Project Faseplan Hotspots Genk-Zuid en regio Menen van humane biomonitoringresultaten naar beleidsacties. Eindrapport

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Project Faseplan Hotspots Genk-Zuid en regio Menen van humane biomonitoringresultaten naar beleidsacties. Eindrapport"

Transcriptie

1 Project Faseplan Hotspots Genk-Zuid en regio Menen van humane biomonitoringresultaten naar beleidsacties Eindrapport Bert Morrens, Dries Coertjens en Ilse Loots Universiteit Antwerpen Ann Colles, Elly Den Hond en Greet Schoeters VITO Juni 2013 Project in opdracht van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie en van het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid

2 2

3 Project Faseplan - Hotspots Genk-Zuid en regio Menen van humane biomonitoringresultaten naar beleidsacties Eindrapport Bert Morrens, Dries Coertjens en Ilse Loots Universiteit Antwerpen Ann Colles, Elly Den Hond en Greet Schoeters VITO Juni 2013 Project in opdracht van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie en van het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid Depotnummer D/2013/12.293/18 ISBN-nummer

4 LEESWIJZER Dit rapport beschrijft de verschillende stappen van het project Faseplan, een participatieve en beleidsondersteunende adviesprocedure om de resultaten van de humane biomonitoringsstudies (HBM-studie) in de hotspots Genk-Zuid en regio Menen verder te interpreteren en te vertalen naar beleidsacties. Het rapport volgt de chronologie van het participatief proces, met uitzondering van de samenvatting. Deze samenvatting bevat de integrale tekst van het eindadvies dat op het einde van het project door het onderzoeksteam werd opgemaakt, op basis van de (tussentijdse) conclusies van alle voorgaande stappen. Het eindadvies (blz. 5 tot 19) werd, na goedkeuring door de Stuurgroep Faseplan, overgemaakt aan de Vlaamse overheid. Deze tekst is dus te beschouwen als de synthese van de stapsgewijze procedure die werd doorlopen. Omdat dit eindadvies een beknopt maar desalniettemin volledig beeld schetst van het Faseplan in de twee hotspots, leek het ons zinvol de chronologie even te doorbreken en te starten met het eindproduct van het Faseplan. Vervolgens wordt in hoofdstuk 1 de gebruikte methodologie en het plan van aanpak kort toegelicht. De daaropvolgende hoofdstukken beschrijven de verschillende stappen binnen twee analytisch te onderscheiden fasen: i) het prioriteren en selecteren van HBM-resultaten en ii) het zoeken naar oorzaken en bronnen en het opmaken van een actieplan. In hoofdstuk 2 nemen we de HBM-resultaten in beide hotspots onder de loep. De achtergronddocumenten werden bij het begin van het project opgemaakt om de voorselectie van meest prioritaire resultaten te ondersteunen. Deze selectie wordt beschreven in hoofdstuk 3. Hoofdstukken 4 en 5 vormen de kern van het participatieve luik van het Faseplan. Ze bevatten de conclusies van drie opeenvolgende consultatieronden. Deze werden uitgevoerd volgens een analytisch-deliberatieve aanpak waarbij expertinput (analyse) werd besproken en aangevuld door stakeholders (deliberatie). Hoofdstuk 4 beschrijft het expertadvies, voorafgegaan door een korte beschrijving van het ondersteunend opzoek- en analysewerk door het onderzoeksteam (desk research). Hoofdstuk 5 beschrijft het maatschappelijk advies dat werd verzameld in twee lokale consultaties in elke hotspot: een focusgesprek met buurtbewoners (klankbordgroep) en een rondetafelgesprek met lokale stakeholders (lokale adviesgroep). Hoofdstukken 4 en 5 bevatten een synthese van de verzamelde input uit de consultaties. Van alle deelstappen werden doorheen het project aparte verslagen en rapporten gemaakt die beschikbaar zijn in een afzonderlijke bijlage. De hoofdstukken 4 en 5 volgen in grote lijnen dezelfde opbouw: we starten met een inleiding waarbij we de doelstelling, de respons en de methodiek van elke stap kort beschrijven. Vervolgens geven we een samenvatting van de belangrijkste input en adviezen die werden verzameld. Tot slot evalueren we elke stap kort door te verwijzen naar de feedback die de betrokkenen ons gaven. In het afsluitende hoofdstuk 6 maken we een evaluatie op van het doorlopen proces. We beschrijven wat goed verlopen is, waar knelpunten zaten en wat aanbevelingen zijn voor de toekomst. Tot slot willen we alle experten, buurtbewoners, en lokale actoren die betrokken waren bij het Faseplan van harte bedanken! Bert MORRENS, Dries COERTJENS en Ilse LOOTS Ann COLLES, Elly DEN HOND en Greet SCHOETERS Juni

5 Inhoud Samenvatting... 6 Inleiding... 6 Geïntegreerd eindadvies Genk-Zuid Geïntegreerd eindadvies regio Menen Enkele generieke aanbevelingen Inleiding: methodologie en plan van aanpak Het project Faseplan Principes en uitgangspunten van het Faseplan De procedure van het Faseplan: plan van aanpak FASE I: EVALUEREN VAN GESELECTEERDE OVERSCHRIJDINGEN NAAR ERNST EN PRIORITEITEN 2. Desk research: overzicht HBM-resultaten hotspots Achtergronddocument hotspot Genk-Zuid Achtergronddocument hotspot regio Menen Prioriteren en selecteren van HBM-resultaten Selectievoorstel door Steunpunt Milieu en Gezondheid Lokale actoren: advisering selectievoorstel Steunpunt FASE II: OPZOEKEN VAN OORZAAK EN BRON VAN DE PRIORITAIRE OVERSCHRIJDINGEN EN OPMAAK ACTIEPLAN 4. Expertadvies Desk research Expertronde Maatschappelijk advies Klankbordgroep buurtbewoners Lokale actoren: Eindadvisering Evaluatie Bijlagen (zie afzonderlijk document) Referenties

6 Samenvatting Dit hoofdstuk omvat het geïntegreerd eindadvies van het Faseplan dat werd doorlopen in de aandachtsgebieden Genk-Zuid en regio Menen in de periode Het eindadvies werd opgemaakt door het onderzoeksteam, op basis van aanbevelingen door experten, lokale stakeholders en buurtbewoners die in opeenvolgende ronden werden geconsulteerd, en vormt de basis voor de opmaak van een actieplan voor beide regio s. Een inleidende paragraaf geeft een kort overzicht van het project Faseplan en de verschillende consultatiemomenten die werden doorlopen. Inleiding Het Steunpunt Milieu en Gezondheid meet in opdracht van de Vlaamse overheid de aanwezigheid en de effecten van milieuvervuilende stoffen in de mens via humane biomonitoring (HBM). Sinds 2002 werden verschillende meetcampagnes uitgevoerd in Vlaanderen (zowel in algemeen Vlaanderen als in specifieke aandachtsgebieden). Het project Faseplan heeft als doel de resultaten van deze HBMcampagnes verder te interpreteren en de vertaling naar beleidsacties te ondersteunen, a.h.v. een systematische en participatieve procedure. Humane Biomonitoring bij jongeren in Genk-Zuid en regio Menen In de periode werden HBM-meetcampagnes uitgevoerd bij jongeren in twee verschillende industriële aandachtsgebieden in Vlaanderen, met name Genk-Zuid en regio Menen. Beide aandachtsgebieden werden geselecteerd a.h.v. een open selectieprocedure 1. De opzet van de HBMstudies was de inwendige blootstelling aan vervuilende stoffen en een aantal biologische en gezondheidskenmerken te meten of te bevragen bij 200 jongeren (14-15 jaar) die wonen in de nabijheid van de industriezone, en deze resultaten te vergelijken met de jongeren van de Vlaamse referentiecampagne (een steekproef van dezelfde leeftijdsgroep uit de algemene Vlaamse bevolking) die werd uitgevoerd in de periode De resultaten van de HBM-campagnes in Genk-Zuid en regio Menen zijn te vinden op de website van het Steunpunt: Het project Faseplan Een HBM-onderzoek levert een veelheid aan interessante gegevens op over milieu en gezondheid. De doorwerking naar beleid is echter niet altijd eenduidig. Zowel wetenschappelijk als maatschappelijk bestaat er vaak heel wat onenigheid en/of onzekerheid over o.a. de (gezondheidskundige) ernst van de resultaten, de oorzaken achter verhoogde waarden, mogelijke oplossingen voor geïdentificeerde problemen, en prioriteiten voor beleid. Daarom werd het Faseplan ontwikkeld, een procedure om resultaten van HBM-campagnes uitgevoerd door het Steunpunt Milieu en Gezondheid verder te interpreteren en te vertalen naar beleidsacties, en dit op een transparante, systematische en participatieve manier. Het Faseplan is m.a.w. een vervolgtraject op HBM-onderzoek, gedragen door onderzoekers, beleidsmakers en plaatselijke betrokkenen. Naar aanleiding van de bekendmaking van de HBM-resultaten in de aandachtsgebieden Genk-Zuid en regio Menen werd een Faseplan opgestart in beide regio s. Verschillende wetenschappelijke en maatschappelijke actoren werden betrokken in een reeks consultatieronden. Het gaat dan zowel om experten (expertconsultatie) als relevante maatschappelijk actoren (stakeholder-consultatie) en burgers (klankbordgroep). Het doel van het Faseplan is de Vlaamse overheid te adviseren bij het opstellen van concrete beleidsacties. Het project Faseplan wordt uitgevoerd door de Universiteit Antwerpen (Dep. Sociologie) en VITO (Vlaamse instelling voor technologisch onderzoek, unit Milieurisico en Gezondheid), in opdracht van 1 Rapport via website Steunpunt Milieu en Gezondheid: 6

7 de Vlaamse overheid (departement Leefmilieu, Natuur en Energie (LNE) en het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid (VAZG)). Het Faseplan in de aandachtsgebieden Genk-Zuid en regio Menen liep van februari 2012 tot midden De procedure van het Faseplan Het Faseplan werd een eerste keer uitgevoerd en geëvalueerd op basis van de resultaten van het eerste generatie Steunpunt Milieu en Gezondheid ( ). In algemene zin bestaat het Faseplan uit een voorfase en vier opeenvolgende fasen: - Voorfase: vaststellen en selecteren van overschrijdende biomerkerwaarden - Fase I: evalueren van geselecteerde overschrijdingen naar ernst en prioriteiten - Fase II: opzoeken van oorzaak en bron van prioritaire overschrijdingen en opmaken actieplan - Fase III: uitvoeren actieplan - Fase IV: evaluatie actieplan De lokale context van de aandachtsgebieden vroeg om maatwerk in de procedure. De interesse en betrokkenheid van lokale maatschappelijke actoren en buurtbewoners was immers groot, en in beide gebieden bestond reeds een lange voorgeschiedenis en lopend beleid. Daarom werd er in beide aandachtsgebieden veel aandacht besteed aan lokaal overleg in functie van het identificeren van prioriteiten en maatregelen die lokaal draagvlak genieten. Figuur 1 geeft de verschillende stappen van de procedure schematisch weer. De achtereenvolgende stappen worden kort toegelicht. Figuur 1: Plan van aanpak Faseplan Genk-Zuid en regio Menen (tot aan opmaak actieplan) Stap 1a: Preselectie HBM resultaten Door Steunpunt Milieu en Gezondheid en de Vlaamse overheid. FASE I Stap 1b: Lokaal advies preselectie Consultatie lokale stakeholders: maatschappelijke aanvulling selectie FASE II Stap 2: Desk research Werkgroep Faseplan: verdere analyse, inventarisatie Stap 3: Expertconsultatie Bovenlokale en lokale experten: kwaliteitscontrole, beoordeling Expertadvies Maatschappelijk advies Stap 4: Klankbordgroep focusgesprek HBM deelnemers/ buurtbewoners Stap 5: Eindadvies lokale actoren Consultatie lokale stakeholders Stap 6: Ambtelijke Vlaamse overheid Beleidsvoorbereiding actieplan Stap 7: Politieke Vlaamse Overheid Beleidsbeslissing actieplan 7

8 FASE I: EVALUEREN VAN GESELECTEERDE OVERSCHRIJDINGEN NAAR ERNST EN PRIORITEITEN STAP 1. PRESELECTIE HBM-RESULTATEN De humane biomonitoringcampagnes in de aandachtsgebieden Genk-Zuid en regio Menen leverden een grote hoeveelheid aan resultaten op (27 blootstellingsmerkers voor 18 polluenten + verschillende effectmerkers en gezondheidsindicatoren). Niet al deze resultaten vragen om een (even uitgebreide) interpretatie, en gezien de beperkte tijd en middelen is bij de beleidsvertaling een zekere focus wenselijk. Daarom werd een eerste prioritering en selectie gemaakt van de resultaten die verdere aandacht verdienden in het kader van het Faseplan. Deze selectie gebeurde in twee stappen: Een eerste selectie (STAP 1A) gebeurde door experten van het Steunpunt Milieu en Gezondheid (wetenschappelijke inschatting van de gezondheidskundige ernst) en door beleidsmedewerkers van de Vlaamse overheid (inschatting beleidsrelevantie). In een tweede stap (STAP 1B) werd deze selectie voorgelegd voor advies aan lokale stakeholders (inschatting lokale en maatschappelijke relevantie). STAP 1A: Het Steunpunt Milieu en Gezondheid concludeerde samen met beleidsmedewerkers van de Vlaamse overheid (LNE en VAZG) dat de verhoogde DNA-schade in beide aandachtsgebieden vanuit gezondheidskundig oogpunt het meest ernstige resultaat was. 2 Daarom werd voorgesteld om alle blootstellingsmerkers te selecteren die significant verhoogd zijn in de aandachtsgebieden t.o.v. algemeen Vlaanderen en verband houden met genotoxische effecten (dosis-respons relatie). Daarnaast werd voorgesteld om voor de regio Menen bijkomend de biomerkers voor PCB s, dioxines en DDE te selecteren vanwege de lokale ongerustheid m.b.t. deze polluenten (ook al waren de vastgestelde HBM-waarden lager dan gemiddeld in Vlaanderen). STAP 1B: Het wetenschappelijk selectievoorstel werd vervolgens ter advisering voorgelegd aan een groep van lokale stakeholders (adviesgroep lokale actoren). Zij bevestigden de keuze van prioritaire resultaten voor verdere opname in het Faseplan. In Genk-Zuid werd bijkomend ook nikkel opgenomen omwille van de lokale aandacht voor deze polluent (ook al werden geen verhoogde HBM-waarden t.o.v. Vlaanderen vastgesteld). In Menen werd het belang van de selectie van PCB s en dioxines benadrukt. FASE I: Selectie Genk-Zuid Biomerker Verhoging t.o.v. Vlaanderen Prioriteitsscore STP M&G (min=0; max=60) DNA-schade +26% (komeettest) en +69% (oxidatieve komeettest) 51 Chroom +32% 54 PAK s +33% 53 Cadmium +18% (ucd) 50 Arseen +32% 50 Thallium +11% (bth) (+ Nikkel) -7% (uni) 26 2 Bijkomend argument voor de selectie van genotoxische effecten (DNA-schade) als centrale focus voor het faseplan was het LNE-project Effectgericht meten dat de biologische activiteit van stofstalen uit de omgevingslucht van Genk-Zuid onderzocht. De stofstalen werden gelijktijdig met het HBM-onderzoek genomen. In de stofstalen van Genk-Zuid werd een hogere oxidatieve stress (radicaal genererend vermogen) en hoger mutagene activiteit gemeten in vergelijking met de controlestalen van Koksijde. De hoeveelheid oxidatieve stress en mutagene activiteit van de stofstalen was gerelateerd aan de hoeveelheid zware metalen en PAK s op de stofstalen. De waarden van oxidatieve stress van de stofstalen waren gerelateerd met de resultaten van de oxidatieve komeettest bij de jongeren uit de HBM. Eindrapport op 8

9 FASE I: Selectie Menen Biomerker Verhoging t.o.v. Vlaanderen Prioriteitsscore STP M&G (min=0; max=60) DNA-schade +26% (komeettest), +69% (oxidatieve komeettest), % 8-oxo-deoxyguanosine PAK s +49% 55 Thallium +27% (bth) 48 Cadmium +28% (ucd) DDE -30% 36 Dioxines en d-pcb s -17% en -39% PCB s -28% 28 FASE II: OPZOEKEN VAN OORZAAK EN BRON VAN DE PRIORITAIRE OVERSCHRIJDINGEN EN OPMAAK ACTIEPLAN STAP 2. DESK RESEARCH De geselecteerde onderwerpen werden verder uitgewerkt in achtergronddocumenten. Bijkomende statistische analyses werden uitgevoerd op de HBM-data, resultaten van andere studies werden betrokken, gekende blootstellingsroutes en bronnen werden in kaart gebracht, en bestaande en geplande acties werden opgelijst. Deze taak werd uitgevoerd door de werkgroep faseplan (het onderzoeksteam en de opdrachtgevers), bijgestaan door lokale en bovenlokale beleidsmedewerkers die specifieke kennis aanbrachten over lopend en gepland (lokaal) beleid. STAP 3. EXPERTCONSULTATIE De achtergronddocumenten werden ter beoordeling en aanvulling voorgelegd aan verschillende (bovenlokale) academische experten. Aan elke individuele expert werd aan de hand van een schriftelijke vragenlijst advies gevraagd over de polluenten die binnen zijn/haar specifieke expertiseveld vallen. Daarnaast werden ook (lokale) experten bevraagd met specifieke expertise over de lokale context. De geselecteerde onderwerpen werden op die manier verder onderbouwd met expertadvies, en kennisleemtes werden aangevuld. De expertronde was kwalitatief van opzet en had 3 doelstellingen: 1) kwaliteitscontrole van de HBM-diagnose (naar gezondheidsernst en betrouwbaarheid van de kennisbasis); 2) identificatie van blootstellingswegen en bronnen; 3) suggesties voor beleidsacties. In totaal namen 21 experten deel aan de expertronde, waaronder 7 bovenlokale experten (wetenschappers aan diverse Vlaamse universiteiten en onderzoeksinstellingen, deels extern aan het Steunpunt) en 14 experten met lokale expertise (milieuambtenaren, huisartsen, provinciale diensten, bedrijfsleven, buitendiensten van de Vlaamse overheid, ). Op basis van de informatie die werd verzameld in de desk research en de expertronde werd een lijst met beleidsaanbevelingen opgesteld voor beide aandachtsgebieden (zowel concrete acties als meer generieke aanbevelingen). Deze beleidsaanbevelingen vormden de basis voor het maatschappelijk advies, bestaande uit twee vergaderingen: STAP 4. KLANKBORDGROEP BUURTBEWONERS Gezien de lokale context van de HBM-campagnes in de aandachtsgebieden en de grote lokale betrokkenheid van de deelnemers en buurtbewoners werd een klankbordgroep georganiseerd waarop de HBM-deelnemers (jongeren en ouders) werden uitgenodigd, alsook enkele buurtbewoners die zich uit interesse hadden aangemeld. Deze klankbordgroep stelde ons in staat om 9

10 samen met enkele deelnemers en buurtbewoners dieper in te gaan op de resultaten van het onderzoek (focusgroep met 13 aanwezigen in Menen en 8 aanwezigen in Genk-Zuid). Er werd aandacht besteed aan de manier waarop zij de resultaten hadden geïnterpreteerd, als bevoorrechte getuigen, en welke acties naar hun inschatting ondernomen zouden moeten worden in de regio. Vanuit die optiek werd gekeken naar de vooraf gedefinieerde beleidsaanbevelingen (uit desk research en expertronde uit de vorige stap), en werd nagedacht over draagvlak en prioriteiten voor beleid, vanuit het perspectief van de buurtbewoners. STAP 5. EINDADVIES LOKALE ACTOREN Tot slot werd een finale vergadering georganiseerd met lokale stakeholders (de lokale adviesgroep die reeds gedurende het onderzoek regelmatig werd samengeroepen, en dus goed op de hoogte is van het onderzoek en de resultaten). Deze vergadering werd bijgewoond door een brede groep vertegenwoordigers van het lokaal beleid en maatschappelijk middenveld (18 aanwezigen in Menen en 21 in Genk-Zuid). De resultaten van desk research, expertronde en klankbordgroep werden er besproken, en er werd om een finaal eindadvies gevraagd. Centrale vraagstelling was om de verzamelde informatie te beoordelen in het licht van reeds lopende en geplande acties en beleid: welke resultaten verdienen verdere opvolging? Welke resultaten worden reeds voldoende ondervangen door het lopende en geplande beleid? Waar bevinden zich lacunes in de bestaande actieplannen en hoe kunnen deze worden opgevuld? STAP 6 EN 7. OPMAAK ACTIEPLAN Op basis van de aanbevelingen door experten, lokale stakeholders en buurtbewoners die in opeenvolgende ronden werden geconsulteerd in de aandachtsgebieden Genk-Zuid en regio Menen werd een geïntegreerd eindadvies opgemaakt door het onderzoeksteam. Dit geïntegreerd eindadvies vormt de basis voor de opmaak van een actieplan voor beide regio s door de Vlaamse overheid. De Vlaamse overheid zal voor de uitvoering van het actieplan (FASE III) engagementen zoeken bij lokale en bovenlokale partners. Evaluatiecriteria voor de ex-post evaluatie van het actieplan werden op voorhand opgesteld door de Vlaamse overheid, in samenspraak met het onderzoeksteam van het Faseplan. VERKORTE PROCEDURE VOOR SNELLE ACTIES De procedure van het Faseplan liet ook toe voor bepaalde geselecteerde biomerkerresultaten sneller beleidsacties op te zetten, waar lokale consultatie of expertbeoordeling niet noodzakelijk werd geacht (zie stippellijn tussen stap 1a en stap 6 in figuur 1). Deze binnenweg in de procedure werd genomen indien er zich bepaalde beleidsopportuniteiten voordeden, waarover reeds op voorhand een brede consensus bestond m.b.t. nut en wenselijkheid (zowel bij beleidsmakers als bij lokale stakeholders). 10

11 Geïntegreerd eindadvies Genk-Zuid Het onderstaande advies bevat 6 PRIORITAIRE AANDACHTSPUNTEN voor het actieplan Genk-Zuid, afgeleid uit de conclusies van drie consultatieronden; respectievelijk met experten, lokale actoren en buurtbewoners. De individuele nummering van de aandachtspunten geeft geen verdere prioritering aan. De zes prioritaire aandachtspunten kunnen wel worden opgedeeld in twee groepen: - De EERSTE 3 AANDACHTSPUNTEN zijn het meest robuust omdat ze doorheen de procedure van het Faseplan tijdens alle consultatiemomenten aan bod zijn gekomen. Bovendien lijkt op basis van de lokale overlegmomenten (met lokale actoren en buurtbewoners) het lokaal draagvlak rond deze aandachtspunten eerder groot, hoewel dit niet noodzakelijk betekent dat er geen tegenkanting bestaat of dat er geen kritische kanttekeningen werden gemaakt. Wanneer dit het geval is, wordt dit in het advies zo duidelijk mogelijk aangegeven. - De LAATSTE 3 AANDACHTSPUNTEN zijn eveneens te beschouwen als lokale prioriteiten maar zijn iets minder robuust omdat ze niet tijdens alle consultatiemomenten aan bod zijn gekomen, of niet door alle geconsulteerde groepen (even sterk) worden aanbevolen. Voor elk van deze prioritaire aandachtspunten wordt een korte motivatie gegeven met de voornaamste argumenten die werden aangehaald door experten, lokale actoren en buurtbewoners. Bijkomende argumenten uit andere consultaties en documenten (vb: evaluatievragenlijst HBMjongeren, lokaal overleg procedure faseplan, ) worden eveneens kort opgesomd. Een meer gedetailleerde weergave van de respectievelijke consultatiemomenten is te vinden in afzonderlijke verslagen en rapporten. 1. BRONAANPAK uitvoeren van extra emissiemetingen door het verplicht meetprogramma van bedrijven (tijdelijk) uit te breiden of op te drijven visieontwikkeling rond een geïntegreerd milieuvergunningsproces Als motivatie voor bovenstaande aandachtspunten werd door de bevraagde groepen (experten, lokale actoren en buurtbewoners) volgend advies gegeven: Extra metingen: - Zowel experten, lokale actoren en buurtbewoners geven aan dat het noodzakelijk is om industriële vervuilingsbronnen verder aan te pakken. De meeste opinies (in de drie geconsulteerde groepen) zijn voorzichtig positief over de evoluties van de afgelopen jaren, maar vinden verdere inspanningen absoluut noodzakelijk. - Zowel experten als lokale actoren geven aan dat het nodig is om de uitstoot van de verschillende bedrijven in de industriezone beter in kaart te brengen om verdere bronaanpak te kunnen optimaliseren. - Concreet voorstel is om de verplichte emissiemetingen door bedrijven (tijdelijk) op te drijven, in functie van het inventariseren van mogelijke vervuilingsbronnen. - Buurtbewoners die deelnamen aan de klankbordgroep zijn daarnaast ook grote voorstander om extra emissiemetingen op te leggen aan individuele bedrijven als bijkomende voorwaarden voor het verkrijgen of verlengen van een bestaande milieuvergunning. Zij noemen dit een actie die best op korte termijn wordt opgezet aangezien er momenteel MER-procedures lopen bij enkele grote bedrijven. - Maatregelen die verband houden met strenge controles en wetgeving voor de industrie komen het meest tegemoet aan de verwachtingen van de HBM-deelnemers die de evaluatievragenlijst invulden. Ook algemene aandachtspunten van klankbordgroep: vervuilers beter controleren; de vervuiler betaalt. Geïntegreerd milieuvergunningsproces: 11

12 - Ondanks het feit dat individuele bedrijven voldoen aan hun milieuvergunningen stelt de HBMstudie vast dat de inwendige concentratie van bepaalde polluenten en bepaalde gerelateerde gezondheidseffecten bij jongeren in Genk-Zuid hoger zijn dan gemiddeld in Vlaanderen. Dit kan verklaard worden door het feit dat bepaalde polluenten in de industriezone Genk-Zuid een additioneel effect vertonen waardoor individuele bronnen aan wettelijke normen voldoen maar in hun totaliteit bepaalde normen kunnen overschrijden en een impact kunnen hebben op de gezondheid ( 1+1=3 ). Daarom stellen lokale actoren voor (op suggestie van enkele experten) om in de toekomst het milieuvergunningsproces in Genk-Zuid op een meer globale manier te bekijken. Dit kan door voor bepaalde polluenten globale maximumconcentraties in te voeren voor de gehele industriezone met een bijhorend gezamenlijke milieuvergunningsprocedure. - Deze actie kadert meer in een lange termijn visie voor het industrieterrein, aangezien het verankerd moet worden in nieuwe wetgeving. Hiervoor is een belangrijke regelgevende rol weggelegd voor de Vlaamse overheid. Toch zijn op korte termijn al eerste stappen mogelijk waarbij de lokale of provinciale overheid een adviserende rol kan krijgen bovenop bestaande wettelijke bepalingen. De relevantie van het vaststellen van een globale maximumconcentratie voor de volledige industriezone dient polluent per polluent beoordeeld te worden en moet mogelijk voorafgegaan worden door extra metingen. Het lijkt meest aangewezen dit proces te starten met enkele goed gekarakteriseerde zware metalen. - Het belang van de provinciale overheid bij het realiseren van deze actie werd bovendien al aangehaald bij het eerste lokale overleg waarbij de verwachtingen over de procedure van het Faseplan werden besproken ( ). Er werd toen door een vertegenwoordiger van de lokale overheid gesteld: er dient klare wijn geschonken naar de bevolking van Genk en naar de bedrijfsleiders. Dit kan enkel door de aanpassing van de milieuvergunningen en - voorwaarden via de vergunningverlenende overheid: de provincie Limburg, eventueel gesteund door de Vlaamse overheid. Onenigheid over prioriteit en haalbaarheid, en enkele tegenstemmen: - Bij aanvang van de lokale adviesgroep geeft een grote meerderheid van de lokale actoren aan een dergelijke vergunningsprocedure wenselijk te vinden. Bij de afsluitende plenaire stemming (na bespreking) blijkt echter dat er over de prioriteit en de haalbaarheid van dit actiepunt geen eensgezindheid bestaat onder lokale actoren. De stemming over prioriteit geeft volgende uitslag: 5 stemmen voor, 5 stemmen tegen en 5 stemmen met twijfel. De tegenstemmen betreffen vooral actoren uit het bedrijfsleven en het provinciale beleidsniveau. De voornaamste tegenargumenten zijn het ontbreken van een wettelijk kader wat zorgt voor een ongelijkheid tussen enerzijds Genk-Zuid en de rest van Vlaanderen (concurrentiepositie) en anderzijds tussen de grote en kleine bedrijven binnen de industriezone Genk-Zuid (viseren van grote bedrijven en te weinig aandacht voor kleine bronnen). 2. GEZONDHEIDSOPVOLGING investeren in verder onderzoek voor opvolging van de volksgezondheid in de regio opstellen van richtlijnen voor huisartsen voor opvolging van individuen Als motivatie voor bovenstaande aandachtspunten werd door de bevraagde groepen (experten, lokale actoren en buurtbewoners) volgend advies gegeven: Opvolging volksgezondheid in de regio: - Er is een brede consensus onder zowel lokale actoren als buurtbewoners over het belang van een verdere gezondheidsopvolging in Genk-Zuid. Over de concrete invulling hiervan lopen de meningen enigszins uiteen. De meeste stakeholders benadrukken dat vooral dient nagegaan of de dalende trend in milieumeetgegevens ook weerspiegeld wordt in een verminderde blootstelling en het verminderd voorkomen van gezondheidseffecten. Gezondheidsonderzoek wordt vanuit dit opzicht ingezet als ex-post evaluatie van genomen beleidsmaatregelen. 12

13 Buurtbewoners wensen vooral een gezondheidsopvolging om evoluties te detecteren in functie van de tijd dat mensen rondom de industriezone wonen. - Afstemming of eventueel zelfs aansluiting bij de plannen van het E-missieplan van de stad Genk rond gezondheidsopvolging wordt wenselijk geacht. Ook wordt benadrukt dat een opvolging niet per definitie via humane biomonitoring dient te gebeuren. - Er is onder lokale actoren meer interesse in een cross-sectionele opvolging van de regio dan in een cohorteonderzoek van de deelnemers van de HBM-studie. Individuele gezondheidsopvolging via huisartsen: - Toch wordt er ook voldoende aandacht gevraagd voor de opvolging van de HBM-jongeren. Er wordt voorgesteld om een dergelijke individuele opvolging (zowel van bijkomende vragen als van bijkomend onderzoek) te faciliteren via de huisartsen. - Het is daarbij wel van belang dat alle artsen in de regio beschikken over voldoende en juiste informatie om patiënten goed in te kunnen lichten. Er blijkt vooral nood aan gestandaardiseerde informatie. - Vanuit de deelnemers is er een sterke vraag om hun gezondheid (en bij uitbreiding de gezondheid van andere doelgroepen) blijvend op te volgen. Dit komt duidelijk naar voor in zowel de klankbordgroep als de evaluatievragenlijst. - Een centraal aanspreekpunt bij de gemeente, bijvoorbeeld via een telefoonlijn, wordt niet ideaal bevonden. Vooral het geven van medisch advies door een niet-arts wordt ongeloofwaardig geacht. Bijkomend is het ook belangrijk om gestandaardiseerde richtlijnen te voorzien over verdere acties die genomen kunnen worden (bv. het laten analyseren van nieuwe bloedstalen). Mogelijk ontbreken van draagvlak bij huisartsen: - Er worden wel vragen gesteld bij het draagvlak bij de artsen zelf. Huisartsen zijn immers overbevraagd en milieu en gezondheid is slechts een niche in de medische wereld. Daarom wordt voorgesteld om enkele geïnteresseerde artsen beter te informeren waarbij alle deelnemers, en met uitbreiding buurtbewoners, terecht kunnen met hun vragen. 3. BRONONDERZOEK NAAR PAK S Installeren meetposten op grens industrie en woonzone Als motivatie voor bovenstaande aandachtspunten werd door de bevraagde groepen (experten, lokale actoren en buurtbewoners) volgend advies gegeven: - De diagnose van de HBM-studie dat PAK s bij jongeren in Genk-Zuid 32% hoger ligt dan gemiddeld in Vlaanderen en het verband met DNA-schade is volgens de geconsulteerde experten ernstig en betrouwbaar. Er wordt daarbij vooral verwezen naar de consistente verhoging van PAK s merkers bij alle beschikbare metingen in de regio (chemische milieumetingen, effectgerichte milieumetingen, HBM-waarden en gezondheidsgegevens). De concrete bronnen van PAK s aanduiden is erg moeilijk volgens experten aangezien het voornamelijk om diffuse vervuiling gaat. - Lokale actoren vinden het echter een zeer wenselijke en prioritaire actie om in te zetten op verder brononderzoek naar PAK s in Genk-Zuid. Men beseft dat exacte bronbepaling moeilijk is, maar is vooral geïnteresseerd in welk type activiteit verantwoordelijk is voor de meeste blootstelling. - Suggestie is om mobiele meetposten te installeren op de rand van de industriezone en woonwijken, rekening houdend met meteogegevens en verkeersassen. Daarbij dient ook gekeken te worden naar verschillende PAK s profielen. Dit moet duidelijkheid scheppen over de lokale type bronnen verantwoordelijk voor verhoogde PAK s blootstelling in Genk-Zuid. Er moet vooral een antwoord komen op de vraag of enkel de industrie of ook de buurtbewoners verantwoordelijk zijn. 13

14 - Het is belangrijk dat het (lokale) beleid met de verkregen meetresultaten gerichte acties opzet, ongeacht of het dan maatregelen zijn naar de industrie of naar burgers toe. 4. STRATEGIEONTWIKKELING GROENBUFFERS Expertise verzamelen rond gezondheidsimpact van groenbuffers Scenario opstellen voor groenbuffering volledige industriezone Als motivatie voor bovenstaande aandachtspunten werd door de bevraagde groepen (experten, lokale actoren of buurtbewoners) volgend advies gegeven: - Lokale stakeholders vinden groenbuffers zeer zichtbare interventies die een belangrijke signaalfunctie hebben naar buurtbewoners toe. Er is ook eensgezindheid over de psychologische en esthetische effecten ervan. - De gezondheidskundige impact van groenbuffers wordt echter ter discussie gesteld, en sommige lokale actoren vragen zich dan ook af of het niet vooral een lapmiddel is dat zeer veel geld kost. - Deze actie zet daarom volgens lokale stakeholders best in op twee sporen: o Op korte termijn: het verzamelen van meer expertise over het gezondheidskundige effect en het waken over het behoud van bestaande groenzones. (Hiermee wordt bijkomend tegemoetgekomen aan de opgevangen bekommernissen van jongeren rond de mogelijke uitbreiding van de industriezone). o Op lange termijn: een scenario ontwikkelen waarbij een bufferzone wordt voorzien rond de volledige industriezone, door het systematisch verwerven van de gronden die grenzen aan de industriezone. Een belangrijke voorwaarde is dat een dergelijk scenario wordt vastgelegd in de ruimtelijke planning. Klankbordgroep gelooft niet in gezondheidskundige impact van groenbuffers: - Tijdens de klankbordgroep met buurtbewoners kreeg de actie investeren in groenbuffers een negatieve appreciatie omdat er weinig geloof wordt gehecht aan de impact ervan op de gezondheid. Volgens de deelnemers kan het hoogstens de geluidsoverlast gedeeltelijk wegnemen, maar het pakt de problemen niet aan de bron aan. - Anderzijds is er vanuit de klankbordgroep wel veel aandacht voor de natuurlijke omgeving, en is men tegen een verdere uitbreiding van de industrie ten koste van bestaande groene zones. 5. INFOVERSTREKKING PARTICULIERE BODEMSTALEN I.F.V. TEELTADVIES Voorzien in praktische info en richtlijnen over het nemen van bodemstalen in functie van teeltadvies moestuinen Als motivatie voor bovenstaande aandachtspunten werd door de bevraagde groepen (experten, lokale actoren of buurtbewoners) volgend advies gegeven: - Er is reeds veel (algemene) informatie beschikbaar voor buurtbewoners van Genk-Zuid, zowel over de milieuproblematiek als over mogelijkheden om blootstelling te vermijden (hygiëne, stookgedrag). Wat buurtbewoners tijdens de klankbordgroep echter aangaven te missen is praktische informatie over de analyse van bodemstalen uit hun eigen tuin, in functie van teeltadvies voor een moestuin. Men wil graag duidelijkheid hebben over waar men terecht kan om een bodemstaal te nemen, hoe men een aanvraagformulier moet invullen en wat dat zal kosten. - Verschillende lokale actoren beamen dat veel buurtbewoners meer informatie wensen over bodemverontreiniging in eigen tuin, en dat hiervoor goede richtlijnen nodig zijn om de kwaliteit van de resultaten te kunnen garanderen. 14

15 Bedenkingen bij subsidie voor particuliere bodemanalyses: - Verschillende lokale actoren formuleren bedenkingen bij een eventuele terugbetaling of het actief promoten van particuliere bodemanalyses, met name: o Juiste interpretatie van de gegevens moeilijk te garanderen. o Is het nodig dat iedereen individueel de waarden van bepaalde polluenten in zijn tuin weet? Dit is niet noodzakelijk geruststellend. Wat als de resultaten slecht zijn? o Beter om een collectief onderzoek op te zetten, georganiseerd door de overheid, in functie van brondetectie en algemene opvolging van de regio. 6. VERDER (BRON)ONDERZOEK NAAR THALLIUM EN ARSEEN Opzetten extra onderzoek (emissiemetingen, extra analyses) Organiseren expertworkshop Als motivatie voor bovenstaande aandachtspunten werd door de bevraagde groepen (experten, lokale actoren of buurtbewoners) volgend advies gegeven: - Experten vinden verder onderzoek naar de blootstellingswegen en bronnen van de verhoogde thallium en arseen concentraties bij jongeren een belangrijke actie. Specifiek wordt vermeld dat de emissies beter in kaart gebracht moeten worden door het (tijdelijk) toepassen van een hogere meetfrequentie voor zware metalen bij bepaalde bedrijven (zoals E.ON, Norbord en Aperam). In dat kadert sluit deze actie aan bij prioriteit 1 (bronaanpak: verplichten van extra milieumetingen als bijkomende voorwaarden voor individuele milieuvergunningen). Ook de verdere interpretatie van de gezondheidskundige ernst van de gemeten verhoging van thallium en arseen wordt gesuggereerd als zinvol actie, bijvoorbeeld door het organiseren van een expertworkshop of door extra analyses op de bestaande gegevens uit te voeren. Niet allereerste prioriteit: - Zowel lokale actoren als buurtbewoners vinden verder wetenschappelijk onderzoek naar thallium en arseen minder prioritair. (tijdens het lokaal overleg scoren deze acties laag op wenselijkheid). 15

16 Geïntegreerd eindadvies regio Menen Het onderstaande advies bevat 6 PRIORITAIRE AANDACHTSPUNTEN voor het actieplan regio Menen, afgeleid uit de conclusies van drie consultatieronden; respectievelijk met experten, lokale actoren en buurtbewoners. De individuele nummering van de aandachtspunten geeft geen verdere prioritering aan. De zes prioritaire aandachtspunten kunnen wel worden opgedeeld in twee groepen: - De EERSTE 3 AANDACHTSPUNTEN zijn het meest robuust omdat ze doorheen de procedure van het Faseplan tijdens alle consultatiemomenten aan bod zijn gekomen. Bovendien lijkt op basis van de lokale overlegmomenten (met lokale actoren en buurtbewoners) het lokaal draagvlak rond deze aandachtspunten eerder groot, hoewel dit niet noodzakelijk betekent dat er geen tegenkanting bestaat of dat er geen kritische kanttekeningen werden gemaakt. Wanneer dit het geval is, wordt dit in het advies zo duidelijk mogelijk aangegeven. - De LAATSTE 3 AANDACHTSPUNTEN zijn eveneens te beschouwen als lokale prioriteiten maar zijn iets minder robuust omdat ze niet tijdens alle consultatiemomenten aan bod zijn gekomen, of niet door alle geconsulteerde groepen (even sterk) geadviseerd worden. Voor elk van deze prioritaire aandachtspunten wordt een korte motivatie gegeven met de voornaamste argumenten die werden aangehaald door experten, lokale actoren en buurtbewoners. Een meer gedetailleerde weergave van de respectievelijke consultatiemomenten is te vinden in afzonderlijke verslagen en rapporten. 1. BRONAANPAK Aanpak en opvolging van gekende industriële bronnen (vooral m.b.t. PCB-problematiek). Tegengaan van of voorwaarden stellen aan verdere uitbreiding industrie. Als motivatie voor bovenstaande aandachtspunten werd door de bevraagde groepen (experten, lokale actoren en buurtbewoners) volgend advies gegeven: PCB-uitstoot ten gevolge van schrootverwerkende industrie: - Hoewel de HBM-resultaten in Menen wijzen op verlaagde blootstelling aan PCB s t.o.v. algemeen Vlaanderen vinden buurtbewoners en verschillende lokale actoren strengere controle en extra maatregelen t.a.v. de schrootverwerkende industrie in de regio prioritair. De voornaamste argumenten hiervoor zijn: o De depositiemetingen in de regio wijzen nog steeds op verhoogde PCB-waarden in het milieu. o De HBM-resultaten zijn vermoedelijk lager t.o.v. Vlaanderen omdat buurtbewoners o in de regio Menen door sensibilisering minder lokale voeding eten. Er werd gemeten bij jongeren terwijl de hoogste waarden en de meeste gezondheidseffecten te verwachten zijn bij volwassenen of ouderen (omdat persistente stoffen zich opstapelen in het lichaam). - De bevraagde experten en recent wetenschappelijk onderzoek duiden op de schrootverwerkende industrie als een actuele bron van PCB s in de regio Menen (en in mindere mate van dioxines). Uit milieumetingen blijkt wel dat de PCB-concentraties in het milieu zijn gedaald doorheen de tijd, maar dat de drempelwaarden nog steeds overschreden worden in de onmiddellijke omgeving van de schrootverwerkende industrie. Een expert suggereert om een (groene) bufferzone in te richten rond de industrie, maar buurtbewoners en lokale actoren wijzen erop dat dit moeilijk realiseerbaar is, vooral omwille van ruimtelijke beperkingen. - Experten en enkele lokale actoren benadrukken dat de PCB-problematiek deels historisch is (o.a. van de afvalverbrandingsoven), en dat het een uitdovend probleem is (gebruik van PCB s werd verboden), maar dat maatregelen t.a.v. de actuele bron desalniettemin nodig zijn. - Verschillende lokale actoren denken dat vooral het schrootverwerkende bedrijf zelf beschikt over de benodigde expertise om te komen tot een oplossing. Desalniettemin wordt de regulerende rol van de overheid benadrukt, en dit vooral via sectorale regelgeving. 16

17 Enkele kritische stemmen: - Toch stellen ook enkele lokale actoren in vraag of extra maatregelen t.a.v. de schrootverwerkende industrie absolute prioriteit moeten krijgen in een actieplan dat wordt opgesteld naar aanleiding van de HBM-resultaten. Zij wijzen er op dat het niet de PCB s en dioxines zijn waarvan een hogere blootstelling werd vastgesteld t.o.v. algemeen Vlaanderen, maar wél andere polluenten als zware metalen en PAK s. Uitbreiding industrie: - Het voornemen van de Vlaamse overheid om verdere industriële uitbreiding in Menen toe te staan (cf. goedkeuring voor het nieuwe industrieterrein Menen-West ) wordt zeer negatief onthaald door buurtbewoners en lokale actoren. Er wordt benadrukt dat bijkomende industrie ook zal leiden tot meer verkeer, en dus altijd een bijkomende milieu-impact met zich mee zal brengen, ondanks het voornemen om enkel niet-vervuilende industrie toe te staan. - De lokale overheid in Menen heeft bovendien een negatief advies uitgebracht over het plan MER Menen-West. Door een andere lokale actor werd een klacht neergelegd bij de Raad van State. 2. COMMUNICATIE EN INFORMATIE Oprichten digitaal en fysiek informatiepunt Opzetten gezamenlijke communicatiestructuur tussen industrie en stadsbestuur Als motivatie voor bovenstaande aandachtspunten werd door de bevraagde groepen (experten, lokale actoren en buurtbewoners) volgend advies gegeven: - Tijdens de lokale consultaties komen duidelijke knelpunten naar voor rond de informatie en communicatie van de milieuproblematiek in Menen. Enerzijds gaat het over een gebrek aan toegankelijke (bestaande) informatie over milieu en gezondheid, anderzijds gaat het over een gebrek aan vertrouwen en geloofwaardigheid in de communicatie tussen de industrie, het stadsbestuur en de buurtbewoners. - De klankbordgroep met buurtbewoners uitte vooral frustraties rond de ontoereikende verspreiding van informatie, met name over de veiligheid van lokale voeding en bodem (maar ook grondwater en drinkwater) en preventieve maatregelen die men kan nemen om blootstelling te vermijden. Ondanks verschillende onderzoeken en campagnes in de regio zijn blijkbaar veel mensen nog onvoldoende op de hoogte van de milieuproblemen. Een deelnemer vatte het als volgt treffend samen: meten is weten, maar weten is ook verspreiden. Er is onder buurtbewoners het aanvoelen dat er al veel geweten is, maar dat de kennis en informatie nog onvoldoende verspreid wordt naar de bevolking. - Ook verschillende experten wijzen op het belang van een goede informatieverspreiding, in functie van een goede sensibilisatie en een snelle gezondheidswinst. - De adviesgroep met lokale stakeholders ging dieper in op deze knelpunten en kwam tot twee concrete suggesties: o Op korte termijn de beschikbare informatie (vb: studieresultaten, meetresultaten, richtlijnen en tips, verslagen, ) centraliseren in een digitaal informatiepunt, concreet: een aparte webpagina op de website van de stad. Daarnaast dient er ook een fysiek informatiepunt te worden voorzien waar op een laagdrempelige manier consultatie voorzien wordt voor buurtbewoners, bij voorkeur via de milieudienst, eventueel aangevuld met lokale contactpunten via buurtwerking. o Op langere termijn moet er gestreefd worden naar het opzetten van een gezamenlijke communicatiestructuur over de milieuproblematiek tussen stadsbestuur en industrie waardoor informatie op een transparante, duidelijke en betrouwbare manier kan overgebracht worden. Het installeren van een opvolgorgaan, bestaande uit betrouwbare partners, om alle informatie vooraf te 17

18 checken op wetenschappelijke correctheid en begrijpbaarheid is hierbij cruciaal. Deze actie veronderstelt echter in de eerste plaats dat de vertrouwensrelatie met de industrie hersteld wordt, en dat beide partijen de meerwaarde van een gezamenlijke communicatiestructuur inzien. - Lokale actoren vermelden dat voor het opzetten van bovenstaande acties een wetenschappelijke begeleiding en ondersteuning vanuit de Vlaamse overheid wenselijk is. Een onderling overleg/contactmoment met lokale overheden van andere Vlaamse aandachtsgebieden (Beerse, Genk-Zuid) om hun ervaringen te delen rond gezamenlijke risicocommunicatie lijkt in dat opzicht ook interessant. - In de marge van deze acties lijkt ook de betere samenwerking en overleg met Franse lokale overheden een werkpunt volgens stakeholders. Bijvoorbeeld in het kader van gezamenlijke onderzoeksprojecten zoals Aeropa. Alsook betere informatie-uitwisseling tussen enerzijds de bedrijven en de lokale overheid, en anderzijds tussen de bovenlokale en lokale overheden. 3. DUIDELIJKHEID SCHEPPEN OVER RISICO S VAN LOKAAL GETEELDE VOEDING Opzetten en/of ondersteunen van wetenschappelijk onderzoek naar historische bodemverontreiniging en de veiligheid van lokaal geteelde voeding in Menen, in functie van teeltadvies aan lokale overheden en buurtbewoners. Voorzien in praktische info en/of subsidie voor het nemen van particuliere bodemstalen van moestuinen Als motivatie voor bovenstaande aandachtspunten werd door de bevraagde groepen (experten, lokale actoren en buurtbewoners) volgend advies gegeven: - De HBM-resultaten van Menen wijzen op een verlaagde blootstelling aan PCB s en dioxines t.o.v. algemeen Vlaanderen. Verschillende experten en lokale actoren wijten dit aan verminderde consumptie van lokale voeding in de regio Menen (dit blijkt ook uit de vragenlijsten). Er zijn echter onvoldoende gegevens om hierover uitsluitsel te geven. - Buurtbewoners uit de klankbordgroep geven aan meer info te wensen over de risico s van lokaal geteelde voeding. Daarover is er tot op heden nog te veel onduidelijkheid (o.a. omwille van de lagere concentraties van POP s bij jongeren). Mag ik mijn eigen groenten nog eten of niet, is het aangeraden of niet, dat is het enige wat ik wil weten, aldus een buurtbewoner. - Voor de lokale actoren geniet een gestuurde wetenschappelijke studie van bodemstalen bij enkele particuliere tuinen (uitgevoerd door de overheid) de voorkeur boven particulieren zelf de mogelijkheid bieden een bodemstaal te laten onderzoeken. Toch is er interesse in het voorstel om richtlijnen te voorzien (en een eventuele subsidie) voor buurtbewoners die zelf de bodem van hun (moes)tuin willen laten analyseren. Er dient dan wel met zorg te worden omgegaan met de privacy van de deelnemers, en een betrouwbare individuele interpretatie van de stalen is cruciaal. - Ook experten geven aan dat verder onderzoek naar blootstellingswegen en bronnen (waaronder bodem en lokale voeding) belangrijk is om te komen tot een betere inschatting van de problematiek. Lokale voeding wordt aanzien als voornaamste blootstellingsweg voor PCB s en dioxines. Maar ook voor de zware metalen wordt verwezen naar verder onderzoek van bodem en lokale groenten (zie ook verder). 4. GEZONDHEIDSOPVOLGING Voorzien in een brede wetenschappelijke opvolging van de volksgezondheid in de regio om tijdtrends vast te stellen Ondersteuning bieden bij individuele begeleiding/opvolging via (huis)artsen Als motivatie voor bovenstaande aandachtspunten werd door de bevraagde groepen (experten, lokale actoren of buurtbewoners) volgend advies gegeven: 18

19 Opvolging volksgezondheid in de regio: - Een meerderheid van de geconsulteerde lokale actoren vindt een verdere gezondheidsopvolging wenselijk. Er wordt benadrukt dat een dergelijke opvolging vooral evoluties in de regio in kaart moet brengen, en minder evoluties van individuen. Als doelgroep worden oudere volwassenen gesuggereerd omdat dit een zicht geeft op blootstelling over een langere periode (wat relevant is bij de opvolging van persistente stoffen als PCB s en dioxines). - Ook experten geven aan dat eventuele gezondheidseffecten vooral te verwachten zijn bij de oudere bevolking. - Een wetenschappelijke begeleiding bij het afbakenen van de onderzoeksvragen en design en het bewaken van duidelijke en eerlijke communicatie over de resultaten zijn hierbij heel belangrijk, met name om te vermijden dat bijkomend onderzoek in de regio de inzet wordt van een lokale politieke strijd. Om ruis op de data zo veel mogelijk uit te sluiten zijn strenge selectiecriteria voor deelname noodzakelijk. Individuele gezondheidsopvolging via huisartsen: - Hoewel de voornaamste focus een opvolging van de evoluties in de regio Menen dient te zijn, mag een verdere (individuele) begeleiding van deelnemende jongeren of buurtbewoners met vragen niet uit het oog verloren worden. Dit kan best via (huis)artsen verlopen, hetzij door te voorzien in algemene richtlijnen voor alle huisartsen, hetzij door te voorzien in één aanspreekpunt bij een geïnteresseerde en gespecialiseerde arts. - Uit de klankbordgroep met buurtbewoners en de evaluatievragenlijst bij deelnemers blijkt een grote interesse in een individuele opvolging van de deelnemende jongeren. In tegenstelling tot lokale intermediairen vinden deelnemers het belangrijk dat evoluties van de eigen gezondheid verder worden opgevolgd. Ze willen vooral weten of de acties die ze zelf ondernomen hebben (vb: het aanpassen van hun voedingsgewoonten) een effect hebben op de concentraties in hun lichaam. Verschillende aanwezige ouders op de klankbordgroep gaven aan deze bijkomende metingen reeds op eigen initiatief te hebben ondernomen. Niet allereerste prioriteit: - Bij aanvang van de lokale adviesgroep geven bijna alle lokale actoren aan dat een verdere gezondheidsopvolging wenselijk is. Bij de afsluitende plenaire stemming (na bespreking) blijkt echter dat een meerderheid van de actoren twijfelt over de prioriteit voor dit actiepunt. - Ondanks de interesse van de klankbordgroep in een verdere gezondheidsopvolging blijkt uit een rangschikking van beleidsaanbevelingen dat gezondheidsopvolging geen absolute prioriteit krijgt. O.a. bronaanpak en een verdere opvolging in het milieu (lucht, bodem, voeding) krijgen een hogere prioriteit. 5. VERDER (BRON)ONDERZOEK NAAR ZWARE METALEN Onderzoek naar zware metalen in de verschillende milieucompartimenten, in functie van inschatting bron, blootstellingswegen en gezondheidskundige ernst Metingen in bodem van particuliere tuinen en lokaal geteelde voeding, in functie van inschattingen veiligheid Als motivatie voor bovenstaande aandachtspunten werd door de bevraagde groepen (experten, lokale actoren of buurtbewoners) volgend advies gegeven: - Zowel experten, buurtbewoners en lokale actoren vinden verder onderzoek naar zware metalen belangrijk omdat de verhoogde blootstelling aan de zware metalen cadmium en thallium in regio Menen t.o.v. algemeen Vlaanderen een onverwacht resultaat was van het HBMonderzoek, en er voorlopig weinig geweten is over bronnen en milieuconcentraties in de regio Menen. - De experten benadrukken dat er onvoldoende (lokale) gegevens zijn over deze polluenten om betrouwbare uitspraken te kunnen doen over bronnen, mogelijke blootstellingswegen en 19

20 gezondheidsernst. Vooral voor thallium zijn zeer weinig gegevens beschikbaar. Voor cadmium gaat het vermoedelijk om historische vervuiling. - Zowel bij lokale actoren als buurtbewoners is er vooral vraag naar verder onderzoek in particuliere tuinen en lokaal geteelde voeding (bij voorkeur opnieuw bij de HBM-deelnemers, zodat vergeleken kan worden met de HBM-resultaten). - Daarnaast vinden de lokale actoren het mogelijk ook nuttig om zware metalen te meten in de lucht en grensoverschrijdende emissies te onderzoeken, om uitsluitsel te krijgen over de eventuele aanwezigheid van actuele bronnen. - Bij buurtbewoners is er ook vraag naar het in kaart brengen van geografische spreiding van eventuele vervuiling. Twijfel over gezondheidskundige ernst: - Hoewel er twijfel bestaat onder experten over de gezondheidskundige ernst van de HBMresultaten m.b.t. cadmium en thallium (ernstig gezien de relatie met DNA-schade, maar anderzijds gaat het om lage waarden en bestaat er controverse over de gezondheidskundige norm voor cadmium), vinden buurtbewoners en lokale actoren het toch maatschappelijk relevant om te investeren in verder onderzoek. Zij willen immers weten waar de verhoogde waarden vandaan komen. 6. MAATREGELEN OM UITSTOOT VAN PAK S TE VERMINDEREN Verder onderzoek naar de voornaamste (lokale) bronnen van PAK s Als motivatie voor bovenstaande aandachtspunten werd door de bevraagde groepen (experten, lokale actoren of buurtbewoners) volgend advies gegeven: - Verhoogde blootstelling aan PAK s wordt door experten zeer ernstig bevonden, vooral omwille van de relatie met DNA-schade, de consistentie met milieumetingen en de verwachte gezondheidseffecten. - Verder onderzoek is nodig om voornaamste (lokale) bronnen in kaart te brengen. PAK s zijn immers afkomstig van zeer diverse bronnen, waaronder ook personenverkeer en gebouwenverwarming. Het relatieve belang van de verschillende bronnen tov elkaar is moeilijk in te schatten. Hoewel in de regio Menen vooral wordt verwezen naar de aanwezige industrie (ook over de Franse grens) en het vrachtverkeer. - Verder wordt er gewezen op de moeilijkheid om bijvoorbeeld verkeerspollutie aan te pakken, gezien het hier om zeer veel kleine bronnen gaat. Een aanpak van het personenverkeer vraagt bovendien om een gedragswijziging van de bevolking, die zeer moeilijk te bewerkstelligen is. - Desalniettemin wordt voor acties mbt verkeer vooral gekeken naar het zwaar vrachtverkeer in de regio. Vraagt vooral om Vlaamse aanpak: - Buurtbewoners en lokale actoren vinden de resultaten mbt PAK s ernstig, maar wijzen op het bovenlokale karakter van deze problematiek (o.a verkeer) en vinden een aanpak specifiek voor Menen daarom minder prioritair. 20

21 Enkele generieke aanbevelingen 1. ZORG VOOR ZICHTBARE ACTIES EN ZET NIET LOUTER IN OP VERDER ONDERZOEK De externe expertronde leerde dat de humane biomonitoring studies in Genk-Zuid en regio Menen nog op heel wat punten om een verdere interpretatie en verder onderzoek vraagt. Dit wordt ook bevestigd door lokale actoren en in mindere mate door buurtbewoners. Er blijkt dus wel enig lokaal draagvlak te bestaan voor verder onderzoek in de regio. Toch lijkt het raadzaam niet te veel in te zetten op bijkomend studiewerk aangezien betrokken actoren en buurtbewoners vooral een aanpak aan de bron verwachten. Voornamelijk inzetten op verder onderzoek zou een verkeerd signaal kunnen geven. Reeds bij de lokale bespreking rond de opstart van het Faseplan werd zowel in Genk-Zuid als in Menen gewezen op deze potentiële valkuil. Het is belangrijk dat verder onderzoek concreet gekaderd wordt in functie van kennisleemten die een antwoord behoeven alvorens beleidsacties ondernomen kunnen worden (wat zal bijkomend onderzoek opleveren en tot welke acties zal het leiden?) 2. SENSIBILISATIECAMPAGNES KUNNEN GEZONDHEIDSWINST OPLEVEREN, MAAR KOMEN NIET TEGENMOET AAN LOKALE BEKOMMERNISSEN. Verschillende experten duiden op het belang van sensibilisatiecampagnes gericht op enerzijds individuele preventieve maatregelen om blootstelling te vermijden (zoals gezonde voeding en hygiëne-maatregelen), en anderzijds het ontraden van particuliere bronnen van milieuvervuiling en blootstelling (zoals roken, stoken en pesticiden gebruik). Van deze maatregelen wordt verwacht dat ze op korte termijn gezondheidswinst kunnen opleveren. Andere experten benadrukken echter dat er weinig onderzoek bestaat over de effectiviteit van dergelijke maatregelen, en dat het in de context van gebieden als Genk-Zuid en regio Menen de (verkeerde) indruk wekt dat buurtbewoners zelf verantwoordelijk zijn voor de blootstelling. Ook buurtbewoners zelf verwachten geen sensibilisatiecampagnes, maar wel een aanpak aan de bron (vooral gericht op industrie). Het is daarom ook hier belangrijk dat eventuele sensibilisatiecampagnes concreet gekaderd worden in de bredere problematiek (als korte termijn oplossingen), en gekoppeld worden aan een effectieve aanpak van de bron (op langere termijn). Desalniettemin geven buurtbewoners wel aan meer concrete informatie te wensen over de problematiek (i.t.t. algemene adviezen die iedereen reeds kent). Zie o.a. aanbeveling 5 voor Genk-Zuid en aanbevelingen 2 en 3 voor regio Menen. 3. EEN VLAAMSE OVERHEID MET VERSCHILLENDE ROLLEN Doorheen de verschillende consultatierondes wordt duidelijk dat er bij de uitvoering van het actieplan verschillende rollen verwacht worden van de Vlaamse overheid. a. Een regelgevende rol (de verantwoordelijke overheid die een aantal controles op industriële bronnen wettelijk vastlegt en toekijkt op de naleving ervan (sancties) + de overheid die trekker is bij visieontwikkeling rond wettelijke verankering van globale milieunormering/vergunning). b. Bemiddelende rol (de overheid die waakt over een gezonde balans tussen zorg voor leefmilieu en economie) c. Ondersteunende rol (de overheid die haar expertise en ervaring rond complexe milieuen gezondheidsdossiers ter beschikking stelt en lokale besturen ondersteunt bij de communicatie ervan). 4. INVESTEREN IN LOKALE BETROKKENHEID A. VOOR GENK-ZUID: AFSTEMMING MET E-MISSIEPLAN Volgende aandachtspunten vormden een rode draad doorheen de klankbordgroep met buurtbewoners in Genk: controle van de vervuilers, de vervuiler betaalt en een overheid die zijn verantwoordelijkheden neemt. Er wordt bovendien meteen aan toegevoegd dat er in België naar hun aanvoelen laks wordt omgesprongen met deze principes, en dat Genk-Zuid 21

22 veeleer een slecht voorbeeld is van het principe de vervuiler betaalt (verwijzend naar de verplaatsing van basisschool de Sleutel). Er wordt ook verwezen naar Umicore Hoboken, dat wel expliciet zijn verantwoordelijkheden neemt met een milieucharter dat het bedrijf moet voorbereiden op een duurzame toekomst. Desalniettemin merkten we zowel bij de experten, lokale actoren en buurtbewoners dat er n.a.v. het HBM-onderzoek Genk-Zuid en de oprichting van het Genkse E-missieplan een voorzichtig optimisme bestaat. Ook buurtbewoners hebben het idee dat er iets beweegt en dat er verschillende instanties zijn die de problematiek warm houden. In deze kritische fase is het cruciaal om de geloofwaardigheid van dat project te consolideren. Hiervoor is ongetwijfeld een goede samenwerking en afstemming nodig tussen enerzijds de bovenlokale en de lokale overheid, en anderzijds tussen de overheden en de bedrijven. B. VOOR REGIO MENEN: INVESTEREN IN VERTROUWENSRELATIE Tijdens de klankbordgroep en lokale adviesgroep in Menen werd duidelijk dat er weinig (wederzijds) vertrouwen bestaat tussen buurtbewoners, lokale overheid en industrie op vlak van milieu en gezondheid. Dit is nochtans een belangrijke voorwaarde voor industrie en overheid om transparant te communiceren, en voor buurtbewoners om vertrouwen te hebben in datgene wat gecommuniceerd wordt (zie ook aanbeveling 2). Ook de Vlaamse overheid blijft niet onbesproken. Buurtbewoners en lokale actoren wijzen op de dubbele rol die de Vlaamse overheid speelt in Menen: Enerzijds is men blij met de aandacht voor de milieuproblematiek en de (gezondheids-)onderzoeken die werden uitgevoerd, maar anderzijds is er veel kritiek op de goedkeuring van de Vlaamse overheid voor verdere uitbreiding van de industrie in Menen (verwijzend naar Menen-West en de vergunning voor uitbreiding van het schrootverwerkende bedrijf). Dit gebrek aan vertrouwen is mogelijk een obstakel voor de geloofwaardigheid van en de lokale betrokkenheid bij een actieplan. Daarom is het ook belangrijk om acties op te nemen specifiek gericht op het herstellen van de vertrouwensrelatie tussen alle betrokkenen. 5. INFORMATIEVERSPREIDING: OPENBAAR, TOEGANKELIJK, VERSTAANBAAR. Openbaarheid van gegevens en eenvoudige toegang tot duidelijke en verstaanbare informatie wordt door alle betrokkenen in beide aandachtsgebieden belangrijk geacht. Er wordt ook benadrukt dat dit cruciaal is voor de vertrouwensrelatie tussen burger en de overheid. a. Voor de regio Menen werden verschillende knelpunten geïdentificeerd op vlak van informatie-uitwisseling. Aanbeveling 2 van dit eindadvies reikt enkele suggesties aan om hieraan tegemoet te komen. b. Voor Genk-Zuid werden in het kader van het E-missieplan verschillende initiatieven ondernomen die hieraan in grote mate tegemoetkomen, waardoor bijkomende concrete acties niet gesuggereerd werden in het kader van het Faseplan. Desalniettemin blijft dit een algemene randvoorwaarde. 6. INSTALLATIE VAN EEN LOKAAL OPVOLGINGSORGAAN Een lokale opvolging van het actieplan is van groot belang om alle betrokkenen aan boord te houden. Deze opvolging wordt best ingebed in een bestaande structuur: a. voor Genk-Zuid werd de provinciale stuurgroep Genk-Zuid of de overlegstructuur van het E-missieplan gesuggereerd. Uitdaging is om een vertegenwoordiging van alle betrokken actoren te voorzien, met bijzondere aandacht voor de buurgemeenten en de bedrijven die in de huidige structuren niet altijd vertegenwoordigd zijn. b. Voor de regio Menen werd de technische werkgroep Menen gesuggereerd. Tot op heden zijn de buurgemeenten echter niet vertegenwoordigd in deze vergadering. Een eventuele uitbreiding is daarom aangewezen. 22

23 1. Inleiding: methodologie en plan van aanpak 1.1 Het project Faseplan Het Steunpunt Milieu en Gezondheid meet in opdracht van de Vlaamse overheid de aanwezigheid en de effecten van milieuvervuilende stoffen in de mens via humane biomonitoring (HBM). Sinds 2002 werden verschillende meetcampagnes uitgevoerd in Vlaanderen (zowel in algemeen Vlaanderen als in specifieke aandachtsgebieden). Het project Faseplan heeft als doel de resultaten van deze HBMcampagnes verder te interpreteren en de vertaling naar beleidsacties te ondersteunen, a.h.v. een systematische en participatieve procedure. In de periode werden HBM-meetcampagnes uitgevoerd bij jongeren in twee verschillende industriële aandachtsgebieden in Vlaanderen, met name Genk-Zuid en regio Menen. De opzet van de HBM-studies was de inwendige blootstelling aan vervuilende stoffen en een aantal biologische en gezondheidskenmerken te meten of te bevragen bij 200 jongeren (14-15 jaar) die wonen in de nabijheid van de industriezone, en deze resultaten te vergelijken met de jongeren van de Vlaamse referentiecampagne (een steekproef van dezelfde leeftijdsgroep uit de algemene Vlaamse bevolking) die werd uitgevoerd in de periode De resultaten van de HBM-campagnes in Genk-Zuid en regio Menen zijn te vinden op de website van het Steunpunt: Een HBM-onderzoek levert een veelheid aan interessante gegevens op over milieu en gezondheid. De doorwerking naar beleid is echter niet altijd eenduidig. Zowel wetenschappelijk als maatschappelijk bestaat er vaak heel wat onenigheid en/of onzekerheid over o.a. de (gezondheidskundige) ernst van de resultaten, de oorzaken achter verhoogde waarden, mogelijke oplossingen voor geïdentificeerde problemen, en prioriteiten voor beleid. Daarom werd het Faseplan ontwikkeld, een procedure om resultaten van HBM-campagnes verder te interpreteren en te vertalen naar beleidsacties, en dit op een transparante, systematische en participatieve manier. Het Faseplan is m.a.w. een vervolgtraject op HBM-onderzoek, gedragen door onderzoekers, beleidsmakers en plaatselijk betrokkenen. Naar aanleiding van de bekendmaking van de HBM-resultaten in de aandachtsgebieden Genk-Zuid en regio Menen werd een Faseplan opgestart in beide regio s. Het doel van het Faseplan is de Vlaamse overheid te adviseren bij het opstellen van concrete beleidsacties. Het project Faseplan werd uitgevoerd door de Universiteit Antwerpen (Dep. Sociologie) en VITO (Vlaamse instelling voor technologisch onderzoek, unit Milieurisico en Gezondheid), in opdracht van de Vlaamse overheid (departement LNE en Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid). Het Faseplan in de aandachtsgebieden Genk-Zuid en regio Menen liep van februari 2012 tot midden Principes en uitgangspunten van het Faseplan De procedure van het Faseplan is opgebouwd volgens de analytisch-deliberatieve benadering van Stern and Fineberg (1996) waarbij een wetenschappelijke probleemanalyse gecombineerd wordt met een maatschappelijk debat over oplossingen (deliberatie). De ambitie en filosofie van het Faseplan bestaat uit volgende principes en uitgangspunten (zie ook Keune et al. 2010) 3 die in het plan van aanpak voor de hotspots op een evenwichtige manier in uitwerking moesten gebracht worden. 3 Keune H, Koppen G, Morrens B, Colles A, Teughels C, Chovanova H, Van Campenhout K (2010), Proces-evaluatie Faseplan Milieu en Gezondheid, Brussel/Steunpunt Milieu en Gezondheid, december

24 Figuur 1: de basisprincipes van het Faseplan GESTRUCTUREERD Iteratieve procedure opeenvolgende fasen PARTICIPATIEF Inbreng diverse actoren TRANSPARANTIE open communicatie proces en resultaten OVERHEID BESLIST Geadviseerd met controle over eindproduct FLEXIBEL Maatwerk in de procedure Lokale betrokkenheid, maar Vlaamse overheid behoudt controle over eindproduct. - PARTICIPATIE: het Faseplan wordt doorlopen in nauwe samenwerking met lokale en bovenlokale intermediairen en experten. Hierdoor vergroot het kennispotentieel (vanuit diverse hoeken wordt kennis verzameld) alsook het draagvlak voor de werkwijze van het Faseplan (traditionele eenrichtingscommunicatie wordt doorbroken). - Maar, het is uiteindelijk de OVERHEID DIE BESLIST over beleidsacties, niet de onderzoekers of de betrokkenen: de overheid verwerft door de werkwijze van het faseplan inzicht, advies, kwaliteit en steun, maar behoudt controle over het eindproduct: zij beslist uiteindelijk over de maatregelen die in werking worden gesteld en geeft er nadien verdere uitvoering aan. Gestructureerde procedure, maar toch flexibel - GESTRUCTUREERD: het faseplan is te beschouwen als een gefaseerde en iteratieve procedure waarbij voortschrijdend inzicht uit duidelijk gescheiden deelstappen gebruikt wordt in elke volgende stap om te komen tot systematische, geïntegreerde, en goed onderbouwde adviezen. - Maar, toch is MAATWERK in de procedure nodig: het faseplan is niet te herleiden tot een vast draaiboek of loutere reproductie van eerder of elders beproefde trajecten. In de concrete uitwerking van de verschillende stappen van het faseplan dient de nodige flexibiliteit voorzien te worden. Zowel in tijd: het verloop van eerdere stappen kan het opzet en de verwachtingen t.a.v. latere stappen beïnvloeden; alsook afhankelijk van de lokale context in iedere hotspot: Het faseplan vraagt om maatwerk in de procedure. Transparant in alle stappen - TRANSPARANTIE: voor de deelnemers aan het Faseplan moet het duidelijk zijn wat het statuut van het proces is, welke regels gelden en welke de verschillende stappen zijn die worden doorlopen. De Vlaamse overheid legt verantwoording af over inhoudelijke beslissingen en beslissingen in verband met de vormgeving van het proces 4. Op die manier versterkt transparantie vertrouwen in de uitkomsten van de procedure. Er wordt steeds op een open manier gecommuniceerd over zowel de resultaten van het faseplan als over het proces. 4 Zie: Van Damme en Brans (2009), Inspraak organiseren. Een analyse van drie Vlaamse inspraakprocessen, Steunpunt bestuurlijke organisatie Vlaanderen, D/2009/10106/012 24

25 Verder werd ook specifiek voor de lokale context van de hotspots het principe van subsidiariteit onderstreept bij de uitwerking van het plan van aanpak: - SUBSIDIARITEIT tussen de diverse werkniveaus. Het onderscheid tussen het lokale en bovenlokale perspectief noopt tot respect voor elkaars bevoegdheden en beleidsontwikkeling. Het faseplan moet er in zijn procedure ook zorg voor dragen dat mogelijke incongruenties en win-win s van milieu- en gezondheidsdoelstellingen tijdig worden opgespoord. 1.3 De procedure van het Faseplan: plan van aanpak Het Faseplan werd een eerste keer uitgevoerd en geëvalueerd op basis van de resultaten van het eerste generatie Steunpunt Milieu en Gezondheid ( ). In algemene zin bestaat het Faseplan uit een voorfase en vier opeenvolgende fasen: - Voorfase: vaststellen en selecteren van overschrijdende biomerkerwaarden - Fase I: evalueren van geselecteerde overschrijdingen naar ernst en prioriteiten - Fase II: opzoeken van oorzaak en bron van prioritaire overschrijdingen en opmaken actieplan - Fase III: uitvoeren actieplan - Fase IV: evaluatie actieplan Het tweede Faseplan werd uitgevoerd op basis van de resultaten van het tweede generatie Steunpunt Milieu en Gezondheid ( ). Dit Steunpunt bestond enerzijds uit een aantal Vlaamse referentiecampagnes en opvolgstudies en anderzijds uit 2 lokale campagnes in Genk-Zuid en regio Menen. De voorfase In de voorfase van het tweede Faseplan maakten experten van het Steunpunt Milieu en Gezondheid een voorselectie van de meest prioritaire resultaten van het tweede Vlaams Humaan Biomonitoringsprogramma. Gezien de veelzijdigheid en het multi-level karakter van de resultaten (historische én nieuwe polluenten; referentiewaarden én hotspotwaarden) werd geopteerd om een meer kwalitatieve inschatting van de ernst van de resultaten te maken. Dit gebeurde door individuele meetresultaten te clusteren op basis van generieke milieu- en gezondheidsthema s binnen (inter)nationaal onderzoek en beleid (Morrens et al. 2011) 5. Eind 2011 werden 6 thema s geselecteerd: de twee hotspots en vier transversale thema s: 1) de hotspot Genk-Zuid 2) de hotspot regio Menen 3) Kanker/genotoxiciteit 4) Endocriene verstoring en fertiliteit 5) Perinatale blootstelling 6) Ftalaten Dit rapport doet verslag van Fase I en II binnen de hotspots Genk-Zuid en regio Menen. De resultaten van het Faseplan rond de vier andere transversale thema s worden beschreven in een ander rapport (Colles et al., 2013). 5 Morrens B, Colles A, Koppen G, Loots I, Schoeters G, Van Larebeke N (2011), Faseplan tweede generatie Steunpunt Milieu en Gezondheid Voorfase rapport, Brussel/Steunpunt Milieu en Gezondheid, december

26 Fase I en II Lokaal overleg rond het plan van aanpak De lokale context van de hotspots vroeg om maatwerk in de procedure. Daarom werd er in beide hotspots veel aandacht besteed aan (lokaal) overleg in functie van het uittekenen van het plan van aanpak. In totaal vonden 5 verkennende gesprekken plaats in het voorjaar van BOVENLOKAAL: ervaring participatieproject Vlaamse overheid in Beerse (TOVO Antwerpen) REGIONAAL: vormgeven verschillende stappen in plan van aanpak o Provinciale buitendienst TOVO West-Vlaanderen en LOGO Leieland o Provinciale buitendienst TOVO Limburg en LOGO Limburg LOKAAL: aftoetsen en bijsturen plan van aanpak aan lokale context o Stadsbestuur Menen: Schepen en milieuambtenaar o Stadsbestuur Genk: Burgemeester, cel strategisch stadsbeleid, coördinator E-missieplan en MMK Uit de gesprekken werden volgende aandachtspunten geselecteerd: 1. Belang van het invoegen van een PRESELECTIE. Extra fase (parallel met desk research) is nodig om een eerste indeling en selectie van HBM-resultaten te maken ( trechter inlassen aan begin procedure). Deze selectie moet in eerste instantie gebeuren door Steunpunt (op basis van wetenschappelijke criteria), maar moet ook lokaal getoetst worden 2. Tijdens lokale consultaties polsen naar engagement voor CONTINUÏTEIT van de lokale adviesgroep: belangrijk voor doorwerking van beleid in de toekomst (lokale actoren moeten de fakkel overnemen) 3. BURGERPARTICIPATIE is ook belangrijk in het faseplan: niet enkel maatschappelijke actoren maar ook ongeorganiseerde buurtbewoners proberen te betrekken. Uitdaging blijft om ook groepen te betrekken die moeilijk bereikbaar zijn, bv. de allochtone gemeenschap in Genk. 4. Belangrijk om duidelijke AFSPRAKEN te maken over de beleidsruimte (wat zal het eindproduct zijn) en de procesregels (afbakening inspraakproces) van het Faseplan. 5. Aandacht voor TERUGKOPPELING: een goed participatief proces bevat voldoende ruimte voor feedback door de betrokkenen. 6. Er wordt best een duidelijk ONDERSCHEID gemaakt tussen risico-analyse en risico-management. Het Faseplan (UA & VITO) is verantwoordelijk voor de risicoanalyse en moet leiden tot goed onderbouwde adviezen. De overheid moet vervolgens verder werken met die adviezen en is verantwoordelijk voor de uitvoeringsfase. Deze fase gebeurt best ook op een participatieve manier. Het plan van aanpak werd goedgekeurd door de Stuurgroep Faseplan op Figuur 2 geeft de verschillende stappen van de procedure schematisch weer. 26

27 Figuur 2: Plan van aanpak Faseplan Genk-Zuid en regio Menen (tot aan opmaak actieplan) Stap 1a: Preselectie HBM resultaten Door Steunpunt Milieu en Gezondheid en de Vlaamse overheid. FASE I Stap 1b: Lokaal advies preselectie Consultatie lokale stakeholders: maatschappelijke aanvulling selectie FASE II Stap 2: Desk research Werkgroep Faseplan: verdere analyse, inventarisatie Stap 3: Expertconsultatie Bovenlokale en lokale experten: kwaliteitscontrole, beoordeling Expertadvies Maatschappelijk advies Stap 4: Klankbordgroep focusgesprek HBM deelnemers/ buurtbewoners Stap 5: Eindadvies lokale actoren Consultatie lokale stakeholders Stap 6: Ambtelijke Vlaamse overheid Beleidsvoorbereiding actieplan Stap 7: Politieke Vlaamse Overheid Beleidsbeslissing actieplan De procedure kan ingedeeld worden in twee belangrijke onderdelen: - RISICOANALYSE (of brainstorm fase): analyseren en interpreteren van de meetresultaten en vertaalslag naar mogelijke acties en oplossingsrichtingen (stap 1 tot 5). Deze fase moet resulteren in een maatschappelijk gedragen eindadvies waarin mogelijke acties worden voorgesteld. Deze fase bestaat uit twee afzonderlijke stappen die overeenkomen met de analystisch-deliberatieve benadering o Expertadvies: analyse (stap 2 en 3) o Maatschappelijke advies: deliberatie (stap 4 en 5) - RISICOMANAGEMENT (of besluitvormingsfase): selecteren van acties die kunnen worden opgenomen in het uiteindelijke actieplan (stap 6 en 7). In deze tweede fase speelt vooral de Vlaamse overheid een leidende rol. De achtereenvolgende stappen worden hieronder kort methodologisch toegelicht. (Pre)selectie HBM-resultaten (stap 1) In een eerste Fase dient er een prioritering en selectie gemaakt te worden van de resultaten die verdere aandacht verdienen in het kader van het Faseplan. Deze selectie gebeurt in twee stappen: Een eerste selectie (STAP 1A) door experten van het Steunpunt Milieu en Gezondheid (wetenschappelijke inschatting van de gezondheidskundige ernst) en door beleidsmedewerkers van de Vlaamse overheid (inschatting beleidsrelevantie), op basis van een bevattelijk overzicht van de HBM-resultaten en kadering ervan in volksgezondheidskundige context. In een tweede stap (STAP 1B) 27

28 wordt deze selectie voorgelegd voor advies aan lokale stakeholders (inschatting lokale en maatschappelijke relevantie). Desk research (stap 2) Het onderzoeksteam (UA en VITO) maakt samen met de opdrachtgever (LNE en ToVo) een achtergronddocument voor elk polluent uit het selectievoorstel. Elk document heeft vier onderdelen: de diagnose (HBM-resultaten en andere kennis m.b.t. de betreffende polluent), blootstellingsroutes, bronnen en mogelijke acties. Deze informatie wordt geordend a.h.v. een relevantieboom. De hoofdkwestie wordt voorgesteld aan de hand van de stam en relevante factoren, invloeden en resultaten verschijnen als een systeem van takken en wortels. Onderliggende oorzaken en mogelijke oplossingen voor een specifiek probleem kunnen op deze manier inzichtelijk worden gemaakt. Consultatie (stap 3, 4 en 5) De geselecteerde onderwerpen en documentatie uit de desk research worden vervolgens samen met documentatie uit de desk research (stap 2) in drie consultatieronden voorgelegd aan lokale en bovenlokale intermediairen (experten, burgers en stakeholders). Centrale vraagstelling is de in Stap 2b geselecteerde resultaten van de humane biomonitoring uitdrukkelijk te beoordelen in het licht van de reeds lopende en geplande acties en beleid: welke resultaten verdienen verdere opvolging? Welke resultaten worden reeds voldoende ondervangen in de lopende en geplande acties en beleid? Waar bevinden zich lacunes in de bestaande actieplannen en hoe kunnen deze worden opgevuld? EXPERTADVIES Het expertadvies bestaat uit een aantal bilaterale consultaties bij actoren die vanuit hun expertise een bepaalde betrokkenheid hebben bij de problematiek. Het gaat om voorverkenningen waarbij het onderzoeksteam via vragenlijsten input vraagt van diverse typen lokale of bovenlokale experten. De voornaamste doelstelling van dit expertadvies is de geselecteerde onderwerpen verder te onderbouwen, en inzicht te verschaffen in de ernst en betrouwbaarheid van de diagnose de blootstellingsroutes, de bronnen en suggesties voor mogelijke acties. Aan elke individuele expert wordt advies gevraagd over de polluenten die binnen zijn specifieke expertiseveld vallen. De geselecteerde onderwerpen worden op deze manier verder onderbouwd met expertenadvies en kennisleemtes worden aangevuld. Zo ontstaat er voor elk van deze polluenten een wetenschappelijk dossier dat zowel lokale context als mogelijke beleidsacties in overweging neemt. MAATSCHAPPELIJK ADVIES De input van de experten wordt vervolgens verwerkt en toegevoegd aan de documentatie die in de desk research werd opgebouwd. Op die manier ontstaat rond elk van de geselecteerde onderwerpen een wetenschappelijk dossier, dat zowel lokale context als mogelijke beleidsacties in overweging neemt. Een samenvatting van deze gegevens wordt tijdens twee opeenvolgende plenaire consultaties voorgelegd aan: - een klankbordgroep samengesteld uit (ongeorganiseerde) burgers: het gaat dan in eerste instantie over de deelnemende jongeren en hun ouders (stap 4); - een adviesgroep bestaande uit lokale maatschappelijke actoren (stap 5). De klankbordgroep geeft advies over de voorgestelde acties en verdere onderzoekspistes. Ook kunnen nieuwe creatieve ideeën worden opgepikt die het debat inhoudelijk kunnen verrijken. Op die manier krijgen omwonenden ook een stem in de procedure en blijven de geïnteresseerde deelnemers betrokken bij het vervolgtraject van de studie waaraan zij deelnamen. De klankbordgroep is een focusgesprek waarbij dieper wordt ingegaan op de resultaten van het onderzoek. Er wordt daarbij aandacht besteed aan de manier waarop buurtbewoners de resultaten interpreteren, als bevoorrechte getuigen, en welke acties naar hun inschatting ondernomen zouden moeten worden in de regio. 28

29 Vervolgens wordt een tweede plenaire consultatie georganiseerd met een adviesgroep bestaande uit lokale maatschappelijke actoren (in principe dezelfde adviesgroep die reeds in stap 2b werd betrokken bij het proces). Tijdens deze stap zal de input van experten en burgers worden voorgelegd voor een finale consultatie. Nieuwe ideeën en aanvullingen kunnen ook in dit stadium worden toegevoegd. Maar uiteindelijk wordt van deze adviesgroep verwacht dat zij een eindadvies formuleren over de geïdentificeerde lacunes en aandachtspunten, en de voorgestelde acties die hierop een antwoord zouden kunnen bieden. Aspecten als maatschappelijke gevoeligheid, haalbaarheid, wenselijkheid en verantwoordelijkheid dienen hierbij in acht te worden genomen. Ook de vraag wie zich zou moeten engageren t.a.v. deze acties dient te worden gesteld (lokale of bovenlokale overheid, individuele stakeholder of gedeelde verantwoordelijkheid?). Beslissing over acties (stap 6 en 7) Op basis van de expertbeoordeling en het maatschappelijke advies bereidt de opdrachtgever een beslissing voor. De politieke overheid dient te beslissen over de acties die prioritair uitgevoerd kunnen worden vanuit de Vlaamse en vanuit de lokale bevoegdheid, en bekijkt mogelijke financieringsbronnen. Verder brononderzoek kan doorlopend opgezet worden wanneer duidelijk wordt dat bepaalde resultaten een verdere interpretatie behoeven. De genomen beslissingen worden op een toegankelijke manier helder en publiek gemaakt. Ook in deze besluitvormingsfase is het aangewezen om lokale overheden en maatschappelijke actoren verder te betrekken bij het proces. Verschillende acties zullen immers niet of slechts gedeeltelijk behoren tot de bevoegdheid van de Vlaamse overheid, en succes van vele acties is vaak afhankelijk van het engagement dat ook door maatschappelijke actoren (andere dan de overheid) wordt opgenomen. Het is daarom aangewezen dat ook deze selectie van acties en het opstellen van een actieplan gebeurt op een participatieve wijze. VERKORTE PROCEDURE VOOR SNELLE ACTIES De procedure laat ook toe voor bepaalde geselecteerde biomerkerresultaten sneller beleidsacties op te zetten, waar lokale consultatie of expertbeoordeling niet noodzakelijk werd geacht (zie stippellijn tussen stap 1a en stap 6 in figuur 2). Deze binnenweg in de procedure wordt genomen indien er zich bepaalde beleidsopportuniteiten voordoen, waarover reeds op voorhand een brede consensus bestaat m.b.t. nut en wenselijkheid (zowel bij beleidsmakers als bij lokale stakeholders). Terugkoppeling en verslaggeving Over elke stap in de procedure worden verslagen en deelrapporten opgesteld (zie bijlagen). Deze worden telkens teruggekoppeld met de betrokkenen uit elke stap. Op basis van alle verzamelde input van stap 1 t.e.m. 5 maakt het onderzoeksteam een geïntegreerd eindadvies op voor de opdrachtgevers. Netwerk van lokale actoren Met het oog op voldoende maatschappelijk draagvlak voor het uiteindelijke eindadvies, moet de samenstelling van de lokale adviesgroep in beide hotspots zo divers mogelijk zijn. Het opgebouwde lokale netwerk tijdens de HBM-studie wordt hierbij als uitgangspunt beschouwd. Het gaat hierbij over volgende type actoren: ambtenaren van gemeentelijke en provinciale diensten (milieudienst, communicatiedienst, dienst lokale economie, dienst milieuvergunningen, OCMW), bevoegde schepenen, medische actoren (huisartsen, CLB-artsen), vertegenwoordigers van de industrie (management, bedrijfsarts, preventie-adviseur, vakbondsafgevaardigden), leden van gemeentelijke milieuraden en plaatselijke actiegroepen, medewerkers uit lokale sociale sector (buurtwerk) en milieuverenigingen (Natuurpunt). Per hotspot gaat het om een netwerk van rond de 40 contactpersonen. 29

30 FASE I: EVALUEREN VAN GESELECTEERDE OVERSCHRIJDINGEN NAAR ERNST EN PRIORITEITEN STAP 1. PRESELECTIE HBM-RESULTATEN IN HOTSPOTS - VOORBEREIDING: DESK RESEARCH: OVERZICHT HBM-RESULTATEN - STAP 1A: PRIORITEREN EN SELECTEREN HBM-RESULTATEN DOOR STEUNPUNT - STAP 1B: LOKALE ADVISERING SELECTIEVOORSTEL Documenten in aparte bijlage: 1. Samenvattende tabellen HBM-resultaten hotspots Genk-Zuid en regio Menen (uit achtergronddocumenten) 2. Bijlage bij selectievoorstel HBM-resultaten Steunpunt Milieu en Gezondheid 3. Verslagen lokaal overleg Genk-Zuid en regio Menen: advisering procedure Faseplan en selectievoorstel Steunpunt 30

31 2. Desk research: overzicht HBM-resultaten hotspots Ter voorbereiding van de preselectie van HBM-resultaten werden door het onderzoeksteam Faseplan achtergronddocumenten opgemaakt over de HBM-resultaten in de twee hotspots. Na een beschrijving van het studiegebied, selectie van biomerkers en beschrijving van de onderzoeksgroep, wordt in samenvattende tabellen elke biomerker (voor zover mogelijk) beschreven volgens 5 criteria: (1) vergelijking met Vlaanderen, (2) vergelijking met richtwaarden (3) relatie met bronnen en milieumetingen (4) verschillen tussen wijken (5) relatie met effectmerkers. (Tabellen in bijlage 1) 2.1 Achtergronddocument hotspot Genk-Zuid Situering Het industriegebied Genk-Zuid werd als eerste prioriteit geselecteerd in de hot spot selectieprocedure van het Steunpunt Genk-Zuid werd geselecteerd omwille van de ongerustheid die er heerst over de gezondheid van de mensen die nabij de industriezone wonen. De opzet van de biomonitoringscampagne in Genk-Zuid is om de inwendige blootstelling aan vervuilende stoffen en een aantal biologische en gezondheidskenmerken te meten of bevragen en deze te vergelijken met een representatieve steekproef van dezelfde leeftijdsklasse uit de algemene Vlaamse bevolking. Dit onderzoek wordt uitgevoerd door het Steunpunt Milieu en Gezondheid in opdracht van de Vlaamse Overheid (beleidsdomeinen Wetenschap, Leefmilieu en Volksgezondheid) Studiegebied Voor de selectie van het studiegebied werd een aantal criteria in aanmerking genomen, nl. - studiegebied van de gezondheidsenquête, uitgevoerd in 2007; - beschikbare milieumetingen: VMM-metingen van zware metalen op zwevend stof, VMM depositiemetingen, VMM metingen van PCB126 en dioxines in de lucht, metingen van zware metalen in groenten en bodem, pluimberekeningen van zware metalen; - de overheersende windrichting; - bevolkingsgegevens. Op basis van deze gegevens werd het onderzoeksgebied geselecteerd. Het gebied bestond uit wijken rond het industriegebied uit de gemeenten Genk en Diepenbeek (zie kaart). 31

32 2.1.3 Selectie van biomerkers Biomerkers van blootstelling Op basis van de beschikbare milieumeetgegevens, gemodelleerde pluimberekeningen van de emissies en een inventaris van de aanwezige industrie werden polluenten geselecteerd die relevant zijn voor de hot spot en waarvoor biomerkers beschikbaar zijn. Dit gebeurde in nauw overleg met de werkgroep Genk-Zuid (VMM, Toezicht Volksgezondheid, MMK en lokale artsen). Voor volgende polluenten werden biomerkers geselecteerd: o zware metalen: cadmium, lood, nikkel, chroom, koper, mangaan, thallium, antimoon, arseen en kwik; o POP s: PCB s, gechloreerde pesticiden (DDE en HCB), dioxines en dioxine-achtigen, gebromeerde vlamvertragers; o vluchtige stoffen: PAK s, benzeen, tolueen. Biomerkers van effect Op basis van de mogelijke effecten van de geselecteerde polluenten, werden volgende gezondheidsparameters bestudeerd in Genk-Zuid 6 : o Astma en allergie: Op basis van zelfrapportering (via gestandaardiseerde vragenlijsten) werd nagegaan hoe hoog de prevalentie is van verschillende types van allergie, nl. astma (doctor-diagnosed, laatste 12 maanden, ooit), hooikoorts, eczeem (huidallergie) en andere o allergieën (metalen of chemische producten, voeding, medicatie of insecten en dieren). Genotoxiciteit: Genotoxiciteit werd gemeten met behulp van de komeettest. Deze test laat toe om op een vrij eenvoudige, maar toch gevoelige manier DNA-schade aan te tonen. De schade die gemeten wordt, hoeft niet noodzakelijk blijvend te zijn, en is dus niet altijd onmiddellijk gevaarlijk. De komeettest kan wellicht op groepsniveau op een toegenomen risico op kanker duiden, maar op het niveau van het individu is dit nog niet onderzocht. Naast de klassieke komeettest, die DNA-schade reflecteert, werd ook de oxidatieve komeettest uitgevoerd; deze geeft oxidatieve DNA-schade weer. Als derde genotoxiciteitstest werd er DNA-herstel gemeten aan de hand van het gehalte aan 8- hydroxy-deoxyguanosine (8-oxodG) in de urine. Een hogere mate van DNA-herstel is een indirecte maat voor meer DNA-schade. o Hormoonverstoring: Een aantal van de bestudeerde polluenten kan hormoonverstorend werken en daardoor bijdragen tot een aantal metabole problemen. In deze studie werden de concentraties van een aantal schildklierhormonen (thyroid stimulerend hormoon of TSH, thyroxine of ft4 en trijodothyronine of ft3) en een aantal geslachtshormonen (sex hormone binding globulin of SHBG, testosteron, oestradiol, luteïniserend hormoon of LH en follikel stimulerend hormoon of FSH) opgemeten. Daarnaast werd puberteitsontwikkeling opgevolgd via de registraties van de schoolartsen van het Centrum voor Leerlingenbegeleiding. Voor meisjes werden gegevens over maandstonden opgevraagd via vragenlijsten. o Neurologische ontwikkeling: Het Neurobehavioral Evaluation System (NES) omvat een batterij van neurologische testen om de effecten van milieuverontreiniging op de neurologische prestatie te onderzoeken. In deze studie werden 3 testen van de NES3 batterij aangewend: de Continuous Performance Test die concentratievermogen meet, de Digit Span Test waarin getallen gereproduceerd moeten worden en de Finger Tapping Test 6 Meer info over de biomerkers van blootstelling en effect is te vinden in het eindrapport: en in de fact sheets 32

33 o om reactiesnelheid te bepalen. Verder werden slaperigheid en genderidentiteit (mannelijke/vrouwelijk gedrag) via gestandaardiseerde vragenlijsten bevraagd. Nierschade: Twee klinische merkers, nl. alfa-1-microglobuline in urine en cystatine-c in serum werden onderzocht als merkers voor eventuele nierschade, respectievelijk voor tubulaire en glomerulaire nierschade. Voor beide parameters bestaan referentiewaarden vanuit de algemene bevolking Beschrijving van de onderzoeksgroep De onderzoeksgroep in de regio Genk-Zuid bestond uit 197 jongeren, geboren in 1994, 1995 of De rekrutering gebeurde op 17 onderzoeksdagen in de periode van 11 januari 2010 tot 27 november De voornaamste kenmerken van de deelnemers worden gegeven in Tabel. In vergelijking met de Vlaamse referentiegroep is de proportie meisjes in Genk-Zuid significant hoger en ook oudere jongeren (>15,5 jaar) zijn significant meer vertegenwoordigd in Genk-Zuid. Het opleidingsniveau van de jongeren en van het gezin ligt significant lager in Genk-Zuid. In Genk-Zuid wonen in sommige wijken rond het industriegebied meer allochtonen. De proportie deelnemers van Turkse, Marokkaanse en Italiaanse origine (bepaald op basis van geboorteland van de ouders) is hoger in Genk-Zuid in vergelijking met de referentiepopulatie. Zowel bij jongens als bij meisjes is de proportie deelnemers met overgewicht hoger in Genk-Zuid. Rookgewoonten zijn niet verschillend tussen de twee groepen. Tabel A: Beschrijvende statistiek voor de onderzoeksgroep in de regio Genk-Zuid in vergelijking met de Vlaamse controlepopulatie Parameter Genk-Zuid (n=197) Vlaanderen (n=210) Genk-zuid vs. Vlaanderen Geslacht, n (%) jongens 89 (45,2%) 121 (57,6%) meisjes 108 (54,8%) 89 (42,4%) p = 0,01 Leeftijd, n (%) 14,5 jaar 58 (29,4%) 67 (31,9%) 14,5 15,5 jaar 86 (43,7%) 123 (58,6%) > 15,5 jaar 53 (26,9%) 20 ( 9,5%) p <0,001 Opleidingsniveau jongere BSO 39 (20,4%) 20 ( 9,7%) TSO 43 (22,5%) 86 (41,5%) ASO 109 (57,1%) 101 (48,8%) p < 0,001 Hoogste opleidingsniveau in het gezin geen diploma of lager onderw. 15 (7,8%) 3 (1,4%) lager secundair 23 (11,9%) 22 (10,6%) hoger secundair 61 (31,6%) 66 (31,9%) hoger onderwijs 94 (48,7%) 116 (56,0%) p = 0,02 Geboorteland ouders beide ouders Belg 128 (67,7%) 189 (90,4%) één van de ouders niet-belg 22 (11,6%) 15 (7,2%) beide ouders niet-belg 39 (20,6%) 5 (2,4%) p < 0,001 BMI-klasse bij jongens ondergewicht 11 (12,4%) 8 (6,6%) normaal 60 (67,4%) 100 (82,6%) overgewicht 18 (20,2%) 13 (10,7%) p = 0,04 33

34 Parameter Genk-Zuid (n=197) Vlaanderen (n=210) Genk-zuid vs. Vlaanderen BMI-klasse bij meisjes ondergewicht 9 (8,3%) 12 (13,5%) normaal 75 (69,4%) 68 (76,4%) overgewicht 24 (22,2%) 9 (10,1%) p = 0,05 Rookgewoonten niet-roker 185 (94,4%) 189 (91,3%) minder dan dagelijks roken 7 (3,6%) 9 (4,3%) dagelijks roken 4 (2,0%) 9 (4,3%) p = 0, Resultaten Blootstellingsmerkers (overzicht in tabel 1, bijlage 1) De gebiedsvergelijking van de blootstellingsmerkers wordt gegeven in tabel 1 in bijlage 1 (1 e kolom) (voor de ruwe data verwijzen we naar de samenvatting in het eindrapport, tabel II, blz 13). De gemiddelde waarde van 197 deelnemers in Genk-Zuid wordt vergeleken met gemiddelde bij 210 jongeren uit algemeen Vlaanderen, na correctie voor verstorende factoren. Er wordt uitgedrukt in % hoeveel hoger/lager de waarde in Genk-Zuid ligt t.o.v. Vlaanderen en of deze verschillen significant zijn (p<0,05). Voor de ruwe niet-gecorrigeerde cijfers wordt verwezen naar het eindrapport 7. Wat betreft de zware metalen is wonen in Genk-Zuid geassocieerd met significant hogere blootstelling aan cadmium, chroom, koper, thallium en toxisch arseen, maar anderzijds werden significant lagere waarden geobserveerd voor antimoon, nikkel en kwik; de gemiddelde waarden voor lood en mangaan waren niet significant verschillend. De blootstelling aan POP s in Genk-Zuid is lager dan in Vlaanderen: de verschillen zijn significant voor alle gemeten gechloreerde en gebromeerde polluenten, behalve voor het pesticide hexachlorobenzeen (HCB). De blootstelling aan gebromeerde vlamvertragers is vergelijkbaar met de Vlaamse referentiepopulatie en met studies binnen Europa. De PAK-metaboliet (1-hydroxypyreen) komt in hogere concentratie voor in Genk-Zuid in vergelijking met algemeen Vlaanderen. Voor de benzeenmetaboliet (t,t -muconzuur) ligt de waarde in Genk-Zuid 8% hoger, maar dit verschil is niet significant. De tolueen metaboliet (o-cresol) is niet detecteerbaar bij 99% van de deelnemers. De blootstelling bij de jongeren in Genk-Zuid wordt vergeleken met gezondheidskundige richtwaarden voor de algemene bevolking (zie tabel 1 in bijlage 1, 2 e kolom). Deze richtwaarden zijn afgeleid door wetenschappelijke commissies op basis van een evaluatie van beschikbare gegevens in de literatuur (HBM I en HBM II) of zijn geëxtrapoleerd vanuit proefdierstudies, rekening houdend met de toxico-kinetiek bij de mens (biomonitoring equivalents, BE s). Slechts voor enkele stoffen bestaan er gezondheidskundige richtwaarden. Voor urinair cadmium hebben 19,6% van de jongeren een waarde die hoger is dan de HBM I waarde van 0,5 µg/l, dit betekent dat gezondheidsrisico s (met name nierschade) niet zijn uit te sluiten. Voor toxisch relevant arseen (TRA) had 65,4% van de jongeren een waarde boven de richtlijn. Voor de overige polluenten was het percentage jongeren dat de gezondheidskundige norm overschrijdt laag (geen, 1 of 2 personen van de totale groep) of was er geen norm beschikbaar. Er werd bestudeerd of de biomonitoringsresultaten een verband vertonen met externe milieumetingen (zie tabel 1 in bijlage 1, 3 e kolom). Ten eerste werd nagegaan of er een verband is tussen de biomerkers en de immissiemetingen van VMM die werden geregistreerd tijdens de periode van rekrutering. De immissies van de 3 dagen die voorafgaan aan een veldwerkdag van de biomonitoring werden gecorreleerd met de respectievelijke biomerkers van blootstelling voor de verschillende metalen. Er werd een significant verband gevonden tussen de immissie van chroom in de laatste drie dagen en de waarde van chroom in de urine. Per stijging van 20 ng/m² in de lucht neemt de waarde in urine toe met een factor 1,03. Bijv. de waarden voor immissies van 20, 100 en 7 -> resultaten -> rapporten -> uitgebreid resultatenrapport Genk-Zuid 34

35 200 ng/m³ stemmen overeen met urinaire Cr-waarden van respectievelijk 0,276; 0,313 en 0,360 µg/l. Ten tweede werd er bestudeerd of er een relatie is tussen de biomerker van blootstelling en de afstand tot de VMM meetposten, die een proxy vormen voor de bronnen op het industrieterrein. Voor bloed lood was er een significante toename van de bloed loodconcentratie bij kortere afstanden tot meetposten GK02 en GK11. Dit bevestigt de hoge waarden van bloed lood die gevonden werden in Nieuw-Sledderlo, de wijk kort bij het industrieterrein. Binnen Genk-Zuid werden de blootstellingsmerkers vergeleken tussen de verschillende wijken (zie tabel 1 in bijlage 1, 4 e kolom). Voor zware metalen werden verschillen gevonden tussen de wijken: ten opzichte van sommige andere wijken werden significant hogere waarden geobserveerd in Nieuw- Sledderlo voor bloed lood, bloed chroom en bloed koper; in Kolderbos voor bloed koper en in Diepenbeek voor bloed chroom; nikkel in bloed was significant lager in Oud-Termien ten opzichte van sommige andere wijken. Voor de POP s werden significant verschillen tussen de wijken vastgesteld voor PCB s, p,p -DDE en de gebromeerde vlamvertrager BDE153. In vergelijking met sommige andere wijken werden significant hogere waarden geobserveerd in Oud-Termien en Oud- Sledderlo. Effectmerkers (overzicht in tabel 2, bijlage 1) Astma en allergie. In de totale groep van Genk-Zuid heeft 9,2% van de deelnemers astma (diagnose gesteld door de dokter). Dit is zeer vergelijkbaar met de algemene Vlaamse referentiegroep. Binnen Genk-Zuid werd echter wel significant meer astma vastgesteld in de wijken Kolderbos (29,4%) en Oud-Sledderlo (20,0%) ten opzicht van de andere wijken. In vergelijking met Vlaanderen is de prevalentie van allergie voor dieren significant lager in Genk-Zuid. Genotoxische effecten. DNA-schade (breuken in de DNA-ketens) in bloedcellen, gemeten met de komeettest, is 26% (p<0,001) hoger in Genk-Zuid dan in de Vlaamse referentiepopulatie. Het verschil in DNA-breuken na omzetten van sommige andere vormen van DNA-schade (oxidaties, andere chemische veranderingen aan de DNA-bouwstenen) in breuken is 69% hoger in Genk-Zuid. Er zijn geen verschillen in de concentratie 8-hydroxydeoxyguanosine in urine (een indirecte merker voor DNA-herstel). Hormonaal evenwicht en sexuele rijping. Jongeren uit Genk-Zuid hadden significant lagere thyroxine (T4) en hogere triiodothyronine (T3) concentraties dan de jongeren uit de referentiestudie. Jongens in Genk-Zuid hadden hogere bloedconcentraties aan vrij (actief, medisch belangrijk) testosteron (mannelijk geslachtshormoon), aan totaal oestradiol (vrouwelijk geslachtshormoon) en aan vrij (actief, medisch belangrijk) oestradiol. Indien we kijken naar puberteitsstadium (gemeten door schoolarts), blijken jongeren in Genk-Zuid, na correctie voor persoonsgebonden factoren waaronder leeftijd, verder te staan in het proces van seksuele rijping. Dit verschil was statistisch significant voor meisjes. Neurologische ontwikkeling. De NES-test (Neurobehavioral Evaluation System) is een batterij van neurologische testen die ontwikkeld is om de effecten van milieuverontreiniging te onderzoeken en bestaan uit 3 onderdelen. Enkel in de "Continuous Performance" test die het concentratievermogen meet werd, na correctie voor verstorende factoren (zoals leeftijd, geslacht, opleidingsniveau), een significant verschil gemeten tussen adolescenten uit Genk-Zuid en deze uit Vlaanderen in het algemeen. Jongeren uit Genk-Zuid maakten meer fouten in deze test. Nierfunctie. Als merker voor eventuele effecten ter hoogte van de nieren, werden twee klinische merkers gemeten: alfa-1-microglobuline in urine en cystatine-c in serum, merkers voor respectievelijk tubulaire en glomerulaire nierschade. Referentiewaarden zijn beschikbaar vanuit de algemene bevolking. Van de jongeren in Genk-Zuid had 8,6% een lage waarde (< 0,59 mg/l) en 1,0% een hoge waarde (> 1,04 mg/l) voor cystatine-c in serum. Voor alfa-1-microglobuline had 2,2% van de deelnemers een hoge waarde ( 12 mg/l). Dit betekent dat voor cystatine-c en alfa-1- microglobuline respectievelijk voor 90,6% en 97,8% van de deelnemers een normale waarde 35

36 opgetekend werd. Aangezien deze merkers niet werden gemeten in de referentiepopulatie is er geen vergelijking mogelijk met de controlegroep. Dosis-effectrelaties Een overzicht van de dosis-effectrelaties die in de desk research in rekening werden gebracht, wordt gegeven in de 5 e kolom van tabel 1 in bijlage 1. Deze resultaten waren toen nog voorlopig; de finale analyses zijn ondertussen afgerond en zijn te vinden in een apart rapport 8. Perceptie Volgende perceptieresultaten houden het meest verband met de resultaten van de humane biomonitoring 9 : - Naast luchtvervuiling melden jongeren in Genk-Zuid vaak geurhinder (36% t.o.v. 7% in Vlaanderen) en geluidshinder (26% t.o.v. 3% in Vlaanderen) als type milieuproblemen in hun woonomgeving. De meeste problemen worden gemeld in Oud-Sledderlo. - Naast industrie zien jongeren in Genk-Zuid ook het verkeer, transport en afvalverwerking als belangrijke oorzaken van de milieuproblemen. Belangrijkste stoffen die problemen veroorzaken zijn uitlaatgassen en zware metalen. - Luchtwegklachten zijn de vaakst gemelde gezondheidsklachten (15% t.o.v. 3% in Vlaanderen) 2.2 Achtergronddocument hotspot regio Menen Situering De regio Menen werd in 2008 geselecteerd als een prioritaire hotspot in Vlaanderen voor humane biomonitoring. In Menen werden herhaaldelijk hoge waarden aan dioxines en PCB s in het milieu gemeten. Ook de laatste jaren, na de sluiting van de afvalverbrandingsoven, werden vooropgestelde toetsingswaarden en normen af en toe nog overschreden. De regio Menen kent ondermeer een belangrijke schrootverwerkende industrie, met vestigingen in Menen en in Frankrijk, palend aan de Frans-Belgische grens. Het doel van de biomonitoringscampagne in de regio Menen was om de inwendige blootstelling aan vervuilende stoffen en een aantal biologische en gezondheidskenmerken te meten of te bevragen en deze te vergelijken met een steekproef van dezelfde leeftijdsklasse uit de algemene Vlaamse bevolking. Dit onderzoek werd uitgevoerd door het Steunpunt Milieu en Gezondheid in opdracht van de Vlaamse overheid (beleidsdomeinen Wetenschap, Leefmilieu en Gezondheid) Studiegebied Voor de selectie van het studiegebied werden een aantal criteria in aanmerking genomen: - plaatselijk aanwezig industriële activiteiten; 8 Kroes et al. (2013), Vlaams Humaan Biomonitoringsprogramma , Eindrapport dosis-effect relaties adolescenten, Steunpunt Milieu en Gezondheid. 9 Voor een samenvatting van de andere perceptieresultaten (o.a. rond vertrouwen in infokanalen, attitudes rond milieubewustzijn en participatie) verwijzen we naar de samenvatting van het eindrapport. 36

37 - beschikbare milieugegevens: VMM metingen van dioxines en PCB126 op neervallend stof, metingen van dioxines, PCB s en PAK s in bodemstalen, metingen van zware metalen, PCB s en PAK s in grondwaterstalen, meetgegevens van het waterbodemmeetnet, metingen van dioxines en PCB s in eieren en groenten, metingen van PCB s en dioxine-achtige stoffen in melk, en rookpluimberekeningen van de voormalige afvalverbrandingsoven; - beschikbare humane biomonitoringsgegevens uit het eerste steunpunt Milieu en Gezondheid ( ); - bevolkingsgegevens; - de overheersende windrichting. Op basis van deze gegevens werd gekozen voor een ellipsvormig studiegebied, georiënteerd volgens de overheersende windrichting en met een zwaartepunt in de industriezone (zie kaart). Binnen het studiegebied werden twee deelgebieden onderscheiden: Menen 1 bestaande uit de woonzone grenzend aan het industriegebied en Menen 2 bestaande uit de verder gelegen woonzones binnen de ellips Selectie van biomerkers Biomerkers van blootstelling Op basis van de beschikbare milieumeetgegevens, gemodelleerde pluimberekeningen van emissies en een inventaris van de aanwezige industrie werden polluenten geselecteerd die relevant zijn voor de hotspot en waarvoor biomerkers beschikbaar zijn. Dit gebeurde in nauw overleg met de technische werkgroep Menen (VMM, toezicht Volksgezondheid, MMK en lokale artsen) en lokale actoren. Voor volgende polluenten werden biomerkers geselecteerd: o o o o Zware metalen: cadmium, lood, nikkel, chroom, koper, mangaan, thallium, antimoon, arseen en kwik; POP s: PCB s, gechloreerde pesticiden (DDE en HCB), dioxines en dioxine-achtigen; Vluchtige stoffen: PAK s en benzeen; Perfluorverbindingen: PFOS en PFOA. 37

38 Biomerkers van effect Op basis van de eigenschappen en de mogelijke gezondheidseffecten van de geselecteerde polluenten, werden volgende gezondheidsparamaters bestudeerd in de regio Menen 10 : o Astma en allergie; o Genotoxiciteit; o Hormoonverstoring; o Neurologische ontwikkeling; o Nierschade Beschrijving van de onderzoeksgroep De onderzoeksgroep in de regio Menen bestond uit 199 jongeren, geboren in 1994, 1995, 1996 en in de eerste helft van De staalname gebeurde op verschillende onderzoeksdagen in de periode van 18 mei 2010 tot 12 februari De voornaamste kenmerken van de deelnemers en een vergelijking met de Vlaamse referentiegroep, worden gegeven in tabel B. In vergelijking met de Vlaamse referentiegroep is het aandeel meisjes in de regio Menen gelijkaardig. De oudste leeftijdsklasse (> 15,5 jaar) is meer vertegenwoordigd in de regio Menen dan in Vlaanderen. De alcoholconsumptie bij de deelnemers is in regio Menen hoger dan in Vlaanderen. Wel wordt in studiegebied Menen significant minder lokale voeding gegeten. Het percentage deelnemers dat lokale producten consumeert, is significant lager voor eieren, groenten en fruit. Ook het percentage deelnemers dat borstvoeding kreeg als baby ligt significant lager in de regio Menen t.o.v. de Vlaamse jongeren. Er is een ongelijke verdeling over de seizoenen in studiegebied Menen en Vlaanderen. In de referentiegroep werden alle jongeren via de scholen onderzocht en waren er bijgevolg geen onderzoeken in de zomer. In de regio Menen werd ook vooral via de scholen gewerkt, maar werden kandidaten ook beperkt gerekruteerd buiten de scholen. Hierdoor zijn toch ook enkele deelnemers onderzocht in de zomer. Tabel B: Beschrijvende statistiek voor de onderzoeksgroep in de regio Menen in vergelijking met de Vlaamse controlepopulatie Parameter Geslacht, n (%) jongens meisjes Leeftijd, n (%) 14,5 jaar 14,5-15,5 jaar > 15 jaar Opleidingniveau jonger, n (%) BSO TSO ASO Hoogste opleidingsniveau in het gezin, n (%) geen diploma of lager onderwijs lager secundair hoger secundair Regio Menen (n = 199) 114 (27,3%) 85 (42,7%) 50 (25,1%) 90 (45,2%) 59 (29,7%) 26 (13,2%) 63 (32%) 106 (53,8%) 9 (4,6%) 21 (10,7%) Vlaanderen (n = 210) 121 (57,6%) 89 (42,4%) 67 (31,9%) 123 (58,6%) 20 (9,5%) 20 (9,7%) 86 (41,5%) 101 (48,8%) 3 (1,4%) 22 (10,6%) Regio Menen versus Vlaanderen p = 0,95 p < 0,001 p = 0,10 p = 0,26 10 Meer informatie over de biomerkers van blootstelling en van effect is te vinden in het eindrapport en in de factsheets: 38

39 Parameter Regio Menen (n = 199) hoger onderwijs 54 (27,6%) 112 (57,1%) Geboorteland ouders, n (%) beide ouders Belg 172 (87,3%) één van de ouders niet-belg 18 (9,1%) beide ouders niet-belg 7 (3,6%) Seizoenen, n (%) herfst winter lente zomer BMI-klasse bij jongens, n (%) ondergewicht normaal gewicht overgewicht BMI-klasse bij meisjes, n (%) ondergewicht normaal gewicht overgewicht Rookgewoonten, n (%) niet-roker minder dan dagelijks roker dagelijks roker Pilgebruik bij meisjes, n (%) neen ja Borstvoeding als baby, n (%) neen ja Lokaal gekweekte groenten, n (%) neen ja Lokaal gekweekt fruit, n (%) neen ja Lokaal gekweekte eieren, n (%) neen ja 6 (3,0%) 103 (51,8%) 82 (41,2%) 8 (4,0%) 11 (9,7%) 97 (85,1%) 6 (5,3%) 9 (10,6%) 65 (76,5%) 11 (12,9%) 184 (92,5%) 6 (3,0%) 9 (4,5%) 80 (94,1%) 5 (5,9%) 91 (46,2%) 106 (53,8%) 151 (77,8%) 43 (22,2%) 189 (95,9%) 8 (4,1%) 151 (80,8%) 36 (19,3%) Vlaanderen (n = 210) 66 (31,9%) 116 (56,0%) 189 (90,4%) 15 (7,2%) 5 (2,4%) 47 (22,4%) 62 (29,5%) 101 (48,1%) 0 (0,0%) 8 (6,6%) 100 (82,6%) 13 (10,7%) 12 (13,5%) 68 (76,4%) 9 (10,1%) 189 (91,3%) 9 (4,3%) 9 (4,3%) 80 (90,9%) 8 (9,1%) 69 (33,5%) 137 (66,5%) 125 (60,4%) 82 (39,8%) 158 (76,7%) 48 (23,3%) 110 (55,0%) 90 (45,0%) Regio Menen versus Vlaanderen p = 0,59 p < 0,001 p = 0,24 p = 0,74 p = 0,78 p = 0,42 p = 0,009 p = 0,0002 p < 0,001 p < 0, Resultaten Blootstellingsmerkers (overzicht in tabel 3, bijlage 1) Tabel 3 in bijlage 1 geeft de blootstelling in de regio Menen in vergelijking met de Vlaamse controlepopulatie (voor de ruwe data verwijzen we naar de samenvatting in het eindrapport, tabel II, pagina 15) 11. Eerst worden het percentage verschil tussen beide (+ hoger in Menen, - lager in Menen) en de p-waarde voor het gevonden verschil gegeven, waarbij werd rekening gehouden met verschillende factoren die de blootstelling kunnen beïnvloeden (vb. leeftijd, roken, BMI, ). De rode vlakken duiden op significant hogere waarden in studiegebied Menen dan in Vlaanderen en de

40 groene vlakken op significant lagere waarden (p<0,05). De volgende kolommen geven de strengste gezondheidskundige richtwaarden, indien beschikbaar, en het percentage deelnemers met waarden boven deze richtwaarden, gevolgd door eventuele gevonden relaties van de biomerkerwaarden met bronnen of milieumetingen en het al dan niet voorkomen van significante verschillen tussen de biomerkerwaarden in het gebied dicht bij de industriezone (Menen 1) en het verder gelegen gebied (Menen 2). In de laatste kolom worden de relaties tussen de blootstellingsmerkers en de gemeten effectmerkers weergegeven. Persistente organische polluenten (POP s) POP s zijn stoffen die moeilijk afbreekbaar en vetoplosbaar zijn, waardoor ze zich opstapelen in de voedselketen. De blootstelling aan POP s in de regio Menen is lager dan in algemeen Vlaanderen: de verschillen zijn hoog significant voor alle gemeten gechloreerde polluenten, behalve voor het pesticide hexachlorobenzeen (HCB), en voor de gebromeerde vlamvertrager BDE153. De waarden in studiegebied Menen liggen 17 tot 39% lager dan in de Vlaamse referentiegroep. De verschillen tussen de regio Menen en Vlaanderen kunnen gedeeltelijk verklaard worden door variatie in voedingsgewoonten, zoals het lagere gebruik van lokaal geteeld fruit, groenten en eieren in de regio Menen, het minder krijgen van borstvoeding, andere lichaamssamenstelling of staalname in andere seizoenen. Indien we in de statistische modellen rekening houden met deze factoren blijven de verschillen tussen de regio Menen en Vlaanderen hoog significant. We kunnen dus besluiten dat er een regio-effect is, en dat de blootstelling aan POP s lager (PCB s, dioxines, p,p -DDE, BDE47) of vergelijkbaar (HCB, BDE153) is in de regio Menen in vergelijking met de gegevens van algemeen Vlaanderen. Er is wel een verschil in studieperiode. De biomonitoringcampagne in Vlaanderen liep 2 jaar eerder dan in de regio Menen en kan ook een gedeeltelijke verklaring zijn voor sommige van deze lagere waarden. In het milieu wordt voor deze polluenten namelijk een dalende tijdstrend waargenomen. Van de 10 verschillende gebromeerde vlamvertragers die in deze studie werden gemeten, zijn de waarden niet kwantificeerbaar voor 34,01% tot 99,49% van de stalen. Dit is vergelijkbaar met de Vlaamse referentiepopulatie en met studies binnen Europa. Voor DDE en HCB werden biomonitoring equivalents (BE s) gedefinieerd. Dit zijn concentratiewaarden in het lichaam die overeenstemmen met bestaande gezondheidsgerelateerde blootstellingsrichtlijnen. Deze werden geëxtrapoleerd vanuit proefdierstudies, rekening houdend met de toxico-kinetiek bij de mens. In regio Menen hebben 3 deelnemers (1,5%) een waarde boven de BE van 500 ng/g vet, wat een verhoogd risico op kanker inhoud. In de Vlaamse referentiepopulatie ligt 2,4% van de deelnemers boven deze richtwaarde. De BE-waarde voor HCB bedraagt 43 ng/g vet (gebaseerd op WHO inschatting van neoplastische effecten). In regio Menen viel 1 deelnemer (0,5%) boven deze waarde, tegenover geen enkele deelnemer in de referentiepopulatie. Zware metalen Wat betreft de zware metalen is wonen in studiegebied Menen geassocieerd met significant hogere blootstelling aan thallium (27% hoger in bloed en 14% hoger in urine), koper (6% hoger in bloed) en cadmium (28% hoger in urine). Cadmium in urine geeft een maat voor middellange tot levenslange blootstelling aan cadmium, en kan dus geaccumuleerde blootstelling uit de regio weerspiegelen. Thallium in bloed en urine en koper in bloed zijn merkers voor recente blootstelling en verhoogde waarden kunnen mogelijk wijzen op een lokale bron. Voor urinair cadmium hebben 19,9% van de jongeren een waarde die hoger is dan de HBM I waarde van 0,5 µg/l, dit betekent dat er op latere leeftijd kans is op een verstoorde nierfunctie bij aanhoudende blootstelling; geen enkele jongere had een meting boven de HBM II waarde van 2 µg/l, de waarde waarboven op latere leeftijd grote waarschijnlijkheid is voor nierfunctiestoornissen bij aanhoudende blootstelling. In algemeen Vlaanderen had 11,4% van de jongeren een waarde boven de HBM I richtwaarde voor urinair cadmium. 40

41 Er werden significant lagere waarden waargenomen voor lood (11% lager in bloed), nikkel (25% lager in urine), antimoon (25% lager in urine), totaal arseen (20% lager in urine) en kwik (17% lager in haar). Deze lagere waarden geven mogelijk aan dat sommige bronnen van deze polluenten (bv. electronica industrie, ) meer voorkomen in de Vlaamse referentiepopulatie in vergelijking met de regio Menen. Vluchtige stoffen De PAK-metaboliet (1-hydroxypyreen) komt in hogere concentraties voor in studiegebied Menen in vergelijking met de Vlaamse referentiegroep. De blootstelling is 49% hoger na correctie voor persoonsgebonden en levensstijlfactoren. Voor de benzeenmetaboliet (t,t -muconzuur) zijn de gehaltes in de regio Menen en Vlaanderen min of meer gelijk. Effectmerkers (overzicht in tabel 4, bijlage 1) Astma en allergie In de totale groep van de regio Menen werd bij 8,7% van de jongeren astma vastgesteld door een dokter, 12,5% had astmasymptomen in de laatste 12 maanden en 16,8% rapporteerde ooit astma gehad te hebben. Dit is zeer vergelijkbaar met de algemene Vlaamse referentiegroep. Ook het voorkomen van eczeem en allergieën verschilt niet tussen beide onderzoekspopulaties. Wel werd in de regio Menen 44% minder hooikoorts vastgesteld door een dokter, en rapporteerden 38% minder jongeren ooit hooikoorts gehad te hebben. Deze verschillen in hooikoortsprevalentie zijn statistisch significant. Genotoxische effecten Herstelbare DNA-schade (breuken in de DNA-ketens) in bloedcellen, gemeten met de komeettest, blijkt aanzienlijk (71%) en significant hoger te zijn in studiegebied Menen t.o.v. de Vlaamse referentiegroep. Het verschil in DNA-breuken na omzetten van sommige andere vormen van DNAschade (oxidaties, andere chemische veranderingen aan de DNA-bouwstenen) in breuken blijkt nog groter te zijn (92%). DNA-breuken, zoals gemeten met de komeettest, worden bijna altijd hersteld. Het herstel is echter nooit 100% volledig en correct, zodat mutaties kunnen ontstaan. Dit betekent dat een toename in DNA-schade, zoals gemeten met de komeettest, wijst op een toename in sommige deelaspecten van het kankerrisico, maar niet noodzakelijk op een stijging van het totale kankerrisico. Op het niveau van het individu kan niet gesteld worden dat een grotere hoeveelheid breuken geassocieerd is aan een grotere kans op kanker, omdat één bepaald individu met meer DNAbreuken ook een grotere capaciteit tot correct herstel van de breuken kan vertonen, en omdat de komeettest een momentopname is. Hormonaal evenwicht en sexuele rijping Er werden talrijke verschillen genoteerd in de hormonale concentraties in het bloed van jongeren uit studiegebied Menen in vergelijking met de Vlaamse referentiegroep. Met betrekking tot de schildklierfunctie vertoonden jongeren uit studiegebied Menen een statistisch significant lager thyroxine en statistisch significant hogere triiodothyronine gehalte dan de jongeren uit de referentiestudie. De thyroid stimulerend hormoon concentraties waren gelijkaardig in de regio Menen en in Vlaanderen. Met betrekking tot de functie van de geslachtorganen vertoonden de mannelijke jongeren uit de regio Menen een licht gestegen concentratie van testosteron (niet significant na correctie van verstorende factoren) en significant (ook na correctie voor verstorende factoren) hogere bloedconcentraties aan vrij (actief, medisch belangrijk) testosteron (mannelijk geslachtshormoon), aan totaal oestradiol (vrouwelijk geslachtshormoon) en aan vrij (actief, medisch belangrijk) oestradiol. Jongens uit de regio Menen bereiken meer frequent de volwassen hormoonconcentraties, ook na correctie voor verstorende factoren en voor alle statistisch 41

42 significante covariaten. Het krijgen van (regelmatige) maandstonden verschilt niet bij de meisjes in studiegebied Menen in vergelijking met de meisjes in algemeen Vlaanderen. Een toename in LH en een daling in SHBG concentraties verklaren respectievelijk de stijging in de testosteron en de meer uitgesproken stijging in vrij testosteron. Ook de relatieve stijging in de oestradiol concentratie in vergelijking met de testosteron concentratie zou het gevolg kunnen zijn van anti-oestrogenen effecten. Neurologische ontwikkeling Het concentratievermogen van de jongeren uit studiegebied Menen is niet significant verschillend van dat van de jongeren in de referentiepopulatie. De snelheid waarmee geklikt werd met de hand naar keuze (parameter voor psychomotoriek) lag significant lager bij de jongeren van de regio Menen dan in de Vlaamse referentiegroep. Na correctie voor covariaten kunnen de jongeren uit de regio Menen ook significant minder cijfers reproduceren in de gedicteerde volgorde (parameter voor bepaalde aspecten van het geheugen) dan de jongeren uit de Vlaamse referentiecampagne. Jongeren in de regio Menen zeggen overdag minder slaperig te zijn in vergelijking met wat jongeren over zichzelf zeggen in buitenlandse studies waarin de Epworth Sleepiness Scale werd gebruikt. De mannelijke identiteit bij jongens en de vrouwelijke identiteit bij meisjes kwam in vergelijkbare mate naar voor in de studiegroep van de regio Menen en in de referentiegroep. De mannelijke identiteit bij meisjes en de vrouwelijke identiteit bij jongens waren zwakker aanwezig bij de jongeren uit studiegebied Menen dan in de Vlaamse referentiegroep. Nierfunctie De nierfunctieparameters werden niet gemeten in de referentiepopulatie en worden daarom vergeleken met klinische richtwaarden. De deelnemers uit de regio Menen hadden allemaal normale waarden voor alfa-1-microglobuline in urine en 93,4% had ook normale waarden voor cystatine-c in serum. Voor deze laatste parameter had 5% van de deelnemers lage waarden en 2% hoge waarden. Dosis-effectrelaties Een overzicht van de dosis-effectrelaties die in de desk research in rekening werden gebracht, wordt gegeven in de 5 e kolom van tabel 1 in bijlage 1. Deze resultaten waren toen nog voorlopig; de finale analyses zijn ondertussen afgerond en zijn te vinden in een apart rapport 12. Perceptie Volgende perceptieresultaten houden het meest verband met de resultaten van de humane biomonitoring 13 : - Naast luchtvervuiling melden jongeren in regio Menen ook vaak bodemvervuiling (27% t.o.v. 6% in Vlaanderen) en watervervuiling (17% t.o.v. 7% in Vlaanderen) als type milieuproblemen in hun woonomgeving. - Naast industrie zien jongeren in Menen ook het verkeer, afvalverwerking en zwerfvuil als belangrijke oorzaken van de milieuproblemen. Belangrijkste stoffen die problemen veroorzaken zijn uitlaatgassen, zware metalen en afval. - Astma is de vaakst gemelde gezondheidsklacht (6% t.o.v. 2% in Vlaanderen). 12 Kroes et al. (2013), Vlaams Humaan Biomonitoringsprogramma , Eindrapport dosis-effect adolescenten, Steunpunt Milieu en Gezondheid. 13 Voor een samenvatting van de andere perceptieresultaten (o.a. rond vertrouwen in infokanalen, attitudes rond milieubewustzijn en participatie) verwijzen we naar de samenvatting van het eindrapport. 42

43 3. Prioriteren en selecteren van HBM-resultaten De lokale humane biomonitoringcampagnes in de hotspots Genk-Zuid en regio Menen leverden een grote hoeveelheid aan resultaten op (27 biomerkers voor 18 polluenten + verschillende effectmerkers). Om deze hoeveelheid aan informatie werkbaar te maken, is beslist om een eerste rangschikking van de resultaten volgens gezondheidskundige ernst uit te voeren. Op basis daarvan werd met een beperkt aantal geselecteerde resultaten verder gegaan. Deze preselectie werd in een eerste stap uitgevoerd door een team van experten binnen het Steunpunt Milieu en Gezondheid en in een tweede stap door een adviesgroep bestaande uit lokale en bovenlokale actoren. 3.1 Selectievoorstel door Steunpunt Milieu en Gezondheid 30 experten van het Steunpunt Milieu en Gezondheid ontvingen op 7 maart 2012 voor beide hotspots bovenstaande samenvattende overzichtsdocumenten. Er werd hen gevraagd in aparte tabellen de prioriteit van elke afzonderlijke biomerkerwaarde te beoordelen voor verdere behandeling in het faseplan door een cijfer van 0 (geen prioriteit) tot 5 (absolute prioriteit) toe te kennen, eventueel voorzien van een motivatie. Op 19 maart 2012 werd de expertronde afgesloten en werden voor elke hotspot 12 beoordelingen van de resultaten ontvangen. De resultaten werden besproken op de vergadering van het veldwerkcomité van 19 maart Een uitgebreide beschrijving van de beoordelingsresultaten is te vinden in bijlage 1. Voor Genk-Zuid kunnen bij de blootstellingsmerkers 6 biomerkers worden onderscheiden die een hoge totale score kregen: Chroom, PAK s, Cadmium, Arseen, Thallium en Lood. Bij de effectmerkers werden de twee hoogste totale scores toegekend aan Genotoxiciteit en Astma en allergie. Prioritering biomerkers van blootstelling (n= 12: min=0 max=60)

44 Prioritering biomerkers van effect (n= 12: min=0 max=60) Voor Menen zien we een hoge score voor drie blootstellingsmerkers: PAK s, Thallium en Cadmium, en voor één effectmerker: genotoxiciteit (DNA-schade gemeten door de komeettest) Voor verdere doorstroming binnen het Faseplan werd gekozen om te vertrekken van de gezondheidskundige ernst en dus de biomerker van effect met de hoogste score te selecteren samen met de biomerkers van blootstelling die hoog scoren en die een significant verband vertonen met dit 44

45 effect. Voor beide hotspots werd dus gekozen om genotoxiciteit (DNA-schade) te selecteren als meest ernstig resultaat. Voor Genk-Zuid bestaat de selectie dus uit blootstellingsmerkers die significant verhoogd zijn in de regio en verband houden met genotoxische effecten: FASE I: Selectie Genk-Zuid Biomerker Verhoging t.o.v. Vlaanderen Prioriteitsscore STP M&G (min=0; max=60) DNA-schade +26% (komeettest) en +69% (oxidatieve komeettest) 51 Chroom +32% 54 PAK s +33% 53 Cadmium +18% (ucd) 50 Arseen +32% 50 Thallium +11% (bth) 44 Bijkomend argument voor deze selectie was het resultaat van het LNE-project Effectgericht meten waarbij de biologische activiteit van stofstalen uit de omgevingslucht van Genk-Zuid gemeten. De stofstalen werden genomen op de dagen dat het veldwerk voor de biomonitoring werd uitgevoerd. In de stofstalen van Genk-Zuid werd een hogere oxidatieve stress (radicaal genererend vermogen) en hogere mutagene activiteit gemeten in vergelijking met de controlestalen van Koksijde. De hoeveelheid oxidatieve stress en mutagene activiteit van de stofstalen was gerelateerd aan de hoeveelheid zware metalen en/of PAK s op de stofstalen. De waarden van oxidatieve stress van de stofstalen waren geassocieerd met de resultaten van de oxidatieve komeettest bij de jongeren uit biomonitoringstudie. Ook voor regio Menen werd gekozen om genotoxiciteit, welke de hoogste totale score had bij de gezondheidseffecten, te nemen als uitgangspunt voor de selectie van de blootstellingsmerkers die verder doorstromen binnen het Faseplan. Daarnaast is de lagere blootstelling aan POP s (PCB s, dioxineachtige stoffen en DDE) welke gerelateerd is aan lagere consumptie van lokale voeding en minder borstvoeding een opmerkelijk resultaat van deze hotspot. FASE I: Selectie Menen Biomerker Verhoging t.o.v. Vlaanderen Prioriteitsscore STP M&G (min=0; max=60) DNA-schade +26% (komeettest), +69% (oxidatieve komeettest), % 8-oxo-deoxyguanosine PAK s +49% 55 Thallium +27% (bth) 48 Cadmium +28% (ucd) DDE -30% 36 Dioxines en d-pcb s -17% en -39% PCB s -28% 28 45

46 3.2 Lokale actoren: advisering selectievoorstel Steunpunt Inleiding en methodiek Doelstelling Het selectievoorstel van het Steunpunt werd in een volgende stap in de twee hotspots voorgelegd aan de lokale adviesgroep bestaande uit maatschappelijke actoren. Resultaten of thema s die niet werden geselecteerd door het Steunpunt, maar vanuit lokale (maatschappelijke) bekommernis toch prioritaire aandacht verdienen kunnen door de lokale adviesgroep alsnog worden toegevoegd aan de selectie. Respons Alle contactpersonen die deelnamen aan het lokaal overleg tijdens de humane biomonitoringstudie werden opnieuw uitgenodigd voor deelname aan de lokale adviesgroep van het Faseplan. Het eerste overleg in Genk-Zuid ging door op 23 april 2012 en werd bijgewoond door 27 lokale actoren (5 verontschuldigingen) van o.a. de gemeentelijke overheid (Genk, Diepenbeek, Bilzen), industrie, huisartsen, natuurverenigingen. In Menen vond het lokaal overleg plaats op 3 mei Daar namen 16 lokale actoren (2 verontschuldigingen) deel van o.a. de gemeentelijke overheid, industrie, scholengemeenschap, milieuraad. Opzet en verloop Na een herhaling van de belangrijkste resultaten van de studie werd het selectievoorstel van het Steunpunt toegelicht. Volgende vragen werden vervolgens gesteld aan de lokale aanwezigen: - Welke verwachtingen leven er rond het faseplan? - Verdienen al de geselecteerde topics verdere aandacht in het Faseplan? - Zijn er problemen die verder aandacht verdienen en nu niet ondervangen worden? Als afsluitende methodiek konden deelnemers aan de hand van post-its een SWOT-analyse maken over de verwachtingen van de sterkten-zwakten-kansen-bedreigingen van het Faseplan Lokale adviesgroep Genk-Zuid Verwachtingen rond het faseplan Lokale actoren blijken vooral verwachtingen te hebben rond de scope en de finaliteit van het faseplan en minder rond de procedure. De doelstelling van het faseplan moet volgens hen zijn het zoeken naar oorzaken en bronnen, met een focus op oplossingen. Actoren vanuit de industrie benadrukken dat het faseplan hierbij breder zou moeten kijken dan enkel de industrie en ook naar bijvoorbeeld vervuiling van verkeer. Huisartsen benadrukken het behoefte om op korte termijn concrete tips te krijgen om vragen van patiënten te kunnen bespreken. Feedback op selectievoorstel steunpunt De lokale adviesgroep gaat akkoord om te focussen op DNA-schade als gezondheidseffect, maar dit mag volgens hen niet betekenen dat er aan het einde van het faseplan niet vanuit andere benaderingen aanbevelingen gedaan mogen worden. Voorbeeld: rond luchtwegklachten, nierschade of hormoonverstoring. Dit kan dan mogelijk verder worden opgenomen in het E-missieplan (als aanbeveling vanuit het faseplan). Voorstel vanuit de groep is om ook nikkel aan het selectievoorstel toe te voegen, aangezien dit erg leeft bij buurtbewoners. 46

47 SWOT-analyse van het Faseplan Sterktes: - Onafhankelijke onderzoekers - Nader onderzoek HBM - Blootstellingsroutes verder onderzoeken kan meer duidelijkheid brengen - Gevarieerde groep - Groot sociaal overleg - Juiste info geven aan de mensen Kansen: - Integratie Faseplan in E-missieplan Zwaktes: - Communicatievolgorde? HBM-resultaten zijn gepubliceerd, cijfers hebben ongerustheid teweeggebracht. Pas nu in het Faseplan worden resultaten geïnterpreteerd?? - Veel toehoorders - Te trage communicatie. Adviezen voor huisartsen aan patiënten schieten tekort. - Tijdsdruk (18 Maanden = kort) Valkuilen: - Dat er verwachtingen gecreëerd worden bij de bevolking die niet ingelost kunnen worden. - Te wetenschappelijk. Focus op cijfers. - Gevaar dat antwoord na 18 maanden vooral vraag naar verder onderzoek is. - Politieke wil - Tests vrije radicalen + cumulatieve effecten - >voorwaarden-> MER e-on + Aperam Lokale adviesgroep regio Menen Verwachtingen rond het faseplan Uit de bespreking van lokale verwachtingen rond het faseplan bleek vooral een behoefte aan verdere wetenschappelijke analyse van de resultaten om lokale vragen en ongerustheden weg te kunnen nemen. Verder werd het belang van transparante communicatie benadrukt om vertrouwen te krijgen in de procedure van het faseplan. Een gezamenlijke communicatie in de verschillende gemeenten wordt belangrijk geacht. Verder kwamen doorheen de bespreking ook de inhoudelijke verwachtingen rond het actieplan dat uit het faseplan dient te vloeien reeds aan bod. Zo werd er gesteld dat de problemen moeten worden aangepakt aan de bron, en niet (enkel) de symptomen. Feedback op selectievoorstel steunpunt De lokale adviesgroep gaat akkoord met het selectievoorstel van het Steunpunt. Het wordt goed bevonden dat zowel de nieuwe ontdekkingen (zware metalen en DNA-schade) alsook de historische problematiek van de PCB s en dioxines verdere aandacht krijgt in het Faseplan. 47

48 SWOT-analyse van het Faseplan Sterktes: - Transparantie - Acties komen vanuit de groep - Wetenschappelijke kennis/objectiviteit van leden van het Steunpunt - Luistervaardigheid & deskundigheid - Open aanpak naar communicatie en participatie - Duidelijke adviezen formuleren Kansen: - Door transparantie geloofwaardigheid herstellen - Samenstelling klankbordgroep zeer belangrijk - Maatschappelijke druk om concrete maatregelen te nemen over ondertussen aangetoond probleem. - Overdracht objectieve feiten en duidelijke info lokale bevolking Zwaktes: - Beperkte milieugegevens over probleemstoffen - Wetenschappelijke kennis/objectiviteit van de lokale actoren - Onderzoek en methode moeten in functie van concrete welzijn van bewoners staan. Valkuilen: - Geen welles-nietes verhaal - Versnipperde bevoegdheden - Het onderzoek teveel laten leiden door lokale bezorgdheden en visies - Politieke moed om oorzaak bronnen aan te pakken - Communicatie naar deelnemers & burgers tijdig. (niet te laat, niet te complex) - Langetermijn-onderzoeken - Gevaar: enkel oplapregels, en niet naar bron van probleem Evaluatie betrokkenen Bij het verslag van het overlegmoment werd een korte evaluatieformulier voorzien. Vanuit Genk-Zuid ontvingen we van 4 aanwezigen een ingevuld formulier, vanuit Menen 3. Over de voorstelling van de aanpak van het Faseplan zijn 5 lokale actoren tevreden of eerder tevreden. 2 actoren geven aan nog even af te wachten. 6 actoren zijn tevreden over de keuze van onderwerpen die centrale aandacht krijgen in het faseplan (het selectievoorstel). In Menen specifieert een actor hierbij dat vooral brononderzoek moet meegenomen worden. 1 lokale actor uit Genk-Zuid geeft echter aan eerder ontevreden te zijn. Hij motiveert hierbij: er dient klare wijn geschonken naar de bevolking van Genk en naar de bedrijfsleiders. Dit kan enkel door de aanpassing van de milieuvergunningen en -voorwaarden via de vergunningverlenende overheid: de provincie Limburg, eventueel gesteund door de Vlaamse overheid. Dan pas zal er een duidelijke vermindering van de depositie komen. Nu lijkt het totale overleg eerder op een vrijblijvende praatbarak van mensen met zeer goede bedoelingen, maar zonder macht om in te grijpen waar moet ingegrepen worden. Als er toch zoveel overheidssteun naar bedrijven gaat voor eco-, duurzame - en andere dingen, waarom dan niet voor de verbetering van de gezondheid van de omwonenden: voor de bestrijding van de uitstoot bvb. Want deze duurzame dingen zijn enkel zonnepanelen, die we als belastingsbetaler nog minstens 20 jaar zullen betalen. Over de aanpak van het lokale overlegmoment zijn 6 actoren tevreden. 1 aanwezige geeft aan de aanpak neutraal te vinden. Op de vraag of ze nog verder betrokken willen worden bij het Faseplan antwoorden 5 lokale actoren graag. 2 lokale actoren wachten nog even af. 48

49 FASE II: OPZOEKEN VAN OORZAAK EN BRON VAN DE PRIORITAIRE OVERSCHRIJDINGEN EN OPMAAK ACTIEPLAN STAP 2. DESK RESEARCH STAP 3. EXPERTCONSULTATIE STAP 4. KLANKBORDGROEP BUURTBEWONERS STAP 5. EINDADVIES LOKALE ACTOREN Documenten in aparte bijlage: 4. Tabellen met bijkomende statistische analyses 5. Desk research dossier per polluent 6. Respons expertconsultatie 7. Verslagen klankbordgroep Genk-Zuid en regio Menen 8. Verslagen lokale adviesgroep Genk-Zuid en regio Menen 49

50 4. Expertadvies 4.1 Desk research Inleiding en methodiek Doelstelling Bij de rapportering van de eindrapporten van de humane biomonitoring in Genk-Zuid (in september 2011) en regio Menen (in januari 2012) en de nazorg die hierrond werd georganiseerd door het Steunpunt Milieu en Gezondheid, werden relevante vragen voor verdere interpretatie gesteld door deelnemers, burgers, lokale experten en onderzoekers van het Steunpunt zelf. Deze vragen werden onderzocht in de faseplanprocedure. Een gedetailleerde beschrijving van de onderzoeksvragen, de gevolgde methode, de resultaten en de interpretatie wordt gegeven in de documenten Desk research Genk-Zuid bijkomende statistische analyses en Desk research Menen-extra analyses, toegevoegd in bijlage. De voornaamste conclusies worden hieronder samengevat. Opzet en verloop De statistische analyses werden uitgevoerd door de universiteit Hasselt. De variabelen die getest werden in deze statistische analyses zijn afkomstig van de toxicologische metingen en uit de uitgebreide vragenlijsten die de jongeren die deelnamen aan de HBM-studies hebben ingevuld. De geteste relaties werden significant bevonden bij p<0,05. De interpretatie van sommige van deze resultaten moet voorzichtig gebeuren. Het statistisch vermogen van deze vergelijkingen is soms laag door het kleine aantal deelnemers per subgroep. Statistisch significante verschillen tussen subgroepen kunnen mogelijks ook verklaard worden door verschillen in samenstelling van de subgroepen (de ene subgroep kan bijvoorbeeld meer rokers, meisjes of jongens of deelnemers met een hoger of lager BMI bevatten dan de andere subgroep). Meer informatie over de gebruikte statistische methodes is terug te vinden in de hierboven vermelde achtergronddocumenten Resultaten en conclusies statistische analyses Desk research Genk-Zuid Vraag 1: Zijn er belangrijke verschillen in de karakteristieken van de bewoners van de verschillende wijken? Besluit: Er werden duidelijke verschillen gevonden in de karakteristieken van de deelnemers uit de verschillende onderzochte wijken in Genk-Zuid, nl. verschillen in opleidingsniveau (jongere en gezin), etniciteit, BMI, verkeersblootstelling, binnenhuismilieu (klachten in huis), consumptie van lokale eieren en aanwezigheid van kachels in huis. Gevolgen voor de interpretatie: Voor wat betreft de gebiedvergelijking, kunnen we zeggen dat factoren zoals sociale klasse, etniciteit en BMI standaard werden meegenomen in de analyses. Deze factoren verklaren een deel van de variabiliteit van de blootstelling (zware metalen, persistente stoffen), maar na correctie blijven de verschillen tussen de wijken bestaan. Factoren zoals klachten in de woning, stoken binnen en buiten blijken ook sterk te verschillen tussen de wijken. Mogelijk was de manier waarop deze verstorende factoren werden meegenomen in de gebiedvergelijking te algemeen, o.m. bij astma en allergieën. Daarom is een meer gedetailleerde analyse nuttig (zie vraag 2). 50

51 Vraag 2: Wordt het voorkomen van astma/allergie in Genk-Zuid beïnvloed door wooncondities en factoren van persoonlijke blootstelling? Besluit: Na gedetailleerde statistische analyses van de associatie tussen persoonlijke blootstelling en het voorkomen van astma en allergie worden 2 belangrijke risicofactoren geïdentificeerd voor astma en allergie, nl. 1) ernstige long- of luchtweginfectie tijdens de eerste twee levensjaren; 2) moeder rookte in de nabijheid van de baby tijdens de eerste twee levensjaren. Er werden geen specifieke factoren uit het binnenhuismilieu geïdentificeerd als risicofactoren voor astma of allergie. Gevolgen voor de interpretatie: We kunnen besluiten dat er in de gebiedsvergelijking geen belangrijke verstorende factoren ontbraken (op basis van de beschikbare gegevens uit de vragenlijst). Vraag 3: Is het stookgedrag verschillend in de drie bestudeerde gebieden, nl. Vlaanderen, Genk- Zuid, Menen? Besluit: Het stookgedrag binnen was significant verschillend tussen de regio s: in Vlaanderen werd meer binnen gestookt dan in Genk-Zuid en Menen. Het stookgedrag buiten (totaal) was niet significant verschillend tussen de regio s. Toch werd in Genk-Zuid een trend geobserveerd voor een hoger stookgedrag buiten, en werd er in Genk-Zuid significant meer afval, plastic en gekliefd hout buiten wordt gestookt. Deze analyses zijn gebaseerd op zeer kleine subgroepen, dus een voorzichtige interpretatie is nodig. Anderzijds kan men ook zeggen dat er ondanks de kleine aantallen (lage power) toch significante verschillen gevonden worden. Gevolgen voor de interpretatie: Deze resultaten tonen aan dat het nuttig is om in toekomstige studies rond PAK s (en eventueel ook luchtwegklachten), het stookgedrag mee op te nemen in de analyse en in detail te analyseren. Een meer gedetailleerde analyse van het stookgedrag op de PAKblootstelling in Genk-Zuid is zinvol: zie vraag 4. Vraag 4: Wordt de PAK-merker (1-OH-pyreen) in Genk-Zuid beïnvloed door stookgedrag? Besluit: Er werd geen enkele significante relatie gevonden tussen 1-hydroxypyreen in urine en stookgedrag binnen of buiten, mogelijk omwille van de kleine subgroepen. Indien we dieper inzoomen op het stookgedrag dat in Genk-Zuid meer voorkwam dan in Vlaanderen (zie vraag 3), nl. het buiten opstoken van huishoudafval, plastic of gedroogd hout, dan zien we dat er trend is voor hogere PAK-blootstelling bij huishoudens waar afval (p=0,05) of plastic (p=0,10) wordt opgestookt in de tuin. Gevolgen voor de interpretatie: Deze resultaten bevestigen de vorige conclusie, nl. dat het nuttig is om in toekomstige studies rond PAK s (en eventueel ook luchtwegklachten), het stookgedrag mee op te nemen in de analyse en in detail te analyseren. Vraag 5: Komen polluenten samen voor? Besluit: Op basis van twee verschillende statistische technieken, nl. correlatiematrices en regressieboom-analyse kunnen clusters van polluenten worden geïdentificeerd, nl. - PAK s komen samen voor met cadmium, koper en thallium; - chroom en nikkel komen samen voor, en leunen heel nauw aan bij de vorige groep; - mangaan, nikkel en koper komen samen voor; - toxisch relevant arseen komt apart voor. Gevolgen voor de interpretatie: Deze analyses kunnen mogelijk helpen in de bronidentificatie in de regio. Vraag 6: Is de blootstelling aan metalen gerelateerd aan de consumptie van lokale groenten? Besluit: Er werden geen duidelijke relaties gevonden tussen de consumptie van lokale groenten en de blootstelling aan zware metalen. 51

52 Gevolgen voor de interpretatie: Voor toekomstige biomonitoringstudies wordt voorgesteld om in de vragen ook meer aandacht te besteden aan de totale consumptie (dus niet enkel de frequentie). Desk research regio Menen Hypothese 1: eten van lokaal geteelde voeding beïnvloedt de polluentgehalten in het lichaam. Indien lokale bronnen aanwezig zijn, kunnen de uitgestoten polluenten terecht komen op of in voeding die geteeld wordt in lokale tuinen. Via consumptie van deze voeding kunnen deze polluenten in het lichaam terecht komen, waardoor mensen die lokaal geteelde producten eten mogelijk een hogere blootstelling aan deze polluenten kennen dan mensen die geen lokaal geteelde producten eten. Cadmium dat in het leefmilieu terecht komt, kan door planten en groenten worden opgenomen en zo in de voedselketen terecht komen. Vooral bladgroenten zoals spinazie, sla en selder kunnen gemakkelijk cadmium opnemen. De hier uitgevoerde statistische analyses kunnen voor de urinaire cadmiumgehalten bij de deelnemers in regio Menen geen duidelijke relatie aantonen met consumptie van lokale voeding. Cadmium werd ook gemeten in het bloed en was niet significant verschillend bij de deelnemers in regio Menen dan bij de deelnemers uit algemeen Vlaanderen. Een eerste verkenning van de invloedsfactoren (zie eindrapport HBM regio Menen) toonde aan dat in de regio Menen de gemeten cadmiumgehalten in het bloed wel significant hoger waren bij de deelnemers die lokale groenten aten. Bloedcadmium is een maat voor cadmiumblootstelling gedurende de voorbije 2 tot 3 maanden. Consumptie van lokale groenten zou wel kunnen bijdragen tot de recente cadmiumblootstelling van de jongeren in de regio Menen. Urinaire cadmiumgehalten weerspiegelen levenslange cadmiumblootstelling. Een mogelijke verklaring kan zijn dat er in het verleden een cadmiumbron aanwezig was en historische blootstelling verband houdt met de hogere urinaire cadmiumgehalten in de deelnemers uit de regio Menen. Factoren die in het verleden hebben plaatsgevonden zouden dan een rol kunnen spelen in de urinaire cadmiumgehalten, zoals inademen van vervuilde lucht (in (geboortejaar van de deelnemers) was de verbrandingsoven nog actief) of opname via bodemdeeltjes met hand-mond gedrag. Opname van cadmium via de huidige consumptie van lokale groenten zou hier dan minder kunnen toe bijdragen. De statistische analyses van de vragen rond lokale voeding en zelfgeteelde voeding en de gehalten aan thallium in bloed en urine van de deelnemers in de regio Menen duiden op een zwakke relatie van consumptie van deze lokale voeding met de gemeten thalliumgehalten. Er kunnen echter geen duidelijke patronen worden vastgesteld met bepaalde types groenten, gezien de parameters waarvoor een significant effect werd verkregen niet dezelfde zijn voor thallium gemeten in bloed als deze voor thallium in urine. Persistente organische polluenten, zoals dioxines, PCB s, DDE en HCB, zijn algemeen genomen vetoplosbare stoffen die zich opstapelen in vetten en vetweefsels. Indien lokale bronnen aanwezig zijn, kunnen eieren aanzienlijke gehalten aan deze stoffen bevatten. Via opgenomen bodemdeeltjes komen de polluenten in de kippen en zo in de eieren terecht, waar ze vooral voorkomen in de vetrijke dooier. De statistische analyses rond lokale en zelfgeteelde voeding tonen echter enkel een significante invloed van de consumptie van lokale eieren op de gehalten aan DDE en HCB in het bloed van de deelnemers in regio Menen. Mensen die eigen kippen houden, beschikken meestal ook over een moestuin en consumeren bijgevolg meestal ook enkele zelfgeteelde groenten. Het is dan ook zeer denkbaar dat enkele andere parameters van lokale of zelfgeteelde voeding ook een significante relatie vertonen met de gehalten aan DDE en HCB, hetzij door een effectieve bijdrage tot de blootstelling te leveren of door collineariteit met de parameter lokale eieren. Deze collineariteit kan mogelijk een rol spelen bij de significante relaties tussen de HCB-gehalten in bloed en de consumptie van zelfgeteelde kolen en aardbeien. Voor DDE worden echter zoveel significante relaties gevonden 52

53 met consumptie van lokale en zelfgeteelde producten dat hier wel kan gesteld worden dat consumptie van lokaal geteelde voeding bijdraagt tot een hogere blootstelling aan DDE. Voor een aantal lokale voedingsparameters kan een relatie met DDE logisch verklaard worden, bijvoorbeeld groenten met een wasachtige (vettige) schil of oppervlak (courgetten, kolen, komkommer), groenten die in contact komen met de bodem (aardappelen, wortelen, uien, prei) en zelfgevangen vis. Voor andere lokale voeding waarvoor een significante relatie wordt bekomen, is een mogelijke verklaring minder duidelijk (vb: bonen, spinazie, appels, peren, aardbeien) en is dit waarschijnlijk te wijten aan cross-correlaties met andere groenten of met eieren. Ook voor de gehalten aan merker-pcb s in bloed (zowel in ng/l als in ng/g vet) worden significante relaties gevonden met verschillende zelfgeteelde groenten, maar niet consistent met bepaalde types van groenten, en met gebruik van compost in de moestuin. Ook hier kunnen cross-relaties tussen de verschillende lokaal geteelde groenten een rol spelen. In tegenstelling tot DDE, HCB en merker-pcb s werden bij de deelnemers die lokale en zelfgeteelde voedingsproducten eten geen significant hogere waarden aan dioxines, furanen en dioxineachtige PCB s (bepaald met de Calux-assay) aangetoond. Een mogelijke verklaring hiervoor kan zijn dat lokale of zelfgeteelde voeding voor deze polluenten niet de enige bron is, maar dat andere bronnen zoals inademing, huisstof ook een belangrijke bijdrage leveren aan de blootstelling. Een andere verklaring kan eventueel gezocht worden in het feit dat het hier geen chemische analyse van deze polluenten betreft, maar dat de dioxineactiviteit van de bloedstalen gemeten wordt aan de hand van een bioassay (Calux). Reflecteert de meting van deze dioxineactiviteit wel dezelfde blootstelling of dezelfde blootstellingstermijn als de chemische metingen? Is de meting enkel een maat voor de activiteit van de dioxines en dioxineachtige PCB s of vindt interferentie plaats met andere polluenten of met lichaamseigen stoffen die dezelfde biologische activiteit vertonen? Opname van PAK s (polycyclische aromatische koolwaterstoffen) via de voeding is één van de belangrijkste wegen waarlangs PAK s in het lichaam terecht komen. PAK s kunnen in de voeding terecht komen door de bereidingswijze van de voeding: roken, grillen of roosteren van voeding, donker gebakken delen van de voeding, fermentatie van producten of destillatie van dranken. Daarnaast kunnen PAK s ook uit de omgevingslucht op groenten en graangewassen worden afgezet. Vooral indien er lokale bronnen van PAK s aanwezig zijn, kan afzetting van PAK s op lokaal geteelde gewassen een bijdrage leveren tot de blootstelling. De blootstelling aan PAK s bij de deelnemers in regio Menen, gemeten aan de hand van 1-OH-pyreen in urine, lijkt geen verband te houden met de consumptie van lokale of zelfgeteelde voeding. Hypothese 2: binnen- of buitenshuis stoken beïnvloedt de polluentgehalten in het lichaam Vele van de hier onderzochte polluenten komen vrij bij verbrandingsprocessen en zijn aanwezig in hierbij geproduceerde rook. Het lokaal stoken van materialen binnen- of buitenshuis kan dan ook de blootstelling aan deze polluenten verhogen. Cadmium kan vrijkomen bij een aantal verbrandingsprocessen zoals afvalverbranding, crematoria en in sigarettenrook. De urinaire cadmiumgehalten respresenteren levenslange cadmiumblootstelling en blijken bij de deelnemers in regio Menen geen verband te houden met het bevraagde stookgedrag. Thallium wordt ondermeer gevormd bij verbranding van steenkool en ook sigarettenrook is een belangrijke bron van thallium. De thalliumgehalten, zowel in bloed als in urine, waren significant hoger bij deelnemers in de regio Menen die binnen versgekapt hout stoken. Binnenshuis stoken van versgekapt hout kan mogelijk een bron zijn van thallium. Dioxines en furanen ontstaan bij onvolledige verbrandingsprocessen (huisvuilverbranding, recyclage non-ferro metalen, uitlaatgassen, sigarettenrook, afvalverbranding in tuinen, kachels). PCB s kennen vooral industriële toepassingen, maar kunnen ook vrijkomen bij verbrandingsprocessen. Eigen stookgedrag kan bijgevolg ook een rol spelen in de blootstelling aan dioxines en PCB s. De gemeten dioxineactiviteit te wijten aan dioxines en furanen is in de regio Menen significant hoger bij 53

54 deelnemers die binnenshuis gedroogd en gekliefd hout stoken. Voor dioxineachtige PCB s en merker- PCB s lijkt er bij de deelnemers in regio Menen geen erg duidelijke relatie met stookgedrag te zijn. HCB en DDT (metaboliet DDE) zijn pesticiden en komen onder normale omstandigheden niet vrijkomen bij verbrandingsprocessen, tenzij er producten verbrand worden die met HCB of DDT behandeld werden. Er was één deelnemer die aangeeft buiten geverfd hout te stoken, maar dit resultaat is statistisch niet te interpreteren. Deze deelnemer had een hoger gehalte aan DDE, maar een lager gehalte aan HCB in het bloed. Van PAK s is gekend dat deze gevormd worden bij onvolledige verbrandingsprocessen zoals verbranding van hout en afval. Er werden echter geen significante relaties gevonden tussen de gehalten aan de metaboliet 1-OH-pyreen en de parameters die verband houden met stookgedrag of verwarming met kachels of open haard. Een mogelijke verklaring kan zijn dat in de humane biomonitoring de PAK-blootstelling benaderd wordt door het meten van 1-OH-pyreen, welke een metaboliet is van pyreen, en pyreen mogelijks geen hoofdbestanddeel is van het PAK s-mengsel dat vrijkomt bij deze verbrandingsprocessen. Een andere mogelijke verklaring kan liggen in het feit dat 1- OH-pyreen de PAK-blootstelling van de afgelopen 12 uren weerspiegelt en de vragen rond stookgedrag eerder peilen naar algemeen stookgedrag en niet naar recent stookgedrag. Hypothese 3: sommige hobby s of productengebruik kunnen de blootstelling aan bepaalde polluenten beïnvloeden. Bij de uitoefening van sommige hobby s of bij regelmatig contact met bepaalde producten (in de opleiding of in de persoonlijke levenssfeer) kan er een hogere blootstelling voorkomen aan een aantal van de hier onderzochte polluenten. Blootstelling aan zware metalen zoals cadmium en thallium kan ook voorkomen bij het uitoefenen van sommige hobby s of contact met bepaalde producten. Zo werd thallium vroeger gebruikt in rattenvergif en mierenverdelgers. Cadmium is ook aanwezig in sommige kleurstoffen of in bepaalde haarspray s. Voor de gehalten urinair cadmium en thallium in bloed en urine kunnen bij de deelnemers in regio Menen geen duidelijke relaties worden aangetoond met de parameters in verband met blootstelling via hobby s of contact met producten. De dioxineactiviteit gemeten met de Calux-assay voor dioxines-furanen en dioxineachtige PCB s vertoont bij de jongeren in de regio Menen geen significante relatie met parameters in verband met mogelijke blootstelling via hobby s of contact met chemische producten. Contact met chemische stoffen via hobby s of studies of 1 keer per week in contact komen met chemische stoffen gedurende minstens 1 jaar verhogen mogelijk de blootstelling aan merker-pcb s en HCB. Voor de gemeten DDEgehalten in bloed werd een significante relatie bekomen met in contact komen met kleurstoffen, verven of oplosmiddelen. Gezien het hier over univariate relaties gaat is niet uit te sluiten dat de gevonden relaties mogelijks te wijten zijn aan andere verschillen tussen de geteste groepen (vb. leeftijd of geslacht). De PAK-blootstelling, gemeten met 1-OH-pyreen in urine, van de deelnemers in regio Menen lijkt geen verband te houden met de parameters die peilen naar blootstelling via hobby s of contact met producten die minstens 5 deelnemers in elke antwoordcategorie hadden. 54

55 4.2 Expertronde Inleiding en methodiek Doelstelling Als onderdeel van het Faseplan werd tussen mei en september 2012 een expertronde georganiseerd. Deze expertronde was kwalitatief van opzet en had 3 doelstellingen: 1) kwaliteitscontrole van de diagnose (naar gezondheidsernst en betrouwbaarheid van de kennisbasis); 2) identificatie van blootstellingswegen en bronnen; 3) suggesties voor beleidsacties. De expertbevraging werd in twee ronden uitgevoerd. In de eerste plaats werden academische experts betrokken vanuit verschillende Vlaamse universiteiten en onderzoeksinstellingen. Volgende expertises namen deel door het invullen van vragenlijsten: - Bio-ingenieurwetenschappen, KUL - Analytische en Milieuchemie, VUB - Kerngeneeskunde en Experimentele Cancerologie, UGent - Milieubiologie/Maatschappelijke gezondheidszorg, UHasselt/KUL - Milieuchemie, UCL - Analytische en Milieuchemie, UA - Milieurisico en Gezondheid, VITO De belangrijkste input van deze experts werd gebundeld en toegevoegd aan de achtergronddocumenten. Deze werden in een tweede ronde samen met dezelfde vragenlijsten verstuurd naar een aantal lokale experts per hotspot. Respons - Milieuambtenaren - Bedrijfsartsen/preventie-adviseurs - Huisartsen en specialisten - Medisch milieukundigen - Provinciale afdeling milieuvergunningen - Afdelingen VMM-OVAM In totaal namen 21 bovenlokale experts (wetenschappers aan diverse Vlaamse universiteiten en onderzoeksinstellingen) en lokale experts (milieuambtenaren, huisartsen, provinciale diensten, ) deel aan de expertronde door een schriftelijke vragenlijst in te vullen. Experts kregen op basis van hun expertise één of meerdere vragenlijsten over de geselecteerde polluenten. De spreiding per polluent ziet er als volgt uit: Regio Menen Genk-Zuid Bovenlokale experts Lokale experts Bovenlokale experts Lokale experts DDE 3 1 Chroom/nikkel 2 8 Dioxines 3 5 Arseen 2 5 PCB s 3 3 Cadmium 2 7 Cadmium 2 3 Thallium 2 4 Thallium 2 3 PAK s 2 4 PAK s 2 3 Opzet en verloop Door de werkgroep Faseplan, bestaande uit het onderzoeksteam en de opdrachtgevers, werden voor elk van de polluenten achtergronddocumenten aangemaakt waarin de voornaamste informatie werd 55

56 gebundeld (zie bijlage desk research dossier per polluent ). Elk document heeft vier onderdelen: de diagnose (HBM-resultaten en andere kennis m.b.t. de betreffende polluent), blootstellingsroutes, bronnen en mogelijke acties. Deze documenten werden ter beoordeling en aanvulling voorgelegd aan verschillende bovenlokale en lokale experts met specifieke expertise over de geselecteerde resultaten. Aan elke individuele expert werd advies gevraagd over de polluenten die binnen zijn specifieke expertiseveld vallen. De geselecteerde onderwerpen worden op deze manier verder onderbouwd met expertenadvies en kennisleemtes worden aangevuld. Zo ontstaat er voor elk van deze polluenten een wetenschappelijk dossier dat zowel lokale context als mogelijke beleidsacties in overweging neemt Expertbeoordeling Uit de verwerking van de vragenlijst van de wetenschappelijke en lokale experten blijkt dat in beide hotspots de prioriteit het hoogst wordt ingeschat voor de PAK s. De diagnose wordt ernstig en betrouwbaar geacht aangezien er consistentie bestaat tussen de beschikbare milieumetingen, HBMwaarden en gezondheidsgegevens. De bronnen voor PAK s zijn vermoedelijk grotendeels industrieel en diffuus wat het suggereren van concrete beleidsacties rond bronaanpak bemoeilijkt. Over de rol van verkeer als bron bestaat onenigheid. Er wordt ook naar gebouwenverwarming verwezen als bron van PAK s, maar deze wordt niet waarschijnlijk geacht als typische lokale bron. Een aantal goed gekarakteriseerde polluenten in beide hotspots krijgt van experts eveneens een hoge prioriteit. In Menen gaat het over de dioxines en PCB s, in Genk-Zuid over chroom en nikkel. Dankzij de beschikbare milieumetingen zijn de bronnen van deze polluenten goed in kaart gebracht wat de betrouwbaarheid van de diagnose vergroot. De mogelijke gezondheidseffecten van deze polluenten zijn eveneens goed gekend en worden ernstig bevonden. Voor de regio Menen lijkt de problematiek deels historisch te zijn waardoor gezondheidseffecten voornamelijk bij de oudere generaties te verwachten zijn. De huidige concentraties in het milieu zijn gedaald maar overschrijden nog steeds de drempelwaarden in de onmiddellijke omgeving van de schrootverwerkend industrie. Dit brengt experts ertoe voornamelijk acties te suggereren rond de aanpak en opvolging van de gekende industriële bronnen. Aangezien er volgens lokale experts in de regio Menen nog steeds vragen leven rond lokaal geteelde voeding, worden ook extra meetcampagnes en sensibilisatieacties rond lokale voeding gesuggereerd. In Genk-Zuid gaat het vooral over chroom (en daaraan gerelateerd ook nikkel). Ondanks de gekende analyseproblematiek rond chroom VI wordt de diagnose van de HBM betrouwbaar geacht. De beschikbare milieumetingen in lucht en voeding wijzen volgens experts voldoende de bron van blootstelling aan, met name het bedrijf Aperam. Hoewel recente metingen wijzen op verlaagde concentraties in de omgevingslucht, suggereren experts maatregelen voor een verdere emissiebeperking (al dan niet via het bestaande stedelijk E-missieplan). Anderzijds worden ook hygiënemaatregelen en voedingsadviezen gesuggereerd. De prioriteit van arseen in Genk-Zuid wordt eveneens als hoog ingeschat. De resultaten worden beoordeeld als betrouwbaar en als ernstig, maar toch is er hier meer onzekerheid omwille van de afwezigheid met links met het milieu (water, lucht, voeding). Bovendien wordt de gezondheidskundige norm voor toxisch relevant arseen in vraag gesteld, niet alleen door de wetenschappelijke experts in deze studie, maar ook door experts uit de internationale wetenschappelijke literatuur. Rond de ernst en betrouwbaarheid van de diagnose over de zware metalen thallium en cadmium bestaat in beide hotspots heel wat minder zekerheid. Aangezien de beschikbare milieumetingen voor thallium zeer beperkt zijn en niet wijzen op verhogingen t.o.v. andere meetpunten in Vlaanderen, wordt de diagnose minder ernstig of minder zeker ingeschat. Toch vinden experts een verbreding van de kennisbasis wenselijk, door te investeren in verder onderzoek naar blootstellingswegen en bronnen. Lokale experts wijzen op afval- en kolencentrales als mogelijk bron en suggereren onder 56

57 andere de uitbreiding van verplichte emissiemetingen bij dit soort bedrijven. Voor cadmium lijkt de blootstelling eerder historisch te zijn wat het identificeren van bronnen bemoeilijkt. Over de ernst van de HBM-diagnose bestaat er onenigheid onder experts, deels terug te brengen tot controverses over de gezondheidskundige richtwaarde. Ook hier lijkt volgens experts verder onderzoek en metingen aangewezen hoewel er ook gesuggereerd wordt dat (gezien de beperkte verhoging bij jongeren in de hotspots t.o.v. Vlaanderen) een verdere interpretatie van de gezondheidsernst dient te gebeuren alvorens er wordt geïnvesteerd in bijkomend onderzoek. De prioriteit van p,p -DDE in regio Menen wordt door experts het laagst ingeschat. De diagnose wordt als betrouwbaar beoordeeld, maar experts zijn het erover eens dat de DDT-problematiek in de streek vermoedelijk historisch is en dat de actuele situatie vermoedelijk niet regiogebonden is. In algemene zin kunnen we bij de expertinschattingen een onderscheid maken tussen beoordelingen die aansluiten bij het voorzorgsprincipe en het voorzichtigheidsprincipe. Voorstanders van het voorzorgsprincipe zijn van mening dat er nu al maatregelen dienen genomen te worden in de hot spots om de blootstelling van de inwoners te beperken en de gezondheid te beschermen ook al is er nog wetenschappelijke onzekerheid over bronnen, blootstellingswegen en de omvang van de gezondheidsimpact. Daartegenover staan de voorstanders van het voorzichtigheidsprincipe die eerst meer zekerheid willen over de bronnen, blootstellingswegen en de gezondheidseffecten door meer metingen uit te voeren in het milieu en in de mens. Ook zien we verschillen tussen experts bij het suggereren van concrete acties, die vaak zijn terug te brengen tot een onderscheid tussen een brongerichte aanpak versus sensibilisatie. Bij alle beoordeelde polluenten worden zowel sensibilisatieacties voorgesteld als brongerichte maatregelen. De brongerichte aanpak uit zich vooral in meer metingen in de omgevingslucht, water, grondwater, bodem en in lokale voeding. Daarnaast worden ook andere acties vermeld zoals het verstrengen van regelgeving voor puntbronnen en verkeer en het inrichten van bufferzones. Deze laatste acties zijn vooral gericht naar recente bronnen en hebben als doel de recente blootstelling te verminderen. Lokale experts vinden vooral het informeren en sensibiliseren van de inwoners belangrijk. De sensibilisatie zou dan gericht moeten zijn op het gebruik van verboden bestrijdingsmiddelen, veiligheid van lokaal geteelde voeding, hygiëne in en om het huis en rookgedrag. Naast sensibiliseren moet de bevolking ook geïnformeerd worden over de verschillende meetgegevens die er beschikbaar zijn, zoals bijvoorbeeld het opstellen van een kaart van bodemverontreiniging. De sensibilisatieacties worden zowel vermeld bij de historische polluenten (dioxines, PCB s, DDE) als bij de zware metalen en de PAK s. Verschillende experts vinden zulke sensibilisatieacties echter minder relevant omdat ze de verantwoordelijkheid voor het oplossen van (milieu)problemen bij individuen zou leggen Evaluatie Aan de vragenlijsten van experts werden enkele evaluatievragen toegevoegd. Vijf van de zeven bovenlokale experts vulden deze in. Van de lokale experten stuurden er 5 het evaluatieformulier terug. Tevredenheid deelname expertronde Alle experten geven aan tevreden of eerder tevreden te zijn over de manier waarop ze werden betrokken bij het Faseplan. Één lokale expert geeft aan niet te weten of hij tevreden is. Eén bovenlokale expert maakt bij zijn evaluatie volgende opmerking: Ik wist nooit op voorhand dat er een vraag tot beoordeling van een studie komt. Misschien moeten de experten vroeger attent gemaakt worden dat er een evaluatie komt. Zo kunnen ze tijd ervoor maken. We vroegen lokale experten ook of ze liever op een andere manier betrokken werden bij het Faseplan. 4 van hen zeggen van niet, één geeft aan het niet te weten en stelt: afstand tussen het 57

58 Faseplan en onze bevoegdheid (verantwoordelijkheid vergunningverlening) lijkt erg groot. Een andere manier van betrokkenheid zal daar momenteel weinig aan veranderen. Alle experten geven ook aan tevreden te zijn over de documentatie en de vragenlijst. Er wordt bij vermeld dat het zeer grondig werk betreft. Één expert stelt: ik had wel de indruk dat de informatie (iets te) snel bij elkaar gezet was (zonder dat dit de indruk gaf slordig te zijn). Op de vraag of er diep genoeg werd ingegaan op alle relevante aspecten, antwoorden 3 bovenlokale experts met ja. Twee andere experts geven hierbij opmerkingen: - Naar mijn mening mocht er iets meer diepgang gegeven worden, maar anderzijds is het uiteraard een afweging van diepgang en lengte van een document (en het vraagt toch enige tijd om de informatie door te nemen en te laten bezinken). - Neen. Er is niet genoeg ingegaan op het spectrum van mogelijke maatregelen. Het is voor mij duidelijk dat er een soort taboe heerst rond maatregelen op te leggen aan industrie en verkeer. Uiteraard is dit begrijpelijk, maar toch een lacune. Bij de lokale experten lezen we één opmerking: Het lijkt ons goed dat het gebeurd is, maar zonder concreet vervolgtraject lijkt de meerwaarde op termijn twijfelachtig. Aanpak Faseplan Experts vinden de algemene aanpak van het project Faseplan (de combinatie van een expertadvies en een maatschappelijk advies met stakeholders en buurtbewoners) een goede tot zeer goede manier van werken. Er wordt vooral gewezen op de noodzaak van de participatieve aanpak. Één lokale expert geeft hierbij wel de opmerking: oppassen voor sloganeske vertalingen van complexe en delicate materies. Één expert geeft ter afsluiting nog volgende opmerking: Wat mij opviel is dat er voor sommige polluenten relatief weinig milieu/voedingsgegevens voorhanden zijn. Één lokale expert meldt ons in een aparte mail nog: ik moet u feliciteren met de voorgestelde eindresultaten. Ze lijken mij heel adequaat gepresenteerd. 58

59 5. Maatschappelijk advies 5.1 klankbordgroep buurtbewoners Inleiding en methodologie Doelstelling Een eerste stap in de maatschappelijk advisering binnen het Faseplan was de organisatie van een focusgroep met buurtbewoners. In de klankbordgroep werd dieper ingegaan op de resultaten van het onderzoek. Er werd aandacht besteed aan de manier waarop buurtbewoners de resultaten hadden geïnterpreteerd, als bevoorrechte getuigen, en welke acties naar hun inschatting ondernomen zouden moeten worden in de regio. Hierbij werd gestart vanuit de vooraf gedefinieerde beleidsaanbevelingen (uit desk research en expertronde uit de vorige stap) en werd nagedacht over draagvlak en prioriteiten voor beleid, vanuit het perspectief van de buurtbewoners. De nadruk lag dus op de lokale wenselijkheid van de verschillende acties. Respons Voor de klankbordgroepen in beide hotspots werden in eerste instantie de deelnemers aan de HBMstudie en hun ouders per brief uitgenodigd. Daarnaast verschenen er ook oproepen voor andere geïnteresseerde buurtbewoners via gemeentelijke informatiekanalen en via secundaire scholen. De klankbordgroep in Menen vond plaats op 23 oktober 2012 met 13 aanwezigen, waarvan 3 jongeren en 10 volwassenen. Eén van de aanwezigen was een buurtbewoner die niet had deelgenomen aan de humane biomonitoring, de overige deelnemers waren wel betrokken bij de studie. Verder waren er 3 lokale observatoren aanwezig (de milieuambtenaar van Menen, de duurzaamheidsambtenaar van Wevelgem en de medisch milieukundige van LOGO Leieland) en 1 observator vanuit de opdrachtgevers (Vlaamse overheid, departement LNE). De klankbordgroep in Genk-Zuid vond plaats op 20 november 2012 met 8 aanwezigen, waarvan 1 jongere en 7 volwassenen. 7 aanwezigen waren als deelnemer betrokken bij de studie humane biomonitoring. Er waren 2 lokale observatoren aanwezig: de wijkmanager van de stad Genk en de medisch milieukundige van LOGO Limburg. Ook vanuit de opdrachtgever was er een observator aanwezig (Vlaamse overheid, VAZG). Beide klankbordgroepen werden georganiseerd en gemodereerd door de onderzoeksgroep Faseplan (Universiteit Antwerpen en VITO). Opzet en verloop Beide klankbordgroepen verliepen volgens dezelfde structuur. - Er werd gestart met een korte presentatie. Hierin werden de belangrijkste resultaten van de HBM-studie herhaald, en de beoordeling van die resultaten door experten samengevat. - Vervolgens volgde er een rondetafelgesprek bestaande uit drie tafelrondes. Tafelronde A en B focuste op algemene aandachtspunten voor beleid. Tafelronde C focuste op specifieke (type) acties. - Tot slot was er ruimte voor nabespreking. Aanwezigen konden tijdens de klankbordgroep vrijwillig en anoniem hun mening geven. Aanwezigen werd gevraagd om te spreken vanuit hun rol als buurtbewoner en/of betrokken ouder/jongere. Van de focusgesprekken werden, met toestemming van de deelnemers, audio-opnamen gemaakt. De adviezen werden in een apart verslag gebundeld (zie bijlage) en werden overgemaakt aan de Vlaamse overheid. De paragrafen hieronder geven de belangrijkste conclusies van de beide klankbordgroepen weer. 59

60 5.1.2 Klankbordgroep regio Menen In de klankbordgroep in Menen met 13 buurtbewoners werden op basis van expertbeoordelingen volgende beleidsprioriteiten voor een actieplan regio Menen geformuleerd: 1. BRONAANPAK. De centrale boodschap is dat de bronnen moeten worden aangepakt, met name de industrie, maar ook historische bodemverontreiniging. Acties dienen vooral in te zetten op strenge wetgeving en controles bij de vervuilers. Samenwerking met Frankrijk is hiervoor nodig (maar is niet makkelijk). Vooral de uitbreiding van de bestaande industriezone is voor de deelnemers een gevoelig punt. Er is al voldoende milieuoverlast, er zou net moeten gezorgd worden voor meer groen. Indien er toch industrie moet bijkomen, dan zou dit milieuvriendelijke industrie moeten zijn. De aanpak van particuliere bronnen zou geen focus moeten zijn van een actieplan voor de regio Menen. 2. INFORMATIEVERSPREIDING. Daarnaast moet er ook veel aandacht zijn voor het beter verspreiden van (bestaande) informatie. Ondanks verschillende onderzoeken en campagnes in de regio zijn veel mensen nog onvoldoende op de hoogte van de milieuproblemen. Drie thema s kunnen onderscheiden worden in de toelichting van de aanwezigen: - Vraag naar meer informatie en naar duidelijke/eerlijke communicatie over de milieu- en gezondheidsproblematiek. Men vindt het belangrijk dat buurtbewoners meer informatie krijgen over de milieuproblemen en vooral hoe zich daartegen te beschermen: wat zijn preventieve maatregelen?. Het gaat dus over een behoefte aan duidelijke tips die de mensen concreet moeten inlichten over het milieu. - Er blijkt vooral een gebrek aan informatie over de risico s van lokale voeding (en drinkwater). Een aanwezige vat het als volgt samen: Mag ik mijn eigen groenten nog eten of niet, is het aangeraden of niet, dat is het enige wat ik wil weten - In de informatieverspreiding moet ook aandacht zijn voor de buurgemeenten. Voedingsadviezen worden al jaren in Menen gecommuniceerd, maar niet in Wevelgem, aldus een aanwezige. 3. GEZONDHEIDSOPVOLGING. Ten slotte is er ook veel vraag naar gezondheidsopvolging, in eerste instantie een opvolging van de jongeren die hebben deelgenomen aan de studie, maar ook van de bredere bevolking. De deelnemers vragen zich af of de acties die de mensen zelf genomen hebben (vooral aanpassen voedingsgewoonten) effect hebben op de concentraties in het lichaam. Dezelfde klemtonen vinden we terug in de keuzes van de deelnemers omtrent algemene aandachtspunten voor beleid, met name: een overheid die haar verantwoordelijkheden neemt en die zorgt voor openbaarheid en transparantie van gegevens, een vervuiler die instaat voor oplossingen, en respect voor de natuur en aspecten van duurzaamheid. Acties die vragen om een gedragsverandering van mensen zelf worden eerder negatief beoordeeld indien deze niet gekoppeld worden aan een effectieve bronaanpak van andere grote vervuilingsbronnen. Bovenstaande conclusies werden gedestilleerd uit de bespreking in drie tafelronden waarvan de resultaten in volgende figuren kunnen worden samengevat (voor een uitgebreide bespreking van deze figuren, zie het verslag in bijlage). A. prioritering aandachtspunten voor regio Menen: stellingen De deelnemers kregen een individueel invulblad met 6 stellingen in verband met acties rond de milieuproblematiek in Menen. Er werd gevraagd individueel aan elk van deze stellingen een score toe te kennen tussen 1 en 6, met 1 = meest belangrijk en 6 = minst belangrijk. Tijdens de gespreksronde kregen deelnemers de gelegenheid hun individuele scores toe te lichten. 60

61 B. Prioritering aandachtspunten voor regio Menen: waarden De deelnemers kregen een individueel invulblad met 10 aandachtspunten (waarden) en een bijhorende stelling. Er werd gevraagd drie aandachtspunten aan te kruisen waaraan zij prioriteit toekennen. Er werd voor deze tafelronde niet opnieuw gevraagd de individuele scores toe te lichten. C. beoordeling acties voor regio Menen De deelnemers kregen een individueel blad waarop een matrix met acties stond afgedrukt (zie bijlage 7). De acties stonden gebundeld in 4 groepen (bronaanpak, gezondheidspreventie, onderzoek en opvolging, communicatie en overleg). Aan de deelnemers werd gevraagd individueel aan te kruisen welke 2 acties hun absolute voorkeur genieten (positieve beoordeling) en bij welke 2 acties men bedenkingen heeft (negatieve beoordeling). Dezelfde matrix was ook op posterformaat aanwezig in 61

62 industrie verkeer particulier lokale voeding levensstijl ruimtelijke ordening metingen verder onderzoek gezondheidsopvolging openheid en transparantie samenwerking aantal stemmen het lokaal. De deelnemers konden hun persoonlijke keuzes op deze matrix aanduiden aan de hand van groene stickers (positieve beoordeling) en rode stickers (negatieve beoordeling) positief negatief bronaanpak gezondheidspreventie onderzoek en opvolging communicatie en overleg Klankbordgroep Genk-Zuid In de klankbordgroep in Genk-Zuid met 8 buurtbewoners werden op basis van expertbeoordelingen volgende beleidsprioriteiten voor een actieplan Genk-Zuid geformuleerd: 1. BRONAANPAK. De centrale boodschap is dat de bronnen moeten aangepakt worden. Dat is altijd zoeken naar een balans met de economie. Er is wel het aanvoelen dat er genoeg mogelijkheden zijn langs de kant van de industrie. Deelnemers zien vooral prioritaire actie in het verstrengen van wetgeving rond milieuvergunningen voor individuele bedrijven, bijvoorbeeld door het opdrijven van verplichte emissiemetingen, alsook in het opleggen van milieunormen voor de gehele industriezone. Een belangrijke eerste stap is dat er signalen komen van goodwill vanuit de industrie, dat er erkend wordt dat er een probleem is. De overheid heeft een belangrijke rol als regelgever (strengere controles) en bemiddelaar. Er is weinig geloof in het succes van vrijwillige acties vanwege de industrie. 2. GEZONDHEIDSOPVOLGING. Deelnemers vinden ook de opvolging van de gezondheid een belangrijke actie, vooral om tijdstrends te detecteren en in functie van de tijd dat mensen in de buurt wonen. Concreet denken de deelnemers dat een gezondheidsopvolging best door huisartsen gebeurt. Er wordt ook gesuggereerd dat opvolging niet per definitie biomonitoring hoeft te zijn 3. INFORMATIEVERSTREKKING. Er is reeds veel (algemene) informatie beschikbaar voor buurtbewoners, zowel over milieu alsook over mogelijkheden om blootstelling zo veel mogelijk te vermijden. Wat men nog mist is informatie met praktische richtlijnen rond analyse van bodemstalen (in functie van telen in eigen moestuin) en bloedstalen (in functie van eigen gezondheidsopvolging). Minder prioritair zijn volgens deelnemers: 62

63 aantal stemmen 1. Acties die het probleem niet bij de bron aanpakken zoals BUFFERZONES, verhogen van industriële schouwen of het natsproeien van afvalbergen. 2. Acties rond VERKEER. Deze vragen een algemene Vlaamse oplossing en geen specifieke Genkse aanpak. Bovendien is er de inschatting dat verkeer niet het grootste probleem is in Genk-Zuid. 3. Acties t.a.v. PARTICULIEREN (m.b.t. levensstijl en voeding). Want algemene adviezen zijn goed gekend. Bovenstaande conclusies werden gedestilleerd uit de bespreking in drie tafelronden waarvan de resultaten in volgende figuren kunnen worden samengevat (voor een uitgebreide bespreking van deze figuren, zie het verslag in bijlage). A. prioritering aandachtspunten voor Genk-Zuid: stellingen De deelnemers kregen een individueel invulblad met 6 stellingen in verband met acties rond de milieuproblematiek in Genk-Zuid. Aan de deelnemers werd gevraagd individueel aan elk van deze stellingen een score toe te kennen tussen 1 en 6, met 1 = meest belangrijk en 6 = minst belangrijk. Tijdens de gespreksronde kregen deelnemers de gelegenheid om hun individuele scores toe te lichten meer overleg en afstemming tussen industrie en (lokale) overheid meer groen in regio en geen toename verkeer en industrie meer informatie voor buurtbewoners over problematiek Beter zicht krijgen op vervuilingsbronnen Prioritering Gezondheidsopvolging strengere controle op vervuilers B. prioritering aandachtspunten voor Genk-Zuid: waarden De deelnemers kregen een individueel invulblad met 10 aandachtspunten (waarden) en een bijhorende stelling die wat meer uitleg verschaft over het aandachtspunt. Aan de deelnemers werd gevraagd om individueel drie aandachtspunten aan te kruisen waaraan zij prioriteit toekennen. Er werd voor deze tafelronde niet opnieuw gevraagd de individuele scores toe te lichten. 63

64 industrie verkeer lokale voeding levensstijl ruimtelijke ordening metingen verder onderzoek gezondheidsopvolging openheid en transparantie samenwerking aantal stemmen aantal stemmen C. beoordeling acties voor Genk-Zuid De deelnemers kregen een individueel blad waarop een matrix met acties stond afgedrukt (zie bijlage 7). De acties stonden gebundeld in 4 groepen (bronaanpak, gezondheidspreventie, onderzoek en opvolging, communicatie en overleg). Aan de deelnemers werd gevraagd individueel aan te kruisen welke 2 acties hun absolute voorkeur genieten (positieve beoordeling) en bij welke 2 acties men bedenkingen heeft (negatieve beoordeling). Dezelfde matrix was ook op posterformaat aanwezig in het lokaal. De deelnemers konden hun persoonlijke keuzes op deze matrix aanduiden aan de hand van groene stickers (positieve beoordeling) en rode stickers (negatieve beoordeling) positief negatief bronaanpak gezondheidspreventie onderzoek en opvolging communicatie en overleg 64

65 5.1.4 Evaluatie Deelnemers aan de klankbordgroep die op de hoogte wensten te blijven van het Faseplan konden na afloop van het gesprek hun adres achterlaten. We ontvingen in totaal 12 adressen (van de 21 deelnemers): 8 uit Menen en 4 uit Genk-Zuid. Aan deze deelnemers werd het verslag van de vergadering bezorgd samen met een kort evaluatieformulier. 2 deelnemers bezorgden ons dit ingevuld terug (er werden geen herinneringen gestuurd). Hieronder de resultaten: 1. Wat vindt u van het initiatief van de klankbordgroep? De twee deelnemers geven allebei aan dat de klankbordgroep een heel goed initiatief was. Er wordt gemotiveerd: - Het heeft een goed gevoel te zien hoe anderen zicht inzetten om op een neutrale manier informatie te verzamelen en te verwerken. - Het is toch belangrijk dat er verder nog iets gebeurt en dat het niet enkel alleen met een onderzoek blijft. 2. Wat vond u in algemene zin van het verloop van de avond? Wat was uw ervaring? Hierop wordt 2 keer goed geantwoord, met motivatie: Algemeen goed. Alleen dat één iemand zijn papieren niet vond, kwam niet zo goed over in het begin. Iedereen was duidelijk toch goed voorbereid. 3. Hoe beoordeelt u volgende onderdelen? De praktische evaluatie van de klankbordgroep kan als volgt samengevat worden: 3.1 De samenstelling van de groep 3.2 De gepresenteerde informatie 3.3 De werkwijze (invulbladen met bespreking in groep) 3.4 De begeleiding Kruis aan: heel goed Goed xx Slecht heel slecht Motivatie: - Was blijkbaar vrij gevarieerd. - Het was goed,maar wel een beetje spijtig van de lage opkomst. Kruis aan: heel goed Goed Slecht heel slecht xx Motivatie: - Duidelijke samenvatting. Alleen moest scherm misschien iets meer in het midden staan. Kruis aan: heel goed Goed Slecht heel slecht xx Motivatie: - Beknopt uitgelegd.misschien zou het goed zijn hier eerst wat met de groep kunnen spreken om ook andere invalshoeken te horen vooraleer in te vullen. Kruis aan: heel goed Goed Slecht heel slecht x x Motivatie: - Prima begeleid.op beleefde manier soms deelnemers onderbroken zodat voorziene tijd gerespecteerd bleef. Achteraf nog aparte mogelijkheid om verder te praten. - Er was plaats voor ieder zijn mening en ervaringen. 4. Wat verwacht u van het actieplan dat de Vlaamse overheid zal opmaken op basis van het advies van experten en buurtbewoners? 65

66 De 2 deelnemers formuleerden volgende verwachtingen over het actieplan: - Ik hoop dat jullie harde inspanningen niet voor niets zijn. Meten is weten is een basisprincipe en ik denk dat het nu toch wel al lang duidelijk is waar bepaalde verontreiniging vandaan komt. Alleen betreur ik dat het nu al zolang is dat we aan het meten zijn maar dat bepaalde beslissingen (bv. Uitbreiden van industrie in Menen) helemaal niet in overeenstemming zijn met wat we nu al weten.menen was blijkbaar al een zwart punt in Belgie wat vervuiling betreft.ik hoop dus naast andere maatregelen die genomen kunnen worden,bv Galloo verplichten beter uitstoot te filteren of zelfs te overkappen, er toch zeker geen industrie meer bijkomt. - Ik hoop dat er iets gaat veranderen! Dat er werk wordt gemaakt van meer controle in de omgeving van de fabrieken! 5. Ruimte voor bijkomende opmerkingen en suggesties: Volgende opmerkingen werden ter afsluiting van de evaluatie gemaakt: - De wet van de privacy is er nu éénmaal maar op de infoavond denk ik niet dat de deelnemers er problemen van zouden maken toch tenminste onze voornamen bekend te maken. We zijn toch mensen en iedereen vind het wel leuk met zijn voornaam aangesproken te worden. De samenvatting van de avond vond ik goed. Alleen zou ik blijven opmerken (wat ook te lezen valt op samenvatting maar misschien niet echt naar boven kwam op de avond) dat het goed zou zijn een contactpunt te openen waar we terecht kunnen met persoonlijke vragen of verder onderzoek. Meten is weten maar met de resultaten moet je niet alleen op beleidsniveau maar zeker op persoonlijk niveau verder actie kunnen nemen. Zoveel professors,experten moeten toch wel nuttig advies kunnen verschaffen. Dit zou zelfs verder toedragen aan het onderzoek. Bepaalde behandelingen (medicatie,meer of minder eten van bepaalde zaken )zouden immers het bewijs kunnen verschaffen of iets positief of misschien helemaal niet werkt. Op de info-avond kwamen diverse meningen naar voren. Niettemin waren sommingen misschien wat verlegen om hun mening te uiten. Misschien ook deze mensen erbij proberen te betrekken. Sommige deelnemers uitten kritiek naar jullie en waren jullie soms een beetje de boeman. Ik denk dat het misschien goed is in het begin van de info-avond duidelijk te stellen dat jullie een wetenschappelijk onderzoek uitvoeren.dat politiek en geld nu éénmaal sterke actoren zijn,is een feit maar dat bepaalde beslissingen goed of slecht uitgevoerd worden is niet jullie schuld. Een gemeend dankuwel voor alle inspanningen die jullie doen. - Ik vind dat men grondanalyses zou moeten nemen bvb. In een straal van 5km. Er zijn nog heel wat groentetuintjes bij de buurtbewoners. 66

67 5.2 Lokale actoren: Eindadvisering Inleiding en methodologie Doelstelling De verzamelde input uit alle voorgaande stappen (desk research, expertronde, klankbordgroep) vormde de basis voor een finale vergadering van de lokale adviesgroep, met als doel een eindadvies te formuleren aan de Vlaamse overheid dat rekening houdt met de lokale context en (lokale) maatschappelijke belangen. Respons Het overleg in Genk-Zuid vond plaats op 27 november 2012 en werd bijgewoond door 21 lokale actoren (7 verontschuldigingen). In Menen vond het overleg plaats op 6 december met 18 lokale actoren (3 verontschuldigingen). Beide groepen waren zeer divers samengesteld met vertegenwoordigers van verschillende gemeentelijke diensten en besturen, huisartsen, milieuraad, actie- en bewonersgroepen, milieuverenigingen, (de aanwezigheidslijsten zijn te vinden in de verslagen in bijlage). Opzet en verloop De overlegmomenten namen een halve dag in beslag. Via individuele, parallelle en plenaire gespreksmethodieken werden onderwerpen besproken die de basis vormden voor een eindadvies aan de Vlaamse overheid. - Individueel: in een eerste stap konden aanwezigen individueel de wenselijkheid van een aantal vooraf gedefinieerde acties beoordelen. Ze selecteerden elk twee prioritaire acties die werden aangeduid op een groepstabel. - Parallel: De lijst met acties was opgedeeld in twee delen, een milieuspoor en een gezondheidsspoor. Deelnemers kiezen een spoor dat zij in een groepsgesprek verder willen uitwerken. o Opmaken fiches: in de twee parallelle sessies werd in overleg met de aanwezigen een selectie gemaakt van te bespreken acties (op basis van het aantal prioritaire stemmen op het groepsblad). Voor elk van die acties werd aan de hand van het groepsgesprek een fiche opgemaakt met volgende aspecten: Voordelen en nadelen van dit actiepunt Concretere voorstellen van acties onder dit algemeen geformuleerd actiepunt Doeltreffendheid en haalbaarheid (aan te duiden op een as) Welke actoren te betrekken bij dit actiepunt? o Kwaliteitscontrole fiches: daarna wisselden de twee groepen van tafel. Ze krijgen een samenvatting van de verschillende fiches en kunnen bezwaren, aanvullingen of suggesties formuleren. - Plenair: de ingevulde fiches van de twee groepen werden kort voorgesteld waarna er per actie een plenaire stemming was over de prioriteit. Aan de deelnemers werd gevraagd te spreken vanuit de rol van lokale actor: niet noodzakelijk in naam van de eigen organisatie, wel vanuit het maatschappelijke belang dat hij/zij vertegenwoordigt (bv. de milieubeweging, het bedrijfsleven, de lokale overheid, vanuit medisch standpunt, e.d.). De groepsgesprekken werden gemodereerd door het onderzoeksteam Faseplan. Per groep was er een verslaggever om de fiches in te vullen. Er werden audio-opnames gemaakt van de groepsgesprekken om te kunnen voorzien in een uitgebreid verslag. In dit verslag werden ook minderheidsstandpunten en onderwerpen waarover discussie bestond beschreven. Het verslag werd teruggekoppeld aan de aanwezigen alvorens het werd doorgegeven aan de Vlaamse overheid. 67

68 5.1.2 Lokale adviesgroep Genk-Zuid Op basis van een lijst met 20 acties, specifiek voor Genk-Zuid, konden de aanwezigen individueel aangeven welke acties zij wenselijk en/of prioritair vinden voor een actieplan Genk-Zuid. Onderstaande figuur rangschikt de 20 voorgestelde acties naar lokale wenselijkheid (achtergrondkleuren). De staafjes geven de prioriteiten weer (2 per actor). De joker-stickers staan boven de staafjes vermeld (1 per actor). 68

69 zeer wenselijk eerder wenselijk niet wenselijk prioriteit JOKER JOKER JOKER JOKER JOKER JOKER 4 3 JOKER JOKER JOKER 1 1 JOKER 0 69

VLAAMS HUMAANBIOMONITORINGSPROGRAMMA 2012-2015 ANALYSES INVLOED SOCIAAL-ECONOMISCHE STATUS EN ETNISCHE HERKOMST RAPPORT PASGEBORENEN

VLAAMS HUMAANBIOMONITORINGSPROGRAMMA 2012-2015 ANALYSES INVLOED SOCIAAL-ECONOMISCHE STATUS EN ETNISCHE HERKOMST RAPPORT PASGEBORENEN VLAAMS HUMAANBIOMONITORINGSPROGRAMMA 2012-2015 ANALYSES INVLOED SOCIAAL-ECONOMISCHE STATUS EN ETNISCHE HERKOMST RAPPORT PASGEBORENEN Ann Colles, Bert Morrens, Liesbeth Bruckers, Greet Schoeters en Ilse

Nadere informatie

Humane biomonitoring Genk-Zuid

Humane biomonitoring Genk-Zuid Humane biomonitoring Genk-Zuid Steunpunt Milieu en Gezondheid Infomoment stadsschouwburg Genk 29 september 2011 www.milieu-en-gezondheid.be 1 Situering studie Team: steunpunt Milieu en Gezondheid in opdracht

Nadere informatie

Evaluatie National Contact Point-werking van het Vlaams Contactpunt Kaderprogramma

Evaluatie National Contact Point-werking van het Vlaams Contactpunt Kaderprogramma Evaluatie National Contact Point-werking van het Vlaams Contactpunt Kaderprogramma Departement Economie, Wetenschap en Innovatie Afdeling Strategie en Coördinatie Koning Albert II-laan 35 bus 10 1030 Brussel

Nadere informatie

DE HEER KRIS PEETERS ACTIEPLAN CADMIUM

DE HEER KRIS PEETERS ACTIEPLAN CADMIUM DE HEER KRIS PEETERS Vlaams Minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur ACTIEPLAN CADMIUM Maandag 13 februari 2006 Doelstelling: - probleem cadmiumverontreining Vlaanderen in kaart brengen

Nadere informatie

Blootstellingsonderzoek Noorderkempen BONK

Blootstellingsonderzoek Noorderkempen BONK Resultaten Blootstellingsonderzoek Noorderkempen BONK - 18 juni 2006 - Cadmiumbesmetting is groter dan gedacht (HBvL)? Cadmiumbelasting is duidelijk gedaald dus niet groter Een hogere belasting wordt ook

Nadere informatie

Humane biomonitoring Genk-Zuid

Humane biomonitoring Genk-Zuid Humane biomonitoring Genk-Zuid Steunpunt Milieu en Gezondheid www.milieu-en-gezondheid.be Situering studie Onderzoeksteam: steunpunt Milieu en Gezondheid: consortium i.o.v. Vlaamse overheid Onderzoeksopzet:

Nadere informatie

Vlaanderen. is samenwerking COMPLEXE PROJECTEN. Een nieuwe procesaanpak. www.complexeprojecten.be

Vlaanderen. is samenwerking COMPLEXE PROJECTEN. Een nieuwe procesaanpak. www.complexeprojecten.be Vlaanderen is samenwerking COMPLEXE PROJECTEN Een nieuwe procesaanpak www.complexeprojecten.be U heeft het als bestuur of als private initiatiefnemer wellicht reeds meegemaakt. De opstart en uitvoering

Nadere informatie

De vragenlijst van de openbare raadpleging

De vragenlijst van de openbare raadpleging SAMENVATTING De vragenlijst van de openbare raadpleging Tussen april en juli 2015 heeft de Europese Commissie een openbare raadpleging gehouden over de vogel- en de habitatrichtlijn. Deze raadpleging maakte

Nadere informatie

Projectoproep Kankerplan Actie 24 : Wetenschappelijke analyse in de onco-geriatrie

Projectoproep Kankerplan Actie 24 : Wetenschappelijke analyse in de onco-geriatrie B Projectoproep Kankerplan Actie 24 : Wetenschappelijke analyse in de onco-geriatrie Inleiding Deze projectoproep kadert binnen de verderzetting van Actie 24 van het Kankerplan: Steun aan pilootprojecten

Nadere informatie

Het Dream-project wordt sinds 2002 op ad-hoc basis gesubsidieerd.

Het Dream-project wordt sinds 2002 op ad-hoc basis gesubsidieerd. Naam evaluatie Volledige naam Aanleiding evaluatie DREAM-project Evaluatie DREAM-project De Vlaamse overheid ondersteunt een aantal initiatieven ter bevordering van het ondernemerschap en de ondernemerszin.

Nadere informatie

Niewsbrief nr. 3 / November 2014 Januari 2015

Niewsbrief nr. 3 / November 2014 Januari 2015 Niewsbrief nr. 3 / November 2014 Januari 2015 1. Inleiding De laatste maanden is er hard gewerkt aan enkele SEFIRA werkpakketten. Onder de leiding van de universiteit van Urbino werd een theoretisch en

Nadere informatie

FUNCTIEFAMILIE 1.3 Technisch specialist

FUNCTIEFAMILIE 1.3 Technisch specialist FUNCTIEFAMILIE 1.3 Technisch specialist Doel van de functiefamilie Vanuit de eigen technische specialisatie voorbereiden en opmaken van plannen, ontwerpen of studies en de uitvoering ervan opvolgen specialistische

Nadere informatie

Projectoproep Kankerplan Actie 21/22 : Innovatieve benaderingen in de psychosociale steun

Projectoproep Kankerplan Actie 21/22 : Innovatieve benaderingen in de psychosociale steun C Projectoproep Kankerplan Actie 21/22 : Innovatieve benaderingen in de psychosociale steun Inleiding Deze projectoproep kadert binnen de verderzetting van Actie 21/22 van het Kankerplan: Psychosociale

Nadere informatie

Hoofdstuk 2: Kritisch reflecteren 2.1. Kritisch reflecteren: definitie Definitie: Kritisch reflecteren verwijst naar een geheel van activiteiten die

Hoofdstuk 2: Kritisch reflecteren 2.1. Kritisch reflecteren: definitie Definitie: Kritisch reflecteren verwijst naar een geheel van activiteiten die Hoofdstuk 2: Kritisch reflecteren 2.1. Kritisch reflecteren: definitie Definitie: Kritisch reflecteren verwijst naar een geheel van activiteiten die worden uitgevoerd om uit het gevonden bronnenmateriaal

Nadere informatie

ZELFEVALUATIE VAN DE THEMA S HOOG RISICO MEDICATIE IDENTITOVIGILANTIE

ZELFEVALUATIE VAN DE THEMA S HOOG RISICO MEDICATIE IDENTITOVIGILANTIE COÖRDINATIE KWALITEIT EN PATIËNTVEILIGHEID TWEEDE MEERJARENPLAN 2013-2017 Contract 2013 ZELFEVALUATIE VAN DE THEMA S HOOG RISICO MEDICATIE IDENTITOVIGILANTIE Sp-ziekenhuizen 1 1. Inleiding Hierna volgt

Nadere informatie

Samenvatting. Samenvatting 8. * COgnitive Functions And Mobiles; in dit advies aangeduid als het TNO-onderzoek.

Samenvatting. Samenvatting 8. * COgnitive Functions And Mobiles; in dit advies aangeduid als het TNO-onderzoek. Samenvatting In september 2003 publiceerde TNO de resultaten van een onderzoek naar de effecten op het welbevinden en op cognitieve functies van blootstelling van proefpersonen onder gecontroleerde omstandigheden

Nadere informatie

Belgisch Biodiversiteits Platforum

Belgisch Biodiversiteits Platforum Belgisch Biodiversiteits Platforum Sonia Vanderhoeven Etienne Branquart [HET HARMONIA INFORMATIESYSTEEM EN HET ISEIA PROTOCOL] Verklarend document voor het Life + Project AlterIAS Oktober 2010 Algemene

Nadere informatie

Faseplan generiek thema (referentiebiomonitoring) van humane biomonitoringresultaten naar beleidsacties

Faseplan generiek thema (referentiebiomonitoring) van humane biomonitoringresultaten naar beleidsacties Faseplan generiek thema (referentiebiomonitoring) van humane biomonitoringresultaten naar beleidsacties Eindrapport generieke thema genotoxiciteit en PAK sblootstelling Onderzoeksteam Faseplan Ann Colles,

Nadere informatie

De doelstellingen van directie en personeel worden expliciet omschreven in een beleidsplan en worden jaarlijks beoordeeld door de directie.

De doelstellingen van directie en personeel worden expliciet omschreven in een beleidsplan en worden jaarlijks beoordeeld door de directie. FUNCTIE: Directeur POC AFKORTING: DIR AFDELING: Management 1. DOELSTELLINGEN INSTELLING De doelstellingen staan omschreven in het beleidsplan POC. Vermits de directie de eindverantwoordelijkheid heeft

Nadere informatie

Nederlandse Samenvatting

Nederlandse Samenvatting Nederlandse Samenvatting Samenvatting (Summary in Dutch) Achtergrond Het millenniumdoel (2000-2015) Education for All (EFA, onderwijs voor alle kinderen) heeft in ontwikkelingslanden veel losgemaakt. Het

Nadere informatie

Onderzoeksplan Gentse Kanaalzone

Onderzoeksplan Gentse Kanaalzone Onderzoeksplan Gentse Kanaalzone Steunpunt Milieu en Gezondheid 2012-2015 Inhoud Factsheet: Humane Biomonitoring Gentse Kanaalzone 2 Onderzoeksvragen 3 Doelgroep 4 Onderzoeksgebied 4 Biomerkerselectie

Nadere informatie

SYNTHESERAPPORT EVALUATIE WETENSCHAPPELIJKE OLYMPIADES SAMENVATTING

SYNTHESERAPPORT EVALUATIE WETENSCHAPPELIJKE OLYMPIADES SAMENVATTING SYNTHESERAPPORT EVALUATIE WETENSCHAPPELIJKE OLYMPIADES SAMENVATTING Studiedienst en Prospectief Beleid 1 Departement Economie, Wetenschap en Innovatie Vlaamse Overheid Koning Albert II-laan 35 bus 10 1030

Nadere informatie

S A U S R R A O E. Naar lagere lokale emissies in de stadsregio Arnhem Nijmegen

S A U S R R A O E. Naar lagere lokale emissies in de stadsregio Arnhem Nijmegen S R L G S A H R R U T Y O U A E E D R A F O R A S Naar lagere lokale emissies in de stadsregio Arnhem Nijmegen Eolus Naar lagere lokale emissies in de stadsregio Arnhem Nijmegen Het programma Eolus beantwoordt

Nadere informatie

www.besafe.be Bergen Project Welzijn op school

www.besafe.be Bergen Project Welzijn op school www.besafe.be Bergen Project Welzijn op school Bergen Project Welzijn op school FOD Binnenlandse Zaken Algemene Directie Veiligheid en Preventie Directie Lokale Integrale Veiligheid 2014 Bergen Project

Nadere informatie

STUDIEDAG. Projectmatig werken in lokale overheden LEUVEN 27 oktober 2011

STUDIEDAG. Projectmatig werken in lokale overheden LEUVEN 27 oktober 2011 STUDIEDAG Projectmatig werken in lokale overheden LEUVEN 27 oktober 2011 Introductie "Projectmatig werken is teamwork... maar vanuit andere samenwerkingsvormen dan we vaak gewoon zijn in de reguliere werking.

Nadere informatie

Brussel, 8 juli 2009 07082009_SERV-advies projecten VSDO. Advies. Projecten Vlaamse strategie duurzame ontwikkeling

Brussel, 8 juli 2009 07082009_SERV-advies projecten VSDO. Advies. Projecten Vlaamse strategie duurzame ontwikkeling Brussel, 8 juli 2009 07082009_SERV-advies projecten VSDO Advies Projecten Vlaamse strategie duurzame ontwikkeling 1. Inleiding Op 8 juni 2009 werd de SERV om advies gevraagd over de fiches ter invulling

Nadere informatie

Onderzoek Verplaatsingsgedrag Vlaanderen 4.3 (2010-2011)

Onderzoek Verplaatsingsgedrag Vlaanderen 4.3 (2010-2011) Onderzoek Verplaatsingsgedrag Vlaanderen 4.3 (2010-2011) Verkeerskundige interpretatie van de belangrijkste tabellen (Analyserapport) D. Janssens, S. Reumers, K. Declercq, G. Wets Contact: Prof. dr. Davy

Nadere informatie

Milieu en Gezondheid in Genk-Zuid. Dirk Wildemeersch Vlaamse Gezondheidsinspectie

Milieu en Gezondheid in Genk-Zuid. Dirk Wildemeersch Vlaamse Gezondheidsinspectie Milieu en Gezondheid in Genk-Zuid Dirk Wildemeersch Vlaamse Gezondheidsinspectie Inhoud Probleemstelling Giftigheid Algemeen Specifiek voor de verhoogd gemeten stoffen Richtwaarden en normen versus Genk

Nadere informatie

Methoden van het Wetenschappelijk Onderzoek: Deel II Vertaling pagina 83 97

Methoden van het Wetenschappelijk Onderzoek: Deel II Vertaling pagina 83 97 Wanneer gebruiken we kwalitatieve interviews? Kwalitatief interview = mogelijke methode om gegevens te verzamelen voor een reeks soorten van kwalitatief onderzoek Kwalitatief interview versus natuurlijk

Nadere informatie

BEVORDERING VAN DE COMMUNICATIE TUSSEN ZORGVERLENERS BETROKKEN BIJ DE ZORG VOOR OUDERE AFHANKELIJKE PERSONEN EINDRAPPORT - PERIODE : 2007

BEVORDERING VAN DE COMMUNICATIE TUSSEN ZORGVERLENERS BETROKKEN BIJ DE ZORG VOOR OUDERE AFHANKELIJKE PERSONEN EINDRAPPORT - PERIODE : 2007 BEVORDERING VAN DE COMMUNICATIE TUSSEN ZORGVERLENERS BETROKKEN BIJ DE ZORG VOOR OUDERE AFHANKELIJKE PERSONEN EINDRAPPORT - PERIODE : 2007 COORDINATEN VAN DE GDT : GDT van de regio: oostende Adres :Hospitaalstraat

Nadere informatie

Actie ter ondersteuning van de federale beleidsnota drugs

Actie ter ondersteuning van de federale beleidsnota drugs FEDERAAL WETENSCHAPSBELEID Wetenschapsstraat 8 B-1000 BRUSSEL Tel. 02 238 34 11 Fax 02 230 59 12 www.belspo.be Actie ter ondersteuning van de federale beleidsnota drugs Projectformulier ten behoeve van

Nadere informatie

1 Doe jij ook mee?! Team in beweging - Nu beslissen Steunpunt Diversiteit & Leren

1 Doe jij ook mee?! Team in beweging - Nu beslissen Steunpunt Diversiteit & Leren Nu beslissen De motieven om te starten met leerlingenparticipatie kunnen zeer uiteenlopend zijn, alsook de wijze waarop je dit in de klas of de school invoert. Ondanks de bereidheid, de openheid en de

Nadere informatie

1. Bepalen van de prioriteiten

1. Bepalen van de prioriteiten 1 1. Bepalen van de prioriteiten Bij het bepalen van prioriteiten heeft men aandacht voor: bevestigen en borgen van wat goed gebleken is (= behoud-punten); verbetering van de vastgestelde werkpunten (=

Nadere informatie

Milieu en Gezondheid - Dialoog over wetenschap en beleid

Milieu en Gezondheid - Dialoog over wetenschap en beleid > Steunpunt Milieu en Gezondheid > Biomonitor, nieuwsbrief Milieu en Gezondheid Milieu en Gezondheid - Dialoog over wetenschap en beleid In oktober 2004 hebben onderzoekers van de Universiteit Antwerpen

Nadere informatie

Functiebeschrijving: Directeur audit

Functiebeschrijving: Directeur audit Functiebeschrijving: Directeur audit Functiefamilie Controle en audit functies Voor akkoord Naam leidinggevende Datum + handtekening Naam functiehouder Datum + Handtekening 1. Context van de functie 1.1.

Nadere informatie

BEVORDERING VAN DE COMMUNICATIE TUSSEN ZORGVERLENERS BETROKKEN BIJ DE ZORG VOOR OUDERE AFHANKELIJKE PERSONEN

BEVORDERING VAN DE COMMUNICATIE TUSSEN ZORGVERLENERS BETROKKEN BIJ DE ZORG VOOR OUDERE AFHANKELIJKE PERSONEN BEVORDERING VAN DE COMMUNICATIE TUSSEN ZORGVERLENERS BETROKKEN BIJ DE ZORG VOOR OUDERE AFHANKELIJKE PERSONEN EINDRAPPORT - PERIODE : 01 JANUARI 2006 TOT 31 OKTOBER 2006 - COORDINATEN VAN DE GDT : GDT van

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting

Nederlandse samenvatting Nederlandse samenvatting De levensverwachting van mensen met een ernstige psychiatrische aandoening (EPA) is gemiddeld 13-30 jaar korter dan die van de algemene bevolking. Onnatuurlijke doodsoorzaken zoals

Nadere informatie

Bouwstenen om te komen tot een coherent en efficiënt adaptatieplan voor Vlaanderen

Bouwstenen om te komen tot een coherent en efficiënt adaptatieplan voor Vlaanderen 2. BOUWSTENEN VOOR EEN ADAPTATIEPLAN Deze bouwstenen zijn gericht op de uitwerking van een adaptatieplan vanuit een Vlaams beleidsdepartement of beleidsveld. Het globale proces kan eveneens door een ander

Nadere informatie

Renovatiepact. Werkgroep communicatie. Startvergadering 12 februari 2015, Brussel

Renovatiepact. Werkgroep communicatie. Startvergadering 12 februari 2015, Brussel Renovatiepact Werkgroep communicatie Startvergadering 12 februari 2015, Brussel Het Vlaamse regeerakkoord 2014-2019 Vlaanderen maakt van energie-efficiëntie een topprioriteit door o.a. gebouwen en bedrijven

Nadere informatie

NEDERLANDSE SAMENVATTING

NEDERLANDSE SAMENVATTING NEDERLANDSE SAMENVATTING Samenvatting NEDERLANDSE SAMENVATTING In de gezondheidszorg is decubitus nog steeds een veel voorkomend zorgprobleem. Decubitus betekent voor de patiënt pijn en overlast en kan

Nadere informatie

Observatorium voor Gezondheid en Welzijn OPERATIONEEL PLAN 2011-2014

Observatorium voor Gezondheid en Welzijn OPERATIONEEL PLAN 2011-2014 Observatorium voor Gezondheid en Welzijn OPERATIONEEL PLAN 2011-2014 1. OPDRACHTEN VAN HET OBSERVATORIUM VOOR GEZONDHEID EN WELZIJN 1.1 Wettelijke basis De opdrachten van het Observatorium staan opgesomd

Nadere informatie

Planning spuitenruil Provincie West-Vlaanderen 2013

Planning spuitenruil Provincie West-Vlaanderen 2013 Planning spuitenruil Provincie West-Vlaanderen 2013 Art. 4. 1. De algemene doelstelling van dit convenant is een bijdrage te leveren aan het preventieve gezondheidsbeleid op het gebied van middelengebruik,

Nadere informatie

Strategische planning Workbook

Strategische planning Workbook Strategische planning Workbook Dr. Sebastian Desmidt 2 Inhoudstafel Opstellen strategisch businessplan: het 10 stappenplan... 4 STAP 0: Analyse van de organisatiestrategie... 5 STAP 1: Probleemanalyse

Nadere informatie

Hoe komen de annual air quality kaarten tot stand?

Hoe komen de annual air quality kaarten tot stand? Hoe komen de annual air quality kaarten tot stand? De annual air quality kaarten tonen het resultaat van een koppeling van twee gegevensbronnen: de interpolatie van luchtkwaliteitsmetingen (RIO-interpolatiemodel)

Nadere informatie

PSYCHOSOCIALE ASPECTEN

PSYCHOSOCIALE ASPECTEN PSYCHOSOCIALE ASPECTEN Welke lessen kunnen we trekken uit de evaluatie van de pestwet? Sofie D Ours, Preventieadviseur Psychosociale IDEWE 20 september 2011 Kursaal Oostende PreBes vzw Diestersteenweg

Nadere informatie

Preventie van Psychosociale Risico s op de Werkvloer. Wet, Wat en Hoe? Bart Vriesacker Psychosociaal departement

Preventie van Psychosociale Risico s op de Werkvloer. Wet, Wat en Hoe? Bart Vriesacker Psychosociaal departement Preventie van Psychosociale Risico s op de Werkvloer Wet, Wat en Hoe? Bart Vriesacker Psychosociaal departement Inhoudsopgave Psychosociale risico s? De nieuwe wetgeving De psychosociale risicoanalyse

Nadere informatie

VLAAMS HUMAAN BIOMONITORINGS- PROGRAMMA

VLAAMS HUMAAN BIOMONITORINGS- PROGRAMMA VLAAMS HUMAAN BIOMONITORINGS- PROGRAMMA GROEPSRESULTATEN Vlaamse referentiepopulatie 2007-2011 Het Steunpunt Milieu en Gezondheid onderzocht in opdracht van de Vlaamse overheid de aanwezigheid van vervuilende

Nadere informatie

Stappenplan nieuwe Dorpsschool

Stappenplan nieuwe Dorpsschool Stappenplan nieuwe Dorpsschool 10 juni 2014 1 Inleiding Het college van burgemeester en wethouders heeft op 10 juni 2014 dit stappenplan vastgesteld waarin op hoofdlijnen is weergegeven op welke wijze

Nadere informatie

Het staal en deze vragenlijst zullen volgens afspraak, later bij u thuis opgehaald worden.

Het staal en deze vragenlijst zullen volgens afspraak, later bij u thuis opgehaald worden. Toestemmingsformulier tot deelname aan het onderzoek naar persistente organische stoffen (POPs) in moedermelk gecoördineerd door de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) Studie uitgevoerd in samenwerking

Nadere informatie

(Na)zorg bewust meten

(Na)zorg bewust meten 26 Het volgen van uitbehandelde patiënten levert waardevolle inzichten op (Na)zorg bewust meten Tekst: Simone Fens, Ellis van Duist, Marjon Woudstra Qualizorg en MTCZorg zijn twee jaar geleden een initiatief

Nadere informatie

10/05/2012. Project evalueren studenten in het UZA. Hoe is dit gegroeid?? Wat is de achtergrond en het doel van evalueren

10/05/2012. Project evalueren studenten in het UZA. Hoe is dit gegroeid?? Wat is de achtergrond en het doel van evalueren Project evalueren studenten in het UZA Nancy Van Genechten Katrien Van den Sande Yvonne Gilissen Werkgroep mentoren en Hogescholen Hoe is dit gegroeid?? Mentorendag 2010 Hoe verder na vraag Mentoren hadden

Nadere informatie

Steunpunt duwobo. provincie West-Vlaanderen: voorstelling

Steunpunt duwobo. provincie West-Vlaanderen: voorstelling Steunpunt duwobo provincie West-Vlaanderen: voorstelling Wat is het steunpunt duwobo? Steunpunt duurzaam wonen en bouwen Gegroeid vanuit de transitiearena duurzaam wonen en bouwen (Vlaams platform) Naar

Nadere informatie

GOEDE PRAKTIJK/BONNE PRATIQUE Het voorbereiden, uitvoeren en opvolgen van een personeelstevredenheidsonderzoek op basis van het CAF.

GOEDE PRAKTIJK/BONNE PRATIQUE Het voorbereiden, uitvoeren en opvolgen van een personeelstevredenheidsonderzoek op basis van het CAF. GOEDE PRAKTIJK/BONNE PRATIQUE Het voorbereiden, uitvoeren en opvolgen van een personeelstevredenheidsonderzoek op basis van het CAF. Albert De Smet Adelbrecht Haenebalcke Agenda korte voorstelling van

Nadere informatie

Aan de commissie: Algemeen bestuur en middelen Datum vergadering: 22 maart 2007 Agendapunt: Aan de Raad. Made, 13 februari 2007

Aan de commissie: Algemeen bestuur en middelen Datum vergadering: 22 maart 2007 Agendapunt: Aan de Raad. Made, 13 februari 2007 Aan de Raad Made, 13 februari 2007 Aan de commissie: Algemeen bestuur en middelen Datum vergadering: 22 maart 2007 Agendapunt: Raadsvergadering: 12 april 2007 Onderwerp: Diagnose Integrale Veiligheid gemeente

Nadere informatie

RESULTATEN ENQUÊTE OVER OVERLEG APOTHEKERS-HUISARTSEN

RESULTATEN ENQUÊTE OVER OVERLEG APOTHEKERS-HUISARTSEN RESULTATEN ENQUÊTE OVER OVERLEG APOTHEKERS-HUISARTSEN Om na te gaan in welke mate de huisartsen en apothekers uit dezelfde wijk contact hebben en met elkaar overleggen, verstuurden de Apothekers van Brussel

Nadere informatie

Energiemanagement actieplan. Baggerbedrijf West Friesland

Energiemanagement actieplan. Baggerbedrijf West Friesland Baggerbedrijf West Friesland Gebruikte handelsnamen: Baggerbedrijf West Friesland Grond & Cultuurtechniek West Friesland Andijk, februari-mei 2014 Auteurs: M. Komen C. Kiewiet Geaccordeerd door: K. Kiewiet

Nadere informatie

BEKNOPTE PROJECTMANAGEMENTFICHE VOOR TWEEDE FASE RENOVATIEPACT

BEKNOPTE PROJECTMANAGEMENTFICHE VOOR TWEEDE FASE RENOVATIEPACT Werf 3 (deeltaak 1): Renovatieadvies voor de (nieuwe) woningeigenaar Inhoud van het renovatieadvies vastleggen: o Omschrijving van de inhoudelijke elementen die in het renovatieadvies aan bod moeten komen,

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting

Nederlandse samenvatting Nederlandse samenvatting 119 120 Samenvatting 121 Inleiding Vermoeidheid is een veel voorkomende klacht bij de ziekte sarcoïdose en is geassocieerd met een verminderde kwaliteit van leven. In de literatuur

Nadere informatie

Voorstelnota Steunpunt GOK begeleiding en onderzoek Brusselse proefprojecten Brede School. 25 augustus 2006

Voorstelnota Steunpunt GOK begeleiding en onderzoek Brusselse proefprojecten Brede School. 25 augustus 2006 BIJLAGE Bijlage nr. 2 Voorstelnota Steunpunt GOK begeleiding en onderzoek Brusselse proefprojecten Brede School BRREEDDEE SCCHOOLL BEGELEIDING EN ONDERZOEK BRUSSELSE PROEFPROJECTEN 25 augustus 2006 1.

Nadere informatie

Energie management Actieplan

Energie management Actieplan Energie management Actieplan Conform niveau 3 op de CO 2 -prestatieladder 2.2 Auteur: Mariëlle de Gans - Hekman Datum: 30 september 2015 Versie: 1.0 Status: Concept Inhoudsopgave 1 Inleiding... 2 2 Doelstellingen...

Nadere informatie

Startnotitie Visie winkelcentra Heemstede (eerste fase)

Startnotitie Visie winkelcentra Heemstede (eerste fase) Startnotitie Visie winkelcentra Heemstede (eerste fase) 1. Inleiding In het collegeakkoord voor de periode 2014-2018 is als één van de doelstellingen geformuleerd: Het college zet zich in voor een florerende

Nadere informatie

TOESPRAAK VAN HILDE CREVITS VLAAMS MINISTER VAN OPENBARE WERKEN, ENERGIE, LEEFMILIEU EN NATUUR 24 januari 2008

TOESPRAAK VAN HILDE CREVITS VLAAMS MINISTER VAN OPENBARE WERKEN, ENERGIE, LEEFMILIEU EN NATUUR 24 januari 2008 TOESPRAAK VAN HILDE CREVITS VLAAMS MINISTER VAN OPENBARE WERKEN, ENERGIE, LEEFMILIEU EN NATUUR 24 januari 2008 Studievoormiddag Doelgroepen en milieubeleid: focus op prioritaire sectoren van industrie

Nadere informatie

Rapport 04. Huizen van het Kind als nieuw model voor preventieve gezinsondersteuning: lessen uit pilootprojecten. Samenvatting.

Rapport 04. Huizen van het Kind als nieuw model voor preventieve gezinsondersteuning: lessen uit pilootprojecten. Samenvatting. Steunpunt WVG Kapucijnenvoer 39 B-3000 Leuven +32 16 33 70 70 www.steunpuntwvg.be swvg@med.kuleuven.be Rapport 04 Huizen van het Kind als nieuw model voor preventieve gezinsondersteuning: lessen uit pilootprojecten

Nadere informatie

Energiemanagement actieplan

Energiemanagement actieplan Energiemanagement actieplan Vandervalk+degroot-groep Waalwijk, 15 oktober 2013 Auteur(s): Arend-Jan Costermans Ed den Breejen Antoine Steentjes Joni Ann Hardenberg Geaccordeerd door: Leo van der Valk Algemeen

Nadere informatie

Inhoud. 1. Het wat en hoe van een beleidsplan 2. De voorbereidingen voor het schrijven van een beleidsplan 3. Het opstellen van een beleidsplan

Inhoud. 1. Het wat en hoe van een beleidsplan 2. De voorbereidingen voor het schrijven van een beleidsplan 3. Het opstellen van een beleidsplan Verwachtingen? Inhoud 1. Het wat en hoe van een beleidsplan 2. De voorbereidingen voor het schrijven van een beleidsplan 3. Het opstellen van een beleidsplan Goed om weten Niet elke club kan / wil evenveel

Nadere informatie

Opzetten medewerker tevredenheid onderzoek

Opzetten medewerker tevredenheid onderzoek Opzetten medewerker tevredenheid onderzoek E: info@malvee.com T: +31 (0)76 7002012 Het opzetten en uitvoeren van een medewerker tevredenheid onderzoek is relatief eenvoudig zolang de te nemen stappen bekend

Nadere informatie

Krijtlijnen communicatiestrategie betreffende evaluaties/evaluatierapporten Afdeling Strategie en Coördinatie

Krijtlijnen communicatiestrategie betreffende evaluaties/evaluatierapporten Afdeling Strategie en Coördinatie Krijtlijnen communicatiestrategie betreffende evaluaties/evaluatierapporten Afdeling Strategie en Coördinatie 1. Inleiding Een meer gestructureerde aanpak van de beleidsevaluatie betreffende het beleidsdomein

Nadere informatie

waardoor een beroerte kan worden gezien als een chronische aandoening.

waardoor een beroerte kan worden gezien als een chronische aandoening. amenvatting Elk jaar krijgen in Nederland zo n 45.000 mensen een beroerte, ook wel CVA (Cerebro Vasculair Accident) genoemd. Ongeveer 60% van hen keert na opname in het ziekenhuis of revalidatiecentrum

Nadere informatie

Formulier voor het beoordelen van de kwaliteit van een systematische review. Behorend bij: Evidence-based logopedie, hoofdstuk 2

Formulier voor het beoordelen van de kwaliteit van een systematische review. Behorend bij: Evidence-based logopedie, hoofdstuk 2 Formulier voor het beoordelen van de kwaliteit van een systematische review Behorend bij: Evidence-based logopedie, hoofdstuk 2 Toelichting bij de criteria voor het beoordelen van de kwaliteit van een

Nadere informatie

CO 2 managementplan. Jan Knijnenburg B.V. Auteur: Adviseur MVO Consultants. Versie: 1.0. Handtekening autoriserend verantwoordelijk manager

CO 2 managementplan. Jan Knijnenburg B.V. Auteur: Adviseur MVO Consultants. Versie: 1.0. Handtekening autoriserend verantwoordelijk manager CO 2 managementplan Jan Knijnenburg B.V. Auteur: Adviseur MVO Consultants Versie: 1.0 Datum: xx-xx-2015 Handtekening autoriserend verantwoordelijk manager Authorisatiedatum: Naam:.. Inhoud 1 Inleiding...

Nadere informatie

Doelstelling BOV Meer bewegen op maat van de deelnemer Bewegen als continuüm Gezondheidswinst op fysiek, mentaal en sociaal vlak

Doelstelling BOV Meer bewegen op maat van de deelnemer Bewegen als continuüm Gezondheidswinst op fysiek, mentaal en sociaal vlak LL Doelstelling BOV Meer bewegen op maat van de deelnemer Bewegen als continuüm Gezondheidswinst op fysiek, mentaal en sociaal vlak Doelgroep Doelgroep: volwassenen met een verhoogd beïnvloedbaar gezondheidsrisico

Nadere informatie

DIENSTHOOFD. Netinfradiensten Domeindiensten/Technische diensten Asse, Brugge, Gent, Ronse

DIENSTHOOFD. Netinfradiensten Domeindiensten/Technische diensten Asse, Brugge, Gent, Ronse 1/7 1. SITUERING VAN DE FUNCTIE Operationele entiteit Standplaats Dienstchef Weddenschaal Netinfradiensten Domeindiensten/Technische diensten Asse, Brugge, Gent, Ronse A4a - A4b (of indien van toepassing

Nadere informatie

Evaluatie DREAM-project. Studiedienst en Prospectief Beleid Departement Economie, Wetenschap en Innovatie

Evaluatie DREAM-project. Studiedienst en Prospectief Beleid Departement Economie, Wetenschap en Innovatie Evaluatie DREAM-project Studiedienst en Prospectief Beleid Departement Economie, Wetenschap en Innovatie 1. Aanleiding van de evaluatie Aan het departement Economie, Wetenschap en Innovatie is n.a.v. het

Nadere informatie

VLAAMSE RAAD VOOR WETENSCHAPSBELEID

VLAAMSE RAAD VOOR WETENSCHAPSBELEID VLAAMSE RAAD VOOR WETENSCHAPSBELEID ADVIES BETREFFENDE DE ORGANISATIE VAN DE INFORMATIE EN DE BEVORDERING VAN DE VLAAMSE PARTICIPATIE INZAKE DE EUROPESE R & D-PROGRAMMA S. VRWB-R/ADV- 15 16 november 1989.

Nadere informatie

www.eu-advance.eu Workshop ADVANCE VSV - Mechelen 13-03-2014

www.eu-advance.eu Workshop ADVANCE VSV - Mechelen 13-03-2014 www.eu-advance.eu Workshop ADVANCE VSV - Mechelen 13-03-2014 Programma 8u30 Verwelkoming 9u15 Toelichting Eddy Klynen, coördinator VSV 9u20 Toelichting Frank Leys, mobiliteitscoördinator BMW 9u40 Toelichting

Nadere informatie

VERANTWOORDELIJKHEDEN BIJ UITVOERING VAN WELZIJNSWET EN IN HET BIJZONDER VAN DE HIERARCHISCHE LIJN

VERANTWOORDELIJKHEDEN BIJ UITVOERING VAN WELZIJNSWET EN IN HET BIJZONDER VAN DE HIERARCHISCHE LIJN VERANTWOORDELIJKHEDEN BIJ UITVOERING VAN WELZIJNSWET EN IN HET BIJZONDER VAN DE HIERARCHISCHE LIJN Werk brengt risico s met zich mee. Het productieproces, het transport, de werkorganisatie, de omgeving

Nadere informatie

Medewerkerstevredenheidsonderzoek Fictivia 2008.V.

Medewerkerstevredenheidsonderzoek Fictivia 2008.V. Medewerkerstevredenheidsonderzoek Fictivia 2008.V. Opdrachtgever: Uitvoerder: Plaats: Versie: Fictivia B.V. Junior Consult Groningen Fictief 1 Inhoudsopgave Inleiding 3 Directieoverzicht 4 Leiderschap.7

Nadere informatie

Onderzoek klanttevredenheid Proces klachtbehandeling 2011... Antidiscriminatievoorziening Limburg

Onderzoek klanttevredenheid Proces klachtbehandeling 2011... Antidiscriminatievoorziening Limburg Proces klachtbehandeling 2011................................................................... Antidiscriminatievoorziening Limburg Mei 2012...................................................................

Nadere informatie

Dessel, Mol & Retie. Uw regio, uw gezondheid, uw baby.

Dessel, Mol & Retie. Uw regio, uw gezondheid, uw baby. Uw regio, uw gezondheid, uw baby. Dessel, Mol & Retie U vindt het goed wonen in Dessel, Mol en Retie? Maar met een baby op komst stelt u zich toch soms vragen over de kwaliteit van ons milieu? Wilt u de

Nadere informatie

Regioscreening. Fase 2 evaluatie Turnhout 10 juni 2013

Regioscreening. Fase 2 evaluatie Turnhout 10 juni 2013 Regioscreening Fase 2 evaluatie Turnhout 10 juni 2013 1 Regioscreening Agenda 1. Inleiding 2. Synthese zelfevaluatie 3. Debat Stadsregio Turnhout Tafelronde 4. Verder vervolg regioscreening 2 Regioscreening

Nadere informatie

Stappenplan voor Brede Schoolcoördinatoren Het proces van een Brede School: van evaluatie tot afsprakenkader & actieplan

Stappenplan voor Brede Schoolcoördinatoren Het proces van een Brede School: van evaluatie tot afsprakenkader & actieplan Stappenplan voor Brede Schoolcoördinatoren Het proces van een Brede School: van evaluatie tot afsprakenkader & actieplan Van evaluatie Evaluatie op actieniveau Wanneer? Heel het jaar door, op de momenten

Nadere informatie

Vlaams beleid luchtverontreiniging en. milieuvergunningsaanvragen

Vlaams beleid luchtverontreiniging en. milieuvergunningsaanvragen Vlaams beleid luchtverontreiniging en milieuvergunningsaanvragen Geert Pillu Adviesverlener LNE afdeling Milieuvergunningen Brugge Vlaams beleid luchtverontreiniging en milieuvergunningsaanvragen Kennis

Nadere informatie

Succesvolle toepassing van 360 graden feedback: De keuze van het 360 instrument en de voorbereiding op het 360 traject

Succesvolle toepassing van 360 graden feedback: De keuze van het 360 instrument en de voorbereiding op het 360 traject Succesvolle toepassing van 360 graden feedback: De keuze van het 360 instrument en de voorbereiding op het 360 traject Augustus 2011 Waar werknemers onderdeel zijn van een organisatie, wordt beoordeeld.

Nadere informatie

INBRENG VAN HET PATIËNTENPERSPECTIEF BIJ HET OPSTELLEN VAN WETENSCHAPSAGENDA S - ERVARINGEN VAN [AANDOENING]PATIENTEN

INBRENG VAN HET PATIËNTENPERSPECTIEF BIJ HET OPSTELLEN VAN WETENSCHAPSAGENDA S - ERVARINGEN VAN [AANDOENING]PATIENTEN INBRENG VAN HET PATIËNTENPERSPECTIEF BIJ HET OPSTELLEN VAN WETENSCHAPSAGENDA S - ERVARINGEN VAN [AANDOENING]PATIENTEN RAPPORT VAN ACHTERBANRAADPLEGING [NAAM PATIËNTENORGANISATIE] Versie 1 Inhoudsopgave

Nadere informatie

Vormen van milieueffectrapportage in Vlaanderen. Pascal Van Ghelue Geograaf Dienst Begeleiding Gebiedsgerichte Planprocessen

Vormen van milieueffectrapportage in Vlaanderen. Pascal Van Ghelue Geograaf Dienst Begeleiding Gebiedsgerichte Planprocessen Vormen van milieueffectrapportage in Vlaanderen Pascal Van Ghelue Geograaf Dienst Begeleiding Gebiedsgerichte Planprocessen Inhoud 1. Doel milieueffectrapportage 2. Regelgeving 3. Rapportagevormen (4)

Nadere informatie

Thematische behoeftepeiling. Uitkomsten en conclusies van een brede enquête onder patiëntenorganisaties

Thematische behoeftepeiling. Uitkomsten en conclusies van een brede enquête onder patiëntenorganisaties Thematische behoeftepeiling Uitkomsten en conclusies van een brede enquête onder patiëntenorganisaties Inleiding In de komende jaren ontwikkelt de VSOP toerustende activiteiten voor patiëntenorganisaties

Nadere informatie

Rapport 833 Derriks, M., & Kat, E. de. (2020). Jeugdmonitor Zeeland Amsterdam: Kohnstamm Instituut.

Rapport 833 Derriks, M., & Kat, E. de. (2020). Jeugdmonitor Zeeland Amsterdam: Kohnstamm Instituut. Samenvatting Rapport 833 Derriks, M., & Kat, E. de. (2020). Jeugdmonitor Zeeland Amsterdam: Kohnstamm Instituut. De Jeugdmonitor Zeeland De Jeugdmonitor Zeeland is een plek waar allerlei informatie bij

Nadere informatie

Veiligheid en BBT/BREF. Annelies Faelens Departement LNE Afdeling Milieuvergunningen

Veiligheid en BBT/BREF. Annelies Faelens Departement LNE Afdeling Milieuvergunningen Veiligheid en BBT/BREF Annelies Faelens Departement LNE Afdeling Milieuvergunningen Inhoud 1. Richtlijn Industriële Emissies 2. BBT s en BREF s 3. Richtsnoeren voor het opstellen van BREF s 4. Veiligheid

Nadere informatie

PROVINCIERAAD VAN ANTWERPEN

PROVINCIERAAD VAN ANTWERPEN PROVINCIERAAD VAN ANTWERPEN Vergadering van 23 april 2015 Verslag van de deputatie Bevoegd deputatielid: Luk Lemmens Telefoon: 03 240 52 65 Agenda nr. 2/3 Provinciale initiatieven. Opdrachthoudende vereniging

Nadere informatie

Speerpuntgebieden: van huidige toestand tot vooropgesteld doel via grondige verkenning en gebiedsgerichte maatregelen en acties

Speerpuntgebieden: van huidige toestand tot vooropgesteld doel via grondige verkenning en gebiedsgerichte maatregelen en acties Speerpuntgebieden: van huidige toestand tot vooropgesteld doel via grondige verkenning en gebiedsgerichte maatregelen en acties Henk Maeckelberghe Marc Van Verre CIW Waterforum 23 sept 2013 Situering Doelstellingen

Nadere informatie

Voorstudie van de implementatie en organisatie van een kennisbeheersysteem voor de FOD Financiën

Voorstudie van de implementatie en organisatie van een kennisbeheersysteem voor de FOD Financiën Voorstudie van de implementatie en organisatie van een kennisbeheersysteem voor de FOD Financiën Informatie (Proces 44) versus Kennismanagement (Proces 78) Versie gevalideerd door de stuurgroep van 23

Nadere informatie

Samenvatting. Samenvatting

Samenvatting. Samenvatting Samenvatting Langdurig ziekteverzuim is een erkend sociaal-economisch en sociaal-geneeskundig probleem op nationaal en internationaal niveau. Verschillende landen hebben wettelijke maatregelen genomen

Nadere informatie

Het museum: - beschikt over een kwaliteitslabel als museum - heeft tijdig een aanvraag ingediend voor Vlaamse indeling en subsidiëring

Het museum: - beschikt over een kwaliteitslabel als museum - heeft tijdig een aanvraag ingediend voor Vlaamse indeling en subsidiëring Museum voor Industriële Archeologie en Textiel (MIAT), Gent 1. Gemotiveerd advies van de beoordelingscommissie Collectiebeherende Cultureel-erfgoedorganisaties over indeling bij het Vlaamse niveau en toekenning

Nadere informatie

Onderzoek burgerinitiatief. Tevredenheid van indieners

Onderzoek burgerinitiatief. Tevredenheid van indieners Onderzoek burgerinitiatief Tevredenheid van indieners In opdracht van: De Raadsgriffier Uitgevoerd door: Team Beleidsonderzoek en Informatiemanagement Gemeente Purmerend Denise Floris Bert Mentink April

Nadere informatie

KRAPTE OP DE ARBEIDSMARKT, KANSEN VOOR VROUWEN? EEN SECTORALE INVALSHOEK

KRAPTE OP DE ARBEIDSMARKT, KANSEN VOOR VROUWEN? EEN SECTORALE INVALSHOEK Herwerkte versie onderzoeksvoorstel VIONA 2001, thema 5, topic 1 KRAPTE OP DE ARBEIDSMARKT, KANSEN VOOR VROUWEN? EEN SECTORALE INVALSHOEK Miet Lamberts Hoger Instituut voor de Arbeid K.U.Leuven E. Van

Nadere informatie

Wetenschap bij jou in de buurt/bib

Wetenschap bij jou in de buurt/bib Januari 2007 Vlaamse Overheid - departement Economie, Wetenschap en Innovatie Nobody s Unpredictable Inhoud I. Inleiding II. Synthese 1 I. INLEIDING 2 Onderzoeksdoelstelling De Vlaamse overheid besteedt

Nadere informatie

Energiemanagement actieplan. Koninklijke Bammens

Energiemanagement actieplan. Koninklijke Bammens Maarssen, 16 februari 2015 Auteur(s): Niels Helmond Geaccordeerd door: Simon Kragtwijk Directievertegenwoordiger Milieu / Manager Productontwikkeling C O L O F O N Het format voor dit document is opgesteld

Nadere informatie

KLANTENTEVREDENHEIDSONDERZOEK FACULTATIEVE OPDRACHT PRIORITEITENBELEID. Resultaten

KLANTENTEVREDENHEIDSONDERZOEK FACULTATIEVE OPDRACHT PRIORITEITENBELEID. Resultaten KLANTENTEVREDENHEIDSONDERZOEK FACULTATIEVE OPDRACHT PRIORITEITENBELEID Resultaten Dienstverlening m.b.t. de facultatieve opdracht prioriteitenbeleid in het kader van het decreet van 13 juli 2001 en het

Nadere informatie