Ik heb u nodig! Masterthese Elline de Wilde Universiteit Utrecht Prof. C. Bakker. Masterscriptie Elline de Wilde Universiteit Utrecht

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Ik heb u nodig! Masterthese Elline de Wilde Universiteit Utrecht Prof. C. Bakker. Masterscriptie Elline de Wilde Universiteit Utrecht"

Transcriptie

1 Ik heb u nodig! Onderzoek naar de identiteitsontwikkeling bij reformatorische jongeren binnen de drieslag gezin, kerk en school in het spanningsveld van heteronomie, autonomie en in antithese met de cultuur anno Masterthese Elline de Wilde Universiteit Utrecht Prof. C. Bakker Masterscriptie Elline de Wilde Universiteit Utrecht Prof. dr. C. Bakker

2 De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid. Allen die ze doen, hebben goed verstand. Zijn lof bestaat tot in der eeuwigheid. Psalm 111:10 Voorblad: Elke tijd voegt een nieuwe schakel aan de keten toe. Iedere generatie heeft de opgave en de plicht om oude waarden te vertalen naar de eigen tijd. 1

3 Inhoudsopgave Inhoudsopgave... 2 Woord vooraf... 5 Inleiding en probleemstelling Probleemstelling Begripsverheldering en inkadering van probleemstelling Methodologische verantwoording van de onderzoeksopzet: technieken van materiaalverzameling en- verwerking Methodologische verantwoording van kwantitatief onderzoek Opzet digitale enquête Plaats van componenten uit drieslag in kwantitatief onderzoek Verwerking vragen Methodologische verantwoording van kwalitatief onderzoek Varianten van kwalitatief onderzoek Directe observatie Documentatieonderzoek Semigestructureerde diepte-interviews Conclusie Theoretisch kader: deelvragen literatuuronderzoek Contextualisatie van de leerlingen op het ROC Hoornbeeck College te Rotterdam Reformatorische identiteit Homogeniteit Beleefde en geleefde deductieve visie Pedagogisch klimaat Docentencorps Docent godsdienst Benaderingen van religieuze educatie volgens Grimmitt toegepast op de onderwijssituatie van het Hoornbeeck College Pedagogische strategieën Learning for Documentatie onderzoek curriculum Godsdienst Geloofs- en identiteitsontwikkeling naar het model van J.W. Fowler J.W. Fowler Aanleiding en doelstelling Schematische weergave van het stadiummodel Kritiek op en interpretatie van het stadiummodel Stadiummodel toegepast op de Hoornbeeckjongere Verbinding tussen theorie Fowler en het ideale opvoedingsdoel van de drieslag Push en pullfactoren op scharnierpunt Opvoedingsverlegenheid

4 2.4 Orthopraxe jongeren binnen de reformatorische zuil in het spanningsveld van heteronomie, autonomie en antithese met cultuur anno Onderzoek De reformatorische zuil, instortingsgevaar? Escape Antithese met cultuur anno Orthopraxie Reformatorische cultuur in perspectief van heteronomie en autonomie Antithese Dynamiek tussen leefwereld en traditie: creatieve actualisatie Lansers perspectiefwisseling toegepast op de reformatorische traditie Analyse, resultaten en verbindingen van de onderzoekgegevens Analyse traditieoverdracht in Gezin Communicatie Verband tussen kerkelijke achtergrond en communicatie Verband tussen communicatie thuis over prediking en het begrijpen van de prediking Traditieoverdracht in Kerk Kerkverband- en gang Waardering afzonderlijke onderdelen van de liturgie Kerkmigratie Participatie binnen de kerkelijke gemeente Catechese Prediking Tips voor kerkenraad Veranderingen en vernieuwingen Persoonlijke geloofsbeleving Identificatiefiguren Levensvragen Gebed Kwalitatief onderzoek Lesobservatie bij het vak godsdienst Analyse lesobservatie Documentatieonderzoek: actuele communicatie- en generatieclash in prediking, Bijbelvertaling en catechese Conclusie J.W. Fowler: stadium drie en vier, van heteronomie naar autonomie Positionering van de drieslag in het model van J.W. Fowler De positie van de component gezin in de identiteitsontwikkeling De positie van de component kerk in de identiteitsontwikkeling De positie van de component school in de identiteitsontwikkeling Push en pullfactoren Orthopraxie Perspectiefwisseling en creatieve actualisatie anno

5 4.9 Samenhang van de drie componenten in de identiteitsontwikkeling Verder onderzoek Veldonderzoek Onderzoek vanuit kenniscentrum Hoornbeeck College Onderzoek naar waarborging van de reformatorische traditie Onderzoek naar curriculumm van het vak burgerschap Bibliografie Bijlagen Bijlage I Enquête Bijlage II Interview in: Post Academische Dagblad Opleiding Journalistiek

6 Woord vooraf Iedere werkdag mag ik met veel enthousiasme en plezier omgaan met jongeren tussen de 16 en 20 jaar. Wat een prachtige baan heb ik als mentrix en godsdienstdocente. Mijn werkkring motiveert mij om onderzoek uit te voeren naar de identiteitsontwikkeling van deze doelgroep binnen de drieslag gezin, kerk en school in antithese met de cultuur anno Met veel vreugde heb ik aan dit onderzoek gewerkt. Naast dit onderzoek heb ik ook met plezier gewerkt aan het ontwikkelen van een mini-documentaire (30 minuten), waarin drie reformatorische jongeren vertellen over hun geloofsbeleving. Naast deze documentaire is er ook prezi-presentatie aan dit onderzoek verbonden. Deze presentatie geeft een overview van de onderzoeksresultaten en conclusies. 1 In het bijzonder wil ik enkele personen bedanken die mij op welke wijze dan ook geholpen hebben tot de totstandkoming van deze masterscriptie. Mijn dank gaat uit naar prof. dr. Cok Bakker voor de goede begeleiding. De fascinerende gesprekken over de refoculuur op Trans 14 blijven in mijn herinnering. Dr. Wim Fieret wil ik bedanken voor de goede samenwerking en feedback vanuit het lectoraat Identiteit van het Hoornbeeck College. Mijn collega ir. Henk Ottema heeft diverse analyses gemaakt en meegedacht in het gehele proces, wat ik zeer gewaardeerd heb. Marieke Nieuwenhuis, mijn vriendin, wil ik bedanken voor de gedegen wijze waarop zij in dit onderzoek de taak van corrector heeft uitgevoerd. En last but not least: ons gezin, in het bijzonder mijn lieve ouders, verdere familie, vrienden en enkele wijze personen die ik verder niet bij naam zal noemen, wil ik hartelijk danken voor hun steun tijdens het schrijven van deze scriptie én voor het feit dat zij gedurende mijn studiejaren gefungeerd hebben als vangnet en gids! 1 5

7 Inleiding en probleemstelling 0.1 Probleemstelling In dit onderzoek staat de reformatorische jongere centraal die in een voornamelijk autonome, seculiere samenleving opgroeit en participeert. Er wordt onderzocht hoe de identiteitsontwikkeling bij deze jongere plaatsvindt en hoe deze zich verhoudt ten opzichte van de reformatorische, heteronome (Mackay, 2010) traditie in het bijzonder binnen de drieslag gezin, kerk en school. De hoofdvraag luidt als volgt: Hoe vindt de identiteitsontwikkeling van reformatorische jongeren plaats binnen de drieslag gezin, kerk en school in het spanningsveld van heteronomie, autonomie en in antithese met de cultuur anno 2012 en welke samenhang vertonen de drie genoemde componenten daarin? 0.2 Begripsverheldering en inkadering van probleemstelling Hoofdstuk 1 staat in het teken van de methodologische verantwoording van de onderzoeksopzet. De technieken van materiaalverzameling en- verwerking worden in dit hoofdstuk weergeven. Paragraaf 1 verantwoordt het kwantitatieve deel van het onderzoek; paragraaf 2 het kwalitatieve deel. In hoofdstuk 2 is het gehele theoretische kader, de literatuurstudie, opgenomen. De identiteitsontwikkeling van reformatorische jongeren vindt idealiter plaats binnen de drieslag gezin, kerk en school (Stoffels, 1995). Deze drieslag heeft als doelstelling om gestroomlijnde consistentie te bieden tussen de drie componenten, om hierdoor de identiteit te waarborgen en te continueren voor de volgende generatie. Binnen deze componenten loopt de rode draad van de identiteit, die wordt bepaald door de Bijbel als gezaghebbend en onfeilbaar Woord van God (Informatiegids , p. 4). Daarnaast dienen de Drie Formulieren van Enigheid als leidraad voor het leven. De participerende kerken die deze identiteit onderschrijven zijn de Protestante Kerk in Nederland (Gereformeerde Bond), de Christelijk Gereformeerde Kerk (Bewaar het pand), de Gereformeerde Gemeenten, de Gereformeerde Gemeenten in Nederland (zowel binnen als buiten verband) en de Oud Gereformeerde Gemeenten (in Nederland). Reformatorische jongeren zijn afkomstig uit bovengenoemde kerkgenootschappen. In paragraaf 2.1 wordt het Hoornbeeck College gecontextualiseerd. Deze objectieve weergave construeert de wijze waarop zowel de geleefde als beleefde identiteit functioneert op een christelijk mbo op reformatorische grondslag. In paragraaf 2.2 wordt ingegaan op de benaderingen van religieuze educatie volgens de theorie van Grimmitt. Deze benaderingen worden middels documentatieonderzoek toegepast op de onderwijssituatie van het Hoornbeeck College. Vanuit deze gegevens worden conclusies getrokken over het functioneren van het godsdienstonderwijs op het Hoornbeeck College. In paragraaf 2.3 wordt het model over de identiteitsontwikkeling van Fowler uitvoerig uiteengezet en kritisch besproken. Binnen dit model bevindt de Hoornbeeck-jongere zich op een belangrijk scharnierpunt. Op dit punt reflecteert hij op het samenspel tussen gezin, kerk en school. Het is 6

8 mogelijk dat hij constateert dat de persoonlijke geloofsbeleving correleert met de geloofsbeleving en praxis in gezin, kerk en school en deze geloofsbeleving wordt dan bij de jongere gecontinueerd en geëigend. Het kan ook zo zijn dat er op dit scharnierpunt -tussen heteronomie en autonomie- een (loyaliteits)conflict plaatsvindt tussen de jongere enerzijds en het gezin, kerk en school anderzijds. Dit scharnierpunt brengt spanning en opvoedingsverlegenheid teweeg, waarover enkele verklaringen en aanbevelingen worden beschreven. In paragraaf 2.4 wordt het onderzoek met de titel Bewaar het pand (1985) besproken. Janse onderzocht in zijn proefschrift de mate waarin de bevindelijk gereformeerden zich aanpassen aan de bestaande opvattingen in de samenleving (assimilatie) of juist weerstand daartegen bieden (persistentie). Dit onderzoek werd door het Reformatorisch Dagblad herhaald in De gegevens van beide onderzoeken zijn verwerkt in het boek: De eeuw in het hart, de bevindelijk gereformeerden op weg naar de eenentwintigste eeuw (1998). Anno 2012 is het station van de eenentwintigste eeuw bereikt. De gegevens uit bovenstaand onderzoek worden in dit onderzoek opgenomen om een gedetailleerd beeld te construeren over de mate van de voortschrijdende secularisering binnen de reformatorische traditie. Vervolgens wordt in deze paragraaf de term orthopraxie geïntroduceerd en besproken. De criteria die op orthopraxie wijzen, hebben tot doel de groepen van zeer religieuze christenen te onderscheiden van meer liberale of niet-gelovigen. Orthopraxe jongeren die in een heteronome (sub)cultuur leven, staan in antithese met de autonome cultuur anno Dat botst en brengt spanning met zich mee. Deze spanning wordt verder uitgewerkt aan de hand van de door Lanser geïntroduceerde metafoor van de perspectiefwisseling. Het begrip creatieve actualisatie is nauw verbonden aan deze perspectiefwisseling. Dit begrip wordt besproken en toegepast op de context van de reformatorische jongeren. De paragraaf wordt afgesloten met drie actuele illustraties die iets weergeven van de interne generatie- en communicatieclash die plaatsvindt binnen de drieslag gezin, kerk en school. In hoofdstuk 3 worden de onderzoekgegevens van het kwantitatief onderzoek (de afgenomen enquête) op een overzichtelijke wijze gepresenteerd. Tevens wordt bij de bloemlezingen verwezen naar het supplement dat gevoegd is bij deze scriptie. Kwalitatief onderzoek: Om een beeld te krijgen op welke wijze jongeren op het Hoornbeeck College godsdienstonderwijs krijgen, is een observatie uitgevoerd van een godsdienstles. Daarnaast is er een documentatieonderzoek uitgevoerd dat betrekking heeft op drie actuele discussies die spelen binnen de reformatorische traditie, te weten: prediking, Bijbelvertaling en catechese. Er worden geen verklaringen, interpretaties en/of conclusies van de onderzoekgegevens in dit hoofdstuk weergegeven. Dit gebeurt in hoofdstuk 4. Hoofdstuk 4 staat in het teken van de conclusie. Hier wordt de verbinding gemaakt tussen het kwantitatief-, kwalitatief-, en literatuuronderzoek. Aanbevelingen voor nader onderzoek worden weergegeven in hoofdstuk 5. 7

9 1.0 Methodologische verantwoording van de onderzoeksopzet: technieken van materiaalverzameling en- verwerking Om antwoord te krijgen op de centrale onderzoeksvraag: Hoe vindt de identiteitsontwikkeling van reformatorische jongeren plaats binnen de drieslag gezin, kerk en school in het spanningsveld van heteronomie, autonomie en in antithese met de cultuur anno 2012 en welke samenhang vertonen de drie genoemde componenten daarin? wordt gebruikt gemaakt van 1. kwantitatief-, 2. kwalitatief-, en 3. literatuuronderzoek. De verantwoording van deze drie onderzoeksmethoden wordt in dit hoofdstuk weergegeven. Het kwantitatief onderzoek (verantwoording in hoofdstuk 1.1) omvat een digitale enquête. Deze is opgenomen als bijlage I. De resultaten worden gepresenteerd in het empirische deel van dit onderzoek (hoofdstuk 3). In deze enquête worden open en gesloten vragen gesteld over de geloofsbeleving van reformatorische jongeren binnen twee componenten van de drieslag, namelijk gezin en kerk. Volledige statistieken van de gesloten vragen zijn op verzoek digitaal in te zien. (Gebruikersnaam en wachtwoord zijn hiervoor noodzakelijk). De volledige beantwoording van de open vragen is als supplement gevoegd bij deze scriptie. In hoofdstuk 3 wordt bij iedere open vraag expliciet naar het supplement verwezen. Tevens is het ook mogelijk om de open vragen digitaal in te zien. (Ook hierbij geldt dat gebruikersnaam en wachtwoord noodzakelijk zijn). Het kwalitatief onderzoek (verantwoording in hoofdstuk 1.2) bestaat uit het analyseren en samenvatten van semigestructureerde diepte-interviews die zijn afgenomen vanuit het lectoraat Werken aan de Opdracht dat verbonden is aan het Hoornbeeck College. Deze onderzoekgegevens mogen vanwege privacy redenen niet opgenomen worden in deze scriptie. Zij zijn op verzoek in hardcopy in te zien. In de conclusie (hoofdstuk 4) worden deze onderzoeksgegevens verwerkt. In het kwalitatieve onderzoek wordt tevens een observatie uitgevoerd van een godsdienstles. Om deelvraag 2.1, 2.2, en 2.4 uit het literatuur onderzoek te beantwoorden, wordt documentatieonderzoek verricht. Paragraaf 2.1 en 2.2 zijn vanwege praktische redenen opgenomen in het theoretisch kader. Paragraaf 2.4 is opgenomen in het empirische deel van dit onderzoek (hoofdstuk 3). Het kwalitatieve deel van dit onderzoek valt binnen de drieslag onder de component school, met uitzondering van het documentatieonderzoek behorend bij paragraaf 2.4. Binnen het literatuuronderzoek, het theoretisch kader (verantwoording in hoofdstuk 2.0) wordt middels onderstaande vragen, gezocht naar een antwoord op de hoofdvraag. 2.1 Contextualisatie van de leerlingen op het Hoornbeeck College te Rotterdam 2.2 Benaderingen van religieuze educatie volgens Grimmitt toegepast op de onderwijssituatie 8

10 van het Hoornbeeck College 2.3 Geloofs- en identiteitsontwikkeling naar het model van Fowler 2.4 Orthopraxe jongeren binnen de reformatorische zuil in het spanningsveld van heteronomie, autonomie en in antithese met de cultuur anno 2012 In de conclusie (hoofdstuk 4) vindt de verbinding plaats tussen het kwalitatief-, kwantitatief-, en het literatuuronderzoek. 9

11 1.1 Methodologische verantwoording van kwantitatief onderzoek Kwantitatief onderzoek: enquête Het Hoornbeeck College verzorgt haar opleidingen op vijf verschillende locaties, namelijk Amersfoort (hoofdlocatie), Rotterdam, Goes, Kampen en Apeldoorn. Dit onderzoek vindt plaats op de locatie Rotterdam. Deze locatie telt ongeveer 1550 leerlingen. De enquête is opgesteld in het softwareprogramma formdesk.nl. 2 Vervolgens is de enquête, met toestemming van directie en met medeweten van alle docenten op locatie, op 26 oktober 2011 via verstuurd naar 750 leerlingen. Er kwamen 305 inhoudelijke reacties; een percentage van 40,7 procent. De enquête is opgesteld met de idee dat de leerlingen zo veel mogelijk en zo lang mogelijk de muis kunnen gebruiken bij het invullen van de enquête. Er wordt gebruik gemaakt van een vierpuntsschaal. De antwoordalternatieven zijn geformuleerd vanuit het positieve naar het negatieve: altijd, vaker wel dan niet, vaker niet dan wel, nooit Opzet digitale enquête De enquête is onderverdeeld in de volgende categorieën: - Persoonlijke gegevens - Kerk - Gezin - Persoonlijk geestelijk leven Voor de verantwoording van deze categorieën wordt verwezen naar paragraaf en In dit onderzoek is gekozen om in enkele gevallen de vraagstelling en de antwoordalternatieven te formuleren in het taalsdiscourse dat in de reformatorische traditie gehanteerd wordt. Ter illustratie: Voor een buitenstaander kan het volgende antwoordalternatief op de vraag wat is de reden dat je een preek begrijpt? bevreemdend overkomen: Antwoord als het gaat over de bevinding van het geloof (ervaring: hoe werkt de Heere in een mens). Deze woorden zijn voor de leerlingen bekende klanken en bij mij als onderzoeker zijn deze begrippen en formuleringen ook bekend Plaats van componenten uit drieslag in kwantitatief onderzoek In het kwantitatieve deel van dit onderzoek ligt het accent niet bij de component school, maar daarentegen bij kerk en gezin. De component school krijgt expliciet aandacht binnen het theoretisch kader in paragraaf 2.2 en 2.3. In de conclusie worden de onderzoekgegevens vanuit de semigestructureerde diepte-interviews (Fieret, 2012) -die gerelateerd zijn aan de component school- verbonden met paragraaf 2.2 en Opgenomen als bijlage I. 10

12 1.1.4 Verwerking vragen De software van Formdesk wordt gebruikt als instrument om data te verwerken. Deze data worden handmatig gekoppeld aan de open vragen, om op deze wijze verbindingen en dwarsverbanden weer te geven. De 20 open vragen zijn gedownload naar Excel, gekoppeld aan gesloten vragen, persoon en/of groep. De resultaten worden gepresenteerd in hoofdstuk 3. De gehele beantwoording van de open vragen is als supplement gevoegd bij deze scriptie. Bij de verwerking van de open vragen is gekozen voor een beknopte bloemlezing om langdradigheid en onoverzichtelijkheid te voorkomen en om de leesbaarheid te bevorderen. Bij de bloemlezing wordt verwezen naar bijbehorende bijlage in het supplement, waar de volledige beantwoording van de open vragen is weergegeven. 11

13 1.2 Methodologische verantwoording van kwalitatief onderzoek In paragraaf 1.1 is de verantwoording van het kwantitatieve deel van het onderzoek weergeven. In deze paragraaf vindt de verantwoording plaats van het kwalitatieve deel Varianten van kwalitatief onderzoek Yin (1994) identificeert zes primaire bronnen voor casestudieonderzoek. Door het gebruik van meerdere bronnen van informatie is triangulatie mogelijk. Informatie en interpretaties uit diverse bronnen kunnen elkaar bekrachtigen, of juist tegenstrijdigheden en onvolkomenheden aan het licht brengen. Dit verhoogt de betrouwbaarheid van de resultaten en het onderzoek. De zes bronnen die Yin aangeeft, zijn: documentatie; archiefmateriaal; interviews; directe observatie; participatieve observatie en fysiek materiaal. In dit onderzoek wordt gebruik gemaakt van directe observatie, documentatieonderzoek en semigestructureerde diepte-interviews Directe observatie Om deelvraag 2.2 te beantwoorden, wordt de directe observatie van een godsdienstles als methode gebruikt. Een voordeel van een observatie is dat er een compleet beeld geschetst kan worden van wat er gebeurt. Ook is het mogelijk om interacties en details weer te geven Documentatieonderzoek Documenten kunnen zowel gebruikt worden om inzicht te krijgen, als om informatie uit andere bronnen te controleren of aan te vullen. In het onderzoek dat plaatsvindt in paragraaf 2.2, worden de verschillende categorieën van religieuze educatie volgens Grimmitt toegepast op het curriculum van het vak godsdienst. Als secundaire literatuur bij deze onderzoeksvraag (en bij de onderzoeksvraag uit paragraaf 2.1) worden de volgende bronnen geraadpleegd: Informatiegids van het Hoornbeeck College ; uitgave Gepaste vorming uitgegeven door het lectoraat Identiteit Hoornbeeck College; statuten van de Vereniging voor Onderwijs op Reformatorische Grondslag, gevestigd te Amersfoort; readers en boeken behorend bij het vak godsdienst. Tot slot verwerk ik bij deze deelvraag de identiteitsverklaring die ondertekend moet worden door de ouder(s) en de leerling alvorens de opleiding start. In paragraaf wordt voornamelijk documentatie onderzocht die circuleert binnen de reformatorische traditie. Hieronder vallen het Reformatorische Dagblad, reformatorische gezinsbladen, kerkelijke periodieken, onderzoeken uitgevoerd door jeugdbonden, et cetera Semigestructureerde diepte-interviews In dit onderzoek wordt samengewerkt met het lectoraat Werken aan de Opdracht dat verbonden is aan het Hoornbeeck College. De resultaten uit de semigestructureerde diepte-interviews (die vallen onder de component school) worden in dit onderzoek samengevat en geanalyseerd. Deze interviews zijn bij negen jongeren door de lector afgenomen (2012). Samen met een kenniskring van deskundigen doet de lector onderzoek naar de vraag hoe reformatorische jongeren Bijbelse waarden en normen een plaats geven in hun leven. Het onderzoek richt zich op jongeren tussen de 15 en de 12

14 21 jaar. Ook ouders, leraren en ambtsdragers worden bij dit onderzoek betrokken. Het lectoraat wil jongeren helpen op een Bijbels verantwoorde wijze hun plaats in de samenleving in te nemen, maar zich ook te richten op hun "eeuwige bestemming". Dit is de reden waarom Opdracht met een hoofdletter wordt geschreven. Vanwege privacy redenen mogen deze interviews niet opgenomen worden in deze scriptie. Ze zijn wel op verzoek in te zien. (Fieret, overzicht van resultaten semigestructureerde diepte-interviews, 2012). Een meerderheid van de bestaande studies over de identiteitsontwikkeling zijn kwantitatief van aard en vooral gericht op categorisering. De unieke en gedifferentieerde geleefde werkelijkheid van jongeren ontbreekt daardoor nogal eens. Verschillende onderzoekers noemen dat de meeste studies weinig aandacht besteden aan de verhalen van jongeren zelf, in hun specifieke situatie en met hun persoonlijke ervaringen (Visser en Westerink, 2012). Het onderzoek van Fieret onderscheidt zich van deze eerdere studies, omdat het door de semigestructureerde diepte-interviews met negen mbo ers kwalitatief van aard is Conclusie Binnen het theoretisch kader wordt gezocht naar het antwoord op de vraag hoe het godsdienstonderwijs op het Hoornbeeck College te plaatsen is binnen de benaderingen van religieuze educatie volgens Grimmitt (1980). Op deze wijze is het mogelijk een beeld te construeren van de wijze waarop het vak godsdienst functioneert binnen het Hoornbeeck College. Doormiddel van kwalitatief onderzoek wordt gezocht naar antwoorden op de vraag of het godsdienstonderwijs voldoet aan de behoefte van de jongeren en of het godsdienstonderwijs vormend en van invloed is voor het ontwikkelen van hun eigen geloofspraxis en beleving. Hier vindt de verbinding plaats tussen het documentatieonderzoek, theoretisch kader en de semigestructureerde diepte-interviews Positie van onderzoeker De onderzoeker participeert enerzijds in die Umwelt van de onderzoeksgroep; anderzijds wordt zoveel mogelijk gepoogd om het onderzoek te verrichten vanuit een gedistantieerde opstelling. Deze combinatie zorgt voor een schat aan informatie die vervolgens in dit onderzoek met een wetenschappelijke bril geanalyseerd zal worden, om uiteindelijk af te sluiten met conclusies en aanbevelingen. 13

15 2.0 Theoretisch kader: deelvragen literatuuronderzoek Het doel van dit theoretische kader is de literatuur instrumenteel te gebruiken; om te helpen inzicht te bieden in wat er plaats vindt in de werkelijkheid. Het theoretisch kader vormt de bril waarmee naar de werkelijkheid gekeken wordt. 2.1 Contextualisatie van de leerlingen op het Hoornbeeck College te Rotterdam 2.2 Benaderingen van religieuze educatie volgens Grimmitt toegepast op de onderwijssituatie van het Hoornbeeck College 2.3 Geloofs- en identiteitsontwikkeling naar het model van Fowler 2.4 Orthopraxe jongeren binnen de reformatorische zuil in het spanningsveld van heteronomie, autonomie en in antithese met de cultuur anno

16 2.1 Contextualisatie van de leerlingen op het ROC Hoornbeeck College te Rotterdam Reformatorische identiteit Het Hoornbeeck College is een christelijk ROC op reformatorische grondslag. Zij verzorgt opleidingen op vijf locaties. De school is bedoeld voor jongeren die met hun ouders bewust kiezen voor reformatorisch onderwijs. Het bestuur van het Hoorbeeck College heeft als missie om jongeren toe te rusten vanuit de Bijbel. Het is ervan overtuigd dat deze toerusting van wezenlijk belang is om in onze open samenleving met een veelheid aan keuzemogelijkheden, tot verantwoorde keuzes te komen. (Informatiegids, , p. 4). Gezien de gezamenlijke verantwoordelijkheid die gezin, school en kerk hebben voor de opvoeding en vorming van jongeren, zijn naast docenten en jongeren ook het gezin en de kerk in beeld (Informatiegids, p. 4). Met het Bijbelse begrip zuurdesem wil het Hoornbeeck College aangeven dat de aan de Bijbel ontleende identiteit het hele onderwijs dient te doortrekken. Naast kwalitatief goed onderwijs 3 en Bijbels georiënteerd burgerschap, wijst het Hoornbeeck College vanuit de zuurdesemgedachte op een derde aspect, namelijk de eeuwige bestemming van de jongeren. In de weg van waarachtige bekering door het geloof in Gods Zoon Jezus Christus is er toekomst in de ware zin van het woord. ( Fieret, 2012, p. 7). Het Hoornbeeck College ziet het als zijn opdracht de in de Bijbel geopenbaarde waarheden over te dragen en onderwijs aan te bieden dat gericht is op de totale ontwikkeling van de leerlingen. Zij doen dit vanuit de eenheid van gezin, kerk en school en in afhankelijkheid van de zegen van God. Het Hoornbeeck College bereidt de leerlingen voor op hun plaats in de samenleving. Onderwijs en vorming moeten aansluiten bij de hun geschonken gaven en talenten vanuit hoofd, hart en handen. De leerling kan door docent en medestudent als beelddrager van God worden aangesproken op al deze gaven (Informatiegids, , p. 18) Homogeniteit Leerlingen zijn afkomstig uit de gereformeerde gezindte 4 en hebben gemeenschappelijk dat hun ouder(s) of verzorger(s) de grondslag van de school ondertekend hebben. De grondslag rust op het fundament van de Bijbel als onfeilbaar Woord van God en de Drie Formulieren van Enigheid 5 als uitwerking van Bijbelse grondgedachten. Een belangrijke voorwaarde voor de toelating tot de school is dat ouder(s) of verzorger(s) de doelstellingen en uitgangspunten van de school niet alleen respecteren, maar deze ook van harte onderschrijven. Dit houdt onder andere in dat ouders en school gezamenlijk toezien op naleving door de leerlingen van de bepalingen die geformuleerd zijn in de identiteitsverklaring, de Informatiegids en het leerlingenstatuut (Informatiegids, ). 6 De leerlingen vormen een homogene groep, hoewel er sprake is van verscheidenheid in kerkelijke 3 Het reformatorische Hoornbeeck College is in de Keuzegids mbo-studies 2012 voor achtereenvolgens het derde jaar uitgeroepen tot de beste mbo-school van Nederland 4 Als variabele worden de volgende kerkgenootschappen om de achtergronden van de leerlingen te onderscheiden gebruikt: Protestantse Kerk in Nederland (PKN Gereformeerde Bond), Hersteld Hervormde Kerk (HHK), Christelijk Gereformeerde Kerk (CGK, Bewaar het pand), Gereformeerde Gemeenten (Ger. Gem.), Oud Gereformeerde Gemeenten in Nederland (OGGiN), Gereformeerde Gemeenten in Nederland (Ger.Gem. in Ned.). 5 Guido de Bres, Nederlandse Geloofsbelijdenis, 1561: Dordtse Leerregels 1618/1619, Zacharias Ursiunus Caspar Olevianus, Heidelberger Catechismus, De identiteitsverklaring en het leerlingenstatuut zijn te raadplegen op 15

17 achtergrond, leefstijl en geloofsopvatting (Stoffels, 1995). Ter illustratie hiervan enkele praktische vragen, die kunnen leven bij leerlingen van het Hoornbeeck College: Draag je als meisje wel of geen oorbellen? Uit welke Bijbelvertaling lees je? Is deelname aan het Heilig Avondmaal vanzelfsprekend als je belijdenis hebt gedaan? Bezoek je de EO-jongerendag? Ga je naar de bioscoop? Op school wordt verwacht dat meisjes een rok dragen rond knielengte; een deel van de meisjes draagt thuis een broek en op school een rok ver boven de knie. Ouders tekenen een identiteitsverklaring waar onder meer op vermeld staat dat er verwacht wordt dat men thuis geen televisie heeft; de praktijk leert dat veel jongeren thuis ongefilterd televisie kunnen kijken via de computer. Met onder andere bovenstaande markers identificeer je je als jongere binnen de reformatorische cultuur, hetzij bindend of onderscheidend Beleefde en geleefde deductieve visie Uit de grondslag van het Hoornbeeck College vloeit onder andere voort dat in elke klas de dag begonnen wordt met het lezen van een gedeelte uit de Bijbel, gebed en het gezamenlijk zingen van een psalmvers. Hierbij worden de Statenvertaling en de psalmberijming van 1773 gebruikt. De schooldag wordt beëindigd met dankgebed. Alle leerlingen ontvangen in principe twee lesuren per week godsdienstonderwijs. Begin 2012 verscheen in het Post Academische Dagblad van de opleiding Journalistiek aan de Erasmus Universiteit een artikel over het Hoornbeeck College, gebaseerd op een bezoek aan de locatie Rotterdam. Hieronder worden twee citaten weergegeven, die bevestigen dat de identiteit beleefd én geleefd wordt: Enthousiast vertelt Van Kralingen (locatiemanager) dat studenten in de godsdienstlessen geholpen worden het christelijk geloof in de praktijk te brengen. Dat de studentenpopulatie op het Hoornbeeck College behoorlijk homogeen christelijk is, betekent volgens hem niet dat de studenten worden afgeschermd van de wereld. Docent Jeroen van der Laan wijst er verder op dat de studenten meer dan de helft van hun studietijd stage lopen bij grotendeels niet-christelijke instellingen en dus veelvuldig met andere gezichtspunten in aanraking komen. ( ). Tijdens hun stages hebben de vier (studenten, EdW) gemerkt dat de mensen daar het liefst studenten van hun school hadden, omdat die plichtsgevoel hebben, op tijd komen en veel inzet tonen. Annemarie: Daar ben je je zelf niet zo van bewust, maar dat hoor je dan. Ze kunnen zich daar trouwens wel iets bij voorstellen. Volgens hen heeft het ermee te maken dat ze normen en waarden meekrijgen Pedagogisch klimaat In de Informatiegids ( , p. 17) wordt vermeld dat het pedagogische klimaat op het Hoornbeeck College gekenmerkt wordt door Bijbelse gezagsrelaties op basis van liefde en respect voor de ander en zorgvuldige begeleiding van leerlingen. De Informatiegids formuleert het onomwonden en krachtig: Het pedagogische klimaat wordt beheerst door Bijbelse gezagrelaties (Informatiegids, , p. 17). De persoonlijke vorming en toerusting is volgens het Hoornbeeck College een belangrijk aspect in de vorming van leerlingen voor hun toekomstig functioneren in gezin, kerk en maatschappij. (Informatiegids, , p. 19). 16

18 2.1.5 Docentencorps Binnen het Hoornbeeck College is het docentencorps homogeen wat betreft de beleefde en geleefde identiteit. De Bijbel wordt bij het personeel gezien als richtsnoer en bron voor het leven, daarbij worden de Drie Formulieren van Enigheid ook onderschreven door alle docenten. De docenten zijn afkomstig uit de kerkgenootschappen zoals genoteerd bij voetnoot 1. Alle personeelsleden moeten de grondslag van de statuten onderschrijven en bij al hun werk de handhaving van de daar uitgesproken beginselen bevorderen. Dit geldt ook voor gedrag, kleding, haardracht en overige persoonlijke uitingen van personeelsleden. Het bezit van televisie wordt door het College van Bestuur onverenigbaar geacht met de voorbeeldfunctie van het personeel (Informatiegids, , p. 14). De docent staat voor de uitdaging om in deze dynamische maatschappij jongeren de weg te wijzen. Het is voor iedere docent op het Hoornbeeck College volkomen duidelijk, uit welke van de participerende kerken hij ook komt, dat hij de leerlingen de weg wil wijzen vanuit Gods Woord. Onder de docenten is sprake van een gedeelde identiteit die als verondersteld doorwerkt in de lespraktijk Docent godsdienst De meeste godsdienstdocenten op het Hoornbeeck College zijn opgeleid als hbo-theoloog door een opleiding uitgaande van de Gereformeerde Gemeenten, CGO-E (www.cgo.nu). De theologie die hier gedoceerd wordt (gefundeerd in de gereformeerde, reformatorisch traditie) is vanzelfsprekend anders dan theologische inhouden gedoceerd op een rijksuniversiteit. De godsdienstdocent wordt geacht kennis te hebben van andere religieuze of levensbeschouwelijke tradities, omdat de school de leerlingen moet opleiden in een multireligieuze samenleving. Jongeren stellen binnen het klaslokaal vragen over de eigen en andere tradities. Het College van Bestuur verwacht van de docent dat hij een uiteindelijk antwoord geeft, weliswaar met de notitie dat op sommige levensbeschouwelijke vragen geen antwoord te geven is, dat het dichtst aansluit bij de grondslag van de school. 17

19 2.2 Benaderingen van religieuze educatie volgens Grimmitt toegepast op de onderwijssituatie van het Hoornbeeck College Pedagogische strategieën De Engelse godsdienstpedagoog Grimmittt maakt onderscheid in drie pedagogische strategieën: learning in, learning about en learning from religion (Alii, 2009, p. 109). Deze drie benaderingen corresponderen respectievelijk met monoreligieus-, multireligieus-, en interreligieus leren. Met learning in religion bedoelt Grimmitt onderwijs dat inleidt in de religieuze traditie waarin een onderwijscontext als de school zichzelf plaatst. Bij learning about religion gaat het om kennisoverdracht over de traditie waartoe de school behoort, maar ook de kennis over andere tradities. Bij learning from religion is men zich ervan bewust dat de leerlingen opgroeien in een multiculturele samenleving. In plaats van slechts kennis aan te reiken over de verschillende verschijningsvormen van religies, wordt in deze derde benadering positief ingegaan op de sociale en religieuze veranderingen. De school ziet het als taak om leerlingen hiermee te leren omgaan en de rijkdom ervan te gebruiken ten behoeve van de ontwikkeling van een eigen levenbeschouwelijke visie (Alii, 2009, p. 111). De Engelse godsdienstpedagoog Jackson maakt, in navolging van de Amerikaanse filosoof Rorty, in dit kader gebruik van het woord edification. Met dit begrip bedoelt Jackson dat iemand zijn eigen vertrouwde zelf overstijgt en in de confrontatie met het andere of het vreemde zelf verandert. Jackson brengt edification expliciet in verband met het concept learning from religion van Grimmittt. Jackson voegt hier aan toe dat deze derde doelstelling lang niet altijd gehaald kan worden binnen het godsdienstonderwijs en dat daarom de eerste twee doelstellingen primair zijn en deze derde doelstelling secundair (Jackson, 2002) Learning for Bij de eerste pedagogische strategie van Grimmitt ligt de nadruk op socialisatie in een religieuze traditie. Bij de tweede strategie ligt de nadruk op het verwerven van kennis over een traditie. Bij de derde strategie ligt de nadruk van het godsdienstonderwijs op het leren aan de hand van begrippen uit andere religieuze tradities. Alii (2009, p. 23) voegt nog een vierde benadering toe, namelijk learning for religion. Hierbij gaat het om het ontwikkelen van een gevoeligheid bij kinderen voor hun eigen religiositeit, zodat zij zicht krijgen op hun persoonlijke, zich ontwikkelende levensbeschouwing als een kijk op het leven in zijn geheel. Vanuit deze positie gaan de leerlingen in gesprek met anderen, waarbij zowel personen als religieuze- en levensbeschouwelijke tradities partner in de dialoog kunnen zijn. Religie is in deze benadering vooral immanente transcendentie: zingeving met behulp van religieuze begrippen. Zo kan een melancholische popsong over lijden een diepere laag aanboren bij mensen als er op dat moment een groot schilderij in de zaal hangt met Jezus aan het kruis. De meerwaarde van deze toegevoegde vierde learning for benadering, ligt volgens Alii (2009, p.102) in het feit dat de dialoog met een religieuze traditie de transformatie daarvan stimuleert. De interactie met anderen draagt bij aan de verplaatsing van traditionele begrippen en het herkennen ervan in de werkelijkheid van het heden. De nadruk ligt op de actieve participatie, de ervaring en sensibiliteit van de leerlingen zelf. Voor docenten betekent dit dat zij de leeromgeving zo in moeten richting dat leerlingen 18

20 ontvankelijk worden voor de expressie van existentiële ervaringen van zichzelf en die van anderen en voor de levensbeschouwelijke dimensie daarvan Documentatie onderzoek curriculum Godsdienst In onderstaand schema wordt weergegeven hoe het curriculum godsdienst (gedoceerd in alle sectoren en leerjaren op het Hoornbeeck College te Rotterdam) past binnen het onderwijsschema van Grimmitt. Learning in Learning about Learning from Own religious tradition Kinderbijbels en Bijbelvertelling Boek: Kole I.A. e.a., Bijbelonderwijs in reformatorisch perspectief, Goudriaan, Bijbel en Belijdenisgeschriften Reader: Bijbel en belijdenisgeschriften. Ontwikkeld door godsdienstvakgroep, vastgesteld door College van Bestuur. Inleiding ethiek Reader: Inleiding ethiek. Ontwikkeld door godsdienstvakgroep, vastgesteld door College van Bestuur. Ethiek: 10 geboden Reader: Ethiek, 10 geboden. Ontwikkeld door godsdienstvakgroep, vastgesteld door College van Bestuur. Deze reader is wat thematiek betreft gerelateerd aan de opleiding. Apologetiek Reader: Apologetiek. Ontwikkeld door godsdienstvakgroep, vastgesteld door College van Bestuur. Dordtse Leerregels Reader: Dordtse Leerregels. Ontwikkeld door godsdienstvakgroep, vastgesteld door College van Bestuur. Nederlandse Geloofsbelijdenis Reader: Nederlandse Geloofsbelijdenis. Ontwikkeld door godsdienstvakgroep, vastgesteld door College van Bestuur. Exegese 1 Korinthe brief Reader: 1 Korinthe brief. Ontwikkeld door godsdienstvakgroep, vastgesteld door College van Bestuur. 19

21 Godsdienstige praktische vorming Reader: Godsdienstig praktische thema s. Ontwikkeld door godsdienstvakgroep, vastgesteld door College van Bestuur. Deze reader is wat thematiek betreft gerelateerd aan de opleiding. Lijden Reader: Lijden (in wereldgodsdiensten). Ontwikkeld door godsdienstvakgroep, vastgesteld door College van Bestuur. Diverse readers gerelateerd aan opleiding. Reader: kraamzorg, stervensbegeleiding, psychiatrie, christelijke opvoeding. Ontwikkeld door godsdienstvakgroep, vastgesteld of worden nog vastgesteld door College van Bestuur. Lijden Reader: Lijden (in wereldgodsdiensten). Ontwikkeld door godsdienstvakgroep, vastgesteld door College van Bestuur. Religion(s) & worldview(s) Kerken, sekten en wereldstromingen Reader: Kerken, sekten en wereldstromingen. Reader ontwikkeld door godsdienst vakgroep, vastgesteld door College van Bestuur. Kerken, sekten en wereldstromingen Reader: Kerken, sekten en wereldstromingen. Ontwikkeld door godsdienst vakgroep, vastgesteld door College van Bestuur. Het vak godsdienst op het Hoornbeeck College wordt volgens het onderwijs- en examenreglement in alle leerjaren en sectoren gedoceerd. De visie en missie van de school zijn leidend bij de totstandkoming van het curriculum godsdienst. Het curriculum wordt ontwikkeld door de overkoepelende godsdienstvakgroep en uiteindelijk vastgesteld door het College van Bestuur. In bovenstaand schema is te zien dat alle modules vallen onder het kopje learning in. Deze modules brengen de leerlingen kennis bij in de religieuze traditie waarin de school zichzelf plaatst. Bij het onderzoeken en analyseren van de afzonderlijke readers zijn de volgende criteria gehanteerd: welke bronnen zijn gebruikt bij de totstandkoming van de reader, (binnen- en/of buiten de reformatorische traditie), welk taaldiscourse wordt gehanteerd (objectief of subjectief) en in welke mate is de eigen traditie leidend en verantwoordelijk voor de visievorming binnen de afzonderlijke onderwerpen. Geconcludeerd kan worden dat de bronnen die gebruikt zijn bij het ontwikkelen van de modules grotendeels afkomstig zijn van schrijvers die participeren binnen de reformatorische traditie. Bij het lezen van de readers blijkt dat de leerlingen als het ware vanuit learning in gevormd en toegerust worden om vervolgens op learning about en learning from te kunnen reflecteren. De modules kerken, sekten en wereldstromingen en Lijden (in wereldgodsdiensten) passen in het model van Grimmitt 20

22 onder learning about religion. Het gaat in deze modules om kennisoverdracht over de traditie waartoe de school behoort, maar ook de kennis over andere tradities wordt behandeld. Maar deze worden vervolgens wel besproken en gespiegeld vanuit het reformatorische perspectief. Daarom worden deze modules gepositioneerd zowel in de categorie learning in als in de categorie learning about. Zoals het schema laat zien, is het godsdienst curriculum redelijk massief en statisch omdat zij voornamelijk valt onder monoreligieus onderwijs. Om een beeld te krijgen op welke wijze jongeren op het Hoornbeeck College godsdienstles krijgen, is een observatie van een godsdienstles uitgevoerd en geanalyseerd. In deze observatie worden de verschillen onderwijsstrategieën van Grimmitt met kleuren gearceerd. (Opgenomen in hoofdstuk 3, het empirische deel van dit onderzoek).. 21

23 2.3 Geloofs- en identiteitsontwikkeling naar het model van J.W. Fowler J.W. Fowler Op het Hoornbeeck College zijn de leerlingen tussen de 16 en 20 jaar oud. In dit onderzoek is de keuze gemaakt voor de benadering van Fowler. Fowler (1940) is een Amerikaanse ontwikkelingspsycholoog en theoloog, die onderzoek verrichtte naar het begrip geloven. Hij borduurt hierin verder op de theorie van Piaget over de cognitieve ontwikkeling. Op een overzichtelijke wijze maakt hij duidelijk dat ontwikkeling gepaard gaat met gebeurtenissen en omstandigheden Aanleiding en doelstelling Bij het komen tot de zes stadia van geloofsontwikkeling is Fowler geleid door zijn eigen geloofsopvoeding. In zijn kinder- en jeugdjaren werden theologie en geloof gebracht op een wijze die in het geheel niet aansloot bij de belevingswereld van een kind. De beleving die hij had bij God werd door zijn opvoeders genegeerd, terwijl volgens Fowler juist vóór het vijfde levensjaar de sterkste en indrukwekkendste beelden over God en geloof ervaren worden (Fowler, 1981, p. 34). Bovendien werden theologische en geloofszaken in zijn kinder- en jeugdjaren onderwezen alsof het alleen een cognitieve zaak was. Subjectieve ervaringen werden niet belangrijk geacht. Fowler heeft met zijn stadiummodel als doelstelling om niet alleen de intellectuele- en cognitieve inzichten weer te geven, maar de gehele ontwikkeling van het leven met het totaal van menselijke ervaringen. (Interview Fowler door Straughn, vertaald door Van Dijk, 2006) Schematische weergave van het stadiummodel Hieronder volgt een overzicht van specifieke factoren die aanwezig kunnen zijn in de geloofsontwikkeling (Fowler, 1981). Voorfase 0-2 jaar Undifferentiated faith Voortalige fase; Onbewuste ontwikkeling van een bepaalde gezindheid tegenover de wereld; Geen scheiding tussen ik en de ander, ik en de wereld (geen objectieve werkelijkheid); Ervaren vertrouwen, hoop, aanmoediging en autonomie bepalen de kwaliteit van de verdere evolutie; Overgang: convergentie taal en denken en de mogelijkheid symbolen te gebruiken. Stadium jaar Intuitive-Projective Faith Centraal: fantasieleven en imitatie; Verbeelding wordt niet beperkt door logisch denken; Grote invloed door gedragingen en verhalen van significante volwassenen; Centrale plaats van de waarneming en impulsiviteit; Gevaar van verschrikking of morele indoctrinatie. 22

24 Stadium jaar Mythic-Literal Faith Zingeving door middel van letterlijk geïnterpreteerde verhalen; Concreet-letterlijke cognitieve en morele denken; Concrete en letterlijke verhalen geven samenhangen en waarde aan de werkelijkheid; Grote rol van de leerkracht en ouder; Grote gevoeligheid voor symbolisch en dramatisch materiaal; Geen afstand van of reflectie op verhalen. Stadium jaar Synthetic-Conventional Faith Op conventionele synthesen gerichte zingeving, in het bijzonder gedurende de puberteit en beginnende adolescentie; In staat afstand te nemen van het concrete verhaal en reflecteren op de eigen ervaring en het eigen denken; Constructie van een verhaal over de eigen ontwikkeling en identiteit; Nood aan spiegels (ogen en oren van vertrouwelingen) om de eigen ontwikkeling in weerspiegeld te zien; Vermogen tot perspectief nemen: I see you seeing me, I see you seeing me seeing you. Stadium jaar Individuative-Reflective Faith Late adolescentie, volwassenheid, vaak pas op de leeftijd van 35 tot 40 jaar, of helemaal niet; Zingeving waarin autonomie en reflectie centraal staan; Autonome-reflectieve zingeving; Verantwoordelijkheid dragen voor eigen levensstijl binnen vele spanningen: individu-groep, emotieverstand, zelfrealisatie-altruïsme; In plaats van afgeleide, nu een persoonlijke identiteit, die niet langer afgeleid wordt van de rollen die men vervult en de betekenissen die men heeft in de ogen van de ander. Stadium 5 Tweede levenshelft Conjunctive faith Zingeving waarin integratie centraal staat; Hereniging van wat voordien gescheiden was; Stap voor stap loslaten van de opgebouwde duidelijkheid; Epistemologische nederigheid; Kritische erkenning van het sociaal onbewuste (diepgewortelde, onbewuste mythen, ideaalbeelden, vooroordelen binnen het eigen zelfsysteem die teruggaan op de eigen opvoeding, klasse, traditie, et 23

25 cetera; Ontwikkeling van een inter-individueel zelf (tussen individuatie en solidariteit met de vreemdeling). Stadium 6 Universalizing Faith Zeer zeldzaam: op universaliteit gerichte zingeving; Kwalitatieve omslag : radicale relativering van zichzelf en opoffering voor het welzijn van anderen; Subversieve persoonlijkheden: belangrijk vinden wat anderen onbelangrijk vinden (Moeder Theresa); Radicale identificatie met het leven van mensen wiens toekomst geblokkeerd is; God-grounded leven: hartstochtelijk streven naar een rechtvaardige wereld die men niet verzonnen heeft, maar die in overeenstemming is met de goddelijke wil Kritiek op en interpretatie van het stadiummodel Visies en kritiek op stadiamodellen tonen aan dat indelingen in stadia van ontwikkeling en geloofsontwikkeling maar een deel van de identiteitsontwikkeling beslaan. Toch veronderstelt dit onderzoek dat het goed is om een indeling te maken en een theoretisch model te gebruiken. Al is het alleen maar om (geloofs)opvoeders binnen de drieslag, gezin, kerk en school een oriëntatiebasis te bieden. Fowlers onderzoekspopulatie was nogal eenzijdig wit, westers en mannelijk, terwijl hij pretendeert een universeel model ontworpen te hebben, aldus Gilligan en Slee (geciteerd in: Alii, 2009, p. 149). Een stadiummodel werkt altijd normatief. Het model van Fowler is daardoor ook ontvangen met het gegeven dat het kind een proces doormaakt van een compleet afhankelijk wezen tot een onafhankelijk en zelfstandig volwassene. Anders geformuleerd: van heteronome baby naar autonoom individu. Elke volgend stadium in de ontwikkeling zou het kind dichter bij de volwassenheid brengen. De volwassenheid is het eindproduct van een lange ontwikkeling. Dit noemen we een prospectieve en normatieve opvatting van ontwikkeling (Alii, 2009, p. 149). Het gevaar dreigt dat men met Fowlers theorie in de hand mensen voorhoudt in welke stadium ze zich bevinden en tevens hun het eerstvolgend stadium voorspelt. Een ander kritiekpunt ligt in het feit dat een model met opeenvolgende stadia een vaststaand en in zichzelf besloten proces is. Context en medemensen lijken er niet zo toe te doen. Sommige wetenschappers concluderen dat ontwikkelingspsychologische fasemodellen alleen retrospectief verhelderend zijn en geen prospectieve functie kunnen hebben (Alii, 2009, p. 123). Daarvan uitgaande is Fowlers theorie goed te gebruiken om bepaalde typen levensbeschouwing beter te begrijpen en om de levensloop van mensen achteraf een ordening mee te geven. Zijn stadiumtheorie is daarmee echter meer een analytisch dan een voorspellend instrument. Elk stadium eindigt volgens Fowler met een (positieve) crisis. Deze markeert het einde van het voorgaande stadium en het begin van het volgende. In deze crisis blijkt de manier van kijken naar en beleven van het geloof van voorheen niet meer te voldoen (Fowler, 1981, p. 57). De persoon gaat op zoek en staat open voor andere manieren. Er is geen sprake van een automatische overgang van het ene stadium naar het andere bij een bepaalde leeftijd, biologische rijpheid of psychologische ontwikkeling. Het zijn de crises die leiden tot nieuwe patronen van zingeving of tot ontwrichting en regressie (Fowler, 1981, p. 60). Het theoretische model van Fowler wordt in dit onderzoek geïnterpreteerd als een wijder wordende spiraalvorm. De overgang van het ene stadium naar de andere verloopt soms sprongsgewijs. Elk stadium bouwt voort op de kracht van het vorige. Het verlaten van het ene stadium en het binnentreden 24

26 van het andere wordt beïnvloed door velerlei factoren. Op het eerste gezicht lijkt de bovenstaande beschreven dynamiek en de betrokkenheid op de omgeving in het model van Fowler te zijn verdwenen. In dit onderzoek veronderstellen wij dat Fowler -inherent aan zijn doelstelling- een dynamisch proces voorstelt in tegenstelling tot een statisch lineair model. Na Fowler zijn er diverse theoretische visies ontwikkeld die aanvullend of corrigerend zijn, te denken valt aan Breeuwsma (1994) en Marcia (1982) Stadiummodel toegepast op de Hoornbeeckjongere Zoals ieder mens ontwikkelen jongeren zich in interactie. Deze interactie vindt plaats tijdens socialisatie (beïnvloeding in gezin, kerk, school, peer-group, social media), in opvoeding (intentioneel en bij deze doelgroep normatief ) en onderwijs (intentioneel en institutioneel) (Brown en Lamborn, 1993). Identiteit verspreidt zich bij de reformatorische jongere als zuurdesem door bovenstaande drie gebieden (Informatiegids, , p. 20). In de eerste drie stadia van Fowler voltrekt de geloofsontwikkeling zich in heteronome verhoudingen. In stadium een is het kind zeer gevoelig voor significante anderen, in stadium twee is de verhouding do ut des en in stadium drie wordt de levensbeschouwing vormgegeven volgens de verwachtingen van de directe omgeving (Fowler, 1981, p. 17). In stadium vier voltrekt zich de beweging naar autonomie; een ontwikkeling die in stadium vijf en zes wordt uitgewerkt. De ontwikkeling beweegt zich dus van heteronoom naar autonoom, met de connotatie dat autonomie volwassenheid inhoudt en volgens Alii het nastreven waard is (2009, p. 148). Fowler stelt dat de meeste gelovige mensen zich bevinden in een geloofsbeleving die ontstaan is in de adolescentie, stadium drie (Fowler, 1981, p.124). De jongere die op het Hoornbeeck College zijn opleiding volgt, positioneert zich exact op het scharnierpunt tussen heteronomie en de beweging naar autonomie. Hij bevindt zich in de eerste jaren van zijn opleiding in stadium drie van het model van Fowler: het synthetische, conventionele geloof. Stadium drie begint om en nabij het twaalfde levensjaar. De jongere krijgt de mogelijkheid om op zijn eigen denken te reflecteren. Hij is bezig met het zoeken en vormen van de eigen identiteit. De reacties van anderen zijn hierin van groot belang, te denken valt aan een reactie van een populaire docent of leeftijdsgenoot (Fowler, 1981, p. 23). De jongere werkt en bouwt aan het verzamelen van eigen waarden. Zijn eigen identiteit krijgt meer en meer vorm en wordt door vele factoren bepaald. In dit stadium is ook bepalend of en op welke manier God ervaren wordt in termen van relaties (Fowler, 1981, p. 90). God kan bijvoorbeeld ervaren worden als Vriend en Vader, of juist als streng, alziend Rechter. Bij jongeren is er over het algemeen behoefte door God gekend en gerespecteerd te worden (Alii, 2009, p.15). Fowler wijst bij dit stadium ook op de aanwezigheid van gezag. Jonge mensen zullen met geloofsvragen vaak wijzen naar andere personen om zich met hun overtuiging te identificeren (Fowler, 1981 p. 24). Op het scharnierpunt tussen stadium drie en vier is in de meeste gevallen sprake van communicatiefrictie tussen gezagsbronnen, wijzigingen in beleid of rituelen, het verlaten van het ouderlijk huis (emotioneel of effectief) en kritische reflectie door confrontatie met andere ervaringen en standpunten (Alii, 2009, p. 148). In stadium vier maakt de jongere zich los van de vaste cirkel van interpersoonlijke relaties die het leven bepaald hebben tot op dat moment. De jongere gaat, los van de groep waar hij tot dan bij 25

27 behoorde, zichzelf bekijken. Tot stadium drie zwom de jongere als een vis in het water; in stadium vier springt de vis eruit en gaat hij nadenken en reflecteren over het water. Er zijn veel mensen die deze overstap van stadium drie naar vier niet (af)maken, zij blijven tussen deze stadia hangen. Het meest natuurlijke moment voor de overstap van stadium drie naar vier is volgens Fowler de jongvolwassenheid. Hoe later je de stap zet, hoe moeilijker dat zal worden. Naarmate je ouder wordt, zit je immers vaster in je sociale netwerk (Fowler, 1981, p. 86). Stadium vier gaat over grenzen. De Hoornbeeckjongere maakt kennis met meer liberale- of geheel andere tradities. Waar grenzen zijn, is over het algemeen sprake van spanning en dynamiek. Dit kan resulteren in een intern loyaliteitsconflict bij de jongere ten opzichte van de drie componenten gezin, kerk er school Verbinding tussen theorie Fowler en het ideale opvoedingsdoel van de drieslag De Hoornbeeckjongere heeft, als hij op dit college komt, al een behoorlijke identiteitsontwikkeling doorgemaakt, die voornamelijk binnen de drie componenten gezin, kerk en school heeft plaatsgevonden. Het model van Fowler laat zien dat jongeren in deze leeftijdsfase idealiter de overstap maken van een heteronome dimensie naar een autonome dimensie. De jongere reflecteert op het samenspel tussen gezin, kerk en school en kan vervolgens constateren dat zijn persoonlijke geloofsbeleving correleert met de geloofsbeleving en praxis in gezin, kerk en school. Deze geloofsbeleving wordt dan bij de jongere gecontinueerd en geëigend. Het kan ook zijn dat op dit scharnierpunt tussen heteronomie en autonomie een (loyaliteits)conflict plaatsvindt tussen zichzelf als jongere enerzijds en gezin, kerk en school anderzijds. Dit kan een breuk tot gevolg hebben. Eerder is reeds vermeld dat Alii (2009, p. 148) opmerkt dat in stadium vier de autonomie volwassenheid inhoudt en het nastreven waard is. Maar hoe kijkt de drieslag gezin, kerk en school tegen deze autonome dimensie aan? Dit onderzoek veronderstelt dat het ideaal van de drieslag in het schema van Fowler ligt bij eind stadium drie, kennismaking met stadium vier, om vervolgens weer terug te keren naar stadium drie. Als een jongere in stadium drie blijft hangen, is het aannemelijk dat hij aanneemt wat anderen zeggen zonder zelf na te denken en te reflecteren op zijn eigen geloofstraditie. Het is plausibel dat de drieslag dit niet ambieert. Als men dit stimuleert wordt er een levenloze reformatorische traditie gecreëerd zonder enige kennis en reflectie. Aan het begin van stadium vier heeft de jongere in zijn identiteitsontwikkeling de mogelijkheid om te reflecteren op zijn eigen geloofstraditie en deze te vergelijken met andere of meer liberale geloofstradities. Wenselijk is dat identificatiefiguren de jongeren begeleiden in de kennismaking met stadium vier. Zij dienen in deze fase te fungeren als gids en herder en spelen een cruciale rol op dit scharnierpunt. Hun rol heeft idealiter een stimulerende werking op de eigening van de geloofstraditie bij de jongere (Fowler, 1981). Dit onderzoek veronderstelt dat als de jongere na zijn kennismaking met stadium vier weer terugkeert naar zijn wortels (consolidatie stadium drie), men kan concluderen dat hij de reformatorische traditie geëigend en verinnerlijkt heeft. Dit wordt dan zijn persoonlijke doorleefde identiteit, die zich een levenlang blijft ontwikkelen. 26

28 Rita Kohnstamm (1937, psycholoog en auteur van De Kleine Ontwikkelingspsychologie ) ziet de religieuze vorming in het schema van Fowler als een variant van de gewetensvorming, van morele opvoeding. Zij pleit eveneens voor consolidatie in fase drie. In de schoolleeftijd verdwijnt langzamerhand het geloof in wonderen en wordt alles veel letterlijker opgevat. Het meedoen aan de gewoonten wordt meer een automatisme, omdat het kennelijk moet van God. Fowler ziet in de adolescentie de derde fase, die van het conventionele geloof. Je gelooft en gaat naar de kerk, omdat iedereen in jouw milieu dat nu eenmaal doet. Ten aanzien van kinderen denk ik dat je niet veel meer kunt doen dan hen deelgenoot te laten zijn van de gewoonten, verhalen en rituelen. En dan hopen dat daardoorheen in de adolescentie iets gaat schemeren van de diepere betekenis, van een individueel vermoeden. Weg van de conventie. Een weten, een verwachting worden gewekt. (http://www.kohnstamm.info/ritakohnstamm/meer/meer_lezingen_gelovenzonderkerk.htm) Push en pullfactoren op scharnierpunt Uit ons onderzoek blijkt dat 60% van de jongeren drie of meer identificatiefiguren in zijn omgeving heeft. Ongeveer 37% van de jongeren heeft in zijn omgeving een of twee identificatiefiguren. De leeftijd van deze identificatiefiguren is voor ruim 32% van de jongeren boven de veertig jaar. Ruim 30% van de identificatiefiguren is onder de twintig jaar. Op de open vraag: Wie is voor jou een identificatiefiguur scoren naast vrienden, ouders en grootouders het hoogst. Uit ons onderzoek blijkt dat het positieve invloed heeft op de eigening en continuering van de reformatorische traditie als de jongere zich thuis voelt in de gemeente (sociale cohesie), als de prediking begrepen en ervaren wordt als de waarheid, als de catecheseavonden als leerzaam en constructief worden gezien en als men participeert op een jeugdvereniging en daar ook zijn vrienden heeft. Er zijn ook pushfactoren die een eventueel conflict teweegbrengen tussen de jongere enerzijds en de drieslag anderzijds. Als de jongere de preek niet begrijpt door bijvoorbeeld ouderwets taalgebruik of zich ergert aan de opgelegde regeltjes die hij als overbodig ervaart, kan dat leiden tot conflicten. Ook als de catecheseavonden als niet interessant beleefd worden, als de hele gang van zaken in de kerk ouderwets gevonden wordt of als een jongere geen vrienden binnen de gemeente heeft, kan dat toeeigening van de geloofstraditie in de weg staan Opvoedingsverlegenheid Bij ouders is veel onkunde en onmacht over en rondom de geloofsopvoeding. Dit blijkt uit de veelheid aan artikelen over deze materie in reformatorische opinie- en gezinsbladen (1.2.3). In diverse kerkgenootschappen binnen de reformatorische traditie worden de laatste jaren vanuit de gemeente opvoedings- en huwelijkstoerustingsavonden georganiseerd. Ouders moeten zich in een vroeg stadium bezinnen op de wijze waarop zij de geloofsopvoeding gestalte willen geven. Vanuit de onderzochte literatuur en de uitkomsten van het kwantitatief onderzoek wordt verondersteld dat om samenhang en consolidatie van zowel de beleefde als geleefde identiteit binnen de drie componenten gezin, kerk en school te waarborgen, het wenselijk zou zijn dat er een gezamenlijk fundament gelegd wordt. De basis hiervan ligt in eerste instantie bij het 27

29 gezin. Het fundament bevat: (1.) kennis, (2). beleving, (3.) aanwezigheid van gid(sen)/ gezagdrager(s) en (4). communicatie. 1. Kennis van het christelijke geloof gebaseerd op de Bijbel en de Drie Formulieren van Enigheid; 2. Beleving van- en loyaliteit aan de reformatorische traditie; 3. Er moet minimaal één identificatiefiguur (gids) voor de jongere in zijn omgeving zijn; 4. Heldere en liefdevolle communicatie over het christelijk geloof en de traditie. Prof. W. Ter Horst formuleert het op onderstaande wijze (Wijs me de Weg, 2011): Aan de opvoeding zit een kennisaspect: ouders moeten hun kinderen verhalen bijbrengen. Liederen ook. En gebeden. Maar zeker zo belangrijk is het betekenisaspect: wat zeggen al die verhalen nu voor het dagelijkse leven? Als kinderen niet aan vader en moeder merken dat Bijbellezen, bidden en zingen iets met hen doen, dan zal het met hen evenmin snel iets doen. ( ) Je moet wat hebben met het geloof. Het moet echt zijn. Het is niet genoeg als het geloof voor jou niet meer is dan een of andere liefhebberij. Kinderen voelen feilloos aan of iets je aan het hart gaat of niet. Daar hebben ze een speciale antenne voor. ( ) Vuur ontstaat alleen door vuur. Wie zijn kinderen een muzikale opvoeding wil geven maar zelf niets heeft met muziek, kan het wel vergeten. Ik heb zelf ooit les gehad van een wiskundeleraar die als ritmeester had gediend bij de veldartillerie. Een ruwe kerel. Hij schreef het bord altijd helemaal vol sommen en formules. Ik vergeet nooit het moment waarop hij van het ene getal een hulplijn naar het andere getal trok en toen met ontroering in zijn stem zei: Moet je eens kijken hoe mooi... Ik begreep er niets van, maar ik voelde wel aan: die onbehouwen kerel ziet iets wat ik niet zie. ( ) Als ouders geen verborgen omgang met God hebben, dan weet ik niet zo goed wat ik nog kan zeggen. Misschien dit: Geloof is een gave van de Heilige Geest. En de Heere is gul om het uit te delen! 28

30 2.4 Orthopraxe jongeren binnen de reformatorische zuil in het spanningsveld van heteronomie, autonomie en antithese met cultuur anno Onderzoek Janse onderzocht in zijn proefschrift Bewaar het pand (1985) de mate waarin de bevindelijk gereformeerden zich aanpassen aan de bestaande opvattingen in de samenleving (assimilatie) of juist weerstand daartegen bieden (persistentie). Dit onderzoek werd door het Reformatorisch Dagblad herhaald in Deze onderzoeksresultaten zijn in dit onderzoek opgenomen met het idee om een gedetailleerd beeld weer te geven van de levensstijl, de participatie in de samenleving en de theologie binnen de reformatorische traditie. Aan het onderzoek in 1981 deden 334 ouders mee, tegen 287 in Bij de leerlingen ging het om respectievelijk 495 en 424 personen. De kerkelijke spreiding van de ondervraagden zag er in 1998 uit als volgt: Nederlandse Hervormde Kerk 36 procent, Gereformeerde Gemeenten 33 procent, Oud Gereformeerde Gemeenten 9 procent, Gereformeerde Gemeenten in Nederland 8 procent, Christelijke Gereformeerde Kerken 6 procent, terwijl de overigen een andere kerkelijke achtergrond hadden. De onderzoeksgegevens zijn verwerkt in het boek De eeuw in het hart, de bevindelijk gereformeerden op weg naar de eenentwintigste eeuw (R. Bisschop e.a.,1998). Om overzicht en samenhang te creëren in de onderzoeksgegevens (1981 en 1998), is gekozen om in de hieronder weergegeven tekst een clustering aan te brengen. Deze clustering valt uiteen in twee tussenkopjes: 1. Emancipatie en kerkmigratie en 2. Geloofsleer- en praxis. Tevens vindt er gelijktijdig een tijdsvergelijking plaats van beide onderzoeken. Emancipatie en kerkmigratie, Uit de gegevens blijkt dat de maatschappelijke emancipatie van de bevindelijk gereformeerden is toegenomen. Dat kan onder meer worden afgeleid uit hun zeer positieve houding ten opzichte van studeren en het grote belang dat wordt gehecht aan meer scholing voor meisjes. De emancipatie van de bevindelijk gereformeerden neemt dus toe. Een meerderheid van de ondervraagden vindt dat het reformatorische volksdeel niet voor vol wordt aangezien. Bij de leerlingen is de groep die deze mening is toegedaan sinds 1981 zelfs aanzienlijk toegenomen (Bisschop, 1998). Dit valt te begrijpen, gezien de snel veranderende samenleving die de bevindelijk gereformeerde principes en levensstijl minder begrijpt. Wanneer de bevindelijk gereformeerden zich niet of te weinig aanpassen aan de samenleving, kan hun emancipatie geremd worden. Sinds de jaren zestig is er in Nederland sprake van een proces van ontzuiling. Mede hierdoor is de binding met kerken en levensbeschouwelijke organisaties sterk afgenomen. De vraag is of dat ook geldt voor de bevindelijk gereformeerden. De verschillen tussen de kerkelijke denominaties spelen steeds minder een rol bij de leerlingen. De stelling dat men zich in kerkelijk opzicht nergens anders zou thuis voelen dan in de eigen kerkelijke gemeente wordt door 53 procent van de leerlingen onderschreven. Bij de ouders is dat 69 procent. Een verklaring hiervoor kan zijn dat jongeren door hun contacten met leeftijdgenoten uit andere kerkgenootschappen de verschillen tussen de diverse kerken minder belangrijk achten. 29

31 Geloofsleer- en praxis, In hoeverre de bevindelijk gereformeerden zich wel of niet aanpassen aan de tijdgeest is ook onderzocht aan de hand van bepaalde opvattingen over de leer. Een erg belangrijk punt daarbij is de historische betrouwbaarheid van de Bijbel. De meeste protestanten in Nederland betwijfelen dit. Het reformatorisch volksdeel onderschrijft daarentegen de Bijbel vanouds als onfeilbaar Woord van God. De vraag is of deze visie nog actueel is. Uit het onderzoek blijkt dat de overgrote meerderheid daar voluit achter staat, maar dat deze groep wel slinkt. Bij zowel de ouders als de leerlingen is sprake van een daling met 6 procent tot respectievelijk 86 en 68 procent (Bisschop, 1998). Het zingen van gezangen tijdens de eredienst en een verandering van Bijbelvertaling wordt door een minderheid van de ondervraagden op prijs gesteld, al neemt het aantal ondervraagden dat hiervan voorstander is toe. De toelating van de vrouw tot de kerkelijke ambten was lange tijd absoluut geen discussiepunt bij de bevindelijk gereformeerden. Toch lijkt dit te veranderen. In de linkerzijde van de gereformeerde gezindte gaan stemmen op om in ieder geval het diakenambt ook voor vrouwen toegankelijk te maken. Uit het onderzoek blijkt dat er inderdaad sprake is van een verschuiving. In 1981 was 92 procent van de ouders duidelijk tegen de vrouw in het ambt, terwijl dat nu is gedaald tot 81 procent. Bij de leerlingen wil 48 procent de ambten beslist niet openstellen voor vrouwen, terwijl dat in 1981 nog 60 procent was (Bisschop, 1998). Uit de gegevens kan niet worden opgemaakt dat de verschuiving betekent dat het aantal voorstanders van vrouwelijke ambtsdragers snel toeneemt, maar wel dat een stijgend aantal bevindelijk gereformeerden minder stellige uitspraken over dit onderwerp doet. Vooral opmerkelijk is dat er een enorme kloof gaapt tussen de meningen van leerlingen en hun ouders, tussen jongeren en ouderen. Het gaat hier om vragen over bioscoopbezoek, vrouwen als politici in de Tweede Kamer, verzekeren, vaccinatie, voorbehoedsmiddelen, kerkelijke binding, gezangen, nieuwe Bijbelvertaling, kleding, televisie, zondagsheiliging en dergelijke. In dat rijtje is, voor buitenstaanders wellicht merkwaardig, ook een vraag opgenomen over grote deelname aan het avondmaal. Dat wordt namelijk door velen als een negatieve ontwikkeling gezien, waarbij geestelijke oppervlakkigheid een rol zou spelen. Van de ouders vindt 54% grote deelname aan het avondmaal een slecht teken (in 1981 was dat 65%). De jongeren vinden datzelfde met 20% (in %). Van de ouders is 82% tegenstander van televisie in het gezin; 38% van de jongeren is diezelfde mening toegedaan. Vooral bij de jongeren is hier een afname te zien. In 1981 was dat nog 52%. Saillant hierbij is dat 34% van de ondervraagden lid is van de Evangelische Omroep (EO). Van alle ouders vindt 46 procent de EO-programma's niet Bijbels verantwoord. Van de jongeren vindt 61% de programma's wel Bijbels verantwoord (Bisschop, 1998). Tegen een vrouwelijk Kamerlid heeft 56 procent van de ouders geen bezwaar. In 1981 was het merendeel van hen nog tegen een vrouw als volksvertegenwoordiger. Bij de leerlingen ziet 75 procent een vrouw in de Kamer als geen bezwaar en is maar 15 procent tegen. Verzekeren vindt 37 procent van de ouders een aantasting van het geloof in Gods voorzienigheid. Bij de leerlingen onderschrijft slechts 15 procent dit standpunt. Het aanmoedigen van vaccinaties tegen besmettelijke ziekten vindt steun bij 48 procent van de ouders en 74 procent van de leerlingen (Bisschop, 1998). 30

32 Bovenstaande analyse laat zien dat voorheen algemene exclusieve opvattingen hun waarde aan het verliezen zijn. Dit proces zet zich in de reformatorische traditie door, ook anno Er twee mogelijkheden voor internalisering van de geloofstraditie: of men implementeert enige aanpassingen in de geloofsopvatting, beleving en praxis óf men verengt in geloofsopvatting, beleving en praxis (Stoffels, 2001, p. 123). In paragraaf 4.8 en 4.9 wordt in dit kader een alternatief voorgesteld. Dekker (socioloog) heeft in het kader van bovenstaand onderzoek het volgende gezegd in een interview (http://www.refdag.nl/oud/eeuw/eeuw.html): Je moet juist een paar stappen mee gaan in de tijd om de boodschap ongerept te kunnen overdragen aan de volgende generatie. Veranderen en voorzichtig enige aanpassingen uit voeren, is noodzakelijk om toch de kern over de grens van het millennium heen te tillen en voor de komende generatie te bewaren De reformatorische zuil, instortingsgevaar? Wie nu de balans opmaakt van de reformatorische wereld, moet constateren dat in het algemeen de oude doelstellingen en de geformuleerde identiteit formeel nog wel overeind staan. Er is geen aftakeling omdat bijvoorbeeld de moderne theologie de scholen of organisaties is binnengedrongen, en de uiterlijke leefregels gelden ook nog steeds, al staat er druk op. Maar het cement verliest langzamerhand zijn bindende kracht, terwijl er van binnen uit en van buiten af tegen de zuil geschopt wordt, zodanig dat zelfs instortingsgevaar dreigt. (Spruyt, Nederlands Dagblad, 14 oktober 2011). Waar zit het misverstand? Naast de toegenomen secularisatie, zijn het de liggingsverschillen en levensbeschouwelijke conflicten die de reformatorische zuil uiteen drijven. Zij veroorzaken cementverlies. De liggingsverschillen uit de reformatorische gezindte concentreren zich rondom bepaalde punten van het christelijk geloof (Mackay, 2010): - Wedergeboorte, geloof en bekering: meer of minder eenduidigheid in wat een mens moet beleven, meer of minder ruimte voor veelkleurigheid, meer of minder gebruik van de Tale Kanaäns (taaldiscourse binnen bevindelijke gereformeerden kerkverbanden); - Spanningsveld tussen de uitverkiezing en de verantwoordelijkheid van de mens: de een benadrukt sterk de verantwoordelijkheid van de mens en doet daar een voortdurend appèl op, de ander accentueert meer de soevereiniteit en het verkiezend welbehagen van God en durft bijna niet op te roepen tot bekering en geloof, omdat daarmee vermogens in de mens zouden worden gelegd; - Het staan als christen in de hem omringende samenleving en cultuur: de een benadrukt sterk het aspect van vreemdelingschap en zich afzijdig houden van allerlei culturele uitingen, terwijl de ander juist overtuigd is van het hebben van een boodschap voor de wereld en zich daarom ook vrijmoedig begeeft onder niet-christenen en zich bezighoudt met verschillende culturele uitingen; - Allerlei ethische vraagstukken: verschil van visie op kleding, haardracht, oorbellen, vaccinatie, gebruik van moderne media, anticonceptiva, enzovoorts; - Liturgische kwesties: wel of niet ritmisch zingen van psalmen, wel of geen ruimte voor gezangen in de eredienst, wel of geen donkere kleding met betrekking tot het gaan tot het Heilig Avondmaal, enzovoorts. 31

33 2.4.3 Escape Liggingsverschillen gaan dus met name over de verschillende geloofsbelevingen en de vertaling daarvan naar het praktische leven. Veel discussies binnen de reformatorische gezindte verzanden in een patstelling (Mackay, 2010, p. 23). Het dilemma waarmee ze vastlopen is waarheid ten koste van de eenheid of eenheid ten koste van de waarheid. Waar zit de oplossing om het cement toch haar bindende kracht te laten waarborgen? Van Dijk, directeur van de Evangelische Hogeschool, heeft in 2011 het boekje De hunkerende generatie geschreven. In haar boekje geeft ze een mogelijke escape weer: Wij moeten niet langer klagen over de jeugd van tegenwoordig. Jongeren verdienen iets anders. Wat van opvoeders gevraagd wordt is het verlangen in de jongeren op te wekken naar een leven met God. Hoe kan dat? Dit kan alleen wanneer we zelf ten diepste gegrepen zijn door het wonder van Gods genade en we een diep verlangen naar Christus in ons omdragen. Wanneer we dit niet kennen, kunnen we het verlangen ook niet bij jongeren opwekken. We dienen bij hen als het ware een vuur te ontsteken. Dat vraagt eerlijkheid, bewogenheid en vooral zelfverloochening door onvoorwaardelijke liefde. Het gaat dus in de omgang met jongeren niet in de eerste plaats om een massa regels, maar dat in hen het verlangen naar God opgewekt wordt. Daarom hebben jongeren leermeesters nodig! Mensen zoals u. Wat moet ik nu doen? Gewoon doen, ook al weten we niet wat het werk is dat God aan het doen is. Maar we weten wel dát Hij het doet. En God doet het door het werk van mensenhanden heen Antithese met cultuur anno 2012 De titel van het boek De eeuw in het hart, de bevindelijk gereformeerden op weg naar de eenentwintigste eeuw (1998) heeft haar station bereikt; anno 2012 leven wij in de eenentwintigste eeuw. We leven in een religieus pluralistische wereld. Sommige groepen mensen verschillen van de rest door hun exclusieve visie op religie. Zeer religieuze personen verschillen in overtuigingen en levensstijl van de seculiere mainstream en van religieuze personen die meer open en liberaal zijn. Zeer religieuze mensen worden vaak negatief afgeschilderd in de seculiere media en in een slecht of zelfs ongunstige licht gezet. In de laatste dertig jaar is de tolerantie van het Nederlandse volk ten opzichte van zeer religieuze moslims en christenen afgenomen (De Hart en Dekker, 2006). In het artikel Developing a Framework for Research on Religious Identity Development of Highly Committed Adolescents stellen promovendi Visser en Westerink vier criteria op die kenmerkend zijn voor zeer religieuze christenen. Zij baseren de criteria op elementen die gevonden zijn in concepten van orthodoxie en fundamentalisme. Zowel orthodoxie als fundamentalisme zijn gangbare termen voor het aangeven van zeer religieuze gelovigen. De criteria hebben tot doel de groepen van zeer religieuze christenen en moslims te onderscheiden van meer liberale of niet-gelovigen: 1. A scripture is believed to be sacred and is believed to contain the exclusive truth about humanity and deity (Altemeyer and Hunsberger 2004; Hunter 1991; Ji and Ibrahim 2007; Stoffels 1995). 32

34 2. Religion is perceived to be meaningful for the totality of life (Altemeyer and Hunsberger 2004; Ji and Ibrahim 2007). 3. A strong sense of community with a strong internal cohesion between members and religious institutes is experienced (Almond, Appleby, and Sivan 2003; Stoffels 1995). 4. The attitude toward modern society can be characterized as critical (Farley 2005; Riesebrodt 2000). De onderzoekers beschouwen jongeren in hoge mate religieus als zij voldoen aan alle vier de criteria. Het kan voorkomen dat een gelovige een sterk gevoel van gemeenschap ervaart, maar een tekst niet beschouwt als de exclusieve waarheid. In dit geval zou volgens de onderzoekers de gelovige niet in aanmerking komen als zeer religieus. Op basis van bovenstaande criteria kunnen we voorzichtig veronderstellen dat een deel van de reformatorische jongeren onder de noemer van zeer religieuze gelovigen vallen (in de conclusie wordt hier nader op ingegaan). Ook binnen deze subgroep is echter diversiteit aanwezig. Te denken valt aan de eerder genoemde verschillende opvattingen over kleding, haardracht, Bijbelvertaling, et cetera. Met onder meer bovenstaande markers identificeer je je als jongere binnen de reformatorische orthopraxcultuur, hetzij meer bindend, hetzij onderscheidend Orthopraxie Fundamentalisme en orthodoxie zijn termen die vaak gebruikt worden om zeer religieuze mensen te bestempelen. Visser en Westerink vinden deze termen ongelukkig en introduceren de term orthopraxie. De onderzoekers beweren dat de labels fundamentalisme en orthodoxie niet overeenkomen met de door hen opgestelde vier criteria van hoge religiositeit. Daar geven zij de volgende twee redenen voor: Fundamentalism and orthodoxy are commonly used to indicate highly religious people (Altemeyer and Hunsberger 2004; Antoun 2001; Bruce 2000; Davis and Robinson 2006; Emerson and Hartman 2006; Haar, ter and Busuttil 2003; Pancer et al. 1995; Ruthven 2004). We claim these labels do not correspond adequately with the criteria of high religiosity. First, the term orthopraxy relates to groups of highly religious adolescents, for whom religion prescribes adherence to doctrine and practice of life. The four criteria reveal that high religiosity has primarily to do with the practice of life. In most cases, fundamentalism is related to both practice and doctrine. The term orthodoxy is traditionally related to the doctrine of a religion and appears as less appropriate to use as the criteria for qualifying the definition that mainly focuses on practice. ( ) The second reason is related to the highly religious persons who will be labeled. The adolescents themselves have to recognize and accept the way we call them. Apart from that, we have to adapt to the common terminology in the Netherlands. With regard to the latter aspect, we observe the problem that for many people the word fundamentalism has a negative connotation. The term fundamentalism is associated with violence and terrorism (Cournet 2003). 33

35 Riesebrodt (2000) related fundamentalism to intolerance and a rigid moralism. Stoffels (2001) claimed nobody in the Netherlands would name himself a fundamentalist. Therefore, we fear that the adolescents will not recognize themselves in our use of that term. Furthermore, this term might hinder adolescents to participate in research if qualified as fundamentalist believers; the term fundamentalist thus misguides people and might color our research in a negative way. De term orthopraxie is niet nieuw, sommige onderzoekers maakten al gebruik van de term om zich te concentreren op de praktijk van de godsdienst (Visser en Westerink, 2012). Een belangrijk criterium voor orthopraxie bij jongeren is dat hun religie wordt gezien als zinvol voor de totaliteit van hun leven. Omdat deze jongeren verschillen in levensstijl met de reguliere en nog veel meer met de liberale gelovige adolescenten, is het niet alleen belangrijk om de aard van de processen met betrekking tot religieuze identiteitsontwikkeling te onderzoeken, maar ook de specifieke inhoud van hun religieuze identiteitsontwikkeling. Orthopraxe jongeren hebben ook als kenmerk dat ze een sterke relatie ervaren tussen henzelf en de personen en religieuze instituten in hun directe omgeving. Een ander kenmerk van deze orthopraxe jongeren is dat ze een kritische houding hebben ten opzichte van de moderne samenleving (Visser en Westerink, 2012) Reformatorische cultuur in perspectief van heteronomie en autonomie Als iemand in de spiegel kijkt, ziet hij een beeld. Hij is het niet zelf, maar het is zijn spiegelbeeld. Zodra hij bij de spiegel vandaan loopt, is zijn beeld ook weg. Bij cultuur is dit niet zo. Cultuur is het beeld dat binnen de lijst van de spiegel blijft bestaan, ook als het origineel buiten de lijst van de tijd is verdwenen. Cultuur is het spiegelbeeld, niet het origineel. Elke cultuur weerspiegelt iets. Zij weerspiegelt iets van wat zij zelf ooit was, maar wat er nu niet meer is. Latere culturen spiegel zich ook weer aan de spiegelbeelden van vroegere culturen: een spiegel in de spiegel. Het beeld laat zich nooit vangen tenzij in een spiegel (Mackay, 2010, p. 12). Scheppen of bouwen wijst op het woord cultuur. Het woord cultuur komt uit het Latijn en betekent bouwen, in cultuur brengen en tegelijk vereren, cultus. Cultuur wordt in de reformatorische traditie gezien als bouwen tot eer van God. Je staat wel in de wereld, maar je bent niet van de wereld is een veel gebruikt gezegde binnen de reformatorische traditie, dit gezegde is gebaseerd op onder andere Romeinen 12:2. Tegenover deze heteronome cultuur staat de (Nederlandse) autonome cultuur. De mens in deze autonome cultuur is zelf object van zijn cultus: een cult-figuur. De mens is zichzelf tot norm en het hedonisme viert hoogtij. In deze autonome cultuur participeert de heteronome reformatorische traditie. En dat botst. In dit onderzoek wordt geprobeerd de reformatorische spiegel op een kritische manier in positie te brengen door de volgende vraag te stellen: Weerspiegelt deze cultuur iets van de mens of weerspiegelt zij iets van God, is zij autonoom of heteronoom? Wanneer men cultuur verstaat als afspiegeling van de mens dan wel van God, dan kan men ook de eigen cultuur wegen vanuit dit perspectief. De vraag kan zijn: weerspiegelt het handelen en/of gedachtegoed van bijvoorbeeld de Hoornbeeckjongere in de (autonome) Nederlandse samenleving iets van God of iets van de menselijke grootheid en 34

36 zelfgerichtheid? Het is duidelijk dat cultuur niet zwart-wit moet worden verstaan; zij weerspiegelt dat extreme contrast ook niet. Het kader van beeld van God en beeld van de mens geeft twee extremen aan. Twee schalen op een weegschaal. Er is een spanning voelbaar tussen die schalen, juist omdat de cultuur anno 2012 op beide schalen gewicht legt. De reformatorische cultuur wortelt in de Joods christelijke cultuur en draagt de reformatie in zich mee. De reformatorische traditie kan beschouwd worden als een heteronome cultuur. Deze cultuur onthult naar haar intentie iets van de heteronomie (Mackay, 2000, p. 24). Zij wijst niet naar de mens, maar zij wijst naar God. De Bijbel wordt gezien als onfeilbaar Woord van God en in Genesis 1: 26 staat dat God zegt: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis. Hier is dus geen sprake van autonomie; niet de mens schept zijn beeld, maar God schept de mens naar zijn beeld. De mens is niet autonoom, maar heteronoom, afhankelijk op God aangelegd. Of om met Augustinus te spreken: Fecisti nos ad Te est inquietum est cor nostrom, donec requiescat in Te (Augustinus, 2007, p. 1) Antithese "Het botst." Met die woorden geven jongeren aan dat zij in twee werelden leven (Fieret, 2012, p. 34). De wereld van thuis, school en kerk, en die van vrienden en uitgaan. Fieret geeft aan dat jongeren hiertussen weinig tot geen spanning ervaren (Fieret, 2012, p. 35). De jongeren vinden zichzelf over het algemeen redelijk serieus. Het tegelijkertijd luisteren naar popmuziek en het kijken naar speelfilms is voor hen nauwelijks een belemmering voor hun geloofsleven, laat staan een tegenstelling. Fieret onderscheidt drie categorieën jongeren, waarbij hij ook de kenmerken weergeeft. Verbinders: Zij willen leven zoals God van hen vraagt. Ze zijn loyaal richting de eigen kerkelijke gemeente en zijn serieus met geestelijke dingen bezig. Ze hebben wel vragen, maar worden door anderen geholpen in het zoeken naar een antwoord. Schakelaars: Zij bidden, bezoeken catechisatie, jeugdvereniging en de kerk. Ze vinden zichzelf serieus en zijn bezig met vragen rondom de Bijbel. Ook kijken ze speelfilms en programma s zoals GTST en luisteren ze naar popmuziek. Zij voelen geen of bijna geen spanning tussen deze twee werelden. Ontkoppelaars: Zij hebben hun denken en daden losgekoppeld van de Bijbelse waarden en normen. Voor hen heeft de Bijbel vrijwel geen betekenis meer. Deze jongeren geven aan dat ze hun gezinsopvoeding, van de kerk en de reformatorische school ontgroeien. Er hoeft niet bewust geschopt te worden tegen de opvoeding, maar het is het gevolg van een losmakingsproces dat vaak al op jongere leeftijd begon. In de conclusie worden de onderzoekgegevens van Fieret vergeleken met de resultaten van dit onderzoek Dynamiek tussen leefwereld en traditie: creatieve actualisatie Lanser introduceert de metafoor van de perspectiefwisseling (Lanser, in: Levensbeschouwelijk leren samenleven, 2006, p ): We kunnen onze gewone dagelijkse belevenissen en onze levenservaringen benoemen met gewone dagelijkse woorden maar ook met woorden die we ontlenen aan de geloofstraditie. In de reformatorische traditie wordt dit ook wel bevindelijke taal genoemd, of de tale Kanaäns. Met behulp van het metaforische van de verbeelding, transcenderen we de 35

37 alledaagsheid. We zetten onze levenservaringen daarmee in een ander, een troostend, toetsend, kritisch of inspirerend perspectief. Wat gebeurt er volgens Lanser als we onze ervaringen zowel met gewone woorden als met woorden ontleend aan geloofstaal benoemen? Zij geeft aan dat ze de dynamiek, de wederkerige beïnvloeding, tussen traditie en leefwereld in stand willen houden. Maar deze beweging, de dynamiek van de perspectiefwisseling, is niet alleen beweging, het heeft ook een resultaat, een rendement. De botsing van oud en nieuw doet iets nieuws ontstaan. De clash genereert nieuwe actuele betekenissen, zodat we kunnen spreken van een creatieve actualisatie. De betekenissen die door de eeuwen heen aan de geloofstraditie zijn ontleend hebben dus niet afgedaan. Zij blijven staan en kunnen ons inspireren. Maar de vragen uit ons eigen leven, de vragen van deze tijd brengen ook andere en nieuwe betekenissen van het traditieverhaal aan de oppervlakte. Door steeds te blijven lezen, zoeken en interpreteren worden in een doorgaand proces betekenissen aan de traditieverhalen toegevoegd. Het zijn precies deze nieuwe, door betrokkenen in hun situatie gevonden of gemaakte betekenissen die de oude boodschap weer levend en sprankelend maken Lansers perspectiefwisseling toegepast op de reformatorische traditie Voor de reformatorische traditie is de essentie van het bestaan gelegen in de verlossing van en uit de duisternis door God, die via Israël voor de wereld mens werd in Christus (Mackay, 2000, p.112). Het spoor dat deze verlossing trekt, is het spoor van de Joods christelijke traditie in zijn meest universele, inclusieve zin. Dat is de Joodse traditie van alle eeuwen - dus ook van de eeuwen na Christus met daarbij de universele christelijke traditie - dus orthodoxie, katholicisme en protestantisme. Het gaat hier om een kritisch positief verstaan van deze tradities. Kritisch ten opzichte van ingeslopen fouten in deze traditie, positief waar het zinvolle elementen betreft. Het perspectief dient zo wijd mogelijk te zijn, om parochialisme te voorkomen. De beste weg is volgens Lanser die van de confronterende ontmoeting. De ontmoeting met de orthopraxe jongere die participeert in een autonome samenleving die in antithese staat met zijn traditie. Het zijn jongeren die met veel vragen door het leven gaan. (Kritische) vragen ten opzichte van de eigen en andere tradities en universele levensvragen. Tijdens de les vertellen jongeren regelmatig iets van hun hunkering naar God en de vele vragen die zij hebben rondom het geloof. De jongeren formuleren hun zielenroerselen niet in de bekende bevindelijke geloofstaal, maar in het hedendaags Nederlands. De formuleringen die jongeren hanteren kunnen bevreemdend overkomen en daarmee is het gevaar groot dat deze verkeerd geïnterpreteerd worden door opvoeders, docenten en ambtsdragers. Deze jongeren worstelen met de vraag over onder meer de toe-eigening van het heil. Deze vraag is van alle eeuwen en het antwoord in de reformatorische traditie is door de eeuwen heen altijd hetzelfde gebleven. Het vergt echter van de opvoeders creatieve actualisatie en opmerkzame oren om deze vraag anno 2012 door het moderne taaldiscourse van de jongeren heen te horen. Dit onderzoek pleit voor een confronterende ontmoeting tussen de volwassene en de jongere. Genereer creatieve actualisatie in reformatorisch perspectief en kijk door de taalbarrière en generatiekloof heen. Binnen de reformatorische traditie leeft de angst dat als men eenmaal begint met het doorvoeren van enige aanpassingen, dit uiteindelijk ten koste gaat van de inhoud (Baars-Blom, 2006). 36

38 In het empirische deel van dit onderzoek (3.4.3) worden drie discussies beschreven en geanalyseerd die zich afspelen binnen alle drie de componenten van de drieslag. Dit documentatieonderzoek sluit aan op bovengenoemde paragrafen en is opgenomen met de bedoeling om een beeld te construeren over de complexiteit, subjectiviteit en subtiliteit van de onderwerpen. 37

39 3.0 Analyse, resultaten en verbindingen van de onderzoekgegevens Kwantitatief onderzoek: - De enquête met de vraagstelling is opgenomen als bijlage I. Voor de verantwoording wordt verwezen naar paragraaf De volledige uitwerking van de gesloten vragen van het kwantitatief onderzoek wordt in dit hoofdstuk weergegeven en is tevens digitaal in te zien. (Gebruikersnaam en wachtwoord worden op verzoek gegeven). Voor de verantwoording wordt verwezen naar paragraaf De volledige uitwerking van de open vragen van het kwantitatief onderzoek is als supplement bij deze scriptie gevoegd. In dit hoofdstuk wordt bij de bloemlezingen expliciet verwezen naar bijbehorend bijlagenummer in het supplement. De volledige uitwerking van de open vragen is ook digitaal in te zien. (Gebruikersnaam en wachtwoord worden op verzoek gegeven). Kwalitatief onderzoek: - De observatie van een godsdienstles is opgenomen in dit hoofdstuk. Voor de verantwoording wordt verwezen naar paragraaf De uitwerking van de semigestructureerde diepte-interviews vanuit het lectoraat Werken aan de Opdracht wordt vanwege privacy redenen niet opgenomen als bijlage. De resultaten zijn wel op verzoek in te zien. Voor de verantwoording wordt verwezen naar paragraaf Het documentatieonderzoek rondom de context van het Hoornbeeck College is vanwege het bevorderen van de samenhang opgenomen in het theoretisch kader in paragraaf 2.1 en 2.2. Voor de verantwoording wordt verwezen naar paragraaf Het documentatieonderzoek rondom Bijbelvertaling, prediking en catechese is in dit hoofdstuk opgenomen. Voor de verantwoording wordt verwezen naar paragraaf

40 3.1 Analyse traditieoverdracht in Gezin Communicatie Hieronder volgt een bloemlezing. De gehele beantwoording is ondergebracht in bijlage 9a, 9b, 9c. GOED: Er wordt thuis bijna altijd gepraat over de preek. Er is openheid en vertrouwen, ook al wordt er verschillend gedacht over bepaalde dingen. Vooral op zondag wordt erover gesproken, doordeweeks minder vaak. MATIG: Het blijft vaak oppervlakkig, diepgang wordt gemist. Bij ons vindt iedereen het moeilijk om er over te praten, de wil is er wel. Er is niet zo veel openheid in ons gezin over geestelijke zaken. SLECHT: Er wordt nooit over geestelijke zaken gesproken. Er wordt over beleving weinig gesproken, over regels en orde wel. 39

41 Bloemlezing op de vraag: Wat vind je over de wijze waarop thuis over de preek wordt gesproken? De gehele lijst met beantwoording is opgenomen in bijlage 10a en 10b. NEGATIEF: Het is vaak het vaste riedeltje dat elke zondag wordt afgedraaid door de predikant en daar reageren we dan thuis vaak negatief op. Ik ervaar het als niet fijn dat er thuis negatief over de preek wordt gesproken. POSITIEF: Ik ervaar het als positief dat er bij ons thuis over de preek wordt gesproken. We praten er thuis over, maar soms kan een preek technisch goed in elkaar zitten, maar de kracht van God wordt niet ervaren. Meestal positief, we proberen het goede eruit te halen. Een predikant is ook maar een mens. 40

42 Bij een gezinsgrootte tot 6 personen (deze uitkomst beperkt zich expliciet tot de ondervraagden) is er een duidelijk verschil tussen de percentages goed en matig ten gunste van goed. Boven de 6 is het percentage goed en matig nagenoeg gelijk. De communicatie in kleine gezinnen wordt positiever gewaardeerd dan die in grote gezinnen Verband tussen kerkelijke achtergrond en communicatie 41

43 3.1.3 Verband tussen communicatie thuis over prediking en het begrijpen van de prediking Om hierop antwoord te geven, is het volgende uitgevoerd. Bij vraag 22 is ja + meer wel dan niet en nee + meer niet dan wel bij elkaar gevoegd. Vervolgens is binnen deze twee groepen gekeken naar de antwoorden die de leerlingen hebben gegeven bij vraag 16. In de onderstaande grafiek is te zien dat er geen verband is tussen het spreken na de dienst over de preek en de mate waarin de preek wordt begrepen. 42

44 3.2 Traditieoverdracht in Kerk Kerkverband- en gang 43

45 De jongeren komen voornamelijk uit de GG (34%) en de PKN (28%). 55% van de jongeren gaat uit gewoonte naar de kerk, 44% van de jongeren gaat uit verlangen. Gewoonte en verlangen zijn suggestieve formuleringen. Voor de leerlingen zijn het daarentegen vertrouwde, normerende begrippen afkomstig uit het reformatorische geloofstaaldiscourse. Verlangen sluit gewoonte in en gewoonte sluit verlangen uit. In de reformatorische gezindte is het gebruikelijk dat men tweemaal per zondag naar de kerk gaat. Bijna 89% van de jongeren doet dit ook daadwerkelijk. In bovenstaande tabel is te zien dat meisjes trouwer zijn in de opkomst dan mannen. 44

46 3.2.2 Waardering afzonderlijke onderdelen van de liturgie Bijna 68% van de jongeren vindt het zingen een van de mooiste onderdelen van de dienst vindt. Voor de prediking geldt dat bijna 56% van de jongeren dit het mooiste onderdeel vindt. Als sacrament schiet de doop er uit met ruim 50%, dit in tegenstelling tot het sacrament van het Heilig Avondmaal dat bijna 30% van de jongeren mooi vindt. De Bijbellezing scoort met ongeveer 18% het laagst. In bijlage 4 is de gehele lijst met beantwoording opgenomen Kerkmigratie In bijlage 2 en 3 zijn alle gegeven antwoorden opgenomen. NEE: Ik voel me niet thuis in de gemeente. Teveel nadruk op regels, ellendekennis. Ik word niet gevoed in de prediking en mis de naastenliefde. 45

47 JA: Omdat ik me thuis voel in deze gemeente. Omdat ik dit kerkverband heel goed vind. De regels die er gelden, maar ook de preek vind ik (vaak) duidelijk. Welke anders? Bovenstaande tabel laat zien dat de voorgenomen kerkmigratie bij de GGiN, OGGiN en CGK het hoogst is. De migratie bij de PKN is het minst Participatie binnen de kerkelijke gemeente 46

48 Ruim 79% van de jongeren zegt actief te zijn in de gemeente, hieronder valt ook het bezoek van de catechisatie en de jeugdvereniging. In de reformatorische gezindte is het gebruikelijk dat je als jongere de catechisatie bezoekt. Bij vraag 11 beantwoorden jongeren op welke wijze zij actief zijn in de gemeente. 242 jongeren hebben 'ja' ingevuld bij vraag 10. Daarvan hebben er echter 2 geen keuze gemaakt uit de opties bij 11. Daarentegen hebben 5 studenten 'nee' ingevuld bij 10, die toch bij 11 een keuze hebben gemaakt (1x anders, 1x jeugdvereniging en 3x catechisatie). Totaal: = 245 / 305 x100% = 80%. Deze vraag is dus daadwerkelijk door 80% ingevuld. Jeugdvereniging en catechisatie zijn koplopers Catechese Hieronder volgt een bloemlezing. In bijlage 1 is de gehele beantwoording opgenomen. POSITIEF: Nuttig en leerzaam. Gezellig. Ruimte voor gesprek en persoonlijke vragen. NEGATIEF: Niet actueel, altijd dezelfde methode. Hangt van catecheseleraar af. Te moeilijk en eentonig Prediking 47

49 Tussen de kerkverbanden zijn behoorlijke verschillen. De GG, PKN en HHK scoren nagenoeg gelijk. De verschillen treden met name naar voren tussen deze groep (GG, PKN, HHK) en CGK, GGiN en OGGiN. Van de GG jongeren begrijpt 80% de preek vaker wel dan niet of altijd. Alleen OGGiNstudenten scoren hoger (90%). Door het kleine aantal leerlingen (20) moeten we voorzichtig zijn hier statistisch gezien conclusies aan te verbinden. ANDERS: REDEN DAT JE PREEK WEL BEGRIJPT: Als ik mij voldoende inspan. Als de predikant/ouderling gewone hedendaagse taal gebruikt. ANDERS: REDEN DAT JE PREEK NIET BEGRIJPT: Mijn hoofd zit te vol met doordeweekse dingen. De preek is onsamenhangend. Mijn gedachten dwalen bij moeilijk taalgebruik. 48

50 Jongeren begrijpen een preek als het in begrijpelijke taal wordt overgedragen (76%). 67,2 procent van de jongeren begrijpt de preek vaker wel dan niet. 23,3 procent begrijpt de preek vaker niet dan wel. Op de vraag wat is de reden dat jij een preek begrijpt? antwoordt 76,1 procent met als de uitleg in begrijpelijke taal wordt uitgesproken. Dat is volgens hen nog belangrijker dan als ik antwoord krijg op mijn levensvragen (49,5%), als ik aangesproken word met jou en jij (26,9), als het gaat over een bekende geschiedenis (34,4) of als het gaat over de bevinding van het geloof (46,4%). Mbo-jongeren lijken dus zelf goed te weten wat voor hen een preek begrijpelijk maakt. Voor bijna 34% van de jongeren verhindert de voordracht van de predikant of ouderling het begrijpen van de preek. Leesdiensten komen voornamelijk voor in de OGGiN, GGiN en GG. Bijna 29% van de jongeren begrijpt een leesdienst vaker niet dan wel Tips voor kerkenraad Hieronder volgt een bloemlezing. De gehele beantwoording is opgenomen in bijlage 3. Kleine catechisatiegroepen begeleid door een mentor.. Maak in catechese en prediking de praktische verdiepingsslag. Betrek iedereen in de dienst (jong, oud, gehandicapt, anders begaafd etc.). Wees radicaal naar jongeren toe (zeg zonder omhaal waar het op staat). Wees duidelijk en begrijpelijk -gebruik geen moeilijke woorden- in de preek en op catechisatie. Maak in prediking en catechisatie gebruik van de actualiteit (wederkomst, lijden in de wereld). Op catechisatie mag het persoonlijker worden, het is soms erg zakelijk. Zijn er dingen die je anders zou willen in de gemeente? Verdiep je in je belevingswereld van de jongeren. Laat mensen catechisaties geven die een klik hebben met jongeren, die dus als vanzelf ook orde hebben. 49

51 3.2.8 Veranderingen en vernieuwingen Ruim 52% van de jongeren zouden bepaalde dingen anders willen zien in de gemeente en in de kerkdienst. Op de volgende pagina is een bloemlezing opgenomen over de vraag: Waarom zou je dingen anders willen zien in de gemeente en in de kerkdienst. De gehele lijst is opgenomen in bijlage 5a en 5b. WAAROM WEL: Er mag onderling meer samenhorigheid, verbondenheid en openheid zijn. De preek mag korter en moet door jong en oud begrijpelijk zijn. Meer ruimte voor interactie en liturgische veranderingen. WAAROM NIET: Ik vind het prima op deze manier, waarom veranderen? Veranderingen gaan vaak ten koste van de Bijbelse boodschap. 50

52 3.3 Persoonlijke geloofsbeleving Identificatiefiguren Uit de enquête blijkt dat 60% van de jongeren drie of meer identificatiefiguren in hun omgeving hebben. Ongeveer 37% van de jongeren hebben in hun omgeving een of twee identificatiefiguren. De leeftijd van deze identificatiefiguren is voor ruim 32% van de jongeren boven de veertig jaar. Ruim 30% van de identificatiefiguren is onder de twintig jaar. Op de open vraag: Wie is voor jou een identificatiefiguur? antwoordden de jongeren als volgt. De volledige beantwoording is opgenomen in bijlage 11. IDENTIFICATIEFIGUUR: Een van de ouders/opa s of oma s. Vriend/vriendin. Dominee, ouderling, JV-leider. God, Jezus. 51

53 3.3.2 Levensvragen Hieronder volgt een bloemlezing aan op de vraag: Wat is/zijn op dit moment jouw diepste belangrijkste levensvragen en/of geestelijke vragen? De volledige beantwoording is opgenomen als bijlage 20. BELANGRIJKSTE LEVENS EN/OF GEESTELIJKE VRAGEN: Wanneer ben je bekeerd en hoe gaat dat? Wat is het doel van mijn leven? Wat wil God wat ik doe? Hoe kan ik Gods leiding in mijn leven zien? Wat gebeurt er als ik sterf? Hoe weet ik dat de leer die in mijn kerk wordt verkondigd de ware is? Waarom leggen we veel te veel de nadruk op wetjes en regeltjes? Waarom laat God zichzelf en zijn bedoeling met de wereld niet duidelijker zien? Waarom is de Bijbel zo moeilijk! Waarom is er zo n verdeeldheid in de kerk? Ruim 26% van de jongeren geeft aan dat er nooit aan hun gevraagd wordt hoe het écht met ze gaat in geestelijk opzicht. Daarentegen geldt dat voor 41% van de jongeren zijn of haar vriend, vriendin een belangrijke rol speelt in het vragen naar de geestelijke welstand. Familie, ouderling/diaken en predikant (dit geldt alleen voor de jongeren die een eigen predikant hebben) krijgen respectievelijk een goede tweede, derde en vierde plek. Een willekeurig gemeentelid scoort het laagst. 52

54 3.3.3 Gebed Hoeveel keer bidden de leerlingen per dag? Van de mannen bidt bijna 70% 1 of 2x per dag. Van de vrouwen bijna 80%. Bij de mannen bidt 15% (bijna)nooit. In absolute aantallen zijn dat er 11 van de 70. Grofweg 1 op de 7 jongens bidt dus (bijna) nooit. In bijlage 16 is de gehele beantwoording over de houding van het gebed opgenomen. GEBEDSHOUDING BUITEN MAALTIJDEN OM: Half liggend in bed. Zittend. Geknield (is in de minderheid). 53

55 3.3.4 Bijbel Ruim 52% van de jongeren leest uit de Statenvertaling. Bijna 29% leest uit de Herziene Statenvertaling. De jongerenbijbel, de NBV en het Boek wordt het meest gelezen door jongeren uit de PKN. Op de vraag: Wat doe je als je een Bijbelgedeelte niet begrijpt? volgt hieronder een bloemlezing. In bijlage 17 is de gehele lijst met beantwoording opgenomen. WAT DOE JE ALS JE EEN BIJBELGEDEELTE NIET BEGRIJPT? Ik vraag het aan iemand en/of gebruik de kanttekeningen bij de Statenvertaling. Ik zoek het op internet of lees een andere vertaling (jongerenvertaling). Niets, ik sla het Bijbelgedeelte over. JA, IK KAN ZONDER BIJBEL: 6% Ik ben bang van wel (antwoord komt sporadisch voor). NEE, IK KAN NIET ZONDER BIJBEL: 94% Het is mijn wapen en het geeft mij troost. Soms lees ik heel lang niet in de Bijbel, maar dan voel ik toch een leegte en dan pak ik de Bijbel weer. Ik heb soms geen zin om te lezen, maar ik weet dat het ware geloof in de Bijbel is te vinden. WAT SPREEKT HET MEESTE AAN IN DE BIJBEL? Psalmen. Persoonlijke beloften zoals: Komt allen tot Mij. De brieven van Paulus omdat deze praktisch zijn. Psalmen, geschiedenissen uit de evangeliën en 1 Korinthe 13 spreekt het meest aan bij de jongeren. Opvallend is dat de jongeren een Bijbeltekst aan een gebeurtenis koppelen, voorbeeld: deze Bijbeltekst spreekt mij aan omdat ik deze bij mijn afscheid van de zondagsschool gekregen heb. In bijlage 12 is de gehele beantwoording opgenomen. Ruim 58% van de jongeren gebruikt een Bijbelrooster of dagboek. 54

56 3.3.5 Leer en Leven Op de vraag: Vind je je leer en leven in verhouding met het christen-zijn, volgt hieronder een bloemlezing. In bijlage 19 is de gehele lijst met beantwoording opgenomen. LEER EN LEVEN KOMEN NIET OVEREEN: Ik ga wel naar de kerk, maar ik kijk films en kijk tv via uitzendinggemist en feest door de weeks. Ik leef oppervlakkig. Nee, aan mij kun je niet zien dat ik een christen ben. LEER EN LEVEN KOMEN WEL OVEREEN: Ik probeer het wel, maar elke keer doe je toch weer zonden. Ik vloek niet, kijk geen slechte films en probeer als een christen te leven. Ik probeer God te dienen en dat ook uit te stralen in mijn omgeving. Ik leef uiterlijk gezien wel als christen (rok, vloek niet, drink niet, ga naar de kerk), maar in mijn hart voel ik dit niet, dat moet Gods Geest doen. Hieronder volgt een bloemlezing met het antwoord op de vraag waarom de jongeren zichzelf wel of niet serieus vinden, in bijlage 18a en 18b is de gehele beantwoording opgenomen. WEL SERIEUS: Ja ik ben veel met geestelijke dingen bezig. Ik ben geïnteresseerd in de Bijbel en wil er meer van leren. Ik wil voor God leven ook in mijn levensstijl. NIET SERIEUS: Ik doe nog teveel dingen die niet overeenkomen met de Bijbel. Ik zit te vast aan de wereld, ik zoek God niet of heel weinig. Het is een gewoonte om naar de kerk te gaan etc. maar het boeit me niet echt. 55

57 3.4 Kwalitatief onderzoek Lesobservatie bij het vak godsdienst Om een beeld te krijgen op welke wijze jongeren op het Hoornbeeck College godsdienstles krijgen, is een godsdienstles observatie uitgevoerd en geanalyseerd. In deze observatie worden de verschillen onderwijsstrategieën van Grimmitt en de onderwijsstrategie learning for (Alii, 2009, p. 23) met kleuren gearceerd. Opleiding: Sociaal Agogisch Werk (SAW) leerjaar 2, niveau 4, 24 leerlingen Vak: godsdienst Tijd: 50 minuten, eerste uur van de dag Methode: reader met als titel: Ethiek, 10 geboden Beschikbare hulpmiddelen: smartboard met internetverbinding Blauw: learnig about, Grimmitt Groen: learning in, Grimmitt Grijs: learning from, Grimmitt - Docent staat bij ingang, kijkt vriendelijk, heet leerlingen welkom, stelt aan enkele leerlingen belangstellende vraag. - Staat rustig voor de klas in open houding, gaat zitten achter bureau, pakt absentielijst en controleert deze. Hij knikt iedere leerling toe en vraagt bij afwezigheid van een student of zij ziek is. Klas antwoordt bevestigend. - Docent vraagt of leerling X Bijbels (Statenvertaling) uit wil delen voor de dagopening. Hij verzoekt om Lukas 18 vanaf vers op te zoeken. Om de beurt leest een leerling een vers. - Docent vraagt n.a.v. Bijbelgedeelte de volgende vragen: Was de overste een farizeeër of sadduceeër? Wat is de levensvraag van deze jongeman? Wat antwoordt Jezus daarop? Wat is een beproeving? Welke les zit in dit Bijbelgedeelte voor ons? - De docent reguleert op een natuurlijke wijze de interactie. Hij vraagt: Denk jij dat ook? En waarom vind jij dat?. Wie denkt iets anders. Waarom? Hij koppelt terug en vat samen. -Na vier minuten geeft de docent aan dat hij nu de input uit de interactie samenvat. Vervolgens formuleert hij de volgende antwoorden op bovenstaande vragen: Jongeman is farizeeër, er staat namelijk dat hij vraagt hoe hij het eeuwige leven kan ontvangen. Sadduceeërs geloven niet in opstandig van de doden en het eeuwige leven. Levensvraag is: Hoe kan ik zalig worden? Antwoord van Jezus: Onderhoudt alle geboden, jongeman antwoordt dat hij dat al doet. Jezus zegt: verlaat alles, verkoop je bezittingen en volg mij. Dat is een beproeving of het de jongeman wel écht te doen is om Jezus zelf. Beproeving is een test om te kijken of het geloof écht is, docent refereert aan Abraham die Izaäk moest offeren. Afsluitend zegt de docent: De les voor jou en mij is, dat wij de zaligheid niet kunnen verdienen met onze goede werken, maar dat we moeten leren dat het genade is. -Er wordt gezongen uit psalm 139:14 op hele noten, zonder muzikale begeleiding, daarna gaat de 56

58 docent bidden. Alle leerlingen doen handen samen en ogen dicht. -De dagopening heeft 15 minuten geduurd. -Docent vraagt of iedereen startklaar is voor de les. Enkele leerlingen knikken enthousiast en zeggen met een blij gezicht altijd meneer. Docent geeft kort structuur weer van de les, nl.: woordweb, theorie d.m.v. interactie, filmpje, analyse filmpje. -Docent schrijft euthanasie op het bord en vraagt vervolgens waar de leerlingen aan denken. Het volgende komt op het bord te staan: leven zelf beëindigen, geen rekening houden met God, autonoom, zegt iets over deze tijd, tegen het zesde gebod, kliniek levensbeëindiging. Docent geeft aan dat dit een helder beeld schetst over hoe de leerlingen denken. -Docent vraagt vervolgens: Hoe komt het dat jullie zo denken? Via interactie komen vier leerlingen aan het woord. De docent vat het samen met de volgende woorden: Als norm gebruiken wij het zesde gebod en dat gebod bepaalt hoe wij denken. -Docent vraagt wat de reikwijdte is van het zesde gebod, gaat het alleen maar over doodslaan? Docent reguleert interactie en kanaliseert het overeenkomstig het belijdenisgeschrift de Heidelberger Catechismus: Je mag je naaste niet met gedachten, met woorden en helemaal niet met de daad onteren, haten, kwetsen of doden. Je mag niet wraakgierig zijn, jezelf niet iets aandoen of in gevaar brengen. -Docent refereert aan 2001, minister Borst heeft toen de euthanasiewet door de Tweede Kamer gekregen. Minister Borst zei toen: Het is volbracht. Docent vraagt aan leerlingen: Waar doen deze woorden aan denken? Docent vat samen, het is volbracht sprak Jezus uit toen Hij de kruisdood stierf. -Docent stelt vraag: Wat zou jij zeggen als iemand jou als intolerant bestempelt, omdat jij zegt dat iemand geen euthanasie mag plegen? Er is sprake van rommelige interactie. Docent grijpt in en reguleert de interactie zodat het overzichtelijker wordt. Student antwoordt: Is degene die dat zegt tegen mijzelf ook niet intolerant? Een ander zegt: Ik haal mijn norm uit de Bijbel en die ander haalt zijn norm ook ergens vandaan, dus dan ben je toch gelijkwaardig? Weer een ander zegt: Dat artsen een belofte afleggen dat ze er alles aan moeten doen om iemand in leven te houden, en dan worden ze nu bijna verplicht om euthanasie uit te voeren. Dat is pas intolerant. Docent vat deze drie antwoorden compact samen en schrijft ze op het bord. -Docent start filmpje op, zoekt de juiste tijd erbij op (aflevering van Dorpsdokter, evangelische omroep). Leerlingen kijken geboeid naar een huisarts die aan een oude vrouw uitlegt waarom hij bij haar geen euthanasie wil uitvoeren, en zegt dat een andere arts dit bij haar zal doen, mevrouw vertelt waar zij euthanasie wil. Zo ontstaat er een vertrouwelijk gesprek tussen dokter en patiënt. -Bel gaat. Docent zegt dat de leerlingen theorie uit de reader moeten lezen op pag. 24 tot en met 30. En dan ze de volgende les het filmpje gaan analyseren. -Leerlingen pakken tassen in en lopen het klaslokaal uit. -Docent zegt: Fijne dag jongens en tot morgen Analyse lesobservatie Uit de lesobservatie blijkt dat communicatie tussen docent en leerling veelal plaatsvindt vanuit dezelfde traditie, met hetzelfde godsdienstige taalgebruik. Het godsdienstige taaldiscourse is in al zijn subjectiviteit en subtiliteit bekend bij zowel de docent als de leerling. Uit de lesobservatie blijkt tevens 57

59 dat de onderwijsstrategie learning in de overhand heeft. De leerlingen worden als het ware vanuit learning in gevormd en toegerust om vervolgens vanuit learning in op learning about en learning from te reflecteren. Uit het nagesprek met de docent komt naar voren dat als het tijdens de les over een andere traditie of andere levensbeschouwing gaat, de homogene leerlingenpopulatie over het algemeen eensgezind oordeelt. Daarentegen: vragen die gesteld worden door de leerlingen met betrekking tot de eigen traditie, vergen van de docent zowel didactisch als pedagogische vaardigheden. De docent fungeert in zulke leersituaties vaak als verkeersregelaar, moet continu anticiperen en daarnaast ook de gemoederen wel eens sussen. Binnen eigen parochie is de strijd het felst; dit geldt ook binnen het klaslokaal. De docent moet met de leerlingen de verschillende meningen met de daarbij behorende argumentatie op een rijtje zetten, aldus de geïnterviewde docent. Zoals reeds eerder vermeld geldt voor de godsdienstdocent dat hij of zij een uiteindelijk antwoord moet geven -met daarbij de kanttekening dat op sommige levens(beschouwelijke) vragen geen antwoord te geven is- dat het dichtst aansluit bij de grondslag van de school. 58

60 3.4.3 Documentatieonderzoek: actuele communicatie- en generatieclash in prediking, Bijbelvertaling en catechese Onderstaande discussies spelen zich af binnen alle drie de componenten van de drieslag. Dit geeft ook iets weer van de eenheid. Gezin, kerk en school zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden (Stoffels, 1995). Dit documentatieonderzoek is opgenomen met de bedoeling om een beeld te construeren over de complexiteit, subjectiviteit en subtiliteit van de onderwerpen. Het ligt voor de hand dat discussies van deze aard niet bevorderlijk zijn voor de beoogde doelstelling van de drieslag. De prediking wordt in de reformatorische wereld gezien als het middel in Gods hand om mensen, jong en oud, tot bekering te brengen (Baars, , in: Reformatorisch Dagblad). De prediking van het Woord heeft alles te maken met woorden. Die woorden moeten een brug slaan tussen predikant en kerkganger. Als docent verbaas ik mij over de geringe woordenschat van mbo-leerlingen. De opmerkingen en vragen van jongeren over woordbetekenis en tekstverbanden, roepen de vraag op wat zij volgen van preken, maar ook wat ze begrijpen van de Bijbel, dagboeken en overige kerkelijke of theologische lectuur. Ter illustratie worden hieronder enkele citaten weergeven: Onze ouderlingen hadden 100 jaar eerder moeten leven, dát taalgebuik! Ik snap de preek écht niet, ik doe m n best, maar al die moeilijke woorden en daarbij nog termen zoals onderwerpelijk, voorwerpelijk, ik snap er niets van! Mevrouw: de catechismus is oorspronkelijk toch bedoeld voor kinderen? Nou, mijn vader en moeder snappen de preek nog geeneens, en ik mag aannemen dat zij toch echt volwassen zijn. (Leerling van respectievelijk 17 en 16 jaar, godsdienstles 2 april 2011). Vorig jaar schreef Kranendonk in het Reformatorisch Dagblad een artikel over deze thematiek. (Kranendonk, , Kerken hebben onvoldoende aandacht voor lager opgeleide jongeren. In: Reformatorisch Dagblad). Hij vindt het opvallend dat er bij alle aandacht die er is voor de jongerenproblematiek, de vmbo-leerlingen en mbo ers minder aandacht krijgen. Kerken lijken wel aandacht te hebben voor studerenden aan het hoger of wetenschappelijk onderwijs, middels de deputaatschappen en gesprekken met studentenverenigingen, maar de grote groep lager opgeleiden dreigt volgens hem vergeten te worden. Hij noemt een voorbeeld uit een gezinssituatie waarbij een jongere (die het vmbo had gevolgd terwijl andere gezinsleden hoger waren opgeleid) liet weten dat hij dacht dat de boodschap van zonde en genade niet voor hem was. Hij zei: Jullie praten zo moeilijk. Veel van wat jullie zeggen begrijp ik niet. Vaak gaan begrippen of vragen boven mijn pet. Dus heb ik gedacht: die boodschap zal wel niet voor mij zijn. 59

61 Kranendonk roept er toe op om na te denken over middelen om ook lager opgeleiden te bereiken. Om het concreet te maken: moet er niet naast de boeken over apologetiek voor studerenden ook niet een boekje komen met apologetische handreiking voor timmerlui, automonteurs, winkelpersoneel en schoonmakers? (Kranendonk, , Kerken hebben onvoldoende aandacht voor lager opgeleide jongeren. In: Reformatorisch Dagblad). Dat zijn oproep zeker een grond heeft, blijkt uit het onderzoek van Meurs-Lambregts (2006) naar de religieuze socialisatie van jongeren binnen de Gereformeerde Gemeenten. Na een onderzoek, waarbij 1000 jongeren ondervraagd werden, kwam zij tot de conclusie dat vooral jongens op het vmbo in de leeftijd van 15 tot 19 jaar een risicogroep vormen. Driekwart van de jongeren vindt dat er in de preek onbegrijpelijke woorden worden gebruikt. Een derde deel van hen luistert met aandacht naar de preek, de helft van de jongeren soms en één op de zes jongeren meestal niet. Hoe hoger het opleidingsniveau, des te meer jongeren met aandacht luisteren. Zo n 65 procent van de tieners zegt wel iets te leren, maar lang niet alles te begrijpen. De ruimte voor vrije antwoorden werd bij deze vraag nogal eens gebruikt om te benadrukken dat de preken echt moeilijk zijn. De Regt (werkzaam bij de jeugdbond van de Gereformeerde Gemeenten) concludeert naar aanleiding van het onderzoek van Meurs dat het hoge abstractieniveau in de prediking en het niveau van de kennisoverdracht bij catechisatie een struikelblok is bij lager opgeleiden. (De scriptie in online te vinden op: nvatting.pdf) Bovenstaande resultaten worden bevestigd in de data van het kwantitatieve deel van dit onderzoek. Daaruit komt naar voren dat 67,2 procent de preek vaker wel dan niet snapt. 23,3 procent snapt de preek vaker niet dan wel. Op de vraag: Wat is de reden dat jij een preek begrijpt? antwoordt 76,1 procent met: Als de uitleg in begrijpelijke taal wordt uitgesproken. Dat is volgens hen nog belangrijker dan: Als ik antwoord krijg op mijn levensvragen (49,5%), als ik aangesproken word met jou en jij (26,9%), als het gaat over een bekende geschiedenis (34,4) of als het gaat over de bevinding van het geloof (46,4%). Mbo-jongeren lijken dus zelf goed te weten wat voor hen een preek begrijpelijk maakt. Als het gaat om taalgebruik in de kerk, stuiten we op verschillende complexe factoren. Het is allereerst lastig om te achterhalen wat precies moeilijk is aan het taalgebruik in de preek. Een aantal jongeren schreef in maart 2012 een open brief aan ouders en opvoeders. Daarin gaven ze het volgende aan: We vinden het lastig om naar de preek te luisteren en die te begrijpen als moeilijke woorden niet uitgelegd worden en een bepaalde preektoon wordt opgezet. De boodschap wordt duidelijker als er samenvattingen aan het eind van een punt worden gegeven of hier en daar vragen om over na te denken worden gesteld. ( , Open brief aan ouders en opvoeders: toon vooral aandacht en begrip De brief is geschreven door jongeren uit de breedte van de reformatorische achterban, op initiatief van Elsbeth Visser en Janneke Westerink (Driestar Educatief). In: Reformatorisch Dagblad). 60

62 Een helder geluid van jongeren. Toch blijkt uit de lespraktijk en in gesprekken met jongeren dat ze zelf ook niet altijd precies weten waardoor ze sommige preken als moeilijk ervaren. Vaak noemen ze het ouderwets taalgebruik of oud-hollands. Ze geven aan dat het niet alleen gaat om losse, moeilijke woorden, maar ook om zinsverbanden of citaten. Vaak Latijnse woorden of Nederlandse waar ik nog nooit van gehoord heb. Ook andere begrippen worden genoemd: vierschaar, erbarmelijk, soevereiniteit. Treffend is de opmerking van een jongere bij de vraag naar moeilijke woorden (godsdienstles, ): Onberouwelijke bekering bekering zonder berouw, dat kan toch niet mevrouw? En tot welke categorie moeten we uitspraken als de aarde als voetbank Zijner voeten of mochten de schellen van de ogen vallen rekenen? Vaak zijn dergelijke uitdrukkingen ontleend aan of afgeleid van de psalmen of Bijbelgedeelten. Soms behoren gebezigde uitdrukkingen tot de tale Kanaäns. Er zijn predikanten die moeiteloos psalmverzen, Bijbelteksten en geestelijke liederen citeren, om een punt in hun preek te onderstrepen. Dat kan aansprekend zijn, maar als de citaten onbekend of onbegrijpelijk zijn, is het daardoor in het geheel van de preek voor velen niet goed te volgen. Als het gaat om moeilijk taalgebruik, moeten we onderscheid maken tussen verschillende categorieën met moeilijke zinnen en woorden. Enerzijds zijn het de moeilijke (oud-nederlandse) woorden, zoals schrandere knaap, kloeke daad, verbeiden, consciëntie, wanstaltig, enzovoorts. Anderzijds zijn dat woorden of zinsneden uit de tale Kanaäns: het stijl en diep afhankelijk zijn, het hutje in de komkommerhof, de kerk als de tent der samenkomst en de aanspraak van de gemeente als mijne medereizigers naar die grote, ontzaglijke en nimmer eindigende eeuwigheid. Of standaarduitdrukkingen als om in een ure van voorbereiding een ogenblik stil te staan bij. Dit onderzoek veronderstelt dat er binnen de reformatorische gezindte sprake is van een groot verschil in de aard van het moeilijke taalgebruik. Een groep jongeren kerkt bij predikanten die academisch geschoold zijn en waarschijnlijk vaak moeilijke woorden of zinsconstructies gebruiken. Anderzijds kerken veel jongeren bij predikanten die niet per se academisch opgeleid zijn, maar die wel meer de tale Kanaäns gebruiken. Of een combinatie van moeilijke woorden, lange zinnen, een reeks van citaten en de tale Kanaäns. Ter illustratie wordt hieronder een citaat van een leerling weergegeven over een onbegrepen frase bij het aankondigen van het gebed in de kerk (supplement, bijlage 5): Trachten we ons aller harte het heilig aangezicht des HEEREN te zoeken in een ge meenschappelijk gebed. Kortom, ook al kunnen we behoorlijk wat taalbarrières noemen, het probleem met taalgebruik is vrij complex. Enerzijds worden er in een dienst vaak verschillende taalvormen gebruikt, anderzijds verschilt het taalgebruik ook nog eens per predikant. Zijn predikanten en kerkelijk leiders zich bewust van de grote niveauverschillen (in woordenschat) bij jongeren (en ouderen)? Hoe wordt er door hen gedacht of gesproken over (mbo-)jongeren en het begrijpen van preken? Een uitgebreide enquête over dit onderwerp onder predikanten en jongeren zou wenselijk zijn, maar behoort niet tot mogelijkheid binnen dit onderzoek. Naar aanleiding van het verschijnen van de Herziene Statenvertaling (de meer orthodoxere zijde van 61

63 de reformatorische gezindte keurt deze vertaling in principe af) zijn er behoorlijk wat artikelen in het Reformatorisch Dagblad verschenen. Natuurlijk is er een verschil tussen het begrijpen van de Bijbel en het luisteren naar preken, toch maken deze artikelen iets meer duidelijk over gedachten die er kunnen leven bij predikanten over het begripsvermogen bij jongeren. Een aantal opvallende gezichtspunten worden hieronder genoemd. Allereerst de mening van Buitelaar (hersteld hervormde emeritus hoogleraar homiletiek) over de ideale preek: Geen academietaal, geen vertoon van geleerdheid, ook geen betoog vol met terminologie die niet herkend wordt. ( ) Niet beschouwend, maar appellerend en getuigend het Woord verkondigen. Van betekenis is ook dat we het denken en leven van onze jongeren kennen. Hij is van mening dat het luistervermogen achteruitgegaan is. We moeten daarom wat korter en vooral puntiger preken. (Onbekend, , Jeugd in kerk houdt van korte en puntige preek. In: Reformatorisch Dagblad). Tijdens een bijeenkomst over het behoud van de Statenvertaling (georganiseerd door de Gereformeerde Bijbelstichting (GBS) te Walcheren, sprak Moens (predikant in de Gereformeerde Gemeenten). Hij vond het vreemd dat juist in een tijd dat de kennis zo n hoge vlucht neemt en jongeren steeds meer studeren, er moeite ontstaat met verouderde woorden. Ik ontken niet dat er een taalkloof is en dat er moeilijkheden zijn, en dat daarover geworsteld wordt, maar het probleem is: hoe los je die op? Niet met een herziening. Wat staat ons verstaan van Gods Woord in de weg? Dat is ons verduisterd verstand en ons boze hart. (Kerkredactie, , HSV brengt kloof met nageslacht. In: Reformatorisch Dagblad). We komen het uitgangspunt van Moens dat het werkelijke probleem ons boze hart is, vaker tegen. Bijvoorbeeld bij De Heer (predikant in de Gereformeerde Gemeenten): Is de Statenvertaling te moeilijk voor jongeren? Ach, je opa begrijpt het ook niet zonder het licht des Heeren. Als de Heere dat licht schenkt, ben je God kwijt en ga je begrijpen dat je met God verzoend moet worden. (Kerkredactie, , HSV brengt kloof met nageslacht. In: Reformatorisch Dagblad). Een ander - ons inziens terecht - geluid komt uit dezelfde krant. Een theoloog is het volgende van mening: Er is een puur geestelijk probleem in het verstaan van de Schrift, maar ook een puur taalkundig probleem in het verstaan van de oorspronkelijke Statenvertaling van die Schrift. Die twee moeten niet vereenzelvigd worden. (Onbekend, , Bindmiddel wordt breekijzer. In: Reformatorisch Dagblad). We zagen zojuist dat dominee Moens er vanuit gaat dat er steeds meer hoogopgeleide jongeren zijn. Als dat al zo is, blijven er nog veel laagopgeleide jongeren over. HSV-voorzitter Van Vreeswijk (predikant PKN, overleden maart 2010) geeft aan het belang van jongeren sterk op het oog te hebben. Volgens hem kan de omslag van een leescultuur naar een beeldcultuur een bedreiging voor de kerk kan zijn. Sms-taal wordt beter verstaan dan verheven getuigenissen en verwoordingen en uitbeeldingen uit een tijd en wereld die grotendeels de onze niet is. Een diepe kloof tekent zich af. Het heeft de initiatiefnemers tot herziening van de Statenvertaling gedrongen om iets te doen. Daarbij spreken we uit: Het Woord is ons lief, onze kinderen zijn ons lief, het behoud van mensen in deze wereld is ons lief. (Kerkredactie, , Statenvertaling, monument om in de te wonen. In: Reformatorisch Dagblad). Door onze ervaringen met mbo-jongeren op school en door het lezen van artikelen en onderzoeken kunnen wij concluderen dat veel (lager opgeleide) jongeren in ieder geval een gedeelte van de preek 62

64 niet begrijpen. Klokkenluiders - gesteund door onderzoeksresultaten - zijn er na enig zoeken ook wel te vinden (Kranendonk, Meurs, Vreeswijk e.a.). De grote vraag is: hoe nu verder? Jeugdbonden en jeugdwerkers lijken dit punt ook wel opgepikt te hebben. Zo bezint het LCJ (Landelijk Contact Jeugdwerk, Christelijke Gereformeerde Kerk) zich momenteel op de vraag hoe het jongeren die moeite hebben met lezen op een andere manier kan bereiken dan met een boek. Veel vmbo ers houden niet van lezen. Via de website dagelijkswoord.nl kun je bijvoorbeeld dagelijks een Bijbeltekst via of sms laten toesturen. Jongeren luisteren veel naar hun mp3-speler. Wellicht liggen hier kansen, aldus Vianen, directeur LCJ. (Van Hoeven- Ten Voorde, J., , Bijbellezen moet je leren. In: Reformatorisch Dagblad). Maar gaat er ook wat veranderen in de preken? Of is dat bij voorbaat niet mogelijk door verschillende theologische opvattingen over het verstaan van de prediking? Hoe kunnen we ervoor zorgen dat er meer aandacht komt voor het talige aspect van de prediking? Eerder genoemde complexe factoren geven aan dat een oplossing van het probleem niet eenvoudig is. Toch zijn we ervan overtuigd dat er zeker vooruitgang te boeken valt, wanneer predikanten kennis nemen van de ervaring en het taalniveau van lager opgeleide jongeren (en ouderen). Het is nodig dat er aandacht voor en bezinning over dit onderwerp komt in kerkbladen, bij kerkenraden, bij predikanten, door conferenties en dergelijke. Er is wel in toenemende mate aandacht voor de jeugdcultuur, maar het talige aspect bij het bereiken van jongeren blijft ons inziens sterk onderbelicht. Verder onderzoek zou zeker wenselijk zijn. Een jongere formuleerde het tijdens een godsdienstles ( ) op deze wijze: Mevrouw, ik hoef geen populaire preek, geen opwekkingsliederen tijdens de dienst, geen popiejopie-taal, geen dit mag niet, dat mag niet, maar gewoon een zware preek in begrijpelijke taal. Het mag duidelijk zijn dat dit alles niet gaat om aandacht voor een aparte jeugdcultuur, maar om - waar nodig en mogelijk - een aanpassing van het taalgebruik binnen de bestaande diensten. Overigens is het volgens Van den Belt (predikant PKN) in lijn met de gereformeerde traditie om de leerdiensten helemaal af te stemmen op het onderwijs aan de jongeren. Hij noemt in dit kader de speciale diensten voor kinderen en jongeren in de Nederlandse vluchtelingengemeente in Londen, beschreven door Marten Micron. Volgens Van den Belt stelt die praktijk de reformatorische kerken voor de vraag welke plaats kinderen en jongeren innemen in de leerdiensten. (Belt, van den, Dr. H., , Belijdenis van de waarheid vereist geloof. In: Reformatorisch Dagblad). In dit onderzoek wordt ervoor gepleit om ook te kijken naar de aandacht voor jongeren die er in het verleden was binnen de gereformeerde, reformatorische traditie. Een ander aspect wat meer aandacht nodig heeft, is de rol die de catechese kan spelen. (In het supplement, bijlage 5 zijn de antwoorden opgenomen van de jongeren op de vraag: hoe ervaar je de catechisatieavonden?) Als lager opgeleide jongeren daar heldere uitleg krijgen over begrippen en termen die in de preken worden gebruikt, kan dit de preken sterk ondersteunen. Een voorbeeld van onbegrip op catechisatie geeft. Wallet (predikant in de Christelijk Gereformeerde Kerk) in de Terdege: Op catechisatie vroeg ik wel eens: wat zijn oudvaders? De meesten dachten aan aartsvaders Abraham, Izak en Jacob. Anderen dachten aan hun grootouders. Een enkeling wist er iets 63

65 meer van af en vroeg: Zijn dat niet dezelfde als oude schrijvers? (Wallet, A.K., , Oudvaders lezen? In: Terdege,15 (bekend gezinsblad voor de reformatorische gezindte). De inhoud van theologische begrippen wordt vaak als bekend verondersteld, maar dat blijkt niet altijd zo te zijn. In ieder geval zou het goed zijn als predikanten goed op de hoogte zijn van de taalkundige capaciteiten van (v)mbo-jongeren. Als het gaat om preken voor kinderen en jongeren geeft Schaap- Jonker in de bundel Alle aandacht! Preken voor kinderen en jongeren (Zoetermeer, 2008, p. 58) een aantal belangrijke aandachtspunten weer. De taal die predikanten spreken in prediking en op catechisatie moet herkenbaar zijn: inclusief (in de aanspraak: niet alleen u ), concreet (in plaats van abstracte begrippen en theoretische uitdrukkingen), beeldend en narratief. Opvoeders binnen de drieslag moeten streven naar het creëren van creatieve actualisaties in reformatorisch perspectief. Zodoende kan de generatie- en communicatiekloof overbrugd worden en ligt de weg vrij voor het vertalen van oude waarden naar haar eigen tijd. 64

66 4.0 Conclusie Hoe vindt de identiteitsontwikkeling van reformatorische jongeren plaats binnen de drieslag gezin, kerk en school in het spanningsveld van heteronomie, autonomie en in antithese met de cultuur anno 2012 en welke samenhang vertonen de componenten gezin, kerk en school daarin? Het object van dit onderzoek is de reformatorische jongere in de leeftijd van 16 tot en met 20 jaar, die studeert op het Hoornbeeck College. Deze jongere participeert over het algemeen van kind tot en met volwassenheid binnen de drieslag. De drieslag gezin, kerk en school heeft als doelstelling om, door gestroomlijnde consistentie te bieden tussen de verschillende componenten, de reformatorische identiteit (2.1.2) te waarborgen en te continueren voor de volgende generatie (2.1.1). Binnen deze drie componenten loopt de rode draad van de identiteit. Deze identiteit wordt bepaald door de Bijbel die gezien wordt als gezaghebbend en onfeilbaar. Daarnaast dienen de Drie Formulieren van Enigheid, samen met de Bijbel, als leidraad voor het leven (2.1.1). De participerende kerken die deze identiteit onderschrijven zijn de Protestantse Kerk in Nederland (Gereformeerde Bond), de Christelijke Gereformeerde Kerk (Bewaar het Pand), de Gereformeerde Gemeenten, de Gereformeerde Gemeenten in Nederland en de Oud Gereformeerde Gemeenten (in Nederland). De reformatorische jongeren die meewerkten aan dit onderzoek zijn afkomstig uit bovengenoemde kerkgenootschappen. 4.1 J.W. Fowler: stadium drie en vier, van heteronomie naar autonomie In paragraaf 2.3 wordt de identiteitsontwikkeling uiteengezet aan de hand van het model Fowler. Fowlers model kan opgevat worden als normatief en prospectief. De dynamiek en de betrokkenheid op de omgeving lijkt dan te zijn verdwenen. Context en medemensen hebben dan ook weinig toegevoegde waarde (2.3.4). In dit onderzoek gaan wij ervan uit dat het stadiummodel van Fowler - inherent aan zijn doelstelling - een dynamisch proces veronderstelt, in tegenstelling tot een statisch lineair model (2.3.4). Fowler probeert in zijn model de ontwikkeling tijdens het hele leven weer te geven en daarin het totaal van de menselijke ervaringen mee te nemen, dus niet alleen de intellectuele en cognitieve inzichten (2.3.2). De verhouding tussen de stadia moet eerder gezien worden als inclusie dan als substitutie. De jongere die op het Hoornbeeck College zijn opleiding volgt, bevindt zich in de eerste jaren van zijn opleiding in stadium drie van het model van Fowler: het synthetische, conventionele geloof. Stadium drie begint om en nabij het twaalfde levensjaar. De jongere krijgt de mogelijkheid om op zijn eigen denken te reflecteren. Hij is bezig met het zoeken en vormen van de eigen identiteit. De reacties van anderen zijn hierin van groot belang, te denken valt aan een reactie van een populaire docent of leeftijdsgenoot (2.3.5). De jongere werkt en bouwt aan eigen waarden. Zijn eigen identiteit krijgt meer en meer vorm. In dit stadium is ook bepalend of God ervaren wordt in termen van relaties. Het Godsbeeld bij de jongere wordt voltooid. God wordt ervaren als Vriend, Metgezel en Vader of als streng, alziend Rechter (Alii, p. 34). De reformatorische traditie streeft naar een Godsbeeld dat deze spanning laat staan (2.3.6). Bij jongeren is over het algemeen de behoefte aanwezig dat God je kent 65

67 en respecteert zoals je bent (Alii, 2009). Ons onderzoek bevestigt bovenstaande met het feit dat er bij de verschillende open vragen frequent wordt geantwoord in relationele termen, zoals: ik voel en ik ervaar (supplement bij kwantitatief onderzoek). Op dit scharnierpunt tussen stadium drie en vier is in de meeste gevallen sprake van kritische reflectie op de eigen achtergrond en daardoor frictie in de verschillend gezagsverhoudingen (Alii, 2009, p. 148). Fowler wijst in dit stadium ook juist op de aanwezigheid en het belang van gezag. Jonge mensen zullen met geloofsvragen vaak wijzen naar andere personen om zich met hun overtuiging te identificeren (2.3.6). Met dit gegeven dient iedere opvoeder binnen de drie componenten zich bewust te zijn van het feit dat hij of zij (op dit scharnierpunt) van cruciaal belang is in de identiteitsontwikkeling van de jongere (2.3.6). De Hoornbeeckjongere beweegt zich tijdens zijn opleiding naar het scharnierpunt tussen stadium drie en vier. Op dit scharnierpunt reflecteert de jongere op het samenspel tussen gezin, kerk en school en dat kan verschillende consequenties hebben. Sommige jongeren komen (na een eventuele crisis) tot de conclusie dat hun persoonlijke geloofsbeleving overeenkomt met de geloofsbeleving en praxis in gezin, kerk en school. Deze beleving wordt dan bij deze jongeren gecontinueerd en geëigend. In andere gevallen vindt er op dit scharnierpunt een (loyaliteits)conflict plaats en zet de jongere zich af tegen gezin, kerk en school. In stadium vier van het model van Fowler voltrekt zich de beweging naar autonomie; een ontwikkeling die in stadium vijf en zes wordt uitgewerkt. De ontwikkeling beweegt zich dus van heteronoom naar autonoom, met de connotatie dat autonomie volwassenheid inhoudt en volgens Alii het nastreven waard is (Alii, p. 148). Op de vraag of de drieslag gezin, kerk en school ook autonome volwassenheid nastreeft, wordt in paragraaf 4.2 op gereageerd. De jongere maakt zich in stadium vier los van de vaste cirkel van interpersoonlijke relaties die het leven tot op dat moment bepaald hebben. De jongere gaat zichzelf bekijken, los van de groep waartoe hij tot dan bij behoorde (lees: gezin, kerk, school). Er zijn veel jongeren en volwassenen die de overstap van stadium drie naar vier niet (af)maken. Zij blijven tussen deze stadia hangen, aldus Fowler. Het meest natuurlijke moment voor de overstap van stadium drie naar vier is volgens Fowler de jongvolwassenheid (2.3.6). Naarmate het ouder worden, zit men vaster in een sociaal netwerk. Daarom wordt het zetten van deze stap hoe later, hoe moeilijker. Stadium vier kan resulteren in een intern loyaliteitsconflict ten opzichte van de componenten gezin, kerk en school. 4.2 Positionering van de drieslag in het model van J.W. Fowler Welke positie neemt de drieslag in tegenover deze ontwikkeling die Allii het nastreven waard vindt, namelijk eindigen in stadium vijf of zes? In ons onderzoek pleiten wij voor het ideaal dat een jongere kennismaakt met stadium vier, om vervolgens terug te keren naar stadium drie (2.3.6). Als een jongere in stadium drie blijft hangen, is het aannemelijk dat hij klakkeloos aanneemt wat anderen (binnen de drieslag) zeggen en uitdragen, zonder enige mate van reflectie of bezinning. Het is plausibel dat de drieslag dit niet ambieert, want zodoende wordt een levenloze reformatorische traditie gecreëerd. Begin stadium vier heeft de jongere in zijn identiteitsontwikkeling de mogelijkheid om kennis te maken met het seculiere leven of andere en/of meer liberale geloofstradities, en deze te spiegelen aan zijn eigen traditie. De begeleidende rol als gids en herder van betrokken identificatiefiguren is bij de kennismaking met stadium vier van groot belang (Fowler, 1981). Als de 66

68 jongere na een zoektocht zijn wortels behoudt en continueert in zijn leven, kan men concluderen dat hij de reformatorische traditie geëigend en verinnerlijkt heeft. Dit wordt dan zijn persoonlijke doorleefde identiteit, die zich een levenlang blijft ontwikkelen. Stadium drie en begin stadium vier zijn dan geconsolideerd. Dit resulteert onder andere in het lidmaatschap van zijn eigen kerkelijke gemeente (of weloverwogen lid geworden binnen één van de andere participerende reformatorische kerkverbanden). Terecht kan de vraag opgeworpen worden of een kennismaking met stadium vier wel gewenst is in de optiek van zowel de drieslag als de mbo-jongere. Dit onderzoek stelt dat als een mbo-jongere kennismaakt met meer liberalere geloofsopvattingen en/of andere tradities, het gevaar dat hij niet meer terugvalt in stadium drie, groter is dan bij hoger opgeleiden. Over het algemeen zijn mbojongeren redelijk beïnvloedbaar en missen zij het reflectief vermogen om hun eigen traditie te spiegelen en te verdedigen, omdat bij hen de kennis hiervoor ontbreekt. 4.3 De positie van de component gezin in de identiteitsontwikkeling Bij veel ouders binnen de reformatorische traditie is onkunde en onmacht over en rondom de geloofsopvoeding. Dit blijkt uit de veelheid aan artikelen over deze materie in reformatorische opinieen gezinsbladen (2.3.8). In diverse kerkgenootschappen binnen de reformatorische traditie worden de laatste jaren vanuit de gemeente opvoedings- en huwelijkstoerustingsavonden georganiseerd. Dit is een positief gegeven en het zou wenselijk zijn als dit in iedere kerkelijke gemeente - ter ondersteuning in de geloofsopvoeding - aangeboden zou worden. Het gezin heeft de eerste verantwoordelijkheid voor de identiteitsontwikkeling van de jongere. Ouders moeten zich in een vroeg stadium afvragen hoe zij de geloofsopvoeding gestalte willen geven. Uit het kwantitatief onderzoek van Fieret (2012) blijkt dat 92% van 1614 ge-enquêteerde jongeren aangeeft dat hun ouders de meeste invloed hebben in hun ontwikkeling. Uit ons onderzoek (hoofdstuk 3) blijkt dat ouders naast de vrienden de belangrijkste identificatiefiguren voor de jongeren zijn (3.3.1). Fowler geeft aan dat vóór het vijfde levensjaar de sterkste en indrukwekkendste beelden over God en geloof ervaren worden (2.3.2). Het is wenselijk dat ouders al vanaf de geboorte van hun kind bezig zijn met de geloofsopvoeding. Te denken valt aan zingen, bidden, verhalen voorlezen, openstaan voor de ervaringen en vragen van het kind, et cetera. In de eerste drie stadia voltrekt de geloofsontwikkeling zich in heteronome verhoudingen. In stadium een is het kind zeer gevoelig voor significante anderen, in stadium twee is de verhouding do ut des en in stadium drie wordt de levensbeschouwing vormgegeven volgens de verwachtingen van de directe omgeving (2.3.3). In stadium een tot drie spelen de drie componenten gezin, kerk en school een dominante rol. De verklaring is eenvoudig, het kind heeft namelijk geen keuze: het komt uit een reformatorisch gezin, bezoekt een reformatorische kerk en volgt primair en voortgezet onderwijs op reformatorische grondslag (Fieret, 2012, p. 15). Het is aannemelijk dat een kind over het algemeen zeker tot en met stadium twee voldoet aan de doelstelling die de drieslag beoogt. Bij 55% van de jongeren wordt thuis positief over geloofszaken gesproken; bij ruim 34% matig en bij ruim 10% negatief. Bij een gezinsgrootte tot zes personen is er een duidelijk verschil tussen de percentages goed en matig ten gunste van goed. Boven de zes gezinsleden is het percentage goed en matig nagenoeg gelijk. In kleinere gezinnen is de communicatie iets beter dan in grotere gezinnen. 67

69 Bij 90% van de jongeren waarbij de preek thuis wordt nabesproken, vindt deze nabespreking op een positieve wijze plaats. Het is aannemelijk dat dit een positieve uitwerking heeft op de identiteitsontwikkeling van de jongere. Hypothetisch gezien zou te verwachten zijn, dat in een gezin waar de jongere op een actieve wijze gestimuleerd wordt om deel te nemen aan het nagesprek over de preek, de jongere als vanzelf ook actiever gaat luisteren naar de prediking. Ons onderzoek heeft echter uitgewezen dat hier geen verband tussen is. 4.4 De positie van de component kerk in de identiteitsontwikkeling Uit het kwantitatieve onderzoek kunnen we het volgende concluderen (3.2): De jongeren komen voornamelijk uit de Gereformeerde Gemeenten (34%) en de Protestantse Kerk in Nederland (28%). 55% van de jongeren gaat uit gewoonte naar de kerk; 44% van de jongeren gaat uit verlangen. In de reformatorische gezindte is het gebruikelijk dat men tweemaal per zondag naar de kerk gaat. Bijna 89% van de jongeren doet dit ook daadwerkelijk. Ons onderzoek laat zien dat vrouwen trouwer zijn in de opkomst dan mannen. Wat opvalt is dat bijna 68% van de jongeren het zingen een van de mooiste onderdelen van de dienst vindt. Voor de prediking geldt dat bijna 56% van de jongeren dit het mooiste onderdeel vindt. (Er is gebruik gemaakt van meerdere antwoordalternatieven). Als sacrament schiet de doop er uit met ruim 50%, dit in tegenstelling tot het sacrament van het Heilig Avondmaal dat bijna 30% van de jongeren mooi vindt. De Bijbellezing scoort met ongeveer 18% het laagst. Jongeren begrijpen een preek als de boodschap in begrijpelijke taal wordt overgedragen (76%). In de reformatorische gezindte is er in de rechterflank (GGiN, OGGiN, GG) soms sprake van kanseltaal. De predikant of ouderling houdt zich dan aan een bepaald taaldiscourse dat veel Oud-Nederlandse en plechtige woorden bevat. Deze taal is doordrongen van bevindelijke en Bijbelse begrippen, zoals rechtvaardiging, heiligmaking etc. Voor mbo-jongeren is het vaak moeilijk deze manier van spreken te volgen en te begrijpen. 67,2 procent van de jongeren begrijpt de preek vaker wel dan niet. 23,3 procent begrijpt de preek vaker niet dan wel. Op de vraag wat is de reden dat jij een preek begrijpt? antwoordt 76,1 procent met als de uitleg in begrijpelijke taal wordt uitgesproken. Dat is volgens hen nog belangrijker dan als ik antwoord krijg op mijn levensvragen (49,5%), als ik aangesproken word met jou en jij (26,9), als het gaat over een bekende geschiedenis (34,4) of als het gaat over de bevinding van het geloof (46,4%). Mbo-jongeren lijken dus zelf goed te weten wat voor hen een preek begrijpelijk maakt. Voor bijna 34% van de jongeren verhindert de voordracht van de predikant of ouderling het begrijpen van de preek. Leesdiensten komen voornamelijk voor in de OGGiN, GGiN en GG. Deze kerkverbanden hebben een chronisch tekort aan predikanten. Bijna 29% van de jongeren begrijpt een leesdienst vaker niet dan wel, dus dat is iets meer dan bij normale diensten. Uit het documentatieonderzoek (3.4.3) kunnen we het volgende concluderen: Het is opvallend dat bij alle aandacht die er is voor de jongerenproblematiek binnen de kerken, de vmbo-leerlingen en mbo ers minder aandacht krijgen binnen de kerk. Kerken lijken wel aandacht te hebben voor studerenden aan het hoger of wetenschappelijk onderwijs, middels de deputaatschappen en gesprekken met studentenverenigingen, maar de grote groep lager opgeleiden dreigt vergeten te worden Dit onderzoek stelt dat er binnen de reformatorische gezindte sprake is van een groot verschil in de 68

70 aard van het moeilijke taalgebruik tijdens de diensten. De inhoud van theologische begrippen wordt vaak door ambtsdragers als bekend verondersteld, maar dat blijkt niet altijd zo te zijn (3.4.3). Een groep jongeren kerkt bij predikanten die academisch geschoold zijn en waarschijnlijk vaak moeilijke woorden of zinsconstructies gebruiken. Anderzijds kerken veel jongeren bij predikanten die niet per se academisch opgeleid zijn, maar die wel meer de bevindelijke taal ( de tale Kanaäns ) gebruiken. Vaak gaat het zelfs om een combinatie van moeilijke woorden, lange zinnen, een reeks van citaten en de tale Kanaäns. Al kunnen we behoorlijk wat taalbarrières noemen, het probleem met taalgebruik is vrij complex. Enerzijds worden er in een dienst vaak verschillende taalvormen gebruikt, anderzijds verschilt het taalgebruik natuurlijk per predikant. In ieder geval zou het goed zijn als ambtsdragers goed op de hoogte zijn van de taalkundige capaciteiten van (v)mbo-jongeren (en ouderen) en letten op het niveau van de kennisoverdracht in prediking en catechese. De polemiek en polarisatie -meest gevoerd tussen predikanten- rondom de introductie van Herziene Statenvertaling binnen de componenten gezin, kerk en school, zorgt voor verwarring bij jongeren en is niet bevorderlijk voor de samenhang van de drieslag. Bovendien werkt het niet consoliderend in de eigening van de traditie binnen de identiteitsontwikkeling. Dit onderzoek erkent dat er een geestelijk probleem in het verstaan van de Bijbel is, maar er is daarnaast ook een puur taalkundig probleem. Die twee moeten niet vereenzelvigd worden en dat lijkt binnen sommige participerende kerken binnen de reformatorische traditie wel gedaan te worden. De tips die de jongeren voor de kerkenraad hebben centreren zich rondom: catechese, prediking, liturgie en persoonlijke omgang met de jongeren (3.2.7). Hieruit blijkt dat de mbo-jongeren hun verwachtingen over de gang van zaken binnen de eigen gemeente goed kunnen verwoorden. Op het scharnierpunt tussen stadium drie en vier gaan jongeren onder meer nadenken over de vraag of zij wel of niet bij het kerkverband blijven waarin zij dooplid zijn. Ons onderzoek laat zien dat de in de toekomst mogelijke kerkmigratie, achtereenvolgens bij de GGiN, OGGiN en CGK (Bewaar het Pand) het hoogst is (3.2.3). De migratie bij de PKN is het minst, een verklaring kan liggen in het feit dat personen uit de Hervormde kerk in 2004 een keuze moesten maken tussen HHK en PKN. Deze keuze is, weliswaar gemaakt door de ouders, dus nog recent. Een andere reden ligt hierin dat de PKN heel breed en heterogeen is, er is voor iedereen wel wat te vinden. Een verklaring voor het hoge percentage van migratie bij GGiN en OGGiN kan liggen in het feit dat deze kerkverbanden een gering aantal predikanten hebben, een conservatievere houding hebben ten opzichte van geloofsleer- en leven en slechts weinig kerkelijke jeugdactiviteiten organiseren. Bij de CGK ligt het anders. De gemeenten verschillen sterk per plaats. Daarnaast is veel verwarring rondom samengaan met Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt, Bijbelvertaling, wel of niet ritmisch zingen, et cetera. Bovenstaande gegevens laten zien dat de kerk naast het gezin een belangrijke invloed heeft op de identiteitsontwikkeling van jongeren. Idealiter hebben de jongeren in hun kinderjaren zondagsschool of kindercatechese gevolgd. Rond hun twaalfde jaar zijn zij in deze meeste gevallen catechisatie gaan volgen. In tegenstelling tot de zondagsschool en de jeugdvereniging heeft de catechisatie een verplichtend karakter. Hier ligt voor de catechiseermeester of juf een heel grote kans. Hij moet de sleutel vinden om contact te maken met de jongere. Ons onderzoek heeft bevestigd dat een identiteitsoverdrager in deze fase van de identiteitsontwikkeling van grote betekenis kan zijn (2.3.6). Een kerkenraad moet zich hiervan bewust zijn bij het benoemen van een catecheet. Het is schrijnend 69

71 dat uit ons onderzoek blijkt dat een groot percentage de catechisatieavonden ervaart als: niet interessant, dogmatisch, niet actueel, altijd dezelfde methode, moeilijk en eentonig (3.2.5). Tevens blijkt uit de beantwoording dat het wel of niet slagen van een catechisatieseizoen in veel gevallen afhangt van de persoon die catechisatie geeft. Iedere kerkelijke gemeente die participeert binnen de reformatorische traditie heeft met bovenstaande theorie de plicht en opgave om een bezinning op gang te brengen over de wijze waarop zij kunnen bijdragen aan de identiteitsontwikkeling bij de mbo-jongere om zodoende de eigening en continuering van de (plaatselijk, kerkelijke) reformatorische traditie te stimuleren. Deze bezinning moet daarbij onder ander gaan over de selectie van personen die werkzaam zijn met jongeren, het taalgebruik tijdens de prediking, catechese, jeugdvereniging en de liturgie. Kerken(raden) zouden veelvuldig gebruik moeten maken van de expertise van jeugdbonden, kenniscentra en lectoraatskringen die participeren binnen de reformatorische traditie. 4.5 De positie van de component school in de identiteitsontwikkeling In paragraaf 2.1 is de reformatorische jongere die op het Hoornbeeck College zijn opleiding volgt, gecontextualiseerd. Uit deze contextualisatie blijkt allereerst dat binnen het Hoornbeeck College sprake is van een deductieve visie (2.1.3). Deze visie bepaalt onder meer de lespraktijk en het pedagogisch klimaat. Vervolgens blijkt dat er in principe sprake is van een beleefde identiteit die tegelijkertijd ook wordt geleefd, zowel door leerling als docent (2.1.3). Voor het oog lijkt het een homogene leerlingpopulatie, waarbij de identiteit de gemene deler is (2.1.2). Uit kwalitatief onderzoek (semigestructureerde diepte-interviews afgenomen door Fieret (2012) bij negen jongeren die hun opleiding volgen op het Hoornbeeck College) blijkt echter dat de praktijk weerbarstig is. Binnen deze homogene groep is namelijk ook diversiteit aanwezig over de geloofsbeleving en geloofspraxis. In paragraaf 2.2 worden de onderwijsstrategieën van de Engelse Godsdienstpedagoog Grimmitt toegepast op de situatie van het Hoornbeeck College. Het Hoornbeeck College biedt haar leerlingen twee uur per week godsdienstonderwijs aan. Grimmitt onderscheidt drie onderwijsstrategieën, namelijk: Learning in religion, learning about religion en learning from religion (2.2.1). Deze drie benaderingen corresponderen respectievelijk met monoreligieus, multireligieus en interreligieus leren. Bij de eerste pedagogische strategie ligt de nadruk op socialisatie in een religieuze traditie, bij de tweede ligt de nadruk in het verwerven van kennis over een traditie en bij de derde manier ligt de nadruk van het godsdienstonderwijs op het leren aan de hand van begrippen uit andere religieuze tradities. Het vak godsdienst op het Hoornbeeck College wordt in alle leerjaren en sectoren gedoceerd. De visie en missie van de school zoals beschreven in de statuten, zijn leidend bij het komen tot het curriculum godsdienst. Uit het documentatieonderzoek (2.2.3) blijkt dat het curriculum redelijk statisch en monoreligieus georiënteerd is. De modules vallen allemaal onder de categorie learning in religion (2.2.3). Voor twee modules geldt dat zij vallen zowel onder learning in religion als learning about religion. De reformatorische jongere wordt op het Hoornbeeck College niet actief gestimuleerd om de interreligieuze dialoog aan te gaan, dit blijkt uit de semigestructureerde diepte-interviews (Fieret 2012, op verzoek in te zien) en de analyse van het documentatieonderzoek (2.2.3). Sporadische wordt dit wel gedaan, maar onder voorbehoud van de spiegeling aan de eigen geloofstraditie (3.4.2). Uit de 70

72 lesobservatie (3.4.1), het nagesprek met de docent en vanuit mijn eigen lespraktijk, blijkt dat discussies binnen het klaslokaal voornamelijk gaan over de diversiteit binnen de eigen geloofstraditie. De onderwijsstrategie learning in, heeft in de geobserveerde les de overhand (3.4.1). Uit de lesobservatie (3.4.1) blijkt tevens dat communicatie tussen docent en leerling veelal plaatsvindt vanuit de gedeelde identiteit. Een verklaring kan liggen in het feit dat het godsdienstige taaldiscourse in al zijn subjectiviteit en subtiliteit bekend is bij zowel de docent als de leerling. De taak voor de docent is om binnen de aanwezige diversiteit te fungeren als identificatiefiguur en gids, om zodoende het onderwijsideaal in de praktijk te laten consolideren. In deze leeftijdsfase zijn identificatiefiguren voor jongeren van cruciaal belang (2.3.7). Iedere docent dient zich bewust te zijn dat vorming en toerusting valt of staat met de persoon die voor de klas staat. Dit gegeven wordt ondersteund door informatie uit de diepte-interviews. Het is aannemelijk dat het monoreligieus georiënteerde onderwijs verenging en een bepaalde mate van fossilisering van de reformatorische traditie in de hand kan werken. In het schema van Fowler resulteert dit in consolidatie van stadium twee. Anderzijds is het gevaar aanwezig dat door dit voornamelijk eenzijdige gedoceerde onderwijs, de leerlingen (nadat zij kennisgemaakt hebben met liberale- of andere tradities) gevoeliger zijn voor verruiming of verlating van de reformatorische traditie. In het schema van Fowler resulteert dit in consolidatie van stadium vier of verder). Met de kanttekening dat de overgang naar stadium vier kan worden gedemonstreerd met het verlaten van de eigen traditie, maar dit hoeft niet. Monoreligieus georiënteerd onderwijs verhindert de door Jackson geïntroduceerde term edification (2.2.1). Jackson staat voor dat in de confrontatie met het andere of het vreemde de persoon zelf verandert. Dit streven staat in antithese met de doelstelling die de drieslag beoogt. Alii voegt bij de drie benaderingen van Grimmitt nog een vierde benadering toe, learning for religion (2.2.2). Learning for religion spreekt ook van leren voor religie en religiositeit. De meerwaarde ligt volgens Alii in het feit dat de dialoog met een religieuze traditie de transformatie daarvan stimuleert (Alii, p.102). Learning for staat eveneens in antithese met de doelstelling van de drieslag gezin, kerk en school. Het is juist de angst van de opvoeders dat de jongere door actieve interactie met andere tradities, traditionele begrippen anders gaat interpreteren of, nog erger, de gehele geloofstraditie vaarwel zegt. Vanuit kwalitatief onderzoek, de semigestructureerde diepte-interviews (Fieret 2012, op verzoek in te zien), wordt onder andere gezocht naar antwoord op de vraag of het godsdienstonderwijs voldoet aan de behoefte van de jongeren en of het godsdienstonderwijs vormend en van invloed is voor het ontwikkelen van hun eigen geloofspraxis en -beleving. Vanuit de diepte-interviews moeten we concluderen dat het ideaal dat de school voorstaat, in de optiek van de jongeren niet behaald wordt. De school biedt vrijwel geen toerusting en vorming voor de jongeren. Jongeren ervaren tijdens de godsdienstlessen weinig ruimte. In de drieslag functioneert de component school in de optiek van de jongere, niet op een vitale, complementaire en coherente wijze. Dit is een dissonant ten opzichte van de samenhang en doelstelling die de drieslag beoogt. 4.6 Push en pullfactoren Wat kunnen wij vanuit ons onderzoek zeggen over de push- en pullfactoren voor de eigening of 71

73 verwerping van de reformatorische traditie? Uit ons onderzoek blijkt (beantwoording open vragen kwantitatief onderzoek) dat als de jongere zich thuis voelt in de gemeente (sociale cohesie), de prediking begrijpt en ervaart als de waarheid, de catecheseavonden als leerzaam en constructief beleeft, participeert op een jeugdvereniging en daar ook zijn vrienden heeft, dit een positieve invloed heeft op de eigening en continuering van de reformatorische traditie. Pushfactoren die een eventueel conflict teweegbrengen tussen de jongere enerzijds en de drieslag anderzijds zijn het niet begrijpen van de preek door bijvoorbeeld ouderwets taalgebruik of de voordracht van de ouderling/predikant, ergernis over opgelegde regels (voornamelijk gericht op geloofspraxis), oninteressante catecheseavonden, geen vrienden uit de kerkelijke gemeente, en een desinteresse in de gangbare theologie. 4.7 Orthopraxie In paragraaf 2.4 wordt ingegaan op orthopraxe jongeren binnen de reformatorische zuil in het spanningsveld van heteronomie, autonomie en antithese met cultuur anno 2012 (2.4.4). In hun artikel Developing a Framework for Research on Religious Identity Development of Highly Committed Adolescents (stellen de onderzoekers Visser en Westerink vier criteria op (2.4.5), die kenmerkend zijn voor zeer religieuze christenen. Zij baseren de criteria op elementen die gevonden zijn in concepten van orthodoxie en fundamentalisme. Op basis van bovenstaande vier criteria kunnen we vanuit paragraaf 2.1 voorzichtig vaststellen dat een groot deel van de leerlingenpopulatie in theorie onder orthopraxe jongeren valt. Uit ons kwantitatief onderzoek blijkt dat 79% van de jongeren zichzelf serieus vindt. De jongeren geven aan dat leer en leven met elkaar in overeenstemming zijn. In de terminologie van Fieret zouden dat verbinders kunnen zijn. Als we kijken naar de onderzoekgegevens (supplement, bijlage 19) en de onderzoekgegevens van Fieret (op verzoek in te zien) moet een groot deel van deze 79% niet geschaard worden onder verbinders, maar onder schakelaars. Deze jongeren vinden zichzelf serieus, maar hun levensstijl is niet in overeenstemming met het verwachtingspatroon van de drieslag gezin, kerk en school. Hier gaapt een enorme en almaar wijder wordende kloof. Het zou wenselijk zijn als een bezinning hierover op gang gebracht zou worden. 4.8 Perspectiefwisseling en creatieve actualisatie anno 2012 In dit onderzoek pleiten wij voor een dynamische reformatorische traditie. Binnen deze dynamiek past de metafoor van de perspectiefwisseling die Lanser introduceert (2.4.9). We kunnen onze gewone dagelijkse belevenissen en onze levenservaringen benoemen met gewone dagelijkse woorden maar ook met woorden die we ontlenen aan de geloofstraditie, de tale Kanaans. In dit onderzoek betogen wij in rapport van Lanser om de dynamiek tussen traditie en leefwereld in stand te houden. Deze beweging, de dynamiek van de perspectiefwisseling, is niet alleen beweging, het heeft ook een rendement. De botsing van oud en nieuw doet iets nieuws ontstaan. De clash genereert nieuwe actuele betekenissen, zodat we kunnen spreken van een creatieve actualisatie (2.4.8). De betekenissen die door de eeuwen heen aan de geloofstraditie zijn ontleend hebben dus niet afgedaan. Zij blijven staan en kunnen ons inspireren. Maar de vragen uit ons eigen leven, de vragen van deze tijd brengen ook andere en nieuwe betekenissen van het traditieverhaal aan de 72

74 oppervlakte. Door steeds te blijven lezen, zoeken en interpreteren worden in een doorgaand proces betekenissen aan de traditieverhalen toegevoegd. Het zijn precies deze nieuwe, door betrokkenen in hun situatie gevonden of gemaakte betekenissen die de oude boodschap weer levend en sprankelend maken. Naar aanleiding van dit onderzoek pleiten wij voor een confronterende ontmoeting tussen de volwassene en de jongere. Genereer creatieve actualisatie in reformatorisch perspectief en kijk door de taalbarrière en generatiekloof heen (3.4.3). Zoals eerder opgemerkt: Elke tijd voegt een nieuwe schakel aan de keten toe. Iedere generatie heeft de opgave en de plicht om oude waarden te vertalen naar de eigen tijd. 4.9 Samenhang van de drie componenten in de identiteitsontwikkeling Identificatiefiguren spelen een cruciale rol op het scharnierpunt tussen fase drie en vier. Het is daarom aan te bevelen dat sollicitatiecommissies binnen de drie componenten gezin, kerk en school de sollicitant stevig bevragen op motivatie, bekwaamheid, eventuele roeping, kennis van de (reformatorische) jongerencultuur, et cetera. In paragraaf is een documentatieonderzoek opgenomen met de bedoeling een beeld te construeren over de complexiteit, subjectiviteit en subtiliteit van discussies die zich afspelen binnen alle drie de componenten van de drieslag. Dit geeft ook iets weer van de eenheid gezin, kerk en school, die onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden (Stoffels, 1995). Het ligt voor de hand dat discussies van deze aard, niet bevorderlijk zijn voor de beoogde doelstelling van de drieslag. Het ideaal dat de drieslag beoogt wordt in de praktijk weerstaan door de aanwezige diversiteit binnen de reformatorische traditie in geloofsbeleving- en praxis en de almaar groter wordende generatie- en communicatiekloof. Discussies van deze aard mogen uiteraard gevoerd worden, maar het is wenselijk dat het polariserende gehalte gereduceerd wordt. Om binnen de drie componenten consistentie en continuering te waarborgen, is (samenbindende) communicatie het sleutelwoord. In de cultuur anno 2012 moeten de drie componenten elkaar zoeken in wat bindt en niet wat scheidt, om zodoende samen sterk te staan in deze autonome samenleving. De Bijbel zegt dat de eenheid onder christenen is gegeven door het geloof in Jezus Christus. Voor reformatorische mensen geldt dat de grenzen van de waarheid worden bepaald door de grenzen van het leven met Christus. Binnen die eenheid is dan ook alle ruimte voor verscheidenheid en veelkleurigheid. Het is wijs deze ruimte voor verscheidenheid te laten bestaan. De reformatorische traditie hecht veel waarde aan de Drie Formulieren van Enigheid. Daar wordt onder andere in vermeld dat er wel grenzen zijn aan de veelkleurigheid en verscheidenheid binnen de eenheid. Als grensoverschrijdingen worden onder andere genoemd: het loochenen van de heilsfeiten, het aantasten van het genadekarakter van het heil het ontbreken van de liefde als begrenzing van die verscheidenheid (Nederlandse geloofsbelijdenis, Guido de Bres, artikel 28 en 29). Wij pleiten in dit onderzoek niet voor een gefossiliseerde traditie. Deze is psychologisch ongezond, zij heeft iets van een te nauwe moederbinding. Het andere uiterste -waar wij eveneens geen voorstander van zijn- is een totale traditieloosheid. Tussen deze gefossiliseerde traditie en de traditieloosheid veronderstellen wij een alternatief, namelijk de dynamische reformatorische traditie. Het gaat hier om een kritisch positief verstaan van deze traditie. Kritisch waar er fouten zijn ingeslopen binnen deze traditie, positief waar het zinvolle elementen betreft. Het perspectief dient in dit onderzoek zo wijd 73

75 mogelijk te zijn, om parochialisme te voorkomen (2.4.6). De traditie verandert het heden, dus het is juist niet zo dat zij het heden continueert We kunnen tot de conclusie komen dat de formele identiteit met de daarbij behorende idealen, duidelijk is voor de opvoeders binnen de drieslag. Deze formele identiteit is ook goed gedocumenteerd in diverse statuten en regelementen. De praktijk leert dat de informele identiteit -die onlosmakelijk verbonden moet zijn met de formele identiteit- niet altijd op een vitale wijze functioneert binnen gezin, kerk en school. Een oorzaak kan liggen in de verschillende wijze van interpretatie van deze traditie. De reformatorische traditie die joods-christelijke wortels heeft en de reformatie in zich meedraagt is waardevol en kostbaar, maar moet wel geïnterpreteerd worden als traditie en niet functioneren als een principe. Opvoeders binnen de drieslag moeten hier ook eerlijk tegenover elkaar in zijn en elkaar niet de maat meten. Het gevaar is aanwezig dat opvoeders binnen de drieslag zich liever bezighouden met secundaire lijnen in plaats van zich te focussen op de hoofdlijn. Men houdt dan een traditie over die voornamelijk is gebaseerd op het overdragen van een moraal, waarin het vuur is uitgeblust. Het is te wensen dat de formele identiteit ook wordt geleefd en beleefd binnen het geheel van de drieslag en dat het niet blijft bij een ideaal. Om de reformatorische traditie vitaal te houden en houdbaarheid mee te geven stelt dit onderzoek dat verandering noodzakelijk is om toch de kern voor de volgende generatie te bewaren. De componenten gezin, kerk en school moeten zich afvragen op welke punten zij aanpassingen willen doorvoeren om toch een levende voortzetting van de traditie te kunnen waarborgen, zonder te kort te doen aan de inhoud. Deze aanpassingen moeten gericht zijn op het minimaliseren van de communicatie- en generatiekloof. Tevens moeten de veranderingen de begrijpelijkheid (binnen de afzonderlijke drie componenten) van het godsdienstige taaldiscourse stimuleren. De veranderingen zitten niet in de grote dingen maar veel meer in het kleine. Het wegnemen van barrières. Ter illustratie: taalkundige herziening van De Drie Formulieren van Enigheid en overige formulieren en gebeden; concrete, begrijpelijke en beeldende prediking; persoonlijke gesprekjes met de catechisanten; het aandragen van onderwerpen door de catechisanten, gemeenteavonden voor studerende mbo-ers, niveau bewaking op jeugdverening, et cetera. Het is aanbevelingswaardig als opvoeders binnen de drieslag gezin, kerk en school frequent elkaars expertise uitwisselen en hier vervolgens concreet mee aan de slag gaan. Dit bevordert de samenhang tussen de drie componenten. Het Hoornbeeck College heeft sinds 2010 een kenniscentrum opgericht om binnen de drieslag ondersteuning aan te bieden bij vragen met betrekking tot de reformatorische geloofsopvoeding. Uit cijfers blijkt dat weinig kerkenraden en scholen hier gebruik van maken. Het kenniscentrum zou meer aan promotie moeten doen, om eigen kennis en expertise optimaal te kunnen delen. Het beseft immers zelf het belang van toerusting en vorming. Als het centrum dit niet doet, laat het een grote kans liggen. Er zijn veel kansen om de jongeren loyaliteit en kennis bij te brengen met betrekking tot de eigening van de reformatorische traditie. Helaas worden deze kansen vaak niet gezien, begrepen en gegrepen. De drieslag gezin, kerk en school heeft geen sticker met daarop onbeperkt houdbaar Daarom: Ken de leefwereld van de jongeren, leef in de vreze des Heeren (Psalm 111:10), dien de Heere met vreugde (Psalm 100:2) genereer een ontmoeting, laat je niet leiden door angst, wees een inspirerend 74

76 voorbeeld, minimaliseer het waarschuwen tegen seculiere invloeden richting de jongeren, maar ontmasker daarentegen de seculiere cultuur op een radicale wijze en communiceer dit in eenvoudige bewoordingen. Opvoeders binnen de drieslag moeten de vonk bij het vuur halen om nieuw licht te ontsteken in de actuele duisternis (Potok, 2011). Dat is, om met Lanser te spreken, creatieve actualisatie in een dynamisch reformatorisch perspectief. 75

77 5.0 Verder onderzoek 5.1 Veldonderzoek Een meerderheid van de bestaande studies over de identiteitsontwikkeling zijn kwantitatief van aard en zijn vooral gericht op categorisering, dit heeft geresulteerd in een gebrek aan algemene informatie over de unieke en gedifferentieerde geleefde werkelijkheid van jongeren. Verschillende onderzoekers noemen dat de meeste studies weinig aandacht besteden aan de verhalen van jongeren zelf, in hun specifieke situatie en met hun persoonlijke ervaringen (Visser en Westerink, 2012). Een kwalitatieve benadering stelt onderzoekers in staat om de problematiek te bestuderen op een verkennende manier. Bertram-Troost (2006) stelt dat kwantitatieve studies over religieuze identiteitsontwikkeling van belang zijn, maar het moet niet alleen bij kwantitatieve studies blijven. Het uitvoeren van een kwalitatief onderzoek houdt beter rekening met het levensverhaal van de religieuze jongeren (Good and Willoughby, 2007, in: Visser en Westerink, 2012). Een expliciete opname van hun levensverhalen in het onderzoek is nodig om tot een betrouwbaar begrijpen (Verstehen) te komen waarom deze jongeren zo sterk verschillen van hun reguliere tegenhangers in de moderne samenleving. Ons onderzoek laat zien dat het scharnierpunt tussen stadium 3 en stadium 4 in het schema van J.W. Fowler van groot belang is voor de identiteitsontwikkeling bij jongeren. Op dit punt reflecteert de jongere op het samenspel tussen gezin, kerk en school en constateert dat 1. de persoonlijke geloofsbeleving correleert met de geloofsbeleving en praxis in gezin, kerk en school, deze geloofsbeleving wordt dan (na een eventueel conflict) bij de jongere gecontinueerd en geëigend óf 2. er vindt op dit scharnierpunt -tussen heteronomie en autonomie- een (loyaliteits) conflict plaats tussen de jongere enerzijds en het gezin, kerk en school anderzijds. Het zou wenselijk zijn om bij 5 tot 10 mbo-jongeren tussen de 16 en 20 jaar, die voldoen aan de vier criteria van orthopraxie en geschaard worden onder de categorie verbinders (Fieret, 2.4.7) en niet verder zijn gekomen dan stadium 2 of 3 in het model van Fowler, veldonderzoek te verrichten naar de wijze waarop deze jongeren participeren in de samenleving en welke invloed de samenleving heeft op hun religieuze identiteitsontwikkeling. De onderzoeker heeft de taak om een aantal maanden intensief te participeren in de leefwereld van deze jongeren en hen te confronteren met stadium 4: de onderzoeker creëert en organiseert creatieve actualisatie. In het veldonderzoek wordt de aard van de processen die plaatsvinden bij deze confrontatie inzichtelijk gemaakt. Tevens moet worden onderzocht welke invloed deze denkprocessen hebben op de identiteitsontwikkeling en tot slot wordt gekeken wat er op dit scharnierpunt gebeurt ten opzichte van de interpretatie van de eigen traditie. De uitkomsten van dit onderzoek dienen ter ondersteuning voor de opvoeders binnen de drieslag gezin, kerk en school. Het is mogelijk dat dit een herbezinning op gang brengt over de wijze van continuering en eigening van de reformatorische traditie voor de volgende (v)mbo generatie. 5.2 Onderzoek vanuit kenniscentrum Hoornbeeck College Uit ons onderzoek blijkt dat er een gapende kloof is over de geloofsbeleving- en praxis tussen enerzijds de opvoeders van de drieslag en anderzijds de reformatorische jongeren. Uit het onderzoek van Fieret (2012, op verzoek in te zien) blijkt dat een groot deel van jongeren zichzelf schaart onder 76

78 de categorie verbinders. Het is aannemelijk dat deze jongeren zichzelf ook classificeren als orthoprax (Visser en Westerink, 2012). Terwijl volgens de formulering van Fieret deze jongeren vallen onder schakelaars en volgens de formulering van Visser en Westerink als niet-orthoprax (2.4.11). Onderzoek zou moeten uitwijzen welke factoren verantwoordelijk zijn voor het veroorzaken van deze disbalans in het classificatieverschil. 5.3 Onderzoek naar waarborging van de reformatorische traditie Dit onderzoek veronderstelt dat veranderen en voorzichtig enige aanpassingen uitvoeren binnen de drie componenten noodzakelijk is, om toch de kern van de reformatorische traditie voor de komende generatie te bewaren. Nader onderzoek zou inzichtelijk moeten maken waar- en op welke wijze in de traditie veranderingen en enige aanpassingen uitgevoerd kunnen worden. Op deze wijze wordt duidelijk wat er nodig is om enerzijds de reformatorische traditie te behoeden voor een bepaalde gefossiliseerdheid en anderzijds voor traditieloosheid. Om zodoende een dynamische traditie te kunnen creëren en te waarborgen voor de volgende generatie. 5.4 Onderzoek naar curriculumm van het vak burgerschap In paragraaf 2.2 wordt ingegaan op de benaderingen van religieuze educatie volgens de theorie Michael Grimmitt. Dit onderzoek laat het vak burgerschap buiten beschouwing. Bij nader onderzoek zou het wenselijk zijn om het curriculum van het vak burgerschap te onderzoeken en toe te passen op de onderwijsstrategieën van Grimmitt. Hypothetisch gezien zouden de onderwijsstrategieën learning about en learning from bij het vak burgerschap in meerdere mate van toepassing zijn in vergelijking met het curriculum godsdienst. 77

79 6.0 Bibliografie Alii, E.T., Godsdienst pedagogiek, dimensies en spanningsvelden, Meinema, Zoetermeer, 2009 Almond, G., Appleby, R., Sivan, E., Strong religion: The rise of fundamentalism around the world, Chicago, University Press, 2003 Augustinus, A., Belijdenissen, Ambo, 2007 Baarda, B.M., Goede, M.P.M. de, Basisboek methoden en technieken: praktische handleiding voor het opzetten en uitvoeren van onderzoek, Houten, 1997 Baarda, B.M., Goede, M.P.M. de, en Teunissen, J., Basisboek kwalitatief onderzoek: praktische handleiding voor het opzetten en uitvoeren van kwalitatief onderzoek, Houten, 1997 Baars-Blom, M.J., De onschuld voorbij, Kok, Kampen, 2006 Bertram-Troost, G., Geloven in bijzonder onderwijs : levensbeschouwelijke identiteitsontwikkeling van adolescenten in het voortgezet onderwijs, Boekencentrum, Zoetermeer, 2006 Bertram-Troost, G., Miedema S. e.a., Levensbeschouwelijk leren samenleven. Opvoeding, Identiteit & Ontmoeting, Meinema, Zoetermeer, 2006 Bisschop, R., e.a., De eeuw in het hart, de bevindelijk gereformeerden op weg naar de eenentwintigste eeuw, Den Hertog, Houten, 1998 Brown, B.B., Mounts, N., Lamborn, S.D. & Steinberg, L., Parenting practices and peer group affiliation in adolescence, p. 64, , 1993 Fowler, J.W., Stages of Faith: The Psychology of Human Development and the Quest for Meaning, Emory University, USA, 1981 Hart, J. de, Dekker, P., Kerken in de Nederlandse civil society. In: Geloven in het publieke domein: p , Amsterdam/Den Haag, 2006 Haspels, N. E., Binding en Verbond. Gewenste en veronderstelde betrokkenheid bij de kerkelijke gemeente, Kok, Kampen, 1999 Horst, W. ter, Wijs me de weg. Opvoeding in een post-christelijke samenleving. Een boek voor opvoeders in gezin, school en kerk, Kok, Kampen,

80 Hunter, J.D., Culture wars: The struggle to define America, Basic Books, New York, 1991 Janse, C.S.L., Bewaar het pand, de spanning tussen assimilatie en persistentie bij de emancipatie van de bevindelijk gereformeerden, Den Hertog, Houten, 1985 Mackay, E., In de Spiegel van de tijd, Driestar-Educatief, 2010 Mackay, E., Gedenkstenen in de Jordaan. Opstellen over geschiedenis traditie en cultuur, Groen, Heerenveen, 2000 Meurs-Lambregts, Loslaten? of Vasthouden! Tussenrapportage jeugdonderzoek tussen eigentijd(s) en traditie, Woerden, Jeugdbond Gereformeerde Gemeenten 2006 Potok, Chaim, Mijn naam is Asjer Lev, Brandaan, Barneveld, 2011 Silverman, D., Interpreting Qualitative Data: Methods for Analysing Talk, Text and Interaction, New Delhi, 2001 Stoffels, H.C., Als een briesende leeuw, Orthodox-protestanten in de slag met de tijdgeest, Kok, Kampen, 1995 Stoffels, H.C., The roaring lion strikes again: Modernity vs. Dutch Orthodox Protestantism (via googlebooks.com), 2000 Yin, R.K., Case study research: design and methods, Sage Publishing, Thousand Oaks, 1994 Artikelen: Altemeyer, B., Hunsberger, B., A revised religious fundamentalism scale: The short and sweet of it, The International Journal for the Psychology of Religion 14 Ji, C.C., and Ibrahim, Y., Islamic doctrinal orthodoxy and religious orientations: Scale development and validation, The International Journal of Psychology of Religion 17, Kelliher, F., Interpretivism and the pursuit of research legitimisation: an integrated approach to single case design. In: The electronic journal of business research methodology, 2005 Riesebrodt, M., Fundamentalism and the resurgence of religion, Numen 47, BRILL, Leiden, 2000 Straughn, H. K., Interview met J.W. Fowler, vertaald door Lex van Dijk, 2006 Thoomes, D., Godsdienst, cultuur en opvoeding, in: Narthex, tijdschrift voor levensbeschouwing en educatie, jaargang 2, nr. ¾ augustus 2002, p Vogel, E., Westerink, J., Developing a Framework for Research on Religious Identity Development of Highly Committed Adolescents, in: Religious Education: The official journal of the Religious Education Association, april

81 Websites: KleinJan, G.J., Een pesthekel aan moralisme, 14 september

82 7.0 Bijlagen Bijlage I Enquête Persoonlijk Geslacht * Wat is je geboortejaar? * Welke opleiding volg je? * Welk niveau? * Welk leerjaar? * Gezinsgrootte (incl. vader en/of moeder) * Kerk en Gemeente Van welk kerkverband ben je lid? * Enquête Belangrijk: Deze enquête wordt anoniem verwerkt. man vrouw Hoe vaak ga je naar de kerk per zondag? * Waarom ga jij naar de kerk? * Ben je actief in de gemeente? * Zo ja, hoe? Denk je dat je bij het kerkverband blijft, waar je nu lid bent? * Uit gewoonte Uit verlangen ja nee ja nee (denk alleen voor jezelf en weeg niet mee of je vriend(in) uit een ander kerkverband komt en dat je later mogelijk naar zijn of haar kerk gaat) Zo ja, waarom? Zo nee, waarom? en naar welk kerkverband zou je dan gaan? * 81

DE COMPETENTIES VAN DE PREDIKANT EN DE GEESTELIJK VERZORGER

DE COMPETENTIES VAN DE PREDIKANT EN DE GEESTELIJK VERZORGER DE COMPETENTIES VAN DE PREDIKANT EN DE GEESTELIJK VERZORGER De PThU kent twee competentieprofielen, die voor de gemeentepredikant en die voor de geestelijk verzorger. Ze verschillen in onderdelen, maar

Nadere informatie

Voorwoord. IJsselmuiden, 16 juni 1999. Jan Haveman

Voorwoord. IJsselmuiden, 16 juni 1999. Jan Haveman Voorwoord Het is maar goed dat het maken van een doctoraalscriptie gebonden is aan een bepaalde hoeveelheid weken. Dat zet tenminste wat druk op de ketel om op een gegeven moment toch maar te beginnen

Nadere informatie

Geestelijk Klimaat onze identiteit. Pagina 1

Geestelijk Klimaat onze identiteit. Pagina 1 Geestelijk Klimaat onze identiteit Pagina 1 Adresgegevens Stichting Hervormde Scholen De Drieslag Lange Voren 88 3773 AS Barneveld Contactgegevens Dhr. A. van den Berkt (Algemeen Directeur) Telefoon: 0342-478243

Nadere informatie

Inspectie RK Godsdienst Griet Liebens 0486/724946 griet.liebens@telenet.be

Inspectie RK Godsdienst Griet Liebens 0486/724946 griet.liebens@telenet.be 1 inspectie-begeleiding RK godsdienst basisonderwijs Tulpinstraat 75 3500 Kiewit-Hasselt 011 264408 godsdienstbao@dodhasselt.be Collegiale consultatie Godsdienst Lager onderwijs Rijkhoven Kleine Spouwen

Nadere informatie

Grondslag Stichting tot Oprichting en instandhouding van Scholen voor Christelijk Onderwijs te Schoonhoven

Grondslag Stichting tot Oprichting en instandhouding van Scholen voor Christelijk Onderwijs te Schoonhoven Grondslag Stichting tot Oprichting en instandhouding van Scholen voor Christelijk Onderwijs te Schoonhoven Naam: Grondslag Stichting tot Oprichting en instandhouding van Scholen voor Christelijk Onderwijs

Nadere informatie

Op reis door het rijk der Letteren en der Godgeleerdheid

Op reis door het rijk der Letteren en der Godgeleerdheid History Christiane Simone Stadie Op reis door het rijk der Letteren en der Godgeleerdheid Herinneringen van mijne academiereis in 1843 (Abraham Des Amorie van der Hoeven Jr.) Seminar paper Christiane

Nadere informatie

Vormgeving christelijke identiteit binnen PricoH

Vormgeving christelijke identiteit binnen PricoH Stoekeplein 8a 7902 HM Hoogeveen tel.: 0528-234494 info@pricoh.nl www.pricoh.nl PricoH heeft acht christelijke basisscholen onder haar beheer. Binnen deze acht scholen werken ruim 200 medewerkers, in diverse

Nadere informatie

Identiteitsnotitie Protestants Christelijke Basisschool De Schakel te Vinkeveen.

Identiteitsnotitie Protestants Christelijke Basisschool De Schakel te Vinkeveen. Identiteitsnotitie Protestants Christelijke Basisschool De Schakel te Vinkeveen. 1. Inleiding: Middels deze notitie proberen we op een herkenbare en duidelijke manier uiting te geven aan de identiteit

Nadere informatie

in verbinding schoolplan 2012-2016

in verbinding schoolplan 2012-2016 in verbinding schoolplan 2012-2016 Onze kernwaarden Zo werken we samen Verantwoording Visie Verantwoordelijkheid Verbinding Vertrouwen Vrijheid Waarom zijn we er? De Jacobus Fruytier scholengemeenschap

Nadere informatie

Morele vorming in het voortgezet onderwijs Een peiling onder leidinggevenden en ouders

Morele vorming in het voortgezet onderwijs Een peiling onder leidinggevenden en ouders Morele vorming in het voortgezet onderwijs Een peiling onder leidinggevenden en ouders Auteurs: Drs. G. van der Meulen Referentie: WvdJ/SL 11.0426 Datum: maart 2007 Het lectoraat Morele vorming in het

Nadere informatie

. De school uitgangspunten en visie. 1.1. Naam en logo. De naam Rehoboth komt uit de Bijbel (Genesis 26:22).

. De school uitgangspunten en visie. 1.1. Naam en logo. De naam Rehoboth komt uit de Bijbel (Genesis 26:22). . De school uitgangspunten en visie 1.1. Naam en logo De naam Rehoboth komt uit de Bijbel (Genesis 26:22). Het betekent: de Heer heeft ons ruimte gemaakt. De Heer geeft ruimte om in vrede en liefde met

Nadere informatie

Nederlandse Samenvatting

Nederlandse Samenvatting Nederlandse Samenvatting De Protestantse Kerk in Nederland (PKN) onderhoudt middels de organisaties Kerk in Actie (KiA) en ICCO Alliantie contacten met partners in Brazilië. Deze studie verkent de onderhandelingen

Nadere informatie

Kerndoelen Godsdienstige / Levensbeschouwelijke vorming (GL) Uitgewerkt voor protestants-christelijk basisonderwijs

Kerndoelen Godsdienstige / Levensbeschouwelijke vorming (GL) Uitgewerkt voor protestants-christelijk basisonderwijs Besturenraad heet sinds 21 mei 2014 Verus. Deze publicatie is geschreven voor deze datum. Het kan zijn dat verwijzingen niet kloppen. Heeft u vragen? Neem gerust contact met ons op. Kerndoelen Godsdienstige

Nadere informatie

Manifest Christelijke Kinderopvang Beschrijving van de levensbeschouwelijke en pedagogische uitgangspunten

Manifest Christelijke Kinderopvang Beschrijving van de levensbeschouwelijke en pedagogische uitgangspunten Manifest Christelijke Kinderopvang Beschrijving van de levensbeschouwelijke en pedagogische uitgangspunten Oktober 2015 Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding 03 Hoofdstuk 2 Basiskenmerken en specifieke kenmerken

Nadere informatie

Juist in het openbaar onderwijs

Juist in het openbaar onderwijs Juist in het openbaar onderwijs Over de aandacht voor levensbeschouwing op de openbare school Legitimatie MARLEEN LAMMERS Wie denkt dat het openbaar onderwijs geen aandacht mag besteden aan levensbeschouwing,

Nadere informatie

Geloven in Scholen met de Bijbel

Geloven in Scholen met de Bijbel Geloven in Scholen met de Bijbel Inleiding Wij willen in onze scholen samenwerken met Gereformeerde Scholen zijn opgericht door ouders vanuit christenen die, net als wij, willen leven naar de Gereformeerde

Nadere informatie

Handreiking bij een spirituele zoektocht.

Handreiking bij een spirituele zoektocht. Handreiking bij een spirituele zoektocht. Deze handreiking hoort bij: Oud- en nieuw- katholiek. De spirituele zoektocht van die andere katholieken. Door Joris Vercammen. Valkhof pers 2011. Het boek is

Nadere informatie

INFORMATIE OVER HET GEBRUIK VAN KINDERBIJBELS VOOR GEZINNEN MET JONGE KINDEREN

INFORMATIE OVER HET GEBRUIK VAN KINDERBIJBELS VOOR GEZINNEN MET JONGE KINDEREN INFORMATIE OVER HET GEBRUIK VAN KINDERBIJBELS VOOR GEZINNEN MET JONGE KINDEREN OVER KINDERBIJBELS OM TE BEGINNEN Als je een kinder- of jeugdbijbel aan wilt schaffen dan is het heel belangrijk dat je eerst

Nadere informatie

Voorwoord. Om belanghebbenden zoals medewerkers, cliënten en externe relaties hierover te informeren is dit Statuut Identiteit opgesteld.

Voorwoord. Om belanghebbenden zoals medewerkers, cliënten en externe relaties hierover te informeren is dit Statuut Identiteit opgesteld. Statuut Identiteit Dit statuut is door de Raad van Bestuur d.d. 22 november 2010 vastgesteld en is de leidraad voor het doen en laten binnen de organisatie. Voorwoord RST Zorgverleners laat zich bij al

Nadere informatie

SOCIALE EN BURGERSCHAPSCOMPETENTIE

SOCIALE EN BURGERSCHAPSCOMPETENTIE Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs Guimardstraat 1, 1040 Brussel SOCIALE EN BURGERSCHAPSCOMPETENTIE Algemene vorming op het einde van de derde graad secundair onderwijs Voor de sociale

Nadere informatie

CHRISTELIJKE IDENTITEIT IN DEZE TIJD

CHRISTELIJKE IDENTITEIT IN DEZE TIJD CHRISTELIJKE IDENTITEIT IN DEZE TIJD Beleidsnotitie over de christelijke identiteit van de protestants-christelijke basisscholen verenigd in de Stichting Christelijk Primair Onderwijs Betuwe (CPOB). I.

Nadere informatie

Visiedocument. Kinderen leren

Visiedocument. Kinderen leren Visiedocument Kinderen leren 0. Inleiding en inhoud...3 1. Aanleiding en introductie...3 2. Onderbouwing...3 BIJBELSTHEOLOGISCH...3 PRAKTISCH-THEOLOGISCH...4 ONTWIKKELINGSPYSCHOLOGISCH...5 PEDAGOGISCH...5

Nadere informatie

Naar een beleidsplan voor de PG Lemmer

Naar een beleidsplan voor de PG Lemmer Naar een beleidsplan voor de PG Lemmer Inleiding In de komende maanden willen we als kerkenraad een beleidsplan opstellen voor de komende vijf jaar. Iedereen die op dit moment op de één of andere manier

Nadere informatie

Notitie godsdienstige/levensbeschouwelijk vorming Alpha Scholengroep

Notitie godsdienstige/levensbeschouwelijk vorming Alpha Scholengroep Notitie godsdienstige/levensbeschouwelijk vorming Alpha Scholengroep Een aantal jaren geleden is de OMEGA-groep (studenten van Hogeschool Zeeland) van start gegaan met een onderzoekstraject op enkele Alphascholen.

Nadere informatie

Methoden van het Wetenschappelijk Onderzoek: Deel II Vertaling pagina 83 97

Methoden van het Wetenschappelijk Onderzoek: Deel II Vertaling pagina 83 97 Wanneer gebruiken we kwalitatieve interviews? Kwalitatief interview = mogelijke methode om gegevens te verzamelen voor een reeks soorten van kwalitatief onderzoek Kwalitatief interview versus natuurlijk

Nadere informatie

Aanmeldingsformulier schooljaar 2016/2017

Aanmeldingsformulier schooljaar 2016/2017 Aanmeldingsformulier schooljaar 2016/2017 Klas q 1 q 2 q 3 q 4 q 5 q 6 Leerlingnummer (in te vullen door school) q VMBO-basisberoepsgerichte Dit vak alleen invullen bij aanmelding voor leerjaar 3 t/m 6

Nadere informatie

Identiteitsdocument Sprank

Identiteitsdocument Sprank Identiteitsdocument Sprank Christenen in hart en zorg Vanuit Gods liefde, zorgen wij voor elkaar. GOD Dit doen we samen met je familie en vrienden. Jij mag rekenen op een veilig thuis. Vragen over jouw

Nadere informatie

Profielschets. van de te beroepen Predikant(e) Protestantse Gemeente De Hoeksteen. te Schoonhoven en Willige Langerak

Profielschets. van de te beroepen Predikant(e) Protestantse Gemeente De Hoeksteen. te Schoonhoven en Willige Langerak Profielschets van de te beroepen Predikant(e) Protestantse Gemeente De Hoeksteen te Schoonhoven en Willige Langerak Beknopt profiel van de burgerlijke gemeente Schoonhoven De historische stad Schoonhoven

Nadere informatie

Geloof Hoop - Liefde. Inspirerend onderwijs Identiteitsnotitie Stichting Fluenta

Geloof Hoop - Liefde. Inspirerend onderwijs Identiteitsnotitie Stichting Fluenta Geloof Hoop - Liefde Inspirerend onderwijs Identiteitsnotitie Stichting Fluenta 2011 De liefde is geduldig en vol goedheid. De liefde kent geen afgunst, geen ijdel vertoon en geen zelfgenoegzaamheid. Ze

Nadere informatie

WAAROM KATHOLIEK ONDERWIJS? Frans Holtkamp

WAAROM KATHOLIEK ONDERWIJS? Frans Holtkamp WAAROM KATHOLIEK ONDERWIJS? Frans Holtkamp Waarom katholiek onderwijs, door: Frans Holtkamp (versie: 13-11-2009) 1 WAAROM KATHOLIEK ONDERWIJS? Deze bijlage bestaat uit twee delen: een leestekst en een

Nadere informatie

Het leven leren. De theorie en visie achter het levo lesmateriaal

Het leven leren. De theorie en visie achter het levo lesmateriaal Het leven leren De theorie en visie achter het levo lesmateriaal Waar gaat kaderdocument Het leven leren (2003) over? De levensbeschouwelijke ontwikkeling èn beroepsethische vorming van onderwijsdeelnemers

Nadere informatie

Een boog van solidariteit: vrijwilligerswerk

Een boog van solidariteit: vrijwilligerswerk Een boog van solidariteit: vrijwilligerswerk Inleiding De tekst die voor jou ligt, verduidelijkt onze visie bij het organiseren van vrijwilligerswerk in het buitenland. We sturen je niet zo maar naar het

Nadere informatie

Meisleiding van het Brein Het Fundamentalisme. Prof. John A. Dick

Meisleiding van het Brein Het Fundamentalisme. Prof. John A. Dick Meisleiding van het Brein Het Fundamentalisme Prof. John A. Dick Inleiding 1. Een Amerikaan in Vlaanderen 2. Sprekend over het fundamentalisme kan verrassingen brengen 3. Fundamentalisme verschijnt soms

Nadere informatie

Ik geloof, geloof ik. Levensbeschouwelijk dossier Griftland college Bovenbouw. Mijn naam en klas:

Ik geloof, geloof ik. Levensbeschouwelijk dossier Griftland college Bovenbouw. Mijn naam en klas: Ik geloof, geloof ik Levensbeschouwelijk dossier Griftland college Bovenbouw Mijn naam en klas: Bezinningsmomenten In de godsdienstlessen stonden de afgelopen jaren verhalen centraal en de verschillende

Nadere informatie

Doel van Bijbelstudie

Doel van Bijbelstudie Bijbelstudie Hebreeën 4:12 Want het woord Gods is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard en het dringt door, zó diep, dat het vaneen scheidt ziel en geest, gewrichten en merg, en het

Nadere informatie

Een verbindende schoolcultuur op multiculturele scholen. Presentatie ORD 6 juni 2007 Peter Gramberg, Onderwijsraad

Een verbindende schoolcultuur op multiculturele scholen. Presentatie ORD 6 juni 2007 Peter Gramberg, Onderwijsraad Een verbindende schoolcultuur op multiculturele scholen Presentatie ORD 6 juni 2007 Peter Gramberg, Onderwijsraad Hoofdvraag advies: Hoe kan op multiculturele scholen een schoolcultuur tot stand komen

Nadere informatie

Portfolio Cursus Godsdienstige en Pedagogische Vorming W E T E N & B E L I J D E N

Portfolio Cursus Godsdienstige en Pedagogische Vorming W E T E N & B E L I J D E N Portfolio Cursus Godsdienstige en Pedagogische Vorming W E T E N & B E L I J D E N Voor docenten in het reformatorisch voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs naam: school: cursusjaren: Portfolio

Nadere informatie

Samenvatting (Summary in Dutch)

Samenvatting (Summary in Dutch) Samenvatting (Summary in Dutch) Het aantal eerste en tweede generatie immigranten in Nederland is hoger dan ooit tevoren. Momenteel wonen er 3,2 miljoen immigranten in Nederland, dat is 19.7% van de totale

Nadere informatie

Eindexamen filosofie vwo 2011 - I

Eindexamen filosofie vwo 2011 - I Beoordelingsmodel Opgave 1 Het bestaan van God en het voortbestaan van religie 1 maximumscore 3 een uitleg hoe het volgens Anselmus mogelijk is dat Pauw en Witteman het bestaan van God ontkennen: het zijn

Nadere informatie

Inhoudsopgave. Voorwoord 5. Inleiding 11

Inhoudsopgave. Voorwoord 5. Inleiding 11 Inhoudsopgave Voorwoord 5 Inleiding 11 1 Eerste verkenning 15 1.1 Waarom is kennis van religie belangrijk voor journalisten? 16 1.2 Wat is religie eigenlijk? 18 1.2.1 Substantieel en functioneel 18 1.2.2

Nadere informatie

Werkgroep Spirituele Zorg binnen de Palliatieve Zorg Regio Zuid-Gelderland

Werkgroep Spirituele Zorg binnen de Palliatieve Zorg Regio Zuid-Gelderland September 2011 Werkgroep Spirituele Zorg binnen de Palliatieve Zorg Regio Zuid-Gelderland Beleidsplan : Samenwerken aan Spirituele Zorg binnen de Palliatieve Zorg I. Achtergrond De palliatieve zorg ontwikkelt

Nadere informatie

Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods

Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods Romeinen 10: 17 Toelichting op de gang van zaken in de eredienst Informatie voor onze gasten Op pagina 4 vindt u de volgorde van de

Nadere informatie

IDENTITEITSBELEID. Christelijke Basisschool PRINS WILLEM ALEXANDERSCHOOL

IDENTITEITSBELEID. Christelijke Basisschool PRINS WILLEM ALEXANDERSCHOOL IDENTITEITSBELEID Christelijke Basisschool PRINS WILLEM ALEXANDERSCHOOL Identiteitsbeleid 1.2 definitief AB 14 december 2009 1 1. Visie en missie De Prins Willem Alexanderschool is een school die haar

Nadere informatie

Onderzoeksopzet. Marktonderzoek Klantbeleving

Onderzoeksopzet. Marktonderzoek Klantbeleving Onderzoeksopzet Marktonderzoek Klantbeleving Utrecht, september 2009 1. Inleiding De beleving van de klant ten opzichte van dienstverlening wordt een steeds belangrijker onderwerp in het ontwikkelen van

Nadere informatie

SKPO Profielschets Lid College van Bestuur

SKPO Profielschets Lid College van Bestuur SKPO Profielschets Lid College van Bestuur 1 Missie, visie SKPO De SKPO verzorgt goed primair onderwijs waarbij het kind centraal staat. Wij ondersteunen kinderen om een stap te zetten richting zelfstandigheid,

Nadere informatie

Het onderwijsprogramma van de opleidingen Pedagogiek mei 2013

Het onderwijsprogramma van de opleidingen Pedagogiek mei 2013 Bijlage 7: Het onderwijsprogramma van de opleidingen Pedagogiek mei 2013 Visie opleidingen Pedagogiek Hogeschool van Amsterdam Wij dragen als gemeenschap en daarom ieder van ons als individu, gezamenlijk

Nadere informatie

STRIJD OM JE IDENTITEIT

STRIJD OM JE IDENTITEIT STRIJD OM JE IDENTITEIT BIJBELSTUDIE VGSU BLOK 4 2010-2011 INHOUD Inleiding... 5 Avond 1... 6 Avond 2... 8 Avond 3... 10 Avond 4... 11 3 4 INLEIDING We zijn snel geneigd om onze identiteit te halen uit

Nadere informatie

Missie school Vanuit onze visie op het onderwijs volgt onze missie met BRON-waarden:

Missie school Vanuit onze visie op het onderwijs volgt onze missie met BRON-waarden: Missie en visie Basisschool met de Bijbel Bij de Bron is één van de tien scholen uitgaande van de Vereniging tot Stichting en Instandhouding van Scholen voor Christelijk Nationaal Schoolonderwijs te Putten.

Nadere informatie

De meerwaarde van het contextueel denkkader binnen de ouderenzorg

De meerwaarde van het contextueel denkkader binnen de ouderenzorg De meerwaarde van het contextueel denkkader binnen de ouderenzorg Claire Meire 2014 Een sterveling draagt zijn ouders op zijn schouders. Of niet op zijn schouders. In zijn binnenste. Zijn leven lang moet

Nadere informatie

Beleidsplan Hervormde Gemeente. s Grevelduin- en Vrijhoeve-Capelle 2014-2018

Beleidsplan Hervormde Gemeente. s Grevelduin- en Vrijhoeve-Capelle 2014-2018 Beleidsplan Hervormde Gemeente s Grevelduin- en Vrijhoeve-Capelle 2014-2018 Preambule op basis van het Convenant Algemeen De Hervormde Gemeente van s Grevelduin- en Vrijhoeve-Capelle vormt een gemeenschap,

Nadere informatie

Profilering derde graad

Profilering derde graad Profilering derde graad De leerling heeft in de eerste en de tweede graad de gelegenheid gehad om zijn of haar interesses te ontdekken. Misschien heeft hij of zij al enig idee ontwikkeld over toekomstige

Nadere informatie

Gereformeerd onderwijs 2.0

Gereformeerd onderwijs 2.0 Gereformeerd onderwijs 2.0 Eindrapport werkgroep Toekomst gereformeerd onderwijs Noord-Nederland Opdrachtgever: bestuur Noorderbasis, bestuur GBS De Wierde, bestuur GBS Eben Haëzer, bestuur VGSO, bestuur

Nadere informatie

Inhoud. Vechten voor wie je bent! Illustratie van een docent 11

Inhoud. Vechten voor wie je bent! Illustratie van een docent 11 Inhoud Vechten voor wie je bent! Illustratie van een docent 11 Leidinggevende wie ben je? Inleiding op het centrale thema 13 Dolf van den Berg, namens alle auteurs en andere betrokkenen Wie is het die

Nadere informatie

Dagelijkse activiteiten van ouder wordende echtparen: veranderingen bij achteruitgang van de gezondheid

Dagelijkse activiteiten van ouder wordende echtparen: veranderingen bij achteruitgang van de gezondheid Samenvatting Samenvatting Dagelijkse activiteiten van ouder wordende echtparen: veranderingen bij achteruitgang van de gezondheid In de komende jaren zullen meer echtgenoten samen oud worden en zelfstandig

Nadere informatie

Kenniskring leiderschap in onderwijs. Voorbeeld onderzoek in eigen organisatie

Kenniskring leiderschap in onderwijs. Voorbeeld onderzoek in eigen organisatie Kenniskring leiderschap in onderwijs Voorbeeld onderzoek in eigen organisatie Onderzoek doen Wie aanwezig? Wat wilt u weten? Beeld / gedachte / ervaring Praktijkonderzoek in de school = Onderzoek dat wordt

Nadere informatie

Identiteitsprofiel. van het personeel in dienst bij. Stichting voor Onderwijs op Reformatorische Grondslag. te Amersfoort

Identiteitsprofiel. van het personeel in dienst bij. Stichting voor Onderwijs op Reformatorische Grondslag. te Amersfoort Identiteitsprofiel van het personeel in dienst bij de Stichting voor Onderwijs op Reformatorische Grondslag te Amersfoort Identiteitsprofiel Opdracht Het reformatorisch onderwijs ziet het als zijn opdracht

Nadere informatie

SECTORWERKSTUK 2013-2014

SECTORWERKSTUK 2013-2014 SECTORWERKSTUK 2013-2014 1 HET SECTORWERKSTUK Het sectorwerkstuk is een verplicht onderdeel voor alle leerlingen uit het Mavo. Het maken van een sectorwerkstuk is een manier waarop je, als eindexamenkandidaat,

Nadere informatie

Motieven 1: Een wereld

Motieven 1: Een wereld Motieven 1: Een wereld Doelstellingen: Doel eerste subthema Een wereld om vrij te zijn De catechisanten leren inzien dat vrijheid in Bijbelse zin bij het leven van mensen hoort en ze vormen een mening

Nadere informatie

Verschillen in geloven. Over geloofsopvoeding als je verschillend gelooft. Mogelijkheden voor twee soorten bijeenkomsten

Verschillen in geloven. Over geloofsopvoeding als je verschillend gelooft. Mogelijkheden voor twee soorten bijeenkomsten Verschillen in geloven Over geloofsopvoeding als je verschillend gelooft Verschillen in geloven is een themaboekje uit de serie Zijsprong. Deze serie hoort bij het bewaarmagazine Spring, opvoeden en geloven

Nadere informatie

Een brede kijk op onderwijskwaliteit Samenvatting

Een brede kijk op onderwijskwaliteit Samenvatting Een brede kijk op onderwijskwaliteit E e n o n d e r z o e k n a a r p e r c e p t i e s o p o n d e r w i j s k w a l i t e i t b i n n e n S t i c h t i n g U N 1 E K Samenvatting Hester Hill-Veen, Erasmus

Nadere informatie

Vragen pas gepromoveerde

Vragen pas gepromoveerde Vragen pas gepromoveerde dr. Maaike Vervoort Titel proefschrift: Kijk op de praktijk: rich media-cases in de lerarenopleiding Datum verdediging: 6 september 2013 Universiteit: Universiteit Twente * Kun

Nadere informatie

Pas op voor eenrichtingsverkeer bij evangelisatie

Pas op voor eenrichtingsverkeer bij evangelisatie Pas op voor eenrichtingsverkeer bij evangelisatie Voor de eerste christenen was evangelisatie een dagelijkse zaak. Hun ijver in de verspreiding van het evangelie zette de toenmalige wereld op zijn kop.

Nadere informatie

Land van de duizend bronnen

Land van de duizend bronnen Land van de duizend bronnen Henk Vermeulen Dit materiaal is onderdeel van het compendium christelijk leraarschap dat samengesteld is door het lectoraat Christelijk leraarschap van Driestar hogeschool.

Nadere informatie

BEOORDELINGSFORMULIER STAGES BACHELOR NIVEAU 3

BEOORDELINGSFORMULIER STAGES BACHELOR NIVEAU 3 Faculteit Geesteswetenschappen BEOORDELINGSFORMULIER STAGES BACHELOR NIVEAU 3 Onderstaand formulier betreft de beoordeling van het stageverslag en het onderzoeksverslag. Deze wordt door de begeleidende

Nadere informatie

levensbeschouwelijke identiteit van catent Scholen zijn als bomen Leven niet alleen Zonder grond en wortels Leeft geen school, niet één

levensbeschouwelijke identiteit van catent Scholen zijn als bomen Leven niet alleen Zonder grond en wortels Leeft geen school, niet één levensbeschouwelijke identiteit van catent Scholen zijn als bomen Leven niet alleen Zonder grond en wortels Leeft geen school, niet één De scholen van Catent - afzonderlijk en gezamenlijk - zijn als een

Nadere informatie

Koersplan - Geloof in de toekomst

Koersplan - Geloof in de toekomst Koersplan - Geloof in de toekomst Storytelling als innerlijk kompas De s8ch8ng hanteert het verhaal van Springmuis voor draagvlak en gemeenschappelijke taal. Springmuis gaat op reis naar het onbekende.

Nadere informatie

ACTIEF BURGERSCHAP EN SOCIALE INTEGRATIE

ACTIEF BURGERSCHAP EN SOCIALE INTEGRATIE Heutink ICT ACTIEF BURGERSCHAP EN SOCIALE INTEGRATIE op de C.B.S. De Bruinhorst 22-5-2012 Inhoudsopgave Inleiding 3 Pagina 1. Burgerschap op de Bruinhorstschool 3 2. Kerndoelen 3 3. Visie 4 4. Hoofddoelen

Nadere informatie

10 Masteropleiding Filosofie & Maatschappij

10 Masteropleiding Filosofie & Maatschappij 10 Masteropleiding Filosofie & Maatschappij 10.1 Inleiding Dit hoofdstuk bevat gedetailleerde informatie over de doelstellingen, eindkwalificaties en opbouw van de Masteropleiding Filosofie & Maatschappij.

Nadere informatie

Tot een geloofsgesprek komen. I Ontmoeten

Tot een geloofsgesprek komen. I Ontmoeten Tot een geloofsgesprek komen I Ontmoeten Het geloofsgesprek vindt plaats in een ontmoeting. Allerlei soorten ontmoetingen. Soms kort en eenmalig, soms met mensen met wie je meer omgaat. Bij de ontmoeting

Nadere informatie

Het functioneringsgesprek als stimulans in de beroepsidentiteit

Het functioneringsgesprek als stimulans in de beroepsidentiteit Het functioneringsgesprek als stimulans in de beroepsidentiteit A.J. Verwijs Dit materiaal is onderdeel van het compendium over christelijk leraarschap, van het lectoraat Christelijk leraarschap van Driestar

Nadere informatie

KIJKWIJZER COMMUNICEREN MET KINDEREN VOOR WETENSCHAPPERS

KIJKWIJZER COMMUNICEREN MET KINDEREN VOOR WETENSCHAPPERS KIJKWIJZER COMMUNICEREN MET KINDEREN VOOR WETENSCHAPPERS INLEIDING De kijkwijzer biedt de mogelijkheid om op gestructureerde wijze te reflecteren op een activiteit met kinderen. Hiermee kun je inzicht

Nadere informatie

Deel 1: Pedagogisch project Vrije Basisschool Lenteland

Deel 1: Pedagogisch project Vrije Basisschool Lenteland 1 ONZE SCHOOL en de SCHOLENGROEP ARKORUM Het katholiek basisonderwijs brengt al vele jaren een aanbod van kwalitatief onderwijs en opvoeding aan kleuters en leerlingen in de regio Roeselare- Ardooie. In

Nadere informatie

Voorstel van de Taakgroep Vernieuwing Basisvorming voor nieuwe kerndoelen onderbouw VO

Voorstel van de Taakgroep Vernieuwing Basisvorming voor nieuwe kerndoelen onderbouw VO Voorstel van de Taakgroep Vernieuwing Basisvorming voor nieuwe kerndoelen onderbouw VO Voorstel van de Taakgroep Vernieuwing Basisvorming voor nieuwe kerndoelen onderbouw VO Onderdeel van de eindrapportage

Nadere informatie

Franciscaans Studiecentrum

Franciscaans Studiecentrum Minor Christelijke spiritualiteit Cursus Het goede leven. Franciscaanse spiritualiteit over duurzaamheid, zorg en leiderschap Minor Christelijke Spiritualiteit Het (FSC) doet wetenschappelijk onderzoek

Nadere informatie

Adolescentiepsychologie

Adolescentiepsychologie Adolescentiepsychologie B I J E E N K O M S T 6 M O R E L E O N T W I K K E L I N G Redmar Oosterkamp ML00327 r.oosterkamp@hr.nl Doel vandaag D E S T U D E N T K A N : D E T H E O R I E VA N K O H L B

Nadere informatie

Evaluatierapport. Workshop. Bewust en positief omgaan met ADHD. Universiteit van Tilburg Forensische psychologie. 23 april 2010

Evaluatierapport. Workshop. Bewust en positief omgaan met ADHD. Universiteit van Tilburg Forensische psychologie. 23 april 2010 Evaluatierapport Workshop Bewust en positief omgaan met ADHD Universiteit van Tilburg Forensische psychologie 23 april 2010 Drs. Arno de Poorter (workshopleider) Drs. Anne van Hees (schrijver evaluatierapport)

Nadere informatie

Hoofdstuk 2: Kritisch reflecteren 2.1. Kritisch reflecteren: definitie Definitie: Kritisch reflecteren verwijst naar een geheel van activiteiten die

Hoofdstuk 2: Kritisch reflecteren 2.1. Kritisch reflecteren: definitie Definitie: Kritisch reflecteren verwijst naar een geheel van activiteiten die Hoofdstuk 2: Kritisch reflecteren 2.1. Kritisch reflecteren: definitie Definitie: Kritisch reflecteren verwijst naar een geheel van activiteiten die worden uitgevoerd om uit het gevonden bronnenmateriaal

Nadere informatie

Pedagogisch Beleidsplan CKO De Herberg

Pedagogisch Beleidsplan CKO De Herberg Pedagogisch Beleidsplan CKO De Herberg Hoofdstuk 1: Missie, visie en doelstellingen Voorwoord Onze Missie en Identiteit Onze Visie Pedagogische hoofddoelstellingen Een goed pedagogisch klimaat Hoofdstuk

Nadere informatie

Anders opvoeden. Opvoeden evolueert. Opvoeden in een multiculturele context.

Anders opvoeden. Opvoeden evolueert. Opvoeden in een multiculturele context. Kenniscentrum Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen Anders opvoeden. Opvoeden evolueert. Opvoeden in een multiculturele context. Naïma Lafrarchi EXPOO Brussel 10 december 2015 1 OVERZICHT - Inleiding

Nadere informatie

Presenteer je eigen onderzoek op de Mbo Onderzoeksdag op 12 november 2015!

Presenteer je eigen onderzoek op de Mbo Onderzoeksdag op 12 november 2015! Voorstellen voor onderzoekspresentaties Mbo Onderzoeksdag Presenteer je eigen onderzoek op de Mbo Onderzoeksdag op 12 november 2015! Indienen van een voorstel kan tot en met 15 mei 2015 via e-mailadres:

Nadere informatie

Christelijke spiritualiteit

Christelijke spiritualiteit Christelijke spiritualiteit Cursus Het goede leven. Minor Franciscaanse spiritualiteit over duurzaamheid, zorg en leiderschap Het (FSC) doet wetenschappelijk onderzoek naar de levensoriëntatie zoals die

Nadere informatie

Vriendschap, een digitale dimensie. De docent aan het. Social media in de les Wat willen leerlingen?

Vriendschap, een digitale dimensie. De docent aan het. Social media in de les Wat willen leerlingen? Vriendschap, een digitale dimensie De docent aan het woord Social media in de les Wat willen leerlingen? I like! Wanneer iemand zegt, I like, legt eigenlijk de grootste groep mensen toch wel de link met

Nadere informatie

1 Het sociale ontwikkelingstraject

1 Het sociale ontwikkelingstraject 1 Het sociale ontwikkelingstraject Tijdens de schoolleeftijd valt de nadruk sterk op de cognitieve ontwikkeling. De sociale ontwikkeling is in die periode echter minstens zo belangrijk. Goed leren lezen,

Nadere informatie

jeugd- en jongerenwerk 2011-2015

jeugd- en jongerenwerk 2011-2015 Beleidsgedachten jeugd- en jongerenwerk 2011-2015 Opgesteld door: Jeugdouderlingen: Thea van Dekken, Sybe Vrieswijk en Natasja de Wal Jeugd- en Jongerenwerker: Anne-Willem Hoekstra 1 Inleiding Vanuit de

Nadere informatie

PAMS Pakt Aan Maar Samen

PAMS Pakt Aan Maar Samen PAMS Pakt Aan Maar Samen Geloofsvorming is een zaak van allen. Wat feitjes: Gebleken is dat 85% van de gelovigen een keuze heeft gemaakt voor het 18de levensjaar. Evangelisatie en prediking richt zich

Nadere informatie

PROCESDOEL 2 MOREEL DENKEN TEGEN ONVERSCHILLIGHEID, VOOR BETROKKENHEID

PROCESDOEL 2 MOREEL DENKEN TEGEN ONVERSCHILLIGHEID, VOOR BETROKKENHEID PROCESDOEL 2 MOREEL DENKEN TEGEN ONVERSCHILLIGHEID, VOOR BETROKKENHEID Bijzondere procesdoelen 2.1 Exploreren, verkennen en integreren van waarden 2.2 Ontdekken van morele problemen 2.3 Ontwikkelen van

Nadere informatie

Pedagogisch fundament. handboek ikc leeuwarden

Pedagogisch fundament. handboek ikc leeuwarden Pedagogisch fundament handboek ikc leeuwarden pedagogisch fundament Inhoud Moreel kader IKC Leeuwarden Dit handboek is een hulpmiddel te komen tot een pedagogisch fundament voor een IKC s. Uitgangspunt

Nadere informatie

Eindexamen filosofie vwo 2011 - I

Eindexamen filosofie vwo 2011 - I Opgave 3 Vreemder dan alles wat vreemd is 12 maximumscore 3 de twee manieren waarop je vanuit zingevingsvragen religies kunt analyseren: als waarden en als ervaring 2 een uitleg van de analyse van religie

Nadere informatie

Vereniging tot het verstrekken van basisonderwijs op gereformeerde grondslag. Identiteitsprofiel

Vereniging tot het verstrekken van basisonderwijs op gereformeerde grondslag. Identiteitsprofiel Identiteitsprofiel Inhoudsopgave Opdracht... 1 Bijbel... 1 Drie Formulieren van Enigheid... 1 Kerk... 1 Toekomst... 2 Tien geboden... 2 De pedagogische opdracht en relaties... 4 Visie op de mens (en daarmee

Nadere informatie

Is een klas een veilige omgeving?

Is een klas een veilige omgeving? Is een klas een veilige omgeving? De klas als een vreemde sociale structuur Binnen de discussie dat een school een sociaal veilige omgeving en klimaat voor leerlingen moet bieden, zouden we eerst de vraag

Nadere informatie

Woord vooraf 7. 1. Inleiding 9

Woord vooraf 7. 1. Inleiding 9 Inhoud Inhoud Woord vooraf 7 1. Inleiding 9 2. Geschiedenis van het Jodendom 14 2.1. Van Abraham tot Christus 2.2. Van Herodes tot de Talmoedscholen 2.3. Van middeleeuwen tot verlichting 2.4. Van verlichting

Nadere informatie

Mijn ontdekkingstocht

Mijn ontdekkingstocht Mijn ontdekkingstocht Voordat ik je meeneem op een ontdekkingstocht, wil ik je eerst iets vertellen over de weg die ik zelf ben gegaan. Niet dat dat een heel bijzondere weg is, maar wellicht dat het je

Nadere informatie

Ruimte creëren. kennis, p. 17). De oplettende lezer ziet dat in het schema van deze negen aspecten deze ruimte wordt aangeduid met de woorden

Ruimte creëren. kennis, p. 17). De oplettende lezer ziet dat in het schema van deze negen aspecten deze ruimte wordt aangeduid met de woorden VERSLAG REACTIE 20 Over vermeende tegenstellingen die irrelevant zijn In het stuk van Piet van der Ploeg Pabo s varen blind op constructivisme (zie artikel op pagina 13) worden veel tegenstellingen geschetst.

Nadere informatie

ANBI publicatie Christelijke Gereformeerde Kerk te Den Helder

ANBI publicatie Christelijke Gereformeerde Kerk te Den Helder A. Algemene gegevens Naam ANBI: Christelijke Gereformeerde Kerk te Den Helder Telefoonnummer (facultatief): 0223-610538 RSIN/Fiscaal nummer: In aanvraag bij belastingdienst Website adres: http://www.kruisanker.nl

Nadere informatie

Students Voices (verkorte versie)

Students Voices (verkorte versie) Lectoraat elearning Students Voices (verkorte versie) Onderzoek naar de verwachtingen en de ervaringen van studenten, leerlingen en jonge, startende leraren met betrekking tot het leren met ICT in het

Nadere informatie

Cover Page. The handle http://hdl.handle.net/1887/20488 holds various files of this Leiden University dissertation.

Cover Page. The handle http://hdl.handle.net/1887/20488 holds various files of this Leiden University dissertation. Cover Page The handle http://hdl.handle.net/1887/20488 holds various files of this Leiden University dissertation. Author: Haar, Beryl Philine ter Title: Open method of coordination. An analysis of its

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting

Nederlandse samenvatting Dit proefschrift gaat over de invloed van inductieprogramma s op het welbevinden en de professionele ontwikkeling van beginnende docenten, en welke specifieke kenmerken van inductieprogramma s daarvoor

Nadere informatie

Rivieren van levend water zullen stromen uit het hart van wie in mij gelooft (Joh. 7:3 8)

Rivieren van levend water zullen stromen uit het hart van wie in mij gelooft (Joh. 7:3 8) - Identiteit - Hogeschool Viaa heeft als grondslag de Bijbel. Zij erkent deze als het betrouwbare en geïnspireerde Woord van God, zoals dat verwoord is in het gereformeerde belijden en zij beschouwt de

Nadere informatie

Analyse, conclusie en adviezen Youth Conversion, een onderzoek naar wat belangrijke factoren zijn in hoe niet-christelijke jongeren tot geloof komen

Analyse, conclusie en adviezen Youth Conversion, een onderzoek naar wat belangrijke factoren zijn in hoe niet-christelijke jongeren tot geloof komen Dit onderzoek werd gedaan in opdracht van de Evangelische Alliantie Analyse, conclusie en adviezen Youth Conversion, een onderzoek naar wat belangrijke factoren zijn in hoe niet-christelijke jongeren tot

Nadere informatie

Spirituele zorg Wat kun je ermee? Carlo Leget

Spirituele zorg Wat kun je ermee? Carlo Leget Spirituele zorg Wat kun je ermee? Carlo Leget Palliatieve zorg Palliatieve zorg is een benadering die de kwaliteit van het leven verbetert van patiënten en hun naasten die te maken hebben met een levensbedreigende

Nadere informatie