Nu leren voor later. Een verkennende studie naar duurzame ontwikkeling in onderwijs in Limburg. Ron Cörvers, Machiel Lamers en Carijn Beumer

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Nu leren voor later. Een verkennende studie naar duurzame ontwikkeling in onderwijs in Limburg. Ron Cörvers, Machiel Lamers en Carijn Beumer"

Transcriptie

1 Nu leren voor later Een verkennende studie naar duurzame ontwikkeling in onderwijs in Limburg Ron Cörvers, Machiel Lamers en Carijn Beumer 1 november 2009 Universiteit Maastricht International Centre for Integrated assessment and Sustainable development (ICIS)

2 Deze studie werd uitgevoerd in opdracht van, en met een subsidie van, de Provincie Limburg. 2

3 Inhoudsopgave Samenvatting Inleiding Over dit onderzoek Werkwijze onderzoek Leeswijzer rapport Duurzame ontwikkeling: van concept naar handelen Een multidimensioneel concept Een lastig begrip om te operationaliseren Perspectief voor maatschappelijke vooruitgang Duurzame ontwikkeling en onderwijs in Nederland Tussen vrijheid van onderwijs en richting bepalen Leren voor duurzame ontwikkeling Duurzame ontwikkeling en onderwijs in Limburg Basisonderwijs Voortgezet Onderwijs Middelbaar Beroepsonderwijs Hoger onderwijs Reflectie en perspectief Aanbieders van duurzaamheidonderwijs in Limburg Centra voor Natuur- en Milieueducatie (CNME) Gemeentelijke afdelingen Natuur- en Milieueducatie (GNME) IVN Limburg Private aanbieders Tot slot De Provincie Limburg en leren voor duurzame ontwikkeling Provinciale ambities voor LvDO LvDO en de provinciale organisatie LvDO nog niet breed gedragen Conclusies en aanbevelingen Leren voor duurzame ontwikkeling Vraag naar en aanbod van duurzaamheidonderwijs in Limburg Actoren die cruciaal zijn bij leren voor duurzame ontwikkeling Provincie Limburg en leren voor duurzame ontwikkeling...68 Bijlagen...70 Bijlage A: Respondenten...70 Bijlage B: Vragenlijsten...71 Bijlage C: Brief Provincie Limburg...75 Referenties

4 Samenvatting Duurzame ontwikkeling is een richtinggevend principe voor maatschappelijke verandering. In hoofdstuk 2 komt aan bod dat voor duurzame ontwikkeling ecologische, economische en sociale aspecten in onderlinge samenhang moeten worden beschouwd, en dat daarbij rekening wordt gehouden met zowel het hier en nu als elders en later. Wat echter verstaan mag worden onder een duurzame ontwikkeling is niet eenduidig, want het concept is normatief, subjectief, complex en vaag. Hierdoor is het voor de wetenschap lastig om duurzame ontwikkeling te operationaliseren. Duurzaamheidvraagstukken zijn uiteindelijk dan toch afwegingskwesties, en dus het domein van de politiek. Wel kan de wetenschap trachten duurzame ontwikkeling beslisbaar te maken. Het is dan ook de overheid die voor duurzame ontwikkeling een bijzondere rol heeft te vervullen. Daarbij zullen allerlei belangentegenstellingen en machtsverhoudingen overbrugd moeten worden, want die liggen aan de basis van de huidige samenleving. In hoofdstuk 3 wordt uiteengezet dat voor het dichterbij brengen van duurzame ontwikkeling een belangrijke rol wordt toegekend aan onderwijs. Door middel van het programma Leren voor Duurzame Ontwikkeling (LvDO) probeert de overheid meer aandacht te krijgen voor duurzame ontwikkeling binnen alle onderwijsniveaus. Tegelijkertijd worden scholen meer autonoom (Commissie Dijsselbloem) en kunnen in ruimere mate zelf de inhoud van het onderwijs bepalen. Dus ook of ze aandacht willen schenken aan duurzame ontwikkeling. Daarbij komt dat duurzame ontwikkeling niet als kerndoel voor het (basis)onderwijs is vastgesteld. Wel kunnen aspecten van duurzame ontwikkeling in andere kerndoelen aan bod komen. Het blijkt echter behoorlijk lastig te zijn om hiervan een consistent programma met doorgaande leerlijnen te maken. Om scholen daarin te ondersteunen zijn onder meer een kernleerplan, domeinbeschrijving en praktische leidraad verschenen. Of scholen het thema duurzame ontwikkeling zullen oppakken, is echter aan hen. Voor het middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijs zijn de vrijheidsgraden vanuit de overheid nog aanzienlijk groter. Hier wordt op het niveau van de instelling, faculteit, vakgroep of individuele docent de keuze gemaakt om in het onderwijs al dan niet aandacht te besteden aan (aspecten van) duurzame ontwikkeling. De toenemende aandacht voor duurzame ontwikkeling sluit aan op een educatieve ontwikkeling die al langer gaande is. Natuureducatie is in de loop van de tijd aangevuld met milieueducatie (NME) en recent met leren voor duurzame ontwikkeling (LvDO). Deze historische context is nog volop herkenbaar in het denken en doen van tal van organisaties en personen die betrokken zijn bij duurzaamheidonderwijs. De onderlinge verhouding tussen NME en LvDO is nog lang niet uitgekristalliseerd en volop in beweging, binnen de overheid, op scholen en bij buitenschoolse aanbieders van onderwijsactiviteiten. Het programma LvDO is destijds geëvalueerd. De conclusie was dat het programma op koers ligt en dat de doelstelling niet ter discussie staat, maar dat het belangrijk is om de op gang gebrachte beweging om te zetten in concrete activiteiten. Het (vervolg)programma LvDO beoogt hieraan te voldoen en stelt (vooral sociale) leerprocessen centraal. Ook de Provincie Limburg wil met haar programma LvDO (PAS ) hieraan een bijdrage leveren. Een probleem voor de Provincie Limburg is echter dat ze geen duidelijk beeld heeft van de aandacht voor duurzame ontwikkeling in het onderwijs in Limburg. Om hierop (een begin van) een antwoord te vinden zijn voor onderhavig onderzoek dat uitgevoerd werd door het ICIS van Maastricht University de volgende kennisvragen geformuleerd (hoofdstuk 1): 4

5 - hoe ziet de vraag naar duurzame ontwikkeling in het onderwijs in Limburg er uit; - hoe ziet het aanbod van duurzame ontwikkeling in het onderwijs in Limburg er uit; - welke actoren spelen een belangrijke rol bij duurzame ontwikkeling in het onderwijs; - welke rol kan de provincie Limburg op dit beleidsthema vervullen. Een belangrijk aspect van het onderzoek waren interviewgesprekken bij onderwijsinstellingen en aanbieders van buitenschoolse onderwijsactiviteiten. De respons om medewerking te verlenen aan het onderzoek was bij scholen relatief laag, maar wordt als voldoende beoordeeld om inzicht te krijgen in de aandacht voor en invulling van duurzame ontwikkeling binnen de verschillende onderwijsniveaus in Limburg. Aan het onderzoek namen deel: 4 instellingen uit het basisonderwijs, 1 uit het voortgezet onderwijs, 1 uit het middelbaar beroepsonderwijs en 2 uit het hoger onderwijs. Van de aanbieders namen deel: 2 Centra voor Natuur- en Milieueducatie, 1 Gemeentelijke afdeling Natuur- en Milieueducatie, het IVN Limburg en 3 private aanbieders van onderwijsactiviteiten. Verder werd met 3 deskundigen gesproken om het thema duurzame ontwikkeling en onderwijs in een bredere context te kunnen plaatsen. Ook werden gesprekken gevoerd bij de Provincie Limburg. De resultaten hiervan worden onderstaand kort samengevat. Voor een uitvoerige beschouwing wordt verwezen naar de verschillende hoofdstukken. In hoofdstuk 4 komt het onderwijs aan bod, onderscheiden naar de verschillende niveaus. Duurzame ontwikkeling wordt steeds meer gezien als een belangrijk thema voor het onderwijs. Een heldere strategie om dit thema daadwerkelijk binnen het onderwijs te integreren, lijkt echter te ontbreken. Dit geldt vooral voor het basisonderwijs en voortgezet onderwijs. In het basisonderwijs is er belangstelling om aandacht te besteden aan duurzame ontwikkeling, maar de mate waarin en wijze waarop dit momenteel gebeurt, verschilt sterk per school. Vanuit dit onderwijsniveau wordt nadrukkelijk gevraagd om een heldere visie op wat duurzame ontwikkeling is en een helder en goed gecommuniceerd standpunt van de overheid ook van de Provincie Limburg over het belang van integratie van duurzame ontwikkeling in het onderwijs. Bovendien moet duurzame ontwikkeling concurreren met andere (maatschappelijke) thema s die in het (basis)onderwijs om aandacht vragen, zoals rekenen en taal, techniek, sociale integratie, normen en waarden. Als daarbij ook nog bezuinigingen vanuit de overheid komen, kunnen scholen vaak niet de keuzes maken die ze eigenlijk zouden willen maken. Verder blijkt dat de scholen weinig zicht hebben op de subsidieregelingen van provincie en gemeenten op het terrein van duurzame ontwikkeling. Ook in het voortgezet onderwijs wordt het maken van keuzes door de overheid nadrukkelijk aan bod gesteld. Duurzame ontwikkeling zou bijvoorbeeld als examenthema in een vak als biologie aangeboden kunnen worden, maar dan zal er wel een ander thema uit dat vak gehaald moeten worden. Als duurzame ontwikkeling daadwerkelijk belangrijk gevonden wordt, dan zou daarop ook de prioriteit moeten liggen, zo luidt de opvatting. De vakgeoriënteerde benadering in combinatie met de schaars beschikbare vrije tijd in het programma, maken het integreren van duurzame ontwikkeling in het voortgezet onderwijs echter behoorlijk lastig. In het middelbaar beroepsonderwijs staat de samenwerking met bedrijven en organisaties centraal. Voor beide partijen heeft het een meerwaarde. De inventiviteit en frisse ideeën van leerlingen in combinatie met de faciliteiten en kennis van bedrijven en kennisinstellingen wordt gezien als een sleutel tot leren voor duurzame ontwikkeling, op een manier die midden in de samenleving staat. Een dynamische samenleving vraagt namelijk om werknemers met bijbehorende competenties, bijvoorbeeld op het vlak van ketenkennis. Want om op een 5

6 duurzame manier te kunnen produceren moeten hele ketens in beschouwing worden genomen; en het beroepsonderwijs moet leerlingen hierop voorbereiden. Op dit onderwijsniveau krijgt leren voor duurzame ontwikkeling dan ook vooral vorm en inhoud vanuit de samenwerkingsverbanden die een onderwijsinstelling met bedrijven en organisaties heeft, bijvoorbeeld op het vlak van landbouw, design, toerisme, enz. In het hoger onderwijs (hogescholen en universiteiten) krijgt duurzame ontwikkeling steeds meer aandacht binnen allerlei disciplines, maar ook als nieuwe multidisciplinaire tak van wetenschap en onderwijs. Hogescholen spelen van nature in op ontwikkelingen in het werkveld en de samenleving. Ze leiden immers studenten op voor een beroep, dat ze na afstuderen moeten kunnen gaan uitoefenen. Naast vakkennis gaat het er vooral om studenten ervan bewust te maken dat wij als mensen invloed hebben op de omgeving, de consequenties van onze keuzes in een vroeg stadium te leren overzien, en om daar verantwoordelijk mee om te gaan. Voor de hogeschool liggen de beste aangrijpingspunten voor duurzame ontwikkeling in maatschappelijk relevante projecten, zoals de wijk van morgen en chemmaterial campus, waarin overheden, bedrijfsleven en hogeschool samenwerken. Dergelijke projecten zijn prima te koppelen aan duurzaamheidonderwijs binnen de hogeschool. Aan de universiteit worden door verschillende faculteiten vakken aangeboden op het terrein van duurzame ontwikkeling op bachelor en master niveau. Vanwege de belangstelling voor dit onderwerp wil de universiteit ook een masteropleiding Sustainable Development gaan aanbieden. Naast theoretische kennis over duurzame ontwikkeling wordt het ontwikkelen van competenties bij studenten belangrijk geacht. Van een gemeenschappelijke visie op duurzaamheidonderwijs binnen de universiteit is echter geen sprake. Zowel aan de universiteit als de hogeschool blijkt vooral de sociale dimensie van duurzame ontwikkeling een onderbelicht thema te zijn. Hoewel elk onderwijsniveau duurzame ontwikkeling op haar eigen manier benadert en afhankelijk van de levensfase waarin leerlingen/studenten op dat moment verkeren hieraan aandacht besteedt (grond-/levenshouding georiënteerd in het basisonderwijs; inspiratiegeoriënteerd in het voortgezet onderwijs; beroepsgeoriënteerd in het middelbaar en hoger beroepsonderwijs; competentiegericht in het hoger onderwijs), worden vanuit het onderwijs vooral de volgende punten genoemd voor wat betreft de rol die de Provincie zou kunnen spelen bij het verder integreren van duurzame ontwikkeling in het onderwijs: visie ontwikkelen op wat duurzame ontwikkeling is en betekent voor Limburg, partijen samenbrengen die werk willen maken van integratie van duurzame ontwikkeling in het onderwijs, meer van zichzelf laten zien en daarbij het goede voorbeeld geven, veel transparanter zijn in haar communicatie en beleid, overzicht creëren van projecten en initiatieven op dit thema, faciliteren op zowel financieel vlak als door het samenbrengen van partijen, en voorkomen dat er ad-hoc beleid wordt gevoerd. In hoofdstuk 5 komen de verschillende soorten aanbieders van het buitenschoolse onderwijs op het gebied van duurzame ontwikkeling aan bod. De Centra voor Natuur- en Milieueducatie (CNME) in Limburg zijn er 7, een 8 e in Venray is in oprichting zijn zelfstandig opererende centra die gefinancierd worden door een of meerdere gemeenten waar ze actief zijn, vaak aangevuld met projectsubsidies en andere sponsoren. Het aanbod van CNME s is vooral op het basisonderwijs gericht en soms het voortgezet onderwijs. Dit komt doordat CNME s vaak gekoppeld zijn aan een locatie, zoals een kinderboerderij. Een andere reden is dat ecologische basisvorming gezien wordt als een wezenlijk onderdeel van het basisonderwijs. Succesvolle projecten zoals Sarahs Wereld, die speciaal ontwikkelt zijn voor het basisonderwijs, dragen hier ook aan bij. Bovendien blijkt er in het programma van basisscholen, in vergelijking met het 6

7 voortgezet onderwijs, meer ruimte te zijn voor een bezoek aan een CNME. In de optiek van de CNME s zijn natuurbeleving en respect voor de omgeving de eerste stap bij de bewustwording van handelen voor de omgeving. In de optiek van CNME s (en scholen) zouden ecologische basisvorming en duurzame ontwikkeling als doorgaande leerlijn moeten worden beschouwd, waarbij in de hogere klassen van het basisonderwijs voorzichtig begonnen kan worden met de meer complexe duurzaamheidthema s. Door de aandacht voor duurzame ontwikkeling is de onderlinge concurrentie tussen de aanbieders groter geworden omdat het thema (in vergelijking met natuurbehoud en milieuproblematiek) aanzienlijk is verbreed. Ook ervaren de CNME s competitie van andere aanbieders, zoals nationale parken, culturele activiteiten en sport. Omdat scholen hierdoor een grotere keuze hebben, zijn de CNME s bang dat de vaste inkomsten minder worden. Ook blijkt het steeds lastiger vrijwilligers te vinden voor het CNME werk. Gemeentelijke afdelingen voor natuur en milieueducatie (GNME) zijn vaak ontstaan bij gebrek aan een CNME in de gemeente of in de buurt van de gemeente in Limburg zijn 2 GNME s. Bij de GNME s zorgen gemeenteambtenaren voor het aanbod aan lespakketten, activiteiten en projecten waar scholen aan kunnen deelnemen. Het aanbod van de GNME is vaak minder groot dan die van een CNME. Een ander verschil is dat bij GNME s natuur- en milieueducatie wordt gebruikt als een onderdeel van het gemeentelijk beleid. Hierdoor is er vaak meer subsidie beschikbaar; wel is die financiering gebonden aan de verkiezingscyclus van vier jaar. Net als bij de CNME s blijkt het voor GNME s lastig te zijn om het middelbaar onderwijs te bereiken met lespakketten en activiteiten. Wanneer het scholen echter gemakkelijker wordt gemaakt, werken ze vaak allemaal mee, zo leert de ervaring. Enkele jaren geleden werd Sarahs Wereld gratis aangeboden, met een professionele kracht die de scholen bezocht. Vrijwel alle scholen deden mee en waren laaiend enthousiast. Toen deze - voor overheden relatief dure regeling stopte en de scholen zelf moesten gaan betalen, was het vrijwel direct afgelopen met Sarahs Wereld. Voor scholen moeten de activiteiten dus laagdrempelig zijn en niet teveel geld en tijd kosten. Een voorbeeld hiervan is het Milieuontmoetingsprogramma (MOP) voor scholen, dat wellicht verbreed kan worden naar richting ontwikkeling. Het Instituut voor Natuurbeschermingseducatie (IVN) in Limburg zijn 36 lokale IVN afdelingen met ca vrijwilligers richt zich vooral op het basisonderwijs en voortgezet onderwijs. Omdat activiteiten in het voortgezet onderwijs vaak lastig te realiseren zijn, is het landelijke project Scholen voor Duurzaamheid naar Limburg gehaald. Voor uitvoering van de kerntaken wordt het IVN voor ongeveer 50% gesteund door provinciale subsidie, de overige kosten worden gedekt door projectfinanciering en andere regelingen. Het IVN speelt een belangrijke rol in de coördinatie van het Provinciaal Overleg Educaties Limburg (POEL). Naast IVN nemen CNME, GNME en andere maatschappelijke organisaties (zoals COS Limburg) deel aan deze overlegstructuur. Een gemeenschappelijk programma en gezamenlijk aanbod door de POELpartners blijkt echter bijzonder lastig te zijn. De verschillende organisaties dienen een ander doel en hebben niet echt belang bij samenwerking. Wel zijn er ideeën voor een arrangementenmodel waarin onderwijsprojecten en activiteiten gegroepeerd zullen worden aangeboden rond een beperkt aantal thema s, die door scholen worden geselecteerd (vraaggestuurd). Hiervoor zal zeer nauw samengewerkt moeten worden tussen aanbieders, overheden en scholen. De NME en LvDO subsidies bieden in principe een aangrijpingspunt om meer sturing te geven aan de beoogde afstemming. In de optiek van het IVN is de huidige provinciale subsidieregeling veel te smal en zijn veel CNME s hiervan niet op de hoogte. Een regeling voor eerstelijnsaanbod zoals destijds voor Sarahs Wereld zou veel meer zin hebben, is de opvatting. 7

8 In het onderwijs zijn ook private aanbieders actief, zoals het International Sustainability Projects, het NME Atelier te Maastricht, en Marion van der Kleij Didactisch Advies. De meeste private aanbieders bieden lespakketten aan die de leerkracht zelf kan uitvoeren. Een uitzondering is het NME Atelier dat als eerstelijnsaanbieders optreedt, omdat dit grote voordelen lijkt te hebben. De private aanbieders worden ook veel gevraagd door overheden of organisaties als IVN of CNME om projecten en lespakketten uit te werken over thema s als afvalverwerking, wonen, C2C, of de toekomst. Ook het succesvolle Sarahs Wereld is op deze manier vanuit Duitsland naar Nederland gekomen. Een van de obstakels die de private aanbieders ervaren is de manier waarop succesvolle onderwijsproducten breder uitgezet kunnen worden. In Limburg liep de verspreiding van Sarahs Wereld goed zolang de subsidieregeling van de Provincie er was; daarna zakte het volledig in. De opvatting is dat de afname en uitvoering goed verlopen als een ervaren vrijwilliger of betaalde kracht het onderwijsproduct gratis komt aanbieden op school. Als de leerkracht zelf met het product aan de gang moet kost het teveel tijd of moeite. Voor het middelbaar onderwijs wordt wederom het vraagstuk van de strikt georganiseerd vakgebieden genoemd, terwijl duurzame ontwikkeling iets is wat vakken overstijgt. Enigszins opmerkelijk is dat in een recente rijksnota NME gepleit wordt voor een vraaggestuurde aanpak (in tegenstelling tot het huidige aanbodgestuurde systeem), terwijl de aanbieders verwachten dat dit in de praktijk tot weinig activiteit leidt vanwege ontbrekende expertise en middelen. De scholen zouden vooral behoefte hebben aan een selectief en kwalitatief goed aanbod, zo luidt de opvatting. Verder lijken de aanbieders te worstelen met de vraag wat een goede rol van de Provincie zou kunnen zijn op het thema leren voor duurzame ontwikkeling. Aan de ene kant willen de aanbieders gebruik maken van meer provinciale subsidies. Aan de andere kant willen ze graag zelf de inhoud en vorm van hun programma s blijven bepalen. Waar de aanbieders het over eens zijn is dat ze van de Provincie meer visie willen zien op het gebied van duurzame ontwikkeling. Zodra de prioriteiten en ambities van de Provincie duidelijk zijn, wordt het ook voor de aanbieders duidelijker welke rol zij daarin kunnen spelen. In hoofdstuk 6 komt vooral de inbedding van het provinciale programma Leren voor Duurzame Ontwikkeling (PAS ) binnen de provinciale organisatie aan bod. De doelstelling van het PAS is zeer algemeen en abstract verwoord. Het is de vraag of doelgroepen hierdoor worden aangesproken en of beleidsvoerders bij de Provincie hierop kunnen (bij)sturen. Ook voor de drie pijlers (onderwijs, organisatie, samenleving) zijn doelstellingen opgesteld, maar ook die zijn bijzonder algemeen geformuleerd. Nader specificeren en uitwerken lijkt nodig om vanuit de Provincie beter grip te krijgen op de uitvoering van LvDO. Het huidige programma duurt tot 2011, maar het is onduidelijk wat de Provincie dan bereikt wil hebben. Zolang de wat vraag niet is beantwoord, is onduidelijk welke aangrijpingspunten voor sturing de Provincie ter beschikking staan. De hoe vraag zou hieruit moeten volgen, en kan de Provincie als regisseur van LvDO ook overlaten aan andere actoren. Het doel dat bereikt moet worden (eventueel opgesplitst naar tussendoelen en perioden) zou helder moeten zijn, niet zozeer de weg er naartoe. Dat kunnen andere actoren zelf bepalen. Wel gaat de Provincie focus aanbrengen op thema s (Mobiliteit, Energie, Schone Leefomgeving en Cradle to Cradle) en wil ze kenniskringen of overlegtafels instellen. In de provinciale beleidsprogramma s wordt het belang van duurzame ontwikkeling veelvuldig en nadrukkelijk genoemd. Duurzaamheid wordt beschouwd als één van de verbindingslijnen die als een rode draad door de (vijf) coalitieprogramma s lopen. Enigszins opmerkelijk is dat leren 8

9 voor duurzame ontwikkeling geen enkele keer in het coalitieakkoord wordt genoemd, noch in de uitwerking daarvan. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat de taken van de Provincie op het gebied van onderwijs in wettelijke zin relatief beperkt zijn. Voor LvDO is de situatie echter nog wat ingewikkelder. Het programma LvDO is ondergebracht bij de afdeling Milieu en Duurzame Ontwikkeling (MDO) van de Provincie Limburg, die ook over milieueducatie gaat, maar niet over natuureducatie, dat tot het domein van de afdeling Landelijk Gebied (LG) wordt gerekend. Bovendien is het beleidsterrein onderwijs niet ondergebracht bij MDO, maar bij de Afdeling Economische Zaken (EZ) van de Provincie Limburg. In haar beleidsvisie legt EZ een directe relatie tussen onderwijs en arbeidsmarkt. Hierdoor is er vanuit EZ vooral belangstelling voor het bedrijfsleven en beroepsonderwijs in Limburg, en bijvoorbeeld geen aandacht voor het basisonderwijs. Onderwijsgerichte projecten over bijvoorbeeld duurzame energie zijn interessant voor EZ omdat er dan een duidelijke relatie mogelijk is met de arbeidsmarkt, terwijl projecten over bijvoorbeeld amfibieën niet relevant zijn voor EZ. Een verschil in visie wat duurzame ontwikkeling behelst, de rol die leren daarbij kan vervullen en het stellen van andere prioriteiten, maakt een gezamenlijke aanpak vanuit de afdelingen MDO en EZ ten behoeve van LvDO op dit moment weinig aannemelijk. Daarvoor is meer eenheid in visie en beleid nodig. De organisatorische versnippering van bouwstenen voor LvDO over verschillende afdelingen bij de Provincie Limburg (LvDO en milieueducatie bij MDO, natuureducatie bij LG, onderwijs bij EZ) komt niet alleen tot uitdrukking in de ambtelijke betrokkenheid bij dit thema, maar ook in de bestuurlijke betrokkenheid bij dit thema. Duurzame ontwikkeling is bij de Provincie Limburg een breed gedragen thema, maar in de uitvoering van provinciaal beleid hebben programma s eigen prioriteiten, zijn er belangrijke verschillen tussen afdelingen over wat duurzame ontwikkeling betekent, en hebben afdelingen vaak geen weet van elkaars beleid en prioriteiten. Het provinciale programma LvDO (PAS ) is dan ook vooral een uitvloeisel van het landelijk programma LvDO en binnen de provinciale organisatie een geïsoleerd verschijnsel. Hoofdstuk 7 presenteert de conclusies van deze verkennende studie en geeft aanbevelingen voor de Provincie Limburg. De resultaten worden hier kernachtig getypeerd (zie hoofdstuk 7): - Scholen zijn in belangrijke mate autonoom en kunnen zelf bepalen of ze aandacht besteden aan duurzame ontwikkeling. - De opeenvolging natuureducatie, milieueducatie, leren voor duurzame ontwikkeling is nog volop herkenbaar in het denken en doen van tal van organisaties en personen. - Het landelijk programma LvDO maakt weinig duidelijk waarin leren voor duurzame ontwikkeling uniek is. - Het landelijk programma LvDO lijkt nogal aanbodgedreven te zijn en weinig zicht te hebben op de behoeften bij scholen op dit vlak. - Een heldere strategie om duurzame ontwikkeling in het onderwijs in Limburg te integreren lijkt te ontbreken. - De continuïteit en opschaling van succesvolle buitenschoolse onderwijsproducten is sterk afhankelijk van provinciaal beleid en subsidieregelingen. - In het basisonderwijs is sprake van een aanbodgedreven vraag naar buitenschoolse onderwijsactiviteiten. Aanbieders richten zich vooral op dit onderwijsniveau. - De partijen in het POEL lijken geen groot belang te hebben bij de ontwikkeling van een geïntegreerd programma, zoals de Provincie Limburg dat graag zou zien. - Als duurzame ontwikkeling wordt vastgesteld als kerndoel voor onderwijs, dan zou hiervan een stimulans kunnen uitgaan naar scholen, aanbieders en uitgevers. 9

10 - Educatie voor duurzame ontwikkeling vindt niet alleen plaats binnen de muren van het onderwijs. Ook overheid en samenleving zullen een bijdrage moeten leveren. - Leren voor duurzame ontwikkeling staat en valt met bevlogen leerkrachten. - Kansen voor inbedding van duurzame ontwikkeling in het onderwijs liggen vooral in de koppeling tussen scholen, aanbieders, bedrijfsleven en overheid. De Provincie zou hierin een rol kunnen spelen. - Bij de Provincie ontbreekt een heldere visie op LvDO, zijn de doelen vaag geformuleerd, wordt het programma niet breed (uit)gedragen, en is LvDO een geïsoleerd verschijnsel. - Scholen en aanbieders hebben behoefte aan een visionair gedragen aanpak vanuit de Provincie. - De Provincie zou zich kunnen opstellen als kennismakelaar tussen partijen die van betekenis zijn voor de integratie van duurzame ontwikkeling in het onderwijs. - De Provincie kan zich ook profileren als facilitator voor het samenbrengen van partijen die voor leren voor duurzame ontwikkeling van belang zijn. - De Provincie zou projecten financieel kunnen ondersteunen die bijdragen aan de aandacht voor duurzame ontwikkeling in het onderwijs. - De Provincie zou bij het ministerie van OC&W en de Stuurgroep LvDO erop kunnen aandringen om duurzame ontwikkeling op te nemen als kerndoel voor het onderwijs. 10

11 1. Inleiding 1.1 Over dit onderzoek De aandacht voor duurzame ontwikkeling is sterk toegenomen, zowel in de samenleving als bij de overheid. Naar verwachting is dat ook binnen het onderwijs het geval. Educatie dat zowel vorming, onderwijs als opvoeding omvat speelt een belangrijke rol in een maatschappelijk veranderingsproces richting een duurzamere wereld. Duurzame ontwikkeling vereist namelijk een leerproces dat aangrijpt op het denken en handelen in de samenleving. Dit leerproces beoogt collectief en individueel het bewustzijn te vergroten en integratief denken en handelen te stimuleren. Van duurzame ontwikkeling kan immers alleen sprake zijn als ecologische, economische en sociale ontwikkelingen in onderlinge samenhang worden beschouwd, en waarbij afwegingen hier en nu niet ten koste mogen gaan van mensen elders of van toekomstige generaties. Met andere woorden, duurzame ontwikkeling zou beschouwd kunnen (en moeten) worden als leidmotief voor maatschappelijke vooruitgang. Ook de Provincie Limburg onderkent het belang van educatie voor duurzame ontwikkeling. In PASsie voor Limburg, van Agenderen naar Doen (Provincie Limburg, 2008a) wordt de provinciale invulling van het landelijke programma Leren voor Duurzame Ontwikkeling (LvDO) uiteengezet. In dit ambitiestatement dat binnen de binnen de provinciale organisatie wordt aangeduid als het PAS stelt de Provincie dat ze het onderwijs nadrukkelijk een plek wil geven in haar beleid. In het programma LvDO wordt dit aangeduid als pijler 1: lerende individuen, waarbij de focus ligt op het formele onderwijssysteem. In het PAS wordt aangegeven dat pijler 1 door de landelijke stuurgroep LvDO wordt geregisseerd, maar dat aandacht voor duurzame ontwikkeling in het onderwijs door de Provincie dermate belangrijk wordt gevonden dat onder meer een nadere verkenning zal worden uitgevoerd. Ook streeft de Provincie er naar het onderwijs zoveel mogelijk te laten aansluiten op projecten uit haar andere beleid. Dit wordt aangeduid als pijler 3: lerende samenleving, met als focus complexe besluitvormingsprocessen (Provincie Limburg, 2008a: 15-18). Naast provinciale ambities voor het programma Leren voor Duurzame Ontwikkeling constateert de Provincie Limburg echter ook dat ze op dit moment geen duidelijk beeld heeft van de aandacht voor duurzame ontwikkeling in het onderwijs in Limburg. Vragen als: wat willen we bereiken, wat is onze provinciale rol daarbij en wat is de rol van andere actoren, zouden in een nadere verkenning aan bod moeten komen (Provincie Limburg, 2008a: 15). Vanuit die kennisbehoefte werd dit onderzoek opgezet en uitgevoerd. Het onderzoek beoogt antwoord te geven op de volgende kennisvragen: - hoe ziet de vraag naar duurzame ontwikkeling in het onderwijs in Limburg er uit? - hoe ziet het aanbod van duurzame ontwikkeling in het onderwijs in Limburg er uit? - welke actoren spelen een belangrijke rol bij duurzame ontwikkeling in het onderwijs? - welke rol kan de Provincie Limburg op dit beleidsthema vervullen? 1.2 Werkwijze onderzoek Het onderzoek, dat te typeren is als een verkenning, werd uitgevoerd in de periode april t/m september Niet alleen is dit een relatief kort tijdsbestek voor het houden van interviewgesprekken bij relevante organisaties, maar ook een periode die voor een belangrijk deel samenvalt met het eind van het schooljaar en de zomervakanties. Tegen die achtergrond werd het onderzoek als volgt opgezet en uitgevoerd: 11

12 - Er werd een beknopte literatuurstudie uitgevoerd en interviewgesprekken gehouden met enkele deskundigen om het onderwerp duurzame ontwikkeling in onderwijs in Limburg in een bredere context te kunnen plaatsen; - Er werd een analyse verricht van de wijze waarop het thema duurzame ontwikkeling aandacht krijgt in het onderwijs in Limburg. Hiervoor werden interviewgesprekken bij onderwijsinstellingen gevoerd. Er werd een onderscheid gemaakt tussen basisonderwijs, voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijs; - Er werd een analyse verricht van het aanbod van buitenschoolse onderwijsactiviteiten op het vlak van duurzame ontwikkeling. Hiervoor werden interviewgesprekken gevoerd met aanbieders van onderwijsactiviteiten over (aspecten) van duurzame ontwikkeling en aanbieders van natuur- en milieueducatie (NME) in Limburg; - Er werd een analyse verricht van de rol die de Provincie Limburg mogelijk op dit onderwerp kan vervullen. De gesprekken bij de onderwijsinstellingen en de aanbieders van buitenschoolse onderwijsactiviteiten leverden hiervoor waardevolle informatie op, die verrijkt werd met kennis en inzichten uit gesprekken bij de Provincie Limburg. Een belangrijk element van het onderzoek waren de interviewgesprekken. Onderwijsinstellingen en aanbieders van buitenschoolse onderwijsactiviteiten die hiervoor in aanmerking kwamen, werden door de Provincie en onderzoekers gezamenlijk geselecteerd. Vervolgens werden de betreffende instanties en personen door middel van een brief van de Provincie Limburg (ondertekend door de gedeputeerde die het programma Leren voor Duurzame Ontwikkeling in zijn portefeuille heeft zie bijlage C) van het onderzoek en beoogde interview op de hoogte gebracht, en verzocht hieraan medewerking te verlenen. Opvallend was dat verschillende onderwijsinstellingen in het contact met de onderzoekers duidelijk maakten aan dit onderzoek geen medewerking te kunnen of willen verlenen. Als argument werd vaak het moment genoemd waarop het gesprek zou moeten plaatsvinden aan het eind van het schooljaar dat door onderwijsgevenden als een drukke tijd wordt ervaren. Een ander veel gehoord argument is dat allerlei maatschappelijke kwesties zoals de aandacht voor duurzame ontwikkeling bij het onderwijs worden neergelegd, met de gedachte dat het daar wel zal worden opgepakt. Voor de aanbieders van buitenschoolse onderwijsactiviteiten in Limburg was medewerking aan het onderzoek vanzelfsprekend. Het zou de aanbieders een platform bieden om van zich te laten horen (zie bijlage A voor een overzicht van de geïnterviewden). De interviewgesprekken waren halfgestructureerd van opzet. Dit betekent dat een vragenlijst (zie bijlage B) als leidraad voor het gesprek werd gehanteerd, maar respondenten voldoende ruimte werd geboden om tijdens het gesprek ook zelf onderwerpen aan bod te laten komen. De verwachting is dat op die manier dieperliggende waarden en opvattingen bij respondenten naar voren komen en er ook zaken besproken kunnen worden die niet door de vragenlijst gestuurd worden. Van de interviews zijn door de onderzoekers verslagen gemaakt, die vervolgens geanalyseerd en geïnterpreteerd zijn. Zonder de bereidwillige medewerking van de respondenten zou het niet mogelijk geweest zijn dit onderzoek van een empirische basis te voorzien, waarvoor hartelijk dank. Alle respondenten hebben van het definitieve rapport een exemplaar ontvangen. De Provincie Limburg was de opdrachtgever van dit onderzoek dat uitgevoerd werd door het International Centre for Integrated assessment and Sustainable development (ICIS) van de Universiteit Maastricht. De ondersteuning vanuit de Provincie tijdens de uitvoering van het onderzoek was voor de onderzoekers bijzonder constructief. De verantwoordelijkheid voor de 12

13 opzet en uitvoering van het onderzoek, de verzamelde gegevens, interpretaties en conclusies, evenals de definitieve neerslag daarvan in dit rapport, ligt echter volledig bij de onderzoekers. 1.3 Leeswijzer rapport Dit rapport bestaat uit verschillende hoofdstukken die elk rapporteren over een bouwsteen van onderhavig onderzoek. In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op het concept duurzame ontwikkeling, de betekenis die hieraan wordt toegekend, waarom het begrip lastig te operationaliseren is, maar ook te beschouwen is als een richtinggevend principe voor maatschappelijke verandering. In hoofdstuk 3 komt het onderwijssysteem in Nederland aan bod en het programma Leren voor Duurzame Ontwikkeling (LvDO). Daarbij wordt ingegaan op enkele recente initiatieven om het thema duurzame ontwikkeling in het onderwijs te integreren. In hoofdstuk 4 wordt de aandacht voor duurzame ontwikkeling in het onderwijs in Limburg in beeld gebracht, uitgesplitst naar basisonderwijs, voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijs. In hoofdstuk 5 wordt een beeld geschetst van onderwijsmodules en -activiteiten op het gebied van duurzame ontwikkeling aangeboden door externe organisaties en aanbieders in Limburg. Hoofdstuk 6 gaat in op de rol van de Provincie Limburg en het provinciaal beleid op het thema leren voor duurzame ontwikkeling. Hoofdstuk 7 bevat de conclusies en enkele aanbevelingen voor beleid en nader onderzoek. De samenvatting geeft een redelijk gedetailleerde beschrijving van de belangrijkste punten uit dit rapport. 13

14 2. Duurzame ontwikkeling: van concept naar handelen Het meest geciteerde deel van het WCED-rapport Our Common Future (1987) is ongetwijfeld de omschrijving van duurzame ontwikkeling: een ontwikkeling die tegemoet komt aan de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheid voor toekomstige generaties om in hun behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Deze definitie van duurzame ontwikkeling is erg abstract en algemeen, wat ook door de opstellers van het rapport wordt onderkend. Sindsdien zijn er tientallen, zo niet honderden omschrijvingen van duurzame ontwikkeling in omloop. In de meeste gevallen wordt echter verwezen naar de Brundtland-definitie. Ofschoon het streven naar duurzame ontwikkeling sinds de grote VN-conferenties in Rio de Janeiro (UNCED, 1992) en Johannesburg (WSSD, 2002) nauwelijks ter discussie lijkt te staan, is er nog veel onduidelijkheid over het begrip en de betekenis ervan als een richtinggevend principe voor overheid en samenleving. In dit hoofdstuk staan we stil bij de betekenis die aan het concept wordt toegekend (2.1), waarom duurzame ontwikkeling vaak lastig te operationaliseren is (2.2), en geven we enkele richtlijnen voor maatschappelijke vooruitgang (2.3). 2.1 Een multidimensioneel concept Voor duurzame ontwikkeling moeten ecologische, economische en sociale aspecten in onderlinge samenhang worden beschouwd. Bovendien dient daarbij rekening te worden gehouden met zowel het hier en nu als elders en later. Laten we de verschillende dimensies van duurzame ontwikkeling eens nader bekijken. In de ecologische dimensie gaat het om het zodanig beschermen en behouden van de natuurlijke omgeving dat de gebruiksfuncties die natuur en milieu voor de mens vervullen, blijvend voortbestaan; dat wil zeggen over een (zeer) lange periode in stand blijven. In het debat over duurzaamheid wordt het behoud van de natuurlijke omgeving vooral gemotiveerd vanuit menselijke behoeften en belangen, en niet of veel minder vanuit het oogpunt van de natuur als intrinsieke waarde (als waarde in en voor zichzelf, los van enig nut voor de mens). Ecologische concepten als draagkracht en regeneratiecapaciteit kunnen helpen de (on)duurzaamheid van bepaalde ontwikkelingen en situaties vast te stellen. De kernopgave voor de ecologische dimensie lijkt dan ook te zijn: het vroegtijdig vaststellen van ecologische grenzen die door menselijke activiteiten overschreden (dreigen te) worden. Een belangrijke uitdaging ligt in het leveren van wetenschappelijk bewijs voor (te verwachten) milieubederf en het invoeren van richtinggevende principes voor maatschappelijk handelen, zoals het voorzorgsbeginsel : nú maatregelen treffen om mogelijke schade in de toekomst te voorkómen, zelfs als de wetenschappelijke bewijsvoering op dit moment onzeker of onvolledig is. Naast aandacht voor de ecologische dimensie gaat bij discussies over duurzame ontwikkeling vaak ook de belangstelling uit naar de economische dimensie. De oorzaken van de milieu- en ontwikkelingsproblematiek worden vaak toegeschreven aan het economisch systeem, zodat ook van daaruit gezocht zou moeten worden naar oplossingsrichtingen. Daarmee stuiten we echter op een complex vraagstuk, dat ook onder economen nog lang niet is uitgekristalliseerd. In het economisch gedachtegoed zijn arbeid, kapitaal en natuurlijke hulpbronnen al dan niet onderling uitwisselbare productiefactoren, die het mogelijk maken goederen te produceren voor de menselijke behoeftebevrediging. Omdat de menselijke behoeften vrijwel onbeperkt in aantal en verscheidenheid zijn en de goederen om in die behoeften te voorzien onvoldoende aanwezig of alternatief aanwendbaar zijn, ontstaat er schaarste. De milieuproblematiek maakt 14

15 duidelijk dat het milieu als het ware een schaars goed is geworden, maar dit komt niet tot uitdrukking in de prijs van producten en diensten. Om de negatieve milieueffecten van productie en consumptie aan te pakken wordt vaak voorgesteld het milieubelang in marktprijzen te internaliseren, dat wil zeggen, de milieukosten in de kostprijs van een goed of dienst te verrekenen door het opleggen van heffingen of toekennen van subsidies door een corrigerende overheid, of door het toekennen van eigendomsrechten aan milieugoederen. Nog los van de kwestie of er voor milieugoederen in de praktijk wel markten kunnen ontstaan, doet zich de principiële vraag voor of zeldzame planten- en diersoorten en unieke natuurgebieden überhaupt in prijzen uit te drukken zijn. Ook zijn er economen die stellen dat het huidige systeem van de kapitalistische markteconomie met haar nadruk op individuele vrijheid en economische groei fundamenteel gewijzigd moet worden om milieu en economie in evenwicht te brengen. Duurzaamheid behelst intergenerationele gelijkheid en ondermijnt daarmee feitelijk de individuele vrijheid zoals die in het marktmechanisme tot uitdrukking komt, en waarin de voorkeuren en belangen van toekomstige generaties buiten beschouwing worden gelaten omdat ze daarin per definitie niet vertegenwoordigd zijn. En het zijn juist dié belangen die duurzaamheid beoogt te beschermen en die overheden zouden moeten veiligstellen (Jacobs, 1995). De kernopgave voor de economische dimensie lijkt dan ook te zijn: het bevorderen van een rechtvaardige verdeling van natuurlijke hulpbronnen, tussen verschillende werelddelen en tussen huidige en toekomstige generaties, en dit alles zonder de ecologische bestaansbasis te ondergraven. Bij de sociale dimensie van duurzame ontwikkeling gaat het om behoeften, voorkeuren en belangen en de manier waarop samenlevingen georganiseerd zijn. Daarbij gaat het om aspecten als menselijk welzijn, gezondheid, ontplooiing, gelijke behandeling van mensen, enzovoort. Eén van de belangrijkste oorzaken voor tal van onduurzame situaties is dat er wereldwijd enorme verschillen zijn in de bestaansmogelijkheden en de toegang tot natuurlijke hulpbronnen. Duurzame ontwikkeling komt pas dichterbij als daarin veel meer gelijkheid ontstaat. Dat geldt op internationaal en nationaal niveau (waar armoede en ongelijke verdeling belangrijke belemmeringen zijn voor duurzame ontwikkeling), maar ook op lokaal niveau en binnen gemeenschappen en gezinnen. Voor de sociale dimensie van duurzame ontwikkeling is het daarom van belang oog te hebben voor sociale verschillen: om wie gaat het, wie is de gebruiker, wie profiteren van de ontwikkelingen, en wie dragen er de lasten van? De kernopgave voor de sociale dimensie lijkt dan ook te zijn: mensen als gelijkwaardig beschouwen, minimaal toegang verschaffen tot de primaire bestaansmogelijkheden, en sensibiliseringscampagnes opzetten, gericht op duurzaam denken en handelen. Overigens zal duurzame ontwikkeling gestalte moeten krijgen binnen verschillende culturen (westers, oosters, inheemse culturen ), die wat betreft hun visie op de relatie tussen mensen onderling en de relatie tussen mens en natuur sterk uiteenlopen. Feit is dat traditionele gemeenschappen steeds minder in staat zijn om zich te onttrekken aan invloeden van andere, meer dominante culturen, als gevolg van globalisering. Het wereldwijde proces van globalisering is gebaseerd op economische en technologische systemen die in belangrijke mate hun wortels hebben in westerse samenlevingen, zoals de kapitalistische markteconomie en de moderne informatie- en communicatietechnologie. Hierdoor wordt niet alleen de wereld kleiner (een global village ), maar lijkt de wereld ook meer en meer gedomineerd te worden door het westerse model en de daarbij behorende levensstijl. Een ontwikkeling die vanuit duurzaamheidperspectief niet altijd even gunstig is. De kernopgave bij de sociaal-culturele dimensie van duurzame ontwikkeling lijkt dan ook te zijn: aangrijpingspunten bieden voor een cultuuromslag richting een nieuwe beschaving waarin ecologische, economische en sociale waarden meer in evenwicht zijn. 15

16 Ten slotte, menselijk ingrijpen in de natuurlijke omgeving is mogelijk dankzij technologie, die een essentiële schakel vormt tussen de ecologische, economische en sociale dimensie. De toepassing van technologie heeft vrijwel altijd gevolgen voor de natuurlijke omgeving, of men zich dat nu realiseert of niet. Deze gevolgen kunnen zowel positief als negatief zijn. Technologie kan dus veroorzaker, maar ook oplosser van duurzaamheidproblemen zijn. Technologische oplossingen worden door sommigen met enige argwaan bekeken omdat men vreest dat de samenleving haar hoop volledig richt op technologische vooruitgang en geen oog heeft voor maatschappelijke veranderingen om onduurzame ontwikkelingen aan te pakken. Anderen zijn juist zeer optimistisch over de rol van technologie bij het streven naar duurzame ontwikkeling en hopen daarmee tevens meer ingrijpende maatregelen vanuit de overheid te voorkomen. In werkelijkheid zal de waarheid ergens in het midden liggen: technologie kan zeker een bijdrage leveren aan de oplossing van duurzaamheidvraagstukken, maar tegelijkertijd vereisen die oplossingen vaak ook allerlei maatschappelijke veranderingen. De kernopgave voor duurzame ontwikkeling lijkt dan ook te zijn: technologieën ontwikkelen die duurzaam zijn en in een breder proces van maatschappelijke verandering ingebed zijn. Als belangrijkste uitdaging geldt de technologische vooruitgang zodanig te sturen dat nieuwe technologieën en technieken milieuen gebruikersvriendelijk zijn en voor grote groepen van de (wereld)bevolking toegankelijk Een lastig begrip om te operationaliseren In beschouwingen over duurzame ontwikkeling spelen de begrippen grenzen en behoeften vaak een belangrijke rol. In de praktijk blijkt het echter bijzonder lastig te zijn om ecologische grenzen en maatschappelijke behoeften te bepalen. Ten eerste, vereist dit kennis van de behoeften van huidige en toekomstige generaties. Voor de huidige generatie is dat al lastig te bepalen, voor toekomstige generaties vrijwel onmogelijk. Ten tweede, vereist dit kennis van de milieueisen en milieubelasting als gevolg van de bevrediging van deze behoeften, zodat daadwerkelijk grenzen kunnen worden aangegeven. Ook hierover is veel twijfel. In abstracto bestaan er uiteraard ecologische grenzen voor het menselijk gedrag en samenleven de mensheid moet het immers doen met de beschikbare fysieke omgeving maar het blijkt een heel andere kwestie te zijn om in concreto te bepalen of deze grenzen bereikt zijn, of wellicht al overschreden zijn. De beschikbare wetenschappelijke kennis schiet hiervoor vaak tekort. Ook moet worden bedacht dat de natuurlijke omgeving een dynamisch systeem is, dat voortdurend veranderd, ook zonder menselijk ingrijpen. Bovendien zijn ecologische grenzen niet absoluut, maar worden naast de eigenschappen van ecosystemen bepaald door de stand van de technologie en door de organisatie van de samenleving. Bij duurzame ontwikkeling gaat het dus om een maatschappelijk veranderingsproces waarvan de uitkomst niet precies omschreven is. Duurzame ontwikkeling is een dynamisch proces dat gepaard gaat met een grote mate van onzekerheid, en niet een objectief te bepalen einddoel. Op zijn best kan worden vastgesteld of een bepaalde situatie duurzamer is dan een andere. Als er al pogingen worden ondernomen om het begrip duurzame ontwikkeling te operationaliseren (vertalen van een algemene omschrijving naar een concrete aanpak met duidelijk omschreven doelen en meetbare resultaten), dan blijken de uitgangspunten en denkbeelden over wat verstaan mag worden onder duurzame ontwikkeling sterk uiteen te lopen. Dit heeft in belangrijke mate te maken met het karakter van het concept, dat zich laat omschrijven als normatief, subjectief, complex en vaag (De Kraker, Van Laeken, Cörvers, 2004). Duurzame ontwikkeling is allereerst een normatief begrip. Met normatief wordt bedoeld dat het begrip een norm bevat, iets wat nagestreefd moet worden. Normen zijn gegrond op breed 16

17 gedragen waarden in een samenleving of cultuur, maar worden niet per se door iedereen gedeeld. Bij toepassing moeten we dus uitgaan van doelen waarover brede overeenstemming bestaat. Echter, consensus hierover is soms ver te zoeken, zeker wanneer de doelen meer concreet gemaakt moeten worden. De norm die de Brundtland-definitie bevat is die van intergenerationele solidariteit : toekomstige generaties moeten minimaal over dezelfde mogelijkheden beschikken als de huidige. Niet expliciet in de Brundtland-definitie, maar wel in het Brundtland-rapport en ook algemeen aanvaard als behorende bij duurzame ontwikkeling is de norm van intragenerationele solidariteit : ontwikkeling in de rijke landen mag niet ten koste gaan van ontwikkeling in de arme landen. Duurzame ontwikkeling is een subjectief begrip, wat wil zeggen dat de interpretatie ervan afhangt van persoonlijke opvattingen of voorkeuren. Dat betreft in het bijzonder het punt van het voorzien in de menselijke behoeften (en stellen van grenzen). Wanneer wordt daar in voldoende mate in voorzien, voor huidige én voor toekomstige generaties? Daar valt geen objectief eindoordeel over te vellen, en dus ook niet over welke mogelijkheden per se behouden moeten blijven. De mate waarin doelen geacht worden te zijn bereikt hangt bovendien af van opvattingen die naar tijd, plaats en groep kunnen variëren. Ook op dit punt is consensus vaak ver te zoeken. Bovendien is niet alleen de keuze en definitie van een maatstaf (indicator) vaak subjectief, maar ook over aspecten als schaalverdeling en streefwaarden verschillen de inzichten. Door de complexiteit van duurzaamheidvraagstukken is het aantal mogelijke indicatoren bijna eindeloos. Verschillen in doelen brengen vanzelfsprekend ook verschillende keuzes van indicatoren met zich mee. Vaak is samenvoeging noodzakelijk, waarbij het relatieve gewicht dat een indicator krijgt ook weer de nodige subjectiviteit met zich mee brengt. Duurzame ontwikkeling is ook een complex begrip. Het in samenhang moeten beschouwen van ecologische, economische en sociale aspecten, gecombineerd met de aandacht voor zowel de korte als de lange termijn en ook nog eens de verschillende ruimtelijke schalen waarop problemen zich kunnen manifesteren, maakt duurzame ontwikkeling tot een uitermate complexe aangelegenheid. De zo gewenste brede benadering maakt het begrip in beleid meteen ook bijna onwerkbaar, terwijl bij een drastische vereenvoudiging de gewenste samenhang tussen de verschillende dimensies weer verloren dreigt te gaan. Die complexiteit, waarin alles met alles samenhangt, vergt de inbreng vanuit vele disciplines, van wetenschappelijke én praktische kennis, en stelt hoge eisen aan de communicatie tussen de betrokkenen. Deze complexiteit brengt ook een aanzienlijke mate van onzekerheid en diversiteit in wetenschappelijke kennis met zich mee. Tot slot, duurzame ontwikkeling is een vaag concept. Definities van duurzame ontwikkeling bevatten vaak geen uitspraak over hoe een afweging tussen de verschillende dimensies dient plaats te vinden. Ze zijn uitermate vaag met betrekking tot het relatieve gewicht van de ecologische, economische en sociale aspecten van duurzame ontwikkeling, en daardoor voor meerdere uitleg vatbaar. Wel wordt in het Brundtland-rapport gesproken over de noodzaak tot harmonie tussen de ontwikkelingen op deze terreinen, en in navolging hiervan wordt in talloze documenten een evenwichtige ontwikkeling bepleit van de ecologische, economische en sociale dimensies. Maar om te kunnen bepalen of een ontwikkeling evenwichtig is, hebben we nog steeds behoefte aan weegfactoren voor de verschillende domeinen. Kan vooruitgang op één domein achteruitgang op een ander domein deels compenseren? Deze vragen brengen de interne spanning in het begrip duurzame ontwikkeling aan het licht, die inherent is aan het politieke compromis waaruit het concept is ontstaan. Namelijk het verbinden van natuur- en 17

18 milieubehoud met economische en sociale ontwikkeling, zonder expliciet een uitspraak te doen over het primaat van één van deze. Het normatieve, subjectieve, complexe en vage karakter van duurzame ontwikkeling maakt operationalisering behoorlijk lastig. Toch hebben wetenschappers al heel wat pogingen ondernomen om het begrip politiek-maatschappelijk hanteerbaar en toepasbaar te maken. Voorbeelden van duurzaamheidbenaderingen zijn de duurzaamheidnormen van Hueting en Reijnders, de driekapitalenbenadering van ICIS en Telos, en de duurzaamheidverkenning van het RIVM. Uit de verschillende benaderingen blijkt dat duurzame ontwikkeling wetenschappelijk een onmogelijk concept is, het valt niet puur wetenschappelijk te operationaliseren. Duurzaamheidvraagstukken zijn dan ook niet wetenschappelijk oplosbaar, zoals een wiskundig vraagstuk dat is. De voornaamste oorzaak hiervan is de ongelijksoortigheid van de drie dimensies van het concept. De ecologische, economische en sociaal-culturele dimensie zijn niet onder één noemer te brengen, zodat vraagstukken van duurzame ontwikkeling uiteindelijk toch afwegingskwesties zijn. Het afwegen van en beslissen over ongelijksoortige zaken behoort tot het domein van de politiek, niet van de wetenschap. Wel kan de wetenschap trachten duurzame ontwikkeling politiek beslisbaar te maken. Hiervoor is het zaak om bij maatschappelijke ontwikkelingen de conflicterende doelen, alternatieven en dilemma s helder voor het voetlicht te krijgen. Duurzame ontwikkeling heeft echter (te vaak) de neiging een zodanig algemeen en allesomvattend begrip te worden dat niemand er nog tegen kan zijn. In beleid en bestuur wordt het concept dan onbruikbaar en per saldo dus krachteloos. 2.3 Perspectief voor maatschappelijke vooruitgang Het voortdurend in onderlinge samenhang beschouwen van de verschillende domeinen en dimensies van duurzame ontwikkeling is een complexe opgave. Ook voor de overheid, die op dit vlak een bijzondere rol vervult. Ten eerste, is duurzame ontwikkeling een kwestie van algemeen belang en behoort de overheid als dienaar van het algemeen belang (wat wil zeggen datgene wat in ieders belang is en rekening houdend met ieders belang ) politieke besluiten van die strekking te nemen. Niet zelden treedt een overheid echter op als behartiger van specifieke belangen en behoeften. De politieke besluitvorming lijkt dan meer op het inwilligen van de voorkeuren van bepaalde groepen dan het waarborgen van het algemeen belang. Vanwege haar bijzondere verantwoordelijkheid zou juist de overheid richting moeten bepalen voor een maatschappelijk veranderingsproces richting duurzame ontwikkeling, en op grond daarvan afwegingen maken tussen verschillende in het geding zijnde belangen. Want dat is evident, duurzame ontwikkeling betekent niet dat er géén keuzes nodig zijn. Ten tweede, zal de overheid andere actoren in een maatschappelijk veranderingsproces richting duurzame ontwikkeling moeten betrekken. De overheid is niet in staat om duurzame ontwikkeling geheel zelfstandig te realiseren. Dit vraagt om een politiek proces dat transparant is in termen van afweging en verantwoording. In dit verband wordt vaak gepleit voor een participatieve democratie, waarbij alle relevante actoren direct participeren in beleids- en besluitvormingsprocessen. Daarbij kan zich echter de democratische paradox voordoen: iedereen is het er over eens dat radicale ingrepen nodig zijn om duurzame ontwikkeling tot stand te brengen, maar toch lijken alleen minimalistische maatregelen kans van slagen te hebben (Korthals, 1994: 34-36). Ten derde, zal de overheid informatie moeten verstrekken die aansluit op de belevingswereld van burgers en aanzet tot denken over de huidige levensstijl. Informatie over duurzame ontwikkeling is vaak verwoord in abstract, wetenschappelijk en technisch jargon. Burgers informeren over de mogelijke gevolgen van klimaatverandering over een eeuw spreekt niet aan. De informatie zal veel dichter bij de dagelijkse leefwereld van burgers moeten staan (bijvoorbeeld een grotere 18

19 kans op schade aan je woning door extreme weersomstandigheden), zodat ze het gevoel hebben dat ze een bijdrage kunnen leveren aan de (deel)oplossing van een probleem dat ze van nabij kennen. Dat ze daarmee tevens een bijdrage leveren aan de aanpak van een abstracter probleem dat zich op een hoger schaalniveau en op langere termijn voltrekt is dan mooi meegenomen. Ten vierde, kan worden geconstateerd dat met het streven naar duurzame ontwikkeling de positie van de overheid als hoeder van de soevereine staat verandert. Er zal meer beslissingsbevoegdheid (moeten) worden overgedragen aan lokale en regionale netwerken van actoren waarin duurzame ontwikkeling concreet gestalte krijgt, maar ook aan supranationale organisaties (zoals Europese Unie, Wereldhandelsorganisatie, Verenigde Naties), waarin richting wordt gegeven aan duurzame ontwikkeling op internationaal niveau. Duurzame ontwikkeling plaatst overheden en samenlevingen voor fundamentele keuzes. Dat daarbij belangentegenstellingen en machtsverhoudingen overbrugd moeten worden is evident, want die liggen aan de basis van de huidige samenleving. Verschillende culturele en institutionele kenmerken van de huidige (westerse) samenleving lijken het streven naar duurzame ontwikkeling vooralsnog te belemmeren. Als richtinggevende principes voor duurzame maatschappelijke vooruitgang kan gedacht worden aan (Cörvers, 2004): - internationale en intergenerationele rechtvaardigheid en solidariteit als belangrijke grondbeginselen voor nieuwe maatschappelijke arrangementen. - een economische ordening die voorziet in fundamentele menselijke behoeften en een rechtvaardige verdeling van natuurlijke hulpbronnen, zowel tussen verschillende werelddelen als tussen verschillende generaties. - productie- en consumptiepatronen die recht doen aan de ecologische en sociale dimensies van duurzame ontwikkeling. - duurzame technologische innovatie op alle terreinen waarin materiële systemen en producten een rol spelen. - een andere houding tegenover de natuurlijke omgeving, in de zin van meer respect voor andere levensvormen en het in stand houden van ecosystemen, ook als die niet van direct nut (lijken te) zijn voor de mens; - directe participatie van alle belanghebbenden in politieke besluitvormingsprocessen over aspecten van duurzame ontwikkeling. - leren van de sociaal-culturele verscheidenheid binnen en tussen samenlevingen, met als doel ingrediënten aan te dragen voor een duurzame beschaving. Deze richtinggevende principes veronderstellen ingrijpende veranderingen op cultureel, economisch, technologisch, sociaal en politiek vlak. Al deze vraagstukken zijn kwesties van maatschappelijk en dus politiek belang en bevatten een forse dosis normativiteit. Het streven naar duurzame ontwikkeling wordt dan ook in belangrijke mate normatief bepaald. 19

20 3. Duurzame ontwikkeling en onderwijs in Nederland Voor duurzame ontwikkeling wordt een belangrijke rol toegekend aan het onderwijs. Scholen zijn echter in sterke mate autonoom en kunnen zelf bepalen of ze aandacht willen besteden aan (aspecten van) duurzame ontwikkeling. Tegelijkertijd wordt vanuit het landelijke programma Leren voor Duurzame Ontwikkeling (LvDO) geprobeerd meer aandacht te krijgen voor duurzame ontwikkeling in het onderwijs en binnen de overheid. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op enkele algemene kenmerken van het Nederlandse onderwijssysteem en wat dat betekend voor het streven om duurzame ontwikkeling in het onderwijs ingebed te krijgen (3.1). Vervolgens wordt het programma LvDO nader bekeken en enkele andere initiatieven die scholen wellicht ondersteunen om in hun onderwijs aandacht te besteden aan duurzame ontwikkeling (3.2). 3.1 Tussen vrijheid van onderwijs en richting bepalen Een kenmerk van het Nederlandse onderwijsstelsel is de vrijheid van onderwijs. Openbare en bijzondere scholen zijn in de Grondwet financieel gelijkgesteld. Scholen die geld ontvangen van de rijksoverheid moeten aan bepaalde voorwaarden voldoen. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OC&W) stelt eisen aan het onderwijs, zoals voorschriften voor te volgen vakken, de kerndoelen, de landelijke examens en het aantal lesuren per jaar. Naast de kwaliteit van onderwijs bewaakt OC&W ook de toegankelijkheid van het onderwijs. Ook werkt OC&W aan een nieuw onderwijsbestel met daarin minder regels en meer vrijheid voor de scholen (Commissie Dijsselbloem). Dit betekent dat vernieuwingen in het onderwijs niet meer vanuit de overheid komen, maar vanuit de scholen zelf. Het zwaartepunt van beleid gaat daarbij naar lokale overheden en schoolbesturen. Scholen krijgen daarbij meer ruimte om onderwijs op maat te geven. Met meerjarenplannen leggen de scholen hierover verantwoording af aan de Onderwijsinspectie (http://www.minocw.nl/onderwijs/index.html). Scholen bepalen dus steeds meer zelf de inhoud van het onderwijs. De overheid wil echter ook dat alle kinderen aan het eind van de basisschool en het voortgezet onderwijs (VMBO, HAVO, VWO) bepaalde dingen kennen en kunnen. Hiervoor zijn landelijke kerndoelen opgesteld. Kerndoelen geven per vak aan wat de school kinderen moet leren. Daarbij gaat het om kennis, inzicht, vaardigheden, houding, maar ook de creatieve, sociale, emotionele en lichamelijke ontwikkeling van het kind. De kerndoelen zijn streefdoelen die aangeven waarop scholen zich moeten richten. Ze beschrijven het onderwijsaanbod in grote lijnen en geven aan wat in elk geval aan de orde moet komen. Naast een kerndeel wordt een differentieel deel onderscheiden (ca. 30% van de lestijd), waarin scholen zelf bepalen welke aanvullende kerndoelen aan de orde komen. Om de kerndoelen daadwerkelijk in het onderwijs te gebruiken, is een uitwerking in methoden nodig. Dat kan op veel verschillenden manieren. De school bepaalt zelf hoe leerlingen het niveau van de kerndoelen behalen. Voor het middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijs (HBO en WO) zijn geen kerndoelen opgesteld, waardoor de vrijheidsgraden voor die onderwijsinstellingen relatief groot zijn (http://www.minocw.nl/onderwijs/index.html). Interessant voor dit onderzoek naar de aandacht voor duurzame ontwikkeling in onderwijs in Limburg, is de constatering dat duurzame ontwikkeling of duurzaamheid niet als kerndoel is vastgesteld in Kerndoelen primair onderwijs (OC&W, 2006). In 2006 zijn door OC&W de nieuwe kerndoelen vastgesteld en dienen met ingang van schooljaar 2009/2010 binnen de basisscholen te zijn ingevoerd. Voor de basisschool worden 6 leergebieden onderscheiden met in totaal 58 kerndoelen (in 1993 werden 122 kerndoelen vastgesteld, in 1998 nog 103). Voor duurzame 20

21 ontwikkeling biedt het leergebied oriëntatie op jezelf en de wereld de meest concrete aanknopingspunten. In de karakterisering van dit leergebied wordt onder meer gesteld: Bij het leren kennen van de wijze waarop mensen hun omgeving inrichten, spelen economische, politieke, culturele, technische en sociale aspecten een belangrijke rol. Het gaat daarbij om datgene wat van belang is voor betekenisverlening aan het bestaan, om duurzame ontwikkeling, om (voedsel)veiligheid en gezondheid en om technische verworvenheden (OC&W, 2006: 48). Voor dit leergebied zijn 19 kerndoelen vastgesteld, die verdeeld zijn over de thema s: mens en samenleving, natuur en techniek, ruimte, en tijd. Inhoudelijk zijn de kerndoelen (van oudsher) gericht op de natuur, de natuurlijke omgeving en meer recent het milieu en milieuproblemen. Enigszins opmerkelijk is dat duurzame ontwikkeling weliswaar in de karakterisering van dit leergebied wordt vermeld, maar in geen enkel kerndoel expliciet wordt genoemd. Om een vertaalslag te maken van kerndoelen naar dagelijkse onderwijspraktijk heeft OC&W de Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) leerlijnen en tussendoelen laten ontwikkelen. Een leerlijn geeft voor een bepaald leergebied aan hoe van een bepaald beginniveau tot de kerndoelen te komen. Belangrijke momenten in de leerlijn zijn tussendoelen. Voor duurzame ontwikkeling is (nog) geen leerlijn opgesteld. Wel heeft SLO in opdracht van OC&W en het programma LvDO het kernleerplan Duurzame ontwikkeling is leren vooruitzien (Remmers, 2007) opgesteld. Dit kernleerplan is gericht op onderwijs aan kinderen van 4-16 jaar en beoogt (Remmers, 2007: 17): - de essentie te beschrijven van Leren voor Duurzame Ontwikkeling; - een inspirerend richtinggevend kader te zijn voor schoolleiding, leerkrachten en schrijvers van educatief materiaal; - te werken als eyeopener en schoolleiding, leerkrachten en schrijvers te motiveren (aspecten van) duurzame ontwikkeling in de praktijk toe te passen; - committent te creëren bij leerkrachten en schrijvers van educatief materiaal voor duurzame ontwikkeling in de onderwijspraktijk; - een toetsingskader aan te reiken voor de kwaliteit en de inhoud van Leren voor Duurzame Ontwikkeling. In het kernleerplan worden onder meer kernbegrippen en kernthema s aangereikt waaraan duurzaamheidsonderwijs kan worden getoetst, of wellicht door kan worden geïnspireerd (zie Tabel 3.1). In het kernleerplan wordt opgemerkt dat scholen zelf kunnen kiezen of en hoe ze aandacht besteden aan duurzame ontwikkeling. Daarbij wordt enigszins retorisch de vraag opgeworpen of scholen de thematiek van duurzame ontwikkeling zullen oppakken. 21

22 Tabel 3.1: Kernthema s en kernbegrippen voor leren voor duurzame ontwikkeling (Remmers, 2007). Eveneens in 2007 verschijnt bij het Centraal Instituut voor Toetsontwikkeling (Cito) Duurzame ontwikkeling voor de basisschool. Domeinbeschrijving en voorbeeldlessen (Wagenaar, 2007). In de optiek van het Cito is een domeinbeschrijving een beschrijving van leerstof, die betrekking kan hebben op een leergang, een vakgebied, een thema, enzovoort. Een domeinbeschrijving wordt in eerste instantie gemaakt voor het Cito met de bedoeling goede toetsen te kunnen maken. Volgens het Cito kunnen ze echter ook van betekenis zijn voor het ontwikkelen van leerstof en het bijscholen van leerkrachten en toekomstige leerkrachten in vakinhoudelijke kennis. Ook worden domeinbeschrijvingen bruikbaar geacht voor educatieve uitgeverijen bij het ontwerpen van methoden en voor leraren van basisscholen die hierin een ijkpunt kunnen 22

Keurmerk: Duurzame school

Keurmerk: Duurzame school Keurmerk: Duurzame school Doorlopende leerlijn voor duurzame ontwikkeling van basisonderwijs (PO) t/m voortgezet onderwijs (VO) PO-1 Kennis en inzicht (weten) Vaardigheden (kunnen) Houding (willen) Begrippen

Nadere informatie

Morele vorming in het voortgezet onderwijs Een peiling onder leidinggevenden en ouders

Morele vorming in het voortgezet onderwijs Een peiling onder leidinggevenden en ouders Morele vorming in het voortgezet onderwijs Een peiling onder leidinggevenden en ouders Auteurs: Drs. G. van der Meulen Referentie: WvdJ/SL 11.0426 Datum: maart 2007 Het lectoraat Morele vorming in het

Nadere informatie

Een brede kijk op onderwijskwaliteit Samenvatting

Een brede kijk op onderwijskwaliteit Samenvatting Een brede kijk op onderwijskwaliteit E e n o n d e r z o e k n a a r p e r c e p t i e s o p o n d e r w i j s k w a l i t e i t b i n n e n S t i c h t i n g U N 1 E K Samenvatting Hester Hill-Veen, Erasmus

Nadere informatie

Samen aan de IJssel Inleiding

Samen aan de IJssel Inleiding Samen aan de IJssel Samenwerking tussen de gemeenten Capelle aan den IJssel en Krimpen aan den IJssel, kaders voor een intentieverklaring en voor een onderzoek. Inleiding De Nederlandse gemeenten bevinden

Nadere informatie

Functioneel beheer in Nederland

Functioneel beheer in Nederland Functioneel beheer in Nederland Achtergrond Op initiatief van Marjet Smits (ad Matres), Martijn Buurman (Functioneel-beheerder.com) en Günther Nijmeijer (inmezzo) is eind 2012 de eerste verkiezing voor

Nadere informatie

Over de Zorgbalans: achtergrond en aanpak

Over de Zorgbalans: achtergrond en aanpak 1 Over de Zorgbalans: achtergrond en aanpak 1.1 De Zorgbalans beschrijft de prestaties van de gezondheidszorg In de Zorgbalans geven we een overzicht van de prestaties van de Nederlandse gezondheidszorg

Nadere informatie

Ruimte creëren. kennis, p. 17). De oplettende lezer ziet dat in het schema van deze negen aspecten deze ruimte wordt aangeduid met de woorden

Ruimte creëren. kennis, p. 17). De oplettende lezer ziet dat in het schema van deze negen aspecten deze ruimte wordt aangeduid met de woorden VERSLAG REACTIE 20 Over vermeende tegenstellingen die irrelevant zijn In het stuk van Piet van der Ploeg Pabo s varen blind op constructivisme (zie artikel op pagina 13) worden veel tegenstellingen geschetst.

Nadere informatie

Bijlage 1: Methode. Respondenten en instrumenten

Bijlage 1: Methode. Respondenten en instrumenten Bijlage 1: Methode In deze bijlage doen wij verslag van het tot stand komen van onze onderzoeksinstrumenten: de enquête en de interviews. Daarnaast beschrijven wij op welke manier wij de enquête hebben

Nadere informatie

Zicht op... Cultureel erfgoed

Zicht op... Cultureel erfgoed CULTUURNETWERK_ nl Expertisecentrum cultuureducatie Zicht op... Cultureel erfgoed Deze uitgave is een oorspronkelijke uitgave van het voormalige LOKV Nederlands Instituut voor Kunsteducatie. Cultuurnetwerk

Nadere informatie

K a n s e n. voor particulier natuurbeheer i n B r a b a n t. Onderzoeksrapport. Mei 2007

K a n s e n. voor particulier natuurbeheer i n B r a b a n t. Onderzoeksrapport. Mei 2007 K a n s e n voor particulier natuurbeheer i n B r a b a n t Onderzoeksrapport Mei 2007 Opdrachtgever: Uitvoerenden: In samenwerking met: Provincie Noord-Brabant Brabants Landschap Brabants Particulier

Nadere informatie

logoocw De heer prof. dr. F. P. van Oostrom 26 mei 2005 ASEA/DIR/2005/23876 Taakopdracht voor de commissie Ontwikkeling Nederlandse Canon geen

logoocw De heer prof. dr. F. P. van Oostrom 26 mei 2005 ASEA/DIR/2005/23876 Taakopdracht voor de commissie Ontwikkeling Nederlandse Canon geen logoocw De heer prof. dr. F. P. van Oostrom Den Haag Ons kenmerk 26 mei 2005 ASEA/DIR/2005/23876 Onderwerp Taakopdracht voor de commissie Ontwikkeling Nederlandse Canon Bijlage(n) geen Geachte heer Van

Nadere informatie

Raadsvoorstel Vernieuwing Mondiale Bewustwording

Raadsvoorstel Vernieuwing Mondiale Bewustwording gemeente Eindhoven Raadsnummer 14R6043 Inboeknummer 14bst01553 Beslisdatum B&W 21 oktober 2014 Dossiernummer 14.43.151 Raadsvoorstel Vernieuwing Mondiale Bewustwording Inleiding In het coalitieakkoord

Nadere informatie

Provinciale Staten VOORBLAD

Provinciale Staten VOORBLAD Provinciale Staten VOORBLAD Onderwerp SIS-nummer Agendering (advies griffie) Behandelwijze Overlegpunten/ beslispunten Context Agendaverzoek GS: Gelders Provinciaal Ambitie Statement leren voor Duurzame

Nadere informatie

Platform Bèta Techniek. Connect 05 2015. Chemiedag 2015. Hoe kunnen onderwijs en bedrijfsleven succesvol samenwerken?

Platform Bèta Techniek. Connect 05 2015. Chemiedag 2015. Hoe kunnen onderwijs en bedrijfsleven succesvol samenwerken? Platform Bèta Techniek Connect 05 2015 Chemiedag 2015 Hoe kunnen onderwijs en bedrijfsleven succesvol samenwerken? Succesvolle samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven is de basis voor groei van

Nadere informatie

Knelpunten Hieronder worden de 10 belangrijkste knelpunten bij de vormgeving van de regierol op het gebied van integrale veiligheid samengevat.

Knelpunten Hieronder worden de 10 belangrijkste knelpunten bij de vormgeving van de regierol op het gebied van integrale veiligheid samengevat. Gemeentelijke regie bij integrale veiligheid Veel gemeenten hebben moeite met het vervullen van de regierol op het gebied van integrale veiligheid. AEF heeft onderzoek gedaan naar knelpunten bij de invulling

Nadere informatie

Index. 1. Waar komen we vandaan? 1. 2. Waar gaan we naartoe? 2. 3. Beleidsthema s 2014-2016 6

Index. 1. Waar komen we vandaan? 1. 2. Waar gaan we naartoe? 2. 3. Beleidsthema s 2014-2016 6 Index 1. Waar komen we vandaan? 1 2. Waar gaan we naartoe? 2 2.1 Missie 2 2.2 Visie 2 2.3 Doelstellingen 3 2.4 Strategie 4 2.4.1 Organisatie 4 2.4.2 Aanbod 4 2.4.3 Maatschappelijk rolmodel 4 2.4.4. Marketing

Nadere informatie

Het sociaal regelsysteem: externe sturing door discipline. Het systeem van communicatieve zelfsturing: zelfsturing in communicatie

Het sociaal regelsysteem: externe sturing door discipline. Het systeem van communicatieve zelfsturing: zelfsturing in communicatie De logica van lef, discipline en communicatie Theoretisch kader voor organisatieontwikkeling Tonnie van der Zouwen, maart 2007 De gelaagdheid in onze werkelijkheid Theorieën zijn conceptuele verhalen met

Nadere informatie

Factsheet d.d. 11 december 2013 Limburgs plan van aanpak DuurzaamDoor 2013-2016: sociale innovatie voor een groene economie.

Factsheet d.d. 11 december 2013 Limburgs plan van aanpak DuurzaamDoor 2013-2016: sociale innovatie voor een groene economie. Factsheet d.d. 11 december 2013 Limburgs plan van aanpak DuurzaamDoor 2013-2016: sociale innovatie voor een groene economie. Auteur: H.W. (Hein) van der Meer beleidsmedewerker Leefmilieu Werkveld Beleid

Nadere informatie

Auditrapportage 2014. Bijlage 1 Typologieën en het fasemodel. Dynamiek onderweg

Auditrapportage 2014. Bijlage 1 Typologieën en het fasemodel. Dynamiek onderweg Auditrapportage 2014 Bijlage 1 Typologieën en het fasemodel Dynamiek onderweg De vier geïdentificeerde typologieën van de Centra co-creator; incubator; transformator; facilitator - zijn hieronder kort

Nadere informatie

Cultuureducatie in het basisonderwijs

Cultuureducatie in het basisonderwijs Cultuureducatie in het basisonderwijs Gemeente Westland Nulmeting Inleiding Teneinde aan het einde van het programma Cultuureducatie met Kwaliteit (CMK) vast te kunnen stellen wat de bereikte resultaten

Nadere informatie

Stichtingsdocument 2015-2016

Stichtingsdocument 2015-2016 T Stichtingsdocument 2015-2016 Swammerdamstraat 38bg 1091 RV Amsterdam T: 020 6 75 08 80 F: 020 6 70 84 56 info@skcnet.nl www.skcnet.nl 1 Inhoudsopgave Inhoudsopgave... 2 1.Wat doet de organisatie... 3

Nadere informatie

2. Wat zijn per sector/doelgroep de algemene inzichten ten aanzien van de inhoud van de continuïteitsplannen?

2. Wat zijn per sector/doelgroep de algemene inzichten ten aanzien van de inhoud van de continuïteitsplannen? Samenvatting Aanleiding en onderzoeksvragen ICT en elektriciteit spelen een steeds grotere rol bij het dagelijks functioneren van de maatschappij. Het Ministerie van Veiligheid en Justitie (hierna: Ministerie

Nadere informatie

Provinciale Staten van Overijssel

Provinciale Staten van Overijssel www.prv-overijssel.nl Provinciale Staten van Overijssel Postadres Provincie Overijssel Postbus 10078 8000 GB Zwolle Telefoon 038 425 25 25 Telefax 038 425 75 02 Uw kenmerk Uw brief Ons kenmerk Datum EMT/2005/1830

Nadere informatie

NATIONALE COALITIE DIGITALE DUURZAAMHEID BEGINSELVERKLARING. CONCEPT 4 juni 2007 DE UITDAGING

NATIONALE COALITIE DIGITALE DUURZAAMHEID BEGINSELVERKLARING. CONCEPT 4 juni 2007 DE UITDAGING NATIONALE COALITIE DIGITALE DUURZAAMHEID BEGINSELVERKLARING CONCEPT 4 juni 2007 DE UITDAGING Versterking van de wetenschap en een betere benutting van de resultaten zijn een onmisbare basis, als Nederland

Nadere informatie

Visie op duurzaam Veranderen

Visie op duurzaam Veranderen Visie op duurzaam Veranderen Ruysdael Ruysdael is een gerenommeerd bureau dat zich sinds haar oprichting in 1994 heeft gespecialiseerd in het managen van veranderingen. Onze dienstverlening kent talloze

Nadere informatie

Nieuwe koers brede school

Nieuwe koers brede school bijlage bij beleidsvoorstel Brede Talentontwikkeling in de Kindcentra 28 mei 2013 Nieuwe koers brede school (november 2012) 1. Waarom een nieuwe koers? De gemeente Enschede wil investeren in de jeugd.

Nadere informatie

Ons beeld van de stand van zaken

Ons beeld van de stand van zaken Ons beeld van de stand van zaken Maart 2005 heeft de rekenkamer een onderzoek naar de begroting 2005 gepubliceerd. De aanbevelingen uit dit onderzoek (zie pagina 12) zijn in deze brief in cursief overgenomen

Nadere informatie

BELEIDSPLAN. Brederodestraat 104 4 1054 VG Amsterdam Nederland. www.stichtingopen.nl info@stichtingopen.nl Rabobank: NL44RABO0143176986

BELEIDSPLAN. Brederodestraat 104 4 1054 VG Amsterdam Nederland. www.stichtingopen.nl info@stichtingopen.nl Rabobank: NL44RABO0143176986 BELEIDSPLAN Brederodestraat 104 4 1054 VG Amsterdam Nederland www.stichtingopen.nl info@stichtingopen.nl Rabobank: NL44RABO0143176986 BELEIDSPLAN STICHTING OPEN 1 1. INLEIDING Voor u ligt het beleidsplan

Nadere informatie

Actief burgerschap. Sint Gerardusschool Splitting 145 7826 ET Emmen Tel: 0591-622465 gerardusschool@skod.nl

Actief burgerschap. Sint Gerardusschool Splitting 145 7826 ET Emmen Tel: 0591-622465 gerardusschool@skod.nl 2013 Actief burgerschap 0 Sint Gerardusschool Splitting 145 7826 ET Emmen Tel: 0591-622465 gerardusschool@skod.nl Inhoudsopgave Pagina Inleiding 2 Hoofdstuk 1 : 3 Hoofdstuk 2 : : een doel en een middel

Nadere informatie

Rapport 833 Derriks, M., & Kat, E. de. (2020). Jeugdmonitor Zeeland Amsterdam: Kohnstamm Instituut.

Rapport 833 Derriks, M., & Kat, E. de. (2020). Jeugdmonitor Zeeland Amsterdam: Kohnstamm Instituut. Samenvatting Rapport 833 Derriks, M., & Kat, E. de. (2020). Jeugdmonitor Zeeland Amsterdam: Kohnstamm Instituut. De Jeugdmonitor Zeeland De Jeugdmonitor Zeeland is een plek waar allerlei informatie bij

Nadere informatie

Onderzoek Passend Onderwijs

Onderzoek Passend Onderwijs Rapportage Onderzoek passend onderwijs In samenwerking met: Algemeen Dagblad Contactpersoon: Ellen van Gaalen Utrecht, augustus 2015 DUO Onderwijsonderzoek drs. Liesbeth van der Woud drs. Tanya Beliaeva

Nadere informatie

Organiseren van samenwerking in het jeugddomein

Organiseren van samenwerking in het jeugddomein Organiseren van samenwerking in het jeugddomein De overkoepelende resultaten van vier afstudeeronderzoeken Publiek Management In opdracht van Integraal Toezicht Jeugdzaken (ITJ) hebben vier studenten Bestuurs-

Nadere informatie

Nextport International community Zwolle Region

Nextport International community Zwolle Region Nextport International community Zwolle Region December 2014 1 Ideaalbeeld Zwolle 2020 Wat hebben we bereikt? We schrijven 2020. Regio Zwolle heeft een transitie doorgemaakt en wordt internationaal gezien

Nadere informatie

MEDEZEGGENSCHAP EN SUCCESFACTOREN. Ruysdael onderzoek 2015

MEDEZEGGENSCHAP EN SUCCESFACTOREN. Ruysdael onderzoek 2015 MEDEZEGGENSCHAP EN SUCCESFACTOREN Ruysdael onderzoek 2015 Succes maak je samen Ruysdael is gespecialiseerd in innovatie van mens en organisatie. Vanuit de overtuiging dat je samen duurzame meerwaarde creëert.

Nadere informatie

Terugkoppeling monitor subsidieregeling Versterking samenwerking lerarenopleidingen en scholen 2013-2016

Terugkoppeling monitor subsidieregeling Versterking samenwerking lerarenopleidingen en scholen 2013-2016 Terugkoppeling monitor subsidieregeling Versterking samenwerking lerarenopleidingen en scholen 2013-2016 Beginmeting 2014 Portret samenwerkingsverband P029 Opdrachtgever: ministerie van OCW Utrecht, september

Nadere informatie

Kernindicatoren voor assessment binnen de context van inclusief onderwijs

Kernindicatoren voor assessment binnen de context van inclusief onderwijs Kernindicatoren voor assessment binnen de context van inclusief onderwijs Proloog Assessment binnen de context van inclusief onderwijs is een aanpak van assessment binnen het reguliere onderwijs waarbij

Nadere informatie

Intergemeentelijke samenwerking: klaar voor de toekomst?

Intergemeentelijke samenwerking: klaar voor de toekomst? LECTORAAT I-THORBECKE Intergemeentelijke samenwerking: klaar voor de toekomst? Samenvatting verkennend onderzoek, februari 2013. KENNIS EN BEDRIJF Lectoraat i-thorbecke LECTORAAT I-THORBECKE Intergemeentelijke

Nadere informatie

Hoe kan u strategie implementeren en tot leven brengen in uw organisatie?

Hoe kan u strategie implementeren en tot leven brengen in uw organisatie? Hoe kan u strategie implementeren en tot leven brengen in uw organisatie? De externe omgeving wordt voor meer en meer organisaties een onzekere factor. Het is een complexe oefening voor directieteams om

Nadere informatie

Commissie Zorg, Welzijn en Cultuur

Commissie Zorg, Welzijn en Cultuur Griffie Commissie Zorg, Welzijn en Cultuur Datum commissievergadering : nvt DIS-stuknummer : 1259265 Behandelend ambtenaar : E.C.M. Mermans Directie/afdeling : SCO/ZW Nummer commissiestuk : ZWC-0526 Datum

Nadere informatie

Brussel, 8 juli 2009 07082009_SERV-advies projecten VSDO. Advies. Projecten Vlaamse strategie duurzame ontwikkeling

Brussel, 8 juli 2009 07082009_SERV-advies projecten VSDO. Advies. Projecten Vlaamse strategie duurzame ontwikkeling Brussel, 8 juli 2009 07082009_SERV-advies projecten VSDO Advies Projecten Vlaamse strategie duurzame ontwikkeling 1. Inleiding Op 8 juni 2009 werd de SERV om advies gevraagd over de fiches ter invulling

Nadere informatie

Pedagogisch Project van het Stedelijk Onderwijs

Pedagogisch Project van het Stedelijk Onderwijs Pedagogisch Project van het Stedelijk Onderwijs (1) Het Stedelijk Onderwijs is de dynamische ontmoetingsplaats van alle leernetwerken ingericht door de Stad Antwerpen. (2) Het Stedelijk Onderwijs voldoet

Nadere informatie

Hoge Raad voor Vrijwilligers over het EYAA 2012 (European Year of Active Ageing 2012)

Hoge Raad voor Vrijwilligers over het EYAA 2012 (European Year of Active Ageing 2012) Hoge Raad voor Vrijwilligers over het EYAA 2012 (European Year of Active Ageing 2012) De Hoge Raad voor Vrijwilligers (HRV) kijkt relatief tevreden terug op 2011, het Europees Jaar voor het Vrijwilligerswerk.

Nadere informatie

forum beroepsonderwijs. DEC 6 dilemma s pittige discussies constructieve uitkomsten én hilarische momenten 1 oktober 2015 @THNK

forum beroepsonderwijs. DEC 6 dilemma s pittige discussies constructieve uitkomsten én hilarische momenten 1 oktober 2015 @THNK forum beroepsonderwijs 1 oktober 2015 @THNK Vindt u ook wat van het beroepsonderwijs? Praat mee! De volgende bijeenkomst vindt plaats op: n e x t DEC 3 Terugblik op het eerste Forum op 1 oktober met als

Nadere informatie

Nederlandse Samenvatting

Nederlandse Samenvatting Nederlandse Samenvatting De Protestantse Kerk in Nederland (PKN) onderhoudt middels de organisaties Kerk in Actie (KiA) en ICCO Alliantie contacten met partners in Brazilië. Deze studie verkent de onderhandelingen

Nadere informatie

Meedoen& Meetellen. Wat betekent het voor mensen met een verstandelijke beperking? Trainingsmodules voor professionals

Meedoen& Meetellen. Wat betekent het voor mensen met een verstandelijke beperking? Trainingsmodules voor professionals Meedoen& Meetellen Wat betekent het voor mensen met een verstandelijke beperking? Trainingsmodules voor professionals Samenstelling trainingsmodule Eline Roelofsen Roel Schulte www.verwondering.nu Illustratie

Nadere informatie

Methoden van het Wetenschappelijk Onderzoek: Deel II Vertaling pagina 83 97

Methoden van het Wetenschappelijk Onderzoek: Deel II Vertaling pagina 83 97 Wanneer gebruiken we kwalitatieve interviews? Kwalitatief interview = mogelijke methode om gegevens te verzamelen voor een reeks soorten van kwalitatief onderzoek Kwalitatief interview versus natuurlijk

Nadere informatie

De student kan vanuit een eigen idee en artistieke visie een concept ontwikkelen voor een ontwerp en dat concept tot realisatie brengen.

De student kan vanuit een eigen idee en artistieke visie een concept ontwikkelen voor een ontwerp en dat concept tot realisatie brengen. Competentie 1: Creërend vermogen De student kan vanuit een eigen idee en artistieke visie een concept ontwikkelen voor een ontwerp en dat concept tot realisatie brengen. Concepten voor een ontwerp te ontwikkelen

Nadere informatie

Alle bestuursleden zijn gezamenlijk bevoegd om besluiten te nemen namens stichting Meridiaan.

Alle bestuursleden zijn gezamenlijk bevoegd om besluiten te nemen namens stichting Meridiaan. Algemene gegevens Stichting Meridiaan Meridiaan 40 3813 AW Amersfoort www.stichtingmeridiaan.nl RSIN 816179281 KvK Inschrijvingsnummer 32116451 Doel Het doel van Stichting Meridiaan kan samengevat worden

Nadere informatie

Jaarverslag Stichting Nederlands Debat Instituut Januari 2013 t/m augustus 2014 (verlengd 1 e boekjaar)

Jaarverslag Stichting Nederlands Debat Instituut Januari 2013 t/m augustus 2014 (verlengd 1 e boekjaar) Jaarverslag Stichting Nederlands Debat Instituut Januari 2013 t/m augustus 2014 (verlengd 1 e boekjaar) Van 1998 tot en met 2013 heeft het Nederlands Debat Instituut BV als bedrijf jaarlijks debattoernooien

Nadere informatie

Samenvatting. Samenvatting 9

Samenvatting. Samenvatting 9 Samenvatting Sinds de introductie in 2001 van lectoraten in het Nederlandse hoger beroepsonderwijs wordt aan hogescholen steeds meer gezondheidsonderzoek uitgevoerd. De verwachting is dat dit niet alleen

Nadere informatie

INTERSECTORALE MOBILITEIT IN HET HOGER ONDERWIJS ROB GRÜNDEMANN (HOGESCHOOL UTRECHT)

INTERSECTORALE MOBILITEIT IN HET HOGER ONDERWIJS ROB GRÜNDEMANN (HOGESCHOOL UTRECHT) INTERSECTORALE MOBILITEIT IN HET HOGER ONDERWIJS ROB GRÜNDEMANN (HOGESCHOOL UTRECHT) 1. Opzet van het onderzoek 2. Resultaten en conclusies 3. Discussie Vraagstelling 1. Welke omvang heeft intersectorale

Nadere informatie

we zijn in beeld VPTZ-ZU/ Hospice Nieuwegein

we zijn in beeld VPTZ-ZU/ Hospice Nieuwegein we zijn in beeld VPTZ-ZU/ Hospice Nieuwegein Beleid 2012-2013 Inleiding Dit beleidsstuk is geschreven om in beeld te brengen wat onze organisatie doet, waar we voor staan en waar we goed in zijn, hoe we

Nadere informatie

VAN KORTSLUITING NAAR CONTACT BETA CHALLENGE PROGRAMMA EEN LEERROUTE MAVO-MBO-HBO

VAN KORTSLUITING NAAR CONTACT BETA CHALLENGE PROGRAMMA EEN LEERROUTE MAVO-MBO-HBO VAN KORTSLUITING NAAR CONTACT BETA CHALLENGE PROGRAMMA EEN LEERROUTE MAVO-MBO-HBO April 2014 Kenschets 1963 Ons onderwijsbestel 1963 (opmaat voor Mammoetwet ) Van Mammoet 1968 Industriële vormgeving: lineair

Nadere informatie

Doel is om voor deelnemers een beeld te schetsen van hoe het pensioen in elkaar steekt en hoe hun eigen pensioen er voorstaat.

Doel is om voor deelnemers een beeld te schetsen van hoe het pensioen in elkaar steekt en hoe hun eigen pensioen er voorstaat. Majesteit, dames en heren. Hartelijk welkom! En, Majesteit, ik weet zeker dat ik hier namens alle aanwezigen spreek als ik zeg dat wij buitengewoon vereerd zijn dat U bij een deel van dit programma aanwezig

Nadere informatie

De vragenlijst van de openbare raadpleging

De vragenlijst van de openbare raadpleging SAMENVATTING De vragenlijst van de openbare raadpleging Tussen april en juli 2015 heeft de Europese Commissie een openbare raadpleging gehouden over de vogel- en de habitatrichtlijn. Deze raadpleging maakte

Nadere informatie

Toekomst voor verzekeraars

Toekomst voor verzekeraars Position paper Toekomst voor verzekeraars Position paper ten behoeve van het rondetafelgesprek op 11 juni 2015 van de vaste commissie voor Financiën van de Tweede Kamer naar aanleiding van het rapport

Nadere informatie

Visie muziekonderwijs en beeldende vorming Terneuzen

Visie muziekonderwijs en beeldende vorming Terneuzen Visie muziekonderwijs en beeldende vorming Terneuzen INHOUDSOPGAVE 1.0 INLEIDING... 3 2.0 UITGANGSPUNTEN ONDERZOEK EN DEFINITIE MUZIKALE EN BEELDENDE VORMING... 3 2.1 UITGANGSPUNTEN... 3 2.2 DEFINITIE

Nadere informatie

1. De uitdagingen waarvoor we staan

1. De uitdagingen waarvoor we staan Opbouw 1. De uitdagingen waarvoor we staan en / in transitie 2. Denken over transities Erik Paredis Centrum voor Duurzame Ontwikkeling Universiteit Gent 3. En wat met cultuur? 4. Bestaande transitienetwerken

Nadere informatie

Terugkoppeling monitor subsidieregeling Versterking samenwerking lerarenopleidingen en scholen 2013-2016

Terugkoppeling monitor subsidieregeling Versterking samenwerking lerarenopleidingen en scholen 2013-2016 Terugkoppeling monitor subsidieregeling Versterking samenwerking lerarenopleidingen en scholen 2013-2016 Tussenmeting 2015 Portret samenwerkingsverband P029 Opdrachtgever: ministerie van OCW Utrecht, oktober

Nadere informatie

Een vragenlijst voor de Empowerende Omgeving

Een vragenlijst voor de Empowerende Omgeving Een vragenlijst voor de Empowerende Omgeving Introductie Met de REQUEST methode wordt getracht de participatie van het individu in hun eigen mobiliteit te vergroten. Hiervoor moet het individu voldoende

Nadere informatie

Concept uitgeefgroep Bouwstenen van Management en Organisatie

Concept uitgeefgroep Bouwstenen van Management en Organisatie Case Entrance & Security Systems - case, analyse en conclusies (OLO) Hoofdstuk 7 Strategie: samenwerking In het vorige deel van de strategische verkenning hebt u de positioneringsmogelijkheden voor ESS

Nadere informatie

Students Voices (verkorte versie)

Students Voices (verkorte versie) Lectoraat elearning Students Voices (verkorte versie) Onderzoek naar de verwachtingen en de ervaringen van studenten, leerlingen en jonge, startende leraren met betrekking tot het leren met ICT in het

Nadere informatie

ambitieakkoord stichting jongeren op gezond gewicht

ambitieakkoord stichting jongeren op gezond gewicht akkoord stichting jongeren op gezond gewicht De stichting Jongeren Op Gezond Gewicht en haar partners verbinden zich met dit akkoord gezamenlijk, elk vanuit de eigen verantwoordelijkheid, in de periode

Nadere informatie

Bruggenbouwers Linko ping, Zweden

Bruggenbouwers Linko ping, Zweden Bruggenbouwers Linko ping, Zweden Het Bruggenbouwers project wordt in de Zweedse stad Linköping aangeboden en is één van de succesvolle onderdelen van een groter project in die regio. Dit project is opgezet

Nadere informatie

Bijlage V. Bij het advies van de Commissie NLQF EQF. Tabel vergelijking NLQF-niveaus 5 t/m 8 en Dublin descriptoren.

Bijlage V. Bij het advies van de Commissie NLQF EQF. Tabel vergelijking NLQF-niveaus 5 t/m 8 en Dublin descriptoren. Bijlage V Bij het advies van de Commissie NLQF EQF Tabel vergelijking NLQF-niveaus 5 t/m 8 en. Tabel ter vergelijking NLQF niveaus 5 t/m 8 en Dublindescriptoren NLQF Niveau 5 Context Een onbekende, wisselende

Nadere informatie

http://keyconet.eun.org

http://keyconet.eun.org Europees Beleidsnetwerk met betrekking tot Sleutelcompetenties in het onderwijs http://keyconet.eun.org it her Health & Consumers Santé & Consommateurs Over het KeyCoNet project KeyCoNet (2012-14) is een

Nadere informatie

De maatschappelijke stage als onderdeel van burgerschapsvorming

De maatschappelijke stage als onderdeel van burgerschapsvorming De maatschappelijke stage als onderdeel van burgerschapsvorming Jeroen Bron en Minke Bruning, 27 november 2014 27-11-2014 SLO projectgroep burgerschap; Jeroen Bron CPS Onderwijsontwikkeling en advies;

Nadere informatie

VRAGENLIJST COMPETENTIES

VRAGENLIJST COMPETENTIES VRAGENLIJST COMPETENTIES Inleiding De voor u liggende vragenlijst brengt de managementstijl in kaart. Het doel van deze vragenlijst is inzicht te verwerven in het feitelijke en dus zichtbare handelen van

Nadere informatie

SOCIALE EN BURGERSCHAPSCOMPETENTIE

SOCIALE EN BURGERSCHAPSCOMPETENTIE Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs Guimardstraat 1, 1040 Brussel SOCIALE EN BURGERSCHAPSCOMPETENTIE Algemene vorming op het einde van de derde graad secundair onderwijs Voor de sociale

Nadere informatie

doorpakken en bestendigen Stimuleringsregeling Professionele ruimte arbeidsmarkt- en opleidingsfonds hbo

doorpakken en bestendigen Stimuleringsregeling Professionele ruimte arbeidsmarkt- en opleidingsfonds hbo doorpakken en bestendigen Stimuleringsregeling Professionele ruimte arbeidsmarkt- en opleidingsfonds hbo Zestor is opgericht door sociale partners in het hbo: inleiding Werkgevers- en werknemersorganisaties

Nadere informatie

Kennisdeling in lerende netwerken

Kennisdeling in lerende netwerken Kennisdeling in lerende netwerken Managementsamenvatting Dit rapport presenteert een onderzoek naar kennisdeling. Kennis neemt in de samenleving een steeds belangrijker plaats in. Individuen en/of groepen

Nadere informatie

Belbin Teamrollen Vragenlijst

Belbin Teamrollen Vragenlijst Belbin Teamrollen Vragenlijst Lindecollege 2009 1/ 5 Bepaal uw eigen teamrol. Wat zijn uw eigen teamrollen, en die van uw collega s? Deze vragenlijst kan u daarbij behulpzaam zijn. Zeven halve zinnen dienen

Nadere informatie

Tool VeiligHeidsHuizen. Gemeentelijke regie

Tool VeiligHeidsHuizen. Gemeentelijke regie Tool VeiligHeidsHuizen Gemeentelijke regie Tool gemeentelijke regie 1 : Inleiding Regie is een bijzondere vorm van sturen en is gericht op de afstemming van actoren, hun doelen en handelingen tot een min

Nadere informatie

Stichting VraagWijzer Nederland. Notitie Resultaatgericht werken in het Sociale Domein

Stichting VraagWijzer Nederland. Notitie Resultaatgericht werken in het Sociale Domein Stichting VraagWijzer Nederland Notitie Resultaatgericht werken in het Sociale Domein Per 1 januari 2015 hebben de Jeugdwet, de Participatiewet en de Wmo 2015 hun intrede gedaan. De invoering van deze

Nadere informatie

Annette Koops: Een dialoog in de klas

Annette Koops: Een dialoog in de klas Annette Koops: Een dialoog in de klas Als ondersteuning bij het houden van een dialoog vindt u hier een compilatie aan van Spreken is zilver, luisteren is goud : een handleiding voor het houden van een

Nadere informatie

HET NIEUWE WERKEN IN RELATIE TOT PERSOONLIJKE DRIJFVEREN VAN MEDEWERKERS. Onderzoek door TNO in samenwerking met Profile Dynamics

HET NIEUWE WERKEN IN RELATIE TOT PERSOONLIJKE DRIJFVEREN VAN MEDEWERKERS. Onderzoek door TNO in samenwerking met Profile Dynamics HET NIEUWE WERKEN IN RELATIE TOT PERSOONLIJKE DRIJFVEREN VAN MEDEWERKERS Onderzoek door TNO in samenwerking met Profile Dynamics 1 Inleiding Veel organisaties hebben de afgelopen jaren geïnvesteerd in

Nadere informatie

Interventies bij organisatieverandering Succesvol veranderen

Interventies bij organisatieverandering Succesvol veranderen Interventies bij organisatieverandering Succesvol veranderen Het succesvol doorvoeren van organisatieverandering vraagt nogal wat. De uitdaging is om de beoogde verandering werkbaar te maken en te borgen

Nadere informatie

De motor van de lerende organisatie

De motor van de lerende organisatie De motor van de lerende organisatie Focus op de arbeidsmarkt Naast het erkennen van leerbedrijven is Calibris verantwoordelijk voor ontwikkeling en onderhoud van kwalificaties in de sectoren zorg, welzijn

Nadere informatie

De voorzitter: Een hartelijk woord van welkom aan de minister. Er zijn vijf deelnemers aan dit debat, van wie er twee gaan spreken.

De voorzitter: Een hartelijk woord van welkom aan de minister. Er zijn vijf deelnemers aan dit debat, van wie er twee gaan spreken. Bedrijfslevenbeleid Aan de orde is het VAO Bedrijfslevenbeleid (AO d.d. 19/11). Een hartelijk woord van welkom aan de minister. Er zijn vijf deelnemers aan dit debat, van wie er twee gaan spreken. Mevrouw

Nadere informatie

v.u.: Ward Van Hoorde, Kwatrechtsteenweg 168, 9260 Wetteren opdrachtsverklaring SINT-LODEWIJK

v.u.: Ward Van Hoorde, Kwatrechtsteenweg 168, 9260 Wetteren opdrachtsverklaring SINT-LODEWIJK v.u.: Ward Van Hoorde, Kwatrechtsteenweg 168, 9260 Wetteren opdrachtsverklaring SINT-LODEWIJK OPDRACHTSVERKLARING SINT- LODEWIJK cliënt-organisatie-medew MISSIE SINT-LODEWIJK - biedt aangepast onderwijs

Nadere informatie

Aan de slag met duurzame inzetbaarheid 3 november 2015

Aan de slag met duurzame inzetbaarheid 3 november 2015 Duurzame inzetbaarheid uitgangspunt personeelsbeleid Het voorstel is duurzame inzetbaarheid centraal te stellen in het personeelsbeleid om medewerkers van alle levensfasen optimaal inzetbaar te houden

Nadere informatie

Toeleg Meedoen & Samenwerken in Breda

Toeleg Meedoen & Samenwerken in Breda Toeleg Meedoen & Samenwerken in Breda 2012-2013 Inleiding M&S Breda bestaat uit acht organisaties die er voor willen zorgen dat de kwetsbare burger in Breda mee kan doen. De deelnemers in M&S Breda delen

Nadere informatie

DEFINITIES COMPETENTIES

DEFINITIES COMPETENTIES DEFINITIES COMPETENTIES A. MENSEN LEIDINGGEVEN A1 Sturen Geeft op een duidelijke manier richting aan een team, neemt de leiding op zich, zet mensen en middelen zodanig in dat doelen met succes worden bereikt.

Nadere informatie

Lectoraat natuurbeleving en ontwikkeling kind

Lectoraat natuurbeleving en ontwikkeling kind Lectoraat natuurbeleving & ontwikkeling kind 1 Aanleiding Als kinderen van vijf tot twaalf jaar hun speelplek mogen kiezen, gaat de voorkeur voornamelijk uit naar braakliggende terreinen. Daarbij kijken

Nadere informatie

Samen werken aan een duurzame Stad (voorlopige werktitel)

Samen werken aan een duurzame Stad (voorlopige werktitel) Samen werken aan een duurzame Stad (voorlopige werktitel) 1 Aanleiding Groningen heeft een netwerk waarin burgers, organisaties, bedrijven en de gemeente zich inspannen voor een schone, veilige en zich

Nadere informatie

Ontwikkelingen. in zorg en welzijn. Wij houden daarbij onverkort vast aan de Koers 2010-2013,

Ontwikkelingen. in zorg en welzijn. Wij houden daarbij onverkort vast aan de Koers 2010-2013, KOERS 2014-2015 3 Het (zorg)landschap waarin wij opereren verandert ingrijpend. De kern hiervan is de Kanteling, wat inhoudt dat de eigen kracht van burgers over de hele breedte van de samenleving uitgangspunt

Nadere informatie

Rekenkamerbrief betreffende vertaling coalitieakkoord 2007-2011 Vertrouwen verbinden versnellen in programmabegroting 2008

Rekenkamerbrief betreffende vertaling coalitieakkoord 2007-2011 Vertrouwen verbinden versnellen in programmabegroting 2008 Provincie Overijssel Luttenbergstraat 2 8012 EE Zwolle Aan: Provinciale Staten van Overijssel In kopie aan: Commissaris van de Koningin, dhr. G. Jansen Gedeputeerde Staten van Gelderland Betreft: Rekenkamerbrief

Nadere informatie

Voorbij de geraniums. Visiestuk over vitaliteit en vitaliteitscoaching. Paulien Vermunt, Philip Spinhoven en Rudi Westendorp

Voorbij de geraniums. Visiestuk over vitaliteit en vitaliteitscoaching. Paulien Vermunt, Philip Spinhoven en Rudi Westendorp Voorbij de geraniums Visiestuk over vitaliteit en vitaliteitscoaching Paulien Vermunt, Philip Spinhoven en Rudi Westendorp 14 maart 2014 Voorbij de geraniums Visiestuk vitaliteitsdenken en vitaliteitscoaching

Nadere informatie

Maken transities de wereld duurzamer?

Maken transities de wereld duurzamer? Maken transities de wereld duurzamer? Erik Paredis Centrum voor Duurzame Ontwikkeling Universiteit Gent www.cdo.ugent.be Benelux conferentie 2014 Leren in Transitie 18 november 2014 Gent 1. Denken over

Nadere informatie

Advies van de Stedelijke Wmo-Adviesraad Amsterdam over Concept Uitvoeringsprogramma Vrijwillige Inzet. Datum: 2 september 2010

Advies van de Stedelijke Wmo-Adviesraad Amsterdam over Concept Uitvoeringsprogramma Vrijwillige Inzet. Datum: 2 september 2010 Advies van de Stedelijke Wmo-Adviesraad Amsterdam over Concept Uitvoeringsprogramma Vrijwillige Inzet Datum: 2 september 2010 Algemeen Allereerst willen we als Wmo-Adviesraad opmerken dat het uitvoeringsprogramma

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting

Nederlandse samenvatting Docenten in het hoger onderwijs zijn experts in wát zij doceren, maar niet noodzakelijk in hóe zij dit zouden moeten doen. Dit komt omdat zij vaak weinig tot geen training hebben gehad in het lesgeven.

Nadere informatie

In deze periode zijn vrijwel alle kinderen in onze regio met het CNME-WM in aanraking gekomen en dat zorgde voor vele

In deze periode zijn vrijwel alle kinderen in onze regio met het CNME-WM in aanraking gekomen en dat zorgde voor vele BELEIDSPLAN CNME-WM 2013-2016 SAMEN DUURZAAM LEREN & LEVEN Dit jaar bestaat het Centrum voor natuur- en milieueducatie Westelijke Mijnstreek (CNME-WM) 10 jaar. In deze periode zijn vrijwel alle kinderen

Nadere informatie

De curriculum van de masteropleiding PM MBO kan op verschillende niveau s bekeken worden:

De curriculum van de masteropleiding PM MBO kan op verschillende niveau s bekeken worden: Marco Snoek over de masteropleiding en de rollen van de LD Docenten De curriculum van de masteropleiding PM MBO kan op verschillende niveau s bekeken worden: Het intended curriculum : welke doelen worden

Nadere informatie

Op weg naar de (academische) opleidingsschool

Op weg naar de (academische) opleidingsschool Discussienota Nationalgeographic.nl Adviescommissie ADEF OidS Mei 2014 1 Inhoudsopgave Inleiding 1. Uitgangspunten Samen Opleiden 2. Ambities van (academische) opleidingsscholen 3. Concept Samen Opleiden

Nadere informatie

SOCIOLOGIE FACULTEIT DER SOCIALE WETENSCHAPPEN

SOCIOLOGIE FACULTEIT DER SOCIALE WETENSCHAPPEN SOCIOLOGIE FACULTEIT DER SOCIALE WETENSCHAPPEN PROGRAMMA WAT GA IK DE KOMENDE 45 MINUTEN VERTELLEN? 1. Waarom sociologie studeren (wat is sociologie?) 2. Waarom sociologie studeren aan de VU? 3. Hoe ziet

Nadere informatie

Bekwaamheidseisen leraren

Bekwaamheidseisen leraren Concept eindversie 20 mei 2004 Bekwaamheidseisen leraren Stichting Beroepskwaliteit Leraren en ander onderwijspersoneel Inleiding Wat goed onderwijs is, wordt bepaald door de samenleving. Die stelt zich

Nadere informatie

The Effectiveness of Community Schools: Evidence from the Netherlands

The Effectiveness of Community Schools: Evidence from the Netherlands The Effectiveness of Community Schools: Evidence from the Netherlands Proefschrift Marieke Heers (gepromoveerd 3 oktober in Maastricht; promotoren prof.dr. W.N.J. Groot en prof.dr. H. Maassen van den Brink)

Nadere informatie

Blijvend geld en aandacht nodig voor Nationale landschappen, Provincies doen meer dan het Rijk

Blijvend geld en aandacht nodig voor Nationale landschappen, Provincies doen meer dan het Rijk Nationale landschappen: aandacht en geld nodig! 170610SC9 tk 7 Blijvend geld en aandacht nodig voor Nationale landschappen, Provincies doen meer dan het Rijk De Rekenkamer Oost-Nederland heeft onderzoek

Nadere informatie

Bewustwording en duurzaamheid

Bewustwording en duurzaamheid Bewustwording en duurzaamheid Onderzoek naar groen bewustzijn en groen gedrag onder UvA en HvA studenten Lieke Dreijerink Jan Uitzinger Amsterdam, 17 maart 201 IVAM Inzicht in duurzaamheid Plantage Muidergracht

Nadere informatie

Kleine scholen en leefbaarheid

Kleine scholen en leefbaarheid Kleine scholen en leefbaarheid Een samenvatting van de resultaten van een praktijkonderzoek onder scholen en gemeenten in Overijssel over de toekomst van kleine scholen in relatie tot leefbaarheid Inleiding

Nadere informatie