Inhoud (bladzijden verwijzen naar gedrukte versie, die op technische details wellicht afwijkt van onderstaand)

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Inhoud (bladzijden verwijzen naar gedrukte versie, die op technische details wellicht afwijkt van onderstaand)"

Transcriptie

1 Tijdschrift voor Criminologie, nr. 44 2, 2002 Themanummer Criminele groepen en samenwerkingsverbanden Themaredactie: Willem de Haan, Edward Kleemans, Frank Weerman Inhoud (bladzijden verwijzen naar gedrukte versie, die op technische details wellicht afwijkt van onderstaand) Inhoud Criminele groepen en samenwerkingsverbanden 114 Frank Weerman & Edward Kleemans Dadergroepen en transnationale illegale markten 128 Gerben Bruinsma & Wim Bernasco Criminele netwerken en het kleine-wereld-effect 141 Patrick Van Calster Etnografisch onderzoek naar de relatie tussen etniciteit, groepsvorming en delinquentie bij jongens een vergelijkende analyse 150 Siep Miedema Botsen met de buurt overlast en wisselwerking tussen jeugdgroepen en de buitenwereld 162 Frank van Gemert Collectief geweld tussen voetbal- supporters 172 Otto Adang

2 CRIMINELE GROEPEN EN SAMENWERKINGSVERBANDEN EEN OVERZICHT Frank Weerman en Edward Kleemans 1 De mens is een sociaal wezen en plegers van delicten vormen hierop geen uitzondering: delicten worden vaak door meerdere daders samen gepleegd (zie voor een overzicht: o.a. Reiss, 1988; Weerman, 2001). Daders kunnen deel uitmaken van tijdelijke of duurzame samenwerkingsverbanden. Ook zijn er allerlei soorten groepen, variërend van scherp afgebakende dadergroepen tot tamelijk losse samenwerkingsverbanden en netwerken. De sociale verbanden van daders bestrijken een breed criminologisch spectrum: groepjes baldadige pubers en delinquente jongeren die elkaar op straat ontmoeten, inbrekers of overvallers die samen op pad gaan, samenwerkingsverbanden op het terrein van de georganiseerde criminaliteit in vele soorten en maten. De laatste jaren lijkt de beeldvorming rond criminele groepen en samenwerkingsverbanden te verschuiven. Zo is de alarmerende beeldvorming over de georganiseerde misdaad van begin jaren negentig sterk genuanceerd door het criminologisch onderzoek van de onderzoeksgroep Fijnaut ten behoeve van de Commissie Van Traa (Fijnaut e.a., 1996). In plaats van het beeld van strak geleide misdaadorganisaties dat we kennen uit de populaire media (denk bijvoorbeeld aan de vele maffiafilms) wordt tegenwoordig vooral gesproken over criminele netwerken en flexibele samenwerkingsverbanden. Ook de traditionele beeldvorming over jeugdbendes en gangs lijkt inmiddels achterhaald (zie o.a. Van Gemert in dit themanummer). Toch is er nog geen duidelijk alternatief voor de traditionele ideeën. Wel zijn de laatste tijd interessante ontwikkelingen gaande in theorievorming en onderzoek naar criminele groepen en samenwerkingsverbanden. Daarom wijdt het Tijdschrift voor Criminologie dit themanummer aan dit onderwerp, met auteurs die vanuit verschillende achtergronden deskundigheid hebben over bepaalde vormen van criminele samenwerking of groepsvorming, zoals georganiseerde criminaliteit, problematische jeugdgroepen en voetbalhooligans. In dit inleidende artikel geven we een overzicht van belangrijke thema s en ontwikkelingen. Allereerst introduceren we enkele begrippen en onderscheiden we verschillende niveaus van analyse. Vervolgens gaan we in vogelvlucht in op klassieke studies en belangrijke ontwikkelingen in de literatuur en besteden we aandacht aan enkele veelbelovende nieuwe invalshoeken. Daarna volgt een introductie van de andere artikelen in dit themanummer. We sluiten af met enkele suggesties voor toekomstig onderzoek. BEGRIPPEN EN NIVEAUS VAN ANALYSE Voor de sociale verbanden van daders zijn allerlei begrippen in omloop: traditionele zoals bendes en jeugdbendes, de maffia en criminele organisaties, en modernere zoals dadergroepen en criminele netwerken. Het is echter lang niet altijd duidelijk wat men precies met deze begrippen bedoelt. Ze worden ook regelmatig door elkaar gebruikt, hoewel er toch belangrijke verschillen bestaan. Zo wordt het begrip crimineel netwerk vaak als synoniem gebruikt voor een criminele groep. Een netwerk omvat echter meer dan een groep: het is een verzameling van individuen die met elkaar zijn verbonden, zonder dat iedereen elkaar hoeft te kennen. Bij een criminele groep kent iedereen elkaar wel en ziet men elkaar ook als groepsleden. Toch is het vaak moeilijk om dadergroepen precies van elkaar te onderscheiden. Ook is het zelden duidelijk tot waar een crimineel netwerk precies reikt (zie o.a.: Draisma en Weerman, 2000; Bruinsma en Bernasco in dit themanummer). Naast verschillen in inhoud zijn er verschillen in emotionele lading: jeugdgroep op straat klinkt minder gevaarlijk dan jeugdbende of gang, en dadernetwerk klinkt minder bedreigend dan criminele organisatie. Deze verschillen in emotionele lading vormen een belangrijke verklaring voor het feit dat in de criminologie van tijd tot tijd felle discussies ontstaan rond definities van criminele groepen en samenwerkingsverbanden. Zo is er veel gediscussieerd over de definitie van 1 Met dank aan Willem de Haan en Peter Sluiter voor hun commentaar op een eerdere versie van dit artikel.

3 georganiseerde misdaad (zie o.a.: Fijnaut e.a.., 1996) en over de definitie van gangs en jeugdbendes (zie o.a. Ball en Curry, 1995). Het gaat bij deze discussies niet alleen om de precieze benaming, maar ook om een beoordeling van het karakter en de ernst van samenwerkingsverbanden tussen daders. Bij de analyse van criminele groepen en samenwerkingsverbanden kunnen drie niveaus worden onderscheiden: het niveau van de individuele dader, van de dadercombinaties bij een concreet delict en van het overkoepelende netwerk van daders. Vooral het onderscheid tussen het tweede en derde niveau is belangrijk: bij dadercombinaties gaat het om daders die in een concreet geval samenwerken, bij dadergroepen of -netwerken om een verzameling daders die elkaar kennen of die met elkaar zijn verbonden. Vanuit één netwerk of groep kunnen dus in wisselende verbanden delicten worden gepleegd. Ook kunnen die verbanden heel klein zijn, terwijl de overkoepelende groep veel groter is (zie o.a. Hakkert e.a., 1998; Weerman, 2001). In dit themanummer komt elk van de genoemde analyseniveaus aan de orde. Het zwaartepunt ligt echter bij het derde niveau, dat van het overkoepelende netwerk waartoe daders behoren. Aan de ene kant gaat het daarbij om de structuur: hoe zit een netwerk of groep in elkaar? Aan de andere kant is ook de cultuur belangrijk. Welke regels en codes heersen in een groep? Wat zijn herkenningstekens en identiteitsbepalers? De antwoorden op dit soort vragen kunnen worden gebruikt om te verklaren hoe vanuit deze groepen en netwerken criminele activiteiten ontstaan, die worden uitgevoerd door concrete dadercombinaties. Vanuit de individuele dader bezien is het niet alleen van belang wat voor macht of invloed de groep uitoefent op de individuen die er deel van uitmaken. Ook relevant is de vraag wat criminele groepen en samenwerkingsverbanden kunnen betekenen voor de criminele (carrière)mogelijkheden van individuen. Leidt samenwerking tot meer crimineel succes (McCarthy en Hagan, 1999) en zijn bepaalde posities binnen criminele netwerken gunstig voor iemands criminele carrière (Morselli, 2000; 2001)? DE LITERATUUR IN VOGELVLUCHT Dat criminaliteit vaak een collectieve activiteit is, is reeds lang geleden geconstateerd. In een klassieke studie constateerden Shaw en McKay (1931) dat de overgrote meerderheid van de opgepakte jongeren (ruim 80 procent) hun delicten met anderen had uitgevoerd. Tevens viel het hen op dat het daarbij meestal niet ging om hele groepen, maar om kleine dadercombinaties van twee of drie personen. Daarnaast maakten zij voor een aantal jeugdige delinquenten een overzicht van al hun contacten tijdens hun criminele carrière, om te illustreren hoe mensen via anderen steeds verder betrokken raken bij criminaliteit. In deze tijd ontstond ook de veronderstelling dat veel onervaren daders het vak zouden leren via rekrutering door oudere, meer ervaren daders (zie o.a. de biografie The Professional Thief van Sutherland [1937]). Sindsdien zijn er regelmatig studies naar co-offending ofwel samenplegen verschenen, waarin is nagegaan in welke mate en wanneer delicten door meerdere daders worden uitgevoerd (zie o.a. Reiss, 1988; Weerman, 2001). Hieruit blijkt onder andere dat jonge daders aanmerkelijk vaker samen op pad gaan dan oudere daders (zie o.a. Hood en Sparks, 1970; McCord en Conway, 2002). Eén van de meest diepgravende studies in dit verband is het onderzoek van Reiss en Farrington (1991) naar een groep daders die tot hun veertigste levensjaar is gevolgd. Zij concludeerden dat de meeste daders kiezen voor mededaders die wat betreft ervaring in criminele zaken op hen lijken. Daarnaast zijn er in hun steekproef enkele typische rekruteerders die met heel veel jonge, onervaren mededaders delicten plegen. Het gaat om een kleine minderheid van de respondenten die door hun grote activiteit wel veel anderen kunnen beïnvloeden. In een recentere publicatie van Warr (1996) wordt de term rekrutering vervangen door instigation (initiatiefnemen). Uit zelfrapportagegegevens blijkt dat er weliswaar daders zijn die het voortouw nemen bij het gezamenlijk plegen van delicten, maar dat dit geen vaste rol betreft. Wie initiatief neemt en wie daarin meegaat, verschilt van dadergroep tot dadergroep omdat de samenstelling van die combinaties ook steeds anders is. De concrete gang van zaken bij het samen plegen van delicten is beschreven in monografieën over bepaalde delictstypen zoals inbraak of beroving (zie voor overzichten: Kleemans, 1996; Kruize,

4 2001) en in specifieke onderzoeken naar de sociale organisatie van misdaad (o.a. Einstadter, 1969; Shover, 1973; Best en Luckenbill, 1982). In deze beschrijvingen staat het doelgerichte van samenwerkingsverbanden centraal. Daders kunnen bij de gezamenlijke uitvoering van delicten verschillende rollen hebben, zoals uitkijk, berijder van de vluchtauto of bedreiger. Ook wordt bestudeerd op welke manier daders bij elkaar komen, hoe ze afzetkanalen vinden voor hun buit en hoe zij tips ontvangen over doelwitten. Recente studies nuanceren overigens de doelgerichtheid van samenplegen door te wijzen op de sociale en irrationele processen die een rol spelen bij de totstandkoming van samenwerkingsverbanden en de keuze van doelwitten (Canter en Allison, 2000; Hochstetler, 2001). Problematische en criminele jeugdgroepen Met betrekking tot jeugdcriminaliteit heeft een speciale vorm van groepsvorming vanouds veel aandacht gekregen: het fenomeen van de jeugdbende of gang. Klassiek is het werk van Trasher (1927), die met gebruik van uiteenlopende bronnen alle gangs probeerde te beschrijven in het sterk veranderende Chicago van die tijd. Trasher had een brede opvatting over gangs, die zowel speelgroepen van kinderen als georganiseerde misdaadgroepen omvatte. Hij interpreteerde gangs van jongeren vanuit de mogelijkheden die ze boden voor identiteitsvorming en tijdsbesteding in een stedelijke omgeving en veronderstelde dat ze onder bepaalde omstandigheden konden uitgroeien tot criminele organisatievormen. Een andere bekende studie is de etnografie Street Corner Society door Whyte (1943). Hij bestudeerde tot in detail het leven en de onderlinge verhoudingen van jongeren in een wijk. Daarbij maakte hij onder meer gebruik van sociografische methoden om het netwerk van jongeren in kaart te brengen. Whyte probeerde ook de ongeschreven codes en regels op straat te achterhalen. In de jaren vijftig en zestig was het fenomeen gang in de Verenigde Staten sterk in opkomst, een criminologische uitdaging van de eerste orde. In de theorieën van Cohen (1955) en van Cloward en Ohlin (1960) is delinquent gedrag bijna synoniem met lidmaatschap van jeugdbendes. Deze theorieën verklaren waarom individuen met een maatschappelijk achtergestelde positie tot zulke groepen worden aangetrokken. Short en Strodtbeck (1965) verklaren het delinquente gedrag van jongeren binnen gangs vanuit groepsprocessen. Aan de ene kant veronderstellen zij dat leden van een gang sterke druk op elkaar uitoefenen om mee te doen. Aan de andere kant wijzen zij op het belang van reputatie en status, die ertoe kunnen leiden dat vooral de leidende personen in een groep zich gedwongen zien, bij criminele handelingen en groepsgevechten het voortouw te nemen. Na een relatief rustige periode verscheen vanaf de jaren tachtig van de twintigste eeuw weer veel relevante literatuur in de Verenigde Staten, parallel aan een nieuwe golf van gangs en daaraan gerelateerd geweld (zie voor een overzicht: Decker en Van Winkle, 1996). Een gemeenschappelijke notie in veel van deze studies is de veronderstelling dat de uitzichtloze positie van hele groepen in de Amerikaanse maatschappij een belangrijke aanjager voor van het ontstaan van gangs zou zijn. Er zijn echter ook zelfrapportagestudies verschenen die hebben gezorgd voor een sterke relativering van de onvermijdelijkheid van ganglidmaatschap en de groepsdwang die daaraan verbonden zou zijn. Hieruit blijkt dat ook in de arme wijken van Amerikaanse metropolen slechts een kleine minderheid van de jongeren bij een gang hoort. Bovendien zijn veel van de gangleden maar kort lid: de meerderheid haakt al na een jaar af (Thornberry e.a., 1993; Esbensen en Huizinga, 1993). In Nederland zijn groepen jongeren op straat ook een bekend verschijnsel, maar we kennen hier geen traditie van het bestuderen van problematische en criminele jeugdgroepen, afgezien van enkele etnografische beschrijvingen (zie Miedema in dit themanummer). Een relatief nieuw fenomeen is dat sommige jeugdgroepen in Nederland stijlkenmerken van Amerikaanse gangs hebben overgenomen (Kreulen en De Boer, 1994; Van Gemert, 1999; zie ook Van Gemert in dit themanummer). Hoewel ook deze groepen zich kunnen bezighouden met ernstige vormen van criminaliteit, zijn er tevens belangrijke verschillen met de groepen die in de Verenigde Staten als gangs worden bestempeld. Een probleem bij een vergelijking is dat ook de Amerikaanse gangs een grote variatie in vormen kennen (zie o.a. Klein, 1996) en niet hoeven overeen te komen met de clichébeelden die daarover bestaan. Een belangrijke ontwikkeling in dit

5 verband is het recente initiatief Eurogang (Klein e.a., 2000). Onder deze naam probeert een aantal Amerikaanse en Europese criminologen overeenstemming te bereiken over de omschrijving van gangs en problematische jeugdgroepen en over gestandaardiseerde methoden om deze te onderzoeken. Op termijn zullen daarmee de problematische jeugdgroepen in verschillende Europese landen worden geïnventariseerd en met Amerikaanse gangs worden vergeleken. Dit initiatief is van belang voor de regelmatig de kop op stekende discussie of we ook in Nederland kunnen spreken van gangs of jeugdbendes (zie o.a. Van Gemert, 1995; Van Oosterwijk e.a., 1995; Ferwerda e.a., 1995; De Haan en Miedema, 2001). Georganiseerde criminaliteit De discussie over georganiseerde criminaliteit is sterk bepaald door het bureaucratiemodel. Dit model heeft vooral bekendheid gekregen door de openbare verklaringen van spijtoptanten voor de Amerikaanse Senaatscommissies in de jaren vijftig en zestig en door het wetenschappelijke werk van de Amerikaanse criminoloog Cressey (1969). Deze beschrijft georganiseerde criminaliteit als een bureaucratische organisatievorm met een piramidestructuur, een strenge hiërarchie, een duidelijke taakverdeling, een gedragscode en een intern sanctiesysteem. Dit bureaucratiemodel mag zich nog altijd in een grote populariteit verheugen. Niet alleen in de media maar ook in kringen van opsporingsinstanties wordt nog herhaaldelijk gesproken en gedacht in termen van piramidaal opgebouwde organisaties, waarbij de baas instructies geeft aan zijn luitenanten, die op hun beurt weer verschillende gespecialiseerde divisies aansturen. In de Verenigde Staten werd al in de jaren zeventig forse kritiek geleverd op de empirische houdbaarheid van het bureaucratiemodel (zie o.a.: Albini, 1971; Ianni en Reuss-Ianni, 1972; Smith, 1975). Ook werd een alternatief theoretisch perspectief toegepast op het verschijnsel georganiseerde criminaliteit, dat van het illegaal ondernemerschap (zie o.a.: Reuter, 1983; Moore, 1987). Daders worden in deze optiek beschouwd als gewone naar winst strevende ondernemers, die zich bezig houden met activiteiten die min of meer toevalligerwijze illegaal zijn. Bij deze activiteiten staan net als in de legale handel economische overwegingen en het handig opereren in een bepaalde marktomgeving centraal. Dit perspectief heeft geleid tot verhelderende inzichten in de voedingsbodem van georganiseerde criminaliteit. Zo is het neveneffect van het verbieden van bepaalde goederen en diensten waar wél een maatschappelijke vraag naar bestaat (zoals bijvoorbeeld drugs), dat er winstkansen ontstaan voor ondernemende misdadigers. Ook kunnen EU heffingen, BTW regelingen en accijnzen resulteren in een prijswig met interessante mogelijkheden voor ondernemende fraudeurs (o.a. Van Duyne, 1990; 1995). In Nederland heeft het bureaucratiemodel lange tijd de beeldvorming over georganiseerde criminaliteit gedomineerd. Dit beeld is echter verregaand genuanceerd door het criminologisch onderzoek van de onderzoeksgroep Fijnaut ten behoeve van de Commissie Van Traa (Fijnaut e.a., 1996). Volgens de onderzoeksgroep zou het bij georganiseerde criminaliteit niet gaan om duidelijke identificeerbare en afgrensbare stabiele organisaties met een strenge hiërarchie, maar veeleer om een steeds wisselend netwerk van daders die in verschillende verbanden met elkaar samenwerken. Het vervolgonderzoek in het kader van de WODC monitor georganiseerde criminaliteit heeft deze conclusie bevestigd en nader empirisch onderbouwd (Kleemans e.a., 1998). In dit onderzoek wordt ook sterk de nadruk gelegd op het belang van sociale relaties (zoals familie- en vriendschapsbanden) voor het functioneren van criminele samenwerkingsverbanden. Sociale relaties worden tevens beschouwd als een belangrijke bron van dynamiek: mensen raken via hun sociale relaties betrokken bij criminele samenwerkingsverbanden maar worden gaandeweg steeds minder afhankelijk van andermans hulpbronnen, zoals geld, kennis en contacten, en zoeken vervolgens hun eigen weg. Bij nieuwe samenwerkingsverbanden betrekken zij weer personen uit hun eigen sociale omgeving en het verhaal begint opnieuw. Dit sneeuwbaleffect is volgens het WODC rapport kenmerkender voor de onderzochte samenwerkingsverbanden dan het traditionele beeld van rekrutering, waarbij criminele organisaties buitenstaanders rekruteren die vervolgens kunnen opklimmen in de hiërarchie.

6 NIEUWE INVALSHOEKEN In de meest recente criminologische literatuur over criminele groepen en samenwerkingsverbanden kunnen we interessante nieuwe invalshoeken signaleren, die vaak op de een of andere manier de rol van individuele daders weten te combineren met de invloed die andere daders op hen hebben. Lange tijd leek er namelijk sprake te zijn van een merkwaardige tweedeling in de literatuur: daders werden ofwel beschouwd als geïsoleerde (rationele) individuen, ofwel als volledig bepaald door de groep of subcultuur waarvan zij deel uitmaken (Tremblay, 1993). Nieuwe invalshoeken lijken zowel het ondergesocialiseerde als het overgesocialiseerde beeld van crimineel gedrag te overstijgen. Een reeds genoemde ontwikkeling is dat sociale verbanden van daders steeds meer worden bestudeerd vanuit een netwerkperspectief. Verschillende auteurs wijzen op algemeen sociaalwetenschappelijke inzichten over de werking van sociale netwerken die goed toepasbaar zijn binnen de criminologie (zie ook Bruinsma en Bernasco in dit themanummer). Met name voor de georganiseerde criminaliteit is dit idee nader uitgewerkt (zie voor een overzicht: Kleemans en Van de Bunt, 1999; zie ook Coles, 2001). Maar ook ten aanzien van jeugdcriminaliteit wordt door sommigen het sociale netwerkperspectief gepropageerd (zie o.a. Sarnecki, 1986, Baerveldt e.a., 2000; Haynie, 2001). Een toepassing van dit perspectief is sociale netwerkanalyse van dadergroepen met behulp van speciaal daarvoor ontwikkelde methoden en technieken. In een aantal empirische studies is geprobeerd om de sociale netwerkstructuur van één of meer groepen te ontrafelen (o.a. Lupsha, 1983; Baron en Tindall, 1993; Finckenauer en Waring, 1998; Sarnecki, 2001; Klerks, 2000; Morselli, 2000; 2001). Bij enkele studies wordt niet alleen de aanwezigheid van onderlinge relaties vastgesteld maar ook de inhoud van de relaties, bijvoorbeeld of er sprake is van instrumentele, affectieve en-of hiërarchische relaties. Daarmee kan de rol van de afzonderlijke leden van een dadergroep duidelijk worden gemaakt, terwijl tegelijkertijd de structuur van het netwerk kan worden geanalyseerd. Een ander relatief nieuw gezichtspunt is dat daders kunnen kiezen of zij samen met andere daders verbanden vormen of juist alleen op pad gaan. Sommigen analyseren daarom de samenwerking met andere daders vanuit het rationele keuzeperspectief (o.a. Tremblay, 1993; Kleemans, 1996; McCarthy e.a., 1998). Maar ook de sociale ruiltheorie kan worden toegepast op de keuze om alleen of samen met anderen een delict te plegen (Weerman, 2001). Ook voor deze invalshoek geldt dat individuele keuzes niet als volledig onafhankelijk worden gezien, maar juist sterk samenhangen met de sociale relaties die iemand heeft. Tremblay (1993) wees er op dat het kunnen vinden van geschikte mededaders een belangrijk element vormt in de werkwijze van daders. Daders met een beperkt aantal sterke sociale relaties met andere daders kunnen verbanden vormen waarbij ze mededaders kunnen vertrouwen, terwijl daders met veel zwakke contacten in staat zijn om veel nieuwe, maar risicovolle criminele activiteiten te ontwikkelen. Er zijn dus verschillende strategieën mogelijk ten aanzien van het vormen van criminele samenwerkingsverbanden en de keuze is afhankelijk van individuele voorkeuren en van het sociale netwerk van daders. Weerman (2001) verwerkt in zijn theorie over samenplegen naast de beschikbaarheid en kenmerken van mededaders ook hun persoonlijke behoeften en individuele vaardigheden. Het basisidee is dat daders samen delicten plegen wanneer zij elkaar wat te bieden hebben. Dat hoeft niet beperkt te blijven tot materiële beloningen, ook sociale en psychologische beloningen kunnen leiden tot de beslissing om aan een gezamenlijk delict mee te doen. Een andere nieuwe invalshoek is het reeds genoemde inzicht dat sociale relaties van groot belang zijn voor de mogelijkheden tot criminele samenwerking. Telkens weer zien we dat familie, vrienden en bekenden met elkaar samenwerken en elkaar weer introduceren bij anderen. Dit biedt daders in de eerste plaats nieuwe mogelijkheden omdat zij gebruik kunnen maken van andermans hulpbronnen, zoals geld, kennis en contacten. In de tweede plaats biedt het daders een oplossing voor tal van samenwerkingsproblemen in de ongereguleerde wereld van de georganiseerde criminaliteit, waarin sluimerend wantrouwen en potentieel bedrog effectieve samenwerking vaak in de weg staan. Samenwerking is immers veel gemakkelijker, wanneer je elkaar al langer kent, wederzijds in een relatie hebt geïnvesteerd en weet dat je elkaar in de toekomst nog vaker zult

7 tegenkomen (o.a. Raub, 1997; Buskens, 1999). Dit perspectief biedt verschillende nieuwe inzichten in het functioneren van criminele samenwerkingsverbanden, zoals het belang van sociale relaties voor internationale criminele samenwerkingsverbanden, de etnische samenstelling van groepen en de ontwikkeling en groei van criminele netwerken (Kleemans en Van de Bunt, 1999). Het sluit aan bij een recente ontwikkeling in de economische wetenschap en de sociologie, waarbij steeds meer aandacht wordt besteed aan de essentiële rol van sociale relaties in de economie. Sinds de publicaties van Granovetter (o.a. 1985), Coleman (1990) en Burt (1992) is er een stroom van publicaties op gang gekomen over de invloed van sociaal kapitaal op economisch gedrag (zie voor een overzicht: Burt, 2000). Voor de verklaring van economisch gedrag wordt sindsdien niet meer alleen gekeken naar fysiek kapitaal (geld en kapitaalgoederen) en menselijk kapitaal (kennis en vaardigheden), maar ook naar de extra mogelijkheden die sociaal kapitaal kan bieden voor het bereiken van bepaalde economische doelen (Coleman, 1990). Deze opkomst van de economische sociologie is recent toegepast in een onderzoek naar de carrières van twee hoofdrolspelers uit de wereld van de georganiseerde misdaad (Morselli, 2000; 2001). Tot slot zou het interessant zijn om de rol van vertrouwen en wantrouwen nader te analyseren. In de literatuur wordt er vaak van uitgegaan dat sociale inbedding in een netwerk een stabiliserend effect heeft op samenwerkingsrelaties, omdat mensen informatie over elkaar kunnen krijgen via relevante anderen en bovendien rekening moeten houden met hun reputatie in een sociaal netwerk (o.a. Raub en Weesie, 1990). Overigens hebben de schaarse empirische toetsingen van deze netwerkeffecten geresulteerd in zwakke en wisselende resultaten (Buskens, 1999). Recentelijk heeft Burt (2001) echter een interessante discussie geopend over de schaduwzijden van sociale cohesie. Cohesie kan gemakkelijk leiden tot roddel, achterklap en karaktermoord. Mensen bespreken oordelen over anderen niet zozeer om objectieve informatie over een bepaalde persoon te verkrijgen, maar om elkaar te bevestigen. Daardoor worden positieve of negatieve beelden niet genuanceerd maar juist versterkt, in positieve of negatieve richting. Cohesie kan daarom wantrouwen en negatieve beeldvorming gemakkelijk versterken. Uit het recente onderzoek van Van de Port (2001) naar liquidaties blijkt hoe gemakkelijk wantrouwen in het criminele circuit kan escaleren. Dit is van groot belang omdat wantrouwen in de wereld van de georganiseerde criminaliteit een grote rol speelt. Er zijn immers ook zeer negatieve consequenties verbonden aan samenwerking met onbetrouwbare handelspartners of met informanten van de politie. Sociale cohesie zou dus ook een keerzijde kunnen hebben, wanneer mensen daardoor gemakkelijker als onbetrouwbare handelspartner of als verrader worden aangemerkt. Ook kan het prikkels verschaffen om een gewelddadige in plaats van een betrouwbare reputatie te vestigen. DE INHOUD VAN DIT THEMANUMMER Bruinsma en Bernasco constateren dat doorgaans in vage termen over criminele netwerken wordt gesproken, terwijl in de sociale wetenschappen allerlei begrippen en inzichten voor het analyseren van sociale netwerken zijn ontwikkeld. Zij gebruiken deze inzichten om dadergroepen op het gebied van drie grensoverschrijdende vormen van georganiseerde criminaliteit (heroïnehandel, vrouwenhandel en autodiefstal) te beschrijven en met elkaar te vergelijken. Aan de hand van eerder verzameld empirisch materiaal maken ze aannemelijk dat de drie soorten internationale dadernetwerken in structuur van elkaar verschillen. Dit mondt uit in hypothesen over de relatie tussen bepaalde soorten criminele activiteiten en netwerkvormen. Om beter te verklaren hoe de georganiseerde misdaad functioneert, gebruikt Van Calster het kleine-wereld-effect : één enkele kennismaking verkleint de afstand tussen veel personen. Hij constateert dat er bij het organiseren van criminele activiteiten allerlei losse en open samenwerkingsverbanden worden aangegaan, terwijl er anderzijds ook sprake is van hechte en gesloten groepen. Hij legt uit hoe het kleine-wereld-effect deze schijnbare tegenstelling kan verklaren en bespreekt hoe vanuit dit uitgangspunt machtsposities binnen criminele netwerken zijn te begrijpen. Miedema past de methode van meta-etnografie toe op vier etnografische studies en brengt zo de overeenkomsten en verschillen in kaart tussen groepen. jongens van Nederlandse, Surinaamse,

8 Marokkaanse en Antilliaanse afkomst. Hij constateert belangrijke overeenkomsten tussen de verschillende etnisch-specifieke studies en veronderstelt op basis daarvan dat de omstandigheden waarin jongens opgroeien in achterstandswijken wellicht de belangrijkste factor zijn voor groepsvorming en gerelateerd delinquent gedrag. Vervolgens biedt hij een verklaring voor de geconstateerde groepsprocessen vanuit de collectieve codes en normen die in deze omstandigheden ontstaan. Van Gemert beschrijft hoe overlastgevende jeugdgroepen functioneren in wisselwerking met hun omgeving. Hij analyseert enkele symbolische en groepsdynamische processen binnen deze jeugdgroepen. Daarvoor gebruikt hij bestaand empirisch materiaal uit onderzoek naar Marokkaanse jeugdgroepen en maakt hij een vergelijking met Amerikaanse literatuur over gangs. Hij beargumenteert dat symbolen in Nederland geen onderscheidend vermogen hebben voor de buitenwereld. Ook constateert hij dat er geen symbiotische relatie bestaat tussen jeugdgroepen en de buurten waarin deze zich bevinden, maar dat jeugdgroepen juist vaak botsen met buurtbewoners. Hij beschrijft de processen die daarbij optreden en verklaart deze vanuit de interactie tussen jeugdgroepen en hun omgeving. Adang beschrijft en verklaart groepsprocessen bij collectief (voetbal)geweld tegen de achtergrond van de confrontatie tussen supporters van Ajax en Feyenoord bij Beverwijk en het politieonderzoek daarnaar. Hij bespreekt in hoeverre dergelijke voorvallen georganiseerd zijn en probeert het functioneren van deelnemers te verklaren. Op basis van literatuur en eigen empirisch onderzoek beargumenteert hij dat er geen sprake is van rationeel leiderschap noch van irrationele massaprocessen. In plaats daarvan werkt hij een alternatieve verklaring uit, vanuit de sociale identiteit die binnen groepen ontstaat en de resulterende codes en normen. TOEKOMSTIG ONDERZOEK Dit themanummer overziend valt op dat in de eerste twee artikelen vooral de structuur van criminele groepen en samenwerkingsverbanden als verklaring wordt gebruikt, terwijl in de drie andere de meeste invloed wordt toegekend aan de cultuur (codes en betekenis). Dit heeft waarschijnlijk ook te maken met het soort criminaliteit dat de verschillende auteurs behandelen. Bij de bestudering van samenwerkingsverbanden in de georganiseerde misdaad wordt traditioneel veel werk gemaakt van het beschrijven van de structuur, terwijl bij het beschrijven van groepen in de jeugdcriminaliteit boeken vol zijn geschreven over subculturen en symboliek. Een belangrijke reden daarvoor is waarschijnlijk dat het bij georganiseerde criminaliteit in de eerste plaats gaat om materiële beloningen en bij jeugdcriminaliteit en collectief geweld relatief vaker om het vervullen van immateriële behoeften (Weerman, 2001). Toch loont het misschien de moeite om de invalshoeken eens om te draaien, bijvoorbeeld door de codes en cultuur binnen de georganiseerde misdaad te onderzoeken (o.a. Paoli, 1997). Er kunnen namelijk ook allerlei immateriële motieven zijn om gezamenlijk bepaalde criminele activiteiten te ondernemen (Klerks, 2000). Verder is het van belang om de condities voor reputatie en vertrouwen binnen criminele netwerken beter te begrijpen. Aan de andere kant zou aandacht voor de structuur van jeugdgroepen of supportersgroepen duidelijk kunnen maken in hoeverre zulke groepen veranderen in de tijd (zie o.a. Sarnecki, 2001). Ook kunnen subgroepen worden onderscheiden door het analyseren van de netwerken achter jeugdgroepen (zie o.a. Beke e.a., 2000) en lijkt het de moeite waard om te onderzoeken, op welke manier criminele jongeren via contacten kunnen doorgroeien naar ernstiger vormen van misdaad. In sommige artikelen in dit themanummer zijn enkele besproken nieuwe invalshoeken duidelijk terug te vinden. Zowel Bruinsma en Bernasco als Van Calster hebben zich laten inspireren door sociale netwerkanalyses van criminele groepen en samenwerkingsverbanden. Bruinsma en Bernasco proberen de soms fragmentarische en vage toepassing van het begrip sociaal netwerk van een degelijke basis te voorzien en bouwen daarmee deze manier van analyseren verder uit. Van Calster kent ook een grote rol toe aan sociale relaties en sluit nauw aan bij ontwikkelingen rond de economische sociologie. Dit zijn twee belangrijke bijdragen, omdat deze invalshoeken tot nu toe nog niet of nauwelijks in de Nederlandstalige criminologie zijn doorgedrongen. Met

9 betrekking tot de keuze voor mededaders en de rol van vertrouwen ligt het empirisch onderzoeksterrein zelfs nog bijna helemaal braak. Dat geldt ook voor de toepassing van deze nieuwe invalshoeken op andere vormen van criminaliteit dan georganiseerde misdaad. Toekomstig onderzoek moet duidelijk maken of de theorievorming op deze terreinen ook empirisch houdbaar is. Niet alleen recente ontwikkelingen zijn interessant voor toekomstig onderzoek, ook klassieke publicaties kunnen leiden tot verfrissende inzichten. Het artikel van Miedema maakt bijvoorbeeld duidelijk dat de oude theorie van Miller (1958) over focal concerns nog steeds op de hedendaagse straatcultuur kan worden toegepast. Van Gemert sluit aan bij een lange traditie binnen het onderzoek naar gangs in de Verenigde Staten, door zowel op de betekenis van groepssymbolen als op de positie van jeugdgroepen in de buurt te wijzen. Er zijn ongetwijfeld nog meer interessante, halfvergeten inzichten uit de klassieke literatuur. Zo heeft Trasher (1927) een uitvoerige beschrijving gegeven van allerlei veranderingsprocessen van jeugdgroepen, waarvan het de moeite waard kan zijn om de hedendaagse toepasbaarheid te onderzoeken. In het verleden is ook interessant maar in vergetelheid geraakt Nederlands onderzoek verricht naar criminele groepen en samenwerkingsverbanden, zoals het onderzoek van Van Schreven (1957) naar diefstal in groepsformatie. Voor toekomstig onderzoek kan het dus lonend zijn om op zoek te gaan naar oude inzichten in vergeten studies en deze te toetsen aan de huidige tijd. Tenslotte willen wij er nog op wijzen dat empirisch onderzoek sterk achter lijkt te blijven bij de vele theoretische ontwikkelingen van dit moment. Dit blijkt ook uit de bijdragen aan dit themanummer: de nadruk ligt op theorieontwikkeling, terwijl vooral gebruik wordt gemaakt van empirisch materiaal dat door de auteurs zelf of door anderen al eerder was verzameld. Het is van het grootste belang dat in de toekomst ook empirisch onderzoek wordt verricht naar criminele groepen en samenwerkingsverbanden, waarbij nieuwe theoretische inzichten worden getoetst. Het zou goed zijn wanneer dit onderzoek naast de klassieke terreinen van georganiseerde criminaliteit en jeugdgroepen ook op andere gebieden zou worden verricht. Zo is in dit themanummer de manier waarop bijvoorbeeld inbrekers of overvallers in samenwerkingsverbanden functioneren onderbelicht gebleven, terwijl daarover nog veel kennis te verwerven valt. Ook de rol van vrouwen en meisjes binnen criminele groepen en samenwerkingsverbanden kan heel belangrijk zijn (zie o.a. Campbell, 1984; Bovenkerk, 1995; Kleemans e.a., 1998; Miller, 2001) en is nader onderzoek waard. Er is kortom nog veel werk te doen. Wij hopen dat dit themanummer daartoe stimuleert. LITERATUUR Albini, J. (1971) The American Mafia; Genesis of a Legend, New York: Appleton. Baerveld, C., M. Vermande & R. van Rossem (2000) Over vrienden die het ook doen: de kleine criminaliteit van scholieren en hun sociale netwerken, Sociale Wetenschappen, 43: Ball, R.A. & G. D. Curry (1995) The logic of definition in criminology: purposes and methods for defining "gangs", Criminology, 33: Baron, S.W. & Tindall, D.B (1993) Network structure and delinquent attitudes within a juvenile gang, Social Networks, 15: Beke, B.M.W.A., A. van Wijk & H.B.Ferwerda (2000) Jeugdcriminaliteit in groepsverband ontrafeld. Tussen rondhangen en bendevorming, Den Haag: Ministerie van Justitie. Best, J. & D.F. Luckenbill (1982) Organizing Deviance, Englewood Cliffs: Prentice Hall. Bovenkerk, F. (1995) La Bella Bettien, Amsterdam: Meulenhoff. Burt, R.S. (1992) Structural Holes, Cambridge, MA: Harvard University Press. Burt, R.S. (2000) The network structure of social capital, in: R.I. Sutton & M. Staw (eds.), Research in Organizational Behavior, Greenwich, CT: JAI Press. Burt, R.S. (2001) Bandwidth and echo: trust, information, and gossip in social networks, in: A. Casella & J.E. Rauch (eds.), Networks and Markets, Russel Sage Foundation:

10 Buskens, V. (1999) Social Networks and Trust, Utrecht: Interuniversity Center for Social Science Theory and Methodology. Campbell, A. (1984) The Girls in the Gang, Cambridge: Basil Blackwell. Canter, D. & L. Alison (2000) The Social Psychology of Crime. Groups, Teams and Networks (Offender profiling series III), Aldershot etc.: Ashgate. Cloward, R.A. & L.E. Ohlin (1960) Delinquency and Opportunity; A Theory of Delinquent Gangs, New York: The Free Press. Cohen, A.K. (1955) Delinquent Boys, New York: The Free Press. Coleman, J.S. (1990) Foundations of Social Theory, Cambridge (Mass.) - London: The Belknap Press - Harvard University Press. Coles, N. (2001) It s not what you know, it s who you know that counts. Analysing serious crime groups as social networks British Journal of Criminology, 41: Cressey, D.R. (1969) Theft of the Nation; The Structure and Operations of Organized Crime in America, New York: Harper & Row. Decker, S.H. & B. Van Winkle (1996) Life in the Gang; Family, Friends, and Violence, Cambridge: Cambridge University Press. Draisma, S. & F. Weerman (2000) De analyse van aard en omvang van criminele samenwerking, in: H. Moerland & B. Rovers (red.), Criminaliteitsanalyse in Nederland, Den Haag: Elsevier: Duyne, P.C. van (1995) Het spook en de dreiging van de georganiseerde misdaad, Den Haag: Sdu Uitgevers. Duyne, P.C. van, R.F. Kouwenberg & G. Romeijn (1990) Misdaadondernemingen; ondernemende misdadigers in Nederland, Deventer: Gouda Quint. Einstadter, W.J. (1969) The social organization of armed robbery, Social Problems, 17: Esbensen, F.A. & D. Huizinga (1993) Gangs, drugs, and delinquency in a survey of urban youth, Criminology, 31: Fijnaut, C.J.C.F., F. Bovenkerk, G.J.N. Bruinsma & H.G. van de Bunt (1996) Georganiseerde criminaliteit in Nederland, eindrapport, bijlage VII van: Enquêtecommissie opsporingsmethoden, Inzake Opsporing, s Gravenhage: Sdu Uitgevers. Finckenauer, J.O. & E.J. Waring (1998) Russian Mafia in America, Boston: Northeastern University Press. Gemert, F. van (1998) Crips in drievoud. Een dossieronderzoek naar drie jeugdbendes, Amsterdam: Regioplan Onderzoek Advies en Informatie. Granovetter, M. (1985) Economic action and social structure: the problem of embeddedness, American Journal of Sociology, 91: Haan, W.J.M. de & S. Miedema (2001) Jeugdgroepen en gangs, in: R. Loeber, N.W. Slot & J.A. Sergeant (red.) Ernstige en gewelddadige jeugddelinquentie. Omvang, oorzaken en interventies, Nijmegen: Bohn Stafleu Van Loghum: Hakkert, A., A. Van Wijk, H. Ferwerda & T. Eijken (1998) Groepscriminaliteit. Een terreinverkenning op basis van literatuuronderzoek en een analyse van bestaand onderzoeksmateriaal, aangevuld met enkele interviews met sleutelinformanten en jongeren die tot groepen behoren, Den Haag: Ministerie van Justitie. Haynie, D.L. (2001) Delinquent peers revisited: does network structure matter?, American Journal of Sociology, 106: Hochstetler, A. (2001) Opportunities and decisions: interactional dynamics in robbery and burglary groups, Criminology, 39: Hood, R. en R. Sparks (1970) Key Issues in Criminology, London: Weidenfeld and Nicolson. Ianni, F.A.J. & E. Reuss-Ianni (1972) A Family Business; Kinship and Social Control in Organized Crime, London: Routledge & Kegan Paul. Kleemans, E.R. (1996) Strategische misdaadanalyse en stedelijke criminaliteit. Een toepassing van de rationele keuzebenadering op stedelijke criminaliteitspatronen en het gedrag van daders, toegespitst op het delict woninginbraak, Enschede: Universiteit Twente.

11 Kleemans, E.R., E.A.I.M. van den Berg & H.G. van de Bunt, m.m.v. M. Brouwers, R.F. Kouwenberg & G. Paulides (1998) Georganiseerde criminaliteit in Nederland. Rapportage op basis van de WODC-monitor, Den Haag: WODC. Kleemans, E.R. & H.G. van de Bunt (1999) The social embeddedness of organized crime Transnational Organized Crime, 5 (2): Klein, M.W. (1996) Gangs in the United States and Europe, European Journal on Criminal Policy and Research, 4 (2): Klein, M.W., H.-J. Kerner, C.L. Maxson & E.G.M. Weitekamp (2000) The Eurogang Paradox: Street Gangs and Youth Groups in the U.S. and Europe, Dordrecht: Kluwer-Plenum. Klerks, P.P.H.M. (2000) Groot in de hasj. Theorie en praktijk van de georganiseerde criminaliteit, Antwerpen: Kluwer Rechtswetenschappen. Kreulen, F. & N. de Boer (1994) Tussen mode en menens. Crips en Bloods in Nederland, Den Haag: H.O.F. Kruize, P. (2001) Choices of Commercial Robbers A Comparative Study of Commercial Robbers in Denmark and The Netherlands, Copenhagen: DJØF Publishing. Lupsha, P.A. (1983) Networks versus networking; analysis of an organized crime group, in: G.P. Waldo (ed.) Career Criminals, Beverly Hills: Sage Publications: McCarthy, B., J. Hagan & L.E. Cohen (1998) Uncertainty, co-operation, and crime: understanding the decision to co-offend, Social Forces, 77: McCarthy, B. & J. Hagan (1999) When does crime pay? Capital, competence and criminal success, paper presented at the 1999 Annual Meeting of the American Society of Criminology, Toronto. McCord, J. & K. Conway (2002) Patterns of juvenile delinquency and co-offending, in: E. Waring & D. Weisburd (eds.) Crime and Social Organization (Advances in Criminological Theory Volume 10), New Brunswick: Transactions Publishers. Miller, W.B. (1958) Lower class culture as a generating milieu of gang delinquency, Journal of Social Issues, 14: Miller, J. (2001) One of the Guys. Girls, Gangs, and Gender, New York: Oxford University Press. Moore, M.H. (1987) Organized crime as a business enterprise, in: H. Edelhertz (ed.) Major Issues in Organized Crime Control, Washington DC: US Government Printing Office. Morselli, C. (2000) Contacts, Opportunities, and Crime; Relational Foundations of Criminal Enterprise, Doctoral dissertation, Université de Montreal, ongepubliceerd. Morselli, C. (2001) Structuring Mr. Nice: Entrepreneurial opportunities and brokerage positioning in the cannabis trade, Crime, Law, and Social Change, 35: Paoli, L. (1997) The Pledge of Secrecy; Culture, Structure, and Action of Mafia Associations, Firenze: European University Institute. Port, M. van de (2001) Geliquideerd. Criminele afrekeningen in Nederland, Amsterdam: Meulenhoff. Potter, G.W. (1994) Criminal Organisations; Vice, Racketeering, and Politics in an American City, Prospect Heights: Waveland Press. Raub, W. (1997) Samenwerking in duurzame relaties en sociale cohesie (oratie), Utrecht: Universiteit Utrecht. Raub, W. & J. Weesie (1990) Reputation and efficiency in social interactions: an example of network effects, American Journal of Sociology, 96: Reiss, A.J., Jr. (1988) Co-offending and criminal careers, in: M. Tonry & N. Morris (eds.) Crime and Justice. A Review of Research, Vol. 10, Chicago: Chicago University Press: Reiss, A.J. & D.F. Farrington (1991) Advancing knowledge about co-offending: results from a prospective longitudinal survey of London males, Journal of Criminal Law and Criminology, 82 (2): Reuter, P. (1983) Disorganized Crime; Illegal Markets and the Mafia, Cambridge: MIT-Press. Sarnecki, J. (1986) Delinquent Networks, Stockholm: Liber Forlag. Sarnecki, J. (2001) Delinquent Networks: Youth Co-offending in Stockholm, Cambridge: Cambridge University Press.

12 Schreven, C.M. van (1957) Diefstal in groepsformatie gepleegd. Een empirisch onderzoek met een criminologische beschouwing, Den Haag: Martinus Nijhoff. Shaw, C.R. & H.D. McKay (1931) Report on the Causes of Crime: Volume II, Washington: Government Printing Office. Short, Jr. J.F. & F.L. Strodtbeck (1965) Group Process and Delinquency, Chicago: University of Chicago Press. Shover, N. (1973) The social organization of burglary, Social Problems, 20: Smith, D. C. (1975) The Mafia Mystique, New York: Basic Books. Sutherland, E.H. (1937) The Professional Thief, Chicago: The University of Chicago Press. Thornberry, T.P., M.D. Krohn, A.J. Lizotte & D. Chard-Wierschem (1993) The role of juvenile gangs in facilitating delinquent behavior, Journal of Research in Crime and Delinquency, 30: Trasher, F.M. (1927) The Gang: A study of 1,313 Gangs in Chicago, Chicago: University of Chicago Press. Tremblay, P. (1993) Searching for suitable co-offenders, in: R.V. Clarke & M. Felson (eds.) Routine activity and rational choice (Advances in criminological theory, vol. 5), New Brunswick: Transaction Publishers: Warr, M. (1996) Organization and instigation in delinquent groups, Criminology, 34: Weerman, F.M. (2001) Samenplegen. Over criminele samenwerking en groepsvorming, Nijmegen: Ars Aequi Libri. Whyte, W.F. (1943) Street Corner Society. The Social Structure of an Italian Slum, Chicago: University of Chicago Press. Waring, E. & D. Weisburd (eds.) (2002) Crime and Social Organization (Advances in Criminological Theory, vol.10), New Brunswick: Transactions Publishers.

13 DADERGROEPEN EN TRANSNATIONALE ILLEGALE MARKTEN EEN NADERE PRECISERING AAN DE HAND VAN SOCIALE NETWERKEN Gerben Bruinsma en Wim Bernasco In de criminologie wordt tegenwoordig meer dan vroeger benadrukt dat het plegen van misdrijven lang niet altijd een solitaire bezigheid is, maar dat veel misdrijven door meerdere samenwerkende daders worden voorbereid en gepleegd (Weerman, 2001). In de criminologie zijn daarvoor begrippen geïntroduceerd als groepscriminaliteit, organisatiecriminaliteit en georganiseerde misdaad. De laatste tien jaar wordt meer en meer empirisch onderzoek verricht naar criminele activiteiten die een zekere vorm van samenwerking en organisatie vereisen. Uit dat onderzoek blijkt dat het traditionele beeld van de georganiseerde misdaad als een activiteit die gedomineerd wordt door centraal geleide organisaties, met een duidelijke hiërarchie en strikte taakverdeling, gedateerd lijkt. Georganiseerde criminaliteit blijkt beter gekenschetst te kunnen worden als een verzameling daders en dadergroepen, die in soms wisselende samenstelling samenwerkingsverbanden met elkaar aangaan (Reuter, 1986; Fijnaut e.a., 1998; Kleemans e.a., 1998; Klerks, 2000). Mede op grond hiervan is de term crimineel netwerk populair geworden als aanduiding voor de structuur van de groepen personen die zich met georganiseerde criminaliteit bezighouden. Het gemak waarmee die term in de criminologie wordt gebruikt, doet echter geen recht aan de conceptuele en theoretische rijkdom die in de andere sociale wetenschappen is ontwikkeld met betrekking tot het ontstaan, de structuur en de effecten van sociale netwerken. Die kennis zou beter moeten worden gebruikt om criminele samenwerkingsverbanden theoretisch te duiden en empirisch te onderzoeken. In dit artikel willen wij daartoe een aanzet geven. Wij doen dat door voor drie illegale markten (smokkel en grootschalige handel in heroïne, vrouwenhandel en de markt van gestolen personenauto s) te beschrijven hoe de daarin actieve dadernetwerken van elkaar verschillen en welke eigenschappen aan deze netwerken kunnen worden toegeschreven. Wij kiezen voor deze illegale markten, omdat voor hun functioneren een geografische afstand moet worden overbrugd om vraag en aanbod bij elkaar te brengen: het zijn transnationale vormen van misdaad. Omwille van de eenvoud laten wij met dit criterium al te lokaal werkende misdadigers buiten de analyses. Wij benadrukken dat het om een beschrijving gaat, met als doel te laten zien dat theoretische inzichten vanuit de sociale netwerkbenadering voor de criminologie van groot belang zijn. In de volgende paragraaf bespreken wij waaruit sociale netwerken bestaan en welke kenmerken kunnen worden onderscheiden. Daarna beschrijven wij zeer beknopt de drie genoemde illegale markten en analyseren wij de kenmerken van dadernetwerken die in die illegale markten actief zijn. De gegevens hiervoor zijn afkomstig van de Onderzoeksgroep Fijnaut (Fijnaut e.a., 1996), Bovenkerk en Yeşilgöz (1998), Bruinsma (1996; 1999), Kleemans e.a. (1998) en Bruinsma en Meershoek (1999), waar nodig aangevuld met andere gegevens. In de laatste paragraaf vatten wij ons betoog samen en bespreken wij enkele hypothesen die voor de criminologie interessant zouden kunnen zijn. KENMERKEN VAN SOCIALE NETWERKEN Het gemak waarmee in de criminologie de term criminele netwerken wordt gebruikt, doet geen recht aan de bestaande theoretische en methodologische literatuur op het terrein van sociale netwerken (Burt, 1983; 1992; Burt & Minor, 1983; Granovetter, 1972; 1982; Wellman, 1983; Wellman en Berkovitz, 1988; Jansen en Van den Witteboer, 1992; Wasserman en Faust, 1994). De afgelopen twintig jaar is op dat punt de nodige vooruitgang geboekt. De criminologie kan daarmee haar voordeel doen, al was het maar om haar onderzoeksvragen nauwkeuriger te formuleren en de empirische analyses verfijnder uit te voeren. Sociale netwerken bestaan uit twee soorten elementen: actoren en relaties tussen actoren. In de meeste studies van sociale netwerken zijn de actoren personen, met kenmerken en eigenschappen zoals leeftijd, sekse, opleiding, criminele antecedenten, fysieke sterkte of temperament. Tussen

14 twee personen kan al dan niet een relatie bestaan. Het bestaan van een relatie duidt er op dat beide personen op de een of andere manier direct met elkaar verbonden zijn. Net als personen hebben ook de relaties tussen personen kenmerken. Er wordt in de literatuur onderscheid gemaakt tussen negentien verschillende kenmerken van sociale relaties. Voorbeelden daarvan zijn de frequentie van contacten, de leeftijd (duur) van de relatie, de mate waarin de relatie affectief dan wel instrumenteel is, of de relatie hiërarchisch is en de mate waarin de relatie homogeen is (i.e. tussen gelijksoortigen qua persoons- of achtergrondkenmerken). Hoewel het mogelijk is de verschillende kenmerken van de relatie tussen twee mensen analytisch te onderscheiden, zijn die kenmerken in de praktijk vaak moeilijk te scheiden. De meeste sociale relaties vertonen tegelijkertijd verschillende kenmerken (ze zijn multiplex ). Zo overwegen op het werk instrumentele en hiërarchische relaties, maar daaraan wordt ook een andere inhoud gekoppeld: men vindt de ander meer of minder aardig, gaat er meer of minder frequent mee om, men heeft voortdurend ruzie of slaagt er in conflicten op te lossen of er mee te leven. Uit deze grote verscheidenheid aan sociale relaties is op te maken dat onze sociale wereld er veelkleurig uitziet. Personen en hun onderlinge relaties vormen de bestanddelen waaruit sociale netwerken zijn opgebouwd. Naast personen en relaties, de beide elementen van sociale netwerken, zijn voor de analyse van sociale relaties nog drie andere aspecten van belang: kenmerken van de netwerkstructuur als geheel, kenmerken van de positie die een persoon inneemt in de netwerkstructuur, en relaties tussen netwerken. Aan netwerken als geheel kunnen structurele eigenschappen worden toegeschreven. Dat zijn onder andere de omvang (het aantal personen dat er deel van uitmaakt), de dichtheid (proportie van bestaande sociale relaties van alle mogelijke relaties in een netwerk) en de cohesie van een netwerk. Bij dit laatste kenmerk moet worden gedacht aan het aantal intensieve en affectieve sociale relaties binnen netwerken. Aangenomen wordt dat sociale netwerken met veel onderlinge affectieve relaties bestendiger en duurzamer zijn dan wanneer zij alleen uit instrumentele relaties zouden bestaan. Zo bestaan er binnen veel etnisch samengestelde dadergroepen affectieve en andere vormen van emotionele relaties met familieleden. Deze netwerken hebben daardoor een sterkere cohesie. Een andere eigenschap van een netwerk is dat daarbinnen een aantal verknopingen of clusters zijn aan te wijzen, ook wel cliques genoemd. Deze term is bijvoorbeeld door de Onderzoeksgroep Fijnaut gehanteerd om de Hollandse hasjnetwerken te typeren (Fijnaut e.a., 1998). Binnen cliques zien wij een verdichting van het aantal multiplexe sociale relaties. Aan de aanwezigheid van cliques of clusters binnen netwerken is het kenmerk segregatie binnen een netwerk gekoppeld. Deze vorm van segregatie moet worden onderscheiden van segregatie van een sociaal netwerk binnen een samenleving (zie hierna). Hiermee wordt aangegeven in welke mate de clusters een min of meer geïsoleerde positie in een sociaal netwerk innemen. Het aantal verbindingen van clusters met het overige netwerk is hier van belang. Sociale netwerken hebben ook een vorm. Zij kunnen de vorm van een keten hebben, hiërarchisch of centraal zijn. Wanneer sociale netwerken een ketenvorm hebben, zijn er weinig sociale relaties tussen de personen en verlopen de verbindingen tussen personen vrij vaak niet direct, maar via iemand anders in het netwerk. Hiërarchische netwerken komen bijvoorbeeld veel voor in het bedrijfsleven en bij de overheid. Als binnen een groter sociaal netwerk een bepaalde clique een centrale positie inneemt, is sprake van een centraal netwerk. Personen hebben individuele kenmerken en eigenschappen, die op zichzelf los staan van hun relaties met anderen, maar zij ontlenen ook eigenschappen aan hun positie in één of meerdere netwerken. Een persoon kan bijvoorbeeld een centrale of een meer marginale positie innemen. Sociale netwerken zijn ook verbonden met andere netwerken, via personen die van beide netwerken deel uitmaken. Wanneer sociale netwerken niet op de een of andere wijze aan elkaar zouden zijn gekoppeld, bestaat er niet zoiets als een samenleving. Alle netwerken zouden dan gesegregeerd van elkaar bestaan. In Nederland is dat zeker niet het geval. Wel zijn er in ons land veel homogene netwerken die voornamelijk via sociale positie en leeftijd worden gevormd. Jongeren hebben bijvoorbeeld weinig contact met bejaarden en daardoor bestaan er slechts zwakke verbindingen tussen sociale netwerken van bejaarden en van jongeren. De verbindingen

15 tussen afzonderlijke netwerken blijken ook vanuit criminologisch perspectief relevant. Uit de studies van Fijnaut e.a. (1998) bleek dat bepaalde verdachten vaak in diverse dadergroepanalyses van de politie voorkomen, verspreid over het land. Doorgaans werden zij vanuit strafrechtelijk oogpunt niet voldoende interessant gevonden om er veel opsporingsenergie in te steken. Deze personen vormen echter buitengewoon belangrijke schakels tussen criminele groepen, bijvoorbeeld omdat zij mensen met elkaar in contact brengen, verschillende groepen en personen kunnen aanspreken om zaken te regelen, enzovoorts. Kleemans e.a. (1998) hebben dit knooppunten in criminele netwerken genoemd en hebben vooral de aandacht gevestigd op het onderbelichte verschijnsel van de facilitators, die een centrale positie innemen door een specifieke deskundigheid zoals witwasser of vervalser van documenten. Buiten de criminologie wijst met name Burt (1992) op het belang van dergelijke posities die een brug vormen tussen afzonderlijke netwerken. Uit dit summiere overzicht van sociale netwerken en de elementen waaruit sociale netwerken zijn opgebouwd, blijkt direct dat een beperkte typering als criminele netwerken onvoldoende recht doet aan de complexe werkelijkheid. In dat laatste geval is er slechts sprake van relaties tussen mensen met het gemeenschappelijke kenmerk dat zij misdaden plegen. Het blijft doorgaans onbekend of vaag, hoe en welke sociale relaties zij onderling hebben, en welke eigenschappen, vorm en inhoud hun dadernetwerk heeft. Complicerende factoren zijn verder dat sociale netwerken zelden scherp van hun omgeving zijn af te bakenen en dat mensen deel uitmaken van diverse netwerken die elkaar vaak overlappen. Verder veranderen sociale netwerken na verloop van tijd van vorm en inhoud, en komen sociale netwerken niet at random tot stand. Zij zijn het gevolg van de geneigdheid van mensen om bij voorkeur met gelijkgestemden om te gaan en van maatschappelijke randvoorwaarden. Zo zijn de woonbuurt en de school belangrijke condities voor de vorming van sociale netwerken van jongeren. Voor volwassenen zijn dat het werk en de stad waarin men woont. DRIE ILLEGALE MARKTEN In deze paragraaf worden beknopt drie illegale markten beschreven die vanwege hun complexe logistiek op z n minst enige samenwerking en organisatie van de leveranciers vereisen: smokkel van en groothandel in heroïne, vrouwenhandel en handel in gestolen personenauto s. Bij de laatste markt gaat het om systematisch stelen en van een andere identiteit voorzien ( omkatten ) van auto s, en het elders verkopen van auto s of onderdelen. Het gaat dus niet om joyriding en-of autodiefstal voor eigen gebruik (Bruinsma, 1996). Deze drie activiteiten hebben naast hun illegaliteit en daarmee de noodzaak ze voor opsporingsinstanties te verhullen, twee gemeenschappelijke kenmerken. Het zijn alle drie vormen van criminaliteit die een markt bedienen. In alle gevallen is sprake van op illegale wijze verkregen producten of diensten, die verplaatst en aan wederverkopers of eindgebruikers verkocht moeten worden. Verder vereisen alle drie activiteiten de fysieke overbrugging van een vrij grote geografische ruimte om het product bij de afnemers te brengen. Van elk van de drie genoemde soorten criminaliteit geven we een beknopte beschrijving van wat er bekend is over de gangbare werkwijzen en over de betrokken daders. In deze indeling naar aard van de bediende markt schuilt ook een zeker gevaar, omdat criminele samenwerkingsverbanden niet noodzakelijkerwijs marktspecifiek zijn. Uit veel bronnen blijkt immers dat daders lang niet altijd specialisten zijn (zie o.a. Kleemans e.a., 1998). Een groot aantal daders houdt zich met verschillende typen misdrijven bezig, in sommige gevallen zelfs zowel met handel in heroïne als in vrouwen en gestolen auto s. Dat is ook wel verklaarbaar als men bedenkt dat bepaalde eigenschappen en vaardigheden in verschillende criminele activiteiten bruikbaar zijn, zoals bereidheid om risico s te nemen, illegale handelingen kunnen verhullen, met geweld kunnen dreigen en geweld durven toepassen, en beschikken over een uitgebreid netwerk van criminele contacten.

16 Heroïnehandel 2 Heroïne wordt, met opium en morfine als tussenproducten, gewonnen uit papaverbollen. Heroïne is afkomstig uit Zuidoost-Azië (de Gouden Driehoek tussen Thailand, Birma en Laos) en uit gebieden in Afghanistan, Irak en Iran (de Gouden Sikkel). Voor Nederland vormt de Gouden Sikkel de belangrijkste aanvoerbron van heroïne. Ruwe opium wordt in Turkije bewerkt tot heroïne, die voornamelijk via vrachtvervoer over land naar West-Europa wordt gesmokkeld. Naar schatting bereikt 85 procent van de in Nederland verkrijgbare heroïne ons land langs deze weg. Vroeger gebeurde dat via de Balkanroute: Griekenland - voormalig Joegoslavië - Oostenrijk. Als gevolg van de oorlogen in het voormalige Joegoslavië bestaan tegenwoordig drie alternatieve routes, onder andere over zee van Griekenland naar Italië. De smokkel naar en invoer in Nederland geschiedt in veel gevallen met grote partijen tegelijk. Per transport gaat het, afgaande op de omvang van door de opsporingsinstanties onderschepte partijen, vaak om marktwaarden in de orde van honderdduizenden tot miljoenen euro. Na aankomst in Nederland wordt de heroïne opgeslagen en in kleinere delen aan tussenhandelaren verkocht die de heroïne (na versnijden met andere stoffen) in steeds kleiner wordende porties verder distribueren. Bovenkerk en Yeşilgöz (1998, 156 e.v.) beschrijven in hun boek over de Turkse maffia vier fasen. Eerst wordt de opium met de hulp van Koerdische groepen vanuit de bronlanden naar het oosten van Turkije vervoerd. Daarna wordt de opium vervoerd naar Istanbul of naar een plaats aan de Middelandse zee. Een derde groep brengt de heroïne naar de landen van bestemming. De vierde schakel wordt gevormd door verschillende hechte groepen Turken met sterke onderlinge verwantschapsrelaties, die na kettingmigratie veelal afkomstig zijn uit één Turkse regio, stad of dorp. Zij verzorgen de verdere distributie in de landen van bestemming. Vrouwenhandel 3 Onder vrouwenhandel verstaan we hier het elders werven en meevoeren van vrouwen om hen in Nederland onder dwang in de prostitutie te doen werken. In Nederland zijn ongeveer mannen en vrouwen actief als prostituee. Met dit aanbod wordt voorzien in de (legale) vraag naar seksuele diensten. Bij vrouwenhandel hebben wij te maken met een op zich legale markt die voor een deel wordt bediend via illegale activiteiten, zoals dwang, afpersing en vrijheidsberoving. Een deel van de prostituees komt in ons land te werken als gevolg van illegale vrouwenhandel of handel in minderjarigen. Deze slachtoffers van vrouwenhandel zijn afkomstig uit alle delen van de wereld, uit Nigeria (13 procent), Noord-Afrika (5 procent), Latijns-Amerika (22 procent), Middenen Oost-Europa (19 procent) en uit Nederland zelf (32 procent) (Kernteam Noord- en Oost Nederland, 2001: 85). De werkwijze bij transnationale vrouwenhandel kan grofweg in drie fasen worden verdeeld (Bruinsma en Meershoek, 1999): rekrutering van vrouwen in het land van herkomst, vervoer van vrouwen naar het land van bestemming en (verkoop en) seksuele exploitatie van vrouwen in het land van bestemming. Rekrutering in het land van herkomst wordt meestal verricht door lokale daders. Via persoonlijke contacten of advertenties wordt vrouwen voorgespiegeld dat zij een goedverdienende baan in het westen kunnen krijgen. Ongeveer de helft van de vrouwen is in het land van herkomst reeds als prostituee werkzaam (Bruinsma en Meershoek, 1999; Nijboer en Vocks, 2000). In veel gevallen weten of vermoeden de vrouwen dat het om prostitutie gaat, maar hebben ze een te rooskleurige voorstelling van prostitutie in het westen. Zij beseffen doorgaans niet goed dat ze daar in werkelijkheid grof uitgebuit zullen worden. Omdat toegang tot Nederland voor inwoners van de meeste Midden- en Oost-Europese landen op een toeristenvisum met een geldigheid van drie maanden mogelijk is, hoeven de rekruteerders alleen maar een visum voor de vrouwen te bemachtigen en hen vervolgens per auto naar Nederland te brengen. Vaak worden ook 2 Kennis over de werkwijze en sociale structuur van groepen die zich in of vanuit Nederland bezighouden met drugshandel is ontleend aan Van Duyne (1995), Fijnaut e.a. (1996), Kleemans e.a. (1998) en Bovenkerk en Yeşilgöz (1998). 3 Deze paragraaf is gebaseerd op Fijnaut e.a. (1996), Fijnaut (1994), Bruinsma (1999), Bruinsma en Meershoek (1999), Nijboer en Vocks (2000) en Smit (2001).

17 de paspoorten van de vrouwen vervalst om de toegang tot Nederland te vereenvoudigen. Tijdens de reis worden de vrouwen geïntimideerd om ze bang, onzeker en makkelijker te exploiteren te maken. Na aankomst in Nederland worden zij tegen betaling afgeleverd bij werkgevers en gedwongen zich te prostitueren, meestal in de raamprostitutie. Vaak worden de vrouwen doorverkocht aan bordeelexploitanten in andere steden in Nederland, Duitsland of België. Voor bordeelexploitanten zijn de slachtoffers van vrouwenhandel profijtelijk omdat zij zich door hun afhankelijke positie relatief makkelijk laten exploiteren. In vergelijking met de drugshandel is de logistiek van de vrouwenhandel eenvoudig. Het blijkt niet bijster moeilijk te zijn om vrouwen in uitzichtloze economische omstandigheden te ronselen en de vrouwen gaan vrijwillig mee. Vrouwenhandel door middel van ontvoering komt ook wel voor, vooral vanuit Albanië, maar is veel minder gangbaar. De vrouwen hoeven niet verborgen te worden en er zijn niet of nauwelijks illegale handelingen vereist (soms wel vervalsing van documenten en-of omkoping) tot het moment dat de vrouwen in Nederland door intimidatie en geweld gedwongen worden zich te prostitueren. De strafrechtelijke risico s zijn vrij gering, mede door de moeilijke bewijslast en de doordat slachtoffers terughoudend zijn om aangifte te doen. Financiële risico s loopt de afnemer niet omdat pas bij aflevering van de vrouwen moet worden betaald en het geld vervolgens door de vrouwen weer wordt terugverdiend en -betaald. Daar staat tegenover dat de vrouwenhandel, inclusief het door exploitatie verkregen wederrechtelijk voordeel, in vergelijking met de smokkel van en handel in heroïne per transactie minder lucratief lijkt, vooral doordat de exploitatie nauwgezette controle en voortdurende intimidatie vereist en de investeringen pas op termijn winst opleveren. Handel in gestolen auto s Over de handel in gestolen auto s en de markt die daarvoor bestaat in de wereld, is minder bekend dan over drugshandel en vrouwenhandel 4. Jaarlijks verdwijnen in Nederland tot personenauto s definitief. Dat wil zeggen dat zij als gestolen worden opgegeven en niet worden teruggevonden. Aangenomen wordt dat het merendeel daarvan via de weg of per schip wordt uitgevoerd om elders te worden verkocht (bijvoorbeeld in Afrika of Oost-Europa). In de meeste gevallen is er sprake van een specifieke taakverdeling. Een groep daders steelt op bestelling een auto, een andere groep zorgt voor het omkatten, waarbij de auto van een andere identiteit wordt voorzien door het aanbrengen van fysieke wijzingen en het vervalsen van papieren (zie o.a. Bruinsma, 1996; Tremblay e.a., 2001), waarna koeriers de auto de grens over rijden en in het land van bestemming afleveren. Voor de internationale markt zijn gestolen auto s in hun geheel van waarde, in Nederland gaat het meer om hun onderdelen. De handel in gestolen auto s verloopt stuksgewijs, bijna per definitie omdat auto s zich nu eenmaal moeilijk en masse laten stelen. De financiële waarde van de afzonderlijke transacties is daarom, opnieuw in vergelijking met de grootschalige drugshandel, bepaald klein. Daardoor lijkt ook de totale waarde van deze markt in het niet te vallen bij wat er in de heroïnemarkt omgaat. Zelfs een zeer ruime schatting (Bruinsma, 1996) van de financiële omvang van deze illegale markt komt uit op slechts 175 miljoen (7000 auto s met een gemiddelde marktwaarde van ). Ook de strafmaat voor de misdrijven die deel uitmaken van de handel in gestolen auto s (zoals diefstal, heling, en vervalsing) is niet bijster hoog. Bovendien wordt aan de opsporing van deze misdrijven landelijk geen hoge prioriteit gegeven. Net als de vrouwenhandel is de handel in gestolen auto s dus te kenschetsen als een illegale activiteit met een relatief beperkt risico. DADERNETWERKEN EN ILLEGALE MARKTEN In de vorige paragraaf is een korte schets gegeven van de illegale markten voor heroïne, vrouwen en gestolen auto s. We hebben getracht een globale aanduiding te geven van de gebruikte werkwijzen en van de omvang en sociale structuur van de op deze markten actieve groepen. In 4 We baseren ons hier overwegend op Bruinsma (1996) en de daarin bespoken bronnen.

18 deze paragraaf geven we een nadere uitwerking van de relatie tussen kenmerken van de illegale markten en de omvang en structuur van de samenwerkingsrelaties tussen actoren op die markten. Samenwerkingsverbanden in de heroïnehandel Tussen de leden van de Turkse groepen bestaan over het algemeen veel verwantschapsrelaties, tussen vaders, zonen, neven en zwagers (Bovenkerk en Yeşilgöz, 1998). Omdat het aantal Turken in Nederland sinds enkele tientallen jaren door kettingmigratie vrij groot is geworden en doordat de betrokken families in Nederland veel contacten onderhouden met verwanten in Turkije, is het mogelijk om vrijwel de hele handelsketen van productie in Turkije tot verkoop in Nederland te baseren op verwantschapsrelaties. Alleen worden tegenwoordig wel vaak Nederlandse chauffeurs ingezet om bij opsporingsinstanties minder argwaan te wekken. De dominantie van Turkse groepen op de Nederlandse heroïnemarkt lijkt daarom niet alleen voort te vloeien uit het feit dat Turkije een belangrijk aanvoerland is, maar wordt ook gefaciliteerd door de relatief grote omvang van de Turkse gemeenschap in Nederland, door de uitgebreide verwantschapsrelaties tussen de leden van deze gemeenschap en door de naar verhouding belangrijke rol van deze relaties in de Turkse cultuur. In de heroïnehandel moeten grote geografische afstanden worden overbrugd. Daarin zijn dadernetwerken actief die vanuit een sociale netwerkbenadering als volgt kunnen worden getypeerd. De bestanddelen van netwerken zijn doorgaans sociale relaties waarin men onderling vrij frequent contact onderhoudt. Dit dient om de handel te controleren op onregelmatigheden gezien de grote sommen geld die daarmee zijn gemoeid, maar ook om op de hoogte te blijven waar de ander zich bevindt. De sociale relaties zijn doorgaans homogeen van aard: men heeft vergelijkbare kenmerken qua leeftijd, sociale klasse, land en streek van waaruit men afkomstig is. Deze homogene relaties worden versterkt door de affectieve bindingen die men met elkaar heeft, veelal gebaseerd op onderlinge verwantschapsrelaties en een gemeenschappelijke regio of dorp van herkomst in Turkije. De meeste onderlinge sociale relaties van de leden van een dadernetwerk zijn derhalve multiplex, gelaagd. Ze hebben betrekking op meerdere levensgebieden. Deze sociale relaties hebben hun weerslag in de eigenschappen van het dadernetwerk in de drugshandel. De omvang van zo n netwerk is doorgaans groot (er zijn op veel plaatsen in de wereld contacten nodig en men moet elkaar door en door kennen om risico s te minimaliseren), het netwerk kent een grote dichtheid (de meeste denkbare sociale relaties zijn gevuld: er bestaan veel directe relaties want iedereen kent elkaar door de bestaande verwantschapsrelaties), en het netwerk kent een sterke cohesie. Samenwerkingsverbanden in de vrouwenhandel Bruinsma en Meershoek (1999) identificeerden in politiedossiers 23 criminele groepen en onderscheidden daarin twee soorten samenwerkingsverbanden. Het eerste type, aangeduid als clique, bestaat uit twee tot drie Nederlandse beroepscriminelen die regelmatig samenwerken zonder specifieke taakverdeling of hiërarchische verhouding. De meeste leden zijn traditionele souteneurs die zich af en toe bezighouden met vrouwenhandel, meestal als afnemer van bestelde vrouwen. Het tweede soort samenwerkingsverband is een georganiseerde criminele groep van gemiddeld elf personen met een specifieke taakverdeling, meer gebruik van geweld en handel in aanzienlijk meer vrouwen dan de cliques. Vier van de twaalf geïdentificeerde groepen hebben hun basis in het buitenland waar zij bordelen, discotheken en bars exploiteren. Deze groepen hebben geen vaste afnemers in Nederland. Zij zoeken dus per keer naar geïnteresseerde kopers. De overige groepen zijn qua werkwijze vergelijkbaar maar opereren vanuit Nederland, waar zij bordelen, seksclubs en prostitutieramen exploiteren. Voor de aanvoer van vrouwen werken zij nauw samen met partners in de landen van herkomst. Het is moeilijk om op basis van de studie van Bruinsma en Meershoek (1999) en de door Kleemans e.a. (1998) bestudeerde casussen aan te geven in welke mate de geïdentificeerde groepen cohesieve sociale netwerken vormen. Toch suggereert de beschrijving van de werkwijze dat degenen die op deze markt samenwerken geen cohesieve sociale netwerken vormen. Dat geldt

19 vooral voor de samenwerkingsrelaties tussen leveranciers en afnemers van vrouwen, die vaak eenmalige transacties tussen onbekenden betreffen. Ook uit de beschrijvingen van de dadergroepen blijkt niet dat zij andere dan puur instrumentele relaties onderhouden. De vrouwenhandelaren lijken dus meer als vrije jongens te opereren dan als onderdeel van een netwerk van cohesieve (verwantschaps)relaties. Dit komt onder andere tot uitdrukking in de dadernetwerken waarvan zij deel uitmaken. De vorm van dadernetwerken in de vrouwenhandel kan doorgaans gekenschetst worden als een keten met aan de beide uiteinden enkele kleinere clusters: een ronselt de vrouwen en een haalt de vrouwen binnen en exploiteert ze of verkoopt ze door aan andere personen in ons land. De clusters zijn gesegregeerd van elkaar: de personen aan het eind van de ketennetwerken kennen elkaar niet of nauwelijks en de verbindingen tussen de clusters worden gelegd door enkele personen die vooral instrumentele relaties met elkaar onderhouden. De cohesie van het dadernetwerk is zeer laag, evenals de dichtheid van het netwerk. Bovendien zijn de dadernetwerken doorgaans niet groot. De personen die de verbindingen tussen de clusters verzorgen nemen een strategische brugpositie in. Zij verbinden de clusters met elkaar door de marktpartijen aan elkaar te koppelen. De onderlinge sociale relaties zijn over het algemeen beperkt en worden gekenmerkt door een lage frequentie van contacten, afwezige affectieve relaties, het overheersen van instrumentele en het ontbreken van multiplexe relaties tussen de leden. Deze relaties zijn ook niet nodig, zoals eerder opgemerkt, omdat de financiële risico s voor ieder lid beperkt zijn, ook in het geval dat de gevraagde vrouwen niet worden geleverd. Samenwerkingsverbanden in de handel in gestolen auto s Op deze markt zijn enkele kleine autochtone groepen van vier tot vijf personen geïdentificeerd, die voornamelijk lokaal en regionaal, en tamelijk kleinschalig opereren. Daarnaast zijn er enkele wat grotere buitenlandse groepen van vijf tot acht leden, afkomstig uit Oost-Europa. Het gaat ons in dit artikel met name om de laatste. In deze transnationale handel in gestolen auto s zien wij betrokkenheid van drie dadergroepen: een groep is gespecialiseerd in het stelen van de auto s; een groep zorgt voor het omkatten van de auto s en voor de benodigde papieren; en een groep, die haar domicilie in het buitenland heeft, zorgt voor de vraag naar het type auto en voor de koeriers om de gestolen auto s over de landgrenzen te brengen. Deze drie dadergroepen kennen elkaar doorgaans niet persoonlijk maar via-via. Telefonisch worden de contacten gelegd en de opdrachten uitgezet. Als organisatorische spil geldt degene die verantwoordelijk is voor het omkatten van de auto s: hij coördineert vraag en aanbod en zorgt voor de financiële afwikkeling. Soms zijn dit autochtone Nederlanders, soms buitenlanders die hier via een legaal bedrijf tijdelijk verblijven. De sociale netwerken kunnen worden omschreven als drie clusters die via dunne lijnen met elkaar verbonden zijn. De sociale relaties zijn voornamelijk instrumenteel, affectieve zijn er slechts binnen een van de drie clusters en dan nog op beperkte schaal. De frequentie van contacten tussen de clusters is laag en beperkt zich grotendeels tot instrumentele contacten. Binnen de clusters hebben de betrokkenen veel gemeenschappelijk: leeftijd, opleiding en achtergrond (homogene relaties), en ze hebben onderling nauwelijks affectieve relaties. De omvang van de dadernetwerken in de transnationale autodiefstal is doorgaans klein, de cohesie is laag en enige dichtheid bestaat alleen binnen, niet tussen de clusters. Er bestaat geen centraal cluster en het hele netwerk moet als een keten worden beschouwd. Samenvattend kunnen wij de dadernetwerken in de drie illegale markten visueel typeren zoals in Figuur 1. DISCUSSIE In de criminologie is de laatste tijd het begrip criminele netwerken in zwang geraakt als aanduiding voor de structuur van groepen personen die zich met georganiseerde misdaad bezighouden. In dit artikel hebben wij laten zien dat criminele netwerken nader kunnen worden

20 Figuur 1: Structuur van sociale netwerken in drie illegale markten persoon relatie Drugshandel (smokkel en groothandel) Georganiseerde autodiefstal Vrouwenhandel Nederland buitenland gespecificeerd wanneer gebruik zou worden gemaakt van de theorieën, concepten en methoden uit de sociale wetenschappen met betrekking tot sociale netwerken. Onze bespreking laat zien dat dadergroepen die zich bezighouden met grootschalige transnationale smokkel van en handel in heroïne, overwegend gebaseerd zijn op samenwerking tussen leden van cohesieve (en veelal etnisch homogene) sociale netwerken. Dat lijkt in veel mindere mate het geval te zijn bij transnationale vrouwenhandel en handel in gestolen auto s. We formuleren tot slot op basis van onze typering van sociale netwerken hypothesen over de samenstelling en kenmerken van dadergroepen in transnationale illegale markten. Een eerste hypothese is dat netwerken die gekenmerkt worden door een grote dichtheid en een grote proportie van affectieve relaties (kortweg: cohesieve netwerken) bij uitstek geschikt zijn voor criminele samenwerking waarbij veel onderling vertrouwen noodzakelijk is. Vertrouwen is vooral van belang bij activiteiten waaraan grote strafrechtelijke en financiële risico s zijn verbonden. De eerste hypothese lijkt daarom te worden ondersteund door onze bevinding dat samenwerking bij de smokkel van en groothandel in heroïne, verreweg de meest risicovolle

DADERGROEPEN EN TRANSNATIONALE ILLEGALE MARKTEN EEN NADERE PRECISERING AAN DE HAND VAN SOCIALE NETWERKEN

DADERGROEPEN EN TRANSNATIONALE ILLEGALE MARKTEN EEN NADERE PRECISERING AAN DE HAND VAN SOCIALE NETWERKEN DADERGROEPEN EN TRANSNATIONALE ILLEGALE MARKTEN EEN NADERE PRECISERING AAN DE HAND VAN SOCIALE NETWERKEN Gerben Bruinsma en Wim Bernasco In de criminologie wordt tegenwoordig meer dan vroeger benadrukt

Nadere informatie

Visualiseren van sociale netwerken op basis van kwalitatieve bronnen

Visualiseren van sociale netwerken op basis van kwalitatieve bronnen Visualiseren van sociale netwerken op basis van kwalitatieve bronnen Willem-Jan Verhoeven & Jasper Bik * Inleiding In deze bijdrage besteden we aandacht aan het visualiseren van een sociaal (crimineel)

Nadere informatie

Publications prof. dr. E.R. Kleemans

Publications prof. dr. E.R. Kleemans Publications prof. dr. E.R. Kleemans Books Kleemans, E.R. (2011). Georganiseerde misdaad en de zichtbare hand. Inaugurele rede. Den Haag: Boom Lemma (tevens digitaal beschikbaar). Bunt, H.G. van de & E.R.

Nadere informatie

5 Samenvatting en conclusies

5 Samenvatting en conclusies 5 Samenvatting en conclusies In 2008 werden in Nederland bijna 5,2 miljoen mensen het slachtoffer van criminaliteit (cbs 2008). De meeste van deze slachtoffers kregen te maken met diefstal of vernieling,

Nadere informatie

Delinquentie en criminaliteit in stadsbuurten

Delinquentie en criminaliteit in stadsbuurten Wim Bernasco 1 1. Inleiding Sociologen en criminologen betogen al een eeuw lang dat buurtkenmerken een belangrijke rol spelen bij het ontstaan van criminaliteit. Shaw en McKay (1942) stelden in de Verenigde

Nadere informatie

Zij weer? Over inbrekers die twee keer langskomen

Zij weer? Over inbrekers die twee keer langskomen TERUG MAIL SLA OP Zij weer? Over inbrekers die twee keer langskomen SAMENVATTING 27/1/2009 Als er in de buurt is ingebroken, kun je maar beter de ramen dichthouden en een extra slot op de deur doen. De

Nadere informatie

Het valt toch wel mee?

Het valt toch wel mee? DISCUSSIE Onafhankelijkheid van onderzoekers in de Nederlandse criminologie Een verkennend onderzoek naar de vraag in hoeverre de onafhankelijkheid van onderzoekers en de vrijheid van criminologisch onderzoek

Nadere informatie

Kennislink.nl. Reizende criminelen langer uit handen van de politie. Slechts kwart van misdrijven opgehelderd

Kennislink.nl. Reizende criminelen langer uit handen van de politie. Slechts kwart van misdrijven opgehelderd Kennislink.nl Discussieer mee: Allemaal de beste van de klas?! Onderwerpen Publicaties Over Kennislink Nieuwsbrief Zoek Leven, Aarde & Heelal Gezondheid, Hersenen & Gedrag Mens & Maatschappij Energie &

Nadere informatie

WIE IS DE NIET-WESTERSE ALLOCHTONE GEVER?

WIE IS DE NIET-WESTERSE ALLOCHTONE GEVER? WIE IS DE NIET-WESTERSE ALLOCHTONE GEVER? Amsterdam, november 2011 Auteur: Dr. Christine L. Carabain NCDO Telefoon (020) 5688 8764 Fax (020) 568 8787 E-mail: c.carabain@ncdo.nl 1 2 INHOUDSOPGAVE Samenvatting

Nadere informatie

maatschappijwetenschappen vwo 2015-II

maatschappijwetenschappen vwo 2015-II Opgave 2 Rondhangen Bij deze opgave horen de teksten 2 en 3 en tabel 1. Inleiding De Kamer ontvangt elk jaar een rapportage van de minister van Justitie over de voortgang van de aanpak van problematische

Nadere informatie

Russische Maffia in Nederland?!

Russische Maffia in Nederland?! In het spoor van Malinowski In deze rubriek komen onderzoekers aan het woord over participerende observatie. Hun eigen ervaringen en inzichten vormen daarbij steeds het uitgangspunt, want bij uitstek deze

Nadere informatie

Summary in Dutch/ Samenvatting in het Nederlands

Summary in Dutch/ Samenvatting in het Nederlands Summary in Dutch/ Samenvatting in het Nederlands Het sociale netwerk van gedetineerden: De samenstelling van, overlap tussen en veranderingen in het core discussie netwerk en het criminele netwerk. Introductie

Nadere informatie

Is een klas een veilige omgeving?

Is een klas een veilige omgeving? Is een klas een veilige omgeving? De klas als een vreemde sociale structuur Binnen de discussie dat een school een sociaal veilige omgeving en klimaat voor leerlingen moet bieden, zouden we eerst de vraag

Nadere informatie

Ruimtelijke strategieën van misdadigers

Ruimtelijke strategieën van misdadigers Ruimtelijke strategieën van misdadigers Wim Bernasco (NSCR), Gerben Bruinsma (NSCR & UL) en Wim Huisman (UL) Net als andere mensen maken misdadigers strategisch gebruik van de ruimte en van ruimtelijke

Nadere informatie

SAMENVATTING (SUMMARY IN DUTCH)

SAMENVATTING (SUMMARY IN DUTCH) SAMENVATTING (SUMMARY IN DUTCH) SAMENVATTING (SUMMARY IN DUTCH) Sinds de jaren zestig is het aandeel migranten in de Nederlandse bevolking aanzienlijk gegroeid. Van de totaal 16,3 miljoen inwoners in

Nadere informatie

Leden van de begeleidingscommissie

Leden van de begeleidingscommissie Dit onderzoek is uitgevoerd door de Vrije Universiteit, sectie Criminologie, in opdracht van het Ministerie van Justitie (WODC/EWB). Leden van de begeleidingscommissie de heer prof dr. Tom Postmes (voorzitter,

Nadere informatie

Summary in Dutch Nederlandse Samenvatting. Het delen van Affect: Paden, Processen en Prestatie

Summary in Dutch Nederlandse Samenvatting. Het delen van Affect: Paden, Processen en Prestatie Summary in Dutch Nederlandse Samenvatting Het delen van Affect: Paden, Processen en Prestatie Het delen van gevoelens (emoties of stemmingen) met anderen is bijna onvermijdelijk in ons dagelijks leven.

Nadere informatie

Methoden van het Wetenschappelijk Onderzoek: Deel II Vertaling pagina 83 97

Methoden van het Wetenschappelijk Onderzoek: Deel II Vertaling pagina 83 97 Wanneer gebruiken we kwalitatieve interviews? Kwalitatief interview = mogelijke methode om gegevens te verzamelen voor een reeks soorten van kwalitatief onderzoek Kwalitatief interview versus natuurlijk

Nadere informatie

Easy Money - maar tegen welke prijs?

Easy Money - maar tegen welke prijs? Henk Ferwerda en Alfred Hakkert Easy money maar tegen welke prijs? Straatroof: daad, slachtoffers en daders. In: Kees Schuyt en Gabriël van der Brink (Red.) Publiek Geweld. Amsterdam University Press,

Nadere informatie

Criminele meisjes: Specifieke zorg en aandacht of niet?

Criminele meisjes: Specifieke zorg en aandacht of niet? Stijging criminaliteit meisjes Criminele meisjes: Specifieke zorg en aandacht of niet? Anne-Marie Slotboom Vrije Universiteit Amsterdam 1 BRISBANE 2010 - Steeds meer jonge meisjes tussen tien en veertien

Nadere informatie

Bruto nationaal geluk: een proef op de som 19

Bruto nationaal geluk: een proef op de som 19 Bruto nationaal geluk: een proef op de som Crétien van Campen De laatste jaren hebben verscheidene auteurs gepleit voor geluk als een nieuw richtsnoer voor beleid (Kahneman 1999, Veenhoven 2002, Layard

Nadere informatie

12 Veelplegers: specialisten of niet?

12 Veelplegers: specialisten of niet? Samenvatting De aandacht voor veelplegers ligt zowel beleidsmatig als wetenschappelijk vooral bij de frequentie waarmee deze daders misdrijven plegen. Dat is niet gek, want veelplegers, ook wel stelselmatige

Nadere informatie

Onderzoek de spreekkamer!

Onderzoek de spreekkamer! Onderzoek de spreekkamer! Lennard Voogt Inleiding Het wetenschappelijk fundament van de manuele therapie wordt sterker. Manueel therapeuten krijgen steeds meer inzicht in de effectiviteit van hun inspanningen

Nadere informatie

Niet elke jeugdgroep is een jeugdbende

Niet elke jeugdgroep is een jeugdbende Niet elke jeugdgroep is een jeugdbende Anton van Wijk, Tom van Ham & Henk Ferwerda Inleiding Overlast door jongeren staat in veel enquêtes in de top 3 als het gaat om onveiligheidsgevoelens. Veel mensen

Nadere informatie

gegevens analyseren Welk onderzoekmodel gebruik je? Quasiexperiment ( 5.5) zonder controle achtergronden

gegevens analyseren Welk onderzoekmodel gebruik je? Quasiexperiment ( 5.5) zonder controle achtergronden een handreiking 71 hoofdstuk 8 gegevens analyseren Door middel van analyse vat je de verzamelde gegevens samen, zodat een overzichtelijk beeld van het geheel ontstaat. Richt de analyse in de eerste plaats

Nadere informatie

Problematische jeugdgroepen: typen, kenmerken en achtergronden

Problematische jeugdgroepen: typen, kenmerken en achtergronden Problematische jeugdgroepen: typen, kenmerken en achtergronden Dr. Balthazar M.W.A. Beke Mr. drs. Anton Ph. van Wijk 1 Jongeren nemen een groot deel van de criminaliteit voor hun rekening. Het lijkt een

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting. (summary in Dutch)

Nederlandse samenvatting. (summary in Dutch) Nederlandse samenvatting (summary in Dutch) 149 Samenvatting In dit proefschrift is agressief en regelovertredend gedrag van (pre)adolescenten onderzocht. Vanuit een doelbenadering (Sociale Productie Functie

Nadere informatie

SAMENVATTING. Samenvatting

SAMENVATTING. Samenvatting Samenvatting In deze studie is de relatie tussen gezinsfunctioneren en probleemgedrag van kinderen onderzocht. Er is veelvuldig onderzoek gedaan naar het ontstaan van probleem-gedrag van kinderen in de

Nadere informatie

Misdrijf vaak in voormalige woonbuurt dader

Misdrijf vaak in voormalige woonbuurt dader Misdrijf vaak in voormalige woonbuurt dader Terug naar vertrouwd terrein Crimi-trends Criminelen slaan vaak toe in hun eigen buurt, die ze als hun broekzak kennen. Ook na een verhuizing zoeken ze hun oude

Nadere informatie

Oost-Europese mobiele bendes

Oost-Europese mobiele bendes Oost-Europese mobiele bendes Prof. dr. Dina Siegel CIROC, Utrecht 14 December 2011 Oud fenomeen Egmond, Florike, 1994, Op het verkeerde pad; georganiseerde misdaad in de Noordelijke Nederlanden 1650-1800.

Nadere informatie

Shermans defiance-theorie uitgedaagd

Shermans defiance-theorie uitgedaagd BESPREKINGEN Shermans defiance-theorie uitgedaagd Paul Harland A.M. van der Laan, Weerspannigheid en delinquentie. Een toetsing van Shermans defiance-theorie als algemene verklaring voor de averechtse

Nadere informatie

In de afgelopen decennia heeft ongehuwd samenwonen overal in Europa. toegenomen populariteit van het ongehuwd samenwonen is onderdeel van

In de afgelopen decennia heeft ongehuwd samenwonen overal in Europa. toegenomen populariteit van het ongehuwd samenwonen is onderdeel van Nederlandse samenvatting (summary in Dutch) De verschillende betekenissen van ongehuwd samenwonen in Europa: Een studie naar verschillen tussen samenwoners in hun opvattingen, plannen en gedrag. In de

Nadere informatie

References. Den Haag: WODC.

References. Den Haag: WODC. Agnew, R. (1992). Foundation for a general strain theory of crime and delinquency. Criminology, 30(1): 47-87. Åkerström, M. (1985). Crooks and squares: Lifestyles of thieves and addicts in comparison to

Nadere informatie

Luisteren: Elke taaluiting is relevant

Luisteren: Elke taaluiting is relevant Emma van Bijnen ADR Instituut 1 Luisteren: Elke taaluiting is relevant Niet de directe betekening van de bijdrage, maar de intentie van de spreker Er zijn ontelbaar veel verschillende dingen die partijen

Nadere informatie

WAAR JE ZIT IS WAAR JE STAAT

WAAR JE ZIT IS WAAR JE STAAT WAAR JE ZIT IS WAAR JE STAAT Posities als antecedenten van management-denken over concernstrategie ACHTERGROND (H. 1-3) Concernstrategie heeft betrekking op de manier waarop een concern zijn portfolio

Nadere informatie

HOOFDSTUK 3. JONGEREN ALS SLACHTOFFER

HOOFDSTUK 3. JONGEREN ALS SLACHTOFFER HOOFDSTUK 3. Binnen de sociale wetenschap en de criminologie is de belangstelling voor slachtofferschap en de figuur van het slachtoffer de laatste decennia toegenomen. 1 Naast de victimologie als deeldiscipline,

Nadere informatie

iiitogiontant Resultaten uit de PPP-studies naar criminaliteit en criminaliteits preventie op bedrijventerreinen \sf

iiitogiontant Resultaten uit de PPP-studies naar criminaliteit en criminaliteits preventie op bedrijventerreinen \sf Resultaten uit de PPP-studies naar criminaliteit en criminaliteits preventie op bedrijventerreinen Een selectie naar ondernemingen uit het Midden- en Kleinbedrijf V. Sabee R.F.A. van den Bedem J.J.A. Essers

Nadere informatie

Voorwoord. Erik Sterk Guido Walraven

Voorwoord. Erik Sterk Guido Walraven Voorwoord Erik Sterk Guido Walraven Ondernemende burgers in lokale gemeenschappen kunnen sociale, economische en ecologische impact hebben, zo is de laatste jaren steeds duidelijker geworden. De verschillende

Nadere informatie

Dit proefschrift betoogt dat een veel ruimere blik nodig is op de historische ontwikkeling van de Verenigde Staten om te begrijpen waarom het testen

Dit proefschrift betoogt dat een veel ruimere blik nodig is op de historische ontwikkeling van de Verenigde Staten om te begrijpen waarom het testen Samenvatting In dit proefschrift staat de vraag centraal waarom de gestandaardiseerde intelligentiemeting in Amerika zo'n hoge vlucht heeft genomen en tot zulke felle debatten leidt. Over dit onderwerp

Nadere informatie

GOEDGEKEURDE VERSIE. Centrum voor Strategische Defensiestudies Zuid Amerikaanse Defensieraad Unie van Zuid Amerikaanse Naties.

GOEDGEKEURDE VERSIE. Centrum voor Strategische Defensiestudies Zuid Amerikaanse Defensieraad Unie van Zuid Amerikaanse Naties. PRELIMINAIR RAPPORT VAN HET CEED VOOR DE ZUID-AMERIKAANSE DEFENSIERAAD BETREFFENDE REFERENTIETERMEN VOOR DE CONCEPTEN VEILIGHEID EN DEFENSIE IN DE ZUID- AMERIKAANSE REGIO Het (CEED) is een kennisinstantie

Nadere informatie

13 Vriendschap en criminaliteit bij jongeren

13 Vriendschap en criminaliteit bij jongeren 13 Vriendschap en criminaliteit bij jongeren Beate Völker, Chris Baerveldt & Frans Driessen Hoofdstuk 13 in: Weijers I., Eliaerts C. (eds.) Jeugdcriminologie. Den Haag: Boom Juridische uitgevers. 2008.

Nadere informatie

Marjo Maas: fysiotherapeut / docent / onderzoeker Peer assessment De impact van peer assessment op het klinische redeneren en het klinisch handelen van fysiotherapeuten in opleiding en fysiotherapeuten

Nadere informatie

Graffiti in Beeld (aangepaste presentatie t.b.v. versturing)

Graffiti in Beeld (aangepaste presentatie t.b.v. versturing) Graffiti in Beeld (aangepaste presentatie t.b.v. versturing) Dr. Gabry Vanderveen Onderzoek met medewerking van Funda Jelsma; in opdracht van en gefinancierd door CCV/ Ministerie van Veiligheid en Justitie

Nadere informatie

One Style Fits All? A Study on the Content, Effects, and Origins of Follower Expectations of Ethical Leadership

One Style Fits All? A Study on the Content, Effects, and Origins of Follower Expectations of Ethical Leadership One Style Fits All? A Study on the Content, Effects, and Origins of Follower Expectations of Ethical Leadership Samenvatting proefschrift Leonie Heres MSc. www.leonieheres.com l.heres@fm.ru.nl Introductie

Nadere informatie

Kennisdeling in lerende netwerken

Kennisdeling in lerende netwerken Kennisdeling in lerende netwerken Managementsamenvatting Dit rapport presenteert een onderzoek naar kennisdeling. Kennis neemt in de samenleving een steeds belangrijker plaats in. Individuen en/of groepen

Nadere informatie

Christina van der Feltz-Cornelis en Willem van Tilburg

Christina van der Feltz-Cornelis en Willem van Tilburg De revanche van het systeemdenken: wat is de waarde voor de sociale psychiatrie? Christina van der Feltz-Cornelis en Willem van Tilburg SYMPOSIUM SOCIALE PSYCHIATRIE: REVANCHE VAN HET SYSTEEMDENKEN 6 november

Nadere informatie

Veiligheid kernthema: maatschappelijk evenwicht & veiligheid

Veiligheid kernthema: maatschappelijk evenwicht & veiligheid Veiligheid kernthema: De criminaliteitscijfers en de slachtoffercijfers laten over het algemeen een positief beeld zien voor Utrecht in. Ook de aangiftebereidheid van Utrechters is relatief hoog (29%).

Nadere informatie

Families onder druk. Huiselijk geweld binnen Marokkaanse en Turkse gezinnen. Drs. Ibrahim Yerden. Probleemstelling

Families onder druk. Huiselijk geweld binnen Marokkaanse en Turkse gezinnen. Drs. Ibrahim Yerden. Probleemstelling Families onder druk Huiselijk geweld binnen Marokkaanse en Turkse gezinnen Drs. Ibrahim Yerden Probleemstelling Hoe gaan Marokkaanse en Turkse gezinsleden, zowel slachtoffers als plegers om met huiselijk

Nadere informatie

Leiderschap in Turbulente Tijden

Leiderschap in Turbulente Tijden De Mindset van de Business Leader Leiderschap in Turbulente Tijden Onderzoek onder 175 strategische leiders Maart 2012 Inleiding.. 3 Respondenten 4 De toekomst 5 De managementagenda 7 Leiderschap en Ondernemerschap

Nadere informatie

IVO onderzoek De kaarten op tafel. Rapport juni 2010. Samenvatting en conclusies. o Onderzoeksvraag 1: In welke mate is poker verslavend?

IVO onderzoek De kaarten op tafel. Rapport juni 2010. Samenvatting en conclusies. o Onderzoeksvraag 1: In welke mate is poker verslavend? IVO onderzoek De kaarten op tafel Rapport juni 2010 Samenvatting en conclusies o Onderzoeksvraag 1: In welke mate is poker verslavend? Poker bevat onmiskenbaar elementen van een verslavend spel. Het kan

Nadere informatie

Er gaat niets boven een goede theorie!

Er gaat niets boven een goede theorie! Er gaat niets boven een goede theorie! Over onderzoek naar effecten van toezicht Prof dr Frans J.G. Janssens Universiteit Twente Lezing ten behoeve van het Symposium Handhaving en Toezicht: een kwestie

Nadere informatie

Global Economic Crime Survey

Global Economic Crime Survey www.pwc.nl Global Economic Crime Survey Update Financial Sector Juni 2012 In samenwerking met de VU Amsterdam en de Martin Luther Universiteit Halle Bij PwC in Nederland werken ruim 4.600 mensen met elkaar

Nadere informatie

TAAK 1. Laboratorium-assistent

TAAK 1. Laboratorium-assistent TAAK 1 Laboratorium-assistent U studeert chemie aan de Vrije Universiteit Brussel. Dit is een zware studie die u veel tijd kost. De vakgroep wil de functie van laboratorium-assistent afschaffen. Dit betekent

Nadere informatie

Examen HAVO. maatschappijwetenschappen (pilot) tijdvak 2 dinsdag 16 juni 13.30-16.30 uur. Bij dit examen hoort een bijlage.

Examen HAVO. maatschappijwetenschappen (pilot) tijdvak 2 dinsdag 16 juni 13.30-16.30 uur. Bij dit examen hoort een bijlage. Examen HAVO 2015 tijdvak 2 dinsdag 16 juni 13.30-16.30 uur maatschappijwetenschappen (pilot) Bij dit examen hoort een bijlage. Dit examen bestaat uit 24 vragen. Voor dit examen zijn maximaal 56 punten

Nadere informatie

knowhow inzake rondtrekkende daders: korte stand van zaken

knowhow inzake rondtrekkende daders: korte stand van zaken knowhow inzake rondtrekkende daders: korte stand van zaken Stijn Van Daele, Brussel, 02/03/2010 1 Implicaties van het fenomeen Rondtrekkende daders leggen grenzen van politieorganisatie bloot Nationale

Nadere informatie

Problemen met geld en delinquent gedrag van adolescenten

Problemen met geld en delinquent gedrag van adolescenten Factsheet 2011-1 Problemen met geld en delinquent gedrag van adolescenten Auteurs: M. Blom, G. Weijters & A.M. van der Laan Mei 2011 Aanleiding Op verzoek van de Directie Justitieel Jeugdbeleid (DJJ) van

Nadere informatie

Belangen: Democraten versus Republikeinen

Belangen: Democraten versus Republikeinen Belangen: Democraten versus Republikeinen Korte omschrijving werkvorm: Leerlingen lezen de tekst en proberen daarna met de opgedane kennis het standpunt te bepalen van de Democratische en de Republikeinse

Nadere informatie

Europese toppositie voor Management onderzoek van Erasmus Universiteit Rotterdam

Europese toppositie voor Management onderzoek van Erasmus Universiteit Rotterdam Persbericht Europese toppositie voor Management onderzoek van Erasmus Universiteit Rotterdam Belang van managementonderzoek In een onlangs verschenen rapport*) van de Rijksuniversiteit Leiden is de kwaliteit

Nadere informatie

Spelen in het groen. Agnes van den Berg Roderik Koenis Magdalena van den Berg

Spelen in het groen. Agnes van den Berg Roderik Koenis Magdalena van den Berg Spelen in het groen Effecten van een bezoek aan een natuurspeeltuin op het speelgedrag, de lichamelijke activiteit, de concentratie en de stemming van kinderen Agnes van den Berg Roderik Koenis Magdalena

Nadere informatie

NEDERLANDSE SAMENVATTING

NEDERLANDSE SAMENVATTING NEDERLANDSE SAMENVATTING Zedendelicten vormen een groot maatschappelijk probleem met ernstige gevolgen voor zowel het slachtoffer als voor de dader. Hoewel de meeste zedendelicten worden gepleegd door

Nadere informatie

Young boys behind bars. An ethnographic study of violence and care in South Africa H. Sauls

Young boys behind bars. An ethnographic study of violence and care in South Africa H. Sauls Young boys behind bars. An ethnographic study of violence and care in South Africa H. Sauls Samenvatting Dit proefschrift is het resultaat van een etnografische studie van jonge jongens in Zuid Afrika

Nadere informatie

JURYRAPPORT SCRIPTIEPRIJS NVK 2011

JURYRAPPORT SCRIPTIEPRIJS NVK 2011 JURYRAPPORT SCRIPTIEPRIJS NVK 2011 NVK scriptieprijs Zoals de laatste jaren gebruikelijk is, hebben de master-opleidingen criminologie of masters met component criminologie het verzoek gekregen om hun

Nadere informatie

Cover Page. The handle http://hdl.handle.net/1887/22989 holds various files of this Leiden University dissertation

Cover Page. The handle http://hdl.handle.net/1887/22989 holds various files of this Leiden University dissertation Cover Page The handle http://hdl.handle.net/1887/22989 holds various files of this Leiden University dissertation Author: Pouw, Lucinda Title: Emotion regulation in children with Autism Spectrum Disorder

Nadere informatie

De Invloed van Perceived Severity op Condoomgebruik en HIV-Testgedrag. The Influence of Perceived Severity on Condom Use and HIV-Testing Behavior

De Invloed van Perceived Severity op Condoomgebruik en HIV-Testgedrag. The Influence of Perceived Severity on Condom Use and HIV-Testing Behavior De Invloed van Perceived Severity op Condoomgebruik en HIV-Testgedrag The Influence of Perceived Severity on Condom Use and HIV-Testing Behavior Martin. W. van Duijn Student: 838797266 Eerste begeleider:

Nadere informatie

Maatschappelijke meerwaarde creëren

Maatschappelijke meerwaarde creëren Maatschappelijke meerwaarde creëren Impactvol aan de slag met je vereniging 24 september 2015 Je hebt beslist om je meest waardevolle bezittingen - je tijd, je geld, je kennis in te zetten om anderen te

Nadere informatie

EMOTIONELE INTELLIGENTIE

EMOTIONELE INTELLIGENTIE EMOTIONELE INTELLIGENTIE drs. S. van den Eshof 1 SITUATIE Wat zijn emoties en welke invloed hebben ze op ons leven? Sommige mensen worden bestempeld als over-emotioneel, terwijl anderen van zichzelf vinden

Nadere informatie

De Toekomst van het Nederlands Verdienmodel

De Toekomst van het Nederlands Verdienmodel De Toekomst van het Nederlands Verdienmodel prof.dr. Hans Strikwerda Met reviews door: prof. dr. Arnoud Boot mr. drs. Atzo Nicolaï drs. Michiel Muller prof. dr. Eric Claassen dr. René Kuijten prof. dr.

Nadere informatie

Middelen Proces Producten / Diensten Klanten

Middelen Proces Producten / Diensten Klanten Systeemdenken De wereld waarin ondernemingen bestaan is bijzonder complex en gecompliceerd en door het gebruik van verschillende concepten kan de werkelijkheid nog enigszins beheersbaar worden gemaakt.

Nadere informatie

Hein Roethofprijs 2007. veiligheid door samenwerking

Hein Roethofprijs 2007. veiligheid door samenwerking Hein Roethofprijs 2007 veiligheid door samenwerking omslag: Stadsmarinierschap uit Rotterdam wint Hein Roethofprijs 2006 Het project Stadsmarinierschap is een van de maatregelen die Rotterdam neemt om

Nadere informatie

Nederlandse Samenvatting

Nederlandse Samenvatting Nederlandse Samenvatting De Protestantse Kerk in Nederland (PKN) onderhoudt middels de organisaties Kerk in Actie (KiA) en ICCO Alliantie contacten met partners in Brazilië. Deze studie verkent de onderhandelingen

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting

Nederlandse samenvatting 169 Nederlandse samenvatting Het vakgebied internationale bedrijfskunde houdt zich bezig met de vraagstukken en de analyse van problemen op organisatieniveau die voortkomen uit grensoverschrijdende activiteiten.

Nadere informatie

Cover Page. The handle http://hdl.handle.net/1887/33081 holds various files of this Leiden University dissertation.

Cover Page. The handle http://hdl.handle.net/1887/33081 holds various files of this Leiden University dissertation. Cover Page The handle http://hdl.handle.net/1887/33081 holds various files of this Leiden University dissertation. Author: Stettina, Christoph Johann Title: Governance of innovation project management

Nadere informatie

SAMENVATTING EN CONCLUSIES

SAMENVATTING EN CONCLUSIES SAMENVATTING EN CONCLUSIES Aanleiding en vraagstelling De aanleiding van dit onderzoek is de doelstelling van het ministerie van Veiligheid en Justitie om het aantal vrijwilligers bij de Nationale Politie

Nadere informatie

Onderzoeksopzet. Marktonderzoek Klantbeleving

Onderzoeksopzet. Marktonderzoek Klantbeleving Onderzoeksopzet Marktonderzoek Klantbeleving Utrecht, september 2009 1. Inleiding De beleving van de klant ten opzichte van dienstverlening wordt een steeds belangrijker onderwerp in het ontwikkelen van

Nadere informatie

THE LANGUAGE SITUATION IN SUB-SAHARAN AFRICA: HISTORICAL ROOTS, MEASUREMENT, AND DEVELOPMENT IMPACTS

THE LANGUAGE SITUATION IN SUB-SAHARAN AFRICA: HISTORICAL ROOTS, MEASUREMENT, AND DEVELOPMENT IMPACTS THE LANGUAGE SITUATION IN SUB-SAHARAN AFRICA: HISTORICAL ROOTS, MEASUREMENT, AND DEVELOPMENT IMPACTS De taalsituatie in Sub-Saharisch Afrika: historische wortels, meettechnieken en ontwikkelingseffecten

Nadere informatie

Eindexamen vwo maatschappijwetenschappen 2013-I

Eindexamen vwo maatschappijwetenschappen 2013-I Opgave 1 Veranderende opvattingen in het jeugdstrafrecht tegen de achtergrond van veranderingen in criminaliteitscijfers onder jongeren Bij deze opgave horen de teksten 1 tot en met uit het bronnenboekje.

Nadere informatie

Vijftig jaar Tijdschrift voor Criminologie in cijfers

Vijftig jaar Tijdschrift voor Criminologie in cijfers Wat gebeurde er de afgelopen tien jaar? * Ben Rovers & Ruben Boers Tien jaar geleden verscheen een overzichtsartikel van auteurs en hun publicaties in TvC. Dit artikel is daarop een vervolg. Gekeken is

Nadere informatie

De kenniswerker. Prof. Dr. Joseph Kessels. Leuven 31 mei 2010

De kenniswerker. Prof. Dr. Joseph Kessels. Leuven 31 mei 2010 De kenniswerker Prof. Dr. Joseph Kessels Leuven 31 mei 2010 Is werken in de 21 ste eeuw een vorm van leren? Het karakter van het werk verandert: Van routine naar probleemoplossing Van volgend naar anticiperend

Nadere informatie

Onderlegger Licht Diagnostisch Instrument tbv bepaling van het gezinsprofiel. 1. Psychische en/of psychiatrische problemen van de ouder(s)

Onderlegger Licht Diagnostisch Instrument tbv bepaling van het gezinsprofiel. 1. Psychische en/of psychiatrische problemen van de ouder(s) A. Ouderfactoren: gegeven het feit dat de interventies van de gezinscoach en de nazorgwerker gericht zijn op gedragsverandering van de gezinsleden, is het zinvol om de factoren te herkennen die (mede)

Nadere informatie

Verdringing op de Nederlandse arbeidsmarkt: sector- en sekseverschillen

Verdringing op de Nederlandse arbeidsmarkt: sector- en sekseverschillen 1 Verdringing op de Nederlandse arbeidsmarkt: sector- en sekseverschillen Peter van der Meer Samenvatting In dit onderzoek is geprobeerd antwoord te geven op de vraag in hoeverre het mogelijk is verschillen

Nadere informatie

Vrijheid, vrijheid in gebondenheid of toch maar verantwoordelijkheid? Het begrip vrijheid in de praktijk van het Nederlandse daltononderwijs

Vrijheid, vrijheid in gebondenheid of toch maar verantwoordelijkheid? Het begrip vrijheid in de praktijk van het Nederlandse daltononderwijs Vrijheid, vrijheid in gebondenheid of toch maar verantwoordelijkheid? Het begrip vrijheid in de praktijk van het Nederlandse daltononderwijs Inleiding René Berends Versie 1, juli 2008 De Nederlandse Dalton

Nadere informatie

De slachtoffers"-richtlijn

De slachtoffers-richtlijn CENTRE FOR EUROPEAN CONSTITUTIONAL LAW THEMISTOKLES AND DIMITRIS TSATSOS FOUNDATION De slachtoffers"-richtlijn De bescherming van slachtoffers voorafgaand, tijdens en na strafproces staat bovenaan de agenda

Nadere informatie

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG 1 > Retouradres Postbus 20301 2500 EH Den Haag Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Turfmarkt 147 2511 DP Den Haag Postbus 20301 2500 EH Den Haag www.rijksoverheid.nl/venj

Nadere informatie

Datum 25 maart 2013 Onderwerp Beantwoording Kamervragen over drugssmokkel via de Antwerpse Haven

Datum 25 maart 2013 Onderwerp Beantwoording Kamervragen over drugssmokkel via de Antwerpse Haven 1 > Retouradres Postbus 20301 2500 EH Den Haag Aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Schedeldoekshaven 100 2511 EX Den Haag Postbus 20301 2500 EH Den

Nadere informatie

DIT IS EEN UITGAVE VAN

DIT IS EEN UITGAVE VAN Colofon DIT IS EEN UITGAVE VAN Stichting Maatschappij en Onderneming Lange Voorhout 92 2514 EJ Den Haag Telefoon: +31(0)70 3528 528 Email: contact@smo.nl Redactie: Simone Langeweg Tekst- en Communicatieadvies

Nadere informatie

wie? Miriam Notten 2

wie? Miriam Notten 2 1 wie? Miriam Notten 2 missie van La Red? La Red ziet in het sociale verkeer de motor van de maatschappij en wil daarom mensen en menselijke relaties weer voorop krijgen in het zakelijke verkeer. 3 hoe

Nadere informatie

Wiskunde en informatica: innovatie en consolidatie Over vragen in het wiskunde- en informaticaonderwijs

Wiskunde en informatica: innovatie en consolidatie Over vragen in het wiskunde- en informaticaonderwijs Tijdschrift voor Didactiek der β-wetenschappen 22 (2005) nr. 1 & 2 53 Oratie, uitgesproken op 11 maart 2005, bij de aanvaarding van het ambt van hoogleraar Professionalisering in het bijzonder in het onderwijs

Nadere informatie

Criminele jeugdgroep Stadskanaal. Afstudeerscriptie Master Sociologie Merel Reitsema

Criminele jeugdgroep Stadskanaal. Afstudeerscriptie Master Sociologie Merel Reitsema Afstudeerscriptie Master Sociologie Merel Reitsema Rijksuniversiteit Groningen Vakgroep Sociologie Studentnummer: 1837931 Begeleider: Dr. R. Popping Referent: Prof. Dr. R. Veenstra September 2012 2 Criminele

Nadere informatie

Voorwaarden die verandering in een organisatie bevorderen.

Voorwaarden die verandering in een organisatie bevorderen. De servicekwaliteit van uw restaurant of hotel verbeteren betekent starten met een veranderingsproces Prof. Em. Dr. W. Faché Klantentevredenheid is voor elke onderneming van fundamenteel belang. Immers

Nadere informatie

Nieuwe dadergroep vraagt aandacht

Nieuwe dadergroep vraagt aandacht Er is een nieuwe groep van jonge, zeer actieve veelplegers die steeds vaker met de politie in aanraking komt / foto: Pallieter de Boer. Nieuwe dadergroep vraagt aandacht Jongere veelplegers roeren zich

Nadere informatie

Wat is de aard van de georganiseerde criminaliteit in Nederland en welke ontwikkelingen zijn op dit gebied te onderkennen?

Wat is de aard van de georganiseerde criminaliteit in Nederland en welke ontwikkelingen zijn op dit gebied te onderkennen? Samenvatting Doelstelling en probleemstelling Dit rapport bevat de bevindingen van de tweede ronde van de WODC-monitor georganiseerde criminaliteit. Het doel van de WODC-monitor is om de kennis die wordt

Nadere informatie

Opleidingsprogramma DoenDenken

Opleidingsprogramma DoenDenken 15-10-2015 Opleidingsprogramma DoenDenken Inleiding Het opleidingsprogramma DoenDenken is gericht op medewerkers die leren en innoveren in hun organisatie belangrijk vinden en zich daar zelf actief voor

Nadere informatie

Literatuur Acker, J. van (1998) Jeugdcriminaliteit. Feiten en mythen over een beperkt probleem. Houten/Diegem: Bohn Stafleu van Loghum. Adang, O.M.J. (2000) Jonge mannen in groepen. Een gewelddadige combinatie?.

Nadere informatie

Dubieus onderzoek van VU en NSCR naar cybercriminaliteit

Dubieus onderzoek van VU en NSCR naar cybercriminaliteit Dubieus onderzoek van VU en NSCR naar cybercriminaliteit Medewerkers van de Vrije Universiteit en het NSCR hebben in samenwerking met het Openbaar Ministerie ruim 2.000 personen geënquêteerd voor een onderzoek

Nadere informatie

SAMENVATTING SAMENVATTING. Werk en Psychische Gezondheid: Studies naar de invloed van werk kenmerken, sociale rollen en gender

SAMENVATTING SAMENVATTING. Werk en Psychische Gezondheid: Studies naar de invloed van werk kenmerken, sociale rollen en gender SAMENVATTING Werk en Psychische Gezondheid: Studies naar de invloed van werk kenmerken, sociale rollen en gender In de jaren negentig werd duidelijk dat steeds meer werknemers in Nederland, waaronder in

Nadere informatie

Doelstelling van het onderzoek en onderzoeksvragen

Doelstelling van het onderzoek en onderzoeksvragen Samenvatting Jeugdcriminaliteit vormt een ernstig probleem. De overgrote meerderheid van de jeugdigen veroorzaakt geen of slechts tijdelijk problemen voor de openbare orde en veiligheid. Er is echter een

Nadere informatie

1. Afbakening van en aanvulling op GRECO rapport

1. Afbakening van en aanvulling op GRECO rapport Minister van Justitie D.t.v. Mw. Mr. E.E. Weeda Postbus 20301 2500 EH Den Haag datum 2 februari 2004 contactpersoon R.C. Hartendorp doorkiesnummer 070-361 9788 e-mail R.Hartendorp@rvdr.drp.minjus.nl ons

Nadere informatie

Groepsdynamiek binnen een jeugdbende; Een casus van verzet tegen de politie

Groepsdynamiek binnen een jeugdbende; Een casus van verzet tegen de politie Bron: Gemert, F. van & J.D. de Jong (2005) Groepsdynamiek binnen een jeugdbende; Een casus van verzet tegen de politie. Tijdschrift voor Veiligheid en Veiligheidszorg, 4 (2) pp. 46-56. Groepsdynamiek binnen

Nadere informatie

Voorwoord 9. Inleiding 11

Voorwoord 9. Inleiding 11 inhoud Voorwoord 9 Inleiding 11 deel 1 theorie en geschiedenis 15 1. Een omstreden begrip 1.1 Inleiding 17 1.2 Het probleem van de definitie 18 1.3 Kenmerken van de representatieve democratie 20 1.4 Dilemma

Nadere informatie

Organisatie principes

Organisatie principes Organisatie principes Een overzicht van organisatie principes die als richtsnoer dienen bij het vormgeven van flexibele, innovatieve organisaties. Deze principes zijn gebaseerd op de Moderne Sociotechniek.

Nadere informatie