Onderneming en omgeving, 6 e druk

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Onderneming en omgeving, 6 e druk"

Transcriptie

1 Onderneming en omgeving, 6 e druk Uitwerkingen van de toepassingen uit het handboek (ISBN ) Hoofdstuk 1 verband winstverwachting en beurskoers 6 internationale handel 8,9 consumenten en internet 7 producentenvertrouwen 4,5 belastingen 10 effecten 1,2 mededingingsbeleid 3 consumentenvertrouwen 11 Het eerste artikel is fout omdat het schaarste verwart met een tekort. (Oud) papier is altijd schaars omdat er middelen om het te maken zijn onttrokken aan alternatieve aanwendingen. Hoofdstuk 2 1. Voor de aanschaf van artikelen die men zo nodig enige tijd kan uitstellen, zoals de vervanging van duurzame consumptiegoederen, een tweede vakantie. 2. De aanschaf van goederen en diensten die geen uitstel dulden, zoals dagelijkse levensbehoeften en vaste lasten zoals hypotheekrente of huur. 1. Exporteren. Producenten die hun producten in euro s prijzen en ze willen verkopen buiten de eurozone, hebben last van een hoge eurokoers. 2. Het benadeelt hun concurrentiepositie op de internationale markt. 3. Ja, denk bijvoorbeeld aan bedrijven die goederen invoeren uit nieteurogebieden. Zij betalen met een sterke euro. 4. Een bedrijf dat zowel inkoopt als verkoopt buiten de eurozone. ThiemeMeulenhoff, juni 2008 Blad 1

2 Hoofdstuk 3 1. Dit betekent dat de gevraagde hoeveelheid aardgas bij een prijsverhoging van 1% met 0,4% terugloopt. Of 0,4% toeneemt bij een prijsverlaging met 1%. 2. Voor een gevraagde hoeveelheid van 16% is een prijsverhoging nodig van 40%, want 0,4 = (-16/40). 3. De aangeboden hoeveelheid gft afval reageert sterk op een prijsverhoging, omdat de aanbieders met zelf composteren een relatief eenvoudig en goedkoop alternatief hebben. 1. Gebouwen afstoten, minder afschrijven op kapitaalgoederen. 2. De oorzaken liggen aan de aanbodkant. 3. Het opkomend gebruik van biobrandstoffen doet de vraag naar maïs toenemen. Boeren schakelen over op de verbouw van maïs in plaats van gerst. 4. De dreigende uitputting van fossiele brandstoffen. Hoofdstuk 4 1. Op alle persoonlijke post tot 50 gram. 2. Sandd bevestigt op stukken zwaarder dan 50 gram een enveloppe. 3. Op 1 januari Er is dan van een oligopolie sprake, het gaat om een tweetal aanbieders. 5. April 2008 zijn TPG, Sandd, Selekt Mail en de Duitse, Franse en Engelse post op deze markt actief. 6. Er is een markt met een beperkt aantal aanbieders: een oligopolie. 1. Op ondernemingenniveau is van een heterogeen oligopolie sprake. 2. Op het winkelniveau is van monopolistische concurrentie sprake. 3. De belangrijkste spelers zijn (cijfers maart 2007) Albert Heijn, Super-Unie (waarbinnen Plus de grootste), Super de Boer Aldi, Lidl en Koopconsult. 4. Om het dure imago omlaag te brengen en marktaandeel te veroveren. 5. Sinds het begin van de prijzenoorlog zijn best verkochte artikelen bij AH 23% goedkoper geworden. 6. Toeleveranciers, personeel, kleine detaillisten. 7. a. De prijsdaling van voedingsmiddelen heeft een drukkend effect gehad op de consumentenprijsindex. b. De groep voedingsmiddelen en alcoholvrije dranken heeft een gewicht van rond de 13%. 8. a. Winnaars zijn de consumenten die goedkoper boodschappen kunnen doen in de supermarkten. ThiemeMeulenhoff, juni 2008 Blad 2

3 b. Er treedt een machtsconcentratie op die later tot hogere prijzen kan leiden; kleinere winkeliers hebben het loodje gelegd; vernieuwing komt onder druk te staan. Hoofdstuk 5 1. Econoom met sterk vertrouwen in het vrije marktmechanisme. 2. Reagan, Thatcher en Pinochet. 3. Nee hij erkent dat ze niet perfect werken, maar vindt niet perfect werkende markten nog altijd beter dan overheidsingrijpen. 4. Overheidsingrijpen brengt geen oplossingen maar vooral problemen. 5. Monetaristen hechten groot belang aan de invloed van de geldzijde van het economisch proces. Sturing door de overheid gaat altijd mis omdat deze te laat reageert en daardoor procyclisch beleid voert. 1. Het CDA, Doeke Post, Jan Peter Balkenende. 2. De markt garandeert de kwaliteit niet voldoende; de marktvraag is afhankelijk van koopkracht van de zorggebruiker. 3. Soevereiniteit in eigen kring is een onderdeel van de calvinistische leer. Hiermee wordt bedoeld dat elke levenskring zijn eigen onafhankelijk gezag heeft en niet onder dat van een andere levenskring staat. Zo zijn het gezin, de economie, de kerk en het onderwijs soeverein in eigen kring. Subsidiariteitsbeginsel: regel zaken op een zo laag mogelijk niveau in de organisatie. Hogere instanties moeten niet doen wat door lagere instanties kan worden afgehandeld. 4. Door een acceptatieplicht in te voeren. Verzekeraars kunnen dan niet op gezondheidsrisico s selecteren. Hoofdstuk 6 1. De planten binden tijdens hun groei CO2 en geven dit weer af bij verbranding van de biobrandstof. 2. Rotie is specialist in de verwijdering en verwerking van organisch afval. 3. We zien in de landbouw dat men meer gewassen geschikt voor biobrandstof gaat verbouwen, wat ten kosten gaat van voedingsgewassen. 1. Deze zeldzame gebieden kunnen als ze eenmaal vernield zijn niet in oorspronkelijke staat worden teruggebracht. 2. Er mogen daar dan geen bedrijven meer opgericht worden. 3. a. VNO/NCW staat voor de behartiging van de belangen van bedrijven. ThiemeMeulenhoff, juni 2008 Blad 3

4 b. Bedrijven die de natuur niet beschadigen maar duurzaam exploiteren (recreatie, beheer) hebben hier kansen. 4. Nee de welvaart (in de ruime betekenis) is net zo goed gediend met fraaie landschappen als met fabrieken. Hoofdstuk 7 1. Het bbp geeft geen inzicht in de verdeling; het neemt de informele economie niet of slechts gedeeltelijk waar; het gaat alleen over in geld uitgedrukte transacties. 2. Totaal bbp EU (2006) miljard euro; bevolking 493 miljoen; dus bbp per inwoner Doordat in Groningen relatief veel mensen met een hoog inkomen wonen. 1. Meegewogen worden levensverwachting en het bereikte onderwijsniveau. 2. Cijfers uit 2005: IJsland(0,968), Noorwegen (0,968) en Australië (0,962) 3. Noorwegen levensverwachting 79,8 jaar; GDP per capita USD (PPP); Niger levensverwachting 55,8 jaar; GDP per capita 781 USD (PPP). PPP betekent purchasing power parity ofwel koopkrachtpariteit. Hoofdstuk 8 1. Bij kennisbank Rabobank (http://www.rabobankgroep.nl/download/cbnl.pdf) vinden we: ThiemeMeulenhoff, juni 2008 Blad 4

5 2. Consumenten gaan minder besteden, de macrovraag loopt terug, wat leidt tot een lager nationaal product. In de figuur verschuift GV 1 naar GV 2, de nationale productie van Q N naar Q. Hoofdstuk 9 1. Consumenten hebben hun aankopen verschoven van het derde naar het vierde kwartaal. 2. De export (door grote bedrijven). 1. De uitgaven voor research&development. 2. Ga naar 3. Samengevat luidt de kritiek dat je als je een kenniseconomie wilt opbouwen, veel meer geld aan onderwijs moet besteden. Hoofdstuk Conjuncturele oorzaak: de hoogconjunctuur. Structurele oorzaak: de grote uitstroom van ouderen. 2. Vakbonden zijn zich bewust dat ondernemingen hogere lonen niet in prijzen kunnen doorbereken vanwege internationale concurrentie. 3. In dat geval leiden loonstijgingen groter dan de toeneming van de arbeidsproductiviteit tot krimpende winsten en minder arbeidsplaatsen. 4. Productie vertrekt door personeelsgebrek naar het buitenland: een ondernemer die in ons land geen (goed) personeel kan krijgen kan besluiten (een deel van) de productie naar een ander land te verplaatsen. ThiemeMeulenhoff, juni 2008 Blad 5

6 Afnemende kwaliteit publieke diensten als onderwijs en zorg: minder gekwalificeerde krachten voor de klas en minder (gekwalificeerd) personeel in de zorg. 5. Een matigende invloed. 1. A 4,3%; B 3,5 keer; C hoogste; D 17%; E 12%. 2. Geen of slechte beheersing van de taal; onaangepast gedrag; discriminatie door werkgevers. Hoofdstuk Banken maken het geld van hun klanten rentegevend in de periode dat het nog niet is bijgeboekt op hun rekening. 2. Ze kunnen die kosten niet langer compenseren met de renteopbrengst die zij boeken door middel van valutering. De kosten zullen dan aan de klant in rekening moeten worden gebracht. 3. Blijkbaar hangt de tarifering samen met het aantal betalingen dat men doet. Anders zou er geen prikkel zijn om de chipknip vaker te gebruiken. Overigens: ook voor het bezit van de pinpas betaalt de klant een bedrag per kwartaal. 4. Er is steeds maar een pinpas transactie nodig om de chipknip te laden. Vervolgens zijn de betalingen ermee kosteloos. 1. Het bedrag dat de partij de ABN AMRO wil(de) overnemen wil betalen per aandeel. 2. De fusie met Barclays zou hebben betekend dat ABN AMRO niet wordt opgesplitst. 3. Dat de bank wordt opgedeeld in een aantal zelfstandige ondernemingen, die eventueel los van elkaar kunnen worden doorverkocht. 4. Een reden zou kunnen zijn de wens minder sterke delen van de bank kwijt te raken. 5. Bijkantoren worden overbodig (doublures kunnen vervallen). Hoofdstuk Oplopende inflatie gaat in de regel gepaard met een hogere rente. Een hogere rente leidt tot lagere obligatiekoersen. 2. Marktpartijen hadden deze rentestijging al verwacht. De hogere rente was al verdisconteerd in de markttarieven. 3. Het rentebedrag op de obligaties is vast. Als de koersen hoger zijn, is dat rentebedrag een kleiner percentage van de beurswaarde. ThiemeMeulenhoff, juni 2008 Blad 6

7 4. Zij verwachten een rentestijging. Door de hogere rente zullen de obligatiekoersen dalen. Beleggers anticiperen hierop door nu te verkopen. 5. Een verschil in de ontwikkeling van de kapitaalmarktrente (bijvoorbeeld als gevolg van een verschil in monetair beleid tussen beide centrale banken). 1. Nee. Hierdoor ontstaan inflatieverwachting die de inflatie zullen doen toenemen. 2. Statistieken (over bezettingsgraad, werkloosheid en andere indicatoren) lopen altijd achter. 3. Stimulerende maatregelen gaan pas effect krijgen als de economie zelf al uit het dal is geklommen. Een bestedingsverruimend beleid is dan onwenselijk. 4. In geval van een groeivertraging (van het bbp) blijft de geldgroei gebaseerd op het (hogere) gemiddelde groeitempo van het bnp (de trend). Hoofdstuk De procentuele toename van de brede geldhoeveelheid. 2. Als banken leningen verstrekken aan de private sector, komt geld in handen van het publiek (geldschepping). 3. Hoogconjunctuur. Als er veel geld wordt geleend door de private sector is dat een teken dat het goed is gesteld met het consumenten- en producentenvertrouwen. 4. Consumenten en ondernemingen. 5. Deze leningen worden gebruikt om bestedingen te financieren. Zij leveren dus een bijdrage aan de overbesteding. 6. De hogere rentetarieven van de ECB hebben blijkbaar doorgewerkt in de tarieven op de kapitaalmarkt (hier: de rente voor hypothecair krediet). 1. De afspraak dat eurolanden hun overheidstekorten niet zullen laten stijgen boven de 3% (van het bnp). 2. Verhinderd moet worden dat de schadelijke effecten van een onverantwoord overheidsbeleid in een van de eurolanden wordt afgewenteld op de andere eurolanden (bijvoorbeeld via een hogere eurorente). 3. Om de kritiek op het te hoge Duitse overheidstekort te matigen. 4. Dan hoeft hij minder rente te betalen op de staatsschuld (in elk geval op nieuw uit te geven staatsobligaties). Ruimer: een lagere rente stimuleert de economie. 5. Vaak gaat het in de economische politiek om de afweging: inflatie/werkloosheid. Overheden zijn in het algemeen geneigd meer gewicht te geven aan bestrijding van werkloosheid. De hogere inflatie die daarmee gepaard gaat vormt uiteindelijk een bedreiging voor de werkgelegenheid. De ECB is niet onderhevig aan een dergelijke verleiding. ThiemeMeulenhoff, juni 2008 Blad 7

8 Hoofdstuk België, Nederland, Luxemburg, Duitsland, Frankrijk, Italië, Ierland, Oostenrijk, Spanje, Portugal, Finland en Slovenië. 2. De reële ontwikkeling in de economie van de eurozone en de monetaire ontwikkeling. 3. De rente op de basisherfinancieringstransacties (de refi-rente). 4. Een hogere rente remt de bestedingen af. 5. Gemiddeld 0% inflatie kan beteken dan een lidstaat 1% heeft en een andere lidstaat bijvoorbeeld een deflatie van 1%. Dat laatste is niet wenselijk. 6. De geharmoniseerde consumentenprijsindex. 7. Consumptiegebonden belastingen (btw, accijnzen en dergelijke) zitten wel in het CBS-cijfer. 1. Stel het prijspeil in het eerste jaar op 100 en de inflatie op 20%. Dan is het prijspeil volgende jaar 120. Nog een jaar met 20% levert dan een prijspeil op van 144. Dat zou dus een totale prijsstijging zijn van 44% in twee jaar. 2. Ongeveer 15% (het algemeen prijspeil zou dan in 5 jaar stijgen van 100 naar 201). 3. Nee. Oorzaak was de gestegen olieprijs. De invloed van de invoering van de euro was er alleen in de periode waarin de euro werd geïntroduceerd. 4. Consumenten waren toen in verwarring. Een ongemotiveerde prijsverhoging in euro s zou de consument nu wel opvallen (en zou reacties oproepen). Hoofdstuk Op die lening wordt een hogere rente vergoed. 2. De 97/07 wordt bijna afgelost. Herbelegging levert minder rente op dan de 03/13 nu geeft. 3. Aflossing gebeurt tegen de uitgiftekoers (100). Dat moment is nabij. 4. De meeste koers zijn (iets) gestegen (vergelijk slotkoers met vorige koers). Dit duidt op een renteverlaging (of op de verwachting van een lagere rente). 1. Men verwachtte dat herstructurering zou leiden tot een grotere winstgevendheid van de onderneming. 2. Durfkapitalisten zullen in dat geval aandelen moeten kopen, hetgeen de prijs ervan zou opdrijven. 3. Royal Dutch Shell. 4. Men redeneerde blijkbaar zo: als soortgelijke ondernemingen het goed doen, zal Unilever ook betere cijfers laten zien. 5. Een lagere nominale waarde per aandeel (en dus ook een lagere beurswaarde per aandeel) maakt het aandeel aantrekkelijker voor (kleinere) beleggers. ThiemeMeulenhoff, juni 2008 Blad 8

9 Hoofdstuk Zij bleven afhankelijk van buitenlands krediet om hun tekort op de lopende rekening te financieren. 2. Zwak. In een hoogconjunctuur wordt er veel geïnvesteerd. 3. Hoogconjunctuur. Groeicijfer bnp lag rond de 10%. Hoge investeringen hingen hiermee samen. Hoge besparingen hebben in China een min of meer structureel karakter. 4. Hun overschotten op de lopende rekening hangen vooral af van de vraag van anderen naar energie en de van de olieprijs. 5. Veel van deze landen zijn low absorbers (hebben in het eigen land weinig investeringsmogelijkheden). Bovendien zullen overheden van olieproducerende land willen afwachten hoe de toekomst zich ontwikkelt. 1. Oppotten houdt in dat je het geld renteloos aanhoudt. Hier gaat het om het beleggen van besparingen. 2. Spaarders willen graag dat hun spaargeld iets oplevert, rente, dividend of koerswinst. 3. Dat de behaalde winsten ten goede komen aan het land zelf (en niet via multinationals worden weggesluisd naar de westerse landen. 4. Om hun risico s te beperken. 5. Bijvoorbeeld spreiden over obligaties en aandelen. Ook: internationaal spreiden (verschillende valuta s). 6. Zonodig wil men snel kunnen verkopen om de portefeuille te herschikken, zonder dat dit tot koersverlies leidt. Hoofdstuk De economische ontwikkeling maakt het eurogebied aantrekkelijk voor beleggers. De vraag naar euro s die hierdoor ontstaat drijft de koers ervan op. 2. Het oplopend tekort ondermijnt het vertrouwen in de dollar. De euro is een goed alternatief en wordt dan meer gevraagd. 3. Wegens de verwachte vertraging van de VS-economie verwachtte men een stimulerend monetair beleid. Wegens de positieve conjunctuur in het eurogebied verwachtte men daar eerder een zekere monetaire verkrapping. 4. Lagere huizenprijzen leiden ertoe dat consumenten minder kunnen lenen op basis van de overwaarde op hun huis. Daardoor kunnen zij minder extra besteden, waardoor de conjunctuur kan verslechteren. 5. De Amerikaanse rente was hoger. Immers het rente-ecart werd kleiner door Amerikaanse renteverlagingen. ThiemeMeulenhoff, juni 2008 Blad 9

10 1. Je leent valuta waarop een lage rente wordt vergoed en ruilt deze om voor een valuta waarop een hoge rente wordt vergoed. 2. Het wegvallen van beperkingen in het internationale kapitaalverkeer. Kapitaalin- en uitvoer zijn steeds vrijer geworden. 3. Het aanjagen van de Japanse conjunctuur (het bestrijden van de Japanse deflatie). 4. Als er bijvoorbeeld veel wordt geleend in yens, die vervolgens worden omgeruild in euro s, zal de koers van de euro hierdoor stijgen. Als de transactie wordt teruggedraaid ontvangt de belegger meer yens voor zijn euro s dan hij er oorspronkelijk voor betaalde. Hoofdstuk België, Nederland, Luxemburg, Duitsland, Frankrijk, Italië, Ierland, Oostenrijk, Spanje, Portugal, Finland en Slovenië. 2. Op jaarbasis wel (als er voldoende werkgelegenheid bestaat). Op uurbasis zou hij kunnen dalen (langere werkdagen, minder vakantie). 3. Voor werkgevers is het dan minder riskant mensen in vaste dienst nemen (als de conjunctuur terugloopt, kan hij ze weer ontslaan). 4. Concurrentie dwingt tot kostenbesparing. Die kan worden gevonden door onder meer automatisering. 5. Onder meer door liberalisering van het dienstenverkeer. 6. Het onderwijs moet voldoende aansluiten op maatschappelijke behoeften. 1. De Europese Economische Gemeenschap (EG). 2. Naast de al bestaande EGKS werden de EEG en Euratom opgericht. 3. Een douane-unie kent een uniform buitentarief. 4. Landen hebben moeite (een deel van) hun nationale soevereiniteit op te geven. 5. We weten niet hoe de situatie zou zijn geweest als er geen EU was geweest. Hoofdstuk Vooral grotere landen zouden hun heil zoeken in bilaterale overeenkomsten. 2. Zij moeten onderhandelen met machtige handelspartners. Een land als bijvoorbeeld Chili heeft voor de VS maar een beperkte betekenis. Maar de betekenis van de VS voor Chili is erg groot. 3. Er is in april 2008 nog geen akkoord. 4. Importproducten (vooral voedsel) worden door invoerrechten kunstmatig duurder gehouden. 5. Zij kunnen hun producten niet vrij verkopen op de westerse markten (invoerheffingen). ThiemeMeulenhoff, juni 2008 Blad 10

11 6. Lokale ondernemers kunnen moeilijk aan krediet komen. 1. Het van elkaar losmaken van productie en consumptie. Je hebt bijvoorbeeld geen auto-industrie nodig in je eigen land om toch een auto te kunnen kopen. 2. In geval van vertical disintegration wordt het productieproces in mootjes gehakt. Deelhandelingen worden verricht in verschillende landen. 3. Delen van het productieproces verhuizen naar landen waar dat goedkoper kan gebeuren. 4. De concurrentiepositie van deze ondernemingen wordt erdoor versterkt. 5. De mensen die bijvoorbeeld in de VS overbodig worden als gevolg van de offshoring worden geacht (vrijwel) onmiddellijk werk te vinden in een andere sector. 6. Door de offshoring worden de prijzen van uitvoerproducten gedrukt (ten opzichte van de invoerprijzen). Het land moet daardoor meer exporteren om zijn invoer te kunnen betalen. Dit tast de reële waarde van het BNP aan. Hoofdstuk 20 De overhead bij de overheid is mogelijk groter door de aard van het product (arbeidsintensieve dienstverlening), door de financiering van het product (niet uit marktprijzen, maar gedwongen betalingen, zodat de tucht van de markt ontbreekt) en omdat ambtenaren meer verdienen wanneer zij managementtaken vervullen. De overhead bij ministeries is in verhouding groot door de aard van de geproduceerde diensten: beleidsvoorbereiding en wetgeving. Bij instellingen van hoger onderwijs staat de directe dienstverlening aan de afnemers (studenten) voorop. Opgave 3 a. Een voordeel van de kaasschaafmethode is dat de taakstelling per dienstonderdeel direct bekend is. Zo wordt voorkomen dat dienstonderdelen in een slopende uitputtingsslag moeten uitmaken welk aandeel elk onderdeel in de taakstelling zal leveren. Deze methode komt ook tegemoet aan het (irrationele) gevoel bij betrokkenen dat het eerlijk is dat alle onderdelen in verhouding een gelijke bijdrage leveren. b. Bij een gedifferentieerde taakstelling kan daarentegen beter rekening worden gehouden met politieke prioriteiten (bijvoorbeeld: politie of Belastingdienst ontzien) of met de uiteenlopende ontwikkeling van de vraag naar diverse door de overheid geleverde diensten (bijvoorbeeld: door de vergrijzing is meer geld nodig voor voorzieningen voor ouderen). ThiemeMeulenhoff, juni 2008 Blad 11

12 Hoofdstuk Ja, het maakt voor een land verschil welk deel van de overheidsschuld in buitenlandse handen is, omdat bij een grote schuld aan het buitenland een land voor de herfinanciering van zijn schuld in hoge mate afhankelijk is van de bereidheid van buitenlanders om afgeloste schuld te herfinancieren. Anders gezegd: derde landen kunnen proberen hun bijdrage aan herfinanciering van de schuld als politiek wapen te gebruiken. 2. Het saldo op de lopende rekening van de betalingsbalans verslechtert, naarmate in verhouding meer rente aan het buitenland wordt betaald. 1. Bij een overschot ontstaat het gevoel dat het niet op kan en zijn politici geneigd de belastingen te verlagen (zeker als er verkiezingen op komst zijn) of de overheidsuitgaven op te voeren. Dit te meer omdat de particuliere bestedingen tijdens een hoogconjunctuur uitbundig groeien. Sommige politieke stromingen willen dan een situatie vermijden van publieke armoede bij particuliere welvaartsgroei. Bovendien maken hogere particuliere bestedingen (meer auto s) soms hogere overheidsuitgaven nodig (aanleg autowegen). 2. Overschotten in de andere twee budgetdisciplinesectoren (vooral bij de sociale zekerheid) zijn ontstaan door de gunstige conjunctuur (er was minder geld voor uitkeringen nodig) en zijn vervolgens gebruikt als compensatie voor de overschrijdingen van het Budgettair Kader Zorg (het plafond van de zorguitgaven). Opgave 3 Bij een flink structureel overschot op de begroting kan het feitelijke saldo onder invloed van een recessie behoorlijk verslechteren, voordat het tekort groter wordt dan 3% van het bbp (de grens uit het Verdrag van Maastricht). Het oplopende tekort tijdens de recessie draagt automatisch (zonder expliciete maatregelen) bij aan de stabilisatie van de conjunctuurbeweging. Opgave 4 Een toenemend deel van de bevolking is in de toekomst ouder dan 64 jaar en doet een beroep op overheidsvoorzieningen (zorg, AOW). Hierdoor zullen de collectieve uitgaven bij ongewijzigd beleid oplopen (als aandeel van het bbp). Die uitgavenstijging valt voor een deel goed te maken wanneer de centrale overheid minder geld hoeft uit te geven voor rente op de staatsschuld. De rentelast daalt sterker, naarmate een groter deel van de bestaande schuld wordt afgelost. ThiemeMeulenhoff, juni 2008 Blad 12

13 Hoofdstuk Activiteiten met een vrijwel puur lokaal bereik (sportvelden, groenvoorziening, vuilnisophaal) kunnen het beste door de plaatselijke overheid worden ontplooid. Sturing door de centrale overheid is gewenst wanneer: a. het gaat om voorzieningen met een nationaal bereik (defensie, buitenlandse zaken) b. voorzieningen (basisonderwijs) en regelingen die de centrale overheid landelijk uniform tot stand wil brengen. 2. De mate waarin de gemeente financieel afhankelijk is van de centrale overheid valt op twee manieren te bepalen: a. tel alle eigen inkomsten samen en deel die door de totale ontvangsten b. tel alle van de centrale overheid (en de provincie) ontvangen overdrachten samen en deel die door de totale ontvangsten. 3. Voordelen van de overheveling van huishoudelijke hulp naar de gemeenten: - betere kostenbeheersing (gemeente mag anders dan het AWBZ zorgkantoor een overschot houden, maar draait op voor eventuele tekorten) - meer kennis van de lokale behoefte aan zorgvoorzieningen - betere afstemming op andere gemeentelijke voorzieningen (zoals woningaanpassing voor gehandicapten en vervoer). - Nadelen van overheveling: - extra loket (naast het AWBZ-zorgkantoor) voor gebruikers - plaatselijk ontstaan verschillen in de kwaliteit van de geleverde hulp. Hoofdstuk Argumenten vóór: - De AOW is geen echte verzekering, door de verplichte solidariteit bij de financiering (inkomensafhankelijke premie, hoogte van de uitkering staat los van in het verleden betaalde premies). Daarom kunnen ook mensen van 65 jaar en ouder, die een AOW-uitkering ontvangen, in beginsel aan de financiering van de regeling bijdragen. - De draagkrachtgedachte brengt mee dat ouderen met een behoorlijk (pensioen)inkomen meebetalen aan de AOW, net als bij de inkomstenbelasting voor overheidsvoorzieningen in het algemeen. Mensen met alleen een AOW-uitkering hebben geen last, door de netto-nettokoppeling. - Dit is in de sociale zekerheid gebruikelijk: ook mensen met een WWuitkering blijven WW-premie betalen. ThiemeMeulenhoff, juni 2008 Blad 13

14 2. Argumenten tegen: - De AOW is een verzekering, waarbij ingezetenen in vijftig jaar hun volledige aanspraak opbouwen. Het is onlogisch om, als de uitkering gaat lopen, premie voor deze verzekering te blijven betalen (vergelijk een levensverzekering of lijfrente). - Mensen hebben hun hele leven (tot ze 65 jaar worden) al premie betaald. 1. In Nederland bedraagt de werkloosheid de helft van die in Duitsland en recent is de arbeidsparticipatie van de leeftijdsgroep jaar toegenomen. Daarmee stijgt de kans dat Nederlandse werkgevers om personeel vragen, ook wanneer sollicitanten een hogere leeftijd hebben. De situatie is daarmee anders dan bij de oosterburen. 2. Door de arbeidskorting voor oudere werknemers (nog meer) te verhogen dan voor jongere werknemers houden ouderen van hun brutoloon netto meer over dan jongeren. Opgave 3 Voordelen - Hogere inkomstenbelasting en sociale premies: extra opbrengst gegarandeerd en naar draagkracht over de bevolking omgeslagen. - Afschaffen VUT-regeling: breder draagvlak voor de financiering van collectieve voorzieningen, omdat meer mensen langer doorwerken; eerlijk tegenover jongere generaties die niet (meer) van de vut kunnen profiteren. - Hogere pensioenleeftijd: minder geld nodig voor de uitkeringen (die later ingaan) en breder draagvlak voor de premieheffing (meer mensen werken en betalen premie). - Verlaging uitkering: minder geld nodig voor de uitkeringen. - Uitkering afhankelijk van aantal kinderen: beloont ouders voor grotere bijdrage aan toekomstige financiering van de AOW (omdat meer kinderen in de toekomst premie zullen afdragen en zo bijdragen aan een bredere financieringsgrondslag) - Wanneer kinderen verplicht zijn hun ouders financieel te ondersteunen, is minder geld nodig voor de collectief gefinancierde AOW. Nadelen - Hogere heffingen op arbeid remmen aanbod van en vraag naar arbeid. - Afschaffen van de VUT schendt bij werknemers gewekte verwachtingen. - Mensen in slijtende beroepen zijn op hun 65 ste relatief vaak uitgeput en zouden toch langer moeten doorwerken. - Na een verlaging van de uitkeringen verkeren meer mensen in armoedige leefomstandigheden. - Uitkering die afhankelijk is van aantal kinderen: maatregel treft bijvoorbeeld ook gezinnen die hun kinderwens niet vervuld zien; is dit fair? ThiemeMeulenhoff, juni 2008 Blad 14

15 - Verplichte financiële ondersteuning van ouders zal in de praktijk veel problemen geven (conflicten, incasso; bij verplichte inkomensafhankelijke ondersteuning van de ouders wordt de armoedeval dieper). Hoofdstuk Hoge tarieven op mobiele heffingsgrondslagen leiden tot een uittocht van die grondslagen (winst, vermogensopbrengsten, getalenteerde werknemers die hun talen spreken). 2. Een voordeel is dat belastingconcurrentie overheden (vooral in landen met een hoog belastingpeil) prikkelt om doelmatiger te werken en het voorzieningenaanbod af te stemmen op de behoeften van de belastingbetalers. 3. Om een tax race to the bottom te voorkomen kunnen landen onderling afspraken maken (coördinatie) over bijvoorbeeld minimumtarieven, zoals de lidstaten van de Europese Unie hebben gedaan bij de btw. Hoofdstuk De levensloopregeling maakt vervroegd uittreden mogelijk; de verlaging van de herkeuringsgrens voor WAO-ers van 55 naar 45 jaar schakelt meer mensen uit; de aanrechtsubsidie wordt te langzaam afgebouwd. 2. Welvaart wordt hier gebruikt in de zin van nationaal inkomen, in smalle materiële zin dus. 3. Dat hangt er van af hoe die burger meer inkomen en minder vrije tijd tegen elkaar afweegt en waardeert. 4. Een stijging van de productiviteit en meer gewerkte uren per burger. 5. Meer uren per etmaal; meer dagen per week, meer maanden per jaar (vakanties bekorten) en meer jaren per mensenleven. ThiemeMeulenhoff, juni 2008 Blad 15

Lesbrief Verdienen en uitgeven 2 e druk

Lesbrief Verdienen en uitgeven 2 e druk Hoofdstuk 1. Inkomen verdienen 1.22 1.23 1.24 1.25 1.26 1.27 1.28 1.29 1.30 1.31 1.32 1.33 1.34 D A C C A D B A D D B C D 1.35 a. 1.000.000 425.000 350.000 40.000 10.000 30.000 = 145.000. b. 1.000.000

Nadere informatie

pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD

pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD De macro-vraaglijn of geaggregeerde vraaglijn geeft het verband weer tussen het algemeen prijspeil en de gevraagde hoeveelheid binnenlands product. De macro-vraaglijn

Nadere informatie

Examen HAVO. Economie 1

Examen HAVO. Economie 1 Economie 1 Examen HAVO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Tijdvak 2 Woensdag 21 juni 13.30 16.00 uur 20 00 Dit examen bestaat uit 31 vragen. Voor elk vraagnummer is aangegeven hoeveel punten met een goed

Nadere informatie

Examen HAVO en VHBO. Economie 1,2 oude en nieuwe stijl

Examen HAVO en VHBO. Economie 1,2 oude en nieuwe stijl Economie 1,2 oude en nieuwe stijl Examen HAVO en VHBO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Vooropleiding Hoger Beroeps Onderwijs HAVO Tijdvak 2 VHBO Tijdvak 3 Woensdag 21 juni 13.30 16.30 uur 20 00 Dit

Nadere informatie

Module 8 havo 5. Hoofdstuk 1 conjunctuurbeweging

Module 8 havo 5. Hoofdstuk 1 conjunctuurbeweging Module 8 havo 5 Hoofdstuk 1 conjunctuurbeweging Economische conjunctuur hoogconjunctuur Reëel binnenlands product groeit procentueel sterker dan gemiddeld. laagconjunctuur Reëel binnenlands product groeit

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2000-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2000-II Opgave 1 Uit een krant: Uitzendbranche blijft groeien Uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt dat de uitzendbranche in het eerste kwartaal van 1998 flink is gegroeid. In vergelijking

Nadere informatie

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)!

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Vragen aangeduid met een * toetsen in het bijzonder het inzicht en toepassingsvermogen. Deze vragenreeksen zijn vrij beschikbaar.

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 havo 2000-I

Eindexamen economie 1 havo 2000-I Opgave 1 Meer mensen aan de slag Het terugdringen van de werkloosheid is in veel landen een belangrijke doelstelling van de overheid. Om dat doel te bereiken, streeft de overheid meestal naar groei van

Nadere informatie

Als de lonen dalen, dalen de loonkosten voor de producent. Hetgeen kan betekenen dat de producent niet overgaat tot mechanisatie/automatisering.

Als de lonen dalen, dalen de loonkosten voor de producent. Hetgeen kan betekenen dat de producent niet overgaat tot mechanisatie/automatisering. Top 100 vragen. De antwoorden! 1 Als de lonen stijgen, stijgen de productiekosten. De producent rekent de hogere productiekosten door in de eindprijs. Daardoor daalt de vraag naar producten. De productie

Nadere informatie

Valutamarkt. De euro op koers. Havo Economie 2010-2011 VERS

Valutamarkt. De euro op koers. Havo Economie 2010-2011 VERS Valutamarkt De euro op koers Havo Economie 2010-2011 VERS 2 Hoofdstuk 1 : Inleiding Opdracht 1 a. Dirham b. Internet c. Duitsland - Ierland - Nederland - Griekenland - Finland - Luxemburg - Oostenrijk

Nadere informatie

Rendement = investeringsopbrengst/ investering *100% Reëel rendement = Nominaal rendement / CPI * 100-100 Als %

Rendement = investeringsopbrengst/ investering *100% Reëel rendement = Nominaal rendement / CPI * 100-100 Als % Inflatie Stijging algemene prijspeil Consumenten Prijs Indexcijfer Gewogen gemiddelde Voordeel: Mensen met schulden Nadeel: Mensen met loon, spaargeld Reële winst bedrijven daalt Rentekosten bedrijven

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2004-I

Eindexamen economie 1-2 havo 2004-I 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juist antwoord

Nadere informatie

Domein GTST havo. 1) Gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland; of anders geformuleerd: (C + I + O + E M)

Domein GTST havo. 1) Gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland; of anders geformuleerd: (C + I + O + E M) 1) Geef de omschrijving van trendmatige groei. 2) Wat houdt conjunctuurgolf in? 3) Noem 5 conjunctuurindicatoren. 4) Leg uit waarom bij hoogconjunctuur de bedrijfswinsten zullen stijgen. 5) Leg uit waarom

Nadere informatie

H1: Economie gaat over..

H1: Economie gaat over.. H1: Economie gaat over.. 1: Belangen Geld is voor de economie een smeermiddel, door het gebruik van geld kunnen we handelen, sparen en goederen prijzen. Belangengroep Belang = Ze komen op voor belangen

Nadere informatie

Eindexamen economie havo II

Eindexamen economie havo II Opgave 1 Buitenland en overheid in de kringloop In de economische wetenschap wordt gebruikgemaakt van modellen. Een kringloopschema is een model waarmee een vereenvoudigd beeld van de economie van een

Nadere informatie

Eindexamen economie pilot havo 2009 - I

Eindexamen economie pilot havo 2009 - I Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 ja Een voorbeeld van een juiste

Nadere informatie

Michiel Verbeek, januari 2013

Michiel Verbeek, januari 2013 Michiel Verbeek, januari 2013 1 2 Eens of oneens? De bankiers zijn schuldig aan de kredietcrisis. De huidige economische crisis is het gevolg van de kredietcrisis van 2008. Als een beurshandelaar voor

Nadere informatie

Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur

Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur Economische wetenschappen 1 en recht Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur 19 99 Dit examen bestaat uit 34 vragen. Voor elk vraagnummer is aangegeven

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores

Vraag Antwoord Scores Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 1 Op de gegevens voor de top 10% van 1999

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-II Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Voorbeelden van een juist antwoord zijn: kosten van politie-inzet

Nadere informatie

Het internationale economisch verkeer

Het internationale economisch verkeer Hoofdstuk 2 Het internationale economisch verkeer 2.29 2.30 2.31 2.32 2.33 2.34 2.35 2.36 D D C D A D C D 2.37 a. Als Aland zich specialiseert in dat product waarin het relatief goed is, kan het door internationale

Nadere informatie

Examen HAVO. economie. tijdvak 2 woensdag 23 juni 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage.

Examen HAVO. economie. tijdvak 2 woensdag 23 juni 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage. Examen HAVO 2010 tijdvak 2 woensdag 23 juni 13.30-16.00 uur economie tevens oud programma economie 1,2 Bij dit examen hoort een bijlage. Dit examen bestaat uit 27 vragen. Voor dit examen zijn maximaal

Nadere informatie

Eindexamen economie vwo 2010 - I

Eindexamen economie vwo 2010 - I Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Een antwoord waaruit

Nadere informatie

5.1 Wie is er werkloos?

5.1 Wie is er werkloos? 5.1 Wie is er werkloos? Volgens het CBS behoren mensen tot de werkloze beroepsbevolking als ze een leeftijd hebben van 15 tot en met 64 jaar, minder dan 12 uur werken, actief op zoek zijn naar betaald

Nadere informatie

Rente de prijs van tijd. Als rente hoger is dan de opofferingskosten individuele prijs van tijd niet lenen maar sparen

Rente de prijs van tijd. Als rente hoger is dan de opofferingskosten individuele prijs van tijd niet lenen maar sparen Rente de prijs van tijd. Als rente hoger is dan de opofferingskosten individuele prijs van tijd niet lenen maar sparen Ruilen over de tijd Intertemporele substitutie Bedrijven lenen geld om te investeren

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2007-I

Eindexamen economie 1 vwo 2007-I Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 1 Een antwoord waaruit

Nadere informatie

Antwoorden stencils OPGAVE 1 11.313 pond. (36,41%) 1,48 miljard als het BNP in procenten harder is gestegen dan het bedrag in ponden in procenten

Antwoorden stencils OPGAVE 1 11.313 pond. (36,41%) 1,48 miljard als het BNP in procenten harder is gestegen dan het bedrag in ponden in procenten Antwoorden stencils OPGAVE 1 1. Nominaal Inkomen 1996 = 25,34 miljard pond x 1,536 = 38,92224 miljard pond Bevolkingsomvang 1996 = 3.340.000 x 1,03 = 3.440.200 Nominaal Inkomen per hoofd = 38,92224 miljard

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-II

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-II 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juiste berekening

Nadere informatie

DOMEIN E: RUILEN OVER DE TIJD. Module 4 Nu en later

DOMEIN E: RUILEN OVER DE TIJD. Module 4 Nu en later DOMEIN E: RUILEN OVER DE TIJD Module 4 Nu en later Inflatie Definitie: stijging van het algemeen prijspeil Gevolgen van inflatie koopkracht neemt af Verslechtering internationale concurrentiepositie Bij

Nadere informatie

Eindexamen vmbo gl/tl economie 2011 - II

Eindexamen vmbo gl/tl economie 2011 - II Beoordelingsmodel Aan het juiste antwoord op een meerkeuzevraag wordt 1 scorepunt toegekend. MINpunten 1 maximumscore 1 2 / 6 x 100 % = 33,3% 2 maximumscore 1 Voorbeeld van een juiste reden: Klantenbinding:

Nadere informatie

5.2 Wie is er werkloos?

5.2 Wie is er werkloos? 5.2 Wie is er werkloos? Volgens het CBS behoren mensen tot de werkloze beroepsbevolking als ze een leeftijd hebben van 15 tot en met 64 jaar, minder dan 12 uur werken, actief op zoek zijn naar betaald

Nadere informatie

Zelftest hoofdstuk 1 Gesloten vragen 1.22 D; 1.23 B; 1.24 A; 1.25 B; 1.26 B; 1.27 C; 1.28 D; 1.29 A; 1.30 B; 1,31 A; 1.32 A

Zelftest hoofdstuk 1 Gesloten vragen 1.22 D; 1.23 B; 1.24 A; 1.25 B; 1.26 B; 1.27 C; 1.28 D; 1.29 A; 1.30 B; 1,31 A; 1.32 A Zelftest hoofdstuk 1 1.22 D; 1.23 B; 1.24 A; 1.25 B; 1.26 B; 1.27 C; 1.28 D; 1.29 A; 1.30 B; 1,31 A; 1.32 A 1.33 a. $25 1, 1 = $27,50 b. -invoercontingenten, -kwaliteitseisen, -douaneformaliteiten, -subsidies

Nadere informatie

Arbeidsmarkt Vraag naar arbeid Werkgelegenheid Aanbod van arbeid: b Marktmechanisme Loonkosten per product

Arbeidsmarkt Vraag naar arbeid Werkgelegenheid Aanbod van arbeid: b Marktmechanisme Loonkosten per product Arbeidsmarkt Vraag naar arbeid = mensen Door werkgevers: bedrijven en overheid Werkgelegenheid Hoe lager het loon, hoe groter de vraag naar arbeid Aanbod van arbeid: beroepsbevolking (iedereen tussen de

Nadere informatie

Eindexamen havo economie 2012 - II

Eindexamen havo economie 2012 - II Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Een antwoord waaruit blijkt dat consumenten

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2004-II

Eindexamen economie 1 vwo 2004-II Opgave 1 Stoppen met roken!? In een land betalen rokers bij de aanschaf van tabaksproducten een flink bedrag aan indirecte belasting (tabaksbelasting)*. Dat vinden veel mensen terecht omdat de overheid

Nadere informatie

Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 2 Woensdag 21 juni 13.30 16.30 uur

Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 2 Woensdag 21 juni 13.30 16.30 uur Economische wetenschappen I en recht Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 2 Woensdag 2 juni 3.3 6.3 uur 2 Dit examen bestaat uit 34 vragen. Voor elk vraagnummer is aangegeven hoeveel

Nadere informatie

Goede tijden, slechte tijden. Soms zit het mee, soms zit het tegen

Goede tijden, slechte tijden. Soms zit het mee, soms zit het tegen Slides en video s op www.jooplengkeek.nl Goede tijden, slechte tijden Soms zit het mee, soms zit het tegen 1 De toegevoegde waarde De toegevoegde waarde is de verkoopprijs van een product min de ingekochte

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores

Vraag Antwoord Scores Opgave 1 1 maximumscore 2 Uit de uitleg moet blijken dat het tarief per keer legen de inwoners stimuleert om de containers minder vaak aan te bieden om daarmee lasten te besparen 1 het tarief per kilo

Nadere informatie

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl)

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl) Economie 1 (nieuwe stijl) Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Donderdag 17 mei 13.30 16.30 uur 20 01 Voor dit examen zijn maximaal 65 punten te behalen; het examen bestaat uit

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2008-II

Eindexamen economie 1-2 vwo 2008-II Beoordelingsmodel Opgave 1 1 maximumscore 1 (primaire) inkomensrekening 2 maximumscore 2 Voorbeelden van een juist antwoord zijn: De nieuwe productie-eenheid trekt ook toeleveringsbedrijven aan die zorgen

Nadere informatie

Examen HAVO. economie. tijdvak 1 dinsdag 25 mei 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage.

Examen HAVO. economie. tijdvak 1 dinsdag 25 mei 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage. Examen HAVO 2010 tijdvak 1 dinsdag 25 mei 13.30-16.00 uur economie tevens oud programma economie 1,2 Bij dit examen hoort een bijlage. Dit examen bestaat uit 26 vragen. Voor dit examen zijn maximaal 56

Nadere informatie

1. Leg uit dat het sparen door gezinnen een voorbeeld is van ruilen in de tijd. 2. Leg uit waarom investeren door bedrijven als ruilen over de tijd beschouwd kan worden. 3. Wat is intertemporele substitutie?

Nadere informatie

Domein E: Concept Ruilen over de tijd

Domein E: Concept Ruilen over de tijd 1. Het bruto binnenlands product is gestegen met 0,9%. Het inflatiepercentage bedraagt 2,1%. Bereken de reële groei van het BBP. 2. Waarmee wordt het inflatiepercentage gemeten? 3. Lees de onderstaande

Nadere informatie

Examen HAVO en VHBO. Economie

Examen HAVO en VHBO. Economie Economie Examen HAVO en VHBO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Vooropleiding Hoger Beroeps Onderwijs HAVO Tijdvak 1 VHBO Tijdvak 2 Woensdag 19 mei 13.30 16.30 uur 19 99 Dit examen bestaat uit 36 vragen.

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2004-I

Eindexamen economie 1 vwo 2004-I Opgave 1 Dollarisering in Latijns Amerika In veel landen in Latijns Amerika circuleert naast de eigen valuta de Amerikaanse dollar. De dollar is door de jaren heen in dit deel van de wereld de meest stabiele

Nadere informatie

Eindexamen economie pilot vwo 2011 - II

Eindexamen economie pilot vwo 2011 - II Beoordelingsmodel Vraag Antwoord Scores Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2 TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2 NIVEAU: EXAMEN: HAVO 2001-II De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2001-I

Eindexamen economie 1 vwo 2001-I Opgave 1 Hoge druk op de arbeidsmarkt Gedurende een aantal jaren groeide de economie in Nederland snel waardoor de druk op de arbeidsmarkt steeds groter werd. Het toenemende personeelstekort deed de vrees

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2002-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2002-II 4 Antwoordmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juiste berekening is: 1,5

Nadere informatie

Domein Goede Tijden, Slechte Tijden

Domein Goede Tijden, Slechte Tijden Domein Goede Tijden, Slechte Tijden Zie steeds de eenvoud!! vwo Frans Etman Hoog- of laagconjunctuur Het Centraal Bureau van de Statistiek (CBS) heeft 2 filmpjes gemaakt over de indicatoren van de economie.

Nadere informatie

2.1 De keuze tussen werk en vrije tijd

2.1 De keuze tussen werk en vrije tijd 2.1 De keuze tussen werk en vrije tijd Mensen moeten steeds de keuze maken tussen werken en vrije tijd: 1. Werken * Je ontvangt loon in ruil voor je arbeid; * Langer werken geeft meer loon (en dus kun

Nadere informatie

Boek 4 Hoofdstuk 7: De overheid en ons inkomen

Boek 4 Hoofdstuk 7: De overheid en ons inkomen Boek 4 Hoofdstuk 7: De overheid en ons inkomen Valt het mee of tegen? a Als Yara een appartement koopt moet ze een hypotheek afsluiten. Hiervoor betaalt ze iedere maand een bepaald bedrag. Dit zijn haar

Nadere informatie

Examen HAVO - Compex. economie 1

Examen HAVO - Compex. economie 1 economie 1 Examen HAVO - Compex Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Tijdvak 1 Maandag 23 mei totale examentijd 2,5 uur 20 05 Vragen 1 tot en met 19 In dit deel staan de vragen waarbij de computer niet

Nadere informatie

Domein Goede Tijden, Slechte Tijden

Domein Goede Tijden, Slechte Tijden Domein Goede Tijden, Slechte Tijden Zie steeds de eenvoud!! havo Frans Etman Hoog- of laagconjunctuur Het Centraal Bureau van de Statistiek (CBS) heeft 2 filmpjes gemaakt over de indicatoren van de economie.

Nadere informatie

Inhoud. 1 Inleiding. Markt of overheid. 1 wat is economie? 11 Productiefactoren 11 Schaarste en welvaart 12 2

Inhoud. 1 Inleiding. Markt of overheid. 1 wat is economie? 11 Productiefactoren 11 Schaarste en welvaart 12 2 Inhoud 1 Inleiding 1 wat is economie? 11 Productiefactoren 11 Schaarste en welvaart 12 2 modellen 12 2 Markt of overheid 1 de vraag 14 Prijzen en gevraagde hoeveelheid 14 D De vraagfunctie 14 D Verschuiving

Nadere informatie

Eindexamen havo economie 2013-I

Eindexamen havo economie 2013-I Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 bij (1) monopolie bij (2) toe

Nadere informatie

Ruilen over de tijd (havo)

Ruilen over de tijd (havo) 1. Leg uit dat het sparen door gezinnen een voorbeeld is van ruilen in de tijd. 2. Leg uit waarom investeren door bedrijven als ruilen over de tijd beschouwd kan worden. 3. Wat is intertemporele substitutie?

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores

Vraag Antwoord Scores Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 1 600 bezoekers (2.800 2.200) 2 maximumscore

Nadere informatie

= de ruilverhouding tussen 2 munten De wisselkoers is de prijs van een buitenlandse valuta uitgedrukt in de valuta van het eigen land.

= de ruilverhouding tussen 2 munten De wisselkoers is de prijs van een buitenlandse valuta uitgedrukt in de valuta van het eigen land. 1 De wisselmarkt 1.1 Begrip Wisselkoers = de ruilverhouding tussen 2 munten De wisselkoers is de prijs van een buitenlandse valuta uitgedrukt in de valuta van het eigen land. bv: prijs van 1 USD = 0,7

Nadere informatie

Beleggingen institutionele beleggers met 7 procent toegenomen

Beleggingen institutionele beleggers met 7 procent toegenomen Publicatiedatum CBS-website: 1 oktober 27 Beleggingen institutionele beleggers met 7 procent toegenomen drs. J.L. Gebraad Centraal Bureau voor de Statistiek Voorburg/Heerlen 27 Verklaring der tekens. =

Nadere informatie

Kleurpagina vraagkaartjes beginner Ruilen over de tijd Quiz. Deze pagina 2 keer printen daarna op de achterkant de vraagkaartjes Ruilen over de tijd

Kleurpagina vraagkaartjes beginner Ruilen over de tijd Quiz. Deze pagina 2 keer printen daarna op de achterkant de vraagkaartjes Ruilen over de tijd Kleurpagina vraagkaartjes beginner Ruilen over de tijd Quiz. Deze pagina 2 keer printen daarna op de achterkant de vraagkaartjes Ruilen over de tijd quiz beginner printen en uitsnijden of knippen. Bijlage

Nadere informatie

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)!

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Vragen aangeduid met een * toetsen in het bijzonder het inzicht en toepassingsvermogen. Deze vragenreeksen zijn vrij beschikbaar.

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2000

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2000 TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2000 VAK: ECONOMIE 1,2 NIVEAU: EXAMEN: HAVO 2000-II Deze uitwerking wordt ook opgenomen in de Examenbundel Onderwijspers 2001-2002 die in de zomer van 2001 bij

Nadere informatie

Beleggingsthema s 2016. What a difference a day makes (1975), Dinah Washington

Beleggingsthema s 2016. What a difference a day makes (1975), Dinah Washington Beleggingsthema s 2016 What a difference a day makes (1975), Dinah Washington Inleiding De dagen die in 2015 het verschil maakten, zijn de dagen waarop centrale bankiers uitspraken deden, what a difference

Nadere informatie

20.1 Wat is economische groei?!

20.1 Wat is economische groei?! 20.1 Wat is economische groei? Om te beoordelen of er geproduceerd is, moet het BBP worden gecorrigeerd voor de inflatie. BBP is de totale product door binnenlandse sectoren. We vinden dan de toename van

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-I

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-I 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Voorbeelden van een juist antwoord

Nadere informatie

Nederlandse economie in zicht

Nederlandse economie in zicht Nederlandse economie in zicht Vooruitzichten 6-7 Economisch Bureau Nederland december Nederlandse economie: groei houdt aan De Nederlandse economie groeide in met ongeveer % - tweemaal zoveel als in 4.

Nadere informatie

Examen HAVO. Economie 1,2 (nieuwe stijl) en economie (oude stijl)

Examen HAVO. Economie 1,2 (nieuwe stijl) en economie (oude stijl) Economie 1,2 (nieuwe stijl) en economie (oude stijl) Examen HAVO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Tijdvak 1 Vrijdag 18 mei 13.30 16.00 uur 20 01 Voor dit examen zijn maximaal 58 punten te behalen; het

Nadere informatie

Sterke toename van beleggingen in Duits en Frans schuldpapier. Grafiek 1 - Nederlandse aankopen buitenlandse effecten

Sterke toename van beleggingen in Duits en Frans schuldpapier. Grafiek 1 - Nederlandse aankopen buitenlandse effecten Sterke toename van beleggingen in Duits en Frans schuldpapier Nederlandse beleggers hebben in 21 per saldo voor bijna EUR 12 miljard buitenlandse effecten verkocht. Voor EUR 1 miljard betrof dit buitenlands

Nadere informatie

Obligaties 4-4-2014. Algemeen economisch:

Obligaties 4-4-2014. Algemeen economisch: Obligaties 4-4-2014 Algemeen economisch: Over de afgelopen maanden zet de bestaande trend zich door. De rente blijft per saldo onder druk, ondanks een tijdelijke hobbel na de start van het afbouwen van

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2001-II

Eindexamen economie 1 vwo 2001-II Opgave 1 CAO-overleg: loon of werk? Bij de CAO-onderhandelingen voor een komend jaar in de industrie wordt uitgegaan van de volgende prognose: inflatie 2,3% stijging arbeidsproductiviteit in de industrie

Nadere informatie

Examen VWO. economie. tijdvak 2 woensdag 19 juni 13.30-16.30 uur

Examen VWO. economie. tijdvak 2 woensdag 19 juni 13.30-16.30 uur Examen VWO 2013 tijdvak 2 woensdag 19 juni 13.30-16.30 uur economie Dit examen bestaat uit 26 vragen. Voor dit examen zijn maximaal 59 punten te behalen. Voor elk vraagnummer staat hoeveel punten met een

Nadere informatie

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl)

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl) Economie 1 (nieuwe stijl) Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 2 Woensdag 19 juni 13.3 16.3 uur 2 2 Voor dit examen zijn maximaal 63 punten te behalen; het examen bestaat uit 32

Nadere informatie

Examen VWO. economie. Voorbeeldopgaven Phillipscurve. voorbeeldopgaven Phillipscurve

Examen VWO. economie. Voorbeeldopgaven Phillipscurve. voorbeeldopgaven Phillipscurve Examen VWO 2017 Voorbeeldopgaven Phillipscurve economie voorbeeldopgaven Phillipscurve Opgave 1 Langs de glijbaan omhoog? Met het uitbreken van de kredietcrisis in 2008 ondervonden veel banken wereldwijd

Nadere informatie

Ruilen over de tijd. Zie steeds de eenvoud!! Frans Etman

Ruilen over de tijd. Zie steeds de eenvoud!! Frans Etman Ruilen over de tijd Zie steeds de eenvoud!! vwo Frans Etman Bedenk dat bij ruilen er altijd twee dingen gedaan worden. Je geeft wat en je krijgt wat terug. Als je twee keer ruilt - ruilen over de tijd

Nadere informatie

Kredietverlening aan Nederlandse bedrijven loopt terug

Kredietverlening aan Nederlandse bedrijven loopt terug Het Nederlandse bedrijfsleven is in sterke mate afhankelijk van bancaire kredietverlening. De groei van de zakelijke kredietverlening is in de tweede helft van 28 vertraagd. Dit hangt grotendeels samen

Nadere informatie

De wensen van mensen zijn onbegrensd. Hoe noemen we in de economie deze wensen? BEHOEFTEN. Categorie Vraag & Antwoord

De wensen van mensen zijn onbegrensd. Hoe noemen we in de economie deze wensen? BEHOEFTEN. Categorie Vraag & Antwoord Categorie Vraag & Antwoord De wensen van mensen zijn onbegrensd. Hoe noemen we in de economie deze wensen? BEHOEFTEN Er zijn te weinig middelen om in alle behoeften te kunnen voorzien. Hoe heet dit verschijnsel?

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores

Vraag Antwoord Scores Opgave 1 1 maximumscore 2 Een antwoord waaruit blijkt dat consumenten (bepaalde) aankopen naar voren halen, wanneer ze een hoge / hogere inflatie in de komende periode verwachten. 2 maximumscore 2 Een

Nadere informatie

Economie Samenvatting M4

Economie Samenvatting M4 Economie Samenvatting M4 Hoofdstuk 1 De prijs van tijd Ruilen over tijd is een belangrij onderdeel van economisch handelen. Dat geldt voor huishoudens, bedrijven en de overheid. Gezinnen sparen voor hun

Nadere informatie

E F F E C T U E E L. augustus 2011-18. Slachtoffer van eigen succes? Hilaire van den Bergh

E F F E C T U E E L. augustus 2011-18. Slachtoffer van eigen succes? Hilaire van den Bergh E F F E C T U E E L augustus 2011-18 Slachtoffer van eigen succes? Hilaire van den Bergh Hilaire van den Bergh werkt bij BCS Vermogensbeheer B.V. te Rotterdam. De inhoud van deze publicatie schrijft hij

Nadere informatie

5.1 Het speelkwartier

5.1 Het speelkwartier 5.1 Het speelkwartier Economie gaat over het maken van keuzes. Iedereen maakt in het leven constant keuzes. Deze keuzes hebben economische gevolgen: Welke studie ga je volgen? Wanneer ga je op jezelf wonen?

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2005-I

Eindexamen economie 1 vwo 2005-I Opgave 1 Nijvere Europeanen Een onderzoeksbureau heeft berekend dat de arbeidsproductiviteit per gewerkt uur in de Europese Unie (EU) gemiddeld lager is dan in de Verenigde Staten van Amerika (VS). In

Nadere informatie

Verdieping: Kan een land failliet gaan?

Verdieping: Kan een land failliet gaan? Verdieping: Kan een land failliet gaan? Korte omschrijving werkvorm De leerlingen lezen fragmenten uit artikelen over wat het betekent als Griekenland failliet gaat en maken daar verwerkingsvragen over.

Nadere informatie

Oktober 2015. Macro & Markten. 1. Rente en conjunctuur :

Oktober 2015. Macro & Markten. 1. Rente en conjunctuur : Oktober 2015 Macro & Markten 1. Rente en conjunctuur : VS Zoals al aangegeven in ons vorig bulletin heeft de Amerikaanse centrale bank FED de beleidsrente niet verhoogd. Maar goed ook, want naderhand werden

Nadere informatie

wisselkoers Euro in Amerikaanse dollar 1,3644 Hoeveel dollar is 590?

wisselkoers Euro in Amerikaanse dollar 1,3644 Hoeveel dollar is 590? wisselkoers Euro in Amerikaanse dollar 1,3644 Hoeveel dollar is 590? 1,3644 * 590 = $805 2300 is dan 1,3644 * 2300 =$3138,12 Hoeveel euro is $789? 1,3644 dollar = 1 euro $789 / 1,3644 =578,28 euro Bereken

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2008-I

Eindexamen economie 1-2 havo 2008-I Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 ja De prijselasticiteit

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2 TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2 NIVEAU: EXAMEN: VWO 2001-II De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen

Nadere informatie

Perscommuniqué. Het Federaal Planbureau evalueert de gevolgen van de duurdere dollar en de hogere olieprijzen voor de Belgische economie

Perscommuniqué. Het Federaal Planbureau evalueert de gevolgen van de duurdere dollar en de hogere olieprijzen voor de Belgische economie Federaal Planbureau Economische analyses en vooruitzichten Perscommuniqué Brussel, 15 september 2000 Het Federaal Planbureau evalueert de gevolgen van de duurdere dollar en de hogere olieprijzen voor de

Nadere informatie

DOUBLEDIVIDEND OUTLOOK 2015 KWALITEIT ONAFHANKELIJK BETROKKEN

DOUBLEDIVIDEND OUTLOOK 2015 KWALITEIT ONAFHANKELIJK BETROKKEN DOUBLEDIVIDEND OUTLOOK 2015 KWALITEIT ONAFHANKELIJK BETROKKEN DECEMBER 2014 1. Economie VS blijg anker Het IMF verwacht een wereldwijde economische groei van 3,8% in 2015 Met een verwachte economische

Nadere informatie