Gebruiksaanwijzing. Pilot Line Manager OM_PLM_410_NL_A_ext Documentversie A

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Gebruiksaanwijzing. Pilot Line Manager 4.10. OM_PLM_410_NL_A_ext Documentversie A 2014-08-15"

Transcriptie

1 Gebruiksaanwijzing Pilot Line Manager 4.10 OM_PLM_410_NL_A_ext Documentversie A

2

3 Veiligheidsvoorschriften Verklaring van de Symbolen Basisveiligheidsmaatregelen Plicht van de operator voor gepaste zorgvuldigheid Bescherming tegen letsel veroorzaakt door elektrische stroom Bescherming tegen letsel door mechanische stootbelasting Transport, installatie en opstarten 10 2 Over deze handleiding Toepassingsgebied en publiek Technische ondersteuning en trainingen Opmaak en betekenis Beschikbaarheid van knoppen en schermen Hoe u screenshots moet gebruiken 12 3 Functieoverzicht (A-3) Inleiding Markeren en vangen van artikelen(vouwdozen, etc.)(a-3.3.2) Regelunits aansluiten (A-3.3.3) Niveaudefinities (A-3.3.4) 14 4 De PLM werkruimte en gebruik Overzicht menustructuur Overzicht schermelementen Starten van de PLM (A-3.4.4) Aanmelden en afmelden (A-3.4.3) Invoerfunctie Bediening op afstand Thuisscherm 24 5 Beheer van gebruikers en groepen(a-3.5) Menu Gebruikersbeheer (A-3.5.1) Aanmaken van een nieuwe gebruiker Bewerken van een gebruikersaccount Toevoegen van een gebruiker aan een groep Toevoegen of verwijderen van rechten van een gebruiker Het wachtwoord van een gebruiker wijzigen Verwijderen van een gebruikersaccount Creëren en bewerken van groepen (A-3.5.2) Aanmaken van een nieuwe groep Toevoegen of intrekken van rechten van een groep Verwijderen van een groepsaccount Active Directory (H-1.12) 34 6 Voorbereiding voor productie (A-3.6) Overzicht van productie Aanmaken en bewerken van apparaten (A-3.6.2) De systeeminstellingen Overzichtscherm Systeeminstellingen bewerken Tabel: Systeemparameters Nemen van screenshots Lokale cachemodus Aanmaken van een apparaat Een apparaat verwijderen PLC Importeren / Exporteren (XML instellingsbestand) Parameters Leren 47 Documentversie A iii

4 PLC Siemens PLC Allen-Bradley Printers Printer mode Wolke Printer APS/Domino Printer Zebra 170xiIII Printer Camera's (A ) Lezermodi Smart Camera (A ) Aggregatie met Smart Camera Instellen van een Product in SMC (H-1.6) High Resolution Camera Use cases voor printer/lezermodi met Chinese codering Handscanner (A ) Controleweger UPS Comparator VGL7/VGL RFID EPC-historie weergeven Ruisniveau Debugconsole weergeven Configureren van IP-adressen Toewijzen van IP-adressen Interne besturing op afstand Voorbeeld van IP-toewijzing COM interface-ip's Invoeren van IP-adressen bij de apparaten 90 7 Productie (A-3.7) Scherm met productie-instellingen Lijnenopmaak (A-3.7.2) Instellingsprocedure voor lijnopmaak Het scherm toevoegen/bewerken lijnopmaak Creëren van een nieuwe lijnopmaak Lijnenopmaak toevoegen Apparaatinstellingen bewerken bij lijnopmaak (A ) Apparaatinstellingen bij lijnopmaak - PLC Apparaatinstellingen bij lijnopmaak - Smart Camera Apparaatinstellingen bij lijnopmaak - High Resolution Camera Apparaatinstellingen bij lijnopmaak - Comparator 7/ Apparaatinstellingen bij lijnopmaak - Handscanner Apparaatinstellingen bij lijnopmaak - Wolke Printer Apparaatinstellingen bij lijnopmaak - Zebra Printer Rapport regelopmaak (A ) Productbeheer (A-3.7.3) Het scherm productbeheer Creëren en verwijderen van een product Toevoegen en verwijderen van applicatie-id's bij een product Orderbeheer (A-3.7.4) Laden van een order via de handscanner Toevoegen en bewerken van orders Toevoegen van een nieuwe order Bewerken van een order Toevoegen van orderdetails Verwijderen van een order Aanmaken van een orderrapport (A ) Herstel orderstatus Beweeg order naar regel 112 iv Documentversie A

5 Opnieuw openen van een voltooide order Start / stop productie (A-3.7.5) Productie via een opdracht starten (A ) Start productie via Order > Testrun Starten van de testrun via lijnopmaak (A ) Productiemenu tijdens productie Serialisatie (A-3.7.6) Interne afhandeling van SN's (A ) Serialisatie-instellingen bij de PLM-software Aggregatie (A-3.7.8) Functioneel principe van aggregatie (A ) Serialisatie / aggregatievoorwaarden Serialisatie met DMS (A ) Aggregatiestatus (A ) Aggregatie met ABS Aggregatie met SCS Aggregatie met MAS Aggregatievoorbeelden Artikel - Bundel - Doos (door lezen van bundeletiketten) - Pallet Artikel - bundel - doos (door artikeletiket te lezen) - pallet Artikel - doos - pallet Artikel - pallet Handmatige aggregatieacties (A ) Vernietigen van een ouderlabel (Aggregatie omkeren, A ) Verwijderen van de relatie tussen een kindeenheid en een oudereenheid (deaggregeren) (A ) Pauzeren van een order (A ) Voltooien van een order voordat het is afgerond Inwerkingstelling en buitenwerkingstelling van een eenheid (A ) Sluiten van een onvoltooide eenheid (gedeeltelijke doos) Weergeven van de aggregatierang van een eenheid (A ) Het opnieuw afdrukken van een etiket met hetzelfde SN of een verschillend SN (A-3.7.7) Behandelen van onvoltooide eenheden wanneer order is voltooid Testorder uitvoeren met geïmporteerde GTIN (H-4.1) Handmatige aggregatie door een streepjescode te scannen (H-2.9) Creëren van een streepjecode-opdracht Lijst met opdrachten Algemeen gebruikte streepjescodes Probleemoplossing Producten behandelen na een onderbreking Verspillen van artikelen na een onderbreking voorkomen Wildcards moeten globaal worden gebruikt voor alle lijnopmaken Gebruik Wildcards Lijnopmaak specifiek HRC-offset is te groot Printer-offset is te groot / klein Uitwerper-offset is te groot / klein Scanneroffset is te groot / klein "Verwerkingtimeout" bij de MPI software (SCS) Apparaatopties tijdens productie (A-3.7.9) Smart Camera Controle van serienummer (A ) High Resolution Camera (HRC) Handscanner (A ) Informatie tonen Hiërarchie tonen Aggregatie tonen Debugconsole Wolke Printer menu tijdens productie 157 Documentversie A v

6 Machine-instellingen Inktniveau-instellingen Reinigen van Wolke-patronen Tonen in procescontrole Etiketvoorbeeld Domino Printer-menu Cameramenu tijdens productie (A ) PLC Hoe om te gaan met Opstelling en Inbedrijfstelling Een order instellen (H-1.3) Een product instellen (H-1.4) Een nieuwe PLM installeren (H-1.2) Een nieuwe PLM installeren en de eerdere behouden Problemen die zich kunnen voordoen Handmatige bediening Behandeling van items na een stroomstoring of noodstop (H-2.1) Een doos- of palletetiket opnieuw afdrukken (H-2.4) Verdergaan met een gepauzeerde order (H-2.5) Een order pauzeren (H-2.6) Hiërarchie tonen (H-2.7) Een item naar een gesloten gedeeltelijke doos aggregeren (H-3.7) Een doos naar een gesloten gedeeltelijke pallet aggregeren (H-3.8) Pallet naar zending aggregeren (H-3.9) Een item aggregeren naar een doos bij MAS (H-3.10) Speciale Toepassingen Communicatie met Pilot Site Manager (A-3.8.1) Systeeminstellingen bewerken Definiëren van databaseverbinding Wisselen tussen lijnen Wijzigen van globale systeeminstellingen Tweede handtekening berichtconfiguratie Activeren van tweede handtekening Tweede handtekeninggroep Berichtconfiguratiescherm Actieconfiguratiescherm Importeren / exporteren van het tweede handtekening XML-bestand Importeren van ERP-gegevens over XML-configuratie kennisgeving Bewerken maand naamlijst Systeemgegevens Extraheren van systeeminformatie Systeemlogboeken Verwijderen/opslaan foutbeelden Master/Slave-functie Configuratie van master en slave Een Slave starten De Master starten Toevoegen van slaves aan Master-PLM Bedienen van de slave op afstand Toestandsinformatie Slave-instellingen Startgedrag Statistiek Logboekbestanden beheren (A ) Statistieken weergeven (A ) 195 vi Documentversie A

7 Tellers (A ) Printkwaliteit (A ) Toon foutbeelden (A ) Databasestatistieken Backup instellingen herstellen (A-3.11) Backup logboekbestand Backup Cameraopmaken Backup lijnenopmaak Backup Systeeminstellingen bewerken Backup PLC instellingen Herstellen van de standaardinstellingen van de apparaten / het systeem Alarmen (A-3.12) Bijlage Gebruikersrechtentabel (A ) Apparaatklassen AI beheer (A ) Reguliere uitdrukkingen Datumwaarden Ondersteunde printers Afkortingen en gebruikte begrippen 229 Documentversie A vii

8 4.10 viii Documentversie A

9 4.10 Veiligheidsvoorschriften 1 1 Veiligheidsvoorschriften 1.1 Verklaring van de Symbolen De volgende symbolen en notities zijn waarschuwingssignalen voor mogelijk persoonlijke of materiële schade of zijn bestemd als richtlijnen. GEVAAR Dit symbool staat in de gebruikershandleiding bij alle referenties over de operationele veiligheid. Indien deze niet worden gevolgd is er gevaar voor lijf en leven van personen. Neem de instructies altijd zorgvuldig in acht en ga met uiterste aandacht en voorzichtigheid te werk. Let op Dit symbool verwijst naar de juiste behandeling van PCE-componenten. 1.2 Basisveiligheidsmaatregelen De volgende punten moeten in acht worden genomen voor het veilige bedrijf van de PCE-componenten: De componenten moeten worden gemonteerd op een stabiele, mechanische, vaststaande verbinding. De componenten moeten worden beschermd tegen de invloeden van extern licht, wanneer deze in bedrijf zijn. De stroomvoorziening van de componenten wordt gerealiseerd via 24 V DC-technieken en wordt geleverd door een externe krachtbron. Alle noodzakelijke veiligheidsmaatregelen voor deze soort technieken moeten in acht worden genomen. Het apparaat mag alleen door gekwalificeerde en bevoegde personen worden bediend, die de gebruiksaanwijzing kennen en die het apparaat kunnen bedienen volgens de daarin vermelde instructies. GEVAAR De verlichting veroorzaakt oogbeschadiging Kijk niet in het flitslicht zonder geschikte oogbescherming Om een veilige werking van het systeem te kunnen waarborgen, moeten herhaaldelijk inspecties worden uitgevoerd voor alle betreffende veiligheidsonderdelen en moeten in het bijzonder bovengenoemde punten en de gebruikershandleiding in acht worden genomen. 1.3 Plicht van de operator voor gepaste zorgvuldigheid De PCE-componenten zijn ontwikkeld en geconstrueerd met inachtneming van de geharmoniseerde normen die moeten worden gevolgd, evenals overige technische specificaties. Deze voldoen aan de meest recente technische vereisten en garanderen het hoogste veiligheidsniveau tijdens het bedrijf. De veiligheid van het systeem kan in de dagelijkse praktijk echter alleen worden verzekerd, als alle noodzakelijke, relevante maatregelen zijn genomen. Een onderdeel van de verantwoordelijkheid van de systeemoperator om gepast zorgvuldig te werk te gaan, is het plannen van deze maatregelen en de implementatie daarvan te controleren. De operator moet ervoor zorgen dat: het systeem wordt gebruikt in overeenstemming met de bepalingen, het systeem alleen in een foutloze, volledig functionele toestand wordt gebruikt, de gebruikershandleiding altijd in een leesbare toestand en in al zijn volledigheid beschikbaar is op de plaats waar het apparaat is geïnstalleerd, Documentversie A 9 / 232

10 1 Veiligheidsvoorschriften 4.10 Alleen gekwalificeerd en bevoegd personeel het systeem bedient en onderhoudt, dit personeel periodiek wordt geïnstrueerd over alle relevante aspecten met betrekking tot veiligheid op het werk en dat dit de gebruikershandeling en de veiligheidsmaatregelen die erin worden vermeld, kent, alle systeemeigenschappen met betrekking tot de veiligheid periodiek, zorgvuldig worden getest, hoe groter de veiligheidsrisico s zijn waartegen dit apparaat bescherming biedt, hoe vaker de periodieke inspecties moeten worden uitgevoerd. 1.4 Bescherming tegen letsel veroorzaakt door elektrische stroom GEVAAR Het systeem werkt op netspanning! - Contact met delen die onder spanning staan, kan gevaarlijke stroomschokken en ernstige brandwonden veroorzaken. - Gebruik het systeem alleen, wanneer de behuizing naar behoren is gemonteerd. - Haal vóór reiniging en verzorging de stroomstekker uit het stopcontact. - Als er vloeistof op het systeem wordt gemorst moet het systeem direct worden uitgeschakeld en de stroomstekker uit het stopcontact worden gehaald. 1.5 Bescherming tegen letsel door mechanische stootbelasting GEVAAR Letselgevaar door beweegbare en roterende delen! - Draag geschikte persoonlijke veiligheidsuitrustingen. - Schakel het apparaat uit voor aanvang van mechanische afstelwerkzaamheden. 1.6 Transport, installatie en opstarten Zorg er tijdens transport voor dat het apparaat zodanig is verpakt en wordt vervoerd dat het beschermd is tegen vocht en stoten. Wanneer het apparaat in een industriële omgeving moet worden geïnstalleerd, mag dit alleen gebeuren op een locatie waar de negatieve effecten van stof, vocht, temperatuur en trilling het allerlaagst zijn. Het is alleen mogelijk een veilig bedrijf van het apparaat te waarborgen, als speciaal opgeleid personeel de installatie en het opstarten heeft uitgevoerd. GEVAAR Gevaar voor ongevallen door struikelen en vallen! - Ongevallen door struikelen en vallen leiden tot ernstig letsel! - Installeer apparatuuraansluitingen (kabels) naar behoren om struikelen te voorkomen! GEVAAR Roterende assen! - Roterende assen! Kunnen haren, kleding, sieraden erin trekken en afscheuren. - Gebruik het apparaat niet met een geopende kap! - Houd lang haar, losse kleding, sieraden, enz., uit de buurt van het apparaat! 10 / 232 Documentversie A

11 4.10 Over deze handleiding 2 2 Over deze handleiding 2.1 Toepassingsgebied en publiek Deze handleiding beschrijft hoe de Pilot line Manager (PLM) moet worden gebruikt en geconfigureerd. Het is bedoeld voor personeel die de PLM bedienen om een zichtinspectiesysteem voor verpakkingslijnen te bedienen. Dit omvat: Operators Leidinggevenden Beheerders Ingenieurs Tijdens productie kan de PLM de volgende elementen bedienen: Manual Aggregation Station Shipping Case Station Advanced Bundle Station Datamatrix Station Dit omvat de corresponderende apparaten zoals camera's printers en plc. Voor informatie over hoe de PLM moet worden gebruikt in combinatie met een ERP-systeem, moet de bedieningshandleiding van de Pilot Site Manager (PSM) worden gelezen. 2.2 Technische ondersteuning en trainingen Op onze website vindt u de nieuwste informatie over onze producten en diensten. Bezoek: Als u vragen heeft kunt u contact met ons opnemen via of telefoon: Service line: +49 (0) / We geven uitgebreide seminars en trainingen die u zullen helpen alles uit uw apparatuur te halen. Onze toegepaste seminars richten zich op industrie- en toepassingsproblemen. Op verzoek kunnen individuele trainingen worden gegeven. Neem contact op met ons op om te vragen naar individuele training. 2.3 Opmaak en betekenis De opmaken die in deze handleiding worden gebruikt hebben verschillende betekenissen. Als zij worden gebruikt, betekenen zij het volgende: Opmaken Opmaak PC 'apostrof' <spekhaakjes> Betekenis Menupaden, Knoppen op het schermoppervlak, vaste tabbladnamen, namen van schermen en dialoogvensters Veldnamen, kolommen op het thuisscherm, selectievakjes, namen van modi, parameters Wildcard voor gebruikersnamen, wildcard voor tabbladnamen van apparaten (individuele namen kunnen worden toegewezen) Documentversie A 11 / 232

12 2 Over deze handleiding Beschikbaarheid van knoppen en schermen Onthoud altijd dat veel functionaliteiten van de PLM bepaalde gebruikersrechten nodig hebben. Dit betekent dat als uw scherm geen knoppen heeft die wel in de gebruikershandleiding zijn getoond, u waarschijnlijk meer gebruikersrechten nodig heeft die door een beheerder aan uw profiel moeten worden toegevoegd. De gebruikelijke manier om gebruikersrechten toe te voegen is om een gebruiker aan een gebruikersgroep toe te voegen. De gebruiker krijgt dus alle gebruikersrechten die bij die groep horen. 2.5 Hoe u screenshots moet gebruiken Onder elk scherm ziet u het pad om daar 1 te komen. Extra acties die u op dit scherm kunt uitvoeren zijn onder het scherm 2 beschreven. Wildcardknoppen 3 en acties bij het pad 4 zijn tussen haakjes geplaatst. Zie het volgende voorbeeld: 1: 1 Afbeelding 2-1: Thuis > (<selecteer smart camera balk>) 3 > Menu > Productbeheer > Nieuw product > (productnaam invullen) 4 > Enter (op het toetsenbord) > Live afbeelding 2 Druk op Volgende. 12 / 232 Documentversie A

13 4.10 Functieoverzicht (A-3) 3 3 Functieoverzicht (A-3) 3.1 Inleiding De Pilot Line Manager PLM is de lijnbeheercomponent van de Pilot Software Suite. De PLM regelt en beheert centraal bij een lijn de randapparatuur, zoals printers, camera s en scanners. De aangesloten units worden bij de start van de productie van statische gegevens (bijv. LOT en EXP). Als optie is een databaseverbinding voor serialisatie mogelijk (dit zorgt voor duidelijke traceerbaarheid van de enkele eenheid van de fabrikant naar de patiënt). De operator is in staat met minimale inspanningen alle apparatuur op de lijn te beheren. De uitgevoerde instellingen worden opgeslagen in de centrale database. In geval van Serialisatie/Aggregatie: Een duidelijke traceerbaarheid van de individuele verpakking van de fabrikant tot aan de patient is gegarandeerd. Afbeelding 3-1: Track en trace van productielijn 3.2 Markeren en vangen van artikelen(vouwdozen, etc.)(a-3.3.2) De individuele verpakkingseenheden worden doorgaans met behulp van de inkjet- of laserprinter gemarkeerd. Meteen daarna worden deze met een multifunctionele Smart Camera getest om de inhoud van de gegevens en de leesbaarheid te corrigeren. In geval van Serialisatie/Aggregatie: De status van elke eenheid wordt geregistreerd om traceerbaarheid te verzekeren. Alle als Slecht geclassificeerde eenheden worden onmiddellijk uitgeworpen en alleen de als Goed geclassificeerde eenheden gaan verder in het verpakkingsproces. De tellermetingen die worden geproduceerd tijdens het evaluatieproces, worden onvertraagd getoond en worden in de database opgeslagen na het stoppen of voltooien van de productie. Let op Databeheer voldoet aan richtlijnen 21 CFR Part 11 Databeheer en opslag en de softwarebediening voldoen aan de richtlijnen volgens 21 CFR Part 11. Documentversie A 13 / 232

14 3 Functieoverzicht (A-3) Regelunits aansluiten (A-3.3.3) Indien beschikbaar wordt de regelapparatuur rechtstreeks via een LAN-interface verbonden; indien niet beschikbaar wordt de apparatuur met gebruik van RS232 via LAN-convertors (LAN boxes) verbonden. De verbinding van de apparatuur geschiedt voor het grootste deel volgens de huidige richtlijnen van de VDMA standaard VDMAXML_P. De compatibiliteit van eenheden, die niet geschikt zijn voor VDMAXML_P, wordt met een intelligente bouwsteen tot stand gebracht. Door een zelf ontwikkeld pakket-concept kunnen nieuwe apparaten snel en gemakkelijk worden geïntegreerd, mits hun interfaces toegankelijk zijn. De PLM kan communiceren met andere apparaten via Ethernet, USB en RS232. 2: Afbeelding : Regelunits aansluiten Let op Naleving van 21 CFR Part 11 Databeheer en opslag en de softwarebediening voldoen aan de richtlijnen volgens 21 CFR Part Niveaudefinities (A-3.3.4) Dit is een overzicht van de bedieningsniveaus bij het aggregatie-/serialisatieproces. De volgende figuur is een voorbeeld van hoe een visuele inspectie er in de basis uit kan zien. De gedetailleerde structuur van uw systeem is gedefinieerd bij de functionele specificatie, 14 / 232 Documentversie A

15 4.10 Functieoverzicht (A-3) 3 3: Afbeelding : Regelniveaus bij het aggregatie /serialisatieproces Documentversie A 15 / 232

16 4 De PLM werkruimte en gebruik De PLM werkruimte en gebruik 4.1 Overzicht menustructuur Het boomdiagram van het menu toont de maximaal mogelijke menustructuur van het systeem. Afhankelijk van gebruikersrechten kunnen bepaalde menu s niet zichtbaar zijn. 4: 16 / 232 Documentversie A

17 4.10 De PLM werkruimte en gebruik 4 5: 4.2 Overzicht schermelementen De volgende figuur toont het uiterlijk van de PLM-interface. Het voorbeeld toont het scherm apparaatinstellingen Documentversie A 17 / 232

18 4 De PLM werkruimte en gebruik : Afbeelding : Systeeminstellingen > Apparaatinstellingen bewerken > (<PLC tabblad>) Pos. Naam Functie 1 Programmakop 2 Aanmeld- / afmeldknop Statistische gegevens van de productie (huidige opmaak, productiestatus, batchnummer en lijnnaam) zowel als de geregistreerde gebruiker. Door te klikken op deze knop kunt u zich aanmelden of afmelden 3 Menupaneel Met deze knoppen kunt u navigeren door de hoofdfuncties. Deze knoppen zijn vast. 4 Sub-navigatie Hier worden de knoppen voor de huidige interactie weergegeven. Als er een alarm afgaat, dan wordt dat hier weergegeven. 5 - Hier kunt u indien van toepassing navigeren naar extra opties. 6 Tabbladmenu Het tabbladmenu maakt het mogelijk om te navigeren naar specifieke informatie en apparaatinstellingen. Opmerking: De namen van de apparaattabbladen kunnen vrij worden toegekend (zie hoofdstuk [} 38] ). 7 Statusbalk Bij de statusbalk zullen foutberichten (rood), waarschuwingen (geel) en wijzigingen, bijv. van lijnopmaak, aanmelding en afmelding van een gebruiker, start/stop van de productie (groen) worden getoond. Bij de weergave van meerdere meldingen verschijnt het teken ^ achter de melding. Door in de statusregel te klikken wordt de informatiehistorie opgeroepen. De huidige datum en tijd zijn altijd zichtbaar in de linker hoek van de statusbalk. 4.3 Starten van de PLM (A-3.4.4) Om de PLM en de lijn te starten volgt u de stappenreeks hieronder: 1. Schakel de stroomtoevoer van de stations en apparaten in zonder de PLM geïnstalleerd te hebben. Dit kan bijvoorbeeld MAS, SCS, ABS zijn. Wacht totdat de software volledig draait. 18 / 232 Documentversie A

19 4.10 De PLM werkruimte en gebruik 4 2. Schakel de stroomtoevoer van de stations in met de PLM geïnstalleerd. Dit is meestal alleen de DMS, maar kan ook een ander station zijn. Wacht totdat de software volledig draait. Om deze vertraging te automatiseren, moet de opstart-wachttijd bij de PLM worden geconfigureerd. Druk op Systeeminstellingen > Systeeminstellingen bewerken. Bij de parameter 'WT01 opstart-wachttijd' vinkt u het selectievakje aan en stelt u de wachttijd in op 20 seconden. Zie het volgende scherm: 7: Afbeelding : Systeeminstellingen > Systeeminstellingen bewerken (Opstart wachtijd) Let op Ontmoetingsprocedure van het inschakelen van stations Het is essentieel om eerst stations en apparaten te installeren zonder de PLM geïnstalleerd te hebben. Als u zich niet aan de stappenreeks houdt kan zich een IP-adresconflict voordoen. 4.4 Aanmelden en afmelden (A-3.4.3) Alle rechten in de PLM zijn gebruikersafhankelijk. Verschillende gebruikers zien verschillende schermen en kunnen verschillende taken uitvoeren in de PLM. Na het starten van de Pilot Line Manager moet u zich aanmelden om toegang te krijgen tot de verdere functies in het menupaneel aan de rechterzijde van het scherm. Documentversie A 19 / 232

20 4 De PLM werkruimte en gebruik : Afbeelding : Aanmelden Na het selecteren van de aanmeldknop in de rechterbovenhoek is het invoeren van een gebruikersnaam en een code vereist. Afhankelijk van de rechten van de geregistreerde gebruiker, zullen verdere functies beschikbaar komen (zie hoofdstu 5 [} 26]). De naam van de op dat moment aangemelde gebruiker wordt op de knop weergegeven (hier <Beheerder 1>). Let op Wachtwoord wijzigen indien nodig Na de eerste login, kan de gebruiker worden gevraagd om zijn wachtwoord te veranderen (afhankelijk van de systeeminstellingen). Verandering van gebruiker Wanneer een andere gebruiker Pilot Line Manager wil gebruiken, moet de voorafgaande gebruiker zich eerst afmelden. Op deze manier wordt gewaarborgd dat de gegenereerde protocol- en productiebestanden aan een bepaalde gebruiker kunnen worden toegewezen. Automatische afmeldtijd instellen Als optie kan een automatische afmelding worden ingesteld. De gebruiker wordt na een bepaalde tijd automatisch afgemeld, wanneer deze geen gegevens invoert. Deze functie kan worden ingesteld onder de systeeminstellingen. Bij het gebruik van een extern toetsenbord is het mogelijk het op het beeldscherm weergegeven toetsenbord gedurende de registratie van de gebruiker met de knop Keyboard (Toetsenbord). 20 / 232 Documentversie A

21 4.10 De PLM werkruimte en gebruik 4 Let op Het toetsenbord op het scherm kan uitgeschakeld worden - Het toetsenbord op het scherm kan tijdens de registratie van een gebruiker worden uitgeschakeld door de knop Toetsenbord te klikken (zie sectie over het in- en uitloggen). Het kan ook globaal voor alle gebruikers uitgeschakeld worden (zie hoofdstuk over systeeminstellingen) - (Met de knop Disconnect (ontkoppelen), worden alle verbonden apparaten ontkoppeld. Dit is een debugfunctie voor de PCE onderhoudsmonteur!) 9: Afbeelding : beheerder (knop voor actieve gebruiker) De volgende knoppen of het afmeldscherm worden alleen weergegeven, wanneer beheerders en technici zich aanmelden: Afsluiten naar OS Systeemuitschakeling Pilot Line Manager uitschakeling Systeemherstel De supervisor en de operator zien op het aanmeldscherm verder geen knoppen. Selecteer een van de functies en bevestig dit met OK of bevestig het direct met OK om af te melden. 4.5 Invoerfunctie Dankzij het touchscreen van 15" is het bedienen van de PLM heel gemakkelijk via aantippen. U kunt het toetsenbord op het scherm gebruiken als u iets moet invoeren. Het toetsenbord wordt automatisch weergegeven, wanneer een invoerveld wordt geactiveerd. Hoe het toetsenbord verschijnt is afhankelijk van de landeninstelling. Net zoals bij een hardwaretoetsenbord krijgt u door op de toets Tab te klikken toegang tot het invoerveld en via de knop Shift gaat u naar kapitalen. Documentversie A 21 / 232

22 4 De PLM werkruimte en gebruik : Afbeelding : Toetsenbord1 Het actieve invoerveld waarin gegevens kunnen worden ingevoerd, wordt geel geaccentueerd. Afhankelijk van de positie van het invoerveld wordt het toetsenbord in het bovenste of in het onderste derde deel van het beeldscherm weergegeven, zodat het invoerveld zichtbaar blijft. Verplaats het toetsenbord door het te slepen en te laten vallen. Met deze pijlen is het mogelijk het toetsenbord boven- of onderaan het beeldscherm te plaatsen. Sluit het toetsenbord door op deze knop te drukken. Wissel van taal Toetsenbordgrootte Door op Enter te drukken zal de gefocuste knop op het scherm worden uitgevoerd. Deze knop kan gemakkelijk worden herkend door het zwarte frame (Zie de Login knop in het volgende voorbeeld). 11: Afbeelding : Frame Alternatieve teoetsenbordconfiguratie Bij het gebruik van een extern toetsenbord is het mogelijk het op het beeldscherm weergegeven toetsenbord gedurende de registratie van de gebruiker met de knop Toetsenbord te verbergen. Als optie kan een modern toetsenbord worden gebruikt dat is ontworpen naar de toetsenborden van de Android smartphone. Het Launcher.bat bestand moet worden aangeroepen met de parameter fxkeyboard. Dit ontwerp wordt ondersteund vanaf versie PLM / 232 Documentversie A

23 4.10 De PLM werkruimte en gebruik 4 12: Afbeelding : Toetsenbord2 Bedieningstoetsfuncties: Toetsenbord verbergen Schakelen naar het toetsebordontwerp van een andere taal Schakelen naar een ontwerp voor speciale karakters en nummers Schakelen naar een ontwerp voor bedieningstoetsen Ontwerp voor speciale karakters en nummers: 13: Afbeelding : Ontwerp voor bedieningstoetsen: Documentversie A 23 / 232

24 4 De PLM werkruimte en gebruik : Bediening op afstand Als u de PLM-software wilt bedienen via bediening op afstand, gebruik dan een gebruikelijk desktopprogramma, bijv. Teamviewer. Daarnaast heeft u een internetverbinding nodig; de prestaties zijn afhankelijk van de snelheid van uw internetverbinding. 4.6 Thuisscherm De volgende figuur toont het Thuis scherm: 15: Afbeelding : Thuis (terwijl de productie draait) Pos. Naam Functie 1 Statusbalken van apparaat Het hoofdmenu Pilot Line Manager blijft telkens zichtbaar. Alle beschikbare bedrijfscomponenten worden weergegeven om het omschakelen tussen de programmafuncties mogelijk te maken (afhankelijk van de bevoegdheden van de gebruiker). 2 Teller (Goed/slecht/gemiddeld) van de bevestigde apparaten 24 / 232 Documentversie A

25 4.10 De PLM werkruimte en gebruik 4 Help-knop 16: Afbeelding : Help knop op het scherm Met de knop Help is toegang mogelijk tot een HTML-versie van dit document. Deze is altijd in de hoek rechtsonder van de statusregel zichtbaar. Documentversie A 25 / 232

26 5 Beheer van gebruikers en groepen(a-3.5) Beheer van gebruikers en groepen(a-3.5) De instellingen voor gebruikersbeheer bij de PLM zijn gelijk aan de instellingen bij de PSM. Beide systemen gebruiken dezelfde gebruikersprofielen. In de PLM worden alle gebruikersrechten centraal beheerst. Ledere gebruiker/iedere groep krijgt een naam, een wachtwoord en bepaalde rechten. Door de rechten en de soort groep worden de mogelijke programmafuncties vastgelegd. Let op Gebruikersbeheer wordt vooraf geconfigureerd Na het opstarten wordt het gebruikersbeheer door het PCE-servicepersoneel geconfigureerd! Een gebruikersbeheer is inbegrepen om gebruikers en groepen toe te voegen, te bewerken of te wissen. Alle functies van de software kunnen met behulp van gebruikersrechten voor een groep of een gebruiker worden beperkt. De rechten kunnen direct aan een gebruiker worden toegewezen of samen met andere rechten voor een groep worden samengevoegd en vervolgens aan een gebruiker worden toegewezen. 5.1 Menu Gebruikersbeheer (A-3.5.1) Om het gebruikersbeheer te openen, drukt u op Gebruikersbeheer bij het menupaneel aan de rechterzijde van uw scherm. Bij het overzicht kunt u de gebruiker selecteren die u wilt bewerken of u kunt een nieuwe gebruiker aannmaken. 17: Afbeelding : Gebruikersbeheer Aanmaken van een nieuwe gebruiker Om een nieuwe gebruiker aan te maken druk u op Toevoegen.Het volgende scherm verschijnt: 26 / 232 Documentversie A

27 4.10 Beheer van gebruikers en groepen(a-3.5) 5 18: Afbeelding : Gebruikersbeheer > Toevoegen Vul de nieuwe gebruikersnaam en een wachtwoord in en bevestig met OK Let op Kies een veilig wachtwoord De wachtwoordsterkte komt overeen met de veiligheid van het wachtwoord. Een veilig wachtwoord bevat kleine letters en hoofdletters, cijfers en ook speciale karakters Bewerken van een gebruikersaccount Nadat u een gebruiker heeft geselecteerd die u wilt bewerken (zie hoofdstuk 5.1 [} 26], verschijnt het volgende scherm: Documentversie A 27 / 232

28 5 Beheer van gebruikers en groepen(a-3.5) : Afbeelding : Gebruikersbeheer > Toevoegen > OK De volgende opties kunnen voor de gebruiker worden ingesteld: Gebruikersaccount geldig tot: Hier kunt u instellen hoe lang de gebruikersaccount geldig is. Vul een datum in. Na deze datum wordt toegang automatisch geblokkeerd. Gebruiker moet wachtwoord veranderen bij volgende login: Bij de volgende aanmelding moet de gebruiker het wachtwoord wijzigen dat hij heeft gekregen van de beheerder. De wachtwoordsterkte komt overeen met de veiligheid van het wachtwoord. Een veilig wachtwoord bevat kleine letters en hoofdletters, cijfers en ook speciale karakters. Geblokkeerd: Een gebruikersaccount kan worden geblokkeerd en worden vrijgegeven. Als een gebruiker zijn account niet langer nodig heeft, dan kan de toegang worden geblokkeerd. Als een gebruiker verschillende keren het verkeerde wachtwoord invult (het aantal is afhankelijk van de systeeminstellingen) dan wordt de account automatisch vergrendeld. Alleen gebruikers met specifieke rechten kunnen hun gebruikersaccount weer vrijgeven. Met de knoppen bij het onderste deel van het scherm kunt u de corresponderende functies oproepen zoals deze zijn beschreven in de volgende hoofdstukken. De tabel hieronder geeft een overzicht van deze functies: Naam Groepen... Rechten... Wachtwoord wijzigen... Wissen... Functie Voegt de geselecteerde gebruiker van de betreffende groep toe Voegt de geselecteerde rechten aan de gebruiker toe Wijzigt het wachtwoord van de geselecteerde gebruiker Wist de geselecteerde gebruiker Toevoegen van een gebruiker aan een groep Selecteer een gebruiker (zie hoofdstuk 5.1 [} 26]) en druk op Groepen. Het volgende scherm verschijnt: 28 / 232 Documentversie A

29 4.10 Beheer van gebruikers en groepen(a-3.5) 5 20: Afbeelding : Gebruikersbeheer > (Gebruiker) > Groepen Selecteer de groep waaraan u de gebruiker wilt toevoegen en druk op Toevoegen. Er verschijnt een scherm waarop u kunt zien aan welke groepen de gebruiker al is toegevoegd. Kies de groep waar de gebruiker aan moet worden toegevoegd. Herhaal deze stap om de gebruiker toe te voegen aan extra groepen. Als u de gebruiker uit een groep wilt verwijderen, selecteert u de groep en drukt u op Verwijderen. Nadat u klaar bent met het bewerken van de aansluiting van de gebruiker, bevestigt u met OK om het scherm af te sluiten Toevoegen of verwijderen van rechten van een gebruiker Selecteer een gebruiker (zie hoofdstuk 5.1 [} 26]) en druk op Rechten. Er verschijnt een scherm waarop u kunt zien welke rechten al zijn toegevoegd aan de gebruiker: Documentversie A 29 / 232

30 5 Beheer van gebruikers en groepen(a-3.5) : Afbeelding : Gebruikersbeheer > (Gebruiker) > Rechten Druk op Toevoegen en selecteer het recht dat u aan de gebruiker wilt toevoegen en bevestig dit met OK. Als u gebruikersrechten wilt intrekken, selecteert u het recht dat u wilt intrekken en drukt u op Verwijderen Het wachtwoord van een gebruiker wijzigen Selecteer een gebruiker (zie hoofdstuk 5.1 [} 26]) en druk op Wachtwoord wijzigen. Het volgende scherm verschijnt: 22: Afbeelding : Gebruikersbeheer >(Gebruiker) > Wachtwoord wijzigen De wachtwoordsterkte komt overeen met de veiligheid van het wachtwoord. Een veilig wachtwoord bevat kleine letters en hoofdletters, cijfers en ook speciale karakters. Voer het nieuwe wachtwoord in, vul het nog eens in en bevestig met OK Verwijderen van een gebruikersaccount Selecteer een gebruiker (zie hoofdstuk 5.1 [} 26]), druk op Verwijderen en bevestig met OK. 30 / 232 Documentversie A

31 4.10 Beheer van gebruikers en groepen(a-3.5) Creëren en bewerken van groepen (A-3.5.2) Binnen het groepenmenu kunt u nieuwe groepen aanmaken. De Level (1 10) instelling maakt het voor alle beheerder die niet de mayseeallusers rechten hebben mogelijk om alle gebruikers op lagere niveaus te zien en te verwerken (voor gebruikersbeheer doeleinden). Druk op Gebruikersbeheer bij het menupaneel aan de rechterzijde van het scherm om naar User Gebruikersbeheer/groepente gaan. Druk daarna op Groepen. Het volgende scherm verschijnt: 23: Afbeelding : Afbeelding : Gebruikersbeheer > Groepen Aanmaken van een nieuwe groep Ga naar Gebruikersbeheer Groepen (zie hoofdstuk5.2 [} 31]) en druk op Toevoegen. Het volgende scherm verschijnt: Documentversie A 31 / 232

32 5 Beheer van gebruikers en groepen(a-3.5) : Afbeelding : Gebruikersbeheer > Groepen > Toevoegen Voer een nieuwe groepsnaam in en wijs een niveau toe aan de groep. Voeg indien nodig een opmerking toe. Bevestig met OK Toevoegen of intrekken van rechten van een groep Ga naar Gebruikersbeheer Groepen (zie hoofdstuk5.2 [} 31]), selecteer de groep die u wilt bewerken en druk op Rechten. Bij het volgende scherm kunt u zien welke rechten al aan de groep zijn toegvooegd: 32 / 232 Documentversie A

33 4.10 Beheer van gebruikers en groepen(a-3.5) 5 25: Afbeelding : Gebruikersbeheer > Groepen > Rechten Rechten toevoegen: Druk op Toevoegen en selecteer het recht dat u wilt toevoegen aan de groep en bevestig met OK. Rechten intrekken: Selecteer het recht dat u wilt intrekken bevestig met Verwijderen Verwijderen van een groepsaccount Ga naar Gebruikersbeheer Groepen (zie hoofdstuk 5.2 [} 31]), selecteer de groep die u wilt bewerken en druk op Verwijderen. De groep wordt direct verwijderd. Documentversie A 33 / 232

34 5 Beheer van gebruikers en groepen(a-3.5) : Afbeelding : Gebruikersbeheer > Groepen > (selecteer groep) Let op ADS login Het is mogelijk om te verbinden aan/u aan te melden bij een Active Directory Server, zonder extra gebruikers aan te maken voor de Pilot Line Manager. De aanmelding via Active Directory Server geeft een gebruikersniveau terug dat aan bepaalde PLM -groepen is toegewezen. 5.3 Active Directory (H-1.12) Let op: Deze instellingen kunnen alleen worden door experts met de juiste bevoegdheden. Active Directory vereist globale instellingen (zie PLM-handleiding hoofdstuk 9.2.1). Er moeten drie basisstappen worden uitgevoerd om de lokale database te verbinden met Active Directory: Step 1 - LDAP omgeving: 1. Groepen registreren 2. Gebruiker toewijzen aan gecreëerde groepen Step 2 - PLM omgeving: 1. Creëer identieke groepen als is gecreëerd in de LDAP omgeving in de PLM 2. Definieer rechten voor de respectieve groepen in PLM Step 3 PLM Systeeminstellingen Bewerken: 1. Systeeminstellingen selecteren 2. IP-adres invoeren (hostnaam) van de Active Directory Server in AD01 3. Domeinnaam invoeren van de Active Directory Server in AD02 4. Zoekpad van Active Directory invullen in AD03 5. Zoekfilter van Active Directory invullen in AD04 34 / 232 Documentversie A

35 4.10 Beheer van gebruikers en groepen(a-3.5) 5 Configuratievoorbeeld: 27: Afbeelding : Systeeminstellingen > Systeeminstellingen bewerken Tijdsynchronisatie is alleen vereist als er een Kerberos-authenticatie is. Dit moet in de domain controller worden gewijzigd. Meld u aan als Active Directory niet toegankelijk is Als Active Directory niet toegankelijk is, dan is er een standaardgebruiker in alle groepen. Gebruik deze standaardgebruiker om aan te melden voor PLM. Documentversie A 35 / 232

36 6 Voorbereiding voor productie (A-3.6) Voorbereiding voor productie (A-3.6) 6.1 Overzicht van productie Dit is een overzicht van wat moet worden gedaan voor het produceren van een product. Stap Actie Opmerking Uitleg 0 Apparaten aanmaken (randvoorwaarde) 1 Product creëren (optioneel) Zie productbeheer 2 Lijnenopmaak toevoegen Lijnenopmaak toevoegen Apparaatinstellingen bewerken bij lijnopmaak Apparaatklasse selecteren. Apparaatnaam en -instellingen instellen. De lijnopmaak benoemen. Indien van toepassing een product toewijzen. Informatie en instellingen over hoe een lijn moet worden opgebouwd: welke apparaten worden gebruikt bij de lijnopmaak AI-velden die moeten worden gebruikt zijn geselecteerd. (PLC, camera, printer ) 3 Een order aanmaken Informatie over en instellingen van een order met de AI-waarden zijn ingevuld. Een lijnopmaak is toegewezen en er kan ook een product worden toegewezen. 6.2 Aanmaken en bewerken van apparaten (A-3.6.2) Belangrijke systeeminstellingen moeten worden ingesteld, apparaten moeten worden aangemaakt. Mogelijke apparaten zijn: Printers Camera's Handscanner PLC UPS Com-interfaces Servers Comparator VGL7/VGL8 Controleweger De systeeminstellingen Overzichtscherm In dit menu kunnen gebruikers met beheerdersrechten belangrijke systeemparameters wijzigen. Let op Systeeminstellingen mogen alleen worden gewijzigd door opgeleid personeel De PCE-voorbereiding configureert het systeem bij de start! Het wijzigen van deze instellingen kan leiden tot het afsluiten van het apparaat! Om het overzicht systeeminstellingen te openen drukt u op Systeeminstellingen bij het menupaneel aan de rechterzijde van het scherm. Het volgende scherm verschijnt: 36 / 232 Documentversie A

37 4.10 Voorbereiding voor productie (A-3.6) 6 28: Afbeelding : Systeeminstellingen Bij het verschijnende scherm leiden de beschikbare knoppen als volgt naar de functies: Naam Systeeminstellingen bewerken Apparaat creëren/bewerken Apparaatinstellingen bewerken Lijn wisselen Tweede handtekening berichtconfiguratie Tweede handtekening actieconfiguratie Gegevens over XML configuratie Bewerken maand naamlijst Systeemgegevens Verwijderen/opslaan foutbeelden Functie Systeeminstellingen bewerken Lijst waar u systeembrede parameters kunt bewerken, inschakelen of uitschakelen Apparaten voor gebruik in lijn aanmaken of bewerken Instellingen van de apparaten bewerken Selecteer een andere lijn voor productie Definieer berichten die door een tweede handtekening moet worden bevestigd Definieer acties die door een tweede handtekening moet worden bevestigd Definieer paden, waar de PLM order- en productgegevens krijgt van een XML-document Invoer- en uitvoeropmaak definiëren voor de naam van de maand Hier krijgt u informatie over het systeem, zoals de database en de geïnstalleerde apparaten. Foutafbeeldingen verwijderen of opslaan Bij dit scherm kunt u parameters bewerken die geldig zijn voor het hele systeem. Druk op Systeeminstellingen bewerken bij het overzicht de systeeminstellingen (zie hoofdstuk6.2.1 [} 36 ]). Het volgende scherm verschijnt: Documentversie A 37 / 232

38 6 Voorbereiding voor productie (A-3.6) : Afbeelding : Systeeminstellingen > Systeeminstellingen bewerken Om een parameter in te schakelen vinkt u het corresponderende selectievakje aan en stelt u indien van toepassing een waarde in. Grijsgemaakte selectevakjes zijn globale systeeminstellingen, zie hoofdstuk [ } 176]. Om wijzigingen toe te passen op de systeeminstellingen, moet de PLM worden herstart. De tabel vermeld alle parameters die hier kunnen worden ingesteld: Tabel: Systeemparameters ID Parameter Beschrijving Standaard Toegelaten waarden AD01 AD02 AD03 AD04 Naam de Active Directory Server Domainnaam de Active Directory Actieve directory zoekpad Zoekfilter actieve directory Naam van de server met de actieve directory Domeinnaam van de server met de actieve directory Zoekpad waarin de server wordt gevonden met de actieve directory. Type gebruiker beheerder AD06 SU01 SU02 AD05 Kerberos Gebruik van Kerberos-authenticatie JAAS-aanmeldconfiguratiebestand Max. aantal verkeerde aanmeldingen Tijd tussen verkeerde aanmeldingen Configuratie voor actieve directory Maximaal aantal verkeerde aanmeldingen dat leidt tot het blokkeren van verdere aanmeldingen. - Alfanumeriek - Alfanumeriek - Geldig pad (&(objectclass= user)) Alfanumeriek Controlevakje - Geldig pad 3 Numeriek Tijd na een verkeerde aanmelding, waarna het aantal verkeerde aanmeldingen wordt gereset. 0 Numeriek 38 / 232 Documentversie A

39 4.10 Voorbereiding voor productie (A-3.6) 6 SU03 Automatische aanmelding Een gebruiker die kan worden gebruikt, wanneer er niemand is aangemeld. SU04 Wachtwoordsterkte Berekende waarde voor de veiligheid van een wachtwoord. "0", wanneer het wachtwoord niet voldoet aan de richtlijnen SU05 SU06 SU07 SU08 Geldigheid wachtwoord (maand) Aantal maanden nadat een wachtwoord moet worden gewijzigd. Wachtwoordhistorie Aantal wachtwoorden nadat een wachtwoord opnieuw kan worden gebruikt. Automatische afmelding (minuten) Toetsenbord altijd ingeschakeld Activering/deactivering van het aanraakscherm bij gebruik van de Pilot Line Manager met het externe toetsenbord. Ja = met touchscreen werken Nee = met muis en toetsenbord werken SE01 Kengetal bedrijf Gebruikt voor SSCC waarden (verzameling) Aantal niet-actieve minuten nadat een gebruiker wordt afgemeld. SE02- SE04 SR00 - SR08 FP01 FP08 SL01 - SL08 SX01 SA01 SA08 Rang 2 SSCC extensiecode Rang 4 SSCC extensiecode Rang 0 Beschrijving... Rang 8Beschrijving SN vast deel rang 1 SN vast rang 8 SN var. lengte Rang 1 SN var. lengte Rang 8 Kengetal voor SSCC_Werte, die de rang definieert Beschrijving positie (hiërarchisch niveau) Vast deel van het serienummer voor de relevante rang Lengte van het variabele deel van het serienummer SN Extra percentage Reservevolume van extra (niet gebruikte) serienummers in percentage SN Algo rang 1 SN Algo rang 8 ES01 ERP SN area Neemt wel/niet het serienummer over van ERP PA01 Pad naar pdf-sjablonen - Gebruikersnaam Numeriek 5 Numeriek 30 Numeriek Controlevakje - Numeriek 0/1/2 0 9 Algemeen / Eenheid / Pakket /Pakking/Pallet Alfanumeriek - Alfanumeriek 12 Numeriek 0 Numeriek Algoritme voor het genereren van serienummers: INC: incrementele generatie van serienummers INCRND<Nummer>: Kans nummers tussen nul en<nummer> INC INC<Nummer> / INCRND<Nummer> Controlevakje Directory voor pdf-/rapportsjablonen. Kan centraal voor verschillende lijnen worden ingesteld. Indien het veld leeg is, wordt de standaardmap van de PCETnT-directory's gebruikt. - Geldig UNC-pad. Documentversie A 39 / 232

40 6 Voorbereiding voor productie (A-3.6) 4.10 PA02 PDF path Directory voor het archiveren van pdf-rapporten. Dit is automatisch mogelijk. Indien het veld leeg is, wordt de standaardmap van de PCETnT-directory's gebruikt. PA03 SI01 SI02 Schermpad afdrukken Tweede handtekening Tweede handtekeninggroep Pad voor screenshots van de PLM. Vul het directorypad in, bijv. D:\pictures. Inschakeling wordt gedaan via het externe toetsenbord door de print-toets in te drukken. De tweede handtekening activeren/deactiveren Indien geactiveerd, mogen alleen gebruikers die zich voegen bij de groep SI02 Tweede handtekening handtekeningen bevestigen. SV01 Supervisor-station Schakelt de software om naar de modus Supervisor. EI01 Max foutbeeldentelling Max. aantal foutbeelden die in geheugen zijn achtergebleven. EX01 ERP over XML Wanneer geactiveerde gegevens worden geïmporteerd vanuit PSM. XP01 ERP over XML-pad Pad van XML documenten in een gegevensoverdracht XP02 ERP over XML-bevestigingspad Bevestigingsbestand van XMLpad IP01 Standaard IP IP adres, die verschillende netwerkkaarten in het adresgebied van de apparaten definieert. EM01 ERP Xview Mode Importeert wel/niet de opdrachten van ERP DP01 EF01 RF01 WT01 Opstart van parallelle apparaten: Lege velden in volgordetabellen toestaan Herstek ref. Code meetapparaten Startvertragingstijd (sec) Activeert/deactiveert het parallelle laden van de opdrachtgegevens aan de apparaten (versnelde productiestart). Alleen voor Franse Codering. Lege velden worden niet afgedrukt en niet gecontroleerd. Na het voltooien van de productie, worden ongeldige referentiecodes verzonden naar alle meetapparaten, om het meten van codes na productie is voltooid. Als een databaseverbinding mist, kan een startvertraging worden ingesteld. - Geldig UNC-pad. Controlevakje Controlevakje Controlevakje Controlevakje 10 Numeriek - Geldig pad - Geldig pad - Geldig pad Controlevakje Controlevakje Controlevakje Controlevakje 0 Numeriek 40 / 232 Documentversie A

41 4.10 Voorbereiding voor productie (A-3.6) 6 US01 PS01 PLC niet ondersteund door UPS Parallelle apparaten verbinding Als er een stroomstoring is tijdens productie, zal een poging om de laatste teller te lezen door de SPS mislukken. Dit voorkomt het blokkeren van de Pilot Line Manager toepassing. Activateert/deactivateert de parallelle start van de apparaten bij het opstarten. Controlevakje Controlevakje FR07 Filter Open Order Aangepaste ERP orderimport Controlevakje DR01 KA01 FR01 LC01 EA01 RA01 Dynamische apparaatrang Behoud Agg. Toestand van rang Stel voltooide order in op alleen-lezen De apparaatrang is variabel en is gedefinieerd in de regelopmaak. In het geval van productieonderbrekingen, de ingevoerde productrangen zullen niet worden gewist, zij zullen worden opgeslagen. Aan het einde van de order wordt de status ingesteld naar 4 in plaats van 3 (meestal wordt het ingesteld naar 3 ). Dus is het niet mogelijk om handmatig binnen of buiten werking te stellen. Lokale cachemodus Activeert/deactiveert bufferen van de ordergegevens om in staat te zijn te blijven produceren zonder databaseverbinding. Lege aggregatie toestaan Nieuw serienummer gedefinieerd Aggregatie van lege dozen naar pallet toestaan hoewel een inhoudtelling is gedefinieerd. Bij het opnieuw afdrukken van een beschadigd etiket, krijgt het nieuwe etiket een nieuw serienummer in plaats van het hergebruiken van een oud serienummer. DN01 HC01 Lengte helpercode Definieert de lengte van de helpercode Buitenwerkingstelling niet geaggregeerde eenheden op rang Nemen van screenshots Buitenwerkingstelling niet geaggregeerde eenheid op een rang Controlevakje - 2 8, gescheiden door komma (bijv. 2,3,5) Controlevakje Controlevakje Controlevakje Controlevakje 6 Numeriek - Alfanumeriek Om een screenshot van het huidige scherm te nemen, drukt u op de knop <print key> van het externe toetsenbord. Randvoorwaarde: Plaats een vinkje in het selectievakje bij de parameter PA03 in de systeeminstellingen en vul het directorypad daar in en druk op Opslaan om de instellingen op te slaan. Herstart de PLM in de instellingen toe te passen. Documentversie A 41 / 232

42 6 Voorbereiding voor productie (A-3.6) Lokale cachemodus Meestal is de PLM verbonden aan een centrale database en worden alle gegevens continu in de database geschreven. Als de databaseverbinding is verbroken, dan kan de PLM niet verdergaan met de productie. De lokale cachemodus maakt het ook mogelijk om verder te gaan met de productie als de databaseverbinding is verbroken, door de ordergegevens op te slaan naar de lokale cache. Om lokale caching in te schakelen: Plaats een vinkje in het selectievakje bij de parameter LC01 in de systeeminstellingen. Herstart de PLM in de instellingen toe te passen Aanmaken van een apparaat Voordat een apparaat in het systeem kan worden gebruikt, moet het worden "aangemaakt" in de PLM. Dit hoofdstuk beschrijft hoe apparaten moeten worden aangemaakt en bewerkt. Om een apparaat aan te maken moet u het schermsysteeminstellingen (zie hoofdstuk [} 36]) en drukken op Apparaat creëren/bewerken. Bij het scherm Apparaattabel voor lijn ziet u welke apparaten in de PLM zijn aangemaakt. 30: Afbeelding : Systeeminstellingen > Apparaat creëren/bewerken/toevoegen Volgorde van apparaten (Sortering) Bij de kolom 'Sortering' moet u de nummers aan de apparaten toevoegen. De hier ingevoerde volgorde zal worden overgenomen voor de apparaatbalken bij het thuis scherm en voor de tabbladen bij het scherm Apparaatinstellingen bewerken. Bij dit scherm heeft u de volgende opties: Verwijderen: Deactiveert het gekozen apparaat, gebruik dit bijvoorbeeld als een apparaat niet in een opmaak wordt gebruikt. Opnieuw verbinden: Nieuwe verbinding als een apparaat is verloren. Is alleen voor PCE onderhoudspersoneel en mag niet anders worden gebruikt. Druk op Toevoegen om extra apparaten toe te voegen. Het volgende dialoogvenster verschijnt: 42 / 232 Documentversie A

43 4.10 Voorbereiding voor productie (A-3.6) 6 31: Afbeelding : Systeeminstellingen > Apparaat creëren/bewerken/toevoegen > Apparaat toevoegen 'Apparaatnaam': Voer een individuele naam in voor het apparaat. Dit zal de naam zijn voor het apparaattabblad bij de lijnopmaak. Voor de duidelijkheid raden we aan om de apparaten als volgt te benoemen: (Station waarop het apparaat wordt gebruikt)_(apparaat). Voorbeelden: - DMS_Wolke printer - ABS_ Naam klasse: : De klasse bevat voorgedefinieerde apparaatopmaken. Bij de apparaatopmaken zijn de af te drukken velden op een product gedefinieerd. Bij de lijnopmaak worden apparaatopmaken en hun velden geladen. 'Apparaateigenaar' (Virtuele Apparaateigenaar): De apparaateigenaar verwijst naar een enkel master-apparaat dat fysiek bestaat maar moet verschillende functies op verschillende rangen vervullen (Zie onderstaande voorbeeld). Als een apparaat geen virtualisatiemodus ondersteunt, wordt het apparaateigenaarveld uitgeschakeld. Voorbeeld voor apparaateigenaar: Een printer moet in staat zijn verschillende labels af te drukken op 2 verschillende rangen. Het wordt eerst geregistreerd als een normaal "PrinterMaster" apparaat. Dit is de eigenaar op het hoofdapparaat. Deze printer wordt dan een tweede maal geregistreerd als een virtueel "PrinterSlave" apparaat met het eigenaarapparaat: "PrinterMaster". De tweede printer krijgt dan een andere rang toegewezen. Dus zijn er nu 2 apparaten in de Pilot Line Manager die labels kunnen afdrukken op een hoofdapparaat. Log Level De parameter loglevel van elke apparaatinstelling regelt hoeveel logdata wordt geproduceerd en opgeslagen naar plm.log. Een per-apparaatinstelling maakt debuglogboeken voor een beperkt toepassingsgebied mogelijk, namelijk het specifieke apparaat. Mogelijke waarden zijn: TRACE (alle mogelijke logdata worden gelogd. Gebruik dit logniveau slechts voor korte tijd) DEBUG (minder dan TRACE wordt gelogd) INFO (Standaardniveau, minder dan DEBUG wordt gelogd) WARN (waarschuwingen en foutberichten worden gelogd, minder dan INFO wordt gelogd) ERROR (alleen foutberichten worden gelogd) Documentversie A 43 / 232

44 6 Voorbereiding voor productie (A-3.6) 4.10 Let op Druk na het aanmelden/afmelden op opnieuw aansluiten. Na het aanmelden/afmelden bij apparaten moet de knop Opnieuw aansluiten onder Systeem worden geselecteerd Een apparaat verwijderen PLC Om een apparaat te verwijderen moet u het selecteren bij het scherm Apparaattabel voor lijn (zie: Hoofdstuk [} 38]) en druk op Verwijderen. Als een apparaat nog steeds aan een lijn is gekoppeld, is het niet mogelijk om deze te verwijderen. Het volgende foutbericht verschijnt: Apparaat is gekoppeld aan een configuratie. Bevestig het bericht door op Bevestigen te drukken en deactiveer het apparaat bij de lijn of verwijder de lijnopmaak. 32: Afbeelding : Systeeminstellingen > Apparaatinstellingen bewerken > (Tabblad PLC selecteren) Bij het scroll down-menu van het PLC tabblad. Met de knoppen bij het onderste deel van het scherm kunt u de corresponderende functies oproepen zoals deze zijn beschreven in de volgende hoofdstukken. De tabel hieronder geeft een overzicht van deze functies: Naam Parameter Berichten Teller Importeren/Exporteren Leren Functie Instellen, wissen en bewerken van PLC parameters PLC-berichten instellen, verwijderen en bewerken Configureer PLC Teller Importeren en exporteren van parameters, berichten en tellers PLC configuratie (bijv. informeren van de posities van de apparaten en de sensors) De tabel hieronder geeft een overzicht van de mogelijke PLC-instellingen van het bovenstaande scherm: Parameter Beschrijving Standaardwaarde Toegelaten waarden 44 / 232 Documentversie A

45 4.10 Voorbereiding voor productie (A-3.6) 6 Naam Naam naar keuze - Alfanumeriek Beschrijving Optionele beschrijving - Alfanumeriek PLCType Soort gebruikte PLC S7_200_compatible Lijsten automaticmode Wanneer automatische modus actief is, is handmatige bediening van het apparaat niet mogelijk. boxingrank Hiërarchieniveau (1) Eenheid counterrefreshtime heartbeatplctime heartbeatpilottime internalformats Bijwerktijd [ms] voor het oproepen van nieuwe tellerwaarden van de PLC Controlevakje 1000 Numeriek Tijd [ms] voor de PLC om 1000 Numeriek de verbinding naar de IPC te controleren Tijd [ms] voor de PLC om 1000 Numeriek de verbinding naar de IPC te controleren PLC gebruikt interne opmaken Controlevakje ip IP adres van het apparaat - Geldig IP adres loglevel needdeviceformat LogLevel readtimeout shiftregister shiftregisterrefreshtime statusbitwaittime watchdogtime writecounters ShowDeviceFrame Instelling van hoeveel data wordt gelogd (TRACE/ DEBUG/INFO/WARN/ ERROR) Apparaat verschijnt op de regelopmaak. Afgedrukte status Wachttijd [ms] voor een antwoord voor het overschrijden van de tijd Weergave van het schakelregister in het overzicht Bijwerktijd [ms] van het schakelregister-beeldscherm Tijd [s], einde van productie na een tijdblokkering van de PLC. Tijd [ms] voor het oproepen van fouten PLC tellermetingen worden opgeslagen in de database in het geval van staken of stoppen van de productie. Activeert/deactiveert weergave van het apparaat in het menu overzicht. INFO Lijsten Controlevakje 1000 Numeriek Controlevakje 200 Numeriek 10 Numeriek 500 Numeriek Controlevakje Controlevakje Documentversie A 45 / 232

46 6 Voorbereiding voor productie (A-3.6) Importeren / Exporteren (XML instellingsbestand) 33: Afbeelding : Systeeminstellingen > Apparaatinstellingen bewerken > (PLC selecteren) > Importeren/exporteren Druk op Alle instellingen importeren. Het scherm ziet er als volgt uit: 34: Afbeelding : Systeeminstellingen > Apparaatinstellingen bewerken > (PLC selecteren) Importeren/EXporteren> (bestand selecteren) Selecteer het XML-bestand dat geschikt is voor de PLC-versie en druk op Openen. 46 / 232 Documentversie A

47 4.10 Voorbereiding voor productie (A-3.6) Parameters Bij het volgende scherm kunt u de PLC-parameters bewerken. Parameter globaal instellen Als u een parameter globaal wilt instellen voor alle lijnopmaken (instellingen zijn niet bewerkbaar bij de lijnopmaak) moet u een vinkje plaatsen bij zijn selectievakje. Dan moeten de waarden hier worden ingevoerd bij de systeeminstellingen. Parameter lokaal instellen Als u de parameters lokaal wilt wijzigen bij de lijnopmaak (instellingen moeten worden aangepast bij de lijnopmaak) moet u geen vinkje plaatsen bij zijn selectievakje. Daarna moeten de waarden bij elke lijnopmaak worden ingevoerd. Het instellen van een vinkje maakt de parameter globaal. Het instellen van geen vinkje maakt de instelling lokaal. Globale Lokaal bij apparaat Het scherm ziet er als volgt uit: Leren 35: Afbeelding : Systeeminstellingen > Apparaatinstellingen bewerken > (PLC selecteren) > Parameter Druk op Leren om de XML-gegevens naar de PLC te laden. Druk op Opslaan om de PLC-instellingen op te slaan. Documentversie A 47 / 232

48 6 Voorbereiding voor productie (A-3.6) PLC Siemens 36: Afbeelding : Thuis > PLC Naam klasse: Siemens PLC IP / PLC PPI Alleen de tellers worden weergegeven PLC Allen-Bradley Naam klasse: PLC Rockwell Door het PLC Allen-Bradley veld te selecteren, verschijnt het scherm hieronder met zijn twee knoppen Show PLC IO en PLC modus selecteren. 48 / 232 Documentversie A

49 4.10 Voorbereiding voor productie (A-3.6) 6 37: Afbeelding : Thuis > PLC Selecteer PLC IO weergeven om te zien welke invoeren en uitvoeren van de PLC zijn ingesteld. Het scherm hieronder zal verschijnen. Het scherm is slechts een weergave. Er is geen handmatige configuratie mogelijk. 38: Afbeelding : Thuis > PLC > IO paneel Selecteer PLC Modus om functies handmatig te regelen. Voorbeeld: Selecteer Stopper1 om Stopper1 te activeren. Documentversie A 49 / 232

50 6 Voorbereiding voor productie (A-3.6) Printers In dit hoofdstuk worden de instellingen van de printers beschreven Printer mode De 'PrinterMode' configureert printers en onderscheidt aggregatie van serialisatie/statische printers. 'AGGREGATE_PRINTER': Deze worden alleen gebruikt op rangen > 1 en worden individueel met labels geleverd. Voorbeeld: ABS Bundle Label Printer. 'BUFFERED_PRINTER': Dit is de standaardinstelling voor serialisatie of statische printers op rang 1. Op deze instelling laadt de printer (indien online) de interne buffer met labels aan het begin van de productie. Voorbeeld: DMS Wolke Printer 'HC_PRINTER': Printer helpercodes. 'COPY_PRINTER': Print data die door een lezer wordt gelezen (COPY_READER-modus). Voorbeeld: Tijdelijke vertraagde nieuwe afdruk van een tijdelijk aggregatielabel. 'DISTRIBUTION_PRINTER': Printbuffer. Verzamelt printdata van DISTRIBUTION_READER en print op een gedefinieerd moment. Voorbeeld: 'LINEFORMAT': Dit wijzigt de instelling van de apparaatinstellingen naar lijnopmaak, waarin daarna Aggregatieprinter en Gebufferde printer kunnen worden geselecteerd Wolke Printer De Wolke-printer is bewerkbaar onder Systeeminstellingen > Apparaatinstellingen bewerken > (selecteer <tabblad wolke printer>). Bij het tabbladmenu aan de bovenzijde kunt u schakelen tussen de schermen. 50 / 232 Documentversie A

51 4.10 Voorbereiding voor productie (A-3.6) 6 39: Afbeelding : Systeeminstellingen > Apparaatinstellingen bewerken > (selecteren <Wolke printertabblad>) Bewerk de instellingen bij de invoervelden en scroll down-menu's. De tabel hieronder geeft een overzicht van deze functies: Parameter Beschrijving Standaardwaarde Toegelaten waarden Naam Naam toegewezen in de apparaatbeheerinstellingen. - Alfanumeriek Beschrijving Optionele beschrijving - Alfanumeriek PLCName automaticmode Printernaam voor de PLC (Printer 1 Printer 8) Wanneer automatische modus actief is, is handmatige bediening van het apparaat niet mogelijk. - Lijsten boxingrank Hiërarchieniveau (1) Eenheid Controlevakje buffer Aantal prints in de buffer 18 Numeriek debugmode Uitvoer van fouten/waarschuwingen/berichten. Alleen voor PCE doeleinden Controlevakje internalformats Printer gebruikt interne opmaken Controlevakje ip IP adres van het apparaat - Geldig IP adres loglevel needdeviceformat Instelling van hoeveel data wordt gelogd (TRACE/DEBUG/INFO/WARN/ERROR) Beschrijft of het apparaat wel of niet wordt gebruikt in regelopmaak. INFO Lijsten Controlevakje port Poortnummer Numeriek printermode showdeviceframe AGGREGATE_PRINTER: BUFFERED_PRINTER: Activeert/deactiveert weergave van het apparaat in het menu overzicht. BUFFERED_PRINTER Lijsten Controlevakje Documentversie A 51 / 232

52 6 Voorbereiding voor productie (A-3.6) APS/Domino Printer De APS/Domino Printer is editable under Systeeminstellingen > Apparaatinstellingen bewerken > (selecteren <APS/Domino printertabblad>). Bij het tabbladmenu aan de bovenzijde kunt u schakelen tussen de schermen. De volgende twee figuren tonen de printerinstellingen van de Domino Printer (initiële scherm en naar beneden gescrolld). Instellingen kunnen worden geconfigureerd. 40: Afbeelding : Systeeminstellingen > Apparaatinstellingen bewerken > (selecteren <APS/Domino printertabblad>) 52 / 232 Documentversie A

53 4.10 Voorbereiding voor productie (A-3.6) 6 41: Afbeelding:Systeeminstellingen > Apparaatinstellingen bewerken > (selecteren <APS/Domino printertabblad>) Bewerk de instellingen bij de invoervelden en scroll down-menu's. De tabel hieronder geeft een overzicht van deze functies: Parameter Beschrijving Standaardwaarde Toegelaten waarden Naam Naam toegewezen in de apparaatbeheerinstellingen. - Alfanumeriek Beschrijving Optionele beschrijving - Alfanumeriek APSSIMPath Pad waar de APS simulatiesoftware kan worden gevonden - Geldig pad PLCName Printernaam voor de PLC - Lijsten automaticmode Wanneer automatische modus actief is, is handmatige bediening van het apparaat niet mogelijk. boxingrank Hiërarchieniveau (1) Eenheid Controlevakje buffer Aantal prints in de buffer 5 Numeriek internalformats Printer gebruikt interne opmaken Controlevakje IP IP adres van het apparaat - Geldig IP adres loglevel needdeviceformat Instelling van hoeveel data wordt gelogd (TRACE/DEBUG/INFO/WARN/ERROR) Beschrijft of het apparaat wel of niet wordt gebruikt in regelopmaak. INFO Lijsten Controlevakje port Poortnummer 502 Numeriek Printer mode AGGREGATE_PRINTER: BUFFERED_PRINTER: LINEFORMAT: BUFFERED_PRINTER Lijsten printerunit Printkopnummer 1 Numeriek Documentversie A 53 / 232

54 6 Voorbereiding voor productie (A-3.6) 4.10 showdeviceframe Activeert/deactiveert weergave van het apparaat in het menu overzicht. Controlevakje Zebra 170xiIII Printer De Zebra 170xiIII Printer is bewerkbaar onder Systeeminstellingen > Apparaatinstellingen bewerken > (selecteren <zebra 170xiIII printertabblad>). Bij het tabbladmenu aan de bovenzijde kunt u schakelen tussen de schermen. 42: Afbeelding : Systeeminstellingen > Apparaatinstellingen bewerken > (<selecteren zebra 170xiIII printertabblad>) Bewerk de instellingen bij de invoervelden en scroll down-menu's. De tabel hieronder geeft een overzicht van deze functies: Parameter Beschrijving Standaardwaarde Toegelaten waarden Beschrijving Optionele beschrijving - Alfanumeriek PLCName Printernaam voor de PLC - Lijsten automaticmode Wanneer automatische modus actief is, is handmatige bediening van het apparaat niet mogelijk. boxingrank Hiërarchieniveau (1) Eenheid Controlevakje buffer Aantal prints in de buffer 2 Numeriek internalformats Printer gebruikt interne opmaken Controlevakje ip IP adres van het apparaat Geldig IP adres loglevel labelpad needdeviceformat Instelling van hoeveel data wordt gelogd (TRACE/DEBUG/INFO/WARN/ERROR) Pad waarop het label voorraad wordt opgeslagen voor de printer. Beschrijft of het apparaat wel of niet wordt gebruikt in regelopmaak. INFO Lijsten - Geldig pad Controlevakje 54 / 232 Documentversie A

55 4.10 Voorbereiding voor productie (A-3.6) 6 showdeviceframe Activeert/deactiveert weergave van het apparaat in het menu overzicht. Controlevakje Camera's (A ) Camera's van PCE zijn de Smart Camera (SMC) en de High Resolution Camera (). Deze kunnen verschillende functies vervullen, afhankelijk van de corresponderende instellingen Lezermodi Bij deze tabel wordt de parameter 'lezermodus' beschreven. Deze tabel is geldig voor alle handscanners als de modus beschikbaar is. Modus Functie Uitleg Apparaat PRINT_INSPECTION Leest en controleert de statische of geserialiseerde labels en of zijn afdrukkwaliteit goed of slecht is. Lezerstatistieken van de Print Inspection zijn aan rang gerelateerd. STATIC_INSPECTION Leest en controleert de statische (niet-geserialiseerde) labels en of zijn afdrukkwaliteit goed of slecht is. STATIC_INS_BUFFER Aan statische rang gerelateerde inspectiemodus. Vulapparaat SN opslaan PRINT_COMPARE AGGREGATE_READE R Eerder afgedrukte eenheden worden verder verwerkt. Camera leest alleen de getallen en zendt het naar de PLM. SN-verificatie wordt gedaan door PLM in plaats van de camera. Leest verschillende kindeenheidlabels per stuk of ineens en zendt codes naar PLM, verifieert inhoudsgrootte. De standaardinstelling voor de meeste lezers. Standaardinstelling voor generieke niet-geserialiseerde lezer op globale rang (rang 0) De statische inspectie moet worden gebruikt voor niet-artikel gerelateerde labelinspectie. Lezerstatistieken hebben geen invloed op de status van de geserialiseerde labeldatabase. SMC, VGL, handscanner ((lezer voor één artikel), SMC, VGL, handscanner (lezer voor één en meer artikelen Gebruikt wanneer de lezer statische data leest, maar de printer VGL,, SMC, SGTIN of SSCC moet printen. handscanner (lezer voor één en meer artikelen Al geproduceerde producten worden er weer ingedaan zonder eerder afgedrukt te zijn. Standaardinstelling voor lezers met rang > 1 SMC, VGL, Scanner ((lezer voor één artikel), SMC, VGL, handscanner (lezer voor één en meer artikelen LINKING_READER afgekeurd afgekeurd afgekeurd Documentversie A 55 / 232

56 6 Voorbereiding voor productie (A-3.6) 4.10 HC_INSPECTION HC_LINK_READER HC_AGGREGATE_RE ADER SERIAL_LINK_READ ER AGG_INSPECTION AGG_DELAY_PRINT Leest en controleert de geserialiseerde helpercodelabels en of zijn afdrukkwaliteit goed of slecht is. Leest en controleert de geserialiseerde helpercodelabels en of zijn afdrukkwaliteit goed of slecht is. Alleen in combinatie met SERIAL_LINK_READER. Leest verschillende helpercodelabels per stuk of ineens en zendt codes naar PLM, verifieert inhoudsgrootte. Leest en controleert geserialiseerde labels en of zijn afdrukkwaliteit goed of slecht is. Het proces koppelt tussen de huidige gelezen code en het helpercode-label dat ervoor is gelezen door HC_LINK_READER. Controleert de laatst verwerkte verzameling door te controleren of een artikel bij een veronderstelde positie binnen een kast is. Alle kinderen voor een oudereenheid worden verzameld. Het ouderlabel zal niet worden afgedrukt totdat een kindserienummer wordt gelezen door AGG_DELAY_PRINT. SMC, VGL, handscanner ((lezer voor één artikel) SMC, VGL, handscanner ((lezer voor één artikel), SMC, VGL, handscanner (lezer voor één en meer artikelen Dit is bijvoorbeeld bruikbaar SMC, wanneer u de buitenverpakking VGL, wisselt en de bestaande codes niet langer kunnen worden gelezen. Daarna kunt u helpercodes afdrukken op de eenheden, die zijn gekoppeld aan de originele code, om de originele code te herkennen bij de database. Randvoorwaarde: er moet een tweede lezer naar dezelfde rang worden ingesteld en in de HC_LINK_READER.- modus zijn, die de PCE-helpercode label controleert. Bij een dozenverpakker worden een of SMC gebruikt als een verzamelde inspectielezer. Deze lezer controleert of een eenheid bij de verwachte positie is. Bijv. de laatste eenheid is rechtsonder van de kast. Als dat waar is bevestigt dit dat alle eenheden ook goed moeten zijn. Deze modus kan worden gebruikt om een eenheid met vertraging te labellen. handscanner ((lezer voor één artikel), SMC, VGL, handscanner (lezer voor één artikel) SMC, VGL (Lezer voor één artikel) 56 / 232 Documentversie A

57 4.10 Voorbereiding voor productie (A-3.6) 6 HC_AGG_DELAY_PR INT COPY_READER DISTRIBUTION_REA DER Alle kinderen voor een oudereenheid worden verzameld. Het ouderlabel zal niet worden afgedrukt totdat een kindhelpercode wordt gelezen door HC_AGG_DELAY_PRINT. Leest en controleert geserialiseerde labels en of zijn afdrukkwaliteit goed of slecht is. Zendt gelezen serienummer naar een verbonden printer met printermodus: COPY_PRINTER. Vergelijkbaar met COPY_READER, maar met intern bufferen. Deze functie wordt voor lijnen gebruikt bij het lezen van verschillende labels ineens (bijv. helpercode) in dezelfde rang. Het is logisch om het te gebruiken als er veel artikelen zijn tussen camera en printer. Deze modus kan worden gebruikt om een eenheid met vertraging te labellen. Gebruikt voor het zenden van onbekende serienummers naar een verbonden printer, zonder bufferen. Een gelezen code zal onmiddellijk worden afgedrukt. SMC, VGL, handscanner ((lezer voor één artikel) SMC, VGL, handscanner ((lezer voor één artikel) SMC, VGL, handscanner ((lezer voor één artikel) Doel van deze functie: Artikelafval voorkomen wanneer de machine stopt. Voorkomen dat alle artikelen tussen printer en camera worden weggegooid. Hoe het werkt: CAM1 (DISTRIBUTION_READER) leest alle elementen van de code (bijv. GTIN, expiratie, serienummer). De elementen worden geverifieerd (met uitzondering van het serienummer). Het serienummer wordt alleen gecontroleerd op aanwezigheid (door de lengte te controleren). Daarna wordt het serienummer verzonden naar CAM2 (DISTRIBUTION_CONSUMER). CAM2 controleert het serienummer dat is ontvangen van CAM1 en stelt de status in naar 'geverifieerd. Probleem: Als beide camera's in READER_MODE, begint het schakelregister bij de printer. Bij een fout moeten alle artikelen van de printer tot CAM2 worden vervangen. Oplossing: Wanneer CAM1 de serienummers krijgt van CAM2 en niet van de printer, kan de volgrde van artikelen tussen printer en CAM1 worden gewijzigd. Dus start het schakelregister bij CAM1. Dus in het geval van een machinestop moeten alleen de artikelen tussen CAM1 en CAM2 worden weggegooid. Documentversie A 57 / 232

58 6 Voorbereiding voor productie (A-3.6) 4.10 DISTRIBUTION_CON SUMER AGG_PRINT_INPECT ION PARITY_READER LINEFORMAT ABS_AGG_READER ABS_HC_AGG_READ ER Smart Camera (A ) zie DISTRIBUTION_READER Print Inspection modus en aggregatielezer Vergelijkt twee of meer gelijke vooraf afgedrukte externe serienummers LINEFORMAT is geen lezermodus. Het is een schakelaar om de configuratie van de lezermodus te verplaatsen van de globale apparaatinstelling naar de regelopmaak. Instellen van LINEFORMAT als lezermodus in de apparaatinstellingen (Systeeminstellingen > Apparaatinstellingen bewerken > Lezermodus) laat u de lezermodus per lijnopmaak definiëren. ABS verbeterde aggregatielezermodus ABS verbeterde helpercode aggregatielezermodus SMC, VGL, handscanner ((lezer voor één artikel) lezers Twee of meer pariteitslezers Alle lezers controleren op identieke serienummers op een enkele eenheid. Gebruikt voor Chinese code zonder met PLM afgedrukte helpercodes. De instellingen van de lezermodus van de geselecteerde lijnopmaak worden gebruikt. Lezermodusinstellingen moeten worden aangepast in de apparaatdetails van de lijnopmaak en worden daar opgeslagen. Alle lezers De Smart Camera leest de streepjescodes, de gegevensmatrixcodes en de door mensen leesbare tekst en vergelijkt het met de gegevens die zijn ontvangen van de PLM. Wanneer de gegevens geldig zijn, wordt het artikel verder verwerkt. Als de gegevens ongeldig zijn, wordt het artikel weggegooid. De Smart Camera is bewerkbaar ondersysteeminstellingen > Apparaatinstellingen bewerken > (<selecteren smart camera tabblad>). Bij het tabbladmenu aan de bovenzijde kunt u schakelen tussen de schermen. 58 / 232 Documentversie A

59 4.10 Voorbereiding voor productie (A-3.6) 6 43: Afbeelding : Systeeminstellingen > Apparaatinstellingen bewerken > (<selecteren smart camera tabblad>) Bewerk de instellingen bij de invoervelden en scroll down-menu's. De tabel hieronder geeft een overzicht van deze functies: Parameter Beschrijving Standaardwaarde Toegelaten waarden Naam Naam toegewezen in de apparaatbeheerinstellingen Camera Alfanumeriek Beschrijving Optionele beschrijving - Alfanumeriek PLCName Printernaam voor de PLC Cam1 Lijsten autoverifyaggunit automaticmode Mogelijkheid tot het combineren van de verificatie en inwerkingstelling tot een leesproces in de database. Wanneer automatische modus actief is, is handmatige bediening van het apparaat niet mogelijk. boxingrank Hiërarchieniveau (1) Eenheid Lijsten ConnectGui debugstatistics errorimages Activeert/deactiveert de beeldverwerking op de camera Bewaart communicatie tussen de Pilot Line Manager en de camera in txt gegevens. Alleen voor foutzoeken, anders moet dit uitgeschakeld worden. Activeert/deactiveert de permanente opslag van MSCfoutbeelden in de database van de Pilot Controlevakje Controlevakje Controlevakje Controlevakje Controlevakje internalformats Camera gebruikt interne opmaken Controlevakje ip IP adres van het apparaat Geldig IP adres loglevel Instelling van hoeveel data wordt gelogd (TRACE/DEBUG/INFO/WARN/ERROR) INFO Lijsten Documentversie A 59 / 232

60 6 Voorbereiding voor productie (A-3.6) 4.10 needdeviceformat Apparaat verschijnt op de regelopmaak Controlevakje preaggregationreject readermode showdeviceframe usewildcards Eenheden die worden gescand door de aggregatielezer worden direct nadat ze zijn gelezen en verworpen gevalideerd door PLC. Standaard start het validatieproces met het sluitsignaal van de afsluitdoos (inhoudsgrootte wordt bereikt of sluitknop) PRINT_INSPECTION AGGREGATE_READER LINKING_READER AGG_INSPECTION LINEFORMAT Aggregatie met Smart Camera Activeert/deactiveert weergave van het apparaat in het menu overzicht. Activeert/deactiveert de overdacht van het serienummer door een placeholder (*****) het wordt alleen gecontroleerd op lengte, niet op inhoud PRINT_INSPECTION Controlevakje Lijsten Controlevakje Controlevakje Aggregatie van artikelen in een doos kan ook via Smart Camera worden gedaan. Deze functie zal alleen worden geïmplementeerd voor de nieuwste generatie Smart Camera (150, 205, 206, 215). Om dit te bereiken gebruikt de camera zijn subset en set om serienummers tijdelijk op te slaan. Het doel is om de volledige set serienummers alleen naar de PLM op te slaan nadat de doos is gesloten, terwijl ondertussen een nieuwe doos wordt gevuld. Hoe werkt het Het aggregatieproces via Smart Camera is beschreven in de diagramhieronder (Zie Afbeelding 6-17: Aggregatie met Smart Camera [} 60]). Parameter Acties door SMC Verwerking in SMC en PLM Vullen van doos (A) Vangen van artikelen (voor doos A) Opslaan van SN's naar subset Doos A gevuld - Overbrengen van SN's van subset naar set Vullen van nieuwe doos (B) Vangen van artikelen (voor doos B) Opslaan van SN's naar subset Doos (A) voltooid - Overbrengen van SN's van set naar PLM, controleren en verzamelen van SN's Blijven vullen van nieuwe doos (B) Vangen van artikelen (voor doos B) Opslaan van SN's naar subset / 232 Documentversie A

61 4.10 Voorbereiding voor productie (A-3.6) 6 44: Afbeelding 6-17: Aggregatie met Smart Camera Instellen van een Product in SMC (H-1.6) Dit hoofdstuk beschrijft hoe een product moet worden ingesteld in de Smart Camera. Sommige volgordestappen moeten op volgorde worden herhaald om verschillende velden in te stellen. Hiervoor zijn de stappen genummerd. Stap Actie 1 Druk op Thuis. Documentversie A 61 / 232

62 6 Voorbereiding voor productie (A-3.6) : Afbeelding : Thuis Stap Actie 2 Selecteer de camerabalk. Het volgende scherm verschijnt (Het kan zijn dat de software dit scherm automatisch overslaat. In dit geval hoeft u menu op dit moment niet in te drukken en u ziet het volgende scherm): 46: Afbeelding : Thuis > (<selecteren smart camera balk>) Stap Actie 62 / 232 Documentversie A

63 4.10 Voorbereiding voor productie (A-3.6) 6 3 Druk op Menu. Het volgende scherm verschijnt: 47: Afbeelding : Thuis > (<selecteren smart camera balk>) > Menu Stap Actie 4 Druk op Productbeheer. Het volgende scherm verschijnt: Documentversie A 63 / 232

64 6 Voorbereiding voor productie (A-3.6) : Afbeelding : Thuis > (<selecteren smart camera balk>) > Menu > Productbeheer Stap Actie 5 Druk op Nieuw product. Het volgende dialoogvenster (Nieuwe productnaam) verschijnt: 49: Afbeelding : Thuis > (<selecteren smart camera balk>) > Menu > Productbeheer > Nieuw product Stap Actie 64 / 232 Documentversie A

65 4.10 Voorbereiding voor productie (A-3.6) 6 6 Voer een unieke productnaam in. 7 Druk op Enter op het toetsenbord. Het volgende dialoogvenster (Live image) verschijnt: 50: Afbeelding : Thuis > (<selecteren smart camera balk>) > Menu > Productbeheer > Nieuw product > (productnaam invullen) > Enter (op het toetsenbord) Stap Actie 8 Selecteer Live afbeelding. 9 Plaats het artikel onder de Smart Camera. Het volgende scherm verschijnt: Documentversie A 65 / 232

66 6 Voorbereiding voor productie (A-3.6) : Afbeelding : Thuis > (<selecteren smart camera balk>) > Menu > Productbeheer > Nieuw product > (productnaam invullen) > Enter (op het toetsenbord) > Live afbeelding Stap Actie 10 Selecteer Volgende. Het volgende dialoogvenster (Bediening) verschijnt: 66 / 232 Documentversie A

67 4.10 Voorbereiding voor productie (A-3.6) 6 52: Afbeelding : Thuis > (<selecteren smart camera balk>) > Menu > Productbeheer > Nieuw product > (productnaam invullen) > Enter (op het toetsenbord) > Live afbeelding > Volgende Stap Actie 11 Druk op OCV-regeling. Het scherm ziet er als volgt uit: Documentversie A 67 / 232

68 6 Voorbereiding voor productie (A-3.6) : Afbeelding : Thuis > (<selecteren smart camera balk>) > Menu > Productbeheer > Nieuw product > (productnaam invullen) > Enter (op het toetsenbord) > Live afbeelding > Volgende > OCV regeling Om het regelvenster voor de vervaldatum als volgt in te stellen. Stap Actie 12 Verplaats het gele regelvenster op een wijze die ligt rond de vervaldatum. Zie hieronder. Om het regelvenster in te stellen kunt u de pijltjestoetsen gebruiken zoals is beschreven in de volgende tabel. U kunt het regelvenster ook verplaatsen en zijn randen aanpassen door de randen te slepen en te laten vallen. Knop Knop Modus 'scrollen' Functie Pijltjestoetsen voor functies bij de modi. De modus is geselecteerd bij de knop in het midden. Het regelvenster kan worden verplaatst met de pijltjestoetsen. 'inzoomen' Het regelvenster kan worden vergroot met de pijtjestoetsen. 'uitzoomen' Het regelvenster kan worden verkleind met de pijtjestoetsen. Stap Actie 13 Nadat het regelvenster is ingesteld naar de rechter positie, drukt u op OK om te bevestigen. Het volgende dialoogvenster (Drempelwaarde) verschijnt: 68 / 232 Documentversie A

69 4.10 Voorbereiding voor productie (A-3.6) 6 54: Afbeelding : Thuis > (<selecteren smart camera balk>) > Menu > Productbeheer > Nieuw product > (productnaam invullen) > Enter (op het toetsenbord) > Live afbeelding > Volgende > OCV regeling (plaatsen regelvenster) > OK (instellen drempelwaarde) Stap Actie 14 Verplaats drempelwaarde op een wijze totdat u het lettertype duidelijk kunt lezen. 15 Druk daarnaop OK om te bevestigen. Het volgende dialoogvenster (Venster met meetpijlen?) verschijnt: Documentversie A 69 / 232

70 6 Voorbereiding voor productie (A-3.6) : Afbeelding : Thuis > (<selecteren smart camera balk>) > Menu > Productbeheer > Nieuw product > (productnaam invullen) > Enter (op het toetsenbord) > Live afbeelding > Volgende > OCV regeling (plaatsen regelvenster) > OK (instellen drempelwaarde) > OK Stap Actie 16 Selecteer Ja. Nadat u Ja, druk, verschijnt het volgende dialoogvenster (Lettertypegeheugen): 70 / 232 Documentversie A

71 4.10 Voorbereiding voor productie (A-3.6) 6 56: Afbeelding : Thuis > (<selecteren smart camera balk>) > Menu > Productbeheer > Nieuw product > (productnaam invullen) > Enter (op het toetsenbord) > Live afbeelding > Volgende > OCV regeling (plaatsen regelvenster) > OK Bij dit dialoogvenster moet u het lettertypegeheugen kiezen die u wilt gebruiken. Stap Actie 17 Selecteer ocrb. Het volgende dialoogvenster (Andere regeling voorbereiden?) verschijnt: Documentversie A 71 / 232

72 6 Voorbereiding voor productie (A-3.6) : Afbeelding : Thuis > (<selecteren smart camera balk>) > Menu > Productbeheer > Nieuw product > (productnaam invullen) > Enter (op het toetsenbord) > Live afbeelding > Volgende > OCV regeling (plaatsen regelvenster) > OK (instellen drempelwaarde) > OK > Ja (selecteren lettertypegeheugen) Om een ander regelvenster in te stellen voor het <LOT> veld moet u de stappen (11-15) herhalen. Stap Actie 18 Druk opja. (U wordt automatisch teruggeleid om verder te gaan vanaf stap 11) 19 Herhaal stappen / 232 Documentversie A

73 4.10 Voorbereiding voor productie (A-3.6) 6 58: Afbeelding : Thuis > (<selecteren smart camera balk>) > Menu > Productbeheer > Nieuw product > (productnaam invullen) > Enter (op het toetsenbord) > Live afbeelding > Volgende > OCV regeling (plaatsen regelvenster) > OK (instellen drempelwaarde) > OK > Ja (selecteren lettertypegeheugen) Stap Actie 20 Selecteer Nee. Het volgende scherm verschijnt: Documentversie A 73 / 232

74 6 Voorbereiding voor productie (A-3.6) : Afbeelding : Thuis > (<selecteren smart camera balk>) > Menu > Productbeheer > Nieuw product > (productnaam invullen) > Enter (op het toetsenbord) > Live afbeelding > Volgende > OCV regeling (plaatsen regelvenster) > OK (instellen drempelwaarde) > OK > Ja (selecteren lettertypegeheugen) > Nee Op dit scherm ziet u de berekende positie van meetlijnen. Stap Actie 21 Druk op Volgende om het scherm af te sluiten. Na het drukken op volgende krijgt u het volgende scherm: 74 / 232 Documentversie A

75 4.10 Voorbereiding voor productie (A-3.6) 6 60: Afbeelding : Thuis > (<selecteren smart camera balk>) > Menu > Productbeheer > Nieuw product > (productnaam invullen) > Enter (op het toetsenbord) > Live afbeelding > Volgende > OCV regeling (plaatsen regelvenster) > OK (instellen drempelwaarde) > OK > Ja (selecteren lettertypegeheugen) > Nee > Volgende U kunt teruggaan naar productie of een nieuw regelvenster toevoegen. Druk op Regelvenster toevoegen om een ander regelvenster toe te voegen. U wordt omgeleid naar stap 11. Om terug te gaan naar productie sluit u het dialoogvenster Productbeheer door te drukken op x en druk op Productie bij het dialoogvenster Hoofdmenu High Resolution Camera De High Resolution Camera is bewerkbaar onder Systeeminstellingen > Apparaatinstellingen bewerken > (selecteren <megapixel camera tabblad>). Bij het tabbladmenu aan de bovenzijde kunt u schakelen tussen de schermen. Documentversie A 75 / 232

76 6 Voorbereiding voor productie (A-3.6) : Afbeelding : Systeeminstellingen > Apparaatinstellingen bewerken > (selecteren <megapixel camera tabblad>). Bewerk de instellingen bij de invoervelden en scroll down-menu's. De tabel hieronder geeft een overzicht van deze functies: Parameter Beschrijving Standaardwaarde Toegelaten waarden Naam Naam toegewezen in de apparaatbeheerinstellingen Alfanumeriek Beschrijving Optionele beschrijving - Alfanumeriek ConnWatchDogTO Aanpasbare tijd WatchDog [ms] Numeriek PLCName Selecteer geschikte waarde - Lijsten autoverifyaggunit automaticmode Mogelijkheid tot het combineren van de verificatie en inwerkingstelling tot een leesproces in de database. Wanneer automatische modus actief is, is handmatige bediening van het apparaat niet mogelijk. baudrate Baudsnelheid tussen camera en IPC Lijsten boxingrank Hiërarchieniveau (2) Pakket Lijsten comport loglevel Stelt de COM poort naar dat waar de camera aan is verbonden. Instelling van hoeveel data wordt gelogd (TRACE/DEBUG/INFO/WARN/ERROR) COM2 INFO Controlevakje Controlevakje Lijsten Lijsten Image Port voor TCPIP verbinding Numeriek Internal Formats Camera gebruikt interne opmaken Controlevakje needdeviceformat Beschrijft of het apparaat wel of niet wordt gebruikt in regelopmaak. Controlevakje 76 / 232 Documentversie A

77 4.10 Voorbereiding voor productie (A-3.6) 6 preaggregationreject Parity Eenheden die worden gescand door de aggregatielezer worden direct nadat ze zijn gelezen en verworpen gevalideerd door PLC. Standaard start het validatieproces met het sluitsignaal van de afsluitdoos (inhoudsgrootte wordt bereikt of sluitknop) RS232 waarde (EVEN/MARK/NONE/ODD/ SPACE) readermode PRINT_INSPECTION / AGGREGATE_READER / LINKING_READER / AGG_INSPECTION / LINEFORMAT Zie Smart Camera Geen AGGRAGATE_READE R Controlevakje Lijsten Lijsten StopBits RS232 waarde (1/2/3) 1 Lijsten showdeviceframe Activeert/deactiveert weergave van het apparaat in het menu overzicht Use cases voor printer/lezermodi met Chinese codering Use case 1 Modus Printer A Serienummer Printer B Helper Code Lezer A1 Serienummer Lezer B1 Helper Code Controlevakje Lezer A2 Serienummer Lezer B2 Helper Code Printer B drukt helpercodes (HC) af, lezer A2 leest extern vooraf afgedrukt Chinees serienummer (SN) en lezer B2 koppelt PLM gegenereerde HC met Chinees serienummer. Beide lezers moeten voor alle eenheden worden geactiveerd en lezer B2 activeert het genereren van een nieuwe HC in de printer B buffer. Positie- en bestelvolgorde van lezer A2 en B2 is flexibel. Goed/slecht IO signaal van lezer A2 en B2 worden samengevoegd om uit te werpen na de laatste lezerpositie. HC_ PRINTER LINKING_ READER readonly ja nee lijnopmaak (SN kartering) Use case 2 Modus R21 21 R21 LINKING_ READER Lezer A2 leest extern vooraf afgedrukt Chinees serienummer (SN) en lezer B2 koppelt extern gegenereerde HC met Chinees serienummer. Beide lezers moeten voor alle eenheden worden geactiveerd. Positie- en bestelvolgorde van lezer A2 en B2 is flexibel. Goed/slecht IO signaal van lezer A2 en B2 worden samengevoegd om uit te werpen na de laatste lezerpositie. LINKING_ READER readonly ja ja lijnopmaak (SN kartering) Use case 3 Modus 21 R21 LINKING_ READER Printer B druk helpercodes (HC) af, lezer A2 leest extern vooraf afgedrukt Chinees serienummer (SN) en lezer B2 koppelt PLM gegenereerde HC met Chinees serienummer. Lezer A3 en B2 moeten voor alle eenheden worden geactiveerd voor synchronisatie en lezer B1 activeert het genereren van een nieuwe HC in de printer B buffer. Positie- en bestelvolgorde van lezer A2 en B2 is flexibel. Goed/slecht IO signaal van lezer A2 en B2 worden samengevoegd om uit te werpen na de laatste lezerpositie. HC_ PRINTER HC_ INSPECTION LINKING_ READER readonly nee ja ja lijnopmaak (SN kartering) LINKING_ READER R21 R21 21 R21 Documentversie A 77 / 232

78 6 Voorbereiding voor productie (A-3.6) 4.10 Use case 4 Modus Printer A drukt Chinese serienummers af, printer B drukt helpercodes (HC) af, lezer A2 leest interne vooraf afgedrukt Chinees serienummer (SN) en lezer B2 koppelt PLM gegenereerde HC met Chinees serienummer. Beide lezers moeten voor alle eenheden worden geactiveerd en lezer B2 activeert het genereren van een nieuwe HC in de printer B buffer en genereert ook nieuwe serienummers in de printer A buffer. Positie- en bestelvolgorde van lezer A2 en B2 is flexibel. Goed/slecht IO signaal van lezer A2 en B2 worden samengevoegd om uit te werpen na de laatste lezerpositie. BUFFERED_PRI NTER HC_ PRINTER LINKING_ READER readonly nee nee lijnopmaak (SN kartering) Use case 5 Modus R21 LINKING_ READER Printer A drukt Chinese serienummers af, printer B drukt helpercodes (HC) af, lezer A2 leest interne vooraf afgedrukt Chinees serienummer (SN) en lezer B2 koppelt PLM gegenereerde HC met Chinees serienummer. Beide lezers moeten voor alle eenheden worden geactiveerd en lezer B1 activeert het genereren van een nieuwe HC in de printer B buffer en lezer A1 genereert nieuwe serienummers in de printer A buffer. Positie- en bestelvolgorde van lezer A2 en B2 is flexibel. Goed/slecht IO signaal van lezer A2 en B2 worden samengevoegd om uit te werpen na de laatste lezerpositie. BUFFERED_PRI NTER HC_ PRINTER PRINT_ INSPECTION HC_ INSPECTION LINKING_ READER readonly nee nee nee nee lijnopmaak (SN kartering) Handscanner (A ) 21 R21 21 R21 21 R21 LINKING_ READER De handscanner is bewerkbaar onder Systeeminstellingen > Apparaatinstellingen bewerken > (selecteren <handscanner tabblad>). Bij het tabbladmenu aan de bovenzijde kunt u schakelen tussen de schermen. 62: Afbeelding : Systeeminstellingen > Apparaatinstellingen bewerken > (Selecteren <handscanner tabblad>). 78 / 232 Documentversie A

79 4.10 Voorbereiding voor productie (A-3.6) 6 Bewerk de instellingen bij de invoervelden en scroll down-menu's. De tabel hieronder geeft een overzicht van deze functies: Parameter Beschrijving Standaardwaarde Toegelaten waarden Naam Naam toegewezen in de apparaatbeheerinstellingen - Alfanumeriek Beschrijving Optionele beschrijving - Alfanumeriek autoverifyaggunit automaticmode Mogelijkheid tot het combineren van de verificatie en inwerkingstelling tot een leesproces in de database. Wanneer automatische modus actief is, is handmatige bediening van het apparaat niet mogelijk. baudrate Baudsnelheid tussen camera en IPC Lijsten boxingrank Hiërarchieniveau (0) Algemeen Lijsten comport loglevel commandtimeout debugmode Beschrijft de COM-poort op welke de scanner is aangesloten Instelling van hoeveel data wordt gelogd (TRACE/DEBUG/INFO/WARN/ERROR) Possibility of blending in/out the button Debug Console. Het debugoppervlak maakt de analyse van ingelezen codes mogelijk. COM2 INFO Controlevakje Controlevakje Lijsten Lijsten 30 Numeriek Controlevakje needdeviceformat Momenteel geen betekenis Controlevakje Na deze tijd [s] reset de scanner het commando preaggregationreject readermode showdeviceframe Controleweger Eenheden die worden gescand door de aggregatielezer worden direct nadat ze zijn gelezen en verworpen gevalideerd door PLC. Standaard start het validatieproces met het sluitsignaal van de afsluitdoos (inhoudsgrootte wordt bereikt of sluitknop) PRINT_INSPECTION AGGREGATE_READER LINKING_READER AGG_INSPECTION LINEFORMAT Zie Smart Camera Activeert/deactiveert weergave van het apparaat in het menu overzicht. PRINT_INSPECTION Controlevakje Lijsten Controlevakje De controleweger is bewerkbaar onder Systeeminstellingen > Apparaatinstellingen bewerken > (selecteren <controleweger tabblad>). Bij het tabbladmenu aan de bovenzijde kunt u schakelen tussen de schermen. Documentversie A 79 / 232

80 6 Voorbereiding voor productie (A-3.6) : Afbeelding : Systeeminstellingen > Apparaatinstellingen bewerken > (Selecteren <controleweger tabblad>) Bewerk de instellingen bij de invoervelden en scroll down-menu's. De tabel hieronder geeft een overzicht van deze functies: Parameter Beschrijving Standaardwaarde Toegelaten waarden Beschrijving Optionele beschrijving - Alfanumeriek UseArticleID automaticmode Informatie over het gebruik van artikel ID of artikelnaam in regelopmaak Moet altijd worden ingesteld (Controlevinkje). boxingrank Hiërarchieniveau (0) Algemeen Lijsten Controlevakje Controlevakje errorport Verbinding aan foutrapportdient Numeriek InternalFormats De scanner gebruikt interne opmaken Controlevakje ip Controleweger IP adres - Geldig IP adres loglevel NeedDeviceFormat Instelling van hoeveel data wordt gelogd (TRACE/DEBUG/INFO/WARN/ERROR) Gebruik van regelopmaak in geval van controlevinkje INFO Lijsten Controlevakje port XML poort voor communicatie Numeriek vncenable vncpassword Met HC controleweger altijd uit, met HC Avantgarde controleweger altijd aan Wachtwoord voor HC Avantgarde controleweger - Controlevakje - Alfanumeriek vncport Standaard poort voor VNC verbinding 5900 Numeriek showdeviceframe Activeert/deactiveert weergave van het apparaat in het menu overzicht. Controlevakje 80 / 232 Documentversie A

81 4.10 Voorbereiding voor productie (A-3.6) UPS De UPS is bewerkbaar onder Systeeminstellingen > Apparaatinstellingen bewerken > (Selecteren <UPS tabblad>). Bij het tabbladmenu aan de bovenzijde kunt u schakelen tussen de schermen. 64: Afbeelding : Systeeminstellingen > Apparaatinstellingen bewerken > (Selecteren <UPS tabblad>) Bewerk de instellingen bij de invoervelden en scroll down-menu's. De tabel hieronder geeft een overzicht van deze functies: Parameter Beschrijving Standaardwaarde Toegelaten waarden Naam Naam toegewezen in de apparaatbeheerinstellingen - Alfanumeriek Beschrijving Optionele beschrijving - Alfanumeriek boxing Rank Hiërarchieniveau (rang) (0) Algemeen Lijsten comport loglevel shutdown showdeviceframe Beschrijft de COM-poort op welke het apparaat is aangesloten. (COM1 COM30/USB) Instelling van hoeveel data wordt gelogd (TRACE/DEBUG/INFO/WARN/ERROR) Stelt vast of de pc bij een stroomstoring moet worden afgesloten. Activeert/deactiveert weergave van het apparaat in het menu overzicht. - Lijsten INFO Lijsten Controlevakje Controlevakje Documentversie A 81 / 232

82 6 Voorbereiding voor productie (A-3.6) Comparator VGL7/VGL8 De Comparator is bewerkbaar onder Systeeminstellingen > Apparaatinstellingen bewerken > (Selecteren <Comparator VGL7/VGL8> tabblad). Bij het tabbladmenu aan de bovenzijde kunt u schakelen tussen de schermen. 65: Afbeelding : Systeeminstellingen > Apparaatinstellingen bewerken > (Selecteren Comparator VCL7/VGL8 tabblad) Bewerk de instellingen bij de invoervelden en scroll down-menu's. De tabel hieronder geeft een overzicht van deze functies: Parameter Beschrijving Standaardwaarde Toegelaten waarden Beschrijving Optionele beschrijving - Alfanumeriek PLCName Naam van comparator (PLC) - Lijsten autoverifyaggunit automaticmode Mogelijkheid tot het combineren van de verificatie en inwerkingstelling tot een leesproces in de database. Wanneer automatische modus actief is, is handmatige bediening van het apparaat niet mogelijk. boxingrank Hiërarchieniveau (1) Eenheid Lijsten connectgui Verbinding tussen Pilot Line Manager en comparator Controlevakje Controlevakje Controlevakje ip IP adres opgeslagen in de comparator - Geldig IP adres loglevel needdeviceformat Instelling van hoeveel data wordt gelogd (TRACE/DEBUG/INFO/WARN/ERROR) Beschrijft of het apparaat wel of niet wordt gebruikt in regelopmaak. INFO Lijsten Controlevakje 82 / 232 Documentversie A

83 4.10 Voorbereiding voor productie (A-3.6) 6 readermode PRINT_INSPECTION AGGREGATE_READER PRINT_INSPECTION Lijsten LINKING_READER AGG_INSPECTION LINEFORMAT Zie Smart Camera usewildcards Mogelijkheid tot gebruik van Wildcards bij invoer van referentiecodes. Controlevakje showdeviceframe Activeert/deactiveert weergave van het apparaat in het menu overzicht. Controlevakje RFID Hier is het RFID-menu afgebeeld. 66: Afbeelding : Thuis > RFID lezer Bij het RFID-menu heeft u de volgende opties: EPC-historie weergeven: Geef de metingen weer van de elektronische programmacode (EPC). Ruisniveau: Geeft het ruisniveau weer van de RFID-lezer. Debugconsole weergeven: De debugconsole moet worden geactiveerd binnen de instellingen van het apparaat. Het mag alleen om debugredenen worden geactiveerd! Documentversie A 83 / 232

84 6 Voorbereiding voor productie (A-3.6) EPC-historie weergeven 67: Afbeelding : Thuis > RFID lezer > EPC historie weergeven Tijd: Tijd van de scan UID: Serienummer van de transponder EPC: Hexcode van serienummer en GTIN GS1 gegevens: GS1 gegevens lezen - (01) GTIN; (21) serienummer De laatste 1000 metingen worden opgeslagen. 84 / 232 Documentversie A

85 4.10 Voorbereiding voor productie (A-3.6) Ruisniveau 68: Afbeelding : Thuis > RFID lezer > Ruisniveau Het menu helpt de antenne te plaatsen. Het ruisniveau voor de Feig-lezer moet binnen binnen mv zijn. Start/Stop: Start/Stop van de opname. Documentversie A 85 / 232

86 6 Voorbereiding voor productie (A-3.6) Debugconsole weergeven 69: Afbeelding : Thuis > RFID lezer > Debugconsole Het menu toont het logboekbestand met alle communicatiegegevens. Als u op de knop Uitgebreid, drukt, wordt het volgende menu weergegeven: 70: Afbeelding : Thuis > RFID lezer > Debugconsole > Uitgebreid Haal timer op: Systeemtijd van RFID-lezer. Haal rapport op: Statusrapport van RFID-lezer (zie documentatie van Feig voor verdere informatie). 86 / 232 Documentversie A

87 4.10 Voorbereiding voor productie (A-3.6) 6 Uit 1 (1sec.): Apparatuuruitvoer 1 actief voor 1 seconde. Uit 2 (1sec.): Apparatuuruitvoer 2 actief voor 1 seconde. Int1 toestand: Toon apparatuurinvoer 1. Int2 toestand: Toon apparatuurinvoer 2. Buffer aan: Activeer bufferleesmodus. Buffer uit: Deactiveer bufferleesmodus. Vermelding aan: Transmissie van de leesgegevens zonder buffering aan. Vermelding uit: Transmissie van de leesgegevens zonder buffering uit. 6.3 Configureren van IP-adressen Dit hoofdstuk beschrijft de toewijzing van IP-adressen aan stations en apparaten voor communicatie tussen apparaten en de PLM. Alle besturingssystemen (DMS, ABS, SCS en MAS indien beschikbaar) hebben een eigen IP-adres nodig bij de lijn. Ook hebben alle volgende apparaten een IP-adres nodig: Printers Camera's Handscanner Controleweger UPS Comparator VGL7/VGL8 PLC Com-interfaces Servers Ten eerste moet u de IP-adressen toewijzen bij elk besturingssysteem van de PC's van het station en daarna moet u de IP-adressen van het apparaat toewijzen bij de apparaatinstellingen bij de PLM Toewijzen van IP-adressen Om de IP-adressen toe te wijzen bij het voorgeïnstalleerde Windows XP OS neemt u het volgende pad: Druk op Start > Instellen van netwerkverbindingen > extern (intern wordt gebruikt van pce voor configuratie) > Eigenschappen > (Internetprotocol [TCP/IP] selecteren) > Eigenschappen > Geavanceerd > toevoegen. Bij dit dialoogvenster kunt u extra IP-adressen toevoegen. We raden het toewijzen van IP-adressen aan, zoals is beschreven in het corresponderende bedradingsdiagram en hieronder is beschreven. Deze conventie helpt het direct herkennen van de IP-adressen. De toewijzing werkt zoals hieronder is beschreven Interne besturing op afstand Bij een lijn kunnen de PC's van alle stations een enkele PLM aansturen (Let op: dit is niet van toepassing in master/slave-modus, maar de toewijzing van het IP-adres zal hetzelfde zijn). De derde byte bij de DMS IP correspondeert met de derde IP-bytes van de andere stations. Dit maakt het mogelijk om de PLM met alle interfaces bij de lijn te bedienen. Voor IP's van apparaten werkt dit op dezelfde manier Voorbeeld van IP-toewijzing Het hoofdstuk toont onze aanbeveling voor het toewijzen van IP-adressen. Voor apparaat-ip's raden we het gebruik aan van de volgende bereiken bij de 4.byte: Documentversie A 87 / 232

88 6 Voorbereiding voor productie (A-3.6) 4.10 Printers van tot 239 COM servers van tot 249 PLCs 250 Camera's, comparators van tot 229 Elk station krijgt een IP-adres voor zijn PC en extra IP-adressen voor zijn apparaten (a). De DMS krijgt extra IP-adresen voor de link naar de andere stations bij de lijn. Bij deze IP-adressen is de 3.byte hetzelfde als de 3.byte van de corresponderende stations (b). Adrestoewijzing voor printers en com-servers De apparaten moeten worden onderscheiden door de 4.byte. Start met de kleinste waarde voor het eerste apparaat (bijv. 230 voor printers) en verhoog het met een voor het volgende apparaat. Herhaal dit voor elke rang. Zie het volgende voorbeeld. 88 / 232 Documentversie A

89 4.10 Voorbereiding voor productie (A-3.6) 6 Adrestoewijzing voor camera's en comparators Camera's en comparators moeten specifiek worden behandeld. De reden is dat de software-interface apparaten alleen kan identificeren met het 4.byte. Dus de 4.byte van camera's en comparators van de hele lijn moet uniek zijn. We raden aan om de IP-adressen toe te wijzen zoals in het volgende voorbeeld: De apparaten moeten worden onderscheiden door de 4.byte. Start vanaf 215 en verhoog met een voor elk apparaat in de lijn. Documentversie A 89 / 232

90 6 Voorbereiding voor productie (A-3.6) COM interface-ip's Een speciaal geval met betrekking tot IP-adressen zijn apparaten met Com-Port interfaces (bijv. RS232). Deze zijn verbonden via een com-server. Alle apparaten die zijn verbonden aan een com-server gebruiken dezelfde IP-adressen en worden onderscheiden door hun poort. De IP-adrestoewijzing of de poorttoewijzing moeten respectievelijk worden gedaan bij de W&T Comport Redirector software. Zie voor meer informatie over de software de corresponderende handleiding of de helpfunctie binnen het programma. De volgende tabel toont een voorbeeld van de COM-Ports toewijzing: Apparaattype Naam IP-Address Port Beschrijving COM-poort (Met een poort) COM-poort (Met drie poorten) COM-poort (Met drie poorten) COM SCS- COM SCS-Handscanner COM (SCS vrije poort) COM (SCS vrije poort) COM MAS-Handscanner COM (MAS-poort) COM MAS-Handscanner We bevelen aan om de COM-poortnamen te starten vanaf 10 (COM10...) Invoeren van IP-adressen bij de apparaten Na het toewijzen van de IP's bij de PC's van de stations, moeten de IP-adressen worden ingevoerd bij het dialoogvenster apparaatinstellingen. 90 / 232 Documentversie A

91 4.10 Productie (A-3.7) 7 7 Productie (A-3.7) Uit het productiescherm moeten alle instellingen met betrekking tot de productie worden gedaan. Ook wordt de productie zelf vanaf hier gestart en bediend. Let op Maak vóór het bewerken van productie-instellingen de apparaten aan Voor het bewerken van de productie-instellingen moeten alle apparaten zijn aangemaakt (Zie hoofdstuk 6.2 [} 36]). 7.1 Scherm met productie-instellingen Om het scherm Productie instellinge te openen drukt u op Productie bij het menupaneel aan de rechterzijde van het scherm. Het volgende scherm verschijnt: 71: 71 Afbeelding: Productie Afhankelijk van de respectieve gebruikersrechten, zijn de volgende handelingen beschikbaar vanaf hier: Naam Productie via een opdracht starten Testrun via lijnenopmaak Opdracht toevoegen/bewerken Lijnenopmaak toevoegen/bewerken Product creëren/bewerken Opdrachtresultaten genereren rapport AI beheer Orderstatus herstellen Beweeg order naar regel Serienummers verplaatsen naar order Functie Kies een order en start de productie Kies een lijnopmaak en start een testrun Een order toevoegen of bewerken Een lijnopmaak toevoegen of bewerken Een product aanmaken of bewerken Een rapport van orderresultaten aanmaken AI-beheergegevens inschakelen/uitschakelen Herstel de status van een order Verplaats order om het bij een andere lijn te produceren Verplaatst ongebruikte serienummers naar een andere order Documentversie A 91 / 232

92 7 Productie (A-3.7) Lijnenopmaak (A-3.7.2) De lijnopmaak bevat de instellingen voor alle gebruikte apparaten bij een lijn. Hier worden de velden en toegestane waarden van elk apparaat gedefinieerd. Zorg er voor het instellen van een lijnopmaak voor dat: cameraopmaken worden gecreëerd een afdrukopmaak wordt gecreëerd Let op: Voor High Resolution Camera wordt een standaardopmaak gebruikt. Open: Geeft een HTML-weergave van het gegenereerde rapport Instellingsprocedure voor lijnopmaak Bij de instelling van een lijnopmaak moet u de volgende stappen uitvoeren: Stap Actie Uitleg 1 Lijnenopmaak toevoegen Zie hoofdstuk [} 92] 2 Lijnenopmaak toevoegen Zie hoofdstuk [} 92] 3 Apparaatinstellingen bewerken bij lijnopmaak Het scherm toevoegen/bewerken lijnopmaak Zie hoofdstuk [} 94] Om een lijnopmaak te creëren of te bewerken drukt u op Productie > Toevoegen/Bewerken lijnopmaak om her scherm Toevoegen/Bewerken lijnopmaak te krijgen. Het scherm ziet er als volgt uit: 72: Afbeelding : Productie > Lijnenopmaak toevoegen/bewerken De lijst aan de rechterzijde van het scherm toont alle bestaande lijnopmaken. Selecteer een lijnopmaak om het weer te geven of te wijzigen. Verwerking is alleen mogelijk, wanneer het geselecteerde lijnenopmaak niet aan een onderbroken opdracht is gekoppeld Creëren van een nieuwe lijnopmaak Druk op Toevoegen om een nieuwe lijnopmaak te creëren. Het scherm ziet er als volgt uit: 92 / 232 Documentversie A

93 4.10 Productie (A-3.7) 7 73: Afbeelding : Productie > Toevoegen/bewerken lijnopmaak > Toevoegen Vul een unieke naam in voor de nieuwe opmaak en druk op opslaan. Een aanvullende beschrijving is optioneel. Druk op Opslaan om het de nieuwe lijnopmaak te creëren. U kunt ook een lijnopmaak kopiëren en die instellingen gebruiken voor een nieuwe lijnopmaak. Om te kopiëren, selecteert u de lijnopmaak die u wilt vanuit de lijst en drukt u op de kopieerknop (zie scherm in hoofdstuk [} 92]), wijzigt de naam en de instellingen en drukt u op Opslaan. Bij het scherm Toevoegen/bewerken lijnopmaak kunt u de volgende velden bewerken: Naam Lijnenopmaak Lijnopm. beschr. Datum laatst gewijzigd Product Productbeschr Lijnenopmaak toevoegen Functie Voer de naam in van de nieuwe lijnopmaak Hier kunt u extra informatie invoeren over de lijnopmaak Toont de laatste wijzigingsdatum Selecteer de corresponderende productnaam Extra informatie over het product Om een lijnopmaak te bewerken drukt u op Productie > Toevoegen/Bewerken lijnopmaak om het scherm Toevoegen/Bewerken lijnopmaak te krijgen. Selecteer een bestaande lijstopmaak uit de lijst om te bewerken. U kunt de lijnopmaakinformatie bewerken zoals is beschreven in hoofdstuk [} 92]. Het scherm ziet er als volgt uit: Documentversie A 93 / 232

94 7 Productie (A-3.7) : Afbeelding : Productie > Lijnenopmaak toevoegen/bewerken Apparaatinstellingen bewerken bij lijnopmaak (A ) Bij de lijnopmaak moet u bepalen welke velden/variabelen van een apparaat bij de lijn moeten worden gebruikt. De velden worden gedefinieerd door het laden van een apparaatopmaak. De parameters kunnen worden bewerkt. Let op Maak vóór het bewerken van opmaken de apparaten aan Apparaten moeten worden bewerkt voordat u de opmaken kunt instellen (Zie hoofdstuk 6.2 [} 36]). Sommige apparaten beheren hun opmaken zelf; dit betekent dat het bewerken van die apparaten niet wordt gedaan bij de lijnopmaak. Het pad voor het wijzigen van de instellingen voor deze apparaten is zoals beschreven in de volgende tabel: Naam SMC PLC Functie Bij de monitor van het station waar de is is geïnstalleerd schakelt u van PLM narhrc-ai software met de schakelknop. Bij de PLM gaat u naar het Thuis scherm en selecteert usmc. Druk op Systeeminstellingen > Apparaatinstellingen bewerken Apparaten die hun opmaken zelf beheren hebben geen mogelijkheid om de opmaken in de PLM te laden maar moeten worden geactiveerd (zie hieronder). Let op Apparaat activeren Om een apparaat bij een lijnopmaak te gebruiken is het essentieel om een vinkje in te stellen bij het "geactiveerde" selectievakje, een naam in te vullen voor het apparaat en de variabelen in te stellen. 94 / 232 Documentversie A

95 4.10 Productie (A-3.7) 7 Plaats een vinkje bij het "geactiveerde" selectievakje, vul een naam in voor het apparaat en stel de variabelen in. Selecteer de gewenste lijnopmaak uit de lijst (zie hoofdstuk [} 92]) en druk op Apparaten. Het volgende scherm verschijnt: 75: Afbeelding : Productie > Toevoegen/bewerken lijnopmaak > Apparaten Voor elk gebruikt apparaat moet u de volgende stappen uitvoeren (zie ook bij het volgende scherm): Stap Beschrijving Uitleg 1 Selecteer een apparaat Uit het tabbladmenu op het bovenframe van het scherm. U ziet een tabblad voor elk eerder gecreëerd apparaat. 2 Plaats een vinkje bij het Geactiveerde selectievakje. Als het vinkje is geplaatst, kan het apparaat in de lijn worden gebruikt. 3 Druk op opmaken laden Laad de apparaatopmaken die zijn opgeslagen op de camera's, printers en mogelijke andere aan de Pilot Line Manager gekoppelde apparaten. 4 Selecteer de gewenste apparaatopmaak die u wilt gebruiken bij de regelopmaak. 5 Druk op velden laden om de voorgeconfigureerde instellingen van de geselecteerde apparaatopmaak te laden. Uit de lijst. Mogelijke parameters worden opgehaald van de geselecteerde opmaken. De codetypes (bijv. DMX, GTIN of CIP) worden geladen in de linker kolom. De opmaken van de identificatienummers, respectievelijk de waardebereiken van andere variabelen worden geladen in de rechter kolom. Type en aantal getoonde parameters zijn afhankelijk van de camerainstellingen. De figuur hieronder toont de apparaatinstellingen bij de lijnopmaak van een Smart Camera: Documentversie A 95 / 232

96 7 Productie (A-3.7) : Afbeelding : Productie > Toevoegen/bewerken lijnopmaak > Apparaten > Opmaken laden 'Alleen-lezen': Deze functie wordt bijvoorbeeld gebruikt als u een batch artikelen heeft die al zijn afgedrukt. De productie is gestopt en nu moeten de artikelen verder worden verwerkt. De serienummers bestaan nog niet bij de database. Daarna hoeven de serienummers alleen te worden gelezen en te worden opgeslagen in de database. Voor regelmatige serialisatie wordt deze functie gedeactiveerd. Parametervoorvoegsels Alle parameters met ## (dubbele hekjes) ervoor zijn voor codes: (##) DMX (##BC) STREEPJESCODE 128 (##HR) LEESBAAR VOOR MENSEN (##RF) RFID EPC Bij hun velden moet u de inhoud invoeren die de code moet bevatten. Bijv.: Bij het veld 'DM0' selecteert u (##DMX). Vul de AI's in, gescheiden door een koppelteken. Voorbeeld: AI's die in de DMX-code moeten worden ingebed GTIN (01); SERIAL(21); USE BY OR EXPIRY(17); BATCH/LOT(10) Invullen in het DM0-veld Bij de parametervelden in de linker rij selecteert u het veldinhoudtype. In de rechter rij definieert u de veldinhoudopmaak. De codering verwijst naar de GS1-norm. Alle parameters met X ervoor zijn wildcardvelden voor door mensen leesbare tekst. Hier kunt u tekst invullen om af te drukken op de eenheid. Bij het veld Beschrijving kunt u informatie toevoegen over de speciale configuratie van het apparaat in deze lijnopmaak. 96 / 232 Documentversie A

97 4.10 Productie (A-3.7) 7 Let op De instellingen opslaan Klik na het afsluiten van de opmaakinstellingen op Opslaan Apparaatinstellingen bij lijnopmaak - PLC 77: Afbeelding : Productie > Toevoegen/Bewerken lijnopmaak > Apparaten > (PLC tabblad) Voor de PLC zijn er geen voorgedefinieerde apparaatopmaken om te laden. De apparaatopmaak wordt gecreëerd door de naam van de apparaatopmaak te typen in het veld 'Naam'. Vul de naam voor de apparaatopmaak in en druk op Opslaan. De parametervelden verschijnen. Nu kunt u de instellingen van de PLC bewerken, daarna drukt u op Opslaan. Welke parametervelden verschijnen bij het PLC-tabblad is afhankelijk van de systeeminstellingen van de PLC (Zie hoofdstuk 6.2.6). Frequent gebruikte parameters zijn: Bandsnelheid: Snelheid van de transportband in m/min Camera 1 verplaatsing: Camera inspectiegebied. Startwaarde: 0 mm Waarde verhogen: Aanpassing van het inspectiegebied in looprichting Waarde verminderen: Aanpassing van het inspectiegebied tegen de looprichting Printer 1 verplaatsing: Afdrukgebied. Startwaarde: 0 mm Waarde verhogen: Aanpassing van het inspectiegebied in looprichting Waarde verminderen: Aanpassing van het inspectiegebied tegen de looprichting Productbreedte: Productlengte van de zijde die is gericht bij de printkop in mm Productbreedte tolerantie: Toegestane tolerantie van de productlengte in mm Apparaatinstellingen bij lijnopmaak - Smart Camera Het scherm en de tabel hieronder tonen de instellingsopties voor de Smart Camera bij de lijnopmaak. Bij de parameterinstellingen zijn de af te drukken velden gedefinieerd. Documentversie A 97 / 232

98 7 Productie (A-3.7) : Afbeelding : Productie > Toevoegen/bewerken lijnopmaak > Apparaten > (Smart Camera tabblad) Voer de stappen uit zoals is beschreven in hoofdstuk [} 94]. De beschikbare parameters zijn afhankelijk van de geselecteerde vooraf geconfigureerde opmaak. Frequent gebruikte parameters zijn: Parameter Kolom 1 Kolom 2 DMO Type van de gegevensmatrixcode Opmaak van de gegevensmatrixcode OCV Type van de normale tekstverificatie Opmaak van de normale tekstverificatie Code Streepjescode type Opmaak van de streepjescode Pix Zonder betekenis Zonder betekenis Apparaatinstellingen bij lijnopmaak - High Resolution Camera Het scherm en de tabel hieronder tonen de instellingsopties voor de High Resolution Camera bij de lijnopmaak. 98 / 232 Documentversie A

99 4.10 Productie (A-3.7) 7 79: Afbeelding : Productie > Toevoegen/bewerken lijnopmaak > Apparaten > (Megapixel Camera tabblad) Voer de stappen uit zoals is beschreven in hoofdstuk [} 94]. De beschikbare parameters zijn afhankelijk van de geselecteerde vooraf geconfigureerde opmaak. Frequent gebruikte parameters zijn: Parameter Kolom 1 Kolom 2 ContentSize Toepassingsidentificator 37, het aantal inbegrepen Aantal dozen per bundel of karton eenheden, automatisch gegenereerd veld in lezer met rang > 1 boxheight Zonder betekenis Doos-lengte dwars op de beweegrichting [mm] boxwidth bundleheight bundlewidth Apparaatinstellingen bij lijnopmaak - Comparator 7/8 Doos-lengte in de beweegrichting [mm] Bundel-lengte dwars op de beweegrichting [mm] Bundel-lengte in de beweegrichting [mm] Het scherm en de tabel hieronder tonen de instellingsopties voor de Comparator 7/8 bij de lijnopmaak. Documentversie A 99 / 232

100 7 Productie (A-3.7) : Afbeelding : Productie > Toevoegen/bewerken lijnopmaak > Apparaten > (Comparator 7/8 tabblad) Voer de stappen uit zoals is beschreven in hoofdstuk [} 94]. De beschikbare parameters zijn afhankelijk van de geselecteerde vooraf geconfigureerde opmaak. Frequent gebruikte parameters zijn: Parameter Reading type Betekenis Codetype refcode Codetype (Kolom 1) Codeopmaak (Kolom 2) Apparaatinstellingen bij lijnopmaak - Handscanner Het scherm en de tabel hieronder tonen de instellingsopties voor de handscanner bij de lijnopmaak. 100 / 232 Documentversie A

101 4.10 Productie (A-3.7) 7 81: Afbeelding : Productie > toevoegen/bewerken lijnopmaak > Apparaten > (Handscanner tabblad) Voer de stappen uit zoals is beschreven in hoofdstuk [} 94]. De volgende tabel beschrijft de mogelijke AI-veldselecties: Parameter Reading Mode ContentSize Betekenis Apparaatinstellingen bij lijnopmaak - Wolke Printer STREAM_MODE: De lezer is aan en leest elke code in het leesbereik. TRIGGER_MODE: De handscanner leest alleen nadat de inschakelingstoets is ingedrukt. Toepassingsidentificator 37, het aantal inbegrepen eenheden, automatisch gegenereerd veld in lezer met rang > 1 Het scherm en de tabel hieronder tonen de instellingsopties voor de Wolke Printer bij de lijnopmaak. Documentversie A 101 / 232

102 7 Productie (A-3.7) : Afbeelding : Productie > Toevoegen/bewerken lijnopmaak > Apparaten > (Wolke Printer tabblad) Voer de stappen uit zoals is beschreven in hoofdstuk [} 94]. De beschikbare parameters hangen af van de geselecteerde lijnopmaak. Frequent gebruikte parameters zijn: Parameter Kolom 1 Kolom 2 DMX Gegevensmatrix-codetype Gegevensmatrixcode EXP Vervaldatumtype Vervaldatumopmaak GTIN GTIN nummertype GTIN nummeropmaak LOT Type lading Ladingopmaak SN Serienummertype SerialnummeropmaakLengte serienummer Apparaatinstellingen bij lijnopmaak - Zebra Printer Het scherm en de tabel hieronder tonen de instellingsopties voor de Zebra Printer bij de lijnopmaak. 102 / 232 Documentversie A

103 4.10 Productie (A-3.7) 7 83: Afbeelding : Productie > Toevoegen/bewerken lijnopmaak > Apparaten > (Zebra Printer tabblad) Voer de stappen uit zoals is beschreven in hoofdstuk [} 94]. De beschikbare parameters zijn afhankelijk van de geselecteerde vooraf geconfigureerde opmaak. Frequent gebruikte parameters zijn: Parameter (Veldnaam gedefinieerd bij label) Kolom 1 Kolom 2 FN Veldnummertype Veldnummeropmaak Rapport regelopmaak (A ) Een lijnopmaakrapport bevat alle instellingen van de lijnopmaak die de apparaatinstellingen bevat. Om een lijnopmaakrapport aan te maken gaat u naar het schermtoevoegen/bewerken lijnopmaak (zie hoofdstuk [} 92]) en selecteert u een bestaande lijnopmaak uit de lijst om te bewerken. Druk op PDF rapport om een lijnopmaakrapport te genereren. Documentversie A 103 / 232

104 7 Productie (A-3.7) : Afbeelding : Productie > Lijnopmaak toevoegen/bewerken > PDF rapport Kies een aangepast rapportsjabloon bij het veld Ontwerp. Bij het veld 'Opmaak' kunnen verschillende uitvoeropmaken worden geselecteerd. Dit rapport bevat alle relevante gegevens van de lijnopmaak. Het rapport wordt digitaal ondertekend en kan worden gearchiveerd (aangepast) of direct worden afgedrukt. 7.3 Productbeheer (A-3.7.3) Een product bij de PLM is een set informatie over een product dat kan worden toegewezen aan een lijnopmaak of naar een order bijv. GTIN, hoeveelheid, bundelgrootte, doosgrootte, palletgrootte. De waarden van het product worden daarna gevuld in de velden van de lijnopmaak/order. De mogelijkheid om de inhoud van de variabelen te hergebruiken voorkomt dat het bij het aanmaken van elke order opnieuw moet worden ingevuld. De AI-waarden worden daarna overgedragen in de velden van de order. Het aanmaken van een product is niet essentieel, maar optioneel. De instellingen voor productbeheer bij de PLM zijn gelijk aan de instellingen bij de PSM. Ze gebruiken dezelfde producten en deze kunnen worden gecreëerd en of bewerkt bij beide systemen Het scherm productbeheer Om naar het scherm productbeheer te gaan drukt u op Productie > Toevoegen/bewerken product. Het volgende scherm verschijnt: 104 / 232 Documentversie A

105 4.10 Productie (A-3.7) 7 85: Afbeelding : Productie > Toevoegen/bewerken product De lijst aan de rechterzijde van het scherm toont alle bestaande producten. Selecteer een product om het weer te geven of te wijzigen. Met de knoppen bij het onderste deel van het scherm kunt u de corresponderende functies oproepen zoals deze zijn beschreven in de volgende hoofdstukken. De tabel hieronder geeft een overzicht van deze functies: Naam Verwijderen Filter inschakelen Details Toevoegen Functie Verwijder een bestaand product Gebruik zoekfilter om te filteren op productnaam Stel de productspecifieke inhoud in van waarden die door de camera worden gelezen. Creëren van een nieuw product Creëren en verwijderen van een product Om een product te creëren bij het scherm productbeheer (zie hoofdstuk [} 104]) druk op Toevoegen en typ een naam bij het veld 'Product' en druk op Opslaan. U kunt een beschrijving van het product toevoegen bij het veld 'Productbeschr.'. Bevestig door te drukken op Opslaan. Om een product te verwijderen drukt u op Verwijderen in plaats van Toevoege Toevoegen en verwijderen van applicatie-id's bij een product. Om applicatie-id's bij een product toe te voegen of te verwijderen gaat u naar het productbeheer(zie hoofdstuk [} 104]) en selecteert u een product uit de lijst. Druk op Details. Het volgende scherm verschijnt: Documentversie A 105 / 232

106 7 Productie (A-3.7) : Afbeelding : Productie > Toevoegen/bewerken product > (selecteren product) Details Bij dit scherm ziet u alle applicatie-id's die zijn gedefinieerd bij het product (indien van toepassing). Druk op Toevoegen om een nieuwe ID voor het product te definiëren. Het volgende dialoogvenster verschijnt: 87: Afbeelding : Afbeelding : Productie > Toevoegen/bewerken product > (selecteren product) Details > Toevoegen 106 / 232 Documentversie A

107 4.10 Productie (A-3.7) 7 Nu kunt u een nieuw productveld definiëren. Voor het productveld kunt u de volgende waarden definiëren: Veld Uitleg In dit voorbeeld 'Rang' Hier definieert u voor welke rang het veld geldig is. 0 = Globaal -> van toepassing voor alle rangen 1-4 = eenheid, bundel, doos, pallet 5-x = extra rangen -> lijnspecifiek App. ID Hier definieert u welk ID-type het veld is. GTIN Opmaak Hier definieert u welke opmaak de ID heeft. Rang1: DMS GTIN heeft altijd een 14-cijferig getal, Druk op OK om het nieuwe productveld te creëren. Bij het volgende scherm dat verschijnt kunt u de gecreëerde applicatie-id kiezen en de waarde van het ID bewerken. (In dit voorbeeld is dit de GTIN die moet worden in gevuld in het veld 'Waarde'). 88: Afbeelding : Productie > Toevoegen/bewerken product > (selecteren product) Details > Toevoegen > Ok 7.4 Orderbeheer (A-3.7.4) Een order bij de PLM bevat informatie over de order en de AI-waarden worden toegewezen Laden van een order via de handscanner Als u een bestaande order wilt hergebruiken dan kunt u filteren voor die order door de corresponderende streepjescode te scannen. Activeer het zoekfilter door te drukken op Filter inschakelen. Plaats de cursor in het 'zoek' veld. U heeft daarna de volgende mogelijkheden: Scannen van een eerder geproduceerde streepjescode van de order Scannen van een code die het ordernummer bevat. Deze code kan online worden aangemaakt via een gewone codecreatie-website. Documentversie A 107 / 232

108 7 Productie (A-3.7) Toevoegen en bewerken van orders Om een order bruikbaar te maken moet u een lijnopmaak toewijzen aan de order. Als u een lijnopmaak aan een order heeft toegewezen, gebruikt de order de instellingen van de lijnopmaak. Selectie van een product U kunt daarnaast een product selecteren. Als u een product selecteert bij het orderbeheerscherm, zullen de AI-instellingen van de lijnopmaak worden overschreven en gebruikt bij de order, maar niet worden opgeslagen naar de lijnopmaak. Selecteer enkel een product als u de apparaatinstellingen van een lijnopmaak wilt gebruiken in combinatie met een order die niet aan de lijn is toegewezen. Dit zou logisch kunnen zijn als u niet in een andere lijnopmaak wilt opslaan. Om een nieuwe order toe te voegen of te bewerken drukt u op Productie > Toevoegen/bewerken order. Het volgende scherm verschijnt: 89: Afbeelding : Productie > Toevoegen/bewerken order De lijst aan de rechterzijde van het scherm toont alle orders die nog open zijn en nog niet zijn afgerond Toevoegen van een nieuwe order Om een order te produceren moet het worden "gecreëerd in de PLM". Druk op Productie > Toevoegen/Bewerken order. Als er orders zijn die nog niet zijn toegewezen, zijn deze afgebeeld in de lijst aan de rechterzijde van het scherm. Selecteer er een van om hem te gebruiken. Als u een nieuwe order wilt creëren drukt u op Toevoegen, schrijft u het nummer in het veld 'Order#' en bevestigt met OK. De nieuwe order is nu gecreëerd. Om instellingen voor de order te bewerken ziet u hoofdstuk [} 108]. 108 / 232 Documentversie A

109 4.10 Productie (A-3.7) 7 Let op Bestaande productiedata kunnen hergebruikt worden Het systeem accepteert geen dubbele nummers. Om het gebruik te vereenvoudigen is het echter mogelijk de productiedatum van een al bestaande, echter nog niet uitgevoerde opdracht te gebruiken of handmatig in te voeren Bewerken van een order Om een order te bewerken drukt u op Productie > Toevoegen/bewerken order.bij dit scherm (zie onderstaand figuur) kunt u een order uit de lijst selecteren en zijn instellingen wijzigen. U kunt de invoeren filteren door het zoekfilter te wijzigen. Activeer het zoekfilter door te drukken op Filter inschakelen. Typ nu het nummer in van de order waar u op zoekt. Om het filter uit te schakelen druk u op Filter uitschakelen. Bewerk de instellingen bij de invoervelden en bij de scroll down-menu's. Nadat u alle instellingen heeft gewijzigd verschijnt de OK knop. Bevestig de nieuwe instellingen door te drukken op OK. 90: Afbeelding : Productie > Toevoegen/bewerken order Bij het scherm Orderbeheer kunt u de volgende velden bewerken: Naam Order # Orderbeschr. Lijnopmaak Lijnopm. beschr. Product: Productbeschr. Functie Hier moet u het nummer van de order invullen Hier kunt u extra informatie invullen over de order, bijv. speciale instellingen Hier moet u de corresponderende lijnopmaak selecteren Hier kunt u extra informatie invoeren over de lijnopmaak Hier moet u de corresponderende productnaam selecteren Hier kunt u extra informatie over het product invullen Voordat u de order kunt starten moet u orderdetails toevoegen (zie hoofdstu [} 110]). Documentversie A 109 / 232

110 7 Productie (A-3.7) Toevoegen van orderdetails Om handmatig orderdetails toe te voegen drukt u op Productie > Toevoegen/bewerken order. Selecteer een order en druk op Details.Het volgende scherm verschijnt: 91: Afbeelding : Productie > Toevoegen/bewerken order > Details Afhankelijk van de apparaatinstellingen die zijn gebruikt in de lijnopmaak, kunt u de corresponderende velden bewerken. Om een veld toe te voegen drukt u op Toevoegen. U kunt alle invoeren controleren op geloofwaardigheid door te drukken op Gegevens verifiëren. Na bewerking bevestigt u met OK. Noodzakelijke invoeren zullen worden gecontroleerd op geloofwaardigheid. Om details in te voeren via een handscanner bekijkt u hoofdstuk [} 108] Verwijderen van een order Om een order te verwijderen gaat u naar het scherm en Orderbeheer en selecteert u een order (zie hoofdstuk [} 108]). Druk op Verwijderen en bevestig met OK Aanmaken van een orderrapport (A ) Om een orderrapport aan te maken, gaat u naar het scherm Productie instellingen (zie hoofdstuk 7.1 [} 91]) en drukt op Orderresultaten creëer rapport om naar het Orderrapportscherm te gaan. Selecteer een bestaande lijstopmaak uit de lijst om te bewerken. Klik op de PDFrapport om een regelopmaakrapport te genereren in de geselecteerde opmaak. Het volgende venster verschijnt: 110 / 232 Documentversie A

111 4.10 Productie (A-3.7) 7 92: Afbeelding : Productie > Orderresultaten creëren rapport > (Selecteer order) > PDF rapport Selecteer een aangepast rapportsjabloon bij het veld 'Ontwerp'. Bij het veld 'Opmaak' kunnen verschillende uitvoeropmaken worden geselecteerd. Dit rapport bevat alle relevante gegevens van de order, zowel als een lijst met logboekinvoeren tijdens de respectieve productierun. Het rapport wordt digitaal ondertekend en kan worden gearchiveerd (aangepast) of direct worden afgedrukt. Een orderrapport kan alleen worden gecreëerd wanneer de order is afgerond. Let op Opslag van ordergegevens - Na voltooiing van de productie, zullen de ordergegevens automatisch op de server worden opgeslagen. Dit maakt het mogelijk om op een later moment een rapport aan te maken. - Alle PDF-rapporten die worden gegenereerd zullen worden opgeslagen op het pad dat is gespecificeerd in de systeeminstellingen. Documentversie A 111 / 232

112 7 Productie (A-3.7) Herstel orderstatus 93: Afbeelding : Productie > Orderstatus herstellen Het indrukken van de Herstel Order zal een voltooide order herstellen naar Order gecreëerd Beweeg order naar regel 94: Afbeelding : Productie > Beweeg order naar regel 112 / 232 Documentversie A

113 4.10 Productie (A-3.7) 7 In bedrijven met verschillende regels in een gegevensbank, kunnen orders worden gewisseld onder de verschillende regels via dit menu. Voorbeeld: Productie "lijn A" heeft een order verwerkt. Deze order moet nu verdere verwerking ondergaan op "lijn B". De gebruiker kan de Pilot Line Manager gebruiken om deze order te pauzeren op "lijn A" en, rekening houdend met de bestaande lijnopmaken, de order verpaatsen naar "lijn B". De order is nu gepauzeerd op "lijn B" en klaar voor verdere verwerking op lijn B. Extra gebruik: Het bewegen van een order van een geautomatiseerde regel naar een herverwerkingsplaats Opnieuw openen van een voltooide order Om een voltooide order opnieuw te opnenen moet u de betreffende gebruikersrechten bezitten. In het geval dat een order is voltooid, maar opnieuw moet worden geopend voor verdere verwerking, volgt u deze stappen: Druk op Productie > Orderstatus herstellen > (Selecteer de order die u wilt herstellen) > Herstel order. 7.5 Start / stop productie (A-3.7.5) Productie via een opdracht starten (A ) Bij dit scherm wordt de productie gestart. Bij het scherm Productie instellingen drukt u op Start productie via order. Selecteer de order die u wilt starten. Het volgende scherm verschijnt: 95: Afbeelding : Productie > Start productie via order Druk op Volgende. De ingevoerde parameters zullen worden overgedragen naar de gekoppelde eenheden en alle voorkomende incidenten zullen worden opgenomen in een protocolbestand (orderprotocol). Het volgende scherm verschijnt: Documentversie A 113 / 232

114 7 Productie (A-3.7) : Afbeelding : Productie > Start productie via order > (selecteren order) Volgende GEBRUIKEN VOOR VERVALDATUM: Bij dit veld gebruikt u de volgende datumopmaak om een vervaldatum in te vullen: yymmdd. Druk op Start Productie. De productie start. Om de productie te stoppen drukt u op Voltooien. Nadat de machine handmatig is gestopt moet het handmatig worden gestart om de productie te hervatten. Automatisch starten is niet mogelijk. Let op Alleen afgesloten orders worden weergegeven In de lijst worden alleen vrijgegeven en afgesloten opdrachten weergegeven! Start productie via Order > Testrun Alleen gegevens van de geselecteerde order worden gebruikt. Serienummers worden toegewezen, maar niet opgeslagen in de database. Druk op Productie > Start productie via order. Selecteer de order die de waarden bevat die u wilt gebruiken. Het volgende scherm verschijnt: 114 / 232 Documentversie A

115 4.10 Productie (A-3.7) 7 97: Afbeelding : Productie > Start productie via order Druk op Testrun starten. De ingevulde parameters zullen worden overgedragen naar de verbonden eenheden. Het volgende scherm verschijnt: 98: Afbeelding : Productie > Start productie via order > (selecteren order) Volgende Hier ziet u de testrungegevens. DUE DATE: Bij dit veld gebruikt u de volgende datumopmaak om een vervaldatum in te vullen: yymmdd. Documentversie A 115 / 232

116 7 Productie (A-3.7) 4.10 Laden testgegevens: Laad gegevens voor de testrun, lege velden worden gevuld moet proefgegevens om de testprestaties in te schakelen. Druk op Testrun starten. De testrun start. Om de testrun te stoppen drukt u op Voltooien. Nadat de machine handmatig is gestopt moet het handmatig worden gestart om de productie te hervatten. Automatisch starten is niet mogelijk Starten van de testrun via lijnopmaak (A ) Om de instellingen van de lijn te selecteren, zonder serienummers te verspillen, kan een testrun worden uitgevoerd. De tellergegevens zullen niet worden opgenomen in de gegevensbank tijdens een testrun. Om het scherm Testrun starten drukt u op Testrun via lijnopmaak bij het scherm Productieinstellingen (zie hoofdstuk 7.1 [} 91]). Selecteer de order die de waarden bevat die u wilt gebruiken. Het volgende scherm verschijnt: 99: Afbeelding : Productie > Testrun via lijnopmaak Selecteer een lijnopmaak en druk op Volgende. Het volgende scherm verschijnt: 116 / 232 Documentversie A

117 4.10 Productie (A-3.7) 7 100: Afbeelding : Productie > Testrun via lijnopmaak > Volgende Hier ziet u de testrungegevens. De volgende acties zijn mogelijk: Laden testgegevens: Laad gegevens voor de testrun, lege velden worden gevuld moet proefgegevens om de testprestaties in te schakelen. Testrun starten: Start de testproductie Productiemenu tijdens productie Wanneer een order loopt kunt u de volgende acties uitvoeren: Documentversie A 117 / 232

118 7 Productie (A-3.7) : Afbeelding : Productie > Testrun via lijnopmaak > Volgende > Testrun starten Pauzeren: Stopt de productie zonder de order te voltooien. De productie kan later worden hervat, zelfs na het herstarten van de PLM. Voltooien: Voltooi de productie (Order is niet langer zichtbaar in de orderlijst) Na het afsluiten van de productie is het mogelijk een logbestand te genereren en dit onder 'Opdrachtresultaten genereren rapport' op te roepen. 7.6 Serialisatie (A-3.7.6) Het serienummer wordt als normale tekst afgedrukt op de artikelen en gecodeerd bij de gegevensmatrixcode. Het serienummer wordt altijd samen met de GTIN gebruikt Interne afhandeling van SN's (A ) Bij de start van de productie moet u het aantal serienummers invoeren dat voor de serialisatie wordt gebruikt. Deze nummers worden opgeslagen naar de DB en wijzigen de status naar "in gebruik". Na de start van de productie worden de serienummers achtereenvolgens op de artikelen afgedrukt. Wanneer de inspectie die is uitgevoerd door de camera resulteert in een foutloze afdruk, wordt de status van het corresponderende serienummer gewijzigd naar "waar" bij de DB. Als de inspectie leidt tot een foutief printerresultaat, blijft de status van het corresponderende serienummer op "in gebruik". Als zich een onvoorziene onderbreking van de productie voordoet (bijv. door een stroomstoring), zullen alle volgende serienummers die in de tussenopslag van de printer waren worden verwijderd. Het aantal gecachte serienummers in de printer is variabel en kan worden ingesteld in de printerinstellingen in de printer. Het verbruik van serienummers moet worden beperkt tot fysiek gebruik, bijv. verlies van SN door bufferredenen moet zo laag mogelijk zijn. Buffer slechts een redelijke hoeveelheid serienummers om verspilling te voorkomen. Het is mogelijk om opeenvolgende individuele items in de database in te voeren met een handscanner. 118 / 232 Documentversie A

119 4.10 Productie (A-3.7) Serialisatie-instellingen bij de PLM-software Creëer eerst een regelopmaak, die naast de GTIN ook een veld bevat voor serienummers. Zie hoofdstuk [} 92]. 102: Afbeelding : Productie > Toevoegen/bewerken lijnopmaak > Apparaten > Wolke Printer tabblad Uit het drop-down menu van het veld 'Serienummer' wijst u het serienummer "(21) SERIENUMMER" toe aan de applicatie-identificator. Daarbij krijgt de regelopmaak een serialisatie toegewezen. Documentversie A 119 / 232

120 7 Productie (A-3.7) : Afbeelding : Productie > Toevoegen/bewerken order (selecteer een order) > Volgende Druk op Productie > Toevoegen/bewerken order en selecteer een orderr. Druk op Details. Voeg het veld 'SER ALGO' toe als dat niet bestaat. Wijs het gewenste algoritme toe aan het veld 'SER ALGO' (serialisatiealgoritme) Algoritmes: INC: Elk serienummer wordt verhoogd met "1" ten opzichte van de vorige INC1 INC999999: Elk serienummer wordt verhoogd met ten opzichte van de vorige. INCRND1 INCRND999999: Elk serienummer wordt verhoogd met een willekeurig getal tussen (beide inbegrepen) ten opzichte van de vorige. IMPORT: De serienummers worden gebruikt uit een lijst die eerder is geïmporteerd uit een bedrijfsbronnen-planningsysteem (ERP systeem). Voer de gewenste lengte in van het serienummer in het veld SER LENGTH" (maximaal 20). 7.7 Aggregatie (A-3.7.8) Alle acties met betrekking tot aggregatie worden automatisch in de database opgenomen. Afhankelijkheden tussen aggregatie-eenheden en serienummers worden opgenomen. Uniekheid en geldigheid van serienummer worden constant over alle rangen en acties gecontroleerd. Deze permanente controle garandeert traceerbaarheid van elk product en overzicht over de hele productielijn Functioneel principe van aggregatie (A ) Aggregatie is de classificatie en vangst van de kleinste eenheden (bijv. vouwdozen) naar eenheden van een hoger rang (bijv. bundels, kisten en pallets). Op elk verzamelrang is ondubbelzinnige toewijzingen van eenheden aan ouder-kind verzamelnrang mogelijk. De identificatie van de eenheden wordt gedaan door de eenheid zelf af te drukken of de labels die aan de eenheid worden bevestigd. Het volgende voorbeeld toont de gebruikelijke aggregatierangen. Dit voorbeeld heeft betrekking op het hele aggregatiehoofdstuk om de instellingen te beschrijven. 120 / 232 Documentversie A

121 4.10 Productie (A-3.7) 7 Let op Dit hoofdstuk verwijst naar het voorbeeld daarin Bij dit hoofdstuk hebben alle instellingen betrekking op het volgende voorbeeld met vier aggregatierangen. Als uw lijn is ingesteld op een andere wijze, dan moet u de instellingen dienovereenkomstig wijzigen 104: Afbeelding : Principe van aggregatie Bij de volgende tabel worden de voorwaarden voor aggregatie-eenheden beschreven voor een lijn met 4 aggregatierangen. Handelseenheid Rang Uitleg Artikel 1 Een artikel is de kleinste eenheid bij het aggregatieproces. Dit kan bijvoorbeeld een vouwdoos, blisterverpakking of een fles zijn. Het wordt meestal geaggregeerd tot een bundel of direct in een verzenddoos. Bundel 2 Een bundel bestaat uit verschillende artikelen. Kist 3 Een kist is een kartonnen doos waar bundels of artikelen direct in worden verpakt. Pallet 4 Een pallet bevat verschillende kisten. Eenheid 1/2/3/4 Een eenheid is de term van een aggregatierang. De term eenheid wordt gebruikt voor een artikel (Rang1), bundel (Rang2), een verzenddoos (Rang3) of een pallet (Rang4). De PLM maakt 8 aggregatierangen mogelijk (rang1-rang8). Het is dus mogelijk om een artikel zeven maal te aggregeren. Het aantal aggregatiestappen hangt af van de individuele lijn. De aggregatiestappen kunnen worden uitgevoerd door een van de vier stations: Data Matrix Station (DMS) Advanced Bundle Station (ABS) Shipping Case Station (SCS) Manual Aggregation Station (MAS) Code lezen Automatisch lezen wordt uitgevoerd door de volgende apparaten: Smart Camera (SMC) Opeenvolgens lezen van codes en OCV High Resolution Camera() Tegelijkertijd of opeenvolgend lezen van codes en OCV Documentversie A 121 / 232

122 7 Productie (A-3.7) 4.10 Comparator(VGL) + Laser scanner Opeenvolgend lezen van codes Handmatig lezen van codes kan ook worden uitgevoerd met een handscanner. Offset-rang en kindrang Bij het uitvoeren van aggregatiestappen zijn belangrijke instellingen de 'offset-rang' en de 'kindrang'. Hun betekenis is vermeld bij de volgende tabel: Naam Uitleg Voorbeeld Stellen van een voorbeeld Offset-rang Kindrang Het nummer van de rang waar de etiketten die gescand moeten worden vandaan komen. De rang waarin de artikelen die moeten worden geaggregeerd, voor het scannen werden geaggregeerd Serialisatie / aggregatievoorwaarden Bijv. artikelen komen van rang1 en moeten worden gebundeld bij rang2. Bijv. artikelen komen van rang1, zijn gebundeld bij rang2 en moeten worden geaggregeerd naar een kist bij rang3. Om aggregatie uit te voeren bij de stations, moet het volgende zijn gegeven: Productie loopt via order Offset-ranginstelling van rang3-station is "rang1". Kindranginstelling bij rang3-station is "rang2" Aggregatie-instellingen moeten bij de PLM worden uitgevoerd en mogelijk bij de corresponderende software-interface van camera en printer Serialisatie met DMS (A ) Het DMS serialiseert de artikelen door alle benodigde informatie op hun etiketten af te drukken. Verificatie van serienummers en etiketten wordt uitgevoerd door de SMC. Serienummers worden in de database opgeslagen met status: "geverifieerd". De artikelen zijn dan bij rang1. Serialisatie bij de DMS wordt automatisch uitgevoerd. Serialisatie wordt bereikt door betreffende instellingen bij de PLM, de SMC software-interface (Zie hoofdstuk [} 55]) en de printersoftware-interface. Voor voorbeelden van serialisatie/aggregatie-instellingen, zie hoofdstuk [} 127] Aggregatiestatus (A ) De aggregatiestatus is de status waarin een eenheid zich daadwerkelijk bevindt. In dit hoofdstuk wordt beschreven in welke status een eenheid is na een aggregatiestap. Aggregatie (Verificatie, Validatie) wordt meestal automatisch uitgevoerd door het lezen van apparaten (scanners, handscanners, camera's, RFID-readers). Deaggregatie, buitenwerkingstelling en inwerkingstelling worden meestal handmatig door handscanners gedaan. Voor herverwerkingsdoeleinden kunnen alle aggregatiestappen ook handmatig worden uitgvoerd door se serienummers bij de PLM te selecteren en de corresponderende functie uit te voeren. Voor elke eenheid is een serienummer nodig. Dus als de termen: artikel, doos, pallet, oudereenheid of kindeenheid worden genoemd, moet u onthouden dat het coresponderende serienummer en label ook altijd worden bedoeld. Actie Uitleg Status Resultaat 122 / 232 Documentversie A

123 4.10 Productie (A-3.7) 7 Afdrukken Afgedrukt, maar niet gecontroleerd Afgedrukt=1 Gecontroleerd=0 gevalideerd=0 inwerkinggesteld=0 geaggregeerd=0 Verificatie Afgedrukt en opgenomen naar database Afdrukkwaliteit is gecontroleerd, maar SN is nog niet gevalideerd. Afgedrukt=1 Gecontroleerd=1 gevalideerd= 0 inwerkinggesteld=1 geaggregeerd=0/1 Validatie SN is gecontroleerd en komt overeen met database-invoer. Afgedrukt=1 Gecontroleerd=1 gevalideerd=1 inwerkinggesteld=1 geaggregeerd=0/1 Serialisatie Dit omvat afdrukverificatie en validatie van artikel-sn. Het SN wordt opgeslagen naar de DB. Afgedrukt=1 geverifieerd=1 gevalideerd=1 inwerkinggesteld=1 geaggregeerd=0 Documentversie A 123 / 232

124 7 Productie (A-3.7) 4.10 Verzameling Geverifieerd, overeenkomend met database-invoer en geaggregeerd. a) Creëren van een oudereenheid door de benodigde telling van kindeenheden (contentgrootte) samen te bundelen. -> Bijv.: Artikel naar doos: Creëren van een doos door de artikelen te scannen: Dooslabel is afgedrukt. Afgedrukt=1 Gecontroleerd=1 gevalideerd= 1 inwerkinggesteld=1 geaggregeerd=1 Deaggregatie b) Toevoegen van een of meer kindeenheden aan een onvoltooide oudereenheid. -> Bijv.: Toevoegen van een doos aan een pallet Verwijderen van een kindeenheid van een geaggregeerde oudereenheid. De kindeenheid kan opnieuw geaggregeerd worden. Bijv.: Pakken van een doos (kindeenheid) van een pallet (oudereenheid). Afgedrukt=1 Gecontroleerd=1 gevalideerd= 1 inwerkinggesteld=1 geaggregeerd=0 Buiten werking stellen Bij het buiten werking stellen van een eenheid, worden de eenheid zelf en alle geassocieerde kindeenheden buiten werking gesteld. Gecontroleerde status wordt ingesteld naar 0. Wanneer een eenheid buiten werking wordt gesteld, betekent dit dat het serienummer gecontroleerd blijft bij de database, maar wordt geblokkeerd en niet kan worden gebruikt totdat het opnieuw in werking is gesteld. -> Bijv.: Er is een aggregatie; artikel in bundel in doos in pallet. Er is dus gevonden dat voor sommige artikelen van de doos de verkeerde vouwdozen is gebruikt. Dus wordt de hele pallet buiten werking gesteld en kunnen verkeerde artikelen later worden gescheiden. Afgedrukt=1 Gecontroleerd=1 gevalideerd=0 inwerkinggesteld=0 geaggregeerd=0/1 Inwerkingstelling Inwerkingstelling wordt gebruikt om eenheden te deblokkeren Afgedrukt=1 (of betreffende serienummers) die eerder buiten werking zijn gesteld, om ze opnieuw te gebruiken. Gecontroleerd=1 gevalideerd=1 inwerkinggesteld=1 geaggregeerd=0/1 124 / 232 Documentversie A

125 4.10 Productie (A-3.7) 7 Vernietigen Vernietigen heeft betrekking op een geaggregeerde eenheid (artikelen kunnen worden vernietigd). Bij het vernietigen van een eenheid, betekent dit dat de laatste aggregatie wordt omgedraaid (diepere aggregatienirangen blijven over). Het label moet worden weggegooid en het serienummer wordt buiten werking gesteld. Afgedrukt=1 Gecontroleerd=1 gevalideerd= 0 inwerkinggesteld=0 geaggregeerd= Aggregatie met ABS De ABS aggregeert (kind) artikelen naar (ouder) bundels. Een zendt het (kind) serienummer naar de PLM die het toevoegt aan de bundel. Een printer drukt een etiket af voor de bundel. Het etiket wordt daarna gecontroleerd door een scanner en het bundelserienummer wordt in de database opgeslagen met status: "geverifieerd". Aggregatie bij de ABS wordt gedaan door de volgende stappen uit te voeren: Stap Beschrijving Uitleg 1 Bij de ABS monitor schakelt u van PLM naar MPIHRC-AI software met de schakelknop. 2 Plaats bundel (nog niet geaggregeerd) op de transportband. Schakelknop om de MPI-interface te gebruiken Etiketten zijn gericht naar de camera. 3 Wacht totdat aggregatie is voltooid. Scannen, printen, etiketteren en controleren van het etiket worden automatisch gedaan. De verschillende aggregatiemogelijkheden, zoals het wijzigen van het aantal artikelen bij een bundel worden bereikt door betreffende instellingen bij de PLM en bij de corresponderende software-interfaces van camera's en printers. Voor voorbeelden van serialisatie/aggregatie-instellingen, zie hoofdstuk [} 127]. Handmatige aggregatieacties worden beschreven in hoofdstuk [} 132]. Aantal kolommen De bij de ABS neemt een foto van elke kolom van artikelen in een bundel en de MPC-software voegt deze samen tot een afbeelding. Bij het volgende voorbeeld heeft de bundel vier kolommen, dus worden er vier foto's genomen. Documentversie A 125 / 232

126 7 Productie (A-3.7) : Afbeelding : Bundelafmetingen Om de tijdpunten te berekenen waarop de foto's moeten worden genomen, heeft de ABS de afmetingen nodig van de bundels en de afmetingen van de artikelen en het aantal kolommen. Het aantal kolommen moet worden ingevoerd onder de PLC-systeeminstellingen en daar bij de parameter 'Aantal kolommen' Aggregatie met SCS De SCS aggregeert (kind) artikelen of bundels met (ouder) kisten. Een handmatig ingeschakelde zendt de (kind) serienummers naar de PLM die ze aan de kist toevoegt. Een printer drukt een etiket af voor de kist. Het etiket wordt daarna gecontroleerd door een handscanner en het serienummer van de kist wordt in de database opgeslagen met status: "geverifieerd". Aggregatie bij de SCS wordt gedaan door de volgende stappen uit te voeren: Stap Beschrijving Uitleg 1 Bij de ABS monitor schakelt u van PLM naar HRC-AI softwaremet de schakelknop. Schakelknop om de MPI-interface te gebruiken 2 Plaats evenveel eenheden als aantal artikelen van een verzenddoos in de verzend- camerascherm. Plaats de verzenddoos gecentreerd bij het doos op de SCS-tafel. 3 Druk op het voetpedaal om een foto te nemen van de vouwdozen. 4 Controleer de streepjescode van het doosetiket met de SCS-handscanner. Een afbeelding is opgeslagen; Groene vakken worden geplaatst rond een gegevensmatrixcode; een blauw licht wordt getoond om de aggregatie te bevestigen; een doosetiket wordt automatisch afgedrukt vanaf de printer. De eenheid wordt gecontroleerd bij de database. De verschillende aggregatiemogelijkheden worden bereikt door goede instellingen bij de PLM en bij de corresponderende software-interfaces van camera's en printers. Voorbeelden van aggregatie-instellingen kunt u vinden bij hoofdstuk [} 127]. Handmatige aggregatieacties worden beschreven in hoofdstuk [ } 132]. 126 / 232 Documentversie A

127 4.10 Productie (A-3.7) Aggregatie met MAS De MAS aggregeert (kind) dozen, bundels of artikelen met (ouder) pallets. Een handscanner zendt de (kind) serienummers naar de PLM die ze aan de pallet toevoegt. Een printer drukt een etiket af voor de pallet. Het etiket wordt daarna gecontroleerd door een handscanner en het serienummer van de pallet wordt in de database opgeslagen met status: "geverifieerd". Aggregatie bij de MAS wordt gedaan door de volgende stappen uit te voeren: Stap Beschrijving Uitleg 1 Bij de ABS monitor schakelt u van PLM naar HRC-AI software met de schakelknop. 2 Gebruik de handscanner voor de doos en scan de etiketten van de dozen die u wilt aggregeren. 3 Gebruik de pallethandscanner en scan het etiket van de pallet om het te controleren. Schakelknop om de HRC-AI software -interface te gebruiken Na het scannen van het aantal dozen die gelijk zijn aan de voorgedefinieerde inhoudsgrootte (AI37), zal het etiket voor de pallet automatisch worden afgedrukt. Het palletetiket is gecontroleerd. De verschillende aggregatiemogelijkheden worden bereikt door goede instellingen bij de PLM en bij de corresponderende software-interfaces van camera's en printers. Voorbeelden van aggregatie-instellingen kunt u vinden bij hoofdstuk [} 127]. Handmatige aggregatieacties worden beschreven in hoofdstuk [ } 132] Aggregatievoorbeelden In dit hoofdstuk worden de meest gebruikelijke voorbeelden van aggregatie beschreven. Alle instellingen die hier zijn gegeven hebben betrekking op het voorbeeld met vier aggregatierangen. Als uw lijn is ingesteld op een andere wijze, dan moet u de instellingen dienovereenkomstig wijzigen. Alle aggregatiestations kunnen de vorige eenheid aggregeren door de etiketten te scannen van de vorige eenheid of door de etiketten van lagere eenheden te scannen. Dit betekent; als u bijvoorbeeld drie rangen heeft geaggregeerd (artikel, bundel, doos) dan is het mogelijk om de doos (rang3) te aggregeren naar de pallet (rang4) door de etiketten van de doos te scannen of door het etiket van de bundel te scannen of door de etiketten van de artikelen te scannen. Algemene instellingen: Voor alle voorbeelden zijn de volgende instellingen (bewerken bij ysteeminstellingen > Apparaatinstellingen bewerken) hetzelfde: De serialisatieprinter (printer van de DMS) is ingesteld naar Printermodus: BUFFERED_PRINTER De serialisatielezer (SMC van de DMS) is ingesteld naar lezermodus: PRINT_INSPECTION De aggregatieprinters (printer van ABS, SCS, MAS) zijn ingesteld naar printermodus: AGGREGATE_PRINTER De aggregatielezers (lezer van ABS, SCS, MAS) zijn ingesteld naar lezermodus: AGGREGATE_READER Globale scanners zijn ingesteld naar lezermodus: PRINT_INSPECTION Aggregatiescanners zijn ingesteld naar lezermodus: AGGREGATE_READER Bij het gebruiken van SSCC-nummers raadpleegt u voor incomplete eenheden hoofdstuk [} 137 ] Artikel - Bundel - Doos (door lezen van bundeletiketten) - Pallet Hier wordt beschreven hoe artikelen naar bundels naar doos (door de codes van de bundeletiketten te lezen) naar pallet worden geaggregeerd. Zie de volgende figuur: Documentversie A 127 / 232

128 7 Productie (A-3.7) : Afbeelding : Artikel - bundel - doos (door bundeletiketten te lezen) - pallet Bij alle aggregatiestations (ABS, SCS, MAS) worden de etiketten van de eenheden geaggregeerd voordat zij worden gelezen. Dit is de meest gebruikte procedure. Voor dit voorbeeld moet u de volgende instellingen doen: Station Waar te bewerken Instellingen Uitleg DMS ABS Bij de start van de productie of bij de order of bij het product Bij de lijnopmaak Voer geagg. in GTIN voor rang2 Voer artikelafmetingen in - Offset-rang= - Bij de start van de productie of bij de order of bij het product Bij het product en bij de PLC Productie > Lijnopmaak bewerken > Apparaten (, laserscanner) Zie hoofdstuk [} 125] Aggregatie met ABS [} 125] Kindrang= - Voer geagg. in GTIN voor rang2 Voer artikel- en bundelafmetingen in Offset-rang=1 Kindrang=1 Aantal lagen Een GTIN voor elke rang Een GTIN voor elke rang Voordat het scannen wordt uitgevoerd, worden de etiketten die gescand moeten worden geaggregeerd bij = rang1 (DMS) De etiketten die gescand moeten worden komen van = rang1 (DMS) Zo hoog als aantal artikelen in beurt 128 / 232 Documentversie A

129 4.10 Productie (A-3.7) 7 SCS MAS Bij de start van de productie of bij de order of bij het product Bij het product en bij de PLC Productie > Lijnopmaak bewerken > Apparaten (, handscanner) Bij de start van de productie of bij de order of bij het product Productie > Lijnopmaak bewerken > Apparaten (handscanners) Voer geagg. in GTIN voor rang3 Voer doosafmetingen in Offset-rang=2 Kindrang=2 Voer geagg. in GTIN voor rang4 Offset-rang=3 Kindrang=3 Een GTIN voor elke rang Voordat het scannen wordt uitgevoerd, worden de etiketten die gescand moeten worden geaggregeerd bij = rang1 (ABS) De etiketten die gescand moeten worden komen van = rang2 (ABS) Een GTIN voor elke rang Voordat het scannen wordt uitgevoerd, worden de etiketten die gescand moeten worden geaggregeerd bij = rang3 (SCS) De etiketten die gescand moeten worden komen van = rang3 (SCS) Artikel - bundel - doos (door artikeletiket te lezen) - pallet Hier wordt beschreven hoe artikelen naar bundels naar doos (door de codes van de artikelen te lezen) naar pallet moeten worden geaggregeerd. Het uitvoeren van deze aggregatie leidt tot hetzelfde resultaat als het scannen van de bundeletiketten; de bundels worden geaggregeerd naar de doos. Zie de volgende figuur: 107: Afbeelding : Artikel - bundel - doos (door artikeletiket te lezen) - pallet Bij de SCS (rang3) worden de artikeletiketten van de DMS (Rang1) gelezen in plaats van de bundeletiketten van de ABS (rang2). Dit kan behulpzaam zijn als het niet mogelijk is om de bundeletiketten te lezen wanneer de bundels in de doos zijn verpakt. Voor dit voorbeeld moet u de volgende instellingen doen: Station Waar te bewerken Instellingen Uitleg Documentversie A 129 / 232

130 7 Productie (A-3.7) 4.10 DMS ABS SCS MAS Bij de start van de productie of bij de order of bij het product Bij het product en bij de PLC Bij de start van de productie of bij de order of bij het product Bij het product en bij de PLC Productie > Lijnopmaak bewerken > Apparaten (, laserscanner) Zie hoofdstuk [} 125] Aggregatie met ABS [} 125] Bij de start van de productie of bij de order of bij het product Bij het product en bij de PLC Productie > Lijnopmaak bewerken > Apparaten (, handscanner) Bij de start van de productie of bij de order of bij het product Productie > Lijnopmaak bewerken > Apparaten (handscanners) Voer geagg. in GTIN voor rang2 Voer artikelafmetingen in Offset-rang= - Kindrang= - Voer geagg. in GTIN voor rang2 Voer artikel- en bundelafmetingen in Offset-rang=1 Kindrang=1 Aantal lagen Voer geagg. in GTIN voor rang3 Voer doosafmetingen in Offset-rang=2 Kindrang=1 Voer geagg. in GTIN voor rang4 Offset-rang=3 Kindrang=3 Een GTIN voor elke rang Een GTIN voor elke rang Voordat het scannen wordt uitgevoerd, worden de etiketten die gescand moeten worden geaggregeerd bij = rang1 (DMS) De etiketten die gescand moeten worden komen van = rang1 (DMS) Zo hoog als aantal artikelen in beurt Een GTIN voor elke rang Voordat het scannen wordt uitgevoerd, worden de etiketten die gescand moeten worden geaggregeerd bij = rang1 (ABS) De etiketten die gescand moeten worden komen van = rang1 (DMS) Een GTIN voor elke rang Voordat het scannen wordt uitgevoerd, moeten de etiketten die moeten worden gescand worden geaggregeerd bij rang3 (ABS) De etiketten die moeten worden gescand komen van = rang3 (ABS) Artikel - doos - pallet Hier wordt beschreven hoe artikelen naar doos naar pallet worden geaggregeerd zonder bundels te hebben. Zie de volgende figuur: 130 / 232 Documentversie A

131 4.10 Productie (A-3.7) 7 108: Afbeelding : Artikel - doos - pallet De ABS (rang2) wordt niet gebruikt. Let op dat rang2 nog steeds bestaat. Hier moet rekening mee worden gehouden bij de lijninstellingen. Voor dit voorbeeld moet u de volgende instellingen doen: Station Waar te bewerken Instellingen Uitleg DMS Bij de start van de productie of bij de order of bij het product Bij het product en bij de PLC Bij Systeeminstellingen > Apparaatinstellingen bewerken Voer geagg. in GTIN voor rang2 Voer artikelafmetingen in Offset-rang= - Kindrang= - Een GTIN voor elke rang ABS - - ABS wordt niet gebruikt SCS Bij de start van de productie of bij de order of bij het product Bij het product en bij de PLC Productie > Lijnopmaak bewerken > Apparaten (, laserscanner) Voer geagg. in GTIN voor rang3 Voer doosafmetingen in Offset-rang=1 Kindrang=1 Een GTIN voor elke rang Voordat het scannen wordt uitgevoerd, worden de etiketten die gescand moeten worden geaggregeerd bij = rang1 (DMS) De etiketten die gescand moeten worden komen van = rang1 (DMS) Documentversie A 131 / 232

132 7 Productie (A-3.7) 4.10 MAS Bij de start van de productie of bij de order of bij het product Productie > Lijnopmaak bewerken > Apparaten (handscanners) Voer geagg. in GTIN voor rang4 Offset-rang=3 Kindrang=3 Een GTIN voor elke rang Voordat het scannen wordt uitgevoerd, moeten de etiketten die moeten worden gescand worden geaggregeerd bij rang3 (ABS) De etiketten die moeten worden gescand komen van = rang3 (ABS) Artikel - pallet Hier wordt beschreven hoe artikelen naar pallet worden geaggregeerd zonder bundels of verzenddozen. Zie de volgende figuur: 109: Afbeelding : Artikel - pallet De ABS (rang2) en de SCS (rang3) worden niet gebruikt. Let op dat rang2 en rang3 nog bestaan. Hier moet rekening mee worden gehouden bij de lijninstellingen. Voor dit voorbeeld moet u de volgende instellingen doen: Station Waar te bewerken Instellingen Uitleg DMS Bij de start van de productie of bij de order of bij het product Bij het product en bij de PLC Bij Systeeminstellingen > Apparaatinstellingen bewerken Voer geagg. in GTIN voor rang2 Voer artikelafmetingen in Offset-rang=- Kindrang=- Een GTIN voor elke rang ABS - - ABS wordt niet gebruikt SCS - - SCS wordt niet gebruikt 132 / 232 Documentversie A

133 4.10 Productie (A-3.7) 7 MAS Bij de start van de productie of bij de order of bij het product Productie > Lijnopmaak bewerken > Apparaten (handscanners) Voer geagg. in GTIN voor rang4 Offset-rang=1 Kindrang=1 Een GTIN voor elke rang Voordat het scannen wordt uitgevoerd, worden de etiketten die gescand moeten worden geaggregeerd bij = rang1 (DMS) De etiketten die gescand moeten worden komen van = rang1 (DMS) Handmatige aggregatieacties (A ) Bij de PLM kunt u de volgende handmatige aggregaties uitvoeren. Bij het uitvoeren van handmatige aggregatieacties, moet de productie lopen. Aggregatie en deaggregatie zijn volledig traceerbaar door afhankelijkheden van GTIN's van ouder- en kindeenheden in de database op te slaan. Let op Voltooi vóór het sluiten van een order de handmatige aggregatie. Voltooi nooit een order voor het uitvoeren van de handmatige aggregatie. De productie moet lopen bij het uitvoeren van handmatige aggregatie. Anders onvoltooide eenheden bij de cache moeten worden verwijderd Vernietigen van een ouderlabel (Aggregatie omkeren, A ) Het is mogelijk om de aggregatie van een eenheid om te keren (pallet / doos / bundel). Om dit te doen moet u het etiket van de eenheid "vernietigen". Het etiket van de eenheid is niet langer bruikbaar en moet worden verwijderd. De kindeenheden/artikelen worden daardoor vrijgegeven en opnieuw toegewezen aan de lagere rang. Om een ouderetiket te vernietigen gaat u als volgt te werk: Druk op Thuis > Globale handscanner > Hiërarchie tonen > (Scan product met globale handscanner) > vernietigen (zie de volgende figuur) Documentversie A 133 / 232

134 7 Productie (A-3.7) : Afbeelding : Afbeelding : Thuis > Globale handscanner > hiërarchie tonen > (Scan product met globale handscanner) Verwijderen van de relatie tussen een kindeenheid en een oudereenheid (deaggregeren) (A ) Om relatie te verwijderen tussen een kindeenheid en een oudereenheid (bij het verwijderen van een doos van een pallet of een bundel van een doos of een item van een bundel) moet u de kindrang deaggregeren. Daarna wordt de geselecteerde kindeenheid vrijgegeven (verweesd) en kan opnieuw worden geaggregeerd. Of een nieuw ouderlabel wel of niet direct met GTIN /serienummer wordt afgedrukt hangt van de systeeminstellingen van de PLM. Om een rang te deaggregeren gaat u als volgt te werk: Druk op Thuis > (Globale handscanner selecteren) > Hiërarchie tonen > (Scan eenheid of selecteer eenheid binnen de hiërarchieboom) > Deaggregeren De eenheid wordt wees, maar blijft geldig in de database Pauzeren van een order (A ) Om een order te pauzeren om er later mee verder te gaan, gaat u als volgt te werk: Druk op Productie > Pauzeren. De productie en de batch worden daarna gepauzeerd en kunnen worden vervolgd. De order blijft gepauzeerd, zelfs na uitschakeling en herstart van het systeem kunt u verdergaan met de order. Opmerking: Als u een andere order wilt produceren tussen het pauzeren en het vervolgen van de order, heeft u een verbinding nodig met de globale database. Als u alleen verbinding heeft met de lokale database (cache-modus) is het niet mogelijk om er een andere order tussen te produceren Voltooien van een order voordat het is afgerond Om een order te voltooien voordat het maximale aantal artikelen is bereikt, gaat u als volgt te werk: Druk op Productie > voltooien. Bevestig met Ja. De batch wordt daarna voltooid. 134 / 232 Documentversie A

135 4.10 Productie (A-3.7) Inwerkingstelling en buitenwerkingstelling van een eenheid (A ) Het is mogelijk om een eenheid in werking of buiten werking te stellen (artikel, bundel, doos of pallet) Bij het buiten werking stellen, zullen de serienummers nog steeds worden opgeslagen bij de database, maar worden gemarkeerd als "ongeldig" en zijn niet langer bruikbaar. Bij het buiten werking stellen van een ouderrang, worden kindrangen ook buiten werking gesteld, maar blijft de relatie tussen de eenheden bestaan. Om een eenheid buiten werking te stellen, gaat u als volgt te werk: Druk op Thuis > Globale handscanner > Hiërarchie tonen > (Scan eenheid met globale handscanner) > Buitenwerkingstelling Om een eenheid in werking te stellen, gaat u als volgt te werk: Druk op Thuis > Globale handscanner > Hiërarchie tonen > (Scan eenheid met globale handscanner) > inwerkingstelling (Zie de volgende figuur) 111: Afbeelding : Thuis > Globale handscanner > hiërarchie tonen > (Scan product met globale handscanner) Sluiten van een onvoltooide eenheid (gedeeltelijke doos) Het is mogelijk om een eenheid te voltooien voordat het maximale aantal artikelen is bereikt. Om een doos te sluiten terwijl de productie loopt, drukt u op Thuis > Globale handscanner > Aggregatie tonen > (rang kiezen) > Sluiten. De eenheid wordt daarna gesloten Weergeven van de aggregatierang van een eenheid (A ) Om de aggregatierang van een eenheid weer te geven (artikel, bundel, doos of pallet), gaat u als volgt verder: Druk op Thuis > Globale handscanner > Hiërarchie tonen > (Scannen met globale handscanner). (Zie de volgende figuur) Documentversie A 135 / 232

136 7 Productie (A-3.7) : Afbeelding : Thuis > Globale handscanner > hiërarchie tonen > (Scan product met globale handscanner) Daarna wordt de rang weergegeven Het opnieuw afdrukken van een etiket met hetzelfde SN of een verschillend SN (A-3.7.7) U kunt etiketten van de huidige batch opnieuw afdrukken voor een bundel, doos of een pallet - met een verschillend serienummer of - met hetzelfde serienummer. Hoe u werken opnieuw afdrukt moet worden bepaald bij de systeeminstellingen. Ga naar Systeeminstellingen > Systeeminstellingen bewerken en wijzig de parameter 'Nieuw serienummer'. Ga als volgt te werk om een etiket opnieuw af te drukken: Druk op Thuis > Globale handscanner > hiërarchie tonen > (product scannen of selecteren) > etiket afdrukken (Zie de volgende figuur) 136 / 232 Documentversie A

137 4.10 Productie (A-3.7) 7 113: Afbeelding : Thuis > Globale handscanner > hiërarchie tonen > (Scan product met globale handscanner) Behandelen van onvoltooide eenheden wanneer order is voltooid Wanneer een order is voltooid (drukken op Voltooien voor of nadat de hoeveelheid is bereikt) hangt het af van de printerinstellingen hoe onvoltooide eenheden worden behandeld. Er zijn drie mogelijkheden om te produceren: Soort code Uitleg a Alleen GTIN's, alleen complete eenheden Bij het produceren met alleen GTIN's worden alle incomplete eenheden bij de cache verwijderd. b c GTIN voor complete eenheden, SSCC voor incomplete eenheden Alleen SSCC's voor complete en incomplete eenheden Bij het produceren met GTIN's en SSCC, krijgen alle incomplete eenheden bij de cache een SSCC nummer. Incomplete eenheden moeten worden gescand om hun aggregatie te controleren en daarna moeten zij worden 'gesloten'. Bij het alleen produceren met SSCC, krijgen alle incomplete eenheden bij de cache een SSCC-nummer. Incomplete eenheden moeten worden gescand om hun aggregatie te controleren en daarna moeten zij worden 'gesloten'. Of een GTIN, een SSCC of beide wordt afgedrukt, kan bij elke rang individueel worden gedefinieerd. Dit moet in de printerinstellingen bij de lijnopmaak worden ingesteld. De benodigde AI's zijn: GTIN: GTIN+SSCC: SSCC: 00 Bij het veld 'DMX' selecteert u ##DMX en voert u de AI's als volgt in: Soort code AIs Documentversie A 137 / 232

138 7 Productie (A-3.7) 4.10 Alleen GTIN's, alleen complete eenheden GTIN voor complete eenheden, SSCC voor incomplete eenheden Alleen SSCC's voor complete en incomplete eenheden Testorder uitvoeren met geïmporteerde GTIN (H-4.1) 1. GTIN-nummer toevoegen voor rang1, 2 en Een nieuwe order aanmaken (zie hoofdstuk Toevoegen van een nieuwe order [} 108]) 3. Toewijzen van GTIN en het kengetal van het bedrijf aan de order. Voeg een veld voor GTIN toe bij het dialoogvenster voor orderdetails. (zie hoofdstuk Toevoegen van orderdetails [} 110]) Gebruik waarden: Rang 0: (Globaal) voeg R05 toe (kengetal van bedrijf) met waarde Text Rang 1: (Item) voeg 01(GTIN) toe met GTIN voor rang1, aangemaakt in stap 1) Rang 2: (Bundel) voeg 01(GTIN) toe met GTIN voor rang2, aangemaakt in stap 1) Rang 3: (Doos) voeg 01(GTIN) toe met GTIN voor rang3, aangemaakt in stap 1) 4. Importeer GTIN-bereiken voor alle GTIN's die zijn aangemaakt in stap een. 5. Voer een testorder uit (zie hoofdstuk Start productie via Order > Testrun [} 114]) Gebruik waarden: Order: Order gebruiken (aangemaakt in stap 2). Serienummergenerator: SGTINGenerator 6. Stel ordertoestand in naar 3 FINISHED (zie hoofdstuk Start / stop productie (A-3.7.5) [} 113]) 7. Order exporteren, Beheer > Orderbeheer > Orderexport. Selecteer de order (aangemaakt in stap 2) en klik op Export Handmatige aggregatie door een streepjescode te scannen (H-2.9) Handmatige aggregatieacties kunnen sneller worden uitgevoerd door een streepjescode te scannen die naar het corresponderende menu leidt Creëren van een streepjecode-opdracht Het is nu mogelijk om individueel een streepjescode te creëren via de hieronder genoemde website Ga naar 138 / 232 Documentversie A

139 4.10 Productie (A-3.7) 7 2. Selecteer GS1-128 (UCC/EAN-128) binnen het veld Opmaak streepjescode. 3. Vul de gewenste code van de volgende lijst in (Bijvoorbeeld: (99)&9000 voor Informatie tonen ) binnen het veld Gegevens om te coderen. 4. Selecteer de gewenste x-afmeting, balkhoogte, rotatie en of voor mensen leesbare tekst moet worden weergegeven. 5. Selecteer Indienen Lijst met opdrachten De GS1-lijst met opdrachten voor streepjescodes bevat een code voor alle te coderen gegevens, volgens de GS1-norm. Gebruik een code om een streepjescode te creëren met de corresponderende functie. Code GS1-128 Opdracht Rang (99)&0000 Onbekend 0 (99)&0001 Automodus 0 (99)&0100 Eenheid toevoegen 0 (99)&0111 Inwerkingstelling 0 (99)&0200 Externe toevoegen 0 (99)&0400 Vernietigen 0 (99)&0500 Label opnieuw afdrukken 0 (99)&0900 Bestaande sluiten 0 (99)&0910 Eenheid controleren 0 (99)&0950 Deaggregeren 0 (99)&0999 Buiten werking stellen 0 (99)&9000 Informatie tonen 0 (99)&9001 Aggregatie tonen 0 (99)&9002 Hiërarchie tonen 0 (99)&2000 Rang 2 creëren 2 (99)&2010 Bestaande rang 2 openen 2 (99)&2020 Kindrang 2 openen 2 Documentversie A 139 / 232

140 7 Productie (A-3.7) 4.10 (99)&2100 Eenheid toevoegen aan rang 2 2 (99)&2200 Ext toevoegen aan rang 2 2 (99)&2900 Rang 2 sluiten 2 (99)&2910 Bestaande rang 2 sluiten 2 (99)&2940 Cache rang 2 verwijderen 2 (99)&2950 Rang 2 deaggregeren 2 (99)&3000 Rang 3 creëren 3 (99)&3010 Bestaande rang 3 openen 3 (99)&3020 Kindrang 3 openen 3 (99)&3100 Eenheid toevoegen aan rang 3 3 (99)&3200 Ext toevoegen aan rang 3 3 (99)&3900 Rang 3 sluiten 3 (99)&3910 Bestaande rang 3 sluiten 3 (99)&3940 Cache rang 3 verwijderen 3 (99)&3950 Rang 3 deaggregeren 3 (99)&4000 Rang 4 creëren 4 (99)&4010 Bestaande rang 4 openen 4 (99)&4020 Kindrang 4 openen 4 (99)&4100 Eenheid toevoegen aan rang 4 4 (99)&4200 Ext toevoegen aan rang 4 4 (99)&4900 Rang 4 sluiten 4 (99)&4910 Bestaande rang 4 sluiten 4 (99)&4940 Cache rang 4 verwijderen 4 (99)&4950 Rang 4 deaggregeren 4 (99)&5000 Rang 5 creëren 5 (99)&5010 Bestaande rang 5 openen 5 (99)&5020 Kindrang 5 openen 5 (99)&5100 Eenheid toevoegen aan rang 5 5 (99)&5200 Ext toevoegen aan rang 5 5 (99)&5900 Rang 5 sluiten 5 (99)&5910 Bestaande rang 5 sluiten 5 (99)&5940 Cache rang 5 verwijderen 5 (99)&5950 Rang 5 deaggregeren 5 (99)&6000 Rang 6 creëren 6 (99)&6010 Bestaande rang 6 openen 6 (99)&6020 Kindrang 6 openen 6 (99)&6100 Eenheid toevoegen aan rang 6 6 (99)&6200 Ext toevoegen aan rang 6 6 (99)&6900 Rang 6 sluiten 6 (99)&6910 Bestaande rang 6 sluiten 6 (99)&6940 Cache rang 6 verwijderen 6 (99)&6950 Rang 6 deaggregeren 6 (99)&7000 Rang 7 creëren 7 (99)&7010 Bestaande rang 7 openen 7 (99)&7020 Kindrang 7 openen 7 (99)&7100 Eenheid toevoegen aan rang 7 7 (99)&7200 Ext toevoegen aan rang / 232 Documentversie A

141 4.10 Productie (A-3.7) 7 (99)&7900 Rang 7 sluiten 7 (99)&7910 Bestaande rang 7 sluiten 7 (99)&7940 Cache rang 7 verwijderen 7 (99)&7950 Rang 7 deaggregeren 7 (99)&8000 Rang 8 creëren 8 (99)&8010 Bestaande rang 8 openen 8 (99)&8020 Kindrang 8 openen 8 (99)&8100 Eenheid toevoegen aan rang 8 8 (99)&8200 Ext toevoegen aan rang 8 8 (99)&8900 Rang 8 sluiten 8 (99)&8910 Bestaande rang 8 sluiten 8 (99)&8940 Cache rang 8 verwijderen 8 (99)&8950 Rang 8 deaggregeren Algemeen gebruikte streepjescodes Informatie tonen Buiten werking stellen Aggregatie tonen Inwerkingstelling Hiërarchie tonen Deaggregeren Eenheid controleren Label opnieuw afdrukken Documentversie A 141 / 232

142 7 Productie (A-3.7) 4.10 Eenheid toevoegen Vernietigen 7.8 Probleemoplossing Producten behandelen na een onderbreking Wanneer een fout een product onbruikbaar maakt, bijv. gedeukte verpakking, gaat u als volgt te werk: Geserialiseerde producten: Controleer alle bedrukte producten die u wilt verwijderen met een handscanner. Geserialiseerde producten moeten "buiten werking worden gesteld" (zie hoofdstuk [} 135]) Onbedrukte producten: Wanneer een product nog niet is bedrukt, kunt u het weggooien zonder het te scannen. Niet-gescande producten: Als een product is afgedrukt, maar nog niet is gescand, kunt u het verwijderen zonder het te scannen Verspillen van artikelen na een onderbreking voorkomen Bij het serialisatieproces zendt de PLM een serienummer naar de printer. De printer drukt het serienummer af en de PLM zendt hetzelfde serienummer naar de lezer (camera, RFID-lezer,...) die het valideert. De volgorde van afgedrukte serienummers moet consistent zijn met de volgorde van gelezen serienummers. Als de productie wordt onderbroken en de transportband wordt gestopt zijn er altijd enkele artikelen tussen printer en lezer die moeten worden weggegooid omdat hun serienummers van de PLM cache zijn gewist, dus worden ze naar na herstart voor validatie naar de camera verzonden. De functie wildcard gebruiken maakt het mogelijk om verder te gaan met de productie na de onderbreking, zonder de achtergelaten artikelen weg te hoeven gooien. Dit wordt gedaan door alleen te controleren op de aanwezigheid van een serienummer, zonder het te valideren. Validatie wordt door de PLM gedaan Wildcards moeten globaal worden gebruikt voor alle lijnopmaken Let op 'usewildcards' is alleen van toepassing op geserialiseerde producten. De functie 'usewildcards' is alleen van toepassing op geserialiseerde producten. Deze functie is niet van toepasing op standaard afdrukverificatie of aggregatieverificatie. Als u de wildcardfunctie algemeen wilt gebruiken voor alle lijnopmaken van een lijn, activeert u de functie usewildcards bij de systeeminstellingen van de lezer. Zie figuur hieronder: 142 / 232 Documentversie A

143 4.10 Productie (A-3.7) 7 114: Afbeelding : Systeeminstellingen > Apparaatinstellingen bewerken > (Lezer selecteren) > Stel selectievinkje in bij Wildcards gebruiken, druk op Opslaan Dus wanneer de lezer wordt geactiveerd gebruikt het wildcards voor het serienummer. De lengte voor het serienummer moet worden gedefinieerd in de order of in het product, bij de Toepassingsidentificator R03, SER LENGTH Gebruik Wildcards Lijnopmaak specifiek Als u de wildcardfunctie alleen wilt gebruiken voor een individuele lijnopmaak, niet voor alle lijnopmaken, moet u sterretjes (*) in het veld invoeren als wildcards voor serienummers bij de lijnopmaak. Plaats deze sterretjes in het serienummerveld in plaats van het serienummer. Ga neer het volgende scherm: Documentversie A 143 / 232

144 7 Productie (A-3.7) : Afbeelding : Productie > Lijnopmaak toevoegen/bewerken > (Lijnopmaak selecteren) > Apparaten > (lezer selecteren) > (vinkje instellen bij het veld 'Geactiveerd ) > (Leeg veld selecteren bij DM0) Selecteer de lege invoer (eerste invoer) bij de eerste kolom naast het veld voor het serienummer (in het voorbeeld DMO ). Voer bij de tweede kolom sterretjes als wildcards in voor het serienummer: 144 / 232 Documentversie A

145 4.10 Productie (A-3.7) 7 116: Afbeelding : Productie > Lijnopmaakt toevoegen/bewerken > (Lijnopmaak selecteren) > Apparaten > (Leeg veld selecteren) > Sterretjes invoeren Voer zoveel sterretjes in als het serienummer lang is. Voor een 8-cijferig serienummer moeten bijv. 8 sterretjes worden ingevuld. Druk op Opslaan om de instellingen op te slaan. Bij het produceren met deze lijnopmaak, wordt alleen de aanwezigheid van een nummer met de juiste lengte (8 cijfers in het voorbeeld) door de camera gecontroleerd. Wildcard for SN in Code met verschillende AI's Als er een code is dat uit verschillende AI's bestaat, inclusief het serienummer; voor het serienummer kunnen wildcards worden gebruikt. Codevelden zijn de velden met een dubbele hash (#) ervoor: (##) DMX (##BC) STREEPJESCODE 128 (##HR) LEESBAAR VOOR MENSEN (##RF) RFID EPC Voorbeeld: AI's die bij de DMX-code moeten worden controleerd GTIN (01); SERIAL (21); USE BY OR EXPIRY (17); BATCH/LOT (10) Invoer in het DM0- veld 01-21(********) Betekenis Acht sterretjes achter de AI21 betekent dat het serienummer acht tekens lang is. In het bovenstaande voorbeeld worden de velden 01; 17 en 10 gecontroleerd. Het serienummer (21) kan variabel zijn maar wordt gecontroleerd om 8-cijferig te zijn HRC-offset is te groot Indicatie / foutbericht: Het scherm bij de software van het ABS ziet eruit zoals hieronder is afgebeeld. Beschrijving: Documentversie A 145 / 232

146 7 Productie (A-3.7) 4.10 De bundelafbeelding bij de wordt gemaakt door een MPC, die meerdere foto's op volgorde nemen, die bijeen worden gevoegd door de camerasoftware. Als de offset te groot is, zal de foto op het scherm er ongeveer zo uitzien: 117: Afbeelding : Offset is te groot Bij het scherm wordt de eerste foto links weergegeven en de tweede foto rechts weergegeven. De bundels bewegen van rechts naar links (standpunt van de camera). Links (eerste foto) worden de eerste twee artikelen uitgesneden en de code van de tweede twee artikelen worden opgenomen. Rechts (tweede foto) worden de tweede twee artikelen uitgesneden. Oplossing: Beide artikelen moeten bij het scherm worden gecentreerd. Verminder offset van de. Actie: Druk op Productie > Toevoegen/bewerken lijnopmaak > ABS PLC Offset (in mm) schatten op basis van de schermfoto. Offset aftrekken van de actuele waarde bij het 'offset' veld en een lagere waarde invoeren. Start productie en test de nieuwe offset. Indien nodig, herhaalt u deze stappen totdat de artikelen zijngecentreerd bij het scherm. 146 / 232 Documentversie A

147 4.10 Productie (A-3.7) 7 118: Afbeelding:Offset is goed Printer-offset is te groot / klein Indicatie / foutbericht: Etiket steekt uit van de bundel. Beschrijving: De printer van de ABS past het etiket toe op de bundel. Als de offset te klein is, wordt het etiket te vroeg op de bundel geplaatst; als het te groot is, wordt het etiket te laat op de bundel geplaatst. Oplossing: Het etiket moet worden gecentreerd bij de bundel. Actie: Druk op Productie > Toevoegen/bewerken lijnopmaak > Lijnopmaak kiezen > Apparaten > (Selecteren ABS PLC) Schat offset (in mm). Offset aftrekken van de actuele waarde bij het veld 'Offset' en nieuwe waarde invullen. Start productie en test de nieuwe offset. Herhaal deze stappen indien nodig totdat bundels bij het scherm zijn gecentreerd Uitwerper-offset is te groot / klein Indicatie / foutbericht: Uitwerping van foutieve bundel wordt te vroeg / te laat ingeschakeld. Beschrijving: Bundels met foutieve etiketten worden automatisch uitgeworpen door de uitwerper. Als de uitwerper te vroeg / te laat wordt ingeschakeld, kan de uitwerping mislukken. Oplossing: De uitwerper-offset moet worden aangepast aan de juiste waarde. Documentversie A 147 / 232

148 7 Productie (A-3.7) 4.10 Actie: Druk op Systeeminstellingen > Apparaatinstellingen bewerken > ABS PLC > Leren Schat offset (in mm). Offset aftrekken van de actuele waarde bij het veld 'Offset uitwerpen' en een nieuwe waarde invoeren. Start productie en test de nieuwe offset. Herhaal indien nodig deze stappen totdat de uitwerping goed werkt Scanneroffset is te groot / klein Indicatie / foutbericht: Camera en printeroffset worden correct afgepast, maar de bundel wordt na het lezen uitgeworpen. Bij de ABS-scanner worden de LED-lichten rood in plaats van groen. Beschrijving: Als de scanneroffset te groot is, wordt het scannen van het label te laat uitgevoerd; als het te klein is, wordt het scannen van het label te vroeg uitgevoerd. Het etiket wordt niet opgenomen en uitgeworpen. Oplossing: De scanneroffset moet aan de juiste waarde worden aangepast. Actie: Druk op Productie > Toevoegen/bewerken lijnopmaak > ABS PLC Schat offset (in mm). Offset aftrekken/optellen van/bij de actuele waarde bij het 'offset' veld en lagere/hogere waarde invullen. Start productie en test de nieuwe offset. Herhaal deze procedure indien nodig totdat het scannen correct wordt gedaan, de LED-lampjes groen zijn en de bundel niet is uitgeworpen "Verwerkingtimeout" bij de MPI software (SCS) Indicatie / foutbericht: Na het nemen van een foto met de bij de SCS, wordt een foutbericht weergegeven: Verwerkingstimeout. Zie de volgende figuur: 148 / 232 Documentversie A

149 4.10 Productie (A-3.7) 7 119: Afbeelding : Foutmelding: "Verwerkingstimeout" Beschrijving: Camera heeft meer tijd nodig om het beeld te analyseren dan waar de timeout nu op is ingesteld. Factoren zijn: Analysevolgorde van het beeld Timeoutwaarde Grootte van geanalyseerd frame Oplossing / Actie: Plaats doos rechtsonder van het geanalyseerde frame Optie: De MPI-software start met het analyseren van de afbeelding rechtsonder en eindigt linksboven. Het rechtsonder plaatsen van de doos kan het lezen versnellen. Zie de volgende figuur: Documentversie A 149 / 232

150 7 Productie (A-3.7) : Afbeelding : Rechtsonder plaatsen van de artikelen Resultaat: Relevante gebieden worden eerder geanalyseerd, timeout wordt niet bereikt. Actie: Plaats de doos rechtsonder van het geanalyseerde frame. Opmerking: De verwijst naar het geanalyseerde gebied van de schermafbeelding; dit kan slechts een deel van het hele scherm zijn als het frame op deze wijze is geplaatst. Raadpleeg de MPI softwarehandleiding (functie "Onderdeelafbeelding selecteren"). De grootte van het geanalyseerde frame wijzigen Optie: Wijzig de grootte van het geanalyseerde frame als het huidige gebied groter is dan het benodigde gebied. Resultaat: Camerasoftware hoeft minder te analyseren, timeout wordt niet bereikt. Actie: Plaats de artikelen bij een geschikte positie en stel het frame in bij de MPI-software. Wijzig naar de MPI software-interface en druk op cameramenu > Aanmelden > Stop > Toleranties > Camera instellingen > Afbeelding onderdeel selecteren (venster instellen rond de doospositie) Raadpleeg ook de MPI softwarehandleiding (functie "Onderdeelafbeelding selecteren ). 150 / 232 Documentversie A

151 4.10 Productie (A-3.7) 7 121: Afbeelding : Frame van het geanalyseerde gebied instellen Bij het nemen van een nieuwe foto toont het scherm alleen het geanalyseerde gebied en ziet er als volgt uit: 122: Afbeelding : Frame van het geanalyseerde gebied Documentversie A 151 / 232

152 7 Productie (A-3.7) 4.10 Wijziging timeout Optie: Timeout wijzigen naar een hogere waarde als productiesnelheid dit toelaat. Resultaat: Analysetijd is onder timeout, timeout niet bereikt. Actie: Raadpleeg de MPI softwarehandleiding 7.9 Apparaatopties tijdens productie (A-3.7.9) Tijdens productie geeft het Thuis (druk op Thuis) een overzicht van de beschikbare apparaten als visuele presentatie van het schakelregister (zie hieronder). Vanuit dit scherm krijgt u het menu apparaatinstellingen. Hiervoor drukt u op de corresponderende balken. De schermen van de apparaten en hun gebruik worden beschreven in de volgende hoofdstukken. De volgende figuur toont het Thuis scherm: 123: Afbeelding : Thuis (terwijl de productie draait) Pos. Naam Functie 1 Statusbalken van apparaat Het hoofdmenu Pilot Line Manager blijft telkens zichtbaar. Alle beschikbare bedrijfscomponenten worden weergegeven om het omschakelen tussen de programmafuncties mogelijk te maken (afhankelijk van de bevoegdheden van de gebruiker). 2 Teller (Goed/slecht/gemiddeld) van de bevestigde apparaten Let op Raadpleeg de bedieningsinstructies van elk apparaat Raadpleeg voor het complete functionele bereik van de individuele apparaten de respectieve bedieningsinstructies Smart Camera Naam klasse: PCE_MSC Het PCE-beelverwerkingssysteem wordt bediend via een eenvoudige menunavigatie op het display en via het geïntegreerde touchscreen. De gebieden die moeten worden gecontroleerd, worden aan de hand van de venstertechniek gemarkeerd en gecontroleerd. Voor afzonderlijke producten worden bedieningsinstructies weergegeven. De in de camera gedefinieerde velden worden gebruikt in de lijnenopmaak. 152 / 232 Documentversie A

153 4.10 Productie (A-3.7) 7 Let op Naar het hoofdmenu gaan Indien het systeem wordt ingeschakeld, begint het productieverloop en daardoor de eigenlijke evaluatiemodus. Om naar het hoofdmenu van de camera te gaan, selecteert u de camera, drukt op MENU en verlaat de productierun. Vanuit het hoofdmenu van de camera kunt u alle smart camera-instellingen bewerken (zie bedieningshandleiding van Smart Camera). 124: Afbeelding : Thuis > Smart Camera Voor het instellen van de bedieningsvensters (OCV, OCR, Code, etc.) zie hoofdstuk [} 58] Controle van serienummer (A ) Het lezen van getallen en controleren wordt door de camera gedaan. Elk individueel serienummer wordt door de camera tegen het patroon gecontroleerd. Als een serienummer niet past bij de serienummers die in het systeem in werking zijn gesteld, wordt een foutbericht verzonden aan de PLM High Resolution Camera (HRC) Dit scherm toont de resultaten van de en is alleen voor weergavedoeleinden. Documentversie A 153 / 232

154 7 Productie (A-3.7) : Afbeelding : Thuis > Megapixel Camera (tijdens productie) Als u de, wilt gebruiken, drukt u in het hoofdmenu op MPI. Bij de ABS monitor schakelt u van PLM naar HRC-AI software met de schakelknop Handscanner (A ) 126: Afbeelding : Thuis > handscanner (tijdens productie) 154 / 232 Documentversie A

155 4.10 Productie (A-3.7) 7 Naam klasse: Honeywell_Scanner Met de knoppen bij het bovenste deel van het scherm kunt u zoals hieronder is beschreven de corresponderende functies aanroepen. Deze tabel geeft een overzicht van de functies: Naam Informatie tonen Hiërarchie tonen Aggregatie tonen Debugconsole Informatie tonen Functie Bekijk de code die wordt gelezen door de handscanner. Bekijk de classificering van de gelezen codes vanuit de huidige taak in een boomstructuur. Bekijk de eerder uitgevoerde aggregatie binnen de huidige aggregatiestap. Bekijk een analyse van ingelezen codes (De debugconsole is alleen zichtbaar als onder systeeminstellingen bij de parameter 'debugmodus' een vinkje is geplaatst. Druk de knop Informatie tonen om de code te tonen die wordt gelezen door de handscanner. 127: Afbeelding : Thuis > Handscanner > Informatie tonen (tijdens productie) Hiërarchie tonen Druk op Hiërarchie tonen bij het scherm Handscannernavigator en scan een product om de classificering van de gelezen codes van de huidige taak in een boomstructuur weer te geven. Documentversie A 155 / 232

156 7 Productie (A-3.7) : Afbeelding : Thuis > Handscanner > Hiërarchie weergeven (tijdens productie) De kleuren van de serienummerpunten hebben de volgende betekenissen: Wit: geldig serienummer Geel: serienummer verworpen door camera Rood: niet herkend serienummer door de handscanner U kunt een taaknaam oproepen van de database door te drukken op ordernaam invoeren en de ordernaam in te voeren. U kunt een gegevensmatrixcode ook scannen met de handscanner om informatie te krijgen over zijn hiërarchie. Druk op wissen om het beeldscherm te herstellen Aggregatie tonen Druk op Aggregatie tonen iom de al uitgevoerde aggregatie te tonen binnen de huidige aggregatiestap. 156 / 232 Documentversie A

157 4.10 Productie (A-3.7) 7 129: Afbeelding : Thuis > Handscanner > Aggregatie tonen (tijdens productie) Druk op herstellen om het beeldscherm terug te zetten en vanaf dit moment worden nieuw geaggregeerde serienummer weergegeven Debugconsole Het debugoppervlak maakt de analyse van ingelezen codes mogelijk. De knop debugconsole is alleen zichtbaar als onder systeeminstellingen bij de parameter 'debugmodus' een vinkje is geplaatst Wolke Printer menu tijdens productie Het Printermenu van de Wolke printer geeft de volgende opties: Documentversie A 157 / 232

158 7 Productie (A-3.7) : Afbeelding : Thuis > Wolke Printer (tijdens productie) Naam klasse: Wolke_M600 Servicetoetsen: Machine-instellingen Inktniveau-instellingen Tonen in Procesregeling Toon label voorbeeld Machine-instellingen Hier krijgt u informatie over de instellingen van de Wolke printer. 158 / 232 Documentversie A

159 4.10 Productie (A-3.7) 7 131: Afbeelding : Thuis > Wolke Printer > Machine instellingen (tijdens productie) Inktniveau-instellingen Dit menu toont de printerinstellingen (Wolke printer). Instellingen kunnen worden geconfigureerd. Dit scherm toont de inktniveaus van de printkoppen. De inktniveauweergave kan terug naar 100% worden gezet met Inktniveaus herstellen wanneer het patroon is gewijzigd. 132: Afbeelding : Thuis > Wolke Printer > Inktniveau instellingen (tijdens productie) Documentversie A 159 / 232

160 7 Productie (A-3.7) Reinigen van Wolke-patronen Het is mogelijk om de patronen van de Wolke printer te reinigen zonder machines te verwijderen. Ga als volgt te werk: Als de productie loop, drukt u op Productie > Pauzeren. Verwijder, reinig en plaats het patroon (zie: bedieningshandleiding Wolke printer). Na reiniging kunt u de productie weer opstarten Tonen in procescontrole Tijdens productie kan het ontladingsmechanisme van de Wolke printer bij dit menu worden getest. 133: Afbeelding : Thuis > Wolke Printer > Tonen in procescontrole (tijdens productie) Bij dit scherm heeft u de volgende opties: Laad IPC: Gewenste uitdraai-informatie (bijv. druk B af in plaats van 8 ) is mogelijk. Schakel IPC: Met een vouwkarton, de uitdraai blijft leeg Etiketvoorbeeld Het etiket van de geselecteerde printeropmaak wordt getoond. Velden die zijn omgeven met groen zijn variabel, grijze velden zijn velden die niet worden gebruikt. 160 / 232 Documentversie A

161 4.10 Productie (A-3.7) 7 134: Afbeelding : Thuis > Wolke Printer > Etiketvoorbeeld weergeven (tijdens productie) Domino Printer-menu Het Domino printermenu ziet er tijdens de productie als volgt uit: 135: Afbeelding : Thuis > Domino printer (tijdens productie) Bij dit menu heeft u de volgende opties: Documentversie A 161 / 232

162 7 Productie (A-3.7) 4.10 Start SIM: Start printersimulatie software. Bladeren: Selecteer pad waar de software voor de APS printersimulatie software kan worden gevonden. Ververs directory: Ververst de getoonde directory. Zend geselecteerd bestand: Zend geselecteerd bestand naar printer). Zend alle bestanden: Zend alle bestanden naar printer. Haal geselecteerd bestand: Zend geselecteerd bestand van printer naar IPC. Haal alle bestanden: Zend alle bestanden van printer naar IPC. Herstel inktniveau: Herstel teller voor het inktniveau na verwisseling van het inktpatroon Cameramenu tijdens productie (A ) Het cameramenu tijdens productie toont het leesresultaat van het laatst gelezen artikel. Druk op Thuis > Cameramenu > batchrapporten > Afbeeldingen weergeven. Op dit scherm kunt u de beelden van de Smart Camera zien die tot een fout hebben geleid. Camera goede lezing: 136: Afbeelding : Thuis > Cameramenu > Batchrapporten > afbeeldingen weergeven (tijdens productie) goed Camera slechte lezing: 162 / 232 Documentversie A

163 4.10 Productie (A-3.7) 7 137: Afbeelding : Thuis > Cameramenu > Batchrapporten > afbeeldingen weergeven (tijdens productie) - slecht Als zich een meetfout voordoet, wordt dit optisch weergegeven bij het scherm Foutbeelden tonen met een rood frame. Het rode frame markeert de codes / nummers / karakters die als onwaar zijn gedetecteerd. Links bovenin het rode frame ziet u welk type fout het is, bijv. OCV0, OCV PLC Let op Foutbericht na herhalende fout Als dezelfde fout zich herhaalt (afhankelijk van systeeminstellingen, opeenvolgende fout), zal er een foutbericht worden weergegeven om dit te bevestigen. Tijdens productie geeft het PLC menu de informatie zoals in het volgende scherm: Documentversie A 163 / 232

164 7 Productie (A-3.7) : Afbeelding : Thuis > PLC (tijdens productie) Naam klasse: Siemens PLC IP / PLC PPI. Alleen de tellers worden weergegeven. 164 / 232 Documentversie A

165 4.10 Hoe om te gaan met 8 8 Hoe om te gaan met Dit hoofdstuk bevat stapsgewijze instructies voor serialisatie en aggregatie met PLM op en productielijn. 8.1 Opstelling en Inbedrijfstelling Een order instellen (H-1.3) Vereisten: De driversoftware is eerder geïnstalleerd Achtergrond van de functie: Een order instellen op een PLM-systeem 1. Aanmelden 2. Druk op Productie en daarna op Toevoegen/Bewerken order. 3. Druk op Toevoegen; Vul een naam in en selecteer een lijnopmaak; Druk op Opslaan. 4. Druk op Details; Vul waarden voor de order in (zie hoofdstuk Orderbeheer (A-3.7.4) [} 107]); Druk op Gegevens verifiëren; Als de verificatie niet succesvol is voltooid, bevestigt u dit met OK. 5. Druk 2 x op Terug; Druk op Start productie via order Een product instellen (H-1.4) Vereisten:De driversoftware is eerder geïnstalleerd Achtergrond van de functie:een order instellen op een PLM-systeem 1. Van overzicht naar productiemodus wisselen 2. Wissel vanuit productiemodus naar Toevoegen/bewerken product Documentversie A 165 / 232

166 8 Hoe om te gaan met Menu Toevoegen/bewerken product: 4. Plaats de cursor in de Productlijn 166 / 232 Documentversie A

167 4.10 Hoe om te gaan met 8 5. Vul productnaam en -beschrijving in 6. Menu voor nieuw toegevoegd product Documentversie A 167 / 232

168 8 Hoe om te gaan met Voeg nieuw productveld toe voor nieuw product 8. Selecteer GTIN-productveld 9. Wijs rang 1 toe 168 / 232 Documentversie A

169 4.10 Hoe om te gaan met Definieer waarde voor GTIN-variabele 11. Voeg verder productveld toe voor nieuw product 12. Selecteer opnieuw GTIN-productveld 13. Wijs rang 3 toe Documentversie A 169 / 232

170 8 Hoe om te gaan met Definieer waarde voor GTIN-variabele Productinstelling is voltooid. 170 / 232 Documentversie A

171 4.10 Hoe om te gaan met Een nieuwe PLM installeren (H-1.2) Vereisten: De driversoftware is eerder geïnstalleerd Achtergrond van de functie: Een nieuwe PLM instellen en de eerdere behouden Een nieuwe PLM installeren en de eerdere behouden 1. Meld u aan bij de PLM als systeembeheerder 2. Gebruik 'afmelden' 'afsluiten naar OS' om de PLM te verlaten en naar Windows te gaan 3. Ga naar de map C:/PCE/Pilot/ en hernoem de map Pilot naar Pilot_old 4. Maak een nieuwe map, genaamd Pilot in de PCE-map Problemen die zich kunnen voordoen Bij stap 4): geen Windows-taakbalk of gebruikelijk bureaublad Oplossing: sluit een toetsenbord aan het druk op ctrl alt delete om Taakbeheer te starten Bij stap 3): Pad niet gevonden Oplossing: Rechterklik op het PLM-pictogram op het bureaublad om de eigenschappen weer te geven. Daar kunt u het pad vinden. 8.2 Handmatige bediening Behandeling van items na een stroomstoring of noodstop (H-2.1) Vereisten: De driversoftware is eerder geïnstalleerd Achtergrond van de functie: Het behandelen van items na een stroomstoring of noodstop Na een noodstop of stroomstoring moeten alle items binnen de SX2MV worden opgepakt en gecontroleerd 1. Ga naar het menu Thuis > Handscanner (globaal) > Informatie tonen 2. Scan het item en controleer of de status valid is 3. Status valid = 0: Gooi het item weg/renoveer het item. Status valid = 1: Druk op decommission en controleer of de status 'valid' naar 0 verandert. Gooi het item weg/renoveer het item Een doos- of palletetiket opnieuw afdrukken (H-2.4) 1. Druk op Thuis > Handscanner globaal > Hiërarchie tonen 2. Scan het doos- of palletetiket of selecteer het etiket dat opnieuw moet worden afgedrukt binnen de hiërarchieboom. 3. Druk op Etiket afdrukken. Serienummer kan dezelfde of een ander serienummer hebben (afhankelijk van systeeminstellingen). Documentversie A 171 / 232

172 8 Hoe om te gaan met Bevestig met Ja. 5. Controleer het etiket met de (respectievelijk globaal, doos of pallet) handscanner Verdergaan met een gepauzeerde order (H-2.5) 1. Druk op Productie > Start productie via order 2. Druk op de gepauzeerde order (orderkleur is oranje) 3. Druk op Volgende > Start productie Een order pauzeren (H-2.6) 1. Druk op Productie > pauzeren om een order te pauzeren. De ordergegevens blijven actief, zelfs wanneer het systeem wordt uitgeschakeld. De orderkleur wordt oranje binnen de orderlijst. 2. Druk op Verdergaan om verder te gaan met de order Hiërarchie tonen (H-2.7) 1) Druk op Thuis > Handscanner globaal. 2) Druk op Hiërarchie tonen 3) Scan etiket. De hiërarchie wordt getoond Een item naar een gesloten gedeeltelijke doos aggregeren (H-3.7) 1. Druk op Thuis > Handscanner globaal > Hiërarchie tonen 2. Scan een geldig en verweesd item 3. Druk op Aggregeren 4. Vul SSCC in van de gedeeltelijke doos of scan het doosetiket 5. Bevestig met OK. 172 / 232 Documentversie A

173 4.10 Hoe om te gaan met 8 6. Als de inhoudtelling is bereikt (doos is vol), wordt automatisch een etiket afgedrukt. OF Als de inhoudtelling niet wordt bereikt (doos is onvolledig) gaat u verder met Aggregatie van gedeeltelijke doos of pallet om de onvolledige bundel te sluiten Een doos naar een gesloten gedeeltelijke pallet aggregeren (H-3.8) 1. Druk op Thuis > Handscanner globaal > Hiërarchie tonen 2. Scan de doos 3. Druk op Aggregeren 4. Vul SSCC in van de gedeeltelijke pallet of scan het palletetiket 5. Bevestig met OK Pallet naar zending aggregeren (H-3.9) 1) een verzending is rang 5 2) De hoeveelheid pallet voor de verzending moet groot genoeg zijn om ervoor te zorgen dat elke verzending handmatig moet worden afgesloten. Dit betekent dat de inhoudtelling (AI 37) groter moet zijn dan het mogelijke aantal pallets bij de verzending, om ervoor te zorgen dan een SSCC-label wordt afgedrukt Een item aggregeren naar een doos bij MAS (H-3.10) 1. Selecteer Thuis > Handscanner globaal > Aggregatie tonen 2. Selecteer Doos (rang3) en Aggregeren. 3. Scan de items. 4. Selecteer Aggregeren. 5. Selecteer Sluiten. 6. Selecteer Nieuw etiket afdrukken Het scherm ziet er als volgt uit: 7. Vul de nieuw inhoudsgrootte van de nieuwe doos in en druk op Enter op het toetsenbord. 8. Er wordt een nieuw doosetiket afgedrukt. 9. Controleer het etiket met de handscanner. 10. Sluit de doos en plaats het etiket op de doos. Documentversie A 173 / 232

174 9 Speciale Toepassingen Speciale Toepassingen 9.1 Communicatie met Pilot Site Manager (A-3.8.1) PLM en PSM schrijven en gebruiken meestal dezelfde database. Deze gegevens worden permanent door beide systemen bijgewerkt. Let op PLM en PSM gebruiken gezamenlijke database Het uploaden van nieuwe aggregatie naar de Pilot Site Manager (PSM) gebeurt automatisch door gegevens op te slaan naar de database en heeft geen handmatige actie nodig. Let op Geen nieuwe verwerking na upload naar de database Wanneer gegevens al naar het ERP-systeem zijn verzonden door PSM (aggregatie is gemarkeerd), is het niet mogelijk dit opnieuw te verwerken. Het is mogelijk om opmaakinstellingen op de PLM toe te passen die vooraf zijn geconfigureerd in de PSM. Hiervoor raadpleegt u de PSM bedieningshandleiding. 174 / 232 Documentversie A

175 4.10 Systeeminstellingen bewerken Systeeminstellingen bewerken 10.1 Definiëren van databaseverbinding Schakelen tussen de externe en interne database wordt gedaan door geschikte invoeren in het register. Om de scripts aan te passen aan de vereisten van de cliënt, moeten de PLM registerscripts worden aangepast met een bewerkingsprogramma zoals Notepad. De registerscripts slaan de gegevensverbindingsgegevens op in het Windows register. Voorbeeld voor de Microsoft SQL in Windows Registry Editor versie 5.00 [HKEY_LOCAL_MACHINE\SOFTWARE\JavaSoft\Prefs\de\pharmacontrol\tnt] "db/driver/class/name"="com.microsoft.sqlserver.jdbc./s/q/l/server/driver" "db/connect/u/r/l"="jdbc:sqlserver:\\\\ :1433;/database/name=pcepilot_v1_7" "db/username"="sa" "db/password"="" "line/name"="local" 10.2 Wisselen tussen lijnen Als u de productie wilt wijzigen naar een andere lijn, dan kunt u dat gemakkelijk doen via de lijnwisselfunctie. Druk op Lijn wisselen bij het overzocht systeeminstellingen (zie hoofdstuk [ } 36]). Het volgende scherm verschijnt: 139: Afbeelding : Systeeminstellingen > Lijn wisselen Selecteer de gewenste lijn en druk op Lijn wisselen. De lijn wordt daarna geselecteerd. De huidige geselecteerde lijn wordt afgebeeld bij het veld 'Lijnident' rechts bovenin het scherm. Documentversie A 175 / 232

176 10 Systeeminstellingen bewerken Wijzigen van globale systeeminstellingen Als u wilt wijzigen naar de globale systeeminstellingen, selecteert u STANDAARD uit de lijst en drukt daarna op Lijn wisselen. Ga daarna naar de systeeminstellingen en wijzig de waarden. Na het wijzigen van de waarden bij de systeeminstellingen gaat u terug naar lijn wisselen en selecteert u de eerdere lijn Tweede handtekening berichtconfiguratie Tweede handtekening is een beveiligingsfunctie die definiërende acties en/of berichten mogelijk maakt die moeten worden bevestigd door een tweede gebruiker (vier ogen principe). Om deze functie te gebruiken moeten enkele configuratie-instellingen worden ingesteld. Een lijst van de tweede handtekeningsinstellingen kan geïmporteerd en geëxporteerd worden. Om de tweede handtekeningfunctie in te stellen heeft u de volgende gebruikersrechten nodig: mayseebuttonsysconfig mayeditsyssettings mayseesecsigconfig Voorwaarden Bij het gebruikersbeheer hebben groepen gedefinieerde niveaus. Alleen gebruikers die groepsleden zijn en die een gedefinieerd wachtwoord hebben kunnen deelnemen in het tweede handtekeningproces. De tweede handtekening kan alleen worden gegeven voor een gebruiker die is geregistreerd in de database van de PLM en niet is vergrendeld. Extra regels voor tweede handtekeningprivilege: Het niveau waartoe een gebruiker behoort is ook zijn autorisatieniveau. Geldige groepsniveauwaarden zijn Niveau 10 is het hoogste niveau. Het groepsniveau van de ondertekenende gebruikt moet hoger zijn dan het groepsniveau van de gebruiker die ondertekend wordt. Als een gebruiker tot meer dan één groep behoort, dan geldt de autoriteit van de hogere groep. Leden van de hoogste groep (Niveau10) kunnen elkaar ondertekenen. Gebruikers die niet zijn gerelateerd aan een groep krijgen niveau 0 en kunnen niet deelnemen aan een tweede handtekening. Gebruikers die zijn gerelateerd aan meer dan een groep krijgen het hoogste niveau onder de groepsniveaus Activeren van tweede handtekening In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe de functie 'tweede handtekening' moet worden geactiveerd en toegewezen. Om de tweede handtekeningfunctie te activeren, moeten de volgende acties worden uitgevoerd: Stap Beschrijving Uitleg 1 Druk op Systeeminstellingen > Systeeminstellingen bewerken 2 Plaats een vinkje bij beide selectievakjes van de parameter 'SI01 tweede handtekening'. 3 Druk op Opslaan. Om de instellingen op te slaan Om de tweede handtekeningopdracht toe te wijzen voor een actie/bericht, voert u de volgende stappen uit: Stap Beschrijving Uitleg 1 Druk op Systeeminstellingen > (Tweede handtekening actieconfiguratie of Tweede handtekening berichtconfiguratie) - - Volgens welke u wilt toewijzen (bericht of actie) 2 Druk op Importeren Om een tweede handtekening xml-bestand te laden (als dit niet al eerder is gedaan) 176 / 232 Documentversie A

177 4.10 Systeeminstellingen bewerken 10 3 Selecteer het tweede handtekening xml-bestand en druk op openen Bestand zal worden geladen 4 Plaats de vinkjes Bij de selectievakjes van de berichten/acties die met een tweede handtekening moeten worden bevestigd 5 Druk op Opslaan Om de instellingen op te slaan 6 Herstart de Pilot Line Manager Na het herstarten zijn de wijzigingen geldig Tweede handtekeninggroep Deze parameter wordt gebruikt om de tweede handtekeningfunctie te faciliteren. Als deze parameter is geactiveerd, worden alle andere groepshiërarchieën in termen van tweede handtekening genegeerd en alleen gebruikers die zich voegen bij de groep SI02 Tweede handtekening mogen bevestigen. Alle andere gebruikers hebben geen bevestigingsrechten. Om de functie 'SI02 Tweede handtekeninggroep' te activeren, voert u de volgende stappen uit: Stap Beschrijving Uitleg 1 Druk op Systeeminstellingen > Systeeminstellingen bewerken 2 Voer de parameters in voor: AD01 Actieve directory servernaam ; AD02 Actieve directory domeinnaam ; AD03 Actieve directory zoekpad ; AD02 Actieve directory zoekfilter. 3 Plaats een vinkje bij beide selectievakjes van de parameter SI02 Tweede handtekeninggroep. - Dit is een voorwaarde om de functie te gebruiken. De parameters zijn grijsgemaakt omdat er globale systeeminstellingen zijn. Om de instellingen te wijzigen zie hoofdstuk [} 176]. 4 Druk op Opslaan. Om de instellingen op te slaan Na het activeren van de functie Tweede handtekeninggroep kunt u gebruikers toevoegen aan de groep om tweede handtekeningrechten aan ze toe te wijzen Berichtconfiguratiescherm Binnen dit menu kunt u de berichten definiëren die moeten worden bevestigd met een tweede handtekening. Een lijst van de beschikbare alarm- en waarschuwingsnummers kan worden geïmporteerd. De gegevens kunnen worden geïmporteerd en geëxporteerd als een XML-bestand. - Documentversie A 177 / 232

178 10 Systeeminstellingen bewerken : Afbeelding : Systeeminstellingen > Tweede handtekening berichtconfiguratie Actieconfiguratiescherm Binnen dit menu kunt u de acties configureren die moeten worden bevestigd met een tweede handtekening, door een vinkje bij zijn selectievakje te plaatsen. Een lijst van de beschikbare acties kan worden geïmporteerd. De gegevens kunnen worden geïmporteerd en geëxporteerd als een XML-bestand. 141: Afbeelding : Systeeminstellingen > Tweede handtekening actieconfiguratie 178 / 232 Documentversie A

179 4.10 Systeeminstellingen bewerken Importeren / exporteren van het tweede handtekening XML-bestand Het tweede handtekening xml-bestand bevat alle acties / berichten voor welke de functie beschikbaar is. Import Om het tweede handtekening xml-bestand te importeren drukt u op Systeeminstellingen > (Tweede handtekening actieconfiguratie of Tweede handtekening berichtconfiguratie) > importeren > (Selecteer het tweede handtekening xmlbestand) > openen. Export Om het tweede handtekening xml-bestand te exporteren drukt u op Systeeminstellingen > (Tweede handtekening actieconfiguratie of Tweede handtekening berichtconfiguratie) > exporteren Importeren van ERP-gegevens over XML-configuratie Binnen dit menu kunt u de paden definiëren waar de Pilot Line Manager order- en productgegevens haalt van een XML document. 142: Afbeelding : Systeeminstellingen > Importeren van ERP gegevens over XML configuratie. Druk op Toevoegen en selecteer een nieuw pad voor de XML-configuratie en bevestig kennisgeving De kennisgeving maakt het mogelijk om gebruikers via te informeren over interne foutberichten. De kennisgeving wordt geïmplementeerd als een apparaatklasse. Dus moet een apparaat worden gecreëerd om het te gebruiken. Een apparaat aanmaken Noem het apparaat _Notification. Zie hoofdstuk [} 42] Aanmaken van een apparaat [} 42] voor hoe een apparaat moet worden aangemaakt. Selecteer PCE_ _NOTIFICATION als naam van de Klasse. Druk op OK. Documentversie A 179 / 232

180 10 Systeeminstellingen bewerken : Afbeelding : Systeeminstellingen > Apparaat creëren/bewerken/toevoegen Open de kennisgeving door op het volgende pad te klikken: Systeeminstellingen > Apparaatinstellingen bewerken > _notification 144: Afbeelding : Systeeminstellingen > Apparaatinstellingen bewerken toevoegen > _NOTIFICATION Vul bij het tabblad de volgende gegevens in: 180 / 232 Documentversie A

181 4.10 Systeeminstellingen bewerken 10 Veldnaam Voorbeeld Beschrijving Naam: _Notification De apparaatnaam is ingevuld Beschrijving: PCE kennisgeving De naam van de onderwerpregel van de StandaardVerzendAdres: StandaardGebruiker: Adres van de afzender server adres MailHost: info.(domein).com Adres gastheer Wachtwoord: ******* Wachtwoord BoxingRank: (O) Globaal Vooraf gedefinieerd Druk op Parameters. Vul een bestemmings adres in waar de naar moet worden verzonden en vul de gwenste foutcode in die naar dit adres moet worden verzonden. Herhaal deze stap voor verschillende adressen. Druk op Opslaan om de notificatie-instellingen op te slaan Bewerken maand naamlijst Binnen dit menu kunt u de invoer en uitvoeropmaak definiëren van de maandnaam. Om naar het dialoogvenster te gaan drukt u op Systeeminstellingen > Maandnaamlijst bewerken Numerieke waarden worden omgezet in namen, bijv. 04 in APR / Apr / Apr. (afhankelijk van de opmaak MNL01 / MNL02 / MNL03 ). De omzetting van de ingeleerde gegevens wordt gerealiseerd onder het voorbehoud dat zij corresponderen met de respectieve opmaak. 145: Afbeelding : Systeeminstellingen > Maandnaamlijst bewerken De volgende figuur toont dat OCV0 de opmaak JAN/FEB/MRT/ (= MNL01 ) verwacht. MNL01: JAN;FEB;MRT;APR;MEI;JUN;JUL;AUG;SEP;OKT;NOV;DEC MNL02: Jan;Feb;Mrt;Apr;Mei;Jun;Jul;Aug;Sep;Okt;Nov;Dec MNL03: Jan.;Feb.;Mar.;Apr.;Mei;June;Juli;Aug.;Sept.;Oct.;Nov.;Dec. MNL04: Q1;Q1;Q1;Q2;Q2;Q2;Q3;Q3;Q3;Q4;Q4;Q4 Druk op Opslaan om de maandnaamlijst op te slaan. Documentversie A 181 / 232

182 10 Systeeminstellingen bewerken : Afbeelding : Systeeminstellingen > Maandnaamlijst bewerken > Importeren 10.7 Systeemgegevens Op het scherm Systeeminformatie op het tabblad systeeminformatie vindt u de volgende systeeminformatie: Besturingssysteem Netwerk Database Apparaten Lijninstellingen Tweede handtekening Extraheren van systeeminformatie Om een overzicht te krijgen van alle geïnstalleerde software en apparaten opent u het scherm Systeeminstellingen (zie: Hoofdstuk [} 36]) en druk op Systeeminformatie. Het volgende scherm verschijnt: 182 / 232 Documentversie A

183 4.10 Systeeminstellingen bewerken : Afbeelding : Systeeminstellingen > Systeeminformatie Druk op Klembord om de informatie te kopiëren in het klembord om het in te voegen in een bewerkingsprogramma (bijv. Notepad). Met Opslaan, kunt u de systeeminformatie opslaan in het system_info.log bestand in het C:/PCE/Pilot/log pad (of in het PDF Templates pad dat is gedefinieerd in de systeeminstellingen, indien toepasbaar) Systeemlogboeken Logboekbestanden van programmarapporten worden in dit menu getoond voor informatiedoeleinden en voor het zoeken van fouten. De inhoud wordt opgeslagen in het bestand plm.log in het pad C:/PCE/Pilot/ log (of in het pad PDF Templates dat is gedefinieerd in de systeeminstellingen, indien toepasbaar). Documentversie A 183 / 232

184 10 Systeeminstellingen bewerken : Afbeelding : Systeeminstellingen > Systeeminformatie > Tabblad systeemlogboeken Debugmodus: Deze knop wisselt de PLM tijdelijk naar de debugmodus. Bij het herstarten van de PLM wordt het gewisseld naar de normale modus Verwijderen/opslaan foutbeelden Bij dit scherm slaat u foutbeelden op of verwijdert u foutbeelden die niet langer geldig zijn. Druk op Systeeminstellingen Verwijderen opgeslagen foutbeelden om dit dialoogvenster te krijgen. Selecteer een afbeelding en sla het op met Opslaanof verwijder het met Verwijderen. 184 / 232 Documentversie A

185 4.10 Systeeminstellingen bewerken : Afbeelding : Systeeminstellingen > Verwijderen opgeslagen foutbeelden 10.9 Master/Slave-functie Vanaf versie 4.10 is de PLM voorzien van een Master/Slave-functie die mogelijk maakt dat binnen een lijn verschillende aggregatiestappen onafhankelijk worden uitgevoerd. Bij het gebruik van deze functie werkt een PLM als master (we raden de XMV, Rang1 aan) en alle andere PLM's werken als slaves. Dit geeft de volgende voordelen: Voordelen De master is het enige station binnen een lijn waar de order kan worden aangemaakt, bewerkt, gestart en voltooid. Als zich een fatale fout voordoet, zal slechts één rang worden gedeactiveerd, en kan de productie verdergaan bij de andere stations. Als zich een fatale fout voordoet, hoeft alleen de getroffen machine worden leeggemaakt van de producten, niet de heel lijn. Tijdens de productie hoeven alleen de benodigde stations beschikbaar te zien (andere stations zijn niet nodig). Voorwaarden Als master/slave-modus in een lijn wordt gebruikt, moet er een master zijn en alle andere stations moeten slaves zijn. Slaves mogen alleen orders pauzeren en verdergaan als ze eerder door de master zijn gestart. Het aanmaken, starten, voltooien en verwijderen van orders is vanaf daar niet mogelijk. Wanneer een order wordt voltooid bij de master, wordt de order ook voltooid bij alle slaves. Apparaten zijn specifiek voor elke PLM. Productgegevens, gebruikersbeheer en ordergegevens gelden voor de hele lijn. Lokale lijncaching worden niet ondersteund in master/slave-modus. Slaves en masters gebruiken meestal dezelfde databse om redundante gegevensopslag te voorkomen Configuratie van master en slave Dit hoofdstuk beschrijft de configuratie van master/slave-modus. Documentversie A 185 / 232

186 10 Systeeminstellingen bewerken 4.10 Voorwaarden Verbindt elke lijn met de database (extern net, tweede netwerkkkaart). Voor dit doeleinde mag geen automatisch IP-adres worden gebruikt. Verbind de master en slaves intern via tcp/ip. Gebruik de interne netwerkkaarten met IP x.20x. Activeer de TcpAckFrequency voor dit netwerk in het register voor elke PC. De master en elke slave moeten worden gedefinieerd als gescheiden lijnen in een gezamenlijke database (tbl_lines) op een databaseserver. De databaseverbinding moet voor elke lijn worden ingesteld als een registerinvoer. De tweede netwerkkaart van de IPC moet worden gebruikt voor dit externe net. Er mag een automatisch IP-adres worden gebruikt. Slaves hebben nooit een eigen database. Ze zijn altijd verbonden aan dezelfde database als de master. Toekomstfunctie In het geval van lokaal cachen moet de slave een verbinding hebben met de cachedatabase en de globale. Om lokaal cachen te gebruiken, moet een MSSQL-serverdatabase op de master- IPC zijn geïnstalleerd Een Slave starten Verbindingsinvoer-voorbeeld van een registerdatabase (Master): Windows Registry Editor versie 5.00 [HKEY_LOCAL_MACHINE\SOFTWARE\JavaSoft\Prefs\de\pharmacontrol\tnt] "db/driver/class/name"="com.microsoft.sqlserver.jdbc./s/q/l/server/driver" "db/connect/u/r/l"="jdbc:sqlserver:\\\\ :1433;/database/name=plm_4_10_test" "db/username"="sa" "db/password"="xxx" "line/name"="master" Slave 1 (dezelfde als master, maar andere lijnnaam) "line/name"="scs-slave" Slave 2 (dezelfde als master, maar andere lijnnaam) "line/name"="mas-slave" Een PLM kan als slave worden gestart door de parameter slave in te vullen in de standaard launcher. Ga naar C:\PCE\launch_pilot.bat Bestandsnaam: launch_pilot.bat: cd %~dp0 cd Pilot launcher.bat -slave Start de PLM opnieuw op voordat de wijziging in werking treedt. De PLM zal worden gestart als slave De Master starten Als de slaves eerder als apparaten zijn toegevoegd aan de PLM, zal de PLM de slaves herkennen en starten als master. De PLM zal worden gestart als een slave Toevoegen van slaves aan Master-PLM Slaves moeten in de master-plm geconfigureerd worden. Elke slave wordt behandeld als een apparaat. Daarom moet elke slave in de PLM worden aangemaakt als een apparaat. 186 / 232 Documentversie A

187 4.10 Systeeminstellingen bewerken 10 Voer de volgende stappen uit om een slave aan te maken: 1. Om een apparaat aan te maken moet u het scherm Systeeminstellingen (zie hoofdstuk [} 36]) en drukken op Apparaat creëren/bewerken. Bij het scherm Apparaattabel voor lijn ziet u welke apparaten in de PLM zijn aangemaakt. 150: Afbeelding : Systeeminstellingen > Apparaat creëren/bewerken/toevoegen 2. Druk op Toevoegen om extra apparaten toe te voegen. Het volgende dialoogvenster verschijnt: 151: Afbeelding : Systeeminstellingen > Apparaat creëren/bewerken/toevoegen > Apparaat toevoegen 'Apparaatnaam': Vul een geschikte naam in. Dit zal de naam zijn voor het tabblad bij de lijnopmaak. Voor de duidelijkheid raden we aan om de stations als volgt te benoemen: '(Station waarop het apparaat wordt gebruikt)_(slave)'. Voorbeelden*: *ABS Slave1 *SCS Slave2 Documentversie A 187 / 232

188 10 Systeeminstellingen bewerken 4.10 Naam klasse: : Selecteer de klasse PLM_Slave Apparaateigenaar : Leeglaten. 3. Druk op OK. De slave zal aangemaakt worden. Op het thuissscherm worden de slaves weergegeven zoals in het volgende scherm: 152: Afbeelding : Thuis Bedienen van de slave op afstand Slaves kunnen vanaf het masterscherm worden bediend met een verbinding op afstand. Ga neer het thuisscherm: 188 / 232 Documentversie A

189 4.10 Systeeminstellingen bewerken : Afbeelding : Thuis Klik op de betreffende apparaatbalk. Het slavescherm wordt weergegeven binnen het hoofdkader. 154: Afbeelding: Thuis > (klik op de betreffende apparaatbalk) Toestandsinformatie De master visualiseert de toestand van de slaves op het thuisscherm in de apparaatbalk van de slave. Zie het volgende scherm: Documentversie A 189 / 232

190 10 Systeeminstellingen bewerken 4.10 Afbeelding : Thuis Mogelijke toestanden zijn: ONLINE = slave verbonden OFFLINE = slave niet verbonden LOPEND (GESTART) = actief GEPAUZEERD = gaat later verder De slave geeft een verbinding met de master aan door een pictogram in de statusbalk op de onderzijde van het scherm. Mogelijke toestanden zijn: Symbool Betekenis Beschrijving Slave offline Slave is uitgeschakeld of slave is niet fysiek aan de master verbonden. Slave aan master verbonden Slave is niet verbonden aan de master en klaar voor productie Slave-instellingen Bij het masterstation zijn de slaves te bewerken onder Systeeminstellingen > Apparaatinstellingen bewerken > (selecteer slave bij het tabbladmenu).daar kunt u slave-specifieke informatie weergeven en bewerken. Zie het volgende scherm: 190 / 232 Documentversie A

191 4.10 Systeeminstellingen bewerken : Afbeelding : Systeeminstellingen > Apparaatinstellingen bewerken > (selecteer slave bij het tabbladmenu) Parameter Beschrijving Standaardwaarde Toegelaten waarden Naam Naam die is toegewezen in de apparaatbeheerinstellingen van de Master-PLM. - Alfanumeriek Beschrijving Optionele beschrijving - Alfanumeriek autoorderstart automaticmode Wanneer autoorderstart actief is: Master start en probeert de slave te starten. Wanneer automatische modus actief is, is handmatige bediening van het apparaat niet mogelijk. boxingrank Hiërarchieniveau (0) Algemeen Controlevakje Controlevakje internalformats Printer gebruikt interne opmaken Controlevakje ip IP adres van het apparaat - Geldig IP adres linename loglevel needdeviceformat Naam van het SCS-station in de database. Naam die is toegewezen in de database voor de slave-plm. Instelling van hoeveel data wordt gelogd (TRACE/DEBUG/INFO/WARN/ERROR) Beschrijft of het apparaat wel of niet wordt gebruikt in regelopmaak. SLAVE INFO Alfanumeriek Lijsten Controlevakje port Poortnummer Numeriek printermode showdeviceframe vncenable AGGREGATE_PRINTER: BUFFERED_PRINTER: Activeert/deactiveert weergave van het apparaat in het menu overzicht. Afstandbediening van de slaves is mogelijk vanaf het thuisscherm van de master. BUFFERED_PRINTER Lijsten Controlevakje Controlevakje Documentversie A 191 / 232

192 10 Systeeminstellingen bewerken 4.10 vncpassword Password voor vnc verbinding pce Alfanumeriek vncport Standaard poort voor vnc verbinding 5900 Alfanumeriek Startgedrag Bij het bovenstaande scherm kunt u de onderlinge afhankelijkheid van master en slave configureren door de selectievakjes 'autoorderstart' en 'automaticmode' aan en uit te vinken. Tabel: Betekenis van 'autoorderstart' en 'automaticmode' Modus Actief/ niet-actief Betekenis Opdracht aan Master autoorderstart Master start en probeert de slave te starten. Probeert slave te starten autoorderstart Master start, maar probeert de slave niet te starten. Probeert niet om slave te starten automaticmode Master mag alleen starten als alle slaves online zijn. (zoniet, wordt een foutbericht weergegeven) Niet starten als slave offline is automaticmode Master start, maar toont een waarschuwing dat slave offline is. Stuur foutbericht als slave offline is 192 / 232 Documentversie A

193 4.10 Statistiek Statistiek 11.1 Logboekbestanden beheren (A ) Er is een proces voor logboekregistratie nauw met het gebruikersbeheersysteem verbonden. Pharmacontrol PLM biedt een volledig geïntegreerde, systeembrede logbestandfunctie die via een aanmeldproces kan worden gebruikt. 156: Afbeelding : Logboekbestanden beheren Het PLM -proces voor logboekregistratie beheert een automatisch aan- en afmeldlogboek. Alle actie worden automatisch geregistreerd en opgenomen. Alle acties worden voorzien van een tijdstempel. Ook wijzigingen bij het toewijzen van gebruikersrechten worden in het logbestand genoteerd en kunnen op die manier worden getraceerd. Alle gegevens die in het actuele logbestand worden genoteerd, kunnen op datum gesorteerd in het hoofdvenster worden bekeken. Het logbestand wordt in een database gearchiveerd. Gegevensbeveiliging en geheugengrootte kunnen individueel worden bepaald. Printen wordt een PDF-rapport gegenereerd van alle gegevens die in de database zijn geregistreerd. Dit bericht wordt ondertekend en kan (afzonderlijk) worden gearchiveerd of direct worden afgedrukt. Let op Alle acties worden voorzien van een tijdstempel. U kunt de tijdstempels weergeven bij het logboekbestand. Uitgebreide weergave Om het Filter-scherm weer te geven drukt u op Geavanceerd weergeven. Het volgende scherm verschijnt: Documentversie A 193 / 232

194 11 Statistiek : Afbeelding : Logboekbestandbeheer > Geavanceerd weergeven Uitgebreid verbergen gaat u weer terug naar de weergave Logbestand zonder filter. U kunt de weergave filteren om naar een bepaald bestand te zoeken: Druk op Activeren. Selecteer de opties Gefilterde trap en Gefilterde gebruiker. Meervoudige selectie is mogelijk. Voer naar wens een filterperiode in. Druk op Zoeken. Wanneer u naar een bepaalde tekenvolgorde zoekt, kunt u deze in het veld Filter invoeren en de zoekactie meteen starten. Met de Printen toets, wordt een bestand gegenereerd in de geselecteerde opmaak. De laatste wordt opgeslagen in het pad C:/PCE/Pilot/pdf (of in het pad PDF Templates dat is gedefinieerd in de systeeminstellingen, indien toepasbaar). 194 / 232 Documentversie A

195 4.10 Statistiek : Afbeelding : Logboekbestandbeheer > Geavanceerd weergeven > Printen 11.2 Statistieken weergeven (A ) De PLM wordt geleverd met enkele statistische functies. Druk op statistieken om naar het statistiekenmenu te gaan, zie hieronder: 159: Afbeelding : Statistiek Vanaf hier heeft u de volgende opties: Naam Teller Functie Tellerstatistieken voor goede/slechte eenheden Documentversie A 195 / 232

196 11 Statistiek 4.10 Printkwaliteit DB statistieken Tellerstatistieken voor goede/slechte eenheden Tellerstatistieken voor gecontroleerde en buiten werking gestelde producten volgens de verschillende doosrangen Tellers (A ) 160: Afbeelding : Statistieken > Tellers Op dit scherm worden de tellers vermeld voor de PLC en de camera's van elk afzonderlijk gedefinieerd besturingsvenster. PLC: Producten Afwijzen Camera: OCV-fout Datamatrix-fout In de kolommen aan de rechterzijde worden trendgegevens getoond. 196 / 232 Documentversie A

197 4.10 Statistiek Printkwaliteit (A ) 161: Afbeelding : Statistieken > printkwaliteit In dit menu kan de statistische evaluatie van de printkwaliteit, die is geverifieerd door de camera, worden gezien. De volgende codes kunnen door de camera worden geëvalueerd: DM-code volgens ISO standaard (kwaliteit A / B / C / D / F) Streepjescode 128 volgens ISO standaard (kwaliteit A / B / C / D / F). Het percentage van de printkwaliteit vloeit als resultaat voort van verschillende, afzonderlijke parameters. In de kolommen aan de rechterzijde worden trendparameters getoond. Verificatie-activatie van printkwaliteit via de camera wordt uitgevoerd in het cameramenu, zoals is beschreven in de bedieningshandleiding Optical Character Reading (Optische karaktermeting). Documentversie A 197 / 232

198 11 Statistiek Toon foutbeelden (A ) 162: Afbeelding : Statistieken > Foutbeelden tonen Binnen dit menu kunt u de afbeeldingen zien van de Smart Camera, wat heeft geleid tot een foutevaluatie Databasestatistieken 163: Afbeelding : Statistieken > DB statistieken 198 / 232 Documentversie A

199 4.10 Statistiek 11 Binnen dit menu kunt u het aantal gecontroleerde en buiten werking gestelde producten volgens de verschillende rangen zien (alleen in serialisatie en aggregatie). Documentversie A 199 / 232

200 12 Backup instellingen herstellen (A-3.11) Backup instellingen herstellen (A-3.11) De functie Backup en Herstellen maakt het mogelijk om backups te creëren van de volgende gegevens: Logboekbestand, Cameraopmaken, Lijnopmaken, Systeeminstellingen, PLC-instellingen. Let op Backup maken van apparaatinstellingen We raden aan dat u een backup maakt van al uw apparaatinstellingen nadat alle apparaten zijn ingesteld en de lijn foutloos werkt Backup logboekbestand In dit menu kunt u de gegevensopslagparameters instellen in het logboek. 164: Afbeelding : Backup > Backup vergrendelbestand Vul de vereiste velden in en druk op Backup. Het logboekbestand zal worden opgeslagen op de backupdrive die u heeft gekozen Backup Cameraopmaken Om een backup te maken van de cameraopmaken drukt u op Backup > Backup cameraopmaken. Het volgende scherm verschijnt: 200 / 232 Documentversie A

201 4.10 Backup instellingen herstellen (A-3.11) : Afbeelding : Backup > Backup Cameraopmaken Selecteer de camera's waarvan cameraopmaken moeten worden opgeslagen en druk op Backup. De opmaken zullen worden opgeslagen in het voorgedefinieerde pad Backup lijnenopmaak Om een backup te maken van de lijnopmaak, drukt u op Backup > Productie > Toevoegen/bewerken lijnopmaak en selecteert u de opmaak die u uit de lijst wilt opslaan en drukt u op PDF rapport.de opmaken zullen in het voorgedefinieerde pad opgeslagen worden. Zie het volgende scherm: Documentversie A 201 / 232

202 12 Backup instellingen herstellen (A-3.11) : Afbeelding : Productie > Toevoegen/bewerken lijnopmaak > (Selecteer opmaak om op te slaan) > PDF rapport 12.4 Backup Systeeminstellingen bewerken Druk op Systeeminstellingen > Systeeminformatie > Opslaan om een backup te maken van de systeeminstellingen. De opmaken zullen in het voorgedefinieerde pad worden opgeslagen. Zie het volgende scherm: 167: Afbeelding : Systeeminstellingen > Systeeminformatie > Opslaan 202 / 232 Documentversie A

Gebruiksaanwijzing. Pilot Line Manager 4.8. Versie A / Docnr.: PLM_OM_4.8_NL_A_EXT.DOC

Gebruiksaanwijzing. Pilot Line Manager 4.8. Versie A / Docnr.: PLM_OM_4.8_NL_A_EXT.DOC Gebruiksaanwijzing Pilot Line Manager 4.8 Versie A / Docnr.: PLM_OM_4.8_NL_A_EXT.DOC Documenthistorie Alle essentiële wijzigingen tussen de versies moeten in de documenthistorie worden opgenomen. PLM

Nadere informatie

Gebruiksaanwijzing. Gebruiksaanwijzing. Pilot Line Manager. Doc Nr.: PLM_OM_4.9_NL_A_EXT.DOC. Documentversie A

Gebruiksaanwijzing. Gebruiksaanwijzing. Pilot Line Manager. Doc Nr.: PLM_OM_4.9_NL_A_EXT.DOC. Documentversie A Gebruiksaanwijzing Gebruiksaanwijzing Pilot Line Manager Documentversie A Doc Nr.: PLM_OM_4.9_NL_A_EXT.DOC Inhoudsopgave 1 Veiligheidsvoorschriften... 10 1.1 Verklaring van de Symbolen... 10 1.2 Basisveiligheidsmaatregelen...

Nadere informatie

SNEL AAN DE SLAG MET TecLocal

SNEL AAN DE SLAG MET TecLocal SNEL AAN DE SLAG MET TecLocal Versie 3.0 van TecLocal Besteller gebruiken INHOUD I. Aanmelding II. III. Functies Artikelselectie a. Handmatige artikelselectie b. Artikelselectie uit elektronische onderdeelcatalogus

Nadere informatie

Elbo Technology BV Versie 1.1 Juni 2012. Gebruikershandleiding PassanSoft

Elbo Technology BV Versie 1.1 Juni 2012. Gebruikershandleiding PassanSoft Versie 1.1 Juni 2012 Gebruikershandleiding PassanSoft Versie 1.1 Juni 2012 2 Inhoud: Opstart scherm PassanSoft... 1 Het hoofdmenu van PassanSoft wordt geopend... 4 Verklaring extra knoppen weergegeven

Nadere informatie

HTA Software - Klachten Registratie Manager Gebruikershandleiding

HTA Software - Klachten Registratie Manager Gebruikershandleiding HTA Software - Klachten Registratie Manager Gebruikershandleiding Inhoudsopgave Hoofdstuk 1: Opstarten en inloggen, overzicht startscherm, uitleg symbolen Hoofdstuk 2: aanmaken relaties Hoofdstuk 1: Opstarten

Nadere informatie

GEBRUIKERSHANDLEIDING MAAKJETRAINING.NL 1

GEBRUIKERSHANDLEIDING MAAKJETRAINING.NL 1 GEBRUIKERSHANDLEIDING MAAKJETRAINING.NL 1 INHOUD 1 Inleiding 3 1.1 De drie categorieën 3 2 Inloggen op MaakJeTraining 4 2.1 Registreren op MaakJeTraining 4 2.2 Inloggen met account 5 2.3 Veranderingen

Nadere informatie

Gebruikershandleiding GO app 1.8

Gebruikershandleiding GO app 1.8 Gebruikershandleiding GO app 1.8 Voor raad, staten en bestuur GemeenteOplossingen 2012 1 GO app 1.8 Nieuw in deze versie Vanaf versie 1.8 beschikt de GO app over de mogelijkheid om notities te delen met

Nadere informatie

Handleiding Pétanque Competitie Beheer. (versie 1.1) April 2014

Handleiding Pétanque Competitie Beheer. (versie 1.1) April 2014 Handleiding Pétanque Competitie Beheer (versie 1.1) April 2014 2 Algemeen Het programma Pétanque Competitie Beheer is gratis software voor de verwerking van halve en hele competities tot en met 99 speelrondes

Nadere informatie

Software-installatiehandleiding

Software-installatiehandleiding Software-installatiehandleiding In deze handleiding wordt uitgelegd hoe u de software via een USB- of netwerkverbinding installeert. Netwerkverbinding is niet beschikbaar voor de modellen SP 200/200S/203S/203SF/204SF.

Nadere informatie

Softwarehandboek. Inspection Manager 1.0. Rev. 00. Documentnr.: PCE_OM_IM_10_00_NL

Softwarehandboek. Inspection Manager 1.0. Rev. 00. Documentnr.: PCE_OM_IM_10_00_NL Softwarehandboek Inspection Manager 1.0 Rev. 00 Documentnr.: PCE_OM_IM_10_00_NL Contents 1 Veiligheidsvoorschriften 2 1.1 Verklaring van de symbolen... 2 1.2 Basisveiligheidsmaatregelen... 2 1.3 Plicht

Nadere informatie

Handleiding Telewerken met Windows. Inleiding. Systeemvereisten. Inhoudsopgave

Handleiding Telewerken met Windows. Inleiding. Systeemvereisten. Inhoudsopgave Handleiding Telewerken met Windows Inhoudsopgave Inleiding Systeemvereisten Software installatie Inloggen op de portal Problemen voorkomen Probleemoplossingen Inleiding Voor medewerkers van de GGD is het

Nadere informatie

U krijgt de melding dat uw browser geen cookies aanvaardt? Volg dan onderstaande weg om ze wel te accepteren.

U krijgt de melding dat uw browser geen cookies aanvaardt? Volg dan onderstaande weg om ze wel te accepteren. HELP BIJ HET RAADPLEGEN VAN HET PORTAAL HDP Hoe internet-cookies aanvaarden? U krijgt de melding dat uw browser geen cookies aanvaardt? Volg dan onderstaande weg om ze wel te accepteren. Internet Explorer

Nadere informatie

Snel aan de slag Installatiegids (versie 1.0)

Snel aan de slag Installatiegids (versie 1.0) Internet Control Station Kijk regelmatig op www.klikaanklikuit.nl voor updates Snel aan de slag Installatiegids (versie 1.0) ICS-1000 Het grootste gemak in draadloos schakelen. Eenvoudig uit te breiden

Nadere informatie

Gebruikershandleiding GO app 1.8

Gebruikershandleiding GO app 1.8 Gebruikershandleiding GO app 1.8 Voor raad, staten en bestuur GemeenteOplossingen 2012 1 GO app 1.8 Nieuw in deze versie Vanaf versie 1.8 beschikt de GO app over de mogelijkheid om notities te delen met

Nadere informatie

NACSPORT TAG&GO HANDLEIDING. 3.2.1. Eigenschappen knop

NACSPORT TAG&GO HANDLEIDING. 3.2.1. Eigenschappen knop Handleiding NACSPORT TAG&GO HANDLEIDING 1. Introductie 2. Configureren en bestellen 3. Sjabloon (categorieën en descriptors) 3.1 Lijst sjablonen 3.2 Sjablonen bewerken 3.2.1. Eigenschappen knop 4. Analyseren

Nadere informatie

portal gebruikershandleiding

portal gebruikershandleiding portal gebruikershandleiding Inhoudsopgave 1. Aan de slag Wat is de net10 portal? Aanmelden als net10 partner Inloggen Startpagina Mijn account Mijn account Een krediet account aanvragen Mijn account Gebruikersbeheer

Nadere informatie

2 mei 2014. Remote Scan

2 mei 2014. Remote Scan 2 mei 2014 Remote Scan 2014 Electronics For Imaging. De informatie in deze publicatie wordt beschermd volgens de Kennisgevingen voor dit product. Inhoudsopgave 3 Inhoudsopgave...5 openen...5 Postvakken...5

Nadere informatie

Handleiding. Act! SnelStart Connect Pro. handleiding. Act! SnelStartConnect Pro. Versie 1.0 3-4-2014

Handleiding. Act! SnelStart Connect Pro. handleiding. Act! SnelStartConnect Pro. Versie 1.0 3-4-2014 Act! SnelStartConnect Pro Handleiding Versie 1.0 3-4-2014 Inleiding Met SnelStart Connect Pro kunt uw Act!-database koppelen met uw SnelStart boekhouding. SnelStart Connect Pro biedt u de mogelijkheid

Nadere informatie

FAQ Moodlewinkel.nl. 1. Algemeen. 2. Manager. 3. Docent. 4. Cursist

FAQ Moodlewinkel.nl. 1. Algemeen. 2. Manager. 3. Docent. 4. Cursist FAQ Moodlewinkel.nl 1. Algemeen 2. Manager a. Taalinstellingen b. Gebruikers/rechten c. Categorieën/cursussen d. Modules e. Veiligheid 3. Docent a. Cursusbeheer b. Gebruikersbeheer c. Activiteiten d. Bronnen

Nadere informatie

Start de applicatie op om naar het inlogscherm te gaan. Onthoudt mijn gegevens

Start de applicatie op om naar het inlogscherm te gaan. Onthoudt mijn gegevens iphone app - Users Users - iphone App Deze Paxton applicatie is gratis verkrijgbaar in de App Store. Deze applicatie is ontwikkeld om gebruikt te worden op elk ios apparaat versie 5.1 of hoger en is uitgevoerd

Nadere informatie

Sharpdesk Mobile V1.1 Gebruikershandleiding

Sharpdesk Mobile V1.1 Gebruikershandleiding Sharpdesk Mobile V1.1 Gebruikershandleiding Voor de iphone SHARP CORPORATION April 27, 2012 1 Inhoudsopgave 1 Overzicht... 3 2 Ondersteunde besturingssystemen... Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. 3 Installatie

Nadere informatie

Aan de slag. Deze snelgids is voor de ClickToPhone software versie 83 of hoger.

Aan de slag. Deze snelgids is voor de ClickToPhone software versie 83 of hoger. Aan de slag Deze snelgids omschrijft hoe de ClickToPhone software moet worden geïnstalleerd, de Bluetooth hardware met de telefoon moet worden gekoppeld en hoe een gebruikersniveau moet worden gekozen.

Nadere informatie

CycloAgent v2 Handleiding

CycloAgent v2 Handleiding CycloAgent v2 Handleiding Inhoudsopgave Inleiding...2 De huidige MioShare-desktoptool verwijderen...2 CycloAgent installeren...4 Aanmelden...8 Uw apparaat registreren...8 De registratie van uw apparaat

Nadere informatie

4.4 Voeg ruimtes toe Hoe ga jij te werk? 1. Over LEVIY. 4.5 Aanwezigen Zijn er aanwezigen bij de DKS-controle? 2. Algemene definities. 3.

4.4 Voeg ruimtes toe Hoe ga jij te werk? 1. Over LEVIY. 4.5 Aanwezigen Zijn er aanwezigen bij de DKS-controle? 2. Algemene definities. 3. 1. Over LEVIY Wat doet LEVIY? 02 08 4.4 Voeg ruimtes toe Hoe ga jij te werk? 2. Algemene definities Behandelen van terugkerende definities. 09 4.5 Aanwezigen Zijn er aanwezigen bij de DKS-controle? 03

Nadere informatie

Snelstart Gids. Menustructuur. Opstarten en Afsluiten. Formatteren van Disk. 72xxHVI-ST Series DVR

Snelstart Gids. Menustructuur. Opstarten en Afsluiten. Formatteren van Disk. 72xxHVI-ST Series DVR Menustructuur De menustructuur van de DS-72xxHVI-ST Serie DVR is als volgt: Opstarten en Afsluiten Het juist opstarten en afsluiten is cruciaal voor de levensduur van uw DVR. Opstarten van uw DVR: 1. Plaats

Nadere informatie

Appendix Computerklussen

Appendix Computerklussen Appendix Computerklussen Deze appendix behandelt enkele werkjes die nodig zijn om een bepaald voorbeeld uit dit boek na te kunnen spelen. In de betreffende hoofdstukken wordt er wel naar verwezen. Weergave

Nadere informatie

IdentySoft Basic Support Handleiding EasySecure International B.V.

IdentySoft Basic Support Handleiding EasySecure International B.V. IdentySoft Basic Support Handleiding EasySecure International B.V. +31(0)88 0000 083 Info@EasySecure.nl www.easysecure.nl Om onze dealers zo goed mogelijk bij te staan hebben wij het volgende document

Nadere informatie

Parkinson Thuis Probleemoplossing

Parkinson Thuis Probleemoplossing Parkinson Thuis Probleemoplossing Probleemoplossing Fox Inzicht App In sommige gevallen kan er een handeling van uw kant nodig zijn om ervoor te zorgen dat de apps altijd ingeschakeld zijn. Dit zal voornamelijk

Nadere informatie

Cijfers 1 t/m 4,8,16 hiermee kunt u van kanaal wisselen. Gebruik deze iconen om naar een split screen terug te gaan.

Cijfers 1 t/m 4,8,16 hiermee kunt u van kanaal wisselen. Gebruik deze iconen om naar een split screen terug te gaan. Inhoudsopgave 1. Belangrijke veiligheidsinstructies... 2 2. Mee geleverde producten voor de DVR... 2 3. Uitleg bedieningspaneel... 2 4. Uitleg afstandsbediening... 3 5. Aan de slag met de DVR... 3 5.1

Nadere informatie

Outlook 2010 tips & trucs

Outlook 2010 tips & trucs Outlook 2010 tips & trucs I N H O U D S O P G A V E 1 Algemeen... 1 1.1 Werkbalk snelle toegang... 1 1.2 Snelle stappen... 1 2 E-mail... 2 2.1 Regels... 2 2.2 CC mail onderscheiden... 2 2.3 Verwijderde

Nadere informatie

Softphone Installatie Handleiding

Softphone Installatie Handleiding Softphone Installatie gids Softphone Installatie Handleiding Specifications subject to change without notice. This manual is based on Softphone version 02.041 and DaVo I en II software version 56.348 or

Nadere informatie

Op basis van klanten-,product-,barcodegegevens wordt automatisch een barcode document aangemaakt

Op basis van klanten-,product-,barcodegegevens wordt automatisch een barcode document aangemaakt Op basis van klanten-,product-,barcodegegevens wordt automatisch een barcode document aangemaakt Pagina 1 van 56 Inhoud van deze help 1. Algemeen 1.1 Inhoud van deze box. 1.2 Minimum systeemvereisten 2.

Nadere informatie

Xerox WorkCentre 6655 multifunctionele kleurenprinter Bedieningspaneel

Xerox WorkCentre 6655 multifunctionele kleurenprinter Bedieningspaneel Bedieningspaneel Beschikbare services kunnen variëren afhankelijk van uw printerinstellingen. Zie de Handleiding voor de gebruiker voor meer informatie over functies en instellingen. 3 4 5 Aanraakscherm

Nadere informatie

HandleidingNero BurnRights

HandleidingNero BurnRights Handleiding Nero AG Informatie over copyright en handelsmerken De handleiding van en de volledige inhoud van de handleiding zijn auteursrechtelijk beschermd en zijn eigendom van Nero AG. Alle rechten voorbehouden.

Nadere informatie

Memeo Instant Backup Introductiehandleiding. Stap 1: Maak uw gratis Memeo-account. Stap 2: Sluit een opslagapparaat aan op de pc

Memeo Instant Backup Introductiehandleiding. Stap 1: Maak uw gratis Memeo-account. Stap 2: Sluit een opslagapparaat aan op de pc Inleiding Memeo Instant Backup is een eenvoudige oplossing voor een complexe digitale wereld. De Memeo Instant Backup maakt automatisch en continu back-ups van uw waardevolle bestanden op de vaste schijf

Nadere informatie

Opstart document nieuwe werkomgeving - medewerkers

Opstart document nieuwe werkomgeving - medewerkers Opstart document nieuwe werkomgeving - medewerkers Onderwerp : Nieuwe werkomgeving (medewerkers) Datum : Januari 2014 Versie : 1.0 Auteur(s) Organisatie : Team Functioneel Applicatiebeheer : IT-Workz Dit

Nadere informatie

Handleiding (Verzender Ontvanger)

Handleiding (Verzender Ontvanger) Handleiding (Verzender Ontvanger) Anachron B.V. Steven Nijholt & Maarten Wiggers 28-02-2014 Version: 1.1 Status: Released Inhoud 1. Over dit document... 3 1.1 List of changes... 3 1.2 Scope... 3 2. Registratie...

Nadere informatie

1. Over LEVIY 5. Openen van de activiteit 2. Algemene definities 6. Inloggen op het LEVIY dashboard 3. Inloggen 6.1 Overzichtspagina 3.

1. Over LEVIY 5. Openen van de activiteit 2. Algemene definities 6. Inloggen op het LEVIY dashboard 3. Inloggen 6.1 Overzichtspagina 3. Versie 1.0 05.03.2015 02 1. Over LEVIY Wat doet LEVIY? 08 5. Openen van de activiteit Hoe wordt de activiteit geopend? 2. Algemene definities Behandelen van terugkerende definities. 09 6. Inloggen op het

Nadere informatie

Handleiding gebruik Citymail

Handleiding gebruik Citymail Handleiding gebruik Citymail Versie : 4.0.1 Jaar : 2014 Auteur : Citymail BV / Charly Traarbach Citymail BV Copyright 1 Citymail BV, Nederland 2014 Niets uit dit document mag worden vermenigvuldigd en/of

Nadere informatie

Cliënten handleiding PwC Client Portal

Cliënten handleiding PwC Client Portal Cliënten handleiding PwC Client Portal Mei 2011 (1) 1. Portal van de cliënt Deze beschrijving gaat ervan uit dat u beschikt over inloggegevens voor de portal en over de url van de portal website. Als u

Nadere informatie

Create Your Locksystem

Create Your Locksystem Create Your Locksystem Gebruikershandleiding Wendy Caers CVO Antwerpen Inhoudstafel Inhoudstafel 2 Het programma starten 3 Profielen Profiel aanmaken Profiel wijzigen Profiel verwijderen Sluitplannen Sluitplan

Nadere informatie

Mail op Domeinnaam. Instellen in software en apparaten. Mail op domeinnaam 29-3-2016. Versie 1.5 Auteur : E.Mouws

Mail op Domeinnaam. Instellen in software en apparaten. Mail op domeinnaam 29-3-2016. Versie 1.5 Auteur : E.Mouws Mail op domeinnaam Instellen in software en apparaten Mail op domeinnaam 29-3-2016 Versie 1.5 Auteur : E.Mouws Pagina 1 Inhoudsopgave Wat is?... 3 Algemene instellingen... 3 Verschillen tussen IMAP en

Nadere informatie

Handleiding Planmonitor wonen

Handleiding Planmonitor wonen Handleiding Planmonitor wonen Inhoudsopgave 1. Inleiding 2. Systeemeisen 3. Toelichting per onderdeel 3.1 Opstarten en inloggen 3.2 De onderdelen van het venster 3.3 Plannen zoeken 3.3.1 (eenvoudig) zoeken

Nadere informatie

Mac OS X 10.6 Snow Leopard Installatie- en configuratiehandleiding

Mac OS X 10.6 Snow Leopard Installatie- en configuratiehandleiding Mac OS X 10.6 Snow Leopard Installatie- en configuratiehandleiding Lees dit document voordat u Mac OS X installeert. Dit document bevat belangrijke informatie over de installatie van Mac OS X. Systeemvereisten

Nadere informatie

Opzetten van een evenement

Opzetten van een evenement Opzetten van een evenement Inhoud Begrippenlijst... 3 Voor het evenement... 4 De wizard doorlopen:... 4 Wizard pagina: Welkom bij event-timing.nl... 4 Wizard pagina: Evenement gegevens... 4 Wizard pagina:

Nadere informatie

Trainingsmateriaal Osiris 6. Admission Office International Office

Trainingsmateriaal Osiris 6. Admission Office International Office Trainingsmateriaal Osiris 6. Admission Office International Office Utwente, 6-2-2014 i Inhoudsopgave Inhoudsopgave ii 1. Algemene handeling Osiris 6 1 1.1 Menu structuur. 1 1.2 Favorieten indelen 2 1.3

Nadere informatie

Resusci Anne Skills Station

Resusci Anne Skills Station MicroSim Frequently Asked Questions 1 Resusci Anne Skills Station Resusci_anne_skills-station_installation-guide_sp7012_NL.indd 1 24/01/08 13:06:06 2 Resusci_anne_skills-station_installation-guide_sp7012_NL.indd

Nadere informatie

Release notes Swing 5.0.6 & 5.0.7

Release notes Swing 5.0.6 & 5.0.7 Release notes Swing 5.0.6 & 5.0.7 Copyright 2016 Swing Jive Swing is een product van ABF Research Jive Full screen weergave Swing 5 beschikt nu ook over een full screen weergave. Deze is te activeren via

Nadere informatie

Mobiel Internet Veiligheidspakket

Mobiel Internet Veiligheidspakket Mobiel Internet Veiligheidspakket Gebruikershandleiding Mobiel Internet Veiligheidspakket voor Windows Mobile smartphones Mobiel IVP Windows Mobile Versie 1.0, d.d. 20-07-2011 Inleiding... 3 1 Installatie...

Nadere informatie

domovea toegang vanop afstand tebis

domovea toegang vanop afstand tebis domovea toegang vanop afstand tebis INHOUD INHOUD Pagina 1. INLEIDING... 2 1.1 ONDERWERP VAN HET DOCUMENT... 2 1.2 VOORBEREIDINGEN... 2 2.... 3 2.1 VERBINDING MET DE PORTAALSITE DOMOVEA.COM... 3 2.2 EEN

Nadere informatie

HANDS-ON THUISKOOP SYSTEEM

HANDS-ON THUISKOOP SYSTEEM HANDS-ON THUISKOOP SYSTEEM NV VLAAMSE VISVEILING STEDELIJKE VISMIJN NIEUWPOORT Maart- 2013 Versie 1.1 Auteur Mark SMET Aucxis Trading Solutions cvba Zavelstraat 40, 9190 Stekene, België Tel +32 (0)3 790

Nadere informatie

GEAVANCEERDE NETWERK BEWAKING- EN KOEPELCAMERA

GEAVANCEERDE NETWERK BEWAKING- EN KOEPELCAMERA GEAVANCEERDE NETWERK BEWAKING- EN KOEPELCAMERA INSTALLATIEGIDS Lees deze instructies voor gebruik zorgvuldig door en bewaar het voor later naslag. 1. OVERZICHT 1.1 Inhoud verpakking Netwerkcamera Installatiegids

Nadere informatie

Handleiding Digitaal Aanvraagformulier

Handleiding Digitaal Aanvraagformulier Handleiding Digitaal Aanvraagformulier Deze handleiding wil een summier overzicht geven van de installatieprocedure van het digitaal aanvraagformulier. De handleiding is bedoeld voor de al wat ervaren

Nadere informatie

Handleiding. Z factuur Archief

Handleiding. Z factuur Archief Handleiding Z factuur Archief INHOUDSOPGAVE 1. DASHBOARD... 3 1.1. Inloggen... 3 Inloggegevens vergeten... 3 1.2. Mogelijkheden Dashboard... 3 Instellingen, Abonnement Info en Adressenboek... 3 Facturen

Nadere informatie

Handleiding Internet Veiligheidspakket Windows & Mac Versie april 2014

Handleiding Internet Veiligheidspakket Windows & Mac Versie april 2014 Handleiding Internet Veiligheidspakket Windows & Mac Versie april 2014 Inhoudsopgave Hoofdstuk 1. Inleiding 3 Hoofdstuk 2. Bestellen van het Internet Veiligheidspakket 4 Hoofdstuk 3. Installatie 9 3.1

Nadere informatie

Introductie Werken met Office 365

Introductie Werken met Office 365 Introductie Werken met Office 365 Een introductie voor gebruikers Inhoud Inleiding... 4 Aanmelden bij Office 365... 4 Werken met Office 365 Outlook... 5 Werken met Outlook 2007/2010... 5 Werken met de

Nadere informatie

Handleiding. Measure App. Versienummer:1.4

Handleiding. Measure App. Versienummer:1.4 Handleiding Measure App Versienummer:1.4 Datum: 14-12-2015 Voorwoord Hartelijk dank voor de aanschaf van de Measure App. M App zal u en uw collega s in staat stellen om begeleid in te meten of na te meten.

Nadere informatie

Configuratie handleiding Gigaset SE505. Omschakelen naar de Nederlandse Taal. Overzicht van de stappen voor de installatie

Configuratie handleiding Gigaset SE505. Omschakelen naar de Nederlandse Taal. Overzicht van de stappen voor de installatie Configuratie handleiding Gigaset SE505 In deze handleiding leest u hoe u uw Gigaset SE505 configureert voor een verbinding te maken met het internet via een ADSL / Kabel breedband internet verbinding.

Nadere informatie

Handleiding Certificaat RDW

Handleiding Certificaat RDW Handleiding Certificaat RDW Versie: 9.0 Versiedatum: 13 maart 2014 Beheerder: RDW Veendam - R&I-OP-E&T 3 B 0921m Wijzigingen ten opzichte van de vorige versie: - url vermelding naar bestandsuitwisseling

Nadere informatie

Instructies Wi-Fi instellen Samil 3400-6000TL-D

Instructies Wi-Fi instellen Samil 3400-6000TL-D Instructies Wi-Fi instellen Samil 3400-6000TL-D Uw omvormer van Samil Power is uitgerust met een Wi-Fi module, waarmee u uw omvormer op afstand uit kunt lezen. Samil power biedt het programma V-IPlant

Nadere informatie

HANDLEIDING FRIREC. Versie 1.2.2

HANDLEIDING FRIREC. Versie 1.2.2 HANDLEIDING FRIREC Versie 1.2.2 Handleiding Frirec voor Windows receptuurprogramma Gefeliciteerd met de aanschaf van FRIREC. Het Programma FRIREC FRIREC is een programma dat speciaal is ontwikkeld voor

Nadere informatie

1. Software installeren. 2. Aanmelden bij AlarmSecur. Vragen? info@alarmsecur.com. Open de app. Klik op registreren

1. Software installeren. 2. Aanmelden bij AlarmSecur. Vragen? info@alarmsecur.com. Open de app. Klik op registreren Vragen? info@alarmsecur.com 1. Software installeren Download de app voor Android of apple: 2. Aanmelden bij AlarmSecur Open de app http://www.alarmsecur.com/handleidingen Klik op registreren 1. Vul emailadres

Nadere informatie

811.1. Gebruiksaanwijzing WTW PC-software

811.1. Gebruiksaanwijzing WTW PC-software 811.1 Gebruiksaanwijzing WTW PC-software Inhoudsopgave 1 FUNCTIONELE SPECIFICATIES........................................................................... 1 2 INSTALLATIE.............................................................................................

Nadere informatie

Ashampoo Rescue Disc

Ashampoo Rescue Disc 1 Ashampoo Rescue Disc Met de software kunt u een Rescue (Herstel) CD, DVD of USB-stick maken. Het rescue systeem (redding systeem) is voor twee typen situaties bedoeld: 1. Om een back-up naar uw primaire

Nadere informatie

Handleiding: CitrixReceiver installeren voor thuisgebruik.

Handleiding: CitrixReceiver installeren voor thuisgebruik. Handleiding: CitrixReceiver installeren voor thuisgebruik. Deze handleiding is gemaakt om een privé pc geschikt te maken om op het netwerk van MEE te kunnen werken. Zodra het met de onderstaande stappen

Nadere informatie

PTV MAP&GUIDE INTERNET V2 EENVOUDIG OVERSTAPPEN

PTV MAP&GUIDE INTERNET V2 EENVOUDIG OVERSTAPPEN PTV MAP&GUIDE INTERNET V2 EENVOUDIG OVERSTAPPEN Inhoud Inhoud 1 PTV Map&Guide internet V2 Wat is er nieuw?... 3 1.1 Wijziging van het licentiemodel... 3 1.1.1 Bestaande klanten 3 1.1.2 Nieuwe klanten 3

Nadere informatie

Versie 1.0 09/10. Xerox ColorQube 9301/9302/9303 Internet Services

Versie 1.0 09/10. Xerox ColorQube 9301/9302/9303 Internet Services Versie 1.0 09/10 Xerox 2010 Xerox Corporation. Alle rechten voorbehouden. Ongepubliceerde rechten voorbehouden onder de copyrightwetten van de Verenigde Staten. De inhoud van deze publicatie mag in geen

Nadere informatie

De ontwikkelaar heeft het recht om af te zien van verdere ontwikkeling en/of ondersteuning van dit pakket.

De ontwikkelaar heeft het recht om af te zien van verdere ontwikkeling en/of ondersteuning van dit pakket. 1. Licentieovereenkomst BELANGRIJK! LEES DEZE OVEREENKOMST ALVORENS DE SOFTWARE TE INSTALLEREN! Het aanvaarden van deze overeenkomst geeft u het recht tot gebruik van deze software, de software blijft

Nadere informatie

Er zijn diverse andere software platformen en providers die werken met SIP, maar in dit voorbeeld gaan we uit van de volgende software:

Er zijn diverse andere software platformen en providers die werken met SIP, maar in dit voorbeeld gaan we uit van de volgende software: Er zijn diverse andere software platformen en providers die werken met SIP, maar in dit voorbeeld gaan we uit van de volgende software: Counterpath Bria SIP client. Net2 Entry Configuration Utility (SIP

Nadere informatie

Landelijk Indicatie Protocol (LIP)

Landelijk Indicatie Protocol (LIP) Handleiding Landelijk Indicatie Protocol programma pagina 1 of 18 Landelijk Indicatie Protocol (LIP) Welkom bij LIP Lip is ontstaan uit een toegevoegde module aan het kraamzorg administratie pakket van

Nadere informatie

ACT! link XL voor SnelStart handleiding

ACT! link XL voor SnelStart handleiding ACT! link XL voor SnelStart handleiding Installatie ACT! link XL voor SnelStart... 2 Instellen:... 3 Relatiecode:... 6 Ordernummer... 6 Notitie... 6 Ordersjabloon... 7 Bedrijven... 8 Een volgende administratie

Nadere informatie

Handleiding. Act! SnelStart Connect. handleiding. Act! SnelStart Connect. Versie 1.0 12-12-2013

Handleiding. Act! SnelStart Connect. handleiding. Act! SnelStart Connect. Versie 1.0 12-12-2013 Act! SnelStart Connect Handleiding Versie 1.0 12-12-2013 Inleiding Met SnelStart Connect kunt uw Act! database koppelen met uw SnelStart boekhouding. SnelStart Connect biedt u de mogelijkheid om de gegevens

Nadere informatie

Uw persoonlijke account

Uw persoonlijke account Uw persoonlijke account 1 Inhoud Inleiding... 3 1. Inloggen Mijnsmartalarm... 4 2. Aansluiten basiscentrale... 5 2.1 Model zwart... 5 2.2 Model wit... 5 3. Bediening alarmsysteem... 6 3.1 Alarm... 7 2.1.1

Nadere informatie

15 July 2014. Betaalopdrachten web applicatie gebruikers handleiding

15 July 2014. Betaalopdrachten web applicatie gebruikers handleiding Betaalopdrachten web applicatie gebruikers handleiding 1 Overzicht Steeds vaker komen we de term web applicatie tegen bij software ontwikkeling. Een web applicatie is een programma dat online op een webserver

Nadere informatie

cbox UW BESTANDEN GAAN MOBIEL! VOOR LAPTOPS EN DESKTOPS MET WINDOWS PRO GEBRUIKERSHANDLEIDING

cbox UW BESTANDEN GAAN MOBIEL! VOOR LAPTOPS EN DESKTOPS MET WINDOWS PRO GEBRUIKERSHANDLEIDING cbox UW BESTANDEN GAAN MOBIEL! VOOR LAPTOPS EN DESKTOPS MET WINDOWS PRO GEBRUIKERSHANDLEIDING Inleiding cbox is een applicatie die u eenvoudig op uw computer kunt installeren. Na installatie wordt in de

Nadere informatie

EW-7416APn v2 & EW-7415PDn Macintosh Installatiegids

EW-7416APn v2 & EW-7415PDn Macintosh Installatiegids EW-7416APn v2 & EW-7415PDn Macintosh Installatiegids 09-2012 / v2.0 0 Voordat u begint Voordat u dit access point in gebruik neemt dient u eerst te controleren of alle onderdelen in de verpakking aanwezig

Nadere informatie

GEBRUIKERSHANDLEIDING (JULI 2015) V4.1-020-PUB

GEBRUIKERSHANDLEIDING (JULI 2015) V4.1-020-PUB GEBRUIKERSHANDLEIDING (JULI 2015) V4.1-020-PUB 1 INLEIDING Emma ondersteunt mensen met medicatie bij het tijdig innemen van de medicatie door hierover een herinnering te sturen op de smartwatch en/of smartphone.

Nadere informatie

Van Dale Elektronisch groot woordenboek versie 4.5 activeren en licenties beheren

Van Dale Elektronisch groot woordenboek versie 4.5 activeren en licenties beheren De nieuwste editie van dit document is altijd online beschikbaar: Activeren en beheren licenties Inhoudsopgave Van Dale Elektronisch groot woordenboek versie 4.5 activeren Automatisch activeren via internet

Nadere informatie

ONSCREENKEYS 5. Windows XP / Windows Vista / Windows 7 / Windows 8

ONSCREENKEYS 5. Windows XP / Windows Vista / Windows 7 / Windows 8 ONSCREENKEYS 5 Windows XP / Windows Vista / Windows 7 / Windows 8 [ PRODUCT BESCHRIJVING ] [ Dit vernuftige on-screen toetsenbord met virtuele muis klik mogelijkheden en spraak uitvoer maakt snel typen

Nadere informatie

P-touch Transfer Manager gebruiken

P-touch Transfer Manager gebruiken P-touch Transfer Manager gebruiken Versie 0 DUT Inleiding Belangrijke mededeling De inhoud van dit document en de specificaties van het product kunnen zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd.

Nadere informatie

Gebruikershandleiding E-Zorg Remote Access op Android.

Gebruikershandleiding E-Zorg Remote Access op Android. Inhoud 1) Inleiding Pagina 2 2) Het token Pagina 2 3) Junos Pulse installeren en configureren Pagina 3 4) Een verbinding maken met Junos Pulse Pagina 4 5) Een werkstation op afstand overnemen Pagina 6

Nadere informatie

Inhoudsopgave. 2014 web2work Pagina 1 van 16

Inhoudsopgave. 2014 web2work Pagina 1 van 16 Inhoudsopgave Aanmelden bij Office 365... 2 Office 365 voor het eerste gebruiken... 2 Persoonlijke instellingen Office 365... 3 Wijzigen wachtwoord... 4 Instellen voorkeurstaal... 4 Office Professional

Nadere informatie

Handleiding DVS. Versie 1.0. Datum 3-11-2011 Status Vastgesteld

Handleiding DVS. Versie 1.0. Datum 3-11-2011 Status Vastgesteld Handleiding DVS Versie 1.0 Datum 3-11-2011 Status Vastgesteld Inhoudsopgave HANDLEIDING DVS 1 1. INLEIDING 2 1.1 INTRODUCTIE 2 2. INSTALLATIE QUOVADIS USB TOKEN ALGEMEEN 3 2.1 INSTALLATIE SOFTWARE 3 2.2

Nadere informatie

Doe het zelf installatiehandleiding

Doe het zelf installatiehandleiding Doe het zelf installatiehandleiding Inleiding Deze handleiding helpt u bij het installeren van KSYOS TeleDermatologie. De installatie duurt maximaal 30 minuten, als u alle onderdelen van het systeem gereed

Nadere informatie

HRM-Reviews Reviews Handleiding voor PZ

HRM-Reviews Reviews Handleiding voor PZ HRM-Reviews Reviews Handleiding voor PZ In deze uitgebreide handleiding vindt u instructies om met Reviews in the Cloud aan de slag te gaan. U kunt deze handleiding ook downloaden (PDF). TIP: De navigatie

Nadere informatie

Skype voor Samsung-tv

Skype voor Samsung-tv Aan de slag met Skype Aanmelden met een bestaand account 3 Aanmelden met behulp van Gezichtsherkenning 4 Gezichtsherkenning 5 Skype voor Samsung-tv Een nieuw account maken 6 Schermweergave 7 Een contact

Nadere informatie

Elektronisch werkbriefje

Elektronisch werkbriefje Webservice - werkbriefjes invullen. - rapportages. Persoonlijk. - loonstroken. 1 16-1-2012 12:24:54 - inhoudsopgave 1 Inleiding 3 2 Aanmelden 4 3 Werkbriefje invullen 5 4 Werkbriefje aanbieden 7 5 Rapportage

Nadere informatie

Multifunctionele USB-netwerkserver serie

Multifunctionele USB-netwerkserver serie Multifunctionele USB-netwerkserver serie Beknopte installatiegids Inleiding Dit document beschrijft de stappen voor het installeren en configureren van de multifunctionele USB-netwerkserver als een USB-apparaatserver

Nadere informatie

iphone app - Roll Call

iphone app - Roll Call iphone app - Roll Call Roll Call - iphone App Deze Paxton applicatie is gratis verkrijgbaar in de App Store. Deze applicatie is ontwikkeld om gebruikt te worden op elk ios apparaat versie 5.1 of hoger

Nadere informatie

HANDLEIDING INFOGRAPHIC SOFTWARE Versie 2.3 / jan 2014

HANDLEIDING INFOGRAPHIC SOFTWARE Versie 2.3 / jan 2014 HANDLEIDING INFOGRAPHIC SOFTWARE Versie 2.3 / jan 2014 Inhoudsopgave 1. Inleiding... 3 2. Systeemvereisten... 3 3. Installeren van de software... 4 4. Programma instellingen... 5 5. Importeren van een

Nadere informatie

WebInfo2Act! handleiding. Handleiding. Onderdeel van TendenzICT Product van Afdeling (Web)Development

WebInfo2Act! handleiding. Handleiding. Onderdeel van TendenzICT Product van Afdeling (Web)Development WebInfo2Act! Handleiding Versie 1.1 16-03-2012 Inleiding Nooit meer uw webshopbestellingen overtypen in Act! Met WebInfo2Act! kunt u informatie die van uw website of webshop komt, automatisch laten verwerken

Nadere informatie

Gebruikershandleiding Contact Connect

Gebruikershandleiding Contact Connect Gebruikershandleiding Contact Connect Inleiding... 2 Introductie... 2 Installeren en in gebruik nemen van Contact Connect... 3 Downloaden... 3 Installeren... 3 Inloggen... 3 Contact Connect Configuratie...

Nadere informatie

SR.NET Prikklok Handleiding Versie 1.0

SR.NET Prikklok Handleiding Versie 1.0 SR.NET Prikklok Handleiding Versie 1.0 Copyright @ 1988-2014 * CVBA Seynaeve Rudi * Alle Rechten Voorbehouden SR.NET prikklok - INHOUDSOPGAVE 1. Inleiding 1.1 Systeemeisen...... 1.2 Voorbeeldconfiguraties......

Nadere informatie

Bedieningshandleiding voor de Exocompact Display

Bedieningshandleiding voor de Exocompact Display Bedieningshandleiding voor de Exocompact Display Copyright RETEG b.v. Bedieningshandleiding voor de Display s 1 Rev 2.0, 06-07-2006 1 Inhoudsopgave 1 INHOUDSOPGAVE... 2 2 INTRODUCTIE... 3 2.1 BEVEILIGING...

Nadere informatie

TimeManager Handleiding

TimeManager Handleiding TimeManager Handleiding DOT SYS 1997-2012 I TimeManual Inhoudstafel Deel I Gebruikershandleiding TimePlan 1 1 Configuratie... TimePlan 1 2 Verlofaanvraag... invoeren 4 Verlofaanvraag... ASP-Klant 5 Verlofaanvraag...

Nadere informatie

F-Secure Mobile Security for S60

F-Secure Mobile Security for S60 F-Secure Mobile Security for S60 1. Installeren en activeren Vorige versie Installatie U hoeft de vorige versie van F-Secure Mobile Anti-Virus niet te verwijderen. Controleer de instellingen van F-Secure

Nadere informatie

Instellingen voor Scannen naar e-mail

Instellingen voor Scannen naar e-mail Handleiding Snelle configuratie scanfuncties XE3024NL0-2 In deze handleiding vindt u instructies voor het volgende: Instellingen voor Scannen naar e-mail op pagina 1 Instellingen voor Scannen naar mailbox

Nadere informatie

Welkom bij payleven. Bovenop Magneetstriplezer. Voorkant. Bluetooth-symbool. Batterij indicator. USBpoort. Aan/uit

Welkom bij payleven. Bovenop Magneetstriplezer. Voorkant. Bluetooth-symbool. Batterij indicator. USBpoort. Aan/uit Welkom bij payleven Samen met onze gratis app en uw eigen smartphone of tablet bent u nu klaar om pin- en creditcardbetalingen te accepteren. Hier volgt een uitleg van de verschillende mogelijkheden en

Nadere informatie