Memokaart A01 Rekenen met procenten

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Memokaart A01 Rekenen met procenten"

Transcriptie

1 Memokaart A01 Rekenen met procenten Procent betekent 1% = 1/100 = 0,01 = één honderdste deel 10% = 10/100 = 0,1 = tien honderdste deel Uitdrukken in procenten Jan had tien knikkers en hij heeft er nu elf. Hoeveel procent is elf knikkers van tien knikkers? Als je een getal wil uitdrukken in procenten van het andere getal, geldt de volgende regel: x 100%. 10 In dit voorbeeld 11/10 x 100% = 110%. Procentuele verandering Jan had tien knikkers en heeft er nu elf. Hoeveel procent is zijn knikkerbezit ten opzichte van de oude situatie gestegen? Berekening van een procentuele verandering gaat volgens de regel: nieuw oud x 100% oud In dit voorbeeld is dat: x 100% = 10%. 10 Als de uitkomst negatief is, is het een afname. Terugrekenen naar een andere waarde Jan heeft tien knikkers en dat is 10% van het knikkerbezit van de hele klas. Hoeveel knikkers heeft de hele klas? Twee mogelijkheden: Jan heeft één tiende deel, dus de klas heeft 10 x 10= 100 knikkers. Meestal gaat dit niet zo eenvoudig, omdat getallen niet altijd zo makkelijk rekenen. Handiger is dan: Terugrekenen naar 1% en dat vermenigvuldigen met 100. Dus: 1% van 10 knikkers is 10/10 = 1 1 x 100 = 100 knikkers. De klas heeft 100 knikkers. Procenten op procenten Jan heeft tien knikkers, speelt vijf potjes en wint elke keer 10%. Hij heeft er 10. Na één potje heeft hij er 11, daarna wint hij weer 10% van 11 en dat betekent een winst van 1,1 knikker. Als je snel wilt rekenen voor die vijf potjes: 10 x 1,10 x 1,10 x 1,10 x 1,10 x 1,10 = 16,1 (Afronden, want 0,1 knikker bestaat niet!)

2 Memokaart A02 Indexcijfers Een indexcijfer is een verhoudingsgetal dat de verandering van een bepaalde grootheid weergeeft ten opzichte van een basisjaar, dat op 100 is gesteld. Voorbeeld: In jaar 0 kost één brood nog 1,60. In jaar 1 kost één brood 1,92. De broodprijs van jaar 0 stellen we gelijk aan 100. Het indexcijfer van de broodprijs in jaar 1 berekenen we als volgt: 1, x 100 = 120 1,60 Indexcijfers hebben geen eenheid. Je moet er dus geen procenten, meters, euro s en dergelijke achter zetten. Wat betekent de uitkomst 120? Dat wil zeggen dat ten opzichte van het basisjaar brood 20% in prijs is gestegen. Indexcijfers kun je altijd op de volgende manier berekenen: het getal in periode A x 100 het getal in de basisperiode Stel nu dat het indexcijfer van de broodprijs in jaar bedraagt. Mag je dan zeggen, dat brood ten opzichte van jaar 1 met 5% (125 min 120) is gestegen? Nee, dat mag niet. Omdat je de broodprijs nu niet vergelijkt met die in het basisjaar, zul je op de bekende manier de procentuele verandering moeten uitrekenen. Dus: x 100% = 4,17% 120 Verdieping Om vergelijkende uitspraken over welvaart cijfermatig te ondersteunen, gebruiken we in de economie vaak procentuele verschillen en indexcijfers. Een procentueel verschil laat zien hoeveel een grootheid relatief stijgt of daalt ten opzichte van een andere grootheid. De bekende formule hiervoor luidt: Nieuwe waarde oude waarde x 100% oude waarde Een indexcijfer geeft de procentuele verandering ten opzichte van een uitgangssituatie, die op 100 wordt gesteld. In de economie is deze uitgangssituatie vaak een bepaald basisjaar. Maar het uitgangspunt kan net zo goed een maand, week, land of regio zijn. Als we uitgaan van een basisjaar, luidt de formule om het indexcijfer van een ander jaar te bepalen: waarde te bepalen jaar Indexcijfer te bepalen jaar = x 100 waarde basisjaar Bij indexcijfers wordt niet het procentteken (%) gebruikt.

3 Een voorbeeld Het koersverloop van de aandelen Philips en Heineken Jaar Waarde aandeel Philips Waarde aandeel Heineken Als we van jaar 0 het basisjaar maken, dan wordt bijvoorbeeld het indexcijfer voor de waarde van het aandeel Philips in jaar x 100 = Wanneer we alle waarden in de bovenstaande tabel omrekenen naar indexcijfers krijgen we de volgende tabel. De waarde van de aandelen in indexcijfers Jaar Waarde aandeel Philips indexcijfers Waarde aandeel Heineken Indexcijfers Alle indexcijfers geven dus de procentuele verandering weer ten opzichte van het basisjaar jaar 0. Zo steeg het aandeel Heineken in jaar 2 ten opzichte van het basisjaar 0 met 16% (van 100 naar 116 = 16%). We zien nu dus snel dat de aandelen Philips en Heineken over de periode jaar 0 tot en met jaar 3 in procenten evenveel zijn gestegen, namelijk 20%. Er zit wel een addertje onder het gras. De waarde van het aandeel Philips is in jaar 2 ten opzichte van het basisjaar 0 met 30% toegenomen, maar je mag niet zeggen dat het aandeel Philips tussen 2001 en 2000 met = 5% is toegenomen. Dit is namelijk x 100 = 4% 26 Zoals gezegd slaan indexcijfers terug op een bepaald basisjaar. Als je de procentuele verandering tussen twee andere jaren dan het basisjaar wil bepalen, dan moet je gebruik maken van de genoemde formule voor procentuele veranderingen.

4 Memokaart A03 Reëel rekenen Hoewel het altijd handig is om het wel te doen, hoef je niet in alle gevallen met indexcijfers te werken om de reële inkomensstijging te bepalen. Dat blijkt uit de volgende voorbeelden, die verschillende rekenmethodes toelichten. Voorbeeld 1: Iemand verkoopt 10 producten voor 10. Dat levert een omzet van 100 op. Een dag later verkoopt hij 12 producten voor 11, de omzet wordt 132. De totale omzetstijging is 32, hij ontvangt nominaal (in geld uitgedrukt) 32 meer, ofwel 32%. Deze nominale stijging kent twee oorzaken: Hij verkoopt twee producten meer (=20%) De prijs stijgt met 10%. De reële toename (alleen in producten, gecorrigeerd voor de prijsstijging) is dus geen 32%, maar slechts 20%. Dezelfde vraag andersom gesteld: De omzet van een ondernemer neemt toe van 100 naar 132. De prijs stijgt met 10%. Hoeveel is de reële stijging, gecorrigeerd voor de prijsstijging? Je hebt snel de neiging 10% van 132 af te trekken (132-13,2 = 118,8). De reële productie is echter niet met 18,8% maar met 20% gestegen, zoals net aangetoond. Het moet dus anders. Stel 132 = 110% (want de prijzen zijn 10% gestegen), dan bereken je de reële stijging door: x 100 = In een percentage uitgedrukt, is dat 20%. Voorbeeld 2: Stel Harry verdient per jaar Hij krijgt een loonsverhoging van 5%, maar de prijzen stijgen met 3%. Hoeveel verdient Harry reëel meer? Nominaal gaat het inkomen van Harry van naar Reëel is het inkomen van Harry x 100 = , De reële inkomensstijging van Harry is , x 100 = 1, Harry gaat er dus in koopkracht 1,94% op vooruit. Voorbeeld 3: Stel dat de gemiddelde Nederlander nominaal 5% meer gaat verdienen. Tegelijkertijd wordt het leven van de gemiddelde Nederlander 3% duurder. Hoeveel gaat de gemiddelde Nederlander er reëel op vooruit?

5 Het verschil met het vorige voorbeeld is dat het begininkomen onbekend is. Je moet dan het begininkomen en de beginprijs op 100 stellen en verder precies hetzelfde doen. Het nominaal inkomen van de gemiddelde Nederlander wordt 105 en de prijs wordt 103. Het reële inkomen van de gemiddelde Nederlander wordt: x 100 = 101, Dus het reële inkomen van de gemiddelde Nederlander is met 1,94% gestegen. De formule luidt tenslotte: nominaal inkomensindexcijfer reëel inkomensindexcijfer = x 100 prijsindexcijfer[wiskx]

6 Memokaart A04 Rekenen met btw In de prijs van een product zit Belasting Toegevoegde Waarde (btw). Deze btw is een vorm van belasting, geld dat naar de overheid gaat. De btw werkt zo: de ondernemer bepaalt de prijs van zijn product en daar komt dan 19% (btw hoog tarief) of 6% (btw-laag tarief) bovenop. Jij moet op twee manieren de btw kunnen berekenen: Verkoopprijs inclusief btw berekenen Stel, een product heeft exclusief btw een prijs van 10. Exclusief betekent zonder, de btw moet er dus nog bovenop komen. 1. Bereken het bedrag aan btw: btw-percentage x verkoopprijs excl. btw Bereken de verkoopprijs met btw: verkoopprijs excl. btw + bedrag aan btw Voorbeeld De verkoopprijs exclusief btw is 200,- De btw is 19% Wat is de verkoopprijs inclusief BTW? 1. Het bedrag aan btw is (19:100) x 200 = = 238 = verkoopprijs incl. btw Verkoopprijs zonder btw berekenen Stel een product heeft inclusief btw een prijs van 10 euro. Inclusief betekent dat de btw al in de prijs verrekend is. De verkoopprijs exclusief btw is 100%. De verkoopprijs inclusief btw is 119% 1. Bereken hoeveel 1% is: verkoopprijs incl. btw: Bereken hoeveel euro 100% is: je antwoord x 100 Voorbeeld Verkoopprijs inclusief btw is 238,- Btw is 19% Wat is de verkoopprijs exclusief btw? : 119 = 2 is 1% 2. 2 x 100 = 200 = de verkoopprijs excl. btw Prijs exclusief btw 100% btw 19% Prijs in de winkel 119%

7 Memokaart A05 Rekenen met loonkosten per product Voor de concurrentiepositie van bedrijven zijn de loonkosten per product van groot belang. Als een bedrijf voor een werknemer per maand kwijt is en die werknemer maakt per maand 200 producten, dan zijn de loonkosten per product 10. Dus de loonkosten per product zijn gelijk aan de totale loonkosten gedeeld door de arbeidsproductiviteit (uitgedrukt in goederen). Meestal is er in het nieuws echter sprake van loonstijgingen in procenten, zonder dat er iets gezegd wordt over de loonhoogte in euro s. Zo stegen in de voorafgaande tekst de loonkosten met 3% en de arbeidsproductiviteit met 4%. 3% gedeeld door 4% is 0,75. Die uitkomst zegt echter niets. De verandering van de loonkosten per product kun je wel uitdrukken in indexcijfers. De loonkosten in de vorige periode (basisjaar) stel je op 100. Het indexcijfer voor de loonkosten wordt 103. Zo wordt het indexcijfer voor de arbeidsproductiviteit 104. indexcijfer loonkosten indexcijfer voor de loonkosten per product = X 100 indexcijfer In dit voorbeeld levert dat 103 gedeel door 104] maal 100 = 99 op. De loonkosten per product zijn dus vergeleken met het basisjaar 1% gedaald. Nederlandse bedrijven zullen daardoor een betere concurrentiepositie krijgen.

8 Memokaart A06 Rekenen met rente Rente is een vergoeding die iemand ontvangt voor het uitlenen van zijn of haar geld. Je krijgt rente als je geld op een spaarrekening zet, je betaalt rente als je geld leent. Rente is altijd een percentage, het rentepercentage van een bedrag. Een rentepercentage geldt over een jaar. Rente over 1 jaar (rente/100) x bedrag Voorbeeld 1 Op een spaarrekening staat 200,-. De rente is 4%. Hoeveel euro aan rente krijg je per jaar? (4/100) x 200,- = 8,- rente per jaar Voorbeeld 2 Je hebt 200,- geleend van de bank. De rente is 9%. Hoeveel euro aan rente moet je per jaar betalen? (9/100) x 200,- = 18,- rente per jaar Rente over 1 maand 1. Bereken het rentebedrag per jaar: (rente/100) x bedrag 2. Bereken het rentebedrag per maand: rentebedrag per jaar/12 Voorbeeld 1 Op een spaarrekening staat 200,-. De rente is 6%. Hoeveel euro aan rente krijg je per maand? 1. (6/100) + 200,- = 12,- rente per jaar 2. 12,-/12 = 1,- rente per maand Voorbeeld 2 Je hebt 200,- geleend van de bank. De rente is 12%. Hoeveel euro aan rente moet je per maand betalen? 1. (12/100) x 200,- = 24,- rente per jaar 2. 24,-/12 = 2,- rente per maand Rente over meer maanden 1. Bereken het rentebedrag per jaar: (rente/100) x bedrag 2. Bereken het rentebedrag per maand: rentebedrag per jaar/12 3. Bereken het rentebedrag van meerdere maanden: vermenigvuldig het rentebedrag per maand met het aantal maanden Voorbeeld 1 Op een spaarrekening staat 200,-. De rente is 2,4%. Hoeveel euro aan rente krijg je na 8 maanden? 1. (2,4/100) x 200,- = 4,80 rente per jaar 2. 4,80/12 = 0,40 rente per maand 3. 0,40 x 8 = 3,20,- rente na 8 maanden

9 Voorbeeld 2 Je hebt 200,- geleend van de bank. De rente is 6,6%. Je lost in de tussentijd niets af. Hoeveel euro aan rente moet je na 16 maanden betalen? 1. (6,6/100) x 200,- = 13,20 rente per jaar 2. 13,20/12 = 1,10 rente per maand 3. 1,10 x 16 = 17,60 rente na 16 maanden Rente op rente Het komt ook voor dat je bij een spaarrekening rente op rente krijgt. Het gaat dan over een periode langer dan 1 jaar. 1. Bereken het rentebedrag wat je over 1 jaar ontvangt: (rente/100) x bedrag 2. Bereken het nieuwe spaarbedrag voor jaar 2: tel het antwoord van 1. op bij het beginbedrag 3. Bereken het rentebedrag voor jaar 2: (rente/100) x spaarbedrag jaar 2 Ga daar mee door tot je het aantal jaren hebt bereikt. 4. Tel de antwoorden van 1. en 3. bij elkaar op Voorbeeld 1 Op een spaarrekening staat 400,-. De rente op rente is 3%. Hoeveel euro aan rente krijg je, in totaal, na 2 jaar? 1. (3/100) x 400,- = 12,- (rentebedrag jaar 1) ,- + 12,- = 412,- (spaarbedrag begin jaar 2) 3. (3/100) x 412,- = 12,36 (rentebedrag jaar 2) 4. 12,- + 12,36 = 24,36 rente na 2 jaar Bij de meeste spaarrekeningen, kun je in een jaar nog geld toevoegen of eraf halen. Dat heeft dan wel gevolgen voor de hoeveelheid rente die je krijgt. Dat moet je in meerdere keren berekenen. Deel het jaar op in het aantal maanden waarin het bedrag wat op je spaarrekening staat hetzelfde is. 1. Bereken het rentebedrag per jaar: (rente/100) x bedrag 2. Bereken het rentebedrag per maand: rentebedrag per jaar/12 3. Bereken het rentebedrag van meerdere maanden: vermenigvuldig het rentebedrag per maand met het aantal maanden dat het bedrag hetzelfde is 4. Tel alle rentebedragen bij elkaar op Voorbeeld 1 Op een spaarrekening staat de eerste 3 maanden 200,-. Vervolgens wordt er op 1 april 100,- aan toegevoegd en staat er de laatste 9 maanden 300,- op. De rente is 4%. Hoeveel euro aan rente krijg je na 1 jaar? Eerste 3 maanden: 1. (4/100) x 200,- = 8,- rentebedrag per jaar 2. 8,-/12 = 0,67 rentebedrag per maand 3. 3 x 0,67,- = 2,01 rentebedrag voor de eerste 3 maanden Laatste 9 maanden: 1. (4/100) x 300,- = 12,- rentebedrag per jaar 2. 12,-/12 = 1,- rentebedrag per maand 3. 9 x 1,- = 9,- rentebedrag voor de laatste 9 maanden Over het hele jaar krijg je dus: 4. 2,01 + 9,- = 11,01 rente

10 Memokaart A07 Rekenen met niveaus en verschillen Een bedrijf verkoopt 100 producten voor 100. De omzet is dan Als de hoeveelheid producten stijgt met 3% en de prijs met 5%, wordt de omzet: 105 X 103 = Dat is dus een omzetstijging van 8,15%. Stel dat in de uitgangssituatie de productie per werknemer ligt op 10 stuks. Dan heeft het bedrijf 10 werknemers in dienst. In de periode daarna is door een reorganisatie en de aanschaf van een nieuwe machine de arbeidsproductiviteit met 20% gestegen. Voor 105 producten heeft het bedrijf nu nog slechts 8,75 baan nodig en dus zal een werknemer ontslagen worden.

11 Memokaart A08 Rekenen met een vastgestelde prijs Als de overheid ingrijpt in de prijs van een markt, is er niet echt meer sprake van marktwerking. De prijs wordt kunstmatige hoger of lager gehouden dan de evenwichtsprijs. Hierdoor is er geen evenwicht op de markt en is er óf teveel aanbod óf teveel vraag. (Zie ook: memokaart D11, minimum-/maximumprijzen) Voorbeeld met een minimumprijs: De vraag en het aanbod op de kaasmarkt is als volgt verdeeld: qa = 2p - 3 qv = -p + 18 Met q x kilo a. Bereken de evenwichtsprijs en evenwichtshoeveelheid. Om de evenwichtsprijs te berekenen, stel je beide formules aan elkaar gelijk: 2p 3 = -p p = 21 p = 7 Bij een evenwichtsprijs van 7,- is de evenwichtshoeveelheid: 2 x 7 3 = 11 Evenwichtsprijs = 7 Evenwichtshoeveelheid = 11 De overheid stelt nu dat een kilo kaas minstens 9,- kost. Hierdoor is het aanbod en de vraag niet meer in evenwicht. b. Bereken wat de gevraagde hoeveelheid en de aangeboden hoeveelheid is bij een prijs van 9,-. qa = 2p 3 qa = 2 x 9 3 qa = 15 qv = -p + 18 qv = qv = 9 Bij een prijs van 9,- is er dus een aanbodoverschot. Hierdoor blijven heel veel boeren met hun kaas zitten omdat ze dat niet kunnen verkopen. Daarom koopt de overheid de overschotten van de boeren op. c. Bereken de kosten die de overheid maakt bij het opkopen van het kaasoverschot. qa = 15 qv = = 6

12 Er is dus 6 x = kilo kaas over. De prijs van een kilo kaas is 9,-. 9 x = ,- De overheid moet dus voor ,- het kaasoverschot opkopen. In de grafiek hieronder is het allemaal nog eens weergegeven. Als de overheid een maximumprijs instelt, is de markt ook uit evenwicht. Een product mag dan niet boven de maximumprijs verkocht worden. Er is dan meer vraag dan aanbod waardoor niet in ieders behoefte kan worden voldaan.

13 Memokaart D01 Break-evenanalyse Bij de break even afzet zijn de kosten gelijk aan de opbrengsten en is de winst precies nul. Dit wordt bereikt als TO =TK. Een voorbeeld Een ondernemer verkoopt zijn product voor de prijs van 20,- per stuk. De inkoopprijs bedraagt 15,- De vaste kosten zijn ,- per jaar. De productiecapaciteit van zijn bedrijf is artikelen. Zoveel kan hij er in een jaar in- en doorverkopen. Met deze gegevens kan de ondernemer zijn break-even-afzet bepalen. TO De opbrengsten zijn gelijk aan het aantal verkochte producten (afzet) maal de verkoopprijs. In symbolen ontstaat dan: TO = PQ = 20Q. Q staat voor het aantal verkochte producten ofwel de afzet en TO voor de Totale Opbrengsten ofwel de omzet. TK De Totale Kosten (TK) bestaan uit twee stukken. De totale kosten zijn voor een deel variabel en voor een deel constant: TK = TVK + TCK. TCK De huur van de loods is altijd hetzelfde bedrag. Wat hij ook verkoopt, het blijft ,- Dit zijn de zogenaamde Totale Constante Kosten (TCK). Deze kosten hangen niet af van het aantal verkochte producten. Andere voorbeelden zijn salarissen voor het vaste personeel, afschrijving van machines en rente die betaald moet worden over leningen. TVK De kosten van de inkoop hangen af van het aantal verkochte producten en heten daarom de Totale Variabele Kosten (TVK). Hoe meer producten, des te hoger de kosten. In dit geval geldt TVK = 15Q. Andere voorbeelden van variabele kosten zijn kosten voor verpakking en transport, of de kosten van uitzendwerkers. De ondernemer wil weten bij welke productie hij uit de kosten is. Daarvoor zet hij zijn gegevens onder elkaar: TO = 20Q TK = 15Q De break even afzet laat zich vervolgens uitrekenen: TO = TK 20Q = 15Q Q = Q = Dus: bij een verkoop van stuks heeft het bedrijf geen winst en geen verlies.

14 In een grafiek ziet dat er zo uit: Deze ondernemer is uit de kosten als hij producten in- en verkoopt. Vanaf dan loopt zijn winst op. Want als hij een product extra verkoopt, betaalt de klant hem 20 euro, terwijl de extra kosten 15 euro bedragen. Elk verkocht product na nummer vergroot de winst met 5 euro.

15 Memokaart D02 Marktevenwicht In de grafiek zie je een vraag- en aanbodlijn. De vraaglijn daalt, want de vragers kopen bij lagere prijzen meer. En de aanbodlijn stijgt, want de aanbieders zullen meer willen verkopen naarmate de prijs hoger is. De aanbodlijn begint wel een stukje boven de oorsprong van de grafiek. Dat is ook wel logisch, want als de prijzen heel laag zijn, kunnen de aanbieders nooit hun kosten terug verdienen. Ze zouden dan voortdurend verlies maken en bij lage prijzen bieden ze dus niet aan. Wanneer de vraag- en de aanbodlijn elkaar kruisen is de gevraagde hoeveelheid even groot als de aangeboden hoeveelheid. Er zijn dan geen overschotten, maar ook geen tekorten. Dit wordt de evenwichtshoeveelheid genoemd en de prijs die daar bij hoort heet de evenwichtsprijs. Vaak wordt de evenwichtsprijs aangegeven door een p met een streepje erboven. Bij andere prijzen zijn gevraagde en aangeboden hoeveelheid niet in evenwicht. De prijs zal dan ook veranderen. Bij prijzen, hoger dan de evenwichtsprijs, is de aangeboden hoeveelheid groter dan de gevraagde hoeveelheid. Dan ontstaat er een overschot. Door het overschot daalt de prijs tot de evenwichtsprijs. Bij lagere prijzen dan de evenwichtsprijs, bijvoorbeeld bij P l in de grafiek is de gevraagde hoeveelheid groter dan de aangeboden hoeveelheid en ontstaat er een tekort. Door het tekort stijgt de prijs. Bij de evenwichtsprijs blijft de prijs stabiel. Dit is dan ook de marktprijs. Tekenen en rekenen met vraag en aanbodvergelijkingen Als je de functie q v = -2p + 30 wilt tekenen plaats je q v op de x-as en p op de y-as. De vraaglijn wordt alleen in het eerste kwadrant van een assenstelsel getekend, prijzen kunnen immers niet negatief zijn. Voor het tekenen van de gegeven vraagfunctie zijn enkele coördinaten nodig. Deze zijn te vinden door diverse prijzen in de vraagfunctie in te vullen en uit te rekenen hoe groot de daarbij behorende vraag is. Wanneer je voor de p respectievelijk 0, 10 en 15 invult, krijg je voor de q v achtereenvolgens 30, 10 en 0. Houd rekening met het feit dat de p op de verticale as

16 en q v op de horizontale as staat. Je krijgt dan drie coördinaten: (30,0), (10, 10) en (0,15). Dan kun je de grafiek wel tekenen, want het is een rechte lijn. Je kunt de vraagfunctie ook tekenen met behulp van de grafische rekenmachine. Voer dan deze functie in: x = -2y Immers de hoeveelheid staat op de x-as en de prijs op de y-as. Het tekenen van een collectieve aanbodlijn gaat op dezelfde wijze. Alleen is het verloop anders. Neem de vergelijking q a = 5p 40. Het getal 5 voor de p is positief. Dit levert een stijgende lijn op. Dat moet ook, want als de prijs stijgt, neemt het aanbod toe. Ook dit is een rechte lijn en ook de aanbodlijn kun je dus tekenen als je minimaal twee punten hebt bepaald. Wanneer je voor de p bijvoorbeeld 8 invult, krijg je voor de q a nul. Je hebt dan punt (0, 8) gevonden. Dat ligt op de aanbodlijn. Wanneer je nog één ander punt weet, kun je deze lijn ook tekenen. Zorg er daarbij wel voor dat de waarde van p die je invult in de vergelijking hoog genoeg is. Anders komen er negatieve aangeboden hoeveelheden uit. Daar doen we in de economie niet aan. Je tekent vraagen aanbodlijnen alleen in het positieve kwadrant. De evenwichtsprijs komt tot stand als de vraag gelijk is aan het aanbod. In symbolen: q a = q v en ingevuld -2p + 30 = 5p - 40 Vervolgens gaat de prijs naar de ene kant van het =-teken en gaan de getallen naar de andere kant: 70 = 7p 70/7 = p p = 10 Als p = 10, dan vul je deze prijs in in het vraag- en/of aanbodvoorschrift: q a = 5p 40 of q v = -2p + 30 dus q = 10. Deze waarde van q noemen we de evenwichtshoeveelheid. Vaak wordt de evenwichtshoeveelheid weergegeven door q [q met een streepje erboven].

17 Memokaart D03 Ligging van de vraaglijn Een vraaglijn geeft het verband weer tussen de prijs en de verkochte hoeveelheid. Als de prijs verandert, verandert de gevraagde hoeveelheid. Ceteris paribus Een vraaglijn is ceteris paribus: overige factoren die ook van invloed zijn op het gedrag van consumenten worden constant verondersteld. Een verandering in de ceteris paribus voorwaarden zorgt voor een verschuiving van de collectieve vraaglijn. Dit kan door: - verandering van de voorkeuren van consumenten; - verandering van de prijzen van ander goederen; - verandering van de inkomens van consumenten of - verandering van het aantal consumenten. Economen gebruiken wiskunde om hun theorieën duidelijk te maken. Dat doen ze vooral toepassingsgericht. Het gaat tenslotte niet om de wiskunde zelf, maar om het met behulp van wiskunde duidelijk maken van bepaalde verbanden. Economen geven het gedrag van consumenten bij voorkeur weer in een rechte vraaglijn, terwijl de werkelijkheid zich zelden in rechte lijnen laat vangen. Bij die rechte lijn hoort een functievoorschrift, bijvoorbeeld q = -2p + 3. In deze functie staat q voor de gevraagde hoeveelheid (de q van quantity) en p de prijs (of price). Bij wiskunde is geleerd van twee punten een rechte lijn te maken. Het negatieve getal vóór de p, zoals -2 in q = -2p + 3 is het getal dat de helling van de lijn aangeeft. Dit getal laat zich uitrekenen door: de vraagverandering de prijsverandering Het constante getal dat in de functie ná de p staat vermeld, in ons voorbeeld + 3, zorgt ervoor dat de lijn niet op een onmogelijk plek komt te liggen. Als dit getal ontbreekt, zou het invullen van elke prijs die hoger is dan nul een negatieve vraag opleveren. Economen noemen dit getal ook wel de autonome vraag, omdat dit deel van de vraag onafhankelijk is van de hoogte van de prijs. In woorden: als producenten het product weggeven raken ze maximaal drie producten kwijt. Andersom betekent dit dat de maximale prijs die consumenten bereid zijn te betalen 1,5 is. Bij dit economisch-wiskundig onderdeel bevindt zich een kleine complicatie. De p-as en de q-as zijn bij wiskunde achtereenvolgens de x- en de y-as. Vergelijk bijvoorbeeld q = -2p + 20 met de in de wiskunde gebruikelijke notatie y = -2x Eigenlijk hoort p (de oorzaak) dan op de horizontale x-as en q (het gevolg) op de verticale y-as te staan. De assen zijn dus omgedraaid en het hellingsgetal dus ook.

18 Dat kan wel eens problemen opleveren. Bij wiskunde is geleerd het functievoorschrift van een rechte lijn te bepalen door eerst het hellingsgetal vast te stellen, dan een punt in te vullen en vervolgens de constante te bepalen. Daar is niets mis mee, als je de verwisseling van de assen maar in de gaten houdt. Een alternatieve methode voorkomt echter fouten. De vraagfunctie kent altijd het voorschrift q= ap + b. Zaak is om met twee punten de a en de b te bepalen. Vul in wat je weet (p en q) en laat openstaan wat je niet weet (a en b). De laatste twee komen er dan vanzelf uitrollen. Voorbeeld: Gegeven is dat als de prijs van een product 2 is, consumenten 16 eenheden vragen. Als de prijs stijgt naar 5 dan zakt de hoeveel naar 10. Bepaal de vraagfunctie volgens het voorschrift q = ap + b. De p en qv zijn bekend, dus invullen: 16 = a2 + b 10 = a5 + b - van elkaar aftrekken, dan valt b weg 6 = a3 hieruit volgt: a = -2, dus q = -2p + b b kan nu worden uitgerekend door één punt (p en q) in te vullen, welke maakt niet uit, want beide punten voldoen: 16 = b. hieruit volgt b = 20, dus q = -2p Individuele vraaglijnen kun je optellen Van twee individuele vraaglijnen kun je één gezamenlijke vraaglijn maken door bij elke prijs (p) de vraag van de twee individuele lijnen (q) op te tellen. Het kan sneller door de twee functies op te tellen. Bijvoorbeeld: 1e vraaglijn: q1 = p e vraaglijn: q2 = 2p Gezamenlijke vraaglijn: q1 + q2 = 3p + 20 Maar pas op, vaak begint de ene lijn vanaf de verticale as gezien bij een hogere prijs dan de andere. In het voorbeeld hierboven begint q = -p + 10 bij een prijs van 10 en een hoeveelheid van nul (want bij een hogere prijs wordt de q een negatief getal). De lijn q = 2p + 10 begint bij p = 5 (als q = 0, dan 0 = 2p + 10 en dan geldt p = 5). Je kunt de vraag van deze twee consumenten pas optellen vanaf de prijs waarop ze beiden ook werkelijk iets kopen, dat is in dit geval dus die prijs van 5. Daarboven is de gezamenlijke vraaglijn gelijk aan de enige aanwezige individuele vraaglijn: q = p Neem bijvoorbeeld een prijs van 6. Consument 1 vraagt 4 producten ( = 4), consument 2 niets ( = 2 en dus niets), samen maakt dat 4 producten. Het is in dat geval belangrijk dat je precies aangeeft voor welke waarden van p die individuele lijn geldt en voor welke waarden van p de opgetelde lijn geldt. In ons voorbeeld wordt dat als volgt omschreven: als de prijs tussen 5 en 10 ligt geldt q = -p +10 En als de prijs kleiner of gelijk is aan 5 geldt Q = -3p We gebruiken dus een stuk van de ene lijn en een stuk van de andere lijn. Dit zorgt voor een knik in de gezamenlijke vraaglijn.

19 Grafisch weergeven van veranderingen op de totale markt De figuren in bron 11 geven bewegingen op de markt aan. Hoe zijn ze te verklaren? Grafiek 1: de lijn die verschuift, loopt negatief en is dus de vraaglijn. Uit de verschuiving blijkt dat bij eenzelfde prijs de vraag stijgt. Dat kan omdat consumenten bijvoorbeeld een hoger inkomen genieten of omdat een substitutiegoed in prijs is gestegen. De verandering van het snijpunt bevestigt de stijging van de vraag: op de markt wordt meer verhandeld tegen een hogere prijs. Daardoor gaan aanbieders meer aanbieden. Om misverstanden te voorkomen: de aanbodlijn blijft liggen, want het is de hogere prijs die het aanbod doet toenemen. Grafiek 4: deze beweging is tegengesteld aan die van A en dat geldt ook voor de verklaring. Grafiek 3: de lijn die verandert, is de aanbodlijn: bij eenzelfde prijs willen producenten meer aanbieden. Dat kan zijn door een goede oogst of het gebruik van nieuwe technieken die het mogelijk maken meer te produceren. De verandering van het snijpunt bevestigt het voorafgaande: op de markt wordt meer verhandeld voor een lagere prijs. Voor vragers is dat een signaal om meer te kopen, de vraaglijn blijft dan liggen. Grafiek 2: deze beweging is tegengesteld aan die van grafiek 3. Bron 11 Verschuivende vraag - en aanbodlijnen De in bron 11 weergegeven vraaglijnen en aanbodlijnen zijn rechte lijnen. Dat zijn wiskundig gesproken eerstegraads functies. Het uitrekenen van de evenwichtsprijs en de evenwichtshoeveelheid komt dus neer op het berekenen van een snijpunt van twee rechte lijnen.

20 Memokaart D04 Elasticiteiten Elasticiteit is een relatieve verandering van een gevolg, gedeeld door de relatieve verandering van de oorzaak. In de economie zijn 4 bekende elasticiteiten: Prijselasticiteit van de vraag Inkomenselasticiteit van de vraag Prijselasticiteit van het aanbod Kruiselingse prijselasticiteit Prijselasticiteit van de vraag De prijselasticiteit van de vraag meet wat het effect is van een prijsverandering van een goed op de vraag naar dat goed. Hoe sterker consumenten reageren op een prijsverandering, hoe elastischer de vraag. De prijselasticiteit van de vraag is hoogstens 0 en verder altijd negatief. Zo bereken je de prijselasticiteit van de vraag (Ev): Procentuele verandering van de vraag Procentuele verandering van de prijs Volkomen inelastische vraag: Ev = 0 Een verandering van de prijs heeft geen invloed op de gevraagde hoeveelheid. Hoe de prijs van het goed ook verandert, de vraag naar het goed blijft hetzelfde. Dit komt heel zelden voor. Inelastische vraag: Ev= 0 en -1 Een verandering van de prijs leidt tot een kleine verandering in de gevraagde hoeveelheid. Een elasticiteit van -0,5 betekent dat als de prijs met 1% stijgt, de gevraagde hoeveelheid met 0,5% (-0,5 x 1%) afneemt. Primaire levensbehoeften zoals brood hebben vaak een inelastische vraag. Elastische vraag: Ev = >-1 Een verandering in de prijs leidt tot een grote verandering in de gevraagde hoeveelheid. Een elasticiteit van -1,5 betekent dat als de prijs stijgt met 1% de gevraagde hoeveelheid afneemt met 1,5%. Luxe goederen zoals mp3-pelers zijn vaak elastisch.

Domein D: markt. 1) Nee, de prijs wordt op de markt bepaald door het geheel van vraag en aanbod.

Domein D: markt. 1) Nee, de prijs wordt op de markt bepaald door het geheel van vraag en aanbod. 1) Geef 2 voorbeelden van variabele kosten. 2) Noem 2 voorbeelden van vaste (=constante) kosten. 3) Geef de omschrijving van marginale kosten. 4) Noem de 4 (macro-economische) productiefactoren. 5) Hoe

Nadere informatie

1 Aanbodfunctie. 2 Afschrijvingskosten Asymmetrische 3 informatie

1 Aanbodfunctie. 2 Afschrijvingskosten Asymmetrische 3 informatie 1 Aanbodfunctie 2 Afschrijvingskosten Asymmetrische 3 informatie Het verband tussen prijs een aangeboden hoeveelheid kun je weergeven met een vergelijking: de aanbodfunctie. De jaarlijkse waardevermindering

Nadere informatie

Domein D: markt (module 3) vwo 4

Domein D: markt (module 3) vwo 4 1. Noem 3 kenmerken van een marktvorm met volkomen concurrentie. 2. Waaraan herken je een markt met volkomen concurrentie? 3. Wat vormt het verschil tussen een abstracte en een concrete markt? 4. Over

Nadere informatie

Domein Markt. Uitwerking. Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit. Frans Etman

Domein Markt. Uitwerking. Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit. Frans Etman Domein Markt Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit Uitwerking vwo Frans Etman Opgave 1 Opgave 2 1.Lees in de grafiek af hoe hoog de totale omzet (TO) en de totale kosten (TK) is bij een afzet

Nadere informatie

Domein D: markt. 1) Noem de 4 (macro-economische) productiefactoren. 2) Groepeer de micro-economische productiefactoren bij de macroeconomische

Domein D: markt. 1) Noem de 4 (macro-economische) productiefactoren. 2) Groepeer de micro-economische productiefactoren bij de macroeconomische 1) Noem de 4 (macro-economische) productiefactoren. 2) Groepeer de micro-economische productiefactoren bij de macroeconomische productiefactoren. 3) Hoe ontwikkelt de gemiddelde arbeidsproductiviteit als

Nadere informatie

1 De bepaling van de optimale productiegrootte

1 De bepaling van de optimale productiegrootte 1 De bepaling van de optimale productiegrootte Voor wat zorgen de bedrijven en welk probleem treed zich op? De bedrijven zorgen voor het produceren van goederen en diensten. Er treed een keuzeprobleem

Nadere informatie

Domein Markt. Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit. vwo Frans Etman

Domein Markt. Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit. vwo Frans Etman Domein Markt Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit vwo Frans Etman Opgave 1 Opgave 2 1.Lees in de grafiek af hoe hoog de totale omzet (TO) en de totale kosten (TK) is bij een afzet van 3 producten,

Nadere informatie

I. Vraag en aanbod. Grafisch denken over micro-economische onderwerpen 1 / 6. fig. 1a. fig. 1c. fig. 1b P 4 P 1 P 2 P 3. Q a Q 1 Q 2.

I. Vraag en aanbod. Grafisch denken over micro-economische onderwerpen 1 / 6. fig. 1a. fig. 1c. fig. 1b P 4 P 1 P 2 P 3. Q a Q 1 Q 2. 1 / 6 I. Vraag en aanbod 1 2 fig. 1a 1 2 fig. 1b 4 4 e fig. 1c f _hoog _evenwicht _laag Q 1 Q 2 Qv Figuur 1 laat een collectieve vraaglijn zien. Een punt op de lijn geeft een bepaalde combinatie van de

Nadere informatie

Samenvatting Economie Hoofdstuk 5: Produceren voor de markt

Samenvatting Economie Hoofdstuk 5: Produceren voor de markt Ondernemingsvormen Samenvatting Economie Hoofdstuk 5: Produceren voor de markt De eenmanszaak = een onderneming met één eigenaar. De vennootschap onder firma (VOF) = een onderneming waarbij enkele mensen

Nadere informatie

Domein D markt UITWERKINGEN. monopolie enzo. Zie steeds de eenvoud!! Frans Etman

Domein D markt UITWERKINGEN. monopolie enzo. Zie steeds de eenvoud!! Frans Etman Domein D markt monopolie enzo Zie steeds de eenvoud!! UITWERKINGEN vwo Frans Etman Opgave 1 Opgave 2 1. Bij welke afzet geldt dat de MO-lijn de MK-lijn snijdt? q= 6 2. Teken een stippellijn naar de prijslijn

Nadere informatie

Inleiding tot de economie (HIR(b)) VERBETERING Test 14 november 2008 1

Inleiding tot de economie (HIR(b)) VERBETERING Test 14 november 2008 1 Inleiding tot de economie (HIR(b)) VERBETERING Test 14 november 2008 1 Vraag 1 (H1-14) Een schoenmaker heeft een paar schoenen gerepareerd en de klant betaalt voor deze reparatie 16 euro. De schoenmaker

Nadere informatie

Economie Module 2 & Module 3 H1

Economie Module 2 & Module 3 H1 Economie Module 2 & Module 3 H1 Module 2 1.1 De individuele vraag Individuele vraaglijn kent een dalend verloop: als de prijs daalt, stijgt als gevolg daarvan de gevraagde hoeveelheid. Men wil voor 1 appel

Nadere informatie

1. Leg uit dat het sparen door gezinnen een voorbeeld is van ruilen in de tijd. 2. Leg uit waarom investeren door bedrijven als ruilen over de tijd beschouwd kan worden. 3. Wat is intertemporele substitutie?

Nadere informatie

Onderneming en omgeving - Economisch gereedschap

Onderneming en omgeving - Economisch gereedschap Onderneming en omgeving - Economisch gereedschap 1 Rekenen met procenten, basispunten en procentpunten... 1 2 Werken met indexcijfers... 3 3 Grafieken maken en lezen... 5 4a Tweedegraads functie: de parabool...

Nadere informatie

1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet.

1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet. AANVULLENDE SPECIFIEKE TIPS ECONOMIE VWO 2007 1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet. : Leg uit dat loonmatiging in een open economie kan leiden tot

Nadere informatie

Toegepast Rekenen Opdrachten:

Toegepast Rekenen Opdrachten: Toegepast Rekenen Opdrachten: Hfst 1: Rekenen Opdr. 1: a. 66 : 3 = c. -66 : (-3) = e. 12 - (+5) = b. 66 : (-3) = d. -12 + 5 = f. -12 (-5) = De omzet van een laptopwinkel is 15.000,-. De verkoopprijs per

Nadere informatie

Kaarten module 4 derde klas

Kaarten module 4 derde klas 1. Uit welke twee onderdelen bestaan de totale kosten? 2. Geef 2 voorbeelden van variabele kosten. 3. Geef 2 voorbeelden van vaste (of constante) kosten. 4. Waar is de totale winst gelijk aan? 5. Geef

Nadere informatie

Markt. Kenmerken van marktvormen:

Markt. Kenmerken van marktvormen: 1 1 1 Markt 1 3 5 7 9 1 1 1 1 1 hoeveelheid 1 3 5 7 9 Qv Qa nieuw Qa Qv nieuw p Kenmerken van marktvormen: Volkomen concurrentie: Veel aanbieders Homogeen product(mais) Vrije toetreding Alle kennis van

Nadere informatie

Toegepast Rekenen Theorie:

Toegepast Rekenen Theorie: Toegepast Rekenen Theorie: Hfst 1: Rekenen De volgorde van de basisbewerkingen is: Eerst tussen haakjes Daarna de volgorde volgens het ezelsbruggetje: Meneer Van Dalen Wacht Op Antwoord - Machtsverheffen

Nadere informatie

Ruilen over de tijd (havo)

Ruilen over de tijd (havo) 1. Leg uit dat het sparen door gezinnen een voorbeeld is van ruilen in de tijd. 2. Leg uit waarom investeren door bedrijven als ruilen over de tijd beschouwd kan worden. 3. Wat is intertemporele substitutie?

Nadere informatie

Uitwerking Examentraining havo voor economisch tekenen

Uitwerking Examentraining havo voor economisch tekenen Uitwerking Examentraining havo voor economisch tekenen Opgave 1 Vraag- en aanbodcurve met consumenten- en producentensurplus. Qv = -0,5p + 10 Qa = 0,5p 2 Qa = Qv Prijs in euro, q in stuks. 1. Teken de

Nadere informatie

Economie Module 3 H1 & H2

Economie Module 3 H1 & H2 Module 3 H1 & H2 Hoofdstuk 1 1.1 - Markt, marktstructuur en marktvorm De markt is het geheel van factoren waaronder vragers en aanbieders elkaar ontmoeten en producten verhandelen. Er zijn twee soorten:

Nadere informatie

OVER OMZET, KOSTEN EN WINST

OVER OMZET, KOSTEN EN WINST OVER OMZET, KOSTEN EN WINST De Totale Winst (TW) van bedrijven vindt men door van de Totale Opbrengsten (TO), de Totale Kosten (TK) af te halen. Daarvoor moeten we eerst naar de opbrengstenkant van het

Nadere informatie

Evenwichtspri js MO WINST

Evenwichtspri js MO WINST Volkomen concurrentie Volledige mededinging Hoeveeldheidsaanpassing: prijs komt door Qa en Qv tot stand, individu heeft alleen invloed op de hoeveelheid die hij gaat produceren Veel vragers en veel aanbieders

Nadere informatie

Aanvullingen havo Lesbrief Vervoer, druk 2012 Hoofdstuk 5

Aanvullingen havo Lesbrief Vervoer, druk 2012 Hoofdstuk 5 Aanvullingen op de havo-lesbrieven druk 2012 n.a.v. wijzigingen in syllabus door CvE De CvE heeft de syllabus van de commissie Hinloopen aangepast. Helaas heeft ze dat gedaan nadat de methodeschrijvers

Nadere informatie

Grafieken Economie Hoofdstuk 7

Grafieken Economie Hoofdstuk 7 Economie: Grafieken Hoofdstuk 7 1 Inhoud Grafieken Economie Hoofdstuk 7 door ieter Nobels ONDERNEMERSGEDRG BIJ OLKOMEN CONCURRENTIE... 3 GLOBL MRKTEENWICHT... 3 ERSCHUIINGEN N RG- EN NBODCURE (GLOBLE MRKT)...

Nadere informatie

Domein Markt. Zie steeds de eenvoud!! uitwerking totale winst. Frans Etman

Domein Markt. Zie steeds de eenvoud!! uitwerking totale winst. Frans Etman Domein Markt Zie steeds de eenvoud!! uitwerking totale winst havo Frans Etman Opgave 1 Opgave 2 1. Lees in de grafiek af hoe hoog de totale omzet (TO) en de totale kosten (TK) is bij een afzet van 3 producten,

Nadere informatie

2 Katern Consumenten en producenten

2 Katern Consumenten en producenten Vwo-katern 2 Consumenten en producenten hoofdstuk 1 Consumenten en producenten 2 Katern Consumenten en producenten hoofdstuk 1 Het gedrag van de consument Opdracht 1 a Bijvoorbeeld via reclame of via prijsacties.

Nadere informatie

Module 7 Antwoorden. Experimenteel lesprogramma nieuwe economie

Module 7 Antwoorden. Experimenteel lesprogramma nieuwe economie Module 7 Antwoorden Experimenteel lesprogramma nieuwe economie Verantwoording 2010, Stichting leerplanontwikkeling (SLO), Enschede Het auteursrecht op de modules voor Economie berust bij SLO. Voor deze

Nadere informatie

Hypotheekrecht en - vormen

Hypotheekrecht en - vormen Hypotheekrecht en - vormen Wat is een hypotheek? Een hypotheek is in theorie een zekerheidsrecht. Wanneer u een hypotheek afsluit, geeft u het recht van hypotheek aan de geldverstrekker. Dit recht van

Nadere informatie

Lesbrief Verdienen en uitgeven 2 e druk

Lesbrief Verdienen en uitgeven 2 e druk Hoofdstuk 1. Inkomen verdienen 1.22 1.23 1.24 1.25 1.26 1.27 1.28 1.29 1.30 1.31 1.32 1.33 1.34 D A C C A D B A D D B C D 1.35 a. 1.000.000 425.000 350.000 40.000 10.000 30.000 = 145.000. b. 1.000.000

Nadere informatie

Extra opgaven hoofdstuk 15

Extra opgaven hoofdstuk 15 Extra opgaven hoofdstuk 15 Opgave 1 Veronderstel dat de oliemarkt wordt beschreven door het onderstaande model (1) q v = 20 p + 16.000 p prijs per vat olie in euro s (2) q a = 20 p q v, q a aangeboden,

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 havo 2000-I

Eindexamen economie 1 havo 2000-I Opgave 1 Meer mensen aan de slag Het terugdringen van de werkloosheid is in veel landen een belangrijke doelstelling van de overheid. Om dat doel te bereiken, streeft de overheid meestal naar groei van

Nadere informatie

Economie module 4 Ruilen in de tijd. goederen kopen

Economie module 4 Ruilen in de tijd. goederen kopen Economie module 4 Ruilen in de tijd 27 blz. werkboek = 1 ½ blz. per les H1 par 1 & 2 vb.1 O O sparen om tijd storting + rente iets te kopen goederen kopen vb.2 O O geld lenen om tijd aflossing + rente

Nadere informatie

3.1 De reis van een spijkerbroek. Willem-Jan van der Zanden

3.1 De reis van een spijkerbroek. Willem-Jan van der Zanden 3.1 De reis van een spijkerbroek 1 3.1 De reis van een spijkerbroek Bedrijfskolom = De weg die een product aflegt van grondstof tot eindproduct. Tussen elke schakel van de bedrijfskolom bevindt zich een

Nadere informatie

Examen HAVO. Economie 1

Examen HAVO. Economie 1 Economie 1 Examen HAVO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Tijdvak 2 Woensdag 21 juni 13.30 16.00 uur 20 00 Dit examen bestaat uit 31 vragen. Voor elk vraagnummer is aangegeven hoeveel punten met een goed

Nadere informatie

Hoofdstuk 12. Vreemd vermogen op lange termijn. Een lening (schuld) met een looptijd van langer dan een jaar. We bespreken 3 verschillende leningen:

Hoofdstuk 12. Vreemd vermogen op lange termijn. Een lening (schuld) met een looptijd van langer dan een jaar. We bespreken 3 verschillende leningen: www.jooplengkeek.nl Vreemd vermogen op lange termijn Een lening (schuld) met een looptijd van langer dan een jaar. We bespreken 3 verschillende leningen: 1. Onderhandse lening. 2. Obligatie lening. 3.

Nadere informatie

Aanvullingen vwo Lesbrief Kleding, druk 2012 Hoofdstuk 2

Aanvullingen vwo Lesbrief Kleding, druk 2012 Hoofdstuk 2 Aanvullingen op de vwo-lesbrieven druk 2012 n.a.v. wijzigingen in syllabus door CvE De CvE heeft de syllabus van de commissie Hinloopen aangepast. Helaas heeft ze dat gedaan nadat de methodeschrijvers

Nadere informatie

De verschillende hypotheekvormen

De verschillende hypotheekvormen De verschillende hypotheekvormen Het lijkt, door de uiteenlopende namen voor hypotheken, alsof er veel verschillende hypotheken zijn. Dit valt heel erg mee. Verreweg de meeste hypotheken die tegenwoordig

Nadere informatie

Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur

Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur Economische wetenschappen 1 en recht Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur 19 99 Dit examen bestaat uit 34 vragen. Voor elk vraagnummer is aangegeven

Nadere informatie

TOELATINGSTOETS M&O. Datum 14-1-2016

TOELATINGSTOETS M&O. Datum 14-1-2016 TOELATINGSTOETS M&O VUL IN: Datum 14-1-2016 Naam en voorletters. Adres. Postcode. Woonplaats. Geboortedatum / / Plaats Land. Telefoonnummer. E-mail. Gekozen opleiding. OPMERKINGEN: Tijdsduur: 90 minuten

Nadere informatie

Management & Organisatie VWO 5 Hoofdstuk 27 t/m 30. 15 juni 2009 proeftoets 100 minuten. In deze opgave blijft de btw buiten beschouwing.

Management & Organisatie VWO 5 Hoofdstuk 27 t/m 30. 15 juni 2009 proeftoets 100 minuten. In deze opgave blijft de btw buiten beschouwing. Management & Organisatie VWO 5 Hoofdstuk 27 t/m 30 15 juni 2009 proeftoets 100 minuten Opgave 1 In deze opgave blijft de btw buiten beschouwing. Firma Balans produceert uitsluitend twee typen weegschalen,

Nadere informatie

pdf06 KOSTPRIJSVERHOGENDE BELASTINGEN

pdf06 KOSTPRIJSVERHOGENDE BELASTINGEN pdf06 KOSTPRIJSVERHOGENDE BELASTINGEN In de onderstaande getallenvoorbeelden gaan we uit van de aanbodfunctie:. Door aan producenten opgelegde belastingen (bijvoorbeeld accijnzen, invoerrechten, milieuheffingen

Nadere informatie

M&O VWO 2011/2012. www.lyceo.nl

M&O VWO 2011/2012. www.lyceo.nl Hoofdstuk 4: Balans M&O VWO 2011/2012 www.lyceo.nl Overzicht H4: Balans Management & Organisatie Centraal Examen (CE) 1. Rechtsvormen 2. Prijsberekening 3. Resultaten 4. Balans 5. Liquiditeitsbegroting

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-II

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-II 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juiste berekening

Nadere informatie

Hoofdstuk 1 Structuur, evenwicht en prestaties

Hoofdstuk 1 Structuur, evenwicht en prestaties Hoofdstuk 1 Structuur, evenwicht en prestaties Verkenning 1 a De kosten van het onderzoek en het risico dat het mislukt moet worden afgewogen tegen de mogelijke winst als het onderzoek wel lukt en het

Nadere informatie

Verdieping Management en Organisatie (M&O) 3havo/vwo

Verdieping Management en Organisatie (M&O) 3havo/vwo Sectie economie 2012-2013 1 Verdieping Management en Organisatie (M&O) 3havo/vwo In de bovenbouw kunnen jullie in de vrije ruimte het vak M&O opnemen. Het is daarom handig om dit jaar al een aantal lessen

Nadere informatie

TOETS 1 - Basiskennis Calculatie (BKC)

TOETS 1 - Basiskennis Calculatie (BKC) TOETS 1 - Basiskennis Calculatie (BKC) Het maximaal aantal te behalen punten voor deze toets is 90. Bij elke vraag of opdracht staat aangegeven hoeveel punten u daarvoor kunt halen. De beschikbare examentijd

Nadere informatie

pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD

pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD De macro-vraaglijn of geaggregeerde vraaglijn geeft het verband weer tussen het algemeen prijspeil en de gevraagde hoeveelheid binnenlands product. De macro-vraaglijn

Nadere informatie

De mate waarin de gevraagde hoeveelheid van een product(qv) gevoelig is voor een verandering van de prijs van het product (p).

De mate waarin de gevraagde hoeveelheid van een product(qv) gevoelig is voor een verandering van de prijs van het product (p). 1. Prijselasticiteit van de vraag De mate waarin de gevraagde hoeveelheid van een product(qv) gevoelig is voor een verandering van de prijs van het product (p). %-verandering gevraagde hoeveelheid (gevolg)

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-II Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Voorbeelden van een juist antwoord zijn: kosten van politie-inzet

Nadere informatie

Wat je moet weten als je een hypotheek kiest?

Wat je moet weten als je een hypotheek kiest? Wat je moet weten als je een hypotheek kiest? Als je een hypotheek af gaat sluiten, moet je aan een heleboel dingen denken. We hebben een aantal vragen voor je op een rijtje. Klik op de doorlinks hiernaast

Nadere informatie

Examen HAVO. management & organisatie. tijdvak 1 maandag 12 mei 13.30-16.30 uur. Bij dit examen horen een bijlage en een uitwerkbijlage.

Examen HAVO. management & organisatie. tijdvak 1 maandag 12 mei 13.30-16.30 uur. Bij dit examen horen een bijlage en een uitwerkbijlage. Examen HAVO 2014 tijdvak 1 maandag 12 mei 13.30-16.30 uur management & organisatie Bij dit examen horen een bijlage en een uitwerkbijlage. Dit examen bestaat uit 28 vragen. Voor dit examen zijn maximaal

Nadere informatie

Nadeel Uiteindelijk wordt er geen vermogen opgebouwd om de hypotheek mee af te kunnen lossen.

Nadeel Uiteindelijk wordt er geen vermogen opgebouwd om de hypotheek mee af te kunnen lossen. Welke hypotheekvorm past het beste bij uw specifieke situatie? Het is fijn om van tevoren al te weten welke basis hypotheekvormen er bestaan. Hieronder staan de hypotheekvormen een voor een kort beschreven

Nadere informatie

Boekingsboek. Overzicht van een aantal soorten boekingen.

Boekingsboek. Overzicht van een aantal soorten boekingen. Boekingsboek Overzicht van een aantal soorten boekingen. * contant * op rekening * met en zonder BTW * transitorische posten * hoe ga je om met de BTWboekingen * balans, V&Wrekening, liquiditeitsoverzicht

Nadere informatie

2 Constante en variabele kosten

2 Constante en variabele kosten 2 Constante en variabele kosten 2.1 Inleiding Bij het starten van een nieuw bedrijf zal de ondernemer zich onder andere de vraag stellen welke capaciteit zijn bedrijf moet hebben. Zal hij een productie/omzet

Nadere informatie

Hieronder de vergelijking tussen de annuïteitenhypotheek en de lineaire hypotheek.

Hieronder de vergelijking tussen de annuïteitenhypotheek en de lineaire hypotheek. Hieronder de vergelijking tussen de annuïteitenhypotheek en de lineaire hypotheek. Inleiding: De genoemde vormen zijn voor starters de enige vormen die sinds 01-01-2013 leiden tot renteaftrek. Andere vormen,

Nadere informatie

1 Markt en marktvormen

1 Markt en marktvormen 1 Markt en marktvormen Wat is het verschil tussen een markt en een marktvorm? Markt= Concrete markt, plaats waar vragers en aanbieders van een bepaald goed elkaar ontmoeten en transacties afsluiten Marktvorm

Nadere informatie

Hypotheekschuld. Duur 30 jaar. Maandlasten

Hypotheekschuld. Duur 30 jaar. Maandlasten Hypotheekschuld Duur 30 jaar Maandlasten Tijdens de gehele looptijd betaalt u lage maandlasten. U betaalt alleen rente over de lening. Aan het einde van de looptijd blijft de hypotheekschuld bestaan. U

Nadere informatie

Eindexamen havo m&o 2013-I

Eindexamen havo m&o 2013-I Opgave 2 Bij deze opgave horen de informatiebronnen 1 tot en met 6. Bij deze opgave worden de belastingen buiten beschouwing gelaten. Peter de Beer is de eigenaar van een klein autobedrijf (FIAT De Beer

Nadere informatie

De resultatenrekening

De resultatenrekening De resultatenrekening format resultatenrekening kosten/uitgaven en opbrengsten/ontvangsten afschrijvingen rente eindbalans Joop Lengkeek Kamer H0.012 Email: Lengkeek.J@NHTV.nl www.jooplengkeek.nl 1 De

Nadere informatie

Boek 4 Hoofdstuk 7: De overheid en ons inkomen

Boek 4 Hoofdstuk 7: De overheid en ons inkomen Boek 4 Hoofdstuk 7: De overheid en ons inkomen Valt het mee of tegen? a Als Yara een appartement koopt moet ze een hypotheek afsluiten. Hiervoor betaalt ze iedere maand een bepaald bedrag. Dit zijn haar

Nadere informatie

Deze examenopgaven bestaan uit 7 pagina s, inclusief het voorblad. Controleer of alle pagina s aanwezig zijn.

Deze examenopgaven bestaan uit 7 pagina s, inclusief het voorblad. Controleer of alle pagina s aanwezig zijn. Basiskennis Ondernemerschap Voorbeeldexamen Belangrijke informatie Deze examenopgaven bestaan uit 7 pagina s, inclusief het voorblad. Controleer of alle pagina s aanwezig zijn. Dit voorbeeldexamen bestaat

Nadere informatie

- Op gebouwen en machines die op 1 januari 2008 aanwezig zijn wordt in 2008 respectievelijk 30.000,- en 20.000,- afgeschreven.

- Op gebouwen en machines die op 1 januari 2008 aanwezig zijn wordt in 2008 respectievelijk 30.000,- en 20.000,- afgeschreven. Management en Organisatie VWO 6 Herhaling CE Begrotingen nummer 2 Opgave 1 Gegeven is de volgende balans van Fitna bv: Balans per 1/1 2008 --------------------------------------------------------------

Nadere informatie

Hoe groot is het marktaandeel van onderneming B? Vul een geheel getal in (zonder decimalen).

Hoe groot is het marktaandeel van onderneming B? Vul een geheel getal in (zonder decimalen). Basiskennis Ondernemerschap Correctiemodel Vraag 1 Toetsterm 1.1 - Beheersingsniveau: B - Aantal punten: 1 In Alkmaar wordt elke vrijdag een kaasmarkt gehouden. De kazen worden aangeleverd door de producenten

Nadere informatie

Eindexamen economie vwo 2010 - I

Eindexamen economie vwo 2010 - I Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Een antwoord waaruit

Nadere informatie

Rendement = investeringsopbrengst/ investering *100% Reëel rendement = Nominaal rendement / CPI * 100-100 Als %

Rendement = investeringsopbrengst/ investering *100% Reëel rendement = Nominaal rendement / CPI * 100-100 Als % Inflatie Stijging algemene prijspeil Consumenten Prijs Indexcijfer Gewogen gemiddelde Voordeel: Mensen met schulden Nadeel: Mensen met loon, spaargeld Reële winst bedrijven daalt Rentekosten bedrijven

Nadere informatie

Een hypotheek van Delta Lloyd

Een hypotheek van Delta Lloyd Een hypotheek van Delta Lloyd Inhoud Belangrijk 3 Een hypotheek 4 Stappenplan 4 Lenen 5 De Budget Hypotheek 5 De DrieSterrenHypotheek 6 De Nieuwbouw Hypotheek 6 Bent u zelfstandig ondernemer? 6 Terugbetalen

Nadere informatie

geeft aan wat de verhouding is tussen de afzet van een merk (Coca Cola) en de totale afzet van een productvorm (cola)

geeft aan wat de verhouding is tussen de afzet van een merk (Coca Cola) en de totale afzet van een productvorm (cola) Lesbrief Consument en Producent Hoofdstuk 1 De klant Marktaandeel van een merk: geeft aan wat de verhouding is tussen de afzet van een merk (Coca Cola) en de totale afzet van een productvorm (cola) Afzet

Nadere informatie

Kleurpagina vraagkaartjes beginner Ruilen over de tijd Quiz. Deze pagina 2 keer printen daarna op de achterkant de vraagkaartjes Ruilen over de tijd

Kleurpagina vraagkaartjes beginner Ruilen over de tijd Quiz. Deze pagina 2 keer printen daarna op de achterkant de vraagkaartjes Ruilen over de tijd Kleurpagina vraagkaartjes beginner Ruilen over de tijd Quiz. Deze pagina 2 keer printen daarna op de achterkant de vraagkaartjes Ruilen over de tijd quiz beginner printen en uitsnijden of knippen. Bijlage

Nadere informatie

Hoofdstuk 2: Grafieken en formules

Hoofdstuk 2: Grafieken en formules Hoofdstuk 2: Grafieken en formules Wiskunde VMBO 2011/2012 www.lyceo.nl Hoofdstuk 2: Grafieken en formules Wiskunde 1. Basisvaardigheden 2. Grafieken en formules 3. Algebraïsche verbanden 4. Meetkunde

Nadere informatie

Kenmerken van diverse basisvormen van hypothecaire leningen

Kenmerken van diverse basisvormen van hypothecaire leningen Hypotheekvormen Kenmerken van diverse basisvormen van hypothecaire leningen Onderstaand geven wij u een korte beschrijving van de verschillende hypotheekvormen. Het betreft slechts een opsomming van de

Nadere informatie

Economie. Boekje Vervoer Samenvattingen + overige voorbereiding voor de toets. Inhoud:

Economie. Boekje Vervoer Samenvattingen + overige voorbereiding voor de toets. Inhoud: Boekje Vervoer Samenvattingen + overige voorbereiding voor de toets Economie Inhoud: Wat? blz. h1 & h2 samengevat 2 h3 samengevat 3 h4 samengevat 4 & 5 h5 samengevat 6 wat moet weten 7 & 8 Begrippen 8,

Nadere informatie

HYPOTHEKEN. Inhoud: Rente-looptijden* / -marges*; Hypotheek met rente-marge; * A. 1: rentevastperiode. * A. 2: rente-% met een marge.

HYPOTHEKEN. Inhoud: Rente-looptijden* / -marges*; Hypotheek met rente-marge; * A. 1: rentevastperiode. * A. 2: rente-% met een marge. HYPOTHEKEN Inhoud: Hoofdstuk A Hoofdstuk B Hoofdstuk C Hoofdstuk D Rente-looptijden* / -marges*; Diverse hypotheekvormen; Hypotheek met -marge; Overlijdensrisico. * A. 1: vastperiode. * A. 2: -% met een

Nadere informatie

10. Break the Code. Registratieformulier Break the Code. Namen groepsleden. Code poging 1 Puzzel 1 Puzzel 2 Puzzel 3

10. Break the Code. Registratieformulier Break the Code. Namen groepsleden. Code poging 1 Puzzel 1 Puzzel 2 Puzzel 3 10. Break the Code Registratieformulier Break the Code Namen groepsleden Code poging 1 Puzzel 1 Puzzel 2 Puzzel 3 Code poging 2 (indien nodig) Puzzel 1 Puzzel 2 Puzzel 3 Puzzel 1: woordzoeker Instructies

Nadere informatie

Eindexamen vwo m&o II

Eindexamen vwo m&o II Opgave 1 1 maximumscore 2 De zakelijke lasten zijn door de verkoper vooruitbetaald. Uitsluitend 0 of 2 scorepunten toekennen. 2 maximumscore 3 maand in 2011 schuldrest ( ) begin van de maand interestdeel

Nadere informatie

1 Kostprijsberekening en bezettingsresultaat

1 Kostprijsberekening en bezettingsresultaat 1 Kostprijsberekening en bezettingsresultaat 1.1 Inleiding In het Basisboek Bedrijfseconomie heb je al veel geleerd over hoe de prijs van een product tot stand komt. De eerste hoofdstukken in dat boek

Nadere informatie

Management & Organisatie. Profielkeuze havo 3

Management & Organisatie. Profielkeuze havo 3 Management & Organisatie Profielkeuze havo 3 MO is duidelijk gericht op een vervolgopleiding. Het is weinig algemeen vormend, zoals economie dat wel is. Het is dus belangrijk dat je MO alleen kiest als

Nadere informatie

Hoofdstuk 9 - Lineair Programmeren Twee variabelen

Hoofdstuk 9 - Lineair Programmeren Twee variabelen Hoofdstuk 9 - Lineair Programmeren Twee variabelen bladzijde a Twee ons bonbons kost, euro. Er blijft,, =, euro over. Doris kan daarvan, = ons drop kopen., b d is het aantal ons gemengde drop (, euro per

Nadere informatie

Aurington. Administratie en Advies

Aurington. Administratie en Advies Aurington Administratie en Advies Let op de houdbaarheidsdatum! Mei 5 Pincode 6 7 8 Boetes Dit jaar Deze maand De balans Tandorine B.V. Debet Activa Bezittingen Wat heb ik? Credit Passiva Vermogen Hoe

Nadere informatie

Eindexamen m&o vwo 2005-I

Eindexamen m&o vwo 2005-I 4 Beoordelingsmodel Opgave 1 1 volgens grafiek: 10% voor computers en 5% voor software 0,15 54 = 8,1 miljard 2 aan de verzadigingsfase gaat de volwassenfase (rijpheidsfase) vooraf, de neergangsfase (eindfase)

Nadere informatie

Examen HAVO en VHBO. Economie

Examen HAVO en VHBO. Economie Economie Examen HAVO en VHBO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Vooropleiding Hoger Beroeps Onderwijs HAVO Tijdvak 2 VHBO Tijdvak 3 Dinsdag 22 juni 13.30 16.30 uur 19 99 Dit examen bestaat uit 37 vragen.

Nadere informatie

Werkboek Werk Ver 2. Week Opgaven Bijzonderheden 5 Toetsbespreking 1.1 t/m 1.12. Dit boekje elke les meenemen! 6 1.13 t/m 1.20 2.1 t/m 2.

Werkboek Werk Ver 2. Week Opgaven Bijzonderheden 5 Toetsbespreking 1.1 t/m 1.12. Dit boekje elke les meenemen! 6 1.13 t/m 1.20 2.1 t/m 2. Werkboek Werk Ver 2 Week Opgaven Bijzonderheden 5 Toetsbespreking 1.1 t/m 1.12 Dit boekje elke les meenemen! 6 1.13 t/m 1.20 2.1 t/m 2.9 7 2.10 t/m 2.14 Afmaken beleggen Inleveren handelingsdeel bij docent

Nadere informatie

Bedrijfseconomische Aspecten Examennummer: 71533 Datum: 14 april 2012 Tijd: 13:00 uur - 14:30 uur

Bedrijfseconomische Aspecten Examennummer: 71533 Datum: 14 april 2012 Tijd: 13:00 uur - 14:30 uur Bedrijfseconomische Aspecten Examennummer: 71533 Datum: 14 april 2012 Tijd: 13:00 uur - 14:30 uur Dit examen bestaat uit 8 pagina s. De opbouw van het examen is als volgt: - 30 meerkeuzevragen (maximaal

Nadere informatie

4p 6 Leg uit waarom de marktvorm en het marktgedrag kunnen veranderen. Opgave 3 2000 Economische wetenschappen 1 en Recht - 1 opgave 2

4p 6 Leg uit waarom de marktvorm en het marktgedrag kunnen veranderen. Opgave 3 2000 Economische wetenschappen 1 en Recht - 1 opgave 2 Opgave 1 1999 Economische wetenschappen 1 en Recht - 1 opgave 2 Enige tijd geleden is de firma Lovers de exploitatie van de Kennemerland Express gestart, een treinverbinding tussen Amsterdam en IJmuiden.

Nadere informatie

4.1 De collectieve arbeidsovereenkomst

4.1 De collectieve arbeidsovereenkomst 4.1 De collectieve arbeidsovereenkomst De arbeidsvoorwaarden van veel werknemers zijn vastgelegd in een collectieve arbeidsovereenkomst. Dit is een overeenkomst die per bedrijf of bedrijfstak wordt afgesloten

Nadere informatie

Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Dinsdag 1 juni 13.30 16.30 uur

Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Dinsdag 1 juni 13.30 16.30 uur wiskunde A1 (nieuwe stijl) Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Dinsdag 1 juni 13.30 16.30 uur 20 04 Voor dit examen zijn maximaal 83 punten te behalen; het examen bestaat uit

Nadere informatie

De verschillende hypotheekvormen

De verschillende hypotheekvormen De verschillende hypotheekvormen Hierbij ontvangt u een beschrijving van een vijftal hypotheekvormen. Wij willen u vragen dit alvast door te nemen zodat u reeds bekend bent met de diverse hypotheeksoorten.

Nadere informatie

Eindexamen wiskunde A1 vwo 2004-I

Eindexamen wiskunde A1 vwo 2004-I Bevolkingsgroei Begin jaren negentig verscheen in NRC Handelsblad een artikel over de bevolkingsgroei en de gevolgen van deze groei. Bij dit artikel werden onder andere de onderstaande figuren 1A, 1B,

Nadere informatie

Rekenmodule procenten Pagina 1

Rekenmodule procenten Pagina 1 % Rekenmodule procenten Pagina 1 Inleiding Omdat gebleken is dat nog niet iedereen van jullie helemaal thuis is in procenten gaan we het nu hebben over dit onderwerp. Met behulp van deze module proberen

Nadere informatie

CPI = 122,5 Wat zegt dit? Hoe bereken je dit? Categorieën Aandeel Prijsstijging Optelling. Voeding 40% 10% Kleding 35% -5% Overig 0 CPI 102,25

CPI = 122,5 Wat zegt dit? Hoe bereken je dit? Categorieën Aandeel Prijsstijging Optelling. Voeding 40% 10% Kleding 35% -5% Overig 0 CPI 102,25 CPI = 122,5 Wat zegt dit? Hoe bereken je dit? Categorieën Aandeel Prijsstijging Optelling Voeding 40% 10% Kleding 35% -5% Overig 0 CPI 102,25 ConsumentenPrijsIndexcijfer Consumenten Prijsindexcijfer in

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2008-II

Eindexamen economie 1-2 vwo 2008-II Beoordelingsmodel Opgave 1 1 maximumscore 1 (primaire) inkomensrekening 2 maximumscore 2 Voorbeelden van een juist antwoord zijn: De nieuwe productie-eenheid trekt ook toeleveringsbedrijven aan die zorgen

Nadere informatie

Eindexamen vmbo gl/tl economie 2011 - II

Eindexamen vmbo gl/tl economie 2011 - II Beoordelingsmodel Aan het juiste antwoord op een meerkeuzevraag wordt 1 scorepunt toegekend. MINpunten 1 maximumscore 1 2 / 6 x 100 % = 33,3% 2 maximumscore 1 Voorbeeld van een juiste reden: Klantenbinding:

Nadere informatie

Verantwoord lenen bij Delta Lloyd

Verantwoord lenen bij Delta Lloyd Verantwoord lenen bij Delta Lloyd Beste klant, De huizenprijzen zijn de laatste jaren flink gedaald. Daardoor houden steeds meer mensen na verkoop van de woning een restschuld over. Als de verkoopopbrengst

Nadere informatie

Uitleg hypotheekvormen.

Uitleg hypotheekvormen. Ik wil mijn eerste huis kopen Uitleg hypotheekvormen. Als je graag een huis wilt kopen, dan heb je een hypotheek nodig. Ook als je je huis gaat verbouwen is het goed om naar je huidige hypotheek te kijken.

Nadere informatie

DE EENMANSZAAK DEEL 2 VWO SAMENVATTING. Jannes Timmers. De Eenmanszaak deel 2 VWO

DE EENMANSZAAK DEEL 2 VWO SAMENVATTING. Jannes Timmers. De Eenmanszaak deel 2 VWO De Eenmanszaak deel 2 VWO DE EENMANSZAAK DEEL 2 VWO SAMENVATTING Jannes Timmers Copyright Jannes Timmers 2015 Niets uit deze samenvatting mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt op een

Nadere informatie