versie 8 uit de menulijst verwijderd. Punt Het punt is het meest essentiële object in Pythagoras. De landmeetkunde vereist dat de precieze positie van elk punt gekend is. Pythagoras helpt u bij het invoeren van de opgemeten punten en bij het creëren van nieuwe punten en posities en dit volgens de restricties die u definieert. Het invoeren van opgemeten punten kan zowel manueel gebeuren als automatisch met behulp van het import-commando. Het import-commando wordt toegelicht in het hoofdstuk over het Bestandmenu. Om punten manueel aan te maken, selecteert u het punt-item van de gereedschapskist in het controlepaneel of selecteert u het Punt-item in het Werktuigen-menu. De cursor zal een andere vorm aannemen om aan te geven dat u nieuwe punten wil gaan creëren. Een Punt Aanmaken met behulp van zijn Coördinaten Voordat u nieuwe punten gaat aanmaken, moet u eerst controleren of het coördinatensysteem en de conventies juist ingesteld zijn. Zo niet, wijzig ze dan eerst. Plaats de cursor om het even waar op het scherm, alleen niet op een lijn, en druk dan de muisknop in. Pythagoras zal u nu vragen de coördinaten van het punt in te typen, tenzij u in het Instellingsmenu het item "Punten Bevestigen" uitgezet heeft. Reeds in het gedeelte over het Pythagoras-controlepaneel werd uitgelegd dat u de coördinaten in om het even welk coördinatensysteem kan definiëren en dat dit zowel in polaire als in rechthoekige coördinaten kan. Als u meerdere punten wil aanmaken, drukt u op de Shift-locktoets (op sommige toetsenborden is dat de caps-locktoets). Deze toets blijft beveiligd totdat u de beveiliging verwijdert. Wanneer de coördinaten van een punt 95

112 bevestigd zijn, wordt het punt gecreëerd en Pythagoras zal u opnieuw vragen naar de coördinaten van het volgende punt. Als u geen nieuwe punten meer nodig heeft, druk dan op de escapetoets of klik op de annuleerknop om de bewerking af te breken. Een Punt op een Lijn Aanmaken U kan een punt op een bestaande lijn aanmaken door de cursor naar een lijn te brengen. Wanneer u de muisknop indrukt op het moment dat het "vizier" zichtbaar is, zal Pythagoras u vragen de afstand van het nieuwe punt tot één van de eindpunten van de lijn in te voeren. De exacte coördinaten van het punt zal Pythagoras berekenen. Interpolatie wordt gebruikt om de elevatie van het punt te berekenen. Wanneer u de Shift-locktoets ingedrukt houdt, kan u snel verscheidene punten op eenzelfde lijn definiëren. Indien men bij de bevestiging van het punt de CTRL-toets indrukt, dan wordt de lijn automatisch gesplitst in 2 lijnen waarbij het aangemaakte punt het eindpunt van de ene lijn en het beginpunt van de andere lijn wordt. Alle eigenschappen van de oorspronkelijke lijn ( kleur, laag, stijl...) worden doorgegeven aan de twee nieuwe lijnstukken. Opmerkingen: De stijl van een nieuw gecreëerd punt is afhankelijk van de standaard puntstijl (zie deel II, hoofdstuk 5: Instelling). Wanneer u op één van de numerieke toetsen 2..9 drukt, zal er een Vizier verschijnen. Wanneer u op een cijfer "x" drukt, zal de lijn in "x" gelijke delen verdeeld worden. De cursor zal alleen de punten aangrijpen die de lijngedeeltes uitmaken. Op deze manier kan u snel punten aanmaken en tegelijkertijd lijnen in gelijke stukken verdelen. Aanpassing hoogte van een bestaand punt Indien u de CTRL of ALT-toets ingedrukt houdt, wanneer u dubbel klikt op een punt, kan de z-waarde in het controlepaneel aangepast worden. Een punt op een pad aanmaken Wanneer u een punt op een pad wil aanmaken, selecteer dan het pad en kies vervolgens voor het CDZ coördinatensysteem in het controlepaneel. Nu kan u rechtstreeks punten aanmaken door de C (= cumulatieve afstand), D (= afstand tot het pad) en Z of dz (= hoogte of hoogteverschil) t.o.v. het pad in te geven. Opmerking: Om een punt exact op het pad te plaatsen, is het aangeraden om eerst naast het pad te klikken en daarna de D waarde op 0 te zetten. Zoniet hebt u geen controle over C en/of Z/dZ. Lijn Met de Pythagoras-modus om lijnen te tekenen kan u lijnen in alle richtingen creëren. 96

113 In Pythagoras worden lijnen gedefinieerd aan de hand van de coördinaten van hun eindpunten. Wanneer een lijn gecreëerd wordt en één van haar eindpunten of beide eindpunten bestaan niet, dan worden ze gecreëerd. Als het gereedschapskistitem "Lijnen" geselecteerd wordt, zal de cursor de vorm van een kruisje aannemen. Wanneer u de cursor over de tekening beweegt, zal de vorm van het "vizier" aangeven of de cursor zich op een punt of op een lijn bevindt. Het eindpunt (begin- of eindpunt) van de lijn kan zijn: een bestaand punt, een punt op een bestaande lijn, een punt dat met behulp van zijn coördinaten gedefinieerd wordt. In het meest eenvoudige geval worden twee punten met elkaar verbonden. U brengt de cursor naar het beginpunt, klikt met de muisknop, verplaatst de cursor naar het eindpunt en u klikt nogmaals. Daar de beide eindpunten nu door Pythagoras gekend zijn, kan de nieuwe lijn gecreëerd worden. Wanneer een beginpunt werd vastgelegd, zal een lijn op het scherm alle muisbewegingen volgen. Zelfs nu kan u in de tekening scrollen, in- en uitzoomen. Opmerking: Wanneer u op de CTRL-toets drukt, zal de lijn evenwijdig met de X- of Y-as van het actieve coördinatensysteem blijven. Wanneer het beginpunt geen bestaand punt is, dan zal zijn positie op dezelfde manier gedefinieerd worden als de positie van een eenvoudig punt (zie Punt). Het eindpunt van een lijn kan op een andere lijn liggen. In dat geval biedt Pythagoras u de mogelijkheid om de lengte van de nieuwe lijn in te voeren. Het eindpunt van de nieuwe lijn zal dan het snijpunt van de bestaande lijn met een cirkel zijn. Opmerkingen: De stijl en de dikte van een nieuw gecreëerde lijn hangen af van de standaardlijnstijl en van de standaardlijndikte (zie deel II, hoofdstuk 5: Instelling). Het eindpunt van een lijn die u aan het creëren bent, zal de volgende punten aangrijpen: Het punt op een bestaande lijn waar de nieuwe lijn loodrecht op de bestaande lijn staat. Het punt op een boog of een cirkel waar de nieuwe lijn tangentieel aan de boog of de cirkel is. Het punt op een boog of een cirkel waar de nieuwe lijn loodrecht op de boog of op de cirkel staat. Het punt op een boog of op een lijn op een interval van 1/2...1/19 van zijn lengte wanneer de overeenkomstige numerieke toets ingedrukt wordt. Tijdens de creatie van een lijn, krijgt u in het controlepaneel bijkomende informatie te zien. Standaard is dit de horizontale lengte (L), maar via de TAB-toets kunt u achtereenvolgens de schuine afstand (S), het hoogteverschil tussen de eindpunten (dz), de gradiënt (%) en de kaarthoek (G) bekomen. Lijnen met pijltjes aan de eindpunten. Om een lijn te tekenen met een pijltje op één of beide eindpunten, zet u "Lijnpijltjes" in de menu "Instellingen" aan. Bij het tekenen van nieuwe lijnen zullen dan de beide eindpunten een pijltje hebben. U kunt het tekenen van 97

114 een pijltje op één of beide eindpunten onderdrukken door de Shifttoets ingedrukt te houden wanneer u het betreffende eindpunt bevestigt. Om terug normale lijnen te tekenen, zet u "Lijnpijltjes" in de menu "Instellingen" af. Om pijltjes toe te voegen of te wissen: selecteer de lijn(en) en één of beide eindpunten van de geselecteerde lijnen. Selecteer vervolgens "Aan" of "Uit" in de menu "Opmaak", "Lijnpijltjes". Bij de keuze "Aan", krijgen alle geselecteerde lijn pijltjes aan de geselecteerde eindpunten. Bij de keuze "Uit" worden de pijltjes weggenomen van alle geselecteerde lijnen pijltjes aan de geselecteerde eindpunten. Opmerking: Indien u de SHIFT-toets indrukt bij de bevestiging van het eindpunt van een lijn, wordt het tekenen van een nieuwe lijn gestart. Zowel het eindpunt van de vorige lijn als het beginpunt van de nieuwe lijn hebben bijgevolg geen pijltjes. Dit kan nuttig zijn voor het tekenen van een bijpeiling. Indien u evenwel één lijn wenst te tekenen waarvan 1 punt geen pijltje moet hebben, begin dan bij het punt waar geen pijltje moet komen en houdt de SHIFT toets ingedrukt. Parallelle Lijnen Met het gereedschapskistitem "Parallelle Lijn" kan u lijnen evenwijdig met andere lijnen aanmaken. Wanneer het gereedschapskistitem geselecteerd wordt, verandert de cursor in een symbool dat parallelle lijnen voorstelt. U geeft de referentielijn aan door met de muis op de gewenste lijn te klikken en het "parallel aan"-symbool zal op de referentielijn verschijnen. Het beginpunt van een evenwijdige lijn kan zijn: een bestaand punt, een punt op een bestaande lijn, een punt dat met behulp van zijn coördinaten gedefinieerd wordt. Wanneer het beginpunt een punt op een bestaande lijn is, biedt Pythagoras u de mogelijkheid ofwel de afstand tot één van de eindpunten van de bestaande lijn in te voeren ofwel de loodrechte afstand tot de referentielijn, - boog of -cirkel in te voeren. Het eerste veld dat in het Pythagorascontrolepaneel opblinkt, is dat van de loodrechte afstand. Maar met behulp van de TAB-toets kan u ook gegevens in één van de andere velden invoeren. Wanneer het beginpunt gedefinieerd is, zal de nieuwe lijn de muisbewegingen volgen, maar blijft eveneens evenwijdig met de referentielijn. Wanneer het eindpunt in de buurt van een lijn ligt, zal Pythagoras automatisch het snijpunt berekenen. Het Vizier zal het snijpunt duidelijk aangeven. Wanneer een snijpunt aangeduid is, hoeft u enkel maar met de muisknop te klikken om de parallelle lijn aan te maken. Klikt u met de muisknop als het eindpunt van de nieuwe lijn niet op een bestaande lijn ligt, dan zal Pythagoras u vragen de lengte van de lijn in het controlepaneel in te voeren. Opmerking: Het beginpunt van een parallelle lijn kan één van de eindpunten van de referentielijn zijn. Tangentiële Lijn 98

115 Met het gereedschapskistitem "Parallel Lijn" (ook gebruikt om evenwijdige lijnen te tekenen) kan u lijnen creëren: tangentieel aan 1 cirkel of boog tangentieel aan 2 cirkels of bogen tangentieel aan een boog en loodrecht op een lijn. U geeft de eerste cirkel (of boog) aan door op het gewenste object te klikken. Als u de muis beweegt, zal u opmerken dat de lijn tangentieel aan de aangegeven cirkel of boog blijft. Indien men in de buurt van een bestaand punt of op een punt op de boog of cirkel komt, dan zal er automatisch op worden aangegrepen. Als u de muis in de buurt van een punt op de cirkel of op de boog brengt, waar de lijn tangentieel aan beide objecten is, zal er een "Vizier" verschijnen. Als de muis in de buurt van het punt op een bestaande lijn komt zodat de lijn tangentieel aan de cirkel of boog is en loodrecht op de lijn staat, dan zal er een Vizier verschijnen dat de loodrechte positie aanduidt. Klikt u met de muisknop op het moment dat het Vizier getoond wordt, dan zal de lijn gecreëerd worden. Loodrechte Lijn Met het gereedschapskistitem "Loodrechte lijn" kan u lijnen loodrecht op andere lijnen creëren. Wanneer dit gereedschapskistitem geselecteerd wordt, verandert de cursor in een T-symbool. U geeft de referentielijn aan door op de gewenste lijn te klikken en bijgevolg zal het loodrecht-op-symbool op de referentielijn geplaatst worden. Het beginpunt van een loodrechte lijn kan zijn: een bestaand punt, een punt op een bestaande lijn, een punt dat met behulp van zijn coördinaten gedefinieerd wordt. Wanneer het beginpunt een punt op een bestaande lijn is, biedt Pythagoras u de mogelijkheid ofwel de afstand tot één van de eindpunten van de bestaande lijn in te voeren ofwel de loodrechte afstand tot de referentielijn in te voeren. Het eerste veld dat in het Pythagoras-controlepaneel opblinkt, is dat van de loodrechte afstand. Maar met behulp van de TAB-toets kan u ook gegevens in één van de andere velden invoeren. Wanneer het beginpunt gedefinieerd is, zal de nieuwe lijn de muisbewegingen volgen, maar blijft eveneens loodrecht op de referentielijn. Wanneer het eindpunt in de buurt van een lijn ligt, zal Pythagoras automatisch het snijpunt berekenen. Het "Vizier" zal het snijpunt duidelijk aangeven. Wanneer een snijpunt aangeduid is, hoeft u enkel maar met de muisknop te klikken om de loodrechte lijn aan te maken. Klikt u met de muisknop als het eindpunt van de nieuwe lijn niet op een lijn ligt, dan zal Pythagoras u vragen de lengte van de lijn in het controlepaneel in te voeren. Loodrechte Lijn op Boog Met het gereedschapskistitem "Loodrechte lijn" kan u ook lijnen loodrecht op bogen creëren. Wanneer dit gereedschapskistitem geselecteerd wordt, verandert de cursor in een T-symbool. U klikt op de boog. 99

116 Als u de muis beweegt, zal u opmerken dat de lijn loodrecht op de aangegeven cirkel of boog blijft. Indien men in de buurt van een bestaand punt, of op een punt op de boog of cirkel komt, dan zal er automatisch op worden aangegrepen. Boog Boog Tangentieel aan Lijn of Boog Met het gereedschapskistitem "Tangentiële Boog" kan u een boog aanmaken, die ofwel tangentieel aan een bestaande boog is ofwel tangentieel aan een bestaande lijn is. U klikt eerst op de gewenste boog of lijn en voert dan de afstand tot één van de eindpunten in. Dit punt wordt het beginpunt van de boog. U mag de muis nu verplaatsen naar een bestaand object of naar een approximatieve positie. Als u op een approximatieve positie geklikt heeft, kan u de hoek en radius van de nieuwe boog invoeren ofwel de coördinaten van het eindpunt. Tijdens het tekenen van een lijn kan u overgaan naar het tekenen van een boog. Het volstaat tijdens het tekenen, de SPATIE-toets in te drukken. De lijn wordt een cirkelboog, die raakt aan de lijn op het ogenblik dat de spatietoets ingedrukt wordt. Het overgaan naar een boog kan bij alle lijntekenfuncties. Dus ook tijdens het tekenen van evenwijdige of loodrechte lijnen. Opmerkingen: U verandert de richting van de boog door eerst de muis dicht bij het beginpunt te brengen (binnen ongeveer 2 mm) en door dan de muis in de andere richting te verplaatsen. Is het beginpunt van de boog het eindpunt van een bestaande boog of lijn, dan kan u op het eindpunt klikken en hoeft u geen afstand in te voeren. (Als meer dan één lijn of boog hetzelfde eindpunt hebben, moet u het Vizier over de gewenste lijn of boog bewegen, naar het eindpunt toe.) Het eindpunt van de boog die u aan het creëren bent, zal automatisch door de volgende punten aangegrepen worden: een bestaand punt; punten op een bestaande lijn of cirkel op de plaats waar de nieuwe boog tangentieel aan dat object is; een punt op een bestaande lijn op de plaats waar de nieuwe boog loodrecht op de bestaande lijn staat. Boog Tangentieel aan Twee Lijnen/twee bogen/lijn en boog Met het gereedschapskistitem "Boog Tangentieel aan 2 Lijnen/bogen" kan u een boog creëren, die aan 2 lijnen, 2 bogen of aan een lijn en een boog tangentieel is. Wanneer dit instrument geselecteerd wordt, verandert de cursor in twee parallelle lijnen. Klik achtereenvolgens op de lijnen/bogen waaraan de boog tangentieel moet zijn. Als u de muis dan beweegt, wordt er een boog getoond worden, die aan beide objecten tangentieel is. Als u nu met de muis op een geschikte plaats klikt, voert u ofwel de radius van de boog in ofwel de coördinaten van een punt op de boog. 100

117 Opmerkingen: De cursor op de nieuwe boog zal automatisch door de volgende punten aangegrepen worden: een bestaand punt; een bestaande lijn of boog; een punt op een bestaande lijn op de plaats waar de nieuwe boog aan die lijn tangentieel is (de nieuwe boog zal dan aan drie lijnen tangentieel zijn). De nieuwe boog mag getekend worden in één van de 4 segmenten die gevormd worden door de 2 door u aangeduide lijnen. Wanneer u de CTRL-toets indrukt op het moment dat u de boog bevestigt, dan zullen de referentielijnen verlengd of ingekort worden tot aan het raakpunt. Boog door 3 Punten Wanneer het gereedschapskistitem "Boog door 3 punten" geselecteerd wordt, zal de cursor in een pijl met een P veranderen. Klik achtereenvolgens op het beginpunt, een tussenliggend punt en het eindpunt. De boog wordt nu gecreëerd. Boog met Gekend Middelpunt en Radius Nadat u het gereedschapskistitem "Boog met gekend middelpunt en gekende radius" aangeklikt heeft, klik u eerst op een bestaand punt om het middelpunt aan te geven. Klik dan ofwel op een bestaand object ofwel op een approximatieve positie om het beginpunt van de boog te definiëren. Als u de muis beweegt, zal er een boog met vaste radius getekend worden doordat de bewegingen van de muis gevolgd worden. Pythagoras berekent automatisch het snijpunt wanneer het eindpunt vlakbij een ander object (lijn, boog, cirkel) ligt. Het Vizier geeft duidelijk het snijpunt aan. Wanneer het eindpunt geen bestaand object is, moet u de radius van de boog invoeren. Drukt u op de CTRL-toets op het moment dat u de boog bevestigt, dan zal er een punt in het centrum van de boog aangemaakt worden. Bogen met pijltjes aan de eindpunten. Om een boog te tekenen met een pijltje op één of beide eindpunten, zet u "Lijnpijltjes" in de menu "Instellingen" aan. Bij het tekenen van nieuwe bogen zullen dan de beide eindpunten een pijltje hebben. U kunt het tekenen van een pijltje op één of beide eindpunten onderdrukken door de SHIFT-toets ingedrukt te houden wanneer u het betreffende eindpunt bevestigt. Om terug normale bogen te tekenen, zet u "Lijnpijltjes" in de menu "Instellingen" af. Om pijltjes toe te voegen of te wissen: selecteer de lijn(en) en één of beide eindpunten van de geselecteerde bogen. Selecteer vervolgens "Aan" of "Uit" in de menu "Opmaak", "Lijnpijltjes". Bij de keuze "Aan", krijgen alle geselecteerde bogen pijltjes aan de geselecteerde eindpunten. Bij de keuze 101

118 "Uit" worden de pijltjes weggenomen van alle geselecteerde bogen pijltjes aan de geselecteerde eindpunten. Opmerkingen: Indien u de SHIFT-toets indrukt bij de bevestiging van het eindpunt van een boog, wordt het tekenen van een nieuwe boog gestart. Zowel het eindpunt van de vorige boog als het beginpunt van de nieuwe boog hebben bijgevolg geen pijltjes. Dit kan nuttig zijn voor het tekenen van een bijpeiling. Indien u evenwel één boog wenst te tekenen waarvan 1 punt geen pijltje moet hebben, begin dan bij het punt waar geen pijltje moet komen en houdt de SHIFT toets ingedrukt. De hoogtes van punten op de boog zelf corresponderen met de hoogte van de projectie van deze punten op de koorde. Dit geldt eveneens voor clothoïdes en curven. Cirkel Cirkel met Gekend Middelpunt en Radius Nadat u het gereedschapskistitem "Cirkel met gekend middelpunt en gekende radius" aangeklikt heeft, klik dan eerst op een bestaand punt om het middelpunt aan te geven. Klik dan ofwel op een bestaand object ofwel op een approximatieve positie om het beginpunt van de boog te definiëren. Als u de muis beweegt, zal er een cirkel met vaste radius getekend worden doordat de bewegingen van de muis gevolgd worden. Wanneer het eindpunt geen bestaand object is, moet u de radius van de boog invoeren. Drukt u op de CTRL-toets op het moment dat u de cirkel bevestigt, dan zal er een punt in het centrum van de cirkel aangemaakt worden. Opmerking: De cursor op de nieuwe cirkel zal automatisch door de volgende punten aangegrepen worden: een bestaand punt; een bestaande lijn of cirkel; een punt op een bestaande lijn, boog of cirkel op de plaats waar de nieuwe cirkel aan dat object tangentieel is. Cirkel door 3 Punten Wanneer het gereedschapskistitem "Cirkel door 3 punten" geselecteerd wordt, zal de cursor in een pijl met een P veranderen. Klik 3 punten op de cirkelomtrek aan. De cirkel zal nu aangemaakt worden. Drukt u op de CTRL-toets op het moment dat u de cirkel bevestigt, dan zal er een punt in het centrum van de cirkel aangemaakt worden. Parallelle lijnen / Bogen / Cirkels Met het gereedschapskistitem "Parallel Objecten" kan u lijnen, bogen en cirkels creëren, die parallel aan het referentie-object blijven. Wanneer het instrument geselecteerd wordt, verandert de cursor in het symbool dat parallelle objecten voorstelt. U kan nu met de muis klikken op 102

119 ofwel een lijn, boog of cirkel. Wat er nu gebeurt, hangt af van het type object dat met de muis aangeklikt werd: Muis aangeklikt op een lijn Wanneer de muis op een lijn aangeklikt werd, zal er een nieuwe lijn parallel aan de referentielijn getoond worden doordat de bewegingen van de muis gevolgd worden. Deze nieuwe lijn heeft dezelfde lengte als de referentielijn. Muis aangeklikt op een boog In dit geval wordt er een boog parallel aan de referentieboog getoond doordat de bewegingen van de muis gevolgd worden. De nieuwe boog heeft dezelfde openingshoek als de referentieboog. Muis aangeklikt op een cirkel In dit geval zal er een nieuwe cirkel met hetzelfde middelpunt als de referentiecirkel getoond worden doordat de muisbewegingen gevolgd worden. Wanneer u met de muis op een approximatieve positie klikt, zal Pythagoras u erom vragen de afstand tussen het referentie- en het nieuwe object in te voeren. U kan eveneens de coördinaten van een punt op het nieuwe object invoeren. Muis aangeklikt op aangrijpingspunt van een polygoon Wanneer de muis op een polygoon aangeklikt wordt, zal een polylijn evenwijdig aan de polygoon gevormd worden. De polylijn blijft bestaan uit afzonderlijke lijnen en bogen met punten aan de eindpunten. De coördinaten van de snijpunten zijn berekend, en omdat het gewone punten zijn, kunnen de coördinaten zoals voor een ander punt bekomen worden. Puntnummers, worden automatisch toegekend. Muis aangeklikt op aangrijpingspunt van een pad Wanneer de muis op een pad aangeklikt wordt, zal een polylijn evenwijdig aan het pad gevormd worden. De polylijn blijft bestaan uit afzonderlijke lijnen en bogen met punten aan de eindpunten. De coördinaten van de snijpunten zijn berekend, en omdat het gewone punten zijn, kunnen de coördinaten zoals voor een ander punt bekomen worden. Puntnummers, worden automatisch toegekend. Opmerkingen: De cursor op het nieuwe object zal automatisch door de volgende punten aangegrepen worden: een bestaand punt; een bestaande lijn, boog of cirkel. Met deze functie kan u gemakkelijk wegen aanmaken. Tekst Met het gereedschapskistitem "Tekst" maakt u standaard horizontale tekst aan. U kan echter door middel van de spatiebalk deze richting met 90 veranderen, dus naar verticale tekst. 103

120 Tekst blijft in dezelfde richting staan zelfs als het lokaal coördinatensysteem geroteerd wordt met behulp van het "Bladschikking"-commando. Wanneer het gereedschapskistitem "Tekst" geselecteerd wordt, zal de cursor veranderen in een verticaal balkje. De grootte van dit balkje wordt bepaald door de standaardgrootte en de ingestelde zoomfactor. De onderkant van dit balkje stemt overeen met de "onderlijn"-positie van de nieuwe tekst. Indien u met de cursor in de buurt komt van punten, lijnen of bogen, dan kan u, door de CTRL toets in te drukken, ervoor zorgen dat de cursor er automatisch naar toe getrokken wordt (snapping). Wanneer u met de muis ergens op het scherm klikt, zal het "Bewerken Tekst"-informatievenster verschijnen. U kan nu tekst invoeren en de in het informatievenster getoonde standaardtekstattributen veranderen. U kan nu tekst invoeren en de in het informatievenster getoonde standaardtekstattributen veranderen nl. Horizontaal uitlijnen: links, gecentreerd, rechts Verticaal uitlijnen: onder, midden, boven Lettertype: Alle geïnstalleerde Truetype Fonts + Pythagoras Vector Font Puntgrootte: aantal punten (1 punt = ±0,3mm) van 4 tot 72 punt Stijl: normaal, cursief Dikte: licht, normaal, vet, extra vet Kleur: hoofdkleuren + kleurenpalet Onderlijning: geen, enkel, dubbel, streepjes Kader: geen kader, enkele, dubbele Opmerking Bij het exporteren in DXF/DWG-formaat wordt de kader niet mee geëxporteerd (daar de fonts in AutoCAD en andere CAD programma's niet identiek zijn en de kader waarschijnlijk niet zou overeenstemmen). Interlinie: klein, normaal, groot Ondoorzichtig: nee, ja (objecten die zich onder de tekst bevinden, worden verborgen. Oriëntatie: horizontaal, leesrichting, absolute richting Niveau: niveaus van 10 tot +10 Laag: namen van lagen Men kan meerdere regels tekst in één object tikken d.m.v. de Return-toets op het hoofdklavier. Het max. aantal tekens is beperkt tot 254 en een nieuwe regel wordt als één teken meegeteld. Het bevestigen van het tekstobject kan men doen met de numerieke Entertoets, de "OK" knop of Command / Alt / Ctrl + Return-toets. Wanneer u dit informatievenster bevestigt, zal de tekst op het scherm verschijnen op de plaats die met de muis werd aangeklikt. De tekst kan links of rechts uitgelijnd worden of gecentreerd worden ten opzichte van de aangegeven positie. Tekst kan altijd naar een andere positie gesleept worden. Objecttekst Met het gereedschapskistitem "Object Tekst" kan u tekst parallel aan een lijn creëren. Door middel van de spatiebalk kan men deze richting met 90 veranderen, namelijk de tekst loodrecht op de lijn zetten. 104

121 Als de tekening geroteerd wordt met behulp van het "Bladschikking"- commando, zal de objecttekst samen met de tekening geroteerd worden, op voorwaarde evenwel dat de objecttekst niet in paginacoördinaten gedefinieerd werd. Wanneer het gereedschapskistitem "Objecttekst" geselecteerd wordt, verandert de cursor in het parallel-symbool. U moet op een lijn klikken om de richting van de tekst aan te geven. De cursor zal veranderen in een lijn die loodrecht op de referentielijn staat. De grootte van de objecttekstcursor wordt bepaald door de standaardgrootte en de ingestelde zoomfactor. De onderkant van deze objecttekstcursor stemt overeen met de "onderlijn"-positie van de nieuwe tekst. Wanneer u met de muis ergens op het scherm klikt, zal het "Bewerken Tekst"-informatievenster verschijnen. U kan nu tekst invoeren en de in het informatievenster getoonde standaardtekstattributen veranderen (zie bovenstaande item "Titel" voor meer uitleg over standaardtekstattributen). Wanneer u dit informatievenster bevestigt, zal de tekst op het scherm verschijnen op de plaats die met de muis werd aangeklikt. De tekst kan links of rechts uitgelijnd worden of gecentreerd worden, ten opzichte van de aangegeven positie. Objecttekst kan altijd naar een andere positie gesleept worden. Polygoon Met het gereedschapskistitem "Polygoon" kan u een polygoon creëren. U creëert een polygoon door de punten, lijnen of bogen te selecteren, die de polygoon vormen. Een andere manier bestaat erin om simpelweg ergens in het (gesloten!) gebied te klikken waarvan u een polygoon wenst te creëren. De polygoon die u aanmaakt, zal op het scherm aangeduid worden met behulp van vette lijnen die de omtrek ervan aangeven. Pythagoras zal de oppervlakte, de omtrek en het zwaartepunt berekenen. Een polygoon kan met een vulpatroon opgevuld worden; de oppervlakte en de omtrek kunnen getoond worden en met behulp van het objectgereedschap "Maten" of "Annotaties" kunnen er op de tekening teksten geplaatst worden, die de oppervlakte en de omtrek aangeven. Men kan ervoor zorgen dat het vulpatroon wordt getekend volgens een bepaalde richting door volgende bewerkingen uit te voeren: men maakt een eigen coördinatensysteem (met bijvoorbeeld twee punten van de polygoon) men selecteert de polygo(o)n(en) in de menu Opmaak kiest men voor Aligneer patronen. Hierdoor wordt het patroon gericht volgens het eigen coördinatensysteem, en valt de oorsprong van het patroon samen met de oorsprong van het coördinatensysteem. Opmerkingen : Bij het creëren van de polygoon kan u gebruik maken van de BACKSPACE-toets om het laatste punt (of de laatste boog) van de polygoon te verwijderen. Bij het creëren van een polygoon kan u "dubbel klikken" op een lijn of boog. Pythagoras zal automatisch alle aangrenzende lijnen en bogen, volgens de aangegeven richting, in de polygoon opnemen tot op een 105

122 splitsing, of tot er geen lijnen meer volgen. Bij het stoppen moet de polygoon verder afgewerkt worden, eventueel kan u terug "dubbel klikken" Wanneer een polygoon gecreëerd wordt door in een gebied te klikken, kan het zijn dat nieuwe punten en bogenmoeten aangemaakt worden. Pythagoras zal deze objecten in een systeemlayer plaatsen die onzichtbaar blijft. Indien u de toets "O" indrukt, zal Pythagoras in een grotere straal zoeken naar het zwaartepunt van de polygoon. Door met de parallel-toets op een polygoon te klikken zal er een parallelle polygoon geconstrueerd worden. Indien een polygoon gecreëerd wordt met de enkele muisklik binnen een bepaalde zone, zal het ingedrukt houden van de CTRL-toets ervoor zorgen dat zogenaamde eilanden gedetecteerd worden. Er zullen dus uitsparingen in de polygoon gevormd worden. Pad Een pad is een sequentie van punten, lijnen en bogen. De objecten waarnaar het pad refereert, blijven evenwel als afzonderlijke entiteiten bestaan. Na selectie van de tool "Pad" creëert u een pad door, in de gewenste volgorde, de punten, lijnen of bogen te selecteren die het pad vormen. Het einde van het pad wordt bekomen door ofwel: het eerste punt van het pad terug te selecteren, of bij het selecteren van het laatste punt of boog de CTRL toets in te drukken. Het pad dat u aanmaakt, zal op het scherm aangeduid worden door vette lijnen die de loop van het pad aangeven. Pythagoras zal de totale lengte van het pad en het middelpunt ervan (op het pad) berekenen. Een pad kan gebruikt worden voor: het berekenen van de totale lengte van een traject, het bekomen van een lengteprofiel van het geselecteerde pad, voor het construeren van evenwijdige lijnen/bogen aan een pad. Opmerkingen: Bij het creëren van een pad kan u gebruik maken van de BACKSPACE toets om het laatste punt of de laatste boog van het pad te verwijderen. Bij het creëren van een pad kan u "dubbel klikken" op een lijn of boog. Pythagoras zal automatisch alle aangrenzende lijnen en bogen, volgens de aangegeven richting, in het pad opnemen tot op een splitsing, of tot er geen lijnen meer volgen. Indien er geen lijnen(bogen) meer volgden, zal het pad gecreëerd worden. Bij het stoppen op een splitsing moet het pad verder afgewerkt worden. Indien u de toets "X" indrukt, zal Pythagoras in een grotere straal zoeken naar het middelpunt van een pad. Door met de parallel toets op een pad te klikken zal er een parallel pad geconstrueerd worden. Eigen Coördinatensysteem Met het gereedschapskistitem "Eigen Coördinaten-systeem" kunnen er nieuwe eigen-coördinatensystemen gecreëerd worden. U creëert een nieuw Eigen coördinatensysteem door eerst met de muis het punt op de tekening aan te klikken, dat het beginpunt van het nieuw Eigen 106

123 coördinatensysteem zal worden en dan een punt aan te klikken, dat op de X- as of op de Noord-as ligt. (Afhankelijk van de geselecteerde voorkeur.) Het nieuw aangemaakte Eigen coördinatensysteem zal het actieve eigen coördinatensysteem worden. Opmerkingen : Wordt de CTRL-toets ingedrukt op het moment dat u het beginpunt van een nieuw coördinatensysteem vastlegt, dan wordt er een Tijdelijk coördinatensysteem gecreëerd. De assen van het nieuw gecreëerde coördinatensysteem zijn parallel met de assen van het actieve coördinatensysteem. Wordt de CTRL-toets ingedrukt op het moment dat u het tweede punt aanklikt, dan zal het nieuwe coördinatensysteem een Tijdelijk coördinatensysteem zijn. Wordt er een Tijdelijk coördinatensysteem gecreëerd, dan wordt het oude automatisch verwijderd. Standaardattributen - Actieve Laag De nieuwe objecten die u interactief creëert, krijgen de standaardattributen en worden in de actieve laag geplaatst. Macro uitvoeren Hieronder staan alle namen van macro s die uitgevoerd kunnen worden. Deze zijn enkel actief indien een macrobibliotheek met geldige routines geladen is. Selecteer In de "Selecteermodus" kan u: informatie over de basisobjecten van de tekening opvragen. objecten selecteren en de selectie ongedaan maken. tekst naar een andere positie slepen. Selectiemogelijkheden Er worden 3 selectiemogelijkheden voorzien in de menu Werktuigen: Pijltje : heeft tevens snapmogelijkheid Kruisdraden : enkel selectie in kadervorm, waarbij snappen niet mogelijk is Lasso : Vrije hand -selectie, zodat een willekeurig gebied kan getekend worden waarin dan de objecten geselecteerd worden 107

124 Informatie over Objecten Opvragen Punten Wanneer u de muis in de buurt van een punt op de tekening brengt, zullen het puntnummer en de precieze coördinaten van het punt in het controlepaneel weergegeven worden. Als het puntnummer zichtbaar is, mag u er zeker van zijn dat Pythagoras het punt aangegrepen heeft en dat de getoonde coördinaten bij dat punt behoren. Als u met de muis dubbelklikt op het moment dat de cursor zich op het punt bevindt, dan zal het commando "Objectinformatie" (zie deel II, hoofdstuk 6: Objectinformatie) uitgevoerd worden. Lijnen Wanneer u de muis in de buurt van een lijn op de tekening brengt, zullen de identiteiten van de eindpunten en de horizontale lengte(l) in het controlepaneel verschijnen. Door de TAB-toets te gebruiken, toont het controlepaneel achtereenvolgens de schuine afstand (S), het hoogteverschil tussen de eindpunten (dz), de kaarthoek (G) en de helling (%). Bogen Wanneer u de muis in de buurt van een boog op de tekening brengt, zullen de identiteiten van de eindpunten en de booglengte(l) in het controlepaneel verschijnen. Door de TAB-toets te gebruiken, toont het controlepaneel achtereenvolgens de straal (R), de openingshoek (C), de schuine lengte (S), het hoogteverschil (dz) en de helling (%). Cirkel Indien u de muis op een cirkellijn brengt, dan geeft het controlepaneel de omtrek (L) van de cirkel weer. Door op de TAB-toets te drukken, wordt de straal (R) getoond. Tekst Als u de tekstinhoud wil wijzigen, dubbelklikt u met de muis op de tekst en dan zal er een informatievenster verschijnen, dat de tekstinhoud en de tekstattributen bevat. Polygoon Wanneer u de muis in de buurt van het zwaartepunt van een polygoon brengt, zal daar een aanduiding (rechthoek met daarin de letter P) verschijnen. Op dit moment verschijnt in het controlepaneel de oppervlakte. Door de TAB toets te gebruiken toont het controlepaneel achtereenvolgens de omtrek (L) en de som van de schuine lengtes van de omtrek (S). Pad Wanneer u de muis in de buurt van het middelpunt van een pad brengt, dan vermeldt het controlepaneel de horizontale lengte (L) van het pad. Door de TAB-toets te gebruiken toont het controlepaneel achtereenvolgens de 108

125 schuine lengte (S), het hoogteverschil (dz) en de helling (%) tussen het begin- en eindpunt van het pad. Opmerking: Indien men een bepaalde informatie gekozen heeft over het object, dan kan men met de SHIFT-TAB combinatie ervoor zorgen dat dit voortaan de standaard informatie is die voor dat soort object wordt getoond zolang men Pythagoras niet verlaat. Met andere woorden deze instelling wordt niet bewaard bij het verlaten van Pythagoras. Objecten Selecteren Als de muis door een Pythagoras-object aangegrepen wordt en u met de muisknop klikt, zal het object geselecteerd worden en de selectie van alle andere objecten wordt dan ongedaan gemaakt. Als het object reeds geselecteerd was, wordt de selectie ongedaan gemaakt. Als u de Shift-toets indrukt op het moment dat u met de muisknop klikt, zal het object aan de selectie toegevoegd worden of eruit verwijderd worden. Als u een lijn of boog selecteert, worden de eindpunten ervan niet mee geselecteerd. Als u de CTRL-toets indrukt bij het selecteren, zullen ook de eindpunten van de lijn of boog mee geselecteerd worden. Bij het indrukken van de CTRL-toets tijdens het selecteren van een polygoon of een pad, worden de punten die deel uitmaken van de polygoon of het pad ook mee geselecteerd. Indien er twee lijnen of bogen over elkaar liggen, dan wordt bij de eerste klik op deze lijnen of bogen, het bovenste object geselecteerd. Klikt men daarna voor een tweede maal op het object, dan zal de onderliggende lijn of boog geselecteerd worden. Tekst Slepen Als u de muisknop ingedrukt houdt op een tekstobject en dan de muis verplaatst, zal een rechthoek die de positie van de tekst weergeeft, de bewegingen van de muis volgen. Laat de muisknop los zodat de tekst op de gewenste positie geplaatst wordt. Wanneer bij het slepen van tekst u de CTRL- of ALT-toets ingedrukt houdt op het moment dat u de muisknop loslaat, dan zal de tekst gedupliceerd worden. De nieuwe tekst zal verschijnen op de plaats waar de muisknop werd losgelaten. Opmerkingen : Slepen kan u annuleren door de escape-toets op het toetsenbord in te drukken terwijl u eveneens de muisknop ingedrukt houdt. In de "Selecteermodus" zal Pythagoras voortdurend zoeken naar het object in de nabijheid van de muis. Pythagoras grijpt aan naar elk object dat in de buurt van de muis komt. Als verschillende objecten zich dicht bij elkaar bevinden, kan het wel eens moeilijk worden om het gewenste object te selecteren. U kan ofwel inzoomen ofwel één van de volgende toetsen indrukken om aan te geven welk type object u wenst te selecteren: "P": wanneer u de P-toets indrukt, zal Pythagoras alleen naar punten op zoek gaan. 109

126 "L": wanneer u de L-toets indrukt, zal Pythagoras alleen naar lijnen, bogen en cirkels op zoek gaan. "T": wanneer u de T-toets indrukt, zal Pythagoras alleen naar tekst op zoek gaan. "O": wanneer u de O-toets indrukt, zal Pythagoras alleen naar polygonen op zoek gaan. In dit geval zal het aangrijpgebied veel groter worden. "X": wanneer u de X-toets indrukt, zal Pythagoras alleen naar paden op zoek gaan. In dit geval zal het aangrijpgebied veel groter worden. "B": wanneer u de B-toets indrukt, zal Pythagoras alleen naar beelden op zoek gaan. Bewerkingen op Geselecteerde Objecten U kan de volgende bewerkingen op geselecteerde objecten uitvoeren: het object wissen: Knip-en-Wis-commando of met het gebruik van de "delete"-toets op het toetsenbord; de attributen van de objecten wijzigen; de objecten naar een andere laag verplaatsen; de objecten verplaatsen. Deze bewerkingen worden in andere delen van deze handleiding in detail beschreven. Aligneer Deze tool is een intuïtievere oplossing dan de manier via een coördinatensysteem. Klik achtereenvolgens op het te aligneren object en vervolgens op een object dat mogelijk een richting aangeeft (lijn, boog, cirkel, tekst, polygoon). Ook beelden en teksten kunnen op deze manier aan een andere tekst of beeld uitgelijnd worden. Verbind Dankzij de Pythagoras-modus "Verbind" kunt u lijnen en bogen verlengen, inkorten en/of verbinden of punten en teksten projecteren op een lijn, boog of cirkel. Wanneer dit gereedschapskistitem geselecteerd wordt, neemt de cursor de vorm van een vette pijl aan. Indien u als eerste object een punt aanklikt, dan zal dit punt geprojecteerd worden op het tweede aangeklikte object. Anderzijds indien u als eerste object een lijn of boog aanklikt, dan zal dit object verlengd of verkort worden volgens waarbij onderstaande regels in acht worden genomen. Indien u éénmaal klikt op het tweede object, wordt alleen het eerste object aangepast, maar bij een dubbelklik op het tweede object zal dit verbonden worden tot aan het snijpunt. 110

127 Regels die in acht genomen worden: Lijn - Lijn Het snijpunt ligt niet op het lijnsegment: de lijn wordt verlengd. Het snijpunt ligt op het lijnsegment: de lijn wordt ingekort. Het gedeelte van de lijn waarop de muis eerst werd aangeklikt, blijft over. Het andere gedeelte wordt gewist. Lijn - Boog of Cirkel Eén van de eindpunten van de lijn is een snijpunt: de lijn zal verlengd of ingekort worden, afhankelijk van het tweede snijpunt. Het snijpunt dat het dichtst bij één van de eindpunten van de lijn ligt, zal het punt worden waarnaar de lijn wordt verlengd of ingekort. De regels beschreven in Lijn-Lijn zijn hier van toepassing. Indien de SHIFT-toets wordt ingedrukt bij het klikken op de boog, wordt een verbinding gemaakt met het andere snijpunt. Boog - Lijn, Boog of Cirkel Het snijpunt (De snijpunten) van de lijn en de boog ligt (liggen) niet op de boog: de boog wordt zo weinig mogelijk verlengd of ingekort. Eén van de eindpunten van de boog ligt op de lijn: de boog wordt verlengd zodat beide eindpunten op de lijn liggen. Opmerking: Dit gereedschapskistitem kan ook gebruikt worden om de projectie van punten en teksten op een lijn te verkrijgen! Teksten en Beelden verbinden Beelden en teksten kunnen door het gebruik van deze verbindknop eenzelfde 0-punt verkrijgen als een andere tekst of beeld. Vb. aaaaaa wordt aaaaaa bbbbbb bbbbbb Wordt de CTRL toets ingedrukt, dan is de uitlijning horizontaal. Bv. aaaaaa wordt aaaaaa bbbbbb bbbbbb Knip uit De functie knip uit verwijdert een door twee snijpunten bepaald deel van een te knippen object. U klikt op het te knippen object. Vervolgens klikt u de objecten aan die de grenzen moeten bepalen tot waar u wilt knippen. Het kan hierbij gaan over punten, lijnen cirkels en bogen. De grenzen of hun verlenging (projectie indien het om een punt gaat) moeten het te knippen object snijden. 111

128 Indien een lijn een cirkel snijdt, bestaan er twee mogelijkheden om te knippen. Pythagoras beschouwt het snijpunt van de cirkel met de lijn dat het dichtste licht bij het aangeklikte punt als grens. Verdeel Met Verdeel wordt het opdelen van een boog of een lijn in twee stukken bedoeld. Hiervoor is het enkel nodig om het te verdelen object uit te kiezen en vervolgens het punt, de lijn of boog vast te leggen waar de scheiding moet gebeuren. Het kan hierbij gaan om een punt op het object zelf, waarbij dit punt echter vooraf moet zijn vastgelegd. Een andere mogelijkheid tot verdeling is, vergelijkbaar met het knippen, om het verdeelpunt als snijpunt met een ander object vast te leggen. Ook hier is het mogelijk een punt uit te kiezen waarvan de loodlijn op het verdeelobject het gezochte punt bepaalt. Opmerking: Een cirkel kan niet verdeeld worden De gecreëerde verdelingspunten zijn standaard onzichtbaar. Maak Snijpunt Door gebruik te maken van het menupunt "Snijpunten" kunt u Pythagoras het snijpunt van twee lijnen, een lijn en een boog of twee bogen laten bepalen. Hierdoor verandert de cursor in een "x1" symbool waarbij het de bedoeling is dat u op de eerste lijn of boog klikt. Daarna verandert de cursor in een "x2" symbool waarna u de tweede lijn of boog aanklikt. Het snijpunt wordt dan getekend. Indien dit snijpunt buiten de afdrukpagina ligt, dan krijgt u een melding om eventueel via "Bestand" - "Bladschikking" de afdrukpagina te veranderen. De hoogte van het snijpunt wordt bepaald door interpolatie op de tweede lijn. Indien u het snijpunt met de gemiddelde hoogte wenst, kiest u het menu Bereken - Snijpunt. Verleng De functie Verleng laat u toe om lijnen en bogen te verlengen of te verkorten. Het volstaat om eerst het gewenste object aan te klikken en vervolgens zijn begin- of eindpunt. Dan kunt u de lijn of boog verlengen of verkorten, door het punt langs het object of langs de geplande verlenging te verschuiven. 112

129 Knip weg Het Knip weg commando verwijdert alle objecten al dan niet inclusief delen van beelden binnen of buiten een rechthoek. Objecten die op de rand vallen, worden afgeknipt. (Uitzondering: teksten en symbolen). Volgende keuzes kunnen gemaakt worden: Zowel vector- als rasterinformatie tegelijkertijd wegknippen Enkel vectorinformatie wegknippen Enkel rasterinformatie wegknippen Nieuw Object Symbool De keuze Symbool in de Werktuigen-menu laat toe symbolen te tekenen. Eerst moet via de menu "Instellingen", "Bibliotheeksymbool", of "Documentsymbool" een symbool gekozen worden. Een symbool kan gecreëerd worden door ofwel door de coördinaten van zijn hotspot in te geven, ofwel door de hotspot van het symbool op een lijn, boog of cirkel te plaatsen. U kunt een symbool een richting meegeven door eerst de hotspot van het symbool op de lijn te brengen die de gewenste richting aangeeft. Vervolgens klikt u op de muistoets, en het symbool zal draaien in de richting van de lijn. Bij het drukken van de spatietoets, zal het symbool draaien over 90. Opmerking: Indien bij de keuze van het symbool de CTRL toets wordt ingedrukt, komt het programma automatisch in de mode "Symbool tekenen". Indien een symbool op de tekening geplaatst wordt zonder het een richting te geven en zonder het te roteren, wordt het symbool beschouwd als een horizontaal symbool zelfs als het een roteerbaar symbool is. Het symbool blijft bijgevolg horizontaal zelfs als de tekening via Bladschikking geroteerd wordt. Elk punt kan veranderd worden in een symbool. De coördinaten van de hotspot van het symbool zullen dan overeenkomen met de coördinaten van het punt. Rich Text De Rich Text-editor maakt het u mogelijk om teksten te typen met een layout zoals u die wenst. U kan deze beschouwen als een uitgeklede tekstverwerker; alle basisfuncties die u in een tekstverwerker aantreft, zijn ook in deze editor ingebouwd. De meeste functies zijn zo vertrouwd vanuit andere tekstverwerkers, dat deze weinig woorden behoeven, maar toch wensen wij even stil te staan bij 113

130 een paar handige features die u het leven (lees: tekenen) aangenamer zullen maken. Sneltoets: klik op het tekstsymbool in de werktuigknoppen terwijl u de CTRLtoets ingedrukt houdt Door het selecteren van deze functie, verandert de cursor in een +. Hiermee kan u dan het tekstgebied mee bepalen door te slepen (d.i. uw cursor verplaatsen terwijl u de linkermuisknop ingedrukt houdt). Naargelang de richting waar dit gebied wordt aangemaakt, zal dit venster verschillende eigenschappen vertonen qua alignering: Het venster naar onder toe aanmaken: het tekstblok is top-aligned het venster naar boven toe aanmaken: het tekstblok is bottom-aligned het venster naar rechts verbreden: het tekstblok is links gealigneerd het venster naar links verbreden: het tekstblok is rechts gealigneerd Opmerkingen: Om een blok gecentreerd te aligneren, moet u gebruik maken van het Rich Text-kenmerken -venster onder Objectinformatie in het Venster - menu, vermits een centrering moeilijk aangegeven kan worden in een sleepcommando. Hier kan men tevens andere zaken instellen zoals het ondoorzichtig plaatsen, laag aanpassen e.d.m.. De alignering van het tekstblok is onafhankelijk van de uitlijning van de inhoud. In een bv.links gealigneerd tekstblok kan men dus ook gecentreerde of rechtsuitgelijnde tekst creëren. Voorbeelden: 1. Indien u de cursor van linksboven naar rechtsonder verplaatst, heeft u een tekstveld aangemaakt dat top-aligned en links gealigneerd is. 2. Indien u de cursor van rechtsonder naar linksboven verplaatst, heeft u een tekstveld aangemaakt dat bottom-aligned en rechts gealigneerd is. Voorbeeld 1 is dus interessant als u een tekst in de linkerbovenhoek wenst te plaatsen: de tekst groeit dan automatisch naar onderen toe, terwijl de alignering links geschiedt. Voorbeeld 2 is interessant indien de tekst in de rechteronderhoek van het blad geplaatst moet worden: het tekstveld neemt dan indien nodig in hoogte toe, terwijl de alignering van het veld rechts geschiedt. De breedtes van de tekstvelden kunnen nog steeds gewijzigd worden. Dit gebeurt door de continue lijn te verslepen in de gewenste richting (verbreden of versmallen). Voor links gealigneerde tekst bevindt deze lijn zich aan de rechterzijde van het tekstblok en voor rechts gealigneerde tekst bevindt deze zich aan de linkerzijde van het tekstblok. Tijdens het typen in de editor kan men de getypte tekst dus een persoonlijke opmaak geven. Dit werkt op basis van het vooraf instellen of op basis van selectie. U zal gemerkt hebben dat indien het tekstvenster actief is, ook de menu s gewijzigd zijn. Deze zijn aangepast aan de Richt Text-omgeving. De twee belangrijkste menu s zijn: Bewerken en Opmaak. Bewerken: Deze menu bevat de vanzelfsprekende bewerkfuncties zoals herdoe, ongedaan maken, knippen en plakken, enz.... De items Zoek en Vervang daarentegen, zijn wel het bespreken waard: a) Zoek: deze functie gaat zoeken naar de ingevulde string (woord of een groep woorden) b) Vervang: deze functie gaat zoeken naar de ingevulde string (woord of een groep woorden) en vervangt deze vervolgens door de 114

131 ingevulde string (woord of een groep woorden) die ingevuld staat in het vervang -veld. Deze hebben ook nog verscheidene opties: Volledig woord: gaat enkel het volledig woord zoeken. Indien dit niet aangekruist staat, gaat de editor ook op zoek naar de ingevulde string in delen van woorden Hoofdlettergevoelig: indien dit aanstaat, gaat de editor zoeken naar de string zoals deze letterlijk is ingevuld, rekening houdende met eventuele hoofdletters. Achterwaarts: doorzoekt het document van achter naar voor. Wrap around zoeken: bij het einde van het document, begint de editor dan terug vooraan te zoeken. Opmaak: Deze menu wordt hoofdzakelijk gebruikt om de opmaak van teksten (al dan niet geselecteerd) in te stellen. De meeste functies zijn voor de hand liggend door hun aard. Eigenschappen geeft een dialoogvenster weer waar de meeste functies uit de menu zijn in ondergebracht. Dit maakt het mogelijk om een tekst in één handeling de juiste opmaak te geven. Interlinie wordt gebruikt om een afstand in te stellen tussen de verschillende regels van de tekst. Interlinie werkt per paragraaf. Met Uitlijning wordt de positie van de tekst in het tekstblok bepaald: (zie ook opmerking 2 hogerop) Links: de tekst wordt links in het blok uitgelijnd Rechts: de tekst wordt rechts in het blok uitgelijnd Gecentreerd: de tekst wordt in het midden van het tekstblok geplaatst Deze uitlijning geschiedt tevens per paragraaf. Paragraaf: in een Pythagoras Rich Text gebruikt u de Return- (of Enter-) toets om een nieuwe paragraaf aan te duiden. Overvloeien van woorden naar de volgende of vorige regel gebeurt enkel binnen een paragraaf. Gealigneerde Rich Text Deze functie wordt gebruikt om rechtstreeks een Rich text-blok dezelfde rotatie te geven als een bepaalde lijn. Meer details over Rich Text: zie hoger. Curve Curven kunnen worden aangemaakt d.m.v. de objectsoort Curve. Op basis van tenminste drie punten ontstaat op die wijze een curvenvormige structuur. De punten waardoor de curve moet lopen, worden vastgelegd door aan te klikken. U verkrijgt dan een gesloten curve, waarbij men als laatste punt het eerste nogmaals aanklikt. Moet de curve openblijven, dan kiest u het laatste punt terwijl men de CTRL-toets ingedrukt houdt. De instelbare kromme bepaalt de vorm en grootte van de stralen. Hoe hoger de kromming, hoe zachter en gladder de overgangen tussen de deelbogen. De checkbox 100% tangentieel behandelt een specifiek geval: waar de 115

132 curve bijvoorbeeld in het eerste deel door tenminste drie op een rechte lijn liggende punten tot een recht verloop gedwongen wordt, krijgt men eigenlijk een zeer harde overgang tot een daaraan aansluitend, echt curvenverloop. Met 100% tangentieel, wat als standaard wordt geactiveerd, wordt een dergelijke harde overgang vermeden en wordt ook in extreme gevallen een boogachtig verloop afgedwongen. De noodzakelijke punten voor de aanmaak van een curve kunnen ook in de hoogte verschillen, zodat er een driedimensionale curve ontstaat Curven kunnen een eigen (bibliotheek)lijnstijl hebben. Clothoïde Met dit werktuigitem is het mogelijk om clothoïdes te tekenen. Een clothoïde is een overgangsboog waarbij de kromming recht evenredig toeneemt of afneemt met de doorlopen afstand, m.a.w. wanneer bv. een voertuig met eenparige snelheid een clothoïde doorloopt, dan is de snelheid waarmee het stuur bijdraait, constant. In Pythagoras is een clothoïde beperkt tot een hoeksverandering van 100gon. (zie onderstaande figuur) Een clothoïde kan worden voorgesteld door de volgende algemene formule: R*L = K 2 K: parameter van de clothoïde R: kromtestraal L: lengte van een clothoïdegedeelte gemeten vanaf het punt met R = Een clothoïde kan op 4 manieren geconstrueerd worden: 1. een bestaande clothoïde invoeren. Let wel op : de ingevoerde gegevens moeten minstens even nauwkeurig zijn als het huidige aantal decimalen in het controle paneel. 2. aan de hand van een begin- en eindpunt a) evenwijdig aan een lijn: wordt gedefinieerd door begin en eindpunt. Het beginpunt heeft R =. De waarde K of de straal R2 (= straal van de tangentiële cirkel op het eindpunt) kunnen ingegeven worden. 116

133 b) tangentieel vertrekkend vanuit een bepaald punt op een bestaande cirkel/boog: De clothoïde zal dan vertrekken met de R van de boog of cirkel en wordt geconstrueerd tot een R =. Door te bewegen met de muis kan men de eindtangentrichting beïnvloeden. Dit geldt ook voor waarden R < R cirkel, alleen geeft dit niet zoveel oplossingen c) tangentieel vertrekkend van op een bepaald punt op een bepaalde clothoïde: Hier vertrekt de clothoïde met de straal van het beginpunt op de clothoïde en wordt deze gemaakt tot R =. Dit geldt ook voor waarden R < R clothoïde, alleen geeft dit niet zoveel oplossingen 3. tussen bestaande objecten a) tussen een bestaande lijn en cirkel of boog b) tussen twee cirkels/bochten Dit kan enkel als de cirkel met de kleinste straal binnen die met de grootste straal ligt en met zeer kleine afwijkingen. 4. Tangentiele bocht aan twee lijnen met twee clothoïdes Vrijwel alle bewerkingen kunnen op clothoïdes toegepast worden. Bewerk Lijn Volgende bewerkingen zijn mogelijk op lijnen: Verbinden Knip object Verdeel object Maak snijpunt Verleng lijn Al deze bewerkingen werden hierboven beschreven. Bewerk Kromme Volgende bewerkingen zijn mogelijk op krommen: Punt verplaatsen: ga naar het te verplaatsen punt. De cursor wijzigt in een kruis-vorm. Verplaats het punt door het te verslepen. Indien puntbevestiging aanstaat, kan je de nieuwe coördinaten van het punt ingeven. Punt toevoegen: verplaats de cursor naar een plaats op de curve waar een punt moet toegevoegd worden. De cursor wijzigt in een kruis-vorm. Versleep de curve naar de nieuwe positie (al dan niet een bestaand punt). Bevestig de nieuwe coördinaten. Indien het nieuwe punt reeds bestond, zal u merken dat de cursor hierop grijpt (snapt) Punt verwijderen: ga met de cursor naar de curve en klik erop. Bolletjes zullen de punten van de curve zichtbaar maken. Klik op de punten die u uit de curve wenst te verwijderen. 117

134 Bewerk Polygoon Dezelfde bewerkingen als op curven zijn mogelijk op polygonen Bewerk Pad Dezelfde bewerkingen als op polygonen zijn mogelijk op paden, op het verplaatsen van punten na. Hiervoor wordt de klassieke Verplaats -functie aangeraden (zie menu Bewerken ). Bewerk Groep Dit commando laat toe om objecten aan een groep toe te voegen of uit een groep te verwijderen. DTM Dit commando laat toe om het actief digitaal terreinmodel te bewerken. Opmerkingen: Aanpassingen aan een DTM kunnen niet ongedaan gemaakt worden. Het wordt aanbevolen om voor het aanpassen van het DTM, een backup te nemen van de tekening. Aanpassingen aan een DTM, wijzigt niets aan de punten of andere objecten. Enkel het DTM verandert. Verwissel Diagonaal Deze functie zal de vierhoek, die gevormd wordt door twee naast elkaar liggende driehoeken, verdelen in twee andere driehoeken. Dit door de andere twee overliggende vertexen met elkaar te verbinden. Wanneer deze functie geselecteerd wordt, zal decursor snappen naar de benen van driehoeken. De benen aan de rand van het DTM buiten beschouwing gelaten. Een muisklik zal de vierhoek verdelen in twee driehoeken volgens de andere diagonaal die werd gevormd door de oorspronkelijke diagonaal. Verwijder Driehoek Deze functie verwijdert de geselecteerde driehoek uit het actief terreinmodel. Als deze functie geselecteerd wordt en de cursor wordt in een driehoek bewogen, dan zal deze driehoek gemarkeerd worden. Wanneer de muisknop ingedrukt wordt zal de driehoek verwijderd worden. Het oppervlak van de driehoek zal flikkeren gedurende ongeveer 0.5 sec. Dit om te tonen dat de driehoek verwijderd zal worden. Benen van de 118

135 driehoeken zullen verwijderd worden, tenzij ze nog gebruikt worden door een andere driehoek. Vertex Verplaatsen Deze functie verplaatst een vertex van een DTM. Wanneer deze functie geselecteerd wordt, zal de cursor aangrijpen op de vertexen van het DTM. Een punt kan versleept worden en nieuwe coördinaten kunnen ingeven worden. Een punt mag niet verplaatst worden buiten de polygoon van de driehoeken met dezelfde vertex. Opmerking: De resulterende triangulatie zal geen Delaunay-triangulatie zijn. Als het resultaat niet voldoet, kunnen de andere functies gebruikt worden om dit aan te passen. Vertex Toevoegen Deze functie voegt een vertex toe aan een DTM. De cursor zal aangrijpen naar punten in de tekening. Na activatie van deze functie, zal de cursor aan driehoeken en punten in de tekening aangrijpen. Wanneer de cursor over een driehoek bewogen wordt, zal deze gemarkeerd worden. Bij het klikken, moeten de X, Y en Z coördinaten van het nieuwe punt ingegeven worden, of zullen de coördinaten van het gekozen punt worden overgenomen. Opmerking: Het nieuwe punt moet niet binnen een driehoek vallen, mar kan ook buiten het DTM geplaatst worden. In dit geval zal het aantal nieuwe driehoeken verschillend zijn. Opmerking: De resulterende triangulatie zal geen Delaunay-triangulatie zijn. Als het resultaat niet voldoet, kunnen de andere functies gebruikt worden om dit aan te passen. Vertex Verwijderen Deze functie verwijdert een vertex van een DTM. Wanneer deze functie geselecteerd wordt, zal de cursor aangrijpen aan de vertexen van de driehoeken. Na selectie zullen de driehoeken die deze vertex bevatten verwijderd worden. De resulterende polygoon zal Delaunay getrianguleerd zijn. Wijzig Hoogte Deze functie laat toe de hoogte van een vertex te wijzigen. Wanneer deze functie geselecteerd wordt, zal de cursor aangrijpen aan de vertexen van de driehoeken. Na het klikken op een vertex kan de nieuwe hoogte ingegeven worden. 119

136 Lasso Met dit commando is het mogelijk om deelgebieden van een rasterbeeld te bewerken (zwart of wit maken). Deze bewerking wordt niet opgeslagen in het beeld zelf, maar wel in de Pythagorastekening met een verwijzing naar het beeld. Gom Dit commando laat toe om delen uit het beeld weg te gommen of zwart te maken. Deze bewerking wordt niet opgeslagen in het beeld zelf, maar wel in de Pythagorastekening met een verwijzing naar het beeld Maten Met het gereedschapskistitem "Maten" kan u op een tekening afmetingen (lijnlengtes), oppervlaktes en coördinaten aanmaken. Met een maat creëert u eigenlijk een tekstobject met de waarde van de maat als tekst. Zoals bij elk ander tekstobject kan u de inhoud en de attributen van de maat wijzigen. Er bestaat geen verband tussen het object waarvan de afmeting gevraagd wordt en het tekstobject dat de maat bevat. Als u een maat opvraagt en Pythagoras vindt een tekstobject op exact dezelfde positie, dan wordt er geen nieuwe tekst aangemaakt. Indien u met een XY-bemating werkt en dus een tijdelijk coördinatensysteem (basis) heeft, dan kunt u met de keuze "Maten" klikken op een punt zodat dat punt wordt neergelaten op die basis. De X en Y maat wordt bijgevoegd. Als u in de mode "Maten" de CTRL-toets ingedrukt houdt, dan komt Pythagoras automatisch in de mode "creëer coördinatensysteem" terecht. Door achtereenvolgens het eerste en het tweede punt van de meetbasis aan te klikken wordt een tijdelijk coördinatensysteem gemaakt en komt u opnieuw in de mode "Maten" terecht. Nu zal door het klikken op een punt, dit punt neergelaten op de basis en komen de XY-maten erbij. Opmerking: Indien u alle punten waarvan u de XY-bemating wenst tegelijkertijd selecteert, dan kunt u deze maten in één keer toevoegen via de menukeuze "Opmaak" - "Bewerking" - "Annotatie" - "XY-bemating" Lijnen Wanneer u de muisknop indrukt op het moment dat de cursor zich vlakbij een lijn bevindt, zal een objecttekst, die de lengte van de lijn bevat, op de tekening gecreëerd worden. Standaardwaarden met betrekking op de voorstelling van lijnlengtes zijn: tekstgrootte; 120

137 tekstdikte; aantal decimalen; variabelen voor en na de maat. De voor- en na-variabelen zijn facultatieve tekens die voor en na de door Pythagoras berekende waarde kunnen geplaatst worden. Als bijvoorbeeld de voor-variabele = "-" en de na-variabele = "m.-", dan zal de waarde als volgt voorgesteld worden: "-12.50m.-". De voor- en na-variabelen kunnen lege waarden zijn. De lijnlengte zal altijd gecentreerd worden ten opzichte van het middelpunt van de lijn. Polygoon: Oppervlakte en Omtrek Klikt u op de muis op het moment dat de cursor zich vlakbij het zwaartepunt van de polygoon bevindt, dan zullen de lengte van de omtreklijn en de oppervlakte van de polygoon op de tekening gecreëerd worden. De lengte van de lijnen krijgen dezelfde waarden als die van eenvoudige lijnen (zie terug). Standaardwaarden met betrekking op de voorstelling van de oppervlakte zijn: tekstgrootte; tekstdikte; aantal decimalen; variabelen voor en na de maat. Titeltekst wordt aangemaakt om de oppervlakte van de polygoon op de tekening te vermelden. De tekst wordt gecentreerd en komt in het zwaartepunt van de polygoon te staan. Annotatie Met het gereedschapskistitem "Annotatie" kan u annotaties aanmaken, die bij lijnen, paden, polygonen en punten behoren. Polygoonannotaties zijn: omtrek; oppervlakte; informatie (met de polygoon verbonden gegevens); Voor zowel lijnen als paden zijn dit: de horizontale lengte de schuine lengte; het hoogteverschil; de helling. De kaarthoek (enkel lijnen) Horizontale lengte kan ook gebruikt worden om de horizontale afstand weer te geven tussen 2 punten die niet d.m.v. een lijn met elkaar verbonden zijn. Bij een pad worden alle elementen in één bewerking bemaat. Puntannotaties zijn: de puntnummer; 121

138 de hoogte van het punt; de met het punt verbonden informatie; de coördinaten van het punt. Bij bogen en cirkels kunnen ook resp. de middelpuntshoek en de straal aangegeven worden. De attributen en het formaat van de maattekst zijn voor elk type bemating afzonderlijk in te stellen. Hiervoor gebruikt men het menupunt Creëer Viewport Het is mogelijk om met een Viewport een deel van een tekening te kopiëren met dezelfde of een verschillende schaal. Dit is handig om bv. een detail uit te vergroten in een hoek van de tekening. Om de Viewport aan te maken selecteert u het menu item Creëer Viewport en vervolgens sleept u een kader over het gebied dat in de Viewport moet verschijnen. In het centrum van de Viewport verschijnt een kruis. Door hier te klikken kan u de Viewport naar een andere plaats in de tekening slepen. Bij het klikken op een andere plaats in de Viewport verschijnt er een hand, waarmee u kan pannen in de Viewport zelf en zo een andere inhoud weergeven. De afmetingen van de Viewport kunnen veranderd worden door op de rand te klikken en te slepen of ook door op een hoekpunt te klikken en te slepen. Door met de rechtermuisknop op de Viewport te klikken, kan: in- en uitgezoomd worden, de Viewport naar een ander planblad gekopieerd worden, de Viewport gewist worden enkele kenmerken aangepast worden. Kenmerken zoals : o de schaal, o het uitzicht, o de vorm (rechthoekig of ellips), o zichtbare of onzichtbare rand o de hoek waaronder de Viewport moet getoond worden. Eigen werktuig Een eigen werktuig laat de gebruiker toe om muisoperaties naar macro s (event macro s) te zenden. Deze macro s zullen dan op de juiste operatie reageren. Wanneer Pythagoras in Eigen werktuig -modus staat, zal het programma naar event macro s zoeken en ze vervolgens uitvoeren. Meer details hierover vindt u in het VBA-handboek. 122

139 Hoofdstuk 4: Het Menu Opmaak Het menu Opmaak bevat commando's die de geselecteerde tekeningen wijzigen. Commando's van het Opmaakmenu zijn mogelijk wanneer één of meerdere objecten van het overeenkomstige type geselecteerd worden. Eigenschappen Kopieer Een selectie van objecten is eenvoudig te wijzigen naar het gewenste uiterlijk. Het volstaat een selectie te maken en vervolgens in deze menu op Kopieer te klikken. De Eigenschappen van de geselecteerde objecten (die erop van toepassing zijn) worden dan overgenomen als de actuele actieve instellingen. Plak Deze actuele actieve instellingen worden met dit menu-item geplakt op de geselecteerde objecten Opmerking : dit kopieer & plak commando kan ook opgeroepen worden door op de rechtermuisknop te klikken. Lijst met Eigen Instellingen Eén van die mogelijkheden is het toekennen van Eigen Instellingen op reeds getekende objecten. Het volstaat een selectie te maken en dan in dit menu de gewenste instelling aan te duiden. Alle geselecteerde objecten zullen dan van uiterlijk veranderen volgens de instellingen van de gekozen Eigen Instelling. Data Kopieer Databank gegevens gelinkt aan het geselecteerde object kunnen gekopieerd worden naar andere objecten. Selecteer een object en vervolgens deze functie. De gegevens zijn beschikbaar op het Pythagoras klembord. Plak Deze functie plakt de gekopieerde databank gegevens aan één of meerdere geselecteerde objecten. 123

140 Opmerking : dit kopieer & plak commando kan ook opgeroepen worden door op de rechtermuisknop te klikken. Puntstijl Het commando "Puntstijl" verandert de stijl van de geselecteerde punten in één van de volgende puntstijlen: onzichtbaar: een punt dat wel zichtbaar is op het scherm, maar dat niet afgedrukt of geplot wordt; kruis (+) X-kruis (x) maatstreep (/) rond punt rond punt open rechthoekig punt rechthoekig punt open driehoekspunt hotspot referentiepunt verbinding talud Bibliotheeksymbool Dit commando laat toe een symbool te kiezen uit een bestaande bibliotheek als een nieuwe stijl voor het geselecteerde punt. Documentsymbool Dit commando laat toe een documentsymbool te kiezen als een nieuwe stijl voor het geselecteerde punt. Lijnstijl Het commando "Lijnstijl" verandert de stijl van de geselecteerde lijnen in één van de volgende lijnstijlen: normaal streep punt streep-punt streep-punt-punt 124

141 Bibliotheek Lijnstijl Dit commando laat toe om een lijnstijl te kiezen uit de bestaande bibliotheek. Document Lijnstijl Dit commando laat toe om een lijnstijl te kiezen uit het document. Lijndikte Het commando "Lijndikte" verandert de dikte van de geselecteerde lijnen. In de menu s worden enkele waarden voorgesteld, maar alle tussenwaarden kunnen manueel ingegeven worden. Lijndiktes variëren met 0.01 mm. Gaande van 0.01 mm. t/m 2.55 mm. Lijn pijltjes Om een lijn of boog te tekenen met een pijltje op één of beide eindpunten, zet u "Lijnpijltjes" in de menu "Instellingen" aan. Bij het tekenen van nieuwe lijnen of bogen zullen dan de beide eindpunten een pijltje hebben. U kunt het tekenen van een pijltje op één of beide eindpunten onderdrukken door de SHIFT-toets ingedrukt te houden wanneer u het betreffende eindpunt bevestigt. Om terug normale lijnen te tekenen, zet u "Lijnpijltjes" in de menu "Instellingen" af. Om pijltjes toe te voegen of te wissen: selecteer de lijn(en) en/of boog(en) en één of beide eindpunten van de geselecteerde lijnen. Selecteer vervolgens "Aan" of "Uit" in de menu "Opmaak", "Lijnpijltjes". Bij de keuze "Aan", krijgen alle geselecteerde lijnen/bogen pijltjes aan de geselecteerde eindpunten. Bij de keuze "Uit" worden de pijltjes weggenomen van alle geselecteerde lijnen/bogen pijltjes aan de geselecteerde eindpunten. Opmerking: Indien u de SHIFT-toets indrukt bij de bevestiging van het eindpunt van een lijn of boog, wordt het tekenen van een nieuwe lijn of boog gestart. Zowel het eindpunt van de vorige lijn als het beginpunt van de nieuwe lijn hebben bijgevolg geen pijltjes. Dit kan nuttig zijn voor het tekenen van een bijpeiling. Indien u evenwel één lijn wenst te tekenen waarvan 1 punt geen pijltje moet hebben, begin dan bij het punt waar geen pijltje moet komen en houdt de SHIFT toets ingedrukt. 125

142 Kromming Met dit commando bepaalt u de vorm en grootte van de stralen. De kromming is instelbaar van 0 tot 10. Een kromming van 5 benadert het dichtste cirkelbogen. Teksteigenschappen Met het commando "Teksteigenschappen" komt u in een dialoogvenster terecht waar alle teksteigenschappen verenigd zijn. Font : het gebruikt lettertype (ook de truetype-fonts van het systeem kunnen gebruikt worden) Horizontaal uitlijnen: links, gecentreerd of rechts Verticaal uitlijnen: boven, midden of onder Puntgrootte: van 4 tot en met 1000 punt Stijl: normaal of cursief Dikte: licht, normaal, vet of extra vet Als u met een hoge-resolutieprinter werkt, zullen deze verschillen in dikte duidelijk zichtbaar zijn. In het geval van een plotter is het resultaat afhankelijk van het type pennen dat gebruikt wordt. We raden u aan een afdruk te maken met tekst in verschillende groottes en diktes. Dit overzicht kan u dan gebruiken wanneer u uw selecties maakt tijdens het tekenen. Onderlijnen: geen, enkel, dubbel of streepjes Kader: geen kader, enkel of dubbel Interlinie: klein, normaal of groot Ondoorzichtig: ja of nee Op deze manier worden objecten, die zich onder de tekst bevinden, verborgen. Terwijl bij het gebruik van verschillende niveaus een onderliggend object nog kan doorschijnen, komt u op deze manier tot een volledige bedekking. Oriëntatie: horizontaal, leesrichting; absolute richting Deze teksteigenschappen zijn toepasbaar op zowel gewone tekst als op Richtekst. Tekstinhoud Dit menu-item laat u toe de inhoud van de geselecteerde tekst(en) te wijzigen in een nieuw opgegeven tekst. Deze tekst kan normaal ingetypt worden, of er kan een keuze gemaakt worden uit de lijst met vooraf gedefinieerde teksten (dit laatste indien een bestand met vooraf gedefinieerde teksten geladen werd zie verder menu Instelling ). 126

143 Patroon Met het Patroon-commando verandert u het vulpatroon van een polygoon in één van de volgende patronen: geen patroon horizontaal patroon verticaal patroon diagonaal 45 (naar boven gericht) diagonaal 45 (naar beneden gericht) kruispatroon bies dubbele bies bies (open) dubbele bies (open) 100% (zwart) 75% (donker grijs) 50% (grijs) 25% (licht grijs) 12% (heel licht grijs) Een nieuw gecreëerde polygoon heeft geen vulpatroon. Bibliotheek Patroon Dit commando laat toe om een patroon te kiezen uit de bestaande bibliotheek. Document Patroon Dit commando laat toe om een patroon te kiezen uit het document. Polygoon Dit commando is vooral bedoeld om meerdere polygonen (die op voorhand geselecteerd zijn) gelijktijdig van dezelfde parameters te voorzien zoals eenzelfde patroon, rand, schaalfactor, ondoorzichtigheid en achtergrond. U kan dit commando ook op één polygoon toepassen, maar de werkwijze dubbel klikken op het polygoon laat u toe meerdere eigenschappen te wijzigen. 127

144 Schaal Symbool Met het commando Schaal -"Symbool" kunt u symbolen verschalen. Negatieve waarden kunnen ingegeven worden om symbolen te spiegelen! De waarde die men ingeeft is een absolute waarde, tenzij men de optie Relatief verschalen aanvinkt. Dit zorgt er dan voor dat de symbolen met een bepaald percentage verschalen t.o.v. de huidige grootte en niet t.o.v. van de oorspronkelijke grootte ervan. Tekst Met het commando Schaal -"Tekst" zet u de tekst van de geselecteerde objecten op schaal. Wordt dit commando geselecteerd, dan verschijnt er een informatievenster dat naar de schaalfactor vraagt. De schaalfactor is een percentage van de huidige lettergrootte. Voert u een factor lager dan 100 in, dan wordt de geselecteerde tekst verkleind. Wordt er een factor hoger dan 100 ingevoerd, dan wordt de geselecteerde tekst vergroot. Bijvoorbeeld: factor = 200, dan zal de grootte verdubbeld worden. Opmerking: De op schaal getekende groottes liggen altijd tussen 4 en 1000 punt en bovendien worden de waarden afgerond tot geldige gehele waarden. Het opnieuw op schaal zetten van tekst betekent dus niet noodzakelijk dat dezelfde groottes gereproduceerd worden. Het op schaal zetten van alle tekst van een tekening of van bepaalde delen ervan is nuttig als u een kopie van uw tekening wil maken op een andere schaal. Beeld Met het commando Schaal -"Beeld" kunt u beelden vergroten of verkleinen. Meer informatie hierover vindt u in deel II, hoofdstuk 1: Importeer Beeld. De waarde die men ingeeft is een absolute waarde, tenzij men de optie Relatief verschalen aanvinkt. Dit zorgt er dan voor dat de beelden met een bepaald percentage verschalen t.o.v. de huidige grootte en niet t.o.v. van de oorspronkelijke grootte ervan. Lijn Met het commando Schaal -"Lijn" kunt u lijnen verschalen. Op deze manier kan u de eigen soorten lijnen ook toepassen als de lijnen in kwestie te kort zijn, om het patroon bij een schaal van 100% (dit is de schalingsfactor) weer te geven. De waarde die men ingeeft is een absolute waarde, tenzij men de optie Relatief verschalen aanvinkt. Dit zorgt er dan voor dat de lijnstijl met een bepaald percentage verschaalt t.o.v. de huidige grootte en niet t.o.v. van de oorspronkelijke grootte ervan. 128

145 Patroon Met het commando Schaal -"Patroon" kunt u patronen verschalen. De waarde die men ingeeft is een absolute waarde, tenzij men de optie Relatief verschalen aanvinkt. Dit zorgt er dan voor dat de patronen met een bepaald percentage verschalen t.o.v. de huidige grootte en niet t.o.v. van de oorspronkelijke grootte ervan. Aligneer Patroon Met het commando Aligneer -"Patroon" kunt u een geselecteerd patroon aligneren t.o.v. een actief eigen CS. De vulpatronen van de geselecteerde polygonen worden gericht volgens het actieve eigen coördinatensysteem. De oorsprong van het patroon valt samen met de oorsprong van het coördinatensysteem. Opmerking: de alignering is enkel van toepassing op eigen gemaakte vulpatronen (bibliotheekpatronen). Tekst Met het commando Aligneer -"Tekst" aligneert u de geselecteerde tekst t.o.v. een actief eigen CS. Symbool Met het commando Aligneer -"Symbool" aligneert u een geselecteerd symbool t.o.v. een actief Eigen CS. Nota: deze operatie is enkel mogelijk indien het symbool de eigenschap roteerbaar is toegekend bij de aanmaak ervan Beeld Met het commando Aligneer -"Beeld" aligneert u de geselecteerde beelden t.o.v. een actief eigen CS. 129

146 Laag Met het Laag-commando verplaatst u de geselecteerde objecten naar de aangegeven laag. Niveau Met het Niveau-commando kan u de geselecteerde objecten op een bepaald niveau instellen of het bestaand niveau met een bepaalde waarde naar boven of naar beneden verschuiven, zodat de onderlinge verbanden tussen de niveau s bewaard blijven. Kleur Met het Kleur-commando verandert u de kleur van alle geselecteerde objecten in de aangegeven kleur. Een kleur kan gekozen worden op 3 manieren : door rechtstreeks 1 van de 256 kleuren te kiezen (of het corresponderend nummer) door de RGB (Rood-Groen-Blauw) waarden in te geven door de HSL (Schakering-Verzadiging-Helderheid) warden in te geven. Bewerking Hernummer punten Met de punten die u op dat moment geselecteerd heeft, heeft u drie mogelijkheden: u kunt ze hernummeren vanaf een bepaalde nummer met eventueel bepaalde stappen. Bv. vanaf 100 met stappen van 5. Indien het nieuwe nummer reeds bestaat, wordt er de keuze gegeven om de puntnummers toch niet te hernummeren of ze te hernummeren met reeds bestaande nummers. Indien één of meer polygonen geselecteerd zijn, zullen de punten van elke polygoon hernummerd worden in volgorde van hun voorkomen in de polygoon. u kunt hun puntnummers verwijderen (hier wordt nog eens een bevestiging van de verwijdering gevraagd). u kunt de bestaande (numerieke) puntnummers verhogen met een gegeven waarde. Bv erbij tellen. 130

147 Coördinatenlijst Bij deze keuze wordt er overgeschakeld naar pagina-coördinaten waarbij een coördinatenlijst van de geselecteerde punten in de rechteronderhoek van de pagina wordt toegevoegd. Het uitzicht en de eigenschappen van de coördinatenlijst kunnen bepaald worden in de Voorkeuren. De coördinatenlijst kan bewerkt worden in Pythagoras door gebruik te maken van de rich tekst editor. Bijkomend, is de mogelijkheid om een tabel te gebruiken toegevoegd. Deze kan gekopieerd en geplakt worden in een tekstverwerker. Polygonenlijst Bij deze keuze krijgt men een lijst van de geselecteerde polygonen met hun oppervlakte op de tekening. De commentaar van de polygoon wordt gebruikt om ze te benoemen. De oppervlakte eenheid wordt bepaald door de lengte eenheid die in het menu Instelling bij Voorkeuren is aangeduid (lengte eenheid m -> oppervlakte m 2 ). De polygonenlijst kan bewerkt worden in Pythagoras door gebruik te maken van de rich tekst editor. Bijkomend, is de mogelijkheid om een tabel te gebruiken toegevoegd. Deze kan gekopieerd en geplakt worden in een tekstverwerker. Hoogte aanpassen Hiermee kunt u van de op dat moment geselecteerde punten de hoogte (Z) of het hoogteverschil (dz) aanpassen. Commentaar aanpassen Voor de op dat moment geselecteerde objecten kunt u via de menukeuze "Commentaar aanpassen" de object-informatie wijzigen. De eventueel al bestaande informatie wordt overschreven. Annotatie Deze keuze voegt aan de geselecteerde objecten het gevraagde gegeven als tekstobject toe. 131

148 Hoofdstuk 5: Het Menu Instelling Met het menu Instelling kan u de standaarden wijzigen, die door andere Pythagoras-commando's gebruikt worden. Aangrijpen Deze menu wordt gebruikt om de gedragingen van de cursor in Pythagoras te bepalen. Standaard grijpt Pythagoras naar elk soort object aan. Naargelang de items in de lijst actief of niet actief staan, zal Pythagoras naar de desbetreffende soorten objecten al dan niet aangrijpen. Eigen Instelling Bij het kiezen van "Eigen instelling" heeft u de mogelijkheid om met de standaardinstellingen te werken (= keuze "Geen") of kunt u door een naam te kiezen automatisch bepaalde kenmerken van deze instellingen op een bepaalde manier zetten. Het maken van een "Eigen Instelling" vindt u terug iets verder in de handleiding onder "Standaardinstellingen" - "Eigen instellingen". Opmerking : deze functie kan ook opgeroepen worden door op de rechtermuisknop te klikken. Puntstijl Lijnstijl Lijndikte Lijnpijltjes Met de bovenstaande commando's verandert u de standaardinstellingen van de punt- en lijnattributen. Deze standaarden worden gebruikt bij het creëren van een nieuw punt of een nieuwe lijn met behulp van de Objectcommando's. Tekst Met dit commando verandert u de standaardinstellingen van de tekstattributen. Een uitzondering is evenwel het commando "Maten". De standaardtekstattributen van tekst die met het Maten-commando gecreëerd werd, zijn afhankelijk van de standaarden die met het Voorkeurencommando werden ingesteld. 132

149 Polygoon Met dit commando verandert u de standaardinstellingen van de polygoonkenmerken. Niveau De standaardinstelling van het niveau voor nieuwe objecten kan worden ingesteld via dit commando. De schaalverdeling heeft waarden van 10 tot Kleur Met dit commando wijzigt u de standaardkleur. Alle nieuwe, interactief gecreëerde objecten krijgen de standaardkleur. Een kleur kan gekozen worden op 3 manieren : door rechtstreeks 1 van de 256 kleuren te kiezen (of het corresponderend nummer) door de RGB (Rood-Groen-Blauw) waarden in te geven door de HSL (Schakering-Verzadiging-Helderheid) warden in te geven. Standaard instellingen Eigen instellingen Een eigen instelling bepaalt standaard kenmerken voor objecten (punt, lijnen, tekst,...) die de standaard instellingen overschrijven wanneer een eigen instelling geselecteerd is. Men kan tot 256 namen definiëren. Het toekennen van zo'n naam gebeurt op volgende wijze: na een naam in te geven en op de knop "Nieuw" te klikken, komt u in het maken van een eigen instelling terecht. Daar bepaalt u de laag, het niveau, de puntbevestiging, puntstijl, lijnstijl, tekststijl en patroon. Door niets in een bepaalde instelling in te vullen, zorgt u ervoor dat voor die instelling de standaardinstelling gebruikt wordt. Indien u een bepaalde keuze voor een instelling maakt, wordt in de "Instelling" menu deze keuze uitgeschakeld. U kan heel eenvoudig tussen de eigen instellingen wisselen door in de tekening op de rechtermuisknop te klikken. Alle beschikbare groepen worden getoond. 133

150 Herstel Tijdens het werken met Pythagoras kunt u steeds terugkeren naar de standaardwaarden voor de instellingen door "Herstel" te kiezen. Bewaar Bij het opstarten van Pythagoras worden de volgende instellingen op hun standaardwaarde gezet: puntstijl symbool lijnattributen (stijl, dikte) tekstkenmerken (grootte, stijl, positie) kleur. Indien u andere standaardwaarden wenst, kiest u eerst de gewenste waarde voor de instellingen, en vervolgens kiest u "Bewaar" om deze op te slaan. Documentinstellingen Puntbevestiging Als "Puntbevestiging" "aan" staat, zal Pythagoras u bij het creëren van nieuwe objecten vragen om de gegevens over de posities (coördinaten, afstand, lijnlengte) in het controlepaneel in te voeren. Bij het aanmaken van een landmeetkundige tekening, zal "Puntbevestiging" normaal gezien "aangezet" worden. Als exacte afmetingen niet belangrijk zijn, dan kan u sneller tekenen door dit commando "uit" te zetten. De Puntbevestiging kan ook aan of uit geschakeld worden door op de OK knop in het controlepaneel te klikken : wordt dan en betekent Puntbevestiging uit. Schaalfactor Pagina-Coördinaten Met dit commando wordt de schaal van het pagina-coördinatensysteem veranderd. Is het pagina-coördinatensysteem actief, dan worden alle afmetingen berekend met de actieve schaal. Deze schaal vindt u in het controlepaneel. 134

151 Volgende puntnummer Dit commando wijzigt de waarde die Pythagoras gebruikt bij het toekennen van een nieuwe puntidentiteit. Voor elk nieuw, interactief gecreëerd punt kent Pythagoras een puntidentiteit toe. Dit is standaard een numerieke waarde die incrementeel toeneemt elke keer dat er een nieuw punt aangemaakt wordt, maar ook alfanumerieke waarden kunnen als puntnummer gebruikt worden. Het nieuwe puntnummer is van toepassing voor de actieve tekening. Wanneer een tekening opgeslagen wordt, wordt ook het reeksnummer samen met de tekeninggegevens opgeslagen en het nummer wordt hersteld als u de tekening op een later tijdstip opnieuw opent. Het verhogen van een puntnummer kan zowel alfabetisch, als numeriek. Een combinatie is ook mogelijk: Numeriek: 100, 101, 102, Beginnend met letters: ST1, ST2, Eindigend met letters: SA, SB, Letters, cijfers, letters: REF01PNT, REF02PNT, Cijfers voorafgegaan door 0: 001, 002, Er wordt een overzicht gegeven van de vrije (beschikbare) puntnummers of reeksen van puntnummers in de actieve tekening. Kaarthoek van de tekening Hiermee kan de absolute oriëntatie van de tekening ingegeven worden t.o.v. het geografische noorden. Coördinaten Referentiesysteem instellen Via het menu Instelling of via de knop kiezen voor uw tekening. kan u het coördinatensysteem Door het selecteren van een Coördinaten referentiesysteem uit de lijst, wordt een zekere betekenis gegeven aan de coördinaten in de tekening. Deze kunnen van lokale of globale aard zijn. In de onderste tabel kan een set paspunten gekozen worden om een transformatie tussen twee systemen mogelijk te maken. Dit vereist wel dat een set paspunten werd aangemaakt (zie deel II, hoofdstuk 1: Paspunten). De tabel lijst alle sets op waarin de eerste coördinaat overeenkomt met deze van de tekening. Indien meer dan een set paspunten beschikbaar is, kan de juiste gekozen worden door te dubbelklikken op de Naam kolom. 135

152 Residu s worden op volgende manieren opgevat: - Geen: geen verdere correcties - NN Afstand: Natural Neighbours volgens afstand - NN Oppervlakte: Natural Neighbours volgens oppervlakte Voorkeuren Met dit Voorkeuren-commando verandert u de voorkeuren voor: Eenheden Annotatie Datum & tijd Veldgeheugen CRS Laden van teksten en conversietabellen De voorkeuren bestaan uit 7 tabbladen met verschillende parameters, welke hieronder worden beschreven. Eenheden Volgende eenheden kunnen gedefinieerd worden: Lengte-eenheid: km, m, c, mm, feet, US feet en miles. Oppervlakte: metrisch, m², ha a ca. Hoek: gon, graden, radialen, decimale graden, MIL & Surveyor. Positieve hoekaanduiding: wijzerzin of tegen wijzerzin. Noord Oost of XY coördinaten. Decimaal teken:. Of,. Aantal decimalen om coördinaten en dimensies voor te stellen. Prefix UTM zone. Opmerking: In het controlepaneel worden WGS84 coördinaten altijd weergegeven in DEC (decimale graden) of DMS (graden, minuten, seconden). Nooit worden ze getoond in GON, RAD of MIL. Dus als één van deze drie mogelijkheden gekozen wordt in de voorkeuren, zullen de voorkeuren getoond worden in DEC. Als Surveyor wordt gekozen, zullen ze getoond worden in DMS. Annotaties De gebruiker kan kiezen welke annotaties getoond worden en wat de lay-out is. Dit kan voor de volgende onderdelen: Coördinaten Lijnen Oppervlaktes 136

153 Hoogtes Puntnummers Commentaren XY dimensies Datum en tijd Dit tabblad bepaald het uitzicht van de datum en tijd ICU formaten: Kort en lang datum formaat Tijdsformaat Veldlengte Jaarnotatie met twee cijfers Meer over de ICU datum en tijd standaard is te vinden via onderstaande link: Pythagoras ondersteunt onderstaande formaten: y, M (uitgezonderd MMMMM), d, E (uitgezonderd EEEEE) a, h, H, m, s, S Tekst met of zonder aanhalingstekens Speciale aandacht moet gaan naar Vaste veldlengte. Wanneer deze optie is aangevinkt, zal elk item exact de hoeveelheid karkaters bevatten als het aantal in het gekozen formaat. Bijvoorbeeld, als we het formaat yyyymmdd kiezen. De datum zal dan als weergegeven worden. Pythagoras kan niet weten of het hier over 14 feb 2010 gaat of over 2 okt 20 met twee paar cijfers. Als Vaste veldlengte is aangevinkt, kan deze datum enkel geïnterpreteerd worden als 14 feb De volgende datum echter, , zou verkeerd zijn, omdat deze te weinig cijfers bevat. Vaste veldlengte is geen onderdeel van de ICU standaard, omdat ICU enkel regels voorschrijft om datum en tijd strings te coderen en niet om deze te ontcijferen. Veldgeheugen Volgende instrumenten worden ondersteund: Coördinatenlijst Topcon FCTE1, FC-6/GTS-700, GTS-6/GTS-700 (FCTE1), GTS-6/FC-5 Alle Leica modellen (GSI16 inbegrepen), gedeeltelijke import is mogelijk, omdat een van/tot puntnummer optie is toegevoegd. Sokkia SDR22/24/26, SDR33, Powerset, en SET 2C/3C/4C. De volgorde van de coördinaten in de uitzetlijst (N-O of XY) voor de SDR20 serie en de SDR33 serie, hangt af van de standaard instelling in Pythagoras op hetmoment van export Zeiss Rec500 / Rec Elta, Elta 40R/50R en M5 Nikon DTM 300/400 and 700/800 serie Geodimeter Pentax R100/R300, Pentax PCS, Pentax ATSTOPO en Pentax Powertopo Trimble TDS 48 3Ta5 137

154 Verder kunnen ook de meetmethode en de coderingsopties ingesteld worden. Station nauwkeurigheid Dit onderdeel laat de gebruiker toe om de nauwkeurigheid van het totaalstation in te stellen. Deze waarden zullen gebruikt worden bij de vereffening, om te controleren of de fouten binnen de toegelaten limieten vallen. De nauwkeurigheid van zowel hoek als afstand kunnen ingegeven worden en terug te vinden in de technische fiches van het gebruikte toestel. (Hoekmeting: 20 cc = GON Codebeschrijving Een aparte handleiding beschrijft het code beschrijvingsbestand. Dit bestand definieert de codes, welke gebruikt worden in bestand afkomstig van het veldgeheugen. Ze stellen een object (lijn, punt, symbool, ) voor, met zijn bepaalde eigenschappen. CRS Dit tabblad laat de gebruiker kiezen welke coördinatensystemen deze wil zien in de tekening. Laad Vanuit dit tabblad kunnen standaard teksten, commentaren, conversietabellen en profielteksten geladen worden. Standaard teksten/commentaren In een tekstbestand (ASCII-formaat) kunnen veel gebruikte teksten vooraf getypt worden. Dit menu-item laadt de teksten in. De inhoud van dit bestand wordt dan beschikbaar gesteld in de tekstfuncties van Pythagoras. U hoeft de gewenste tekst enkel maar te selecteren (dmv dubbel klik) om hem in te voegen. Dit bespaart u veel typwerk in het geval er bepaalde teksten regelmatig terugkomen. Conversietabel Printer: kleur naar breedte Een teksttabel kan gebruikt worden om bij het afdrukken aan te geven dat kleuren moeten omgezet worden naar een dikte en eventueel naar een andere kleur. Structuur van de tabel: <naam kleur>-><naam kleur>,<dikte> of C<kleurnr>-><naam kleur>,<dikte> of C<kleurnr>-> C<kleurnr>,<dikte> of <naam kleur>-> C<kleurnr>,<dikte> bv. MAGENTA->BLACK,W5 138

155 YELLOW->RED,W7 C2->MAGENTA,W3 C14->BLACK,W14 C36->C14,W10 RED->C25,W20 Printer: breedte naar kleur Een teksttabel kan gebruikt worden om bij het afdrukken aan te geven dat de dikte moet omgezet worden naar een kleur. (Hiermee worden problemen met sommige penplotter drivers voor de Windows versie omzeild.) Structuur van de tabel: <dikte>-><naam kleur>,<dikte> of <dikte>->c<kleurnummer>,<dikte> bv. W1->BLACK,W2 W2->RED,W2 W3->BLUE,W2 W4->C5,W5 W5->C13,W3 DXF/DWG Export: breedte naar kleur Het DXF/DWG formaat kent geen dikte voor de lijnen. Deze tabel kan gebruikt worden om aan te geven dat lijndiktes moeten worden omgezet naar een bepaalde kleur. Structuur van de tabel (zie Printer: breedte naar kleur) DXF symbolen en lagen De bedoeling van het werken met een conversietabel is om LTYPES om te zetten in Pythagoras-lijnstijlen, BLOCKS te converteren naar Pythagorassymbolen en LAGEN een gewenste (andere) naam te geven, EN vice-versa. Het is wel noodzakelijk dat bij het exporteren van een DXF met conversie de conventies die in de tabel staan moeten bestaan in een prototypedocument van de andere gebruiker. Export met conversie maakt immers geen header aan! Dit impliceert dat het dus mogelijk is om DXF-bestanden die geen header bevatten in te lezen in Pythagoras door gebruik te maken van een conversietabel. Bestaat er toch een header en is er conversie vereist, dan zal deze header overgeslagen worden vermits alle conversiegegevens in deze tabel terug te vinden zijn. Door de conversietabel kan men dus typische Pythagoras-lijnstijlen converteren naar LTYPES i.p.v. een repetitie van blockjes die zo a.h.w. een lijn vormen. Dit geldt eveneens voor bogen. Tot slot is het mogelijk om via deze conversietabel namen van lagen, symbolen, te hernoemen. Voor de import en de export wordt er gebruik gemaakt van één conversiebestand. Dit conversiebestand bevat volgende items: ; Angle Units only applicable for IMPORT! AUNITS=0 ; 0: Decimal degrees, 2 ; GRADS (GON), 3 = Radials ANGDIR=1 CODEPAGE= 0 ; 1: clockwise,0: counter clockwise ; = AutoCAD DWGCODEPAGE; ; default = 0, dos850: dos code page DEFAULT_LTYPE = Solid ; Don't forget to indicate the standard 139

156 ; LTYPE in the LTYPES table. ; This style will be used for all ; linestyles that are not existing in the ; LTYPE table when exporting to a DXF/DWG ; file. LTYPES( 1=My Linestyles,Fence (Group,Name) 17=My Linestyles,Hedge 18=My Linestyles,Wall 40=My Linestyles,Green Solid = 0,0 ) ; DXF LTYPE name = Pythagoras Linestyle ; 0, x: x means standard linestyle in ; Pythagoras (solid, dot, dash,...) DEFAULT_BLOCK = Symbdefault ; Don't forget to indicate the standard ; BLOCK in the BLOCKS table. ; This style will be used for all symbols ; that are not existing in ; the BLOCKS ; table when exporting to a DXF/DWG file. BLOCKS( Symbdefault = 0,1 RoundDot=0,2 RoundDotHollow=0,5 RectDot=0,6 2=0,3 3=My Symbols,Tree 4=0,8 19=My Symbols,Pole 221=0,4 ) ; 0, x: x means standard symbol in ; Pythagoras (round dot, triangle, ; X point,...) LAYERS( 1=W-HR,5,0,Solid ; DXF/DWG LayerName = Pythagoras ; LayerName,Default Color, ; Group Linestyle, Name Linestyle 2=W-AL,5,0,Dash 3=W-HR,5,0,Dot 4=W-AL,5,0,Solid 5=HD-HR,1,My Linestyles,Wall ) Belangrijke opmerking: Indien u uw werk bewaart of afdrukt door gebruikt te maken van deze conversies, raden wij u aan de opties te controleren in het Print dialoogvenster of deze op de juiste conversie zijn ingesteld. Profielteksten Dit commando laadt een bestand dat teksten bevat dat gebruikt wordt voor beschrijvingen in automatisch gegeneerde lengteprofielen en dwarsprofielen. Een voorbeeld kan teruggevonden worden in de Voorbeelden map die wordt aangemaakt tijdens de installatie van Pythagoras. Andere Dit tabblad verzamelt enkele visuele instellingen van Pythagoras. Zo kan de achtergrond naar de zwarte kleur veranderd worden, kan er getest worden op dubbele puntnummers en kan gespecificeerd worden welke attributen moeten overgenomen worden wanneer een object gekopieerd en geplakt 140

157 wordt. Voordien werden enkel de layer en het commentaar gekopieerd. Nu worden ook niveau en puntnummer gekopieerd. Verder kan nog het uitzicht van de cursor aangepast worden en kunnen beelden op hoge kwaliteit weergegeven worden. Dit kan wel de werkingsnelheid beïnvloeden. 141

158 Hoofdstuk 6: Het Menu Venster In dit menu vindt u de selectiemogelijkheden die bepalen hoe uw tekening op het grafische scherm van uw computer afgebeeld wordt. Met het gereedschapskistitem "Handje" kunt u ten alle tijde het zichtbaar gedeelte van uw tekening veranderen (scroll-mode) door volgende stappen de ondernemen. U drukt de muisknop ergens op de tekening in, u verplaatst de muis in de richting waarvan u verder de tekening wilt zien (u ziet uw tekening mee verschuiven), en u laat de muisknop los. Het zichtbare gedeelte van de tekening wordt aangepast aan uw commando. Men beëindigt de scroll-mode door één van de volgende toetsen te gebruiken: ESC, Spatie of Enter-toetsen. Opmerking: U komt ook in scroll-mode terecht met de sneltoets "+", of door de middelste toets van uw muis (scrollwieltje) ingedrukt te houden en te verslepen. Een andere methode om het zichtbare gedeelte van de tekening aan te passen is het gebruik van de pijltjes-toetsen van het toetsenbord. Het beeld scrollt in de richting van de pijl. Zoom In Met het "Zoom in"-commando kan u een deel van uw tekening op het scherm uitvergroten. Wanneer u dit commando selecteert, neemt de cursor de vorm van een loep aan. Verplaats de muis naar een gewenste beginpositie (links boven, rechts boven, links onder of rechts onder het gebied dat u wenst uit te vergoten), druk de muisknop in en verplaats de muis. Een rechthoek op het scherm volgt de bewegingen van de muis. Wanneer de rechthoek het uit te vergroten deel van de tekening omsluit, laat dan de muisknop los. Opmerking: Als u met de muis klikt op de plaats waar u wenst in te zoomen, zoomt u in met een factor 2. Pythagoras ondersteunt verscheidene zoomniveaus. Elke keer dat u inzoomt, zal Pythagoras het vorige beeld en zijn zoomfactor onthouden. Deze informatie wordt dan weer gebruikt wanneer u uitzoomt. De grootst mogelijke zoomfactor is Deze factor heeft steeds betrekking op de feitelijke grootte van de tekening. Als u via het venster - menu de werkelijke grootte instelt, kunt u linksboven de echte schaal van de tekening aflezen. De maximale vergroting kan worden verkregen door vermenigvuldiging van deze schaal met Opmerking: De sneltoets is de ">"-toets. Zoom Uit Met het "Zoom uit"-commando kan u uw tekening op het scherm verkleinen. 142

159 Dit "Zoom uit"-commando toont de oppervlakte van uw tekening met de zoomfactor van het vorige zoomniveau. Opmerking: De sneltoets is de "<"-toets. Werkelijke Grootte Dit commando toont op het scherm uw tekening op de grootte waarop ze afgedrukt wordt. Opmerking: De sneltoets is de "="-toets. Vul Venster Dit commando geeft de volledige tekening op het scherm weer. De delen van de tekening die buiten de randen van het blad vallen, worden niet getoond. Opmerking: De sneltoets is de "-"-toets. Weergave-opties Met dit commando "Weergave-opties..." controleert u hoe uw tekening op het scherm weergegeven wordt. Een dialoogvenster met daarin 4 tabbladen zal verschijnen bij het oproepen van dit commando. Opmerking: de sneltoets is CTRL+I De verschillende instellingen gemaakt in de 5 tabbladen kunnen bewaard worden in een Uitzicht. Om een nieuw Uitzicht te definiëren klikt u eerst op de knop Nieuw Uitzicht en daarna bepaalt u de instellingen in de 4 tabbladen 1. Het eerste tabblad Lagen controleert de lagen die zichtbaar mogen zijn. Eveneens kan hier de actieve laag aangeduid worden. De inhoud van zichtbare lagen zal weergegeven worden op het scherm, de andere blijven verborgen. Objecten in verborgen lagen kunnen niet geselecteerd worden en er kan geen enkele bewerking op uitgevoerd worden. 2. In het tweede tabblad Toon kunnen objecten en attributen aangevinkt worden die zichtbaar mogen zijn : alle polygoonpatronen; alle tekst van de tekening; puntnummers; punthoogtes; 143

160 commentaren van punten; speciale lijnstijlen beelden Selecteert u "Toon Teksten", dan zullen alle teksten in de zichtbare lagen op het scherm getoond worden. Is "Toon Teksten" niet geselecteerd, dan worden alle tekstobjecten verborgen. U kan tekst alleen selecteren en slepen als "Toon Teksten" geselecteerd is. Opmerking: Wanneer u een nieuw tekstobject creëert, zal Pythagoras automatisch "Toon Teksten" selecteren en wordt de verborgen tekst afgebeeld. Wordt "Toon Patronen" geselecteerd, dan worden de patronen van alle polygonen in de zichtbare lagen afgebeeld. Is "Toon Patronen" niet geselecteerd, dan worden alle polygoonpatronen verborgen. Maar de polygonen in de zichtbare lagen kunnen nog altijd geselecteerd worden en alle bewerkingen op polygonen kunnen nog uitgevoerd worden. Opmerking: Wanneer u het vulpatroon van een polygoon verandert, zal Pythagoras automatisch "Toon Patronen" selecteren en worden alle verborgen polygoonpatronen afgebeeld. Wordt "Toon Puntnummers" geselecteerd, dan worden de identiteiten van alle punten in de zichtbare lagen afgebeeld. De met deze optie getoonde puntnummers zijn geen tekstobjecten. De status van "Toon Tekst" beïnvloedt de zichtbaarheid van de puntnummers niet. Opmerking: Met het notatiecommando "Puntnummers" worden tekstobjecten aangemaakt, die de puntnummer van de aangegeven punten bevatten. De zichtbaarheid van deze puntidentiteiten wordt niet beïnvloed door de status van "Toon Puntidentiteiten". Hetzelfde is waar voor Toon hoogtes en Toon commentaar. 3. In het tabblad DTM kunnen zichtbaarheidparameters i.v.m. Digitale Terrein Modellen vastgelegd worden. Het actieve DTM kan geselecteerd worden, het verschil tussen 2 DTM s kan berekend worden, de kleur van de triangulatie kan bepaald worden en ingekleurde kaarten kunnen aangemaakt worden. Dit laatste op basis van hoogtes of hellingen. 4. Het vierde tabblad Thematische kaarten laat toe om bepaalde thematische kaarten te activeren. 5. Het laatste tabblad Subdocumenten geeft de mogelijkheid om een bepaalde subdocument configuratie toe te passen. Legende Bij elke thematiek in een tekening kan een legende geplaatst worden. De afmeting van de legende kan veranderd worden door op de randen/hoeken te klikken en te slepen. De plaats in de tekening kan veranderd worden door in het midden van de legende te klikken en deze te verslepen. De kenmerken zoals titel, omschrijving, hoofding en kader kunnen gewijzigd worden nadat u met de rechtermuisknop op de legende geklikt hebt. 144

161 Bent u tevreden met het eindresultaat dan kan u de legende bevriezen (klik met rechtermuisknop). De legende wordt dan opgesplitst in verschillende individuele tekst-, lijn-, vlakobjecten. Object Informatie Via Object Informatie is het mogelijk om enerzijds gegevens (attributen) over een object op te vragen en anderzijds het object te koppelen met een extern bestand. Dit houdt in dat via objecten in Pythagoras externe bestanden geraadpleegd kunnen worden. Zo is het mogelijk om bvb. aan een polygoon van een perceel een tekstdocument met kadastrale gegevens te koppelen, aan nutsleidingen bestanden met gegevens over die specifieke leiding, enz Kenmerken Het Kenmerken-commando doet een informatievenster verschijnen, dat informatie over het geselecteerde object bevat. De informatie over het object kan gewijzigd worden. Opmerking: Kenmerken kan niet gekozen worden als er geen ofwel meerdere objecten geselecteerd werden. Beeld Voor een beeldobject bevat dit: Schaal beeld Commentaar Laag Kleur Intensiteit Inverteren Horizontaal Ondoorzichtig Schaalfactor. Bewaar veranderingen Schaal beeld: 1. geen schaal is ingegeven: Indien geen schaal ingegeven wordt, behoudt het beeld zijn oorspronkelijk formaat (papier). Indien de schaal van de tekening (afdrukschaal) wordt gewijzigd, zal dit geen invloed hebben op de grootte van het beeld. Dit blijft immers ongewijzigd Vb.: foto s Liggingsplannen 3. De schaal van het origineel is ingegeven: Het beeld wordt weergegeven in reële afmetingen. Dit betekent dat een afstand aangegeven door Pythagoras overeenstemt met de werkelijke afstand. Wordt in dit geval de afdrukschaal gewijzigd, dan blijft de verhouding rasterinformatievectorinformatie ongewijzigd. M.a.w. zullen zowel het beeld als de vectoriële gegevens verschaald worden. Vb.: Gegeorefereerde kaarten - Digitaliseren van kaarten 145

162 Kleur: Enkel de voorgrondkleur (normaal zwart) van monochrome beelden kan veranderd worden. Intensiteit : 100 = normale intensiteit zwart blijft volledig zwart 50 = halve intensiteit : zwart wordt grijs 0 = geen intensiteit : alles wit Verlaging van intensiteit van het beeld laat toe om het contrast tussen het beeld en de gedigitaliseerde tekening (de punten, lijnen en arceringen die zich boven op het beeld bevinden) te vergroten. Horizontaal Vermits beelden geroteerd kunnen worden, kunnen ze ook net als teksten het attribuut Horizontaal meekrijgen. Dit houdt in dat het beeld steeds horizontaal t.o.v. het blad wordt weergegeven. Ondoorzichtig: Deze optie bepaalt of het beeld transparant is of niet. Schaalfactor: Een niet geschaald beeld zal even groot afgebeeld en afgedrukt worden door Pythagoras als zijn origineel. Een beeld kan verschaald worden om enerzijds zijn grootte te veranderen, anderzijds om de schaalverschillen in X en Y richting, als gevolg van het rekken of krimpen van het origineel, weg te werken. Bewaar veranderingen: Het bewerkte beeld kan bewaard worden onder een andere naam. Dit impliceert dat het origineel niet overschreven kan worden. De reden hiervoor is dat dit beeld mogelijkerwijze door andere tekeningen wordt gebruikt Opmerking: deze functie is ook bereikbaar via een klik op de rechtermuisknop hetzelfde dialoogvenster wordt bereikt door te dubbelklikken op het object Data Het Data commando activeert het dialoogvenster waarin de data uit de databank van het geselecteerde object zichtbaar/editeerbaar zijn. Note: deze functie is niet actief wanneer geen of meerdere objecten geselecteerd zijn. hetzelfde dialoogvenster wordt bereikt door te dubbelklikken op het object 146

163 Info Het Bewerk object venster heeft nog een derde tabblad Info, welk extra informatie geeft over alle objecttypes. Bijvoorbeeld voor een polygoon zullen oppervlakte, omtrek en lijst van alle punten en lijnen die de polygoon vormen, weergegeven worden. Open extern bestand Dit commando opent het extern bestand dat met het geselecteerde object gekoppeld is. Hierbij kan het gaan om eender welk soort bestand, zoals een MS Word- of MS Excel-document, een andere tekening, Opmerking : deze functie is ook bereikbaar via een klik op de rechtermuisknop Maak koppeling extern bestand Met dit commando koppelt u het geselecteerde object met een bestand dat ergens op uw harde schijf staat. Het kan hier gaan om eender welk soort bestand, zoals een MS Word- of MS Excel-document, een andere tekening, Indien een object gekoppeld wordt met een extern bestand, dan kan men dit bestand rechtstreeks vanuit Pythagoras openen Folder externe bestanden Hier specificeert u een folder waar verschillende gekoppelde bestanden onder gebracht kunnen worden. Zodoende is het niet meer nodig om telkens een volledige padnaam in te vullen bij het Maak Koppeling -commando. Dit is vooral handig indien bestanden overgebracht worden op een ander systeem. Alle bestanden kunnen dan bewaard worden in één folder zodat er maar één folder moet aangeduid worden per tekening. Extern bestand mode Deze optie maakt het mogelijk om rechtstreeks via het dubbelklikken van een object het gekoppelde bestand te openen. Indien geen bestand met een object gekoppeld is, zal het dubbelklikken het Attributenvenster tevoorschijn halen. Wegontwerp Zie deel III: Wegontwerp 147

164 Google Earth Een tekening kan rechtstreeks in Google Earth getoond worden, zonderdeze eerst te exporteren als een KML bestand. Kies Venster, Google Earth, vervolgens zal een bestand aangemaakt worden in de Pythagoras map en Google Earth zal geopend worden. Deze optie is enkel mogelijk als een conversie naar WGS84 coördinaten mogelijk is en exporteerbare objecten geselecteerd werden. Alle eigenschappen zijn dezelfde als wanneer via het menu Exporteer zou gewerkt worden (Deel II, Hoofdstuk 1, Exporteer: Google Earth). Werkbalken Actieve DTM Dit verbergt of toont de Actieve DTM -werkbalk. Hier kan een ander aangemaakt DTM geactiveerd worden. Configuratie Deze optie verbergt of toont de Configuratie -werkbalk, welke u toelaat een andere subdocument configuratie te activeren. Eigen Instellingen Dit verbergt of toont de Eigen Instellingen -werkbalk. Hier kunnen (eventueel) aangemaakte Eigen Instellingen geactiveerd worden. Tekenfuncties Dit verbergt of toont de Standaard tekenfuncties-werkbalk. Lagen Dit verbergt of toont de Laag -werkbalk. Deze werkbalk wordt gebruikt om de actieve laag in te stellen. Macrobibliotheek Deze optie verbergt of toont de Macrobibliotheek -werkbalk, welke u toelaat een bepaalde macro te activeren. 148

165 Planblad Deze optie verbergt of toont de Planblad -werkbalk, welke u toelaat een bepaald planblad te activeren.µ Aangrijpinfo Deze optie verbergt of toont de Aangrijpinfo -werkbalk, welke u toelaat de manier van aangrijpen naar objecten te veranderen. Standaard Dit verbergt of toont de standaard -werkbalk. Deze werkbalk bevat o.a. de iconen om een nieuw document aan te maken, een document te openen, een herstelfunctie, Subdocument Dit verbergt of toont de Subdocument -werkbalk. Deze werkbalk wordt gebruikt om een ander subdocument te activeren. Uitzicht Dit verbergt of toont de Uitzicht -werkbalk. Deze werkbalk wordt gebruikt om een ander Uitzicht te activeren. Werkbalken aanpassen Deze optie toont een venster waar de gebruiker de bestaande werkbalken kan beheren en eigen werkbalken kan aanmaken. Het eerste tabblad Werkbalken toont een lijst met alle beschikbare werkbalken. Hier kan de zichtbaarheid aan of uit geschakeld worden, kunnen werkbalken op een comfortabele plaats gepositioneerd worden, kan de volgorde veranderd worden en kunnen nieuwe werkbalken aangemaakt worden. Wanneer Reset werkbalken ingedrukt wordt zullen aangemaakte werkbalken verwijderd worden. Het tweede tabblad Knoppen laat toe om de inhoud van de aangemaakte werkbalken aan te passen. Opties uit de linker lijst kunnen worden toegevoegd en terug verwijderd worden, en de volgorde kan gewijzigd worden. 149

166 Tekeningen in het Venstermenu Het Venster-menu bevat onderaan een lijst van alle geopende tekeningen. Een tekening in dit menu selecteren betekent dat die tekening de actieve tekening wordt. Het venster van deze tekening wordt dan het bovenste venster. 150

167 Hoofdstuk 7: Het Menu Bereken Snijpunten Met dit Snijpunten-commando worden de snijpunten van alle geselecteerde lijnen berekend en worden de resulterende punten aan de tekening toegevoegd. De puntstijl van deze snijpunten is het "x-punt". Voor lijnen die elkander kruisen i.p.v. snijden, krijgt het punt de gemiddelde hoogte. Middelpunt Dit commando creëert het middelpunt van de geselecteerde bogen en cirkels. Rooster Dit commando laat toe een rooster (grid) te genereren van punten of lijnen (al dan niet in een DTM) die op vooraf ingestelde evenwijdige afstanden van elkaar liggen. Het is eveneens mogelijk om bij elk gecreëerd punt een tekst te laten zetten. De standaardteksten zijn de coördinaten t.o.v. het actieve assenstelsel en de opmaak van deze tekst kan ook ingesteld worden. De keuze van laag, kleur en niveau is ook in dit item voorzien. Best passende Dit commando creëert de best passende lijn, boog of cirkel. De berekening gebeurt volgens de methode van de kleinste kwadraten. Veelhoeksmeting Met dit commando worden de nauwkeurigheid, de sluitfouten en de coördinaten van een veelhoek berekend. De gesloten-veelhoeksmeting en de 5 volgende gevallen van openveelhoeksmeting zijn voorzien. Het Veelhoek-informatievenster verwijst naar de punten 0, 1, n en n+1. Punt 1 is het beginpunt van de veelhoek en punt n is het eindpunt ervan. De punten 0 en n+1 (de referentiepunten) definiëren de oriëntatie van respectievelijk het begin- en het eindpunt. U kan op Pythagoras rekenen in de volgende gevallen: de punten 0 en 1 zijn bekende; de punten 1 en n zijn bekende; 151

168 de punten 0, 1 en n zijn bekende; de punten 0, 1, n en n+1 zijn bekende; de punten 0, 1 en n+1 zijn bekende. Het Veelhoek-informatievenster wordt aangepast aan het geval dat u selecteert. Voordat u de gegevens van de veelhoek begint in te geven, moet u eerst de coördinaten van het begin- en eindpunt en van de oriëntatiepunten invoeren. Als deze punten bestaande punten in de actieve tekening zijn, mag u de puntnummers ingeven. Pythagoras zal de coördinaten geven. Als alle punten ingevoerd zijn, dan mag u verdergaan met het invoeren van de gegevens van de veelhoek. Met behulp van de "<"- en ">"-knoppen kan u de door u ingevoerde gegevens en de invoergegevens kunnen natuurlijk altijd gewijzigd worden. Zodra alle gegevens ingevoerd zijn, worden de coördinaten van de veelhoekspunten berekend. Pythagoras berekent de juistheid en de sluitfouten (indien dit van toepassing is voor het gegeven type van veelhoeksmeting) en het resultaat verschijnt in het informatievenster. Met de "Sluit"-aankruisvakken kan u controleren of de coördinaten van de veelhoek niet vereffend, gedeeltelijk vereffend of volledig vereffend zijn. Met de "Creëer Punten"-knop maakt u alle punten van de veelhoek op de tekening aan. Voorwaartse Insnijding Met het commando "Voorwaartse Insnijding" kan u de volgende gevallen van voorwaartse insnijding laten berekenen: Hoek - Hoek: berekent het snijpunt van twee lijnen met behulp van een punt op elke lijn en de bij elke lijn horende hoek. Afstand - Afstand: berekent het snijpunt van twee lijnen met behulp van een punt op elke lijn en de afstand van het punt tot het snijpunt. Hoek - Afstand: berekent het snijpunt van twee lijnen met behulp van een punt op elke lijn, de afstand van het punt tot het snijpunt met één lijn en de hoek van de andere lijn. Wanneer de coördinaten van de punten met de namen P1 en P2 in het informatievenster van de Voorwaartse Insnijding ingevoerd zijn, kan u het type veelhoek selecteren en vult u hoek(en) en/of afstand(en) in. Als u de "Bereken"-knop indrukt, wordt (worden) het snijpunt (of de snijpunten) berekend. Wanneer er twee oplossingen gevonden worden, kan u één van de oplossingen selecteren. Het snijpunt kan op de tekening aangemaakt worden met behulp van de "Creëer Punt"-knop. Achterwaartse Insnijding Dit commando berekent de positie van een onbekend punt met behulp van drie gekende punten en hoeken. Wanneer de coördinaten van de punten met de namen P1, P2 en P3 in het informatievenster van de Achterwaartse Insnijding ingevoerd zijn, kan u de 152

169 hoeken P1-P2 en P1-P3 invoeren. Het resulterende punt kan op de tekening aangemaakt worden met behulp van de "Creëer Punt"-knop. Transformatie Transformatie over 2 punten Met de Transformatiefunctie van Pythagoras kan u de transformatie definiëren, tussen het lokaal coördinatensysteem dat het standaardcoördinatensysteem is en een tweede coördinatensysteem dat globaal coördinatensysteem genoemd wordt. (Zie deel I, hoofdstuk 1: Coördinatensystemen.) Met de knop Coördinaten opzoeken worden punten met dezelfde puntnummers in een andere tekening opgezocht. De coördinaten van de gevonden punten in de andere tekening worden automatisch in het dialoogvenster ingevuld. U kunt eventueel gebruik maken van de knop "Schaal tekening" om gans de tekening te verschalen zodanig dat de lokale en globale coördinaten van de 2 punten die de transformatie bepalen exact overeenkomen. Een globaal coördinatensysteem wordt gebruikt als u tussen twee tekeningen met een verschillend lokaal coördinatensysteem wil kopiëren en plakken. Transformatieparameters definiëren Bij een translatie zonder rotatie (P1=P2): P1 en P2 moeten dezelfde coördinaten hebben. U geeft dan eerst de coördinaten op van het lokale systeem om vervolgens de coördinaten van het globale systeem in te voeren. Dit heeft een evenwijdige verplaatsing van het assenstelsel tot gevolg. Bij een translatie met rotatie (P1 P2): In dit geval moet u de coördinaten van twee punten invoeren waarvan de coördinaten zowel in het lokale als het globale coördinatensysteem gekend zijn. Het nieuwe berekende coördinatensysteem wordt actief als de Ok-knop wordt gedrukt. Helmert transformatie Deze rekenfunctie geeft de mogelijkheid om een transformatie te berekenen uitgaande van meerdere punten waarvan de coördinaten gekend zijn in de huidige tekening en in een ander assenstelsel. Bijvoorbeeld lokaal gemeten coördinaten die gekend zijn in Lambert-coördinaten. Indien minstens 3 punten gekend zijn, zal de functie Helmert transformatie de best mogelijke transformatieparameters berekenen. 153

170 Selecteer de gekende punten in de tekening en roep het menu op. U krijgt die punten met de coördinaten in de tekening. Vul de coördinaten in het nieuwe assenstelsel in en bereken de transformatie. De transformatie wordt berekend met de methode van de kleinste kwadraten. Met de knop coördinaten opzoeken worden punten met dezelfde puntnummers in een andere tekening opgezocht. De coördinaten van de gevonden punten in de andere tekening worden automatisch in het dialoogvenster ingevuld. Men kan kiezen voor een transformatie met of zonder verschaling, of opteren voor een vaste gekende schaalfactor. De transformatiefactoren : dx, dy, rotatiehoek Fi en schaalfactor worden samen met de berekende standaard deviatie getoond. Indien de tolerantie op de meetgegevens gekend is, worden de punten die niet binnen die tolerantiegrenzen vallen aangekruist. Punten kunt u uit de berekening verwijderen door vooraan het aankruisvak leeg te maken en opnieuw de transformatie te berekenen. De residu s kunnen uitgevlakt worden. Er zijn twee opties: Natural Neighbours volgens oppervlakte of volgens het kwadraat van de inverse afstand. Zie deel I, hoofdstuk 1: Paspunten voor meer informatie. Na het voltooien van de berekening, kan het resultaat bewaard worden in een rich tekst tabel. Affine transformatie Deze rekenfunctie geeft de mogelijkheid om een transformatie te berekenen uitgaande van meerdere punten waarvan de coördinaten gekend zijn in de huidige tekening en in een ander assenstelsel. Selecteer de gekende punten in de tekening en roep het menu op. U krijgt die punten met de coördinaten in de tekening. Vul de coördinaten in het nieuwe assenstelsel in en bereken de transformatie. De transformatie wordt berekend met de methode van de kleinste kwadraten. Met de knop coördinaten opzoeken worden punten met dezelfde puntnummers in een andere tekening opgezocht. De coördinaten van de gevonden punten in de andere tekening worden automatisch in het dialoogvenster ingevuld. Deze transformatie zal de parameters berekenen en deze tonen in het dialoogvenster: X-schaal, Y-schaal, dx, dy, rotatiehoeken Fi X en Fi Y en de standaardafwijking. Als een maximale tolerantie wordt opgegeven, zal Pythagoras de punten tonen die buiten deze tolerantie vallen. Punten die geen onderdeel mogen uitmaken van de berekening kunnen uit de selectie gehaald worden. De residu s kunnen uitgevlakt worden. Er zijn twee opties: Natural Neighbours volgens oppervlakte of volgens het kwadraat van de inverse afstand. Zie deel I, hoofdstuk 1: Paspunten voor meer informatie. Na het voltooien van de berekening, kan het resultaat bewaard worden in een rich tekst tabel. 154

171 Hoogte aanpassen Met de commando past u alle objecten van de tekening aan met het hoogteverschil. Het hoogteverschil kan gedefinieerd worden door een puntnummer in te geven. Pythagoras zal de hoogte van het gekozen punt tonen. U moet een nieuwe hoogte ingeven. Is de nieuwe hoogte 5m en was de originele hoogte 4m, dan zullen alle objecten in de tekening met 1m verhogen. Transformeer naar een Coördinaten Referentiesysteem Dit commando laat toe om het ene CRS naar het andere te transformeren, met of zonder hetgebruik van een set paspunten. DTM Terreinmodel Het commando Terreinmodel berekent een Delauney triangulatie. Na punten geselecteerd te hebben (en eventueel breuklijnen, en een polygoon), kiest u voor Bereken Terreinmodel. Hierna kunt u een naam van het te berekenen model ingeven. De complexiteit van het DTM (aantal driehoeken) kan verminderd worden wanneer een zeker tolerantie toegelaten wordt. De tolerantie (fout) is gedefinieerd als een functie van de afstand van het punt tot de eindpunten van de driehoek waarin dit punt zich bevindt. Voor kleinere foutwaarden zullen vaak voorkomende pieken weggelaten worden, maar de algemene trend van stijgende hoogte blijft aanwezig. Voor grotere foutwaarden zullen alle terreinveranderingen opgemerkt worden en niet de lichte hoogteveranderingen. Als een terreinmodel in een tekening berekend is, en de cursor is niet aangegrepen door een object, dan zal de z-waarde in het controlepaneel de hoogte van de cursorpositie in het terreinmodel weergeven. Een DTM kan gewist worden via het menu Terreinmodellen in het menu Bestand (Deel II,hoofdstuk 1: Terreinmodellen). Een DTM kan verborgen worden door Toon triangulatie af te vinken onder het tabblad DTM bij de weergave-opties. 155

172 Combinatie van 2 terreinmodellen Met dit commando kan u een derde DTM berekenen. Dit DTM is het resultaat van de combinatie van 2 andere DTMs en wordt beschouwd als een verschil DTM. Dit is nuttig om zones van afgraving/ophoging van een project te kennen. Verwijder grensdriehoeken Via dit commando zullen randdriehoeken met zeer kleine hoeken en/of zijden, groter dan een opgegeven waarde, verwijderd worden. Genereer Delauney Dit commando herberekent het actieve DTM, zodat het een Delauney triangulatie wordt. Opmerking: Wanneer een nieuw DTM wordt gegenereerd, is dit altijd volgens de Delauney triangulatie. Maar wanneer een DTM bewerkt wordt, zullen enkel de gewijzigde driehoeken veranderen en niet het ganse DTM. Via deze functie is het mogelijk een gewijzigd Delauney DTM te maken. Deze functie zal het DTM volledig volgens volgens de Delaunay methode berekenen, zonder rekening te houden met: Originele breuklijnen. Eventueel verwisselde diagonalen. Pythagoras zal een waarschuwing geven wanneer dit commando geselecteerd wordt. Wijzig hoogte Dit commando zet de hoogte van een DTM om, door een bepaalde positieve of negatieve waarde bij de Z-coördinaat van alle vertexen op te tellen. 156

173 Hoogtelijnen Het commando Hoogtelijnen genereert hoogtelijnen op basis van de hoogten in het actieve terreinmodel. De lijnstijl, de afstand, de kleur en de laag kunnen gespecificeerd worden. De hoogtelijnen worden Pythagorascurven. De hoogtelijnen worden enkel getekend binnen de grenzen van het actieve terreinmodel. Het niveau van een hoogtelijn kan op elke willekeurige plaats naast de hoogtelijn gezet worden. Kies "Annotatie", "Hoogte" uit de "Werktuigen" menu en klik de muis op de hoogtelijn op de plaats waar de maataanduiding moet komen. Volumes Het commando Volumes berekent het grondverzet binnen een gebied afgebakend door een geselecteerde polygoon. Wanneer twee of meer terreinmodellen werden berekend, kan de gebruiker de twee modellen selecteren. Hierna zal Pythagoras het volume tussen beide terreinmodellen berekenen. Het resultaat van zowel ophoging als afgraving zal worden gegeven. Druk de knop Bewaar resultaat in als het resultaat bewaard dient te worden. Er zal een tekstbestand gegenereerd worden met een overzicht van de volumes per dwarsprofiel. Dit bestand kan snel geopend worden via het Bestand -menu Open Tekstdocumenten. Profielen Lengteprofiel Het commando Dwarsprofiel volgens het pad berekent en genereert een profiel volgens een geselecteerd pad of lijn in de tekening. (Voor het aanmaken van paden zie "Menu Object" - "Pad"). U kunt de referentiehoogte, de X- en de Z-schaal eventueel veranderen in het instelvenster. Het berekende profiel wordt automatisch in een nieuwe tekening geplakt en tevens op het prikbord geplaatst. Gebruik "Plak" of "Plak Speciaal" om het profiel ergens anders bij- of in te voegen. Enkel binnen het gebied van het berekende terreinmodel zal het profiel berekend worden. Het berekende profiel heeft de x-as op het niveau z = 0. De x-waarde van het profiel komt overeen met de ontwikkelde lengte van het aangegeven pad. 157

174 De waarde van de gecumuleerde lengte in het begin van het pad kan verschillend zijn van 0. Een nieuwe waarde kan ingesteld worden in het kenmerkenvenster van het pad (via dubbelklik op het pad of via de menu Venster-Objectinformatie-Kenmerken) Aan een profiel kunnen ook referenties toegevoegd worden. Selecteer de referentieobjecten samen met het pad alvorens dit commando op te roepen. Dwarsprofielen Het commando Dwarsprofiel loodrecht op het pad berekent en genereert een reeks profielen loodrecht op de richting welke wordt aangegeven door een geselecteerd pad of lijn in de tekening. Het dialoogvenster dat hierop volgt (zie bovenstaande afbeelding) laat toe enkele instellingen te doen. Layout van resultaattekening Gebruik de Plak en Plak Speciaal commando s om de profielen in een bestaande tekening te plakken. De gekozen parameters zullen worden toegepast op de nieuwe tekening. De knop Selecteer prototype tekening laat toe om een bestaande tekening te selecteren waarin de profielen geplakt moeten worden. Samengestelde afstand en interval Pythagoras zal de uiteinden van het pad als standaard waarden aannemen. Verder kan het aantal stappen worden ingegeven. Dit is de afstand tussen twee opeenvolgende profielen. Layout van dwarsprofiel De knop Layout van dwarsprofiel laat toe om het terreinmodel te selecteren dat moet getoond worden in de berekende profielen. De gebruiker kan kiezen om het DTM in het profiel zelf te tonen en/of in de legende onder elk profiel. 158

175 Dwarsprofielen op plan Tot slot is kunnen de berekende profielen ook op het grondplan worden aangeduid. Dit gebeurt door het plaatsen van dwarse strepen loodrecht op het geselecteerde pad, al dan niet met hun volgnummer. De eigenschappen van dit alles kunnen vastgelegd worden door op de knop Attributen te klikken nadat Dwarsprofielen op plan werd geactiveerd. In het dialoog dat vervolgens verschijnt, kunnen de eigenschappen van de dwarslijnen vastgelegd worden, alsook de eigenschappen van de nummering van deze dwarslijnen. 3D-Zicht Het commando 3D-Zicht genereert een camerazicht van het actieve terreinmodel. Wanneer het commando geselecteerd wordt, verandert de cursor in een camera. Klik achtereenvolgens in de tekening om een camerapositie te bepalen en klik vervolgens op de plaats die de camerarichting aangeeft. Zowel de hoogte van de camera als de hoogte van het punt waarnaar gericht wordt kunnen via het controlepaneel ingegeven worden. Vervolgens kunt u het aantal rasterlijnen en de schaal voor de z- waarde ingeven. Men heeft de keuze tussen 2 soorten modellen: Een lijnenmodel Een roostermodel In het eerste geval zal het 3D perspectief getoond worden op het scherm tijdens de opbouw. In het tweede geval ziet u een voortgangsindicator die het verloop van de berekeningen weergeeft. De berekening van het perspectief kan afgebroken worden met de ESCtoets. Het perspectief wordt tijdens de opbouw ook op het prikbord gezet. Gebruik "Plak" of "Plak Speciaal" om het perspectief in de bestaande of in een nieuwe tekening te plaatsen. Opmerkingen: de rasterlijnen komen in de tekening als Pythagoras Polylijnen. Een 3D-zicht kan enkel berekend worden van terreinmodellen met maximum punten. Talud Met dit commando kunt u een talud berekenen. Het geselecteerde pad geeft de onderkant of bovenkant van het talud aan. U hebt de keuze een talud te berekenen op vaste afstand van het pad of dat een gegeven helling maakt met het pad. Verbinding met het terrein Een talud kan verbonden worden met: een horizontaal vlak een bestaand terreinmodel 159

176 Links-Rechts U heeft de keuze of de talud links of rechts van het pad moet berekend worden. Gradiënt Het gradiënt van de talud moet ingegeven worden, hetzij in opwaartse, hetzij in neerwaartse richting. Stap De stap is de afstand op het pad om dewelke een berekening gemaakt moet worden om de verbinding met het bestaande terrein te maken. Een kleine waarde resulteert in een nauwkeuriger resultaat. Een zeer kleine waarde kan te veel punten genereren indien het pad bogen bevat. Maximum breedte Het berekende verbindingspunt zal niet gegenereerd worden indien de afstand tot het pad de maximum ingegeven breedte overschrijdt. 3D-Oppervlakte In een berekend DTM specificeert u een zone (omtrek) a.d.h.v. een polygoon en selecteert u in de menu Bereken het item 3D-oppervlakte. U krijgt vervolgens een dialoogvenster te zien dat zowel 2D- (horizontale oppervlakte) als 3D-oppervlakte weergeeft. Opmerkingen: Indien de polygoon gedeeltelijk buiten het terrinmodel valt, zal de 3Doppervlakte geschat worden. 160

177 161

178 162 Deel III Wegontwerp

179 163

180 Hoofdstuk 1: Concepten Het planvenster Start met (een combinatie van) een lijn, een boog, een pad (geen curve!) of een weg om 'Wegontwerp' te activeren in het menu 'Venster'. Om Wegontwerp voor een bestaand project te activeren, houdt u de 'R' toets ingedrukt terwijl u de weg selecteert. Een pad met lengteprofiel aangemaakt in Pythagoras v10 wordt automatisch geconverteerd naar een weg in Pythagoras v11. Pythagoras heeft 3 speciale vensters: het planvenster, profielvenster en het dwarsprofielvenster met elk een eigen aangepast controlepaneel. Alle venster kunnen gelijktijdig zichtbaar zijn. Het planvenster geeft het horizontale ontwerp van de weg en het bestaand terrein weer. Alle objecten uit de tekening in de zichtbare lagen worden getoond. Van punten en lijnen die geselecteerd werden als referentieobjecten zijn de projecties ook zichtbaar in het profiel en dwarsprofiel. Deze referentieobjecten zijn lijnen en punten waarmee rekening moet gehouden bij het ontwerp. In het planvenster kan u het horizontale ontwerp van de nieuwe wegas tekenen. Meer bepaald, ontwerpt u de horizontale overgangen en snijpunten. Deze overgangen kunnen zowel rechte lijnen als bogen en clothoïdes bevatten. Het controlepaneel Het controlepaneel toont de informatie die overeenkomt met de cursorpositie in het planvenster. Wanneer objecten (snijpunten, overgangen, referentieobjecten) met de cursor aangewezen worden, geeft het controlepaneel de gepaste informatie (afstand, helling en data van de horizontale overgang). Knoppen zijn voorzien om snijpunten toe te voegen. Het controlepaneel voorziet ook in het exact bepalen van een snijpunt. Het profielvenster Het profielvenster toont de as van het ontwerp en het natuurlijk terrein in profiel volgens de doorlopen afstand. De schaalverhouding is instelbaar om de hellingsverschillen duidelijker te tonen. In het profielvenster kunnen ook punten en lijnen van het planvenster getoond worden. Deze referentieobjecten zijn bijvoorbeeld dorpels van huizen, leidingen of andere objecten waarmee bij het ontwerp rekening moet gehouden worden. De hoogte van een referentieobject kan ook in het profielvenster aangepast worden. Referentieobjecten kunnen bijgevolg ook te ontwerpen objecten zijn (riolering, leidingen, bekabeling,...) In het profielvenster ontwerpt u het nieuwe lengteprofiel. Meer bepaald ontwerpt u de hellingen, de plaats en de parameters van de verticale bogen en de plaats en het type van de dwarsprofielen en aanduiding van de dwarsprofielen. 164

181 De verticale bogen zijn cirkelbogen of parabolen. De straal of de lengte kunnen een vaste waarde meekrijgen. Het controlepaneel Het controlepaneel toont de informatie overeenkomstig volgens de plaats van de cursor in het profielvenster. Wanneer de cursor objecten (snijpunten, type dwarsprofielen, dwarssnedeposities referentieobjecten) aanwijst, geeft het controlepaneel de gepaste informatie. Het volstaat de cursor te bewegen over het profiel om informatie te bekomen over de afstand, de helling en gegevens van de verticale curve. Knoppen zijn voorzien om snijpunten en dwarsprofielen te creëren. Via het controlepaneel kan de positie van een snijpunt exact bepaald worden. Samen met het gebruik van het controlepaneel in het planvenster van Pythagoras kan de afstand, de hoogte en de helling links of rechts bepaald worden. De positie van een dwarsprofiel kan ook in het controlepaneel ingegeven worden. Het dwarsprofielvenster Het dwarsprofielvenster toont het dwarsprofiel overeenkomstig met de plaats van de cursor in het profielvenster. In het dwarsprofielvenster worden het bestaand terrein, het dwarsprofiel, de taluds, de verkanting en de referentieobjecten getoond. Het dwarsprofiel wordt als een film getoond, door de muis in het profielvenster langzaam van links naar rechts te bewegen. Dit kan handig zijn tijdens het ontwerpen. Het controlepaneel In het controlepaneel kan het type dwarsprofiel geselecteerd worden. Ook de waarden voor de aanvoer- en/of afvoer van teelaarde kunnen hier bepaald worden. Het dwarsprofiel venster heeft 2 modes: de film mode (als een anders venster actief is: zowel het planvenster als het profielvenster) en een editeermode waarin de wegkoffer kan bijgewerkt worden, het type profiel kan gewijzigd worden, af- en aanvoer van teelaarde en dikte teelaarde kunnen ingevoerd worden. Het controlepaneel is enkel van toepassing op de editeermode. Types dwarsprofielen Dwarsprofielen worden ontworpen in een Pythagoras tekening. Alle tekenfuncties zijn hiervoor beschikbaar. Bijgevolg kunnen zowel lijnen, bogen, arceringen als teksten in een type dwarsprofiel opgenomen worden. Het aspunt, referentiepunten en de aansluitingspunten met het terrein worden in het profiel aangeduid. Een type dwarsprofiel kan zowel in een document- als in de systeem-bibliotheek bewaard worden. Als u verkanting wil toepassen op uw dwarsprofiel, moeten de offset, breedte en taluds worden ingegeven. Wanneer de hoogteverschillen in een weg te groot worden, zal Pythagoras bij het bereken van de dwarsprofielen automatisch het referentievlak aanpassen en afronden om zo tot een overzichtelijk resultaat te komen. 165

182 Het afwerken van lengte- en dwarsprofielen Uiteindelijk kan u het resultaat (het aangekleed lengteprofiel) aanmaken in het geheugen en in een nieuwe Pythagoras tekening zetten als een volwaardige tekening. Indien gewenst kan u deze tekening nog bewerken. Alle gegevens, de samengestelde afstand, natuurlijk terrein, hoogten ontwerp, bochtgegevens, hoogte van referentieobjecten worden bij het aanmaken van de tekening naar eigen keuze wel of niet op het aangeklede lengteprofiel geplaatst. Van elk dwarsprofiel in het profielvenster kan u ook een aangeklede tekening bekomen. Door het gewenste dwarsprofiel te selecteren kan u met dezelfde werkwijze als het aanmaken van het lengteprofiel een nieuwe Pythagoras tekening van het dwarsprofiel bekomen. De afstand ten opzichte van de as, de terreinhoogte, de hoogte van het ontwerp en eventueel referentieobjecten worden bij het aanmaken van de tekening naar eigen keuze wel of niet op het aangeklede dwarsprofiel geplaatst. Het is mogelijk om meerdere dwarsprofielen te selecteren (u houdt de SHIFT-toets ingedrukt terwijl u de dwarsprofielen selecteert) en deze in 1 tekening te plaatsen. De posities van deze dwarsprofielen en de sectienummers kunnen in het planvenster op de weg worden aangeduid. 166

183 Hoofdstuk 2: Menu s Bestand Het menu 'Bestand' gebruikt u om uw wegontwerp projecten te organiseren. Nieuw Dit commando maakt een lege tekening aan in een nieuw venster. Open Het 'Open'-commando opent een tekening van uw schijf en toont deze op het scherm. Wanneer 'Open' geselecteerd wordt, zal het standaardinformatievenster 'Open' verschijnen. Om een tekening te openen, selecteert u ofwel de tekening die u wilt openen en klikt u dan op de 'Open' knop, ofwel dubbelklikt u op de naam van de tekening. Indien u meer informatie wenst over de mogelijkheden van het informatievenster 'Open', consulteer dan de handleiding van MS-Windows. Sluit Dit commando sluit het Wegontwerp af en gaat terug naar de gewone tekenmode voor de actieve tekening. Bewaar Het 'Bewaar'-commando slaat de actieve tekening op. De gegevens van de weg (lengteprofiel, horizontaal ontwerp, typisch dwarsprofiel en al hun kenmerken, referentieobjecten,...) worden als een 'weg'-object bewaard in de bestaande tekening. Als het over een nieuwe tekening gaat, verschijnt er een informatievenster dat de naam van het nieuwe document vraagt. Open tekstdocumenten Met dit commando opent u nieuwe of bestaande tekstdocumenten in de Pythagoras Tekst Editor Maak lengteprofiel Met de "Maak lengteprofiel" keuze creëert u een aangeklede tekening van het lengteprofiel in een nieuwe tekening. Bij de aanvraag van "Maak lengteprofiel" krijgt u een dialoogvenster op het scherm waarin u verschillende velden kan aanpassen: 167

184 Referentiehoogte X-schaal Y-schaal Annotaties (gegevens die aangestipt zijn worden mee in de tekening verwerkt, de andere niet.) terreinmodellen die afgebeeld moeten worden of waarvoor ook hoogtes worden weergegeven in de annotaties. Maak dwarsprofiel Deze keuze komt alleen actief te staan als u één of meer dwarsprofielen geselecteerd heeft. Als u 1 dwarsprofiel selecteert, creëert u via 'Maak dwarsprofiel' een aangeklede tekening van de dwarsprofielen. Deze tekening wordt automatisch in een nieuw bestand geplaatst. Vanaf dit ogenblik is de tekening een volwaardige Pythagoras tekening. Bij de aanvraag van "Maak Dwarsprofiel" krijgt u een dialoogvenster op het scherm waarin u verschillende velden kan aanpassen: Referentiehoogte Breedte Schaal Annotaties (gegevens die aangestipt zijn worden mee in de tekening verwerkt, de andere niet.) terreinmodellen die afgebeeld moeten worden of waarvoor ook hoogtes worden weergegeven in de annotaties. In het veld "Breedte" geeft u de totale breedte van het aangeklede dwarsprofiel. Het is evident dat de breedte voldoende groot moet zijn om aansluitingen met het natuurlijk terrein te kunnen voorstellen. Selecteert u meerdere dwarsprofielen krijgt u een aangepast dialoogvenster. Ook hier kan u de velden 'Referentiehoogte', 'Breedte', 'Schaal' 'Annotatie en 'Terreinmodellen' aanpassen, alsook de lay-out van de resultaattekening: Het aantal profielen op een rij De afstand tussen de profielen Prototype tekening waarin de resulterende profielen mogen ingevoegd worden 168

185 Via de optie 'Dwarsprofielen op plan' worden de dwarsprofielen in het planvenster op de weg aangeduid. Plan aanpassen Deze functie zorgt ervoor dat alle berekende gegevens (zoals wegas, referentiepunten, aansluiting taluds, ) automatisch op het grondplan getekend worden als aparte curves. Desgewenst kunnen ook uitzetpunten mee gecreëerd worden. Duid hiervoor de vinkjes aan in het dialoogvenster bij de elementen waarvan u de punten wenst te creëren. De eigenschappen van de te creëren objecten kunnen ingesteld worden in het dialoogvenster dat volgt op de selectie van dit item in de menu. Volgende gegevens kunnen ingesteld worden: Lijnstijl Lijndikte Kleur Laag (laag) Tevens kan de precisie ingesteld waarmee de berekeningen gedaan worden. Dit kan op twee manieren: Aan de hand van het ingegeven aantal stappen Aan de hand van de tussenafstand die tussen theoretische profielen wordt genomen Het is evident: des te hoger het aantal stappen of des te lager de tussenafstand, des te preciezer het resultaat. Speciale werkwijze: Wanneer u 'Bestand' 'Planvenster' aanklikt TERWIJL u de CTRL toets ingedrukt houdt, wordt een 'weg'-object (curve) opgesplitst in geometrisch correcte figuren (lijnen, bogen en clothoïdes). Lengte, straal,... kunnen per object gemeten worden in het grondplan. De objecten die op deze manier aangemaakt worden, zijn echter steeds 2D objecten. Einde Het Einde-commando sluit alle vensters op uw scherm en beëindigt de Pythagoras-sessie. Als u aan de tekeningen wijzigingen heeft aangebracht en deze nog niet vastgelegd heeft, dan zal Pythagoras voor elke niet bewaarde tekening een informatievenster doen verschijnen. 169

186 Wanneer u Pythagoras beëindigt, wordt alle informatie van deze sessie in een bestand bewaard. Het sessie-gegevensbestand (PYTHAGOR.DEF) bevat alle standaardwaarden en voorkeuren die ingesteld zijn op het moment dat u Pythagoras verlaat. De volgende keer dat u Pythagoras start, zal de informatie van deze sessie hersteld worden. Bewerken Via het menu 'Bewerken' kan u standaard handelingen uitvoeren zoals 'Herstel' en 'Herdoe' en heeft u een aantal typische Pythagoras menu items extra. Herstel Met het herstel-commando brengt u de weg opnieuw in de staat waarin deze zich bevond net voor het laatst uitgevoerde commando. Opmerking: Een nieuw bewerkingscommando na Herstel zal alle uitgevoerde herstelcommando's uit de herstellijst wissen. Herdoe Het "Herdoe"-commando herroept het Herstel-commando. Wis Het wis-commando verwijdert de geselecteerde objecten van de weg. Selecteer Dit commando laat u toe 1 of meerdere dwarsprofielen, aanduidingen dwarsprofielen of alle dwarsprofielen en aanduidingen dwarsprofielen te selecteren in het profielvenster. In het planvenster kunnen snijpunten, referentieobjecten en aanduidingen van dwarsprofielen geselecteerd worden. In het dwarsprofielvenster kunnen de snijpunten geselecteerd worden. 170

187 Meerdere referenties toevoegen Met dit commando wordt een intelligente zoekmachine gestart. Hierin kan u de karakteristieken van de objecten specificeren die u als referentieobjecten wil toevoegen aan het project. Verplaats Met het verplaats-commando kan u een snijpunt naar een andere positie verplaatsen. U selecteert het snijpunt, kiest dan "Editeer" - "Verplaats" zodat de vorm van de cursor verandert(zwart kruis). Werktuigen U plaatst de cursor op het snijpunt, drukt de muisknop in en sleept het snijpunt naar de nieuwe positie. Met het 'Werktuigen' menu kan u tekenfuncties selecteren zoals de tekenfuncties in de controlepanelen. Naargelang het actieve venster verschilt de inhoud van dit 'Werktuigen' menu. Selecteer Door het "Selecteer" commando te kiezen, komt u in de selecteermode terecht. (U kan dit ook bekomen door in het controlepaneel de knop met het pijltje aan te klikken.) In dwarsprofielvenster kunnen enkel snijpunten geselecteerd worden. In het planvenster kunnen snijpunten, referentieobjecten en aanduidingen van dwarsprofielen geselecteerd worden. Binnen het profielvenster kan u 3 soorten objecten selecteren namelijk snijpunten, dwarsprofielen (en dwarsprofielaanduidingen) (gewone en uitzonderlijke dwarsprofielen) en referentieobjecten: Dwarsprofielen en dwarsprofielaanduidingen kunnen alleen verwijderd worden Snijpunten kunnen verwijderd en verplaatst worden Referentieobjecten kunnen enkel verwijderd worden. Indien u dubbelklikt op een snijpunt, dan kan u de kenmerken van dit snijpunt, namelijk de positie en de parameters van de verticale curve aanpassen. Bij een dubbelklik op een dwarsprofiel kan u het soort dwarsprofiel wijzigen. Snijpunt Het "Snijpunt" commando laat u toe snijpunten van de tangenten van de wegas aan het profiel toe te voegen. Wanneer het snijpunt wordt bevestigd, 171

188 zal Pythagoras automatisch een overgangsboog in het profielvenster aanmaken. Hetzelfde kan u bekomen door in de knoppenbalk op de "Snijpunt"-knop te klikken. Volgens de instelling "Puntbevestiging" onder het menupunt "Instellingen" wordt er bij het klikken wel of niet om een bevestiging van het snijpunt gevraagd. In het profielvenster: Indien de bevestiging actief is, kan u de kenmerken van het snijpunt eventueel nog wijzigen: dit zijn de samengestelde afstand (ds), de hoogte (Z) en de hellingsgraad links (%L) en rechts (%R) en de verticale curve: het automatisch verloop, een vaste straal (R) of een vaste afstand (L). De overgangsboog zal volgens de instelling "Verticale curve" onder het menupunt "Instellingen" een cirkel of een parabool zijn. Indien de lengte of de straal van de overgangsboog niet bepaald is, vertrekt deze altijd vanuit het middelpunt van het kortste been. In het planvenster: Indien de bevestiging actief is, kan u de horizontale positie (X, Y coördinaten), het type van de overgang ingeven en afhankelijk van de gekozen parameters de lengte, de straal en de K factor. Type overgang: Automatisch: formule R = V met: 127(e+f) R = Straal (m) V = te ontwerpen snelheid (km/h) e = max verkanting in m/m f = friction 2 Deze waarden kunnen ingesteld worden in het menu Instelling Kenmerken Weg Onderbroken Boog: R Cl-Boog-Cl: R, L en K factor: bij dit Type Overgang, zijn de in- en uitgaande clothoïde symmetrisch. Het is dus voldoende om enkel de waarde van de ingaande clothoïde in te geven. Cl-Boog-CL*: clothoïde in: R, L en K factor clothoïde uit: R, L en K factor: bij dit type moeten zowel de waarden van de ingaande clothoïde ingegeven worden als de waarden van de uitgaande clothoïde. Clothoïde: R en L Dwarsprofiel Het "Dwarsprofiel" commando laat u toe een type dwarsprofiel aan het profiel toe te voegen. Hetzelfde kan u bekomen door in de knoppenbalk op de "Dwarsprofiel" knop te klikken. U klikt op de plaats waar u het dwarsprofiel wil toevoegen, en hierdoor krijgt u een dialoogvenster op het scherm. U kan kiezen uit een bibliotheek of een document dwarsprofiel en eventueel specifiëren of het een uitzonderlijk profiel is. Hiermee wordt een profiel bedoeld dat énkel van toepassing is op de plaats waar het is aangeduid. Anders (bij niet uitzonderlijke profielen) is het zo dat alle parameters van een bepaald profiel van toepassing zijn totdat het overschreven wordt door een nieuw type dwarsprofiel. De uitzondering hierop is dat bij het gebruik van typedwarsprofielen met een verschillende 172

189 breedte en wanneer geen verkanting wordt toegepast, er een interpolatie gebeurt tussen beide dwarsprofielen. In het planvenster kan u dwarsprofielen op de wegas toevoegen op de exacte plaats van een referentiepunt of snijpunt. U klikt op het snijpunt of het referentiepunt, het dwarsprofiel wordt van dit punt loodrecht geprojecteerd op de wegas. Het dwarsprofiel kan ook weer verwijderd worden. Aanduiding dwarsprofiel Dit commando laat u toe een aantal (1 of meerdere op een vaste afstand van elkaar) posities voor dwarssnedes aan te duiden op het lengteprofiel. Een type dwarsprofiel kan hier niet worden toegekend. Deze aanduidingen worden gebruikt om dwarsprofiel tekeningen op bepaalde posities' te genereren in een aparte tekening via het menu 'Bestand' 'Dwarsprofiel. Deze tekeningen worden gegenereerd volgens het op die plaats geldige type dwarsprofiel. Koffer Via de menu Werktuigen - Wegkoffer kan u het koffer van de weg bepalen. Dit doet u door punten te creëren in het weglichaam. Deze waarden zijn t.o.v. het referentiepunt van uw type dwarsprofiel. In het dwarsprofielvenster wordt dit koffer met een rode lijn aangeduid. Als u teelaarde wil toevoegen of afvoeren, voer dan volgende handelingen uit: dubbel klik op een punt van de wegkoffer (met de normale selectiecursor) Vul in het controlepaneel de dikte van de laag teelaarde in voor het afvoeren en/of aanvoeren en de zwellingfactor. Door de waarden in het controlepaneel te bevestigen, komt u terug in het dwarsprofielvenster. Klik in het controlepaneel op de knop om aan te duiden waar er teelaarde moet afgegraven worden. De cursor wordt nu een pijltje. Klik in het dwarsprofielvenster op die plaatsen van het wegkoffer waar er teelaarde moet worden afgegraven. Deze afgraving wordt in het bruin weergegeven. Dan, indien nodig. Klik op de knop om aan te duiden waar er teelaarde moet toegevoegd worden. De cursor wordt nu een pijltje. Klik in het dwarsprofielvenster op die plaatsen van het wegkoffer waar er teelaarde moet worden aangevoerd. Dit wordt in het groen weergegeven. In het profielvenster worden de dwarsprofielen die gebruikt worden voor het af- en/of aanvoeren van teelaarde getoond in bruin of in zwart. Als de dwarsprofielen in het bruin worden getoond, betekent dit dat de dwarsprofielen in orde zijn; parameters (breedte, helling,...), het koffer van 173

190 de weg en de parameters voor de teelaarde. Zijn de dwarsprofielen zwart dan wil dit zeggen dat er parameters moeten nagekeken worden. Het is ook mogelijk een uitzonderlijk dwarsprofiel toe te voegen. Dit zijn dwarsprofielen die enkel op die plaats, waar het toegevoegd wordt, zal gebruikt worden (vb verkeersdrempels). Deze profielen worden in het oranje getoond. Referentie toevoegen Met het 'Referentie toevoegen'-commando kan u één referentieobject aan de tekening toevoegen. Overgang Horizontaal Dit menu is enkel beschikbaar in het planvenster. Als een snijpunt geselecteerd is, kan u hiervan een aantal waarden aanpassen: X en Y coördinaten overgangstype en parameters: Automatisch: Formule? Onderbroken:? Boog: R (straal) Cl-Boog-Cl: R, L(lengte) en K factor Bij dit Type Overgang, zijn de in- en uitgaande clothoïde symmetrisch. Het is dus voldoende om enkel de waarde van de ingaande clothoïde in te geven. Cl-Boog-CL*: clothoïde in: R, L en K factor clothoïde uit: R, L en K factor Clothoïde: R en L Bij dit type moeten zowel de waarden van de ingaande clothoïde ingegeven worden als de waarden van de uitgaande clothoïde. Verkanting Dit menu is beschikbaar als er 1 snijpunt in het planvenster is geselecteerd. Verkanting kan voor het hele project worden toegepast of per individuele overgang. Type overgang: Clothoïde-Boog-Clothoïde 174

191 Aanvangshelling: helling van de Normal Crown (dakprofiel) bij aanvang van het verkantingsproces. Uitgangshelling: helling van de Normal Crown (NC) op het einde van het verkantingsproces. De aanvangs- en uitgangshelling worden bepaald door de typische dwarsprofielen die geldig zijn op die plaats. Met andere woorden ze zijn hier niet aanpasbaar, ze werden bepaald als het profiel werd getekend. Ingaande curve: Met deze velden kan u het verkantingsproces sturen. Er kan bepaald worden waar de Normal Crown (NC) moet overgaan in Half Crown (HC) en Full SuperElevation(FSE). Deze posities zijn relatief ten op zichte van het punt waar de Tangent overgaat in een clothoïde, volgens de rijrichting van de weg. 175

192 NC TS : aanvang van het verkantingsproces. ds : de afstand waar de het verkantingsproces zou moeten beginnen, ten opzichte van het punt waar de Tangent overgaat in een clothoïde (=TS) NC TS : -20 m wil zeggen dat 20m voor de clothoïde (overgangsboog) het verkantingsproces zal beginnen. De gecumuleerde afstand kan ook ingegeven worden, dit is meer een absolute waarde. HC TS : het punt waar Half Crown zal bereikt zijn, ten opzichte van de tangent die overgaat in een clothoïde. FSE SC : punt waar de totale verkanting (FSE) is bereikt, ten opzichte van het punt waar de clothoïde overgaat in een boog. Uitgaande curve: CS FSE : punt waar de FSE eindigt en terug overgaat in HC, ten opzichte van het punt waar de boog overgaat in een clothoïde ST HC : punt waar HC bereikt is, ten opzichte van het punt waar de clothoïde terug overgaat in een tangent (NC). ST NC : punt waar NC terug wordt bereikt, ten opzichte van het punt waar de clothoïde overgaat in een tangent. Type overgang: Boog 176

193 Ingaande curve: NC TC : begin van het verkantingsproces. Laatste NC positie ten opzichte van het punt waar de tangent overgaat in een boog. ds : de afstand waar het proces moet beginnen, ten opzichte van de plaats waar de tangent overgaat in de boog.(=tc) NC TC = -20 m : betekent dat 20m voor het begin van de boog het verkantingsproces moet beginnen. De gecumuleerde afstand kan ook ingegeven worden, dit is meer een absolute waarde. HC TC : het punt waar HC is bereikt ten opzichte van de tangent die overgaat in een boog. FSE TC : het punt waar FSE is bereikt ten opzichte van de tangent die overgaat in een boog. Uitgaande curve: CT FSE : het punt waar FSE is bereikt en terug overgaat naar HC ten opzichte van het punt waar de boog overgaat in tangent. CT HC : punt waar HC is bereikt ten opzichte van het punt waar de boog overgaat in de tangent. CT NC : het punt waar NC is bereikt ten opzichte van het punt waar de boog overgaat in de tangent. In het planvenster: Type overgang: spiraal Van links naar rechts: De eerste dwarssnede duidt de aanvang van het verkantingsproces aan. De tweede dwarssnede duidt het punt aan waar HC wordt bereikt. De derde dwarssnede duidt aan waar de verkanting volledig is. De vierde dwarssnede duidt de plaats aan waar de volledige verkanting overgaat in HC De vijfde dwarssnede duidt aan waar de HC bereikt is. De zesde dwarssnede duidt aan waar het volledige verkantingsproces eindigt. Het eerste punt duidt de start van de clothoïde aan, het tweede punt de start van de boog of curve, het derde punt is het einde van die boog of curve en het laatste punt is het einde van de clothoïde of Tangent. Het hoogste punt tussen SC en CS is het snijpunt van de tangenten. 177

194 In het profielvenster: De onderbroken streeplijn duidt aan waar de verkanting plaatsvindt. De puntlijn duidt HC, FSE, FSE en HC aan. De rode lijn duidt de tangent aan, de cyaan de clothoïde en de magenta lijn duidt de boog aan. Overeenkomend zijn de verticale gebieden ook gekleurd. In het planvenster: Type overgang: boog Van links naar rechts: De eerste dwarssnede duidt de aanvang van het verkantingsproces aan. De tweede dwarssnede duidt het punt aan waar HC wordt bereikt. De derde dwarssnede duidt aan waar de verkanting volledig is. De vierde dwarssnede duidt de plaats aan waar de volledige verkanting overgaat in HC De vijfde dwarssnede duidt aan waar de HC bereikt is. De zesde dwarssnede duidt aan waar het volledige verkantingsproces eindigt. Het eerste punt duidt de start van de clothoïde aan, het tweede punt de start van de boog of curve, het derde punt is het einde van die boog of curve en het laatste punt is het einde van de clothoïde of Tangent. Het hoogste punt tussen SC en CS is het snijpunt van de tangenten In het profielvenster: Type overgang: boog 178

195 De uiterst linkse en rechtse gebroken lijn duiden het gebied aan van de verkanting., de andere gebroken lijnen duiden HC, FSE, FSE en HC aan. De rode lijn duidt de tangent (rechte lijn) aan en de magenta lijn duidt de boog aan. Overeenkomend zijn de verticale gebieden ook gekleurd. Instellingen Schaalratio Met deze instelling bepaalt u de schaalverhouding tussen de X-schaal (samengestelde afstand) en de hoogte in het profielvenster. U kunt kiezen van schaal 1/1 tot 1/10. Puntbevestiging Indien u dit item actief maakt, dan zal er bij het creëren van snijpunten en dwarsprofielen steeds om een bevestiging gevraagd worden. Indien exacte gegevens niet belangrijk zijn, dan kunt u sneller tot een resultaat komen door dit commando "uit" te zetten. In het controlepaneel kan het aan- en uitschakelen via de knop Kenmerken weg Algemeen: 179

196 Bepaal het begin van de gecumuleerde afstand. De waarde van de gecumuleerde afstand kan uitgedrukt worden volgens 2 annotatiewijzen: 6150m of De gemaakte keuze heeft zijn invloed op alle plaatsen waar annotaties van gecumuleerde afstanden gemaakt worden. (Er is een macro nodig om te wisselen van annotatiekeuze) Kenmerken worden gebruikt in de module 'Wegontwerp' om de weg in het planvenster weer te geven. Het is een manier om het project en de invloeden van de parameters te visualiseren. De breedte van het gebied waarin Pythagoras het wegenproject verbindt met het bestaand terrein is beperkt met de breedte van weg x 10. Dit om de snelheid van de tekening, het zoomen en het scrollen te behouden. Bijvoorbeeld; een weg met 2 baanvakken van elk 4 m zal worden uitgebreid tot 40m links en rechts van de wegas. Als er geen verbinding (talud) wordt gevonden met het bestaand terrein binnen dit gebied, zal Pythagoras stoppen met het berekenen van de verbinding. Met de knop 'Leg vast als systeem instellingen' kan u deze instellingen als 'standaard' bewaren voor de volgende Pythagoras tekeningen. Horizontale overgangen: 180

197 De volgende formule wordt door Pythagoras gebruikt om de relatie tussen (1) de snelheid, (2) de straal, (3) de verkanting en (4) de wrijving: e = verkanting f = wrijvingsfactor V = ontwerpsnelheid R = straal van de boog De gebruiker moet een snelheid opgeven en de minimum en maximum verkanting. De parameters 'Wrijving' en 'Minimum straal' (kunnen) worden afgeleid van de ontwerpsnelheid en de maximum verkanting. Wrijvingsfactor: de standaard wrijvingsfactor hangt af van de snelheid Pythagoras neemt standaardwaarden tussen 0,18 (40km/u) tot 0,06 (120km/u). De standaardwaarden die Pythagoras gebruikt zijn eerder conservatief. Kleinere waarden garanderen meer veiligheid en zorgen voor een beter rijcomfort. Deze wrijvingsfactor kan gewijzigd worden. Maximumkantelsnelheid: de maximum kantelsnelheid wordt gebruikt voor de berekening van de lengte van de verkanting. De volgende formule wordt gebruikt: waarbij: L rr = lengte (m) van de ontwikkelde verkanting gebaseerd op de kantelsnelheid e 1 = normale hellingspercentage (%) e 2 = hellingspercentage bij volledige verkanting (%) V = snelheid (km/u) r = kantelsnelheid (% per seconde) Relatieve verdraaiing: de snelheid van de langsrichting stijging (of daling) van de kant van de weg ten opzichte van de wegas. Deze parameter bereikt een comfortabel visueel effect tijdens het rijden op de weg. Als het overgangstype een boog is, zal het Runoff (is ofwel uitloop of aanloop) op Tangent percentage geactiveerd worden. Dit is de lengte van de overgang om FSE te bereiken; normaal 1/3 (aanloop) op de boog en 2/3 (uitloop) voor de boog. Uitloop: het deel van de weg waarin NC overgaat naar HC. Aanloop: het deel van de weg waarin HC overgaat naar FSE. Venster 181

198 In dit menu vindt u de selectiemogelijkheden die bepalen hoe uw ontwerp op het grafische scherm van uw computer afgebeeld wordt. U drukt de muisknop ergens op de tekening in, u verplaatst de muis in de richting waarvan u verder de tekening wilt zien (er wordt tijdelijk een stippellijn getrokken die uw beweging aangeeft), en u laat de muisknop los. Het zichtbare gedeelte van de tekening wordt aangepast aan uw commando. Men beëindigt de scroll-mode door één van de volgende toetsen te gebruiken: ESC, Spatie of Enter-toetsen. Opmerking: U komt ook in scroll-mode terecht met de sneltoets "+" Een andere methode om het zichtbare gedeelte van de tekening aan te passen is het gebruik van de pijltjes-toetsen van het toetsenbord. Het beeld scrollt in de richting van de pijl. Zoom In Met het "Zoom in"-commando kan u een deel van uw tekening op het scherm uitvergroten. Wanneer u dit commando selecteert, neemt de cursor de vorm van een loep aan. Verplaats de muis naar een gewenste beginpositie (links boven, rechts boven, links onder of rechts onder het gebied dat u wenst uit te vergoten), druk de muisknop in en verplaats de muis. Een rechthoek op het scherm volgt de bewegingen van de muis. Wanneer de rechthoek het uit te vergroten deel van de tekening omsluit, laat dan de muisknop los. Opmerking: Als u met de muis klikt op de plaats waar u wenst in te zoomen, zoomt u in met een factor 2. Pythagoras ondersteunt verscheidene zoomniveaus. Elke keer dat u inzoomt, zal Pythagoras het vorige beeld en zijn zoomfactor onthouden. Deze informatie wordt dan weer gebruikt wanneer u uitzoomt. U kan inzoomen tot maximaal 5 zoomniveaus. En de hoogste zoomfactor is 100. Opmerking: De sneltoets is de ">"-toets. Zoom Uit Met het "Zoom uit"-commando kan u uw tekening op het scherm verkleinen. Dit "Zoom uit"-commando toont de oppervlakte van uw tekening met de zoomfactor van het vorige zoomniveau. Opmerking: De sneltoets is de "<"-toets. Vul Venster Dit commando geeft de volledige tekening op het scherm weer. Opmerking: De sneltoets is de "-"-toets. Dwars- en lengteprofiel inzoomen Met dit commando kan u een dwarsprofiel op het scherm vergroten terwijl u werkt in een ander scherm. 182

199 Dwars- en lengteprofiel uitzoomen Met dit commando kan u een dwarsprofiel op het scherm verkleinen terwijl u in een ander venster werkt. Weergave-opties... Hiermee kan u de weergave bepalen en selecteren. Naargelang de weergave wordt de inhoud en opmaak van de tekening bepaald. (zie Referentiegids H7 Weergave opties) Opmerking: als u in de module 'Wegontwerp' wijzigingen maakt in het tabblad 'DTM' in 'Weergave opties' worden deze niet getoond in deze module. Wegontwerp geeft altijd het DTM weer (eventueel met ingekleurde kaart) dat actief stond in de gewone tekenmodule op het moment dat 'Wegontwerp' wordt geactiveerd. Werkbalken Met dit commando kan u bepaalde items in het Wegontwerp venster aan- of uitzetten: Wegontwerp: de 3 icoontjes om te wisselen tussen het plan-, profiel en dwarsprofielvenster op de bovenste werktuigenbalk ontwerpfuncties weg: de teken en ontwerp werktuigen op de verschillende controlepanelen standaard: de algemene Pythagoras werkbalk Bereken Het bereken menu laat u toe volumes gebaseerd op het Wegontwerp te berekenen. Grondverzet Alvorens over te kunnen gaan tot het berekenen van het grondverzet, moeten er eerst een aantal zaken worden ingesteld en klaargezet: plaatsen waar er teelaarde moet afgegraven en/of aangevoerd worden dikte van de teelaarde zwellingfactor van de teelaarde Volgende items kunnen bepaald worden: afstand van het startpunt afstand van het eindpunt 183

200 aantal dwarsprofielen Let wel dat de beginafstand voor uw berekening groter moet zijn dan de afstand waarop het eerste profiel met grondverzetparameters ligt. Met de knop 'Berekenen' start u de berekening. Nadat u het resultaat op het scherm krijgt, heeft u de mogelijkheid om het resultaat te bewaren als een tekstbestand. Dit document kunt u openen via de menu 'Bestand'-'Open tekstbestanden'. In het bestand worden volgende waarden bijgehouden : Nr. van de stap gecumuleerde afstand aanvoer (onderaan vindt u de totale aanvoer) afvoer (onderaan vindt u de totale afvoer) compressie/expansie factor gecorrigeerde afvoer = factor verrekend in de afvoer gecumuleerd grondverzet = aanvoer gecorrigeerde afvoer + bovenstaand totaal aanvoer teelaarde afvoer teelaarde U sluit de volumeberekening door op de knop «Annuleren» te drukken. 184

201 185

202 Deel IV Uitdrukkingen In deel I van dit handboek werd reeds een algemene beschrijving gegeven rond uitdrukkingen. In deel V zal hier meer gedetailleerd op ingegaan worden. Omwille van het feit dat voor vele programmeurs de Engelse beschrijving duidelijker is, hebben we ervoor geopteerd om dit deel niet te vertalen. 186

203 187

204 Hoofdstuk 1: General Terms An expression is commonly applied to a CAD object or to a row of a rowset. Some expressions defining a database view are applied to pairs of rows from base rowsets. Thus, expressions are called one- or two-dimensional respectively. The unit of compilation that we are considering here is a single expression. String to compile A string to compile is a sequence of Unicode characters. It may not contain any control characters (except final zero). Lexemes Lexemes (or tokens) are separated by one or several blank characters from each other. Lexemes may be not separated if they are correctly recognized. There are the following types of lexemes: - constants, - field names, - function names, - prefixes, - operators, - dot, - comma, - parentheses. Comment is not allowed. Constants Constants of the following types are supported: Integer numbers: Must be represented as a sequence of digits. Real numbers: Must be represented as a sequence of digits with a decimal point inside, before or after. Infinite value can be represented in two ways: as or as a function call INFINITY(). To designate integer or real negative values a unary minus can be used, see below. Strings: Must be represented within double quotes. If a string contains a double quote inside, it must be repeated twice. Constants of other types can be represented as function calls with constant arguments or without arguments, for example: TRUE(), DATE(2005,12,15). 188

205 Field names Field names are names of columns of a rowset. Field names can be expressed in two ways: First way is to use the name as it is; this is possible only when the name is a correct identifier, i.e., it begins with a letter and contains only letters and digits. Characters $ and # are treated as letters and character _ as a digit. Second way is to enclose the name into single quotes. If this name contains a single quote inside, then it must be repeated twice. Both ways, the letter case is ignored. Function names All function names are predefined; see details in the syntax definition below. Prefixes In two-dimensional expressions it may be necessary to distinguish between objects of different base rowsets. Special names called prefixes are used for this purpose: MAIN for a main and AUX for an auxiliary base. Separating dot After a prefix, a dot must be used to separate the prefix from a function or column name. Operators All possible operators are described in Syntax section below. Some operators have two representations: one is more usual, combined from common characters, for example, an inequality can be represented either as or as <>. The second form is designed to facilitate keyboard input. Item separator Item separator (usually comma) is used only to separate list items, for example, actual arguments in a function call. Parentheses Left and right parentheses are used in two cases: to enclose item lists and to define order of operations. 189

206 Language versions There are two language versions: localized and international (actually US English). Localized version is used when you are viewing or editing the sources. International version is used in two cases: in expression strings stored to Pythagoras documents and in expression strings handled via the VBA. An expression string can be unambiguously converted from one version to another if it is syntactically correct. Preferences Compilation is done using Pythagoras preferences, which as a rule coincide with the current preferences. But preferences are stored together with database views, named Finds and Thematic maps and remain untouched. If you change the current preferences or use a named Find with another document, the used preferences may differ from the current ones. For localized versions, decimal points and item separators in the compiled expression are expected to be as in the preferences (for example, comma, as the decimal point and semicolon ; as the item separator). For international version, dot and comma are assumed respectively. Some built-in functions get arguments and return results in units set in the preferences. It is supposed that angle unit is not set to so-called survey unit. Short date and time formats from the preferences are used when converting strings to date and/or time and back. GermanYX setting in the preferences changes semantics of functions X, Y, XY and YX. Localization Function names and prefixes MAIN and AUX are a subject of localization. In a localized version they are obtained from resources, in the international version English names of functions and of these prefixes are used for all localizations. In this document only such function names and prefixes are specified. 190

207 Hoofdstuk 2: Syntax and semantics Data types The following data types are supported: Numeric types: integer and real numbers. Date and time types: date and time together, date only and time only. Date and time together (referenced further as date-time) has moments of time as values. They may be interpreted as UTC or as local time. Date only (referenced further as date) is a type whose values are dates. Time only (referenced further as time) is a type with time durations as values. They may be interpreted as the time of day, the value is nonnegative and equals to the time duration from the beginning of the day to the described moment. The other interpretation is the time interval between two moments, the value may be negative. String type: Unicode strings. Boolean type: TRUE() and FALSE() (function calls). Graphic object type: graphic objects of the current document. Coordinate type: only XY is supported. Graphic object type: POINT(), LINE(), POLYGON(), TEXT(), ARC(), CIRCLE(), SPLINE(), PATH(), IMAGE(), CLOTHOID(), RICHTEXT(), ROAD() and COMPOUND() (function calls). Type coercion Only two cases of implicit type coercion are supported: integer to real and date to date-time. In the second case, time of day is assumed to be 0 hour (beginning of the day). NULL value A special NULL value may occur either as a term or as a value of an expression (subexpression). NULL value is compatible with every type. NULL as an error signal The result of any operation or function where at least one argument is NULL is also NULL. This rule has few exceptions described explicitly below. The 191

208 result of an operation or function can be also NULL if it cannot be calculated, for example, Date(2005,2,30) (30th of February). Function NULL() The function call NULL() always returns the NULL value. It may be used as the NULL constant value. Sometimes it is necessary to specify the NULL constant value explicitly, see an example in Hoofdstuk 5: Examples. Empty string and NULL values In most RDBMSs including all versions of the SQL standard empty strings and NULL values are treated differently. But in other databases and in many other cases (CSV and DBF files) they are not distinguished. One of the reasons for this is that both values are intuitively treated as identical by many users. Empty strings and NULL values are indistinguishable in Pythagoras expression language. Particularly, a value of a column of string type is never obtained as NULL. It is an empty string in any case, independent of whether it is actually an empty strings or a NULL value. Comparison operations All comparison operators return Boolean values. Less/greater Expressions of the following types can be compared: - all numeric, - all date and time, - string. Both operands must be of the same type except integer-real and date/timedate combinations. The following comparison operators are available: <, (or <= ), >, and (or >= ). Order between strings is assumed to be alphabetic case insensitive in the current locale. Equality/inequality Expressions of all types can be compared. Both operands must be of the same type except integer-real and date/time-date combinations. The following comparison operators are available: = and (or <> ). String operands are assumed to be equal when they differ only by letter case in the current locale. Note that NULL = NULL equals to NULL. To compare a value with NULL, a special function ISNULL() is used. 192

209 Arithmetic operations Unary minus The (minus) sign is used before an integer or real expression to negate its value. Addition The + (plus) sign is used between expressions to add their values. The following type combinations are possible: Left operand Right operand Result Comment type type type integer Integer integer integer Real real real Integer real real Real real date-time Time date-time date Time date-time time date-time date-time time Date date-time time Time time date Integer date integer value is the number of days integer Date date integer value is the number of days Subtraction The sign is used between expressions to subtract their values. The following type combinations are possible: Left operand Right operand Result type Comment type type Integer integer integer Integer real real Real integer real Real real real date-time date-time time date-time date time Date date-time time date-time time date-time Date time date-time Time time time Date integer date integer value is the number of days Date date integer integer value is the number of days 193

210 Multiplication The * (asterisk) sign is used between expressions to multiply their values. The following type combinations are possible: Left operand type Right operand type Result type Integer integer integer Integer real real Real integer real Real real real Time integer time Time real time Integer time time Real time time Division The / (slash) sign is used between expressions to divide left value by the right one. The following type combinations are possible: Left operand type Right operand type Result type integer or real integer or real real time integer time time real Time String concatenation The & sign may be used between string expressions to obtain string concatenation. 194

211 Hoofdstuk 3: Functions Function calls Pythagoras expression language supports only embedded functions. Each function is distinguished by a unique name. A function call has the syntax name (arg1, arg2,, argn), where name is a function name (keyword). Number of arguments in parentheses is arbitrary; parentheses are necessary even when there are no arguments. Prefixing In two-dimensional expressions prefixes can be used to define one of two dimensions. They must be followed by a separating dot and then by a column name or a function call. Only functions which depend on dimensions can be prefixed: OBJECT(), object feature functions with omitted arguments aggregate functions. See also Hoofdstuk 4: Determining main or auxiliary rowset below. Type conversions Implicit type conversions are functions with names equal to types and mostly with one argument (there is one exception). The following conversions are possible: Function Argument(s) Comment name type(s) INTEGER date As days INTEGER string REAL integer or string REAL date-time, date As days or time DATETIME real As days DATETIME date DATETIME string * DATE integer As days DATE string * TIME real As days TIME string * STRING integer 195

212 STRING real and integer a real is converted and represented with number of decimal places equal to an integer STRING date-time * STRING date * STRING time * STRING Boolean TRUE Y, FALSE N Conversions are made using short date and time format strings from the current preferences. All these functions can be also applied to an argument already having the desired type in this case they merely return the value of the argument. Special functions are used to convert real to integer: TRUNC and ROUND. The first one converts to the nearest integer value less or equal by the absolute value, the second one converts to the nearest integer value. In all conversions of strings the letter case is ignored. In real string conversions a decimal separator defined in the current preferences is used. Unit conversion The following functions return specified units: MM(), CM(), DM(), M(), DAM(), HM(), KM(), INCH(), FOOT(), USFOOT(), MILE(), GRAD(), DEGREE(), MIL() and RADIAN. To convert linear length or angle values, you can multiply or divide by these constants: If columns HEIGHT and VOLUME contain values expressed in meters and cubic kilometers respectively, these values can be expressed in a length unit from the preferences as HEIGHT*M() and VOLUME*CUBE(KM()). Elevation of the current graphic object can be expressed in meters as Z()/M(). To express HEIGHT in miles, use the expression HEIGHT*M()/MILE(). The above functions can also have one argument of type real. In this case, the argument value is divided by the corresponding constant. The latter examples can be rewritten respectively: KM(KM(KM(VOLUME))) (not recommended); M(Z()); MILE(HEIGHT*M()). XY assembler and disassemblers Functions XY and YX accept two real arguments each and return an XY value. Functions X and Y accept an XY argument and return a real value expressed in length unit from the preferences. All these functions are GermanYX setting dependent. On the contrary, functions EN, NE, E and N (east and north) are GermanYX setting independent. 196

213 Comparison functions The following functions return Boolean values. Comparison is case insensitive. Function name Arguments number and type BETWEEN three arguments e, a, and b of the same type; type must be admissible for comparison IN two or more arguments of the same type except Boolean LIKE two arguments s and p of string type STARTS two arguments s and p of string type ENDS two arguments s and p of string type CONTAINS two arguments s and p of Meaning e a and e b first argument is equal to one of other ones see text below s begins with p s ends with p s contains p string type ISNULL one argument of any type result is TRUE when an argument has value NULL or is an empty string The function LIKE returns TRUE if the compared strings correspond in the following sense: - a special value ANYSEQ() in p corresponds to any sequence of characters in s (including an empty sequence), - a special value ANYCHAR() in p corresponds to any character in s, - other characters in p must correspond to the same characters in s. See an example of function ISNULL in the description of the Function IF. Logical functions Logical functions have arguments and results of Boolean type. Function name NOT AND OR Number of arguments one two or more two or more If at least one of AND operands is FALSE, the result is also FALSE, even if some of the other operands are NULL. If at least one of OR operands is TRUE, the result is also TRUE, even if some of the other operands are NULL. 197

214 Function IF This function has three arguments, the first one must be of Boolean type and the other arguments must be of compatible types. The type of the result is defined by the types of the last two arguments: Arguments types integer and/or real date and/or date-time any other type (same for both arguments) Result type integer if both arguments are integers; real otherwise date if both arguments are dates; date/time otherwise the same type If the first argument is TRUE, then the second argument is regarded as the function result; if the first argument is FALSE, then the third argument is regarded as the function result. Example: We have an attribute table containing data about some parcels. Column Price contains the known price of a parcel or NULL if the price is unknown. We want to write down an expression containing the supposed price of a parcel: if the price is unknown, then this price is calculated as the area of the parcel multiplied by 212 (supposed price of 1 area unit). The expression will be if (isnull(price), area() * 212, price) Function COALESCE The function COALESCE has one or more arguments. Types of all arguments must be compatible in-between themselves. Type of the result is defined in the same way as for the IF function above. The result of this function is the first argument value being neither NULL nor an empty string. If every argument value is either NULL or an empty string, then the result is an empty string if at least one of the arguments is an empty string, and NULL otherwise. This function is useful to substitute NULL by some other values. The example for the IF function above can be rewritten simpler: coalesce (price, area() * 212) Functions MINIMUM and MAXIMUM These functions have one or more arguments. Types of the arguments and of the result are described in the following table: Arguments types integer and/or real date and/or date-time Result type integer if all arguments are integers; real otherwise date if all arguments are dates; date/time otherwise 198

215 time string time string Note: Names of these functions in version 11 of Pythagoras were MIN and MAX. They have been changed because a new aggregate functions MIN and MAX were introduced (see below). This must be taken into account when reading/writing Pythagoras v11 documents. Numeric functions All numeric functions have only one argument; type of the argument must be the same as the expected result type. Functions with real result may be also applied to an integer argument. Function name ABS SQUARE SQUAREROOT CUBE EXP LOG SIN COS TAN ASIN ACOS ATAN Result type integer, real or time integer or real real integer or real real real real real real real real real Functions SIN, COS and TAN get values and functions ASIN, ACOS and ATAN return values in angle units set in the preferences. Date/time functions There are two functions without arguments: Function name Result type Comment NOW date-time UTC time is returned TODAY date local date is returned Also there are some functions with one argument: Function name Argument type Result type Comment UTCTOLOCAL date-time date-time LOCALTOUTC date-time date-time DATE date-time date TIME date-time time time of day YEAR date-time or date integer MONTH date-time or date integer January = 1 DAY date-time or date integer day of month DAY time integer number of full days HOUR date-time or time integer 0 23 MINUTE date-time or time integer

216 SECOND date-time or time integer 0 59 The following functions compose date and time values: Function name Arguments meanings and types Result type DATETIME date and time date-time DATETIME year, month, day, hour, date-time minute and second, all integers DATE year, month and day, date all integers TIME day, hour, minute and time second, all integers Comment arguments may be omitted beginning from hour the argument day is the number of full days; arguments may be omitted beginning from hour String functions Function name Arguments meanings and types Result type LEN string integer LEFT string and String length(integer) RIGHT MID string and length(integer) string, position(integer) and length(integer) String string Comment - left substring of specified length; - if the specified length is greater than the actual length, the whole string is returned - right substring of specified length; - if the specified length is greater than the actual length, the whole string is returned - substring beginning from specified position of specified length; - positions are numerated from 1; - if the specified position is greater than the actual length, an empty string is returned; - if the specified length is too big, then a shorter string is returned LTRIM string string eliminate all blanks from the beginning of the string RTRIM string string eliminate all blanks from the end of the string TRIM string string eliminate all blanks both from the beginning and the end of the string UPPER string string LOWER string string UNICODE string integer Unicode code of the first character of the string CHAR integer string returns a string with one character with the Unicode code equal to the argument value 200

217 Function OBJECT To reference a graphic object itself, build an expression with a special function OBJECT(). For example, an expression OBJECT()=NEXT can be used to check whether a value in the column NEXT references the object. Graphic object features The functions returning graphic object features always have a single argument the graphic object they are applied to. If the argument is omitted, it is interpreted as applying the function to OBJECT(): Both COORDINATES(OBJECT()) and COORDINATES() return coordinates of the object. But both COORDINATES(NEXT) and COORDINATES('NEXT') return coordinates of an object referenced in the column NEXT of a rowset. If the function name is preceded by a prefix, the argument must be omitted, and the argument prefix.object() is assumed: Both AUX.COORDINATES(OBJECT()) and COORDINATES(AUX.OBJECT()) return coordinates of the object of the auxiliary base rowset. But both COORDINATES(AUX.NEXT) and COORDINATES(AUX.'NEXT') return coordinates of an object referenced in the column NEXT of the auxiliary base rowset. Some functions are meaningful only for graphic objects of certain types. Being applied to graphic objects of improper type, they return NULL. Distances, areas and angles are assumed to be in units specified in preferences. Function name Object types Result type Value for compound Comment TYPE all object type COMPOUND() CONTAINER all object type NULL for compound element the compound is returned; otherwise NULL is returned COMMENT DISPLAYLEVEL LAYER SELECTED FLAGGED all except text, rich text and compound all except compound all except compound all except compound all except compound string NULL not NULL except text, rich text and compound integer string Boolean Boolean NULL an empty string NULL NULL POINTNUMBER point string an empty string XY point, text or rich text XY NULL synonyms YX, EN and NE may be also used 201

218 X Y E N point, text or rich text point, text or rich text point, text or rich text point, text or rich text Z point real NULL LENGTH line, arc, circle, spline, clothoid, path or compound real paths PERIMETER polygon or compound real BEARING line real NULL DELTAZ line, arc, real NULL spline, clothoid or path SLOPELENGTH line, arc, circle, spline, clothoid, path or compound real NULL GermanYX dependent real NULL GermanYX dependent real NULL GermanYX independent, synonym RW may be also used real NULL GermanYX independent, synonym HW may be also used real SLOPEPERIMETER polygon or real compound STARTINGPOINT line, arc or graphic clothoid object ENDPOINT line, arc or graphic NULL clothoid object RADIUS arc or circle real NULL APERTURE arc real NULL CENTER arc or circle XY NULL MINZ spline real NULL MAXZ spline real NULL CONTENT text or rich text string NULL AREA polygon or compound real sum of values for all lines, arcs, circles, splines, clothoids and sum of values for all polygons sum of values for all lines, arcs, circles, splines, clothoids and paths sum of values for all polygons NULL sum of values for all elements being polygons For splines length is calculated now instead of slope length Pythagoras specific functions Function name First argument Second argument Result type DISTANCE XY or graphic object of one of the following type: point, line, polygon, arc, circle, spline, path, clothoid, compound XY or graphic object of one of the following type: point, line, polygon, arc, circle, spline, path, clothoid, compound real Comment this function returns NULL when one of arguments is a spline other than a broken line or a compound containing such spline INSIDE XY or point graphic object (polygon or compound) Boolean a point lies inside the specified polygon or inside a polygon being an element of the specified compound 202

219 Aggregate functions Aggregate functions differ from the others in the way that they are applied not to one row (object) but to an entire rowset. A subexpession being an argument of an aggregate function is calculated for each row, and then the function is applied to all values. Function Argument type Result type Comment name COUNT no argument integer number of rows MIN numeric, date, time, the same minimal value date/time or string MAX numeric, date, time, the same maximal value date/time or string SUM integer, real or time the same sum of values AVG integer, real or time time for time, real otherwise SUM( ) / COUNT() COUNT and SUM return 0 when applied to an empty rowset, others return NULL. If a subexpression value is NULL at least for one row, the result of SUM and AVG will be also NULL. For AVG, the function value is also NULL when the rowset is empty, i.e. contains no rows. For MIN and MAX functions, the result is the minimum (maximum) value of all non-null values. If all subexpression values are NULL or the rowset is empty, then MIN and MAX functions also return NULL. 203

220 Hoofdstuk 4: Expression Kinds and Compilation Target expressions We will call target expressions the ones used as final expressions as opposed to the expressions building views. You use target expressions in the Find dialogue to search for a set of objects or in thematic maps to range objects. Expression kinds From the point of view of syntax and semantics we have to distinguish between five kinds of expressions. 1. One-dimensional expression without aggregate functions This is the most common expression kind. An expression is applied to one rowset and does not use aggregate functions. For example: where expressions for simple views; target expressions in Find dialogue. 2. One-dimensional expression with aggregate functions An expression is applied to one rowset and can use aggregate functions applied to the same rowset. For example: column expressions for simple views; target expressions in Thematic maps. 3. Match expression in aggregation views An expression is applied to two rows belonging to different rowsets. They cannot use aggregate functions. 4. Where expression in aggregation views An expression is applied to a row and a rowset; the row belongs to other rowset than the argument. Only aggregate functions applied to the second dimension can be used. 5. Column expression in aggregation views An expression can reference only objects and columns of the main dimension. Aggregate functions of both dimensions can be used but have very different meanings. An aggregate function applied to the auxiliary dimension is applied to all rows of the auxiliary base rowset corresponding to the current row of the main rowset. An aggregate function applied to the main dimension is applied to all rows of the main base rowset. 204

221 Determining main or auxiliary rowset In aggregation views, columns and objects of two dimensions are present in expressions. Mentioned above prefixes Main and Aux can be used to indicate the dimension. In some cases such indication is unnecessary. For example, if only one base rowset is an attribute one, then the function OBJECT() can be applied only to this dimension; if the referenced column is present only in one base rowset, etc. In all cases of ambiguity there are default values: Inside an aggregate function applied to an auxiliary dimension call this dimension is assumed. If an aggregate function is called in a column expression of an aggregation, the auxiliary dimension is assumed. In all other cases the main dimension is assumed. Expression compilation Each expression is entered in textual form and needs to be compiled. Expression compilation is provided at the moment depending on its kind and many other factors. Of course, compilation can be successful or not. In case of failure, you will be provided with a description of lexical or syntax errors, and in most cases the part of the expression that caused the error will be highlighted. 205

222 Hoofdstuk 5: Examples One-dimensional expressions Without aggregate functions Find example Find all graphic objects, where comments contain the substring electr (in any letter case): like (comment, anyseq() & electr & anyseq()) Find using database Find all graphic objects connected to an attribute table and having in column Completion a date between and : between (completion, date(2006,1,1), date(2006,3,15) ) Find using IF function Find all points, where comments begin with the percentage ( % ) sign, and all other objects, where this sign is in the second position: if (type=point(), like(comment, % &anyseq()), like(comment,anychar()& % &anyseq())) Using NULL function We have an attribute table describing parcels. The table has columns Price and PriceDate containing respectively price estimate and the date when this estimation was made (or two NULL values if the price is unknown). We want to calculate the most trustable price. If the price in the database is not older than 5 years we will recalculate it assuming inflation level of 3% per year. Otherwise, we will return NULL because we have no trustable price. This task can be solved as following: if (real(now() pricedate) < 5*365, price * exp (real(now() pricedate) / 365 * log(1.03)), null()) Note that this expression gives a correct result also in cases when either Price or PriceDate is NULL: If the value in Price is NULL, the second argument of the IF function is calculated to NULL, and therefore, the result is also NULL. If the value in PriceData is NULL, the first argument is calculated to NULL, and therefore, the result is also NULL. 206

223 Using aggregate functions Table view We have an attribute table Roads linked to paths and having a column Width. We want to find all roads at least 10 m wide and display their lengths and widths. We also want to see the total length of all such roads. The main rowset is, of course, the Roads table. A where expression can be defined as width 10*m() Column expressions can be defined as length() width sum(length()) The second column can be defined as ordering in the descending order. We will obtain a rowset containing three columns. All roads are sorted by their widths in ascending order. The first two columns are length and width; the third column contains the total length being the same value for all rows. Aggregations views Find using an aggregate function We have the same table Roads as in the example above and an attribute table GasStations linked to points. We want to find roads with more than 1 gas station per km. First of all let us define a view to be used in the Find dialog. The main rowset is the Roads table, the auxiliary rowset is the GasStations table. The match expression can be defined as and (aux.propane, distance (object(), aux.object()) 100*m()) Here Propane is the name of a column of Boolean type, i.e., we are searching only for gas stations, where propane refueling is possible. The first time the function object() is unprefixed; this means that the main rowset object is assumed (default). The where expression can be defined as true() This means that all roads are included into the new view. Column expressions are absent; we need no columns in the new view. The Find dialog references the created view. The target expression is Find using telescope count() / km(length()) > 1 The previous example has a serious drawback. To build a match lattice, all row pairs of the tables Roads and GasStations will be searched through. But 207

224 actually, very few gas stations have the propane option it would be faster to find all such stations first. We will solve the task in two steps: 1) Build a simple view PropaneStations containing only gas stations with the propane option. The base rowset is the table GasStations. The where expression is Propane. No column expression is necessary. 2) The second step is close to the example above. The main rowset is also the Roads table, the auxiliary rowset is the PropaneStations view. The match expression is distance (object(), aux.object()) 100*m() The where expression is also true(). The further actions are as in the example above. Table view using aggregate functions of both kinds Continuing previous examples, we want to build the same view but extended by two new values: number of filling stations per km for each road and in total. The main rowset is the Roads table, the auxiliary rowset is the PropaneStations view. The match expression is distance (object(), aux.object()) 100*m() The where expression is Column expressions are: width 10*m() km(length()) width km(main.sum(length())) count() / km(length()) sum(count()) / main.sum(km(length())) Note that main. is necessary twice. Otherwise, the expression sum(km(length())) would mean an absolutely different and strange thing: the total length of all filling stations close to the current road. As filling stations are points, their length is calculated as NULL and this expression would be calculated to NULL also. 208

225 209

226 210 Appendix

227 211

228 Appendix A: Formaat Coördinatenlijst Inleiding Een coördinatenlijst is een tekstbestand dat bestaat uit de puntnummer en de coördinaten van een aantal punten. Een coördinatenlijst kan met bijna elk tekstverwerker- of spreadsheetprogramma gemaakt worden (Microsoft Excel, Lotus 123,...). In hoofdstuk 2 van deze Referentiegids wordt uitgelegd hoe dit tekstbestand door Pythagoras gebruikt wordt. De Structuur Een coördinatenlijst heeft de volgende structuur: <Pointld> TAB <Coord1> TAB <Coord2> TAB <Coord3> TAB <InstrH> TAB [<ReflH>] TAB <Comment> De coördinaten kunnen de volgende zijn: XYZ NOZ HDZ HVD HVS Scheidingsteken kan naast TAB ook spatie, komma (, ) of punt-komma ( ;) zijn. 212

229 Appendix B: Sneltoetsen Inleiding Om menu-items te activeren ondersteunt Pythagoras de sneltoetsen die bij Microsoft Windows standaard zijn. Raadpleeg de gebruikershandleiding van uw systeem als u meer te weten wil komen over het standaardgebruik van sneltoetsen. Buiten het standaardmenu sneltoetsen heeft Pythagoras ook een aantal sneltoetsen waarmee u bepaalde bewerkingen sneller kan uitvoeren. Merk op dat de CTRL-toets en de ALT-toets steeds dezelfde functie hebben. Belangrijke opmerking: Bij gebruik van de CTRL-, ALT-, of SHIFT-toets moet deze ingedrukt blijven tot de bewerking volledig beëindigd is. Overzicht Toets Functie CTRL-en ALT-toets a) In Selecteer-modus Houdt u de CTRL-toets ingedrukt bij het selecteren van een lijn of boog, dan zullen ook de eindpunten van de lijn of boog geselecteerd worden. Houdt u de CTRL-toets ingedrukt bij het slepen van tekst, dan wordt de tekst gedupliceerd. De CTRL-toets moet alleen ingedrukt worden wanneer u de muisknop loslaat. b) Bij het aanmaken van tekst Bij het positioneren van de tekstcursor kan u deze doen snappen (=grijpen) naar een lijn door de CTRL-toets ingedrukt te houden bij het naderen van een lijn. De basislijn van de tekst zal hierdoor op de getekende lijn komen te liggen. c) Bij het tekenen van lijnen Als de toets ingedrukt wordt bij het tekenen van een lijn, dan blijft de nieuwe lijn parallel aan de X- of Y-as van het geactiveerde coördinatensysteem. 213

230 d) Bij het tekenen van een cirkel/boog met gekend middelpunt en gekende radius. Als de toets ingedrukt wordt wanneer u de cirkel bevestigt, zal er een punt in het middelpunt van de cirkel gecreëerd worden. e) Bij het tekenen van een boog tangentieel aan 2 lijnen. Als de CTRL-toets ingedrukt wordt wanneer u de raakboog bevestigt, worden de lijnen ingekort of verlengd tot aan de raakpunten. Dit is een sneltoets voor het commando "Afronden". f) Een tijdelijk Eigen Coördinatensysteem (parallel aan het actieve CS) aanmaken. Als de CTRL-toets ingedrukt wordt wanneer u op het beginpunt van een nieuw coördinatensysteem klikt, wordt er een tijdelijk coördinatensysteem aangemaakt. De assen van het nieuw gecreëerde coördinatensysteem zijn parallel aan de assen van het actieve coördinatensysteem. g) Een tijdelijk Eigen Coördinatensysteem aanmaken. Als de CTRL-toets ingedrukt wordt wanneer u op het punt klikt, dat de richting van het nieuwe coördinatensysteem aangeeft, wordt er een tijdelijk coördinatensysteem aangemaakt. h) Het commando Verplaats Als de CTRL-toets ingedrukt wordt wanneer u objecten verplaatst, kunnen de objecten alleen verplaatst worden parallel met of loodrecht op het actieve coördinatensysteem. i) Het commando Groepeer Als het Groepeer commando wordt uitgevoerd, dan wordt het originele eindpunt van de lijn of boog niet gewist. j) Laag actief maken in het controle paneel. CTRL samen met het actief maken van een laag, zal de geselecteerde objecten in de actieve laag plaatsen. k) Evenwijdig lijnsegment. CTRL toets bij bevestiging afstand. Pythagoras construeert een rechthoek waarvan de hoogte de gegeven afstand is. De rechthoek blijft opgebouwd uit afzonderlijke lijnstukken. l) Bij keuze van een symbool in menu "Instellingen" Indien de CTRL toets wordt ingedrukt bij het loslaten van de muisknop bij keuze van het standaard symbool, komt het programma automatisch in de mode "Symbool tekenen". 214

231 m) Tijdens het roteren Indien de CTRL-toets tijdens het roteren wordt ingehouden, verspringt de rotatie per 90. n) Wanneer u het Pagina Coördinaten-systeem actief maakt met de CTRL-toets ingedrukt, zullen de geselecteerde objecten getransformeerd worden naar pagina-coördinaten. o) Wanneer u het Lokaal Coördinaten-systeem actief maakt met de CTRL-toets ingedrukt, zullen de geselecteerde objecten getransformeerd worden naar lokale coördinaten. p) Door de CTRL-toets bij het aanmaken van een punt op een lijn tijdens de bevestiging van het punt in te houden, wordt de lijn automatisch gesplitst in 2 lijnen waarbij het aangemaakte punt het eindpunt van de ene lijn en het beginpunt van de andere lijn wordt. Eigenschappen van de oorspronkelijke lijn blijven behouden. SPACEBAR a) Wisselt tussen de "Selecteer"-modus en de laatst gebruikte gereedschapskist-modus. b) In Lijn-modus De lijn zal in een boog veranderen evenwijdig aan de lijn die voor het drukken van de SPATIE-toets zichtbaar was. c) Het tekenen van roteerbare symbolen Wanneer de standaard puntstijl een roteerbaar symbool is (bv. straatkolk), moet eerst een lijn aangeduid worden om de richting van het punt aan te aan te geven. Het symbool kan nog gedraaid worden over 180 door het drukken van de SPATIEtoets. Shift-toets a) In Selecteer-modus Wanneer de Shift-toets ingedrukt wordt, kan u objecten aan de selectie toevoegen of eruit verwijderen. b) Bij het tekenen van lijnen Door met de muis op het eindpunt van een lijn te klikken en daarbij de Shift-toets ingedrukt te houden, wordt er een nieuwe lijn getekend met haar beginpunt in dat zelfde eindpunt. Op 215

232 deze manier kan u sneller lijnen tekenen, die verschillende bestaande punten verbinden. c) Bij tekenen van een parallel lijnsegment. SHIFT toets indrukken en cursor bewegen over een aangrenzende lijn of boog. De aangrenzende lijn of boog wordt parallel mee verplaatst. Het resultaat is hetzelfde als het nemen van een evenwijdige polylijn aan een pad. Shift Lock (Caps Lock) a) Indien u tijdens het tekenen van objecten de puntbevestiging heeft aanstaan, dan zal Pythagoras altijd om exacte gegevens vragen. Door de Shift Lock toets op te zetten activeert u het repetitief ingeven wat wil zeggen dat u na het bevestigen van de gegevens automatisch in de ingave van gegevens blijft. b) Deze toets heeft bij het tekenen van lijnen en bogen hetzelfde effect dan dat men de SHIFT-toets inhoudt nl. het beginpunt van een nieuwe lijn of boog wordt begonnen in het eindpunt van het vorige. ">"-toets Hiermee wordt "Zoom in" geactiveerd (komt overeen met het selecteren van "Zoom in" in het Venstermenu). "<"-toets Hiermee wordt "Zoom uit" geactiveerd (komt overeen met het selecteren van "Zoom uit" in het Venstermenu). "="-toets "Werkelijke Grootte" wordt geselecteerd. "-"-toets "Vul Venster" wordt geselecteerd. TAB-toets a) Bij input in het controlepaneel Hiermee komt u in het volgende veld van het controlepaneel. 216

233 b) In de meeste tekenmodi wanneer de cursor zich op een lijn bevindt Het controlepaneel toont dan achtereenvolgens: de lijnlengte, de schuine lengte, het hoogteverschil, de kaarthoek, de helling. c) In de meeste tekenmodi wanneer de cursor zich op een boog bevindt. Het controlepaneel toont dan achtereenvolgens: de lengte van de boog, de straal, de openingshoek, de schuine lengte, het hoogteverschil, de helling. Shift-TAB-toetsen Indien men een bepaalde informatie gekozen heeft over het object, dan kan men met de Shift-TAB combinatie ervoor zorgen dat dit voortaan de standaard informatie is die voor dat soort object wordt getoond zolang men Pythagoras niet verlaat. ESC-toets Annuleert tekenoperaties. Geeft hetzelfde resultaat als het selecteren van de gereedschapskistfunctie. "0".."9"-toetsen Worden gebruikt tijdens de aanmaak van punten, lijnen, bogen of cirkels, om het punt op een lijn of boog te vinden op intervallen van 1/2.. 1/19 van de lengte van de lijn of boog. Wanneer de numerieke toets of toetsen worden ingedrukt, dan wordt de cursor aangegrepen door de punten op de gevraagde intervallen. "2" geeft een interval van 1/2, "3" -> 1/3,...,"9" -> 1/9, "0" - > 1/10, "1" -> 1/11, "1"&"2" -> 1/12,..., "1"&"9" -> 1/19. "T" toets Indien ingedrukt dan zal enkel tekst geselecteerd worden wanneer met de cursor een selectiegebied aangeduid wordt. Alle andere object types binnenin het selectiegebied zullen niet geselecteerd worden. 217

234 "P" toets Indien ingedrukt dan zullen enkel punten geselecteerd worden wanneer met de cursor een selectiegebied aangeduid wordt. Alle andere object types binnenin het selectiegebied zullen niet geselecteerd worden. "O" toets Indien ingedrukt dan zullen enkel polygonen geselecteerd worden wanneer met de cursor een selectiegebied aangeduid wordt. Alle andere object types binnenin het selectiegebied zullen niet geselecteerd worden. "X" toets Indien ingedrukt dan zullen enkel paden geselecteerd worden wanneer met de cursor een selectiegebied aangeduid wordt. Alle andere object types binnenin het selectiegebied zullen niet geselecteerd worden. "R" toets Indien ingedrukt dan zullen enkel wegen geselecteerd worden wanneer met de cursor een selectiegebied aangeduid wordt. Alle andere object types binnenin het selectiegebied zullen niet geselecteerd worden. "L" toets Indien ingedrukt dan zullen enkel lijnen geselecteerd worden wanneer met de cursor een selectiegebied aangeduid wordt. Alle andere object types binnenin het selectiegebied zullen niet geselecteerd worden. "I" toets Indien ingedrukt dan zullen enkel beelden geselecteerd worden wanneer met de cursor een selectiegebied aangeduid wordt. Alle andere object types binnenin het selectiegebied zullen niet geselecteerd worden. "B" toets Indien ingedrukt dan zullen enkel beelden geselecteerd worden wanneer met de cursor een selectiegebied aangeduid wordt. Alle andere object types binnenin het selectiegebied zullen niet geselecteerd worden. "A" toets Indien ingedrukt dan zullen enkel bogen geselecteerd worden wanneer met de cursor een selectiegebied aangeduid wordt. Alle andere object types binnenin het selectiegebied zullen niet geselecteerd worden. 218

235 "G" toets Deze toets kan gebruikt worden om een niet loodrechte hoek om te vormen naar een loodrechte hoek, en om een rechthoek te maken gebaseerd op de lengtes van beide zijden. Selecteer de parallel tool en klik op de basislijn (die haar richting moet behouden), grijp aan naar de andere lijn en druk de G toets in en verplaats de cursor. De loodrechte situatie wordt vervolgens gecreëerd. Klik ergens in de tekening en de rechthoek wordt gesloten. DEL/Backspace-toets a) Hetzelfde als het "Wis"-menucommando b) Bij het creëren van Polygonen Hiermee wordt het laatste object van de polygoon verwijderd. Dubbelklikken a) Bij aanmaken van polygoon of pad. Dubbel klikken op lijn of boog : aangrenzende lijnen en bogen worden in de polygoon of in het pad opgenomen tot aan een splitsing of tot er geen lijnen meer volgen. b) In selectie modus CTRL - SHIFT - Dubbel klikken : 219

236 de kenmerken van het object worden de nieuwe instellingen. (Bv. bij tekst worden grootte, dikte, stijl en allignering overgenomen). SHIFT - Dubbel klikken : de kenmerken van het object worden aangepast aan de huidige instellingen. De combinatie van de 2 voorgaande sneltoetsen laat toe zeer snel een object dezelfde attributen te geven als een ander object op de tekening. CTRL - Dubbel klikken : CTRL + Dubbel klikken op punt: De elevatie (Z-waarde) van het punt kan worden veranderd in het controlepaneel. CTRL + Dubbel klikken op tekst: De tekst wordt met 180 geroteerd. c) Bij de "Verbind" functie Indien u éénmaal klikt op het tweede object, wordt alleen het eerste object aangepast, maar bij een dubbelklik op het tweede object zal dit verbonden worden tot aan het snijpunt. d) Bij het maken van een loodrechte lijn, evenwijdige lijn of pad en object tekst e) Bij het dubbelklikken op een lijn is het mogelijk om een checkbox Inverteer aan te klikken. Dit resulteert in een spiegeling van de lijnstijl. Dit effect is goed zichtbaar bij asymmetrisch opgebouwde lijnstijlen. Bij de dubbelklik wordt het referentieobject geselecteerd om de functie uit te voeren, maar na de uitvoering blijft dit object geselecteerd om direct een identieke actie te doen. De selectie wordt uitgezet door de ESC-toets of Spatiebalk. 220

237 Appendix C: Plaatshouders Inleiding Plaatshouders worden gebruikt in een Pythagoras tekstblok (geen Richtekst). Bepaalde informatie, afhankelijk van de gebruikte plaatshouder, zal automatisch ingevuld worden op de plaats waar de plaatshouder gebruikt is. Overzicht van de mogelijke plaatshouders ^s : is de plaatshouder voor schaal ^d : is de plaatshouder voor datum. Let wel op, dit is steeds de actuele datum, niet de datum van creatie van de tekening. ^f : is de plaatshouder voor bestandsnaam ^p : is de plaatshouder voor planbladnaam ^u : is de plaatshouder voor gebruikersnaam Deze naam komt overeen met de naam waaronder de gebruiker in Windows is ingelogd. ^c1 : is de plaatshouder voor de X coördinaat van de linkeronderhoek van het printbare deel van een planblad ^c2 : is de plaatshouder voor de Y coördinaat van de linkeronderhoek van het printbare deel van een planblad 221

238 Appendix D: Het PYTHAGOR.INI-bestand Het Pythagor.ini bestand bevindt zich in uw C:\Windows folder (niet in de Pythagoras folder) MAXIDS Het maximum aantal objecten dat u in een tekening kan gebruiken. De limiet in de standaard versie is ca , voor de Pythagoras Plus (XL) versie 4 miljoen. bv. MAXIDS = MAXUNDO Het maximum aantal herstelniveaus bij het creëren, veranderen of wissen van een object. De limiet is 25. bv. MAXUNDO = 3 EXT_DC_IMPORT Hiermee bepaalt u de standaard extensie van de zoeklijst bij de menukeuze "Bestand - Import - Veldgeheugen" bv. EXT_DC_IMPORT=DAT resulteert in een opsomming van bestanden met extensie DAT ( *.DAT ) EXT_DC_EXPORT Hiermee bepaalt u de standaard extensie van de zoeklijst bij de menukeuze "Bestand - Export -Uitzetlijst" bv. EXT_DC_IMPORT=DAT resulteert in een opsomming van bestanden met extensie DAT ( *.DAT ) MOUSE_WHEEL_ZOOMING Hier wordt ingesteld of het scroll-wieltje van de muis zich moet gedragen als een scrollfunctie of als een zoomfunctie Waarden: 1 = muis in- uitzoomen 0 = Scrollen 222

239 AUTOMATIC_BACKUP Deze instelling bepaalt of Pythagoras een automatische reservekopie bewaart bij het openen of niet. Waarden: 0 = geen automatische reservekopie andere = automatische reservekopie AUTOMATIC_SAVE Hiermee wordt vastgelegd of Pythagoras tijdens het werk de tekening automatisch moet bewaren na een gegeven tijdsinterval (zie verder) Waarden: 0 = uitgeschakeld andere = aan AUTOMATIC_SAVE_INTERVAL Hier wordt de frequentie bepaald voor de automatische bewaarfunctie. De frequentie wordt uitgedrukt in minuten. CMDLINE (wordt alleen intern gebruikt) 223

240 Appendix E: Systeembestanden bewaren Indien Pythagoras opgestart wordt terwijl de CTRL toets ingedrukt wordt, dan zal volgend dialoogvenster verschijnen: Dit venster laat volgende acties toe met de systeembestanden: - Zie de locatie waar Pythagoras de systeembestanden bewaard - Specificeer andere locaties waar deze bestanden worden bewaard - Importeer systeembestanden van andere gebruikers De systeembestanden kunnen gekopieerd worden van de aangeduide locatie. 224

Gebruikershandleiding. Real-Time Tachymetermodule

Gebruikershandleiding. Real-Time Tachymetermodule Gebruikershandleiding Real-Time Tachymetermodule juli 2005 Inhoudstabel INHOUDSTABEL...2 INLEIDING :...3 BEPALEN VAN HET STANDPUNT :...4 LOKALE STATIONERING :...4 DE REFLECTORHOOGTE :...5 DE PROTOCOL FILE

Nadere informatie

Tekenen met Floorplanner

Tekenen met Floorplanner Overzicht Het scherm 1. Zoom 2. Opslaan 3. Verdieping tab 4. Undo / Redo 5. Constructiemenu 6. Bibliotheek 7. Tekenvlak Eigenschappenmenu s De plattegrond wordt opgebouw uit verschillende elementen: ruimtes,

Nadere informatie

Handleiding Pythagoras Bonus Tools

Handleiding Pythagoras Bonus Tools Handleiding Pythagoras Bonus Tools Uitbreidingen d.m.v. Pythagoras VBA Visual Basic for Applications Versie 2.08 March 2009 Pythagoras Bonus Tools 1 / 42 Inhoudstabel Inhoudstabel... 2 Inleiding... 5 Het

Nadere informatie

Gebruikershandleiding

Gebruikershandleiding Gebruikershandleiding Training MANUAL DE USUARIO NAC SPORT ELITE Version 1.3.400 Nacsport Training wwww.nacsport.com 1 Index 1- AFBEELDINGEN 2- OEFENINGEN 3- TRAINING 4- KALENDER Nacsport Training wwww.nacsport.com

Nadere informatie

V1.1 VERSION 14: WHAT S NEW

V1.1 VERSION 14: WHAT S NEW V1.1 VERSION 14: WHAT S NEW INHOUDSTABEL VERSION 14: WHAT S NEW pag. 2 1. What s New... 5 1.1. Tabs... 5 1.2. Multiple document interface... 5 1.3. Lengte laagnamen... 5 1.4. Verbeterde tekenfuncties...

Nadere informatie

ADRES 2000 VOOR WINDOWS

ADRES 2000 VOOR WINDOWS Theun Bollema 2011 Met Adres 2000 voor Windows is het mogelijk om eenvoudige databases te maken of om adressenbestanden (met meer dan 50000 adressen is geen probleem) te beheren. Door zijn opzet kan het

Nadere informatie

2 Kennismaking met het scherm

2 Kennismaking met het scherm 84 1 Inleiding Met Microsoft Office Picture Manager kan je op een eenvoudige manier jouw afbeeldingen bekijken, beheren, bewerken en delen. Paint kan je openen via Starten - Alle Programma s - Microsoft

Nadere informatie

Financiële analyse op maat

Financiële analyse op maat Installatie Financiële analyse op maat Via de link http://www.id-soft.be/img/zip/hannahlisa.zip kunt u de gezipte map HannaHLisa downloaden. 1. U pakt het bestand uit op een door u gewenste locatie 2.

Nadere informatie

7. Module Transformatie... 1

7. Module Transformatie... 1 ... 1 7.1. Inleiding...1 7.2. Icoonomschrijving...2 7.2.1. Nieuw... 3 7.2.2. Herstellen... 3 7.2.3. Wijzig... 3 7.2.4. Aanpassen... 4 7.3. Menu Transformatie...5 7.3.1. Projectie... 5 7.3.2. Definieer...

Nadere informatie

www.dubbelklik.nu Handleiding Paint 2003

www.dubbelklik.nu Handleiding Paint 2003 Handleiding Paint 2003 www.dubbelklik.nu Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand dan wel openbaar gemaakt in enige

Nadere informatie

Bijlage Inlezen nieuwe tarieven per verzekeraar

Bijlage Inlezen nieuwe tarieven per verzekeraar ! Bijlage inlezen nieuwe tarieven (vanaf 3.2) Bijlage Inlezen nieuwe tarieven per verzekeraar Scipio 3.303 biedt ondersteuning om gebruikers alle tarieven van de verschillende verzekeraars in één keer

Nadere informatie

--- Top50orohydro- 381dpi --- PRODUCTSPECIFICATIE V3.0 (2011)

--- Top50orohydro- 381dpi --- PRODUCTSPECIFICATIE V3.0 (2011) --- Top50orohydro- 381dpi --- V3.0 (2011) PRODUCTSPECIFICATIE Pagina 1 van 10 Productspecificatie Top50orohydro- 381dpi V3.0 (2011) 1. OVERZICHT 1.1. Informatie over de opstelling van de productspecificatie

Nadere informatie

Aan de slag met het Geoloket

Aan de slag met het Geoloket Aan de slag met het Geoloket Een Geoloket standaardscherm is opgebouwd uit volgende basiselementen: Linkermenu dat opengeklapt kan worden, met: Lagen: overzicht van alle lagen. De basisinventaris bevat

Nadere informatie

Herberekenen BaseCamp GPS routes Motorclub Zwolle en Omstreken

Herberekenen BaseCamp GPS routes Motorclub Zwolle en Omstreken Herberekenen BaseCamp GPS routes Motorclub Zwolle en Omstreken 0PGERICHT 29 DECEMBER 1967 1. Route via Email binnenhalen, herberekenen en sturen naar toestel. 1.1. Van Email op de computer: Open je e-mailbox

Nadere informatie

{button Installeer Zelfstudie Bestanden, execfile(seedatauk.exe,tutorial 12.ctb;Tutorial 12.see;Design.SEE)}

{button Installeer Zelfstudie Bestanden, execfile(seedatauk.exe,tutorial 12.ctb;Tutorial 12.see;Design.SEE)} # $ + K Berekenen van Volume tussen Twee Vlakken Deze zelfstudie maakt gebruik van de modules Volumes, Digitaal Terrein Model en Tekenconstructies. Opmerking: Deze zelfstudie kan niet worden voltooid met

Nadere informatie

OPDRACHTKAART. Thema: Prepress. Photoshop 2. Selecteren, verplaatsen en roteren PP-03-02-01. Voorkennis: Introductie Photoshop (6.0) afgerond.

OPDRACHTKAART. Thema: Prepress. Photoshop 2. Selecteren, verplaatsen en roteren PP-03-02-01. Voorkennis: Introductie Photoshop (6.0) afgerond. OPDRACHTKAART PP-03-02-01 Voorkennis: Introductie Photoshop (6.0) afgerond. Intro: Na het inkleuren van een lijntekening, gaan we nu delen van foto s bewerken. Je kunt met verschillende selectiegereedschappen

Nadere informatie

Zelf albumbladen maken in Word 2003

Zelf albumbladen maken in Word 2003 Zelf albumbladen maken in Word 2003 Het maken van albumbladen in Word is niet moeilijk, maar laten zien hoe het precies gaat, hangt af van de versie van Word. Hieronder volgt de instructie voor Word 2003.

Nadere informatie

1. Open de Bibliotheek verkenner. Dit kunt u in de Lint modus doen via View, de groep Toon, Bibliotheek Verkenner.

1. Open de Bibliotheek verkenner. Dit kunt u in de Lint modus doen via View, de groep Toon, Bibliotheek Verkenner. Eenvoudige formules Een gedeelte van deze nieuwsbrief gaat over eenvoudige formules. Met behulp van Formules is het mogelijk om Tabelkolommen te bewerken. Een aantal bewerkingen lijken op acties die u

Nadere informatie

Technische handleiding database ontslagmanagement

Technische handleiding database ontslagmanagement Technische handleiding database ontslagmanagement 1. Het databasevenster De database opent u door te dubbelklikken 1 op het Access-icoon Ontslagmanagement.lnk Mogelijk krijgt u eerst één of meerdere vensters

Nadere informatie

Auteur: Niels Bons. Handleiding Koepeldatabase Zakelijk toerisme: aanmelden organisatie. 2014, Provincie Fryslân. Uitgegeven in eigen beheer

Auteur: Niels Bons. Handleiding Koepeldatabase Zakelijk toerisme: aanmelden organisatie. 2014, Provincie Fryslân. Uitgegeven in eigen beheer Auteur: Niels Bons Handleiding Koepeldatabase Zakelijk toerisme: aanmelden organisatie 2014, Provincie Fryslân Uitgegeven in eigen beheer (mail@infofryslan.nl) Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze

Nadere informatie

Handleiding Fix-O-Cad 3 Pg 1

Handleiding Fix-O-Cad 3 Pg 1 Handleiding FOC 3.1 Inleiding, Bedankt voor het aanschaffen van Fix-O-Cad 3.1 FOC is ontworpen om op een snelle manier vanuit een situatie schema een ééndraadschema te genereren. De bedoeling is dat je

Nadere informatie

PlanCare Dossier V11.4 Carrouselkaarten. Inhoudsopgave

PlanCare Dossier V11.4 Carrouselkaarten. Inhoudsopgave Inhoudsopgave Inleiding... 2 maken... 2 Matrixkaart... 3 Open vragen kaart... 5 wijzigen... 6 verwijderen... 7 gebruiken... 7 Handelingen met huidige selectie... 8 PlanCare Dossier V11.4 - Pagina 1 van

Nadere informatie

Het maken, plaatsen en beheren van symbolen (blocks) In deze beschrijving zijn de afbeeldingen uit de windows versie van AutoCad 2013

Het maken, plaatsen en beheren van symbolen (blocks) In deze beschrijving zijn de afbeeldingen uit de windows versie van AutoCad 2013 Symbolen in AutoCad Het maken, plaatsen en beheren van symbolen (blocks) In deze beschrijving zijn de afbeeldingen uit de windows versie van AutoCad 2013 Introductie In AutoCad is het mogelijk om veelgebruikte

Nadere informatie

SketchUp L. 5.2 Scenes en Animaties

SketchUp L. 5.2 Scenes en Animaties 5.2 Scenes en Animaties Uw SketchUp-bestand kan één of meer scènes bevatten. Een scène bestaat uit uw model en een reeks scènespecifieke instellingen, zoals specifieke gezichtspunten, schaduwen, weergave-instellingen

Nadere informatie

Mapsource. handleiding Mapsource vs. 6.16.3 2010 www.hansenwebsites.nl

Mapsource. handleiding Mapsource vs. 6.16.3 2010 www.hansenwebsites.nl Mapsource handleiding Mapsource vs. 6.16.3 2010 www.hansenwebsites.nl Inhoud deel 1 Schermindeling Menu s Werkbalken Statusbalk tabbladen Kaartmateriaal Kaartmateriaal selecteren Kaartmateriaal verwijderen

Nadere informatie

Deel 1: PowerPoint Basis

Deel 1: PowerPoint Basis Deel 1: PowerPoint Basis De mogelijkheden van PowerPoint als ondersteunend middel voor een gedifferentieerde begeleiding van leerlingen met beperkingen. CNO Universiteit Antwerpen 1 Deel 1 PowerPoint Basis

Nadere informatie

Elbo Technology BV Versie 1.1 Juni 2012. Gebruikershandleiding PassanSoft

Elbo Technology BV Versie 1.1 Juni 2012. Gebruikershandleiding PassanSoft Versie 1.1 Juni 2012 Gebruikershandleiding PassanSoft Versie 1.1 Juni 2012 2 Inhoud: Opstart scherm PassanSoft... 1 Het hoofdmenu van PassanSoft wordt geopend... 4 Verklaring extra knoppen weergegeven

Nadere informatie

www.dubbelklik.nu Handleiding BCAD

www.dubbelklik.nu Handleiding BCAD Handleiding BCAD www.dubbelklik.nu Deze handleiding is onderdeel van Dubbelklik, een lesmethode Technologie, ICT/ Loopbaanoriëntatie en Intersectoraal Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave

Nadere informatie

Op basis van klanten-,product-,barcodegegevens wordt automatisch een barcode document aangemaakt

Op basis van klanten-,product-,barcodegegevens wordt automatisch een barcode document aangemaakt Op basis van klanten-,product-,barcodegegevens wordt automatisch een barcode document aangemaakt Pagina 1 van 56 Inhoud van deze help 1. Algemeen 1.1 Inhoud van deze box. 1.2 Minimum systeemvereisten 2.

Nadere informatie

Handleiding : Opdrachten vanuit Excel

Handleiding : Opdrachten vanuit Excel Handleiding : Opdrachten vanuit Excel Opdrachten vanuit Excel v2.1 Created on 1/21/2009 3:55:00 PM 1 1. Introductie Deze handleiding beschrijft de werkwijze voor het gebruik van de toepassing Domiciliëringen

Nadere informatie

Hoofdstuk 16: Grafieken en diagrammen: hoe

Hoofdstuk 16: Grafieken en diagrammen: hoe Hoofdstuk 16: Grafieken en diagrammen: hoe 16.0 Inleiding Wanneer je de betekenis van een serie nummers in een presentatie wilt weergeven, zal je ondervinden dat een diagram de meest effectieve manier

Nadere informatie

bla bla Documenten Gebruikershandleiding

bla bla Documenten Gebruikershandleiding bla bla Documenten Gebruikershandleiding Documenten Documenten: Gebruikershandleiding publicatie datum vrijdag, 06. februari 2015 Version 7.6.2 Copyright 2006-2013 OPEN-XCHANGE Inc., Dit document is intellectueel

Nadere informatie

Photomodeler Scanner: Workflow

Photomodeler Scanner: Workflow KAHO St-Lieven GENT Thomas More MECHELEN 3D PHOTOGRAMMETRY FOR SURVEYING ENGINEERING IWT TETRA project Photomodeler Scanner: Workflow Inhoud 01. Importeren foto s en automatische oriëntatie 02. geometrie

Nadere informatie

Deel 2: Endnote bibliografische software gebruiken als databasemanager en editor

Deel 2: Endnote bibliografische software gebruiken als databasemanager en editor Deel 2: Endnote bibliografische software gebruiken als databasemanager en editor Versie feb. 2015 pag. 38 Endnote output: 1. Organiseer je database 2. Doorzoek de referenties in je database 3. Publiceren,

Nadere informatie

Migreren naar Access 2010

Migreren naar Access 2010 In deze handleiding Het uiterlijk van Microsoft Access 2010 verschilt aanzienlijk van Access 2003. Daarom hebben we deze handleiding gemaakt, zodat u niet te veel tijd hoeft te besteden aan het leren werken

Nadere informatie

Handleiding sjabloonsoftware FEBRUARI 2015 VERSIE 1.0

Handleiding sjabloonsoftware FEBRUARI 2015 VERSIE 1.0 Handleiding sjabloonsoftware FEBRUARI 2015 VERSIE 1.0 I. Inloggen... 2 II. Een ontwerp aanmaken... 3 III. Een bestaand ontwerp openen... 6 IV. Een ontwerp bewerken... 7 1. Lagen... 8 2. Objecten... 9

Nadere informatie

Export/Import van Straten

Export/Import van Straten Technische nota AbiFire v5.4/v6.1 Export/Import van Straten Laatste revisie: 4 juli 2012 Inhoudopgave 1 Inleiding... 1 2 Overzicht van de gegevens in de import/export... 2 3 Export gegevens van de straten...

Nadere informatie

Handleiding: Rapportages Publicatiedatum: 12 mei 2010 (versie 1.0) Pagina 1 van 22 pagina s. Handleiding Rapportages

Handleiding: Rapportages Publicatiedatum: 12 mei 2010 (versie 1.0) Pagina 1 van 22 pagina s. Handleiding Rapportages Pagina 1 van 22 pagina s. Handleiding Rapportages Pagina 2 van 22 pagina s. Inhouds Opgave Rapportages... 3 Rapportdefinities... 4 Importeren & Exporteren... 5 Bedrijfslogo aanpassen... 8 De rapport editor

Nadere informatie

Posters maken in PowerPoint

Posters maken in PowerPoint Posters maken in PowerPoint Een mini handleiding Nieuwe Media Dienst 2009 http://www.ua.ac.be/icnmd 1. Algemeen Het printen van grote posters is een kostbare zaak en duurt lang. Om mislukkingen te vermijden

Nadere informatie

HTA Software - Klachten Registratie Manager Gebruikershandleiding

HTA Software - Klachten Registratie Manager Gebruikershandleiding HTA Software - Klachten Registratie Manager Gebruikershandleiding Inhoudsopgave Hoofdstuk 1: Opstarten en inloggen, overzicht startscherm, uitleg symbolen Hoofdstuk 2: aanmaken relaties Hoofdstuk 1: Opstarten

Nadere informatie

Verkleinen- en uploaden van beelden

Verkleinen- en uploaden van beelden Verkleinen- en uploaden van beelden Deze handleiding is opgebouwd rond eenvoudig te gebruiken programma s die verkrijgbaar zijn in het Nederlands en te installeren zijn onder Windows XP, Vista en Windows

Nadere informatie

Mywebshop Email configuratie. Versie 1.0 Februari 2010. Copyright 2010 Wikit BVBA, alle rechten voorbehouden

Mywebshop Email configuratie. Versie 1.0 Februari 2010. Copyright 2010 Wikit BVBA, alle rechten voorbehouden Mywebshop Email configuratie Copyright 2010 Wikit BVBA, alle rechten voorbehouden Deze handleiding mag gebruikt worden om met behulp van de mywebshop.net infrastructuur een webwinkel/website te bouwen.

Nadere informatie

Summa Cutter Tools. 1 Cutter tools. Met dit programma kunnen twee dingen geïnstalleerd worden:

Summa Cutter Tools. 1 Cutter tools. Met dit programma kunnen twee dingen geïnstalleerd worden: Summa Cutter Tools 1 Cutter tools Met dit programma kunnen twee dingen geïnstalleerd worden: 1. Plug-in voor Corel (vanaf versie 11) en Adobe Illustrator (vanaf versie CS). De plug-in voor Corel installeert

Nadere informatie

Gebruik van het Brother SmartUI Control Center op basis van Windows voor PaperPort 8.0 en Windows XP

Gebruik van het Brother SmartUI Control Center op basis van Windows voor PaperPort 8.0 en Windows XP Gebruik van het Brother SmartUI Control Center op basis van Windows voor PaperPort 8.0 en Windows XP Brother SmartUI Control Center Het Control Center van Brother is een hulpprogramma waarmee u gemakkelijk

Nadere informatie

Vergelijkingseditor 2007

Vergelijkingseditor 2007 Vergelijkingseditor 2007 Wiskunde Module 1a Wiskunde en ICT 1 WISKUNDE EN ICT Tijdens de lessen wiskunde op deze hogeschool met de laptop moet je ook voor wiskunde de laptop zinvol gebruiken. Dat dit niet

Nadere informatie

Hoofdstuk 1: Het Excel Dashboard* 2010

Hoofdstuk 1: Het Excel Dashboard* 2010 Hoofdstuk 1: Het Excel Dashboard* 2010 1.0 Introductie Excel helpt om data beter te begrijpen door het in cellen (die rijen en kolommen vormen) in te delen en formules te gebruiken om relevante berekeningen

Nadere informatie

Net2 kaarten bedrukken

Net2 kaarten bedrukken kaarten bedrukken kaarten bedrukken - Welke methode? Er bevinden zich twee pakketen om kaarten te bedrukken in de software. Een basis vast formaat dat al aanwezig is in de software sinds 2003 (V3.16) en

Nadere informatie

Handleiding Wlijn Databeheer Internet

Handleiding Wlijn Databeheer Internet Handleiding Wlijn Databeheer Internet W9000 databeheer internet Leza Horeca & Winkel Management Van Dedemstraat 6 16274 NN Hoorn DATABEHEER INTERNET ( W9000) Voorraad Databeheer Internet Bestaat uit 3

Nadere informatie

1. Inleiding. 1. Inleiding... 1. 1.1. Installatieprocedure...2. 1.1.1. De installatie van LisCAD 5.0... 3. 1.2. Licentieprocedure...

1. Inleiding. 1. Inleiding... 1. 1.1. Installatieprocedure...2. 1.1.1. De installatie van LisCAD 5.0... 3. 1.2. Licentieprocedure... 1. Inleiding... 1 1.1. Installatieprocedure...2 1.1.1. De installatie van LisCAD 5.0... 3 1.2. Licentieprocedure...8 1.2.1. Introductie... 8 1.2.2. Evaluatielicenties... 8 1.2.3. Het bestellen van een

Nadere informatie

Factuur Beheer. Gebruikers handleiding

Factuur Beheer. Gebruikers handleiding Factuur Beheer Gebruikers handleiding COPYRIGHT 2002 Factuur Beheer Pakket 1 Factuur Beheer door ing. K.H. Welling Factuur Beheer is een boekhoudkundig programma. In dit programma kunnen facturen voor

Nadere informatie

De stafkaarten van België op cd-rom

De stafkaarten van België op cd-rom De stafkaarten van België op cd-rom De stafkaarten van België op cd-rom Vlaanderen en Brussel: Interactieve kaart TOP250R voor heel België (schaal 1:250.000) Interactieve kaart TOP50R voor Vlaanderen en

Nadere informatie

ADRESSEN-BEHEER (24-12-2013)

ADRESSEN-BEHEER (24-12-2013) ADRESSEN-BEHEER (24-12-2013) SYSTEEMVEREISTEN... 2 ALGEMEEN... 2 BESTAND... 4 - ANDER ADRESSENBESTAND... 4 - KOPIËREN NAAR ANDERE DRIVE... 4 - KOPIËREN VANAF ANDERE DRIVE... 4 - AFSLUITEN... 4 AANPASSEN...

Nadere informatie

1. Werken met StabiCAD V Sparingen... 3. 1.1. Inleiding... 3 1.2. Bouwkundige plattegrond... 3 1.3. Verwante modules... 3

1. Werken met StabiCAD V Sparingen... 3. 1.1. Inleiding... 3 1.2. Bouwkundige plattegrond... 3 1.3. Verwante modules... 3 StabiCAD V Sparingen Inhoudsopgave 1. Werken met StabiCAD V Sparingen... 3 1.1. Inleiding................................................... 3 1.2. Bouwkundige plattegrond.....................................

Nadere informatie

PhotoShop. Les 1 - Werken met lagen, kleuren en transparantie

PhotoShop. Les 1 - Werken met lagen, kleuren en transparantie PhotoShop Les 1 - Werken met lagen, kleuren en transparantie Een digitale foto is een eigenlijk een simpel ding. Als je hem van heel erg dichtbij bekijkt is het niets meer dan een aantal rijen en kolommen

Nadere informatie

Inhoudsopgave. Module 2 Documenten standaardiseren

Inhoudsopgave. Module 2 Documenten standaardiseren Module 2 Documenten standaardiseren Hoofdstuk 1 Stijlen... 2-3 Stijl maken... 2-3 Stijl baseren op bestaande opmaak... 2-4 Nieuwe stijl... 2-5 Stijlen wijzigen... 2-8 Stijl baseren op een andere stijl...

Nadere informatie

Fotografie Sophie Berten Zeelaan 74 8660 De Panne 058/62 45 46 www.fotogeniek.net sophie@fotogeniek.net. Fotogeniek - Creative photos Handleiding

Fotografie Sophie Berten Zeelaan 74 8660 De Panne 058/62 45 46 www.fotogeniek.net sophie@fotogeniek.net. Fotogeniek - Creative photos Handleiding Fotografie Sophie Berten Zeelaan 74 8660 De Panne 058/62 45 46 www.fotogeniek.net sophie@fotogeniek.net Fotogeniek - Creative photos Handleiding Inhoudsopgave FOTOGENIEK - CREATIVE PHOTOS HANDLEIDING...

Nadere informatie

{button Installeer Zelfstudie Bestanden, execfile(seedatauk.exe,tutorial.ctb;tutorial nn.see)}

{button Installeer Zelfstudie Bestanden, execfile(seedatauk.exe,tutorial.ctb;tutorial nn.see)} Kringnet Vereffening Deze zelfstudie maakt gebruik van de module Vereffening. Opmerking: Deze zelfstudie kan niet worden uitgevoerd met LISCAD Lite. Doelstelling Het doel van deze zelfstudie is om te laten

Nadere informatie

CAD Standaard Plottool Gebruikershandleiding

CAD Standaard Plottool Gebruikershandleiding CAD Standaard Plottool Gebruikershandleiding Januari 2006 Versie 3.02 Inhoudsopgave............................................................................................. Inhoudsopgave 2 1 CAD Standard

Nadere informatie

http://www.webdesign.org/web/photoshop/drawing-techniques/create-an-awesome-musicposter.16299.html

http://www.webdesign.org/web/photoshop/drawing-techniques/create-an-awesome-musicposter.16299.html http://www.webdesign.org/web/photoshop/drawing-techniques/create-an-awesome-musicposter.16299.html Muziek poster maken Stap 1 Nieuw document 600 X 900 px : vul achtergrond met de kleur = # 53157F. Stap

Nadere informatie

Handicom. Symbol for Windows. Image Manager. (Versie 4) Handicom, 2011, Nederland

Handicom. Symbol for Windows. Image Manager. (Versie 4) Handicom, 2011, Nederland Handicom Symbol for Windows Image Manager (Versie 4) Handicom, 2011, Nederland Inhoud Inleiding... 2 1. Image Manager hoofdscherm...3 1.1 Onderdelen van het venster...3 1.2 Het scherm veranderen...3 1.2.1

Nadere informatie

Informatie primaire cursus AutoCAD LT 2010

Informatie primaire cursus AutoCAD LT 2010 Informatie primaire cursus AutoCAD LT 2010 De volgende pagina s tonen een voorbeeld van DVDU cursusboek AutoCAD LT 2010. Het boek is uiteraard ook geschikt als basisboek voor de uitgebreide versie AutoCAD.

Nadere informatie

Wat is nieuw in deze handleiding: Dit is een nieuwe handleiding welke nieuwe functies beschrijft.

Wat is nieuw in deze handleiding: Dit is een nieuwe handleiding welke nieuwe functies beschrijft. Doel Module Fronter 92 Dit document is gemaakt door Fronter Ltd fronter.com. Het document mag alleen gekopieerd of digitaal verspreid worden volgens contract of in overeenstemming met Wat is nieuw in deze

Nadere informatie

HANDLEIDING OPNAME INVENTARIS

HANDLEIDING OPNAME INVENTARIS HANDLEIDING OPNAME INVENTARIS 1 Algemene werking Vanaf de uitgave Professional voorziet Wings Logistiek de mogelijkheid om stockgegevens in te lezen via één of meerdere ASCII-bestanden (Verrichting Inventaris

Nadere informatie

Quick Reference Contact Manager SE

Quick Reference Contact Manager SE Eddon Software BV Rietveldenweg 82 5222 AS s-hertogenbosch The Netherlands T +31 (0)88-235 66 66 F +31 (0)88-235 66 77 E info@eddon.nl W www.eddon.nl Quick Reference Contact Manager SE Block: Contact Manager

Nadere informatie

HANDLEIDING INFOGRAPHIC SOFTWARE Versie 2.3 / jan 2014

HANDLEIDING INFOGRAPHIC SOFTWARE Versie 2.3 / jan 2014 HANDLEIDING INFOGRAPHIC SOFTWARE Versie 2.3 / jan 2014 Inhoudsopgave 1. Inleiding... 3 2. Systeemvereisten... 3 3. Installeren van de software... 4 4. Programma instellingen... 5 5. Importeren van een

Nadere informatie

Dick Grooters Raadhuisstraat 296 5683 GM Best tel: 0499-392579 e-mail: d.grooters@home.nl. Printen en Scannen

Dick Grooters Raadhuisstraat 296 5683 GM Best tel: 0499-392579 e-mail: d.grooters@home.nl. Printen en Scannen Dick Grooters Raadhuisstraat 296 5683 GM Best tel: 0499-392579 e-mail: d.grooters@home.nl Printen en Scannen Als een nieuwe printer wordt gekocht en onder Windows XP aangesloten zal Windows deze nieuwe

Nadere informatie

Handleiding NarrowCasting

Handleiding NarrowCasting Handleiding NarrowCasting http://portal.vebe-narrowcasting.nl september 2013 1 Inhoud Inloggen 3 Dia overzicht 4 Nieuwe dia toevoegen 5 Dia bewerken 9 Dia exporteren naar toonbankkaart 11 Presentatie exporteren

Nadere informatie

NaviControlCenter Document versie Juni 2011

NaviControlCenter Document versie Juni 2011 Document versie Juni 2011 INHOUDSOPGAVE 0. Algemeen...3 0.1 Functie beschrijving...3 0.2 Product versie...3 0.3 Updates en informatie...3 0.4 Aansprakelijkheid...3 1. Instellingen...4 1.1 Verbinding...4

Nadere informatie

Printer Driver UP-D55. Instelgids. Deze gids beschrijft de configuratie van de printerstuurprogramma's voor Windows Vista.

Printer Driver UP-D55. Instelgids. Deze gids beschrijft de configuratie van de printerstuurprogramma's voor Windows Vista. 3-876-172-61 (1) Printer Driver Instelgids Deze gids beschrijft de configuratie van de printerstuurprogramma's voor Windows Vista. Voor gebruik van deze software Voordat u het printerstuurprogramma gebruikt,

Nadere informatie

Wijzigingen UNIT4 Audition 10.0

Wijzigingen UNIT4 Audition 10.0 Wijzigingen UNIT4 Audition 10.0 UNIT4 Accountancy B.V. Bastion 4 Postbus 755 3900 AT Veenendaal Telefoon algemeen: 0318-581600 Telefoon Servicedesk: 0318-581750 E-mail: servicedesk.accountancy@unit4.com

Nadere informatie

Wat zijn de verschillen tussen SPSS 9 en SPSS 10?

Wat zijn de verschillen tussen SPSS 9 en SPSS 10? Wat zijn de verschillen tussen SPSS 9 en SPSS 10? 1.1 De data-editor / het definiëren van variabelen 1.2 Het openen van bestanden 1.3 Output lezen 1.4 Mogelijke problemen 1.1.1 De data-editor Het grootste

Nadere informatie

Tutorial. Versie 4.3. Grontmij Nederland B.V. Alle rechten voorbehouden

Tutorial. Versie 4.3. Grontmij Nederland B.V. Alle rechten voorbehouden Tutorial Versie 4.3 Grontmij Nederland B.V. Alle rechten voorbehouden Handelsnamen Alle handelsnamen en productnamen die in dit document worden genoemd zijn handelsnamen of geregistreerde handelsnamen

Nadere informatie

Afdrukken in Calc Module 7

Afdrukken in Calc Module 7 7. Afdrukken in Calc In deze module leert u een aantal opties die u kunt toepassen bij het afdrukken van Calc-bestanden. Achtereenvolgens worden behandeld: Afdrukken van werkbladen Marges Gedeeltelijk

Nadere informatie

AFO 133 - Invoer /output profielen

AFO 133 - Invoer /output profielen AFO 133 - Invoer /output profielen Het startpunt voor alle conversies is AFO 133. In deze AFO dient u aan te geven wat de structuur is van het bestand dat u wenst in te lezen of uit te schrijven. Hiervoor

Nadere informatie

Auteur boek: Vera Lukassen Titel boek: Word Gevorderd 2010. 2011, Serasta Uitgegeven in eigen beheer info@serasta.nl Eerste druk: augustus 2012

Auteur boek: Vera Lukassen Titel boek: Word Gevorderd 2010. 2011, Serasta Uitgegeven in eigen beheer info@serasta.nl Eerste druk: augustus 2012 Auteur boek: Vera Lukassen Titel boek: Word Gevorderd 2010 2011, Serasta Uitgegeven in eigen beheer info@serasta.nl Eerste druk: augustus 2012 ISBN: 978-90-817910-7-6 Dit boek is gedrukt op een papiersoort

Nadere informatie

INSTALLATIE IN PRINT INSTALLEREN. Aan de slag met Communicate In Print

INSTALLATIE IN PRINT INSTALLEREN. Aan de slag met Communicate In Print AAN DE SLAG INSTALLATIE In deze handleiding worden de stappen besproken die doorlopen worden bij het installeren van de volledige versie Communicate In Print LET OP! WANNEER U EERDER EEN VERSIE VAN IN

Nadere informatie

Word 2010: rondleiding

Word 2010: rondleiding Word 2010: rondleiding Microsoft Word is in de eerste plaats een tekstverwerkingsprogramma, maar er is meer. Men kan standaardbrieven, memoranda, fax, enveloppen, etiketten, en andere types van documenten

Nadere informatie

WISKUNDE EN ICT. 1 Wiskundige symbolen N, R, 2 Symbolen

WISKUNDE EN ICT. 1 Wiskundige symbolen N, R, 2 Symbolen Vergelijkingseditor 2003 Module 1a en ICT 1 WISKUNDE EN ICT Tijdens de lessen wiskunde op deze hogeschool met de laptop moet je ook voor wiskunde de laptop zinvol gebruiken. Dat dit niet zo evident is,

Nadere informatie

Aan de slag met AdminView

Aan de slag met AdminView Aan de slag met AdminView uitgebreide handleiding S for Software B.V. Gildeweg 6 3771 NB Barneveld tel 0342 820 996 fax 0342 820 997 e-mail info@sforsoftware.nl web www.sforsoftware.nl Inhoudsopgave 1.

Nadere informatie

Handleiding Visio 2013. www.dubbelklik.nu

Handleiding Visio 2013. www.dubbelklik.nu Handleiding Visio 2013 www.dubbelklik.nu Deze handleiding is onderdeel van Dubbelklik, een lesmethode Technologie, ICT/ Loopbaanoriëntatie en Intersectoraal Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave

Nadere informatie

In Photoshop kun je afbeeldingen bewerken en aanpassen door de diverse toevoegingen en effecten die je wilt toepassen op aparte lagen uit te voeren.

In Photoshop kun je afbeeldingen bewerken en aanpassen door de diverse toevoegingen en effecten die je wilt toepassen op aparte lagen uit te voeren. PhotoShop Les 2 Werken met lagen, kleuren en transparantie Een digitale foto is een eigenlijk een simpel ding. Als je hem van heel erg dichtbij bekijkt is het niets meer dan een aantal rijen en kolommen

Nadere informatie

Handleiding. Technische Analyse. EXcess RETURN

Handleiding. Technische Analyse. EXcess RETURN Handleiding Technische Analyse Technische Analyse EXcess RETURN EXCESS RETURN 2012 info@xsreturn.com Handleiding van de Technische Analyse 1. DE ZOEKFUNCTIE 3 2. DE MODULES 3 Diagnose 3 Commentaren 3 Strategieën

Nadere informatie

Ledenlijsten + etiketten maken

Ledenlijsten + etiketten maken Ledenlijsten + etiketten maken Eerst wordt uitgelegd hoe je een ledenlijst (van alle clubleden of leden per lesjaar) kan opvragen en bewerken en nadien hoe je met deze lijst etiketten kan maken. De ledenlijst

Nadere informatie

Handleiding OSIRIS Self Service. Schermen en procedures in OSIRIS voor docenten en studenten

Handleiding OSIRIS Self Service. Schermen en procedures in OSIRIS voor docenten en studenten Schermen en procedures in OSIRIS voor docenten en studenten Onderhoud en versiebeheer Dit document is eigendom van de projectleider Implementatie Osiris Volg. Wijzigingen aan het document worden geïnitieerd

Nadere informatie

Overzichten genereren in het FMIS

Overzichten genereren in het FMIS Overzichten genereren in het FMIS 1. Algemeen Het FMIS is een database-applicatie waarin een gigantische set aan gegevens zit. Deze gegevens worden beheerd door gebruik te maken van de verschillende modules:

Nadere informatie

Cursus KeyCreator. Oefening 13: Audiocassette

Cursus KeyCreator. Oefening 13: Audiocassette Cursus KeyCreator Oefening 13: Audiocassette Tekenen van een audiocassette Men dient hiervoor verschillende functies te gebruiken: - Tekenen van rechthoeken, lijnen en cirkels. - Trimmen, dubbeltrimmen

Nadere informatie

I. Vorming 4-5 (3&10/05/2012)

I. Vorming 4-5 (3&10/05/2012) I. Vorming 4-5 (3&10/05/2012) 1. Windows Live Photo Gallery Om de foto s op onze computer te beheren, hebben we voor de vorming gekozen om met Windows Live Photo Gallery te werken. Photo Gallery biedt

Nadere informatie

Handleiding Visio 2010. www.dubbelklik.nu

Handleiding Visio 2010. www.dubbelklik.nu Handleiding Visio 2010 www.dubbelklik.nu Deze handleiding is onderdeel van Dubbelklik, een lesmethode Technologie, ICT/ Loopbaanoriëntatie en Intersectoraal Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave

Nadere informatie

Met deze module heeft u de mogelijkheid om gemakkelijk, snel en efficiënt uw documenten als naslag in Unit 4 Multivers te koppelen.

Met deze module heeft u de mogelijkheid om gemakkelijk, snel en efficiënt uw documenten als naslag in Unit 4 Multivers te koppelen. Handleiding Office+ Introductie Met de module Office+ gaat een lang gekoesterde wens voor vele gebruikers van Unit 4 Multivers in vervulling: eenvoudig koppelen van documenten in relatiebeheer of documentmanagement

Nadere informatie

7 stramienen. maken en gebruiken. Stramienen maken. Wat ken je na dit hoofdstuk? Tips en richtlijnen voor werken met stramienen

7 stramienen. maken en gebruiken. Stramienen maken. Wat ken je na dit hoofdstuk? Tips en richtlijnen voor werken met stramienen 7 stramienen maken en gebruiken Een stramien is te vergelijken met een achtergrond die je snel op een reeks pagina s kunt toepassen. Objecten in een stramien staan op alle pagina s Wat ken je na dit hoofdstuk?

Nadere informatie

Lijnen/randen en passe-partouts maken met Photoshop.

Lijnen/randen en passe-partouts maken met Photoshop. Lijnen/randen en passe-partouts maken met Photoshop. Les 1: Witte rand om de foto m.b.v. canvasgrootte. 1. Open de foto in Photoshop. 2. Klik in menu AFBEELDING op CANVASGROOTTE 3. Zorg dat in het vakje

Nadere informatie

Asta Powerdraw voor de afdrukkaders gebruiken

Asta Powerdraw voor de afdrukkaders gebruiken Asta Powerdraw voor de afdrukkaders gebruiken Powerdraw is een Asta hulpprogramma dat bedoeld is voor het bewerken van kaderbestanden. Kaderbestanden zijn bestanden waarin bepaald wordt wat er op en rondom

Nadere informatie

RIE Vragenlijst Editor

RIE Vragenlijst Editor Handleiding RIE Vragenlijst Editor Versie 1.0 Datum: 29 oktober 2015 IT&Care B.V. Inhoudsopgave 1. INLEIDING EN VERANTWOORDING... 3 2. OVERZICHT RIE VRAGENLIJSTEN... 4 3. AANMAKEN VAN EEN NIEUWE VRAGENLIJST...

Nadere informatie

Aan de slag Uren registreren met WorkTimer (voor medewerkers)

Aan de slag Uren registreren met WorkTimer (voor medewerkers) Aan de slag Uren registreren met WorkTimer (voor medewerkers) Over dit document Binnen uw organisatie is gekozen om WorkTimer te gebruiken voor tijdregistratie. WorkTimer is een programma waarmee u eenvoudig

Nadere informatie

Handleiding. Beheeromgeving

Handleiding. Beheeromgeving Handleiding Beheeromgeving Kant en Klare Site Veluwelaan 80 8443 AH Heerenveen www.kantenklaresite.nl - info@kantenklaresite.nl - fax: 084-8368243 KvK 01134248 Inhoud Inloggen op de beheeromgeving...3

Nadere informatie

Les 1. Digitale Media - DTP 1

Les 1. Digitale Media - DTP 1 Intro InDesign werkt met objecten, dit zijn alle elementen die je op een pagina kunt plaatsen. Bijvoorbeeld hulplijnen, om aan te geven waar de marges van de pagina s komen, maar ook tekstkaders, illustratiekaders,

Nadere informatie

Geopunt-kaart Handleiding v1.8

Geopunt-kaart Handleiding v1.8 Geopunt-kaart Handleiding v1.8 1 De Kaarttoepassing 1 Kaarttoepassing kiezen 8 Achtergrondkaart kiezen 2 Zoeken 9 Coördinaten en schaal 3 Help, disclaimer en bronnen 10 Tools met meten en hoogteprofiel

Nadere informatie

Handleiding puntenboek-module

Handleiding puntenboek-module Handleiding puntenboek-module Inleiding Het puntenboek is een tool dat u toelaat om opdrachten (score-elementen) te definiëren, deze omschrijven informatie op de ELO die gescoord kan worden. Dit kan veel

Nadere informatie