KLIMAAT- BESTENDIGHEID VITALE INFRASTRUCTUUR

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "KLIMAAT- BESTENDIGHEID VITALE INFRASTRUCTUUR"

Transcriptie

1 NEDERLANDS JURISTENBLAD KLIMAAT- BESTENDIGHEID VITALE INFRASTRUCTUUR Wat er niet in de Ontslagregeling staat en de gevolgen daarvan Actio Caesarea, of toch maar niet? Meer over civiel effect Meer over whiplash Meer over Raad voor de rechtspraak P JAARGANG JUNI

2 Er is nauwelijks nog vreemdelingenrecht dat niet door het Unierecht wordt beheerst Mr. dr. Tineke Strik UNIVERSITAIR DOCENT CENTRUM VOOR MIGRATIERECHT RADBOUD UNIVERSITEIT Lees meer op verderdenken.nl Verder denken over vreemdelingenrecht Mr. dr. Tineke Strik verzorgt in het najaar voor het CPO de volgende cursussen: Het nieuwe EU-migratierecht in Nederland Actualiteiten arbeids- en gezinsmigratie Kijk voor meer informatie op Voor scherpe denkers.

3 Inhoud Vooraf Prof. mr. T. Hartlief Medische hulpmiddelen en de prijs van een bijzonder regime Wetenschap Mr. dr. H.K. Gilissen Dr. C.J. Uittenbroek Prof. mr. H. van Rijswijck Dr. H.L.P. Mees Prof. dr. P. Driessen Dr. H.A.C. Runhaar De klimaatbestendigheid van de vitale infrastructuur beoordeeld vanuit juridisch-bestuurlijk perspectief Over de verwachte effectiviteit van de verdeling van verantwoordelijkheden voor de beheersing van klimaatrisico s in de elektriciteitsen de internetsector Focus Prof. mr. J. van Slooten Wat er niet in de Ontslagregeling staat En de gevolgen daarvan Opinie Mr. C. de Groot Een nieuwe procedure ontdekt: Actio Caesarea Opinie Dr. A. de Ruijter Gelijke aanspraak op lichamelijke integriteit Reacties Mr. P. Oskam 1660 Drs. A.M. Reitsma MD Reactie op Civiele whiplashzaken: een volgende fase Mr. A. Kolder 1661 Naschrift Mr. dr. S.J.F.J. Claessens 1663 Reactie op Civiel effect - Keurslijf of keurmerk? Prof. mr. M.J.A.M. Ahsmann 1664 Naschrift Mr. H.F.M. Hofhuis 1665 Reactie op De Raad voor de rechtspraak Mr. A.H. van Delden 1666 Reactie op De Raad voor de rechtspraak Omslag: Thea van den Heuvel/DAPh/HH Kunnen, wanneer ARTS en ziekenhuis aansprakelijk gesteld worden vanwege een GEBREKKIG HULPMIDDEL, zij de claimende patiënten VERWIJZEN naar de PRODUCENT? Hoe zijn de verantwoordelijkheden om KLIMAATRISICO S terug te dringen op basis van het huidige recht VERDEELD en in hoeverre zal die verdeling EFFECTIEF zijn? Pagina 1640 De WETGEVER heeft de RECHTER met een set materiële NORMEN voor ONTBINDING op pad Pagina 1639 gestuurd die uiterst summier zijn geformuleerd en die veel OPEN laten Pagina 1655 Het toepassen van DWANG bij de MOEDER is op zichzelf wel te rechtvaardigen, omdat zij door de weigering een acuut GEVAAR voor het ongeboren KIND veroorzaakt Pagina 1657 Rubrieken Rechtspraak Boeken Tijdschriften Wetgeving Nieuws Universitair nieuws Personalia Agenda NEDERLANDS JURISTENBLAD KLIMAAT- BESTENDIGHEID VITALE INFRASTRUCTUUR Wat er niet in de Ontslagregeling staat en de gevolgen daarvan Actio Caesarea, of toch maar niet? Meer over civiel effect Meer over whiplash Meer over Raad voor de rechtspraak 25 P JAARGANG JUNI 2015 Moet men beducht worden op gebruik van APPROPRIATE FORCE door het ziekenhuispersoneel als iemand afhankelijk blijkt te zijn van een cruciaal deel van het LICHAAM van de TOEVALLIGE bezoeker? Pagina 1659 Het is opvallend dat in landen waarin STRENG met het WHIPLASHVRAAGSTUK wordt omgegaan het aantal whiplashclaims substantieel LAGER is Pagina 1660 Zijn het Haagse gerechtsbestuur en in zijn voetspoor de Raad voor de RECHTSPRAAK te LICHTVAARDIG te werk gegaan in het bieden van financiële ONDERSTEUNING voor de rechter WESTENBERG in diens procedure? Pagina 1665

4 NEDERLANDS JURISTENBLAD Opgericht in 1925 Eerste redacteur J.C. van Oven Redacteuren Tom Barkhuysen, Ybo Buruma, Coen Drion (vz.), Ton Hartlief, Corien (J.E.J.) Prins, Taru Spronken, Peter J. Wattel Medewerkers Barend Barentsen, sociaal recht (socialezekerheidsrecht), Stefaan Van den Bogaert, Europees recht, Alex F.M. Brenninkmeijer, alternatieve geschillen - beslechting, Wibren van der Burg, rechtsfilosofie en rechtstheorie, G.J.M. Corstens, Europees strafrecht, Remy Chavannes, technologie en recht, Eric Daalder, bestuursrecht, Caroline Forder, personen-, familie- en jeugdrecht, Janneke H. Gerards, rechten van de mens, Ivo Giesen, burgerlijke rechtsvordering en rechts pleging, Aart Hendriks, gezondheidsrecht, Marc Hertogh, rechtssociologie, P.F. van der Heijden, internationaal arbeidsrecht, C.J.H. Jansen, rechtsgeschiedenis, Piet Hein van Kempen, straf(proces)recht, Harm-Jan de Kluiver, ondernemingsrecht, Willemien den Ouden, bestuursrecht, Stefan Sagel, arbeidsrecht, Nico J. Schrijver, volkenrecht en het recht der intern. organisaties, Ben Schueler, omgevingsrecht, Thomas Spijkerboer, migratierecht, T.F.E. Tjong Tjin Tai, verbintenissenrecht, F.M.J. Verstijlen, zakenrecht, Dirk J.G. Visser, auteursrecht en intellectuele eigendom, Inge C. van der Vlies, kunst en recht, Rein Wesseling, mededingingsrecht, Reinout Wibier, financieel recht Auteursaanwijzingen Zie Het al dan niet op verzoek van de redactie aanbieden van artikelen impliceert toestemming voor openbaarmaking en ver veelvoudiging t.b.v. de elektronische ontsluiting van het NJB. Citeerwijze NJB 2015/[publicatienr.], [afl.], [pag.] Redactiebureau Bezoekadres: Lange Voorhout 84, Den Haag, postadres: Postbus 30104, 2500 GC Den Haag, tel. (0172) , Internet en Secretaris, nieuws- en informatie-redacteur Else Lohman Adjunct-secretaris Berber Goris Vormgeving Colorscan bv, Den Haag, Uitgever Simon van der Linde Uitgeverij Wolters Kluwer, Postbus 23, 7400 GA Deventer. Op alle uitgaven van Wolters Kluwer zijn de algemene leveringsvoorwaarden van toepassing, zie Abonnementenadministratie, productinformatie Wolters Kluwer Afdeling Klantenservice, klantenservice, tel. (0570) Abonnementsprijs (per jaar) Tijdschrift: 322,51 (incl. btw.). NJB Online: Licentieprijs incl. eerste gebruiker 350 (excl. btw), extra gebruiker 87,50 (excl. btw). Combinatieabonnement: Licentieprijs incl. eerste gebruiker 350 (excl. btw). Prijs ieder volgende gebruiker 84 (excl. btw). Bij dit abonnement ontvangt u 1 tijdschrift gratis en krijgt u toegang tot NJB Online. Zie voor details: (bij abonneren). Studenten 50% korting. Losse nummers 7,85. Abonnementen kunnen op elk gewenst moment worden aangegaan voor de duur van minimaal één jaar vanaf de eerste levering, vooraf gefactureerd voor de volledige periode. Abonnementen kunnen schriftelijk tot drie maanden voor de aanvang van het nieuwe abonnementsjaar worden opgezegd; bij niet-tijdige opzegging wordt het abonnement automatisch met een jaar verlengd. Gebruik persoonsgegevens Wolters Kluwer legt de gegevens van abonnees vast voor de uitvoering van de (abonnements-)over eenkomst. De gegevens kunnen door Wolters Kluwer, of zorgvuldig geselecteerde derden, worden gebruikt om u te informeren over relevante producten en diensten. Indien u hier bezwaar tegen heeft, kunt u contact met ons opnemen. Media advies/advertentiedeelname Maarten Schuttél Capital Media Services Staringstraat 11, 6521 AE Nijmegen Tel , ISSN NJB verschijnt iedere vrijdag, in juli en augustus driewekelijks. Hoewel aan de totstandkoming van deze uitgave de uiterste zorg is besteed, aanvaarden de auteur(s), redacteur(en) en uitgever(s) geen aansprakelijkheid voor eventuele fouten en onvolkomenheden, noch voor gevolgen hiervan. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van art. 16h t/m 16m Auteurswet jo. Besluit van 27 november 2002, Stb. 575, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoeding te voldoen aan de Stichting Reprorecht te Hoofddorp (Postbus 3051, 2130 KB). Vragen over uw eigen flexpool? Wij hebben de antwoorden Creating legal communities the smart way

5 Vooraf 1187 Medische hulpmiddelen en de prijs van een bijzonder regime 25 Eind mei zijn minister Schippers opnieuw kamervragen gesteld over medische hulpmiddelen. 1 Uit onderzoek zou blijken dat gezondheidsschade kan optreden bij vroeggeborenen en kinderen op de langdurige intensive care en bij dialysepatiënten, omdat plastic medische hulpmiddelen hormoonverstorende stoffen lekken. Ook in de wereld van het medische aansprakelijkheidsrecht zijn gebrekkige hulpmiddelen een hot item, onder meer door de geruchtmakende PIP-implantatenaffaire. Een actuele vraag is of arts en ziekenhuis wanneer zij aansprakelijk gesteld worden vanwege een gebrekkig hulpmiddel de claimende patiënten kunnen verwijzen naar de producent. Op zich lijkt art. 6:77 BW uit de algemene wanprestatieregeling zich daartegen te verzetten: deze bepaling maakt de debiteur (dat zouden arts of ziekenhuis zijn) die gebruik maakt van een ongeschikte zaak aansprakelijk, ook wanneer hem geen verwijt kan worden gemaakt. Wie het middel kiest, moet op de blaren zitten als dat verkeerd uitpakt. Zo valt ook te verklaren dat de crediteur die juist bepaalde welk hulpmiddel de debiteur diende te gebruiken bot vangt. Hier biedt het slot van art. 6:77 uitkomst: toerekening is aangewezen, tenzij dat onredelijk is. Deze risico-regel past bij de profijtgedachte en voorkomt dat gelaedeerden van kastje (wederpartij) naar de muur (producent) worden gestuurd. Maar geldt deze regel onverkort in het medische? Hoewel de wetgever niet, ook niet in de latere afdeling (geneeskundige behandelingsovereenkomst), in een afwijkend regime heeft voorzien, heeft de regering bij de totstandkoming van art. 6:77 wel aangegeven dat het slot de ruimte biedt om bij een productiefout te beslissen dat toerekening aan arts of ziekenhuis onredelijk is. De patiënt kan dan dus alleen de producent aanspreken (art. 6:185). Een zelfde opmerking is gemaakt tijdens de totstandkoming van afd Deze uitlatingen zijn opgevat alsof in het medische een andere hoofdregel zou gelden: toerekening aan arts of ziekenhuis bij een door een productiefout gebrekkig hulpmiddel is onredelijk. Hoewel de houdbaarheid van deze benadering in de doctrine werd betwijfeld, was het wachten op rechtspraak. Interessant is de zaak van een patiënt die ondanks een onrustband uit zijn bed viel en een bekkenbreuk opliep, omdat hier gewoon de hoofdregel van art. 6:77 werd toegepast toen een van de slotjes defect bleek. Van de stelling van het ziekenhuis (onder verwijzing naar genoemde regeringsuitlatingen) dat toerekening onredelijk zou zijn, was de rechtbank niet onder de indruk: de wetgever heeft inderdaad ruimte gelaten voor een uitzondering in het medische, maar tegelijkertijd ook voor aanpassing aan nieuwe maatschappelijke opvattingen. Het standpunt van het ziekenhuis zou achterhaald zijn. Verder was van belang dat het ziekenhuis de banden had ingekocht, beter dan de patient in staat is om onderzoek naar het gebrek te doen en een claim tegen de producent te onderbouwen en zich tegen aansprakelijkheid kan verzekeren. Er is daarom geen aanleiding voor een bijzondere positie van het ziekenhuis ten opzichte van andere opdrachtnemers. 2 Dat blijkt ook in een recente PIP-implantaten-zaak. Deze implantaten bleken gevuld met industriële siliconengel in plaats van gel waarvoor toelating op de markt was verkregen. Om gezondheidsrisico s te vermijden zijn op kosten van zorgverzekeraars zeer veel PIP-implantaten verwijderd. De fabrikanten gingen failliet in Chirurgen en ziekenhuizen kenden hun malafide praktijken niet. Is desondanks aansprakelijkheid ex art. 6:74 jo. 6:77 aan de orde? Het Hof wijst ook hier het beroep op genoemde parlementaire geschiedenis (bij productiefout is toerekening aan arts of ziekenhuis onredelijk), zij het voorshands, af, 3 niet alleen omdat de producent frauduleus heeft gehandeld, maar ook omdat deze failliet is en de kliniek het bewuste hulpmiddel heeft gekozen. 4 Deze zaak heeft stof doen opwaaien, wellicht ook omdat zorgverzekeraars nu overwegen de kosten van verwijdering van PIP-implantaten op de ziekenhuizen te verhalen. Het medisch aansprakelijkheidsrecht lijkt inmiddels in de pas te lopen met het algemeen deel van ons verbintenissenrecht; in principe wordt de hoofdregel van art. 6:77 toegepast. 5 Dat komt patiënten goed uit: de deskundigheid zit bij arts en ziekenhuis en deze kiezen in de regel de hulpmiddelen. Tegelijkertijd klinken bezorgde geluiden. De ontwikkeling heeft gevolgen, zeker wanneer het arts of ziekenhuis niet lukt regres te nemen op de producent. Is dat in een tijd waarin medische hulpmiddelen regelmatig ook minder positief het nieuws halen, voldoende reden om voor het medische toch een bijzonder regime aan te nemen? Nu de destijds gedane regeringsuitlatingen zijn verbleekt, komt het aan op argumenten. Het enkele feit dat het gaat om (verdere) stijging van de kosten van de gezondheidszorg lijkt onvoldoende. Dat is een weinig scherp gegeven dat bovendien bij iedere nieuwe ontwikkeling in het medisch aansprakelijkheidsrecht van stal gehaald kan worden. Maar er is meer. Zo kan de consumentkoper bij een productiegebrek inderdaad enkel de producent en niet de verkoper aanspreken (art. 7:24) juist omdat deze een beknelde detaillist is: hij mag zich niet vrijtekenen in de relatie met de koper (art. 7:6) maar heeft te maken met voorschakels die dat in de relatie met hem wél kunnen. Iets vergelijkbaars geldt vanwege het exoneratieverbod van art. 7:463 echter ook voor arts en ziekenhuis. Verder lijken patiënten bijvoorbeeld in Duitsland ook aangewezen op een claim tegen de producent; arts of ziekenhuis gaan in principe vrijuit bij een productiegebrek. En dan is er nog de twijfel over de vraag of het wel steeds arts en ziekenhuis (zullen) zijn die de hulpmiddelen kiezen. Wat te denken van de (groeiende) invloed van zorgverzekeraars? Het is niet niks, maar legt het voldoende gewicht in de schaal tegenover de consequenties voor claimanten? Zij zouden nul op het rekest krijgen bij hun meest voor de hand liggende tegenpartij en hun heil moeten zoeken bij de producent met alle consequenties (insolventierisico bijv.) van dien. Waarom zouden juist de getroffenen de prijs van een bijzonder regime betalen? Ton Hartlief Z09551; vragen van Pia Dijkstra (D66) ingezonden 27 mei Rb. Breda NJF 2011, Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om zich hierover bij akte uit te laten. 4. Hof Den Bosch JA 2015, Positief is Timmermans, AV&S 2015, p. 26 e.v., bezorgd Van Beurden, PIV-bulletin 2015/2. Reageer op NJBlog.nl op het Vooraf NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

6 1188 Wetenschap De klimaatbestendigheid van de vitale infrastructuur beoordeeld vanuit juridisch-bestuurlijk perspectief Over de verwachte effectiviteit van de verdeling van verantwoordelijkheden voor de beheersing van klimaatrisico s in de elektriciteits- en de internetsector Herman Kasper Gilissen, Caroline Uittenbroek, Marleen van Rijswick, Heleen Mees, Peter Driessen & Hens Runhaar 1 Het vergroten van de klimaatbestendigheid in de elektriciteits- en internetsector is primair een verantwoordelijkheid van de binnen die sectoren opererende private actoren, in het bijzonder netbeheerders en exploitanten van datacentra. Het lijkt echter niet waarschijnlijk dat zij geneigd zullen zijn om in hun bedrijfsvoering proactief te anticiperen op klimaatrisico s, voornamelijk wegens een gebrek aan probleemerkenning en urgentiebesef, het ontbreken van expliciete en transparante verantwoordelijkheden, en een vooralsnog sterk reactieve benadering van klimaat- en andere risico s. De klimaatbestendigheid van beide sectoren is daardoor naar verwachting niet optimaal. 1. Inleiding De Nederlandse maatschappij is in belangrijke mate afhankelijk van het naar behoren functioneren van infrastructurele netwerken, zoals die van energie, ICT en transport. Het uitvallen van dergelijke netwerken doorgaans aangeduid als de vitale infrastructuur kan uiteenlopende vormen van maatschappelijke ontwrichting en schade veroorzaken. 2 De vitale infrastructuur is kwetsbaar voor invloeden van buitenaf, zoals overstromingen, wateroverlast door hevige regenval en extreme temperaturen. De verwachte klimaatverandering vergroot die kwetsbaarheid. De in 2014 geactualiseerde KNMI-klimaatscenario s laten namelijk een duidelijke trend zien. Zowel de zomers als de winters worden naar verwachting warmer. De winters worden bovendien natter. De zomers worden daarentegen juist droger, met meer en langdurige hittegolven, terwijl tegelijkertijd de kans op en intensiteit van extreme regenbuien en stormen in de zomer toenemen. 3 De hiermee samenhangende risico s worden aangeduid als klimaatrisico s. De vraag rijst hoe de verantwoordelijkheden 1640 NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 25

7 om dergelijke risico s te terug te dringen op basis van het huidige recht zijn verdeeld en in hoeverre die verdeling van verantwoordelijkheden naar verwachting effectief zal zijn. Met andere woorden: in hoeverre draagt de huidige verdeling van verantwoordelijkheden bij aan de klimaatbestendigheid van Nederland? Die vraag komt in dit artikel aan de orde, zij het dat er een nadere thematische afbakening wordt gemaakt. De gevolgen van de klimaatverandering voor de juridische verdeling van verantwoordelijkheden in het waterbeheer blijven in dit artikel buiten beschouwing. In dat verband is reeds betrekkelijk veel onderzoek gedaan 4 en valt eveneens te wijzen op recente beleidsontwikkelingen, zoals de in 2014 in het kader van het Deltaprogramma gepresenteerde deltabeslissingen. 5 Ervan uitgaande dat de kans op een overstroming of wateroverlast zich laat beperken, maar niet valt weg te nemen, richten wij ons in dit artikel op de verdeling van verantwoordelijkheden om de resterende risico s te beheersen binnen twee vitale netwerksectoren: de elektriciteits- en de internetsector. Daarbij zoeken wij aansluiting bij de recente ontwikkelingen rondom de totstandkoming van de Nationale Adaptatiestrategie. 6 In dat verband hoort men de behoefte om de klimaatbestendigheid van kwetsbare vitale sectoren van binnenuit te vergroten. 7 Dat kan plaatsvinden aan de hand van verschillende soorten maatregelen. Daarbij kan, kort gezegd, onderscheid worden gemaakt tussen maatregelen die zijn gericht op het herstel van netwerken na een klimaatgerelateerde calamiteit, maar ook op het beperken van de kans op of de gevolgen van netwerkuitval. In dit artikel analyseren wij de klimaatbestendigheid van de hierboven genoemde vitale netwerksectoren vanuit een juridisch-bestuurlijk perspectief door de sectorale verantwoordelijkheidsverdeling rondom de beheersing van klimaatrisico s te beoordelen langs de lijnen van een vijftal indicatoren. 8 Daartoe wordt een speciaal voor deze thematiek ontwikkeld, maar breder toepasbaar, methodologisch stappenplan toegepast. 9 Naar aanleiding van die beoordeling doen wij aanbevelingen om de klimaatbestendigheid van de onderzochte sectoren en de maatschappij als zodanig te vergroten. Wij beogen daarmee geen panklare oplossingen te bieden, maar aanknopingspunten voor nadere beleidsontwikkelingen, zoals die in het kader van de Nationale Adaptatiestrategie. 2. Methode en opbouw Met de ontwikkelde methode kan op gestructureerde wijze worden beoordeeld in hoeverre de huidige verdeling van verantwoordelijkheden binnen een bepaalde sector voldoende waarborgen biedt voor een adequate aanpassing aan klimaatverandering. De methode beslaat drie fasen, waarin zes logisch op elkaar volgende stappen worden doorlopen. Het betreft achtereenvolgens de fase van afbakening, verantwoording en analyse (stap 1-4), de toetsingsfase (stap 5), en de fase van terugkoppeling en aanbeveling (stap 6). 10 Wij lichten de afzonderlijke fasen en stappen hieronder kort toe. Aangezien dit stappenplan in belangrijke mate de structuur van dit artikel bepaalt, geven wij aan welke stappen in welke paragrafen aan de orde komen. Fase 1: Afbakening, verantwoording en analyse Tijdens de eerste fase wordt het object van analyse (in casu de te beoordelen (sub)sector) nader afgebakend en wordt een verantwoording gegeven van de keuze voor de betreffende (sub)sector en de gemaakte afbakening (stap 1). Vervolgens worden de belangrijkste klimaatgerelateerde risico s voor de betreffende sector in kaart gebracht (stap 2), en wordt een korte beschrijving gegeven van de belangrijkste sectorale karaktertrekken (stap 3). Ten slotte wordt inzicht gegeven in de verantwoordelijkheden van de binnen de betreffende sector actieve publieke en private actoren, een en ander op basis van een juridische analyse van relevante wet- en regelgeving (stap 4). De hier genoemde stappen staan centraal in par Fase 2: Toetsing Tijdens de tweede fase (stap 5) vindt, op basis van de tijdens de eerste fase vergaarde informatie, een beoordeling plaats van de sectorale (verdeling van) verantwoordelijk- Auteurs het Utrecht Centre for Water, Oceans and staan mede onder invloed van ontwikkelin- het voorliggende artikel van de gelegenheid 1. Mr. dr. H.K. Gilissen, dr. C.J. Uittenbroek, Sustainability Law van de Faculteit Recht, gen op Europees niveau (zie EAS, 2013 gebruik om enkele voortschrijdende inzich- prof. mr. H. van Rijswick, dr. H.L.P. Mees, Economie, Bestuur en Organisatie (Universi- (COM(2013) 216)). Het huidige streven is ten omtrent de indicatoren in het stappen- prof. dr. P. Driessen en dr. H.A.C. Runhaar teit Utrecht). Peter Driessen, Hens Runhaar, om de Nationale Adaptatiestrategie in 2016 plan te verwerken. Het stappenplan is vormen een interdisciplinair (juridisch- Heleen Mees en Caroline Uittenbroek zijn gereed te hebben. namelijk nadrukkelijk bedoeld als een bestuurlijk) onderzoeksteam dat in opdracht als hoogleraar Environmental Studies, uni- 7. Zie PBL, Het integreren van de groeimodel, waarin vooral ten aanzien van het Planbureau voor de Leefomgeving versitair hoofddocent respectievelijk post- adaptatiebenadering in sectorale beleidster- van deze indicatoren ruimte bestaat voor en het Nationaal Onderzoeksprogramma doctoraal onderzoekers verbonden aan het reinen wordt ook wel aangeduid met de het verwerken van voortschrijdende inzich- Kennis voor Klimaat de verdeling van ver- Copernicus Institute of Sustainable Deve- term mainstreaming ; zie daarover Uitten- ten die zijn opgedaan bij de toepassing antwoordelijkheden voor de aanpassing aan lopment van de Faculteit Geowetenschap- broek, Zie tevens Gilissen, daarvan. klimaatverandering binnen een aantal pen (Universiteit Utrecht). Contact: 8. Dit artikel bouwt voort op Runhaar et al., 10. Zie Runhaar et al., 2015, manuscript p. maatschappelijk relevante sectoren heeft onderzocht en beoordeeld. Hun onder- 9. Zie Runhaar et al., 2015 (under review). 11. In dit artikel is geen ruimte voor een zoeksrapport, waarop dit artikel is geba- Noten Het artikel is aangeboden ter publicatie in diepgravende analyse van het juridische seerd, levert input voor de totstandkoming 2. Zie PBL 2014, en in breder verband Mul- het tijdschrift Regional Environmental raamwerk voor de betreffende sectoren. Wij van de Nationale Adaptatiestrategie in ler et al., Change; in voorliggend artikel houden wij volstaan met een bespreking op hoofdlij Marleen van Rijswick en Herman 3. Zie KNMI, bij verwijzingen de paginanummering van nen, waarbij wij de aandacht vestigen op de Kasper Gilissen zijn als hoogleraar Europees 4. Zie uitgebreid Gilissen, het manuscript aan zoals dat is ingediend. voor dit onderzoek relevante elementen. en nationaal waterrecht respectievelijk 5. Zie Deltaprogramma, Een digitaal exemplaar van dit manuscript is Voor het overige verwijzen wij naar het postdoctoraal onderzoeker verbonden aan 6. Zie IenM, Deze ontwikkelingen te verkrijgen via de auteurs. Wij maken in onderliggende onderzoeksrapport. NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

8 Wetenschap heden in het licht van de adaptatie aan klimaatverandering. De beoordeling vindt plaats langs de lijnen van vijf indicatoren, met de verwachte effectiviteit van het systeem van verantwoordelijkheidsverdeling als centraal criterium. De vijf indicatoren functioneren als graadmeters voor de verwachte effectiviteit. Het betreft achtereenvolgens de mate van probleemerkenning (awareness en sense of urgency), de aard van de verantwoordelijkheden (proactief/reactief), en de explicietheid, de transparantie en de legitimiteit daarvan. 12 Vooraleer over te gaan tot de concrete beoordeling, dient het centrale criterium te worden geoperationaliseerd en dienen de genoemde indicatoren nader te worden uitgewerkt. Deze operationalisering staat los van het stappenplan als zodanig en vindt daarom voorafgaand aan het doorlopen daarvan plaats in par. 3. De daadwerkelijke toetsing staat centraal in par. 5. Fase 3: Terugkoppeling en aanbevelingen Tijdens de laatste fase (stap 6) worden de resultaten van de toetsing geanalyseerd. Mocht die toetsing wijzen op een gebrekkige verwachte effectiviteit, dan kunnen gerichte aanbevelingen worden gedaan. De toetsing is er immers op gericht de zwakke plekken te identificeren. Mocht de gebrekkige effectiviteit bijvoorbeeld te wijten zijn aan een gebrekkige transparantie omtrent de verantwoordelijkheden, dan ligt het in de rede om dat gebrek aan transparantie weg te nemen door middel van een systeemwijziging (bijvoorbeeld in de vorm van een aanpassing/verduidelijking van wet- en regelgeving). De analyse van de toetsingsresultaten vindt evenals de toetsing zelf plaats in par. 5. In par. 6 trekken wij enkele conclusies en formuleren wij onze belangrijkste aanbevelingen. 13 mei Kunstenaar Daan Roosegaarde verlicht het Museumplein in Amsterdam met Waterlicht, een virtuele overstroming. Het schouwspel bestaat uit golvende lijnen van licht gemaakt met LED-technologie, software en lenzen. Waterlicht is te zien op een hoogte van ruim twee meter, een waterniveau dat heel Amsterdam zou bereiken zonder menselijk ingrijpen. Thea van den Heuvel/DAPh/HH 3. Operationalisering van het criterium verwachte effectiviteit : vijf indicatoren Zoals gezegd, merken wij de verwachte effectiviteit aan als centraal criterium voor de beoordeling van de klimaatbestendigheid van vitale infrastructurele netwerksectoren. Onder verwachte effectiviteit verstaan wij de waarschijnlijkheid dat de betrokken actoren binnen een bepaalde sector op basis van het huidige systeem van verantwoordelijkheidsverdeling geneigd zullen zijn hun bedrijfsvoering proactief aan te passen aan de verwachte negatieve effecten van klimaatverandering, teneinde klimaatrisico s terug te dringen tot een acceptabel niveau. Het betreft dus de mate waarin zij klimaatrisico s internaliseren in hun bedrijfsvoering en de beslissingen die zij nemen rondom de tenuitvoerlegging van hun verantwoordelijkheden. Wat binnen deze definitie dient te worden verstaan onder de term een acceptabel niveau, is afhankelijk van de aard van de sector. Voor zover de vitale infrastructuur door de betrokken actoren vooral wordt gebruikt voor de behartiging van een (economisch) eigenbelang, zullen die actoren primair zelf het acceptabele niveau bepalen. Indien het vitale netwerk strekt tot de behartiging van een publiek belang (elektriciteit, internet), dan ligt het voor de hand dat het acceptabele niveau via een andere, bijvoorbeeld de democratische weg van wetgeving of parlementaire betrokkenheid wordt bepaald. Dit is van belang met het oog op de vraag of van overheidswege al dan niet regulerend zou moeten worden opgetreden, of anderszins zou moeten worden ingegrepen NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 25

9 De vijf indicatoren functioneren als graadmeters voor de verwachte effectiviteit Er bestaan vele factoren die van invloed kunnen zijn op de verwachte effectiviteit. Wij duiden deze aan als indicatoren. Wij bespreken er hieronder vijf op hoofdlijnen: 1. de mate van probleemerkenning, 2. de aard van de te onderscheiden verantwoordelijkheden (proactief/reactief), en voorts 3. de explicietheid, 4. de transparantie en 5. de legitimiteit van de verantwoordelijkheidsverdeling. Zoals zal blijken, staan deze indicatoren nauw met elkaar in verband. Bovendien moet worden opgemerkt dat deze ertoe strekken een systeem te kwalificeren vanuit een juridischbestuurlijke optiek. Hoewel zij dus wel een zekere normatieve lading hebben (daaraan zou vanuit die optiek moeten worden voldaan), zijn er geen rechtstreekse juridische consequenties (bijvoorbeeld in verband met de rechtmatigheid) verbonden aan een constatering dat daaraan niet in voldoende mate wordt voldaan. Uiteraard kunnen dergelijke constateringen wel leiden tot aanbevelingen om het systeem te verbeteren door middel van uiteenlopende (juridische of andere) instrumenten. Probleemerkenning: Wie zich niet bewust is van een risico, zal daar in zijn dagelijkse bestaan naar verwachting ook geen rekening mee houden. Het bewustzijn omtrent klimaatrisico s kan dus worden beschouwd als een voorwaarde voor risicobeperkend gedrag. Voor dergelijk gedrag is het overigens niet noodzakelijk dat de betrokken actoren het risico volledig doorgronden; ook indien een risico vooralsnog is omgeven met onzekerheden, kan het prikkels genereren om dit te beperken. 13 Er zal dan wel voldoende overtuiging moeten bestaan dat daar reeds nu tegen moet worden opgetreden, in plaats van een afwachtende houding aan te nemen. Er dient, met andere woorden, ook sprake te zijn van voldoende besef van urgentie. Beide bewustzijn omtrent klimaatrisico s en urgentiebesef kunnen worden gestimuleerd, bijvoorbeeld door het voeren van gerichte bewustwordingscampagnes, door het uitzetten van strategische lijnen in beleids- of andere documenten, of desnoods door aanscherping van verantwoordelijkheden in de wet- en regelgeving. Proactiviteit: Onzekere risico s vragen om een proactieve benadering. 14 Uiteraard bestaat er behoefte aan duidelijkheid over de verdeling van verantwoordelijkheden om eventuele schade te herstellen of desnoods te compenseren, maar minstens evenveel nadruk zou moeten liggen op de beperking van de kans op en de gevolgen van klimaatgerelateerde calamiteiten. Een louter reactieve risicobenadering gaat in termen van ons toetsingskader ten koste van de verwachte effectiviteit. Dat betekent dat ook verantwoordelijkheden in verband met de kans- en de gevolgbeperking behoren te rusten op de binnen een bepaalde sector betrokken actoren. 15 Deze verantwoordelijkheden dienen op een passende wijze gestalte te krijgen binnen de door hen te nemen strategische beslissingen omtrent hun bedrijfsvoering. 16 Hun (economische) eigenbelang kan hen daartoe stimuleren, maar de verwachte effectiviteit is erbij gebaat dat deze verantwoordelijkheden een expliciete en heldere juridische grondslag hebben/krijgen. 17 Deze verantwoordelijkheden zouden naar ons oordeel geen al te vrijblijvend karakter moeten hebben. Explicietheid: Hoe algemener, vager of ruimer een verantwoordelijkheid is geformuleerd, hoe meer onduidelijkheid er bestaat over de bij de tenuitvoerlegging daarvan na te streven doelen. Een uiterst algemene verantwoordelijkheid om risico s te beperken laat bijzonder veel ruimte voor de geadresseerde om zelf te bepalen aan welke risico s hij prioriteit geeft boven andere, en met behulp van welke (soorten) maatregelen hij die zal beperken. Vooral wanneer het niveau van bewustzijn omtrent klimaatrisico s laag is, zal aan de beheersing daarvan naar verwachting weinig prioriteit worden gegeven, en zal de risicobeheersing reactief van aard zijn/blijven. Explicitering van de risico s op de beperking waarvan een verantwoordelijkheid zich richt en van de verantwoordelijkheden als zodanig, zal volgens ons toetsingskader de verwachte effectiviteit van de risicobeheersing bevorderen. Explicitering kan op uiteenlopende wijzen plaatsvinden, bijvoorbeeld door betrokken actoren bij wijze van brief of brochure expliciet te wijzen op hun verantwoordelijkheden, door ook in dit verband bewustwordingscampagnes te voeren, of door verantwoordelijkheden expliciet te vertalen in wettelijke normen of gedragsregels. 18 Transparantie: Deze indicator staat in nauw verband met de voorgaande. Onduidelijkheid over de vraag op wie een bepaalde verantwoordelijkheid rust en wat die verantwoordelijkheid precies inhoudt, zal de rechtszekerheid van de geadresseerden en in het verlengde daarvan de effectiviteit van de tenuitvoerlegging van de verantwoor- 12. Zie in dit verband ook Mees, verlening door een klimaatgerelateerde klimaatgerelateerde calamiteit te beperken. de kosten en de baten. Wij beschouwen dat 13. Vergelijk WRR, 2008, p Zie calamiteit te voorkomen of te beperken. Dit Dit kan bijvoorbeeld door het aanleggen ook niet als problematisch; het biedt juist tevens Spier, 2008, p en Gilis- kan bijvoorbeeld door af te zien van de van een netwerk waarop bij disfunctioneren een ruime mate van flexibiliteit en mogelijk- sen, 2013, p Zie tevens (binnen- aanleg van kwetsbare infrastructuur op een van het eigenlijke netwerk kan worden heden tot optimale afstemming op concrete kort te verschijnen) De Jong, overstromingsgevoelige locatie of door de teruggevallen; in de praktijk wordt dit ook situaties. Dergelijke afwegingen vallen 14. Zie bijvoorbeeld WRR, Zie tevens infrastructuur dusdanig vorm te geven of in wel aangeduid als het creëren van redun- echter buiten het bestek van dit artikel. De Jong, te richten dat deze beter bestand is tegen dantie of backup-vermogen. 17. Zie Runhaar et al., 2014, p. 16 en Run- 15. Onder kansbeperking verstaan wij het wateroverlast of een overstroming. Onder 16. Het is een gegeven dat dergelijke stra- haar et al., 2015, manuscript p treffen van maatregelen om de kans op gevolgbeperking verstaan wij het treffen tegische beslissingen in belangrijke mate 18. Zie in algemeen verband Van den schade of een onderbreking van de dienst- van maatregelen om de gevolgen van een onder invloed staan van een afweging van Broek, NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

10 Wetenschap De verwachte effectiviteit is, met andere woorden, gebaat bij een transparante, kenbare en heldere verdeling van verantwoordelijkheden delijkheid naar verwachting nadelig beïnvloeden. De verwachte effectiviteit is, met andere woorden, gebaat bij een transparante, kenbare en heldere verdeling van verantwoordelijkheden. 19 Ook dient duidelijkheid te bestaan over de ratio achter de verantwoordelijkheden en de verdeling daarvan. Een hoog niveau van transparantie kan worden bereikt door het vaststellen van ondubbelzinnige en heldere wet- en regelgeving, maar ook door verklarende en toelichtende documenten, en het geven van voorlichting. Gebrekkige explicietheid kan wijzen op gebrekkige transparantie. Legitimiteit: Er bestaan uiteenlopende definities van legitimiteit. In onze beoordeling staat de mate van draagvlak die de verantwoordelijkheidsverdeling onder de geadresseerden geniet centraal. Het betreft dus een bestuurlijkjuridische definitie van legitimiteit. De verwachte effectiviteit van de tenuitvoerlegging van verantwoordelijkheden is afhankelijk van de mate waarin de verantwoordelijke actoren hun verantwoordelijkheden en de verdeling daarvan redelijk en acceptabel achten. 20 Een gebrek aan legitimiteit kan worden weggenomen door verantwoordelijkheden te herverdelen of de concrete invulling daarvan te wijzigen. Dit kan voor de betrokken overheid aanleiding zijn om bepaalde verantwoordelijkheden aan zich te binden of juist af te stoten. Vanuit zuiver juridisch oogpunt hoeven de legitimiteit van wettelijke verantwoordelijkheden en de verdeling daarvan overigens niet in twijfel te worden getrokken, aangezien deze het resultaat zijn van een democratisch besluitvormingsproces Fase 1: Afbakening, verantwoording en analyse 4.1. Stap 1 en 2: Verantwoording van de selectie en klimaatrisico s per sector Dit artikel strekt tot de beoordeling van de klimaatbestendigheid van een tweetal vitale infrastructurele netwerksectoren. De twee geselecteerde sectoren de elektriciteits- en de internetsector vallen aan te merken als subsectoren binnen de meer omvattende sectoren energie en ICT. De keuze voor juist deze subsectoren is gebaseerd op de resultaten van onderzoek naar klimaatrisico s binnen de overkoepelende sectoren, dat de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO) in 2014 heeft uitgevoerd ter voorbereiding op de totstandkoming van de Nationale Adaptatiestrategie. 22 De onderhavige subsectoren kwamen in het TNO-onderzoek naar voren als bijzondere aandachtsgebieden. Het voert te ver om de onderzoeksresultaten omtrent de klimaatrisico s hier gedetailleerd te beschrijven; wij volstaan met een impressie. Klimaatrisico s voor de energiesector: Hoewel de klimaatrisico s binnen de energiesector in de TNO-studies over het algemeen niet bijzonder groot worden ingeschat, springen de risico s binnen de subsector elektriciteit duidelijk in het oog. Overstroming van koppel-, schakel- en transformatorstations en elektriciteitscentrales door extreme regenval en onweer wordt beschouwd als grootste klimaatrisico. Bovendien kunnen stroomstoringen ernstige maatschappelijke gevolgen hebben, aangezien nagenoeg alle facetten van de maatschappij in sterke mate afhankelijk zijn van stroomvoorziening. 23 De kans op een overstroming mag dan tamelijk klein zijn; de gevolgen daarvan (met mogelijke domino- of cascade-effecten 24 ) zijn des te groter, hetgeen ook het risico als zodanig aanzienlijk maakt. 25 Klimaatrisico s voor de ICT-sector: Ook binnen de ICT-sector wordt de overstroming van fysieke infrastructuur door extreme regenval of vanuit het oppervlaktewater door TNO als voornaamste klimaatrisico aangemerkt. Als bijzonder kwetsbare objecten worden onderdelen van de internetinfrastructuur (datacentra, schakelcentra, netwerkkabels, en straat- en schakelkasten) genoemd. Daarnaast kunnen langdurige hoge temperaturen een negatieve invloed hebben op de energieleverantie en daarmee het naar behoren functioneren van servers in datacentra. 26 Het langdurig uitvallen van de ICT-infrastructuur kan naast maatschappelijke onrust ook ernstige economische schade en tevens veiligheidsrisico s met zich brengen. Veel maatschappelijk en economisch relevante processen zijn immers sterk geautomatiseerd en afhankelijk van naar behoren functionerende infrastructurele communicatienetwerken Stap 3 en 4: Sectorale karakteristieken en verantwoordelijkheden in vogelvlucht De elektriciteitssector: Rond het einde van de vorige eeuw is de elektriciteitssector gaandeweg geliberaliseerd; de sector kenmerkt zich dan ook door een sterke bedrijfsmatige cultuur. Het huidige systeem van wet- en regelgeving (de Elektriciteitswet 1998 en de bijbehorende besluiten en regelingen) geeft daar duidelijk blijk van: de hoofdrol wordt gespeeld door private actoren, terwijl de overheid (in het bijzonder de Minister van Economische Zaken en de Energiekamer van de Autoriteit Consument en Markt) een regulerende en toezichthoudende rol toekomt. De belangrijkste private actoren zijn enerzijds de netbeheerders, en anderzijds de producenten, handelaren en leveranciers van elektriciteit. 27 De belangrijkste infrastructuur voor transport en distributie van elektriciteit bestaat uit het landelijke hoogspanningsnet en de regionale hoogspanningsnetten, en voorts uit koppel-, schakel- en transformatorstations, laagspanningskabels en verdeelkasten. 28 Aangezien uit het TNO-onderzoek volgt dat vooral het regionale distributienet kwetsbaar is voor de nadelige effecten van klimaatverandering (vooral overstromingen door hevige buien), ligt daarop in dit artikel de nadruk. De vitale infrastructuur binnen dat netwerk is in (economische) eigendom bij regionale netbeheerders, 29 op wie ook specifieke verantwoordelijkheden rusten wat betreft het beheer en onderhoud, en de anticipatie op calamiteiten NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 25

11 De beheertaak omvat onder meer de verantwoordelijkheid om de netten in werking te hebben, te onderhouden, en indien nodig te herstellen. 30 Een bijzondere verantwoordelijkheid betreft de bescherming van de netten tegen mogelijke invloeden van buitenaf. 31 Andere verantwoordelijkheden van netbeheerders betreffen het verplicht vaststellen respectievelijk uitvoeren van calamiteitenplannen en risicoanalyses. 32 Netbeheerders hebben betrekkelijk veel vrijheid om in hun bedrijfsvoering naar eigen inzicht invulling te geven aan hun wettelijk takenpakket. Zij bepalen in dat verband zelf in welke mate zij anticiperen op de verwachte effecten van klimaatverandering. Dat geldt ook voor het stellen van prioriteiten en de concrete invulling van de genoemde calamiteitenplannen. 33 De sturing van overheidswege is op dit punt marginaal. Een belangrijk deel van de markt is dus vanuit het oogpunt van continuïteit en kwaliteit van dienstverlening niet gereguleerd De internetsector: Ook binnen de internetsector spelen private partijen een hoofdrol en heeft de overheid (Ministerie van Economische Zaken, de Autoriteit Consument en Markt en het Agentschap Telecom) hoofdzakelijk een kaderstellende en toezichthoudende rol. De vitale infrastructuur bestaat uit de zogenoemde backbone (centraal netwerk van glasvezelkabels en internet exchanges), knooppunten (servers en datacentra), dataopslagvoorzieningen (datacentra), en verbindingspunten (netwerkkabels, en straat- en schakelkasten). Vooral de gebouwde netwerkonderdelen (data- en schakelcentra) zijn in de TNO-studie aangewezen als kwetsbaar voor de nadelige effecten van klimaatverandering. De belangrijkste actoren binnen deze sector zijn de aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken en -diensten in de zin van de Telecommunicatiewet. 34 Op hen rust de wettelijke taak tot herstel van eventuele schade aan hun netwerk en de zogenoemde zorg- en meldplicht continuïteit, met inbegrip van de verplichting continuïteitsplannen op te stellen. 35 Deze verantwoordelijkheid strekt er, kort gezegd, toe om de risico s voor de veiligheid en integriteit van netwerken te beheersen en de continuïteit van de dienstverlening te waarborgen aan de hand van in die plannen opgenomen (voorzorgs)maatregelen. 36 In dit verband dient te worden opgemerkt dat de Telecommunicatiewet (vooralsnog) niet geldt voor diensten die niet geheel of in hoofdzaak bestaan uit het overbrengen van signalen via dergelijke netwerken. Zo valt de opslag van data buiten het bereik van deze wet. 37 Dat betekent dat voor datacentra voor zover zij zich beperken tot dataopslag en geen publieke toegang tot het internet aanbieden de continuïteitszorgplicht niet geldt. Een belangrijk deel van de markt is dus vanuit het oogpunt van continuïteit en kwaliteit van dienstverlening niet gereguleerd. Onze analyse en beoordeling richt zich hoofdzakelijk op dat niet-gereguleerde onderdeel van de markt, in het bijzonder de (exploitanten van) datacentra. Prikkels tot continue en kwalitatief goede dienstverlening vloeien hier voornamelijk voort uit het economische eigenbelang van de betreffende marktpartijen. Net als de netbeheerders in de elektriciteitssector genieten de aanbieders van netwerken en diensten in de internetsector veel vrijheid om in hun bedrijfsvoering naar eigen inzichten invulling te geven aan de op hen rustende verantwoordelijkheden. 38 Zij bepalen in dat verband zelf in welke mate zij anticiperen op de verwachte effecten 19. Zie in algemeen verband Buijze, 2013 komstige adaptatiebeleid. Het onderzoek netbeheerders niet tevens producent, leve- 16da Elektriciteitswet 1998 een aanwijzing en Van den Broek, daarnaar dient te worden geïntensiveerd. In rancier of handelaar zijn en vice versa (zie geven in het kader van de bescherming van 20. Zie Runhaar et al., 2015, manuscript p. 5. dit artikel laten wij deze cascade-effecten art. 10b lid 1 en 11 lid 1 Elektriciteitswet de netten tegen een mogelijke invloed van 21. Zie Burkens et al., buiten beschouwing. 1998). buitenaf. Handhaving van deze verant- 22. Zie respectievelijk TNO, 2014a en TNO, 25. Het risico als zodanig wordt doorgaans 28. Zie voor een schematisch overzicht van woordelijkheid vindt dus plaats door de 2014b. TNO heeft tevens de belangrijkste berekend volgens de eenvoudige formule de elektriciteitsketen van winning tot minister en niet via de weg van art. 77h en klimaatrisico s voor de transportsector in kans x gevolg. Een risico kan op grond gebruik: 77i Elektriciteitswet 1998 (dwangsom en kaart gebracht (TNO, 2014c). Dat heeft hiervan dus nog steeds als groot worden TB141E/print.php?systemen-ketens-net- bestuurlijke boete). interessante inzichten opgeleverd, maar wij aangemerkt, indien de kans uiterst klein is, werken. 32. Zie art. 16d lid 1 Elektriciteitswet 1998 hebben er met het oog op de beschikbare maar de gevolgen desastreus zijn. Zie over 29. De regionale netbeheerders worden jo. art. 20a Regeling kwaliteitsaspecten ruimte en de bijzondere en afwijkende aard risico s en de invloed van onzekerheden in voor een periode van tien jaar aangewezen netbeheer elektriciteit en gas, respectievelijk van deze sector ten opzichte van de andere dat verband WRR, door degene aan wie een regionaal net art. 15 en 21 Regeling kwaliteitsaspecten twee sectoren voor gekozen deze sector 26. Zie voor nadere informatie TNO, toebehoort. De aanwijzing behoeft instem- netbeheer elektriciteit en gas. in dit artikel buiten beschouwing te laten. 2014b, in het bijzonder de tabel op p. 24. ming van de Minister van Economische 33. Zie ook Runhaar et al., 2014, p Zie daarover tevens Jonkeren, 2009 en 27. Zie art. 1 lid 1 Elektriciteitswet 1998 Zaken. Zie art. 10 lid 9 en 10 en art. 12 lid 34. Zie art. 1.1 Telecommunicatiewet voor Jonkeren et al., voor definities. Netbeheerders vallen overi- 2 Elektriciteitswet definities. 23. Zie voor nadere informatie TNO, gens aan te merken als semipublieke acto- 30. Voor een opsomming van taken van de 35. Zie art. 11a.1 en 11a.2 Telecommunica- 2014a, in het bijzonder de tabellen op p. 23 ren: het zijn van overheidswege aangewe- netbeheerders waaronder de genoemde tiewet. Zie hierover uitgebreid. en p zen privaatrechtelijke rechtspersonen taken, zie art. 16 lid 1 Elektriciteitswet 36. Zie tevens par. 3 van het Besluit conti- 24. Zie Runhaar et al., 2014, p waarvan de Nederlandse overheid enig aan nuïteit openbare elektronische communica- Wij doen expliciet de aanbeveling om de deelhouder is (zie art. 10 en 10a Elektrici- 31. Zie art. 16 lid 1 sub q Elektriciteitswet tienetwerken en -diensten. zogenoemde cascade-effecten op te nemen teitswet 1998). Op grond van de zoge De Minister van Economische Zaken 37. Zie Runhaar et al., 2014, p als een van de speerpunten van het toe- noemde Splitsingswet kunnen kan een netbeheerder op grond van art. 38. Zie Runhaar et al., 2014, p NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

12 Wetenschap van klimaatverandering. Wat dat betreft vindt ook hier geen noemenswaardige overheidsinmenging plaats. 5. Fase 2 en 3: Beoordeling van de sectorale klimaatbestendigheid en terugkoppeling op de bevindingen Na de operationalisering van het criterium verwachte effectiviteit door middel van de identificatie en nadere uitwerking van vijf indicatoren (par. 3) en de analyse van de geselecteerde sectoren (par. 4) staat in deze paragraaf de beoordeling van de klimaatbestendigheid binnen de elektriciteits- en internetsector centraal. Wij presenteren de belangrijkste uitkomsten daarvan per indicator, zodat De mate van bewustzijn en urgentiebesef laat onder de private actoren binnen beide sectoren vooralsnog te wensen over de onderlinge sectorale verschillen en overeenkomsten goed tot uitdrukking komen. De onderzoeksresultaten zijn deels gebaseerd op interviews en expertbijeenkomsten waarin de voorlopige uitkomsten van het onderzoek ter reflectie, discussie en aanscherping zijn voorgelegd aan vertegenwoordigers uit de sectoren. Voor een gedetailleerde analyse per sector verwijzen wij naar het onderliggende onderzoeksrapport. 39 Probleemerkenning: De mate van bewustzijn en urgentiebesef laat onder de private actoren binnen beide sectoren vooralsnog te wensen over. Het bestaan van klimaatrisico s wordt niet ontkend of bewust genegeerd, maar hierop wordt evenmin structureel geanticipeerd in strategische beslissingen in het kader van de bedrijfsvoering. Vooral in de internetsector lijken klimaatrisico s in dergelijke beslissingen nagenoeg volledig weg te vallen ten bate van andere relevante (bedrijfseconomische) factoren. In de elektriciteitssector is een positieve trend waarneembaar: klimaatrisico s worden binnen de sector als zodanig steeds meer erkend als bedreigende factoren en deze worden ook steeds vaker meegenomen in risicoanalyses, vooral wanneer het nieuwe investeringen betreft. Toch is van een volledige integratie van de adaptatiebenadering binnen deze sector nog geen sprake. 40 Het niveau van bewustzijn en urgentiebesef dient binnen beide sectoren op een passende wijze te worden gestimuleerd. Hier ligt in onze ogen primair een taak voor de (Rijks)overheid. Deze zou meer moeten inzetten op de totstandkoming van sectorgericht bewustwordingsbeleid. Proactiviteit: Zowel in de elektriciteits- als in de internetsector rusten verantwoordelijkheden tot kansbeperking, gevolgbeperking en herstelbevordering vooral op private actoren. Geen van deze actoren wordt (juridisch) belemmerd om een optimale combinatie van deze verantwoordelijkheden in hun bedrijfsvoering te implementeren. Voor datacentra (internetsector) zijn deze verantwoordelijkheden echter niet neergelegd in wet- en regelgeving, hetgeen betekent dat deze vrijblijvend zijn en de prikkels die de exploitanten van datacentra daartoe ontvangen hoofdzakelijk voortvloeien uit hun economische eigenbelang. Voor het netbeheer (elektriciteitssector) zijn deze verantwoordelijkheden wel neergelegd in wet- en regelgeving, zij het in uiterst algemene bewoordingen (zie hierna, onder explicietheid en transparantie ). Zo moeten netbeheerders zich inspannen om hun netwerken te beschermen tegen invloeden van buitenaf, dienen zij risicoanalyses uit te voeren en op basis daarvan calamiteitenplannen vast te stellen, en dienen zij eventuele schade aan hun netwerk zo spoedig mogelijk te herstellen. In de (beheer)praktijk blijkt de nadruk sterk te liggen op de beperking van gevolgen van netwerkuitval en het herstel van eventuele schade aan het net; aan het beperken van de kans op netwerkuitval door een klimaatgerelateerde calamiteit wordt over het algemeen weinig aandacht geschonken. Ook exploitanten van datacentra schenken in de praktijk vooral aandacht aan het herstel van eventuele schade en de beperking van gevolgen van netwerkuitval. Noch in de internetsector, noch in de elektriciteitssector worden dus alle strategische mogelijkheden tot beheersing van klimaatrisico s benut. De bedrijfsvoering met betrekking tot de risicobeheersing is in beide sectoren hoofdzakelijk reactief van aard. 41 Het bewustwordingsbeleid van de (Rijks)overheid zou zich dus ook meer op de mogelijkheden tot kansbeperking moeten richten, waarbij de betrokken actoren te dien aanzien expliciet op hun verantwoordelijkheden worden gewezen. Explicietheid: Hierboven werd reeds vastgesteld dat vooral private actoren verantwoordelijk zijn om maatregelen te treffen om hun bedrijfsvoering klimaatbestendig(er) te maken. Een belangrijk verschil is dat voor datacentra wat betreft de risicobeheersing geen nadere regels zijn neergelegd in wet- en regelgeving en voor de netbeheerders wel. Het verdient daarom overweging om ook de dienstverlening van datacentra te onderwerpen aan nadere regels. De regelgeving omtrent de risicobeheersing die geldt voor het netbeheer zou wat dat betreft als voorbeeld kunnen dienen. Daarbij moet wel worden bedacht dat de verantwoordelijkheden in dit verband uiterst algemeen zijn verwoord: de infrastructuur moet worden beschermd tegen invloeden van buitenaf, risico s moeten worden geanalyseerd, en er moeten calamiteitenplannen worden vastgesteld. 42 Wat onder invloeden van buitenaf moet worden verstaan, welke (soorten) risico s moeten worden beoordeeld, en hoe daarop in de calamiteitenplannen moet worden geanticipeerd, is nergens geëxpliciteerd. Het is aannemelijk dat deze algemene verantwoordelijkheden ook zien op klimaatrisico s, maar dat volgt niet uit de betreffende regels of de toelichtingen daarbij. Toch verdient het aanbeveling op dergelijke risico s meer en explicieter de aandacht op te vestigen. Klimaatrisico s zijn namelijk niet de enige risico s waar rekening mee zou moeten worden gehouden. Zij kunnen in de veelheid aan risico s gemakkelijk over het hoofd worden gezien. Explicitering kan plaatsvinden op verschillende manieren, variërend van het vaststellen of aanscherpen van concrete wettelijke verplichtingen, tot het verstrekken van informatie, het doen van aanbevelingen en het uitlichten 1646 NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 25

13 van best practices. Ook hier is een primaire taak weggelegd voor de (Rijks)overheid. Transparantie: We stelden hierboven dat een gebrek aan explicietheid samenhangt met een gebrek aan transparantie. Wij stellen vast dat de verantwoordelijkheden tot de beheersing van klimaatrisico s voor de exploitanten van datacentra geen wettelijke basis hebben, en dat deze verantwoordelijkheden voor netbeheerders onderdeel uitmaken van bredere, niet nader uitgewerkte verantwoordelijkheden om risico s (vooral op een reactieve wijze) te beheersen. Dat gaat in beide sectoren ten koste van de kenbaarheid en duidelijkheid van deze verantwoordelijkheden, zowel wat betreft het bestaan ervan, als wat betreft de strekking ervan. Uit verschillende interviews en expertbijeenkomsten volgt dat er wel een zeker besef of vermoeden van verantwoordelijkheid bestaat, maar het is voor veel betrokken partijen vooral de kleinere marktpartijen onduidelijk wie precies waarvoor verantwoordelijk is. 43 Het verdient daarom aanbeveling om de verantwoordelijkheden te verduidelijken. Wij gaven in dat opzicht reeds ter overweging om de verantwoordelijkheden met betrekking tot de continuïteit en kwaliteit van de dienstverlening voor de exploitanten van datacentra aan nadere regels te onderwerpen. Daarbij bestaat de mogelijkheid om de verantwoordelijkheden voor de beheersing van klimaatrisico s te adresseren en te expliciteren. Dat laatste geldt ook voor de elektriciteitssector. Er bestaan echter ook minder vergaande manieren om deze verantwoordelijkheden bij de betreffende private actoren onder de aandacht te brengen, bijvoorbeeld via brochures of voorlichting. Legitimiteit: Zowel de internetsector als de elektriciteitssector zijn sterk marktgedreven. Er bestaat voor de betrokken private actoren veel vrijheid om hun bedrijfsvoering naar eigen inzicht in te richten. De overheid stelt zich wat dat betreft terughoudend op door slechts te voorzien in kaderstellende regels en het houden van toezicht op de naleving daarvan. Daarbij ligt de nadruk bovendien vooral op mededingingsrechtelijke aspecten. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat de private partijen binnen de betreffende sectoren de op hen rustende verantwoordelijkheden in het kader van de risicobeheersing onredelijk of onacceptabel achten. Uit de expertbijeenkomsten en interviews volgt dat dat ook geldt voor de verantwoordelijkheden omtrent de beheersing van klimaatrisico s; er wordt in dat verband vooral op gewezen dat juist de strekking van die verantwoordelijkheden onduidelijk is (zie hierboven, onder transparantie ). 44 Het kan voorkomen dat de betrokken private partijen het invoeren van nadere regelgeving hetgeen wij hierboven ter overweging gaven ervaren als onnodige regeldruk. Dat kan ten koste gaan van het draagvlak en daarmee van de legitimiteit. Dat is geen reden om zonder meer af te zien van een nadere wettelijke verankering van verantwoordelijkheden, maar dat dient wel te worden meegewogen in het maken van een politieke beslissing over de te voeren strategie per sector. 6. Conclusies en aanbevelingen Uit bovenstaande volgt dat het vergroten van de sectorale klimaatbestendigheid primair een verantwoordelijkheid is van de binnen de onderzochte subsectoren (de elektriciteits- en internetsector) opererende private actoren, in het bijzonder netbeheerders en exploitanten van datacentra. De waarschijnlijkheid dat zij geneigd zullen zijn om in hun bedrijfsvoering proactief te anticiperen op klimaatrisico s, blijkt op basis van een beoordeling langs de lijnen van verschillende indicatoren echter niet bijzonder groot, voornamelijk wegens een gebrek aan probleemerkenning en urgentiebesef, het ontbreken van expliciete en transparante verantwoordelijkheden, en een vooralsnog sterk reactieve benadering van klimaat- en andere risico s. Dat leidt tot de conclusie dat de klimaatbestendigheid van beide sectoren naar verwachting niet optimaal is. Daarbij moet worden opgemerkt dat de elektriciteitssector een aanmerkelijke voorsprong heeft op de internetsector, wellicht omdat hiervoor meer en duidelijkere verantwoordelijkheden omtrent de beheersing van risico s zijn neergelegd en uitgewerkt in wet- en regelgeving. Het niveau van probleemerkenning blijkt in de elektriciteitssector tevens hoger dan in de internetsector. Aan bovenstaande conclusie blijken verschillende, maar nauw samenhangende oorzaken ten grondslag te liggen. Deze zijn te herleiden tot een gebrekkig niveau van bewustzijn op verschillende fronten: a. gebrekkig bewustzijn omtrent de klimaatrisico s als zodanig en de daarmee verbonden risico s op maatschappelijke ontwrichting bij grootschalige calamiteiten; b. gebrekkig bewustzijn omtrent het gegeven dat de private actoren binnen de onderzochte sectoren zelf verantwoordelijk zijn om hun bedrijfsvoering af te stemmen op de verwachte effecten van klimaatverandering (met het oog op het publieke belang dat deze sectoren dienen, geldt deze verantwoordelijkheid jegens de maatschappij); en c. gebrekkig bewustzijn omtrent de aard en de strekking van de verantwoordelijkheden en de mogelijk te treffen (soorten) maatregelen, waarbij met name kansbeperkende maatregelen over het hoofd worden gezien. Vooral op deze punten dient de bewustwording te worden gestimuleerd om de klimaatbestendigheid van de betreffende sectoren en in het verlengde daarvan die van de Nederlandse maatschappij te vergroten. Juist daar ligt in onze ogen een verantwoordelijkheid voor de Nederlandse (Rijks)overheid. Deze zou zich moeten inspannen om de verschillende verantwoordelijkheden te expliciteren, te verduidelijken en voor zover nodig te (her)verdelen. Ten behoeve van de specifieke sectoren kunnen explicitering en verduidelijking plaatsvinden door een maatschappijbrede en sectorgerichte bewustwordingscampagne te starten, waarbij ook de brancheorganisaties een belangrijke rol kunnen spelen Zie Runhaar et al., In de tekst hieronder verwijzen wij naar de vindplaatsen van de belangrijkste conclusies. Aan het eind van dat rapport is een lijst opgenomen met geïnterviewden en deelnemers aan de expertbijeenkomsten. 40. Zie Runhaar et al., 2014, p. 40 en Zie Runhaar et al., 2014, p. 41 en Zie de verschillende onderdelen van art. 16 lid 1 (met name sub q) en art. 16d lid 1 Elektriciteitswet 1998 en de daarop gebaseerde regelgeving (met name de Regeling kwaliteitsaspecten netbeheer elektriciteit en gas). 43. Zie Runhaar et al., 2014, p. 40 en Zie Runhaar et al., 2014, p en Dat zijn Netbeheer Nederland (www. netbeheernederland.nl) en de Dutch Datacenter Association (www.dutchdatacenters.nl). NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

14 Wetenschap De (Rijks)overheid staan verschillende instrumenten ter handen, variërend van het verstrekken van informatie en het wijzen op best practices, tot het intensiveren en specificeren van het toezicht, en waar nodig het invoeren of aanscherpen van wet- en regelgeving. De keuze voor een te voeren strategie met bijbehorende maatregelen is in belangrijke mate een politieke, en dient het resultaat te zijn van een democratisch besluitvormingsproces. Hoewel er nog weinig zicht bestaat op de concrete inhoud en strekking daarvan, is het opstellen van een Nationale Adaptatiestrategie wat dat betreft een grote stap in de goede richting. Voor een effectieve implementatie daarvan dient echter ook sectorspecifiek beleid te worden vastgesteld. Men dient zich daarbij niet te laten afschrikken door de mate van onzekerheid waarmee klimaatrisico s zijn omgeven. Daar moet bewust mee worden omgesprongen en de bestaande kansen dienen te worden benut. Klimaatadaptatie maakt immers het verschil tussen leven in en leven met onzekerheid! Literatuur Van den Broek, 2015: M. van den Broek, Preventing money laundering A legal study on the effectiveness of supervision in the European Union (diss. Utrecht), Den Haag: Eleven International Publishing, Buijze, 2013: A.W.G.J. Buijze, The Principle of Transparency in EU Law (diss. Utrecht), Utrecht, Burkens et al., 2012: M.C. Burkens, H.R.B.M. Kummeling, B.P. Vermeulen & R.J.G.M. Widdershoven, Beginselen van de democratische rechtsstaat, Deventer: Kluwer Deltaprogramma, 2015: Ministerie van Infrastructuur & Milieu en Ministerie van Economische Zaken, Deltaprogramma 2015: Werken aan de delta De beslissingen om Nederland veilig en leefbaar te houden, Den Haag EAS, 2013: Communication from the Commission to the European Parliament, the Council, the European Economic and Social Committee and the Committee of the Regions, An EU Strategy on adaptation to climate change, Brussel 2013 (COM(2013) 216 final). Gilissen, 2013: H.K. Gilissen, Adaptatie aan klimaatverandering in het Nederlandse waterbeheer Verantwoordelijkheden en aansprakelijkheid (diss. Utrecht), Deventer: Kluwer Gilissen, 2014: H.K. Gilissen, The integration of the adaptation approach into EU and Dutch legislation on flood risk management, Journal of Water Law 2014, vol. 24, nr. 3/4, p IenM, 2013: Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Klimaatagenda: weerbaar, welvarend en groen, Den Haag, De Jong, 2015: E.R. de Jong, Voorzorgplicht Over aansprakelijkheidsrechtelijke voorzorgverplichtingen bij onzekere gezondheidsrisico s (diss. Utrecht), n.n.g. Jonkeren, 2009: O.E. Jonkeren, Adaptation to climate change in inland waterway transport (diss. VU Amsterdam), Amsterdam, Jonkeren et al., 2014: O. Jonkeren, P. Rietveld, J. van Ommeren & A. te Linde, Climate change and economic consequences for inland waterway transport in Europe, Regional Environmental Change 2014, vol. 14, nr. 3, p KNMI, 2014: Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut, 14-klimaatscenario s voor Nederland Leidraad voor professionals in klimaatadaptatie, De Bilt: KNMI, Mees, 2014: H.L.P. Mees, Responsible Climate Change Adaptation Exploring, analysing, and evaluating public and private responsibilities for urban adaptation to climate change (diss. Utrecht), Utrecht, Muller et al., 2014: E.R. Muller, T. Hartlief, B.F. Keulen & H.R.B.M. Kummeling, Crises, rampen en recht, Preadviezen Nederlandse Juristen-Vereniging , Deventer: Kluwer PBL 2014: Planbureau voor de Leefomgeving, Kleine kansen, grote gevolgen - Slachtoffers en maatschappelijke ontwrichting als focus voor het waterveiligheidsbeleid, Den Haag PBL, 2015: Planbureau voor de Leefomgeving, Aanpassen aan klimaatverandering Kwetsbaarheden zien, kansen grijpen, Den Haag, Runhaar et al., 2014: H.A.C. Runhaar, H.K. Gilissen, C.J. Uittenbroek, H.L.P. Mees & H.F.M.W. van Rijswick, Publieke en/of private verantwoordelijkheden voor klimaatadaptatie Een juridisch-bestuurlijke analyse en eerste beoordeling, Utrecht: Copernicus Institute of Sustainable Development/Utrecht Centre for Water, Oceans and Sustainability Law Runhaar et al., 2015: H.A.C. Runhaar, C.J. Uittenbroek, H.F.M.W. van Rijswick, H.L.P. Mees, P.P.J. Driessen & H.K. Gilissen, Prepared for climate change? A method for the ex ante assessment of the comprehensiveness, transparency, legitimacy and expected effectiveness of responsibilities for climate adaptation, n.n.g. Spier, 2008: J. Spier, Het WRR-rapport Onzeker veiligheid: een welkome stap voorwaarts, NJB 2008/1971, afl. 40, p TNO, 2014a: Nederlandse Organisatie voor toegepastnatuurwetenschappelijk onderzoek, Klimaatverandering en energie-infrastructuur Actualisatie van de risico s en kansen voor klimaatadaptatiebeleid, Projectnummer , juni TNO, 2014b: Nederlandse Organisatie voor toegepastnatuurwetenschappelijk onderzoek, Klimaatverandering en de sector Informatie- en Communicatietechnologie (ICT) Actualisatie van de risico s en kansen voor klimaatadaptatiebeleid, Projectnummer , 25 juni TNO, 2014c: Nederlandse Organisatie voor toegepastnatuurwetenschappelijk onderzoek, Klimaatverandering en transport en infrastructuur Actualisatie van de risico s en kansen voor klimaatadaptatiebeleid, Projectnummer , juni Uittenbroek, 2014: C.J. Uittenbroek, How mainstream is mainstreaming? The integration of climate adaptation into urban policy (diss. Utrecht), Utrecht, WRR, 2008: Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, Onzekere veiligheid Verantwoordelijkheden rond fysieke veiligheid, Den Haag, NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 25

15 Focus 1189 Wat er niet in de Ontslagregeling staat En de gevolgen daarvan Jaap van Slooten 1 De parlementaire behandeling van de Wet werk en zekerheid die op 1 juli aanstaande in werking treedt maakte al duidelijk dat de wetgever een aantal vragen aan de rechtspraak zou overlaten. Op 11 mei jl. verscheen dan het Ontslagbesluit in de Staatscourant. Na kennisname daarvan kan geconstateerd worden dat er nog een heel gebied aan vragen is bijgekomen. De kern van het probleem is dat de wetgever enerzijds de ruimte voor het beoordelen van ontslagen enorm heeft willen beperken, maar anderzijds onvoldoende richtlijnen meegeeft aan het UWV en de rechter om dat te doen. Daarbij worden regels over de interpretatie van begrippen als bedrijfseconomische omstandigheden en passende arbeid, en over de c- tot en met h-gronden node gemist. Hoewel velen het op zich zullen toejuichen dat de rechter hier dus de nodige vrijheid krijgt, is het probleem dat de wetgever dat nu ook weer niet graag ziet en rechters derhalve op kousenvoeten zullen lopen. Het gevolg is wat auteur betreft een halfbakken compromis met nog meer procesrisico s dan zich al eerder liet aanzien. 1. Inleiding Iedere nieuwe wetgeving roept vragen op. Bij de Wet werk en zekerheid (Wwz) 2 was na de parlementaire behandeling al duidelijk dat de wetgever een aantal van die vragen aan de rechtspraak overlaat. De belangrijkste zijn: hoe om te gaan met de billijke vergoeding en met een stelsel van limitatieve ontslaggronden? Wat tot voor kort ontbrak, was een deel van de lagere regelgeving waarin de Minister van SZW zijn visie op de ontslaggronden zelf zou uitwerken. Pas op 11 mei 2015 verscheen de Ontslagregeling in de Staatscourant. 3 Na kennisname daarvan kan geconstateerd worden dat er nog een gebied aan vragen is bijgekomen. De kern van het probleem dat ik na lezing van de Ontslagregeling zie, is dat de wetgever enerzijds de ruimte voor het beoordelen van ontslagen enorm heeft willen beperken, maar anderzijds onvoldoende richtlijnen meegeeft aan het UWV en de rechter om dat te doen. Een en ander komt met name doordat de Beleidsregels Ontslagtaak UWV niet terugkeren onder het nieuwe recht en doordat onduidelijk is of, en zo ja wat er voor in de plaats komt. Dit speelt zowel bij de beoordeling van ontslagaanvragen door het UWV, als bij ontbindingsverzoeken aan de rechter. Het probleem is verder dat rechters (niet onbegrijpelijk) koudwatervrees hebben om zelf richtlijnen op te stellen. De Wwz betekent een grote verandering voor het ontslagrecht. De wijzigingen zijn complex en omvangrijk. Om de nog niet geheel ingevoerde lezer in staat te stellen het betoog te volgen, geef ik hierna eerst een kort overzicht van de relevante wijzigingen. Daarna behandel ik de plaats die de Ontslagregeling in het Wwz-gebouw inneemt (par. 2) en de inhoud van de regeling (par. 3). Daarna volgt een korte beschrijving van hoe de ontslagregels voorheen waren gestructureerd (par. 4). Vervolgens sta ik stil bij de gevolgen voor de toetsing van de a-grond door het UWV (par. 5 en 6) en de beoordeling van ontbindingsverzoeken op de c- tot en met h-grond door de rechter (par. 7). Auteur Kluwer 2015 en tevens vanaf begin juli Deze is bij wet van 16 december 2014 (Stb. 3. Regeling van de Minister van Sociale 1. Prof. mr. J. van Slooten is advocaat bij 2015 via open acces te raadplegen op 2014, 504) verbeterd en uitgebreid. Ook de Zaken en Werkgelegenheid van 23 april Stibbe en hoogleraar arbeidsrecht aan de Wet aanpak schijnconstructies (Kamerstuk- 2015, , tot vaststelling UvA. Delen van dit artikel zijn ontleend aan: ken I 2014/15, 34108) zal nog verandering van regels met betrekking tot ontslag en J.M. van Slooten, I. Zaal & J.P.H. Zwemmer, Noten aanbrengen. Deze is op 2 juni 2015 aange- transitievergoeding (Ontslagregeling), Stcrt. Handboek nieuw ontslagrecht, Deventer: 2. Wet van 14 juni 2014, Stb. 2014, 216. nomen door de Eerste Kamer. 2015, NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

16 Focus Een cao-ontslagcommissie zal dan ook onverkort met de hierna te bespreken problemen worden geconfronteerd De belangrijkste onderdelen van de Wwz hebben betrekking op het ontslagrecht en de ontslagvergoeding. Hier gaat het met name om de regels om op te zeggen, niet over de ontslagvergoeding, maar de lezer zal hopelijk met mij vaststellen dat dit communicerende vaten zijn. Het duale ontslagstelsel blijft in stand, maar een werkgever mag niet meer vrijelijk kiezen tussen opzegging via het UWV of ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter. Als uitgangspunt geldt dat de ontslaggrond de ontslagroute bepaalt. Artikel 7:669 lid 3 BW geeft hiervoor een limitatieve opsomming van de redelijke gronden voor ontslag. In geval van bedrijfseconomische ontslagen (artikel 7:669 lid 3 sub a BW) en bij ontslagen in verband met de langdurige arbeidsongeschiktheid van de werknemer (artikel 7:669 lid 3 sub b BW) moet een vergunning worden aangevraagd bij het UWV of bij een bij cao ingestelde ontslagcommissie (hierna: de a- en b-grond ). Ontslagen die betrekking hebben op (dis)functioneren en andere in de persoon van de werknemer gelegen redenen (zoals een verstoorde arbeidsverhouding) moeten aan de kantonrechter worden voorgelegd (de c t/m h-gronden, vernoemd naar de letters waarin artikel 7:669 lid 3 BW verder is onderverdeeld). De WWZ voorziet ook in een andere rechtsbescherming tegen ontslag. Indien de arbeidsovereenkomst is opgezegd na toestemming van het UWV kan de werknemer soms vernietiging (artikel 7:681 BW) en soms herstel (artikel 7:682 BW) verzoeken aan de Kantonrechter (met de mogelijkheid van hoger beroep en cassatie). Het verschil tussen deze sancties en de gevallen waarin ze kunnen worden ingeroepen is ingewikkeld. Vernietiging is bijvoorbeeld aan de orde indien er in strijd met een wettelijk verbod is opgezegd, zoals bij het ontbreken van toestemming van het UWV. Herstel kan onder meer worden gevraagd indien de arbeidsovereenkomst in strijd met artikel 7:669 is opgezegd, bijvoorbeeld als een redelijke grond ontbreekt. Indien de kantonrechter ab initio moest worden geädieerd (omdat het een in de persoon gelegen ontslaggrond betrof als genoemd in lid 3 sub c tot en met h), dan kan tegen zijn beschikking (tot toe- of afwijzing van het ontbindingsverzoek) eveneens hoger beroep en cassatie worden ingesteld. Het stelsel van limitatieve ontslaggronden betekent dat er een einde komt aan de vrijheid van de kantonrechter om een ontslag(verzoek) conform een open redelijkheidsgrond te beoordelen. De rechter (en het UWV) mag een ontslag voortaan alleen maar goedkeuren als het in het rijtje van artikel 7:669 lid 3 BW past en het ook overigens aan de wettelijke eisen voldoet. De wetgever heeft de mogelijkheid aan de Minister van SZW gegeven om nadere regels te stellen aan de beoordeling van een ontslag. Hiermee heeft de wetgever de macht van de overheid op ontslagen door kantonrechters versterkt. Het middel om die macht nog verder uit te breiden en vorm te geven, is de Ontslagregeling. 2. De plaats van de Ontslagregeling onder de Wwz Ik memoreer eerst even waar de Ontslagregeling nu precies te vinden is in het Wwz-gebouw en hoe zich dat verhoudt tot andere kamers in dat gebouw. A. Ten eerste is er artikel 7:669 lid 1 en 3 BW. Hierin staat het vereiste dat een opzegging een redelijke grond moet hebben. Deze gronden zijn limitatief opgesomd in artikel 7:669 lid 3 BW. Voorts vereist lid 1 van deze bepaling dat ontslag pas mogelijk is nadat eerst is vastgesteld dat de werknemer niet binnen een redelijke termijn herplaatst kan worden, al dan niet met behulp van scholing. B. Voorts is er artikel 7:671 lid 1 BW, dat als algemeen opzegverbod kan worden gezien (in feite de opvolger van artikel 6 BBA). C. Op grond van artikel 7:671a lid 1 BW verzoekt de werkgever die op de a- of b-grond voornemens is de arbeidsovereenkomst op te zeggen schriftelijk toestemming aan het UWV (of de cao-ontslagcommissie op grond van lid 2 van die bepaling). D. Op grond van artikel 7:671b lid 1 sub a BW verzoekt de werkgever die op de c- tot en met h-grond wil opzeggen de ontbinding door de rechter. Deze route is ook aan de orde wanneer het UWV toestemming op de a- of b-grond heeft geweigerd (artikel 7:671b lid 1 sub b BW) of niet kon behandelen omdat het een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd betrof die niet tussentijds opzegbaar is (artikel 7:671b lid 1 sub c BW). E. Bij de beoordeling van deze verzoeken dienen UWV (of de cao-ontslagcommissie) en de rechter lagere regelgeving in acht te nemen. De basis daarvoor is allereerst te vinden in artikel 7:669 lid 5 BW. Dat brengt ons bij de Ontslagregeling. F. De Ontslagregeling is deels gebaseerd op artikel 7:669 lid 5 BW, en bevat daarnaast nog regels ter uitwerking van artikel 7:671a lid 1 BW, bepalingen over de transitievergoeding en de Wet melding collectief ontslag. G. De termijnen en procedures die bij het UWV zullen gelden zijn geregeld in de Regeling UWV Ontslagprocedure. 4 Deze lagere regelgeving is gebaseerd op artikel 7:671a lid 8 BW en zal (derhalve) niet voor de rechter gelden die een ontbindingsverzoek op de c tot en met h-grond moet beoordelen. 3. Inhoud Ontslagregeling in vogelvlucht De Ontslagregeling bevat de volgende regels. Regels met betrekking tot een redelijke grond voor opzegging wegens bedrijfseconomische omstandigheden; deze zijn in eerste instantie voor het UWV relevant (artikel 2 tot en met 8 Ontslagregeling). Maar ook de kantonrechter krijgt hiermee te maken indien hem ontbinding wordt verzocht na weigering van de toestemming door het UWV of indien een werknemer de rech NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 25

17 Shutterstock ter verzoekt de werkgever op te dragen de arbeidsovereenkomst te herstellen (artikel 7:682 BW). Regels over de herplaatsing van de werknemer en de redelijke termijn (artikel 9 en 10 Ontslagregeling). Met name deze zijn ook relevant voor rechters die een ontbindingsverzoek op de c tot en met h-grond moeten beoordelen omdat zij strekken ter uitvoering van artikel 7:669 lid 1 BW en dit lid geldt voor alle ontslaggronden, ongeacht of de kantonrechter of het UWV moet worden ingeschakeld. Regels om de volgorde van opzegging te bepalen bij het vervallen van arbeidsplaatsen in artikel 7:671a lid 5 BW en artikel 11 tot en met 16 Ontslagregeling (deze zien dus alleen op de a-grond). Dit zijn de enige regels uit de Ontslagregeling die mogelijk niet gelden voor de caoontslagcommissie, namelijk indien en voor zover hiervan bij cao is afgeweken. De andere regels uit de Ontslagregeling gelden onverkort voor de cao-ontslagcommissie; zie artikel 7:669 lid 6 BW. Ik benadruk dat omdat nog wel eens wordt gesuggereerd dat een ontslag-cao de vrijheid biedt om van de UWV-regels af te wijken; dat is dus maar ten dele juist. Een cao-ontslagcommissie zal dan ook onverkort met de hierna te bespreken problemen worden geconfronteerd. Regels ter afwijking van de voorgeschreven volgorde op grond van artikel 7:671a lid 7 BW (eveneens alleen relevant voor de a-grond). Op basis hiervan wordt in artikel 17 Ontslagregeling bepaald dat sommige categorieën flexwerkers niet eerst voor ontslag in aanmerking hoeven te komen voordat werknemers met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd moeten worden ontslagen. Regels over de voorwaarden waaronder eventueel de transitievergoeding ex artikel 7:673 BW kan worden verlaagd (artikel 24 en 25 Ontslagregeling; dit blijft hier verder buiten beschouwing). Bepalingen over uitzend- en payrollwerknemers (artikel 20 tot en met 23 Ontslagregeling). Regels over de wederindiensttredingsvoorwaarde (artikel 18 en 19 Ontslagregeling): deze spelen een rol bij de beoordeling van een verzoek van een werknemer tot vernietiging ex artikel 7:681 lid 1 sub d en e BW of herstel ex artikel 7:682 lid 4 en 5 BW nadat de arbeidsovereenkomst op de a-grond is beëindigd. 4. Wat is er veranderd? Even terug naar het begin: voorheen gold artikel 6 BBA, op grond waarvan een opzegging van de arbeidsovereenkomst de voorafgaande toestemming van de Minister van SZW behoefde. Met de inwerkingtreding van de Wwz vervalt artikel 6 BBA voor zover het gaat om verzoeken tot beëindiging die vanaf 1 juli 2015 worden ingediend (arti- 4. Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015, , tot vaststelling van regels met betrekking tot toestemming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot opzegging van de arbeidsovereenkomst (Regeling UWV ontslagprocedure), Strct. 2015, NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

18 Focus kel III en artikel XXII lid 1 Wwz). Artikel 6 lid 3 en 4 BBA was de basis voor het Ontslagbesluit, waarin de Minister van SZW de bevoegdheid om toestemming te geven aan het UWV had gedelegeerd en daarbij regels stelde. Dit was een ministeriële regeling. 5 Het Ontslagbesluit is in de Ontslagregeling ingetrokken (artikel 28). Ter uitvoering van het Ontslagbesluit stelde het UWV beleidsregels vast, officieel geheten de Beleidsregels Ontslagtaak UWV (hierna: Beleidsregels). 6 Veel van wat nu in de Ontslagregeling staat, lijkt op wat voorheen in de Beleidsregels stond, maar is anders opgeschreven of er zijn andere accenten gelegd. Kijkt men door de nieuwe formuleringen heen, dan bevat de Ontslagregeling niet veel dat niet ook al in het Ontslagbesluit of de Beleidsregels stond. Dat hoeft ook niet te verbazen omdat tijdens de behandeling van de Wwz is verklaard dat er geen wijziging werd beoogd in de behandeling van verzoeken tot toestemming wegens bedrijfseconomische omstandigheden. Voor zover de Ontslagregeling nieuwe zaken bevat, komt dat niet als een verrassing omdat het hier gaat om de uitwerking van wat al was aangekondigd. Ik denk daarbij aan regels over de herplaatsingstermijn (artikel 10), het alternatieve afspiegelingsbeginsel (artikel 16), regels op grond waarvan eerst andere arbeidsrelaties dienen te worden beëindigd alvorens een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd mag worden beëindigd (artikel 17) en regels over uitbesteding (artikel 5 en 6; deze komen grotendeels overeen met de Beleidsregels). De omvang van de Ontslagregeling is wel veel beperkter dan die van de Beleidsregels. De Beleidsregels bevatten 33 hoofdstukken met gedetailleerd beleid; de Ontslagregeling is daar misschien een kwart van. Een paar Beleidsregels zijn verhuisd naar de Regels UWV Ontslagprocedure (die overigens maar acht artikelen bevat), maar er zijn ook veel regels niet teruggekeerd. Een voorbeeld betreft de Beleidsregels over wat een bedrijfseconomische reden is (hoofdstuk 7). Hier werd in elf pagina s geschetst wanneer er sprake kan zijn van een bedrijfseconomische reden voor ontslag. In de Ontslagregeling komt alleen de term voor, die verwijst naar artikel 7:669 lid 3 sub a BW. In de officiële toelichting worden hieraan twee alinea s gewijd. Voor onderwerpen als deeltijdontslag en herplaatsing geldt hetzelfde. De Beleidsregels zullen met ingang van 1 juli 2015 hun wettelijke grondslag (het BBA 1945 en het Ontslagbesluit) verliezen (voor nieuwe aanvragen). Bij de afronding van dit artikel ging het UWV er vanuit dat er geen beleidsregels meer zouden komen in plaats van de oude. Wel werd namens het UWV aangekondigd nog met uitvoeringsregels te komen. Wat precies het verschil is tussen beleids- en uitvoeringsregels weet ik niet. In ieder geval kan het UWV alleen uitvoeringsregels opstellen die zien op de a- en b-grond. Het is overigens weinig fraai dat die uitvoeringsregels er nog niet zijn, terwijl het Sociaal Akkoord, op basis waarvan het UWV aan de slag kon, inmiddels meer dan twee jaar oud is. Bovendien heeft de minister er een zoekplaatje van gemaakt welke onderdelen van de Beleidsregels nu wel en niet zijn teruggekeerd en waarom wel of niet. Zo is er niets meer opgenomen over de berekening van anciënniteit na overgang van onderneming (artikel 7:662 BW) bij het bepalen van de ontslagvolgorde, terwijl het mij toch nuttig lijkt dat we in ieder geval weten wat het niet terugkeren hiervan in de Ontslagregeling volgens de minister te betekenen heeft. Met andere woorden: moet bij het vaststellen van de ontslagvolgorde ook rekening worden gehouden met het dienstverband bij een eerdere werkgever indien de werknemer van rechtswege naar de latere werkgever die opzegt is overgegaan? Of heeft de minister dat in artikel 15 lid 2 Ontslagregeling verstopt? Het zou kunnen, maar een verwijzing naar dit leerstuk ontbreekt, terwijl hier in de Beleidsregels expliciet aandacht aan werd besteed. 5. De sanctionering van overtreding van de Ontslagregeling bij opzegging op de a-grond Het besluit van het UWV op het verzoek van de werkgever is een bestuursrechtelijk besluit. Om te voorkomen dat hiertegen bezwaar en beroep openstaan op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is artikel 7:671a BW op de lijst gezet van besluiten waartegen geen beroep mogelijk is (zie artikel 1 van bijlage 2 bij de Awb). Tegelijkertijd is artikel 6 BBA 1945 van deze lijst geschrapt. 7 De delegatie van bevoegdheden aan het UWV heeft ook gevolgen voor de sancties die onder Wwz getroffen kunnen worden na een opzegging. De belangrijkste sanctie betreft het opdragen van de werkgever om de arbeidsovereenkomst met de werknemer weer te herstellen. Op grond van artikel 7:682 lid 1 sub a BW kan een werknemer dat herstel verzoeken indien de opzegging in strijd is met artikel 7:669 lid 3 sub a of b BW. De wetgever gaat ervan uit dat ook een beroep op het artikel kan worden gedaan indien een redelijke grond voor het ontslag, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 1 BW ontbreekt. De tekst van artikel De omvang van de Ontslagregeling is veel beperkter dan die van de Beleidsregels 7:682 lid 1 BW is in dat opzicht echter niet perfect: herstel wordt gekoppeld aan een opzegging in strijd met artikel 7:669 lid 3 sub a en sub b BW; de andere leden van artikel 7:669 BW, zoals lid 1, worden hier niet genoemd. Een verwijzing naar artikel 7:669 lid 1 BW wordt hier dus gemist. Bij vergelijking met lid 2 en 3 van artikel 7:682 BW valt op dat daar wel steeds naar artikel 7:669 BW als geheel wordt verwezen. In de wetsgeschiedenis is echter geen aanwijzing te vinden waarom dit onderscheid wordt gemaakt. Het ministerie heeft informeel laten weten dat hier sprake is van een onbedoelde omissie en dat dit nog zal worden gerepareerd (dit wordt dan de derde reparatiewet die bovenop de Wwz zelf komt). Een andere sanctie betreft vernietiging van de opzegging (artikel 7:681 lid 1 sub d en e BW). Dat is bijvoorbeeld aan de orde indien artikel 18 jo. artikel 6 Ontslagregeling is geschonden: de werkgever 1652 NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 25

19 Het is overigens weinig fraai dat die uitvoeringsregels er nog niet zijn, terwijl het Sociaal Akkoord inmiddels meer dan twee jaar oud is heeft binnen zes maanden een andere arbeidskracht (waartoe ook een uitzendkracht of schijnzelfstandige behoren) op de vervallen arbeidsplaats tewerkgesteld. Vrijwel alle bepalingen die in de Ontslagregeling zijn opgenomen strekken tot uitvoering van artikel 7:669 lid 5 BW. Gelet op deze delegatiebepaling, moet ervan worden uitgegaan dat een opzegging die in strijd is met de bepalingen uit de Ontslagregeling (met uitzondering van artikel 17, 24 en 25 Ontslagregeling) ook tot een opzegging leidt die in strijd is met artikel 7:669 BW. Dat betekent derhalve dat de uitleg van de Ontslagregeling in zaken op grond van artikel 7:682 BW (en 7:681 lid 1 sub d en e BW) van groot belang is. De rechter zal zich daarbij niet meer, zoals voorheen meestal gebeurde, kunnen beperken tot een marginale toetsing van het besluit van het UWV en de uitleg van de daarbij door het UWV gehanteerde regels, maar hij zal hierover zelf een standpunt moeten innemen. Dat tegen besluiten van het UWV geen bestuursrechtelijk rechtsmiddel openstaat, doet daaraan niet af. De civiele rechter heeft immers tot taak ontslagen te toetsen aan artikel 7:669 BW. De verplichting om niet in strijd met artikel 7:669 BW en de Ontslagregeling op te zeggen, geldt ook indien het UWV toestemming heeft gegeven. De wetgever heeft dat onderkend door de herstelprocedure van artikel 7:682 lid 1 BW mogelijk te maken en heeft ook gesteld: Het kan zich dan voordoen dat de kantonrechter tot een andere conclusie komt dan het UWV en vaststelt dat de arbeidsovereenkomst opgezegd is in strijd met artikel 7:669 BW. 8 Met andere woorden: de werkgever zal zich niet achter een toestemming van het UWV kunnen verschuilen. 9 Indien de rechter constateert dat de betrokken bepaling is overtreden heeft hij nog enige vrijheid of hij ook tot herstel veroordeelt; artikel 7:682 lid 1 BW spreekt over de kantonrechter kan. Erg ver gaat die vrijheid vermoedelijk echter niet want het systeem neemt als uitgangspunt dat de rechter herstelt bij schending van de norm. De wetgever heeft ongeveer zo gedacht: 1. de Ontslagregeling is de uitwerking van artikel 7:669 BW, 2. een opzegging in strijd met de Ontslagregeling is dus in strijd met artikel 7:669 BW en 3. een opzegging die in strijd is met artikel 7:669 BW ontbeert redelijkheid. Daarop dient in de gedachte van de wetgever een sanctie te volgen, anders is onvoldoende gewaarborgd dat ontslagen een redelijke grond hebben. Denkbaar is dat lichte overtredingen van artikel 7:669 BW niet meteen tot een sanctie hoeven te leiden. Artikel 6 Ontslagregeling schrijft voor dat de werkgever geen toestemming krijgt van het UWV indien hij het werk vervolgens aan een schijnzelfstandige wil geven. Een schijnzelfstandige is iemand die zich positioneert als zelfstandige maar geen relevante Verklaring Arbeidsrelatie (VAR) van de belastingdienst heeft. Stel dat een werkgever het werk van de ontslagen werknemer door een echte zelfstandige laat doen, maar deze had bij aanvang van het werk nog geen correcte VAR, zoals artikel 6 Ontslagregeling eist. Dat is een minor issue als de VAR later alsnog komt, maar het is formeel een grond om vernietiging te vragen. Bij deze vrij beperkte toetsingsvrijheid van de rechter komt dat het aan de werknemer is om te bepalen of hij herstel, dan wel een billijke vergoeding vraagt. De rechter heeft geen bevoegdheid om ambtshalve tot toekenning van een billijke vergoeding over te gaan, indien de werknemer alleen herstel vraagt. 10 Bovendien is de norm voor toekenning van de vergoeding een zwaardere in artikel 7:682 lid 1 BW dan voor het opdragen van herstel: overtreding van de regels is genoeg voor herstel, maar voor vergoeding moet er van een ernstig verwijtbare overtreding van de regels sprake zijn. 6. Hoe kan dit in de praktijk uitwerken? Kort samengevat: het aantal materiele regels ter uitwerking van artikel 7:669 lid 1 en 3 sub a en b BW om een dergelijke opzegging aan te toetsen slinkt aanzienlijk met de komst van de Ontslagregeling. Tegelijkertijd wordt de sanctionering bij overtreding van de regels aanzienlijk strikter. En daarbij komt dat de rechter naar alle waarschijnlijkheid veel vaker dan voorheen zal moeten oordelen over de vraag of de opzegging op de a-grond aan artikel 7:669 BW voldoet. Immers: A. Werkgevers moeten voortaan naar het UWV voor eenzijdige beëindiging wegens bedrijfseconomische gronden. Ze hebben geen keuze meer om ook naar de kantonrechter te gaan, zoals voorheen. B. De rechterlijke toetsing van de UWV-regels was onder het oude recht vrijwel geheel afwezig en gaat nu naar verwachting wezenlijk intensiever worden. 11 C. Werknemers kunnen een sterke prikkel voelen om her- 5. Besluit van 7 december 1998, dergelijke beslissingen in de visie van de artikel 8 Regeling UWV ontslagprocedure: mogen toetsen. De Ontslagregeling brengt Strct. 1998, 238. minister alleen maar voor in de vorm van Het oordeel van het UWV over deze situa- tot uitdrukking dat de werkgever op dit vlak 6. Laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 20 een beslissing over het verzoek zoals tie betreft geen beschikking in de zin van de de nodige vrijheid heeft en dat het UWV januari 2015, Stcrt. 2015, bedoeld in artikel 7:671a BW. Mogelijk ziet Awb. Het betreft slechts een niet op rechts- die in ieder geval zal moeten respecteren. 7. Terzijde: het is enigszins opvallend dat de minister deze beslissingen niet eens als gevolg gerichte verklaring. Toelichting Ontslagregeling, p. 10. niet ook artikel 7:669 BW op de lijst staat. besluiten, maar als niet op rechtsgevolg 8. Kamerstukken II 2013/14, 33818, 7, 10. Kamerstukken I 2013/14, 33818, C, Het UWV neemt immers ook op basis van gerichte verklaringen, zoals bij het oordeel p. 95. p artikel 7:669 lid 1 jo. lid 5 BW beslissingen, van het UWV over de kwalificatie van een 9. Dat laat overigens onverlet dat de rechter 11. D.M.A. Bij de Vaate, Bijzonder ontslag- zoals over de vraag of herplaatsing van een kleine werkgever als bedoeld in artikel een reorganisatiebesluit van de werkgever procesrecht (diss. VU Amsterdam), Deven- werknemer in de rede ligt. Blijkbaar komen 7:673d BW. Zo staat in de toelichting op vermoedelijk (enigszins) marginaal zal ter: Kluwer 2015, p NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

20 Focus stel te vragen omdat de transitievergoeding lager is dan de (oude) vergoeding op basis van de Kantonrechtersformule. Daarbij moet bedacht worden dat schending van de ontslagregels genoeg is om voor herstel van de arbeidsovereenkomst in aanmerking te komen (artikel 7:669 lid 3 sub a jo. artikel 7:682 lid 1 sub a BW). D. Werkgevers die geconfronteerd worden met een weigering door het UWV zullen in een aantal gevallen in hoger beroep gaan bij de ontbindingsrechter (artikel 7:671b lid 1 sub b BW). Ik geef drie voorbeelden van hoe het door mij gesignaleerde spanningsveld (meer sancties, minder regels en meer toeloop) kan uitwerken. Voorbeeld 1: wat is een bedrijfseconomische reden voor opzegging? Ook wanneer het UWV meent dat er sprake is van een bedrijfseconomische noodzaak om tot het verval van arbeidsplaatsen te besluiten, kan de werknemer herstel vorderen, daartoe stellende dat er hier geen sprake is van een bedrijfseconomische noodzaak (artikel 7:682 lid 1 sub a BW). Is er namelijk geen noodzaak, dan is niet aan de a-grond voldaan en dan lijkt er in beginsel herstel te moeten worden opgedragen als de werknemer dat vraagt. Dat geeft een nieuwe dimensie aan het reorganiseren omdat rechters (in ieder geval in de praktijk onder het oude recht) vrijwel geen ruimte zagen (of wilden zien) om op grond van artikel 7:681 BW (oud) een reorganisatiebesluit te toetsen. Nu zal een rechter argumenten van de werknemer moeten toetsen die erop neerkomen dat er geen Het doet wat vreemd aan dat rechters verplicht zouden zijn bij hun beoordeling van het ontbindingsverzoek rekening te houden met vervallen regels bedrijfseconomische noodzaak was. Is hij het eens met de werknemer dan gloort herstel. Het probleem is echter dat de Ontslagregeling vrijwel niets zegt over wat een bedrijfseconomische omstandigheid of noodzaak is. We moeten het dan ook doen met de wollige tekst van artikel 7:669 lid 3 sub a BW en de korte toelichting van de Ontslagregeling. Of gelden dan nog de vervallen Beleidsregels, wellicht als uitvoeringsregels en zo ja, wat is daarvan dan de juridische status in het debat bij de rechter, die immers niet gebonden is aan dergelijke regels en die zich niet mag beperken tot de vraag of het UWV haar eigen regels goed heeft toegepast? Voorbeeld 2: wat is een passende functie? Artikel 9 lid 3 Ontslagregeling luidt: Van een passende functie is sprake wanneer deze aansluit bij de opleiding, ervaring en capaciteiten van de werknemer. De kortheid van deze zin staat in geen verhouding tot het aantal geschillen dat kan ontstaan over de vraag of er in een concreet geval sprake is van een passende functie. Een werknemer die meent dat hij ten onrechte niet voor herplaatsing in aanmerking is gekomen, en die met toestemming van het UWV is ontslagen, zal over de uitleg die het UWV aan deze bepaling geeft tot aan de Hoge Raad kunnen procederen. Op zich kon dat onder het oude recht ook, maar in de praktijk gebeurde dat niet vaak (behalve bij ontslag op de b-grond). 12 Ook hier zal de rechter naar verwachting minder marginaal gaan toetsen dan voorheen, maar hoe dat precies gaat uitvallen is onbekend. 13 Voorbeeld 3: de herplaatsingstermijn De herplaatsingstermijn is de termijn gedurende welke herplaatsing in een andere, passende baan mogelijk is. Op grond van artikel 10 Ontslagregeling is de herplaatsingstermijn gelijk aan de wettelijke opzegtermijn, te rekenen vanaf de datum dat het UWV of de rechter zijn beslissing heeft genomen. De werkgever moet dus vooraf een inschatting maken van hoe lang de procedure gaat duren en daarbij de opzegtermijn optellen. Vervolgens moet hij inschatten hoeveel tijd het kost de werknemer eventueel om te scholen, hoeveel middelen hij daarvoor redelijkerwijs moet inzetten en/of hij het denkbaar acht dat er binnen die termijn een passende functie beschikbaar komt. Ook als het UWV dat met hem eens is en toestemming verleent, zijn er allerlei vragen op dit terrein, die nog eens kunnen worden aangewakkerd indien zich na de opzegging omstandigheden voordoen waarmee de werkgever geen rekening had gehouden en waarvan de vraag is of ze voorzienbaar waren ten tijde van de opzegging. Hier mis ik de nodige scherpte in de Ontslagregeling te meer omdat als uiteindelijk de conclusie van de rechter is dat de werkgever het niet goed heeft gedaan, dat, naar ik verwacht, zal leiden tot het opdragen van herstel De Ontslagregeling en het ontbindingsverzoek van de werkgever Anders dan onder het oude recht is de rechter onder de Wwz gehouden concrete normen uit wet- en regelgeving toe te passen bij de beoordeling van het ontbindingsverzoek (ook als het niet het hoger beroep betreft van het UWV). Met het opnemen van concrete normen is beoogd juridisering van ontslag te voorkomen en de rechtszekerheid te bevorderen. De wetgever verwacht dat wanneer de kantonrechter consequent aan deze normen toetst, de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in overleg met de werknemer wordt bevorderd waardoor in mindere mate een beroep op de rechter zal worden gedaan. 15 Ook de in artikel 7:669 lid 3 c tot en met h BW opgenomen gronden zijn ontleend aan het Ontslagbesluit en de Beleidsregels die per 1 juli 2015 vervallen. Voor de toetsing van deze gronden is, anders dan sommigen verwachtten, geen ministeriële regeling vastgesteld en die lijkt er ook evenmin binnen afzienbare tijd te komen. De regering lijkt er daarentegen van uit te gaan dat de rechter de nadere invulling die hieraan door het UWV werd gegeven in zijn Beleidsregels, zal betrekken bij de beoordeling van een verzoek om ontbinding van de arbeidsovereen NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 25

Gezondheidsstrafrecht

Gezondheidsstrafrecht Gezondheidsstrafrecht Mr. dr. W.L.J.M Duijst Deventer 2014 Omslagontwerp: H2R creatievecommunicatie ISBN 978-90-13-12600-6 E-book 978-90-13-12601-3 NUR 824-410 2014, W.L.J.M. Duijst Alle rechten voorbehouden.

Nadere informatie

de bank ambtshalve onderzoek de bank Definitieve Bevindingen

de bank ambtshalve onderzoek de bank Definitieve Bevindingen POSTADRES Postbus 93374, 2509 AJ Den Haag BEZOEKADRES Prins Clauslaan 20 TEL 070-381 13 00 FAX 070-381 13 01 E-MAIL info@cbpweb.nl INTERNET www.cbpweb.nl AAN de bank DATUM 17 maart 2006 CONTACTPERSOON

Nadere informatie

Ivo Opstelten Minister van Veiligheid en Justitie Postbus 20301 2500 EH DEN HAAG

Ivo Opstelten Minister van Veiligheid en Justitie Postbus 20301 2500 EH DEN HAAG Post Bits of Freedom Bank 55 47 06 512 M +31 613380036 Postbus 10746 KvK 34 12 12 86 E ton.siedsma@bof.nl 1001 ES Amsterdam W https://www.bof.nl Ivo Opstelten Minister van Veiligheid en Justitie Postbus

Nadere informatie

De Minister van Veiligheid en Justitie. Postbus 20301 2500 EH Den Haag. Advies wetsvoorstel toevoegen gegevens aan procesdossier minderjarige

De Minister van Veiligheid en Justitie. Postbus 20301 2500 EH Den Haag. Advies wetsvoorstel toevoegen gegevens aan procesdossier minderjarige POSTADRES Postbus 93374, 2509 AJ Den Haag BEZOEKADRES Juliana van Stolberglaan 4-10 TEL 070-88 88 500 FAX 070-88 88 501 INTERNET www.cbpweb.nl www.mijnprivacy.nl AAN De Minister van Veiligheid en Justitie

Nadere informatie

rechtmatigheid POSTADRES Postbus 93374, 2509 AJ Den Haag BEZOEKADRES Prins Clauslaan 20

rechtmatigheid POSTADRES Postbus 93374, 2509 AJ Den Haag BEZOEKADRES Prins Clauslaan 20 POSTADRES Postbus 93374, 2509 AJ Den Haag BEZOEKADRES Prins Clauslaan 20 TEL 070-381 13 00 FAX 070-381 13 01 E-MAIL info@cbpweb.nl INTERNET www.cbpweb.nl AAN Koninklijk Horeca Nederland DATUM 5 februari

Nadere informatie

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Postbus 20350 2500 EJ DEN HAAG. Advisering Besluit langdurige zorg.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Postbus 20350 2500 EJ DEN HAAG. Advisering Besluit langdurige zorg. POSTADRES Postbus 93374, 2509 AJ Den Haag BEZOEKADRES Juliana van Stolberglaan 4-10 TEL 070-88 88 500 FAX 070-88 88 501 INTERNET www.cbpweb.nl www.mijnprivacy.nl AAN De Staatssecretaris van Volksgezondheid,

Nadere informatie

De aansprakelijkheidsverzekering

De aansprakelijkheidsverzekering De aansprakelijkheidsverzekering Dit boek is het achtste deel van een boekenreeks van Uitgeverij Paris: de ACIS-serie. ACIS staat voor het UvA Amsterdam Centre for Insurance Studies. Dit multidisciplinaire

Nadere informatie

Aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid mr. A.J. de Geus Postbus 90801 2509 LV Den Haag. Geachte heer De Geus,

Aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid mr. A.J. de Geus Postbus 90801 2509 LV Den Haag. Geachte heer De Geus, Bezuidenhoutseweg 60 postbus 90405 2509 LK Den Haag tel. 070-3499 577 fax 070-3499 796 e-mail: j.hamaker@ser.nl Aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid mr. A.J. de Geus Postbus 90801 2509

Nadere informatie

De werkafspraken hebben vooralsnog alleen betrekking op geneesmiddelenreclame in de zin van hoofdstuk 9 van de Geneesmiddelenwet.

De werkafspraken hebben vooralsnog alleen betrekking op geneesmiddelenreclame in de zin van hoofdstuk 9 van de Geneesmiddelenwet. Werkafspraken tussen de Inspectie voor de Gezondheidszorg (inspectie), de stichting Code Geneesmiddelenreclame (CGR) en de Keuringsraad Openbare Aanprijzing Geneesmiddelen (KOAG) over de wijze van samenwerking

Nadere informatie

Reactie Groep Graafrechten wijziging Telecommunicatiewet (implementatie herziene Telecomrichtlijnen)

Reactie Groep Graafrechten wijziging Telecommunicatiewet (implementatie herziene Telecomrichtlijnen) Reactie Groep wijziging Telecommunicatiewet (implementatie herziene Telecomrichtlijnen) Groep 28 mei 2010 Feyo Sickinghe INLEIDING 1. Deze reactie volgt artikelsgewijs het concept wetsvoorstel wijziging

Nadere informatie

het college van bestuur van de Universiteit Leiden, gevestigd te Leiden, verweerder.

het college van bestuur van de Universiteit Leiden, gevestigd te Leiden, verweerder. Zaaknummer: 2008/008 Rechter(s): mrs. Loeb, Lubberdink, Mollee Datum uitspraak: 20 juni 2008 Partijen: appellant tegen college van bestuur van de Universiteit Leiden Trefwoorden: Bijzondere omstandigheden,

Nadere informatie

project: Trends en actualiteit in de Jeugdzorg

project: Trends en actualiteit in de Jeugdzorg project: Trends en actualiteit in de Jeugdzorg Colofon Uitgeverij Edu Actief b.v. Meppel Postbus 1056 7940 KB Meppel Tel.: 0522-235235 Fax: 0522-235222 E-mail: info@edu-actief.nl Internet: www.edu-actief.nl

Nadere informatie

Ivo Opstelten Minister van Veiligheid en Justitie Postbus 20301 2500 EH DEN HAAG

Ivo Opstelten Minister van Veiligheid en Justitie Postbus 20301 2500 EH DEN HAAG Post Bits of Freedom Bank 55 47 06 512 M +31 (0)6 13 38 00 36 Postbus 10746 KvK 34 12 12 86 E ton.siedsma@bof.nl 1001 ES Amsterdam W https://www.bof.nl Ivo Opstelten Minister van Veiligheid en Justitie

Nadere informatie

Uw kenmerk Ons kenmerk Contactpersoon Doorkiesnummer 619318/619583

Uw kenmerk Ons kenmerk Contactpersoon Doorkiesnummer 619318/619583 AANTEKENEN Nederlandse Omroep Stichting (NOS) T.a.v. het bestuur Postbus 26600 1202 JT HILVERSUM Datum Onderwerp 14 februari 2014 Nevenactiviteiten toestemming cluster 4 en 9 Uw kenmerk Ons kenmerk Contactpersoon

Nadere informatie

2. Wat zijn per sector/doelgroep de algemene inzichten ten aanzien van de inhoud van de continuïteitsplannen?

2. Wat zijn per sector/doelgroep de algemene inzichten ten aanzien van de inhoud van de continuïteitsplannen? Samenvatting Aanleiding en onderzoeksvragen ICT en elektriciteit spelen een steeds grotere rol bij het dagelijks functioneren van de maatschappij. Het Ministerie van Veiligheid en Justitie (hierna: Ministerie

Nadere informatie

Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA Den Haag

Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA Den Haag > Retouradres Postbus 20201 2500 EE Den Haag Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA Den Haag Korte Voorhout 7 2511 CW Den Haag Postbus 20201 2500 EE Den Haag www.rijksoverheid.nl

Nadere informatie

Gebruikersvoorwaarden boeken.bereslim.nl

Gebruikersvoorwaarden boeken.bereslim.nl Gebruikersvoorwaarden boeken.bereslim.nl 1. Definities: De Website Het Beveiligde gedeelte van de Website Gebruikersvoorwaarden Bereslim Bezoeker Gebruiker De website boeken.bereslim.nl danwel de website

Nadere informatie

logoocw De heer prof. dr. F. P. van Oostrom 26 mei 2005 ASEA/DIR/2005/23876 Taakopdracht voor de commissie Ontwikkeling Nederlandse Canon geen

logoocw De heer prof. dr. F. P. van Oostrom 26 mei 2005 ASEA/DIR/2005/23876 Taakopdracht voor de commissie Ontwikkeling Nederlandse Canon geen logoocw De heer prof. dr. F. P. van Oostrom Den Haag Ons kenmerk 26 mei 2005 ASEA/DIR/2005/23876 Onderwerp Taakopdracht voor de commissie Ontwikkeling Nederlandse Canon Bijlage(n) geen Geachte heer Van

Nadere informatie

Aegon Schadeverzekering N.V., gevestigd te Den Haag, hierna te noemen Aangeslotene.

Aegon Schadeverzekering N.V., gevestigd te Den Haag, hierna te noemen Aangeslotene. Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2014-382 d.d. 20 oktober 2014 (mr. A.W.H. Vink, voorzitter, prof. mr. M.L. Hendrikse en drs. L.B. Lauwaars RA, leden en mr. F.E. Uijleman, secretaris)

Nadere informatie

Nederlands Instituut van Psychologen 070-8888500. inzagerecht testgegevens

Nederlands Instituut van Psychologen 070-8888500. inzagerecht testgegevens POSTADRES Postbus 93374, 2509 AJ Den Haag BEZOEKADRES Juliana van Stolberglaan 4-10 TEL 070-88 88 500 FAX 070-88 88 501 E-MAIL info@cbpweb.nl INTERNET www.cbpweb.nl AAN Nederlands Instituut van Psychologen

Nadere informatie

Algemene voorwaarden voor de dienstverlening van Ridge & Brooke Limited, hierna te noemen Ridge & Brooke.

Algemene voorwaarden voor de dienstverlening van Ridge & Brooke Limited, hierna te noemen Ridge & Brooke. Algemene voorwaarden voor particulieren/consument Algemene voorwaarden voor de dienstverlening van Ridge & Brooke Limited, hierna te noemen Ridge & Brooke. Deze algemene voorwaarden zijn gedeponeerd bij

Nadere informatie

ALGEMENE VOORWAARDEN. De Bedrijfsmakelaar.nl

ALGEMENE VOORWAARDEN. De Bedrijfsmakelaar.nl ALGEMENE VOORWAARDEN De Bedrijfsmakelaar.nl Deze algemene voorwaarden zijn van toepassing op de toegang en het gebruik van de website van De Bedrijfsmakelaar.nl. Deel I. Algemeen Artikel 1 Definities en

Nadere informatie

Beleid 'onvrijwillige zorg' Vrijheidsbeperking binnen Lang Verblijf. woonzorg en dagbesteding

Beleid 'onvrijwillige zorg' Vrijheidsbeperking binnen Lang Verblijf. woonzorg en dagbesteding Beleid 'onvrijwillige zorg' Vrijheidsbeperking binnen Lang Verblijf woonzorg en dagbesteding 1 Inhoudsopgave 1. Inleiding 3 2. Wanneer wordt onvrijwillige zorg toegepast? 4 3. De wetgeving 5 3.1 Wet bijzondere

Nadere informatie

Deelnemersvoorwaarden Stichting Keurmerk Online Veilen

Deelnemersvoorwaarden Stichting Keurmerk Online Veilen Deelnemersvoorwaarden Stichting Keurmerk Online Veilen 1. Inleiding 1.1 De Stichting Keurmerk Online Veilen beoogt jegens consumenten de kwaliteit van online veilingplatformen te waarborgen door deze te

Nadere informatie

Samenwerkingsprotocol

Samenwerkingsprotocol Samenwerkingsprotocol Consumentenautoriteit Stichting Reclame Code 1 Samenwerkingsprotocol tussen de Consumentenautoriteit en de Stichting Reclame Code Partijen: 1. De Staatssecretaris van Economische

Nadere informatie

Integraal Kwaliteitsmanagement Gezondheidszorg Zorgkwaliteit, risicobeheersing, veiligheid en efficiency volgens NEN EN 15224

Integraal Kwaliteitsmanagement Gezondheidszorg Zorgkwaliteit, risicobeheersing, veiligheid en efficiency volgens NEN EN 15224 Integraal Kwaliteitsmanagement Gezondheidszorg Zorgkwaliteit, risicobeheersing, veiligheid en efficiency volgens NEN EN 15224 Version 1/2013 Uitdagingen in de gezondheidszorg Als professionele zorgaanbieder

Nadere informatie

Rapport Methodiek Risicoanalyse

Rapport Methodiek Risicoanalyse Versie 1.5 31 december 2014 A.L.M. van Heijst emim drs. R.B. Kaptein drs. A. J. Versteeg Inhoud 1. Inleiding... 3 2. Methodiek... 3 3. Stappenplan uitvoering risicoanalyse... 6 3.1 Landelijke risicoanalyse...

Nadere informatie

Overzicht en karakteristieken klimaatrisico s Nederland. Willem Ligtvoet

Overzicht en karakteristieken klimaatrisico s Nederland. Willem Ligtvoet Overzicht en karakteristieken klimaatrisico s Nederland Willem Ligtvoet Kader: Nationale Adaptatiestrategie (begin 2016) Gevraagd: breed overzicht klimaateffecten en aangrijpingspunten voor beleid Aanvulling

Nadere informatie

Leenvoorwaarden KPN B.V. versie januari 2007

Leenvoorwaarden KPN B.V. versie januari 2007 Leenvoorwaarden Leenvoorwaarden KPN B.V. versie januari 2007 I N H O U D 1 BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN............................................. 3 2 TOTSTANDKOMING LEENOVEREENKOMST................................

Nadere informatie

Rapport. Rapport betreffende een klacht over de Dienst voor het kadaster en de openbare registers uit Apeldoorn. Datum: 23 mei 2011

Rapport. Rapport betreffende een klacht over de Dienst voor het kadaster en de openbare registers uit Apeldoorn. Datum: 23 mei 2011 Rapport Rapport betreffende een klacht over de Dienst voor het kadaster en de openbare registers uit Apeldoorn. Datum: 23 mei 2011 Rapportnummer: 2011/151 2 Klacht Verzoekers klagen erover dat: het Kadaster

Nadere informatie

INITIATIEFVOORSTEL Gemeente Velsen

INITIATIEFVOORSTEL Gemeente Velsen INITIATIEFVOORSTEL Gemeente Velsen Raadsvergadering d.d. : 1 december 2011 Raadsbesluitnummer : R11.081 Carrousel d.d. : 17 november 2011 Onderwerp : Eindrapport Rekenkamercommissie kwaliteit Grondbeleid

Nadere informatie

Pagina 1/13. Besluit Openbaar. 1 Samenvatting. 2 Verloop van de procedure. Datum:

Pagina 1/13. Besluit Openbaar. 1 Samenvatting. 2 Verloop van de procedure. Datum: Ons kenmerk: Zaaknummer: Datum: ACM/DC/2015/207684_OV 15.1187.20 15 december 2015 Besluit van de Autoriteit Consument en Markt op grond van artikel 2.9 Wet handhaving consumentenbescherming tot het opleggen

Nadere informatie

ACM Werkwijze geheimhoudingsprivilege advocaat 2014

ACM Werkwijze geheimhoudingsprivilege advocaat 2014 ACM Werkwijze geheimhoudingsprivilege advocaat 2014 Autoriteit Consument en Markt ; Gelet op de artikelen 5:17 en 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de artikelen 51 en 89 van de Mededingingswet,

Nadere informatie

VOORSTEL AAN HET ALGEMEEN BESTUUR

VOORSTEL AAN HET ALGEMEEN BESTUUR datum vergadering 17 juni 2010 auteur Daniëlle Vollering telefoon 033-43 46 133 e-mail dvollering@wve.nl afdeling Staf behandelend bestuurder drs. J.M.P. Moons onderwerp agendapunt Uitkomst en benutting

Nadere informatie

ALGEMENE VOORWAARDEN INTERNETVERZEKEREN.NL

ALGEMENE VOORWAARDEN INTERNETVERZEKEREN.NL ALGEMENE VOORWAARDEN INTERNETVERZEKEREN.NL Deze algemene voorwaarden worden gehanteerd door Internetverzekeren.nl, Postbus 523, 9200 AM DRACHTEN (AFM nummer: 12042678 en KvK nummer: 51154560). Internetverzekeren.nl

Nadere informatie

Protocol. de Inspectie voor de Gezondheidszorg. de Nederlandse Zorgautoriteit

Protocol. de Inspectie voor de Gezondheidszorg. de Nederlandse Zorgautoriteit Protocol tussen de Inspectie voor de Gezondheidszorg en de Nederlandse Zorgautoriteit inzake samenwerking en coördinatie op het gebied van beleid, regelgeving, toezicht & informatieverstrekking en andere

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2010 2011 32 467 Oprichting van het College voor de rechten van de mens (Wet College voor de rechten van de mens) Nr. 9 AMENDEMENT VAN HET LID HEIJNEN Ontvangen

Nadere informatie

1. In deze algemene voorwaarden worden de hiernavolgende termen in de navolgende betekenis gebruikt, tenzij uitdrukkelijk anders is aangegeven.

1. In deze algemene voorwaarden worden de hiernavolgende termen in de navolgende betekenis gebruikt, tenzij uitdrukkelijk anders is aangegeven. ALGEMENE VOORWAARDEN Japsen Online Marketing Prof. Kamerlingh Onneslaan 84B1, 3112 VJ Schiedam hierna te noemen: Opdrachtnemer Artikel 1 Definities 1. In deze algemene voorwaarden worden de hiernavolgende

Nadere informatie

BESLUIT. Besluit van de Raad van Bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit als bedoeld in artikel 95c, derde lid, E-wet.

BESLUIT. Besluit van de Raad van Bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit als bedoeld in artikel 95c, derde lid, E-wet. Nederlandse Mededingingsautoriteit BESLUIT Besluit van de Raad van Bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit als bedoeld in artikel 95c, derde lid, E-wet. Nummer 102252-1 Betreft zaak: Beleidsregel

Nadere informatie

PV-gebruiksovereenkomst

PV-gebruiksovereenkomst PV-gebruiksovereenkomst DEZE OVEREENKOMST IS OPGESTELD OP 2012 (1) Bedrijf (2) Buur 1 DE ONDERGETEKENDEN: (1) [Bedrijfsnaam], gevestigd en kantoorhoudende te ([postcode]) [plaatsnaam], aan de [straat en

Nadere informatie

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING 29311 Wijziging van de Algemene wet gelijke behandeling en enkele andere wetten naar aanleiding van onderdelen van de evaluatie van de Algemene wet gelijke behandeling, de Wet gelijke behandeling van mannen

Nadere informatie

Algemene leveringsvoorwaarden

Algemene leveringsvoorwaarden Algemene leveringsvoorwaarden 1. Definities In deze algemene voorwaarden wordt verstaan onder: OutSight Media: te Hoorn, ingeschreven bij de kamer van koophandel in Hoorn onder nummer: 37128750 Online

Nadere informatie

kan een gebruiker van een dergelijk systeem ook bij stroomuitval zijn dienstverlening voortzetten.

kan een gebruiker van een dergelijk systeem ook bij stroomuitval zijn dienstverlening voortzetten. Ons ACM/DM/2014/206276_OV kenmerk: Zaaknummer: 14.0487.53 Besluit van de Autoriteit Consument en Markt naar aanleiding van een aanvraag tot een beschikking in de zin van artikel 56, lid 1, van de Mededingingswet.

Nadere informatie

Nalevingsverslag van het reglement discriminerende handelingen verslagjaar 2015. artikel 11b lid 3 Elektriciteitswet artikel 3c lid 3 Gaswet

Nalevingsverslag van het reglement discriminerende handelingen verslagjaar 2015. artikel 11b lid 3 Elektriciteitswet artikel 3c lid 3 Gaswet Nalevingsverslag van het reglement discriminerende handelingen verslagjaar 2015 artikel 11b lid 3 Elektriciteitswet artikel 3c lid 3 Gaswet Inhoudsopgave 1. Inleiding... 3 2. Organisatie en Processen...

Nadere informatie

Samenvatting. 1. Procedure

Samenvatting. 1. Procedure Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 12 d.d. 20 januari 2011 mevrouw mr. E.M. Dil-Stork, voorzitter, mevrouw mr. A.M. Wigger en de heer mr. J.Th de Wit Samenvatting Bij dalende

Nadere informatie

ALGEMENE VOORWAARDEN AGILE MARKETING AGENCY. 1. Definities/begripsbepalingen. Agile Marketing Agency: Agile Marketing Agency B.V.,

ALGEMENE VOORWAARDEN AGILE MARKETING AGENCY. 1. Definities/begripsbepalingen. Agile Marketing Agency: Agile Marketing Agency B.V., ALGEMENE VOORWAARDEN AGILE MARKETING AGENCY 1. Definities/begripsbepalingen Agile Marketing Agency: Agile Marketing Agency B.V., Klant: Elk natuurlijk of rechtspersoon aan wie Agile Marketing Agency een

Nadere informatie

Samenvatting. Consument, ARAG SE, gevestigd te Leusden, hierna te noemen: Aangeslotene.

Samenvatting. Consument, ARAG SE, gevestigd te Leusden, hierna te noemen: Aangeslotene. Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2014-16 d.d. 9 januari 2014 (mr. A.W.H. Vink, voorzitter, mr. B.F. Keulen en mr. C.E. du Perron, leden en mr. E.E. Ribbers, secretaris) Samenvatting

Nadere informatie

Bevindingen De bevindingen van het CBP luiden als volgt:

Bevindingen De bevindingen van het CBP luiden als volgt: POSTADRES Postbus 93374, 2509 AJ Den Haag BEZOEKADRES Prins Clauslaan 20 TEL 070-381 13 00 FAX 070-381 13 01 E-MAIL info@cbpweb.nl INTERNET www.cbpweb.nl AAN Zorgverzekeraar DATUM 27 februari 2003 CONTACTPERSOON

Nadere informatie

Behandeld door Telefoonnummer E-mailadres Kenmerk l 129240/186658. Uw verzoek tot ingrijpen in de markt voor diabeteshulpmiddelen 1 juli 2015

Behandeld door Telefoonnummer E-mailadres Kenmerk l 129240/186658. Uw verzoek tot ingrijpen in de markt voor diabeteshulpmiddelen 1 juli 2015 Diabetesvereniging Nederland T.a.v. Postbus 470 3830 AM LEUSDEN Newtonlaan 1-41 3584 BX Utrecht Postbus 3017 3502 GA Utrecht T 030 296 81 11 F 030 296 82 96 E info@nza.nl I www.nza.nl Behandeld door

Nadere informatie

ANONIEM Bindend advies

ANONIEM Bindend advies ANONIEM Bindend advies Partijen : A te B vs C te D Zaak : Hulpmiddelenzorg, wijziging prothesemaker Zaaknummer : ANO07.369 Zittingsdatum : 21 november 2007 1/6 BINDEND ADVIES Zaak: ANO07.369 (Hulpmiddelenzorg,

Nadere informatie

Drs. A. Reitsma T +31 70 31 42 442 M +31 6 23 52 98 51 E b.reitsma@vfn.nl

Drs. A. Reitsma T +31 70 31 42 442 M +31 6 23 52 98 51 E b.reitsma@vfn.nl Autoriteit Consument & Markt t.a.v. Dhr. Dr. B.M. Overvest Postbus 16326 2500 BH Den Haag Drs. A. Reitsma T +31 70 31 42 442 M +31 6 23 52 98 51 E b.reitsma@vfn.nl Datum: 4 november 2013 Betreft: Onderzoek

Nadere informatie

Socofi Algemene voorwaarden

Socofi Algemene voorwaarden Socofi Algemene voorwaarden Module 5: Application Service Provision / SAAS / Computerservice Socofi Weboplossingen 1. Toepasselijkheid 1.1 De ICT~Office Voorwaarden bestaan uit de module Algemeen aangevuld

Nadere informatie

! Maajkol Rosmolen 48 2406 JV Alphen aan den Rijn Nederland

! Maajkol Rosmolen 48 2406 JV Alphen aan den Rijn Nederland ALGEMENE VERKOOP- EN LEVERINGSVOORWAARDEN MAAJKOL 1.! Definities 1.1! Afnemer: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die met Maajkol een! Overeenkomst aangaat. 1.2! Algemene Voorwaarden: Deze algemene

Nadere informatie

ARTIKEL 6. WIJZIGINGEN, MEER- EN MINDER WERK

ARTIKEL 6. WIJZIGINGEN, MEER- EN MINDER WERK ALGEMENE VOORWAARDEN De hierna volgende Algemene Voorwaarden zijn van toepassing op alle aanbiedingen en overeenkomsten van Surlinio B.V, ingeschreven bij de KvK Haaglanden onder nummer 60691611. ARTIKEL

Nadere informatie

1 Juridisch kader BESLUIT ENERGIEKAMER

1 Juridisch kader BESLUIT ENERGIEKAMER ENERGIEKAMER BESLUIT Nummer: 102557_1/6 Betreft: Besluit tot het verlenen van een vergunning voor de levering van elektriciteit aan kleinverbruikers op grond van artikel 95d, eerste lid, van de Elektriciteitswet

Nadere informatie

CODE SOCIAL MEDIA MARKETING

CODE SOCIAL MEDIA MARKETING CODE SOCIAL MEDIA MARKETING Toelichting De Code Social Media Marketing maakt een begin met het reguleren van reclame- en marketingactiviteiten via social media. De Code beoogt transparantie in social marketing

Nadere informatie

Algemene voorwaarden Rootsmann Versie geldig vanaf: 24 juni 2014. Artikel 1 Definities

Algemene voorwaarden Rootsmann Versie geldig vanaf: 24 juni 2014. Artikel 1 Definities Algemene voorwaarden Rootsmann Versie geldig vanaf: 24 juni 2014 Artikel 1 Definities 1.1 Rootsmann: de gebruiker van deze algemene voorwaarden. De eenmanszaak Rootsmann, statutair gevestigd te Vinkeveen

Nadere informatie

Het wetsvoorstel Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade

Het wetsvoorstel Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade Rotterdam Institute of Private Law Accepted Paper Series Het wetsvoorstel Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade M.P.G. Schipper & I. van der Zalm Published in AV&S 2010/3, nr. 15,

Nadere informatie

De in de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding vergeten voogden en het voogdijplan

De in de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding vergeten voogden en het voogdijplan Rotterdam Institute of Private Law Accepted Paper Series De in de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding vergeten voogden en het voogdijplan A.J.M. Nuytinck Published in WPNR, 2008,

Nadere informatie

Stellen en bewijzen in procedures over verplichtstelling

Stellen en bewijzen in procedures over verplichtstelling Stellen en bewijzen in procedures over verplichtstelling 9 september 2015 Alex Ter Horst Advocaat pensioenrecht Achtergrond Indien verplichtstelling van toepassing is leidt dat voor wg en bpf tot allerlei

Nadere informatie

Ministerie van Veiligheid en Justitie

Ministerie van Veiligheid en Justitie Ministerie van Veiligheid en Justitie > Retouradres Postbus 20301 2500 EH Den Haag Het Veiligheidsberaad t.a.v. de voorzitter mw. G. Faber Postbus 7010 6801 HA ARNHEM Minister van Veiligheid en Justitie

Nadere informatie

Faculteit der Rechtsgeleerdheid Amsterdam Center for International Law Postbus 1030 1000 BA Amsterdam

Faculteit der Rechtsgeleerdheid Amsterdam Center for International Law Postbus 1030 1000 BA Amsterdam Faculteit der Rechtsgeleerdheid Amsterdam Center for International Law Postbus 1030 1000 BA Amsterdam T 020 535 2637 Advies Luchtaanvallen IS(IS) Datum 24 september 2014 Opgemaakt door Prof. dr. P.A. Nollkaemper

Nadere informatie

Kamervragen over afsluiting van stroom en gas in de winter

Kamervragen over afsluiting van stroom en gas in de winter DD-NR Regelingen en voorzieningen CODE...6 vervallen: het bericht 'Kamervragen over aanhoudende afsluitingen vn stroom en gas', datumnr 070-7 Kamervragen over afsluiting van stroom en gas in de winter

Nadere informatie

Samenvatting. 1. Procedure

Samenvatting. 1. Procedure 1 Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 162, d.d. 6 juli 2011 (mr. P.A. Offers, voorzitter, prof. mr. drs. M.L. Hendrikse en mr. B.F. Keulen) Samenvatting Betalingsbeschermingsverzekering.

Nadere informatie

1 Juridisch kader BESLUIT ENERGIEKAMER

1 Juridisch kader BESLUIT ENERGIEKAMER ENERGIEKAMER BESLUIT Nummer: 102556_1/8. Betreft: Besluit tot het verlenen van een vergunning voor de levering van elektriciteit aan kleinverbruikers op grond van artikel 95d, eerste lid Elektriciteitswet

Nadere informatie

Inschatting wilsbekwaamheid volgens KNMG richtlijn

Inschatting wilsbekwaamheid volgens KNMG richtlijn Naam patiënt:.. Geboortedatum patiënt:... Naam afnemer: Datum afname: Inschatting wilsbekwaamheid volgens KNMG richtlijn 1. Wilsbekwaamheid wordt altijd beoordeeld ter zake een bepaald onderzoek of bepaalde

Nadere informatie

-cliënt: degene die deelneemt aan advies-, trainings-, coaching-of begeleidingstraject, dat laatste als hij niet zelf de opdrachtgever is.

-cliënt: degene die deelneemt aan advies-, trainings-, coaching-of begeleidingstraject, dat laatste als hij niet zelf de opdrachtgever is. Algemene voorwaarden 2015 -Corewonders V.O.F. Artikel Definities In deze algemene voorwaarden wordt verstaan onder: -opdrachtnemer: Corewonders V.O.F. die deze algemene voorwaarden gebruikt voor het aanbieden

Nadere informatie

BESLUIT. Juridisch kader

BESLUIT. Juridisch kader Dienst uitvoering en toezicht Energie BESLUIT Nummer: Betreft: 101759_19-6 Besluit tot het verlenen van een vergunning voor de levering van gas aan kleinverbruikers op grond van artikel 45, eerste lid,

Nadere informatie

gezien het advies van Provinciale Staten van Groningen van 24 april 2013;

gezien het advies van Provinciale Staten van Groningen van 24 april 2013; Besluit Kenmerk: 28133/2013005884 Betreft: Aanwijzing van de Stichting Regionale Televisie Noord als regionale publieke mediainstelling voor de provincie Groningen en afwijzing van de aanwijzingsaanvraag

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2014 2015 29 304 Certificatie en accreditatie in het kader van het overheidsbeleid Nr. 5 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN Aan de Voorzitter van

Nadere informatie

Reclamecode Social Media (RSM)

Reclamecode Social Media (RSM) Reclamecode Social Media (RSM) De achtergrond van en een toelichting op de totstandkoming van deze code is als bijlage bij deze code opgenomen. 1. Reikwijdte De Reclamecode Social Media ( de Code ) heeft

Nadere informatie

Algemene Voorwaarden Dockbite B.V.

Algemene Voorwaarden Dockbite B.V. Algemene Voorwaarden Dockbite B.V. Artikel 1 Definities 1. In deze algemene voorwaarden worden de hiernavolgende termen in de navolgende betekenis gebruikt, tenzij uitdrukkelijk anders is aangegeven. -

Nadere informatie

Inhuur in de Kempen. Eersel, Oirschot en Reusel-De Mierden. Onderzoeksaanpak

Inhuur in de Kempen. Eersel, Oirschot en Reusel-De Mierden. Onderzoeksaanpak Inhuur in de Kempen Eersel, Oirschot en Reusel-De Mierden Onderzoeksaanpak Rekenkamercommissie Kempengemeenten 21 april 2014 1. Achtergrond en aanleiding In gemeentelijke organisaties met een omvang als

Nadere informatie

Inleiding ADVIES. Nederlandse Mededingingsautoriteit

Inleiding ADVIES. Nederlandse Mededingingsautoriteit Nederlandse Mededingingsautoriteit ADVIES Advies van de Raad van Bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit, als bedoeld in artikel 20e, derde lid, van de Elektriciteitswet 1998. Zaaknummer: 104152/15

Nadere informatie

Aanvraagformulier. voor het aanvragen van een vergunning voor het leveren van elektriciteit en/of gas aan kleinverbruikers

Aanvraagformulier. voor het aanvragen van een vergunning voor het leveren van elektriciteit en/of gas aan kleinverbruikers Aanvraagformulier voor het aanvragen van een vergunning voor het leveren van elektriciteit en/of gas aan kleinverbruikers Versie van 13 januari 2015 1 Inleiding De Elektriciteitswet 1998 (hierna: E-wet)

Nadere informatie

Algemene voorwaarden zakelijke dienstverlening

Algemene voorwaarden zakelijke dienstverlening Algemene voorwaarden zakelijke dienstverlening Biercontract.nl Graaf Wichmanlaan 62 1405 HC Bussum Handelsregisternummer: 57084033 BTW nummer 167606657B02 1. Definities 1. In deze algemene voorwaarden

Nadere informatie

ALGEMENE VOORWAARDEN TUNE ICT

ALGEMENE VOORWAARDEN TUNE ICT ALGEMENE VOORWAARDEN TUNE ICT Artikel 1 - Begripsbepalingen 1.1 Deze algemene voorwaarden verstaan onder: Tune ICT: de V.O.F., gevestigd te Tiel aan de Betuwestraat 42 (4005 AR) Klant: de cliënt aan wie

Nadere informatie

Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie DURVEN DELEN OP WEG NAAR EEN TOEGANKELIJKE WETENSCHAP

Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie DURVEN DELEN OP WEG NAAR EEN TOEGANKELIJKE WETENSCHAP Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie DURVEN DELEN OP WEG NAAR EEN TOEGANKELIJKE WETENSCHAP Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie!! " # "# $ -. #, '& ( )*(+ % & /%01 0.%2

Nadere informatie

Algemene Voorwaarden (Werving & Selectie) augustus 2010. Bremmer Company VOF. Artikel 1. DEFINITIES

Algemene Voorwaarden (Werving & Selectie) augustus 2010. Bremmer Company VOF. Artikel 1. DEFINITIES Algemene Voorwaarden (Werving & Selectie) augustus 2010 Bremmer Company VOF Artikel 1. DEFINITIES a. Opdrachtnemer Bremmer Company VOF. Hierna te noemen Bremmer Company b. Opdrachtgever De natuurlijke

Nadere informatie

Algemene voorwaarden gebruiksrechtovereenkomst Softwareleveranciers voor de Installatie Classificatie Structuur

Algemene voorwaarden gebruiksrechtovereenkomst Softwareleveranciers voor de Installatie Classificatie Structuur Algemene voorwaarden gebruiksrechtovereenkomst Softwareleveranciers voor de Installatie Classificatie Structuur Artikel 1 - Definities Voor de toepassing van de Overeenkomst wordt verstaan onder: a. Formulier:

Nadere informatie

Advies over juridische consequenties verlenging/overschrijding vastgelegde normtijden voor opkomst van de brandweer

Advies over juridische consequenties verlenging/overschrijding vastgelegde normtijden voor opkomst van de brandweer Advies over juridische consequenties verlenging/overschrijding vastgelegde normtijden voor opkomst van de brandweer 14 februari 2011 A.M. Hol, Universiteit Utrecht 1 Vraagstelling: Heeft overschrijding

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2010 2011 Aanhangsel van de Handelingen Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden 682 Vragen van de leden

Nadere informatie

Beoordeling. h2>klacht

Beoordeling. h2>klacht Rapport 2 h2>klacht Verzoeker klaagt er in vervolg op zijn bij de Nationale ombudsman op 5 februari 2008 ingediende klacht over dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) Rotterdam in het

Nadere informatie

ALGEMENE LEVERINGS- EN BETALINGSVOORWAARDEN VAN AAA VERTAALBUREAU LA FRANCE. te Andijk Generaal de Wetlaan 17

ALGEMENE LEVERINGS- EN BETALINGSVOORWAARDEN VAN AAA VERTAALBUREAU LA FRANCE. te Andijk Generaal de Wetlaan 17 ALGEMENE LEVERINGS- EN BETALINGSVOORWAARDEN VAN AAA VERTAALBUREAU LA FRANCE te Andijk Generaal de Wetlaan 17 Artikel 1 - Definities Artikel 2 - Algemeen Artikel 3 - Offertes, aanbiedingen Artikel 4 - Opdracht

Nadere informatie

Publieke en private verantwoordelijkheden voor klimaatadaptatie

Publieke en private verantwoordelijkheden voor klimaatadaptatie Publieke en private verantwoordelijkheden voor klimaatadaptatie Een juridisch-bestuurlijke analyse en eerste beoordeling dr. Hens Runhaar (projectleider) mr.dr. Herman Kasper Gilissen dr. Caroline Uittenbroek

Nadere informatie

het College van Bestuur van C, gevestigd te D, verweerder, hierna te noemen de werkgever gemachtigde: de heer mr. B.J. van Hees

het College van Bestuur van C, gevestigd te D, verweerder, hierna te noemen de werkgever gemachtigde: de heer mr. B.J. van Hees 106796 - Beroep tegen ontslag wegens opheffing van de betrekking gegrond omdat de werkgever een onjuiste afvloeiingssystematiek hanteert; BVE in het geding tussen: UITSPRAAK de heer A, wonende te B, appellant,

Nadere informatie

VOORBEELD MODELOVEREENKOMST ALGEMEEN GEEN VERPLICHTING TOT PERSOONLIJKE ARBEID Opgesteld door de Belastingdienst nr. 9015550000-05 19 10 2015

VOORBEELD MODELOVEREENKOMST ALGEMEEN GEEN VERPLICHTING TOT PERSOONLIJKE ARBEID Opgesteld door de Belastingdienst nr. 9015550000-05 19 10 2015 VOORBEELD MODELOVEREENKOMST ALGEMEEN GEEN VERPLICHTING TOT PERSOONLIJKE ARBEID Opgesteld door de Belastingdienst nr. 9015550000-05 19 10 2015 Beoordeling overeenkomst Algemeen / geen verplichting tot persoonlijke

Nadere informatie

KLACHTENPROTOCOL versie 1 mei 2006

KLACHTENPROTOCOL versie 1 mei 2006 KLACHTENPROTOCOL versie 1 mei 2006 Inhoud 1. Inleiding 2. Definities 3. Informatie aan cliënt 4. Te doorlopen stappen 5. Bijlagen a. Voorbeeld Procedure voor het afhandelen van klachten b. Toelichting

Nadere informatie

Recht doen aan privacyverklaringen

Recht doen aan privacyverklaringen Recht doen aan privacyverklaringen Een juridische analyse van privacyverklaringen op internet Eric W. Verfielst Kluwer - Deventer 2012 VOORWOORD LUST VAN AFKORTINGEN XIII 1. Inleiding 1 1.1 Inleiding 1

Nadere informatie

1.2 Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend dat de Commissie van Beroep op 11 november 2013 heeft ontvangen.

1.2 Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend dat de Commissie van Beroep op 11 november 2013 heeft ontvangen. Uitspraak Commissie van Beroep 2014-007 d.d. 31 januari 2014 (mr. W.J.J. Los, voorzitter, mr. A. Bus, mr. J.B. Fleers, drs. P.H.M. Kuijs AAG, prof. mr. F.R. Salomons, leden, en mr. M.J. Drijftholt, secretaris)

Nadere informatie

Zorginstituut Nederland

Zorginstituut Nederland > Retouradres Postbus 320, 1110 AH Diemen Algemene Rekenkamer t.a.v. drs. C.C.M. Vendrik, wnd voorzitter Lange Voorhout 8 Postbus 20015 2500 EA DEN HAAG Betreft 2740.2015036391 Reactie op het Conceptrapport

Nadere informatie

De hiernavolgende termen worden in deze algemene voorwaarden in de navolgende betekenis gebruikt, tenzij uitdrukkelijk anders is aangegeven.

De hiernavolgende termen worden in deze algemene voorwaarden in de navolgende betekenis gebruikt, tenzij uitdrukkelijk anders is aangegeven. ALGEMENE VOORWAARDEN WeetWatjemoetdoen Voltastraat 29-2 6902 PT Zevenaar KvK 60986913 www.weetwatjemoetdoen.nl Artikel 1. Definities De hiernavolgende termen worden in deze algemene voorwaarden in de navolgende

Nadere informatie

2.2 Het feitelijk beginnen met het uitvoeren van de overeenkomst geldt zijdens opdrachtgever als aanvaarding van deze algemene voorwaarden.

2.2 Het feitelijk beginnen met het uitvoeren van de overeenkomst geldt zijdens opdrachtgever als aanvaarding van deze algemene voorwaarden. ALGEMENE VOORWAARDEN Intelgration B.V., gevestigd te 1343AE Almere, Wielewaallaan 10, ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder dossiernummer 30163962. 1 Algemeen In deze algemene voorwaarden worden

Nadere informatie

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG 1 > Retouradres Postbus 20301 2500 EH Den Haag Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Turfmarkt 147 2511 DP Den Haag Postbus 20301 2500 EH Den Haag www.rijksoverheid.nl/venj

Nadere informatie

INTENTIEVERKLARING. De Vereniging voor Christelijk Onderwijs Groningen. De Vereniging voor Christelijk Basisonderwijs Hoogkerk,

INTENTIEVERKLARING. De Vereniging voor Christelijk Onderwijs Groningen. De Vereniging voor Christelijk Basisonderwijs Hoogkerk, INTENTIEVERKLARING De Vereniging voor Christelijk Onderwijs Groningen en De Vereniging voor Christelijk Basisonderwijs Hoogkerk, verder te noemen: de besturen, te dezen rechtsgeldig vertegenwoordigd, overwegende

Nadere informatie

2513AA22XA. De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE

2513AA22XA. De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE > Retouradres Postbus 90801 2509 LV Den Haag De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE 2513AA22XA Postbus 90801 2509 LV Den Haag Parnassusplein 5 T 070 333

Nadere informatie

BESLUIT. Besluit van de Minister van Economische Zaken als bedoeld in artikel 95d van de

BESLUIT. Besluit van de Minister van Economische Zaken als bedoeld in artikel 95d van de Nederlandse Mededingingsautoriteit BESLUIT Nummer 10548_1/7.BT898 Betreft zaak: Besluit tot het verlenen van een vergunning voor de levering van elektriciteit aan kleinverbruikers op grond van artikel

Nadere informatie

SBS BROADCASTING B.V. ALGEMENE VOORWAARDEN PROGRAMMA PARTICIPATIE 2015. Inhoudsopgave

SBS BROADCASTING B.V. ALGEMENE VOORWAARDEN PROGRAMMA PARTICIPATIE 2015. Inhoudsopgave Kijk voor meer informatie op: WWW.ADVERTERENBIJSBS.NL SBS BROADCASTING B.V. ALGEMENE VOORWAARDEN PROGRAMMA PARTICIPATIE 2015 Inhoudsopgave 1. Het Programma 2. Participatie aan het Programma 3. Productie

Nadere informatie

Algemene Voorwaarden

Algemene Voorwaarden Algemene Voorwaarden Deze algemene voorwaarden worden gehanteerd door GEVEN Assurantiën & Hypotheken B.V. Artikel 1. Definities In deze algemene voorwaarden wordt verstaan onder: a. Tussenpersoon: GEVEN

Nadere informatie