BELASTINGPLAN 21E FORSE VERLAGING NETTO-INKOMEN ALLEENSTAANDE OUDERS LEEFTIJD EN GENDER SOCIALE CONSTRUCTIE SCHIJNHUWELIJKEN

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "BELASTINGPLAN 21E FORSE VERLAGING NETTO-INKOMEN ALLEENSTAANDE OUDERS LEEFTIJD EN GENDER SOCIALE CONSTRUCTIE SCHIJNHUWELIJKEN"

Transcriptie

1 MAART/APRIL 1999 BELASTINGPLAN 21E EEUW FORSE VERLAGING NETTO-INKOMEN ALLEENSTAANDE OUDERS LEEFTIJD EN GENDER HET LEEFTIJDSCRITERIUM ALS VEROUDERDE SOCIALE CONSTRUCTIE SCHIJNHUWELIJKEN DE CAUTIE VÓÓR HET JAWOORD?

2 I JAARGANG 15, MAART/APRIL 1999, NUMMER 2 Verschijnt zes maal per jaar Redactie: Jolande uit Beijerse, Els van Blokland, Marjolein van den Brink, Janny Dierx, Jet Tigchelaar, Albertine Veldman, Mies Westerveld. Medewerksters: Margriet Adema, Susanne Burri, Eva Cremers, Karin van Elderen, Nora Holtrust, Ineke de Hondt, Gerdie Ketelaars, Renée Kool, Katinka Lünnemann, Liesbeth Lijnzaad, Mies Monster, Louise Mulder, Linda Senden, Sarah van Walsum, Ria Wolleswinkel. Redactiesecretariaat: Els van Blokland - redactiesecretaris Postbus EC Amsterdam tel fax Nemesis: Nemesis is een uitgave van Kluwer. De stichting Nemesis is één van de deelnemende organisaties in het Clara Wichmann Instituut, het Wetenschappelijk Instituut Vrouwen en Recht. Abonnementen: ƒ 144,- per jaar inclusief opbergband, losse nummers ƒ 32,-, opbergbanden ƒ 34,50. Abonnementen-administratie: Libresso b.v., Distributie van vakinformatie, postbus 23, 7400 GA Deventer, tel Abonnementen kunnen schriftelijk tot uiterlijk 1 december van het lopende abonnementsjaar worden opgezegd. Bij niet tijdig opzeggen wordt het abonnement automatisch met eenjaar verlengd. Reprorecht: Het overnemen, evenals het vermenigvuldigen van artikelen en illustraties is slechts geoorloofd na schriftelijke toestemming van de redactie. Aanbevolen citeerwijze: Nemesis 1999 nr. l,p.... Omslagontwerp en lay-out: DAVstudio Fenna Westerdiep.BNO Amsterdam. Advertentie-exploitatie: Bureau Van Vliet b.v., Postbus 20248, 7302 HE Apeldoorn, tel , fax Groep vaktijdschriften ISSN REDACTIONEEL 33 (Van) de bordelhouder bevrijd Tijd voor een rechtvaardiger exploitatie van sekswerk Jolande uit Beijerse ARTIKELEN 36 Belastingplan 21e eeuw Biedt individuele heffing vrouwen meer perspectief op economische zelfstandigheid? Paula Kager 42 Gender en leeftijd: verdere verkenningen Het leeftijdscriterium als verouderde sociale constructie Carien Evenhuis KRONIEK 52 Kroniek arbeidsrecht Eva Cremers en Yvonne Konijn A A N H A N G I G E ZAKEN 61 Knelpunten in de kinderopvang Caroline van den Brekel en Kea Tijdens REACTIES 67 Paarlen voor de zwijnen, deel II Chila van der Bas, Jacqueline Gielen-Winkster, Heleen Rutgers Reactie van de redactie R E C H T U I T H E T H A R T 68 De cautie vóór het jawoord? André Klip ACTUALITEITENKATERN Rechtspraak 2 Nr 1000 Rb Amsterdam 29 april 1998, m.nt. Albertine Veldman 6 Nr 1002 HvJ EG 27 oktober 1998, Boyle 10 Nr 1003 HvJ EG 19 november 1998, Pederson, m.nt. Mies Monster (1002 en 1003) 16 Nr 1005 Cgb 24 maart 1998, m.nt. Margriet Adema 23 Nr 1016 HR 5 juni 1998, m.nt. Annelies Henstra 27 Nr 1019 Rb ' s-hertogenbosch 4 april Nr 1020 Rb Zutphen 24 april Nr 1021 Rb Amsterdam 24 september 1997 Wetgeving 35 Malva Driessen, Als je zwanger bent én werkloos Literatuur 37 Rikki Holtmaat, Seksuele intimidatie op de werkplek: de stand van zaken Samenstelling Tanja Kraft van Ermel And thou, who never yet ofhuman wrong Left the unbalanced scale, Great Nemesis! (Byron) Childe Harold's Pilgrimage, Canto IV

3 REDACTIONEEL J 0 L A N D E U I T B E I J E R S E Tijd voor een rechtvaardiger exploitatie van sekswerk 1 (Van) de bordeelhouder bevrijd In februari 1999 stemde de Tweede Kamer in met het voorstel tot opheffing van het algemeen bordeelverbod. Als de Eerste Kamer volgt, is Nederland een van de eerste landen die de exploitatie van sekswerk door meerderjarigen, voorzover die geen slachtoffer zijn van dwang in enigerlei vorm, uit de illegaliteit haalt. Nadat zo de bordeelhouder van het strafrechtelijke juk is bevrijd, is het nu de beurt aan de tienduizenden (overwegend) vrouwen die in de seksbranche werken. Het is tijd om ze te bevrijden van de in de illegaliteit gegroeide feodale verhoudingen tot de exploitant. Sinds 1911 is het strafbaar om een beroep of gewoonte te maken van het opzettelijk teweegbrengen of bevorderen van ontucht door anderen met derden (art. 250bis Sr.). De argumenten die de wetgever daarvoor had, werden als volgt samengevat: 'De nadeelen waaraan daar verblijvende vrouwen, ook al zijn zij meerderjarig, bloot staan, de belemmeringen in haar persoonlijke vrijheid daar zoo dikwijls ondervonden, de "menschenhandel" waartoe de inrichtingen aanleiding geven, de gevaren die haar bestaan oplevert voor mannen van eiken leeftijd, de ondermijning der goede zeden waartoe zij noodwendig leiden, dit alles rechtvaardigt een verbod van overheidswege, geldende voor het geheele Rijk, tot uitoefening van het schandelijk en voor zoovelen schadelijk bedrijf van den bordeelhouder.' 2 Het uitbaten van een bordeel werd dus gezien als een 'schadelijk en schandelijk' bedrijf. Het was schadelijk vanwege de belemmering van de vrijheid van de daar werkende vrouwen en de gevaren voor mensenhandel, schandelijk vanwege de daar bedreven zonde, de verleiding die daarvan op de mannen zou uitgaan en de ondermijning van de goede zeden. In de 'schande' is het standpunt van de confessionelen te herkennen, die de bordelen als bedrijf afkeurden, in de 'schade' dat van de georganiseerde vrouwenbeweging, die zich al jaren verzette tegen de in de gemeentelijke reglementering heersende dubbele moraal, die er alleen maar op gericht was om de klanten gezonde vrouwen te leveren. 3 Wetsontwerp 25437: een realistische benadering zonder moralisme In wetsontwerp 25437, dat begin februari werd aangenomen door de Tweede Kamer, zijn beide strafbepalingen geschrapt. Het uitgangspunt is een 'realistische benadering zonder moralisme', waarin het bestaan van prostitutie als een gegeven wordt beschouwd, los van de vraag hoe je daar vanuit een moreel standpunt over oordeelt. Het opzettelijk voordeel trekken uit 'seksuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling' is volgens het nieuwe artikel 250a Sr alleen dan strafbaar als die ander minderjarig is of wanneer de seksexploitant weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander het slachtoffer is (bedreiging met) geweld, misleiding of misbruik van overwicht. In vergelijking met de strafbaarstelling van 1911 heeft de 'schande' dus plaats gemaakt voor de realiteit en wordt de taak van de strafrechter gereserveerd voor de 'schade'. Daarmee wordt aangesloten bij het sinds de jaren zeventig in diverse steden gegroeide gedoogbeleid dat gold zolang er geen sprake was van geweld, misbruik van overwicht of misleiding of van de tewerkstelling van min- 1. Voor dit redactioneel zijn gesprekken gevoerd met Marieke van Doorninck, Mr A. de Graafstichting, Sietske Altink, De Rode Draad, Lucy van Mens, Stichting SOA, Anja Spaninks, Stichting Humanitas, Ineke Nierstrasz, Gemeente Rotterdam en Paul Labriére, GGD Rotterdam. 2. Tweede Kamer , Bijlagen, 293, nr. 3, p Zie hierover: Petra de Vries, Kuisheid voor mannen, vrijheid voor vrouwen, de reglementering en bestrijding van prostitutie in Nederland , Hilversum, nr 2 33

4 (VAN) DE BORDEELHOUDER BEVRIJD J O L A N D E U I T B E I J E R S E derjarigen of slachtoffers van mensenhandel. Met de wet wordt dat beleid nu gelegaliseerd, waardoor het mogelijk wordt een duidelijker onderscheid te maken tussen de verschillende vormen van prostitutie. Uitbuiting kan beter worden bestreden, terwijl uitbating beter kan worden gereguleerd. Zo uitgesproken als de wetgever van 1911 zijn mening gaf over de bordelen in een onderdeel van een veelomvattende zedenwet, zo weinig merkt hij daarover op in de huidige wet die de opheffing van het bordeelverbod tot belangrijkste doel heeft. Het uitgangspunt dat prostitutie als een gegeven wordt beschouwd, zegt nog niets over de exploitatie van sekswerk. Sekswerk als zodanig was al niet strafbaar en het gaat hier niet om de decriminalisering van dat verschijnsel, maar om de decriminalisering van de exploitatie daarvan. Die verwarring met betrekking tot de essentie van de wet, de decriminalisering van de exploitant en niet van de sekswerker, komt keer op keer terug. Opvallend is dat het accent van de debatten steeds opnieuw op het sekswerk zelf komt te liggen en niet op de exploitatie daarvan. Het afschuiven naar de gemeenten zonder inhoudelijke uitgangspunten Het gebrek aan algemene inhoudelijke uitgangspunten doet zich voelen waar in de wet het gehele prostitutiebeleid wordt gedelegeerd aan de gemeenten. Die moeten via de aan de exploitanten te verlenen vestigingsvergunningen een eigen beleid gaan voeren rond de vestiging, de inrichting en de bedrijfsvoering van prostitutiebedrijven. Hoewel de VNG en verschillende gemeenten daar al jarenlang over discussiëren en daaromtrent ook enkele principiële standpunten hebben ingenomen, wordt over de concrete voorwaarden niet meer opgemerkt dan dat die betrekking kunnen hebben op de veiligheid, de hygiëne, de arbeidsomstandigheden en de antecedententoetsing van de bordeelhouder. Het enige vereiste dat uitdrukkelijk wordt genoemd, is dat de exploitant geen vrouwen zonder verblijfsvergunning voor zich mag laten werken. Los van de opmerking van de Raad van State dat een dergelijk vereiste niet kan worden gesteld door opname in de memorie van toelichting, is het de vraag of dat ook niet dubbelop en onnodig is gezien de reeds bestaande voorschriften van de Vreemdelingenwet. De VVDfractie ging hierin zelfs nog een stap verder door het opperen van de mogelijkheid om exploitanten een rol toe te dichten bij de controle op de verblijfsvergunning door het overleggen daarvan aan de vreemdelingendienst alvorens de mensen in dienst te nemen. Hierin wilde de minister niet meegaan en vasthouden aan het reguliere beleid waarbij de werkgever voor eventuele controles alleen een kopie van de verblijfstitel in de administratie moet hebben. Een dergelijke controlerende functie voor de exploitant was de onafhankelijke positie van de sekswerker waarschijnlijk ook niet bepaald ten goede gekomen. De specifieke positie van de sekswerkers in relatie tot de exploitant Ondertussen blijft een van de meest wezenlijke onderwerpen, namelijk de rechtsverhouding tussen de sekswerker en de exploitant, ongeregeld. De gemeentelijke overheid heeft niet de bevoegdheid zich hiermee te bemoeien. De wetgever stelt echter dat ook de landelijke overheid het niet tot haar taak rekent daaromtrent regels te stellen. Uitdrukkelijk wordt gesteld dat sekswerker en exploitant zelf moeten beslissen over de aard van hun onderlinge werkverhouding. Ik meen dat de minister hiermee echter voorbij gaat aan de specifieke positie van sekswerkers die maakt dat de overheid hier het voortouw dient te nemen. Daarbij gaat het allereerst over het werk zelf. Elk werk vereist een zekere inzet van lichaam en geest, maar die inzet gaat hier een stap verder. Het gaat immers om de grootst mogelijke lichamelijke intimiteit. Het principe dat werk alleen is op te brengen wanneer dat uit vrije wil gebeurt, geldt voor dit werk daarom des temeer. Het grondrecht op de onaantastbaarheid van het lichaam doet zich bij deze vorm van arbeid wel heel sterk voelen en iemand dwingen tot het verrichten van seksuele handelingen is niet voor niets strafbaar gesteld. Het werk moet geheel in vrijwilligheid worden verricht, wat concreet betekent dat de sekswerker steeds opnieuw moet kunnen bepalen of ze een klant wil bedienen of niet en welke seksuele handelingen ze wel of niet met hem wil verrichten. Dat is de reden dat hier geen sprake kan zijn van een reguliere arbeidsverhouding en dat sekswerk geen 'passende arbeid' kan zijn. 4 Het uitgangspunt dat sekswerk geen passende arbeid kan zijn, wordt in het wetsvoorstel gevolgd, maar daar gebruikt ten nadele van de sekswerker, namelijk als argument tot behoud van artikel 3 van het Besluit ter uitvoering van de Wet Arbeid Vreemdelingen (WAV), dat voor prostitutie een tewerkstellingsvergunning moet worden geweigerd. Aan de wijze waarop het recht op seksuele zelfbeschikking vorm moet krijgen in de verhouding tot de exploitant, is in het wetsontwerp echter geen aandacht besteed. Niet alleen de inhoud van het werk, ook de wijze waarop de seksbranche zich in de illegaliteit en onder de druk van de in de samenleving heersende dubbele moraal heeft ontwikkeld, maakt dat de overheid hier het voortouw dient te nemen. De illegaliteit van de bordelen en de minachting waarmee de daar werkende vrouwen tegemoet werden getreden, zorgden ervoor dat een situtatie kon ontstaan waarin een groot deel van de opbrengst moet worden afgedragen aan degenen die niet meer doen dan ruimtes ter beschikking stellen. Zo kon onlangs een ieder uit de kranten vernemen dat de Haagse raamexploitanten de sekswerkers 125 gulden per dagdeel laten betalen voor een 'raam', een ruimte die zo klein is dat in de praktijk wel wordt gesproken over 'legbatterij'. Navraag leert dat de sekswerkers in de clubs, privé-huizen en escortbureaus zelfs vijftig tot 4. Roelof Haveman, Sekswerk passende arbeid, Nemesis 1999, nr.1, p Zie uitgebreid Roelof Haveman, Voorwaarden voor strafbaarstelling van vrouwenhandel, Deventer, NEMESIS

5 (VAN) DE BORDEELHOUDER BEVRIJD J O L A N D E U I T B E U E R S E zestig procent van hun verdiende geld moeten afdragen voor het gebruik van een kamer en voorzieningen. De noodzaak van beleid Het argument dat de 'tijd nog niet rijp' is voor nadere regelgeving op centraal niveau bevredigt niet. De op handen zijnde opheffing van het bordeelverbod heeft de afgelopen vijftien jaar veel wetenschappelijk onderzoek geïnitieerd en een discussie op gang gebracht, waarin organisaties als De Rode Draad, de Mr. A. de Graaf Stichting en de Stichting Tegen Vrouwenhandel een zeer actieve rol spelen. Hoewel deze organisaties hun standpunten omtrent een betere rechtspositie van de sekswerker ten opzichte van de exploitant zeer open en helder voor het voetlicht brengen, blijkt uit de parlementaire stukken niet of nauwelijks dat van hun kennis gebruik is gemaakt. De taak van de overheid is mijns inziens tweeledig. In de eerste plaats is er de taak om met het oog op de bijzondere aard van het werk het recht op seksuele zelfbeschikking veilig te stellen. Zo zou met het oog op dat recht korte metten moeten worden gemaakt met het door clubs, privé-huizen en escortbureaus gehanteerde percentagesysteem dat er, vanwege de druk om zoveel mogelijk omzet te maken, in de praktijk toe leidt dat vrouwen worden gedwongen om tegen hun wil klanten te bedienen. Een tweede taak die er ligt, is het rechttrekken van de scheefgegroeide verhoudingen tussen sekswerker en exploitant. Een actief beleid wordt gerechtvaardigd door het feit dat de overheid zelf, door de strafbaarstelling van de bordelen en de daarmee gepaard gaande illegaliteit, daar mede debet aan is geweest. Nu de exploitanten de panden in beheer hebben waarvoor door de gemeente vergunningen zijn verleend, zal het echter niet eenvoudig zijn om ze daaruit te verdrijven. De gemeente Amsterdam heeft al een stap in de goede richting gezet door het aankopen van enkele panden, al lijkt dat in de eerste plaats te zijn gebeurd om de Russische maffia daaruit te weren. Dat het moeilijk is om goede mensen te vinden voor het beheer, is niet zo vreemd als de gemeente niet verder komt dan een 'Melkert'-baner, zoals serieus is overwogen, of dan een vakbond als De Rode Draad te vragen om ondernemer te worden. Hier ligt een uitdaging om toe te werken naar een nieuw soort bedrijf, een 'vrouwencollectief voor seksuele diensten', waarin we worden bevrijd van de bordeelhouder en de bijbehorende feodale verhoudingen nr 2 35

6 ARTIKEL PAULA KAGER Belastingadviseur bij Nauta Dutilh in Rotterdam Biedt individuele heffing vrouwen meer perspectief op economische zelfstandigheid? Belastingplan 21e eeuw Uitgangspunten Op 11 december 1997 presenteerden minister Zalm en staatssecretaris Vermeend de nota Belastingen in de 21e eeuw: een verkenning. 1 Een ambitieus en veelomvattend plan, waarin de bewindslieden voorstellen het huidige stelsel van de inkomstenbelasting drastisch te herzien. 2 Voorzag de verkennende nota nog in verschillende opties, in het Regeerakkoord van 20 juli 1998 heeft het kabinet gekozen voor strikt individuele belastingheffing. Daarmee zou dan een einde komen aan de kostwinnersvoordelen die de tariefstructuur van de inkomstenbelasting de hele 20e eeuw hebben bepaald. Zo lijkt de fiscale drempel die vrouwen met de zorg voor kinderen ontmoedigt om weer (meer) te gaan werken, te verdwijnen. Indiening bij de Tweede Kamer wordt vóór het zomerreces verwacht. Inmiddels werkt een extern bureau in opdracht van het ministerie van Financiën aan de emancipatie-effectrapportage op het belastingplan. De publicatie daarvan was voorzien rond 1 januari 1999, maar is enkele maanden vertraagd. De beoogde datum van inwerkingtreding van de nieuwe fiscale wetgeving is 1 januari Met de ontwikkeling van een nieuw belastingstelsel streeft de regering liefst zeven doelstellingen na. Ik noem hier de belangrijkste. Allereerst verbreding en versterking van de belastinggrondslag. Het huidige stelsel biedt de belastingbetaler te veel aftrekposten en forfaitaire vrijstellingen. In fiscaal jargon ook wel de 'uitholling of erosie van de heffingsgrondslag'. Vervolgens wil de regering een evenwichtige en rechtvaardige belastingdruk. Knelpunt van het huidige stelsel is het gebrekkige inkomensbegrip. Vermogenswinsten op effecten en onroerende zaken zijn bij particulieren (niet-ondernemers) niet belast, terwijl dividend en rente wel wordt belast. Dat met name de hogere inkomens gebruik maken van de mogelijkheid onbelast koerswinsten op vermogen te incasseren, wordt als onrechtvaardig ervaren. Het aanpakken van die ongelijkheid staat dan ook hoog op de agenda. Daarnaast streeft de regering ernaar de lastendruk op arbeid te verlagen: arbeid moet aantrekkelijker worden via fiscale maatregelen. Verschuiving van directe naar indirecte belastingen (verlaging van inkomstenbelasting maar verhoging van het algemene BTW-tarief) en vergroening (verhoging milieubelastingen) completeren de vele 'V's (verbreding, versterking, verlaging). Bevordering van emancipatie en economische zelfstandigheid vormt de op één na laatste doelstelling, vereenvoudiging van het stelsel de laatste. De laatste decennia wordt overigens bij elke stelselherziening vereenvoudiging nagestreefd. In de praktijk wordt vaak juist het tegendeel bereikt. 3 Systeemwijziging: van bron naar box Het huidige stelsel kent een synthetisch inkomensbegrip. Het belastbaar inkomen is de optelsom van een aantal inkomensbronnen (waaronder winst uit onderneming, winst uit aanmerkelijk belang, inkomsten uit arbeid en inkomsten uit vermogen), na vermindering van aftrekposten (persoonlijke verplichtingen, buitengewone lasten en giften). De belasting wordt berekend over het belastbaar inkomen minus de belastingvrije som. In het nieuwe belastingstelsel wordt deze geïntegreerde benadering verlaten. Er komen drie afzonderlijke categorieën met elk hun eigen systematiek en tarief, in het plan aangeduid als 'boxen'. Het is niet mogelijk negatieve inkomsten uit de ene box met positieve inkomsten uit de andere box te verrekenen. Er zitten stevige schotten tussen de boxen. De inhoud van de drie boxen komt, kort gezegd, op het volgende neer. Box 1 bevat bekende soorten inkomen: winst uit onderneming (eigen bedrijf of zelfstandig beroep), inkomsten uit arbeid, inkomsten uit eigen woning (huur- 1. TK , , nr. 2, hierna ook wel Verkennende nota. 2. De stelselwijziging leidt tot een nieuwe Wet op de inkomstenbelasting (de huidige dateert van 1964). 3. Voorbeelden: wetgeving tijdelijke genotsrechten, beperking aftrek consumptieve rente. De wetgeving is zo gecompliceerd, dat het ministerie van Financiën enkele besluiten heeft gepubliceerd met tachtig a negentig vragen en antwoorden over de interpretatie van de nieuwe regels in de praktijk. 36 NEMESIS

7 BELASTINGPLAN 21 E EEUW PAULA KAG ER waardeforfait en hypotheekrente), alimentatie-uitkeringen, buitengewone lasten, persoonlijke verplichtingen en giften. Box 1 inkomen is progressief belast met een toptarief van ± 52 procent (thans zestig procent). Bevordering van emancipatie en economische zelfstandigheid vormt de op één na laatste doelstelling, vereenvoudiging van het stelsel de laatste. Box 2 is een exclusieve box voor winst uit aanmerkelijk belang (dividend en verkoopwinst op aandelen uit een BV of NV met grofweg een aandelenbelang van vijf procent of meer). Box 2 inkomen is belast tegen een vast tarief van dertig procent (thans 25 procent). Box 3 betreft inkomsten uit vermogen: effecten, spaartegoeden, beleggingen, tweede woningen, verhuurde beleggingspanden en oudedagsvoorzieningen die het voorgestelde maximum te boven gaan. Deze box laat inhoudelijk de meest ingrijpende verandering zien ten opzichte van de bestaande systematiek. Het saldo van de in werkelijkheid genoten inkomsten en betaalde kosten wordt niet langer belast, zoals dat nu het geval is. Hiervoor in de plaats komt een forfaitaire rendementsheffing: belast wordt een fictieve opbrengst van vier procent van het saldo van bezittingen en schulden die thuishoren in box 3, tegen een tarief van dertig procent. Over het nettovermogensbezit wordt jaarlijks dus 1,2 procent geheven. De vermogensbelasting vervalt (thans 0,7 procent van het totale nettobezit). Vrijgesteld zijn huisraad en de eerste ƒ ,- aan vermogen per persoon. Vanaf 2001 zijn het werkelijke behaalde rendement op 'box 3'-vermogen en de werkelijk betaalde kosten volstrekt irrelevant; fiscaal telt alleen het fictieve rendement. Een economische benadering van het nieuwe belastingstelsel is dat de vermogensbelasting in feite wordt verhoogd van 0,7 naar 1,2 procent, waar een volledige vrijstelling van alle inkomsten uit vermogen tegenover staat. Pakket maatregelen in vogelvlucht In het kader van de herziening van het belastingstelsel noemt het Regeerakkoord het volgende pakket maatregelen: - afschaffing van de bestaande systematiek van belastingvrije sommen en vervanging door een systeem van algemene heffingskortingen die individueel worden toegekend en door de Belastingdienst individueel aan niet-verdienende partners worden uitbetaald; - verlaging van de tarieven van ± 36 tot zestig procent in 1999 naar ± 32 tot + 52 procent vanaf 2001 met een bescheiden verlenging van de tariefschijven; - verlaging van het arbeidskostenforfait (de vaste aftrek voor looninkomsten); - invoering van de arbeidskorting, een extra heffingskorting voor werkenden met een loon tussen zeventig en honderd procent van het wettelijk minimumloon; Vrouwen en de fiscus: kort historisch overzicht (belangrijke jaartallen)* 1941 Vóór 1941 belastingheffing over huishoudinkomen (samenvoeging inkomens van man en vrouw). Vanaf 1941 splitsingstelsel: optellen inkomens man en vrouw, delen door twee en afzonderlijk belasten. Huishoudinkomen bleef inkomstenbelasting bepalen Individuele belastingheffing: inkomsten van gehuwde vrouw worden individueel belast. De belastingvrije som van een gehuwde man was echter aanzienlijk hoger dan die voor een gehuwde vrouw Invoering tweeverdienerswetgeving. Tariefgroepindeling afhankelijk van het inkomen van de partner. Belastingdruk op inkomen van vrouw verminderde, die op inkomen van de gehuwde man nam aanzienlijk toe Invoering Oort-wetgeving. Volledig geïndividualiseerd belastingsysteem, met uitzondering van de overdraagbare basisaftrek ('voetoverheveling'). * Bron: Ben Dankmeijer, hoofdstuk Belasting en emancipatie in Emancipatie en Economie, Faculteit der Economische Wetenschappen en Econometrie, 1994, Amsterdam. - verhoging van het algemene BTW-tarief tot ten minste negentien procent (thans 17,5 procent); - verhoging van milieubelastingen voor huishoudens en bedrijven (tariefsverhogingen voor gas en elektriciteit); - beperking van aftrek van lijfrentepremies tot situaties waarin een pensioentekort bestaat; - invoering van de 'oudedagsparaplu': een maximum aan de totale oudedagsvoorzieningen per persoon, de som van AOW, pensioen, lijfrenten e.d. mag een bepaald plafond niet te boven gaan; - uitbreiding van belastingvrije aanwending van spaarloon voor pensioenopbouw, verlof (zorgverlof, sabbatsverlof, studieverlof) en studiekosten; - invoering van een forfaitaire rendementsheffing in plaats van de bestaande vermogensbelasting en het huidige regime voor inkomsten uit vermogen; - geleidelijke afschaffing van de mogelijkheid rente op consumptieve leningen af te trekken; - verlaging van het reiskostenforfait; - vervanging van de fiscale bijtelling voor de auto van de zaak (autokostenforfait) door een benadering die 'beter aansluit op het feitelijk privégebruik van de auto van de zaak'; - beperking van aftrek van werkelijk gemaakte beroepskosten tot uitzonderingsgevallen. Emancipatie-effectrapportage In het voorjaar van 1998 heeft de minister van Financiën opdracht gegeven aan het Economisch Instituut CIAV in Utrecht om onderzoek te doen naar de gevol nr 2 37

8 BELASTINGPLAN 21 E EEUW PAU LA KAG ER gen van wijziging van het belastingregime voor emancipatie en economische zelfstandigheid. Het gaat om de effecten van de verschillende opties in de verkennende nota van Zalm en Vermeend. De emancipatieeffectrapportage zal uit twee delen bestaan 4 : (Ie) een analyse van de potentiële gedragsreacties van individuen en huishoudens als gevolg van de wijziging van het belastingregime, en (2e) veranderingen in de posities van vrouwen en mannen, los van de mogelijke gedragsreacties, door het pakket fiscale maatregelen voor de 21e eeuw. Een typische vraag voor het eerste deel is of het arbeidsaanbod van vrouwen en/of huishoudens toeneemt door veranderingen in het stelsel van belasting en sociale premies. Onderwerpen die het onderzoeksbureau in het tweede deel moet bestuderen zijn: de verbreding van de heffingsgrondslag (minder aftrekposten, afschaffing belastingvrije sommen), de nieuwe fiscale behandeling van rente en dividend in 'box 3', de fiscale behandeling van pensioenen en de mogelijkheid spaarloon belastingvrij aan te wenden voor (zorg)verlof. Opvallend is dat Financiën nog steeds uitgaat van doorrekening van de drie beleidsopties uit de verkennende nota, terwijl de regering inmiddels heeft gekozen voor de variant uit het Regeerakkoord. 5 Inkomenseffecten voor vrouwen Tabel 1: Het schijventarief in 1999 Ie schijf 2e schijf 3e schijf 4e schijf Belastbaar bedrag Van Tot en hoger Tarief 35,75% 37,05% 50% 60% Tabel 2: Tariefgroepindeling en belastingvrije sommen in 1999 Groep/Omschrijving Het spreekt voor zich dat de inkomenseffecten van het belastingplan net zo goed gelden voor mannen als voor vrouwen. Vrouwen zitten in zeer verschillende posities. 6 Sommige vrouwen verdienen meer dan ƒ ,- bruto per jaar, andere moeten rondkomen van een minimuminkomen. Er zijn zeer vermogende vrouwen zonder arbeidsinkomen en vrouwen met een rijke man. Dan zijn er vrouwen met een eigen bedrijf en vrouwen die samen met hun man een bedrijf runnen. En natuurlijk veel moeders van jonge kinderen met een deeltijdbaan en dito salaris. Verder vrouwen zonder vaste partner en alleenstaande moeders. De grootste groep vrouwen met betaald werk maakt deel uit van een huishouden van tweeverdieners of, wat de realiteit beter benadert, 'anderhalf-verdieners. De hamvraag is of de aangekondigde belastingmaatregelen inderdaad stappen zijn op weg naar economische zelfstandigheid in het nieuwe millennium. Daarbij verdient speciale aandacht de positie van anderhalf- en tweeverdieners met lagere inkomens (minimum tot modaal) en de werkgelegenheid voor die groep. Hieronder zal ik nader belichten: De gevolgen van de heffingskorting in plaats van de belastingvrije sommen voor de arbeidsmarktpositie van vrouwen, de inkomenseffecten voor alleenstaande ouders, de koopkrachteffecten over de hele linie en de betekenis van de fiscale oudedagsparaplu. Belastingvrije som 1. Basisaftrek overgedragen aan 419 alleenverdienende partner 2. Tweeverdieners, alleenstaanden Alleenverdieners Alleenstaande ouders met kinderen tussen 12 en 27 jaar 5. Alleenstaande ouders met kinderen onder 12 jaar Tabel 3: Belastingplan 21e eeuw voorgesteld schijventarief (variant Regeerakkoord) Ie schijf 2e schijf 3e schijf 4e schijf Belastbaar bedrag Van Tot en hoger Heffingskorting versus belastingvrije som Tarief 32% 36% 42% 52% Het systeem van belastingvrije sommen werkt wezenlijk anders dan dat van een heffingskorting of individuele belastingkorting. 7 De belastingvrije som vermindert het belastbare inkomen; het is een aftrekpost op het inkomen zelf. De heffingskorting vermindert het bedrag van de inkomstenbelasting: het is een korting op de verschuldigde belasting. In het huidige belastingstelsel zijn er vijf tariefgroepen met elk een eigen belastingvrije som, die is samengesteld uit de basisaftrek 8 plus, afhankelijk van de toepasselijke tariefgroep, één of meer extra aftrekbedragen (zie kader). Niet-verdienende partners kunnen hun basisaftrek overdragen aan hun verdienende partner, de alleenverdiener (kostwinner). 9 Dit systeem brengt met zich dat alleenver- 4. Brief staatssecretaris van Financiën van 7 september 1998, AFP98/330M, aan de Vaste commissie SZW van de Tweede Kamer. 5. Deze variant gaat uit van omzetting van belastingvrije sommen in heffingskortingen met een tegemoetkoming voor de huidige alleenverdieners (tariefgroep 3) op minimumniveau, waarbij de tarieven met ongeveer 5 tot 8 procentpunten worden verlaagd. 6. Zie ook Verslag en Advies Werkconferentie Belastingen in de 21e eeuw van de Vrouwen Alliantie voor economische zelfstandigheid en herverdeling van arbeid, verslag van werkconferentie op 26 maart 1998 en adviesbrief d.d. 6 mei 1998 aan Zalm en Vermeend. 7. Het verschil tussen een individuele belastingkorting en een heffingskorting is dat de individuele belastingkorting ook aan de belastingplichtige wordt uitgekeerd (ook al is er geen inkomen), de heffingskorting niet. Zie Verkennende nota, p De basisaftrek van ƒ 8.380,- geldt voor tweeverdieners en alleenstaanden (tariefgroep 2), hierbij moet de 'bovenbasisaftrek' van ƒ419,- worden opgeteld, samen de belastingvrije som van ƒ 8.799,- (1999). 9. Dit noemde men vroeger 'voetoverheveling'; de belastingvrije som stond toen bekend als 'belastingvrije voet'. 38 NEMESIS

9 BELASTINGPLAN 21 E EEUW PAULA KAG E R dieners een dubbele basisaftrek genieten. Het kostwinnersvoordeel voor een alleenverdiener die met de top van zijn inkomen in de hoogste tariefschijf (thans zestig procent) zit, bedraagt netto ruim ƒ ,- per jaar. Een alleenverdiener met een bruto jaarinkomen tussen minimum en modaal (laagste twee tariefschijven) kan daarentegen slechts een kostwinnersvoordeel van ruim ƒ 6.000,- incasseren. De huidige tariefstructuur met belastingvrije sommen in combinatie met een progressief schijventarief geeft hogere inkomens meer netto belastingvoordeel dan lagere inkomens. Het systeem van heffingskortingen geeft iedereen, onafhankelijk van de hoogte van het inkomen, dezelfde belastingvermindering. De individuele belastingkorting die in het Regeerakkoord is voorgesteld, leidt tot een 'negatieve aanslag inkomstenbelasting' voor de nietverdienende partner, wat neerkomt op uitbetaling van de belastingkorting. Heffingskorting: sluitstuk van individuele belastingheffing Het systeem van belastingvrije sommen met de mogelijkheid tot overheveling van de basisaftrek naar de alleenverdiener werpt een fiscale drempel op voor nietverdienende partners. Aangezien het netto kostwinnersvoordeel het hoogste uitpakt in de vierde schijf (inkomens boven ± ƒ ,- per jaar), is de drempel voor de niet-verdienende partner om weer te gaan werken het hoogst als de partner in de hoogste tariefschijf zit. Als de op de arbeidsmarkt toetredende partner een bescheiden bruto salaris van ƒ ,- per jaar gaat verdienen, dan valt de belastingvrije som grotendeels in de eerste schijf (35,75 procent), hetgeen beduidend minder voordelig is dan aftrek in de vierde schijf (60 procent). Dit effect treedt niet op als het inkomen van de hoofdverdiener ligt tussen minimum en modaal. Gaat de partner in die situatie betaald werken, dan worden beide inkomens tegen dezelfde tarieven belast en leveren beide belastingvrije sommen hetzelfde netto voordeel op. Er is dan sprake van 'echte tweeverdieners'. Wanneer het inkomen van de (voormalige) alleenverdiener in de eerste twee schijven 10 wordt belast, levert inkomensverwerving door de partner dus altijd een extra netto voordeel op voor het huishouden. Dan krijgt ook de partner immers een arbeidskostenforfait toegekend, terwijl de belastingvrije som van de opnieuw werkende partner tegen hetzelfde tarief wordt afgerekend als voorheen bij de alleenverdiener. 11 Een overgang van één kostwinner naar een 'echt' tweeverdienershuishouden komt in de praktijk echter niet vaak voor. Het ontmoedigingseffect voor niet betaald werkenden met een goedverdienende partner wordt nog eens versterkt door de vele inkomensafhankelijke regelingen, zoals de eigen bijdrage voor kinderopvang, tegemoetkoming studiekosten, de huursubsidie, en dergelijke. Per saldo kan de netto toename van het huishoudinkomen zo gering zijn dat het niet of nauwelijks loont om te gaan werken. De nieuw voorgestelde individuele belastingkortingen geven iedereen hetzelfde netto voordeel, omdat het progressie-effect komt te vervallen. De kostwinnersvoordelen zijn de laatste decennia stapsgewijs steeds verder teruggedrongen en zullen aan het begin van de 21e eeuw tot de geschiedenis horen. Wel zal de regering een uitzondering maken voor alleenverdieners op minimumniveau - zij krijgen een dubbele heffingskorting in verband met de koppeling aan het sociale minimum - maar dat betreft een relatief kleine groep. Individueel belastingstelsel gunstig voor aanbod vrouwen op arbeidsmarkt Een vergaande individualisering van het belastingstelsel maakt het waarschijnlijk dat vrouwen meer uren willen werken. Als de overdracht van de basisaftrek ('voetoverheveling') wordt afgeschaft in 2001, zal de arbeidsduur van vrouwen naar verwachting met ongeveer vijftien procent stijgen. Dit concludeerde Yolanda Grift in haar promotie-onderzoek naar de effecten van belasting- en socialepremiestelsels op het arbeidsaanbod van vrouwen. 12 Grift ontwikkelde een econometrisch model, waarmee de gevolgen voor de wekelijkse arbeidsduur van vrouwen bij verschillende belastingstelsels zijn door te rekenen. Populair gezegd: Wat houd je er eigenlijk netto aan over als je één uur meer gaat werken en hoe beïnvloedt dat de beslissing om meer of minder te gaan werken? Een vergaande individualisering van het belastingstelsel maakt het waarschijnlijk dat vrouwen meer uren willen werken. Volgens Grift heeft de derde optie uit de verkennende nota Belastingen in de 21e eeuw de meest gunstige uitwerking op de arbeidsparticipatie van vrouwen. Deze optie combineert volledige afschaffing van de belastingvrije sommen met een substantiële tariefsverlaging. Grift verwacht dat het aanbod van vrouwen op de arbeidsmarkt daardoor zal stijgen van gemiddeld elf uur per week naar gemiddeld veertien uur per week. De studie nam het traditionele kostwinnersmodel als uitgangspunt en bestudeerde daarbinnen het arbeidsmarktgedrag van gehuwde en ongehuwd samenwonende vrouwen. Samenwonende mannen laten hun arbeidsmarktgedrag niet afhangen van het belastingstelsel. Vrouwen in een dergelijke situatie staan vaak wel voor de keuze om meer of minder te gaan werken. Veel van hen, zo blijkt uit enquêtes die Grift voor haar onderzoek hield, denken dat zij er netto nauwelijks op vooruitgaan. Grift laat zien dat werken wel degelijk loont. In het huidige belastingstelsel betalen vrijwel alle werkende vrouwen met een kostwinnende partner 10. Belastbaar inkomen tot ƒ ,- (1999), met ingang van 1999 is de eerste schijf 'geknipt' in twee schijven. 11. Zie ook SER-advies Naar een robuust belastingstelsel. Advies 1998/07, blz. 45 en Y.K. Grift, Female Labour Supply, The influence of taxes and social premiums. Dissertatie Universiteit van Utrecht. Ridderprint nr 2 39

10 BELASTINGPLAN 21 E EEUW PAULA KAG E R Individuele belastingkorting van ('tariefgroep 2') en ('tariefgroep 3' op niveau wettelijke minimumloon) over hun eigen inkomen gemiddeld 37 procent belasting en premies. 13 Bij het besluit van vrouwen om meer of minder te gaan werken zijn andere redenen vaak belangrijker dan die in de belasting- en premiesfeer. Voorop staat vanzelfsprekend de beschikbaarheid van kinderopvang, deeltijdarbeid, flexibele werktijden en verlof- en zorgfaciliteiten, die de combinatie van betaald werk en zorgtaken überhaupt mogelijk maken. 14 De nieuwe financiële positie wordt per saldo bepaald door de belasting- en premieheffing, de inkomensafhankelijke regelingen en de kosten van kinderopvang. Opmerkelijk is verder dat de arbeidskorting, een toeslag op de heffingskorting, slechts geldt voor inkomens tussen zeventig en honderd procent van het wettelijk minimumloon en oploopt van nul tot ƒ 1.503,-. Deze faciliteit is bedoeld om de overstap van een uitkering naar werk te stimuleren. De ondergrens voor deze arbeidskorting ligt echter rond ƒ ,- (zeventig procent van het minimumloon). Vrouwen met kleine deeltijdbanen zullen niet boven deze grens uitkomen. De doelstellingen stimulering van het arbeidsaanbod en bevordering van emancipatie en economische zelfstandigheid lijken elkaar hier te bijten. ting 'tariefgroep 3', maar rept niet over tariefgroepen 4 en 5. Verder blijft onduidelijk of bestaande gevallen vanaf 2001 worden ontzien. 16 De kwestie heeft tot nu toe nauwelijks aandacht gekregen. 17 Als compenserende maatregelen voor alleenstaande ouders zijn denkbaar: - een toeslag op de heffingskorting, gerelateerd aan de zorg voor kinderen onder de twaalf jaar; - een 'zorgkostenforfait', een vaste aftrekpost voor werkende alleenstaande ouders met kinderen onder de twaalf jaar 18 ; - een (gedeeltelijk) inkomensafhankelijke kinderbijslag voor alleenstaande ouders. Zonder tegemoetkomingen zullen alleenstaande ouders er netto aanzienlijk op achteruitgaan. Bij alleenverdienershuishoudens krijgt de niet-verdienende partner de heffingskorting tenminste nog uitbetaald; bij alleenstaande ouders is dit uiteraard niet mogelijk. Afschaffing van de belastingvrije sommen in ruil voor individuele belastingkortingen zal voor deze groep leiden tot een relatief forse verlaging van het netto inkomen, tenzij de regering specifieke maatregelen voor hen treft. Inkomensgevolgen voor alleenstaande ouders Het oude systeem van belastingvrije sommen met de mogelijkheid van 'voetoverheveling' ontmoedigt weliswaar niet-verdienende partners om weer te gaan werken, het biedt alleenstaande ouders met de zorg voor kinderen wel een aanzienlijk belastingvoordeel. Dat vrouwen in verschillende posities zitten, kan niet beter worden geïllustreerd dan aan de hand van de belastingpositie van alleenstaande ouders. Zij worden onder het huidige stelsel in tariefgroep 4 of 5 ingedeeld. Een alleenstaande ouder met de zorg voor één of meer kinderen onder de twaalf jaar valt in tariefgroep 5; als de leeftijd van de kinderen tussen twaalf en 27 jaar is, geldt tariefgroep 4. De belastingvrije som voor tariefgroep 4 is ƒ ,- en die voor tariefgroep 5 zelfs maximaal ƒ ,- 15 (1999). Afschaffing van de belastingvrije sommen in ruil voor individuele belastingkortingen zal voor deze groep leiden tot een relatief forse verlaging van het netto inkomen (zie tabel), tenzij de regering specifieke maatregelen voor hen treft. De verkennende nota gaat er van uit dat alleenverdieners en eenoudergezinnen een vorm van tegemoetkoming blijven houden. Het Regeerakkoord noemt slechts heffingskorting 'tariefgroep 2' en heffingskor- Koopkrachteffecten over de hele linie Het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (NIBUD) heeft de gevolgen van het belastingstelsel voor de 21e eeuw berekend in augustus De conclusie van het NIBUD is dat vrijwel ieder huishouden in Nederland er in het toekomstige belastingstelsel op vooruit zal gaan. Hoe groot dat voordeel is, hangt af van de fiscale bijtellingen en aftrekposten die men nu heeft (fiscale bijtelling auto, hypotheekrente, lijfrentepremies, rente) en de soorten inkomstenbronnen (bijvoorbeeld aanmerkelijk belang, onroerend goed, beleggingen en overig 'box 3' inkomen). Als specifieke aftrekposten en eigen vermogen buiten beschouwing blijven, dan profiteren vooral de laagste inkomens (tot ƒ ,- bruto per jaar) en de hoogste inkomens (vanaf ƒ ,- bruto per jaar). De middeninkomens gaan er minder dan vijf procent op vooruit, de laagste en hoogste inkomens meer dan zeven procent. Bij een bruto inkomen van ƒ ,- bedraagt het netto voordeel zelfs 9,4 procent. Het NIBUD heeft vooralsnog geen rekening gehouden met de gevolgen van de ecotax- en BTW-verhogingen. De 13. Belastingjaar De gemiddelde belastingdruk zal in 1999 lager zijn door tariefsverlagingen in de eerste schijf (enkele procentpunten), verhoging van de belastingvrije sommen en het arbeidskostenforfait. 14. Zie in dit verband ook SER advies Arbeid, zorg en economische zelfstandigheid, Advies 1998/ Tariefgroep 4: belastingvrije som = basisaftrek + bovenbasisaftrek + alleenstaande-ouderaftrek van ƒ 6.704,-. Tariefgroep 5 = tariefgroep 4 + aanvullende alleenstaande-ouderaftrek van eveneens ƒ 6.704, Onderdeel van de verkenning geeft een aantal varianten voor de eerbiedigende werking voor bestaande alleenverdieners. 17. Zie echter Astrid Feiter, Nieuw belastingstelsel dupeert alleenstaande werkende moeders, Opzij, september 1998, p Het kabinet heeft het zorgkostenforfait afgewezen, zie bijlage 2 bij kabinetsnota Kansen op combineren: Arbeid, Zorg en Economische zelfstandigheid en Advies SER 1998/ Zie Internetsite van het NIBUD: 40 NEMESIS

11 BELASTINGPLAN 21 E EEUW PAULA KAG E R Tabel 4: Gevolgen belastingstelsel 21e eeuw voor alleenstaande ouder met zorg voor kinderen onder 12 (tariefgroep 5) Bruto jaarinkomen Netto per maand 1999 Netto per maand 2001 Verschil netto per maand Verschil uitgedrukt in % , , , , , ,4 Conclusie: zonder tegemoetkoming is de achteruitgang van het netto maandinkomen bij de lagere inkomens (tweederde van het minimumloon tot modaal) absoluut en relatief het grootste. Compenserende maatregelen voor deze inkomens zijn noodzakelijk. berekeningen zijn indicatief; van 'koopkrachtplaatjes' is geen sprake. Fiscale 'oudedagsparaplu' Iedereen kan in het huidige belastingstelsel voor ƒ 6.075,- (gehuwden ƒ ,-) aan lijfrentepremies aftrekken, ongeacht of via de werkgever al een goed pensioen wordt opgebouwd. Zalm en Vermeend zijn van mening dat met name de hogere inkomens de lijfrentepremie-aftrek in de praktijk gebruiken om belasting te besparen (het 'kopen van een aftrekpost'), lang niet iedereen zou lijfrenten nodig hebben als aanvulling op het opgebouwde pensioen. In de verkennende nota wordt voorgesteld de algemene aftrek van lijfrentepremies te schrappen en te vervangen door één overkoepelende oudedagsparaplu. Er zou dan een maximum aftrek ('plafond') komen voor alle oudedagsvoorzieningen, gebaseerd op zeventig procent van het laatstverdiende loon. Een dergelijke paraplu zou een adequate opbouw voor een oudedagsvoorziening moeten garanderen. Zolang de totale premies per jaar beneden het maximum blijven, zijn ze aftrekbaar voor de loon- en inkomstenbelasting. Wie boven het plafond nog oudedagsvoorzieningen opbouwt, krijgt daarvoor geen belastingaftrek. Het is volstrekt niet duidelijk wat er onder de oudedagsparaplu gaat vallen. Pensioen en oudedagslijfrenten wel, maar VUT, overbruggingslijfrenten, kapitaalverzekeringen, saldo-lijfrenten en spaarregelingen? Bovendien is niet duidelijk hoe de fiscale ruimte voor aanvullende individuele regelingen bepaald zal worden. De relatie tot het wetsvoorstel Fiscale behandeling van pensioenen 20 is evenmin helder. Het Verbond voor Verzekeraars heeft forse kritiek geuit op de voorstellen inzake de oudedagsparaplu. Uit een NIPO-enquête zou blijken dat 77 procent van de mensen die een lijfrente- of koopsompolis sluiten een pensioengat heeft. Bij vrouwen en zelfstandigen zou dit nog hoger liggen: 88 respectievelijk 83 procent. Verder zouden ook de lagere en middeninkomens de lijfrentepremie-aftrek benutten; zeventig procent zou inkomens onder de ƒ ,- betreffen. 21 De regering heeft de SER advies gevraagd over mogelijke uitwerkingen van de oudedagsparaplu. Het advies van de SER wordt naar verwachting dit voorjaar gepubliceerd. Tot slot Na de Euro op 1 januari 1999 en het nieuwe millennium op 1 januari 2000 staat ons op 1 januari 2001 een drastische wijziging van het belastingstelsel te wachten. Bevordering van emancipatie en economische zelfstandigheid vormt één van de doelstellingen van het plan. Of het samenhangende pakket van maatregelen inderdaad positief zal bijdragen aan economische zelfstandigheid voor iedereen moet nog blijken. Het wachten is op (Ie) de emancipatie-effectrapportage, (2e) het advies van de SER over mogelijke uitwerkingen van de oudedagsparaplu, en, natuurlijk, (3e) het wetsvoorstel. De afschaffing van de kostwinnersvoordelen in ruil voor een individuele belastingkorting mag gerust een mijlpaal in de geschiedenis van belastingen en emancipatie worden genoemd. De inkomenseffecten voor alleenstaande ouders en de oudedagsparaplu vereisen daarentegen een nadere uitwerking die recht doet aan de positie van vrouwen met zorgtaken. Een uiterst kritische toetsing van het wetsvoorstel 'belastingen 21e eeuw' op deze punten is geboden. 20. TK , kamerstuk , uitwerking aanbevelingen Commissie Witteveen. Het wetsvoorstel geeft een nieuw fiscaal kader voor pensioenregelingen met flexibilisering en individualisering als uitgangspunten. Het wetsvoorstel is reeds aanvaard door de Tweede Kamer; het ligt thans ter behandeling bij de Eerste Kamer. 21. Persbericht Verbond voor Verzekeraars, 27 april nr 2 41

12 ARTIKEL CARIEN EVENHUIS Lid Tijdelijke Expertisecommissie Emancipatie in het nieuwe adviesstelsel (TECENA), voorzitter Landelijk bureau leeftijdsdiscriminatie. Het leeftijdscriterium als verouderde sociale constructie Gender en leeftijd: verdere verkenningen Is leeftijd een zelfde soort discriminatiegrond als sekse en etniciteit? De auteur beschouwt leeftijd louter als een sociale constructie. Een constructie die zelf sterk achterhaald is, en dringend toe is aan een fundamentele herziening. Daarbij is leeftijd als onderscheidend criterium een sociale constructie met fundamentele genderaspecten. De knelpunten die vrouwen ondervinden bij leeftijdsgrenzen zijn vaak andere dan die mannen ontmoeten, en vragen om andere prioriteiten. De beeldvorming rondom oudere vrouwen, de leeftijdsopbouw in arbeidsorganisaties en de 'levensloop' worden in dit artikel vanuit een genderperspectief bekeken en bekritiseerd. Het ingediende wetsvoorstel leeftijdsdiscriminatie wordt ingetrokken en een nieuw ontwerp wordt dit voorjaar aan de Raad van State gezonden. Dit herziene wetsvoorstel zal veel meer dan het oude worden geënt op het systeem van de Awgb, uitzonderingsgronden zullen limitatief worden opgesomd. Vandaar dat het opmerkelijk is dat begunstigende uitzonderingen op basis van leeftijdonderscheid, zoals voorkeursbeleid, tot nu toe ontbreken in het wetsvoorstel. Gender en leeftijd vormen in het gelijke-behandelings-debat een bekend koppel. Het leeftijdscriterium is immers een 'verdacht criterium' voor (indirect) onderscheid naar sekse: minimum- en maximumleeftijdsgrenzen treffen vrouwen veelal meer en anders dan mannen. Beginjaren tachtig werd dat al erkend in bijvoorbeeld ER-adviezen (de toen geldende maximumleeftijd van 31 jaar voor toelating tot het diplomatenklasje van Buitenlandse Zaken), en ook later in oordelen van de Commissie gelijke behandeling en door diverse auteurs, met name Asscher-Vonk, Heringa, Goldschmidt en Van Vleuten. In de concrete situaties waarin leeftijd als 'verdacht criterium' voor sekseonderscheid aan de orde was, ging en gaat het vrijwel altijd om de gevolgen van 'achterstanden' van vrouwen. Achterstanden in opleiding en beroepsgerichte scholing vooral, en ook in werkervaring. Vrouwen die deze achterstanden inhaalden, werden vervolgens al snel te oud bevonden voor een groot aantal functies, voor verdere doorstroom en carrière-ontwikkeling, of kwamen terecht in inmiddels verlaagde loonschalen voor beginners, zoals in het onderwijs. Met alle gevolgen vandien voor het krijgen, behouden of vergroten van hun economische zelfstandigheid en hun pensioenopbouw. Juist vanwege die achterstanden van oudere generaties vrouwen in het verkrijgen van economische zelfstandigheid zijn dan ook leeftijdsgrenzen in de Algemene bijstandswet, de Algemene nabestaandenwet en de Wet limitering alimentatie opgenomen: voor hen geldt nog een zekere kostwinnersbescherming die voor jongere leeftijdscohorten niet meer wordt gegeven. Merkwaardig genoeg geldt die bescherming ook voor mannen uit die generaties: een ondoordacht gebruik, misbruik zelfs, van het beginsel van gelijke behandeling. De relatie tussen sekse, liever: gender, en leeftijd omvat echter veel meer dan alleen achterstanden van vrouwen ten opzichte van mannen. Het verouderingsproces 1, dat bij leeftijd toch centraal staat, heeft voor vrouwen in veel opzichten een andere betekenis dan voor mannen: genetisch, fysiek, psychologisch, maatschappelijk, financieel-economisch, in bejegening en beeldvorming, in levensloop en gezondheidsrisico's. De knelpunten die vrouwen ondervinden bij leeftijdsgrenzen zijn dan ook vaak andere dan die mannen ontmoeten, en vragen ook om andere prioriteiten in de bestrijding en om andere oplossingsrichtingen. De vraag welk concept van leeftijd overheid en samenleving hanteren, of en zo ja welke leeftijdsgrenzen om welke redenen al dan niet gerechtvaardigd geacht worden, moet dan ook uitdrukkelijk mede vanuit een genderperspectief worden beantwoord. In dat licht is de groeiende belangstelling voor gender en leeftijd verheugend. Maar tegelijkertijd moet worden vastgesteld dat in de vele cijfers en analyses inzake gender-aspecten de factor leeftijd veel te vaak afwezig is. Vermelding van variabelen als burgerlijke staat, het hebben van kinderen, de leeftijd van de kinderen, de omvang van de individuele werktijd en die van de partner is gelukkig steeds meer vanzelfsprekend. De variabele 'leeftijd' ont- 1. Voor de duidelijkheid: het 'verouderingsproces' ziet op het gehele leven, vanaf (en eigenlijk zelfs al vóór) de geboorte tot de dood. Het omvat dus ook wat men veelal onder 'ontwikkeling' rangschikt: ontwikkeling is óók een vorm van veroudering. 42 NEMESIS

13 GENDER EN LEEFTIJD: VERDERE VERKENNINGEN CAR1EN EVENHU1S breekt echter veelal nog. Het is daarom niet eenvoudig om een analyse van leeftijd en gender kwantitatief te onderbouwen. In dit verkennend artikel wil ik eerst ingaan op de aard van onderscheid naar leeftijd en op het standpunt dat de regering hierover inneemt: is leeftijd een non-discriminatiegrond van dezelfde orde, dezelfde betekenis, dezelfde lading als bijvoorbeeld sekse, etniciteit, godsdienst en levensbeschouwing? Of is leeftijd alleen een kleiner broertje of zusje dat slechts op een beperkt aantal terreinen ronddartelt en vooral tot volwassen leven komt in combinatie met andere non-discriminatiegronden als sekse en etniciteit? Daarna wil ik nader ingaan op een drietal genderaspecten van leeftijd: beeldvorming, levensloop en leeftijdsopbouw in arbeidsorganisaties. Ik eindig met de huidige stand van zaken: Welke maatregelen in de wettelijke bestrijding van leeftijdsdiscriminatie staan op stapel? en: Welke plaats hebben gender-aspecten in het (overigens in herziening zijnde) wetsvoorstel Verbod op leeftijdsdiscriminatie bij werving en selectie bij de arbeid? Leeftijd: een verouderde sociale constructie Het leeftijdscriterium mag zich in een grote populariteit verheugen; zowel in wet- en regelgeving als in de maatschappelijke praktijk. Bij werving en selectie voor betaalde en onbetaalde arbeid, bij scholing, bij ontslag 2, in de gezondheidszorg, bij verzekeringen, hypotheek- en kredietverlening, bij vergunningverlening, in fiscale aftrekregelingen, huisvesting, vrijetijdsbesteding, deelname aan bestuursfuncties en andere vormen van maatschappelijke participatie bijvoorbeeld. De aanvankelijke ratio voor leeftijdsonderscheid, namelijk bescherming en waar nodig begunstiging voor jongeren en ouderen, is inmiddels sterk verbreed, met name met het levensloop-argument en het generatie-argument. Het levensloop-argument houdt in dat ieder individu steeds ouder wordt: wat men op grond van zijn leeftijd nu niet heeft zal men later nog wel krijgen, en wat men op grond van leeftijd verliest heeft men toch vroeger gehad. Het komt vooral naar voren bij de verdeling van schaarsten van bijvoorbeeld betaald werk, inkomen, budgetten in het onderwijs en de gezondheidszorg. Zo werden in de jaren tachtig met juist deze rechtvaardiging ouderen vanaf zelfs vijftig jaar bij voorrang 'afgevloeid' om plaats te maken voor jongeren. 3 Jongeren in Leiden wachten echter ook tot hun 26e op een parkeervergunning. Het generatie-argument luidt dat in onze snel veranderende samenleving niet elke generatie gelijk behandeld mag worden. In feite gaat het om het beschermings-argument, maar dan toegepast op leeftijdscohorten, generaties; met name oudere generaties die een groot deel van hun leven in een ander tijdsgewricht hebben geleefd hebben soms bescherming 2. Tot 1 juli 1994 gold de zogenoemde ouderenrichtlijn: bij reorganisaties en massa-ontslagen mochten oudere werknemers bij voorrang worden ontslagen. Blijkens allerlei krantenartikelen hebben werkgevers sindsdien diverse methoden gevonden om dit beleid ondanks de intrekking van deze richtlijn toch te blijven volhouden. Overigens vaak met instemming van de betrokkenen. 3. Het gender-aspect is hier overigens onmiskenbaar: het zijn vooral nodig waar jongere generaties buiten kunnen. Voorbeelden zijn te vinden in de Algemene bijstandswet (de zgn maatregel) en de Algemene nabestaandenwet die oudere weduwen en weduwnaars ontziet. Vooroordelen en stereotypen Kijken we wat verder naar de maatschappelijke omgang met het leeftijdscriterium, dan valt op hoezeer sprake is van vooroordelen en stereotyperingen. Leeftijd wordt vaak gezien als een generieke en dominante indicator voor individuele belangen, behoeften, financieel-economische draagkracht, leefstijlen en preferenties. Een generieke en dominante indicator voor individuele fysieke fitheid en energie, gezondheid en gezondheidsrisico's, onbevangenheid en frisheid, leeren aanpassingsvermogen, ervaring, inzicht en wijsheid. Breed leeft ook de opvatting dat het verouderingsproces een natuurlijke vermindering van verstandelijke, fysieke en psychische vermogens meebrengt, en ook een natuurlijke levensloop tot gevolg heeft waarin achtereenvolgens de fase van ontwikkeling en leren, de fase van de productieve arbeid en de fase van vrije tijd, ontspanning en reflectie wordt doorlopen. Het klinkt allemaal mooi en vertrouwd, die traditionele beelden over leeftijd en ouder worden. Hun culturele worteling blijkt uit talloze, nog dagelijks gebruikte spreekwoorden en uitdrukkingen. Maar houden die generalisaties werkelijk stand? Ieder mens heeft met het vorderen van de leeftijd te maken met verouderingsprocessen. Het tempo waarin de veroudering zich voordoet en de mate waarin daarmee samenhangende ziekten toeslaan, is volgens de huidige wetenschappelijke inzichten echter mede genetisch en dus individueel bepaald. Het verouderingsproces is bovendien meer beïnvloedbaar dan vroeger wel werd gedacht: met goede voeding en hygiëne, met betere arbeidsomstandigheden, met preventie door training en oefening van lijf en geest, met goede gezondheidszorg en compenserende hulpmiddelen. De gemiddelde levensverwachting is de afgelopen eeuw omhoog geschoten. Ook de conditie, gezondheid en gezondheidsbeleving zijn behoorlijk verbeterd. Die ontwikkeling zal nog doorgaan, zeker in een samenleving als de onze waarin fysiek zware arbeid steeds minder vaak voorkomt en maatregelen voor gezondheidspreventie sterker worden. Kortom, het tempo in het verouderingsproces is dus niet alleen afhankelijk van de individuele genetische codes, maar ook van leef- en werkomstandigheden en van de wijze waarop individuen gebruik maken (en kunnen maken) van de mogelijkheden om hun conditie en gezondheid op peil te houden en gezondheidsrisico's te vermijden. De Gezondheidsraad heeft er in zijn advies Wie is oud? 4 al op gewezen dat individuele verschillen in gezondheid met het ouder worden toenemen. Voorts heeft de sterk gestegen gemiddelde levensverwachting, ook al in combinatie met snelle maatschapde mannen die hebben geprofiteerd van de zeer gunstige afvloeiingsregelingen. De arbeidsparticipatie van vrouwen in deze leeftijdscategorie was zeer laag, terwijl de veel voorkomende deeltijdbepalingen bovendien oudere vrouwelijke werknemers buiten de regeling hielden. 4. Wie is oud?, advies van de Gezondheidsraad, 1998/ nr 2 43

14 GENDER EN LEEFTIJD: VERDERE VERKENNINGEN CARIEN EVENHUIS pelijke veranderingen, een bres geslagen in de traditionele indeling in de drie levensfasen van jeugd en adolescentie, actieve volwassenheid en ouderdom. De langere leer- en opleidingsperiode lijkt de jeugd- en adolescentietijd allengs te verlengen tot dertig jaar. De fase van actieve volwassenenheid duurt inmiddels tot circa het zeventigste of zelfs 75e jaar. Pas daarna begint gemiddeld de ouderdom zoals wij die uit vroeger tijden kennen. Het tempo waarin de veroudering zich voordoet en de mate waarin daarmee samenhangende ziekten toeslaan, is volgens de huidige wetenschappelijke inzichten echter mede genetisch en dus individueel bepaald. Ook hebben, maatschappelijk gezien, de recente emancipatie- en individualiseringsprocessen invloed. Individuen bepalen hun gedrag, belangen, behoeften, leefstijlen en preferenties niet meer zozeer aan de hand van slechts een paar dominant geachte persoonskenmerken, zoals bijvoorbeeld sekse en leeftijd. Zij maken op meer individuele basis, vaak ook tijd- en situatiegebonden, een keuze uit een groeiend scala van alternatieven. Anders gezegd: Binnen de groeiende maatschappelijke diversiteit is de traditionele betekenis van leeftijd als generieke en dominante indicator sterk aan het afnemen. Deze algemene kaders kennen ook allerlei seksespecifieke aspecten. Om te beginnen in de genetische codes, met name door de seksespecifieke voortplantingsfuncties en daarmee samenhangende gezondheidsrisico's, en voorts ook seksespecifieke vatbaarheid voor bepaalde verouderingsziektes, zoals artrose. Dan zijn er de bekende gender-verschillen in gemiddelde levensverwachting. Ook de maatschappelijke verschillen hebben invloed. De nog steeds sterke seksesegregatie in functies en beroepen, en ook de onbetaalde zorg die met name vrouwen verrichten, brengt bijvoorbeeld verschillen in werk- en leefomstandigheden mee en dus ook verschillen in gezondheidsrisico's. Vrouwen ontwikkelen, noodgedwongen of als resultaat van een bewuste keuze, vaak een andere levensloop dan mannen. De gender-verschillen in vrijetijdsbesteding (gevaarlijke sporten bijvoorbeeld) en deelname aan het verkeer (roekeloze rijders) veroorzaken verschillen in gezondheidsrisico's. Ook de wijze waarop vrouwen en mannen het verouderingsproces beleven, en de wijze waarop oudere vrouwen en mannen maatschappelijk bejegend worden, zowel in positieve als in negatieve zin, lopen uiteen. Achterhaalde beeldvorming De beeldvorming rond leeftijd, veroudering en gender heeft met deze inzichten en nieuwe ontwikkelingen niet bepaald gelijke tred gehouden. Dat is vooral te verklaren uit het feit dat de beeldvorming zich al op jonge leeftijd wortelt, zich baserend op beelden en opvattingen jegens de generatie die op dat moment oud is. Dergelijke beelden zijn zeer hardnekkig en laten zich moeilijk corrigeren en actualiseren. Leeftijd is dan ook, veel meer dan men zich gewoonlijk realiseert, een sociale constructie. Een sociale constructie van het verouderingsproces met fundamentele gender-aspecten. Een sociale constructie intussen die zelf sterk achterhaald is en dringend toe is aan fundamentele herziening. Leeftijd als non-discriminatiegrond: de juridische discussie De regering stelt zich tot nu toe op het standpunt: 'Leeftijd kan in veel opzichten een objectief criterium zijn en vanuit een oogpunt van rechtszekerheid ook wenselijk worden geacht'; en: 'Op de maatschappelijke terreinen die de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb) bestrijkt is onderscheid naar leeftijd - anders dan de wèl in de Awgb genoemde discriminatiegronden - immers in lang niet alle gevallen een onderscheid dat bij voorbaat al een vermoeden van discriminatie oplevert.' 5 Als voorbeeld noemt de regering de leeftijd van achttien jaar als criterium voor handelingsbekwaamheid of als grens voor de leerplicht. Alleen bij werving en selectie levert onderscheid naar leeftijd, aldus de regering, wel vrijwel altijd een vermoeden van discriminatie op, en is dus een wettelijk verbod noodzakelijk. De regering baseert haar stelling over de aard van het leeftijdscriterium mede op de wijze waarop de rechter vermeende inbreuken op het verbod van leeftijdsonderscheid toetst 6, namelijk terughoudend en aan de hand van de objectieve rechtvaardiging: redelijke maatstaven, de legitimiteit van het doel van de regeling en de geschiktheid en noodzakelijkheid van het gekozen leeftijdscriterium als middel om het doel te bereiken. Maar hier volgt de regering een cirkelredenering: juist omdat leeftijd niet uitdrukkelijk in artikel 1 van de Grondwet is opgenomen en valt onder de onbenoemde restcategorie 'op welke grond dan ook', en omdat voorts een geconcretiseerde norm met wettelijk vastgelegde toetsingskaders ontbreekt, kan de rechter in de praktijk ook weinig anders dan dat. Het rapport Leeftijdsgrenzen in wet- en regelgeving (1996) 7 inventariseerde knelpunten in het gebruik van leeftijdsgrenzen. Niet volledig, maar zich richtend op een drietal situaties: als nadelige effecten kunnen optreden voor bepaalde groepen, zoals vrouwen; als de gekozen leeftijdsgrens onvoldoende samenhang heeft met het beoogde doel of met leeftijdsgrenzen in belendende wetgeving; en als op termijn discussie kan gaan 5. Kamerstukken II, , (Verbod leeftijdsdiscriminatie bij werving en selectie), nr. 3 (memorie van toelichting), p. 1 resp Zie met name het jurisprudentie-overzicht in het artikel van Van Vleuten, Leeftijds- en vrouwendiscriminatie, Het gendered karater van het leeftijdscriterium, Nemesis 1995, nr. 5, p Rapport Leeftijdsgrenzen in wet- en regelgeving, Den Haag, ministeries van Binnenlandse Zaken en Justitie, maart Dit rapport werd op 18 maart 1996 aangeboden aan de Kamer, met een begeleidend schrijven waarin werd gemeld dat inmiddels om reacties 'uit het veld' was gevraagd. Bij brief van 2 maart 1998 (Kamerstukken II, , 25938, nr. 1) werd - mede naar aanleiding van die reacties - een regeringsstandpunt over leeftijdsgrenzen in wet- en regelgeving geformuleerd. 44 NEMESIS

15 GENDER EN LEEFTIJD: VERDERE VERKENNINGEN CARIEN EVENHUIS ontstaan over de rechtvaardiging van leeftijdsgrenzen of de hoogte daarvan. Er ontbreekt helaas een meer fundamentele bespreking van leeftijd en veroudering, zoals in het licht van bijvoorbeeld de hiervoor genoemde wetenschappelijke inzichten en maatschappelijke ontwikkelingen van individualisering en diversiteit. In de literatuur 8 bestaat geen overeenstemming over de aard van leeftijd als non-discriminatiegrond. Consensus is er wel over het feit dat leeftijdsgrenzen in beginsel in alle gevallen een rechtvaardiging behoeven. Van Maarseveen gaat het verst: leeftijd is een absoluut onvrijwillig en absoluut onveranderbaar persoonskenmerk, net als sekse en etniciteit, het is dus ook een bij voorbaat verdacht criterium. Huizer verwijst ook naar de geringe prognostische waarde van leeftijd voor het menselijk functioneren en naar de diversiteit in levensloop. Gerritsen stelt dat leeftijd nooit een vanzelfsprekend criterium kan zijn en afhankelijk van de omstandigheden gerechtvaardigd moet worden. Jacobs en Asscher-Vonk zijn eveneens van mening dat leeftijdsonderscheid altijd gerechtvaardigd moet worden, maar wijzen erop dat leeftijd als criterium zeker niet in alle gevallen maatschappelijk verwerpelijk wordt geacht. Heringa ziet in het levensloop-argument het belangrijkste verschil met sekse en etniciteit. De bescherming van ouderen en jongeren is naar zijn mening een belangrijke sociale verworvenheid. Categorisaties op macroniveau zijn als rechtvaardiging op zich wel toelaatbaar, maar moeten zijns inziens ook op microniveau aan het gelijkheidsbeginsel beantwoorden: de gedupeerde groep moet bij toepassing van een leeftijdsgrens zo klein mogelijk zijn. Goldschmidt stelt dat, gezien de vele gender-aspecten, leeftijdsonderscheid vaak neerkomt op sekse-onderscheid. Wat kan ik aan al deze wijsheid nog toevoegen? Het criterium leeftijd is inderdaad objectief in de zin dat de leeftijd van burgers in een land met een degelijk werkende burgerlijke stand eenduidig is vast te stellen. Daarmee houdt de objectiviteit ook wel op. Want het antwoord op de vraag óf een criterium moet worden gehanteerd, of dat een leeftijdscriterium moet zijn of een andersoortig criterium, en welke leeftijdsgrens dan moet worden gekozen, is bepaald niet objectief want steeds het resultaat van een maatschappelijke visie op leeftijd. Het gaat daarbij, zo erkent ook de regering, om een 'complex van met elkaar verweven argumenten van maatschappelijke, ontwikkelingspsychologische, economische, sociale en demografische aard'. 9 De grondslag voor het merendeel van deze argumenten is, zoals ik hiervoor probeerde aan te tonen, in ieder geval achterhaald en wordt al te gemakkelijk toegepast bij de verdeling van sociaal-economische en andere schaarsten, bij de bepaling van risico's en premiedruk. Leeftijdscriteria leiden tot ernstige vormen van sociale en economische uitsluiting. Daarmee vertoont leeftijd veel overeenkomsten met sekse en etniciteit: de diep gewortelde, vaak 'natuurlijk' geachte verschillen in sekse, etniciteit en nu ook leeftijd staan vaak voorop. Ze krijgen in de praktijk een belangrijke, soms zelfs doorslaggevende betekenis in de toekenning van rechten, kansen en mogelijkheden en in de ordening en inrichting van onze samenleving. De strikte scheiding die de regering aanbrengt tussen criteria die al dan niet 'bij voorbaat verdacht' zijn doet dan ook kunstmatig aan. Zij miskent bovendien de nog betrekkelijk recente geschiedenis die ook sekse en etniciteit hebben als breed erkende non-discriminatiegronden. Op dit moment is het wettelijk en praktisch gebruik van het criterium leeftijd mijns inziens in ieder geval niet minder 'bij voorbaat verdacht' dan dat van sekse of etniciteit. Dat verschillen in leeftijd wellicht vaker en anders een verschil in behandeling rechtvaardigen dan bij sekse en etniciteit doet daar niets aan af. Vrouwen ontwikkelen, noodgedwongen of als resultaat van een bewuste keuze, vaak een andere levensloop dan mannen. Leeftijd en gender Ik noemde hiervoor al een aantal belangrijke genderaspecten van leeftijd: genetisch, fysiek, werk- en leefomstandigheden, gezondheidsrisico's, levensloop, beleving en bejegening. Behalve bij een handjevol onderzoekers, met name Keuzenkamp, Keijzer, Ketelaars en Nederland, bestaat echter nog weinig belangstelling voor dit onderwerp. Cijfermatige gegevens over leeftijd in combinatie met andere gender-gerelateerde thema's zoals moederschap en ouderschap, etniciteit, gezondheidsrisico's en gezondheidszorg, seksueel geweld (afgezien natuurlijk van seksueel misbruik van kinderen), vrijetijdsbesteding en maatschappelijke participatie ontbreken veelal, of beperken zich alleen tot een specifieke leeftijdsgroep zoals 65+-ouderen. In het navolgende ga ik met name in op een drietal thema's, namelijk beeldvorming, leeftijdsopbouw in arbeidsorganisaties alsmede levensloop. Beeldvorming De laatste decennia is er veel veranderd in de positie van vrouwen. De beeldvorming over het verouderingsproces van vrouwen wordt echter veelal nog bepaald door de wijze waarop de huidige groep oudere vrouwen oud geworden is en hoe zij hun leven leiden. Daarbij is sprake van evidente gender-aspecten, zoals Scheepens in een recent literatuuronderzoek aantoont. 10 Voor de duidelijkheid: ook mannen worden benadeeld door stereotyperingen over leeftijd. Maar aangezien het 'mannelijke' in onze samenleving in het 8. Voor deze korte samenvatting is geput uit: A.T.J.M. Jacobs, Leeftijdsdiscriminatie in de arbeid, in Arbeid en discriminatie, Sociaalen arbeidsrechtelijke reeks 29, Deventer, 1992; A.C.B.W. Doup en I.P. Asscher-Vonk, Leeftijdscriteria in het arbeidsbestel, Alphen a/d Rijn, 1990; A. Huizer, De verjaardag, een overgewaardeerd rechtsfeit, over leeftijdsgrenzen in de regelgeving. Amsterdam, Stichting Recht en Leeftijd, 1991 ena. Gerritsen, Onderscheid naar leeftijd in het arbeidsrecht, Deventer, Kluwer, Zie noot 7, p Drs. J.E. Scheepens, Verschil m/v in beeld; literatuuronderzoek beeldvorming, leeftijd en genderaspecten. Utrecht, Landelijk Bureau Leeftijdsdiscriminatie, juni nr 2 45

16 GENDER EN LEEFTIJD: VERDERE VERKENNINGEN CARIEN E V E N H U 1 S algemeen nog steeds hoger wordt aangeslagen en de situatie van vrouwen veelal wordt getoetst aan de mannelijke norm, werkt de beeldvorming jegens ouder wordende mannen veel minder ongunstig uit dan voor ouder wordende vrouwen. De overwegend negatieve beeldvorming over oudere vrouwen wijt Scheepens ten eerste aan hun karakterisering als achterstandsgroep. Zij scoren op belangrijk geachte aspecten als inkomen, woonomstandigheden, opleiding, gezondheidssituatie en vertegenwoordiging in besturen immers slechter dan mannen. Ook het bestaande arbeidsethos werkt slecht voor hen uit omdat zij, in tegenstelling tot mannen, vaak nauwelijks een arbeidsverleden hebben, en er minder maatschappelijke waardering bestaat voor de zorg die oudere vrouwen in de privésfeer hebben verricht en vaak nog steeds verrichten. Ook vooroordelen en stereotyperingen jegens oudere vrouwen spelen een belangrijke rol. Ze zouden weinig kennissen hebben, sociaal geïsoleerd zijn, niet meer in staat zich ergens voor in te zetten, vatbaarder zijn voor psychische problemen en ziekten. Ze zijn fysiek onaantrekkelijk, a-seksueel, fysiek incapabel. Ze hebben minder intellectuele capaciteiten, behoeven hulp en sturing, zijn zwak en passief en hypochondrisch van aard. Waar voor jongere vrouwen het ideaal van schoonheid en seksuele aantrekkingskracht in hun voordeel werkt, raken ouder wordende vrouwen verstrikt in een neerwaartse spiraal van verminderende waardering. Worden oudere mannen beoordeeld op basis van persoonlijkheid, intelligentie, charme en succes, voor oudere vrouwen staat in de beoordeling verlies van fysieke, seksuele uitstraling voorop. Het hebben en behouden van een jeugdige uitstraling is voor alle vrouwen dan ook belangrijk, ongeacht hun leeftijd. Maatschappelijke successen en intellectuele prestaties spelen in de beoordeling een veel geringere rol. Veel van deze vooroordelen worden door onderzoek niet gestaafd, of in ieder geval sterk genuanceerd. Oudere vrouwen hebben vaak juist uitgebreide sociale netwerken, zijn actiefin educatie en vrijwilligerswerk, en blijken veelal beter te kunnen leven met de beperkingen die de ouderdom met zich brengt dan mannen. De vrouwen die nu ouder zijn en ouder worden hebben hun opleidingsachterstand in belangrijke mate ingehaald. De idee dat de seksuele driften van vrouwen afnemen met het verlies van de vruchtbaarheid is, zoals we allemaal weten, echt een fabeltje. Inmiddels zijn er gelukkig tekenen van verandering waar te nemen. Vrouwen van vijftig jaar en ouder manifesteren zich uitdrukkelijker in de samenleving en stellen expliciet en door hun feitelijk gedrag de eenzijdige beeldvorming aan de orde. Ook in populaire dramaproducties op tv, met name BBC-producties, is het nieuwe vrouwbeeld van interessante en seksueel actieve vrouwen van veertig- en vijftig-plus 'ontdekt'. Bekend voorbeeld is natuurlijk Helen Mirren in 'Prime Suspect'. Maar ook de AVRO-productie 'Oud Geld' biedt met Carine Crutzen beelden van hedendaagse ouder wordende vrouwen. Leeftijdsopbouw in arbeidsorganisaties In de leeftijdsopbouw van het werknemersbestand binnen de arbeidsorganisaties zijn gender-aspecten prominent aanwezig. Op macroniveau zijn mannen in de meeste leeftijdsgroepen zwaar oververtegenwoordigd: de arbeidsparticipatie onder vrouwen van dertig jaar en ouder, en zeker van vijftig- en 55-plus, is immers (nog) beduidend lager dan die van de vergelijkbare groepen mannen. Deze macro-m/v-verschillen variëren bovendien voorts nog per sector, en ook per functie- en beroepsgroep. In traditionele vrouwensectoren, zoals de gezondheidszorg en het onderwijs, zijn de genderverschillen iets minder groot dan in sectoren waar vrouwen pas recent, en dan vaak nog mondjesmaat, zijn doorgedrongen, zoals de industrie en de bouw. De laatste jaren voeren steeds meer (grotere) arbeidsorganisaties een zogenoemd leeftijdsbewust personeelsbeleid. Het perspectief in de jaren tachtig, namelijk dat oudere werknemers, soms al vanaf 52 of 55 jaar, moesten afvloeien om plaats te maken voor jongeren, is immers vervangen door het perspectief dat oudere werknemers zo veel en zo lang mogelijk moeten blijven werken. Leeftijdbewust personeelsbeleid heeft vooral ten doel de oudste groep werknemers - op dit moment in feite nog vooral mannen - te blijven prikkelen, te motiveren om een actieve bijdrage aan de productie te blijven leveren: Motivatiecursussen, plaatsing in begeleidende senior-rollen, vermindering van werkbelasting, demotie. Ze zijn fysiek onaantrekkelijk, a-seksueel, fysiek incapabel. Ze hebben minder intellectuele capaciteiten, behoeven hulp en sturing, zijn zwak en passief en hypochondrisch van aard. Maar dat zijn vooral de knelpunten en problemen van oudere mannelijke werknemers. Vrouwelijke werknemers lopen al veel eerder tegen knelpunten in verband met leeftijd aan, en bovendien tegen andere knelpunten. Op het moment dat zij overwegen kinderen te krijgen levert dat immers al spanningen op met de feitelijke druk om juist op die leeftijd de basis te leggen voor de carrière. Vrouwen die voor een periode van zorg voor kinderen geheel of gedeeltelijk uitgetreden waren, willen daarna gewoon weer fris aan de slag. Ze hebben niet zozeer behoefte aan maatregelen gericht op motivatie en vermindering van werkbelasting, maar veeleer aan werktijdüitbreiding, ondersteuning bij carrièreperspectieven en verticale doorstroming, aan intensieve scholing en vorming om de breuk in arbeidservaring te dichten. En ze vragen ook andere verloffaciliteiten dan kinderopvang en ouderschapsverlof. Omdat de druk op de mantelzorg - een waarde in zich - vooralsnog groot blijft, ontstaan er immers knelpunten in de zorg voor bejaarde ouders en anderen in de sociale omgeving. En tenslotte, bepaald niet onbelangrijk: De arbeidsomstandigheden in zelfs vrouwensectoren als de gezondheidszorg zijn traditioneel gebaseerd op de fysieke krachten van jonge vrouwen, die immers voor hun dertigste jaar vanwege kinderen de arbeid zouden verlaten. Ze houden vrijwel geen rekening met de gevolgen van fysieke en psychische overbelasting daarvan voor de langere termijn en 46 NEMESIS

17 GENDER EN LEEFTIJD: VERDERE VERKENNINGEN CARIEN EVENHUIS ook niet met de verminderende fysieke belastbaarheid die met leeftijd gepaard gaat. Hieruit is dan ook mede de hoge WAO-uitval van met name vrouwen boven de veertig jaar in de gezondheidszorg te verklaren. Het huidig leeftijdbewust personeelsbeleid is dus sterk gendered: het richt zich door de probleemstelling in de praktijk vooral op mannelijke werknemers. De knelpunten die vrouwen in verband met leeftijd ontmoeten worden vooral als specifieke 'vrouwenproblemen' gezien, of als 'arbeid en zorg'-problemen. Lichtpuntje is intussen dat de belangstelling voor werknemers boven de veertig jaar groeit. Opfris verlof en loopbaanonderbreking worden bespreekbaar. De hoge WAOuitval in de gezondheidszorg trekt aandacht. Het zijn bruikbare aanknopingspunten om de gender-aspecten van leeftijdbewust personeelsbeleid aan de orde te stellen, en daar alle informele en formele leeftijdsgrenzen bij te betrekken. Levensloop De 'stille revolutie' van de afgelopen decennia heeft generaties jonge en ouder wordende vrouwen opgeleverd die een andere levensloop en ook een ander toekomstperspectief ontwikkelen dan de generatie vrouwen die nu oud is. De standaard-levensloop, zoals die in wetgeving, beleid en maatschappelijke praktijk voor vrouwen verankerd was - een korte periode van opleiding en betaalde arbeid, gevolgd door een leven als economisch afhankelijke, zorgende huisvrouw - is verouderd geraakt. De standaard-levensloop voor mannen - opleiding en vorming, een doorlopende periode van betaalde arbeid, en een afsluitende inkomensvoorziening voor een financieel en feitelijk verzorgde oude dag - is intussen vrijwel intact gebleven. Deze mannen-standaard, vastgelegd in wet- en regelgeving, ander overheidsbeleid en maatschappelijke praktijk, geldt nu ook steeds meer voor vrouwen. Zoals bekend conformeren veel vrouwen zich na de eerste periode van opleiding en scholing nog nauwelijks aan die standaard-levensloop van mannen. Waar voor mannen het (kunnen) krijgen van kinderen veelal een meer of minder opmerkelijke rimpeling in hun levensloop betekent, is het voor vrouwen inmiddels een cruciaal moment voor hun toekomstperspectief. Een moment waarop zij vaststellen of zij kinderen krijgen, welke taak en rol zij voor zichzelf en een eventuele partner zien in de zorg en opvoeding van hun kinderen, en hoe zij de verhouding zien met andere aspecten van het leven zoals ontplooiing in de betaalde arbeid, carrièremogelijkheden, financieel-economische perspectieven en vrijetijdsbesteding. Vrouwen doen daarin uiteenlopende keuzes, afhankelijk van met name hun eigen individuele waardering voor de verschillende levenssferen, afhankelijk van hun gezinssituatie, de opstelling van hun partner en hun inschatting van het belang van verlies aan verdiencapaciteit en economische zelfstandigheid. 11 Vrouwen vertonen daarmee vanaf circa hun dertigste jaar, anders dan mannen, een groeiende diversiteit in levensloop. In deze diversiteit zijn inmiddels globaal een drietal 'nieuwe' modellen te onderscheiden: (bijna) volledige terugtrekking uit de betaalde arbeid (tot circa tien uur per week), vaak in combinatie met her-, om- en bijscholing respectievelijk vrijwilligerswerk, met (meestal) de wens tot herintreden 12 ; gedeeltelijke terugtrekking uit de betaalde arbeid (minimaal tien uur per week), vaak in combinatie met her- om- en bijscholing respectievelijk vrijwilligerswerk, met de wens tot latere uitbreiding van de arbeidsduur; voortzetting van (vrijwel) volledige deelname aan de betaalde arbeid, met gebruikmaking van kinderopvang, verloffaciliteiten met zo mogelijk extra zorg-inzet van de partner. Het zijn vooral de eerste twee modellen - op dit moment nog verreweg het meest gevolgd - die de diversiteit in de levensloop van vrouwen veroorzaken. Op het moment dat de meeste mannen, zo omstreeks hun veertigste jaar, de basis in hun carrière, loon- en pensioenopbouw hebben gelegd, wel weten waar ze aan toe zijn en de blik allengs op het uittreden richten, komen vrouwen juist toe aan een echte focus op het betaalde werk. Om overigens te merken dat hun arbeids- en carrièrekansen, hun doorstroommogelijkheden, hun kansen op een goede pensioenopbouw niet alleen vanwege hun sekse, maar zeker ook vanwege hun leeftijd goeddeels verkeken zijn. De 'carrièrevrouwen', met een goede opleiding en veel ambitie, kiezen dan ook vooral voor het derde model. Dat model is in feite een gemitigeerde vorm van de huidige standaard-levensloop van mannen, een 'nieuwe standaard-levensloop' dus. Deze 'nieuwe standaard-levensloop' staat ook centraal in het combinatiescenario zoals omarmd door de vrouwenbeweging en de regering. Met als belangrijkste argument dat deze 'feministische' variant van de standaard-levensloop de meeste en ook de beste kansen geeft op een levenslange economische zelfstandigheid, gelijke posities en carrièreperspectieven op de arbeidsmarkt, inclusief de topfuncties. In het streven naar dit derde model, de 'nieuwe standaard-levensloop' voor iedereen, vrouwen en mannen, betekenen de eerste twee modellen in feite (weer) een achterstand. In dit verband zij opgemerkt, dat ook het tweede model, zowel voor individuen, vrouw of man als voor de organisatie van de arbeid, bepaald niet onaantrekkelijk is. Het biedt immers een goede alternatieve keuzemogelijkheid voor die individuen (v/m) die niet, of althans niet op jonge leeftijd, mee willen doen aan de rat-race van carrièremaken, maar een langzamer, minder stress veroorzakend verloop van hun actieve arbeidsperiode prefereren. Het sluit ook aan bij de toenemende behoefte aan loopbaanonderbreking en opfrisverlof: het leven bestaat immers uit meer dan alleen arbeid en zorg. Het biedt ook kansen voor behoud van employability in een snel veranderende samenleving die voortdurende her-, om- en bijscholing vraagt, en zal blijven vragen. Het sluit aan bij het concept van de 'ondernemende werkende' die meer individuele verantwoordelijkheid, maar ook meer eigen 11. Zie voor een recente studie J.M. Bekkering en R.M. Jansweijer, De verdeling van arbeid en zorg: prikkels en belemmeringen, Den Haag, Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, 1998, nr. W Dit model wordt vooral in verband gebracht met vrouwen met een lagere opleiding die weinig financieel voordeel hebben bij betaald werk, zeker met de huidige kostwinnersvoordelen. Te vaak wordt vergeten dat het ook een aantrekkelijk model is voor vrouwen/mannen met een gehandicapt kind of een kind dat anderszins om zeer intensieve aandacht vraagt nr 2 47

18 GENDER EN LEEFTIJD: VERDERE VERKENNINGEN CARIEN EVENHUIS zeggenschap krijgt over de eigen employability. En het biedt mogelijkheden voor een betere spreiding van activiteiten in de diverse levenssferen, hetgeen de kwaliteit van het leven ten goede kan komen: een cyclische levensloop, waarin elke levensfase niet meer één hoofdactiviteit kent, zoals nu, maar waar over het gehele leven steeds meerdere accenten tegelijkertijd of in een zekere afwisseling kunnen worden gelegd. In dat licht betekent een levensloop volgens het tweede model nu vooral nog een vrouwenmodel, niet een in te halen achterstand, maar juist een volwaardig alternatief voor het derde model. Een alternatief dat vrouwen én mannen en ook de organisatie van arbeid, zorg en andere levenssferen de nodige kansen biedt. De diversiteit die vrouwen nu vertonen door meerdere standaarden te ontwikkelen kan zelfs als gedrag van voorlopers worden beschouwd. Maatregelen tegen leeftijdsdiscriminatie De discussie over bestrijding van leeftijdsdiscriminatie is de laatste jaren geïntensiveerd. Bij het eerdergenoemd onderzoek Leeftijdsgrenzen in wet- en regelgeving (1996) heeft het kabinet aangekondigd achterhaalde of overbodig gebleken wettelijke leeftijdsgrenzen te zullen schrappen. Een tijdsplanning ontbreekt echter nog steeds. In het verlengde van de inventarisatie op rijksniveau heeft minister Peper van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) in november 1998 tijdens een Algemeen Overleg met de Tweede Kamer toegezegd ook voor het gemeentelijk en provinciaal niveau een dergelijke inventarisatie van leeftijdsgrenzen te zullen uitvoeren. 13 Staatssecretaris Vliegenthart (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) heeft bij dezelfde gelegenheid toegezegd het Landelijk bureau leeftijdsdiscriminatie opdracht te geven een knelpunteninventarisatie te maken op andere terreinen van het maatschappelijk leven. Al eerder, in november 1997, diende de toenmalige minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), Melkert, een wetsvoorstel Verbod leeftijdsdiscriminatie bij werving en selectie in. 14 Na hevige kritiek van het Landelijk bureau leeftijdsdiscriminatie, de Commissie gelijke behandeling en de Tweede Kamer 15 op de normstelling en de reikwijdte, besloot staatssecretaris Verstand (SZW) in oktober 1998 dit voorstel in te trekken en te vervangen door een op nieuwe en bredere leest geschoeid wetsvoorstel. 16 Naar verwacht zal dit nieuwe voorstel voorjaar 1999 aan de Raad van State worden gezonden. Het herziene wetsvoorstel zal, veel meer dan het oude, worden geënt op het systeem van de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb). Direct en indirect onderscheid wordt verboden en de uitzonderingsgronden op het verbod van direct leeftijdsonderscheid zullen (vrijwel) limitatief worden opgesomd. De reikwijdte zal worden uitgebreid tot in ieder geval scholing en vorming, school- en beroepskeuzevoorlichting en promotie. Ontslag, loon en andere arbeidsvoorwaarden lijken vooralsnog niet binnen het bereik van de wet te worden gebracht: naar verluidt zou eerst nader onderzoek moeten plaatsvinden naar het voorkomen van directe en indirecte leeftijdsgrenzen in de arbeidsvoorwaarden, m.n. de CAO's. Belang en effectiviteit van een wettelijk verbod Vanuit genderperspectief heeft een wettelijk verbod van leeftijdsonderscheid in ieder geval twee voordelen. Ingeval van samenloop van sekse- en leeftijdsonderscheid hoeft een klaagster niet meer aannemelijk te maken dat het leeftijdsonderscheid een vermoeden van (indirect) sekse-onderscheid oplevert: ze kan zich direct op het verbod van leeftijdsonderscheid beroepen. Dat vereenvoudigt de stelplicht. Voorts kunnen allerlei eisen, voorwaarden en omstandigheden die ter rechtvaardiging van leeftijdsonderscheid worden aangedragen mede worden getoetst aan hun gender-aspecten. Het aanvankelijke wetsvoorstel besteedde in de memorie van toelichting intussen vrijwel geen enkele aandacht aan gender-aspecten van leeftijd, noch in z'n algemeenheid, noch bij de bespreking van mogelijke uitzonderingsgronden. Een ernstige omissie, alleen al uit het oogpunt van de veelgeprezen maar zelden toegepaste mainstreaming van gender- en diversiteitsaspecten. Maar ook juridisch is de omissie relevant: een goede beoordeling van nut, belang en noodzaak van de voorgestelde uitzonderingsgronden, en ook de te verwachten effectiviteit van deze wet in relatie tot de Awgb en de Wgb vergt dat de gender-aspecten uitdrukkelijk aan de orde komen. Hierna noem ik enkele aspecten die in dat verband naar voren hadden kunnen 13. Kamerstukken II, , 25938, nr. 3 en 4: schriftelijke voorbereiding respectievelijk verslag van een Algemeen Overleg op 11 november 1998 over het regeringsstandpunt Leeftijdsgrenzen in wet- en regelgeving (Kamerstukken II, , 25938, nr. 1). 14. Kamerstukken II, , , nr Commentaar van het Landelijk Bureau Leeftijdsdiscriminatie d.d. 24 november Commentaar van de Commissie gelijke behandeling d.d. 25 november Kamerstukken II, , 25677, nr. 4 (verslag d.d. 19 december 1997). 16. Brief van 27 oktober 1998, Kamerstukken II, , 25677, nr. 6; zie ook SZW-persbericht dd. 27 oktober 1998, nr 98/ NEMESIS

19 GENDER EN LEEFTIJD: VERDERE VERKENNINGEN CARIEN EVENHUIS komen. Wellicht te laat voor het opstellen van het nieuwe wetsvoorstel door de regering, maar in ieder geval op tijd voor de parlementaire behandeling daarvan. Uitzonderingen in verband met bescherming De memorie van toelichting op het in te trekken wetsvoorstel noemde drie situaties waarin sprake is van bescherming: a. Leeftijd is een zeer bepalende factor voor de uitvoering, zoals bij acteurs, zangers en dansers. Hier is met name de bescherming van de artistieke vrijheid in het geding. Hamlet laten spelen door een zeventigjarige vrouwelijke actrice levert een andere interpretatie op dan een Hamlet die wordt gespeeld door een zeventienjarige Chinees of een veertigjarige homoseksueel. b. Leeftijd is een zeer bepalende factor voor de persoonlijke verzorging, verpleging, opvoeding of hulpverlening (aansluiting bij de doelgroep bijvoorbeeld). Hier gaat het om de bescherming van privacy en de bescherming van vrijheid in pedagogische en hulpverleningsvisies. c. Leeftijd is een bedreiging van de gezondheid en de veiligheid van de werknemer zelf of voor derden: er bestaan bepaalde beroepsactiviteiten waarvan verondersteld wordt dat deze om fysieke redenen beter niet door personen onder of boven een bepaalde leeftijd kunnen worden verricht, respectievelijk dat dan de veiligheid en gezondheid van derden in gevaar wordt gebracht. Kortom: de bescherming van veiligheid en gezondheid. In ieder geval hebben de onder b en c genoemde situaties een genderlading. Bij b gaat het overigens eigenlijk om twee verschillende soorten gevallen: gevallen waarin het gaat om bescherming van privacy respectievelijk schaamtegevoelens (persoonlijke verzorging en verpleging) en gevallen waarin de legitimiteit van verschillen in pedagogische en hulpverleningsvisies wordt erkend. De uitzondering voor schaamtegevoelens in verband met leeftijd is op z'n zachtst gezegd verbazingwekkend, en moet mijns inziens worden geschrapt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. De uitzondering voor pedagogische of hulpverleningsvisies is nog enigszins begrijpelijk. In de toedeling van rollen, zoals de ouderrol of de grootouderrol, kan leeftijd relevant zijn. De onder c genoemde uitzonderingsgrond 'bedreiging van de gezondheid en veiligheid' verdient meer aandacht. De memorie van toelichting op wetsvoorstel noemde als voorbeelden uithoudingsvermogen, spierkracht en energie, concentratie en alertheid, zware arbeidsomstandigheden als ploegendienst en nachtarbeid. Los van de wel erg grove generalisaties - juist deze punten zijn mede genetisch bepaald en daarnaast op individueel niveau goed beïnvloedbaar - spelen hier de sekse-specifieke aspecten een rol. Gangbare stereotypen als zouden vrouwen over minder uithoudingsvermogen, spierkracht en (fysieke) energie beschikken en minder opgewassen zijn tegen zware arbeidsomstandigheden stapelen zich hier gemakkelijk bovenop de stereotypen over leeftijd en veroudering. Ander aspect is dat vrouwen bij de veroudering soms andere gezondheidsrisico's lopen dan mannen. Beide punten behoren bij de beoordeling van deze uitzonderingsgrond expliciete aandacht te krijgen. Werkelijke ondernemingsbelangen in relatie tot evenwichtige leeftijdsopbouw Het doel van evenwichtige leeftijdsopbouw kan, aldus de memorie van toelichting op wetsvoorstel 25677, op verschillende manieren werkelijke ondernemings- en dienstbelangen dienen. Het kan noodzakelijk zijn voor de continuïteit van een onderneming, bijvoorbeeld als er een pensioengolf aankomt. Het kan bevorderlijk zijn voor het creatief vermogen van de onderneming als mensen van allerlei leeftijden en dus uiteenlopende kennis en ervaring met elkaar samenwerken. En het kan de herkenbaarheid voor klanten en burgers vergroten. De diversiteit die vrouwen nu vertonen door meerdere standaarden te ontwikkelen kan zelfs als gedrag van voorlopers worden beschouwd. Hoe deze uitzondering in de praktijk zal uitwerken is wel duidelijk: hij biedt vooral handvatten voor die werkgevers die graag maximum-leeftijdsgrenzen willen stellen. Immers, werknemers boven de veertig jaar zijn er genoeg: elk jaar worden de werknemers vanzelf een jaartje ouder. Voor de continuïteit, de bevordering van het creatief vermogen en de herkenbaarheid zullen werkgevers dan ook vooral naar jongere werknemers zoeken. Bovendien zal een onderneming die een relatief groot aantal jongere werknemers heeft het tekort aan oudere werknemers vermoedelijk ook niet snel als een bedreiging van het werkelijke ondernemingsbelang ervaren: we zijn lekker jong, fris, creatief en snel, en dat is voldoende. Ter vergelijking: mannen ervaren het niet zo gauw als een probleem dat zij een mannengroep vormen. Vrouwen daarentegen zien het veel eerder als een probleem als er geen mannen in de groep zitten. Vanuit genderperspectief is het bezwaar tegen het concept van evenwichtige leeftijdsopbouw natuurlijk vooral, dat de leeftijdsopbouw in een onderneming niet gender-neutraal is, en de beeldvorming evenmin. De vraag of al dan niet sprake is van evenwicht en of dat een probleem is, zal gemakkelijk een ander antwoord krijgen als alleen naar mannen wordt gekeken dan alleen naar vrouwen. Kortom: zeker uit genderperspectief is dit een gevaarlijk soort uitzondering die de al bestaande seksespecifieke beelden en stereotyperingen eerder bevestigt dan doorbreekt. Het aspect van evenwichtige leeftijdsopbouw werd in wetsvoorstel uiteraard alleen toegelicht voor het terrein van werving en selectie. Toepassing op terreinen die nu aan de reikwijdte worden toegevoegd (scholing en vorming, school- en beroepskeuzevoorlichting, promotie) maakt de uitzondering vanuit genderperspectief nog kwestieuzer. Niet uitgesloten is, dat het aspect van evenwichtige leeftijdsopbouw in deze uitzonderingsgrond bij het opstellen van het nieuwe wetsvoorstelzal sneuvelen. Zowel het Landelijk bureau leeftijdsdiscriminatie als 1999 nr 2 49

20 GENDER EN LEEFTIJD: VERDERE VERKENNINGEN CARIEN EVENHUIS de Commissie gelijke behandeling 17 hebben uitdrukkelijk gewezen op de gevaren van deze uitzondering. Of daarmee ook de 'werkelijke ondernemings- of dienstbelangen' als uitzondering zullen vervallen, is niet duidelijk. Een dergelijke ongeclausuleerde uitzondering op het verbod van direct onderscheid (met een toetsingskader a la de objectieve rechtvaardigingsgrond) zou overigens een novum betekenen. Het ligt meer voor de hand hier dezelfde aanpak te kiezen als bij sekse en etniciteit: 'werkelijke ondernemings- en dienstbelangen' vormen in die algemene (bezweringsformule nooit een rechtvaardiging voor een inbreuk op het verbod van direct onderscheid. Ze kunnen zonodig echter wel worden geconcretiseerd in bijvoorbeeld functie-eisen, voorwaarden voor deelname aan cursussen en dergelijke. Indien deze in de praktijk vooral personen van een bepaalde (leeftijds)groep blijken te treffen, kunnen ze eenvoudigweg als vorm van indirect onderscheid worden getoetst aan de objectieve rechtvaardiging. Een onderneming die door een dreigende pensioengolf meent dat de continuïteit in gevaar komt, kan bijvoorbeeld als functie-eis stellen dat de kandidaat voor een langere periode in staat en bereid moet zijn haar krachten aan de onderneming te geven. Mensen van bijvoorbeeld 55 - of zestig jaar en ouder (afhankelijk van de geldende pensioenleeftijd) die op deze wijze indirect worden uitgesloten, kunnen de deugdelijkheid van deze eisen ter toetsing voorleggen aan de Commissie gelijke behandeling of aan de rechter. Eenzelfde aanpak is ook mogelijk waar het gaat om herkenbaarheid voor klanten en burgers, of om creatief vermogen. Begunstigende uitzonderingen ontbreken Ofschoon uitdrukkelijk wordt erkend dat vooral oudere werknemers de dupe worden van ongerechtvaardigd leeftijdsonderscheid en dat juist zij baat moeten hebben bij het wettelijk verbod, ontbreken begunstigende uitzonderingen zoals vormen van voorkeursbehandeling of andere maatregelen die inspelen op de specifieke situatie van oudere werknemers. Dat is, gezien de huidige praktijk, merkwaardig. Er zijn bijvoorbeeld allerlei bureaus, of onderdelen van algemene bureaus, die zich specifiek richten op bemiddeling/uitzending/detachering van ouderen, zelfs van 65-plussers, vrouwen en mannen. Deels omdat het vaak extra inzet en expertise vergt om oudere werkzoekenden geplaatst te krijgen, zowel in de betaalde arbeid als voor bijvoorbeeld betaalde en onbetaalde bestuursfuncties. Deels ook omdat bijvoorbeeld jonge buitenlandse bedrijven in Oosteuropa, Afrika en Azië graag gebruik maken van de expertise van oudere managers die dat hunnerzijds als een mooie afronding van hun carrière zien. Deze bureaus richten zich veelal uitdrukkelijk mede op oudere vrouwelijke werkzoekenden, gehele of gedeeltelijke herintreedsters. Dergelijke activiteiten richten zich expliciet op ouderen en hanteren dus in feite een - flexibele - leeftijdsgrens. Omdat hiervoor niet in een uitzondering is voorzien zullen die binnenkort dus verboden worden. Voorts is denkbaar - praktijkvoorbeelden zijn mij niet bekend - dat sommige werkgevers gezien de problemen van oudere werknemers specifiek extra kansen willen geven aan kandidaten uit deze leeftijdsgroep. Ook dit zou verboden worden. De memorie van toelichting op wetsvoorstel besteedt aan deze punten geen enkele aandacht. Is de regering werkelijk van mening dat deze inzet, deze activiteiten zonder enige toelichting gewoonweg verboden dienen te worden? Het ontbreken van begunstigende uitzonderingen zou zich ook kunnen wreken als de reikwijdte van de wet wordt uitgebreid tot scholing en vorming. In de huidige praktijk gelden daar immers allerlei expliciete of impliciete leeftijdsgrenzen. Argumenten daarvoor zijn meestal gelegen in de pedagogische aanpak, de aard van de scholing of het wegnemen van achterstanden die alleen oudere generaties hebben. Het is echter vrijwel altijd mogelijk om deze argumenten te vertalen in functionele doelstellingen en toelatingsvoorwaarden. Een specifieke uitzondering lijkt me dan ook niet nodig. Indien en voorzover de functionele eisen en voorwaarden toch vooral personen van bepaalde leeftijdsgroepen blijken uit te sluiten, dan kunnen de gedupeerden de deugdelijkheid daarvan weer als vermoeden van indirect onderscheid ter toetsing voorleggen aan de Commissie gelijke behandeling of de rechter. Tot slot Het thema van gender, diversiteit, leeftijd en levensloop krijgt bij lange na nog niet de aandacht die het verdient. Ik heb in het voorgaande slechts enkele punten aangestipt die in ieder geval meer verdieping, uitwerking en discussie nodig hebben. Er zijn er natuurlijk veel meer. Uit de selectie die ik in dit artikel maakte blijkt intussen wel waar ik me op dit moment vooral zorgen over maak: - Het nog vrijwel geheel ontbreken van het genderperspectief in de beeldvorming rond leeftijd, met alle consequenties vandien voor de manier waarop overheid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties de vragen (en oplossingen) rond leeftijdsdiscriminatie percipiëren en bestrijden; - De spanning tussen enerzijds de huidige visie van één nieuwe standaard-levensloop voor vrouwen en mannen, en anderzijds de diversiteit in levensloop die nu in verschillende standaarden weliswaar vooral door vrouwen wordt voorgeleefd maar die wel goed aansluit bij de zich ontwikkelende preferenties van mannen (wens tot meer tijd voor zorg, maar ook behoefte aan opfrisverlof en loopbaanonderbreking) en bij de snel veranderende opleidings- en scholingseisen in onze samenleving; - De gevaren van een leeftijdsbewust personeelsbeleid dat zich vrijwel alleen richt op de problemen van oudere mannelijke werknemers en geen oog heeft voor de problemen, wensen en behoeften van vrouwelijke werknemers; - Het ogenschijnlijk gemak waarmee in het aanvankelijke wetsvoorstel Verbod leeftijdsdiscriminatie bij 17. Toespraak Carien Evenhuis, voorzitter van het Landelijk bureau leeftijdsdiscriminatie, op 31 maart 1998 ter gelegenheid van de presentatie van het Jaarverslag Commissie gelijke behandeling Commentaar d.d. 1 december 1998 van de Commissie gelijke behandeling op een eerste concept voor het nieuwe ontwerp-wetsvoorstel Verbod leeftijdsdiscriminatie. 50 NEMESIS

Belastingplan 21e eeuw

Belastingplan 21e eeuw ARTIKEL PAULA KAGER Belastingadviseur bij Nauta Dutilh in Rotterdam Biedt individuele heffing vrouwen meer perspectief op economische zelfstandigheid? Belastingplan 21e eeuw Uitgangspunten Op 11 december

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2015 2016 32 140 Herziening Belastingstelsel Nr. 27 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Nadere informatie

Eerste Kamer der Staten-Generaal 1

Eerste Kamer der Staten-Generaal 1 Eerste Kamer der Staten-Generaal 1 Vergaderjaar 2015-2016 34 302 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2016) T BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIEN Aan de Voorzitter

Nadere informatie

Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA Den Haag

Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA Den Haag > Retouradres Postbus 20201 2500 EE Den Haag Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA Den Haag Korte Voorhout 7 2511 CW Den Haag Postbus 20201 2500 EE Den Haag www.rijksoverheid.nl

Nadere informatie

Koopkrachteffecten en de nieuwe compensatieregeling chronisch zieken en gehandicapten. Nibud, juni 2008

Koopkrachteffecten en de nieuwe compensatieregeling chronisch zieken en gehandicapten. Nibud, juni 2008 Koopkrachteffecten en de nieuwe compensatieregeling chronisch zieken en gehandicapten Nibud, juni 2008 Koopkrachteffecten en de nieuwe compensatieregeling chronisch zieken en gehandicapten Nibud, juni

Nadere informatie

FISCALE CIJFERS 2014 SCFB adviseert het Fintool.nl abonnement

FISCALE CIJFERS 2014 SCFB adviseert het Fintool.nl abonnement Postbus 224 2700 AE Zoetermeer Tel. 085 111 88 88 Fax 085 111 88 80 E-mail info@scfb.nl Internet www.scfb.nl Bank ABN AMRO IBAN NL05ABNA0597042454 BIC ANBANL2A KvK Den Haag 27198895 FISCALE CIJFERS 2014

Nadere informatie

Administratiekantoor Van den Dungen B.V. Nieuwsbrief 2015, 4 e jaargang, 10 e editie

Administratiekantoor Van den Dungen B.V. Nieuwsbrief 2015, 4 e jaargang, 10 e editie Administratiekantoor Van den Dungen B.V. Nieuwsbrief 2015, 4 e jaargang, 10 e editie Inhoud 1. Digitalisering van de overheid en de belastingdienst 2. Herziening box 3 per 01-01-2017 3. Belastingplan 2016:

Nadere informatie

Vijf jaar Wet IB 2001; Kapitaalverzekeringen. Herman M. Kappelle. 1. Wat wilde de wetgever bereiken?

Vijf jaar Wet IB 2001; Kapitaalverzekeringen. Herman M. Kappelle. 1. Wat wilde de wetgever bereiken? Vijf jaar Wet IB 2001; Kapitaalverzekeringen Herman M. Kappelle 1. Wat wilde de wetgever bereiken? Terzake van de wijzigingen van het fiscale regime van de kapitaalverzekeringen in de Wet IB 2001, had

Nadere informatie

Adviestabel ouderbijdragen kinderopvang 2003

Adviestabel ouderbijdragen kinderopvang 2003 Toelichting bij het formulier voor de berekening van het belastbaar inkomen 1. Algemeen Vooraf Ouders betalen de hoogste ouderbijdrage, tenzij zij kunnen aantonen dat het gezamenlijke belastbaar huishoudinkomen

Nadere informatie

Nieuwsbrief september 2011

Nieuwsbrief september 2011 Nieuwsbrief september 2011 In dit nummer: Vast bedrag voor zelfstandigenaftrek vanaf 2012 Wetsvoorstel personenvennootschappen wordt ingetrokken Onroerende zaken en privégebruik na 2011 Afschaffing levensloopregeling

Nadere informatie

Belastingplan 2012. Vs. 05-01-2012 1

Belastingplan 2012. Vs. 05-01-2012 1 Belastingplan 2012 - Wettelijk minimumloon per maand o 15 jr. 434,00 o 16 jr. 499,10 o 17 jr. 571,40 o 18 jr. 658,20 o 19 jr. 759,45 o 20 jr. 889,65 o 21 jr. 1.048,80 o 22 jr. 1.229,60 o 23 jr. e.o. 1.446,60

Nadere informatie

Inkomensafhankelijke zorgpremie / nivelleren.

Inkomensafhankelijke zorgpremie / nivelleren. Inkomensafhankelijke zorgpremie / nivelleren. 1. Inleiding Naar verwachting zal nivellering via de inkomensafhankelijke zorgpremie (IAP) worden vervangen door nivellering via het belastingstelsel. De IAP

Nadere informatie

Koopkrachtveranderingen voor mensen met een beperking 2015-2016. Prinsjesdag 2015 Nibud, september 2015

Koopkrachtveranderingen voor mensen met een beperking 2015-2016. Prinsjesdag 2015 Nibud, september 2015 Koopkrachtveranderingen voor mensen met een beperking 2015-2016 Prinsjesdag 2015 Nibud, september 2015 Koopkrachtveranderingen voor mensen met een beperking 2015-2016 Prinsjesdag 2015 Nibud, september

Nadere informatie

Besluit van (datum) tot wijziging van het Besluit kinderopvangtoeslag en tegemoetkomingen in kosten kinderopvang

Besluit van (datum) tot wijziging van het Besluit kinderopvangtoeslag en tegemoetkomingen in kosten kinderopvang Besluit van (datum) tot wijziging van het Besluit kinderopvangtoeslag en tegemoetkomingen in kosten kinderopvang Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van (datum), Directie

Nadere informatie

Bijlage 2: gevolgen verhoging energiebelasting op aardgas in de eerste schijf met 25%

Bijlage 2: gevolgen verhoging energiebelasting op aardgas in de eerste schijf met 25% Bijlage 2: gevolgen verhoging energiebelasting op aardgas in de eerste schijf met 25% Inleiding Deze bijlage bevat de effecten van een mogelijke verhoging van de energiebelasting (EB) op aardgas in de

Nadere informatie

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. Gelet op artikel 12, tweede lid, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers;

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. Gelet op artikel 12, tweede lid, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers; STAATSCOURANT Nr. Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. 850 24 november 2008 Regeling van de Staatssecretaris van Justitie van 12 november 2008, nr. 5557004/08, houdende bepalingen

Nadere informatie

Belastingveranderingen 2016. Alex van Scherpenzeel Manager afdeling Belangenbehartiging

Belastingveranderingen 2016. Alex van Scherpenzeel Manager afdeling Belangenbehartiging Belastingveranderingen 2016 Alex van Scherpenzeel Manager afdeling Belangenbehartiging Geschiedenis - Wet op de Inkomstenbelasting 1964-1990: wijziging i.v.m. rapport Commissie Oort - Wet op de inkomstenbelasting

Nadere informatie

Belastbaar inkomen Maar niet Tarief premie Heffing over totaal meer dan meer dan Belastingtarief volksverzekering Totaal tarief van de schijven

Belastbaar inkomen Maar niet Tarief premie Heffing over totaal meer dan meer dan Belastingtarief volksverzekering Totaal tarief van de schijven Kerncijfers 2008 voor de adviespraktijk Algemeen Schijventarief box 1 Belastbaar inkomen Maar niet Tarief premie Heffing over totaal meer dan meer dan Belastingtarief volksverzekering Totaal tarief van

Nadere informatie

special MILJOENENNOTA 2014 uitgaven 267,0 miljard inkomsten 249,1 miljard De miljoenennota en uw portemonnee.

special MILJOENENNOTA 2014 uitgaven 267,0 miljard inkomsten 249,1 miljard De miljoenennota en uw portemonnee. MILJOENENNOTA 2014 special De miljoenennota en uw portemonnee. inkomsten 249,1 miljard uitgaven 267,0 miljard Het kabinet heeft op Prinsjesdag bekend gemaakt hoe de begroting, met daarin het bezuinigingspakket

Nadere informatie

Koopkrachtverandering van ouderen 2015-2016

Koopkrachtverandering van ouderen 2015-2016 Koopkrachtverandering van ouderen 2015-2016 Berekeningen Prinsjesdag 2015 Nibud, september 2015 Koopkrachtverandering van ouderen 2015-2016 Berekeningen Prinsjesdag 2015 Nibud, september 2015 In opdracht

Nadere informatie

Het spaargeld uit de levensloopregeling kunt u gebruiken om de periode van onbetaald verlof te financieren.

Het spaargeld uit de levensloopregeling kunt u gebruiken om de periode van onbetaald verlof te financieren. Levensloop. Wat is levensloop? De levensloopregeling (of: levensloop) is een fiscale regeling die vanaf 1 januari 2006 in Nederland bestaat om het sparen voor een vervangend inkomen tijdens een periode

Nadere informatie

Checklist - Grensoverschrijdende arbeid

Checklist - Grensoverschrijdende arbeid Checklist - Grensoverschrijdende arbeid Grensoverschrijdende arbeid neemt steeds meer toe en heeft allerlei gevolgen voor de werknemer, zijn de gezinsleden en zijn werkgever(s). Bij het bepalen van de

Nadere informatie

de inspecteur van de Belastingdienst[te P], verweerder.

de inspecteur van de Belastingdienst[te P], verweerder. Uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 13/6388 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2013 in de zaak tussen [X], wonende te [Z],

Nadere informatie

Wijzigingen minimumloon en sociale uitkeringen 2016

Wijzigingen minimumloon en sociale uitkeringen 2016 Wijzigingen minimumloon en sociale uitkeringen 2016 Wijzigingen minimumloon en sociale uitkeringen 2016 Werk en inkomen Wettelijk minimumloon en uitkeringsbedragen De bruto bedragen van het wettelijk minimumloon

Nadere informatie

Wijzigingen minimumloon en sociale uitkeringen 2016

Wijzigingen minimumloon en sociale uitkeringen 2016 Wijzigingen minimumloon en sociale uitkeringen 2016 Wijzigingen minimumloon en sociale uitkeringen 2016 Werk en inkomen Wettelijk minimumloon en uitkeringsbedragen De bruto bedragen van het wettelijk minimumloon

Nadere informatie

Nieuwsbrief Prinsjesdag 2015 NIEUWSBRIEF. over de gevolgen van Prinsjesdag 2015 voor uw personeelsbeleid

Nieuwsbrief Prinsjesdag 2015 NIEUWSBRIEF. over de gevolgen van Prinsjesdag 2015 voor uw personeelsbeleid NIEUWSBRIEF over de gevolgen van Prinsjesdag 2015 voor uw personeelsbeleid Via deze speciale Prinsjesdag-nieuwsbrief brengen wij u volledig op de hoogte van Prinsjesdag 2015 die relevant zijn voor werkgevers.

Nadere informatie

Inkomstenbelasting. Module 7 hoofdstuk 2

Inkomstenbelasting. Module 7 hoofdstuk 2 Inkomstenbelasting Module 7 hoofdstuk 2 Verschillende vormen inkomen, verschillende vormen belasting Verschillende boxen Box 1 Bruto inkomen uit arbeid (denk aan brutoloon) Inkomen uit koophuis Aftrekposten

Nadere informatie

Info voor gastouders over

Info voor gastouders over Info voor gastouders over inkomen en belastingen in 2013 Vooraf Deze informatie is vooral bedoeld voor freelance gastouders die hun werk als zogenaamde resultaatgenieter (ofwel: inkomsten uit overige werkzaamheden)

Nadere informatie

Verandering van de koopkracht van chronisch zieken en gehandicapten in 2014. Nibud, september 2013

Verandering van de koopkracht van chronisch zieken en gehandicapten in 2014. Nibud, september 2013 Verandering van de koopkracht van chronisch zieken en gehandicapten in 2014 Nibud, september 2013 Verandering van de koopkracht van chronisch zieken en gehandicapten in 2014 Nibud, september 2013 In opdracht

Nadere informatie

2513AA22XA. De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE

2513AA22XA. De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE > Retouradres Postbus 90801 2509 LV Den Haag De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE 2513AA22XA Postbus 90801 2509 LV Den Haag Parnassusplein 5 T 070 333

Nadere informatie

Het rapport van de commissie van Dijkhuizen "Naar een activerender belastingstelsel".

Het rapport van de commissie van Dijkhuizen Naar een activerender belastingstelsel. Het rapport van de commissie van Dijkhuizen "Naar een activerender belastingstelsel". Conclusies na analyse en doorrekenen van de adviezen: -- De adviezen van de Commissie van Dijkhuizen leiden tot een

Nadere informatie

Koopkracht van 65-plussers 2012-2013

Koopkracht van 65-plussers 2012-2013 Koopkracht van 65-plussers 2012-2013 Berekeningen Prinsjesdag 2012 In opdracht van de ouderenbonden Unie KBO, PCOB en NVOG Nibud, september 2012 Koopkracht van 65-plussers in 2013 / 1 Koopkracht van 65-plussers

Nadere informatie

Sociaal akkoord aow en Witteveenkader Op verzoek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Sociaal akkoord aow en Witteveenkader Op verzoek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid CPB Notitie 10 juni 2011 Sociaal akkoord aow en Witteveenkader Op verzoek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. CPB Notitie Aan: Ministerie van SZW Centraal Planbureau Van Stolkweg

Nadere informatie

De Levensloopregeling

De Levensloopregeling De Levensloopregeling De meest gestelde vragen Januari 2007 7.0093ML /GW De Levensloopregeling De meest gestelde vragen Het belang van een goede regeling Wellicht wilt u binnenkort een lange reis maken,

Nadere informatie

Als u 65 jaar of ouder bent

Als u 65 jaar of ouder bent 2007 Als u 65 jaar of t Als u 65 jaar wordt, heeft dit gevolgen voor uw belasting en premie volksverzekeringen. Deze gevolgen hebben bijvoorbeeld betrekking op uw belastingtarief, uw heffingskortingen,

Nadere informatie

Hoe zit het met op 31-12-2012 al bestaande hypotheken vanaf 1-1-2013?

Hoe zit het met op 31-12-2012 al bestaande hypotheken vanaf 1-1-2013? Hoe zit het met op 31-12-2012 al bestaande hypotheken vanaf 1-1-2013? Voor alle op 31 december 2012 bestaande hypotheken blijven de oude hypotheekregels van kracht. Oversluiten van een bestaande schuld

Nadere informatie

Belastingplan 2015. Zoals aangeboden aan de 2 e Kamer op 16 september 2014. Krijn Doornekamp

Belastingplan 2015. Zoals aangeboden aan de 2 e Kamer op 16 september 2014. Krijn Doornekamp Belastingplan 2015 Zoals aangeboden aan de 2 e Kamer op 16 september 2014 Krijn Doornekamp Wat komt aan de orde Inkomstenbelasting tarieven 2015 Wijzigingen in heffingskortingen Woningmarkt DGA/Zelfstandigen

Nadere informatie

Bijlage: Vaststelling eigen bijdrage en besteedbaar inkomen voor een aantal categorieën.

Bijlage: Vaststelling eigen bijdrage en besteedbaar inkomen voor een aantal categorieën. Bijlage: Vaststelling eigen bijdrage en besteedbaar inkomen voor een aantal categorieën. Beschrijving van de eigen bijdrage systematiek Deze bijlage geeft een beschrijving van de wijze waarop de eigen

Nadere informatie

SP-voorstel fiscale behandeling eigen woning

SP-voorstel fiscale behandeling eigen woning CPB Notitie Datum : 27 augustus 2004 Aan : de SP, de heer E. Irrgang SP-voorstel fiscale behandeling eigen woning 1 Inleiding De SP-fractie heeft het CPB gevraagd de budgettaire en koopkrachteffecten te

Nadere informatie

Financiële regeling voor langdurige minima: langdurigheidstoeslag

Financiële regeling voor langdurige minima: langdurigheidstoeslag Agendanr. : Doc.nr : B2003 14372 Afdeling: : Sociale Zaken en Werkgelegenheid B&W-VOORSTEL Onderwerp : Langdurigheidstoeslag 2003 Financiële regeling voor langdurige minima: langdurigheidstoeslag Algemeen:

Nadere informatie

PRINSJESDAG 2014 Beknopt overzicht aangekondigde maatregelen Prinsjesdag 2014

PRINSJESDAG 2014 Beknopt overzicht aangekondigde maatregelen Prinsjesdag 2014 PRINSJESDAG 2014 Beknopt overzicht aangekondigde maatregelen Prinsjesdag 2014 Inhoud 1 Veranderingen belastingtarieven en kortingen inkomstenbelasting... 3 a Belastingtarief eerste schijf verhoogd... 3

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2003 2004 29 026 Wijziging van belastingwetten c.a. (Technische herstelwet 2003) Nr. 9 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN Aan de Voorzitter van

Nadere informatie

BIJLAGE 2: Bruto-nettotrajecten

BIJLAGE 2: Bruto-nettotrajecten BIJLAGE 2: Bruto-nettotrajecten Aan de heer Groot is toegezegd om informatie te verstrekken over verschillen tussen het brutonettotraject van ondernemers en werknemers. 1 Aannames Een vergelijking van

Nadere informatie

Belastingplan 2016; De highlights voor de dga en vermogend particulier

Belastingplan 2016; De highlights voor de dga en vermogend particulier 15 september 2015 Belastingplan 2016; De highlights voor de dga en vermogend particulier Op 15 september 2015 is het Belastingplan 2016 aangeboden aan de Tweede Kamer. De voor dga en particuliere vermogensbezitter

Nadere informatie

Koopkrachtverandering van chronisch zieken en gehandicapten 2014-2015. Prinsjesdag 2014 Nibud, september 2014

Koopkrachtverandering van chronisch zieken en gehandicapten 2014-2015. Prinsjesdag 2014 Nibud, september 2014 Koopkrachtverandering van chronisch zieken en gehandicapten 2014-2015 Prinsjesdag 2014 Nibud, september 2014 Koopkrachtverandering van chronisch zieken en gehandicapten 2014-2015 Prinsjesdag 2014 Nibud,

Nadere informatie

Sociale Verzekeringen per 1 januari 2012

Sociale Verzekeringen per 1 januari 2012 Sociale Verzekeringen per 1 januari 2012 Uitkeringen als de AOW, ANW, WW, WIA, WAO en Wajong gaan vanaf 1 januari 2012 omhoog. De verhogingen worden doorgevoerd omdat de uitkeringen zijn gekoppeld aan

Nadere informatie

VvAA belastingworkshop. Februari/maart 2014

VvAA belastingworkshop. Februari/maart 2014 VvAA belastingworkshop Februari/maart 2014 Inhoud Hoofdlijnen belastingstelsel Boxenstelsel Fiscaal partnerschap Eigen woning Inkomensvoorzieningen Persoonsgebonden aftrek Heffingskortingen Middeling Aftrekmogelijkheden

Nadere informatie

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 13 januari 2011;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 13 januari 2011; De raad van de gemeente Schiermonnikoog; overwegende, dat het noodzakelijk is het verstrekken van toeslagen en het verlagen van uitkeringen van bijstandsgerechtigden jonger dan 65 jaar bij verordening

Nadere informatie

Kerncijfers 2013. 1. Levensverzekering - kapitaalverzekering. 2. Levensverzekering - lijfrente. Kapitaalverzekering Brede Herwaardering

Kerncijfers 2013. 1. Levensverzekering - kapitaalverzekering. 2. Levensverzekering - lijfrente. Kapitaalverzekering Brede Herwaardering Kerncijfers 2013 1. Levensverzekering kapitaalverzekering Kapitaalverzekering eigen woning Premiebetaling Lifetime vrijstelling Minimaal 20 jaar 157.000 Minimaal 15 jaar 35.700 Kapitaalverzekering Brede

Nadere informatie

4. Wat moet ik als lid doen om een lijfrenteschenking te verstrekken?

4. Wat moet ik als lid doen om een lijfrenteschenking te verstrekken? VEELGESTELDE VRAGEN OVER DE FINANCIERINGSMOGELIJKHEDEN DOOR LEDEN 1. Zijn er methoden waarbij een lening of schenking voor ons leden fiscaal aantrekkelijk gemaakt kan worden? Ja er zijn enkele financieringsmogelijkheden

Nadere informatie

Inkomenseffecten van de belastingherziening 2001

Inkomenseffecten van de belastingherziening 2001 Inkomenseffecten van de belastingherziening 2001 Hans de Kleijn De belastingherziening van 2001 heeft een koopkrachtverbetering van 3,6 procent opgeleverd. Vooral de laagste en de hoogste inkomens hebben

Nadere informatie

JAN PELLEGROM ORGANISATIEADVIES www.janpellegrom.nl. Info voor gastouders over inkomen en belastingen in 2008

JAN PELLEGROM ORGANISATIEADVIES www.janpellegrom.nl. Info voor gastouders over inkomen en belastingen in 2008 JAN PELLEGROM ORGANISATIEADVIES www.janpellegrom.nl Info voor gastouders over inkomen en belastingen in 2008 Vooraf Deze informatie is vooral bedoeld voor gastouders die dit als bijverdienste doen en niet

Nadere informatie

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1a 2513 AA Den Haag ASEA/LIV/2004/37584

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1a 2513 AA Den Haag ASEA/LIV/2004/37584 Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1a 2513 AA Den Haag Postbus 90801 2509 LV Den Haag Anna van Hannoverstraat 4 Telefoon

Nadere informatie

CPB Notitie. Samenvatting. Aan: Ministerie van SZW

CPB Notitie. Samenvatting. Aan: Ministerie van SZW CPB Notitie Aan: Ministerie van SZW Centraal Planbureau Van Stolkweg 14 Postbus 80510 2508 GM Den Haag T (070) 3383 380 I www.cpb.nl Contactpersoon M.H.C. Lever Datum: 10 juni 2011 Betreft: Sociaal akkoord

Nadere informatie

WELKOM CNV Senioren. Agenda ODP voorlichtingsmiddag

WELKOM CNV Senioren. Agenda ODP voorlichtingsmiddag WELKOM CNV Senioren Agenda ODP voorlichtingsmiddag 1. Opening door dagvoorzitter 2. Toelichting belasting aangifte 2014 3. Over pensioenen, wat er zoal speelt op dit moment 4. De Zorg Verandert 5. Sluiting

Nadere informatie

Overzicht Fiscale Cijfers 2013 en 2014 (per januari 2014)

Overzicht Fiscale Cijfers 2013 en 2014 (per januari 2014) Overzicht Fiscale Cijfers 2013 en 2014 (per januari 2014) Box 1: Belastbaar inkomen uit werk en woning (2013) Box 1: belastbaar inkomen uit werk en woning : Inkomen uit werk en woning bestaat uit inkomsten

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1986-1987 Herziening van het stelsel van sociale zekerheid BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID Aan de Voorzitter van de Tweede

Nadere informatie

belastingtarief tarief premie volksverzekeringen

belastingtarief tarief premie volksverzekeringen Titel: Auteur: Fiscale cijfers 2007 Mr. G.A.C. Jerry Aarts MFP Inleiding In Fin-Mail 06 43 hebben wij de nieuwe premiebedragen en uitkeringen sociale zekerheid aan u doorgegeven. Nu zijn ook de fiscale

Nadere informatie

KPMG Meijburg & Co ABCD. Wetsvoorstel Witteveen 2015

KPMG Meijburg & Co ABCD. Wetsvoorstel Witteveen 2015 Wetsvoorstel Witteveen 2015 Het wetsvoorstel Witteveen 2015 is op 15 april 2013 ingediend bij de Tweede Kamer. Het betreft de verlaging van de maximumopbouw- en premiepercentages voor pensioenen en de

Nadere informatie

1 Belastingplannen 2016

1 Belastingplannen 2016 1 Belastingplannen 2016 1.1 Inkomstenbelasting 1.1.1 Belastingverlaging in de tweede en derde belastingschijf Het tarief in de tweede en derde belastingschijf in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen

Nadere informatie

Fiscaal memorandum voor participaties in Terra Vitalis met betrekking tot het belastingjaar 2010

Fiscaal memorandum voor participaties in Terra Vitalis met betrekking tot het belastingjaar 2010 Fiscaal memorandum voor participaties in Terra Vitalis met betrekking tot het belastingjaar 2010 Inleiding Participeren in het beleggingsobject Terra Vitalis kan gevolgen hebben voor uw belastingpositie

Nadere informatie

Nieuwsbrief december 2012

Nieuwsbrief december 2012 Eindejaar tips voor de onderneming Voorkom toepassing van thin capitalization Zijn er in uw concern groepsleningen afgesloten? U kunt toepassing van de renteaftrekbeperking voor groepsleningen op grond

Nadere informatie

Koopkrachtberekeningen voor 100 huishoudens 2012-2017

Koopkrachtberekeningen voor 100 huishoudens 2012-2017 Koopkrachtberekeningen voor 100 huishoudens 2012-2017 Berekeningen op basis van Regeerakkoord van het kabinet Rutte-II Nibud, 2012 Koopkrachtberekeningen voor 100 huishoudens 2012-2017 Berekeningen op

Nadere informatie

Fiscaal memorandum voor participaties in Terra Vitalis met betrekking tot het belastingjaar 2009

Fiscaal memorandum voor participaties in Terra Vitalis met betrekking tot het belastingjaar 2009 Fiscaal memorandum voor participaties in Terra Vitalis met betrekking tot het belastingjaar 2009 Inleiding Participeren in het beleggingsobject Terra Vitalis kan gevolgen hebben voor uw belastingpositie

Nadere informatie

Wat kost een rechtszaak?

Wat kost een rechtszaak? Wat kost een rechtszaak? Wat kost een rechtszaak? Dat is de grote vraag en het antwoord of liever gezegd het niet- antwoord daarop, weerhoudt een aantal mensen een rechtszaak te beginnen of als gedaagde

Nadere informatie

Kort Nieuws. Met name uit Nederland. Grensoverschrijdende inbreng in een BV: Eeuwigdurend geconserveerd bedrag mag Hoge Raad, 13 december 2013

Kort Nieuws. Met name uit Nederland. Grensoverschrijdende inbreng in een BV: Eeuwigdurend geconserveerd bedrag mag Hoge Raad, 13 december 2013 Kort Nieuws Met name uit Nederland Grensoverschrijdende inbreng in een BV: Eeuwigdurend geconserveerd bedrag mag Hoge Raad, 13 december 2013 De Nederlandse belastingwetgeving geeft de mogelijkheid om een

Nadere informatie

Koopkracht van 65-plussers met aanvullend pensioen in 2009

Koopkracht van 65-plussers met aanvullend pensioen in 2009 Koopkracht van 65-plussers met aanvullend pensioen in 2009 Nibud, februari 2009 In opdracht van de NVOG Koopkracht van 65-plussers met aanvullend pensioen in 2009 Nibud, februari 2009 In opdracht van de

Nadere informatie

147.500 145.000 143.000 140.500 139.500 137.500. geen max. 12% van de winst max. dotatie oudedagsreserve 11.590 11.396 11.227 11.050 10.951 10.

147.500 145.000 143.000 140.500 139.500 137.500. geen max. 12% van de winst max. dotatie oudedagsreserve 11.590 11.396 11.227 11.050 10.951 10. Overzicht fiscale/sociale cijfers 2009 Overzicht fiscale/sociale cijfers 2009 omschrijving (bedrag in euro s) 2009 2008 2007 2006 2005 2004 kapitaalverzekering eigen woning uitkeringsvrijstelling kapitaalverzekering

Nadere informatie

Info voor gastouders over inkomen en belastingen in 2012

Info voor gastouders over inkomen en belastingen in 2012 JAN PELLEGROM ORGANISATIEADVIES ADVIES Info voor gastouders over inkomen en belastingen in 2012 Vooraf Deze informatie is vooral bedoeld voor gastouders die dit als bijverdienste doen en verder geen of

Nadere informatie

ABN AMRO. Kiezen tussen levensloopregeling en de spaarloonregeling. Alle informatie in één oogopslag. Mét fiscale spelregels.

ABN AMRO. Kiezen tussen levensloopregeling en de spaarloonregeling. Alle informatie in één oogopslag. Mét fiscale spelregels. ABN AMRO. Kiezen tussen levensloopregeling en de spaarloonregeling. Alle informatie in één oogopslag. Mét fiscale spelregels. Gemakkelijker kiezen tussen twee goede regelingen De overheid stelt werknemers

Nadere informatie

De fiscale aspecten van een onroerende recreatiewoning

De fiscale aspecten van een onroerende recreatiewoning De fiscale aspecten van een onroerende recreatiewoning Hieronder wordt ingegaan op de fiscale consequenties van de aankoop en het bezit van een recreatiewoning die zodanig met de (onder)grond is verbonden

Nadere informatie

Doorwerken na AOW. Doorwerken na AOW

Doorwerken na AOW. Doorwerken na AOW Doorwerken na AOW Doorwerken na AOW Vanaf volgend jaar wordt het voor AOW ers makkelijker om door te werken op basis van een arbeidsovereenkomst, bij de eigen of bij een andere werkgever. Op dit moment

Nadere informatie

Als u premies betaalt voor kapitaalverzekeringen

Als u premies betaalt voor kapitaalverzekeringen 2005 Als u premies betaalt voor kapitaalverzekeringen Als u een kapitaalverzekering heeft, bijvoorbeeld bij uw spaar-, leven- of beleggingshypotheek, kan dit gevolgen hebben voor uw belasting. Of en hoeveel

Nadere informatie

Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van. 2012, Z-.;

Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van. 2012, Z-.; Besluit van houdende wijziging van het Besluit percentages drempel- en toetsingsinkomen zorgtoeslag in verband met gewijzigde percentages met ingang van het berekeningsjaar 2013 Op de voordracht van Onze

Nadere informatie

Aanpassing richtlijn kinderalimentatie

Aanpassing richtlijn kinderalimentatie Aanpassing richtlijn kinderalimentatie Opmerkingen vooraf: - de richtlijn is niet aangepast aan de nieuwe regelgeving met ingang van 1 januari 2013. - de nieuwe regelgeving per 1 januari 2013 is wel verwerkt

Nadere informatie

Nieuwsbrief Fiscaal Juridisch Adviesbureau Informatiebulletin over de eigen woning en inkomensvoorzieningen

Nieuwsbrief Fiscaal Juridisch Adviesbureau Informatiebulletin over de eigen woning en inkomensvoorzieningen Nieuwsbrief Fiscaal Juridisch Adviesbureau Informatiebulletin over de eigen woning en inkomensvoorzieningen Nummer 145a Prinsjesdag 2015 Inhoud Prinsjesdag 2015 Inleiding 1 Belastingplan 2016 Aanpassing

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2003 2004 29 258 Wijziging van de wijze van aanpassing van de kinderbijslag, de wet van 22 december 1994 tot nadere wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet,

Nadere informatie

Nieuwsbrief kwartaal 4 Prinsjesdag Bron: Dukers & Baelemans Pagina 1. U als particulier: Algemene heffingskorting en de arbeidskorting

Nieuwsbrief kwartaal 4 Prinsjesdag Bron: Dukers & Baelemans Pagina 1. U als particulier: Algemene heffingskorting en de arbeidskorting U als particulier: Algemene heffingskorting en de arbeidskorting In het belastingplan 2014 was reeds aangekondigd dat het afbouwpercentage in de algemene heffingskorting geleidelijk wordt verhoogd en de

Nadere informatie

SOCIALE VERZEKERINGEN PER 1 JULI 2012.

SOCIALE VERZEKERINGEN PER 1 JULI 2012. SOCIALE VERZEKERINGEN PER 1 JULI 2012. bron: Redactioneel/Rijksoverheid. door: Ton van Vugt. Uitkeringen als de AOW, ANW, WW, WIA, WAO en Wajong gaan vanaf 1 juli 2012 omhoog. De verhogingen worden doorgevoerd

Nadere informatie

Op de voordracht van van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 6 juli 2015, nr.2015-0000164377, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Financiën;

Op de voordracht van van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 6 juli 2015, nr.2015-0000164377, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Financiën; Ontwerpbesluit van tot wijziging van het Besluit kinderopvangtoeslag in verband met het verhogen van de vaste voet in de eerste kindtabel, het verhogen van de toeslagpercentages in de eerste en tweede

Nadere informatie

17-4-2014. Onderwerpen: Wet op de inkomstenbelasting 2001

17-4-2014. Onderwerpen: Wet op de inkomstenbelasting 2001 Onderwerpen: Korte uitleg heffingssysteem inkomstenbelasting Korte uitleg heffingssysteem vennootschapsbelasting Vrijstellingen en heffingskortingen Aflossen eigenwoningschuld Familielening eigen woning

Nadere informatie

Info voor gastouders over inkomen en belastingen in 2011

Info voor gastouders over inkomen en belastingen in 2011 JAN PELLEGROM ORGANISATIEADVIES ADVIES Info voor gastouders over inkomen en belastingen in 2011 Vooraf Deze informatie is vooral bedoeld voor gastouders die dit als bijverdienste doen en verder geen of

Nadere informatie

Koopkrachtberekeningen voor 100 huishoudens 2012-2017

Koopkrachtberekeningen voor 100 huishoudens 2012-2017 Koopkrachtberekeningen voor 100 huishoudens 2012-2017 Berekeningen op basis van Regeerakkoord van het kabinet Rutte-II Nibud, 2012 Koopkrachtberekeningen voor 100 huishoudens 2012-2017 Berekeningen op

Nadere informatie

Je eigen woning en de Belastingdienst in 2012

Je eigen woning en de Belastingdienst in 2012 Je hypotheek en de belasting in 2012 Hier vind je een toelichting op het jaaroverzicht van je SNS Hypotheek. Ook lees je hier de belangrijkste fiscale regels die in 2012 gelden voor de eigen woning, hypotheek,

Nadere informatie

Aanpassing richtlijn kinderalimentatie

Aanpassing richtlijn kinderalimentatie Aanpassing richtlijn kinderalimentatie Werkgroep alimentatienormen 16 november 2012 Aanpassing richtlijn kinderalimentatie Stap 1: netto besteedbare inkomen Voor alimentatiedoeleinden is het netto inkomen,voorzien

Nadere informatie

De Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal Postbus 20017 2500 EA DEN HAAG

De Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal Postbus 20017 2500 EA DEN HAAG > Retouradres Postbus 20350 2500 EJ Den Haag De Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal Postbus 20017 2500 EA DEN HAAG Bezoekadres: Parnassusplein 5 2511 VX Den Haag T 070 340 79 11 F 070 340

Nadere informatie

Grootverdiener zwaarder belast

Grootverdiener zwaarder belast 4 september 2009 Grootverdiener zwaarder belast AMSTERDAM - De PvdA zint op de terugkeer van een toptarief van 60 procent in de inkomstenbelasting. Het toptarief is nu 52 procent. Acht jaar geleden was

Nadere informatie

Wijziging kwijtscheldingsbeleid gemeentelijke belastingen en heffingen

Wijziging kwijtscheldingsbeleid gemeentelijke belastingen en heffingen Aan de raad, Onderwerp: Wijziging kwijtscheldingsbeleid gemeentelijke belastingen en heffingen Voorstel: De verordening kwijtschelding gemeentelijke belastingen en heffingen 2012 vaststellen 1 SAMENVATTING

Nadere informatie

ABN AMRO. Kiezen tussen levensloopregeling en spaarloonregeling. Alle informatie in één oogopslag. Mét fiscale spelregels.

ABN AMRO. Kiezen tussen levensloopregeling en spaarloonregeling. Alle informatie in één oogopslag. Mét fiscale spelregels. ABN AMRO. Kiezen tussen levensloopregeling en spaarloonregeling. Alle informatie in één oogopslag. Mét fiscale spelregels. Gemakkelijker kiezen tussen twee goede regelingen De overheid stelt werknemers

Nadere informatie

Administratiekantoor Koch & Zn. - Fiscale tips Aftrek lijfrentepremie in 2014: betaal ook in 2014! Als u in uw aangifte inkomstenbelasting 2014 premies voor lijfrente als aftrekpost op wilt nemen, moet

Nadere informatie

Koopkracht in perspectief. In opdracht van de gezamenlijke ouderenbonden, ANBO, PCOB, Unie KBO Nibud, 2008

Koopkracht in perspectief. In opdracht van de gezamenlijke ouderenbonden, ANBO, PCOB, Unie KBO Nibud, 2008 Koopkracht in perspectief In opdracht van de gezamenlijke ouderenbonden, ANBO, PCOB, Unie KBO Nibud, 2008 Koopkrachtberekeningen 2007-2008/ 2 Koopkracht in perspectief In opdracht van de gezamenlijke ouderenbonden,

Nadere informatie

Te treffen maatregel voor deze doelgroep: Forfaitaire uitkering afhankelijk van de huwelijksduur van de betrokkenen.

Te treffen maatregel voor deze doelgroep: Forfaitaire uitkering afhankelijk van de huwelijksduur van de betrokkenen. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1a 2513 AA s-gravenhage Postbus 90801 2509 LV Den Haag Anna van Hannoverstraat 4 Telefoon

Nadere informatie

Handleiding aangifte Inkomstenbelasting Spanje

Handleiding aangifte Inkomstenbelasting Spanje Loftsi.nl Handleiding aangifte Inkomstenbelasting Spanje Inzake 2014 De meest relevante aandachtspunten voor fiscaal residenten in Spanje stapsgewijs belicht Aangifte verplichting Aangiftemogelijkheden

Nadere informatie

Instelling. Onderwerp. Datum

Instelling. Onderwerp. Datum Instelling De Staatssecretaris van Financiën Onderwerp Nota van Toelichting bij het Besluit tot wijziging van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 in verband met de samenloop met het belastingverdrag

Nadere informatie

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1a 2513 AA s-gravenhage

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1a 2513 AA s-gravenhage Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1a 2513 AA s-gravenhage Postbus 90801 2509 LV Den Haag Anna van Hannoverstraat 4 Telefoon

Nadere informatie

EINDEJAARSTIPS 2015 1/5

EINDEJAARSTIPS 2015 1/5 EINDEJAARSTIPS 2015 Particulieren...2 Vermogenstoets voor zorgtoeslag en kindgebonden budget... 2 Verlaag uw box 3 grondslag... 2 Hypotheekrente vooruit betalen... 2 Let op lagere hypotheekrente in hoogste

Nadere informatie

Sociale Verzekeringen per 1 juli 2012

Sociale Verzekeringen per 1 juli 2012 Sociale Verzekeringen per 1 juli 2012 Uitkeringen als de AOW, ANW, WW, WIA, WAO en Wajong gaan vanaf 1 juli 2012 omhoog. De verhogingen worden doorgevoerd omdat de uitkeringen zijn gekoppeld aan het wettelijk

Nadere informatie

Koopkrachtverandering van ouderen 2014-2015

Koopkrachtverandering van ouderen 2014-2015 Koopkrachtverandering van ouderen 2014-2015 Berekeningen Prinsjesdag 2014 Nibud, september 2014 Koopkrachtverandering van ouderen 2014-2015 Berekeningen Prinsjesdag 2014 Nibud, september 2014 In opdracht

Nadere informatie