Het CJG, de oplossing voor de jeugdzorg? De invloed van vertrouwen en samenwerking op de organisaties binnen het Centrum voor Jeugd en Gezin.

Save this PDF as:
 WORD  PNG  TXT  JPG

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Het CJG, de oplossing voor de jeugdzorg? De invloed van vertrouwen en samenwerking op de organisaties binnen het Centrum voor Jeugd en Gezin."

Transcriptie

1 Het CJG, de oplossing voor de jeugdzorg? De invloed van vertrouwen en samenwerking op de organisaties binnen het Centrum voor Jeugd en Gezin. Auteur: Eva Geesing

2 2

3 Het CJG, de oplossing voor de jeugdzorg? De invloed van vertrouwen en samenwerking op de organisaties binnen het Centrum voor Jeugd en Gezin. Auteur: Eva Geesing Studentnummer: Master: Publiek Management Bestuur en Organisatiewetenschap (USBO) Universiteit Utrecht. Begeleid door: Albert Meijer Tweede lezer: Martijn van der Meulen Afstudeerorganisatie: Centrum voor Jeugd en Gezin In opdracht van: Integraal Toezicht Jeugdzaken Stageplek: Ordina Public Management Consulting Datum: 24 juni

4 4

5 Voorwoord Zes jaar geleden ben ik begonnen met studeren. Ik wilde niet zoals de rest van mijn familie terecht komen in de softe sector van zorg, onderwijs en overheid. Ik wilde geld, status en een snelle baan. De studie economie moest het daarom worden. Al na een paar maanden bleek dat ik hierin niet genoeg de sociale kant van de samenleving terug zag. Ik had niet genoeg aan cijfers en theoretische modellen, ik miste de menselijke kant in de vraagstukken die ik op moest lossen. Na een kleine studiepauze heb ik me neergelegd bij het feit dat het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Ook ik ben, net als de rest van mijn familie, gemaakt voor de publieke sector. De studie bestuur- en organisatiewetenschap leek de juiste keus te zijn. Na het behalen van mijn bachelor begon toch de twijfel weer toe te slaan. Ik kreeg de kans om te gaan werken in de jeugdzorg, dit heb ik gedaan. Dit werk, midden in het openbaar bestuur, heeft mij de motivatie gegeven om verder te studeren. Werkende in het veld zag ik dat er van alles mis kan gaan binnen een sector waarin iedereen hetzelfde wil: het beste voor het kind. Met verwondering en veel vragen vanuit mijn werkervaring ben ik begonnen aan de master Publiek Management. Dit was precies wat ik er van verwachtte. De combinatie met mijn werk bleek echter onmogelijk waardoor ik gedwongen werd te stoppen met werken in de jeugdzorg. Tegelijkertijd diende zich een mooie kans aan. Ik kon onderzoek gaan doen voor Integraal Toezicht Jeugdzaken. Op deze manier heb ik me opnieuw kunnen inzetten voor de organisatie van de jeugdzorg. Weliswaar op een heel ander terrein en op een ander niveau maar wel met hetzelfde doel voor ogen: het beste voor het kind. Hoe is de problematische samenwerken binnen de jeugdzorg ontstaan? Zouden organisaties elkaar niet vertrouwen en beïnvloed dat de samenwerking? Dat zijn de vragen die mij ontzettend intrigeerden en motiveerden voor ik aan dit onderzoek begon. Voor u ligt na vijf maanden hard werken, het eindresultaat. Hiermee sluit ik een fantastische studietijd af. Ondanks enkele moeilijkheden en twijfels tussendoor is de USBO voor mij de goede studie gebleken. Ik heb dit jaar ontzettend veel geleerd en daarnaast een leuke tijd gehad. Het was echter wel een slopende tijd. Zeker de laatste maanden waren heel intensief, ik was enkel nog met mijn onderzoek bezig. Voor mijn omgeving was ik niet altijd gezellig de afgelopen tijd. Ik wil daarom van de gelegenheid gebruik maken om enkele mensen te bedanken. Zonder hen was ik niet zo ver gekomen. Allereerst wil ik mijn begeleider, Albert Meijer, bedanken. Ik kon altijd op je terugvallen en jij hebt door middel van kritische maar opbouwende feedback mij en mijn onderzoek telkens op een hoger niveau gekregen. Daarnaast wil ik ook mijn tweede lezer, Martijn van der Meulen, bedanken voor zijn kritische noot bij mijn opzet en conceptscriptie. Alle medewerkers van het Centrum voor Jeugd en Gezin in Kinddijk wil ik bedanken voor hun medewerking aan dit onderzoek. Ik heb zeer 5

6 inspirerende en motiverende gesprekken gehad. Ook wil ik Jan Schipper, mijn begeleider van Ordina, bedanken. Vooral in de beginfase van het onderzoek heb je mij geïnspireerd door middel van nieuwe ideeën en literatuursuggesties. Esmee, Verda en Wieke, de studiegenoten uit mijn tutorgroep, wil ik bedanken voor hun bijdrage gedurende het traject. Het samenwerken in een tutorgroep heeft het onderzoekstraject een stuk leuker en eenvoudiger gemaakt. Samen hebben wij onze weg gezocht bij Ordina en later in onze eigen onderzoekspraktijk. Naast de noodzakelijke samenwerking zijn er ook de nodige motiverende en stimulerende telefoontjes, bezoekjes en berichtjes over en weer geweest. Dank daarvoor. Onze tutorgroep is gezamenlijk begeleid door Nelleke Verdonk vanuit Integraal Toezicht Jeugdzaken. Nelleke heeft ons telkens de relevantie en het nut van het onderzoek in laten zien. Daarnaast hebben we regelmatig onze tussentijdse resultaten mogen presenteren aan mensen van Ordina, ITJ en de Universiteit. Ik heb deze bijeenkomsten als zeer motiverend en relevant ervaren. Het heeft mij gedwongen steeds opnieuw boven mijn onderzoek te gaan staan om op die manier de goede richting te kunnen bepalen. Rest mij een speciaal dankwoord aan mijn vader. Marcel, zonder jou was ik nooit zover gekomen. De afgelopen zes jaar ben jij mijn persoonlijke studiebegeleider geweest. Jij hebt mij telkens bij twijfel of moeilijkheden het nut en de noodzaak van het studeren in laten zien. Ook tijdens het onderzoekstraject kon ik steeds weer op je terugvallen. Dit mooie onderzoek naar samenwerken en vertrouwen binnen een Centrum voor Jeugd en Gezin is het resultaat van vijf maanden hard werken. Naast dat ik een zeer relevant en interessant onderzoek heb mogen doen, heb ik het afgelopen jaar ontzettend veel geleerd. Nu ben ik klaar met studeren. Klaar voor de echte wereld met een echte baan en echte verantwoordelijkheden. Ik wens u veel leesplezier, Eva Geesing, Utrecht, Juni

7 7

8 Management samenvatting Het onderzoek Het CJG, de oplossing voor de jeugdzorg?, heeft de relatie tussen samenwerken en vertrouwen tussen organisaties die samenwerken in het Centrum voor Jeugd en Gezin in Kinddijk geanalyseerd. Vanuit de geschiedenis is het jeugdveld in Kinddijk beschreven. Vervolgens zijn kort de concepten samenwerken en vertrouwen theoretisch beschreven. In het theoretisch kader wordt uitvoerig ingegaan op de relatie die vertrouwen en samenwerking met elkaar hebben en de zogenaamde evolutie die daaruit ontstaat. Vertrouwen en samenwerken zijn voortdurend in ontwikkeling. Eerdere ervaringen en beeldvorming spelen een belangrijke rol binnen deze evolutie. Met behulp van de theoretische achtergrond zijn er empirische gegevens verzameld. Dit onderzoek is een casestudie. Na aanleiding van vooraf gestelde criteria is het CJG in Kinddijk als representatieve casus onderzocht. Er zijn interviews gehouden met alle medewerkers van het CJG, de zogenaamde frontoffice. Daarnaast zijn de projectleider van het CJG en enkele leden van de stuurgroep geïnterviewd. Ook hebben er observaties en documentenanalyses plaatsgevonden. Uit het empirisch onderzoek is gebleken dat verschillende samenwerkingspartners al een lange geschiedenis van samenwerken met elkaar kennen. Daarnaast heeft de loop van de geschiedenis er voor gezorgd dat verschillende organisaties een beeld hebben over elkaar. Vervelende ervaringen in het verleden of een negatief beeld van de ander hebben een negatieve invloed op de mate van samenwerken en vertrouwen. Vanuit het theoretisch kader is vastgesteld dat de mate van structuur, de aanwezigheid van een gezamenlijk doel en het hebben van persoonlijke contacten van invloed zijn op de mate van vertrouwen en samenwerking tussen de verschillende organisaties. Deze concepten zijn in het empirisch onderzoek geanalyseerd en bleken inderdaad van invloed te zijn. Een goede sturing op structuur, doelen en persoonlijke contacten kan het vertrouwen en de samenwerking van verschillende organisaties onderling versterken. Tijdens het empirisch onderzoek zijn er nog meer factoren van invloed gebleken op de samenwerking en het vertrouwen. Grenzen in leeftijd, lagen van bestuur en financiële belangen blijken een relevante rol te spelen binnen de samenwerking. Het ministerie tracht met het CJG problemen die er binnen de samenwerking in de jeugdzorg bestaan, op te lossen. Het CJG moet de oplossing zijn die er voor zorgt dat organisaties soepel met elkaar gaan samenwerken. Wil het CJG succesvol zijn dan moet er aan enkele cruciale factoren gedacht worden. De conclusies en aanbevelingen van dit onderzoek beschrijven waarom het CJG op dit moment niet zo succesvol is als het zou kunnen zijn. Ook worden er enkele adviezen en richtlijnen gegeven die de samenwerking en het vertrouwen binnen het CJG in de toekomst wellicht kunnen vergroten. 8

9 Inhoud 1. Samenwerking in de Jeugdzorg De organisatie van de jeugdzorg Samenwerken en vertrouwen in het CJG Ontwikkeling van vertrouwen en samenwerking Relevantie van mijn onderzoek voor maatschappij en wetenschap Leeswijzer Jeugdveld Kinddijk De geschiedenis van de jeugdzorg in Nederland Ontstaan van het CJG Betrokken actoren jeugdveld Kinddijk Vertrouwen en samenwerken Samenwerken Vertrouwen Evolutie van samenwerken en vertrouwen Factoren die van invloed zijn Methoden en technieken Verantwoording Casus Kinddijk Methoden van onderzoek Waarden en beperkingen Ontwikkeling van samenwerking en vertrouwen Ervaringen uit het verleden Beelden: Van arrogant tot raar, maar onmisbaar Beelden: de functie van het CJG Factoren die van invloed zijn Structuur Gezamenlijk doel Persoonlijke relaties Andere factoren die van invloed zijn

10 8. Conclusie en aanbevelingen CJG als oplossing? Beeldvorming en eerdere ervaringen Factoren die van invloed zijn De manier waarop vertrouwen en samenwerking zich in de loop van de geschiedenis ontwikkeld hebben Hoe de ontwikkeling in samenwerking en vertrouwen beïnvloed kan worden Reflectie Literatuur Bijlage 1 Profielschets organisaties Jeugdveld Kinddijk Bijlage 2 Topiclijst voor interview Bijlage 3 Topiclijst voor observatie Bijlage 4 Codeboom voor analyse

11 1. Samenwerking in de Jeugdzorg Hebben organisaties van elkaar een idee waar ze mee bezig zijn? Nou, ik moet eerlijk zeggen dat ik niet eens weet wat mijn eigen organisatie allemaal doet. Er zijn zoveel projecten. Ik kan ze niet eens allemaal benoemen. Er zijn zoveel initiatieven, en zoveel instellingen die zich bezig houden met jeugd en zeker oudere jeugd daar krijg ik echt de hik van. Is dat zo? Jeugdgevangenis, houdt zich met jeugd bezig en jeugdreclassering. Die werken al niet samen. Jeugdgevangenis is klaar. Die zet kind buiten de deur en veel plezier er mee. Hoe kan dat? Waarom werken die niet samen? Vertel het mij maar. Leg het mij maar uit, ik weet het niet. (Respondent 5) 1.1 De organisatie van de jeugdzorg De jeugdzorg in Nederland is een onderwerp waar iedereen wel een mening over heeft. Er zijn veel actoren actief binnen dit grote domein. Iedereen trekt zich het lot van het kind aan en niemand wil dat er een kind tussen wal en schip valt. Toch gebeurt dit nog regelmatig in Nederland. In ons land zitten kinderen zonder strafblad in jeugdgevangenissen en een groot aantal kinderen met een hulpvraag wordt al jarenlang van het kastje naar de muur gestuurd. Daarnaast kent iedereen de drama s van het Maasmeisje, Savannah en Zierikzee. Bij al deze drama s wordt er met een beschuldigende vinger naar de jeugdzorg gewezen (inspectie jeugdzorg, 2005; inspectie voor het onderwijs, 2007). Jeugdzorg heeft, volgens de publieke opinie, gefaald en kinderen zijn daarvan de dupe. Ouders raken hierdoor het vertrouwen in jeugdzorg kwijt en ze zijn bang dat bij gezinsproblemen de overheid hen al snel hun kind afpakt. De druk op de jeugdzorg om beter te presteren wordt, mede door de publieke opinie, steeds groter. Organisaties moeten goede resultaten behalen en de overheid moet zorgen voor controle. Demissionair minister Rouvoet heeft met zijn ministerie van Jeugd en Gezin onder Balkenende IV een poging gedaan om aan de prestatie-eisen van de maatschappij tegemoet te komen. De wachtlijsten zouden voor 2011 verdwenen zijn. Ook zouden er dan geen kinderen meer onterecht in jeugdgevangenissen zitten (Ministerie Jeugd en Gezin, 2007). Dit was een duidelijk signaal richting de bezorgde ouders en de kritische maatschappij. De druk op de in de jeugdzorg participerende organisaties wordt hierdoor echter alleen maar vergroot. Zij moeten er voor zorgen dat er geen wachtlijsten meer bestaan en dat misstanden verdwijnen. De organisaties komen hierdoor in een interventiefuik terecht. Organisaties moeten steeds meer en mogen steeds minder (Noordegraaf, 2004: 47). Dus terwijl er talloze instanties zijn die zich bezig houden met het welzijn van de jeugd, kan er toch het nodige mis gaan; soms met fatale gevolgen. 11

12 1.2 Samenwerken en vertrouwen in het CJG Wanneer er een gezinsdrama heeft plaats gevonden of er is een kind dat niet de zorg krijgt waar hij recht op heeft, is het altijd de schuld van de jeugdzorg. De jeugdzorg in Nederland is aan voortdurende kritiek blootsgesteld. Zowel de overheid als de maatschappij heeft een mening over het zorgen voor de jeugd in Nederland. De eisen die aan de verschillende organisaties gesteld worden, zijn in de loop van de geschiedenis steeds groter geworden. Niet alleen de druk op organisaties is toegenomen, ook de druk op de overheid. Het instellen van een ministerie van Jeugd en Gezin onder Balkende IV, is tekenend voor de aandacht die de overheid aan het welzijn van de jeugd geeft. Tegenwoordig wordt er steeds meer gevraagd van publieke organisaties. De overheid kan deze opdracht niet meer alleen aan en heeft hiervoor de hulp van andere organisaties nodig. Deze afhankelijkheid leidt tot een vorm van governance (Stoker, 2002 en Rhodes, 1996). Dit houdt in dat zelfstandige organisaties helpen de doelen te behalen zoals door de overheid vastgelegd in wetgeving (Stoker, 2002: 18). In dit geval is er een hele jeugdzorgketen waarin verschillende organisaties vertegenwoordigd zijn. Zelfstandige organisaties als Transcultureel Advies maar ook scholen en de Gemeentelijke Gezondheids Dienst. Door deze governance ontstaan echter wel enkele problemen. Zo is het onduidelijk wie, wanneer, welke verantwoordelijkheid heeft. Ook is het niet duidelijk wat precies de rol van de overheid is en op welke manier zij in staat is zelfstandige organisaties aan te sturen (Stoker, 2002: 24 en Rhodes, 1996: 662). De relevantie van samenwerking in een netwerk is de laatste jaren steeds meer aan het licht gekomen. Om problemen op te lossen is het noodzakelijk dat organisaties met elkaar gaan samenwerken in de vorm van een netwerk. Organisaties leren elkaar daardoor kennen en gebruik te maken van de positieve kracht van de andere partij. Binnen het openbaar bestuur lijkt netwerksamenwerking dé oplossing voor samenwerkingsproblemen (Noordegraaf, 2004). Aan de overheid om deze samenwerking vorm te geven. Het organiseren van samenwerking kent een harde kant, er moet een duidelijke structuur staan en er moeten afspraken gemaakt worden. Deze afspraken worden vaak vastgelegd in convenanten zodat er desgewenst naar verwezen kan worden. Om goed te kunnen samenwerken is er echter meer nodig dan deze harde kant. Samenwerking is enkel mogelijk wanneer er volledig vertrouwen is. Als er twijfels bestaan over de intenties en belangen van een andere partij, is samenwerking niet mogelijk. Er bestaat immers geen eenduidigheid over de manier waarop jongeren het best geholpen kunnen worden. Vanuit de geschiedenis zijn er verschillende invalshoeken die een verschillende aanpak propageren. Afstemming hierover en samenwerking vanuit deze verschillende invalshoeken is cruciaal. Dit vormt de zogenaamde zachte kant van de samenwerking. Dat samenwerking noodzakelijk is, is echter niet nieuw. De noodzaak tot samenwerking is in de loop van de geschiedenis steeds weer naar voren gekomen. Wat wel nieuw is, is het Centrum voor Jeugd en 12

13 Gezin, een samenwerkingsverband van diverse organisaties dat de samenwerking tussen deze organisaties moet gaan coördineren. Het CJG moet als de oplossing dienen binnen de jeugdzorg. Een Centrum voor Jeugd en Gezin vormt daarom interessant materiaal voor onderzoek. Uit verschillende bronnen valt te destilleren dat het uitdrukkelijk niet de bedoeling is dat het CJG een eigen, extra organisatie wordt. Het moet een samenwerkingsverband zijn tussen verschillende organisaties die samen de coördinatie van de jeugdzorg in de gemeente handen en voeten geven. Het is de bedoeling dat medewerkers van verschillende organisaties hierin samenwerken om de gestelde (hulp)vraag op de juiste plek te krijgen (Rapport ITJ, juni 2009; Jeugd en Gezin, ; Tweede Kamer ; stuurgroep CJG Kinddijk, 2010; invoering centra Jeugd en Gezin, 2008; Jeugd en Gezin, 2010; Jeugd en Gezin, 2007). Het is ook de bedoeling dat deze centra een laagdrempelig herkenning- en inlooppunt worden voor ouders, jeugdigen en kinderen binnen een buurt, wijk of gemeente (Rapport ITJ, juni 2009). De CJG moeten zich zowel richten op preventieve zorg, als op het signaleren van problematiek en het doorverwijzen ervan naar de juiste instanties (Model CJG via CJG.nl, ). Hiervoor is samenwerking van alle verschillende actoren binnen het jeugddomein een vereiste. De Centra voor Jeugd en Gezin hebben de opdracht de hulp aan hun doelgroep, nul- tot drieëntwintig jarigen, te coördineren. Om aan deze doelstelling te kunnen voldoen is het noodzakelijk dat elk CJG een ingang heeft bij alle organisaties die hulp verlenen aan de doelgroep waarvoor het CJG is ingericht. Het CJG kan gezien worden als een vorm van interorganisatie samenwerking. Om goede interorganisatie samenwerking in een netwerk te realiseren is het van belang om niet alleen te sturen op de harde kant, maar ook de zachte kant te organiseren. Voor het ministerie en de gemeente is het eenvoudig om te sturen op de harde kant. De harde kant betreft facilitaire dienstverlening en het organiseren van een structuur. Deze harde kant is van bovenaf eenvoudig te realiseren. Door middel van een duidelijke structuur en harde afspraken in convenanten wordt er getracht samenwerking af te dwingen. Om goede samenwerking te bewerkstelligen moet er echter ook gestuurd worden op de zachte kant. Goede samenwerking kan niet worden afgedwongen door verplichtingen vanuit de gemeente of de overheid. Organisaties gaan pas goed samenwerken als ze elkaar vertrouwen. 1.3 Ontwikkeling van vertrouwen en samenwerking Mijn onderzoek richt zich op het Centrum voor Jeugd en Gezin in de gemeente Kinddijk, een geanonimiseerde, middelgrote gemeente in Nederland. Kinddijk zal als casus dienen om te kijken welke organisaties op welke manier samenwerken binnen het CJG. Er wordt inzichtelijk gemaakt welke ervaringen organisaties met elkaar hebben en hoe deze tot stand zijn gekomen. Op dit moment is er nog geen onderzoek gedaan naar de rol die de geschiedenis van instanties en organisaties speelt bij de onderlinge samenwerking en vertrouwen. Door het ontbreken van relevante onderzoeksgegevens is het voor een CJG moeilijk goede afspraken met de verschillende partijen te maken. 13

14 De hoofdvraag van mijn onderzoek luidt daarom: Op welke manier hebben vertrouwen en samenwerking zich in de loop van de geschiedenis ontwikkeld en op welke wijze is deze ontwikkeling te beïnvloeden binnen het Centrum voor Jeugd en Gezin in Kinddijk? De achtergrond van de verschillende participerende instanties, zal het aangrijpingspunt zijn vanwaar naar het vraagstuk gekeken wordt. Door deze geschiedenis in kaart te brengen, heb ik patronen van vertrouwen en/of samenwerking ontdekt. De samenwerking en het vertrouwen tussen de partijen zijn continu in ontwikkeling. De geschiedenis die organisaties kennen, heeft invloed op de ontwikkeling van vertrouwen en samenwerken. Ik heb onderzocht op welke manier. Het is van belang te weten óf en zo ja, op welke manier de ontwikkeling van vertrouwen en samenwerken te beïnvloeden is. Daarom heb ik onderzoek gedaan naar de bepalende factoren in de ontwikkeling van vertrouwen en samenwerking in het CJG. Het is van belang te weten met welke organisaties we te maken hebben in Kinddijk. Dit vormt het eerste deel van mijn onderzoek. Vervolgens zal ik de concepten vertrouwen en samenwerken uitwerken. Ik zal dan nagaan op welke manier deze begrippen elkaar beïnvloeden en op welke manier er ontwikkeling ontstaat. Uit de literatuur blijkt dat er enkele factoren zijn die de ontwikkeling van samenwerking en vertrouwen kunnen beïnvloeden. Deze factoren zullen worden besproken. Het empirisch onderzoek zal zich richten op dat wat er daadwerkelijk gebeurt in het CJG in Kinddijk. Uit dit onderzoek zijn nog enkele factoren van invloed gebleken die ik voorafgaand niet had bedacht. Om het CJG en het ITJ verder te helpen met dit onderzoek, zullen er tot slot aanbevelingen worden gegeven. Jeugdveld Kinddijk; de jeugdzorg in het algemeen en het CJG in het bijzonder. Om goed onderzoek te doen, is het noodzakelijk het jeugdveld te begrijpen. Het onderzoek is daarom begonnen bij de geschiedenis van organisaties om van daaruit de gevonden relaties en verbanden te kunnen begrijpen. Het jeugdveld in Kinddijk is in kaart gebracht door middel van drie deelvragen: 1.a - Wat is de geschiedenis van de jeugdzorg in Nederland? Deze vraag is van belang omdat de geschiedenis veel zegt over de tegenwoordige tijd. De geschiedenis en van daaruit het ontstaan van de huidige situatie, vertelt veel over de verschillende verbanden die er tussen organisaties zijn. Bovendien geeft het een duidelijk beeld hoe de complexe wereld van de jeugdzorg in Nederland in elkaar zit. 1.b - Centrum voor Jeugd en Gezin; wat is het en hoe is het ontstaan? Het onderzoek richt zich specifiek op het Centrum voor Jeugd en Gezin in Kinddijk. Het Centrum voor Jeugd en Gezin is vanuit de wettelijke verplichting ontstaan. Om het Centrum en het doel ervan te kunnen begrijpen is het van belang deze vraag te beantwoorden. 14

15 1.c - Betrokken actoren CJG Kinddijk; welke actoren zijn betrokken bij het CJG en wat is hun voorgeschiedenis? Om goed onderzoek te kunnen doen in de omgeving van Kinddijk, is het noodzakelijk te weten welke spelers er actief zijn in het lokale jeugdbeleid. De ontstaansgeschiedenis van de verschillende organisaties vormt een goed beeld van de relaties die de organisaties onderling hebben. De ontwikkeling van vertrouwen en samenwerking. Bij de relaties die organisaties met elkaar hebben, gaat het om samenwerking en onderling vertrouwen. Ik zal de begrippen samenwerking en vertrouwen duiden en aangeven op welke manier zij elkaar beïnvloeden. Vertrouwen gaat ervan uit dat een organisatie op de andere organisatie kan bouwen en dus met de ander kan samenwerken. Samenwerken zorgt ervoor dat organisaties elkaar leren kennen. Dus verdieping van de kennis over elkaar zorgt ervoor dat organisaties elkaar meer gaan vertrouwen. De beantwoording van onderstaande vragen maken inzichtelijk wat de er in de wetenschap tot op dit moment bekend is over samenwerking, vertrouwen en de wisselwerking tussen deze twee begrippen. 2.a Wat is samenwerking in het CJG en op welke manier kan deze zich ontwikkelen? Het is van belang om te weten wat samenwerking inhoudt. Het is van belang om te weten wanneer organisaties effectief met elkaar samenwerken en wat er wordt verstaan onder interorganisatie samenwerking. 2.b Wat is vertrouwen en op welke manier kan dit zich ontwikkelen? Het onderzoek gaat uit van een relatie tussen vertrouwen en samenwerking. Om deze relatie te kunnen onderzoeken, is het noodzakelijk te weten wat vertrouwen is en op welke manier vertrouwen zichtbaar is binnen een organisatie. Met die kennis onderzoek ik hoe vertrouwen de samenwerking beïnvloedt. 2.c Hoe kunnen vertrouwen en samenwerking tussen organisaties zich in de loop van de geschiedenis ontwikkelen? Samenwerking en vertrouwen hebben een wisselwerking op elkaar en zo ontstaat er een ontwikkeling; een evolutie. De geschiedenis die verschillende organisaties hebben, kan deze ontwikkeling beïnvloeden. Ik zal ingaan op de manier waarop dat gebeurt. 2.d Welke factoren kunnen de ontwikkeling van vertrouwen en samenwerking beïnvloeden? Behalve de invloed van de geschiedenis op de ontwikkeling van vertrouwen en samenwerking zijn er nog andere factoren die dit proces beïnvloeden. Belangrijke factoren zijn structuur, een gezamenlijk doel en persoonlijke relaties. Deze factoren worden later verder uitgewerkt. Ervaringen; hoe het er in de praktijk aan toe gaat. Nadat de onderzoekssituatie, de geschiedenis en de theorie inzichtelijk zijn gemaakt, heb ik de praktijk bekeken. Ik ben er vanuit gegaan dat samenwerking en vertrouwen voortdurend in ontwikkeling zijn. Empirisch onderzoek laat zien hoe de betrokken actoren deze ontwikkeling ervaren. De volgende deelvragen geven inzicht in hetgeen er gebeurt rond het CJG in Kinddijk. 15

16 3.a - Hoe is de ontwikkeling van vertrouwen en samenwerking binnen het CJG in Kinddijk in de loop van de geschiedenis? Eerdere ervaringen en beeldvorming zijn bepalend voor de ontwikkeling van vertrouwen en samenwerking. In hoofdstuk vijf zullen de eerdere ervaringen in samenwerking en de beeldvorming die organisaties over elkaar hebben, in kaart worden gebracht om vervolgens na te kunnen gaan op welke manier deze bepalend zijn. 3.b Op welke manier beïnvloeden structuur, gezamenlijk doel en persoonlijke relaties de ontwikkeling van vertrouwen en samenwerking rondom het CJG in Kinddijk? Structuur, gezamenlijk doel en persoonlijke relaties binnen het CJG hebben invloed op de samenwerking en het vertrouwen. Hoofdstuk zes geeft een weergave van de manier waarop dit gebeurt. 3.c Zijn er andere factoren, lijnen of patronen zichtbaar en/of te herkennen die invloed hebben op het vertrouwen en de samenwerking? Naast bovenstaande factoren zijn in het empirisch onderzoek nog andere factoren aan het licht gekomen die van invloed zijn. Deze factoren worden in hoofdstuk zeven kort aangehaald en beschreven. Toekomst; de relevantie van mijn onderzoek voor het CJG en het ITJ. Het onderzoek maakt verbanden en relaties tussen de verschillende participerende organisaties duidelijk. Deze relaties en verbanden zijn relevant voor het functioneren van het CJG in Kinddijk en CJG in de rest van Nederland. Daarnaast kan het ITJ in haar adviesrol profijt hebben van de onderzoeksresultaten. 4.a- Op welke manier kan het CJG in Kinddijk sturen op vertrouwen en samenwerking? Vanuit de aanname dat het CJG invloed heeft op relaties en verbanden die er bestaan tussen de organisaties onderling, geeft het onderzoek een beeld van de manier waarop het CJG deze invloed kan uitoefenen. Het ITJ oefent straks rechtstreeks toezicht uit op het CJG. Naast de toezichthoudende rol heeft het ITJ een adviestaak. Mijn onderzoek geeft inzicht in de manier waarop afspraken zijn gemaakt en op welke manier deze worden nageleefd. Het onderzoek kan het ITJ helpen in haar adviestaak. 1.4 Relevantie van mijn onderzoek voor maatschappij en wetenschap Er is veel onderzoek gedaan naar het begrip vertrouwen. Vertrouwen is een begrip uit de psychologie (McEvily, 2003). Er zijn onderzoeken gedaan die het begrip vertrouwen in verband hebben gebracht met organisaties en het presteren van deze organisaties (Hosmer, 1995; Ruscio, 1996; Lambright e.a., 2009; McEvily, 2003). Deze onderzoeken geven aan dat vertrouwen een belangrijke basis is om te kunnen samenwerken en daarmee de prestaties te vergroten. Dit geldt niet alleen binnen een organisatie, maar ook voor organisaties onderling (McEvily, 2003; Lambright e.a., 2009). Vertrouwen blijkt een belangrijke factor te zijn om een goede samenwerking te bewerkstelligen. De Centra voor 16

17 Jeugd en Gezin vormen een nieuw samenwerkingsverband waarin vertrouwen een belangrijke rol speelt. Er is nog geen onderzoek gedaan naar het vertrouwen tussen de verschillende actoren die betrokken zijn bij de Centra voor Jeugd en Gezin en het vertrouwen in de Centra zelf. Mijn onderzoek genereert inzichten over de invloed die geschiedenis en vertrouwen hebben op een complexe ketensamenwerking. De maatschappelijke druk op de jeugdsector is groot. Er lijkt sprake te zijn van een interventiefuik. Mijn onderzoek geeft inzicht over het ontstaan van deze interventiefuik en biedt openingen voor een oplossing van het probleem. Wetenschapsfilosofische verantwoording. Dit onderzoek geeft inzicht in de rol die het verschil in achtergrond, cultuur en visie van de in het CJG participerende organisaties spelen op de samenwerking tussen deze actoren onderling en welke invloed zij hebben op het vertrouwen dat de organisaties in elkaar en in het CJG hebben. Er worden in dit onderzoek verbanden en relaties zoals deze nu door mensen in het samenwerkingsverband worden ervaren, blootgelegd en beschreven (Koot & Boesenkool in Swanink, 1991: 124). Om iets te kunnen zeggen over de cultuur is het noodzakelijk om elke organisatie binnen haar context te plaatsen. Dit doe ik in mijn onderzoek door de omgeving en de historie van de organisatie bij het onderzoek te betrekken. Ik geef eerst een beschrijving van de context waarbinnen het probleem geplaatst moet worden. Vervolgens raadpleeeg ik de literatuur. Deze maakt mij wegwijs in het doolhof van onderlinge relaties. Omdat ik echter relaties en verbanden wens bloot te leggen, vaar ik niet blind op de theorie. Het gaat mij niet om de theorie, maar om hoe het daadwerkelijk in de praktijk gaat. Daarom zal ik veel documenten analyseren en respondenten interviewen. Hierbij maak ik geen gebruik van strakke kaders. Het onderzoek vindt plaats op basis van een interpretatieve benadering. Ik ga er in mijn onderzoek vanuit dat er niet één werkelijkheid is, maar dat iedereen de werkelijkheid ziet vanuit zijn eigen perspectief (van Thiel, 2010: 42). Ik streef er naar de situatie die ik ga onderzoeken te begrijpen. Ik wil weten hoe de verschillende partijen samenwerking met- en vertrouwen in elkaar ervaren. Ik heb er voor gekozen om alleen de samenwerking rond participerende organisaties in het CJG in Kinddijk te onderzoeken. Ik betrek hierbij alle actoren die met de samenwerking te maken hebben. Het literatuuronderzoek een richtsnoer in mijn onderzoek (van Thiel, 2010: 43). Dit geeft een goed beeld van de situatie waar ik naar ga kijken en ik weet op welke beelden en concepten ik moet letten. Er is nog vrijwel geen onderzoek gedaan naar de samenwerking van organisaties rondom een CJG. Het onderzoek dat ik doe is inductief. Er is wel veel kennis en theorie over de rol die vertrouwen heeft op de samenwerking van organisaties. Ik vorm op basis van de theorie die al bestaat verwachtingen over wat het onderzoek zal uitwijzen (van Thiel, 2010: 34). Wat gebeurt er nu daadwerkelijk? is de vraag waar dit onderzoek een antwoord op verwacht te geven. 17

18 1.5 Leeswijzer Hoofdstuk 2 Context In dit hoofdstuk heb ik de context waarbinnen het CJG in Kinddijk zich bevindt, beschreven. Ik heb daarbij eerst de geschiedenis van de jeugdzorg in het algemeen omschreven om vervolgens de organisaties die betrokken zijn in Kinddijk kort te benoemen. Bijlage 1 is een aanvulling op dit hoofdstuk. Hierin vindt u een uitgebreide beschrijving van de organisaties die actief zijn in Kinddijk. De eerste drie deelvragen, vraag 1a, 1b en 1c zal ik hier beantwoorden. Hoofdstuk 3 Theorie In dit hoofdstuk zijn de concepten vertrouwen en samenwerking nader toegelicht. Beide begrippen heb ik vanuit een theoretische grondslag uitgewerkt. Hierin beschrijf ik ook de evolutie van beide begrippen. Vanuit de theorie zijn enkele factoren van invloed gebleken op deze evolutie. Deze factoren zijn in dit hoofdstuk terug te vinden. Hoofdstuk 3 bevat antwoorden op de deelvragen 2a, 2b, 2c en 2d. Hoofdstuk 4 Methoden en Technieken Dit hoofdstuk beschrijft de methoden en technieken die ik heb gebruikt in het onderzoek. Ik verantwoord hier de verschillende technieken die ik heb gebruikt en ik ga in op de waarde en beperkingen die het onderzoek kent. Hoofdstuk 5 Analyse Dit is het eerste resultatenhoofdstuk. Hierin geef ik antwoord op deelvraag 3a. Het is een empirische analyse waarbij ik inga op de beeldvorming en ervaringen uit het verleden van verschillende respondenten. Hoofdstuk 6 Analyse In dit hoofdstuk geef ik antwoord op deelvraag 3b. Hier vindt u de empirische analyse over de factoren die van invloed zijn op de evolutie van samenwerking en vertrouwen. Hoofdstuk 7 Analyse Dit is het laatste analyse hoofdstuk met daarin antwoord op de deelvraag 3c. Hierin vindt u de analyse van factoren die van invloed zijn op samenwerking en vertrouwen. Deze factoren zijn aan het licht gekomen tijdens het empirisch onderzoek. Hoofdstuk 8 Conclusie en Aanbevelingen. Het laatste hoofdstuk geeft antwoord op de hoofdvraag. Hierin trek ik conclusies uit alles wat in voorgaande hoofdstukken aan bod is gekomen. Daarnaast ga ik in op deelvraag 4a waarmee ik advies 18

19 geef voor punten van aandacht en verbetering. Tevens ga ik in op de bredere aspecten waarbinnen mijn onderzoek heeft plaats gevonden. Deze reflectie geeft mijn onderzoek een plek binnen de wetenschap en de maatschappij. 19

20 2. Jeugdveld Kinddijk. Dit hoofdstuk vormt de eerste stap in het onderzoek, het eerste onderdeel. Hier zal een antwoord worden gegeven op de eerste drie deelvragen. Het is van belang om een goed beeld te krijgen van het veld waarin het onderzoek plaats vindt. Dus is het van belang om te weten wat het jeugdveld is en hoe dit is ontstaan. Daarbij wordt het onderzoek gedaan vanuit het CJG in Kinddijk. Paragraaf 1 beantwoord vraag 1a en zoomt in op het ontstaan van de jeugdzorg in Nederland. Deze geschiedenis is van belang omdat hier de wortels liggen van de jeugdzorg en de daarin participerende organisaties, ook van het CJG. In paragraaf 2 zal deelvraag 1b beantwoord worden. Hier wordt specifiek ingegaan op het CJG in Kinddijk. Vervolgens zal vraag 1c worden beantwoord in paragraaf 3. Hier worden alle organisaties die actief zijn binnen de Jeugdzorg in Kinddijk op een rijtje gezet. Een beschrijving van wat een CJG is, maar ook welke samenwerkingsverbanden bij het CJG in Kinddijk betrokken zijn. Samen vormen deze paragrafen een goed beeld van de context waarin het onderzoek plaats heeft gevonden. Aan het einde van het hoofdstuk zal ik deze context kort samenvatten en daarbij antwoord geven op de verschillende deelvragen. 2.1 De geschiedenis van de jeugdzorg in Nederland In de eerste paragraaf is een korte samenvatting geschetst van de ontwikkeling van de jeugdzorg in Nederland. Dit is gedaan aan de hand van het boek: Jeugdzorg: Historie en wetgeving (1998), geschreven door Drs C.P.G. Tilanus. Dit boek vormt een goede schets van de jeugdzorg en wordt vaak geciteerd in andere onderzoeken. In de tweede paragraaf wordt weergegeven wat deze geschiedenis vandaag de dag betekent. De erkenning van het kind. In de vroege middeleeuwen waren er naar verhouding erg veel kinderen in Nederland. Omdat met niet in staat was deze kinderen te onderhouden, werden ze vaak te vondeling gelegd of gedood. Dit verandert langzaam als aan het eind van de middeleeuwen langzaam de opkomst van het gezin zich voordoet. Kinderen krijgen binnen het gezin steeds meer hun eigen plek. Ze mogen zich ook steeds meer als kind kleden en als kind gedragen (Tilanus, 1998: 9,10). Vanaf de 15 e eeuw ontstonden er langzaam weeshuizen voor de kinderen die niet binnen een gezin konden opgroeien. De kerk trok zich het lot van deze kinderen aan en ging wezen en armen opvangen. Deze tehuizen waren echter alleen bestemd voor kinderen die ook bij deze kerk hoorden dus alleen voor de kinderen van gelovigen. Vanaf eind 17 e, begin 18 e eeuw trok de staat zich het lot van de andere kinderen steeds meer aan. Er ontstonden aparte huizen voor de ongelovige kinderen (Tilanus, 1998: 11,12). In de 18 e eeuw wordt het geloof niet meer alleen als volwaardig gezien, het werd steeds minder belangrijk. Onderwijs werd steeds essentiëler gevonden. Daarnaast werd de kindertijd erkend als een 20

NIET ZWIJGEN HOREN, ZIEN, DEEL 1. Onderzoek naar de kwaliteit van de keten van voorzieningen voor kinderen en gezinnen in probleemsituaties

NIET ZWIJGEN HOREN, ZIEN, DEEL 1. Onderzoek naar de kwaliteit van de keten van voorzieningen voor kinderen en gezinnen in probleemsituaties HOREN, ZIEN, NIET ZWIJGEN DEEL 1 Onderzoek naar de kwaliteit van de keten van voorzieningen voor kinderen en gezinnen in probleemsituaties Horen, zien, niet zwijgen Deel I Onderzoek naar de kwaliteit van

Nadere informatie

Goed voorbereid naar school. Samen aan de slag met taalachterstand

Goed voorbereid naar school. Samen aan de slag met taalachterstand Goed voorbereid naar school Samen aan de slag met taalachterstand Inhoud Interviews Jan Paantjens, wethouder maatschappelijke ontwikkeling in de gemeente Halderberge: Het ITJ rapport was een soort gratis

Nadere informatie

Participatie in zicht

Participatie in zicht Participatie in zicht Gemeenten, jeugdigen, ouders en jeugdzorgcliënten in de transitie jeugdzorg 2013 Renske van der Gaag Rob Gilsing Jodi Mak Participatie in zicht Gemeenten, jeugdigen, ouders en jeugdzorgcliënten

Nadere informatie

Opvoedondersteuning op school

Opvoedondersteuning op school Opvoedondersteuning op school chemie tussen ouders, leerkrachten en CJG Interviews Praktijkvoorbeelden Tips Deel samen één koffiepot Laat een methode geen dwingend keurslijf worden. Voor ouders is herkenning

Nadere informatie

De ondertoezichtstelling bij omgangsproblemen

De ondertoezichtstelling bij omgangsproblemen De ondertoezichtstelling bij omgangsproblemen De ondertoezichtstelling bij omgangsproblemen Onderzoek op eigen initiatief naar aanleiding van klachten en signalen over de Bureaus Jeugdzorg Onderzoeksteam

Nadere informatie

Zorg voor senioren; hoe eerder, hoe beter! Beschrijving van het project Buurtcontactpersonen in Utrecht Binnenstad en Utrecht Noordoost

Zorg voor senioren; hoe eerder, hoe beter! Beschrijving van het project Buurtcontactpersonen in Utrecht Binnenstad en Utrecht Noordoost Zorg voor senioren; hoe eerder, hoe beter! Beschrijving van het project Buurtcontactpersonen in Utrecht Binnenstad en Utrecht Noordoost Stade Advies Utrecht, mei 2008 Lous Brouwer in opdracht van i.s.m.

Nadere informatie

Bureau Onderzoek Gemeente Groningen, oktober 2005

Bureau Onderzoek Gemeente Groningen, oktober 2005 Hoe werk jij? Methodiekontwikkeling bij de dienst SOZAWE Jeanine Vosselman Monique Beukeveld Bureau Onderzoek Gemeente Groningen, oktober 2005 Bureau Onderzoek heeft als kernactiviteiten instrumentontwikkeling

Nadere informatie

Professionals en ondersteuning

Professionals en ondersteuning Professionals en ondersteuning bij mediaopvoeding 1 2013 Nederlands Jeugdinstituut / Stichting Mijn Kind Online Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van

Nadere informatie

Voor de jeugd: Het Nieuw Rotterdams Jeugdstelsel

Voor de jeugd: Het Nieuw Rotterdams Jeugdstelsel Voor de jeugd: Het Nieuw Rotterdams Jeugdstelsel 2 Inhoudsopgave Samenvatting 4 1. Uitgangspositie 6 1.1 Voorlopig wettelijk kader 6 1.2 Inzicht in de verschuiving van verantwoordelijkheden 7 1.3 Rotterdamse

Nadere informatie

Hulpverlening aan kinderen die leven in armoede

Hulpverlening aan kinderen die leven in armoede Hulpverlening aan kinderen die leven in armoede Nota van Bevindingen Capelle aan den IJssel Utrecht, januari 2011 Integraal Toezicht Jeugdzaken is een programmatische samenwerking van: Inspectie jeugdzorg

Nadere informatie

Gebruik mij als kompas, ik ken de richting beter dan je denkt. Over begeleiding van mensen met ASS bij studie- en beroepskeuze

Gebruik mij als kompas, ik ken de richting beter dan je denkt. Over begeleiding van mensen met ASS bij studie- en beroepskeuze Gebruik mij als kompas, ik ken de richting beter dan je denkt Over begeleiding van mensen met ASS bij studie- en beroepskeuze Marijke van Son Studentnummer: 2171084 Juni 2012, Beek en Donk Onderzoeksbegeleider:

Nadere informatie

DE TOEKOMST VAN DE JEUGDZORG DECENTRALISATIE JEUGDZORG DOOR DE OGEN VAN BESTUURDERS EN PROFESSIONALS

DE TOEKOMST VAN DE JEUGDZORG DECENTRALISATIE JEUGDZORG DOOR DE OGEN VAN BESTUURDERS EN PROFESSIONALS DE TOEKOMST VAN DE JEUGDZORG DECENTRALISATIE JEUGDZORG DOOR DE OGEN VAN BESTUURDERS EN PROFESSIONALS De toekomst van de jeugdzorg decentralisatie jeugdzorg door de ogen van bestuurders en professionals

Nadere informatie

Cohort 2011 Lioonderzoek Ellen van Kooten - Spreeuw

Cohort 2011 Lioonderzoek Ellen van Kooten - Spreeuw Titel Inleverdatum Cohort 2011 Lioonderzoek Ellen van Kooten - Spreeuw Mon 30 Mar 2015 08:23:22 PM CEST 13% 7% Bron: Hogeschool van Amsterdam - DMR 2 (Domein Maatschappij en Recht) (01/22/2015) 5% Bron:

Nadere informatie

Samenwerkend Toezicht Jeugd Ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport. Toegang tot jeugdhulp vanuit de wijkteams

Samenwerkend Toezicht Jeugd Ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport. Toegang tot jeugdhulp vanuit de wijkteams Samenwerkend Toezicht Jeugd Ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport Toegang tot jeugdhulp vanuit de wijkteams Utrecht, april 2015 Over Samenwerkend Toezicht Jeugd In Samenwerkend Toezicht Jeugd

Nadere informatie

HOE THUISZORGORGANISATIES SAMENWERKING ORGANISEREN: VISIES, PRAKTIJKEN EN DILEMMA S

HOE THUISZORGORGANISATIES SAMENWERKING ORGANISEREN: VISIES, PRAKTIJKEN EN DILEMMA S HOE THUISZORGORGANISATIES SAMENWERKING ORGANISEREN: VISIES, PRAKTIJKEN EN DILEMMA S Rapportage over de samenwerking van thuiszorgmedewerkers met mantelzorgers en andere organisaties Marieke van Wieringen

Nadere informatie

PREVENTIE VAN KINDERMISHANDELING IN GEMEENTEN. Van papier naar werkelijkheid

PREVENTIE VAN KINDERMISHANDELING IN GEMEENTEN. Van papier naar werkelijkheid PREVENTIE VAN KINDERMISHANDELING IN GEMEENTEN Van papier naar werkelijkheid Datum: 21 mei 2014 Advies: KOM/004/2014 Gemeentelijke preventie van kindermishandeling van papier naar werkelijkheid De Kinderombudsman

Nadere informatie

als jeugd en toekomst tellen Nabij zijn en aansluiten met positief jeugdbeleid Drentse pilot jeugd

als jeugd en toekomst tellen Nabij zijn en aansluiten met positief jeugdbeleid Drentse pilot jeugd als jeugd en toekomst tellen Nabij zijn en aansluiten met positief jeugdbeleid Drentse pilot jeugd als jeugd en toekomst tellen als jeugd en toekomst tellen Nabij zijn en aansluiten met positief jeugdbeleid

Nadere informatie

Ouders over hun positie in Passend Onderwijs

Ouders over hun positie in Passend Onderwijs Ouders over hun positie in Passend Onderwijs Ouders over hun positie in Passend Onderwijs Opdrachtgever: POLSO Utrecht, februari 2009 Oberon Postbus 1423 3500 BK Utrecht tel. 030-2306090 fax 030-2306080

Nadere informatie

Maatwerk bij meervoudigheid. Domeinoverstijgende dienstverlening aan mensen met meervoudige problematiek

Maatwerk bij meervoudigheid. Domeinoverstijgende dienstverlening aan mensen met meervoudige problematiek Maatwerk bij meervoudigheid Domeinoverstijgende dienstverlening aan mensen met meervoudige problematiek Maatwerk bij meervoudigheid Domeinoverstijgende dienstverlening aan mensen met meervoudige problematiek

Nadere informatie

Je moet echt een wil hebben, anders ga je het niet redden

Je moet echt een wil hebben, anders ga je het niet redden Je moet echt een wil hebben, anders ga je het niet redden Eindrapport van een verkennend onderzoek naar de succesvolle (her)instroom van langdurig werklozen in reguliere arbeid voor Gemeente Breda Lectoraat

Nadere informatie

Iedereen zei dat het onmogelijk was, totdat er iemand langs kwam die dat niet wist

Iedereen zei dat het onmogelijk was, totdat er iemand langs kwam die dat niet wist ERVARINGSPROFESSIONALS IN EETSTOORNISSEN Iedereen zei dat het onmogelijk was, totdat er iemand langs kwam die dat niet wist Kennismaken met Human Concern 1 Als je een muur opricht, denk dan aan wat er

Nadere informatie

Bondgenoten in de decentralisaties

Bondgenoten in de decentralisaties Januari 2013 Bondgenoten in de decentralisaties Invulling geven aan het transformatieproces en de coalitieaanpak TransitieBureau Begeleiding in de Wmo Januari 2013 Bondgenoten in de decentralisaties TransitieBureau

Nadere informatie

Het Gesprek. Deel IV: Nieuwe doelgroep, ander Gesprek

Het Gesprek. Deel IV: Nieuwe doelgroep, ander Gesprek Het Gesprek Deel IV: Nieuwe doelgroep, ander Gesprek Het Gesprek Deel IV: Nieuwe doelgroep, ander Gesprek Colofon Deze publicatie is uitgegeven door de VNG in het kader van project De Kanteling, april

Nadere informatie

SAMEN STERKER DAN ALLEEN?

SAMEN STERKER DAN ALLEEN? SAMEN STERKER DAN ALLEEN? Voortgezet onderwijs en gemeenten Een uitgave in het kader van het landelijk LEA-ondersteuningstraject (OCW) 2 INHOUDSOPGAVE Samenvatting 5 1 Inleiding 9 2 De educatieve agenda

Nadere informatie

Denktank Transformatie Jeugdstelsel. Beter met minder. Bouwstenen voor de transformatie van het jeugdstelsel

Denktank Transformatie Jeugdstelsel. Beter met minder. Bouwstenen voor de transformatie van het jeugdstelsel Denktank Transformatie Jeugdstelsel Beter met minder Bouwstenen voor de transformatie van het jeugdstelsel Beter met minder Nederlands Jeugdinstituut Postbus 19221 3501 DE Utrecht Bezoekadres: Catharijnesingel

Nadere informatie

Gezien en gehoord. Maatschappelijk rendement van project Motto: zingeving en levensvragen bij ouderen

Gezien en gehoord. Maatschappelijk rendement van project Motto: zingeving en levensvragen bij ouderen Gezien en gehoord Maatschappelijk rendement van project Motto: zingeving en levensvragen bij ouderen Maarten Davelaar Ahmed Hamdi Jenny Verheijen Marie-Christine van Dongen Angela Verleun Gezien en gehoord

Nadere informatie

Diversiteit in transitie

Diversiteit in transitie Diversiteit in transitie Aandacht voor effectief bereik van migrantengezinnen in de transitie van de jeugdzorg Adviesrapport november 2014 Hans Bellaart 2 Diversiteit in transitie In h o u d 1. Inleiding

Nadere informatie

Heeft het verleden nog een toekomst?

Heeft het verleden nog een toekomst? Heeft het verleden nog een toekomst? Perspectieven voor het middenbestuur Hedi van Dijk - Poot Jet Lepage Marc Plaum Remco Schimmel Juni 2010 Toepassingsfase MPA-opleiding In opdracht van het Interprovinciaal

Nadere informatie

Sportclubs in de jeugdketen

Sportclubs in de jeugdketen Sportclubs in de jeugdketen De mogelijkheden van pedagogische ondersteuning van sportverenigingen Niels Hermens Rob Gilsing Sportclubs in de jeugdketen De mogelijkheden van pedagogische ondersteuning van

Nadere informatie

Schoolmaatschappelijk Werk Resultaat door verbinden

Schoolmaatschappelijk Werk Resultaat door verbinden Schoolmaatschappelijk Werk Resultaat door verbinden Projectverslag schoolmaatschappelijk werk binnen RENN4 2009 Bieneke Nienhuis Inhoudsopgave Voorwoord 2 Inleiding 3 1. Schoolmaatschappelijk werk 4 1.1

Nadere informatie