1.4 Andere landen kunnen ze goedkoper produceren. Andere landen kunnen ze produceren van een betere kwaliteit.

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "1.4 Andere landen kunnen ze goedkoper produceren. Andere landen kunnen ze produceren van een betere kwaliteit."

Transcriptie

1 Hoofdstuk 1 Waar produceren? 1.1 Nederlanders vinden dat tuinbouwwerk onderbetaald wordt. Polen werken harder dan Nederlanders. Polen verdienen met dit werk meer dan in Polen en willen graag dit werk doen. Polen zijn bereid langere werkweken te maken 1.2 De lonen van de migranten zijn laag en dus zijn de loonkosten laag. Hierdoor is de kostprijs lager en kan het product goedkoper worden aangeboden. De Polen die naar Nederland komen verdienen een inkomen en besteden daar een gedeelte van in Nederland. Het bbp van Nederland kan hierdoor toenemen. Er is een tekort aan bepaalde arbeidskrachten op de Nederlandse arbeidsmarkt en door de komst van de Polen wordt dit probleem opgelost. 1.3 a. Nederland heeft een kenniseconomie en daar is veel behoefte aan kwalitatief hoog opgeleide mensen. Deze mensen verdienen een inkomen en besteden dat in Nederland. Hierdoor kan het bbp van Nederland toenemen. Immigranten brengen nieuwe vormen van ondernemerschap mee die bijdragen aan het scheppen van nieuwe banen. b. Door de arbeidsmigratie verlaten veel geschoolde werknemers het land, hetgeen op langere termijn nadelig kan zijn voor de kwaliteit en de kwantiteit van de productiefactor arbeid in dit land (als er geen sprake is van remigratie van deze mensen). 1.4 Andere landen kunnen ze goedkoper produceren. Andere landen kunnen ze produceren van een betere kwaliteit. 1.5 De concurrentiepositie ten opzichte van België werd beter, want de loonkosten per product stegen in Nederland minder dan in België. De concurrentiepositie ten opzichte van Duitsland werd slechter, want de loonkosten per product stegen in Nederland meer dan in Duitsland. 1.6 Kiwi's, vijgen, sinaasappels, bananen, etc. 1.7 In land A zijn de loonkosten per fiets: 8.000/25 = 320. In land B zijn de loonkosten per fiets: /80 = 150. In land C zijn de loonkosten per fiets: /250 = 144. Land C heeft de laagste loonkosten per fiets. Daar kunnen fietsen dus het goedkoopst geproduceerd worden.

2 1.8 a. In 2010 en 2012: in beide jaren stijgt de arbeidsproductiviteit in procenten sterker dan de loonkosten. b. Indecijfer loonkosten per product van land A in 2009 = 105,1/102,4 100 = 102,6. De loonkosten per product stijgen dus met 2,6%. 1.9 a /60 = 400 stuks. b. 104/ = 95,4 de loonkosten per product zijn met 4,6% gedaald. c. De internationale concurrentiepositie van land X is verbeterd omdat de loonkosten per product zijn gedaald Arbeidsintensieve, omdat daar de lonen relatief laag zijn a. Invoerheffing, invoerquotum, overheidssubsidies aan binnenlandse producenten, kwaliteitseisen. b. Europese boeren: positief. Dankzij de invoerheffingen hebben zij geen last van buitenlandse concurrentie. Boeren van buiten Europa: negatief. Door de invoerheffingen kunnen zij niet concurreren met de Europese boeren. Consument in Europa: negatief. Door de invoerheffingen is de prijs die de consument betaalt te hoog. Belastingbetaler in Europa: negatief. Een deel van de belasting gaat via subsidies naar de boeren a. Cleaner heeft minder uren nodig dan SoCio om de sporthal schoon te maken. Dat betekent dat het personeel van Cleaner per uur meer schoonmaakarbeid verricht dan het personeel van SoCio. b. Totale loonkosten = 6 8,50 = 51. Het schoonmaken van de hal door Cleaner kost inclusief winstopslag 51 1,25 = 63,75. c. Loonkosten per uur bij SoCio zijn 8,50 2,50 = 6. Het schoonmaken van de hal door SoCio kost 10 6 = 60. d. Zonder overheidssubsidie is SoCio duurder dan Cleaner. Dankzij de subsidie is SoCio goedkoper. De concurrentiepositie van SoCio is dus verbeterd.

3 Hoofdstuk 2 Samenwerken in Europa 2.1 a. Door autorijden neemt de concentratie van fijnstof in de lucht toe, bijvoorbeeld door slijtagestof van de remmen, uitlaatgassen en de autobanden. Minder autorijden betekent minder fijnstof. b. Het Ruhrgebied in Duitsland ligt ten oosten van Eindhoven en is een van de grootste industriegebieden van Europa. Er ontstaat smogvorming als de oostenwind matig is. 2.2 Veiligheidsregels voor chemische transporten in een land, waardoor vrachtwagens uit andere landen niet meer door dit land kunnen rijden. Het ene land bouwt een stuwdam in een rivier waardoor het andere land problemen krijgt met de bevaarbaarheid van de rivier waar de dam ligt. 2.3 Maimale CO2 uitstoot, roetfilters op dieselvoertuigen, etc. 2.4 a. Andere landen hebben last van stank en vieze rivieren, maar de vervuiler betaalt daar niet voor. b. Als Nederland roetfilters verplicht stelt of vervuilende fabrieken sluit, dan profiteert België daar ook van, zonder ervoor te hoeven betalen. Nederland draagt de kosten terwijl de opbrengsten ook bij andere landen terechtkomen. 2.5 Als andere landen (België en Duitsland) geen milieubeleid voeren (3 en 4) kun je het beter ook niet doen (3). Als andere landen wel milieubeleid voeren (1 en 2) is het voordeliger om mee te liften en zelf geen milieubeleid te voeren (1). Als ieder land zo redeneert, zal geen enkel land milieubeleid voeren. Zo ontstaat mogelijkheid a. België Nederland Wel milieubeleid Geen milieubeleid Wel milieubeleid 4,4-2,6 Geen milieubeleid 6,-2 0,0 b. Geen milieubeleid voeren. c. Geen milieubeleid voeren. 2.7 Het is voor iedereen verleidelijk om als enige geen belasting te betalen. Maar als iedereen zich zo opstelt zijn er geen belastinginkomsten en kan de overheid de gewenste voorzieningen niet financieren.

4 2.8 a. 1. Als enige verlagen 2. Allebei niet verlagen 3. Allebei verlagen 4. Als enige niet verlagen. b. Het tarief wel verlagen. c. België verlaagt het tarief wel, Nederland niet. d. -10,-10. e. 0,0. f. Bij een gevangenendilemma wordt gekozen voor eigenbelang, namelijk het verlagen van de belasting en niet voor het gemeenschappelijk belang, wat beter is voor alle partijen. g. Lage belastinginkomsten betekenen dat de overheidsuitgaven ook moeten dalen omdat er anders grote tekorten ontstaan. De overheid moet dus bezuinigen en dat gaat ten koste van voorzieningen van de welvaartsstaat. h. Een Europese overheid kan de landen verbieden de tarieven te verlagen, op straffe van een boete. Als een land zich niet aan de afspraak houdt, moet er een boete van minimaal 30 opgelegd worden. In dat geval kost een tariefsverlaging meer dan wanneer de tarieven niet verlaagd worden. 2.9 a. Dan komen alle asielzoekers naar dat land. Dat kost veel geld en kan tot sociale problemen leiden. b. Dan hebben de andere landen de asielproblemen en het land zelf niet. c. Dan kiezen landen voor een streng asielbeleid en zal het land met het soepelste asielbeleid alle asielzoekers (vluchtelingen) moeten opvangen, omdat alle asielzoekers in dat land asiel zullen aanvragen a. Frank betaalt niet en de anderen wel. Daar heeft Frank het meeste profijt van. b. Niemand betaalt mee: geen kosten maar ook geen opbrengsten. c. Als Frank ervan uit gaat dat anderen wel meebetalen, kan hij beter niet meebetalen. Dan heeft hij het meeste profijt. d. Als Frank ervan uit gaat dat anderen niet meebetalen, kan hij dat ook beter niet doen. e. Frank zal niet meebetalen. Wat anderen ook doen, niet meebetalen levert hem misschien toch opbrengsten op. f. Vooraf iedereen een bepaald bedrag laten storten. Als niet iedereen meedoet, gaat het niet door. Een bindend contract opstellen. In de advertentie zetten welke winkeliers wel meedoen aan de actie en welke niet.

5 Hoofdstuk 3 Stabiliteits- en groeipact 3.1 a. De afspraak dat de totale schuld van de overheid niet meer mag bedragen dan 60% van het bruto binnenlands product. De afspraak dat het overheidstekort in een bepaald jaar niet meer dan 3% van het bruto binnenlands product mag bedragen. b. Door een sterk teruglopende economische groei dalen de belastinginkomsten van de overheid. Er zullen ook meer mensen werkloos worden, waardoor de uitgaven van de overheid aan uitkeringen zullen toenemen. 3.2 Stroomgrootheden: salaris, toename van de schuld, aantal ontslagen, aflossing op de staatsschuld. Voorraadgrootheden: schuld, bezit, aantal werklozen. 3.3 Bij onderbesteding (laagconjunctuur). Dan leiden overheidsbestedingen tot meer productie en meer werkgelegenheid. Pas als de productiecapaciteit wordt bereikt leiden hogere bestedingen tot inflatie. 3.4 a. Maimaal toegestaan: 700 miljard 0,60 = 420 miljard. b. De staatsschuld is een voorraadgrootheid want deze wordt op een bepaald tijdstip gemeten. Het bruto binnenlands product is een stroomgrootheid. Het wordt over een bepaalde periode (een jaar) gemeten. 3.5 a. De staatsschuldquote is eerst (350/500) 100% = 70%. Het bruto binnenlands product stijgt met 4% en wordt 500 1,04 = 520 miljard. De staatschuldquote wordt (350/520) 100% = 67,3%. De staatsschuldquote daalt met 70 67,3 = 2,7 procentpunten. b. Als het bbp in procenten meer stijgt dan de staatsschuld. 3.6 a. De jaarlijkse rentelasten zijn ieder jaar 4% van 200 miljard = 8 miljard. b. bruto binnenlands product overheids-ontvangsten overheidsuitgaven rentelasten in % van de uitgaven jaar miljard 160 miljard 160 miljard 5% jaar miljard 164,8 miljard 164,8 miljard 4,9% jaar 3 424,4 miljard 169,8 miljard 169,8 miljard 4,7% jaar 4 437,1 miljard 174,8 miljard 174,8 miljard 4,6% c. Dan had de overheid 4% over ( =) 50 miljard = 2 miljard minder beschikbaar voor andere uitgaven. 3.7 a. Bij laagconjunctuur nemen de bestedingen verder af, en daarmee de productie en de werkgelegenheid. De werkloosheid zal verder toenemen. b. Bij hoogconjunctuur nemen de bestedingen verder toe waardoor de vraag de productiecapaciteit kan overtreffen. De inflatie neemt toe.

6 3.8 a. In een situatie van laagconjunctuur moet de overheid bij anticyclisch beleid haar uitgaven vergroten en/of de belastingen verlagen. b. In een situatie van hoogconjunctuur moet de overheid bij anticyclisch beleid haar uitgaven verminderen (bezuinigen) of de belastingen verhogen. c. Het overheidstekort zal toenemen omdat de ontvangsten dalen en de uitgaven stijgen. 3.9 a. bruto binnenlands product (bbp) overheidsontvangsten (40% van bbp) overheidsuitgaven ontvangsten uitgaven uitgangssituatie 400 miljard 160 miljard 160 miljard 0 scenario 1 (+3%) 412 miljard 164,8 miljard 164,8 miljard 0 scenario 2 (+5%) 420 miljard 168 miljard 164,8 miljard + 3,2 miljard scenario 3 (0%) 400 miljard 160 miljard 164,8 miljard - 4,8 miljard b. In scenario 3 loopt de staatschuld op met 4,8 miljard. De staatsschuld daalt in scenario 2 met 3,2 miljard. c. Bezuinigen (uitgaven verminderen) of belastingen verhogen. d. Het overheidsbeleid werkt procyclisch, want het versterkt de neergaande conjunctuur. Door bezuinigingen en/of belastingverhogingen dalen de bestedingen. Het bruto binnenlands product daalt dan waardoor de conjunctuur nog verder verslechtert Ze moeten bezuinigen om het overheidstekort terug te dringen, maar dan zal de economische groei nog minder worden. Als ze kiezen voor het stimuleren van de economische groei, dan zal het overheidstekort nog verder oplopen a. Gemiddeld besteedbaar inkomen = 80% = De consumptie bedraagt 75% = b. Het bruto inkomen wordt 1, = Het besteedbaar inkomen wordt 75% van = De consumptie wordt 75% = ,75. Dat is een stijging van de consumptie met (468,75/15.000) 100% = 3,1%. Dat is lager dan de 10% stijging van het bruto inkomen. c. Bij hoogconjunctuur zullen de inkomens stijgen omdat er minder werklozen zijn en de lonen en de winsten toenemen. De toename van het inkomen valt altijd onder het marginale tarief dat hoger is dan het gemiddelde tarief. Daardoor stijgt de gemiddelde belastingdruk. Dus zal het netto inkomen minder snel stijgen dan het bruto inkomen. Dit zal de groei van de bestedingen afremmen. De conjunctuur wordt zo vanzelf afgeremd.

7 3.12 Dat de landen niet aan de eisen van het stabiliteitspact hebben voldaan a. Voor een individueel land is het verleidelijk als enige de 3%-norm te overschrijden, maar als iedereen zich zo opstelt is iedereen slechter af dan wanneer iedereen zich aan de 3% houdt. b. Het overschrijden van de 3%-norm Als je een zwerver geld uitleent is de kans groter dat je het geld niet terugkrijgt dan wanneer je aan een leraar leent. Voor dat risico wil je een hogere rente Een hoge staatsschuld betekent dat bij een rentestijging de overheidsuitgaven sterk kunnen stijgen. Als de schuld klein is, heb je minder last van een rentestijging Een hoge staatschuld betekent dat een land veel moet lenen. Door de grotere vraag naar leningen stijgt de rente. Hierdoor nemen de rentelasten en dus overheidsuitgaven toe en moet de overheid meer lenen waardoor de staatschuld stijgt Wanneer landen die zich slecht gedragen (door zich niet aan afspraken te houden) en daardoor in de problemen komen, worden gered hebben ze weinig prikkels zich beter te gedragen. Slecht gedrag wordt namelijk beloond a. Door een groot overheidstekort stijgen de bestedingen en dus de bezettingsgraad. De kans op inflatie loopt dan op. b. Bij een groot overheidstekort moet de Griekse overheid veel lenen. De vraag naar leningen stijgt en daardoor de prijs van lenen, de rente. c. Door het langdurige overheidstekort zal de staatsschuld ieder jaar verder toenemen. De rentebetalingen worden groter en leggen meer beslag op de overheidsfinanciën. Uitgaven voorandere overheidstaken, zoals zorg en onderwijs, kunnen dan in het gedrang komen Als die uitgaven besteed worden aan het verbeteren van de infrastructuur zoals wegen, bruggen, dijkverhoging, netwerkvoorzieningen en onderwijs, dan profiteren toekomstige generaties daar ook van. De welvaart van toekomstige generaties kan hoger zijn dan wanneer die uitgaven nu niet worden gedaan Vanuit de student: studenten ontvangen eerst gratis onderwijs, vervoer en een studiebeurs en betalen pas later, na hun studie, een bijdrage. Vanuit de overheid: de overheid financiert nu de studie van studenten om in de toekomst een beter geschoolde beroepsbevolking te krijgen. Daardoor stijgt de welvaart van een land a. 1 = hoger; 2 = hoger; 3 = moeilijker. b. 1 = lager; 2 = hoger; 3 = gemakkelijker.

8 Hoofdstuk 4 De wisselkoers van de euro 4.1 Betaalmogelijkheid 1: Per 1 januari 240 1,0406 = 249,74 Per 1 juli ,1558 = 2.496,53 Totaal 2.746,27 Betaalmogelijkheid 2: 0, ,0406 = 2.428,76. Betaalmogelijkheid 2 is voordeliger. 4.2 a. De euro is ten opzichte van de dollar in waarde gestegen (want je moet in juli 2008 meer dollars voor een euro betalen dan in januari 2007). b. In de periode juli 2008 tot en met november c. Juli 2008: 5 1,58 = $ 7,90. Januari 2012: 5 1,30 = $ 6,50. d. (1,30 1,58) /1,58 100% = -17,7%. De koers van de euro in dollars is gedaald. e. Eerst eurokoers omrekenen naar dollarkoers. Juli 2008: 1 = $ 1,58 $1 = 1/1,58 = 0,6329. Januari 2012: 1 = $ 1,30 $1 = 1/1,30 = 0,7692. Procentuele verandering van de dollar ten opzichte van de euro is: (0,7692 0,6329)/0, % = 21,5%. De dollar apprecieert met 21,5%. f. Gestegen. Begin 2008 krijg je voor een euro 163 yen en eind 2008 krijg je voor een euro 122 yen. Voor een yen moet eind 2008 dus meer euro s betaald worden. De koers van de Japanse yen is dus gestegen ten opzichte van de euro. g. 1 = $ 1,30 en 1 = yen 100 $ 1,30 = yen 100 $ 1 = 100/1,30 $ 1 = yen Daalt... stijgt... depreciatie. Stijgt... daalt... appreciatie Vraag naar euro's. 2. Aanbod van euro's. 3. Aanbod van euro's. 4. Vraag naar euro's. 4.5 Bij een eportoverschot is de eport groter is dan de import dus is er meer vraag naar euro's op de valutamarkt dan aanbod van euro's. Dit leidt tot een stijging van de koers van de euro ten opzichte van de dollar De eurokoers daalt omdat de vraag naar euro's op de valutamarkt afneemt. 2. De eurokoers stijgt omdat de vraag naar euro's op de valutamarkt toeneemt. 3. De eurokoers daalt omdat het aanbod van euro's op de valutamarkt toeneemt. 4. De eurokoers stijgt omdat de vraag naar euro's op de valutamarkt toeneemt.

9 4.7 Vraag naar... aanbod van... stijgen... appreciatie. Aanbod van... vraag naar... dalen... depreciatie. 4.8 a. 11 miljard. b. 11 miljard 1,35 = $ 14,85 miljard. 4.9 a. De aanbodlijn verschuift naar rechts. Er worden bij elke wisselkoers van de euro meer euro's aangeboden. b. De wisselkoers daalt a. 550P = -700p P = P = 1.000/1.250 = 0,8. De koers van de boeitie = 0,80. b. 0,8 invullen in Qa of Qv geeft Q = 440 miljoen boeitie. Er worden 440 0,8 = 352 miljoen verhandeld. c. De eport is gedaald. Bij dezelfde prijs is de vraag naar de munt 100 miljoen boeities lager. De lagere vraag naar de boeitie op de valutamarkt is veroorzaakt door een lagere eport. d. 550P = -700P P = 900 P = 900/1.250 = 0,72. Een daling van 0,80 naar 0,72 is een daling van 0,08/0,80 100% = 10% Stroomgrootheden. Het betreft geldstromen die betrekking hebben op een periode. Opmerking: Op de balans van een bedrijf staan alleen voorraadgrootheden. Ze hebben betrekking op bezittingen en vermogen op een bepaald moment a/b Lopende rekening van het eurogebied 2011 (in miljarden) ontvangsten uit buitenland eport van goederen, diensten en productiefactoren uitgaven aan buitenland import van goederen, diensten en productiefactoren saldo (ontvangsten uitgaven) b. Saldo lopende rekening = = 13, een overschot van 13 miljard a/b/c Kapitaalrekening van het eurogebied 2011 (in miljarden) ontvangsten uit buitenland uitgaven aan buitenland Saldo - 35 (kapitaal)import 495 (kapitaal)eport 530 ( tekort op de kapitaalrekening) b. Saldo kapitaalrekening = = - 35 miljard (een tekort)

10 4.14 Betalingsbalans van het eurogebied 2011 (in miljarden) ontvangsten uit buitenland uitgaven aan buitenland saldo ontvangsten uitgaven lopende rekening kapitaalrekening totaal Er is een tekort op de betalingsbalans van 22 miljard De valutareserve neemt af met 22 miljard want er is een materieel tekort van 22 miljard a/b 1: lopende rekening, ontvangst. 2: kapitaalrekening, uitgave. 3: lopende rekening, uitgave. 4: lopende rekening, uitgave. 5: kapitaalrekening, ontvangst a. Betalingsbalans ontvangsten uit buitenland uitgaven aan buitenland saldo lopende rekening $28 miljard $32 miljard -$4 miljard kapitaalrekening $16 miljard $15 miljard +$1 miljard b. Het materieel saldo = = -$ 3 miljard. Er is een tekort van $ 3 miljard. c. De valutareserve neemt af met $ 3 miljard want er is een materieel tekort van $ 3 miljard a. VS: -466/-0,03 = $ miljard; Japan: 119/0,02 = $ miljard. b. Saoedi-Arabië is een grote eporteur van olie en importeert relatief weinig. c. Om de buitenlandse schulden te verminderen, moeten de VS minder gaan importeren. Dit leidt tot minder productie en werkgelegenheid in andere landen omdat de VS minder besteden in andere landen. d. De VS hebben een importoverschot en moeten dus in het buitenland lenen. China en Japan hebben een eportoverschot Hierdoor kunnen ze geld uitlenen aan de VS.

11 4.19 a. Lopende rekening. Als de VS rente betaalt aan China gaat er een inkomensstroom van de VS naar China. Inkomensstromen worden geboekt op de lopende rekening. Voor de VS is het een uitgave. b. Bij een overschot op de kapitaalrekening wordt er per saldo geld geleend in het buitenland. In de toekomst moet over de schuld rente betaald worden aan het buitenland. Dat wordt geboekt als uitgave op de lopende rekening. Het overschot op de kapitaalrekening leidt tot een verslechtering van de lopende rekening in de toekomst a. 1. Een Nederlandse importeur koopt voor dollar Amerikaanse auto s. 2. Een Nederlands pensioen-fonds leent 40 miljoen euro aan de Engelse overheid. Engeland hoort niet bij de eurozone. 3. Een Spanjaard verkoopt Amerikaanse obligaties vanwege de lage rentestand. 4. Een Amerikaanse importeur koopt voor euro Nederlandse kaas. 5. Een Chinees bedrijf koopt een Fins bedrijf en maakt het geld over. lopende rekening of kapitaalrekening lopende rekening kapitaalrekening kapitaalrekening lopende rekening kapitaalrekening ontvangsten uit buitenland uitgaven aan buitenland vraag naar euro s op de valutamarkt aanbod van euro s op de valutamarkt b. Alle ontvangsten op de betalingsbalans leiden tot vraag naar euro's op de valutamarkt en alle uitgaven op de betalingsbalans leiden tot aanbod van euro's op de valutamarkt De wisselkoers moet depreciëren, dus dalen ten opzichte van buitenlandse valuta's. De producten van dit land worden goedkoper voor het buitenland waardoor de eport toeneemt. De import zal afnemen omdat buitenlandse producten voor dit land duurder worden. Het tekort op de betalingsbalans neemt door hogere eport en lagere import af.

12 4.22 a. Bij een prijs van 70 cent (= 0,70) per kg. b. Bij de evenwichtsprijs van 0,70 per kg valt af te lezen dat de evenwichtshoeveelheid 60 miljoen kg is. De marktomzet in het evenwicht is dus 0,70 60 miljoen = 42 miljoen. c. Door de misoogst zal bij dezelfde prijs minder worden aangeboden. De aanbodlijn verschuift naar links. d. Het aanpassingsproces (via het marktmechanisme) verloopt als volgt: Door de misoogst daalt het aanbod. Daardoor verschuift de aanbodlijn naar links. Omdat de vraaglijn dezelfde blijft, zal de evenwichtsprijs stijgen naar 80 cent. Dan zijn vraag en aanbod weer in evenwicht bij een evenwichtshoeveelheid van 50 miljoen kg.

13 Hoofdstuk 5 Economische samenhang /1,37 = 18, a. Vragers: gezinnen en bedrijven die geld tekort hebben en dus geld willen lenen; Aanbieders: gezinnen en bedrijven die geld over hebben en dus geld uitlenen. De overheid is meestal een vrager op de vermogensmarkt omdat ze in het algemeen een overheidstekort heeft. b. Arbeidsmarkt: loon; Goederen- en dienstenmarkt: prijs; Vermogensmarkt: rente; Valutamarkt: wisselkoers. 5.3 Braziliaanse producten worden duurder ten opzichte van producten uit andere landen. De concurrentiepositie van Brazilië verslechtert. Hierdoor daalt de eport en stijgt de import zodat de vraag naar reals op de valutamarkt daalt en het aanbod van reals stijgt. De wisselkoers van de real daalt dan. 5.4 a. Goederenmarkt en valutamarkt. b. Door koersdaling van de peso worden buitenlandse goederen in Argentinië duurder want er moeten meer peso's voor buitenlandse valuta's betaald worden. Of: door een koersdaling van de peso verbetert de internationale concurrentiepositie van Argentinië. Daardoor stijgt de eport. Als door de hogere bezettingsgraad de productiecapaciteit volledig bezet raakt, zal de inflatie toenemen. 5.5

14 5.6 a. Buitenlandse producten worden in Nederland goedkoper. Hierdoor daalt het algemeen prijspeil en stijgt de koopkracht. b. Nederlandse producten worden buiten het eurogebied duurder. Hierdoor verslechtert de internationale concurrentiepositie, daalt de eport, neemt de productie af en daalt de werkgelegenheid. 5.7 In Engeland is de prijs in euro's: 30 = 30 1,12 = 33,60. Haar voordeel is 40 33,60 = 6, a. Een tekort. Bij een tekort op de betalingsbalans is de eport kleiner dan de import en dus de vraag naar dollars op de valutamarkt kleiner dan het aanbod van dollars. Daardoor daalt de koers van de dollar. b. De daling van de dollarkoers leidt tot een verbetering van de concurrentiepositie van de VS omdat producten uit de VS goedkoper zijn voor Japan. De concurrentiepositie van Japan verslechtert omdat de koersstijging van de yen de Japanse producten duurder maakt voor de VS. c. Als gezinnen en bedrijven van de VS meer besteden, zullen ze een deel daarvan kopen in het buitenland. Daardoor stijgt de import en verslechtert bij gelijkblijvende eport het saldo van de betalingsbalans wat tot een tekort kan leiden Griekenland kan de eigen munt dan devalueren, waardoor Griekse producten voor buitenlanders goedkoper worden. Hierdoor kan de eport toenemen en kan Griekenland uit de recessie komen a. Ondernemers hebben in een diepe recessie het probleem dat ze door de lage vraag veel minder produceren dan ze zouden kunnen. Toenemende bestedingen leiden tot meer vraag naar goederen en diensten. Ondernemers zijn blij dat ze hun afzet kunnen vergroten en zullen in deze situatie hun prijzen zeker niet verhogen.

15 b. Als de productiecapaciteit (bijna) volledig bezet is. De totale vraag naar goederen en diensten wordt dan groter dan de productiecapaciteit. De ondernemers kunnen op korte termijn niet meer voldoen aan een toenemende vraag. Als er meer vraag komt naar hun producten dan ze kunnen aanbieden, kunnen ze gemakkelijk hun prijzen verhogen Zie figuur a. Italië wil een hogere rentestand om de bestedingen af te remmen. Spanje wil juist een renteverlaging om de bestedingen te stimuleren. b. De belangrijkste doelstelling van de ECB is het voorkomen van inflatie. Als de rente wordt verlaagd, zou de inflatie in Italië toenemen. Daarom verlaagt de ECB de rente niet De rentestand stijgt. Hoe hoger de inflatie hoe hoger de rente want in de rente zit een vergoeding voor de inflatie. 2. De internationale concurrentiepositie verslechtert. Producten uit de eurozone worden duurder ten opzichte van de producten uit het buitenland.

16 3. De wisselkoers van de euro daalt. Door verslechtering van de internationale concurrentiepositie daalt de eport en neemt de vraag naar euro's op de valutamarkt af In een recessie zal de vraag naar goederen en diensten afnemen. Door een lagere rente kunnen burgers en bedrijven makkelijker geld lenen om daarmee goederen en diensten te kopen. De recessie wordt dan minder sterk Rente in Engeland daalt Britse beleggers gaan in het buitenland beleggen aanbod van Britse ponden op de valutamarkt stijgt koers van het pond daalt. Of: Rente in Engeland daalt buitenlandse beleggers gaan minder in Engeland beleggen vraag naar Britse ponden op de valutamarkt daalt koers van het Britse pond daalt a. Rentevoet verhogen. Een hogere rente trekt buitenlandse beleggers aan waardoor de vraag naar dollars op de valutamarkt stijgt. De daling van de koers van de dollar wordt dan tegengegaan waardoor de koers op peil blijft. b. Er was onderbesteding. Een renteverhoging zal leiden tot meer sparen en minder lenen zodat de bestedingen zullen dalen. Dit versterkt de onderbesteding waardoor de werkgelegenheid verder zal dalen Als je hoge schulden maakt, word je door de ECB geholpen met een lening tegen een laag rentetarief. Waarom dan nog moeite doen om de schulden terug te brengen? 5.20 a. Door het binnenlands prijspeil en de koers van de euro. Als het binnenlands prijspeil stijgt, verslechtert de concurrentiepositie. Als de koers van de euro stijgt, betalen mensen buiten het eurogebied meer eigen valuta voor een euro waardoor de producten uit het eurogebied duurder voor hen worden. Hierdoor verslechtert de internationale concurrentiepositie van het eurogebied.

17 b. Als de rente tarieven van de ECB stijgen, dan dalen de bestedingen (pijl 7, minteken). Het wordt duurder om geld te lenen voor het kopen van goederen (en/of mensen gaan meer sparen). Als de bestedingen dalen, verbetert het saldo van de lopende rekening (pijl 12, minteken). Een deel van de bestedingen wordt gebruikt voor het kopen van importgoederen. Door een daling van de import verbetert het saldo op de lopende rekening. c. Pijl 8: Als de ECB de rentetarieven verhoogt, wordt het voor buitenlandse beleggers aantrekkelijk om in het eurogebied te beleggen. Hierdoor stijgt de vraag naar euro's op de valutamarkt, omdat de buitenlandse beleggers hun eigen munt moeten omwisselen in euro's. Meer vraag naar euro's op de valutamarkt leidt tot een hogere wisselkoers van de euro. Pijl 10: Als de koers van de euro stijgt, worden producten uit het eurogebied voor het buitenland duurder. Hierdoor verslechtert de concurrentiepositie van het eurogebied. Pijl 13: Als de concurrentiepositie verslechtert, daalt de eport en stijgt de import. Hierdoor verslechtert het saldo van de lopende rekening. d. Als de bestedingen stijgen dan daalt de werkloosheid (pijl 1, minteken). Hogere bestedingen leiden tot meer productie en werkgelegenheid. Lagere werkloosheid leidt tot een krappere arbeidsmarkt waardoor de lonen gemakkelijker kunnen stijgen. Als de lonen harder stijgen dan de arbeidsproductiviteit stijgen de loonkosten per product (pijl 2, minteken). e. Als de arbeidsproductiviteit stijgt, dan dalen (bij gelijkblijvende lonen) de loonkosten per product (pijl 4, minteken). Er worden bijvoorbeeld per uur door een werknemer meer producten gemaakt voor hetzelfde loon. Per eenheid product dalen dan de loonkosten a. De figuren 5.6 en 5.7. Figuur 5.6 geeft aan dat de werkelijke productie (veel) lager ligt dan de productiecapaciteit. Er is onderbesteding. De hoge werkloosheid in figuur 5.7 is daarvan het gevolg. b. Depreciatie. Door het tekort op de lopende rekening zijn de ontvangsten uit het buitenland lager dan de betalingen aan het buitenland. Daardoor is op de valutamarkt de vraag naar de kroon lager dan het aanbod waardoor de koers van de kroon daalt. c. Om een koersdaling als gevolg van het tekort op de lopende rekening tegen te gaan, heeft de centrale bank de rente verhoogd. Dit trekt buitenlandse beleggers aan waardoor op de valutamarkt de vraag naar de kroon stijgt en daarmee de koers van de kroon. d. Door verhoging van de rente blijft de koers van de kroon op peil. Een verhoging van de rente is niet gunstig voor de bestedingen, het bevordert de onderbesteding. e. Door de renteverlaging gaan gezinnen en berdrijven en bedrijven meer lenen en minder sparen. Hierdoor nemen de bestedingen toe.

18 f. Na een renteverlaging vinden buitenlandse beleggers het minder aantrekkelijk om in IJsland hun geld onder te brengen. Hierdoor neemt de vraag naar de kroon op de valutamarkt af en daalt de koers van de kroon. De IJslandse producten worden voor het buitenland goedkoper zodat de eport zal toenemen. Producten uit het buitenland worden voor IJsland duurder waardoor de import afneemt. Een grotere eport en een lagere import leiden tot een verbetering van het saldo op de lopende rekening. g. Door een renteverlaging gaan mensen minder sparen en meer lenen. Hierdoor kan de consumptie toenemen en neemt ook de import toe. Bij gelijkblijvende eport zal het saldo op de lopende rekening verslechteren. h. De inflatie in IJsland is hoger dan de inflatie van de handelspartners. Daardoor is de concurrentiepositie van IJsland verslechtert. De eport daalt en de import stijgt zodat het tekort op de lopende rekening zal groeien. i. De concurrentiepositie van IJsland wordt bepaald door de ontwikkeling van het prijsniveau van de landen waarmee je handel drijft. Daarom vergelijk je de inflatie van je eigen land met die van de handelspartners. j. Figuur 5.11, de verandering van de arbeidsproductiviteit. Het gaat bij het beoordelen van de concurrentiepositie niet om de lonen alleen, maar om de loonkosten per product. Pas wanneer de loonkosten per product stijgen, zullen de ondernemers de verkoopprijzen verhogen en wordt het land duurder ten opzichte van het buitenland. k. De loonkosten van IJsland zijn in 2010 relatief minder gestegen dan van de handelspartners (2 punten tegenover 5 punten). De arbeidsproductiviteit is in IJsland sterk gestegen maar bij de handelspartners gedaald. De loonkosten per product zijn in IJsland dus gedaald en bij de handelspartners gestegen. Daardoor is IJslands concurrentiepositie verbetert ten opzichte van die van de handelspartners. l. Uit figuur 5.12 blijkt dat de rentevoet bij de handelspartner daalt terwijl die in IJsland stijgt. Dat kan via een hogere wisselkoers van de kroon tot een verslechtering van de concurrentiepositie van IJsland leiden. Dit wordt verhinderd door een renteverlaging in IJsland.

Als de lonen dalen, dalen de loonkosten voor de producent. Hetgeen kan betekenen dat de producent niet overgaat tot mechanisatie/automatisering.

Als de lonen dalen, dalen de loonkosten voor de producent. Hetgeen kan betekenen dat de producent niet overgaat tot mechanisatie/automatisering. Top 100 vragen. De antwoorden! 1 Als de lonen stijgen, stijgen de productiekosten. De producent rekent de hogere productiekosten door in de eindprijs. Daardoor daalt de vraag naar producten. De productie

Nadere informatie

wisselkoers Euro in Amerikaanse dollar 1,3644 Hoeveel dollar is 590?

wisselkoers Euro in Amerikaanse dollar 1,3644 Hoeveel dollar is 590? wisselkoers Euro in Amerikaanse dollar 1,3644 Hoeveel dollar is 590? 1,3644 * 590 = $805 2300 is dan 1,3644 * 2300 =$3138,12 Hoeveel euro is $789? 1,3644 dollar = 1 euro $789 / 1,3644 =578,28 euro Bereken

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2003-II

Eindexamen economie 1-2 vwo 2003-II 4 Antwoordmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juist antwoord

Nadere informatie

Examen HAVO. Economie 1

Examen HAVO. Economie 1 Economie 1 Examen HAVO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Tijdvak 2 Woensdag 21 juni 13.30 16.00 uur 20 00 Dit examen bestaat uit 31 vragen. Voor elk vraagnummer is aangegeven hoeveel punten met een goed

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2000-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2000-II Opgave 1 Uit een krant: Uitzendbranche blijft groeien Uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt dat de uitzendbranche in het eerste kwartaal van 1998 flink is gegroeid. In vergelijking

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2008-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2008-II Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 De werkgelegenheid verandert met

Nadere informatie

Module 8 havo 5. Hoofdstuk 1 conjunctuurbeweging

Module 8 havo 5. Hoofdstuk 1 conjunctuurbeweging Module 8 havo 5 Hoofdstuk 1 conjunctuurbeweging Economische conjunctuur hoogconjunctuur Reëel binnenlands product groeit procentueel sterker dan gemiddeld. laagconjunctuur Reëel binnenlands product groeit

Nadere informatie

Valutamarkt. De euro op koers. Havo Economie 2010-2011 VERS

Valutamarkt. De euro op koers. Havo Economie 2010-2011 VERS Valutamarkt De euro op koers Havo Economie 2010-2011 VERS 2 Hoofdstuk 1 : Inleiding Opdracht 1 a. Dirham b. Internet c. Duitsland - Ierland - Nederland - Griekenland - Finland - Luxemburg - Oostenrijk

Nadere informatie

5.1 Wie is er werkloos?

5.1 Wie is er werkloos? 5.1 Wie is er werkloos? Volgens het CBS behoren mensen tot de werkloze beroepsbevolking als ze een leeftijd hebben van 15 tot en met 64 jaar, minder dan 12 uur werken, actief op zoek zijn naar betaald

Nadere informatie

Examen HAVO en VHBO. Economie 1,2 oude en nieuwe stijl

Examen HAVO en VHBO. Economie 1,2 oude en nieuwe stijl Economie 1,2 oude en nieuwe stijl Examen HAVO en VHBO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Vooropleiding Hoger Beroeps Onderwijs HAVO Tijdvak 2 VHBO Tijdvak 3 Woensdag 21 juni 13.30 16.30 uur 20 00 Dit

Nadere informatie

Domein GTST havo. 1) Gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland; of anders geformuleerd: (C + I + O + E M)

Domein GTST havo. 1) Gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland; of anders geformuleerd: (C + I + O + E M) 1) Geef de omschrijving van trendmatige groei. 2) Wat houdt conjunctuurgolf in? 3) Noem 5 conjunctuurindicatoren. 4) Leg uit waarom bij hoogconjunctuur de bedrijfswinsten zullen stijgen. 5) Leg uit waarom

Nadere informatie

Eindexamen havo economie oud programma I

Eindexamen havo economie oud programma I Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Een antwoord waaruit blijkt dat mensen met een hoog

Nadere informatie

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)!

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Vragen aangeduid met een * toetsen in het bijzonder het inzicht en toepassingsvermogen. Deze vragenreeksen zijn vrij beschikbaar.

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2004-I

Eindexamen economie 1-2 vwo 2004-I 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juiste berekening

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2008-I

Eindexamen economie 1 vwo 2008-I Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 vergemakkelijken van het ontslaan

Nadere informatie

Eindexamen economie havo I

Eindexamen economie havo I Opgave 1 Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. 1 Voorbeeld van een juiste berekening: 47,5 27,5 100% = 72,73% 27,5

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-II Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Voorbeelden van een juist antwoord zijn: kosten van politie-inzet

Nadere informatie

5.2 Wie is er werkloos?

5.2 Wie is er werkloos? 5.2 Wie is er werkloos? Volgens het CBS behoren mensen tot de werkloze beroepsbevolking als ze een leeftijd hebben van 15 tot en met 64 jaar, minder dan 12 uur werken, actief op zoek zijn naar betaald

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2007-I

Eindexamen economie 1-2 vwo 2007-I Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 q v = 200 1,25 + 450 = 200 q a

Nadere informatie

SPD Bedrijfsadministratie. Correctiemodel ALGEMENE ECONOMIE VRIJDAG 16 DECEMBER UUR

SPD Bedrijfsadministratie. Correctiemodel ALGEMENE ECONOMIE VRIJDAG 16 DECEMBER UUR SPD Bedrijfsadministratie Correctiemodel ALGEMENE ECONOMIE VRIJDAG 16 DECEMBER 2016 15.30-17.00 UUR SPD Bedrijfsadministratie Algemene economie vrijdag 16 december 2016 B / 12 2016 NGO-ENS B / 12 Opgave

Nadere informatie

Eindexamen economie vwo 2010 - I

Eindexamen economie vwo 2010 - I Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Een antwoord waaruit

Nadere informatie

pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD

pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD De macro-vraaglijn of geaggregeerde vraaglijn geeft het verband weer tussen het algemeen prijspeil en de gevraagde hoeveelheid binnenlands product. De macro-vraaglijn

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2000-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2000-II 4 Antwoordmodel Opgave voorbeeld van een juiste berekening: 84.760.000 4 = 2.080 uur 63.000 2 voorbeeld van een juist antwoord: Een antwoord waaruit blijkt dat uitzendkrachten in deeltijd werken. 3 voorbeelden

Nadere informatie

Eindexamen economie pilot havo II

Eindexamen economie pilot havo II Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Een antwoord waaruit blijkt dat

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2004-I

Eindexamen economie 1-2 havo 2004-I 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juist antwoord

Nadere informatie

Handel (tastbare goederen) 61 35 + 26 Diensten (transport, toerisme, ) 5 4 + 1 Primaire inkomens (rente, dividend, ) 11 3 + 8

Handel (tastbare goederen) 61 35 + 26 Diensten (transport, toerisme, ) 5 4 + 1 Primaire inkomens (rente, dividend, ) 11 3 + 8 betalingsbalans Zweden behoort tot de EU maar (nog) niet tot de EMU. Dat maakt Zweden een leuk land voor opgaven over wisselkoersen, waarbij een vrij zwevende kroon overgaat naar een kroon met een vaste

Nadere informatie

Domein Goede Tijden, Slechte Tijden

Domein Goede Tijden, Slechte Tijden Domein Goede Tijden, Slechte Tijden Zie steeds de eenvoud!! havo Frans Etman Hoog- of laagconjunctuur Het Centraal Bureau van de Statistiek (CBS) heeft 2 filmpjes gemaakt over de indicatoren van de economie.

Nadere informatie

Domein Goede Tijden, Slechte Tijden

Domein Goede Tijden, Slechte Tijden Domein Goede Tijden, Slechte Tijden Zie steeds de eenvoud!! vwo Frans Etman Hoog- of laagconjunctuur Het Centraal Bureau van de Statistiek (CBS) heeft 2 filmpjes gemaakt over de indicatoren van de economie.

Nadere informatie

Goede tijden, slechte tijden. Soms zit het mee, soms zit het tegen

Goede tijden, slechte tijden. Soms zit het mee, soms zit het tegen Slides en video s op www.jooplengkeek.nl Goede tijden, slechte tijden Soms zit het mee, soms zit het tegen 1 De toegevoegde waarde De toegevoegde waarde is de verkoopprijs van een product min de ingekochte

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2005-I

Eindexamen economie 1 vwo 2005-I 4 Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 102,4 100 = 101,4866 1,49% 100,9 Voor het antwoord:

Nadere informatie

Eindexamen economie vwo I

Eindexamen economie vwo I Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Uit het antwoord moet

Nadere informatie

Lesbrief Buitenland 2

Lesbrief Buitenland 2 Lesbrief Buitenland 2 Hoofdstuk 1 Internationale handel 1.1 Uitvoer en invoer Invoervolume ( = importvolume): Uitvoervolume (= exportvolume): de hoeveelheid goederen en / of diensten gekocht uit het buitenland

Nadere informatie

Arbeid = arbeiders = mensen

Arbeid = arbeiders = mensen Vraag van en aanbod naar arbeid Arbeid = arbeiders = mensen De vraag naar mensen = werkenden Het aanbod van mensen = beroepsbevolking Participatiegraad Beroepsbevolking / beroepsgeschikte bevolking * 100%

Nadere informatie

Eindexamen economie havo I

Eindexamen economie havo I Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Een antwoord waaruit blijkt dat

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-II

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-II 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juiste berekening

Nadere informatie

Eindexamen economie havo II

Eindexamen economie havo II Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 import: 250 + 29 + 139 + 415 460

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2007-I

Eindexamen economie 1 vwo 2007-I Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 1 Een antwoord waaruit

Nadere informatie

Domein E: Ruilen over de tijd. fransetman.nl

Domein E: Ruilen over de tijd. fransetman.nl Domein E: Ruilen over de tijd Rente : prijs van tijd Nu lenen: een lagere rente Nu sparen: een hogere rente Individuele prijs van tijd: het ongemak dat je ervaart Algemene prijs van tijd: de rente die

Nadere informatie

Economie. Boekje Conjunctuur Samenvattingen + overige voorbereiding voor de toets. Inhoud:

Economie. Boekje Conjunctuur Samenvattingen + overige voorbereiding voor de toets. Inhoud: Boekje Conjunctuur Samenvattingen + overige voorbereiding voor de toets Economie Inhoud: Wat? blz. h1 & h2 samengevat 2 h3 samengevat 3 h4 samengevat 4 wat moet weten 5 Begrippen 6 & 7 Links 7 Test je

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo I

Eindexamen economie 1-2 vwo I Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 1 nivellering 38,2 : 9,6 = 3,98 : 1 2 maximumscore

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 havo 2000-I

Eindexamen economie 1 havo 2000-I Opgave 1 Meer mensen aan de slag Het terugdringen van de werkloosheid is in veel landen een belangrijke doelstelling van de overheid. Om dat doel te bereiken, streeft de overheid meestal naar groei van

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2007-II

Eindexamen economie 1-2 vwo 2007-II Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 1 0,15 0,12 100% = 25%

Nadere informatie

Valutamarkt. fransetman.nl

Valutamarkt. fransetman.nl euro in dollar wisselkoers Wisselkoers (ontstaat op valutamarkt) Waarde van een munt uitgedrukt in een andere munt Waardoor kan de vraag naar en het aanbod van veranderen? De wisselkoers van de euro in

Nadere informatie

Eindexamen economie vwo I

Eindexamen economie vwo I Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave maximumscore 2 Door de vermindering van

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-I

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-I 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Voorbeelden van een juist antwoord

Nadere informatie

Welvaart en groei. 1) Leg uit wat welvaart inhoudt. 1) De mate waarin mensen in hun behoefte kunnen voorzien. 2) Waarmee wordt welvaart gemeten?

Welvaart en groei. 1) Leg uit wat welvaart inhoudt. 1) De mate waarin mensen in hun behoefte kunnen voorzien. 2) Waarmee wordt welvaart gemeten? 1) Leg uit wat welvaart inhoudt. 2) Waarmee wordt welvaart gemeten? 3) Wat zijn negatief externe effecten? 4) Waarom is deze maatstaf niet goed genoeg? Licht toe. 1) De mate waarin mensen in hun behoefte

Nadere informatie

Eindexamen economie pilot havo 2011 - I

Eindexamen economie pilot havo 2011 - I Beoordelingsmodel Vraag Antwoord Scores Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore

Nadere informatie

Rente de prijs van tijd. Als rente hoger is dan de opofferingskosten individuele prijs van tijd niet lenen maar sparen

Rente de prijs van tijd. Als rente hoger is dan de opofferingskosten individuele prijs van tijd niet lenen maar sparen Rente de prijs van tijd. Als rente hoger is dan de opofferingskosten individuele prijs van tijd niet lenen maar sparen Ruilen over de tijd Intertemporele substitutie Bedrijven lenen geld om te investeren

Nadere informatie

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)!

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Vragen aangeduid met een * toetsen in het bijzonder het inzicht en toepassingsvermogen. Deze vragenreeksen zijn vrij beschikbaar.

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2007-I

Eindexamen economie 1-2 havo 2007-I 4 Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 twee van de volgende voorbeelden

Nadere informatie

Eindexamen havo economie 2013-I

Eindexamen havo economie 2013-I Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 bij (1) monopolie bij (2) toe

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2004-II

Eindexamen economie 1 vwo 2004-II Opgave 1 Stoppen met roken!? In een land betalen rokers bij de aanschaf van tabaksproducten een flink bedrag aan indirecte belasting (tabaksbelasting)*. Dat vinden veel mensen terecht omdat de overheid

Nadere informatie

oefentoets 3 e periode 0910 vier opgaven pagina 1 van 4

oefentoets 3 e periode 0910 vier opgaven pagina 1 van 4 oefentoets 3 e periode 0910 vier opgaven pagina 1 van 4 Opgave 1 valutamarkt Groot-Brittannië behoort niet tot de Economische Monetaire Unie (EMU). Het Britse pond ( ) is op de valutamarkt nog een zelfstandig

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2005-I

Eindexamen economie 1-2 vwo 2005-I 4 Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juist antwoord is: Een

Nadere informatie

Ruilen over de tijd (havo)

Ruilen over de tijd (havo) 1. Leg uit dat het sparen door gezinnen een voorbeeld is van ruilen in de tijd. 2. Leg uit waarom investeren door bedrijven als ruilen over de tijd beschouwd kan worden. 3. Wat is intertemporele substitutie?

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2008-I

Eindexamen economie 1-2 havo 2008-I Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 ja De prijselasticiteit

Nadere informatie

1. De productiemogelijkhedencurve van een land verschuift naar boven. Waardoor kan dit verklaard worden?

1. De productiemogelijkhedencurve van een land verschuift naar boven. Waardoor kan dit verklaard worden? 1. De productiemogelijkhedencurve van een land verschuift naar boven. Waardoor kan dit verklaard worden?. een daling van het aantal werklozen B. een toename van de emigratie uit het betreffende land. de

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2002-II

Eindexamen economie 1-2 vwo 2002-II 4 Antwoordmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 0,15 Een voorbeeld van een juiste verklaring

Nadere informatie

Eindexamen economie pilot havo 2009 - I

Eindexamen economie pilot havo 2009 - I Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 ja Een voorbeeld van een juiste

Nadere informatie

Antwoorden stencils OPGAVE 1 11.313 pond. (36,41%) 1,48 miljard als het BNP in procenten harder is gestegen dan het bedrag in ponden in procenten

Antwoorden stencils OPGAVE 1 11.313 pond. (36,41%) 1,48 miljard als het BNP in procenten harder is gestegen dan het bedrag in ponden in procenten Antwoorden stencils OPGAVE 1 1. Nominaal Inkomen 1996 = 25,34 miljard pond x 1,536 = 38,92224 miljard pond Bevolkingsomvang 1996 = 3.340.000 x 1,03 = 3.440.200 Nominaal Inkomen per hoofd = 38,92224 miljard

Nadere informatie

1. Leg uit dat het sparen door gezinnen een voorbeeld is van ruilen in de tijd. 2. Leg uit waarom investeren door bedrijven als ruilen over de tijd beschouwd kan worden. 3. Wat is intertemporele substitutie?

Nadere informatie

Bruto binnenlands product

Bruto binnenlands product Bruto binnenlands product Binnenlands = nationaal Productie bedrijven Individuele goederen Omzet Inkoop van grond- en hulpstoffen - Bruto toegevoegde waarde Afschrijvingen- Netto toegevoegde waarde = Beloningen

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2002-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2002-II 4 Antwoordmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juiste berekening is: 1,5

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2000

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2000 TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2000 VAK: ECONOMIE 1,2 NIVEAU: EXAMEN: HAVO 2000-II Deze uitwerking wordt ook opgenomen in de Examenbundel Onderwijspers 2001-2002 die in de zomer van 2001 bij

Nadere informatie

Voorbeeldcasussen workshop DELFI-tool t.b.v. de LWEO Conferentie 2016. Auteurs: Íde Kearney en Robert Vermeulen

Voorbeeldcasussen workshop DELFI-tool t.b.v. de LWEO Conferentie 2016. Auteurs: Íde Kearney en Robert Vermeulen Voorbeeldcasussen workshop DELFI-tool t.b.v. de LWEO Conferentie 2016. Auteurs: Íde Kearney en Robert Vermeulen De voorbeelden in de casussen zijn verzonnen door de auteurs en komen niet noodzakelijkerwijs

Nadere informatie

1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet.

1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet. AANVULLENDE SPECIFIEKE TIPS ECONOMIE VWO 2007 1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet. : Leg uit dat loonmatiging in een open economie kan leiden tot

Nadere informatie

Eindexamen economie havo I

Eindexamen economie havo I Opgave 1 Verdienen ministers te weinig? Een commissie stelt dat een minister meer zou moeten verdienen dan zijn topambtenaren. Uit onderzoek van de commissie blijkt echter dat in 2005 het salaris van een

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2001-II

Eindexamen economie 1 vwo 2001-II Opgave 1 CAO-overleg: loon of werk? Bij de CAO-onderhandelingen voor een komend jaar in de industrie wordt uitgegaan van de volgende prognose: inflatie 2,3% stijging arbeidsproductiviteit in de industrie

Nadere informatie

H1: Economie gaat over..

H1: Economie gaat over.. H1: Economie gaat over.. 1: Belangen Geld is voor de economie een smeermiddel, door het gebruik van geld kunnen we handelen, sparen en goederen prijzen. Belangengroep Belang = Ze komen op voor belangen

Nadere informatie

DOMEIN E: RUILEN OVER DE TIJD. Module 4 Nu en later

DOMEIN E: RUILEN OVER DE TIJD. Module 4 Nu en later DOMEIN E: RUILEN OVER DE TIJD Module 4 Nu en later Inflatie Definitie: stijging van het algemeen prijspeil Gevolgen van inflatie koopkracht neemt af Verslechtering internationale concurrentiepositie Bij

Nadere informatie

Keuzeonderwerp. Keynesiaans model. Gesloten /open economie zonder/met overheid met arbeidsmarkt. fransetman.nl

Keuzeonderwerp. Keynesiaans model. Gesloten /open economie zonder/met overheid met arbeidsmarkt. fransetman.nl Keuzeonderwerp Keynesiaans model Gesloten /open economie zonder/met overheid met arbeidsmarkt Vraag op de goederenmarkt Alleen gezinnen en bedrijven kopen op de goederenmarkt. C = 0,6 Y Aa = 4 mln mensen

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores

Vraag Antwoord Scores Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 1 monopolie 2 maximumscore 3 bij

Nadere informatie

ALGEMENE ECONOMIE /03

ALGEMENE ECONOMIE /03 HBO Algemene economie Raymond Reinhardt 3R Business Development raymond.reinhardt@3r-bdc.com 3R 1 M Productiefactoren: alle middelen die gebruikt worden bij het produceren: NOKIA: natuur, ondernemen, kapitaal,

Nadere informatie

Module 16: antwoorden. Experimenteel lesprogramma nieuwe economie

Module 16: antwoorden. Experimenteel lesprogramma nieuwe economie Module 16: antwoorden Experimenteel lesprogramma nieuwe economie Verantwoording 2010 Stichting leerplanontwikkeling (SLO), Enschede Het auteursrecht op de modules voor Economie berust bij SLO. Voor deze

Nadere informatie

Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur

Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur Economische wetenschappen 1 en recht Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur 19 99 Dit examen bestaat uit 34 vragen. Voor elk vraagnummer is aangegeven

Nadere informatie

= de ruilverhouding tussen 2 munten De wisselkoers is de prijs van een buitenlandse valuta uitgedrukt in de valuta van het eigen land.

= de ruilverhouding tussen 2 munten De wisselkoers is de prijs van een buitenlandse valuta uitgedrukt in de valuta van het eigen land. 1 De wisselmarkt 1.1 Begrip Wisselkoers = de ruilverhouding tussen 2 munten De wisselkoers is de prijs van een buitenlandse valuta uitgedrukt in de valuta van het eigen land. bv: prijs van 1 USD = 0,7

Nadere informatie

Eindexamen vwo economie pilot 2012 - II

Eindexamen vwo economie pilot 2012 - II Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 290 100% = 117,9% 306 160 + 100 Een andere juiste

Nadere informatie

Examen HAVO. economie 1,2. tijdvak 2 woensdag 20 juni 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage.

Examen HAVO. economie 1,2. tijdvak 2 woensdag 20 juni 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage. Examen HAVO 2007 tijdvak 2 woensdag 20 juni 13.30-16.00 uur economie 1,2 Bij dit examen hoort een bijlage. Dit examen bestaat uit 27 vragen. Voor dit examen zijn maximaal 58 punten te behalen. Voor elk

Nadere informatie

Eindexamen economie pilot vwo I

Eindexamen economie pilot vwo I Beoordelingsmodel Vraag Antwoord Scores Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore

Nadere informatie

Domein E: Concept Ruilen over de tijd

Domein E: Concept Ruilen over de tijd 1. Het bruto binnenlands product is gestegen met 0,9%. Het inflatiepercentage bedraagt 2,1%. Bereken de reële groei van het BBP. 2. Waarmee wordt het inflatiepercentage gemeten? 3. Lees de onderstaande

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores

Vraag Antwoord Scores Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 1 600 bezoekers (2.800 2.200) 2 maximumscore

Nadere informatie

Eindexamen havo economie 2012 - I

Eindexamen havo economie 2012 - I Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 3 bij (1) substitueerbaar voor bij (2) stijging

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores

Vraag Antwoord Scores Opgave 1 1 maximumscore 2 Een antwoord waaruit blijkt dat consumenten (bepaalde) aankopen naar voren halen, wanneer ze een hoge / hogere inflatie in de komende periode verwachten. 2 maximumscore 2 Een

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2007-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2007-II Opgave 1 uit een krant (oktober 2003): Eindelijk akkoord Er is in de Stichting van de Arbeid een centraal akkoord voor volgend jaar gesloten. Regering, werknemersorganisaties en werkgeversorganisaties

Nadere informatie

Examen HAVO - Compex. economie 1

Examen HAVO - Compex. economie 1 economie 1 Examen HAVO - Compex Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Tijdvak 1 Maandag 23 mei totale examentijd 2,5 uur 20 05 Vragen 1 tot en met 19 In dit deel staan de vragen waarbij de computer niet

Nadere informatie

Examen HAVO en VHBO. Economie

Examen HAVO en VHBO. Economie Economie Examen HAVO en VHBO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Vooropleiding Hoger Beroeps Onderwijs HAVO Tijdvak 1 VHBO Tijdvak 2 Woensdag 19 mei 13.30 16.30 uur 19 99 Dit examen bestaat uit 36 vragen.

Nadere informatie

Examen HAVO. economie. tijdvak 1 dinsdag 25 mei 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage.

Examen HAVO. economie. tijdvak 1 dinsdag 25 mei 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage. Examen HAVO 2010 tijdvak 1 dinsdag 25 mei 13.30-16.00 uur economie tevens oud programma economie 1,2 Bij dit examen hoort een bijlage. Dit examen bestaat uit 26 vragen. Voor dit examen zijn maximaal 56

Nadere informatie

M * V = P * T (T kan ook Y (reëel inkomen zijn)

M * V = P * T (T kan ook Y (reëel inkomen zijn) Centrale bank leent aan banken geld. Banken kunnen geld uitlenen aan gezinnen en bedrijven. Gezinnen consumeren meer, bedrijven investeren meer. De bedrijven gaan meer produceren. (Er ontstaat meer welvaart

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores

Vraag Antwoord Scores Opgave 1 1 maximumscore 2 Uit de uitleg moet blijken dat het tarief per keer legen de inwoners stimuleert om de containers minder vaak aan te bieden om daarmee lasten te besparen 1 het tarief per kilo

Nadere informatie

3.2 De omvang van de werkgelegenheid

3.2 De omvang van de werkgelegenheid 3.2 De omvang van de werkgelegenheid Particuliere bedrijven en overheidsbedrijven nemen mensen in dienst. Collectieve sector = Semicollectieve sector = De overheden op landelijk, provinciaal en lokaal

Nadere informatie

bruto inkomen (per persoon)

bruto inkomen (per persoon) Opgave 1 Lorenzcurve en economische kringloop Definities: Bruto inkomen Loon/pensioen, interest, winst/dividend, huur/pacht Netto inkomen Bruto inkomen inkomstenbelasting (IB) Netto besteedbaar inkomen

Nadere informatie

Eindexamen economie havo II

Eindexamen economie havo II Opgave 1 Buitenland en overheid in de kringloop In de economische wetenschap wordt gebruikgemaakt van modellen. Een kringloopschema is een model waarmee een vereenvoudigd beeld van de economie van een

Nadere informatie