Tweede Kamer der Staten-Generaal

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Tweede Kamer der Staten-Generaal"

Transcriptie

1 Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan 1996 Nr. 3 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN Vastgesteld 16 januari 1996 Ter voorbereiding van een nota-overleg heeft de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen 1 een aantal vragen aan de regering voorgelegd over het ontwerp-hoop De minister en de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen hebben deze vragen mede namens de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij beantwoord bij brief van 15 januari Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt. De voorzitter van de commissie, M. M. H. Kamp De griffier van de commissie, Roovers 1 Samenstelling: Leden: Van der Vlies (SGP), M. M. H. Kamp (VVD), voorzitter, De Cloe (PvdA), Janmaat (CD), Van Gelder (PvdA), ondervoorzitter, Van de Camp (CDA), Boers-Wijnberg (CDA), Huys (PvdA), Mulder-van Dam (CDA), Hendriks (Hendriks), Rabbae (GroenLinks), Jorritsma-van Oosten (D66), De Koning (D66), Koekkoek (CDA), J. M. de Vries (VVD), Liemburg (PvdA), Stellingwerf (RPF), Lambrechts (D66), Rijsptra (VVD), Cornielje (VVD), Cherribi (VVD), Dijksma (PvdA), Sterk (PvdA), Van Vliet (D66) en Bremmer (CDA). Plv. leden: Schutte (GPV), Klein Molekamp (VVD), Valk (PvdA), Poppe (SP), Duivesteijn (PvdA), Beinema (CDA), Reitsma (CDA), Lilipaly (PvdA), Van der Hoeven (CDA), Verkerk (AOV), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Bakker (D66), Van t Riet (D66), Deetman (CDA), Van Heemskerck Pillis-Duvekot (VVD), Van der Ploeg (PvdA), Leerkes (U55+), Versnel-Schmitz (D66), Essers (VVD), Korthals (VVD), Passtoors (VVD), Van Nieuwenhoven (PvdA), Van Zuijlen (PvdA), Verhagen (CDA) en Lansink (CDA). 6K0107 ISSN Sdu Uitgevers s-gravenhage 1996 Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 3 1

2 blz Op grond van welke gegevens kan geconcludeerd worden dat aan de groei van het aantal studenten een einde is gekomen? Op grond van de extrapolatie van de meest recente telgegevens van de leerlingen in het middelbaar en voortgezet onderwijs en op grond van de geraamde demografische ontwikkeling is op de middellange termijn geen verdere groei van het aantal studenten in het hoger onderwijs te verwachten. Alleen indien de zogenaamde doorstroompercentages vanuit het mbo, havo en vwo naar het hoger onderwijs nog beduidend zouden toenemen kan het aantal studenten verder stijgen. Wat betreft het vwo lijkt zich de laatste jaren een stabilisering van deze doorstroompercentages af te tekenen, voor wat betreft het mbo en het havo wordt nog wel een lichte stijging verwacht. Op termijn zal echter ook deze doorstroom zich stabiliseren. In de Referentieraming 1995 wordt het bovenstaande nader toegelicht Was bij de formulering van de beleidslijnen van het ontwerp-hoop 1996 het financiële kader bepalend dan wel de behoefte aan differentiatie in duur en aard van de opleidingen? Beide elementen liggen ten grondslag aan de in het ontwerp-hoop geformuleerde beleidslijnen. Het financieel kader was gegeven, en fungeerde als zodanig als randvoorwaarde bij de formulering van het ontwikkelingsperspectief voor het hoger onderwijs. Het tegemoetkomen aan de behoefte aan differentiatie als gevolg van de toegenomen deelname aan hoger onderwijs is een afzonderlijke doelstelling. 3 Waaruit blijkt de groeiende behoefte aan differentiatie in duur en aard van de opleidingen? Zijn daar ook voorbeelden van te geven? De participatiegraad aan het hoger onderwijs bedraagt tegenwoordig ongeveer 32%. Daarmee hebben universiteiten en hogescholen te maken met een populatie jongeren (maar ook ouderen) die qua aanleg, capaciteiten, interesses, onderwijskundige achtergrond en vooropleiding van elkaar verschillen. Tegelijkertijd leidt het hoger onderwijs daarmee op voor een steeds breder segment van de arbeidsmarkt. Dit vergt een benadering in het hoger onderwijs die voldoende gedifferentieerd is om hieraan tegemoet te komen. Die groeiende behoefte aan differentiatie komt in de eerste plaats tot uitdrukking in nieuwe initiatieven binnen de instellingen. Voorbeelden hiervan zijn in het wo onder meer de initiatieven van universiteiten om excellente leerwegen, masterklassen e.d. in te richten. Daarnaast hebben verschillende universiteiten in reactie op het ontwerp-hoop reeds laten weten de voorstellen met betrekking tot topopleidingen toe te juichen. In het hbo komt de behoefte aan meer differentiatie in de opleiding onder meer tot uitdrukking in de ontwikkeling van post-initiële masteropleidingen. De toegenomen behoefte aan differentiatie komt daarnaast op verschillende wijze tot uitdrukking in de diverse rapporten en adviezen die Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 3 2

3 de afgelopen periode zijn verschenen in het kader van het debat over de toekomstige ontwikkeling van het stelsel van hoger onderwijs. In het bijzonder kan daarbij worden gedacht aan het advies «Hoger onderwijs in fasen» van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, maar ook in het rapport «Het HBO, sterk in ontwikkeling» van de HBO-Raad en het advies van de Onderwijsraad en het eindrapport van de Commissie Inrichting Wetenschappelijk Onderwijs van de VSNU wordt een groeiende behoefte aan differentiatie onderkend. 4 Hoe is behoud van kwaliteit te waarborgen bij tegenstrijdige doelstellingen als differentiatie van opleidingen enerzijds en verlaging van de gemiddelde verblijfsduur anderzijds, temeer waar differentiatie ook tot een verlenging van de cursusduur kan leiden? Beide doelstellingen zijn complementair in plaats van tegengesteld. Daarbij wordt de kwaliteit langs twee lijnen gewaarborgd. In de eerste plaats schept verlaging van de gemiddelde verblijfsduur als gevolg van een vroegtijdige selectie en verwijzing van uitvallers juist de financiële ruimte voor meer differentiatie. De gemiddelde studieduur van uitvallers in het wo bedraagt thans 3,5 jaar. Verlaging van de gemiddelde verblijfsduur levert een besparing op die ten dele kan worden benut voor intensivering van het onderwijs. In het wo komt dit na aftrek van de voor het wo aangegeven bezuinigingen tot uitdrukking in een hogere prijs voor de instelling, zowel per student als per diploma. In de tweede plaats kan differentiatie binnen opleidingen bijdragen aan verlaging van de gemiddelde verblijfsduur, wanneer studenten daardoor in staat worden gesteld hetzelfde eindniveau in een korter tijdsbestek te bereiken. De kwaliteit en het eindniveau van de opleiding zijn hierbij een gegeven. Dit laat onverlet dat in het ontwerp-hoop tevens sprake is van niveaudifferentiatie in het wo Hierbij is echter naast verlenging van de cursusduur voor sommige studenten in het kader van het «dubbeleuitgangenmodel» (zie pag. 28 ontwerp-hoop 1996) ook steeds sprake van verkorting van de cursusduur voor andere studenten. De hoofdregel blijft dat de cursusduur van universitaire opleidingen vier jaar bedraagt, zoals is neergelegd in de gezamenlijke conclusies met de VSNU. Eenzijdige verkorting, is evenals eenzijdige verlenging van cursusduren is niet met deze conclusie in overeenstemming. 5 Het ontwerp-hoop lijkt met het oog op de financiële taakstelling slechts geschreven om de studentenaantallen terug te brengen. Wordt op deze wijze het uitgangspunt van toegankelijkheid teniet gedaan? De vermindering van het aantal studentjaren zoals in het ontwerp-hoop omschreven tast geenszins de toegankelijkheid tot het hoger onderwijs aan. De beleidsmatige bijstellingen op de studentenraming betreffen minder lang studeren, minder stapelen van studies, een beperking van de cursusduur in het hbo en een stabilisering van de doorstroompercentages naar het wo. Er vindt dus geen beperking van de instroom plaats, althans niet als er sprake is van een eerste opleiding in het hoger onderwijs. Elke vo-schoolverlater die zich, met de vereiste toegangskwalificaties, aanmeldt voor het wo of het hbo zal daarin een plaats kunnen vinden. Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 3 3

4 blz Is het vertrekpunt van de stabilisatie van het aantal deelnemers in het hoger onderwijs reëel, indien getoetst aan de demografische ontwikkelingen? Wordt nog een relatieve groei in de deelname voorzien, en in welke mate? Het vertrekpunt van stabilisatie van het aantal deelnemers in het hoger onderwijs wordt niet alleen bepaald door de demografische ontwikkelingen, maar ook door een groot aantal andere factoren, zoals de ontwikkeling van het aantal gediplomeerden in de vooropleidingen, de ontwikkeling van de doorstroompercentages vanuit de vooropleidingen naar het hoger onderwijs, de ontwikkeling van de instroom van buiten het onderwijs (de zogenaamde indirecte instroom) en de ontwikkeling van het rendement en de verblijfsduur in het hoger onderwijs. Wat betreft het onderdeel demografische ontwikkeling gaat er in de periode tot 2005 een dempende werking uit op de instroom in het hoger onderwijs. Dit kan het beste geïllustreerd worden aan de hand van de ontwikkeling van het aantal gediplomeerden in het voortgezet onderwijs, hetgeen op haar beurt weer sterk de instroom in het hoger onderwijs beïnvloedt. In het verleden is het aantal vwo-gediplomeerden gedaald van in 1990 naar in 1994 en het aantal havo-gediplomeerden van in 1990 naar in In de periode tot 2000 wordt nog een verdere daling geraamd tot respectievelijk vwo- en havo-gediplomeerden, daarna stijgen de ramingen onder invloed van demografische ontwikkelingen weer tot het niveau van 1994 in het jaar De ontwikkeling van de doorstroompercentages vanuit de vooropleidingen naar het hoger onderwijs is een andere bepalende factor voor het aantal deelnemers in het hoger onderwijs. Wat de overgang van het vwo naar het wo betreft, wordt geen verdere groei in het deelnamepercentage voorzien, omdat de doorstroom al hoog is en de actuele trends vanaf 1992 duiden op een duidelijke afname van de groei. Het aantal studenten in het wo zal daarom onder invloed van de demografische ontwikkeling enigszins dalen. Bij de overgangen naar het hbo is er de verwachting van enige groei in de deelnamepercentages, zij het dat op termijn ook een stabilisering van het doorstroompercentage mbo-hbo wordt voorzien. Per saldo leidt dit er toe dat een stabilisatie van de instroom in het hoger onderwijs zal optreden. 7 Hoe is de daling van het aantal studentjaren berekend en verhoudt deze zich tot de vermindering van de rijksbijdrage? Welk effect hebben demografische ontwikkelingen op de gepresenteerde cijfers? De Referentieraming 1995 komt tot stand met het ramingsmodel LECTOR, dat gebruik maakt van de CBS-bevolkingsprognose, van telgegevens van leerlingen en studenten in de verschillende schoolsoorten en van CBS-doorstroomgegevens. De demografische ontwikkeling maakt derhalve onderdeel uit van het ramingenmodel. De demografische ontwikkeling beïnvloedt in belangrijke mate de ontwikkeling van het aantal gediplomeerden in het voortgezet onderwijs, hetgeen op haar beurt weer sterk de instroom in het hoger onderwijs beïnvloedt. In het verleden is het aantal vwo-gediplomeerden gedaald van in 1990 naar in 1994 en het aantal havo-gediplomeerden van in 1990 naar in In de periode tot 2000 wordt nog Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 3 4

5 een verdere daling geraamd tot respectievelijk vwo- en havo-gediplomeerden, daarna stijgen de ramingen onder invloed van demografische ontwikkelingen weer tot het niveau van 1994 in het jaar De standaardraming van het ramingsmodel LECTOR wordt bijgesteld voor beleidsmatige correcties indien vanuit het gevoerde beleid verwacht wordt dat de onderwijsdeelname zich wat anders gaat ontwikkelen dan autonoom het geval is. Voor het hoger onderwijs betreft dit gedragseffecten ten gevolge van studiefinancieringsbeleid en hoger onderwijs beleid, zoals op pagina 18 en 19 van de Referentieraming 1995 wordt toegelicht. Het gaat hier om minder stapelen en minder lang studeren als gevolg van het studiefinancieringsbeleid, om een beperking van de cursusduur in het hbo en om een stabilisering van de doorstroom naar het wo. De vermindering van de rijksbijdrage aan het hoger onderwijs met 200 miljoen gulden maakt onderdeel uit van het financieel kader zoals neergelegd in de brief aan de Tweede Kamer van 9 december De verdeling van deze bezuiniging over hbo en wo is gebaseerd op de geraamde ontwikkeling van het aantal studentjaren en, met name, van het aantal af te geven getuigschriften. In het hbo zal het aantal studentjaren redelijk stabiel kunnen blijven, terwijl het aantal getuigschriften nog kan stijgen. In het wo wordt een daling van zowel de studentjaren als de getuigschriften voorzien. 8 Welke inhoudelijke, ook onderwijskundige beleidslijnen liggen aan de geraamde vermindering van de rijksbijdragen ten grondslag? De vermindering van de rijksbijdrage met 200 miljoen is, in de brieven van 9 december 1994 en 27 januari 1995 aan de Tweede Kamer, geplaatst binnen de context van een te verwachten vermindering van het aantal studentjaren. Deze vermindering van het aantal studentjaren ontstaat als gevolg van minder stapelen van diplomas in het hoger onderwijs, minder lang studeren in vergelijking tot de cursusduur, een verkorting van de cursusduur in het hbo en een stabilisering van de doorstroompercentages. Per saldo zal het aantal studentjaren in het hbo daardoor redelijk stabiel kunnen blijven, in plaats van de eerder geraamde verdere stijging, en zal het aantal studentjaren in het wo met ongeveer kunnen gaan dalen. Om het bovenstaande te realiseren zullen de instellingen er via een tijdige selectie en verwijzing van studenten voor zorg moeten dragen dat studenten in een zo vroeg mogelijk stadium op de juiste plaats binnen het hoger onderwijs terecht komen. Op deze wijze kan voorkomen worden dat kostbare tijd verloren gaat als gevolg van een verkeerde studiekeuze, motivatieproblemen of anderszins. Tevens is het van belang dat de instellingen, via een goede studiebegeleiding en goed studeerbare programma s, de basiscondities verzorgen voor een verblijfsduur van studenten die de cursusduur, meer dan nu het geval is, benadert. Daarnaast betekent de verkorting van de cursusduur in het hbo dat de opbouw van het curriculum, meer dan nu het geval is, afgestemd moet worden op de vooropleiding van de studenten. 9 Hoe wordt het gat in de begroting gedicht als blijkt dat het aantal studentjaren minder terugloopt dan geraamd? Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 3 5

6 De vermindering van de rijksbijdrage aan het hoger onderwijs met 200 miljoen is, blijkens de brieven aan de Tweede Kamer van 9 december 1994 en 27 januari 1995, geplaatst onder andere binnen de context van een vermindering van het aantal studentjaren. Mocht deze vermindering niet optreden dan zal nadere analyse moeten uitwijzen of dit het gevolg is van door hogescholen en universiteiten te beïnvloeden factoren, zoals een snelle selectie en verwijzing van studenten en goed studeerbare programmas, of dat er sprake is van autonome ontwikkelingen, zoals een grotere toestroom van studenten naar het hoger onderwijs. Er zal dan nader overleg plaatsvinden over de meer beleidsmatige invulling van de taakstellingen van het Regeerakkoord. 10 Wat is de laatste stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van de afspraken over kwaliteit en studeerbaarheid? In zijn algemeenheid geldt dat de afspraken over kwaliteit en studeerbaarheid thans worden uitgewerkt door de betrokken actoren. De voortgang van de uitwerking van de afspraken vindt plaats in de zgn. «Vierhoek» waarin HBO-Raad, VSNU, ISO en LSVb samenwerken. Deze vierhoek rapporteert aan de minister. Bovendien vindt periodiek overleg plaats tussen de minister en de «vierhoek». Onderstaand is een overzicht opgenomen van enkele belangrijke onderwerpen in het rapport kwaliteit en studeerbaarheid en de stand van zaken bij de uitvoering van deze onderwerpen: a. wetgeving kwaliteit en studeerbaarheid: het betreffende wetsvoorstel ligt voor advies voor bij de Raad van State en zal na advisering door de Raad van State bij de Tweede Kamer worden ingediend. b. Kwaliteitsmanagement en Studeerbaarheidsfonds: instellingen zullen voor 1 april een kwaliteitsplan opstellen en voorstellen indienen voor aanvullende bekostiging uit het studeerbaarheidsfonds. De voorstellen van de instellingen zullen worden beoordeeld door een commissie die op korte termijn zal worden ingesteld. c. Studentenstatuut-nieuwe-stijl: de VSNU, HBO-Raad, ISO en LSVb hebben toegezegd een modelstatuut op te stellen. Mede op basis van dat model kunnen instellingen invulling geven aan het studentenstatuutnieuwe-stijl. blz Wat moet worden verstaan onder een maatschappelijk relevant eindniveau? Impliceert de toenemende belangstelling voor de zogenaamde stapeling, dat de relevantie meer wordt bepaald door de vraag naar dan door het aanbod van de opleidingen? Onder een maatschappelijk relevant eindniveau van een opleiding in het hoger onderwijs wordt een kwalificatieniveau verstaan dat de afgestudeerde zowel in staat stelt tot zelfstandig en innoverend functioneren in functies op een daarbij passend niveau op de arbeidsmarkt, als tot verder leren in de desbetreffende opleiding of discipline. De maatschappelijke relevantie van een opleiding in deze zin moet worden onderscheiden van de relevantie van het volgen van een Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 3 6

7 opleiding voor het individu. Om die reden kan de overigens in de laatste jaren weer dalende belangstelling voor stapeling van studies in het hoger onderwijs niet worden opgevat als bewijs voor de stelling dat de relevantie meer wordt bepaald door de vraag dan door het aanbod van de opleidingen Op grond van welke feiten concluderen de bewindslieden, dat op hoofdlijnen consensus bestaat over de knelpunten in en oplossingsrichtingen voor het onderwijs? Verwezen zij o.m. naar het rapport van de commissie-de Moor (VSNU) en naar het nog steeds bestaande verschil van inzicht met de Vereniging van Hogescholen)? Gelet op de conclusies van het overleg met de VSNU en de HBO-Raad over het ontwerp-hoop 1996 mag vastgesteld worden dat in essentie overeenstemming bestaat over de doelstellingen en randvoorwaarden die ten grondslag liggen aan de geformuleerde voornemens. Ook zijn verschillende voornemens omarmd. Over de voorgenomen cursusduurmaatregel in het hbo is het overleg nog gaande, waarbij echter ook hier sprake is van overeenstemming over het kader waarbinnen een oplossing gezocht moet worden. Over een aantal andere onderwerpen is besloten om het overleg de komende planperiode voort te zetten. 13 Hoe beoordelen de bewindslieden de kritiek van de werkgeversorganisaties op het ontwerp-hoop 1996, gelet op de wens ook buiten de kring van direct betrokkenen instellingen en studenten na te gaan of de doelstellingen aansluiten op wat de samenleving nodig heeft en wenselijk acht? De RCO geeft in haar advies aan in hoofdlijnen in te stemmen met de voornemens rond selectie en verwijzing, de bekostiging en de afstemming van het hoger onderwijs en de arbeidsmarkt, waaronder de herordening van het onderwijsaanbod in het wo en het hbo. Kanttekeningen maakt zij bij de voorstellen voor cursusduurdifferentiatie in het hbo, die zij te rigide acht. Bewindslieden tekenen echter aan dat de vwo- en mbo-afgestudeerden vanuit een andere niveau aan de hbo opleiding kunnen beginnen en daarmee een voorsprong hebben op havisten. Vwo ers hebben een jaar langer algemeen vormend onderwijs gevolgd en hebben bovendien in meer vakken eindexamen gedaan. Mbo ers hebben reeds een beroepsvorming ondergaan en zijn over het algemeen wat ouder. Het overleg met de Vereniging van hogescholen is hierover nog gaande, waarbij uiteraard ook met reacties van andere betrokkenen zoals RCO rekening wordt gehouden. Tevens betwijfelt de RCO de arbeidsmarktrelevantie van de mogelijke 3-jarige bachelor-opleidingen in het wo. Bewindslieden stellen echter vast dat, hoewel de cursusduur van universitaire opleidingen als regel vier jaar bedraagt, hierop beredeneerde uitzonderingen mogelijk zijn. Voorwaarde voor de totstandkoming van drie-jarige opleidingen in het wo is voor bewindslieden en VSNU dat op de arbeidsmarkt behoefte bestaat aan de betreffende opleidingen en dat het wetenschappelijk gehalte van de opleidingen gegarandeerd is. In die zin wordt met de opvattingen van de werkgevers zeer terdege rekening gehouden. Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 3 7

8 blz Waarom loopt het aantal studenten dat werk en studie combineert in deeltijdopleidingen of leer/werktrajecten terug? De groep die traditioneel aan het deeltijd onderwijs deelneemt is ouder dan 27 jaar bij de start van de studie. Omdat steeds meer studenten op jeugdige leeftijd een ho-diploma halen, neemt deze groep af. De jongere studenten kiezen grotendeels voor het voltijds hoger onderwijs. Een keuze die waarschijnlijk is gestimuleerd door de introductie van het stelsel van studiefinanciering in 1986, waardoor deelname aan het voltijds ho voor studenten jonger dan 27 jaar aantrekkelijk werd. Deelnemers aan het deeltijd onderwijs krijgen geen studiefinanciering Kan een overzicht worden gegeven van alle huidige en voorgenomen maatregelen die leiden tot een beperking van indirecte leerwegen? Huidige maatregelen die leiden tot een beperking van indirecte leerwegen (wo-hbo en hbo-wo): * maatregelen in de sfeer van de studiefinanciering vijf jaar recht op een gemengde toelage (behoudens enkele bij wet vastgestelde uitzonderingen) en een leeftijdsgrens van 27 jaar; * maatregelen in de sfeer van de collegegelden recht op het volgen van onderwijs tegen het «lage» collegegeld gedurende inschrijving als student waarbij de inschrijvingsduur als student gelimiteerd is tot ten hoogste zes jaar (behoudens enkele bij wet vastgestelde uitzonderingen) voor de eerste studie en ten hoogste drie jaar voor de vervolgstudie in het andere subsysteem. Voorgenomen maatregelen die leiden tot een beperking van indirecte leerwegen (wo-hbo en hbo-wo): * maatregelen in de sfeer van de studiefinanciering vier jaar recht op een gemengde toelage (behoudens enkele uitzonderingen) voor diegenen die vanaf het studiejaar 1996/1997 in het ho beginnen; * maatregelen in de sfeer van de selectiviteit afschaffing van de regel dat een hbo-propedeuse toegang geeft tot de universiteit; profilering en verzwaring van de tweede fase vo vanaf Mag uit de aangeduide kwantitatieve doelstellingen van het ontwikkelingsperspectief terugdringing van verblijfsduur en uitval en beperking van indirecte leerroutes worden opgemaakt, dat zowel voor het hbo als voor het wo afgezien wordt van een verlaging van de cursusduur? Terugdringing van de verblijfsduur wordt voor een deel bereikt doordat volgens het ontwerp-hoop in het hbo de cursusduur voor diegenen met een vwo- of mbo-achtergrond verlaagd zal worden van vier jaar tot drie jaar. In het wo krijgen de instellingen de keuze per opleiding de 4-jarige doctoraalopleiding te handhaven dan wel een 3-jarige baccalaureaatsopleiding met een als regel 2-jarige selectief toegankelijke vervolgopleiding in te voeren. Deze nieuwe mogelijkheid voor het wo is echter niet gerelateerd aan de kwantitatieve doelstellingen van het ontwikkelingsperspectief, maar heeft als doel een vergroting van de mogelijkheden van de instellingen om de cursusduur te differentiëren. Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 3 8

9 17 Op welke wijze wordt de identiteit van het wo, hbo en mbo aangescherpt? Leidt zulks tot een beperking van de destijds voorziene samenwerkingsvariant? Het voorstel voor aanscherping van de identiteiten wo, hbo en mbo ligt in het verlengde van de lijn die reeds in het HOOP 1992 en het HOOP 1994 is uitgezet. Onderliggende gedachte is dat een maatschappelijk herkenbaar onderscheid tussen wo, hbo en mbo een eerste voorwaarde is voor een gevarieerd onderwijsaanbod dat tegemoet komt aan de gedifferentieerde behoeften van samenleving en studenten. In dat kader wordt ook in dit ontwerp-hoop bevestigd dat verbetering van de allocatie van studenten over de drie onderwijssoorten van groot belang is. Meer dan nu nog het geval is zullen in het wo vooral studenten moeten instromen die dit doen vanuit een aantoonbare interesse in en geschiktheid voor wetenschappelijk onderwijs en onderzoek. Het hbo daarentegen zal bestemd blijven voor studenten die de voorkeur geven aan een beroepsgerichte opleiding. De afbakening tussen mbo en hbo verdient daarbij bijzondere aandacht aangezien het hier gaat om twee vormen van beroepsonderwijs. Hierbij zal het zaak zijn voldoende recht te doen aan de dubbelkwalificatie van het mbo. Het mbo biedt enerzijds toegang tot het hbo voor leerlingen die daarvoor geschiktheid tonen. Tegelijkertijd bestaat de eigen identiteit van het mbo vooral ook daaruit dat de opleiding eindonderwijs is en direct blijft kwalificeren voor de arbeidsmarkt. In dit ontwerp-hoop zijn daarom een aantal concrete voorstellen uitgewerkt die moeten leiden tot een verbetering van selectie en verwijzing tussen de verschillende onderwijssoorten. In de eerste plaats wordt voortgebouwd op de maatregelen die in het kader van de profilering en verzwaring van de tweede fase voortgezet onderwijs worden genomen. De verbeterde allocatie van leerlingen over de tweede fase havo dan wel vwo, maakt het handhaven van de overstap naar het wo op basis van een hbo-propedeuse voor studenten met een havo- of mbo-achtergrond ongewenst. In het ontwerp-hoop wordt voorgesteld deze mogelijkheid af te schaffen. Voorts worden de mogelijkheden van selectie en verwijzing in het eerste jaar van het hbo en het wo verruimd. Instellingen krijgen de mogelijkheid om studenten reeds na drie maanden bindend te verwijzen. Punt van andere orde is dat, omwille van de verbetering van de herkenbaarheid van de identiteiten wo en hbo, in dit ontwerp-hoop verder wordt voorgesteld om de komende jaren te komen tot een ordening van het huidige opleidingenaanbod. Dit moet tot effect hebben dat meer dan nu het geval is opleidingen in het hbo te herleiden zijn tot de beroepspraktijk en opleidingen in het wo beter gerelateerd kunnen worden naar een erkend kennis- en onderzoeksdomein. Wat het mbo betreft zal conform de WEB, in overleg met de Landelijk Organen de eindtermen worden geformuleerd. De voorgestelde aanscherping van de identiteiten van wo, hbo en mbo zullen in het licht van het bovenstaande juist een versterking van de samenwerking tussen universiteiten, hogescholen en mbo-instellingen vergen. Tijdige selectie en verwijzing veronderstelt immers goede afstemming tussen universiteiten en hogescholen, waardoor de opvang van studenten vlekkeloos kan verlopen. Ditzelfde geldt ook voor de relatie tussen hogescholen en mbo-instellingen. Bovendien vergt het realiseren van een transparant en geordend opleidingsaanbod dat universiteiten en hogescholen meer met elkaar samenwerken bij de afstemming van het onderwijsaanbod. De in de vraag genoemde samenwerkingsvariant Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 3 9

10 ervan uitgaande dat hier gedoeld wordt op het Besturenakkoord dat eind 1992 tussen de VSNU en de HBO-Raad is gesloten kan bij deze wederzijdse afstemming uiteraard faciliterend werken. 18 en 19 Is het met het behoud van de identiteit van het wetenschappelijk onderwijs en hoger beroepsonderwijs te verwachten respectievelijk mogelijk dat de institutionele samenwerking hbo/wo vergroot wordt? Hoe verhouden de opmerkingen over het «eigen capaciteitsbeleid» zich tot de gewaarborgde toegankelijkheid? Voor de eerste vraag wordt verwezen naar het antwoord op vraag 17 en voor de tweede vraag wordt verwezen naar het antwoord op vraag 103. blz Is al overeenstemming bereikt met de instellingen en de studenten over de voorgenomen herziening van de universitaire bestuursstructuur? Het wetsvoorstel modernisering universitaire bestuursorganisatie ligt thans voor advies bij de Raad van State en kan naar verwachting in de maand februari a.s. worden ingediend bij de Tweede Kamer der Staten- Generaal. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel zal worden ingegaan op de ontvangen adviezen van instellingen en studenten, alsook op het advies van de Onderwijsraad en het overleg met de personeelsvakorganisaties. 21 Kan de Kamer nog voor de behandeling van het ontwerp-hoop 1996 de uitwerkingsvoorstellen van de Stuurgroep tweede fase voortgezet onderwijs, inclusief beleidsreactie, met betrekking tot de toelatingseisen voor opleidingen voor wetenschappelijk onderwijs tegemoet zien? In december 1995 is een aantal documenten naar de Tweede Kamer gestuurd met betrekking tot de Tweede fase voortgezet onderwijs (brief VO/BOB ). Hiervan maakt deel uit een voorstel van de VSNU voor een doorstroomregeling vwo wo. De besluitvorming hierover zal plaatshebben in het kader van het geheel van de voorstellen voor examens en examenprogramma s in het vo. 22 en 24 Op grond waarvan ligt een verhoging van de doorstroom naar het wetenschappelijk onderwijs niet in de rede? Hoe werken de voorstellen m.b.t. de driejarige cursusduur voor vwo ers in het hbo, respectievelijk het eventueel invoeren van een nieuw opleidingsmodel (3+2) uit op die keuze? Op een beperkte groep na (rond 8%) stromen alle vwo ers door naar het hoger onderwijs, en het overgrote deel daarvan naar de universiteit. De laatste jaren is deze stroom gestabiliseerd. Er is geen reden om aan te nemen, dat de vwo ers in de toekomst een ander keuzegedrag zullen vertonen. Vwo ers die niet naar het hoger onderwijs doorstromen doen dat bijvoorbeeld omdat ze de arbeidsmarkt meer aantrekkelijk vinden. Vwo ers die naar het hbo doorstromen doen dat, omdat ze hun kansen daar reëler achten, omdat de onderwijskundige aanpak hun meer aanspreekt of omdat de desbetreffende opleiding niet in het wo voorkomt (bijvoorbeeld kunst). De driejarige cursusduur in het hbo verandert niets aan het keuzegedrag van vwo-studenten. Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 3 10

11 23 Mag uit de passages over het vwo worden afgeleid, dat nu definitief wordt afgezien van de hier en daar wel bepleite selectie aan de poort? Als uitgangspunt geldt dat, mede gegeven de versterking van de selectie- en allocatiefunctie van het voortgezet onderwijs, het vo voldoende kwalificeert voor het volgen van een opleiding in het ho. Het algemeen invoeren van selectie aan de poort is daarmee strijdig. Dat neemt niet weg dat het selectief toepassen van selectie aan de poort mogelijk een positieve bijdrage kan leveren aan specifieke doelstellingen. Zo is in het ontwerp-hoop voorgesteld om, met het oog op het tot stand komen van een klein aantal topopleidingen, bij wijze van experiment aan een beperkt aantal universitaire opleidingen de kans te geven hogere eisen te stellen bij de toegang tot het hoger onderwijs. 25 In hoeverre leidt de voorgestelde keuzevrijheid tussen de opleidingsmodellen met een 4-jarige doctoraalopleiding dan wel met een 3-jarige baccalaureaatsopleiding, gekoppeld aan (als regel) een 2-jarige vervolgopleiding tot een gemiddelde verlenging van de cursusduur? De voorgestelde keuzevrijheid tussen de opleidingsmodellen vindt plaats tegen de achtergrond van «budgettaire neutraliteit». Dat wil zeggen dat de rijksbijdrage voor de 4-jarige doctoraalopleiding dezelfde zal zijn als voor de combinatie van de 3-jarige baccalaureaatsopleiding en de vervolgopleiding en is bovendien neutraal voor de studiefinanciering. Er wordt daarom vanuit gegaan dat instellingen de doorstroompercentages naar de vervolgopleidingen zodanig zullen bezien dat er geen sprake zal zijn van een gemiddelde verlenging van de cursusduur. 26 In welke mate zal het eindniveau van de 3-jarige universitaire opleiding verschillen van het eindniveau van de 4-jarige universitaire opleiding? Een 3-jarige universitaire opleiding leidt op tot een lager kwalificatieniveau dan de 4-jarige variant. Aan een 3-jarige opleiding is een baccalaureaatsgraad verbonden, aan een 4-jarige opleiding de graad van drs of master. Daarnaast zal een 3-jarige opleiding als regel een ander karakter hebben, doordat het gelede opleidingenmodel het mogelijk maakt in de verschillende onderdelen van de opleiding verschillende accenten te leggen. Zo ligt het voor de hand dat in de eerste drie jaren het accent ligt op brede academische vorming. In de vervolgopleidingen kunnen dan uitstroomdifferentiaties gericht op de opleiding tot wetenschappelijk onderzoeker, het beroep van leraar of andere universitaire beroepsopleidingen meer accent krijgen. In een reguliere 4-jarige opleiding komen deze verschillende facetten in sterkere mate geïntegreerd aan bod. 27 Kan een student halverwege de studie alsnog besluiten de 3-jarige universitaire studie om te zetten in een 4-jarige universitaire studie, aangenomen dat de betreffende universiteit beide varianten aanbiedt? Welke gevolgen heeft dit voor de studiefinanciering? De vraag berust op een misverstand voorzover omzwaaien binnen de instelling is bedoeld, aangezien in het ontwerp-hoop is aangegeven dat een instelling per opleiding moet kiezen voor ofwel het 3+2-model of een 4-jarige cursusduur. Een opleiding kan dus niet in beide vormen aan een instelling voorkomen. Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 3 11

12 28 Is de behoefte aan de baccalaureaatsopleiding, ook als «maatschappelijk relevante» eindopleiding getoetst bij studenten en bij het bedrijfsleven? Zo ja, met welk resultaat? Zowel de studentenorganisaties als het RCO betwijfelen in hun reacties op het ontwerp-hoop in het algemeen de maatschappelijke relevantie van een 3-jarige baccalaureaatsopleiding aan de universiteiten. Dit is in overeenstemming met de gezamenlijk met de VSNU getrokken conclusie naar aanleiding van het overleg over het ontwerp-hoop dat de cursusduur van de universitaire opleidingen als regel vier jaar bedraagt. Wel zijn op deze regel beredeneerde uitzonderingen mogelijk. De behoefte daaraan zal dan wel goed moeten worden getoetst. In het ontwerp-hoop worden voorstellen gedaan voor de condities waarbinnen een dergelijke toetsing kan plaatsvinden. Alleen voor gevallen waarin die toetsing positief uitvalt is het in het ontwerp-hoop aangereikte «dubbeleuitgangenmodel» bedoeld. 29 en 30 Gaat het bij de geïntensiveerde verwijzing alleen om verwijzingen naar het hbo of ook om verwijzingen binnen de instellingen? Wat is de basis voor bekostiging van een nieuw in te voeren opleidingsmodel in het wetenschappelijk onderwijs? Bindende verwijzing in de propedeuse geschiedt op grond van een oordeel over de studieprestaties en motivatie en belangstelling van studenten. Naast verwijzing naar het hbo zal het ook voorkomen dat studenten het advies krijgen naar een andere opleiding binnen de instelling over te stappen, omdat die beter aansluit bij hun capaciteiten en interesses. Daarnaast willen bewindslieden het mogelijk maken om gedurende de gehele studie bindend te verwijzen binnen een opleiding. Basis voor de bekostiging van het nieuwe opleidingsmodel is dat wordt voldaan aan een aantal criteria. Daar hoort in ieder geval bij de behoefte op de arbeidsmarkt en het wetenschappelijk gehalte van de opleiding. De rijksbijdrage voor het nieuwe opleidingsmodel zal dezelfde zijn als voor de 4-jarige doctoraalopleiding. blz Waarom wordt voor het principe van de differentiatie van de cursusduur in het hbo teruggegrepen op het hoofdlijnenakkoord van , terwijl nu door de financiële taakstelling en de twijfelachtige wens van een verlaging van de gemiddelde verblijfsduur de differentiatie anders uitpakt dan destijds is voorzien? Er wordt verwezen naar het hoofdlijnenakkoord om aan te sluiten bij de ontwikkelingen die reeds in gang zijn gezet om tot een kortere cursusduur voor bepaalde groepen studenten te komen. De maatregel tot beperking van de cursusduur in het hbo, zoals nu verwoord in het ontwerp-hoop, gaat weliswaar een stap verder dan het hoofdlijnenakkoord maar gaat nog steeds uit van streven naar een kortere cursusduur voor studenten met een bepaalde vooropleiding. 32 Welke ervaringen zijn tot nu toe opgedaan met het verkorten van de cursusduur voor vwo ers en mbo ers in het hbo? Is op basis daarvan te verwachten dat de instellingen de voorgestelde structurele aanpassing zonder meer kunnen doorvoeren? Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 3 12

13 In de Hoofdlijnenakkoorden zijn met de hogescholen nadere afspraken gemaakt over het aanbieden van kortere leertrajecten in het hbo voor studenten met een mbo- en vwo-achtergrond. Sindsdien worden bij verschillende opleidingen in het hbo kortere trajecten voor mbo en vwo-opgeleiden aangeboden. Deze trajecten worden met name aangetroffen in het hoger technisch onderwijs, het hoger economisch onderwijs, het hoger sociaal-agogisch onderwijs en het hoger gezondheidszorgonderwijs. Een volledig overzicht van verkorte trajecten in het hbo ontbreekt, aangezien veel van deze trajecten in onderling overleg tussen de opleiding en de desbetreffende studenten tot stand komen. Studenten nemen deel aan het reguliere hbo-programma, waarbij op basis van de kwalificaties waarover de studenten reeds beschikken, nadere afspraken gemaakt worden over vrijstellingen in bepaalde programmaonderdelen. De verwachting is dat het goed mogelijk moet zijn om de invoering van verkorte trajecten in het hbo voor vwo- en mbo-opgeleiden, structureler door te voeren dan tot op heden is gebeurd. Overigens wordt in dit verband verwezen naar het antwoord op vraag Waarom is niet in het hbo overwogen de instellingen via de bekostiging te stimuleren verkorte programma s aan te bieden? In het hbo is de bekostiging in sterke mate gericht op de output van de hogeschool, met name het aantal afstuderende studenten. Dit betekent dat een hogeschool in totaliteit geen hogere rijksbijdrage ontvangt voor een student die na een lange verblijfsduur afstudeert in vergelijking tot een student die snel, al dan niet via een verkort programma, afstudeert. Een hogeschool krijgt per studentjaar dus een hogere rijksbijdrage naarmate studenten sneller studeren, hetgeen reeds een belangrijke stimulans in de bekostiging vormt. Een verdergaande stimulans via de bekostiging zou betekenen dat er zelfs een hogere prijs voor verkorte programma s wordt uitgekeerd, hetgeen als nadeel heeft dat de verhouding tussen prijs en geleverde prestatie verder uiteen gaat lopen. De overheid geeft dan meer geld uit aan een prestatie die minder kosten met zich meebrengt. 34 Betekent de stelling, dat het aantal afgestudeerden in het ho niet verandert maar het aantal studentjaren wel (in de zin van verlaging), dat minder studenten zullen instromen (wat niet strookt met de toegankelijkheid) dan wel meer studenten tussentijds uitstromen zonder kwalificaties? Wat betekent zulks voor de arbeidsmarkt en de kwaliteit van de beroepsbevolking? Het aantal studentjaren kan afnemen terwijl het aantal afgestudeerden gelijk blijft door het verkorten van de gemiddelde verblijfsduur in het hoger onderwijs. Er vindt dus geen beperking van de instroom in het hoger onderwijs plaats, hetgeen inderdaad niet zou stroken met de toegankelijkheidsdoelstelling. Ook wordt er geen dusdanig strengere selectie beoogd dat er meer studenten tussentijds uitstromen zonder kwalificaties. Wel wordt beoogd dat studenten in een zo vroeg mogelijk stadium worden geselecteerd en verwezen, waardoor de verblijfsduur van zowel uitvallers als afstudeerders in het hoger onderwijs kan worden bekort. Tevens kan de verblijfsduur van afstudeerders in het hbo worden verkort door een kortere cursusduur te introduceren voor studenten met een mbo- of vwo-vooropleiding. Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 3 13

14 Door deze maatregelen zal het aantal afgestudeerden in het hbo niet afnemen, zijn er geen (negatieve) effecten te verwachten voor de arbeidsmarkt en komt de kwaliteit van de beroepsbevolking niet in gevaar. In het wo treedt daarentegen naar verwachting wel een daling van de instroom op als gevolg van demografische effecten en een terugloop van de stapeling. Daardoor zal in het wo ook sprake zijn van een terugloop van het aantal afgestudeerden. Een en ander betekent echter niet dat het aantal hoger opgeleiden als percentage van de relevante leeftijdsgroep daalt. blz Welke mogelijkheden heeft de Kamer om de meerjarige afspraken tussen de overheid en de instellingen te toetsen, en zo mogelijk bij te stellen? Zijn de bewindslieden bereid het financieel perspectief, zoals geschetst in paragraaf 3 van het ontwerp-hoop 1996 tussentijds te wijzigen, wanneer de ontwikkelingen, o.m. inzake kwaliteit en studeerbaarheid zulks vereisen? Bij de aanpassing van het Bekostigingsbesluit WHW kan de Kamer een rol spelen. De afspraken worden in ieder geval gemaakt onder het voorbehoud van het budgetrecht van de Tweede Kamer der Staten- Generaal. De bedoeling is verder de meerjarige afspraken te evalueren. Het financieel perspectief voor het hbo dan wel het wo als geheel staat vast en zal alleen gewijzigd worden als sprake is van majeure afwijkingen ten opzichte van de in het ontwerp-hoop geraamde ontwikkelingen van de deelname, voor zover die niet door de universiteiten en hogescholen kunnen worden beïnvloed. Al naar gelang de oorzaak en richting van de afwijkende ontwikkeling is in dat geval een budgetverschuiving tussen hbo en wo mogelijk. Als deze situatie zich voordoet zal hierover uiteraard overleg gevoerd worden met de Kamer. 36 Impliceert het faciliterend karakter van de aanpassing van de bestuursstructuur voor de overige veranderingen in het hoger onderwijs, dat vertraging in die aanpassing repercussies heeft voor het ontwikkelingstraject? Het faciliterend karakter van de modernisering van de universitaire bestuursorganisatie betekent dat het gewenst is deze aanpassingen zoveel mogelijk in te voeren voorafgaande aan de implementatie van het ontwikkelingsperspectief in het ontwerp-hoop Er is echter geen sprake van een zo nauwe relatie tussen beide maatregelen dat een vertraging in het ene traject zich direct zou doorvertalen in het andere. blz Kan een overzicht worden gegeven van de thans aanwezige kortere (dan de vier-jarige) opleidingen in het hbo en het wo, waar sprake is van een hoger studietempo dan wel een lagere studielast dan de wettelijke norm? Bestaat de zekerheid, dat deze en eventueel nieuw te ontwikkelen opleidingen voldoen aan de kwaliteitseisen? Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 3 14

15 Er is geen exact overzicht beschikbaar van opleidingen in het hoger onderwijs die een lagere studielast hebben dan de in de WHW toegestane maximum van 168 studiepunten (4 jaar). Evenmin bestaat er een volledig overzicht van de 4-jarige opleidingen die door studenten in een sneller tempo doorlopen kunnen worden. In het geval de kortere opleidingen die door hogescholen en universiteiten worden verzorgd tot de initiële fase behoren, vallen deze opleidingen wel gewoon onder de bekostigingsverantwoordelijkheid van de overheid. Als zodanig zijn zij net als de gangbare vier-jarige opleidingen, onderworpen aan het reguliere stelsel van kwaliteitszorg voor het hoger onderwijs. De nieuwe opleidingen voor hbo en wo die in het HOOP worden voorgesteld, behoren eveneens tot het initiële onderwijs en zullen eveneens binnen het bestaande kwaliteitszorgsysteem worden gevisiteerd. 38 Welke hbo-opleidingen zijn langer geworden? Wat was daarvoor de reden? Kenmerkt het Nederlands hoger onderwijs zich door een grotere uniformiteit dan systemen in het buitenland? Vinden in die landen vergelijkbare discussies plaats? Hoe verhoudt de discussie in ons land zich tot het streven internationaal een doorzichtiger aanbod tot stand te willen brengen? Met de invoering van de WHBO midden jaren tachtig, ingegeven door o.a. een harmonisering van bepalingen voor het wetenschappelijk onderwijs over de maximum-cursusduur, is een beperkt aantal opleidingen langer geworden. In de sector Techniek gaat het dan om het laboratorium onderwijs met een verlenging van 3,5 naar 4 jaar en vooral de sector Economie met de voormalige Heao-opleidingen zoals bedrijfskunde met een verlenging van 3 naar 4 jaar. Daarnaast zijn in andere sectoren opleidingen korter geworden zoals in Taal en cultuur waar de opleidingen beeldende kunst zijn verkort van 5 naar 4 jaar en in Onderwijs, waar de tweedegraads leraren opleidingen zijn verkort van 4,5 naar 4 jaar. Zoals verschillende publikaties laten zien (o.a. Aspecten van hoger onderwijs een internationale inventarisatie, CSHOB voor de WRR, 1995 en Het Nederlandse hoger onderwijs in internationaal perspectief, Kouwenaar voor de ARO, 1994) is het Nederlandse hoger onderwijsstelsel (daarmee) in vergelijking met de situatie in enkele andere landen relatief statisch en homogeen in die zin dat er een beperkt aantal uitstroommogelijkheden is, en weinig typen hoger onderwijs zijn. De structuur van het hoger onderwijs is in alle landen een vrij continue bron van beleidsmatige aandacht waarbij het streven naar differentiatie en diversiteit voorop staat. Er is internationaal een tendens tot diversificatie van verschillende opleidingsdoelen in verschillende opleidingsprofielen. In de reacties van de grenslanden zijn de voornemens in het ontwerp-hoop 1996 omtrent een transparanter onderwijsaanbod onderschreven. Zoals Vlaanderen aangeeft, ontsnappen weinig landen aan deze problematiek. Nedersaksen en Noordrijn-Westfalen omarmen het voornemen te komen tot een beperkter aantal, brede opleidingen, mede gelet op een gelijke vraag daartoe bij de eigen werkgevers. Ook Vlaanderen geeft aan sterk geïnteresseerd te zijn in de voorstellen tot ordening van het onderwijsaanbod in het hbo en het wo. Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 3 15

16 blz Waarom wordt door de voorstellen van het ontwerp-hoop 1996 de via de niet verouderde WHW beoogde standaardisering van het hoger onderwijs losgelaten? Welke voor- en nadelen zijn verbonden aan de koppeling van bekostiging, studiefinanciering, retributies en inrichting van het hoger onderwijs? De bestaande uniformering in het hoger onderwijssysteem is het resultaat van het beleid in de afgelopen jaren gericht op het vergroten van de deelname in het hoger onderwijs. Om de groei van het aantal studenten te faciliteren is gekozen voor het aanbrengen van een zekere standaardisering in het onderwijssysteem. Keerzijde van deze strategie is dat onvoldoende recht wordt gedaan aan het feit dat tegelijk met de groei van het aantal studenten, ook een grotere variatie is ontstaan in de studentenpopulatie. Ook de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt stelt nieuwe eisen aan de inrichting van het bestel. In het ontwerp-hoop wordt daarom vastgesteld dat met de ontstane uniformering (tot uitdrukking komend in de huidige wet- en regelgeving in de WHW) onvoldoende tegemoet kan worden gekomen aan de bestaande verschillen tussen studenten en wisselende behoefte vanuit de arbeidsmarkt. Om deze reden wordt in het ontwerp-hoop voorgesteld om het hoger onderwijs zodanig aan te passen dat een gedifferentieerder systeem ontstaat dat meer recht doet aan verschillende behoeften bij studenten en samenleving. Het hanteren van de vierjarige cursusduur als maat voor SF, bekostiging, retributie en programmering geldt hierbij als een illustratie voor de ontstane uniformering in het bestel, met als doel de grotere aantallen studenten beter op te kunnen vangen. Voordeel hiervan is dat daarmee een zekere eenduidigheid is gewaarborgd en een heldere set van gegarandeerde leerrechten is geformuleerd. Nadeel is wel dat hiervan een zekere systeemdwang uit is gegaan die bijvoorbeeld tot effect heeft gehad dat steeds meer opleidingen vierjarig zijn geworden, waar zij in het verleden korter danwel langer zijn geweest. 40 Impliceert het feit dat Nederland de internationale trend volgt waar het de participatie in het hoger onderwijs betreft, dat de inrichting van het hoger onderwijs een geringere invloed heeft op die participatie dan andere factoren? Zo ja, welke factoren? De groei in de deelname aan het hoger onderwijs, is een trend die zich in de meeste Europese landen heeft voorgedaan. Deze groei kan daarom beschouwd worden als een algemeen gegeven dat per land heeft geleid tot voor dat land specifieke problemen, die ook per land verschillend worden opgelost. Daarbij is gebleken dat specifieke oplossingen hun prijs hebben zoals bijvoorbeeld in Duitsland het geval is waar sprake is van langere cursusduren van ho-opleidingen en daarmee gepaard gaand relatief lange verblijfsduren van studenten. In Nederland is als oplossing voor de massificatie onder gelijktijdige handhaving van kwaliteit en toegankelijkheid, gekozen voor een inrichting van het onderwijsbestel die gebaseerd is op het aanbrengen van een zekere uniformering in het bestel. Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 3 16

17 blz Hoe ziet de groep vwo ers/havisten er uit? Is daarbij rekening gehouden met de groeiende groep allochtone jongeren? Is te verwachten dat deze groepen op basis van de huidige verdeelsleutel ook naar het vwo en havo doorstromen? Wat is daarvan het te verwachten effect op de deelname in wo en hbo? De groep vwo ers bestaat uit ca leerlingen en de groep havisten uit ca leerlingen (cijfers voor 1994). Het aandeel allochtone leerlingen zoals gemeten door OCenW op basis van de faciliteitenregeling voor culturele minderheden en anderstaligen in het vo binnen het totaal aan leerlingen in het vwo en havo wordt groter. In de periode is de relatieve deelname gegroeid in het havo van 1.8% tot 3.7% en in het vwo van 1.5% tot 2.3%. In de leerlingen- en studentenramingen van OCenW wordt niet expliciet rekening gehouden met de groeiende groep allochtone jongeren. Impliciet echter wel, doordat allochtonen onderdeel uitmaken van de bevolking en doordat het doorstroompatroon van allochtonen zich vertaalt in het doorstroompatroon van de hele populatie. Om te voorkomen dat de doorstroom van allochtone leerlingen naar het wo en hbo stagneert worden ondermeer door het Expertise Centrum Allochtonen Hoger Onderwijs (ECHO) projecten uitgezet. Indien de doorstroom van allochtonen naar het ho toch lager zal uitvallen dan die van autochtonen (zie bijvoorbeeld onderzoek van het Instituut voor Sociologisch-Economisch Onderzoek uit 1991), zou dit de deelname in wo en hbo kunnen drukken. Het effect hiervan zal echter gering zijn, gezien het lage percentage leerlingen waar het dan om gaat Leidt de variëteit van de arbeidsmarkt noodzakelijkerwijs tot de voorgestelde aanpassingen van het hoger onderwijs, of zijn ook andere modellen mogelijk, ook in afstemming met wat elders in Europa gebeurt? De variëteit op de arbeidsmarkt leidt niet noodzakelijkerwijs tot een model te weten de in het ontwerp-hoop voorgestelde aanpassingen van het hoger onderwijs als de enige mogelijke manier om tegemoet te komen aan de grotere variëteit op de arbeidsmarkt. Verschillende Europese landen zullen ook met verschillende oplossingrichtingen komen waar het erom gaat het eigen hoger onderwijssysteem af te stemmen op de wisselende behoeften op de arbeidsmarkt. In het ontwerp-hoop wordt in dat kader gekozen voor het tot stand brengen van een Nederlands hoger onderwijssysteem dat gedifferentieerder is dan tot nu toe het geval is. De veronderstelling daarbij is dat met een gevarieerd hoger onderwijssysteem de beste condities zijn geschapen om waar noodzakelijk, snel in te spelen op veranderingen op de arbeidsmarkt. blz Zal de beoogde ombuiging van het aantal studentjaren van het hbo in de richting van het wo leiden tot een aanpassing (stijging) van de relevante arbeidsmarktvraag naar hbo ers? Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 3 17

18 Is de regering van plan deze arbeidsmarktvraag beleidsmatig te gaan stimuleren? Met de beleidsvoornemens zoals opgenomen in het ontwerp-hoop wordt geen ombuiging beoogd van het aantal studentjaren van het hbo in de richting van het wo, of omgekeerd. De beleidsmatige bijstellingen op de studentenraming, zoals opgenomen in tabel 2 blz. 60 van het ontwerp- HOOP, hebben betrekking op het minder stapelen van diploma s in het hoger onderwijs, op minder lang studeren in vergelijking tot de cursusduur, op een verkorting van de cursusduur in het hbo en op een stabilisering van de doorstroompercentages. Er wordt geen beleid gevoerd om een verschuiving van de instroom van studenten naar wo dan wel hbo te bewerkstelligen. Een beleidsmatige stimulering van de arbeidsmarktvraag specifiek voor hbo ers is dan ook niet het voornemen. Overigens blijkt uit figuur 4 op blz. 25 van het ontwerp-hoop de arbeidsmarktontwikkeling voor hbo ers relatief gunstig te zijn. 44 Hoe is een «gericht capaciteitsbeleid» te voeren als tegelijkertijd wordt vastgesteld dat opleidingen niet meer vanzelf opleiden voor een bepaald functieniveau? Een «gericht capaciteitsbeleid» kan daaruit bestaan dat instellingen de capaciteit van opleidingen afstemmen op zowel de opleidingsvraag van studenten opdat het hoger onderwijs optimaal toegankelijk blijft als op de mogelijkheden van de instelling zelf. De mogelijkheden van de instelling worden bepaald door onder meer de capaciteit waarbij kwaliteit van de opleiding nog gegarandeerd kan worden (het beschikbare gekwalificeerde personeel kan daarvoor beperkend zijn), de benodigde investeringen, de beschikbare practicum- en stagefaciliteiten en het profiel van de instelling. Een gericht capaciteitsbeleid is dus niet dat de onderwijscapaciteit zo precies mogelijk wordt afgestemd op de behoefte van de arbeidsmarkt. Wel kan van de instellingen verwacht worden dat zij aandacht besteden aan de afstemming met de arbeidsmarkt. Bijvoorbeeld door hun studenten te blijven volgen, ook na het afstuderen. Zo is het denkbaar dat instellingen de capaciteit beperken van die opleidingen waarvan een relatief hoog percentage van de afgestudeerden van de betreffende opleiding werkloos is. Een uitzondering hierop zouden die opleidingen kunnen zijn waarvoor de instellingen in het ontwerp-hoop zeer nadrukkelijk worden uitgenodigd de opleidingscapaciteit te beperken omdat anders een arbeidsmarktfixus onafwendbaar zal zijn. Het gaat hier echter om opleidingen die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend voorbereiden op de uitoefening van één of een beperkt aantal beroepen. blz Als argument voor het inkorten van de studies in het wo wordt onder andere het ITS-onderzoek over de tijdsbesteding aangehaald. Onlangs is er weer een nieuw ITS-onderzoek gedaan waarvan de uitkomsten al sterk veranderd zijn gezien het feit dat studenten een groot deel van hun tijd aan bijbaantjes besteden om hun inkomen aan te vullen. Welke beleidsmatige consequenties hebben deze onderzoeksgegevens? Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 3 18

19 Het nieuwe ITS-rapport, dat bij het opstellen van het ontwerp-hoop nog niet beschikbaar was, laat ook zien dat er grote verschillen bestaan in studiebelasting tussen disciplines. Wel is er over de gehele linie sprake van een lichte toename van de tijdsbesteding aan de studie in vergelijking met het voorgaande jaar. Uit datzelfde onderzoek blijkt een toename van het aantal studenten dat beschikt over eigen inkomsten. Uit het onderzoek valt echter niet op te maken dat er een relatie bestaat tussen de omvang van bijbaantjes van studenten en de tijdsbesteding aan de studie. In een recent verschenen onderzoek van het SCO blijkt evenwel dat het hebben van een bijbaan in het algemeen geen gevolgen heeft voor het studietempo. 46 Waarom wordt slechts gebruik gemaakt van het ITS-onderzoek en het UvA-onderzoek, om de stelling tot verkorting van de opleidingen te onderbouwen, en niet bijvoorbeeld van het onderzoek anatomie van een leeromgeving (K. v.d. Drift, Leiden)? Vooropgesteld moet worden dat deze twee onderzoeken dienen als illustratie en niet beogen uitputtend te zijn. De aangehaalde onderzoeken dienen ter illustratie van de constatering dat onder de uniforme cursusduur van vier jaar in werkelijkheid een grote variëteit schuilgaat; in dit geval een variëteit in studielast. Zo is gebleken dat er sprake is van verschillen in studiebelasting tussen verschillende disciplines. Van het onderzoek «anatomie van een leeromgeving» is geen gebruik gemaakt aangezien dit onderzoek reeds dateert uit 1987 en is gebaseerd op gegevens die betrekking hebben op het einde van de jaren 70. Dat neemt niet weg dat ook dat onderzoek aangeeft dat er grote verschillen bestaan in studielast tussen de disciplines. Verschillen tussen opleidingen in structurering van de leeromgeving worden in dat onderzoek gezien als een belangrijke verklarende factor daarvoor. blz Welke voordelen ziet de regering vanuit het perspectief van de individuele student in een academische opleiding van 3 jaar boven een academische opleiding van 4 jaar? Een belangrijk voordeel is in de eerste plaats dat een 3-jarige opleiding een eerdere entree op de arbeidsmarkt mogelijk maakt. Ten tweede brengt een kortere opleiding lagere kosten met zich mee voor de student, zowel wat betreft het verschuldigde collegegeld, als wat betreft de leencomponent in de studiefinanciering. Ten derde heeft een opleiding volgens het dubbele-uitgangenmodel een andere opbouw dan een reguliere opleiding, hetgeen voor studenten aantrekkelijk kan zijn. Daarbij kan een voordeel voor individuele studenten ook zijn dat een 3-jarige baccalaureaatsopleiding toegang biedt tot vervolgopleidingen. 48 Waarom kan of moet bij grote c.q. specifieke categorieën (zoals de ingenieurswetenschappen) de behoefte aan kortere of langere opleidingstrajecten wel centraal worden gesteld, maar bij andere categorieën niet? Alleen bij specifieke categorieën opleidingen, waarin over de volle breedte behoefte is gebleken aan langere danwel kortere opleidingen, is Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 3 19

20 het mogelijk om de invoering daarvan centraal vast te stellen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de technische opleidingen in het wo waar de noodzakelijkheid voor verlenging van de cursusduur zeer uitvoerig is besproken en uiteindelijk breed werd ondersteund. Bij opleidingen waar de behoefte aan langere danwel kortere trajecten meer incidenteel is gebleken, ligt het meer voor de hand de invoering daarvan op het niveau van de opleiding zelf te regelen. 49 Wat zijn de (ook financiële) consequenties van de stelling, dat bij het uitblijven van een behoefte aan korte opleidingen die opleidingen ook geen vorm zullen krijgen? Als blijkt dat geen behoefte bestaat aan dergelijke opleidingen, moeten ze er ook niet komen. Dan blijft in het wo sprake van vierjarige opleidingen met dezelfde uitwerking als we nu kennen. In dat geval bestaan ten opzichte van het ontwerp-hoop geen financiële consequenties. blz Welke bezwaren zijn verbonden aan het geheel overlaten aan de instellingen van de wijze waaop zij aan differentiatie van de cursusduur in het wo en hbo binnen bepaalde financiële randvoorwaarden vorm willen geven? Een concreet bezwaar is gelegen in de noodzaak dat studenten de studie moeten kunnen afronden binnen de periode waarin zij recht hebben op gemengde studiefinanciering. Deze periode zal onder de prestatiebeurs gelijk zijn aan de cursusduur. Om te voorkomen dat overlaten van de cursusduur aan instellingen studenten niet in staat stelt binnen de studiefinancieringsduur een initiële opleiding af te ronden, danwel leidt tot hogere uitgaven voor studiefinanciering is een andere inrichting van de studiefinanciering nodig. In het ontwerp-hoop is dit aan de orde voor de vervolgopleidingen in het kader van het «dubbeleuitgangenmodel» voor universitaire opleidingen waar voorgesteld wordt de studiefinanciering door de instellingen te laten verstrekken vanuit het afstudeerfonds. Daarnaast moet worden voldaan aan inhoudelijke randvoorwaarden alvorens de bepaling van de cursusduur kan worden overgelaten aan de instellingen. Een eerste randvoorwaarde is dat differentiatie van de cursusduur moet blijven resulteren in opleidingen die voorzien in een maatschappelijke behoefte. Om die reden is ook externe toetsing van de maatschappelijke behoefte alsook de macro-doelmatigheid van opleidingen met een andere cursusduur van belang. Alleen dan kan sprake zijn van erkenning van opleidingen en het verlenen van titulatuur vanwege de overheid. Een tweede randvoorwaarde is de transparantie van het opleidingenaanbod voor studenten en arbeidsmarkt, mede in internationaal perspectief. Dat vormt de reden om alleen aan opleidingen van een bepaalde (minimale) duur graden en titulatuur te verlenen. In het ontwerp-hoop is met de introductie van een baccalureusgraad in het wo vanaf 3 jaar en een mastergraad in het hbo aansluiting gezocht bij internationaal herkenbare graden. 51 Welke universitaire opleidingen komen in beginsel in aanmerking voor de cursusduur 3+2 en welke juist niet? Vinden de bewindslieden dat los Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 3 20

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1996 1997 25 330 Wijziging van de Wet op de studiefinanciering in verband met de overgang van studerenden van de ziekenfondsverzekering naar de particuliere

Nadere informatie

EFFECTIVITEIT EN EFFICIËNTIE VAN HET HOGER ONDER- WIJS: BELEIDSMATIGE ONTWIKKELINGEN

EFFECTIVITEIT EN EFFICIËNTIE VAN HET HOGER ONDER- WIJS: BELEIDSMATIGE ONTWIKKELINGEN 1. EFFECTIVITEIT EN EFFICIËNTIE VAN HET HOGER ONDER- WIJS: BELEIDSMATIGE ONTWIKKELINGEN De minister heeft in 1995 de instellingen voor Hoger Onderwijs 500 miljoen gulden in het vooruitzicht gesteld om

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1997 1998 25 615 Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan 1998 Nr. 10 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAPPEN Aan de Voorzitter van de Tweede

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2002 2003 28 681 Wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met versnelde invoering toets nieuwe opleiding Nr.

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1998 1999 26 397 Vernieuwing studiefinanciering Nr. 12 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAPPEN Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten Generaal

Tweede Kamer der Staten Generaal Tweede Kamer der Staten Generaal Vergaderjaar 1988-1989 20 214 Hoger onderwijs en onderzoek plan Nr. 15 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS EN WETENSCHAPPEN Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal Vergaderjaar 1987-1988 19790 Sectorvorming en vernieuwing in het middelbare beroepsonderwijs Nr. 24 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS EN WETENSCHAPPEN Aan de

Nadere informatie

ARTIKEL I WIJZIGING VAN DE WET OP HET VOORTGEZET ONDERWIJS

ARTIKEL I WIJZIGING VAN DE WET OP HET VOORTGEZET ONDERWIJS Wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met het vervangen van de verplichte maatschappelijke stage door een facultatief programmaonderdeel VOORSTEL VAN WET Allen, die deze zullen zien

Nadere informatie

handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Subsidieregeling tweede graden hbo en wo Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van... (datum), nr. HO&S/2010/228578, houdende subsidiëring van tweede bachelor- en mastergraden

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1997 1998 25 615 Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan 1998 Nr. 24 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAPPEN Aan de Voorzitter van de Tweede

Nadere informatie

DAG VAN DE BEROEPSKOLOM 9 O K TO B E R 20 1 5

DAG VAN DE BEROEPSKOLOM 9 O K TO B E R 20 1 5 DAG VAN DE BEROEPSKOLOM MBO-HBO 9 O K TO B E R 20 1 5 Doelen Kijken wat al goed werkt Nagaan of iets bijdraagt aan de kwaliteit van de aansluiting en doorstroom Aangeven wat kan verder worden uitgewerkt

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1998 1999 26 339 Voorschriften van tijdelijke aard, waaronder wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, in verband met de

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1993-1994 23 400 VIII Vaststelling van de begrotïng van de uitgaven en de ontvangsten van hoofdstuk VIII (Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen) voor

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1997 1998 24 724 Studiefinanciering Nr. 28 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG Vastgesteld 19 mei 1998 De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

Nadere informatie

5. Onderwijs en schoolkleur

5. Onderwijs en schoolkleur 5. Onderwijs en schoolkleur Niet-westerse allochtonen verlaten het Nederlandse onderwijssysteem gemiddeld met een lager onderwijsniveau dan autochtone leerlingen. Al in het basisonderwijs lopen allochtone

Nadere informatie

vra2001ocw.022 Bekostigingsbesluit WHW in verband met het kunstonderwijs

vra2001ocw.022 Bekostigingsbesluit WHW in verband met het kunstonderwijs vra2001ocw.022 Bekostigingsbesluit WHW in verband met het kunstonderwijs Binnen de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen hebben enkele fracties de behoefte over de brief van de Staatssecretaris

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2013 2014 31 288 Hoger Onderwijs-, Onderzoek- en Wetenschapsbeleid Nr. 360 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP Aan de Voorzitter van

Nadere informatie

Onderzoek studie uitval HBO studenten Het belang van een goede studiekeuze. oktober 2011

Onderzoek studie uitval HBO studenten Het belang van een goede studiekeuze. oktober 2011 Onderzoek studie uitval HBO studenten Het belang van een goede studiekeuze oktober 2011 Hoog percentage studie uitvallers Uit cijfers van de HBO-raad blijkt dat gemiddeld 15,8% van de HBO studenten afvalt

Nadere informatie

logoocw De heer prof. dr. F. P. van Oostrom 26 mei 2005 ASEA/DIR/2005/23876 Taakopdracht voor de commissie Ontwikkeling Nederlandse Canon geen

logoocw De heer prof. dr. F. P. van Oostrom 26 mei 2005 ASEA/DIR/2005/23876 Taakopdracht voor de commissie Ontwikkeling Nederlandse Canon geen logoocw De heer prof. dr. F. P. van Oostrom Den Haag Ons kenmerk 26 mei 2005 ASEA/DIR/2005/23876 Onderwerp Taakopdracht voor de commissie Ontwikkeling Nederlandse Canon Bijlage(n) geen Geachte heer Van

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1995 1996 24 556 Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan 1996 Nr. 17 VERSLAG VAN EEN NOTA-OVERLEG 31 januari 1996 De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1992-1993 22887 Wijziging van de Wet op de studiefinanciering in verband met verlaging van de basisbeurs voor studerenden in het middelbaar beroepsonderwijs

Nadere informatie

TOETSINGSKADER INNOVATIEPLANNEN LERARENOPLEIDINGEN HB0 1999-2004

TOETSINGSKADER INNOVATIEPLANNEN LERARENOPLEIDINGEN HB0 1999-2004 TOETSINGSKADER INNOVATIEPLANNEN LERARENOPLEIDINGEN HB0 1999-2004 De Onderwijsraad is een onafhankelijk adviescollege, ingesteld bij wet van 15 mei 1997 (de Wet op de Onderwijsraad). De Raad adviseert,

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2012 2013 33 404 Wijziging van enkele belastingwetten (Wet herziening fiscale behandeling woon-werkverkeer) Nr. 5 VERSLAG Vastgesteld 11 oktober 2012 De

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2001 2002 26 807 Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan 2000 Nr. 26 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETEN- SCHAPPEN Aan de Voorzitter van de Tweede

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2004 2005 29 819 Tijdelijke regels betreffende experimenten in het hoger onderwijs op het gebied van vooropleidingseisen aan en selectie van aanstaande studenten

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1998 1999 26 376 Wijziging van de Wet op de studiefinanciering in verband met het onder de prestatiebeurs brengen van de reisvoorziening Nr. 3 MEMORIE VAN

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2013 2014 34 010 Wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet medezeggenschap op scholen en de Wet voortgezet onderwijs

Nadere informatie

Toegankelijkheid hoger onderwijs en de rol van studiefinanciering

Toegankelijkheid hoger onderwijs en de rol van studiefinanciering Toegankelijkheid hoger onderwijs en de rol van studiefinanciering Achtergrondnotitie van de HBO-raad n.a.v. ideeën over een leenstelsel Den Haag, 3 september 2012 Inleiding In het recente debat over mogelijk

Nadere informatie

Diploma gehaald? Wat nu?

Diploma gehaald? Wat nu? Loopbaanoriëntatie (LOB) Diploma gehaald? Wat nu? EINDEXAMENKLASSEN 5 HAVO EN 6 VWO. September 2014 Beste leerling, Het komende jaar zijn jullie niet alleen druk bezig met je eindexamen. Jullie zullen

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1994 1995 23 901 Minderhedenbeleid 1995 Nr. 22 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG Vastgesteld 5 september 1995 De vaste commissie van Onderwijs, Cultuur en

Nadere informatie

Cijfermatige achtergrondinformatie ten behoeve van Slotconferentie HO-tour

Cijfermatige achtergrondinformatie ten behoeve van Slotconferentie HO-tour Cijfermatige achtergrondinformatie ten behoeve van Slotconferentie HO-tour In deze bijlage zijn feiten en cijfers opgenomen over het hoger onderwijs die illustratief kunnen zijn voor de discussies in de

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1996 1997 25 000 VIII Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (VIII) voor

Nadere informatie

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Eerste Kamer der Staten-Generaal Eerste Kamer der Staten-Generaal 1 Zitting 1982-1983 Nr. 51 16106 Wijziging van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, de Wet universitaire bestuurshervorming 1970 en de Wet van 12 november 1975, Stb.

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2014 2015 24 724 Studiefinanciering Nr. 139 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Nadere informatie

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Eerste Kamer der Staten-Generaal Eerste Kamer der Staten-Generaal 1 Vergaderjaar 2009 2010 31 821 Wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en enige andere wetten onder meer in verband met de verbetering

Nadere informatie

FACTSHEET. Instroom en succes in de opleiding tot leerkracht. Platform Beleidsinformatie Mei 2013

FACTSHEET. Instroom en succes in de opleiding tot leerkracht. Platform Beleidsinformatie Mei 2013 FACTSHEET Instroom en succes in de opleiding tot leerkracht Platform Beleidsinformatie Mei 2013 Samenstelling: Pauline Thoolen (OCW/Kennis) Rozemarijn Missler (OCW/Kennis) Erik Fleur (DUO/IP) Arrian Rutten

Nadere informatie

Samenvatting van de Wet Kwaliteit in Verscheidenheid

Samenvatting van de Wet Kwaliteit in Verscheidenheid Samenvatting van de Wet Kwaliteit in Verscheidenheid Aanmelding en studiekeuzeadvies Veel studenten in het ho stoppen in het eerste jaar met hun studie. Het gaat om 37% in het hoger beroepsonderwijs (hbo)

Nadere informatie

www.ecbo.nl Leerlingenstromen in het middelbaar beroepsonderwijs Leergang Bve

www.ecbo.nl Leerlingenstromen in het middelbaar beroepsonderwijs Leergang Bve www.ecbo.nl Leerlingenstromen in het middelbaar beroepsonderwijs Leergang Bve Anneke Westerhuis 19 mei 2015 www.ecbo.nl Drie thema s: - Doorstroom als kenmerk van het onderwijsstelsel - Loopbaanpatronen

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1999 2000 24 578 MAVO/VBO/VSO Nr. 26 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAPPEN Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2014 2015 34 085 VIII Wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2014 (wijziging samenhangende

Nadere informatie

Programma STUDIESUCCES VOOR IEDEREEN!

Programma STUDIESUCCES VOOR IEDEREEN! Programma STUDIESUCCES VOOR IEDEREEN! Meerjarig programma van de Hogeschool Rotterdam in het kader van afspraken met de minister van OC&W ter verbetering van de in-, door- en uitstroom van studenten. Basisnotitie

Nadere informatie

Ministerie van Onderwijs, Cultuuren Wetenschap

Ministerie van Onderwijs, Cultuuren Wetenschap Ministerie van Onderwijs, Cultuuren Wetenschap > Retouradres Postbus 16375 2500 BJ Den Haag Aan de voorzitter van de Colleges van Bestuur van universiteiten en hogescholen cc HBO-raad en VSNU Rijnstraat

Nadere informatie

Protocol PDG en educatieve minor

Protocol PDG en educatieve minor Protocol PDG en educatieve minor 28 april 2014 Inhoud Protocol voor beoordelingen door de NVAO van de kwaliteit van de afstudeerrichtingen algemeen vormend onderwijs en beroepsgericht onderwijs, het traject

Nadere informatie

Wet Kwaliteit in verscheidenheid

Wet Kwaliteit in verscheidenheid Wet Kwaliteit in verscheidenheid Betekenis voor de doorstroom vo-hbo en mbo-hbo Presentatie VvSL-congres 7 november 2013 Pierre Poell voorzitter LICA Onderwerpen Achtergrond Wet Kwaliteit in verscheidenheid

Nadere informatie

FLEXIBILISERING VAN CENTRALE TOETSEN EN EXAMENS

FLEXIBILISERING VAN CENTRALE TOETSEN EN EXAMENS FLEXIBILISERING VAN CENTRALE TOETSEN EN EXAMENS VISIE VAN HET COLLEGE VOOR TOETSEN EN EXAMENS pagina 2 van 8 Aanleiding en historisch perspectief De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Nadere informatie

No.W05.13.0145/I 's-gravenhage, 13 juni 2013

No.W05.13.0145/I 's-gravenhage, 13 juni 2013 ... No.W05.13.0145/I 's-gravenhage, 13 juni 2013 Bij Kabinetsmissive van 21 mei 2013, no. 13.001016, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij de Afdeling

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1987-1988 20418 Wijziging van de Wet op het hoger beroepsonderwijs (Stb. 1986, 289) betreffende een aantal bepalingen ten aanzien van nascholing Nr. 3 MEMORIE

Nadere informatie

Advies niet-ambtelijke adviescommissie WOB. Onderwijsraad

Advies niet-ambtelijke adviescommissie WOB. Onderwijsraad ÜT? R>2 3 Advies niet-ambtelijke adviescommissie WOB. Onderwijsraad Aan de minister van onderwijs en wetenschappen, de heer drs. W.J. Deetman, Postbus 25000, 2700 LZ Zoetermeer. Nassaulaan 6 2514 JS 's-gravenhage

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2012 2013 33 356 Wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES in verband met het treffen van een overgangsmaatregel

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2000 2001 27 597 Wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs ter bestendiging en actualisering

Nadere informatie

Focus op Vakmanschap in MBO

Focus op Vakmanschap in MBO Focus op Vakmanschap in MBO Een tussenstand en een vooruitblik Rico Vervoorn beleidsadviseur btg Communicatie en Media MBO Raad Sectoraal overleg onderwijsinstellingen Hoe is het ook alweer begonnen? Februari

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2001 2002 28 024 Wijziging van onder meer de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet studiefinanciering 2000 in verband met de

Nadere informatie

Mekelweg 4, kamer LB02.800 2628 CD Delft 015-2781430 j.vandeluitgaarden-ninaber@tudelft.nl

Mekelweg 4, kamer LB02.800 2628 CD Delft 015-2781430 j.vandeluitgaarden-ninaber@tudelft.nl Pagina 1/5 Mekelweg 4, kamer LB02.800 2628 CD Delft 015-2781430 j.vandeluitgaarden-ninaber@tudelft.nl Aan: TU Delft, College van Bestuur Van: Betreft: Prestatieafspraken TU Delft Datum: 2 januari 2011

Nadere informatie

De beleidsartikelen (artikel 12)

De beleidsartikelen (artikel 12) 12. TEGEMOETKOMING ONDERWIJSBIJDRAGE EN SCHOOLKOSTEN 12.0 Hoofdlijnenakkoord Balkenende II 12.0.1 Topprioriteiten (intensiveringen) Van de enveloppemiddelen die ingezet worden voor de «begeleiding nieuwe

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2006 2007 30 832 Wijziging van onder meer de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met onder meer versterking van de rechtspositie

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2011 2012 33 000 VIII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2012 Nr. 229 BRIEF

Nadere informatie

Geachte leden van het College van Bestuur, geachte leden van de Centrale directie,

Geachte leden van het College van Bestuur, geachte leden van de Centrale directie, Den Haag Ons kenmerk 1 juni 2006 PLW/2006/46867 Onderwerp Tweede ronde pilots met Associate-degreeprogramma s Geachte leden van het College van Bestuur, geachte leden van de Centrale directie, Hierbij

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1996 1997 21 501-06 Onderwijsraad Nr. 14 1 Samenstelling: Leden: Van der Linden (CDA), Blauw (VVD), Van Nieuwenhoven (PvdA), Weisglas (VVD), Terpstra (CDA),

Nadere informatie

14 april 2008 PO/B&B/2008/9198

14 april 2008 PO/B&B/2008/9198 Aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA Den Haag Den Haag Ons kenmerk 14 april 2008 PO/B&B/2008/9198 Onderwerp verlichting leergang bewegingsonderwijs Inleiding

Nadere informatie

Plenair Debat. 34184 Profielen Vmbo

Plenair Debat. 34184 Profielen Vmbo Kamerlid: Straus Fractiecommissie: OCW 34184 Profielen Vmbo Plenair Debat Het vmbo voldoet niet meer aan de eisen van deze tijd. Het sluit niet aan bij het vervolg onderwijs en al helemaal niet bij de

Nadere informatie

Regeling experimenten herontwerp kwalificatiestructuur mbo 2005-2006

Regeling experimenten herontwerp kwalificatiestructuur mbo 2005-2006 OCenW-Regelingen Bestemd voor: een insteling als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b en artikel 1.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB); een instituut als bedoeld in artikel 12.3.8. van de

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2009 2010 32 263 Wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 en de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten in verband met onder meer niet-indexering

Nadere informatie

Achtergrondinformatie

Achtergrondinformatie BIJLAGE 3 Achtergrondinformatie Diplomarendement Daling diplomarendement voltijd hbo-bacheloropleidingen De trend die de Inspectie van het Onderwijs de afgelopen jaren signaleerde in het hbo zet door:

Nadere informatie

Aantal instromende studenten tussen 2010 2014 gedaald. Figuur 1: Ontwikkeling instroom lerarenopleidingen 2010 2014. 1

Aantal instromende studenten tussen 2010 2014 gedaald. Figuur 1: Ontwikkeling instroom lerarenopleidingen 2010 2014. 1 Het aantal studenten dat start met een opleiding tot leraar basisonderwijs, leraar speciaal onderwijs of leraar voortgezet onderwijs is tussen en afgenomen. Bij de tweedegraads en eerstegraads hbo-lerarenopleidingen

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal Vergaderjaar 1988-1989 20 629 Wijziging van de Wet op het hoger beroepsonderwijs en de Invoeringswet W.H.B.O. onder meer met betrekking tot de titulatuur Nr. 7 MEMORIE

Nadere informatie

Onderzoeksrapport: zorgelijke terugloop leerwerkplekken mbo

Onderzoeksrapport: zorgelijke terugloop leerwerkplekken mbo Onderzoeksrapport: zorgelijke terugloop leerwerkplekken mbo - Algemene daling in aantal mbo-studenten. Deze daling wordt grotendeels veroorzaakt door de afname van het aantal leerwerkplekken. - Vooral

Nadere informatie

OPSTELLEN EINDKWALIFICATIES OPLEIDING

OPSTELLEN EINDKWALIFICATIES OPLEIDING OPSTELLEN EINDKWALIFICATIES OPLEIDING MARIANNE KOK/HERBERT WOLDBERG/HVA Toelichting bij opt opstelellen van eindkwalificaties van een opleiding bij de HvA 1 Het opleidingsprofiel: De beroepspraktijk draagt

Nadere informatie

Thema 7 Hoger onderwijs Beleidsvariant A Besparingen in 2011-2015, in mld. euro s 2011 2012 2013 2014 2015 Structureel Variant 7A 0,06 0,10 0,20 0,35 0,61 1,21 Omschrijving variant Deze variant zet voor

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2014 2015 34 031 Wijziging van de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra in verband met het regelen van de mogelijkheid een deel van

Nadere informatie

Opleidingsniveau stijgt

Opleidingsniveau stijgt Opleidingsniveau stijgt Grote doorstroom naar hogere niveaus Meer leerlingen vanuit vmbo naar havo Grote groep mbo ers naar het hbo 10 Jongens groeien gedurende hun onderwijsloopbaan Jongens na een diploma

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2002 2003 28 600 VIII Vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (VIII) voor het jaar 2003 Nr. 127 BRIEF

Nadere informatie

Doorstroom mbo-studenten naar lerarenopleidingen op de Hogeschool Rotterdam: de stand van zaken

Doorstroom mbo-studenten naar lerarenopleidingen op de Hogeschool Rotterdam: de stand van zaken Doorstroom mbo-studenten naar lerarenopleidingen op de Hogeschool Rotterdam: de stand van zaken Factsheet september 2009. Contactpersoon: Daphne Hijzen, onderzoeker en lid van de Kenniskring beroepsonderwijs

Nadere informatie

Feiten en cijfers. Afgestudeerden en uitvallers in het hoger beroepsonderwijs. juni 2011

Feiten en cijfers. Afgestudeerden en uitvallers in het hoger beroepsonderwijs. juni 2011 Feiten en cijfers Afgestudeerden en uitvallers in het hoger beroepsonderwijs juni 2011 2 Feiten en cijfers Afgestudeerden en uitvallers in het hoger beroepsonderwijs Meer dan zeven op de tien studenten

Nadere informatie

Datum 8 februari 2016 Antwoord op schriftelijke vragen van het lid Mohandis (PvdA) over het bericht dat selectie aan de poort allochtonen dupeert

Datum 8 februari 2016 Antwoord op schriftelijke vragen van het lid Mohandis (PvdA) over het bericht dat selectie aan de poort allochtonen dupeert >Retouradres Postbus 16375 2500 BJ Den Haag De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Hoger Onderwijs & Studiefinanciering Rijnstraat 50 Den Haag Postbus 16375

Nadere informatie

Regeling bekostiging hoger onderwijs 2006

Regeling bekostiging hoger onderwijs 2006 Algemeen Verbindend Voorschrift Betreft de onderwijssector(en) Informatie CFI/ICO Hoger onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek bvh 079-3232.666 Bestemd voor Instellingen voor hoger onderwijs. inwerkingtreding

Nadere informatie

1.Inleiding. 2.Profielen per 1 augustus 2007

1.Inleiding. 2.Profielen per 1 augustus 2007 logoocw De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA Den Haag Den Haag Ons kenmerk VO/OK/2003/53723 Uw kenmerk Onderwerp tweede fase havo/vwo 1.Inleiding In het algemeen

Nadere informatie

Regeling aanwijzing opleidingen in het hoger onderwijs inzake toelating deficiënte studenten 2007

Regeling aanwijzing opleidingen in het hoger onderwijs inzake toelating deficiënte studenten 2007 Beleidsregel Betreft de onderwijssector(en) Informatie CFI/ICO Hoger onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek bvh 079-3232.666 Regeling aanwijzing opleidingen in het hoger onderwijs inzake toelating deficiënte

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2012 2013 33 187 Wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs ten behoeve van het bevorderen van doelmatige leerwegen in het beroepsonderwijs

Nadere informatie

Management summary Flitspeiling: vervroegde aanmelddatum, studiekeuzecheck en doorstroming.

Management summary Flitspeiling: vervroegde aanmelddatum, studiekeuzecheck en doorstroming. Management summary Flitspeiling: vervroegde aanmelddatum, studiekeuzecheck en doorstroming. Tussen 16 december 2013 en 1 januari 2014 heeft GfK voor het ministerie van OCW een flitspeiling uitgevoerd gericht

Nadere informatie

Ik schrijf deze brief mede namens de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de staatssecretaris van Economische Zaken.

Ik schrijf deze brief mede namens de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de staatssecretaris van Economische Zaken. a 1 > Retouradres Postbus 16375 2500 BJ Den Haag Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Rijnstraat 50 Den Haag Postbus 16375 2500 BJ Den Haag www.rijksoverheid.nl

Nadere informatie

Intentieverklaring. inzake onderwijssamenwerking tussen Nederland en Vlaanderen

Intentieverklaring. inzake onderwijssamenwerking tussen Nederland en Vlaanderen Intentieverklaring van de Nederlandse minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, dr. Jet Bussemaker en de Vlaamse minister van Onderwijs en viceministerpresident van de Vlaamse Regering, Hilde Crevits,

Nadere informatie

Het middelbaar beroepsonderwijs

Het middelbaar beroepsonderwijs Het middelbaar beroepsonderwijs Dick Takkenberg Het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) levert grote aantallen gediplomeerden voor de arbeidsmarkt. De ongediplomeerde uitval is echter ook groot. Het aantal

Nadere informatie

Verslag internetconsultatie wetsvoorstel bovenbouw havo-vwo. (edoc 512410, projectgroep Profielen)

Verslag internetconsultatie wetsvoorstel bovenbouw havo-vwo. (edoc 512410, projectgroep Profielen) Verslag internetconsultatie wetsvoorstel bovenbouw havo-vwo (edoc 512410, projectgroep Profielen) 1 Verslag internetconsultatie wetsvoorstel bovenbouw havo-vwo 1. Inleiding Op 20 september 2012 is de openbare

Nadere informatie

Veranderen van opleiding

Veranderen van opleiding Veranderen van opleiding Veel hbo-psychologie studenten door naar een wo-opleiding... 2 Havisten in Gedrag & Maatschappij stappen vaker over naar wo... 3 Mbo ers en havisten in psychologie-opleidingen

Nadere informatie

Bestuurlijke afspraken over ontvlechting van de Educatieve Faculteit Amsterdam

Bestuurlijke afspraken over ontvlechting van de Educatieve Faculteit Amsterdam Bestuurlijke afspraken over ontvlechting van de Educatieve Faculteit Amsterdam Bijlage bij brief HO/BL/2005/6586 1. Preambule Het College van Bestuur van de Hogeschool van Amsterdam en het College van

Nadere informatie

Hoofdlijnenakkoord voor het inrichten van een Regionaal Arrangement Beroepsonderwijs Amsterdam

Hoofdlijnenakkoord voor het inrichten van een Regionaal Arrangement Beroepsonderwijs Amsterdam Afdeling Onderwijs, Jeugd en Educatie Team Onderwijs VO Hoofdlijnenakkoord voor het inrichten van een Regionaal Arrangement Beroepsonderwijs Amsterdam Betrokken partijen: De instellingen voor Beroepsonderwijs

Nadere informatie

Analyse van de vooraanmeldingen voor de lerarenopleidingen

Analyse van de vooraanmeldingen voor de lerarenopleidingen Analyse van de vooraanmeldingen voor de lerarenopleidingen Aanmelding voor opleidingen tot vo docent steeds vroeger, pabo trekt steeds minder late aanmelders juni 2009 Inleiding Om de (toekomstige) leraartekorten

Nadere informatie

Ontwerp-Experimentenwet onderwijs. Zijne Excellentie de staatssecretaris van onderwijs en wetenschappen, Nieuwe Uitleg 1, 's-gravenhage.

Ontwerp-Experimentenwet onderwijs. Zijne Excellentie de staatssecretaris van onderwijs en wetenschappen, Nieuwe Uitleg 1, 's-gravenhage. ONDE RWIJS RAAD SECRETARIAAT: BEZUIDENHOUTSEWEG 125 S-GRAVENHAGE TEL. 070-83 61 94 f* jo^s/u^-*,. O^f 4 oktober 1968 Bericht op schrijven dd. 3 juli 1968, D.G.O. 940. Betreft: D/AB Ontwerp-Experimentenwet

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1995 1996 24 400 VIII Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (VIII) voor

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2014 2015 34 035 Wijziging van onder meer de Wet studiefinanciering 2000 in verband met de introductie van een nieuw stelsel van studiefinanciering in het

Nadere informatie

1. Welke routes tot leraar zijn er in het hoger onderwijs?

1. Welke routes tot leraar zijn er in het hoger onderwijs? 1 1. Welke routes tot leraar zijn er in het hoger onderwijs? Het hoger onderwijs kent routes tot leraar in het hoger beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs: HBO Het hoger beroepsonderwijs kent

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1986-1987 Herziening van het stelsel van sociale zekerheid BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID Aan de Voorzitter van de Tweede

Nadere informatie

Monitor beleidsmaatregelen 2014. Anja van den Broek

Monitor beleidsmaatregelen 2014. Anja van den Broek Monitor beleidsmaatregelen 2014 Anja van den Broek Maatregelen, vraagstelling en data Beleidsmaatregelen Collegegeldsystematiek tweede studies uit de Wet Versterking besturing inclusief uitzonderingen

Nadere informatie

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Eerste Kamer der Staten-Generaal Eerste Kamer der Staten-Generaal 1 Vergaderjaar 2008 2009 30 432 Voorstel van wet van de leden Depla en Blok houdende wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 en van enige andere wetten inzake fiscale

Nadere informatie

Brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 33680 Wijziging van onder meer de Wet studiefinanciering 2000 in verband met het onderbrengen van de basisbeurs voor studenten in de masterfase in het sociaal leenstelsel, het verlengen van de terugbetalingsperiode

Nadere informatie

Bekostiging hoger onderwijs

Bekostiging hoger onderwijs Samenvatting Adviesaanvraag De staatssecretaris heeft de raad de volgende vragen voorgelegd: (A) Wat zouden de criteria voor bekostiging door de overheid van opleidingen of studenten moeten zijn? (B) Hoe

Nadere informatie

U I T S P R A A K 1 4-3 0 5

U I T S P R A A K 1 4-3 0 5 U I T S P R A A K 1 4-3 0 5 van het College van beroep voor de examens van de Universiteit Leiden inzake het beroep van [naam], appellante tegen het Bestuur van de Faculteit Campus Den Haag, verweerder

Nadere informatie

Den Haag, Dit advies, gedateerd 13 juni 2013, nr. W05.13.0145, bied ik U hierbij aan.

Den Haag, Dit advies, gedateerd 13 juni 2013, nr. W05.13.0145, bied ik U hierbij aan. Nr. WJZ/521469 (10291) (Hoofd) Afdeling DIRECTIE WETGEVING EN JURIDISCHE ZAKEN Nader rapport inzake het voorstel van wet tot wijziging van onder meer de Wet studiefinanciering 2000 in verband met het onderbrengen

Nadere informatie