Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download ""

Transcriptie

1 Hoofdstuk 1 Vraag 6 Tot welke categorieën behoren de volgende economische goederen? Waarom? De rugzak van een student is een duurzaam individueel consumptiegoed omdat hij voor individueel maar langdurig persoonlijk gebruik door één persoon bestemd is. Een sigaret is een niet-duurzaam individueel consumptiegoed omdat ze na verbruik door de (persoon) roker verdwenen is. Een digitale camera is een duurzaam individueel consumptiegoed als ze door de bezitter gedurende lange tijd gebruikt wordt om foto s voor eigen gebruik te maken. Als de bezitter een persfotograaf is die zijn foto s verkoopt, is de digitale camera een duurzaam kapitaalgoed. Een wegwerpscheerapparaat is een niet-duurzaam individueel consumptiegoed. Een zwembad in de eigen tuin kan zowel een consumptiegoed als een kapitaalgoed zijn. Het zwembad is een duurzaam individueel consumptiegoed als het gezin zelf in de woning woont en het zwembad gebruikt; het is een kapitaalgoed als het gezin het zwembad heeft laten plaatsen om de waarde te verhogen bij eventuele verkoop of verhuur van de woning. Een inktpatroon voor de printer thuis is een niet-duurzaam consumptiegoed als de printer enkel door één gezin gebruikt wordt en er geen diensten aan anderen mee geproduceerd worden. Een boek van de stadsbibliotheek is een duurzaam consumptiegoed. Het is een publiek goed dat gedurende lange tijd bijdraagt tot de productie van kennis of ontspanning.(maar door zijn eigenschappen toch niet als een publieke investering beschouwd wordt. Goederen in stock of in voorraad kunnen als een (onvrijwillige) investering beschouwd worden, naar analogie met de voorraden in de bedrijfsboekhouding. Een scanner in een ziekenhuis is een collectief kapitaalgoed omdat het om een investering door een overheid (ziekteverzekering) gaat en ermee gedurende lange tijd diagnoses kunnen gesteld worden; gezaagd hout in een meubelfabriek is een intermediair goed dat als input zal gebruikt worden voor de productie van meubelen; een gevechtsvliegtuig van het Belgisch leger is een duurzaam collectief kapitaalgoed omdat het voor langere tijd bestemd is voor het collectief goed landsverdediging ; het materiaal van het leger heeft hetzelfde statuut als het materiaal van andere overheidsdiensten (bijvoorbeeld brandweerwagens). een verbrandingsoven voor restafval is een duurzaam kapitaalgoed omdat er gedurende lange tijd mee geproduceerd kan worden. De verbrandingsoven kan tot de publieke of tot de private investeringen behoren en het kan ook om een gemengd initiatief gaan. De dienstauto van een minister is een duurzaam collectief kapitaalgoed omdat het om een overheidsinvestering gaat waarmee gedurende lange tijd een consumptiegoed (de dienstverplaatsingen van een minister) geproduceerd wordt. Vraag 7 Zijn de volgende uitspraken positieve of normatieve uitspraken? Als gevolg van de lagere economische groei zijn de belastinginkomsten van de overheid lager dan verwacht is een vaststelling en dus een positieve uitspraak. De werkloosheid is vorig jaar in de drie deelgebieden van ons land gestegen is om dezelfde reden een positieve uitspraak. Om de consumptie van de gezinnen te stimuleren moet de overheid de belastingen op het inkomen van de gezinnen verlagen is een normatieve uitspraak omdat een oordeel uitgesproken wordt over de vraag op welke wijze een bepaald effect het best bereikt kan worden. Om de stijging van de prijzen van de consumptiegoederen tegen te gaan legt de overheid best maximumprijzen op is om dezelfde reden een normatieve uitspraak. Het verhogen van de inkomensdrempel voor het verkrijgen van stookoliecheques is geen oplossing voor de energiearmoede en druist in tegen het klimaatbeleid is een normatieve uitspraak omdat ze een oordeel uitspreekt over de waarde van een maatregel. 1

2 Hoofdstuk 2 Vraag 5 Waarom is landsverdediging een zuiver collectief goed? Landverdediging is een zuiver collectief goed omdat het aan de volgende kenmerken beantwoordt: Het is een niet-splitsbaar goed dat voor iedereen ter beschikking is, ongeacht de voorkeur of de bereidheid tot betalen van een individuele consument. Een tweede kenmerk is non-rivaliteit, d.w.z. dat het genot (gevoel van veiligheid) van één persoon het genot van anderen niet in de weg staat. Een derde kenmerk is niet-uitsluitbaarheid, d.w.z. dat geen enkele burger van een land van het genot van landsverdediging uitgesloten kan worden. Vraag 9 Waarom hebben jonge mensen het vaak moeilijk om een betaalbare autoverzekering te vinden? Bij jonge bestuurders is de kans op een schadegeval gemiddeld veel hoger dan die van meer ervaren bestuurders, waardoor de verzekeringsmaatschappijen hogere premies vragen aan jongeren. Vraag 10 In de jaren 1990 werden verpleegkundigen onderbetaald en was er een chronisch tekort. Daarop volgde de zgn. witte woede, met als resultaat een gevoelige stijging van de lonen. In het begin van 2006 meldden de media dat het aantal studenten verpleegkunde gevoelig gestegen was. Verklaar. Gezinnen (hier jongeren die een beroep kiezen en de personen die hen daarover adviseren) kiezen in een markteconomie op basis van informatie over de prijzen van goederen en productiefactoren. De loonstijgingen die door de vakbondsacties afgedwongen werden, zorgden voor een aanzienlijke stijging van de prijs van de productiefactor arbeid (het loon) in de verzorgingssector. Deze informatie dringt geleidelijk tot de bevolking door en leidt tot een toename van het aantal jongeren dat voor het beroep van verpleegkundige kiest. 2

3 Hoofdstuk 3 Vraag 2 Tot welke bestedingscategorieën behoren de volgende uitgaven? een gezin dat een koelkast koopt: deze uitgave behoort tot de privéconsumptie een zieke die remgeld betaalt voor de aankoop van geneesmiddelen: privéconsumptie een jongere die betaalt om lid te worden van de stadsbibliotheek: privéconsumptie BASF, een chemisch bedrijf in de haven van Antwerpen, dat een elektriciteitscentrale bouwt die ook warmte levert: een privé-investering China dat weefautomaten koopt bij Van de Wiele in Marke: uitvoer Brussels Airlines dat drie Airbusvliegtuigen koopt in Frankrijk: een private investering, invoer binnen Euroland de stad Gent die uitgaven doet voor de aanleg van nieuwe fietspaden: een overheidsinvestering de Vlaamse overheid die de lonen van het onderwijzend personeel betaalt: een publieke consumptie een horecazaak die uitbreidt en meteen ook een gescheiden rokersruimte installeert: een private investering Kinepolis die twee nieuwe filmzalen laat bouwen: een privé-investering Vraag 4 Bereken in het volgende voorbeeld de toegevoegde waarde van elke sector. Bosbouwers verkopen hun omgehakte bomen aan houtzagerijen voor EUR. De houtzagerijen verkopen voor EUR planken aan de meubelindustrie. De meubelindustrie verkoopt haar eindproducten rechtstreeks aan de consumenten voor EUR. De toegevoegde waarde in de bosbouw bedraagt EUR, in de houtzagerijen EUR ( EUR verkoopwaarde van planken min EUR voor de aankoopwaarde van bomen) en in de meubelindustrie EUR ( EUR verkoopwaarde van meubelen, min EUR voor de aankoopwaarde van planken). Vraag 5 Een met de blote hand werkende goudzoeker die gouderts vindt en aan een handelaar voor 100 EUR verkoopt, creëert ook voor 100 EUR toegevoegde waarde. Hoeveel toegevoegde waarde zou hij creëren als hij bij zijn zoektocht een paar wegwerphandschoenen zou gebruiken die hij voor 1 EUR kocht? En hoeveel toegevoegde waarde creëert de lokale goudertshandelaar die van verschillende goudzoekers erts koopt voor samen EUR, het in een zak van 2 EUR stopt en het te voet naar een verwerkingsfabriek brengt, en het daar verkoopt voor EUR? Als de goudzoeker met wegwerphandschoenen werkt, creëert hij 99 EUR toegevoegde waarde (100 EUR verkoopwaarde min 1 EUR voor de aankoopwaarde van de handschoenen). De goudertshandelaar creëert 98 EUR toegevoegde waarde (1 100 EUR verkoopwaarde min EUR voor de aankoopwaarde van het gouderts en van de zak). Vraag 6 Behoren de volgende factorinkomens tot het BBP of het BNP? De lonen van de Noord-Franse arbeiders die in de Vlaamse textielindustrie komen werken, behoren tot het BBP maar niet tot het BNP van België; voor Frankrijk is het andersom. Het loon van een Vlaamse vormingswerker die in een cultuurcentrum in Nederland werkt, behoort tot het BNP van België en tot het BBP van Nederland. De lonen van Vlamingen en Walen die elke dag naar Brussel pendelen om te werken behoren zowel tot het BBP als tot het BNP van België ze behoren tot het Bruto Regionaal Product van Brussel. de interest die een Belg ontvangt op zijn spaargeld dat in Luxemburg belegd is, behoort tot het BNP van België. Vraag 7 Tot welke sector behoren de volgende bedrijven? een garnaalvisserij behoort tot de primaire sector een melkveehouderij primaire sector een zuivelfabriek secundaire sector een staalfabriek secundaire sector 3

4 een farmaceutisch bedrijf secundaire sector een privéverzekeringsmaatschappij tertiaire of dienstensector, privémarktdiensten, profit een uitzendbureau tertiaire of dienstensector, privémarktdiensten, profit een centrum voor geestelijke gezondheidszorg tertiaire of dienstensector, privé of publieke nonprofit, ook quartaire sector genoemd een justitiehuis tertiaire of dienstensector, publieke non-profit een kinderopvangcentrum tertiaire of dienstensector, kan privé en profit zijn maar ook privé of publieke non-profit Vraag 8 Veronderstel dat in een bepaald jaar het nominale BBP van een land steeg met 3,5 procent en dat het algemene prijspeil met 2 procent toenam. Hoeveel bedraagt dan bij benadering de groei van het reële BBP? Het reële BBP zal dan bij benadering met 1,5 procent gestegen zijn. Vraag 9 Sinds 2004 is het verboden om een goed ter waarde van EUR of meer in contanten te laten betalen. Wat kan hiervoor de reden zijn? Men wil hiermee het zwarte circuit in de economie beperken en witwaspraktijken tegengaan. (Dat maximumbedrag werd intussen verder beperkt tot EUR, en sinds 1 januari 2014 tot EUR.) 4

5 Hoofdstuk 4 Vraag 3 Zijn de volgende goederen substitueerbaar of complementair? Een auto en een autoverzekering zijn complementaire goederen. Een gsm-toestel en mobiel bellen zijn complementaire goederen. Bevallen in een ziekenhuis en thuis bevallen zijn substitueerbaar. Brievenpost en chatten op het internet zijn substitueerbare goederen. Een pc en een printer zijn complementaire goederen. Kinderopvang bij een onthaalmoeder en in een crèche zijn substitueerbaar. Doktersbezoek en geneesmiddelengebruik zijn complementair. Therapie in de privépraktijk van een psychiater en therapie in een centrum voor geestelijke gezondheidszorg zijn substitueerbaar. Een bezoek aan een museum en een gids zijn complementair. Een vliegtuig en een hogesnelheidstrein kunnen substitueerbaar of complementair zijn. Dat hangt af van het traject. Voor een verplaatsing van Rijsel naar Marseille kun je zowel de hogesnelheidstrein als het vliegtuig nemen, het zijn dan substituten, maar als je bijvoorbeeld vanuit Brussel de hogesnelheidstrein neemt naar Parijs om van daaruit door te vliegen naar HongKong zijn het complementaire goederen. Een ipad en een Androidtablet zijn substitueerbare goederen. Een fiets en een fietshelm zijn complementaire goederen. Leidingwater en flessenwater zijn substitueerbare goederen. Vraag 4 Ga na wat er in de volgende gevallen met de marktvraag naar bepaalde consumptiegoederen kan gebeuren. Illustreer met een grafiek. Een toename van het zakgeld zal bij de doorsneejongeren leiden tot een verschuiving naar rechts van de vraagcurve naar voor jongeren normale consumptiegoederen. Een daling van de prijs van schilderwerk leidt waarschijnlijk tot een lichte vermindering van het doe-het-zelfwerk en tot een verhoging van de vraag naar professioneel schilderwerk; de vraagcurve naar doe-het-zelfproducten verschuift naar links. Een stijging van de prijs van kranten of populaire weekbladen kan het gevolg zijn van een verschuiving van de aanbodcurve naar links (door bv. een stijging van de papierprijs) en zal c.p. de vraag doen dalen. Het effect zal afhankelijk zijn van de grootte van de prijsverhoging en van de prijselasticiteit van de vraag. Een prijsstijging voor kabeljauw leidt tot een vermindering van de vraag naar kabeljauw en een verhoging van de vraag naar goedkopere vissoorten. De vraagvermindering van kabeljauw is af te lezen op de vraagcurve van kabeljauw; de vraagcurve van de andere vissoorten verschuift naar rechts. Vraag 5 Een muziekhandelaar stelt vast dat een prijsdaling voor het laatste album van Balthazar ook de verkoop van de albums van Arsenal doet toenemen. Verklaar. Dit is een voorbeeld van het inkomenseffect van een prijsverandering van een goed. De daling van de prijs van albums van Balthazar betekent, c.p., voor hun muziekliefhebbers een koopkrachtverhoging en doet niet alleen de vraag naar albums van Balthazar maar ook de vraag naar albums van een verwant muziekgenre (Arsenal) toenemen. 5

6 Vraag 6 Een gemeente verkoopt via haar diensten 100 brandmelders per jaar voor 50 EUR per stuk (wat eveneens de aankoopprijs is). In het kader van het veiligheidsbeleid wil de gemeente meer brandmelders verkocht zien. Er zijn twee alternatieven: 1. een publiciteitscampagne die EUR kost en waardoor een stijging van de verkoop met 20 % verwacht mag worden; 2. een daling van de verkoopprijs met 10 EUR (gegeven: de prijselasticiteit van de vraag naar brandmelders is -1,5). Kies je voor de publiciteitscampagne of voor de prijsdaling? Leg uit. 1. De publiciteitscampagne kost EUR en brengt een meerverkoop van 20 stuks op. 2. De prijsdaling heeft het volgende effect: Prijselasticiteit van de vraag = procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid procentuele verandering van de prijs Dus hier: -1,5 =? / -0,20 Daaruit volgt:? = -1,5 * -0,20 Dus:? = 0,30 of 30 honderdsten of 30% De prijsdaling brengt dus een meerverkoop op van 30 % van 100 = van 30 stuks. De prijsdaling kost het volgende: 130 stuks aan 10 EUR (verlies per stuk) = EUR DUS: we kiezen voor alternatief 2: het is nl. goedkoper én het levert een hogere meerverkoop op. 6

7 Hoofdstuk 5 Vraag 4 Als in de vzw Gezinshulp de totale kosten stijgen van naar EUR en het aantal huisbezoeken van naar 1 100, hoeveel bedragen dan bij benadering de marginale kosten? De marginale kosten (bijkomende kosten van een bijkomend huisbezoek ) bedragen bij benadering 10 EUR (1 000 EUR gedeeld door 100) Vraag 5 Een sportclub met 300 leden heeft naast haar onbezoldigde vrijwilligers ook een voltijds personeelslid in dienst. De loonkosten bedragen EUR per jaar. De huur van het clubhuis bedraagt EUR per jaar. De communicatiekosten bedragen EUR. 20 % daarvan, voornamelijk contacten met de sponsors en de subsidiërende overheid, word als vast beschouwd. 80 % is het gevolg van contacten met leden. Tweemaandelijks ontvangen de leden een clubblad. De daarmee gepaard gaande variabele kosten bedragen EUR. De jaarlijkse afschrijvingskosten van computer en kopieermachine zijn 600 EUR. Bereken de totale vaste kosten, de totale variabele kosten, de gemiddelde vaste kosten en de gemiddelde variabele kosten. Wat gebeurt er met de vermelde kosten als het aantal leden stijgt tot 350 of daalt tot 250? Verklaar waarom. Totale vaste kosten (TFK): EUR ( ) Totale variabele kosten (TVK): EUR ( ) Gemiddelde vaste kosten (GFK): 100,33 EUR ( EUR gedeeld door 300 leden) Gemiddelde variabele kosten (GVK): 30 EUR (9 000 EUR gedeeld door 300 leden) Als het aantal leden stijgt tot 350 dan blijven de TFK gelijk, maar de TVK stijgen evenredig tot een bedrag van EUR (350 leden maal 30 EUR per lid) De gemiddelde variabele kosten blijven gelijk ( EUR gedeeld door 350 = 30 EUR) De gemiddelde vaste kosten daarentegen dalen tot 86 EUR omdat eenzelfde bedrag aan TFK kan gespreid worden over een groter aantal leden ( EUR gedeeld door 350) Als het aantal leden daalt tot 250, dan blijven de TFK gelijk, maar de TVK dalen tot een bedrag van EUR (250 leden maal 30 EUR per lid) De gemiddelde variabele kosten blijven gelijk (7 500 EUR gedeeld door 250 = 30 EUR) De gemiddelde vaste kosten daarentegen stijgen tot 120,4 EUR omdat eenzelfde bedrag aan TFK nu gedragen moet worden door een kleiner aantal leden ( EUR gedeeld door 250) Vraag 6 Een sociaal-cultureel vormingscentrum organiseert een bezoek aan onze hoofdstad. De deelnameprijs wordt vastgesteld op 25 EUR. De vaste kosten (huur van een bus, kosten van begeleiding en gids, bekendmaking van het initiatief) bedragen 300 EUR. De variabele kosten per deelnemer (maaltijd, consumpties) zijn 15 EUR en zijn inbegrepen in de deelnameprijs. Hoeveel personen moeten meegaan om aan dit initiatief geen financiële kater over te houden? Hoeveel deelnemers zijn nodig om een overschot van 60 EUR te hebben? Elke deelnemer betaalt 25 EUR en kost 15 EUR. De contributiemarge per deelnemer bedraagt 10 EUR. Er is 30 maal 10 EUR nodig om de vaste kosten, 300 EUR, te dekken. In formulevorm: 300 EUR (TFK) gedeeld door (25 EUR (p) min 15 EUR (GVK)) = 30 deelnemers. Om een overschot van 60 EUR te hebben zijn 36 deelnemers nodig. In formulevorm: 300 EUR (TFK) + 60 EUR (beoogd overschot of winst) gedeeld door 10 EUR = 36 deelnemers. 7

8 Vraag 7 Een club van personeelswerkers organiseert een studiedag over diversiteitsmanagement. De inschrijvingsprijs bedraagt 12 EUR, inclusief een maaltijd van 7 EUR. De uitnodigingskosten belopen 150 EUR, de huur van de zaal 50 EUR en de vergoeding van de spreker 150 EUR. Hoeveel inschrijvingen en betalingen zijn er nodig om uit de kosten te geraken? De vaste kosten bedragen 350 EUR (150 EUR voor de uitnodigingen, 50 EUR voor de zaal en 150 EUR voor de spreker). Daarbij komen variabele kosten voor de maaltijden, 7 EUR per deelnemer. Om uit de kosten te geraken zijn 70 inschrijvingen nodig. De contributiemarge per betaalde inschrijving bedraagt 12 EUR min 7 EUR = 5 EUR. Er is 70 maal 5 EUR nodig om de vaste kosten te dekken. In formulevorm: 350 EUR (TFK) gedeeld door (12 EUR (p) min 7 EUR (GVK)) = 70 deelnemers. 8

9 Hoofdstuk 6 Vraag 3 Welke invloed hebben de volgende situaties of maatregelen op de prijs van de betrokken goederen? het mislukken van de kersenoogst; een verwachte prijsstijging van stookolie; Deze beide situaties zullen de prijs van de betrokken goederen doen stijgen, bij de kersen door een verschuiving van de aanbodcurve naar links, bij de stookolie door een verschuiving van de vraagcurve naar rechts. Vraag 4 Veronderstel een markt met volkomen concurrentie waarop een normaal goed wordt verhandeld. Bespreek en illustreer grafisch de veranderingen in het marktevenwicht: als de arbeidsproductiviteit stijgt, c.p.; als het inkomen van de consumenten toeneemt, c.p.; als beide zich tegelijkertijd voordoen. Als de arbeidsproductiviteit stijgt en daardoor het niveau van de productiekosten, zijn de aanbieders bereid om tegen dezelfde marktprijs meer aan te bieden; de aanbodcurve verschuift naar rechts; bij de oorspronkelijke marktprijs is het aanbod nu groter dan de vraag en zal de prijs dalen tot een nieuw evenwicht bereikt is tussen de gevraagde en de aangeboden hoeveelheid. De omvang van de prijsdaling en de toename van de geruilde hoeveelheid is afhankelijk van de prijselasticiteit van de vraag. Als het inkomen van de consumenten toeneemt en daardoor de koopkracht verhoogt, vragen de consumenten meer normale goederen; de vraagcurve verschuift naar rechts; bij de oorspronkelijke marktprijs is de vraag nu groter dan het aanbod en zal de prijs stijgen tot een nieuw evenwicht bereikt is tussen de gevraagde en de aangeboden hoeveelheid. De omvang van de prijsstijging en de toename van de geruilde hoeveelheid is afhankelijk van de prijselasticiteit van het aanbod. Als het aanbod en de vraag tegelijkertijd (en zeker wanneer dit gebeurt in ongeveer dezelfde mate) toenemen en verschuiven naar rechts zal de prijsverandering beperkt zijn en zal vooral de geruilde hoeveelheid toenemen. Vraag 7 Het opleggen van maximumprijzen en van minimumprijzen kan de werking van het marktmechanisme verstoren. Verklaar waarom. Een maximumprijs ligt onder de normale evenwichtsprijs. Bij de maximumprijs blijft de vraag groter dan het aanbod en is er dus geen evenwicht. De overheid kan dan i.p.v. de prijs toch te laten stijgen ervoor zorgen dat er bij de maximumprijs een evenwicht wordt nagestreefd door met andere maatregelen de vraag te beperken of het aanbod te doen toenemen. Een minimumprijs ligt boven de normale evenwichtsprijs. Bij de minimumprijs blijft het aanbod groter dan de vraag. De overheid kan er dan voor zorgen dat er bij de minimumprijs een evenwicht wordt nagestreefd door met andere maatregelen dan een prijsdaling het aanbod te verminderen en de vraag te doen stijgen. 9

10 Hoofdstuk 7 Vraag 3 Beantwoorden overschrijvingsformulieren en betaalkaarten aan de definitie van geld? Geld heeft drie functies: het is rekeneenheid, betaalmiddel (ruilmiddel) en spaarmiddel (het is mogelijk om zijn vermogen te bewaren in de vorm van geld). Overschrijvingsformulieren en betaalkaarten zijn betalingsinstrumenten maar geen geld, want ze kunnen niet gebruikt worden als spaarmiddel. Als je een betaling uitvoert met een overschrijving of met een bankkaart is er slechts geldverplaatsing als het geld van je rekening afgehaald wordt. Vraag 4 Wat zijn momenteel de geldscheppende instellingen en welk geld wordt er door wie gecreëerd? Er zijn in de Europese Unie twee soorten geldscheppende instellingen: De Europese Centrale Bank heeft het monopolie op het scheppen van chartaal geld en ze beïnvloedt het geldscheppend vermogen van de privébanken. Privébanken creëren giraal geld, o.a. op basis van de hoeveelheid chartaal geld die de Europese Centrale Bank in omloop brengt. Vraag 5 Als geld op een spaarboekje in een bepaald jaar nominaal 1,5 % interest opbrengt en de inflatie bedraagt in datzelfde jaar 3 %, is er dan sprake van een reële opbrengst? Neen. Het nominale bedrag van het geld wordt niet kleiner, maar verliest wel aan koopkracht. Vraag 6 Is het opleggen van een algemene prijzenstop effectief in de strijd tegen inflatie? Het opleggen van een algemene prijzenstop verandert niets aan de fundamentele oorzaken van de inflatie en is daarom niet effectief. Die oorzaken zijn, naargelang van de soort inflatie waarmee we te maken hebben, gelegen in een te snelle aangroei van de geldhoeveelheid, in een te snelle toename van de vraag (bestedingen) of in kostenstijgingen (loonkosten, winsten of ingevoerde inflatie). 10

11 Hoofdstuk 11 Vraag 3 Veronderstel dat het bevolkingsaantal in een land 10 miljoen bedraagt, waarvan 1,5 miljoen jonger is dan 15 jaar en 1,8 miljoen ouder dan 64 jaar. De totale beroepsbevolking telt 4,8 miljoen mensen en het effectief aantal werkenden bedraagt 4,2 miljoen. Hoe groot is de bevolking op werkbekwame leeftijd? Bereken het aantal werklozen en de werkgelegenheidsgraad. De bevolking op werkbekwame leeftijd bedraagt 6,7 miljoen personen (10 miljoen min 1,5 jongeren en 1,8 miljoen ouderen). Het aantal werklozen is (4,8 miljoen personen in de totale beroepsbevolking, min 4,2 miljoen werkenden) en de werkgelegenheidsgraad bedraagt afgerond 62,7 procent (4,2 miljoen gedeeld door 6,7 miljoen). Opmerking: hier wordt impliciet aangenomen dat de werkenden ook voltijds werken. 11

12 Hoofdstuk 16 Vraag 2 Op welk onderdeel van de betalingsbalans worden de volgende verrichtingen geregistreerd? de import van petroleum: op de lopende rekening (goederenbalans) de uitgaven voor buitenlands toerisme: op de lopende rekening (dienstenbalans) ontwikkelingshulp aan arme landen: op de lopende rekening (lopende overdrachten) de interesten op buitenlandse beleggingen: op de lopende rekening (inkomensrekening) het betalen van lonen aan grensarbeiders: op de lopende rekening (inkomensrekening) het oprichten van dochterbedrijven in het buitenland: op de kapitaalrekening Vraag 4 Waarom en hoe kan deviezenspeculatie wisselkoersschommelingen versterken? Wanneer speculanten zich verwachten aan een stijging van de wisselkoers van een bepaalde munt, zullen zij deze munt aankopen, op de gewone wisselmarkt of op de futures markt. Daardoor stijgt de vraag naar die munt en stijgt de wisselkoers nog verder. Wanneer speculanten zich verwachten aan een daling van de wisselkoers van een bepaalde munt, zullen zij die munt verkopen. Daardoor stijgt het aanbod van die munt en daalt de vraag, waardoor de wisselkoers van deze munt nog verder daalt. 12

13 Hoofdstuk 17 Vraag 3 Waarom ontvangen bepaalde lage-inkomenslanden zo weinig directe buitenlandse investeringen? Soms wordt gedacht dat buitenlandse investeerders hun beslissingen enkel baseren op de hoogte van de loonkosten in potentiële vestigingslanden. De loonkosten in de lage-inkomenslanden zijn laag en op grond daarvan zou men kunnen verwachten dat buitenlandse investeerders zich bij voorkeur daar zullen vestigen. De cijfers over de verdeling van de directe buitenlandse investeringen wijzen op het tegendeel. Dat wijst erop dat investeringsbeslissingen lang niet alleen afhankelijk zijn van het al of niet voorkomen van lage loonkosten. De lage-inkomenslanden hebben vanuit het standpunt van buitenlandse investeerders veel nadelen: Lage lonen zijn daar een gevolg van de lage productiviteit van de arbeidskrachten daardoor liggen de kosten per eenheid product toch hoger dan in landen met eventueel hogere loonkosten maar ook een veel hogere productiviteit. De slechte infrastructuur is een tweede handicap: het ontbreken van goede wegen en havens, een onbetrouwbare energievoorziening enz. maken investeren nog minder interessant. De bevolking in de lage-inkomenslanden is over het algemeen laag geschoold dat is mede een verklaring voor de lage productiviteit van de arbeidskrachten. Veel lage-inkomenslanden worden gekenmerkt door zwakke politieke en maatschappelijke structuren (juridisch systeem, gezondheidszorg enz.) en die veroorzaken onzekerheid bij buitenlandse investeerders. De lage-inkomenslanden hebben per definitie een beperkte binnenlandse vraag, waardoor nog een eventuele aantrekkingsfactor voor buitenlandse investeringen wegvalt. Daarenboven hebben veel lage-inkomenslanden ook geen interessante grondstoffen die buitenlandse investeerders zouden kunnen aantrekken. Een bijkomend gegeven is of het betrokken land ingeschakeld is in de wereldeconomie en beschikt over netwerken. De investeringsboom in China is op gang getrokken door Chinezen uit Hong Kong, Taiwan en Singapore. De belangrijkste investeerders in India waren uitgeweken Indiërs uit Engeland en de VS. India was lange tijd een lage-inkomensland, maar vandaag zijn Indiërs de wereldspelers in bv. de staalindustrie (Mittal) en de diamant. 13

Inleiding tot de economie (HIR(b)) VERBETERING Test 14 november 2008 1

Inleiding tot de economie (HIR(b)) VERBETERING Test 14 november 2008 1 Inleiding tot de economie (HIR(b)) VERBETERING Test 14 november 2008 1 Vraag 1 (H1-14) Een schoenmaker heeft een paar schoenen gerepareerd en de klant betaalt voor deze reparatie 16 euro. De schoenmaker

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 havo 2000-I

Eindexamen economie 1 havo 2000-I Opgave 1 Meer mensen aan de slag Het terugdringen van de werkloosheid is in veel landen een belangrijke doelstelling van de overheid. Om dat doel te bereiken, streeft de overheid meestal naar groei van

Nadere informatie

Lesbrief Verdienen en uitgeven 2 e druk

Lesbrief Verdienen en uitgeven 2 e druk Hoofdstuk 1. Inkomen verdienen 1.22 1.23 1.24 1.25 1.26 1.27 1.28 1.29 1.30 1.31 1.32 1.33 1.34 D A C C A D B A D D B C D 1.35 a. 1.000.000 425.000 350.000 40.000 10.000 30.000 = 145.000. b. 1.000.000

Nadere informatie

Domein GTST havo. 1) Gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland; of anders geformuleerd: (C + I + O + E M)

Domein GTST havo. 1) Gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland; of anders geformuleerd: (C + I + O + E M) 1) Geef de omschrijving van trendmatige groei. 2) Wat houdt conjunctuurgolf in? 3) Noem 5 conjunctuurindicatoren. 4) Leg uit waarom bij hoogconjunctuur de bedrijfswinsten zullen stijgen. 5) Leg uit waarom

Nadere informatie

Examen HAVO. Economie 1

Examen HAVO. Economie 1 Economie 1 Examen HAVO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Tijdvak 2 Woensdag 21 juni 13.30 16.00 uur 20 00 Dit examen bestaat uit 31 vragen. Voor elk vraagnummer is aangegeven hoeveel punten met een goed

Nadere informatie

Remediëringstaak: Vraag en aanbod

Remediëringstaak: Vraag en aanbod Remediëringstaak: Vraag en aanbod 1. Studeer opnieuw de leerstof van vraag en aanbod in. Tracht steeds zeer inzichtelijk te studeren: ga na dat je alle redeneringen die we in de klas / cursus maakten snapt.

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-II Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Voorbeelden van een juist antwoord zijn: kosten van politie-inzet

Nadere informatie

Domein D: markt. 1) Nee, de prijs wordt op de markt bepaald door het geheel van vraag en aanbod.

Domein D: markt. 1) Nee, de prijs wordt op de markt bepaald door het geheel van vraag en aanbod. 1) Geef 2 voorbeelden van variabele kosten. 2) Noem 2 voorbeelden van vaste (=constante) kosten. 3) Geef de omschrijving van marginale kosten. 4) Noem de 4 (macro-economische) productiefactoren. 5) Hoe

Nadere informatie

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)!

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Vragen aangeduid met een * toetsen in het bijzonder het inzicht en toepassingsvermogen. Deze vragenreeksen zijn vrij beschikbaar.

Nadere informatie

I. Vraag en aanbod. Grafisch denken over micro-economische onderwerpen 1 / 6. fig. 1a. fig. 1c. fig. 1b P 4 P 1 P 2 P 3. Q a Q 1 Q 2.

I. Vraag en aanbod. Grafisch denken over micro-economische onderwerpen 1 / 6. fig. 1a. fig. 1c. fig. 1b P 4 P 1 P 2 P 3. Q a Q 1 Q 2. 1 / 6 I. Vraag en aanbod 1 2 fig. 1a 1 2 fig. 1b 4 4 e fig. 1c f _hoog _evenwicht _laag Q 1 Q 2 Qv Figuur 1 laat een collectieve vraaglijn zien. Een punt op de lijn geeft een bepaalde combinatie van de

Nadere informatie

1 Aanbodfunctie. 2 Afschrijvingskosten Asymmetrische 3 informatie

1 Aanbodfunctie. 2 Afschrijvingskosten Asymmetrische 3 informatie 1 Aanbodfunctie 2 Afschrijvingskosten Asymmetrische 3 informatie Het verband tussen prijs een aangeboden hoeveelheid kun je weergeven met een vergelijking: de aanbodfunctie. De jaarlijkse waardevermindering

Nadere informatie

Economie module 1. Hoofdstuk 1: Voor niks gaat de zon op.

Economie module 1. Hoofdstuk 1: Voor niks gaat de zon op. Economie module 1. Hoofdstuk 1: Voor niks gaat de zon op. Economie gaat in essentie over het maken van keuzes. De behoeften van mensen zijn onbegrensd, maar hun middelen zijn beperkt. Door dit spanningsveld

Nadere informatie

Domein D: markt (module 3) vwo 4

Domein D: markt (module 3) vwo 4 1. Noem 3 kenmerken van een marktvorm met volkomen concurrentie. 2. Waaraan herken je een markt met volkomen concurrentie? 3. Wat vormt het verschil tussen een abstracte en een concrete markt? 4. Over

Nadere informatie

De wensen van mensen zijn onbegrensd. Hoe noemen we in de economie deze wensen? BEHOEFTEN. Categorie Vraag & Antwoord

De wensen van mensen zijn onbegrensd. Hoe noemen we in de economie deze wensen? BEHOEFTEN. Categorie Vraag & Antwoord Categorie Vraag & Antwoord De wensen van mensen zijn onbegrensd. Hoe noemen we in de economie deze wensen? BEHOEFTEN Er zijn te weinig middelen om in alle behoeften te kunnen voorzien. Hoe heet dit verschijnsel?

Nadere informatie

Inleiding tot de economie Test december 2008 H17 tem H25 VERBETERING 1

Inleiding tot de economie Test december 2008 H17 tem H25 VERBETERING 1 Inleiding tot de economie Test december 2008 H17 tem H25 VERBETERING 1 Vraag 1 Bin. Munt/Buit. munt Hoeveelheid buitenlandse munt Beschouw bovenstaande grafiek met op de Y-as de hoeveelheid binnenlandse

Nadere informatie

Valutamarkt. fransetman.nl

Valutamarkt. fransetman.nl euro in dollar wisselkoers Wisselkoers (ontstaat op valutamarkt) Waarde van een munt uitgedrukt in een andere munt Waardoor kan de vraag naar en het aanbod van veranderen? De wisselkoers van de euro in

Nadere informatie

Domein D: markt. 1) Noem de 4 (macro-economische) productiefactoren. 2) Groepeer de micro-economische productiefactoren bij de macroeconomische

Domein D: markt. 1) Noem de 4 (macro-economische) productiefactoren. 2) Groepeer de micro-economische productiefactoren bij de macroeconomische 1) Noem de 4 (macro-economische) productiefactoren. 2) Groepeer de micro-economische productiefactoren bij de macroeconomische productiefactoren. 3) Hoe ontwikkelt de gemiddelde arbeidsproductiviteit als

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I VAK: ECONOMIE 1 NIVEAU: VWO EXAMEN: 2001-I De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen.

Nadere informatie

Module 8 havo 5. Hoofdstuk 1 conjunctuurbeweging

Module 8 havo 5. Hoofdstuk 1 conjunctuurbeweging Module 8 havo 5 Hoofdstuk 1 conjunctuurbeweging Economische conjunctuur hoogconjunctuur Reëel binnenlands product groeit procentueel sterker dan gemiddeld. laagconjunctuur Reëel binnenlands product groeit

Nadere informatie

Als de lonen dalen, dalen de loonkosten voor de producent. Hetgeen kan betekenen dat de producent niet overgaat tot mechanisatie/automatisering.

Als de lonen dalen, dalen de loonkosten voor de producent. Hetgeen kan betekenen dat de producent niet overgaat tot mechanisatie/automatisering. Top 100 vragen. De antwoorden! 1 Als de lonen stijgen, stijgen de productiekosten. De producent rekent de hogere productiekosten door in de eindprijs. Daardoor daalt de vraag naar producten. De productie

Nadere informatie

1 De bepaling van de optimale productiegrootte

1 De bepaling van de optimale productiegrootte 1 De bepaling van de optimale productiegrootte Voor wat zorgen de bedrijven en welk probleem treed zich op? De bedrijven zorgen voor het produceren van goederen en diensten. Er treed een keuzeprobleem

Nadere informatie

Economie Module 2 & Module 3 H1

Economie Module 2 & Module 3 H1 Economie Module 2 & Module 3 H1 Module 2 1.1 De individuele vraag Individuele vraaglijn kent een dalend verloop: als de prijs daalt, stijgt als gevolg daarvan de gevraagde hoeveelheid. Men wil voor 1 appel

Nadere informatie

pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD

pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD De macro-vraaglijn of geaggregeerde vraaglijn geeft het verband weer tussen het algemeen prijspeil en de gevraagde hoeveelheid binnenlands product. De macro-vraaglijn

Nadere informatie

20.1 Wat is economische groei?!

20.1 Wat is economische groei?! 20.1 Wat is economische groei? Om te beoordelen of er geproduceerd is, moet het BBP worden gecorrigeerd voor de inflatie. BBP is de totale product door binnenlandse sectoren. We vinden dan de toename van

Nadere informatie

Keuzeonderwerp. Keynesiaans model. Gesloten /open economie zonder/met overheid met arbeidsmarkt. fransetman.nl

Keuzeonderwerp. Keynesiaans model. Gesloten /open economie zonder/met overheid met arbeidsmarkt. fransetman.nl Keuzeonderwerp Keynesiaans model Gesloten /open economie zonder/met overheid met arbeidsmarkt Vraag op de goederenmarkt Alleen gezinnen en bedrijven kopen op de goederenmarkt. C = 0,6 Y Aa = 4 mln mensen

Nadere informatie

= de ruilverhouding tussen 2 munten De wisselkoers is de prijs van een buitenlandse valuta uitgedrukt in de valuta van het eigen land.

= de ruilverhouding tussen 2 munten De wisselkoers is de prijs van een buitenlandse valuta uitgedrukt in de valuta van het eigen land. 1 De wisselmarkt 1.1 Begrip Wisselkoers = de ruilverhouding tussen 2 munten De wisselkoers is de prijs van een buitenlandse valuta uitgedrukt in de valuta van het eigen land. bv: prijs van 1 USD = 0,7

Nadere informatie

Eindexamen havo economie oud programma 2012 - I

Eindexamen havo economie oud programma 2012 - I Opgave 1 Beleggingen leiden tot inkomensverschillen Aangetrokken door voorspoedige ontwikkelingen op de effectenbeurs, zijn in een land de mensen steeds meer gaan beleggen in aandelen en obligaties. Mede

Nadere informatie

Goede tijden, slechte tijden. Soms zit het mee, soms zit het tegen

Goede tijden, slechte tijden. Soms zit het mee, soms zit het tegen Slides en video s op www.jooplengkeek.nl Goede tijden, slechte tijden Soms zit het mee, soms zit het tegen 1 De toegevoegde waarde De toegevoegde waarde is de verkoopprijs van een product min de ingekochte

Nadere informatie

1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet.

1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet. AANVULLENDE SPECIFIEKE TIPS ECONOMIE VWO 2007 1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet. : Leg uit dat loonmatiging in een open economie kan leiden tot

Nadere informatie

Examen HAVO en VHBO. Economie 1,2 oude en nieuwe stijl

Examen HAVO en VHBO. Economie 1,2 oude en nieuwe stijl Economie 1,2 oude en nieuwe stijl Examen HAVO en VHBO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Vooropleiding Hoger Beroeps Onderwijs HAVO Tijdvak 2 VHBO Tijdvak 3 Woensdag 21 juni 13.30 16.30 uur 20 00 Dit

Nadere informatie

1 De economische kringloop

1 De economische kringloop 1 De economische kringloop Wat is Marco-economonie? Studie van het verband tussen Gezinnen Bedrijven Overheid Buitenland Welke soorten economische vraagstukken hebben we? Productie Werkloosheid Inflatie

Nadere informatie

Examen HAVO. economie. tijdvak 2 woensdag 23 juni 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage.

Examen HAVO. economie. tijdvak 2 woensdag 23 juni 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage. Examen HAVO 2010 tijdvak 2 woensdag 23 juni 13.30-16.00 uur economie tevens oud programma economie 1,2 Bij dit examen hoort een bijlage. Dit examen bestaat uit 27 vragen. Voor dit examen zijn maximaal

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2000-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2000-II Opgave 1 Uit een krant: Uitzendbranche blijft groeien Uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt dat de uitzendbranche in het eerste kwartaal van 1998 flink is gegroeid. In vergelijking

Nadere informatie

3.2 De omvang van de werkgelegenheid

3.2 De omvang van de werkgelegenheid 3.2 De omvang van de werkgelegenheid Particuliere bedrijven en overheidsbedrijven nemen mensen in dienst. Collectieve sector = Semicollectieve sector = De overheden op landelijk, provinciaal en lokaal

Nadere informatie

Antwoorden stencils OPGAVE 1 11.313 pond. (36,41%) 1,48 miljard als het BNP in procenten harder is gestegen dan het bedrag in ponden in procenten

Antwoorden stencils OPGAVE 1 11.313 pond. (36,41%) 1,48 miljard als het BNP in procenten harder is gestegen dan het bedrag in ponden in procenten Antwoorden stencils OPGAVE 1 1. Nominaal Inkomen 1996 = 25,34 miljard pond x 1,536 = 38,92224 miljard pond Bevolkingsomvang 1996 = 3.340.000 x 1,03 = 3.440.200 Nominaal Inkomen per hoofd = 38,92224 miljard

Nadere informatie

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)!

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Vragen aangeduid met een * toetsen in het bijzonder het inzicht en toepassingsvermogen. Deze vragenreeksen zijn vrij beschikbaar.

Nadere informatie

Domein Goede Tijden, Slechte Tijden

Domein Goede Tijden, Slechte Tijden Domein Goede Tijden, Slechte Tijden Zie steeds de eenvoud!! havo Frans Etman Hoog- of laagconjunctuur Het Centraal Bureau van de Statistiek (CBS) heeft 2 filmpjes gemaakt over de indicatoren van de economie.

Nadere informatie

Domein Goede Tijden, Slechte Tijden

Domein Goede Tijden, Slechte Tijden Domein Goede Tijden, Slechte Tijden Zie steeds de eenvoud!! vwo Frans Etman Hoog- of laagconjunctuur Het Centraal Bureau van de Statistiek (CBS) heeft 2 filmpjes gemaakt over de indicatoren van de economie.

Nadere informatie

Eindexamen economie havo II

Eindexamen economie havo II Opgave 1 Buitenland en overheid in de kringloop In de economische wetenschap wordt gebruikgemaakt van modellen. Een kringloopschema is een model waarmee een vereenvoudigd beeld van de economie van een

Nadere informatie

wisselkoers Euro in Amerikaanse dollar 1,3644 Hoeveel dollar is 590?

wisselkoers Euro in Amerikaanse dollar 1,3644 Hoeveel dollar is 590? wisselkoers Euro in Amerikaanse dollar 1,3644 Hoeveel dollar is 590? 1,3644 * 590 = $805 2300 is dan 1,3644 * 2300 =$3138,12 Hoeveel euro is $789? 1,3644 dollar = 1 euro $789 / 1,3644 =578,28 euro Bereken

Nadere informatie

Domein Markt. Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit. vwo Frans Etman

Domein Markt. Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit. vwo Frans Etman Domein Markt Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit vwo Frans Etman Opgave 1 Opgave 2 1.Lees in de grafiek af hoe hoog de totale omzet (TO) en de totale kosten (TK) is bij een afzet van 3 producten,

Nadere informatie

CPI = 122,5 Wat zegt dit? Hoe bereken je dit? Categorieën Aandeel Prijsstijging Optelling. Voeding 40% 10% Kleding 35% -5% Overig 0 CPI 102,25

CPI = 122,5 Wat zegt dit? Hoe bereken je dit? Categorieën Aandeel Prijsstijging Optelling. Voeding 40% 10% Kleding 35% -5% Overig 0 CPI 102,25 CPI = 122,5 Wat zegt dit? Hoe bereken je dit? Categorieën Aandeel Prijsstijging Optelling Voeding 40% 10% Kleding 35% -5% Overig 0 CPI 102,25 ConsumentenPrijsIndexcijfer Consumenten Prijsindexcijfer in

Nadere informatie

DOMEIN E: RUILEN OVER DE TIJD. Module 4 Nu en later

DOMEIN E: RUILEN OVER DE TIJD. Module 4 Nu en later DOMEIN E: RUILEN OVER DE TIJD Module 4 Nu en later Inflatie Definitie: stijging van het algemeen prijspeil Gevolgen van inflatie koopkracht neemt af Verslechtering internationale concurrentiepositie Bij

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2005-II

Eindexamen economie 1 vwo 2005-II Opgave 1 Quartaire sector onder vuur In de periode 1998-2001 steeg de arbeidsproductiviteit in de Nederlandse economie. Die productiviteitsstijging was niet in iedere sector even groot, zoals blijkt uit

Nadere informatie

Examen HAVO en VHBO. Economie

Examen HAVO en VHBO. Economie Economie Examen HAVO en VHBO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Vooropleiding Hoger Beroeps Onderwijs HAVO Tijdvak 2 VHBO Tijdvak 3 Dinsdag 22 juni 13.30 16.30 uur 19 99 Dit examen bestaat uit 37 vragen.

Nadere informatie

http://www.economiepagina.com - Alle nuttige economielinks bij elkaar!

http://www.economiepagina.com - Alle nuttige economielinks bij elkaar! Opgave 1 Gulden (ƒ) wordt euro ( ) Geld is een (1) aanvaard ruilmiddel. De maatschappelijke geldhoeveelheid in Nederland bestaat uit munten, bankbiljetten en (2). De komende jaren worden de functies van

Nadere informatie

Modulefiche. Begincompetenties Geen voorkennis vereist. Eindcompetenties. Modulenummer + Naam module: B1 Bedrijfsbeheer. Datum: 25 januari 2012

Modulefiche. Begincompetenties Geen voorkennis vereist. Eindcompetenties. Modulenummer + Naam module: B1 Bedrijfsbeheer. Datum: 25 januari 2012 Modulefiche Modulenummer + Naam module: B1 Bedrijfsbeheer Datum: 25 januari 2012 Economie (40 lestijden) Begincompetenties Geen voorkennis vereist Eindcompetenties Consumentengedrag Inzicht hebben in het

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2004-I

Eindexamen economie 1-2 havo 2004-I 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juist antwoord

Nadere informatie

Grafieken Economie Hoofdstuk 7

Grafieken Economie Hoofdstuk 7 Economie: Grafieken Hoofdstuk 7 1 Inhoud Grafieken Economie Hoofdstuk 7 door ieter Nobels ONDERNEMERSGEDRG BIJ OLKOMEN CONCURRENTIE... 3 GLOBL MRKTEENWICHT... 3 ERSCHUIINGEN N RG- EN NBODCURE (GLOBLE MRKT)...

Nadere informatie

p1 = 20 euro p2 =10 euro Budget = 100 euro Stel budgetvergelijking op en teken budgetlijn Budgetvergelijking: B = 20q 1 + 10q 2 Budgetlijn.

p1 = 20 euro p2 =10 euro Budget = 100 euro Stel budgetvergelijking op en teken budgetlijn Budgetvergelijking: B = 20q 1 + 10q 2 Budgetlijn. 1. Wat zijn behoeften? 2. Waarom is er sprake van schaarste bij behoeften? 3. Leg uit waarom netto-baten een beter begrip bij te keuzen maken dan baten. 4. Leg met een voorbeeld uit wat alternatief aanwendbaar

Nadere informatie

H1: Economie gaat over..

H1: Economie gaat over.. H1: Economie gaat over.. 1: Belangen Geld is voor de economie een smeermiddel, door het gebruik van geld kunnen we handelen, sparen en goederen prijzen. Belangengroep Belang = Ze komen op voor belangen

Nadere informatie

1. Leg uit dat het sparen door gezinnen een voorbeeld is van ruilen in de tijd. 2. Leg uit waarom investeren door bedrijven als ruilen over de tijd beschouwd kan worden. 3. Wat is intertemporele substitutie?

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-II

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-II 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juiste berekening

Nadere informatie

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl)

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl) Economie 1 (nieuwe stijl) Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 2 Woensdag 19 juni 13.3 16.3 uur 2 2 Voor dit examen zijn maximaal 63 punten te behalen; het examen bestaat uit 32

Nadere informatie

1)Waaruit bestaat de vraag op de Werkenden en arbeidsmarkt? (openstaande)vacatures. 2)Noem een ander woord voor Werkenden werkgelegenheid.

1)Waaruit bestaat de vraag op de Werkenden en arbeidsmarkt? (openstaande)vacatures. 2)Noem een ander woord voor Werkenden werkgelegenheid. 1 1)Waaruit bestaat de vraag op de arbeidsmarkt? 2)Noem een ander woord voor werkgelegenheid. 3)Wie vragen arbeid? 4)Met welk woord wordt het aanbod van arbeid ook aangeduid? 5)Geef de omschrijving van

Nadere informatie

HOOFDSTUK 19: OEFENINGEN

HOOFDSTUK 19: OEFENINGEN 1 HOOFDSTUK 19: OEFENINGEN 1. Op de beurs van New York worden de volgende koersen genoteerd : 100 JPY = 0,8 USD ; 1 GBP = 1,75 USD en 1 euro = 0,9273 USD. In Tokyo is de notering 1 USD = 140 JPY. In Londen

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2002-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2002-II 4 Antwoordmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juiste berekening is: 1,5

Nadere informatie

Modulefiche. Naam module: Bedrijfsbeheer (A3) Datum: 1 september 2012 ECONOMIE. Begincompetenties: Geen

Modulefiche. Naam module: Bedrijfsbeheer (A3) Datum: 1 september 2012 ECONOMIE. Begincompetenties: Geen Naam module: Bedrijfsbeheer (A3) Datum: 1 september 2012 ECONOMIE Begincompetenties: Geen Modulefiche Leerinhoud: Consumentengedrag o Inleidende begrippen Behoefte Schaarste Nuttigheid en keuzeprobleem

Nadere informatie

Handel (tastbare goederen) 61 35 + 26 Diensten (transport, toerisme, ) 5 4 + 1 Primaire inkomens (rente, dividend, ) 11 3 + 8

Handel (tastbare goederen) 61 35 + 26 Diensten (transport, toerisme, ) 5 4 + 1 Primaire inkomens (rente, dividend, ) 11 3 + 8 betalingsbalans Zweden behoort tot de EU maar (nog) niet tot de EMU. Dat maakt Zweden een leuk land voor opgaven over wisselkoersen, waarbij een vrij zwevende kroon overgaat naar een kroon met een vaste

Nadere informatie

1 Markt en marktvormen

1 Markt en marktvormen 1 Markt en marktvormen Wat is het verschil tussen een markt en een marktvorm? Markt= Concrete markt, plaats waar vragers en aanbieders van een bepaald goed elkaar ontmoeten en transacties afsluiten Marktvorm

Nadere informatie

Rente de prijs van tijd. Als rente hoger is dan de opofferingskosten individuele prijs van tijd niet lenen maar sparen

Rente de prijs van tijd. Als rente hoger is dan de opofferingskosten individuele prijs van tijd niet lenen maar sparen Rente de prijs van tijd. Als rente hoger is dan de opofferingskosten individuele prijs van tijd niet lenen maar sparen Ruilen over de tijd Intertemporele substitutie Bedrijven lenen geld om te investeren

Nadere informatie

DE PERFECTE STORM Hoe de economische crisis de wereld overviel en vooral: hoe we eruit geraken Gert Peersman & Koen Schoors Universiteit Gent

DE PERFECTE STORM Hoe de economische crisis de wereld overviel en vooral: hoe we eruit geraken Gert Peersman & Koen Schoors Universiteit Gent DE PERFECTE STORM Hoe de economische crisis de wereld overviel en vooral: hoe we eruit geraken Gert Peersman & Koen Schoors Universiteit Gent 1 2 De Perfecte Storm Samenloop van drie crisissen die economische

Nadere informatie

Proeftoets Economische Bedrijfsomgeving

Proeftoets Economische Bedrijfsomgeving Proeftoets Economische Bedrijfsomgeving 1. Schaarste heeft in de economie een andere betekenis dan in het normale spraakgebruik. We spreken in de economie van schaarste als: a. De behoeften beperkt en

Nadere informatie

Ruilen over de tijd (havo)

Ruilen over de tijd (havo) 1. Leg uit dat het sparen door gezinnen een voorbeeld is van ruilen in de tijd. 2. Leg uit waarom investeren door bedrijven als ruilen over de tijd beschouwd kan worden. 3. Wat is intertemporele substitutie?

Nadere informatie

Consumptieve bestedingen van de particulieren 2.0 2.6 1.4 Consumptieve bestedingen van de overheid 0.0 2.1 2.6 Bruto vaste kapitaalvorming 4.2 5.9 4.

Consumptieve bestedingen van de particulieren 2.0 2.6 1.4 Consumptieve bestedingen van de overheid 0.0 2.1 2.6 Bruto vaste kapitaalvorming 4.2 5.9 4. Kerncijfers voor de Belgische economie Wijzigingspercentages in volume - tenzij anders vermeld Consumptieve bestedingen van de particulieren 2.0 2.6 1.4 Consumptieve bestedingen van de overheid 0.0 2.1

Nadere informatie

Eindexamen economie vwo 2010 - I

Eindexamen economie vwo 2010 - I Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Een antwoord waaruit

Nadere informatie

Domein Markt. Uitwerking. Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit. Frans Etman

Domein Markt. Uitwerking. Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit. Frans Etman Domein Markt Zie steeds de eenvoud!! totale winst, elasticiteit Uitwerking vwo Frans Etman Opgave 1 Opgave 2 1.Lees in de grafiek af hoe hoog de totale omzet (TO) en de totale kosten (TK) is bij een afzet

Nadere informatie

Domein E: Concept Ruilen over de tijd

Domein E: Concept Ruilen over de tijd 1. Het bruto binnenlands product is gestegen met 0,9%. Het inflatiepercentage bedraagt 2,1%. Bereken de reële groei van het BBP. 2. Waarmee wordt het inflatiepercentage gemeten? 3. Lees de onderstaande

Nadere informatie

Examen HAVO en VHBO. Economie

Examen HAVO en VHBO. Economie Economie Examen HAVO en VHBO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Vooropleiding Hoger Beroeps Onderwijs HAVO Tijdvak 1 VHBO Tijdvak 2 Woensdag 19 mei 13.30 16.30 uur 19 99 Dit examen bestaat uit 36 vragen.

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2008-II

Eindexamen economie 1-2 vwo 2008-II Beoordelingsmodel Opgave 1 1 maximumscore 1 (primaire) inkomensrekening 2 maximumscore 2 Voorbeelden van een juist antwoord zijn: De nieuwe productie-eenheid trekt ook toeleveringsbedrijven aan die zorgen

Nadere informatie

Vraag 11. q 1 MK, MO MK ECONOMIE, EEN INLEIDING 2010 1 - WAAROVER EN HOE SPREKEN ECONOMEN? S. COSAERT, A. DECOSTER & T. PROOST

Vraag 11. q 1 MK, MO MK ECONOMIE, EEN INLEIDING 2010 1 - WAAROVER EN HOE SPREKEN ECONOMEN? S. COSAERT, A. DECOSTER & T. PROOST Vraag 11 MK, MO MK MO Beschouw bovenstaande figuur. De onderneming produceert een hoeveelheid q 1. Beoordeel de volgende uitspraken: I. De onderneming zal haar winst zien toenemen indien ze meer zou produceren.

Nadere informatie

1ste bach PSW. Economie. 2de semester. uickprinter Koningstraat 13 2000 Antwerpen www.quickprinter.be B14 6.00 EUR

1ste bach PSW. Economie. 2de semester. uickprinter Koningstraat 13 2000 Antwerpen www.quickprinter.be B14 6.00 EUR 1ste bach PSW Economie 2de semester Q uickprinter Koningstraat 13 2000 Antwerpen www.quickprinter.be B14 6.00 EUR Nieuw!!! Online samenvattingen kopen via www.quickprintershop.be Zie vorig semester Werkcolleges,

Nadere informatie

Meerkeuzevragen Schrijf alleen de hoofdletter van het goede antwoord op.

Meerkeuzevragen Schrijf alleen de hoofdletter van het goede antwoord op. Meerkeuzevragen Schrijf alleen de hoofdletter van het goede antwoord op. De economische kringloop Voor de beantwoording van de vragen 1 tot en met 6 moet je soms gebruikmaken van informatiebron 1 in de

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2001-I

Eindexamen economie 1 vwo 2001-I Opgave 1 Hoge druk op de arbeidsmarkt Gedurende een aantal jaren groeide de economie in Nederland snel waardoor de druk op de arbeidsmarkt steeds groter werd. Het toenemende personeelstekort deed de vrees

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2 EXAMEN: 2002-I

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2 EXAMEN: 2002-I TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2 NIVEAU: VWO EXAMEN: 2002-I De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen

Nadere informatie

Macro-economie voor AEO (225P05) Proeftentamen 1

Macro-economie voor AEO (225P05) Proeftentamen 1 Faculteit Economie en Bedrijfskunde Universiteit van Amsterdam Macro-economie voor AEO (225P05) Proeftentamen 1 November 2008 1. Zorg dat er niets op je tafel ligt behalve deze vragenbundel (plus lijsten

Nadere informatie

Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur

Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur Economische wetenschappen 1 en recht Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur 19 99 Dit examen bestaat uit 34 vragen. Voor elk vraagnummer is aangegeven

Nadere informatie

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl)

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl) Economie 1 (nieuwe stijl) Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Donderdag 17 mei 13.30 16.30 uur 20 01 Voor dit examen zijn maximaal 65 punten te behalen; het examen bestaat uit

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2004-II

Eindexamen economie 1 vwo 2004-II Opgave 1 Stoppen met roken!? In een land betalen rokers bij de aanschaf van tabaksproducten een flink bedrag aan indirecte belasting (tabaksbelasting)*. Dat vinden veel mensen terecht omdat de overheid

Nadere informatie

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)!

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Vragen aangeduid met een * toetsen in het bijzonder het inzicht en toepassingsvermogen. Deze vragenreeksen zijn vrij beschikbaar.

Nadere informatie

Extra opgaven hoofdstuk 15

Extra opgaven hoofdstuk 15 Extra opgaven hoofdstuk 15 Opgave 1 Veronderstel dat de oliemarkt wordt beschreven door het onderstaande model (1) q v = 20 p + 16.000 p prijs per vat olie in euro s (2) q a = 20 p q v, q a aangeboden,

Nadere informatie

4.1 De collectieve arbeidsovereenkomst

4.1 De collectieve arbeidsovereenkomst 4.1 De collectieve arbeidsovereenkomst De arbeidsvoorwaarden van veel werknemers zijn vastgelegd in een collectieve arbeidsovereenkomst. Dit is een overeenkomst die per bedrijf of bedrijfstak wordt afgesloten

Nadere informatie

Voorbeeldcasussen workshop DELFI-tool t.b.v. de LWEO Conferentie 2016. Auteurs: Íde Kearney en Robert Vermeulen

Voorbeeldcasussen workshop DELFI-tool t.b.v. de LWEO Conferentie 2016. Auteurs: Íde Kearney en Robert Vermeulen Voorbeeldcasussen workshop DELFI-tool t.b.v. de LWEO Conferentie 2016. Auteurs: Íde Kearney en Robert Vermeulen De voorbeelden in de casussen zijn verzonnen door de auteurs en komen niet noodzakelijkerwijs

Nadere informatie

Examen HAVO. economie. tijdvak 1 woensdag 16 mei 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage.

Examen HAVO. economie. tijdvak 1 woensdag 16 mei 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage. Examen HAVO 2012 tijdvak 1 woensdag 16 mei 13.30-16.00 uur oud programma economie Bij dit examen hoort een bijlage. Dit examen bestaat uit 28 vragen. Voor dit examen zijn maximaal 60 punten te behalen.

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-I

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-I 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Voorbeelden van een juist antwoord

Nadere informatie

Boek 4 Hoofdstuk 7: De overheid en ons inkomen

Boek 4 Hoofdstuk 7: De overheid en ons inkomen Boek 4 Hoofdstuk 7: De overheid en ons inkomen Valt het mee of tegen? a Als Yara een appartement koopt moet ze een hypotheek afsluiten. Hiervoor betaalt ze iedere maand een bepaald bedrag. Dit zijn haar

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2008-I

Eindexamen economie 1-2 havo 2008-I Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 ja De prijselasticiteit

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores. Aan het juiste antwoord op een meerkeuzevraag wordt één punt toegekend.

Vraag Antwoord Scores. Aan het juiste antwoord op een meerkeuzevraag wordt één punt toegekend. Beoordelingsmodel Aan het juiste antwoord op een meerkeuzevraag wordt één punt toegekend. Bankzaken 1 maximumscore 1 Voorbeeld van een juiste verklaring: De inflatie van 1,6% is een gemiddelde waarin de

Nadere informatie

Inhoud. 1 Inleiding. Markt of overheid. 1 wat is economie? 11 Productiefactoren 11 Schaarste en welvaart 12 2

Inhoud. 1 Inleiding. Markt of overheid. 1 wat is economie? 11 Productiefactoren 11 Schaarste en welvaart 12 2 Inhoud 1 Inleiding 1 wat is economie? 11 Productiefactoren 11 Schaarste en welvaart 12 2 modellen 12 2 Markt of overheid 1 de vraag 14 Prijzen en gevraagde hoeveelheid 14 D De vraagfunctie 14 D Verschuiving

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores

Vraag Antwoord Scores Opgave 1 1 maximumscore 2 Een antwoord waaruit blijkt dat consumenten (bepaalde) aankopen naar voren halen, wanneer ze een hoge / hogere inflatie in de komende periode verwachten. 2 maximumscore 2 Een

Nadere informatie

Aanvullingen havo Lesbrief Vervoer, druk 2012 Hoofdstuk 5

Aanvullingen havo Lesbrief Vervoer, druk 2012 Hoofdstuk 5 Aanvullingen op de havo-lesbrieven druk 2012 n.a.v. wijzigingen in syllabus door CvE De CvE heeft de syllabus van de commissie Hinloopen aangepast. Helaas heeft ze dat gedaan nadat de methodeschrijvers

Nadere informatie

Module 7 Antwoorden. Experimenteel lesprogramma nieuwe economie

Module 7 Antwoorden. Experimenteel lesprogramma nieuwe economie Module 7 Antwoorden Experimenteel lesprogramma nieuwe economie Verantwoording 2010, Stichting leerplanontwikkeling (SLO), Enschede Het auteursrecht op de modules voor Economie berust bij SLO. Voor deze

Nadere informatie

Examen VWO. economie 1,2

Examen VWO. economie 1,2 economie 1,2 Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Maandag 30 mei 13.30 16.30 uur 20 05 Voor dit examen zijn maximaal 62 punten te behalen; het examen bestaat uit 26 vragen. Voor

Nadere informatie

Werkboek Werk Ver 2. Week Opgaven Bijzonderheden 5 Toetsbespreking 1.1 t/m 1.12. Dit boekje elke les meenemen! 6 1.13 t/m 1.20 2.1 t/m 2.

Werkboek Werk Ver 2. Week Opgaven Bijzonderheden 5 Toetsbespreking 1.1 t/m 1.12. Dit boekje elke les meenemen! 6 1.13 t/m 1.20 2.1 t/m 2. Werkboek Werk Ver 2 Week Opgaven Bijzonderheden 5 Toetsbespreking 1.1 t/m 1.12 Dit boekje elke les meenemen! 6 1.13 t/m 1.20 2.1 t/m 2.9 7 2.10 t/m 2.14 Afmaken beleggen Inleveren handelingsdeel bij docent

Nadere informatie