SOCIAAL-ECONOMISCHE VERSCHILLEN IN GEZONDHEID IN ENGELAND EN NEDERLAND

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "SOCIAAL-ECONOMISCHE VERSCHILLEN IN GEZONDHEID IN ENGELAND EN NEDERLAND"

Transcriptie

1 SOCIAAL-ECONOMISCHE VERSCHILLEN IN GEZONDHEID IN ENGELAND EN NEDERLAND

2 INHOUDSTAFEL INLEIDING 4 SOCIAAL-ECONOMISCHE GEZONDHEIDSVERSCHILLEN IN ENGELAND 7 1. Gezondheidsenquête in Engeland: opzet en evolutie 8 2. Het meten van SES in de Engelse gezondheidsenquête Sociaal-economische verschillen in cardio-vasculaire aandoeningen Sociaal-economische verschillen in leefstijl Alcoholgebruik Rookgedrag Eetgewoonten Fysieke activiteit Sociaal-economische verschillen in de resultaten van de klinische metingen Bloeddruk Bloedanalyses Lichaamsmassa Sociaal-economische verschillen in zelf-gerapporteerde gezondheid Zelfgerapporteerde langdurige aandoeningen Beperkende langdurige aandoeningen Zelfgerapporteerde acute ziekte Zelfbeoordeelde gezondheid Mentale gezondheid Ervaren sociale ondersteuning 28 SOCIAAL-ECONOMISCHE GEZONDHEIDSVERSCHILLEN IN NEDERLAND Gezondheidsenquête in Nederland: opzet en evolutie Het meten van SES in de Nederlandse gezondheidsenquête Sociaal-economische verschillen in leefstijl Alcoholgebruik Rookgedrag Fysieke activiteit in de vrije tijd 34 2

3 4. Sociaal-economische verschillen in zelf-gerapporteerde gezondheid Zelfbeoordeelde gezondheid Langdurige aandoeningen Langdurige beperkingen Gezondheidsklachten Tijdelijke activiteitsbeperkingen Gebitsprothesen Lengte en overgewicht Psycho-sociale gezondheid 41 ALGEMEEN BESLUIT 42 3

4 INLEIDING In 1977 lanceerde de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) haar Health for All - campagne, die doelstellingen vooropstelt voor de verbetering van de gezondheidstoestand in de gehele wereld. Dit Health for All -programma werd later door het Europees departement van de WGO aangepast aan de concrete Europese situatie. De eerste doelstelling van Health for All is gelijkheid in gezondheid. Het uitgangspunt is dat elke persoon recht heeft op voldoende kansen om gezond te leven en op kwaliteitszorg bij eventuele gezondheidsproblemen 1. Precies op dit vlak van gelijkheid in gezondheid is er echter nog heel wat werk aan de winkel. Uit studies in verschillende Europese landen blijkt immers dat er substantiële gezondheidsverschillen zijn én blijven tussen verschillende bevolkingslagen binnen hetzelfde land. In sommige gevallen nemen de verschillen zelfs toe 2. Nochtans is deze ongelijkheid in grote mate vermijdbaar, in die zin dat ze voor een belangrijk deel te wijten is aan verschillen in materiële en sociale levensomstandigheden 3. Dit rapport maakt verslag van sociaal-economische verschillen in gezondheid in Engeland en Nederland, die naar voren komen in de resultaten van grootschalige gezondheidsenquêtes. We gaan met andere woorden op zoek naar verschillen in gezondheid en gezondheidsgedrag tussen mensen met verschillende opleidingsniveaus, mensen uit verschillende beroepscategorieën, met uiteenlopende inkomens, enzovoort. Voor Engeland wordt daarbij uitgegaan van gegevens uit de Health Survey for England. De Nederlandse data zijn afkomstig uit de gezondheidsenquête in het POLS-onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek. De keuze voor deze landen lag voor de hand, omdat zij de grootste ervaring hebben opgebouwd in verband met gezondheidsenquêtes en met sociaalwetenschappelijk gezondheidsonderzoek. Dit in tegenstelling tot België, waar het onderzoek naar sociaal-economische verschillen in gezondheid pas veel later werd opgestart. Ons land heeft ten opzichte van Engeland en Nederland dan ook nog een grote achterstand goed te maken. Onze studie kadert binnen het AGORA-project op het Steunpunt Samenleving en Gezondheid van de V.U.B. Dit AGORA-project spitst zich toe op twee thema s: sociaal-economische verschillen in gezondheid en financiële toegangsdrempels in de gezondheidszorg. Om deze brede problematiek in kaart te brengen en oplossingen aan te dragen, werd het AGORA-onderzoek uitgesplitst in verschillende deelstudies. Een belangrijk deelonderzoek is de analyse van de Belgische gezondheidsenquête uit Ook het rapport dat voor u ligt is een onderdeel van de AGORA-opdracht. Het 1 World Health Organisation, Regional Office for Europe, Health for All targets. The Health policy for Europe. Copenhagen. 2 Drever en Whitehead leveren een overzicht van een aantal belangrijke Europese onderzoeken op dit vlak. Drever, F. en Whitehead, M., Health Inequalities. Office for National Statistics Series DS no 15. The Stationary Office, London. 3 Department of Health, 1995, Variations in Health: What can the Department of Health and NHS do? London, HMSO. Zie ook Drever en Whitehead (1997, p.44). 4 Vanroelen, C. Sociaal-economis che verschillen in gezondheidsfactoren en toegankelijkheidsproblemen in de Belgische gezondheidszorg: een analyse van de Belgische gezondheidsenquête Vakgroep Medische Sociologie, VUB. Rapport in aanmaak. 4

5 werd deels opgevat als een voorstudie voor het uitvoeren van de analyse van de Belgische data. Anderzijds is het er een uitbreiding van, omdat het een zicht biedt op de bredere internationale context en toelaat de Belgische gegevens te kaderen. Daar waar de deelstudie voor België zowel op ongelijkheid in gezondheid als op financiële toegangsdrempels tot de gezondheidszorg ingaat, was het voor de studie van Engelse en Nederlandse gezondheidsenquêtes alleen mogelijk het eerstgenoemde thema te bestuderen. Dit omdat de Nederlandse en Engelse gezondheidsenquêtes geen informatie bieden over financiële toegangsdrempels in hun nationale gezondheidszorg. De voornaamste reden hiervoor is waarschijnlijk dat de financiële toegangsdrempels in Engeland en Nederland veel minder problemen stellen dan in België. In beide landen wordt een groot deel van de gezondheidszorg immers gratis verstrekt. Voor vele gezondheidsmiddelen en -zorgen hoeft er in Engeland en Nederland met andere woorden geen persoonlijke bijdragen betaald te worden 5. In het eerste deel van dit rapport worden de gegevens over sociaal-economische gezondheidsverschillen in Engeland voorgesteld. Het volgende deel behandelt de Nederlandse bevindingen. Zowel voor Engeland als voor Nederland wordt eerst beknopt uitleg gegeven over de opzet en de evolutie van de gezondheidsenquête en over de gebruikte sociaal-economische indicatoren. Vervolgens worden de vaststellingen in verband met sociaal-economische verschillen in uiteenlopende gezondheidsaspecten weergegeven, aan de hand van zo recent mogelijke gegevens. Het vergelijken van de gegevens uit beide landen of het vergelijken van deze gegevens met de Belgische situatie, is vanuit wetenschappelijk oogpunt een uiterst hachelijke onderneming. In Drever en Whitehead (1997) worden een aantal belangrijke valkuilen bij de internationale vergelijking van gegevens over sociaaleconomische gezondheidsverschillen besproken. Eén van de voornaamste problemen bij dergelijke vergelijkingen is dat gezondheidsenquêtes uit verschillende landen meestal niet (helemaal) overeenkomen qua opgenomen morbiditeitsindicatoren en de omschrijving ervan. Ook voor sociaal-economische status worden vaak verschillende indicatoren gebruikt. Verschillen in de operationalisering van de variabelen, of zelfs andere categorie-indelingen voor dezelfde indicatoren, kunnen leiden tot verschillen in de resultaten, waardoor ze vergelijkingen bemoeilijken. Daarnaast stelt zich het probleem dat het begrip gezondheid in verschillende landen op een andere wijze kan worden ingevuld, wat opnieuw vergelijkingsproblemen oplevert. Zo is het mogelijk dat in het ene land de meeste mensen alleen aan fysieke gezondheid denken als je naar hun gezondheidstoestand vraagt, terwijl in een ander land fysieke en mentale gezondheid als een geheel worden beschouwd. Bovendien gelden in verschillende maatschappijen soms verschillende attitudes ten aanzien van het melden van gezondheidsklachten. Dit maakt dat eenzelfde antwoord verschillende betekenissen kan hebben al naargelang de culturele achtergrond. Tenslotte veronderstelt een goede vergelijking van gegevens uit gezondheidsenquêtes dat de tijdstippen van de enquêtering voldoende dicht bij elkaar liggen. Al deze verstorende factoren die kunnen optreden bij het vergelijken van internationale enquêtegegevens brengen Blaxter tot de conclusie dat there is little possibility of compairing morbidity 5 Mossialos, E. en La Grand, J. (eds.), Health care and cost containment in the European Union, Ashgate, Alderschot. Mackenbach, J.P., Ongezonde verschillen. Over sociale stratificatie en gezondheid in Nederland. Van Gorcum, Asse. 5

6 information across the countries of Europe 6. Maar er zijn ook wetenschappers die een milder standpunt innemen. In het geval van onze studie is het echter duidelijk dat een gedetailleerde wetenschappelijke vergelijking uitgesloten is, vermits we genoodzaakt zijn te werken met secundaire bronnen en de gebruikte indicatoren te sterk verschillen. 6 Blaxter, M., A comparison of measures of inequality in morbidity. In: Fox J. (ed.): Health Inequalities in European Countries. Alderschot, Gower. 6

7 SOCIAAL-ECONOMISCHE GEZONDHEIDSVERSCHILLEN IN ENGELAND 7

8 1. Gezondheidsenquête in Engeland: opzet en evolutie Engeland heeft al sinds 1971 ervaring met nationale gezondheidsenquêtes 7. In 1991 werd gestart met de Health Surveys for England, die bij nationaal representatieve steekproeven van de bevolking peilen naar uiteenlopende gezondheidsaspecten. De Health Survey maakt deel uit van een overkoepelend programma dat verschillende enquêtes omvat en dat werd opgezet vanuit het Department of Health. Op die manier wil de Engelse overheid een solide basis creëren voor regelmatige informatie over verschillende thema s in verband met gezondheid. De Engelse gezondheidsenquête beoogt 7 doelstellingen. De eerste is het opvolgen van trends in de gezondheid van de bevolking. Daarnaast moet de enquête een schatting toelaten van het aantal personen met bepaalde gezondheidsproblemen. Ook de risicofactoren die met deze gezondheidsproblemen samengaan, wil men opmeten. Verschillende subgroepen van de bevolking moeten vervolgens kunnen worden vergeleken voor wat het vóórkomen van deze gezondheidsproblemen en risicofactoren betreft. Een bijkomende doelstelling is het nagaan van de mate waarin bepaalde risicofactoren onderling samengaan en in welke bevolkingsgroepen deze combinaties het vaakst vóórkomen. De gezondheidsenquête wordt ook verwacht een middel te zijn om na te gaan in hoeverre de gezondheidsdoelstellingen die de overheid vooropstelt, gerealiseerd worden. Tenslotte moet de gezondheidsenquête zorgen voor gegevens over de lengte van de Engelse kinderen. De Engelse gezondheidsenquête vraagt elk jaar dezelfde kern van gezondheidsaspecten op, die aangevuld wordt met specifieke modules en onderwerpen die van jaar tot jaar verschillen. De kern beslaat vragen over rookgedrag, alcoholconsumptie, algemene gezondheid en psychosociale indicatoren, demografische en sociaal-economische kenmerken, gebruik van gezondheidsdiensten, medicatie, bloeddruk, lengte en gewicht. De specifieke modules die aan deze vaste kern toegevoegd worden, beslaan een of meerdere gezondheidsaspecten of zijn gericht op specifieke doelgroepen. Gedurende de eerste vier jaren ( ) behandelden de aanvullende modules vragen omtrent cardiovasculaire aandoeningen. In 1995 werden astma, ongevallen en handicaps als specifieke topics toegevoegd. De gezondheidsenquête uit 1996 spitste zich toe op astma, ongevallen en specifieke maten voor algemene gezondheid. In 1997 ging speciale aandacht naar kinderen en jongeren. In 1998 werd opnieuw geopteerd voor cardiovasculaire aandoeningen. In 1999 en 2000 tenslotte, staan respectievelijk etnische groepen en ouderen centraal. De meest recent geanalyseerde gegevens zijn deze van Het zijn deze gegevens die in dit rapport worden weergegeven. Aangezien cardiovasculaire aandoeningen als specifieke module in 1998 veel aandacht kregen, wijden we er in dit rapport een afzonderlijke paragraaf aan. 7 Van Oyen, H. en Tafforeau, J., Een gezondheidsenquête in België. Een noodzakelijkheid? In: V. Raes, E. Kerkhofs en F. Louckx (eds.): Sociale ongelijkheid en verschillen in gezondheid. VUBpress, Brussel. 8

9 De Engelse gezondheidsenquête bestaat uit drie delen: een vragenlijst die afgenomen wordt door een interviewer, een vragenlijst die de respondent zelf invult en metingen uitgevoerd door een verpleegkundige. Dit laatste deel omvat behalve het opmeten van lichaamsmaten ook de afname van een staal bloed en speeksel en het opmeten van de bloeddruk. Wat men precies opmeet, kan jaarlijks variëren naargelang de specifieke modules. Ook op deze klinische metingen zullen we in een afzonderlijke paragraaf ingaan. De gezondheidsenquête verzamelt gegevens over een representatief staal van de Engelse bevolking van 2 jaar en ouder en wonend in een privéhuishouden. Dit laatste betekent dat personen die in een instelling leven, niet opgenomen zijn in de steekproef. Hiermee moet rekening gehouden worden bij het interpreteren van de gegevens. Mensen die in een instelling verblijven zijn immers gemiddeld ouder en in een slechtere gezondheidstoestand dan mensen die in privéhuishoudens leven. De steekproeftrekking van de Engelse gezondheidsenquêtes gebeurt via een gestratificeerde steekproef van een groot aantal adressen. Voor 1998 werden in 720 verschillende postsectoren telkens 19 adressen geselecteerd, wat resulteerde in geselecteerde huishoudens. In deze huishoudens werden gegevens verzameld voor alle leden vanaf de leeftijd van 2 jaar. Om de betrokkenen niet te veel te belasten, werd het aantal in de steekproef opgenomen kinderen beperkt tot twee per huishouden. Zij werden ad random aangeduid. Voor kinderen tussen 2 en 12 jaar, werden de vragen beantwoord door een van de ouders of door de voogd, in het bijzijn van het kind zelf. Kinderen van 13 tot 15 jaar werden persoonlijk geïnterviewd, na instemming van de ouders of de voogd. Voor de 8 tot 15 jarigen werden ook zelf in te vullen vragenlijsten voorzien, waarin gepeild wordt naar hun drink- en rookgewoonten. Jongeren vanaf 16 jaar kregen dezelfde vragen als de volwassen bevolking. Voor 1998 werden gegevens verzameld van personen, waarvan met een leeftijd van 16 jaar of ouder en kinderen tussen 2 en 15 jaar personen stonden een bezoek van de verpleegkundige toe. Van volwassenen en van 268 van de 11 tot 15 jarigen werd een bloedstaal afgenomen. Qua individuele response rate komt dit voor het interviewgedeelte van de enquête neer op 69% voor de volwassenen. Dit wil zeggen dat 69% van alle volwassenen in de steekproef een interview hebben afgelegd. Voor de kinderen ligt de response rate op 74%. 59% van de volwassenen en 64% van de kinderen stemde daarnaast ook in met een bezoek van een verpleegkundige. Respectievelijk 57% en 61% heeft een speekselstaal gegeven. Tenslotte stonden 47% van de volwassenen en 32% van de kinderen tussen 11 en 15 jaar een bloedstaal af. Voor de volwassenen in de verschillende opeenvolgende gezondheidsenquêtes werd geoordeeld dat zij als groep voldoende overeenstemming vertoonden met de gehele Engelse bevolking, zodat weging overbodig was. De gegevens van de kinderen werden echter wel gewogen, ter compensatie van de beperking tot 2 kinderen per huishouden. 9

10 2. Het meten van sociaal-economische status in de Engelse gezondheidsenquête In het rapport over de Engelse gezondheidsenquête van wordt hoofdzakelijk met drie maten voor sociaal-economische status gewerkt: ten eerste een indeling in beroepscategorieën, ten tweede de kwintielcategorieën van het equivalent inkomen en ten derde de Health Authority area type. Beroepscategorie In de Engelse gezondheidsenquête worden 6 beroepscategorieën onderscheiden: Beroepscategorieën: indeling gebruikt in de Engelse gezondheidsenquête I Professional II Managerial & technical/intermediate IIINM IIIM IV V Non-manual skilled Manual skilled Partly skilled Unskilled Categorieën I tot en met IIINM worden ook de niet manuele categorieën genoemd, de overige categorieën kregen de benaming manuele categorieën mee. De beroepscategorie van het gezinshoofd geldt als beroepscategorie van alle andere leden van het huishouden. Met andere woorden: voor een gezin bestaande uit twee volwassenen met kinderen, geldt de beroepscategorie van het gezinshoofd ook als beroepscategorie van de tweede volwassene en de kinderen. Equivalent inkomen Het equivalent inkomen is een maat waarbij het totale beschikbare inkomen van alle leden van een huishouden samen, gecorrigeerd wordt voor de gezinssamenstelling. Dit gebeurt door het totale beschikbare inkomen te delen door een coëfficiënt die afhankelijk is van de gezinssamenstelling. Op die manier worden de inkomens van verschillende gezinstypes vergelijkbaar gemaakt. In de bespreking van de Engelse gezondheidsenquête wordt het equivalent inkomen ingedeeld in 5 categorieën, overeenkomstig de vijf kwintielwaarden. In het eerste kwintiel bevinden zich de leden van de huishoudens waarvan het equivalent inkomen behoort tot de laagste 20%. Het vijfde kwintiel zijn de huishoudens met een equivalent inkomen bij de hoogste 20% van de steekproef. 8 The Stationary Office, Health Survey for England London. 10

11 Health Authority area type De variabele Health Authority area type onderscheidt verschillende types gebieden: inner London, mining & industrial areas, urban areas, mature areas, prosperous areas en rural areas. Vermits deze variabele - in tegenstelling tot de andere twee - moeilijk vertaalbaar is naar de situatie in eigen land, werd besloten hier niet dieper op in te gaan in dit rapport. Andere SES-indicatoren Beroepscategorie, equivalent inkomen en Health Authority area type zijn de drie SESvariabelen die doorheen het rapport steeds aan bod komen. Op verschillende momenten wordt echter via multivariate statistiek ook gecontroleerd voor het effect van andere variabelen, waarvan er twee van groot belang zijn voor de analyse van sociaal-economische gezondheidsverschillen: opleidingsniveau en activiteitsstatus. Opleidingsniveau wordt in de Engelse gezondheidsenquête geoperationaliseerd als hoogste behaald diploma, waarbij vier categorieën worden onderscheiden: degree, A level, O level en no qualifications. De variabele activiteitsstatus maakt een onderscheid tussen werkenden, werklozen, gepensioneerden en andere economisch inactieven. Opmerkingen Bij het vergelijken van verschillende sociaal-economische categorieën werd steeds vooraf een leeftijdsstandaardisering doorgevoerd. Dit wil zeggen dat de eventuele invloed van leeftijd op de verschillen tussen de sociaal-economische categorieën werd weggewerkt, zodat de besproken verschillen tussen de sociaal-economische categorieën niets te maken hebben met leeftijdsverschillen. In dit verslag wordt dit niet steeds opnieuw vermeld. De gegevens over sociaal-economische verschillen in gezondheid die in het Engelse rapport over de gezondheidsenquête worden weergegeven, hebben alleen betrekking op personen vanaf 16 jaar. De enige uitzondering is de variabele Body Mass Index, waarbij ook voor kinderen informatie wordt vermeld over verschillen naargelang sociaal-economische status. Deze zullen bij de bespreking van de Body Mass Index (onder 5.3) afzonderlijk worden behandeld. Alle andere resultaten hebben dus alleen betrekking op personen vanaf 16 jaar. 3. Sociaal-economische verschillen in cardiovasculaire aandoeningen Cardiovasculaire aandoeningen zijn over de jaren heen het grote aandachtspunt geweest in de Engelse gezondheidsenquête. Ook in 1998 werd aan dit thema veel aandacht besteed. De respondenten van de Engelse gezondheidsenquête werden als cardiovasculair patiënt geklasseerd indien ze minstens één klacht uit een vastgelegde reeks gezondheidsproblemen hadden én rapporteerden dat die diagnose bevestigd was door 11

12 een arts. De lijst van cardiovasculaire problemen omvat: hartbeklemming, hartaanval, beroerte, hartgeruis, hartritmestoornissen, andere hartproblemen, diabetes en hoge bloeddruk 9. In het resultatenrapport van de gezondheidsenquête 1998 wordt een onderscheid gemaakt tussen een cardiovasculaire aandoening, ischemische hartziekten, en ischemische hartziekten of beroerte. Iedereen die minstens één door een dokter bevestigde aandoening heeft uit bovenstaande lijst, heeft een cardiovasculaire aandoening Personen die een hartbeklemming of hartaanval hebben gehad, bevestigd door een arts, werden geklasseerd in de categorie Ischemische hartziekten (IHZ). Met Ischemische hartziekten (IHZ) of beroerte tenslotte, wordt verwezen naar een hartbeklemming, hartaanval of beroerte, bevestigd door een arts. Het nagaan van sociaal-economische verschillen in cardiovasculaire aandoeningen gebeurde alleen voor de respondenten van 35 jaar of ouder. Dit omdat cardiovasculaire aandoeningen weinig voorkomen op jongere leeftijd. Verschillen naar beroepscategorie De leeftijdsgestandaardiseerde prevalentie van een cardiovasculaire aandoening is over het algemeen hoger in de manuele dan in de niet manuele categorieën. Bij mannen is de prevalentie het hoogst in beroepscategorie V (38,2%) en het laagst in beroepscategorie I (28,6%), maar er is geen consistent patroon voor de tussenliggende beroepscategorieën. Bij de vrouwen is er een consistente stijging van beroepscategorie I (31,8%) tot categorie IV (39,7%), maar vervolgens weer een afname bij categorie V (36,6%). Voor IHZ en IHZ of beroerte is er voor beide geslachten een sociale gradiënt waar te nemen. Bij mannen verdubbelt de prevalentie van IHZ van 5,2% in categorie I naar 10% à 11% in categorieën III tot V. Bij vrouwen stijgt de prevalentie van IHZ van beroepscategorie II (5,7%) tot beroepscategorie V (10,0%). Beroepscategorie I vormt bij de vrouwen met 8,2% echter een uitzondering op de algemene trend. De resultaten voor IHZ of beroerte zijn gelijkaardig als deze voor IHZ: een opvallend lage prevalentie in categorie I bij de mannen en een stijging van categorie II tot V bij de vrouwen. Verschillen naar equivalent inkomen Bij de verschillen naargelang equivalent inkomen is de sociale gradiënt nog duidelijker: de prevalentie van een cardiovasculaire aandoening, van IHZ en van IHZ of beroerte is negatief geassocieerd met equivalent inkomen. Bij vrouwen is er voor de drie variabelen een consistente daling van de prevalentie bij stijgend inkomen. Bij de mannen is er voor IHZ en IHZ of beroerte een daling van het laagste tot het tweede hoogste inkomenskwintiel, om dan weer licht te stijgen in het allerhoogste inkomenskwintiel. Wat de prevalentie van een cardiovasculaire 9 Engelstalige omschrijving: angina, heart attack, stroke, heart murmur, abnormal heart rhythm, other heart trouble, diabetes en high blood pressure. 12

13 aandoening betreft, scoort het laagste inkomenskwintiel het hoogst en het hoogste inkomenskwintiel het laagst, maar zijn de prevalenties in de tussenliggende categorieën niet consistent. Determinanten van IHZ of beroerte: multivariate analyse Uit bovenstaande cijfergegevens blijkt dat de beroepscategorie en de inkomenscategorie geassocieerd zijn met IHZ of beroerte. Hieruit zonder meer besluiten dat de beroepscategorie en het inkomen rechtstreeks bepalend zijn voor de prevalentie van deze aandoeningen, is echter fout. Er zijn immers nog verscheidene andere factoren die de relatie tussen sociaal-economische status en IHZ of beroerte mee kunnen bepalen. Zo weten we bijvoorbeeld dat er in de lagere beroepscategorieën meer rokers zijn en dat roken leidt tot een verhoogd risisco op cardiovasculaire problemen. Het zou dan ook kunnen dat roken de associatie tussen beroepscategorie en IHZ of beroerte verklaart en dat de beroepscategorie op zichzelf, los van het effect van roken, niet samenhangt met deze gezondheidsproblemen. Om uit te zoeken welke variabelen écht bepalend zijn voor deze cardiovasculaire problemen, wordt de techniek van logistische regressie toegepast. Hierbij wordt het gezuiverd effect van verschillende mogelijk bepalende factoren nagegaan. Men zoekt het effect van de verschillende factoren, gezuiverd of gecontroleerd voor het effect van de andere factoren. Volgende variabelen werden in het model opgenomen: beroepscategorie, C-reactief proteïne, fibrinogeenniveau, totaal cholesterolniveau, HDL-cholesterolniveau, familiegeschiedenis qua cardiovasculaire aandoeningen, al dan niet roker (geweest) zijn, fysieke activiteit, lenden-heup ratio, hoge bloeddruk en mentale gezondheid. Het doel is na te gaan of de beroepscategorie nog een invloed heeft, na controle voor het effect van al deze andere variabelen die geassocieerd zijn met cardiovasculaire aandoeningen. Bij mannen vervalt de associatie tussen de beroepscategorie en IHZ of beroerte na de controle voor de andere vernoemde variabelen. Dit betekent dat de beroepscategorie op zich geen bepalende factor is voor IHZ of beroerte. Hoge bloeddruk, fibrinogeenniveau en mentale gezondheid daarentegen, blijven wel significant geassocieerd met IHZ of beroerte na controle voor de andere variabelen. Bij vrouwen is het beeld anders. Daar blijft de invloed van de beroepscategorie wél significant, ook na controle voor de andere variabelen in het model. Vrouwen uit de manuele categorieën hebben een grotere kans op IHZ of beroerte dan vrouwen uit de niet manuele categorieën, ook als we controleren voor de andere variabelen in het model (odds-waarde 1,58 t.o.v. het gemiddelde). Naast beroepscategorie blijken ook fysieke activiteit en mentale gezondheid een onafhankelijke invloed uit te oefenen op de kans op IHZ of beroerte. 13

14 4. Sociaal-economische verschillen in leefstijl 4.1 Alcoholgebruik Alcoholconsumptie laat zich niet zo makkelijk meten via enquêtes. We kunnen ervan uitgaan dat de werkelijke consumptie hoger ligt dan de cijfers weergegeven door gezondheidsenquêtes. Hiermee moet men rekening houden bij de interpretatie van de gegevens. In het rapport over de Engelse gezondheidsenquête van 1998 wordt voor 3 samenvattende maten van alcoholgebruik nagegaan of er verschillen zijn tussen de sociaal-economische categorieën. De eerste samenvattende maat voor alcoholgebruik peilt naar het percentage overmatige drinkers. Hierbij worden 21 eenheden per week bij mannen en 14 eenheden per week bij vrouwen gezien als overmatig drankgebruik. De tweede maat voor alcoholconsumptie is het gemiddelde aantal geconsumeerde eenheden per week. Voor de derde maat gaat men uit van het hoogste aantal eenheden alcohol dat de respondent, gedurende de week voorafgaand aan het interview, op één dag heeft geconsumeerd. Concreet werd gepeild naar het percentage binge drinkers of personen die een bepaalde grens van drankgebruik 8 eenheden op één dag voor mannen en 6 eenheden op één dag voor vrouwen minstens één keer overschreden gedurende de week voorafgaand aan het interview. Meer dan 21 / 14 eenheden per week Verschillen naargelang beroepscategorie In Engeland anno 1998 blijkt er voor de eerste maat van alcoholconsumptie geen duidelijke sociale gradiënt te zijn bij de mannen. Mannen uit beroepscategorie II drinken het vaakst meer dan 21 eenheden per week, met name in 35% van de gevallen. Bij de vrouwen daarentegen, is er wel een sociale gradiënt, in die zin dat in de niet manuele beroepscategorieën de norm van 14 eenheden alcohol per week vaker wordt overschreden dan in de manuele beroepscategorieën. Ook hier heeft beroepscategorie II het hoogste percentage overmatige drinkers (22%). Verschillen naargelang equivalent inkomen Wanneer we het equivalent inkomen als SES-indicator nemen, is de sociale gradiënt zowel bij mannen als bij vrouwen duidelijk aanwezig. Voor beide geslachten geldt dat het percentage overmatige drinkers stijgt van de laagste twee inkomenskwintielen tot het hoogste inkomenskwintiel. Gemiddelde wekelijkse consumptie Verschillen naargelang beroepscategorie De vaststellingen in verband met het gemiddelde aantal wekelijks geconsumeerde eenheden alcohol zijn redelijk gelijklopend met deze voor overmatig drinken. Bij de 14

15 mannen is er ook hier geen eenduidige richting in de verschillen tussen de beroepscategorieën. Categorieën II en V zijn met gemiddelden van 19,4 en 19,9 eenheden de grootste alcoholconsumenten. Bij de vrouwen stellen we opnieuw een verschil vast tussen de niet manuele en de manuele categorieën, waarbij de eerste groep wekelijks gemiddeld meer drinkt dan de tweede. Verschillen naargelang equivalent inkomen Bij beide geslachten is er een duidelijke associatie tussen equivalent inkomen en wekelijkse alcoholconsumptie. Bij mannen stijgt het gemiddelde aantal eenheden van 16,5 in de laagste inkomenscategorie tot 21,1 in de hoogste. Alleen het middenste kwintiel vormt een uitzondering met een iets lagere consumptie dan het net lagere inkomenskwintiel. Ook bij de vrouwen is er een duidelijke sociale gradiënt: het wekelijks alcoholgebruik stijgt er van 5,7 eenheden in de laagste twee inkomenskwintielen tot 9,8 in het hoogste. We kunnen dus besluiten dat zowel mannen als vrouwen gemiddeld meer drinken naarmate het equivalent inkomen hoger ligt. Percentage binge drinkers Wanneer we de resultaten voor de derde maat van alcoholgebruik nagaan, krijgen we een heel ander beeld. Bij de mannen is er een continue stijging in het percentage binge drinkers gaande van beroepscategorie I (24%) naar -categorie V (44%). Ook bij de vrouwen ligt het percentage binge drinkers het laagst in categorie I en het hoogst in categorie V, maar hier is er in de tussenliggende categorieën geen eenduidig patroon. De verschillen in binge drinken naargelang equivalent inkomen kennen geen duidelijke gradiënt. 4.2 Rookgedrag Wat het rookgedrag van de Engelse bevolking betreft, werden volgende variabelen nagegaan: (1) het percentage rokers, (2) het aantal gerookte sigaretten per dag en het percentage zware rokers ( = minstens 20 sigaretten per dag) en (3) het type sigaretten. Percentage rokers Er is een sterke sociale gradiënt voor wat het percentage rokers betreft. In beroepscategorie I rookt 15% van de mannen en 14% van de vrouwen, terwijl deze cijfers oplopen tot respectievelijk 42% en 37% in beroepscategorie V. Qua equivalent inkomen stellen we een gelijkaardige trend vast: het percentage rokers neemt af naarmate het inkomen stijgt. Aantal gerookte sigaretten per dag Er zijn ook verschillen tussen de beroepscategorieën qua aantal gerookte sigaretten per dag. Bij beroepscategorieën IV en V gaat het om gemiddelden van 16,2 sigaretten voor de mannen en 14 voor de vrouwen. Voor beroepscategorieën I en II zijn deze dagelijkse gemiddelden respectievelijk 14,5 en 12,5 sigaretten. 15

16 Het percentage zware rokers minstens 20 sigaretten per dag stijgt bij mannen van 32% in beroepscategorieën I en II tot 40% in beroepscategorieën IV en V. Bij vrouwen wordt een stijging van 26% tot 31% vastgesteld. Bij mannen is er geen duidelijke sociale gradiënt voor wat het dagelijkse aantal gerookte sigaretten en het percentage zware rokers betreft. Bij vrouwen daarentegen, is de gradiënt wel duidelijk: over het algemeen daalt het aantal gerookte sigaretten en het percentage zware rokers met stijgend inkomen. Type sigaretten Mannen in de manuele beroepscategorieën roken vaker zelfgerolde sigaretten en minder vaak sigaretten met een teergehalte onder 10 mg per sigaret dan mannen uit niet manuele beroepscategorieën. Bij vrouwen werd vastgesteld dat in beroepscategorieën I en II meer lichte sigaretten (minder dan 10mg teer per sigaret) werden gerookt. Bij stijgend inkomen stijgt het gebruik van lichte sigaretten bij mannen en daalt het gebruik van gerolde sigaretten. Vrouwen uit het laagste inkomenskwintiel roken vaker zware dan lichte sigaretten, terwijl vrouwen uit het hoogste inkomenskwintiel vaker lichte dan zware sigaretten roken. Determinanten van al dan niet roken: multivariate analyse Zoals bij cardiovasculaire aandoeningen, werd ook hier een logistische regressie toegepast. Ditmaal om na te gaan of de associatie tussen al dan niet roken enerzijds en de sociaal-economische indicatoren anderzijds te wijten is aan andere factoren. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat opleidingsniveau een bepalende invloed heeft op roken én op sociaal-economische status. De associatie die gevonden wordt tussen roken en de sociaal-economische variabelen, zou dan ook te wijten kunnen zijn aan een gemeenschappelijke oorsprong bijvoorbeeld opleidingsniveau - en niet aan een rechtstreekse relatie tussen roken en sociaal-economische status. Om dergelijke vertekeningen na te gaan, werd een logistische regressie uitgevoerd met leeftijd, beroepscategorie, equivalent inkomen, Health Authority area type en hoogst behaalde diploma als onafhankelijke variabelen. Deze analyse leert ons dat de sociaal-economische variabelen sterke determinanten blijven van het al dan niet roken, ook na controle voor de andere variabelen in het model. Zo blijken mannen uit beroepscategorie V, na controle voor de andere variabelen, tweeënhalf keer zoveel kans te hebben om te roken als mannen uit beroepscategorie I. Mannen uit het laagste inkomenskwintiel hebben 58% meer kans om te roken dan deze in het hoogste kwintiel. Voor vrouwen zijn de resultaten gelijkaardig. De associatie tussen de sociaal-economische variabelen en het al dan niet roken, is dus niet te wijten aan verschillen in andere factoren in het model. Een andere SES-factor die een significante invloed uitoefent op het al dan niet roken, is het opleidingsniveau. Het hoogst behaalde diploma is, ook na controle voor de andere variabelen, een determinant van rookgedrag bij mannen en vrouwen, waarbij hooggeschoolden minder roken dan laaggeschoolden. 16

17 Determinanten van zwaar roken: multivariate analyse Om na te gaan welke factoren bepalend zijn voor zwaar roken, werd opnieuw een logistische regressie-analyse uitgevoerd, met dezelfde onafhankelijke variabelen als hierboven. Hier zien we dat er geen verband is tussen beroepscategorie en zwaar roken na controle voor de andere factoren in het model. De hoger genoteerde associatie tussen beroepscategorie en zwaar rookgedrag is dus te wijten aan andere factoren in het model en niet aan de beroepscategorie op zich. Bij mannen verdwijnt ook het verband tussen equivalent inkomen en zwaar roken na controle voor de andere variabelen. Bij vrouwen daarentegen, blijft de relatie tussen equivalent inkomen en zwaar roken wél significant: de kans voor een vrouw om zware roker te zijn, daalt naarmate het inkomen stijgt. Vrouwen in het laagste inkomenskwintiel hebben bijna twee keer zoveel kans om zware roker te zijn als vrouwen in de hoogste inkomenscategorie. Een significante determinant bij mannen én vrouwen is ook hier de variabele opleidingsniveau. Vooral onder de laagst geschoolden bevinden zich veel rokers. Determinanten van het cotininegehalte In het kader van de Engelse gezondheidsenquête wordt van de respondenten een speekselstaal afgenomen. Hieruit kan het cotininegehalte onderzocht worden. Cotinine is een objectief meetbare indicator van roken. Het cotininegehalte is bruikbaar om regelmatige rokers op te sporen. Occasionele rokers die gedurende de laatste dagen voor de speekselafnamen niet gerookt hebben, zullen echter niet gededecteerd worden. Om de determinanten van een hoog cotininegehalte na te gaan, werd een logistische regressie uitgevoerd met leeftijd, beroepscategorie, Health Authority area type, opleidingsniveau en twee bijkomende onafhankelijke variabelen. De bijkomende variabelen zijn het aantal gerookte sigaretten per dag en het teergehalte in de sigaretten. De afhankelijke variabele maakt een onderscheid tussen een hoog en een niet-hoog cotininegehalte, waarbij het gehalte van het derde kwartiel als grens werd gesteld. Na controle voor alle onafhankelijke variabelen in het model blijken beroepscategorieën en equivalent inkomen geen significante invloed meer te hebben op het hebben van een hoog cotininegehalte. Het hoogst behaalde diploma daarentegen, blijft wél een belangrijke determinant, maar alleen bij vrouwen. 17

18 4.3 Eetgewoonten Er is een belangrijk verband tussen voedingsgewoonten en ongelijkheid inzake gezondheid 10. Er is ook toenemend bewijs dat voedingsgerelateerde ziekten geconcentreerd zijn bij achtergestelde groepen. Om de eetgewoonten van de Engelsen in kaart te brengen, werd gebruik gemaakt van een vragenlijst die gebaseerd is op de DINE-questionaire (Dietary Instrument for Nutrition Education). Zowel voor de consumptie van vet als voor vezelrijke voeding werden de respondenten ingedeeld in drie categorieën: laag, middelmatig en hoog gebruik. Voor vetconsumptie liggen de tussengrenzen op 33 gram en 122 gram per dag, voor vezelinname op 20 gram en 30 gram per dag. Het percentage personen met een hoog vetgebruik in de voeding stijgt van beroepscategorie I tot beroepscategorie V, en dit zowel bij mannen als bij vrouwen. De stijging gaat van 19% tot 38% bij mannen en van 7% tot 17% bij vrouwen. Ook het gebruik van vezelarme voeding neemt toe van beroepscategorie I tot beroepscategorie V: van 45% tot 59% bij mannen en van 47% tot 68% bij vrouwen. Hoog vetgebruik houdt ook verband met equivalent inkomen: het vetgebruik bij mannen en vrouwen daalt wanneer het inkomen stijgt. Voor vezelarme voeding was het verband echter niet zo duidelijk, al werd ook hier vastgesteld dat vezelarme voeding het meest voorkomt in het laagste inkomenskwintiel. 4.4 Fysieke activiteit Voor wat sociaal-economische verschillen in fysieke activiteit betreft, bespreken we eerst de leeftijdsgestandaardiseerde resultaten voor sport, wandelen en fysieke activiteit op het werk. Vervolgens worden de resultaten weergegeven van logistische regressies, waarbij tegelijk voor verschillende onafhankelijke variabelen wordt gecontroleerd. sport Zowel bij mannen als bij vrouwen is het percentage personen dat in de vier weken voor het interview aan sport heeft gedaan, het hoogst bij beroepscategorieën I en II. Voor equivalent inkomen is er een gelijkaardig patroon waar te nemen. Bij mannen stijgt het percentage sportbeoefenaars van 31% in het laagste inkomenskwintiel tot 55% in het hoogste inkomenskwintiel, bij vrouwen zijn deze cijfers respectievelijk 24% en 45%. wandelen Bij wandelen tekent zich een vergelijkbaar beeld af, zowel wat beroepscategorie aangaat als voor inkomen. Vooral mannen en vrouwen uit niet manuele categorieën hebben in de vier weken voor het interview gewandeld. Bij mannen steeg het percentage wandelaars van 27% in het laagste inkomenskwintiel tot 41% in het hoogste inkomenskwintiel, bij vrouwen van 19% tot 30%. 10 The Stationary Office, Independent Inquiry into Inequalities in Health Report. London. 18

19 fysieke activiteit op het werk Zoals te verwachten, liggen de resultaten voor fysieke activiteit op het werk heel anders. Bij mannen zijn vooral de manuele beroepscategorieën fysiek actief op het werk, bij vrouwen vooral beroepscategorie V. In termen van equivalent inkomen, is het percentage fysiek actieve personen het hoogst in de middenste inkomenskwintielen. Determinanten van fysieke activiteit: multivariate analyses Wat zijn de resultaten wanneer we voor verschillende variabelen tegelijk controleren? Wat zijn met andere woorden de zuivere effecten van sociaal-economische statusvariabelen? Om deze vragen te beantwoorden, werd opnieuw gebruik gemaakt van logistische regressie-analyses. Daarbij werden telkens (1) leeftijd, (2) beroepscategorie, (3) de inkomenskwintielen, (4) activiteitsstatus en (5) Health Authority area type opgenomen als onafhankelijke variabelen. In totaal werden zes logistische regressies uitgevoerd, waarbij naast de vernoemde onafhankelijke variabelen elke keer een andere afhankelijke variabele werd opgenomen: zware huishoudelijke taken, klussen en doe-het-zelf-activiteiten, wandelen, sport, fysieke activiteit op het werk en een samenvattende activiteitsmaat. Voor de eerste afhankelijke variabele - zware huishoudelijke taken blijft er bij de mannen, na controle voor de andere variabelen, geen significant verband meer met beroepscategorie en equivalent inkomen. Voor vrouwen is de situatie anders. Daar valt vooral op dat categorie I en II minder vaak zware huishoudelijke taken verrichten en de categorie IIINM veruit het vaakst. Qua activiteitsstatus zijn er zowel bij mannen als bij vrouwen significante verschillen. Bij mannen zijn het vooral de werklozen en de gepensioneerden die in de vier weken voorafgaand aan het interview zware huishoudelijke taken op zich genomen hebben. Bij de vrouwen daarentegen, scoort de werkende categorie het hoogst, al zijn de verschillen met de andere categorieën niet heel groot. Klussen en doe-het-zelf-activiteiten zijn bij geen van beide geslachten na controle voor de andere variabelen - verbonden met beroepscategorie of equivalent inkomen. Wel is er bij mannen een significant verband met de activiteitsstatus, in die zin dat bij de andere economisch inactieven (dwz de economisch inactieven die niet in de categorie van gepensioneerden of werklozen thuishoren) de kans op klussen duidelijk het laagst is. Voor de afhankelijke wandelen vinden we dan wél weer een belangrijke sociale gradiënt, zowel voor beroepscategorie als voor equivalent inkomen. Zowel bij mannen als bij vrouwen is de kans op wandelen groter bij de niet manuele beroepscategorieën en stijgt de kans van het laagste naar het hoogste inkomenskwintiel (met een kleine uitzondering voor het laagste inkomenskwintiel, dat bij de mannen lichtjes hoger scoort dan het tweede laagste). Ook qua activiteitsstatus zijn er belangrijke verschillen. Bij de mannen hebben werklozen en gepensioneerden een grotere kans op wandelen, bij vrouwen de werklozen. Ook voor sportbeoefening is er een verband met sociale status. Na controle voor de andere variabelen in het model, blijft er bij de mannen een significant effect van 19

20 beroepscategorie, waarbij de kans op sportbeoefening het hoogst is in beroepscategorieën I en II. Ook equivalent inkomen is een significante determinant, met beduidend meer sporters in de hoogste twee kwintielen dan in de lagere. Bij vrouwen zijn het vooral de niet manuele beroepscategorieën die sporten. Daarnaast is er een positief verband tussen sportbeoefening en het inkomenskwintiel. Ook wat de activiteitsstatus betreft, zijn er zowel bij mannen als bij vrouwen verschillen. Bij de mannen valt vooral de lage sportdeelname van de andere economische inactieven op, bij vrouwen de hogere kans op sporten bij de werklozen. Fysieke activiteit op het werk daalt bij mannen van beroepscategorie V tot beroepscategorie I en komt het vaakst voor in het middenste inkomenskwintiel. In het hoogste inkomenskwintiel is de kans op fysieke activiteit op het werk het kleinst. Bij vrouwen scoren beroepscategorieën IV en V het hoogst voor fysieke arbeid op het werk en de hoogste twee inkomenskwintielen het laagst. Voor de volledigheid vermelden we dat er ook qua activiteitsstatus grote verschillen zijn, waarbij de categorie van de werkenden vanzelfsprekend bij beide geslachten het hoogst scoren. De laatste afhankelijke variabele in de reeks logistische regressie-analyses is een samenvattende activiteitsmaat. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen personen die gedurende de vier weken voorafgaand aan het interview minstens 20 keer gedurende minimum een half uur matig of sterk actief waren (groep 1) en personen waarvoor dit niet geldt (groep 2). Met matige acitiviteit wordt fysieke activiteit bedoeld waarbij tussen 5 kcal en 7,5 kcal per minuut wordt verbruikt. Vanaf een energieverbruik van 7,5 kcal of meer is men sterk actief. Bij deze indeling wordt geen rekening meer gehouden met de soort activiteit. Ook zware huishoudelijke taken en fysieke arbeid op het werk zijn hier dus inbegrepen. Mannen in manuele beroepscategorieën behoren vaker tot groep 1 dan mannen in de niet manuele beroepscategorieën. Dit hoeft niet echt te verwonderen, aangezien de manuele categorieën vaker fysiek actief zijn op het werk, waardoor zij bij voltijds werk sowieso tot groep 1 behoren. Voor wat de inkomenskwintielen betreft, stellen we vast dat vooral het derde en het vierde hoogste kwintiel goed scoren voor deze samenvattende maat voor fysieke activiteit. Bij vrouwen ligt de situatie anders. Hier is er na controle voor de andere variabelen in het model helemaal geen significant effect meer van beroepscategorie of equivalent inkomen. Bij beide geslachten zijn er verschillen naargelang de activiteitsstatus: de werkenden hebben het meeste kans om tot de fysiek actieve groep te behoren. 5. Sociaal-economische verschillen in de resultaten van de klinische metingen 5.1 Bloeddruk Bij de objectieve metingen door een verpleegkundige in het kader van de Engelse gezondheidsenquête hoort ook een bloeddruktest. Een hoge bloeddruk of hypertensie wordt daarbij gedefinieerd als een systolische bloeddruk groter of gelijk aan 140 mmhg en/of een diastolische bloeddruk groter of gelijk aan 90 mmhg. Ook 20

.192. Etnische ongelijkheid in hart- en vaatziekterisico:

.192. Etnische ongelijkheid in hart- en vaatziekterisico: Samenvatting Etnische ongelijkheid in hart- en vaatziekterisico: de aanwezigheid van risicofactoren onder Amsterdammers met een Turkse en Marokkaanse etnische achtergrond. De incidentie van hart- en vaatziekten

Nadere informatie

Resultaten voor België Psychische Gezondheid Gezondheidsenquête, België, 1997

Resultaten voor België Psychische Gezondheid Gezondheidsenquête, België, 1997 6.2.1. Inleiding Binnen de verschillen factoren van risico gedrag heeft alcoholverbruik altijd al de aandacht getrokken van de verantwoordelijken voor Volksgezondheid. De WGO gebruikt de term "Ongeschiktheid

Nadere informatie

Resultaten voor België Roken Gezondheidsenquête, België, 1997

Resultaten voor België Roken Gezondheidsenquête, België, 1997 6.1.1. Inleiding Het tabaksgebruik is een van de voornaamste risicofactoren voor longkanker, ischemische hartziekten en chronische ademhalingsaandoeningen (1). Men schat dat er in Europa niet minder dan

Nadere informatie

Gezondheidsenquête, België Methodologie. Wetenschap ten dienste van Volksgezondheid, Voedselveiligheid en Leefmilieu.

Gezondheidsenquête, België Methodologie. Wetenschap ten dienste van Volksgezondheid, Voedselveiligheid en Leefmilieu. Methodologie Wetenschap ten dienste van Volksgezondheid, Voedselveiligheid en Leefmilieu. Methodologie Inleiding Om sociale ongelijkheden in gezondheid in kaart te brengen en om mogelijke trends in de

Nadere informatie

Socio-economische ongelijkheden in gezondheid in het Vlaams Gewest

Socio-economische ongelijkheden in gezondheid in het Vlaams Gewest Socio-economische ongelijkheden in gezondheid in het Vlaams Gewest Analyse indicatoren Gezond leven Analyse van de gezondheidsenquête in opdracht van het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid Door Sabine

Nadere informatie

4. Resultaten. 4.1 Levensverwachting naar geslacht en opleidingsniveau

4. Resultaten. 4.1 Levensverwachting naar geslacht en opleidingsniveau 4. Het doel van deze studie is de verschillen in gezondheidsverwachting naar een socio-economisch gradiënt, met name naar het hoogst bereikte diploma, te beschrijven. Specifieke gegevens in enkel mortaliteit

Nadere informatie

6.7.1. Ongelijkheden in gezondheidstoestand, levensstijl en preventie

6.7.1. Ongelijkheden in gezondheidstoestand, levensstijl en preventie 6.7. Ongelijkheid in Gezondheid 6.7.1. 6.7.1.1. Samenvatting 6.7.1.1.1 Gezondheidsstatus De perceptie van de eigen gezondheid vertoont een negatieve samenhang met het opleidingsniveau: bij personen zonder

Nadere informatie

Resultaten voor België Cardiovasculaire preventie Gezondheidsenquête, België, 1997

Resultaten voor België Cardiovasculaire preventie Gezondheidsenquête, België, 1997 6.8.1. Inleiding In deze module worden 2 specifieke preventiedomeinen behandeld: de hypertensie en de hypercholesterolemie. De hart- en vaatziekten zijn aandoeningen die uit het oogpunt van volksgezondheid,

Nadere informatie

Inleiding. Johan Van der Heyden

Inleiding. Johan Van der Heyden Inleiding Johan Van der Heyden Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid Operationele Directie Volksgezondheid en surveillance J. Wytsmanstraat, 14 B - 1050 Brussel 02 / 642 57 26 E-mail : johan.vanderheyden@iph.fgov.be

Nadere informatie

Resultaten voor Vlaamse Gemeenschap Contacten met de Huisarts Gezondheidsenquête, België, 1997

Resultaten voor Vlaamse Gemeenschap Contacten met de Huisarts Gezondheidsenquête, België, 1997 7.1.1. Inleiding De huisarts vervult een essentiële rol binnen het geheel van de gezondheidszorg. Deze rol is bovendien in volle evolutie. Thema s zoals het globaal medisch dossier en de echelonnering

Nadere informatie

Kent u de cijfers van uw hart?

Kent u de cijfers van uw hart? Kent u de cijfers van uw hart? CHOLESTEROL? GEWICHT/ BUIKOMTREK? UW? BLOEDDRUK? SUIKERGEHALTE? V.U.: Dr Freddy Van de Casseye - Elyzeese-Veldenstraat 63-1050 Brussel Belgische Cardiologische Liga www.cardiologischeliga.be

Nadere informatie

Resultaten voor Vlaamse Gemeenschap Sociale Gezondheid Gezondheidsenquête, België, 1997

Resultaten voor Vlaamse Gemeenschap Sociale Gezondheid Gezondheidsenquête, België, 1997 5.8.1. Inleiding De WHO heeft in haar omschrijving het begrip gezondheid uitgebreid met de dimensie sociale gezondheid en deze op één lijn gesteld met de lichamelijke en psychische gezondheid. Zowel de

Nadere informatie

Campagne Eenzaamheid Bond zonder Naam

Campagne Eenzaamheid Bond zonder Naam Campagne Eenzaamheid Bond zonder Naam Leen Heylen, CELLO, Universiteit Antwerpen Thomas More Kempen Het begrip eenzaamheid Eenzaamheid is een pijnlijke, negatieve ervaring die zijn oorsprong vindt in een

Nadere informatie

6.1.1. De gezondheidstoestand

6.1.1. De gezondheidstoestand 6.1. Kernboodschap 6.1.1. De gezondheidstoestand Er is een verschuiving in het morbiditeitsprofiel in vergelijking met de gegevens over overlijden. In vergelijking met de voornaamste oorzaken van overlijden

Nadere informatie

Leefstijl. 6.1 Inleiding. 6.2 Roken

Leefstijl. 6.1 Inleiding. 6.2 Roken Dit rapport is een uitgave van het NIVEL in 2004. De gegevens mogen met bronvermelding (H van Lindert, M Droomers, GP Westert.. Een kwestie van verschil: verschillen in zelfgerapporteerde leefstijl, gezondheid

Nadere informatie

ANTROPOMETRIE (BMI, BUIKOMTREK EN BUIKOMTREK/LENGTE VERHOUDING) AUTEUR Thérésa LEBACQ

ANTROPOMETRIE (BMI, BUIKOMTREK EN BUIKOMTREK/LENGTE VERHOUDING) AUTEUR Thérésa LEBACQ ANTROPOMETRIE (BMI, BUIKOMTREK EN BUIKOMTREK/LENGTE VERHOUDING) AUTEUR Thérésa LEBACQ Dankwoord Dit werk kon niet worden gerealiseerd zonder de medewerking van een aantal personen. Onze bijzondere dank

Nadere informatie

SAMENVATTING. MVW_proefschrift_170x240_17042013.indd 172

SAMENVATTING. MVW_proefschrift_170x240_17042013.indd 172 SAMENVATTING MVW_proefschrift_170x240_17042013.indd 172 ALIFE@WORK DE EFFECTEN VAN EEN LEEFSTIJLPROGRAMMA MET BEGELEIDING OP AFSTAND VOOR GEWICHTSCONTROLE BIJ WERKNEMERS ACHTERGROND Overgewicht, waarvan

Nadere informatie

5. Discussie. 5.1 Informatieve waarde van de basisgegevens

5. Discussie. 5.1 Informatieve waarde van de basisgegevens 5. 5.1 Informatieve waarde van de basisgegevens Relevante conclusies voor het beleid zijn pas mogelijk als de basisgegevens waaruit de samengestelde indicator berekend werd voldoende recent zijn. In deze

Nadere informatie

Overgewicht en Obesitas op Curaçao

Overgewicht en Obesitas op Curaçao MINISTERIE VAN Gezondheid, Milieu & Natuur Volksgezondheid Instituut Curaçao Persbericht Overgewicht en Obesitas op Curaçao In totaal zijn 62,6% van de mannen en 67,3% van de vrouwen op Curaçao te zwaar,

Nadere informatie

Het gebruik van tabak

Het gebruik van tabak Het gebruik van tabak Lydia Gisle Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid Operationele Directie Volksgezondheid en surveillance J. Wytsmanstraat, 14 B - 1050 Brussel 02 / 642 57 53 E-mail : lydia.gisle@iph.fgov.be

Nadere informatie

Samenvatting Twente. 2 van 6 Kernboodschappen Twente. Versie 2, oktober 2013

Samenvatting Twente. 2 van 6 Kernboodschappen Twente. Versie 2, oktober 2013 Samenvatting Twente Versie 2, oktober 2013 Twente varieert naar stad en platteland In Twente wonen 626.500 mensen waarvan de helft woont in één van de drie grote steden. Tot 2030 zal de Twentse bevolking

Nadere informatie

Bewegen en overgewicht in Purmerend

Bewegen en overgewicht in Purmerend Bewegen en overgewicht in Purmerend In opdracht van: Spurd, Marianne Hagenbeuk Uitgevoerd door: Monique van Diest Team Beleidsonderzoek en Informatiemanagement Gemeente Purmerend mei 2009 Verkrijgbaar

Nadere informatie

hoofdstuk 3 Hoofdstuk 4 Hoofdstuk 5

hoofdstuk 3 Hoofdstuk 4 Hoofdstuk 5 SAMENVATTING 117 Pas kortgeleden is aangetoond dat ADHD niet uitdooft, maar ook bij ouderen voorkomt en nadelige gevolgen kan hebben voor de patiënt en zijn omgeving. Er is echter weinig bekend over de

Nadere informatie

1,9 miljoen Belgen hebben nog nooit een computer gebruikt; 2,6 miljoen Belgen hebben nog nooit op het internet gesurft.

1,9 miljoen Belgen hebben nog nooit een computer gebruikt; 2,6 miljoen Belgen hebben nog nooit op het internet gesurft. ALGEMENE DIRECTIE STATISTIEK EN ECONOMISCHE INFORMATIE PERSBERICHT 8 november 2006 1,9 miljoen Belgen hebben nog nooit een computer gebruikt; 2,6 miljoen Belgen hebben nog nooit op het internet gesurft.

Nadere informatie

GEZONDHEIDSENQUETE 2013

GEZONDHEIDSENQUETE 2013 GEZONDHEIDSENQUETE 2013 RAPPORT 5: PREVENTIE Stefaan Demarest, Rana Charafeddine (ed.) Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid Operationele Directie Volksgezondheid en surveillance J. Wytsmanstraat

Nadere informatie

Vaccinatie. Jean Tafforeau

Vaccinatie. Jean Tafforeau Vaccinatie Jean Tafforeau Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid Operationele Directie Volksgezondheid en surveillance J. Wytsmanstraat, 14 B - 1050 Brussel 02 / 642 57 71 E-mail : jean.tafforeau@iph.fgov.be

Nadere informatie

INFOKAART OUDEREN EN ROKEN

INFOKAART OUDEREN EN ROKEN INFOKAART OUDEREN EN ROKEN Roken Roken is de risicofactor die de meeste sterfte en het meeste gezondheidsverlies met zich brengt en zodoende ook zorgt voor veel verlies aan kwaliteit van leven (1). Vijftien

Nadere informatie

Bespreking 5.2.2.2. page 1

Bespreking 5.2.2.2. page 1 Ziekten en langdurige aandoeningen (verder kortweg aandoeningen genoemd) brengen specifieke gevolgen met zich mee voor de gezondheidsbeleving, het dagelijks functioneren en het gebruik van de gezondheidszorg.

Nadere informatie

Centraal Bureau voor de Statistiek. Persbericht. Leefstijl Nederlander niet verbeterd. Weer meer mensen met overgewicht

Centraal Bureau voor de Statistiek. Persbericht. Leefstijl Nederlander niet verbeterd. Weer meer mensen met overgewicht Centraal Bureau voor de Statistiek Persbericht PB07-021 20 maart 2007 9.30 uur Leefstijl Nederlander niet verbeterd In 2006 zijn Nederlanders niet gezonder gaan leven. Het aandeel volwassen Nederlanders

Nadere informatie

Preventie van wiegendood bij zuigelingen

Preventie van wiegendood bij zuigelingen Preventie van wiegendood bij zuigelingen Edith Hesse Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid Operationele Directie Volksgezondheid en surveillance J. Wytsmanstraat, 14 B - 1050 Brussel 02 / 642 57 71

Nadere informatie

Resultaten voor België Risicofactoren voor wiegendood Gezondheidsenquête, België, 1997

Resultaten voor België Risicofactoren voor wiegendood Gezondheidsenquête, België, 1997 6.7.4.1. Inleiding Er werd reeds vroeger bewezen dat een prematuur respiratoir systeem een oorzaak was voor wiegendood. Het gevaar bestond vooral tijdens de slaap. Met de huidige kennis van zaken zijn

Nadere informatie

Gezondheid en sterfte naar onderwijsniveau

Gezondheid en sterfte naar onderwijsniveau Gezondheid en sterfte naar onderwijsniveau Den Haag, 28 maart 212 Jan-Willem Bruggink (Centraal Bureau voor de Statistiek) Seminar: De opleidingsgradiënt in de demografie Wat gaat er komen? Gezondheid,

Nadere informatie

Ouderenmonitor 2011. Gezondheidsonderzoek 65-plussers regio Nijmegen. Gezondheidsonderzoek kinderen 0-12 jaar regio Nijmegen

Ouderenmonitor 2011. Gezondheidsonderzoek 65-plussers regio Nijmegen. Gezondheidsonderzoek kinderen 0-12 jaar regio Nijmegen Ouderenmonitor 2011 Gezondheidsonderzoek 65-plussers regio Nijmegen Gezondheidsonderzoek kinderen 0-12 jaar regio Nijmegen De Ouderenmonitor is een onderzoek naar de lichamelijke, sociale en geestelijke

Nadere informatie

Resultaten voor Brussels Gewest Chronische Ziekten Gezondheidsenquête, België, 1997

Resultaten voor Brussels Gewest Chronische Ziekten Gezondheidsenquête, België, 1997 Ziekten en langdurige aandoeningen (verder kortweg aandoeningen genoemd) brengen specifieke gevolgen met zich mee voor de gezondheidsbeleving, het dagelijks functioneren en het gebruik van de gezondheidszorg.

Nadere informatie

IJsselland. Wijkgezondheidsprofiel Borgele en Platvoet Deventer

IJsselland. Wijkgezondheidsprofiel Borgele en Platvoet Deventer IJsselland Wijkgezondheidsprofiel Deventer Januari 2015 Wijkgezondheidsprofiel Dit wijkgezondheidsprofiel bestaat uit gegevens afkomstig van diverse bronnen, registraties en (bewoners)onderzoeken. Voor

Nadere informatie

Factoren in de relatie tussen angstige depressie en het risico voor hart- en vaatziekten

Factoren in de relatie tussen angstige depressie en het risico voor hart- en vaatziekten Factoren in de relatie tussen angstige depressie en het risico voor hart- en vaatziekten In dit proefschrift werd de relatie tussen depressie en het risico voor hart- en vaatziekten onderzocht in een groep

Nadere informatie

Resultaten voor Brussels Gewest Gezondheidsklachten Gezondheidsenquête, België, 1997

Resultaten voor Brussels Gewest Gezondheidsklachten Gezondheidsenquête, België, 1997 5.4.1. Inleiding De meerwaarde van een gezondheidsenquête in vergelijking met de traditioneel verzamelde gezondheidsinformatie bestaat er o.a. uit dat ook gepeild wordt naar klachten waarvoor niet persé

Nadere informatie

Resultaten voor Vlaamse Gemeenschap Gezondheidsenquête, België, 1997 Andere gezondheidsvoorzieningen en alternatieve geneeskunde

Resultaten voor Vlaamse Gemeenschap Gezondheidsenquête, België, 1997 Andere gezondheidsvoorzieningen en alternatieve geneeskunde 7.6.1. Inleiding In dit hoofdstuk hebben we het over contacten met de kinesitherapeut, thuisverpleegkunde, voorzieningen voor bejaarden, de diëtist en arbeidsgeneeskundige diensten tijdens het afgelopen

Nadere informatie

Centraal Bureau voor de Statistiek. Persbericht. Gezondere leefstijl blijkt voor velen moeilijk haalbaar

Centraal Bureau voor de Statistiek. Persbericht. Gezondere leefstijl blijkt voor velen moeilijk haalbaar Centraal Bureau voor de Statistiek Persbericht PB10-017 16 maart 2010 9.30 uur Gezondere leefstijl blijkt voor velen moeilijk haalbaar Bijna een op de twee beweegt onvoldoende Ruim een op de tien heeft

Nadere informatie

(hoofdstuk 2) vatting Samen

(hoofdstuk 2) vatting Samen The Multiple Environmental and Genetic Assessment of risk factors for venous thrombosis (MEGA studie) is een groot patiënt-controle onderzoek naar risicofactoren voor veneuze trombose. In deze studie zijn

Nadere informatie

OVERGEWICHT EN OBESITAS

OVERGEWICHT EN OBESITAS Volksgezondheid Instituut Curaçao De Nationale Gezondheidsenquête CURAÇAO Themarapport OVERGEWICHT EN OBESITAS 2013 I. Jansen en S. Verstraeten De Nationale Gezondheidsenquête Curaçao 2013 Themarapport

Nadere informatie

GEZONDHEIDSENQUETE 2013

GEZONDHEIDSENQUETE 2013 GEZONDHEIDSENQUETE 2013 RAPPORT 2: GEZONDHEIDSGEDRAG EN LEEFSTIJL Lydia Gisle, Stefaan Demarest (ed.) Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid Operationele Directie Volksgezondheid en surveillance J.

Nadere informatie

hoofdstuk 1 hoofdstuk 2 hoofdstuk 3

hoofdstuk 1 hoofdstuk 2 hoofdstuk 3 SAMENVATTING Dit proefschrift is gewijd aan Bouwen aan Gezondheid : een onderzoek naar de effectiviteit van een leefstijlinterventie voor werknemers in de bouwnijverheid met een verhoogd risico op hart

Nadere informatie

BedrijfsGezondheidsIndex 2006

BedrijfsGezondheidsIndex 2006 BedrijfsGezondheidsIndex 2006 Op het werk zijn mannen vitaler dan vrouwen Mannen zijn vitaler en beter inzetbaar dan vrouwen. Dit komt mede doordat mannen beter omgaan met stress. Dit blijkt uit de jaarlijkse

Nadere informatie

Gezondheidsvaardigheden van schoolverlaters

Gezondheidsvaardigheden van schoolverlaters Gezondheidsvaardigheden van schoolverlaters Lea Maes, PhD Universiteit Gent Faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen Vakgroep Maatschappelijke Gezondheidkunde Health literacy health literacy represents

Nadere informatie

Samenvatting Losser. 2 van 5 Twentse Gezondheids Verkenning Losser. Versie 1, oktober 2013

Samenvatting Losser. 2 van 5 Twentse Gezondheids Verkenning Losser. Versie 1, oktober 2013 Samenvatting Losser Versie 1, oktober 2013 Lage SES, bevolkingskrimp en vergrijzing punt van aandacht in Losser In de gemeente Losser wonen 22.552 mensen; 11.324 mannen en 11.228 vrouwen. Als we de verschillende

Nadere informatie

Risicofactoren voor hart- en vaatziekten in de Nederlandse bevolking. Een uitgave van de Nederlandse Hartstichting augustus 2006

Risicofactoren voor hart- en vaatziekten in de Nederlandse bevolking. Een uitgave van de Nederlandse Hartstichting augustus 2006 cijfers en feiten Risicofactoren voor hart- en vaatziekten in de Nederlandse bevolking Een uitgave van de Nederlandse Hartstichting augustus 26 Prevalenties en trends in leefstijl- en risicofactoren in

Nadere informatie

oinleiding 1 c oovergewicht en ernstig overgewicht (obesitas) in Nederlandd

oinleiding 1 c oovergewicht en ernstig overgewicht (obesitas) in Nederlandd oinleiding 1 c Gewichtsstijging ontstaat wanneer de energie-inneming (via de voeding) hoger is dan het energieverbruik (door lichamelijke activiteit). De laatste decennia zijn er veranderingen opgetreden

Nadere informatie

Meer of minder uren werken

Meer of minder uren werken Meer of minder uren werken Jannes de Vries Een op de zes mensen die minstens twaalf uur per week werken (de werkzame beroeps bevolking) wil meer of juist minder uur werken. Van hen heeft minder dan de

Nadere informatie

Jongeren en Gezondheid 2014 : Studie

Jongeren en Gezondheid 2014 : Studie Jongeren en Gezondheid 2014 : Studie Algemeen De studie Jongeren en Gezondheid maakt deel uit van de internationale studie Health Behaviour in School-Aged Children (HBSC), uitgevoerd onder toezicht van

Nadere informatie

Gezondheidsenquête door middel van Interview België 2001

Gezondheidsenquête door middel van Interview België 2001 Gezondheidsenquête door middel van Interview België 2001 Deel 2 Gezondheidstoestand IPH/EPI REPORTS nr 2002-22 Afdeling Epidemiologie Juliette Wytsmanstraat 14 1050 Brussel Tel : 02/642.57.94 e-mail :

Nadere informatie

«WELZIJNSBAROMETER 2010» SAMENVATTING EN CONCLUSIES

«WELZIJNSBAROMETER 2010» SAMENVATTING EN CONCLUSIES «WELZIJNSBAROMETER 2010» SAMENVATTING EN CONCLUSIES Brussel wordt gekenmerkt door een grote concentratie van armoede in de dichtbevolkte buurten van de arme sikkel in het centrum van de stad, met name

Nadere informatie

Ondernemerschap in Vlaanderen: een vergelijkende, internationale studie

Ondernemerschap in Vlaanderen: een vergelijkende, internationale studie Ondernemerschap in Vlaanderen: een vergelijkende, internationale studie De Global Entrepreneurship Monitor (GEM) is een jaarlijks onderzoek dat een beeld geeft van de ondernemingsgraad van een land. GEM

Nadere informatie

Veranderingen in arbeidsparticipatie van gescheiden moeders

Veranderingen in arbeidsparticipatie van gescheiden moeders Veranderingen in arbeidsparticipatie van gescheiden moeders Suzanne Peek Gescheiden moeders stoppen twee keer zo vaak met werken dan niet gescheiden moeders. Ook beginnen ze vaker met werken. Wanneer er

Nadere informatie

De vrouwen hebben dan ook een grotere kans op werkloosheid (0,39) dan de mannen uit de onderzoekspopulatie (0,29).

De vrouwen hebben dan ook een grotere kans op werkloosheid (0,39) dan de mannen uit de onderzoekspopulatie (0,29). In het kader van het onderzoek kreeg de RVA de vraag om op basis van de door het VFSIPH opgestelde lijst van Rijksregisternummers na te gaan welke personen op 30 juni 1997 als werkloze ingeschreven waren.

Nadere informatie

gegevens van de mannen die aan het begin van het onderzoek nog geen HVZ en geen diabetes hadden.

gegevens van de mannen die aan het begin van het onderzoek nog geen HVZ en geen diabetes hadden. Samenvatting In hoofdstuk 1 hebben we het belang en het doel van het onderzoek in dit proefschrift beschreven. Wereldwijd vormen hart- en vaatziekten (HVZ) de belangrijkste oorzaak van sterfte. Volgens

Nadere informatie

PERSBERICHT Brussel, 25 juni 2013

PERSBERICHT Brussel, 25 juni 2013 PERSBERICHT Brussel, 25 juni 2013 Meer 55-plussers aan het werk Arbeidsmarktcijfers eerste kwartaal 2013 66,7% van de 20- tot 64-jarigen is aan het werk. Dat percentage daalt licht in vergelijking met

Nadere informatie

6.7.1.1. Inleiding. Bespreking 5.3.7.1.2. pagina 1

6.7.1.1. Inleiding. Bespreking 5.3.7.1.2. pagina 1 6.7.1.1. Inleiding Algemeen wordt erkend dat de prenatale consultaties een fundamentele rol spelen inzake de gezondheid van de moeder en het toekomstige kind, maar de rol van respectievelijk de huisarts,

Nadere informatie

Fetal Origins of Socioeconomic Inequalities. in Early Childhood Health. The Generation R Study. Lindsay Marisia Silva SAMENVATTING

Fetal Origins of Socioeconomic Inequalities. in Early Childhood Health. The Generation R Study. Lindsay Marisia Silva SAMENVATTING Fetal Origins of Socioeconomic Inequalities in Early Childhood Health The Generation R Study Lindsay Marisia Silva SAMENVATTING Sociaal-economische gezondheidsverschillen vormen een groot maatschappelijk

Nadere informatie

Gezondheid en (psycho)somatische klachten bij adolescenten in Vlaanderen 2014

Gezondheid en (psycho)somatische klachten bij adolescenten in Vlaanderen 2014 Gezondheid en (psycho)somatische klachten bij adolescenten in Vlaanderen 214 Inleiding Gezondheid in de internationale HBSC (Health Behaviour in School-aged Children) studie en in de Wereldgezondheidsorganisatie

Nadere informatie

ADVIES NR. 109 VAN DE COMMISSIE GENDER EN GEZONDHEID EN DE COMMISSIE GENDER EN OUDEREN BETREFFENDE DE TOEPASSING VAN GENDER MAINSTREAMING BIJ HET

ADVIES NR. 109 VAN DE COMMISSIE GENDER EN GEZONDHEID EN DE COMMISSIE GENDER EN OUDEREN BETREFFENDE DE TOEPASSING VAN GENDER MAINSTREAMING BIJ HET ADVIES NR. 109 VAN DE COMMISSIE GENDER EN GEZONDHEID EN DE COMMISSIE GENDER EN OUDEREN BETREFFENDE DE TOEPASSING VAN GENDER MAINSTREAMING BIJ HET ANTWOORD VAN DE BELGISCHE REGERING OP DE VRAGENLIJST OVER

Nadere informatie

Burn-out: de rol van psychische werkbelasting

Burn-out: de rol van psychische werkbelasting Burn-out: de rol van psychische werkbelasting Christianne Hupkens Ongeveer een op de tien werkenden heeft last van burnout klachten. Burn-out blijkt samen te hangen met diverse aspecten van psychische

Nadere informatie

matige alcohol consumptie gezondheid

matige alcohol consumptie gezondheid matige alcohol consumptie positief voor gezondheid R e s u l t a t e n v a n 3 j a a r w e t e n s c h a p p e l i j k o n d e r z o e k Matige en regelmatige alcoholconsumptie heeft overall een positief

Nadere informatie

Monitor jongeren 12 tot 24 jaar

Monitor jongeren 12 tot 24 jaar Alcoholgebruik Psychosociale gezondheid Genotmiddelen Voeding, bewegen en gewicht Seksueel gedrag Samenvatting en aanbevelingen Monitor jongeren 12 tot 24 jaar Jongerenmonitor In 2011 is in de regio IJsselland

Nadere informatie

BEREIDINGS- EN CONSUMPTIETIJD VAN MAALTIJDEN. AUTEUR Sarah BEL

BEREIDINGS- EN CONSUMPTIETIJD VAN MAALTIJDEN. AUTEUR Sarah BEL BEREIDINGS- EN CONSUMPTIETIJD VAN MAALTIJDEN AUTEUR Sarah BEL Dankwoord Dit werk kon niet worden gerealiseerd zonder de medewerking van een aantal personen. Onze bijzondere dank gaat uit naar: De deelnemers

Nadere informatie

Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting

Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting Feiten en cijfers Hebben laaggeschoolden een hoger risico om in armoede te belanden? Ja. Laagopgeleiden hebben het vaak

Nadere informatie

METING TANITA INNERSCAN. NAAM:. LEEFTIJD:. LENGTE cm:. GESLACHT: M / V. Gewicht. Vetpercentage. Watergehalte % Spiermassa.

METING TANITA INNERSCAN. NAAM:. LEEFTIJD:. LENGTE cm:. GESLACHT: M / V. Gewicht. Vetpercentage. Watergehalte % Spiermassa. METING TANITA INNERSCAN NAAM:. LEEFTIJD:. LENGTE cm:. GESLACHT: M / V DATUM DATUM DATUM DATUM Gewicht Vetpercentage Watergehalte % Spiermassa Lichaamsbouwtype Basismetabolisme Metabolische leeftijd Botmassa

Nadere informatie

Jongeren en Gezondheid 2014 : Socio-demografische gegevens

Jongeren en Gezondheid 2014 : Socio-demografische gegevens Resultaten HBSC 14 Socio-demografische gegevens Jongeren en Gezondheid 14 : Socio-demografische gegevens Steekproef De steekproef van de studie Jongeren en Gezondheid 14 bestaat uit 9.566 leerlingen van

Nadere informatie

Verdere evolutie van de geharmoniseerde werkloosheid in ruime zin

Verdere evolutie van de geharmoniseerde werkloosheid in ruime zin Verdere evolutie van de geharmoniseerde werkloosheid in ruime zin ruime zin in België, Duitsland, Frankrijk en Nederland in 2014 Directie Statistieken, Begroting en Studies stat@rva.be Inhoudstafel: 1

Nadere informatie

Risico op sterfte door hart- en vaatziekten in 10 jaar tijd met 25 procent gedaald

Risico op sterfte door hart- en vaatziekten in 10 jaar tijd met 25 procent gedaald PERSMEDEDELING VAN JO VANDEURZEN, VLAAMS MINISTER VAN WELZIJN, VOLKSGEZONDHEID EN GEZIN 4 oktober 2012 Risico op sterfte door hart- en vaatziekten in 10 jaar tijd met 25 procent gedaald De kans dat Vlamingen

Nadere informatie

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Luk Joossens, Stichting tegen Kanker, tel.: 02/7433706, gsm: 0486 88 91 22.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Luk Joossens, Stichting tegen Kanker, tel.: 02/7433706, gsm: 0486 88 91 22. Brussel, 19 december 2006 De resultaten van een grootschalige enquête over de rookgewoonten in 2006. Drie vierde van de bevolking is voorstander van rookvrije restaurants. Het percentage rokers blijft

Nadere informatie

BELGISCHE CARDIOLOGISCHE LIGA HOGE BLOEDDRUK. psamtik@fotolia DUIDELIJKE ANTWOORDEN

BELGISCHE CARDIOLOGISCHE LIGA HOGE BLOEDDRUK. psamtik@fotolia DUIDELIJKE ANTWOORDEN BELGISCHE CARDIOLOGISCHE LIGA HOGE BLOEDDRUK psamtik@fotolia DUIDELIJKE ANTWOORDEN Globaal Cardiovasculair Risico Sommige gedragingen in ons dagelijks leven vergroten de kans dat we vroeg of laat problemen

Nadere informatie

Bewegen en overgewicht onder Nederlandse werknemers

Bewegen en overgewicht onder Nederlandse werknemers Onderzoeksresultaten Maart 10 Bewegen en overgewicht onder Nederlandse werknemers 00-08 Te weinig lichaamsbeweging is een belangrijke risicofactor voor de gezondheid. Het hangt samen met vroegtijdige sterfte

Nadere informatie

Vitale Vaten. Ineke Sterk projectleider Vitale Vaten 4 oktober 2011

Vitale Vaten. Ineke Sterk projectleider Vitale Vaten 4 oktober 2011 Vitale Vaten Ineke Sterk projectleider Vitale Vaten 4 oktober 2011 Dé Gezonde regio: waar? Dé Gezonde regio: wie? Verleiden Opbouw presentatie Inleiding hart- en vaatziekten Project Vitale Vaten Gorinchem

Nadere informatie

PERSBERICHT Brussel, 24 september 2015

PERSBERICHT Brussel, 24 september 2015 PERSBERICHT Brussel, 24 september 2015 Lichte daling werkloosheid Arbeidsmarktcijfers tweede kwartaal 2015 De werkloosheidgraad gemeten volgens de definities van het Internationaal Arbeidsbureau daalde

Nadere informatie

Sterfte aan hart- vaatziekten in dertig jaar gehalveerd Minder sterfte vooral door betere diagnostiek en behandeling

Sterfte aan hart- vaatziekten in dertig jaar gehalveerd Minder sterfte vooral door betere diagnostiek en behandeling Forse daling sterfte Trends in sterfte en ziekenhuisopnamen Meer ziekenhuisopnamen Sterfte neemt af 12 Meer kankerpatiënten Meer nieuwe gevallen, minder sterfte Grootste sterfte door longkanker Sterke

Nadere informatie

EQUITY IN DE GEZONDHEIDSZORG

EQUITY IN DE GEZONDHEIDSZORG EQUITY IN DE GEZONDHEIDSZORG What s in a name? Jens Detollenaere Research group Equity in Health Care Department of Family Medicine and Primary Health Care De levensverwachting van de Belgen neemt toe

Nadere informatie

FACTSHEET CONTINU ONDERZOEK ROOKGEWOONTEN 2013

FACTSHEET CONTINU ONDERZOEK ROOKGEWOONTEN 2013 FACTSHEET MAART 2014 FACTSHEET CONTINU ONDERZOEK ROOKGEWOONTEN 2013 KERNPUNTEN Een kwart (25%) van de Nederlandse bevolking vanaf 15 jaar rookt in 2013: 19% rookt dagelijks en 6% niet dagelijks. Het percentage

Nadere informatie

Opmerkelijke stijging van het aantal rokers in 2008

Opmerkelijke stijging van het aantal rokers in 2008 PERSBERICHT Brussel, 4 december 2008 Opmerkelijke stijging van het aantal rokers in 2008 Voor het eerst in zes jaar stijgt het percentage dagelijkse rokers in ons land, van 27% in 2007 naar 30% in 2008.

Nadere informatie

Al voor invoering van directe toegang diëtetiek ging één op de zeven cliënten op eigen initiatief naar de vrijgevestigde diëtist

Al voor invoering van directe toegang diëtetiek ging één op de zeven cliënten op eigen initiatief naar de vrijgevestigde diëtist Dit factsheet is een uitgave van het NIVEL. De gegevens mogen met de volgende bronvermelding worden gebruikt: J.Tol, I.C.S. Swinkels, C. Veenhof, Al voor invoering van directe toegang diëtetiek ging één

Nadere informatie

67,3% van de 20-64-jarigen aan het werk

67,3% van de 20-64-jarigen aan het werk ALGEMENE DIRECTIE STATISTIEK EN ECONOMISCHE INFORMATIE PERSBERICHT 28 oktober 67,3% van de 20-64-jarigen aan het werk Tegen 2020 moet 75% van de Europeanen van 20 tot en met 64 jaar aan het werk zijn.

Nadere informatie

Diensten voor thuiszorg en sociale en preventieve diensten

Diensten voor thuiszorg en sociale en preventieve diensten Diensten voor thuiszorg en sociale en preventieve diensten Edith Hesse Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid Operationele Directie Volksgezondheid en surveillance J. Wytsmanstraat, 14 B - 1050 Brussel

Nadere informatie

Resultaten voor Vlaamse Gemeenschap Voedingsgewoonten Gezondheidsenquête, België, 1997

Resultaten voor Vlaamse Gemeenschap Voedingsgewoonten Gezondheidsenquête, België, 1997 6.6.1. Inleiding De voedingsgewoonte is een van de aspecten van levensstijl met een belangrijke impact op de algemene gezondheid, hetzij via het probleem van obesitas of via de verhoging van de prevalentie

Nadere informatie

Hypertensie en Diabetes Mellitus in Curaçao

Hypertensie en Diabetes Mellitus in Curaçao Hypertensie en Diabetes Mellitus in Curaçao Een ruimtelijke analyse gebaseerd op de verzamelde gegevens tijdens de census uit 2001 Sean de Boer Inleiding Dit artikel gaat in op het voorkomen van Hypertensie

Nadere informatie

V O LW A S S E N E N

V O LW A S S E N E N LICHAAMSBEWEGING EN GEWICHT V O LW A S S E N E N Volwassenen 2009 4 Volwassenenonderzoek 2009 Om inzicht te krijgen in de gezondheid van de inwoners in haar werkgebied, heeft de GGD Zuid-Holland West in

Nadere informatie

Kernboodschappen Gezondheid Haaksbergen

Kernboodschappen Gezondheid Haaksbergen Kernboodschappen Gezondheid Haaksbergen De GGD Twente verzamelt in opdracht van de gemeente Haaksbergen epidemiologische gegevens over de gezondheid van de bevolking in Haaksbergen en de factoren die hierop

Nadere informatie

4. SAMENVATTING. 4.1 Opzet onderzoek

4. SAMENVATTING. 4.1 Opzet onderzoek 4. SAMENVATTING Op 7 mei 2002 is in het Staatsblad 2002 nummer 201 de gewijzigde Tabakswet gepubliceerd. Naar aanleiding hiervan wil de Keuringsdienst van Waren goed inzicht in de naleving van het onderdeel

Nadere informatie

Technische nota. Tevredenheid van zelfstandige ondernemers en werkbaar werk. Ria Bourdeaud hui Stephan Vanderhaeghe

Technische nota. Tevredenheid van zelfstandige ondernemers en werkbaar werk. Ria Bourdeaud hui Stephan Vanderhaeghe Brussel, februari 2009 Technische nota Tevredenheid van zelfstandige ondernemers en werkbaar werk Ria Bourdeaud hui Stephan Vanderhaeghe Brussel, SERV - STV Innovatie & Arbeid, februari 2009 Technische

Nadere informatie

Opname in het ziekenhuis

Opname in het ziekenhuis Opname in het ziekenhuis Sabine Drieskens Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid Operationele Directie Volksgezondheid en surveillance J. Wytsmanstraat, 14 B - 1050 Brussel 02 / 642 50 25 E-mail :

Nadere informatie

Factsheet. Meet the Needs. Onderzoek naar de behoefte aan leefstijlaanbod van mensen met een lage SES in Maastricht

Factsheet. Meet the Needs. Onderzoek naar de behoefte aan leefstijlaanbod van mensen met een lage SES in Maastricht Factsheet Meet the Needs Onderzoek naar de behoefte aan leefstijlaanbod van mensen met een lage SES in Maastricht ZIO, Zorg in Ontwikkeling Regio Maastricht-Heuvelland Maart 2013 Colofon: Onderzoeksteam

Nadere informatie

Zorggebruik. 5.1 Inleiding. 5.2 Contact eerste lijn

Zorggebruik. 5.1 Inleiding. 5.2 Contact eerste lijn Dit rapport is een uitgave van het NIVEL in 2004. De gegevens mogen met bronvermelding (H van Lindert, M Droomers, GP Westert.. Een kwestie van verschil: verschillen in zelfgerapporteerde leefstijl, gezondheid

Nadere informatie

OMNIBUSONDERZOEK NOORD- KENNEMERLAND 2005 PSYCHISCHE GEZONDHEID

OMNIBUSONDERZOEK NOORD- KENNEMERLAND 2005 PSYCHISCHE GEZONDHEID OMNIBUSONDERZOEK NOORD- KENNEMERLAND 2005 PSYCHISCHE GEZONDHEID Gemeente Alkmaar afdeling Onderzoek en Statistiek februari 2006 auteur: Monique van Diest afdeling Onderzoek en Statistiek gemeente Alkmaar

Nadere informatie

Resultaten voor Brussels Gewest Vaccinatie bij Volwassenen Gezondheidsenquête, België, 1997

Resultaten voor Brussels Gewest Vaccinatie bij Volwassenen Gezondheidsenquête, België, 1997 6.4.1. Inleiding. Het belang van vaccinatie programma s is ruimschoots aangetoond geweest. De vragen werden slechts gesteld aan personen van 15 jaar en ouder, aangezien de vaccinale dekking bij kinderen

Nadere informatie

Nederlandse Samenvatting

Nederlandse Samenvatting Nederlandse Samenvatting Het aantal mensen met een gestoorde nierfunctie is de afgelopen decennia sterk toegenomen. Dit betekent dat er steeds meer mensen moeten dialyseren of een niertransplantatie moeten

Nadere informatie

VISA Specificaties PAGO-rapport

VISA Specificaties PAGO-rapport VISA Specificaties PAGO-rapport Versie 1.1 - juli 2012 Blad 1 van 19 Inhoudsopgave 1. Algemeen... 3 2. Transformatietabel PAGO-rapport... 4 3. Uitleg gegevens PAGO-rapport... 8 3.1 Algemene gegevens...

Nadere informatie

Regionale VTV 2011. Levensverwachting en sterftecijfers. Referent: Drs. M.J.J.C. Poos, R.I.V.M.

Regionale VTV 2011. Levensverwachting en sterftecijfers. Referent: Drs. M.J.J.C. Poos, R.I.V.M. Regionale VTV 2011 Levensverwachting en sterftecijfers Regionale Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2011 Hart voor Brabant Deelrapport Levensverwachting en sterftecijfers Auteurs: Dr. M.A.M. Jacobs-van

Nadere informatie

Meer vrouwen werken minder, minder mannen werken meer

Meer vrouwen werken minder, minder mannen werken meer Gezin en arbeid Meer vrouwen werken minder, minder mannen werken meer Veranderingen in de tijdsbesteding van mannen en vrouwen tussen 1999 en 2004 Het onderzoek Tijdsbesteding van de Vlamingen: een tijdsbudgetonderzoek

Nadere informatie

Voedingsstatus. Sabine Drieskens

Voedingsstatus. Sabine Drieskens Voedingsstatus Sabine Drieskens Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid Operationele Directie Volksgezondheid en surveillance J. Wytsmanstraat, 14 B - 1050 Brussel 02 / 642 50 25 E-mail : sabine.drieskens@iph.fgov.be

Nadere informatie

Voorlopig tabellenboek Volwassenen- en seniorenenquête 2012 Flevoland

Voorlopig tabellenboek Volwassenen- en seniorenenquête 2012 Flevoland Voorlopig tabellenboek Volwassenen- en seniorenenquête 2012 Flevoland 1 Dit is een voorlopige uitgave. Na de zomer 2013 komen definitieve tabellen beschikbaar. Gezondheidsenquête: volwassenen en senioren

Nadere informatie