HANDBOEK SOCIAAL-ECONOMISCHE RAPPORTAGES

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "HANDBOEK SOCIAAL-ECONOMISCHE RAPPORTAGES"

Transcriptie

1 HANDBOEK SOCIAAL-ECONOMISCHE RAPPORTAGES Divisie Statistiek & informatie De Nederlandsche Bank

2 Inhoud pag. Deel 1 Algemeen 6 Doel en achtergrond SE-rapportages 6 Rapportageverplichtingen: het juridische kader 7 Het niet voldoen aan de rapportageverplichtingen 9 Algemene rapportagerichtlijnen 11 Wat dient er gerapporteerd te worden en wanneer? 14 Onderlinge verbanden tussen diverse SE rapportages (reconciliatiemodel) 17 Deel 2 Begrippen en definities 19 Balansposten Activa 19 Kasmiddelen 19 Aandelen / participaties uitgegeven door geldmarktfondsen 19 Aangehouden aandelen en deelnemingen 19 Aangehouden aandelen 20 Deelnemingen 20 Aangehouden schuldpapier 22 Verstrekte leningen en deposito's 22 Repo's 24 Syndicaatsleningen 25 Girale deposito s (actief) 25 Overige deposito s 25 Leningen 25 Woninghypotheken 26 Consumptief krediet 26 Persoonlijke leningen 26 Doorlopend krediet 26 Roodstand (rekening-courant) 27 Kaartkrediet 27 Faciliteitskrediet 27 Verruimd krediet 27 Overige leningen 27 Niet-financiële vaste activa 28 Financiële derivaten 28 Overige activa 28 - Waarvan: te ontvangen rente op leningen en effecten 29 2

3 - Waarvan: goodwill 29 Totaal activa 29 Balansposten Passiva 29 Kapitaal en reserves 29 Deelnemingen eigen vermogen 30 Uitgegeven schuldpapier 31 Opgenomen leningen en deposito's 32 - Waarvan: syndicaatsleningen 34 Girale deposito s (passief) 34 - Waarvan: saldi op prepaid cards 35 - Waarvan: direct opvraagbaar 35 Overige deposito s 35 Deposito's met vaste looptijd 35 Deposito's met opzegtermijn 36 Repo's 37 Lange leningen (> 2 jaar) 38 Totaal spaargeld 39 Financiële derivaten 39 Overige passiva 39 - Waarvan: te betalen rente op leningen en effecten 40 - Waarvan: short posities in participatiebewijzen in GMFsaandelen enz. 40 Totaal passiva 40 Sectorindeling 41 Totaal MFI s 41 Centrale bank 42 Kredietinstellingen 42 Kredietinstellingen binnen eigen concern 42 Kredietinstellingen buiten eigen concern 42 Geldmarktfondsen 43 Overige MFI instellingen 43 Totale overheid en private sector 43 Overheid 43 Centrale overheid 43 Overige overheid 44 Deelstaatoverheid 44 Lagere overheid 45 3

4 Wettelijke sociale verzekeringsinstellingen 45 Private sector 45 Overige financiële instellingen 45 Tabel belangrijke Overige Financiële Instellingen 45 Centrale tegenpartijen (CCP) 46 Special purpose vehicles (SPV's) 46 OFI's exclusief CCP en SPV's 47 Verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen 47 Niet-financiële bedrijven 47 Niet-financiële particuliere bedrijven 48 Niet-financiële publieke bedrijven 48 Huishoudens 48 Totaal sectoren 49 Schema sectorclassificatie 51 Deel 3 Rapportages MFI s, securitisaties en SPV s FinRep CBS 235 Bijlagen 242 Coderingsstelsel SE Handboek 242 Trefwoordenlijst 248 Onderdeel van dit Handboek zijn tevens de volgende bestanden: Sectortoekenning overheid, Sector manual ECB en de inzendkalender Zie 4

5 Handboek sociaal-economische rapportages Voorwoord Het handboek sociaal-economische rapportages geeft een volledig overzicht van alle wettelijk verplichte rapportages van monetair-financiële instellingen in Nederland aan DNB in het kader van de monetaire informatiebehoefte van het eurosysteem, evenals van de tussen DNB en de banken overeengekomen rapportages ten behoeve van de statistiek over het betalingsverkeer, het landenrisico en de OTC derivatenmarkt. Dit handboek bevat dus geen rapportages die DNB in het kader van haar micro-prudentiële toezicht ontvangt. Het handboek bevat naast de rapportagevoorschriften tevens een volledig overzicht van alle formulieren voor de betreffende rapportages. In de verschillende onderdelen van het handboek komen de algemene richtlijnen en begrippen aan de orde, evenals de specifieke richtlijnen voor de verschillende individuele rapportages. Al de hierboven genoemde onderdelen vormen samen het handboek SE-rapportages. Voor nadere informatie over het handboek SE-rapportages, of over de in het handboek opgenomen rapportages kunt u contact leggen met de afdeling Monetaire en bancaire statistieken (Mbs) van de Divisie Statistiek & Informatie, telefoon: of een zenden naar: 5

6 Deel 1: Algemeen Doel en achtergrond SE-rapportages Dit onderdeel van het SE-handboek geeft bij wijze van inleiding een antwoord op de vragen wie wat rapporteert en waarom, alsook wanneer en op welke wijze er gerapporteerd dient te worden. Het geeft tevens een korte toelichting op het doel en de achtergronden van de diverse sociaal-economische rapportages en hun onderlinge samenhang. Wie dient er te rapporteren en voor welk doel? In opdracht en onder auspiciën van de Europese Centrale Bank (ECB) verzamelt de Nederlandsche Bank (DNB) financieel-economische gegevens van (monetair) financiële instellingen. Deze gegevens worden onder andere ingezet voor de bepaling van het monetaire beleid in de EMU. Het monetaire beleid van de ECB heeft als primaire doelstelling het realiseren van prijsstabiliteit binnen de EMU. Ontwikkelingen in de monetaire aggregaten vormen een belangrijke pijler van het monetaire beleid. Hiervoor zijn frequente, tijdige en kwalitatief goede statistieken over de financiële sector van groot belang. Alle monetair-financiële instellingen actief in de EMU zijn verplicht om gegevens te rapporteren aan de eigen nationale centrale bank. Deze rapportageplicht is juridisch vastgelegd in de ECB Verordeningen zoals te vinden op 1 Het monetaire beleid van de ECB heeft als primaire doelstelling het realiseren van prijsstabiliteit binnen de EMU. Ontwikkelingen in de monetaire aggregaten vormen een belangrijke pijler van het monetaire beleid. Hiervoor zijn frequente, tijdige en kwalitatief goede statistieken over de financiële sector van groot belang. Daarnaast worden de sociaal-economische gegevens ook gebruikt om aan databehoeften van andere nationale en internationale instellingen te voldoen: De sociaal-economische gegevens vormen de basis voor statistieken over internationale kredietverlening die in opdracht en onder auspiciën van de Bank for International Settlements (BIS) worden opgesteld. De sociaal-economische gegevens worden gebruikt voor het opstellen van de sectorrekeningen door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Internationale organisaties als het IMF, de OESO en Eurostat maken eveneens gebruik van de door DNB verzamelde gegevens. Een deel van de sociaal-economische gegevens wordt ook gebruikt voor het opstellen van de Nederlandse betalingsbalans. 1 Vindplaats MFI-lijst: 6

7 Verder worden de sociaal-economische gegevens op geaggregeerd niveau veelvuldig gebruikt voor onderzoeken ten behoeve van onder meer de DNB-divisie Financiële stabiliteit, het Ministerie van Financiën en anderen. Rapportageverplichtingen: het juridische kader Per rapportage stelt DNB aan de hand van het wettelijke kader de rapportageverplichting voor elke rapporteur vast. Deze verplichting deelt DNB aan elke rapporteur mee in de vorm van een brief. Daarin meldt DNB dat de rapporteur binnen de steekproef van de betrokken rapportage valt. Dit laatste geldt niet voor de rapportages waarin alle banken moeten deelnemen (zie tabel 1 op pagina 15). Wetten en verordeningen De meeste SE-rapportages hebben een wettelijke basis vastgelegd in Verordeningen van de ECB. 2 Deze Verordeningen zijn leidend voor de diverse rapportages. Het handboek is alleen een hulpmiddel dat de verordening(en) toelicht, rapportageverplichtingen vertaalt naar de Nederlandse situatie en tevens een toelichting op de rapportageformulieren geeft. De volgende belangrijkste wetten en verordeningen liggen ten grondslag aan de SErapportages 3 : Regulation (EC) No 1745/2003 of the European Central Bank of 12 September 2003 on the application of minimum reserves (ECB/2003/9) en latere amendering; Regulation (EC) No 25/2009 of the ECB of 19 December 2008 concerning the balance sheet of the monetary financial institutions sector (Recast) (ECB/2008/32) en latere amendering; Regulation (EU) No 674/2010 of the ECB of 23 July 2010 amending Regulation (EC) No 63/2002 (ECB/2001/18) concerning statistics on interest rates applied by monetary financial institutions to deposits and loans vis-à-vis households and non-financial corporations (ECB/2010/7) en eventuele latere amenderingen; Regulation (EC) No 24/2009 of the ECB of 19 December 2008 concerning statistics on the assets and liabilities of financial vehicle corporations engaged in securitisation transactions (ECB/2008/30); Regulation (EC) No 951/2009 of 9 October 2009 amending Regulation (EC) No 2533/98 concerning the collection of statistical information by the European Central Bank; 2 Verordeningen zijn algemene besluiten die in al hun onderdelen bindend zijn. In tegenstelling tot richtlijnen (die tot de EU-landen zijn gericht) en beschikkingen (die uitdrukkelijk vermelden voor wie zij bestemd zijn), zijn verordeningen tot iedereen gericht. Verordeningen zijn rechtstreeks van toepassing, wat betekent dat zij rechtstreeks recht scheppen dat in alle EU-landen dezelfde kracht heeft als het nationale recht, zonder dat nationale instanties daarvoor iets hoeven te doen. Verordeningen worden door de Raad van de Europese Unie en het Europees Parlement gezamenlijk of door de Europese Commissie alleen goedgekeurd. 3 Daar waar het Europese wetgeving betreft zijn de originele Engelstalige wetten vermeld; deze zijn ook op de website van de ECB beschikbaar in het Nederlands Zie voor een overzicht van relevante statistische EUregelgeving. 7

8 Guideline of the ECB of 25 August 2011 amending Guideline ECB/2007/9 on monetary, financial institutions and markets statistics (ECB/2011/13) Council Regulation (EC) No 2532/98 of 23 November 1998 concerning the powers of the European Central Bank to impose sanctions; European Central Bank Regulation (EC) No 2157/1999 of 23 September 1999 on the powers of the European Central Bank to impose sanctions (ECB/1999/4) Decision of the ECB of 19 August 2010 on non-compliance with statistical reporting requirements (ECB/2010/10) Wet financiële betrekkingen buitenland. De Wet financiële betrekkingen buitenland 1994 stelt regels die van belang zijn voor de samenstelling van de betalingsbalans in Nederland. Zo schept artikel 7 van deze wet de verplichting om in overeenstemming met de voorschriften die door DNB worden gegeven, aan DNB de inlichtingen en gegevens te verstrekken die van belang zijn voor de samenstelling van betalingsbalans van Nederland. Daarnaast heeft de ECB ook de volgende kennisgeving gepubliceerd: Notice of the ECB on the imposition of sanctions for infringements of balance sheet statistical reporting requirements OJ C 195, , p. 8. Op welke wijze dient er gerapporteerd te worden: via e-line DNB Banken dienen de verschillende SE-rapportages aan DNB te rapporteren via een speciaal, beveiligd rapportagemiddel langs het internet: e-line DNB. Deze applicatie is te bereiken via de statistiek website van DNB (http://www.dnb.nl/statistiek/index.jsp) Tevens is via deze verbinding een gebruikershandleiding van e-line DNB te vinden en staan de gebruikersvoorwaarden beschreven. In dit handboek zal niet nader worden ingegaan op de technische aspecten van e-line DNB. Gerapporteerde bedragen moeten in miljoenen euro s worden gerapporteerd (in hele bedragen dus afgerond op nul decimalen), tenzij anders vermeld. Indien vorderingen en/of verplichtingen luiden in vreemde valuta, dienen deze bedragen eerst te worden omgerekend naar euro s. Voorts geldt dat voor sommige posten geen negatieve bedragen kunnen worden ingevoerd. Voordat u de gegevens m.b.v. het rapportagemiddel e-line DNB kunt inzenden, moeten deze worden gecontroleerd. Sommige controleregels zijn blokkerend van aard; daarbij zijn wel bepaalde marges in acht genomen i.v.m. mogelijke afrondingsverschillen. Wanneer niet aan deze regels wordt voldaan, kunnen de gegevens niet worden ingestuurd en dienen eerst de noodzakelijke correcties te worden aangebracht. Rapportageverplichtingen voor nieuwe instellingen Elke instelling die door DNB de status van kredietinstelling toegewezen krijgt, valt direct onder de rapportageverplichtingen in het kader van de minimumreserve. Over het eerstvolgende kwartaalultimo volgende op de inwerkingtreding van de kredietinstellingsvergunning zal zowel voor formulier

9 en 9021, als 9013, als 9005 een rapportageverplichting worden aangemaakt. Over deze statistische verplichting wordt op geen enkele wijze vrijstelling verleend, ook niet wanneer de instelling (voorlopig) vrijgesteld is door DNB voor rapportageverplichtingen in het kader van de Wet op het Financieel Toezicht (Wft). Indien de instelling voortkomt uit een andere instelling, zal deze nieuwe instelling direct zelf een minimumreserve moeten gaan aanhouden waardoor rapportage op formulier 8097 vereist is. Rapportageverplichting in geval van een fusie of overname In het geval van een fusie of een overname worden alle rapportageverplichtingen van de dochter overgedragen aan de overnemende of nieuw opgerichte moederinstelling. De rapportageverplichtingen van de overnemende instelling en de overgenomen instelling blijven afzonderlijk bestaan tot de eerst volgende maand- cq. kwartaalultimo waarbij de gefuseerde instellingen geconsolideerd dienen te gaan rapporteren. Voorbeeld 1: Twee maandrapporteurs fuseren: per 1 oktober fuseren twee rapporterende instellingen. Over de rapportagemaand september zullen zij nog afzonderlijk rapporteren, maar over de rapportagemaand oktober dient dit geconsolideerd te geschieden. Dit geldt ongeacht of het een maanddan wel een kwartaalrapportage betreft met dien verstande dat bij kwartaalrapporteurs de geconsolideerde rapportage over het eerst volgende kwartaal zal betreffen. Voorbeeld 2: Twee kwartaalrapporteurs fuseren en blijven ook geconsolideerd kwartaalrapporteur. In dit geval betreft de eerstvolgende kwartaalrapportage na de fusie een geconsolideerde rapportage. Om breuken in de informatievoorziening goed in de statistiek te kunnen verwerken zal van de nieuwe instelling over de eerste rapportageperiode een rapportage volgens de oude evenals volgens de nieuwe situatie worden verlangd. In bijzondere situaties zal DNB maatwerkafspraken met de betrokken rapporterende instellingen maken. Het niet voldoen aan de rapportageverplichtingen De Verordening ECB/2008/32 (hierna te noemen de Verordening) van de ECB stelt de centrale banken in staat statistische gegevens te verzamelen voor het vervullen van de taken van het ESCB. Deze Verordening bevat een artikel met betrekking tot de minimumstandaarden voor transmissie, naleving van definities en revisies. Tevens omvat het wettelijk ECB-kader procedures in het geval dat instellingen de rapportageverplichtingen aan de nationale centrale bank niet of onvoldoende nakomen. In die gevallen kan de ECB de instellingen sancties opleggen. Deze procedures worden samengevat onder de term logging-procedure. De procedure voorziet in het vastleggen van gegevens omtrent het niet nakomen van eisen ten aanzien van tijdigheid en kwaliteit van de gerapporteerde informatie vast te leggen. 9

10 Loggingprocedure in de ECB-Verordening De ECB-wetgeving met betrekking tot de eventuele niet-naleving van de statistische rapportageverplichtingen stelt dat indien rapportageplichtige instellingen niet aan hun statistische rapportageverplichtingen voldoen, de ECB sancties kan opleggen. De daarbij te hanteren voorwaarden, details en procedures zijn in de hierboven genoemde rechtsinstrumenten vastgelegd. Op grond van de hierboven genoemde rechtsinstrumenten is de ECB dan wel de nationale centrale bank van de lidstaat waarin de overtreding heeft plaatsgevonden, bevoegd een niet-nalevingprocedure in te stellen jegens rapportageplichtige instellingen die niet aan de vereisten van Verordening ECB/2008/32 voldoen. Het besluit om na afronding van de niet-nalevingprocedure al dan niet sancties op te leggen is voorbehouden aan de Directie van de ECB. De ECB heeft hiervoor een uniforme procedure (de loggingprocedure) vastgesteld. Deze procedure stelt alle nationale centrale banken van de lidstaten van het eurogebied in staat eventuele gevallen te volgen waarin niet aan de statistische rapportagevereisten van de ECB wordt voldaan, hiervan vervolgens een samenhangende registratie aan te houden en de resultaten daarvan te melden aan de ECB. De loggingprocedure zal door de nationale centrale banken per instelling worden uitgevoerd. De loggingprocedure strekt ertoe voldoende informatie te verschaffen om de Directie van de ECB bij de uitoefening van de bevoegdheid sancties op te leggen, de specifieke omstandigheden van elke afzonderlijke overtreding in aanmerking te nemen (zoals goede trouw van de zijde van de instelling bij de interpretatie en vervulling van hun verplichtingen, de ernst van de gevolgen van de overtreding, de vraag of overtredingen al dan niet incidenteel zijn, alsmede de frequentie en de duur ervan), waarbij het beginsel van gelijke behandeling van rapportageplichtige instellingen binnen het eurogebied als leidraad zal worden genomen. Maatregelen in het geval van het niet nakomen van de rapportageverplichtingen Instellingen worden bij het niet-nakomen van hun rapportageverplichtingen geregistreerd door DNB. Registratie vindt plaats indien niet conform de standaarden wordt gerapporteerd. Voorbeelden: rapportages die te laat worden ingestuurd of correcties op gerapporteerde gegevens die aan DNB te laat worden doorgegeven (nadat DNB geleverd heeft aan de ECB). Indien het een maandrapportage betreft 15e werkdag na de verslagperiode en indien het een kwartaalrapportage betreft de 28e werkdag na de verslagperiode. Bij herhaalde registraties meldt DNB het dossier van de betreffende instelling aan bij de ECB die vervolgens de procedure overneemt, hetgeen kan leiden tot een uitspraak over het al dan niet toekennen van een boete en de hoogte ervan. De directie van de betreffende instelling wordt dan op de hoogte gebracht van de uitspraak van de ECB. 10

11 In overleg met de banken heeft DNB besloten extra maatregelen te nemen om te voorkomen dat instellingen gemeld moeten worden bij de ECB. Indien een instelling in de gevarenzone terecht komt en bij een volgende overtreding gemeld moet worden aan de ECB, stuurt DNB een waarschuwingsbrief aan de betreffende instelling, gericht aan de leidinggevende van die afdeling. Op deze manier wordt de instelling de kans geboden orde op zaken te stellen en een melding aan de ECB zodoende te voorkomen. Mocht zich desondanks toch een overtreding voordoen, dan is DNB genoodzaakt het dossier schriftelijk door te geven aan de ECB. De directie van de instelling wordt hiervan onverwijld op de hoogte gesteld. Algemene rapportagerichtlijnen Consolidatiegrondslag(en) Alle MFI-onderdelen 4 van het binnenlandse concern dienen geconsolideerd opgenomen te worden in de SE-rapportages. 5 D.w.z. alle bijkantoren (niet-juridisch zelfstandige MFI-bedrijfsonderdelen van het binnenlandse concern) én alle MFI-dochterondernemingen (juridisch zelfstandige onderdelen van het concern) gevestigd op Nederlands grondgebied dienen in een geconsolideerde SE-rapportage te worden opgenomen (zie figuur 1). Dit geheel wordt het binnenlandse MFI-bedrijf genoemd. Dit in tegenstelling tot de consolidatiekring voor de bedrijfseconomische rapportages voor toezichtdoeleinden (zie figuur 2) waarbij ook het buitenlandse MFI bedrijf alsook het binnenlandse niet-mfi bedrijf wordt meegeconsolideerd. E.e.a. is hieronder schematisch weergegeven. Figuur 1 Consolidatiekring SE-rapportages Nederland Buitenland MFI Consolidatie Tegenpartij Niet-MFI Tegenpartij Tegenpartij 4 Terug te vinden in de lijst van MFI s onder Nederland (www.ecb.int). Ook de overige instellingen uit de MFIlijst dienen geconsolideerd te worden voor de statistiek.. 5 Met uitzondering van formulier 8023 en, in bepaalde opzichten, formulier

12 Figuur 2 Consolidatiekring BE-rapportages (Toezicht) Nederland Buitenland MFI Consolidatie Consolidatie Niet-MFI Consolidatie Consolidatie Consolidatie bewaarbedrijven Bij juridisch niet-zelfstandige bewaarbedrijven dient het bewaarbedrijf voor zover het activiteiten van de instelling zelf betreft, geconsolideerd te worden met het MFI-bedrijf. Het bewaarbedrijf zelf (de voor cliënten in bewaring genomen stukken) dient geheel buiten de rapportage te blijven. Bij juridisch zelfstandige bewaarbedrijven dienen de vorderingen en verplichtingen vanuit de instelling jegens het bewaarbedrijf gerapporteerd te worden als een positie met de Private sector onder de subsector Overige financiële instellingen. Het bewaarbedrijf zelf (de voor cliënten in bewaring genomen stukken) dient geheel buiten de rapportage te blijven. Consolidatie niet-mfi dochters De rapportages hebben alleen betrekking op in Nederland gevestigde MFI s. Concerndochters die zelf geen MFI zijn, mogen in de rapportage niet worden geconsolideerd (noch gesaldeerd). Bijgevolg moeten de schuldverhoudingen met deze niet-mfi dochters in de rapportage niet als interbancaire schuldverhoudingen worden gerapporteerd, maar als een positie met de private sector. Uit praktisch oogpunt is het toegestaan om niet-mfi dochters met een balanstotaal kleiner dan 12 miljoen euro wel mee te consolideren in de rapportages. Looptijd In de SE-rapportages wordt onderscheid gemaakt naar verschillende looptijdcategorieën, Tenzij anders wordt vermeld is sprake van een looptijdindeling naar oorspronkelijke looptijd, niet te verwarren met resterende looptijd. Breuken in data en het revisiebeleid De statistische wetgeving verlangt van de rapporterende instellingen dat de rapportages voldoen aan een aantal minimumnormen, onder andere wat betreft nauwkeurigheid en conceptuele naleving. Dit houdt onder meer in dat de statistische gegevens moeten worden gepresenteerd met inachtneming van de definities en classificaties zoals beschreven en bedoeld in de verordening en zoals ook weergegeven in dit handboek. Het komt voor dat rapporteurs trendbreuken in de data rapporteren. Voorbeelden zijn: - een herstel van foutieve sectortoewijzing van tegenpartijen; 12

13 - correctie van onjuiste rubricering a.g.v. hantering resterende looptijd in plaats van oorspronkelijke looptijd; - correctie van onjuiste vermelding van securitisaties als synthetisch (woninghypotheken wel op MFIbalans) terwijl de securitisatie in werkelijkheid true sale was (woninghypotheken niet meer op MFIbalans); - overneming van portefeuilles van niet-mfi s en andere herstructureringen. Ook worden eerder verstuurde data gereviseerd i.v.m. gewijzigde inzichten of door de introductie van nieuwe ict-systemen waardoor een verbeterde waarneming is ontstaan. Voorbeeld hiervan is een rapporteur die een bedrijfs(onderdeel) overneemt maar pas maanden later dat onderdeel meeneemt in de rapportage. Uitgangspunt van DNB is dat zij graag deugdelijke statistieken wil publiceren. Breuken of sprongen in de gepubliceerde statistieken die niet het gevolg zijn van reëel-economische ontwikkelingen maar het resultaat zijn van verbeterde rapportages zijn ongewenst. In dergelijke gevallen wenst DNB daarom dubbele rapportages op een en hetzelfde ingangsmoment te ontvangen. Ook dienen rapporteurs een verklaring te geven voor de breuk. Daarmee is een schatting van de omvang van de trendbreuk mogelijk en kan DNB de reeksen terug in de tijd corrigeren. In sommige gevallen kan DNB de rapporteur vragen eerder gerapporteerde, maar onjuist gebleken, waarnemingen in de tijd terug te leggen via herrapportages. Dubbele rapportages en herrapportages worden in overleg met DNB doorgevoerd. Saldering De rapportages vanuit het binnenlands MFI-bedrijf zijn bruto rapportages. Dit betekent dus dat saldering, waarbij vorderingen en verplichtingen tussen twee partijen worden gesaldeerd, niet is toegestaan. Cash pooling activiteiten, waarbij debet- en creditstanden van een tegenpartij onderling worden gesaldeerd, dienen op een brutobasis in de monetaire rapportages te worden verantwoord. De enige uitzondering op deze regel vormen debet- en creditstanden van leningen en deposito s wanneer een entiteit (a) het wettelijk afdwingbare recht heeft de bewuste bedragen te salderen en (b) voornemens is het saldo te verrekenen dan wel het activum te realiseren en tegelijkertijd de passiefpost te verrekenen. Deze moeten in alle perioden op dezelfde wijze gesaldeerd worden. Merk op dat deze uitzondering niet geldt voor de rapportage van financiële derivaten, deze moeten te allen tijde op een bruto basis worden gerapporteerd. Moment van rapporteren Transacties dienen gerapporteerd te worden op het moment dat vorderingen en verplichtingen ontstaan, wijzigen of worden geannuleerd. Dit betekent dat transacties dienen te worden gerapporteerd op het moment dat ze ontstaan, ook als dit afwijkt van het moment dat de daadwerkelijke betaling wordt verricht. In het geval dat er geen precieze transactiedatum bekend is kan worden afgeweken van deze regel en mag er alsnog worden uitgegaan van het moment van betaling. 13

14 Waarderingsvoorschriften en andere boekhoudkundige regels Tenzij anders bepaald zijn de boekhoudkundige regels die MFI s voor de SE-rapportage moeten volgen, vastgelegd in de nationale omzetting van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad van 8 december 1986 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële instellingen, alsook in enige andere van toepassing zijnde internationale normen. Waardering deposito s en leningen Depositoverplichtingen en leningen moeten tegen de uitstaande hoofdsom (nominale waarde) per ultimo van de verslagperiode worden gerapporteerd. Alleen daadwerkelijk uitgevoerde afschrijvingen dienen van dit bedrag te worden afgetrokken. Voorzieningen die getroffen worden voor mogelijk toekomstige afschrijvingen hebben geen invloed op de stand van de uitstaande leningen en dus ook geen invloed op de activa zijde. Wel dient de reservering zelf onder de post kapitaal en reserves aan de passiva zijde te worden opgenomen, maar omdat deze reservering ten koste gaat van de nog niet uitgekeerde winst die ook onder kapitaal en reserves staat, heeft dat geen invloed op de stand aan de passiva zijde. Als een lening waar een voorziening voor is getroffen, uiteindelijk daadwerkelijk wordt afgeschreven dan neemt de post verstrekte leningen en deposito's met het gereserveerde bedrag af, en neemt aan passiva zijde de post kapitaal en reserves met een gelijk bedrag af door het opnemen van de rervering. Aangegroeide rente dient niet in de hoofdsom van de deposito s en leningen te worden opgenomen, maar onder overige activa of passiva. Depositoverplichtingen en leningen mogen niet worden gesaldeerd tegen enige activa of passiva. Negatieve bedragen In bepaalde rapportageformulieren kunnen negatieve bedragen voorkomen. Voorbeelden zijn in formulier 9001: negatieve waardering deelnemingen, formulier 9002: negatief resultaat, formulier 9005: negatieve herwaardering. Wat dient er gerapporteerd te worden en wanneer? De diverse MFI s in Nederland moeten een breed scala aan sociaal-economische rapportages verzorgen. In onderstaand overzicht (Tabel 1) worden de verschillende rapportages schematisch weergegeven. 14

15 Tabel 1 Rapportage Formulier Frequentie Populatie Inzendtermijn 6 SPV s: standen en 7001 Kwartaal In Nederland 17 e werkdag na transacties gevestigde SPV s afsluiting verslagkwartaal BIS rapportage 8023 Kwartaal Alle banken 8 weken na Landenrisico kwartaalultimo BIS rapportage 8024 Halfjaar Grootste banken 7 6 weken na OTC derivaten halfjaarultimo Deposito s met 8076 Maand Grootste banken 11 e werkdag na spaargeld behandeling afsluiting van de verslagmaand Vaststelling aanhouding minimumreserve Idem 8097 Maand Kwartaal Grootste banken Alle banken muv. Grootste banken 11 e werkdag na afsluiting van de verslagmaand/ verslagkwartaal Balansstanden 9001 Maand Grootste 8 banken 11 e werkdag na (BSI) afsluiting van de verslagmaand 9 Stromen 9002 Maand Grootste banken 20 e werkdag na afsluiting van de verslagmaand Afschrijvingen 9003 Maand Grootste banken 11 e werkdag na afsluiting van de verslagmaand MFI rente statistiek 9004 Maand Grootste banken 15 e werkdag na (MIR) afsluiting van de verslagmaand 6 Inzendkalender is te vinden op 7 Ter keuze van DNB; de toonaangevende internationale dealers. 8 Ter keuze van DNB; op basis van de ECB-verordening moet minimaal 95% van het nationale balanstotaal van het binnenlandse bankbedrijf van MFI s gedekt worden door een uitgebreide rapportage. 9 Voor de grotere instellingen (op basis van het balanstotaal) geldt na bilateraal overleg dat zij de formulierenset, waarin opgenomen 8076, 8097, 9001, 9003 en 9013, uiterlijk op de 12e werkdag mogen inzenden. 15

16 Rapportage Formulier Frequentie Populatie Inzendtermijn Jaarrapportage 9005 Jaar Alle banken Uiterlijk eind deelnemingen april (vier maanden na jaar ultimo) Kwartaalrapportage 9006 Kwartaal Grootste banken 20 e werkdag na betalingsverkeer betalingsverkeer kwartaal ultimo Stromen voor 9011 Maand Grootste banken 20 e werkdag na betalingsbalans en CBS afsluiting van de verslagmaand MFI-securitisaties standen en stromen 9013 Maand Kwartaal Grootste banken Kleinere banken met securitisaties 11 e werkdag na afsluiting van de verslagmaand 11 e werkdag na afsluiting van het verslagkwartaal Balansstanden 9021 Kwartaal Alle banken muv. 11 e werkdag na grootste banken afsluiting van het verslagkwartaal FinRep CBS n.v.t. Kwartaal Grootste banken 6 weken na kwartaalultimo Gemakshalve is in dit bovenstaande overzicht de term banken gebruikt. De statistische term voor banken is officieel echter monetair-financiële instellingen (MFI s), waar binnen de groep kredietinstellingen het best aansluit bij de term banken (zie onderstaand figuur). Samenstelling MFI-sector Monetaire Financiële Instellingen (MFIs) Centrale bank Overige MFI s (OMFI s) Kredietinstellingen Geldmarktfondsen Overige instellingen 16

17 Onderlinge verbanden tussen diverse SE rapportages (reconciliatiemodel) De rapporterende instelling dient ervoor te zorgen dat de stromen- en standeninformatie van de verschillende formulieren logisch op elkaar aansluiten. DNB zal deze gegevens ook zoveel mogelijk in samenhang controleren, door middel van gebruik van een reconciliatiemodel. Gegevens uit de volgende formulieren zijn bij deze controlewijze betrokken: 7001, 8076, 8097, 9001, 9002, 9003, 9004, 9005, 9011, 9013 en Niet direct gerelateerd aan de reconciliatie zijn gegevens uit de formulieren 9006, 8023, 8024 en Finrep/CBS, hoewel er wel raakvlakken zijn. Micro-consistentie van data dient derhalve te worden gewaarborgd, waarmee de datakwaliteit wordt verhoogd. Elementen uit het model zullen naar voren komen in de communicatie tussen DNB en de rapporterende instelling. Voorbeelden van reconciliatie: Voorbeeld 1: De reconciliatie van woninghypotheken op de MFI balans. Alle elementen die van invloed zijn op de stand van woninghypotheken worden separaat onderscheiden; gerapporteerde data in de formulieren 9001, 9003 en 9013 worden hiermee in samenhang beoordeeld met uiteindelijk de transactie als resultante (betreft saldo van nieuwe kredieten en aflossingen op bestaande kredieten, kolom 8). Voorbeeld 2: De reconciliatie van woninghypotheken op de SPV balans die voor de MFI worden beheerd. Alle elementen die van invloed zijn op de stand van woninghypotheken bij de MFI worden separaat onderscheiden; gerapporteerde data in het formulier 9013 (Hoofdkenmerk 1 en 3) worden hiermee in samenhang beoordeeld met uiteindelijk de transactie als resultante (kolom 5). 17

18 Bovenstaande reconciliatievoorbeelden zullen opnieuw in dit handboek aan de orde komen daar waar de betreffende reconciliatiecomponenten worden toegelicht. 18

19 Deel 2: Begrippen en definities In dit deel wordt een groot aantal begrippen gedefinieerd die in diverse rapportages terugkeren. De omschrijvingen van posten die voorkomen in één specifieke rapportage staan niet in dit deel van het handboek, maar kunnen worden gevonden in de toelichting bij de betreffende rapportage zelf. De begrippen betreffen in de meeste gevallen (balans)posten die in diverse rapportages worden gevraagd. Deze balansposten worden vooraf gegaan door een codering waarmee de balansposten in de diverse rapportages uniek worden geïdentificeerd. Deze worden hieronder beschreven. Vervolgens wordt de sectorindeling toegelicht. Voor een nadere toelichting op de structuur van de codering wordt verwezen naar bijlage 1, Coderingsstelsel SE rapportages. Balansposten Activa Kasmiddelen Aangehouden in omloop zijnde euro- en buitenlandse bankbiljetten en munten die algemeen worden gebruikt voor het verrichten van betalingen Aandelen / participaties uitgegeven door geldmarktfondsen Dit betreft aangehouden aandelen / participaties uitgegeven door geldmarktfondsen. Geldmarktfondsen zijn in dit kader gedefinieerd als beleggingsinstellingen: waarvan, in termen van liquiditeit, de aandelen/participaties nauwe substituten voor deposito s vormen, en die voornamelijk (d.w.z. ten minste 85% van de beleggingsportefeuille) beleggen in geldmarktinstrumenten en/of in aandelen/participaties van geldmarktfondsen en/of in andere overdraagbare schuldinstrumenten met een oorspronkelijke looptijd tot en met één jaar, en/of in bankdeposito s, en/of die een rendementsniveau nastreven dat dichtbij de rente op geldmarktinstrumenten ligt. Binnen het eurogebied gevestigde geldmarktfondsen die aan deze kwalificaties voldoen, zijn opgenomen in de lijst van MFI s. Zie hiervoor: Aangehouden aandelen en deelnemingen Deze post bestaat uit de volgende hieronder beschreven subposten Aangehouden aandelen en Deelnemingen. Voor een beschrijving daarvan wordt verwezen naar de desbetreffende subposten. 19

20 Aangehouden aandelen Aangehouden aandelen vertegenwoordigen eigendomsrechten in ondernemingen en quasiondernemingen (quasi-ondernemingen zijn eenheden met een volledige boekhouding, maar zonder rechtspersoonlijkheid die zich gedragen als vennootschappen met zelfstandige beslissingsbevoegdheid) en geven de houders recht op een aandeel in de winst van de onderneming, alsmede op de restwaarde van een onderneming bij liquidatie nadat de vorderingen van andere crediteuren zijn voldaan. Onder aangehouden aandelen vallen eveneens certificaten van aandelen en participaties in beleggingsinstellingen (m.u.v. participaties in geldmarktfondsen, die moeten onder de afzonderlijke regel, aandelen/participaties uitgegeven door GMF s, worden verantwoord). Aandelen die als deelneming worden aangehouden mogen niet onder deze regel worden gerapporteerd, maar vallen onder de post deelnemingen (postnummer ). Aandelen die worden uitgeleend op grond van effectenuitleentransacties of verkocht zijn op grond van een repo-overeenkomst, blijven op de balans van de oorspronkelijke eigenaar staan (en worden niet opgenomen op de balans van de tijdelijke verkrijger) indien er een vaste verplichting bestaat om de transactie om te keren (en niet enkel een optie daartoe bestaat). Indien de tijdelijke verkrijger de ontvangen effecten verkoopt, moet deze verkoop als een rechtstreekse verkoop van waardepapieren worden geregistreerd en op de balans van de tijdelijke verkrijger worden opgenomen als een negatieve positie in de effectenportefeuille. Rapporteurs mogen dergelijke short posities dus niet meer onder overige passiva onder de waarvan post short posities (postnummer ) rapporteren (zie ook de behandeling van short posities onder overige passiva). De waardering van de aangehouden aandelen dient te geschieden op basis van de boekhoudrichtlijnen die rapporteurs hanteren voor de jaarverslaggeving. Een onderneming kan beslissen tot de uitgifte van nieuwe of additionele aandelen via de uitgifte van zogenaamde subscription rights. Deze geven de houders van bestaande aandelen het recht om op de emissie in te schrijven tegen een emissiekoers die onder de actuele marktkoers van de bestaande aandelen ligt. De subscription rights worden in de rapportage beschouwd als een gekochte calloptie of warrant en moeten als zodanig in de rapportage worden verantwoord onder de post financiële derivaten (postnummer ) Deelnemingen Van een deelneming is sprake wanneer de rapporteur (het binnenlandse bankbedrijf dan wel de SPV) deelneemt in het kapitaal van een onderneming (binnenlands of buitenlands). Voor het aanmerken van een belang in het kapitaal van een onderneming als een deelneming in de statistische rapportages, vormt de aard van de participatie het criterium en niet het percentage van de participatie. Deelname in het kapitaal van een onderneming moet in de rapportage als deelneming worden geclassificeerd, indien het belang een duurzaam en relatief permanent karakter heeft met als doel invloed uit te oefenen op de onderneming, dit in tegenstelling tot de motieven van beleggers in eigendomspapier. Dit betekent dat 20

21 ook procentueel kleine belangen in het kapitaal (van bijvoorbeeld minder dan 10%) als deelneming moeten worden gerapporteerd wanneer de aard van het belang overeenkomt met de bovengenoemde beschrijving. Joint Ventures moeten ook worden gerapporteerd als deelneming. De waarde van de Joint Venture moet proportioneel worden gerapporteerd (dus evenredig met het procentuele belang in de Joint Venture). De waardering dient idealiter te geschieden op basis van de netto vermogenswaarde. Indien deze niet voorhanden is, kan de historische kostprijs of equity methode (d.w.z. historische kostprijs plus gecumuleerde niet-uitgekeerde winsten) gebruikt worden. Het werkkapitaal verschaft door de rapporteur aan buitenlandse juridisch niet-zelfstandige eenheden (kantoren en branches) moet eveneens worden geclassificeerd als deelneming. Wanneer sprake is van negatief werkkapitaal dient dit als negatieve post aan de de actief-zijde te worden verantwoord onder post Het werkkapitaal bestaat meestal uit de middelen van een bedrijf om het bedrijf op korte termijn operationeel te houden, bijvoorbeeld eigen vermogen en langlopende middelen betrokken van de moeder voor deze doeleinden. Middelen (langlopend of kortlopend) van de moeder of andere instellingen voor de financiering van het kernbedrijf van de branch (verstrekken van leningen, kopen van effecten en derivaten) is géén werkkapitaal! Aangezien in de rapportage van MFI s het Nederlandse MFI-bedrijf de consolidatiegrondslag vormt voor de statistische rapportages kunnen meerderheidsbelangen in Nederlandse MFI dochterondernemingen en werkkapitaal in Nederlandse kantoren per definitie niet voorkomen als deelneming in de rapportages. Deze ondernemingen en kantoren dienen binnen de consolidatiekring te vallen, zodat de posities met deze partijen (intra-concern) worden geëlimineerd. Bij een minderheidsbelang zijn er twee mogelijkheden: 1. als een minderheidsbelang het karakter heeft van een deelneming (zie omschrijving boven) dan ziet DNB het als deelneming en moet dit net als het meerderheidsbelang worden meegeconsolideerd. 2. als het minderheidsbelang daarentegen geen deelnemingen-karakter heeft dan ziet DNB dat belang als aandelenbelegging. Dat moet dan ook als zodanig gerapporteerd worden. Voorbeeld: minderheidsbelang in een MFI Een Nederlandse Bank A koopt of bezit 5% van de aandelen van een andere Nederlandse Bank B. Het doel is handel. Dit minderheidsbelang is dus een belegging, en geen deelneming. Bank A moet deze bank dus niet meeconsolideren in de rapportage. Bank A moet het aandelenbelang gewoon melden onder de post aangehouden aandelen en eventuele leningen die Bank A aan Bank B verstrekt moeten gemeld worden onder post verstrekte leningen en deposito s. Zogenoemde cross-participaties - deelnemingen van de rapporteur in een eventuele buitenlandse moederonderneming - moeten als deelneming worden verantwoord. Achtergestelde en eeuwigdurende 21

22 verstrekte leningen mogen echter niet als deelneming worden beschouwd, maar vallen onder de post verstrekte leningen en deposito s (postnummer ) Aangehouden schuldpapier Onder aangehouden schuldpapier worden effecten verstaan die de houder een onvoorwaardelijk recht geven op een vast of contractueel bepaald inkomen in de vorm van couponbetalingen en/of een vast bedrag op een bepaalde datum of op bepaalde data, dan wel vanaf een bij de emissie vastgestelde datum. Deze effecten moeten in principe verhandelbaar zijn op secundaire markten. Een indicatie voor het in principe verhandelbaar zijn van een schuldtitel is het bestaan van een ISIN-code voor het betrokken effect. Daarnaast mogen deze instrumenten de houder geen eigendomsrechten verlenen met betrekking tot de uitgevende instelling. Schuldpapieren die worden uitgeleend op grond van effectenuitleentransacties of verkocht zijn op grond van een repo-overeenkomst, blijven op de balans van de oorspronkelijke eigenaar staan (en worden niet opgenomen op de balans van de tijdelijke verkrijger) indien er een vaste verplichting bestaat om de transactie om te keren (en niet enkel een optie daartoe bestaat). Indien de tijdelijke verkrijger de ontvangen effecten verkoopt, moet deze verkoop als een rechtstreekse verkoop van waardepapieren worden geregistreerd en op de balans van de tijdelijke verkrijger worden opgenomen als een negatieve positie in de effectenportefeuille. Rapporteurs mogen dergelijke short posities dus niet meer onder overige passiva onder de waarvan-post short posities (postnummer ) rapporteren (zie ook de behandeling van short posities onder overige passiva). De waardering van het aangehouden schuldpapier dient te geschieden op basis van de boekhoudrichtlijnen die rapporteurs hanteren voor de jaarverslaggeving. Echter de opgelopen rente op het schuldpapier mag niet bij de standen worden opgeteld, maar moet afzonderlijk worden gerapporteerd onder de waarvan regel van overige activa te ontvangen rente op leningen en effecten (postnummer ). Zogenoemde aangekochte hybride stukken stukken die niet tot het kapitaal van de bank worden gerekend en waarbij de contractuele aflossingswaarde minder is dan het oorspronkelijke geïnvesteerde bedrag vanwege de combinatie van schuldcomponenten en componenten van derivaten - moeten ook worden verantwoord als aangehouden schuldpapier. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan Turbo s, maar er zijn vele andere varianten mogelijk Verstrekte leningen en deposito's Onder verstrekte leningen en deposito s worden alle verstrekte middelen van de rapporteur verstaan in de vorm van verstrekte leningen of geplaatste deposito s. De verstrekte leningen en deposito s moeten bruto worden gerapporteerd: hiermee wordt bedoeld dat met eventuele voorzieningen voor mogelijke 22

23 verliezen op verstrekte leningen geen rekening mag worden gehouden. Alleen op het moment van daadwerkelijke afschrijving van de lening moet de hoofdsom verminderd worden met het bedrag van de afschrijving. De omvang van de afschrijving moet vervolgens worden gerapporteerd op de daarvoor bestemde relevante formulieren (9003 en 9011 voor volledige rapporteurs). Achtergestelde vorderingen in de vorm van leningen en deposito s geeft een ondergeschikte vordering op een debiteur die slechts kan worden uitgeoefend nadat alle vorderingen met een hogere status zijn voldaan. Hierdoor lijken achtergestelde vorderingen in de vorm van leningen en deposito s enigszins op aandelen of deelnemingen; voor statistische doeleinden dienen deze achtergestelde vorderingen echter geclassificeerd te worden onder verstrekte leningen en deposito s. Achtergestelde vorderingen in de vorm van verhandelbaar schuldpapier dienen onder de post aangehouden schuldpapier gerapporteerd te worden. In veel gevallen wordt schuldpapier (en effecten in het algemeen) gecreëerd om te kunnen worden verhandeld op secundaire markten. In de uitzonderlijke gevallen waarin schuldpapier in beginsel niet verhandelbaar is, moeten deze instrumenten in de statistische rapportages als verstrekte leningen en deposito s worden beschouwd. Indien een rapporteur schuldpapier in bezit heeft dat niet voor de handel beschikbaar is, maar in principe wel verhandelbaar is, moet het schuldpapier voor de statistische rapportage onder de post aangehouden schuldpapier (postnummer ) worden verantwoord. Ook indien schuldpapier door marktomstandigheden niet of moeilijk verhandelbaar is, blijft dit instrument in beginsel verhandelbaar en moet het toch worden gerapporteerd als schuldpapier. Een indicatie voor het in principe verhandelbaar zijn van een schuldtitel is het bestaan van een ISIN-code voor het betrokken effect. Leningen die op basis van een trustovereenkomst worden verstrekt (zogenoemde trust- of fiduciaire leningen), zijn leningen die worden verstrekt op naam van de rapporteur t.b.v. een derde ( de begunstigde ). Voor statistische doeleinden mogen trustleningen niet op de statistische balans van de rapporteur worden opgenomen indien de aan de eigendom van de gelden verbonden risico s en beloningen voor rekening van de begunstigde blijven. De aan de eigendom verbonden risico s en beloningen blijven voor de begunstigde indien de begunstigde het kredietrisico van de lening op zich neemt (d.w.z. de rapporteur is alleen verantwoordelijk voor het administratieve beheer van de lening) of indien de belegging van de begunstigde wordt gegarandeerd tegen verlies, voor het geval de rapporteur failliet mocht gaan (d.w.z. de trustlening maakt geen onderdeel uit van de activa van de rapporteur die in het geval van een faillissement in de afwikkeling worden betrokken). De post verstrekte leningen en deposito s (postnummer ) is opgebouwd uit een aantal instrumenten. Hieronder volgt een opsomming van deze instrumenten, voorzien van een uitgebreide toelichting. 23

24 Repo's Repo s of Repurchase Agreements zijn contracten waarbij gelden door de rapporteur worden verstrekt in ruil voor door de rapporteur tegen een bepaalde koers aangeschafte effecten onder beding van wederverkoop van dezelfde (of soortgelijke) effecten tegen een vaste koers op een afgesproken datum in de toekomst. Door de rapporteur verstrekte bedragen in ruil voor effecten die van een derde zijn verkregen moeten onder repo s (postnummer ) worden gerapporteerd indien er een vaste verplichting is om de transactie om te keren en niet slechts een optie daartoe bestaat. Dit houdt eveneens in dat tijdens de transactie alle risico s en beloningen van de onderliggende effecten voor de derde partij blijven. Kenmerk van een repo of soortgelijk product is dat het economisch eigendom niet verandert en daardoor de beloningen terug gaan naar de economische eigenaar. Als dit niet het geval is, kan het instrument niet als repo worden beschouwd. Overigens zijn er verschillende soorten producten met kenmerken van een repo. Zo zijn er instrumenten waarbij het dividend bij uitkering direct wordt door vergoed aan de economische eigenaar (een echte repo) en instrumenten waarbij het dividend wordt vergoed bij de terugkoop van de effecten (de economische eigenaar betaalt dan minder om zijn effecten terug te krijgen, een sell-buy back). In het verleden was binnen de financiële wereld sprake van het gebruik van sell-buy backs bij het zogenoemde dividend stripping. In zo n geval ging een partij een sell-buy-back transactie aan vlak voor het moment waarop dividend zou worden uitgekeerd, omdat het resultaat van een sell-buy-back mag worden opgevoerd als verkoopresultaat (i.t.t. een repo waarbij het doorvergoede dividend als dividend beschouwd wordt en daarover ook dividendbelasting betaald moet worden). De partij die een sell-buy-back aangaat betaalt op deze manier geen dividendbelasting. Rapporteurs dienen de sell-buy back te rapporteren onder de post repo s, aangezien de constructie van dit instrument grote gelijkenissen vertoont met de zuivere repo. Cruciaal bij deze instrumenten is dat het economisch eigendom van de effecten niet verandert. De volgende varianten van repo-achtige transacties worden ingedeeld onder repo s : Verstrekte bedragen in ruil voor effecten die tijdelijk van een derde zijn ontvangen in de vorm van een obligatie-inleen tegen liquide onderpand. Verstrekte bedragen in ruil voor effecten die tijdelijk van een derde zijn ontvangen in de vorm van een inkoop/verkoopovereenkomst. Aangezien het economisch eigendom van de effecten niet verandert, moeten effecten die tijdelijk zijn verkregen niet op de balans van de rapporteur worden opgenomen. 24

25 Syndicaatsleningen Syndicaatsleningen of gesyndiceerde leningen zijn overeenkomsten betreffende één lening waarin verscheidene instellingen als geldgevers deelnemen. Syndicaatsleningen bestrijken alleen gevallen waarin de geldnemer weet uit de leenovereenkomst dat de lening door verschillende geldgevers wordt verstrekt. Voor statistische doeleinden worden alleen de werkelijk door de geldgevers uitbetaalde bedragen (in plaats van totale kredietlimieten) beschouwd als gesyndiceerde leningen. De syndicaatslening wordt gewoonlijk afgesloten en gecoördineerd door één instelling (vaak de penvoerder genoemd) en wordt feitelijk door verscheidene deelnemers in het syndicaat verstrekt. Alle deelnemers, waaronder de penvoerder, dienen op de post syndicaatsleningen alleen hun aandeel in de lening ten opzichte van de geldnemer (dus niet ten opzichte van de penvoerder) te rapporteren Girale deposito s (actief) Girale deposito s betreffen alle bij MFI s uitgezette gelden die zonder beperking of kosten per direct overdraagbaar zijn. Hiertoe behoren ook daggeld en call-gelden van ten hoogste 1 dag. Voor uitzettingen bij een centrale bank uit hoofde van monetaire beleidsoperaties zijn diverse soorten deposito s mogelijk. Onder girale deposito s vallen o.a. uitzettingen bij centrale banken uit hoofde van het aanhouden van minimum reserve op de rekening-courantrekening. Ook uitzettingen bij de centrale banken vanwege de depositofaciliteit moeten hierop worden geboekt Overige deposito s Alle deposito's van MFI s die niet onder girale deposito s of onder leningen vallen behoren tot de overige deposito s. Uitzettingen uit hoofde van deposito s ten behoeve van margins calls bij een centrale bank vallen ook onder overige deposito s, evenals de zogenaamde fixed term deposits Leningen Leningen zijn verstrekte gelden die niet zijn belichaamd in documenten of die zijn belichaamd in een enkel document. Onder de post leningen dienen bij de tegensector MFI s alle verstrekte leningen gerapporteerd te worden die op initiatief van de ontvangende partij zijn aangegaan. Voor de private sector bestaat deze post uit woninghypotheken, persoonlijke leningen, doorlopend krediet, roodstand, kaartkrediet en overige leningen. Leningen verstrekt aan centrale banken zullen in principe niet voorkomen. 25

26 Woninghypotheken Het betreft een lening met als doel een huisaankoop, dat wil zeggen een krediet verleend voor investering in huizen voor eigen gebruik of verhuur, met inbegrip van (ver)bouwen, verbetering en onderhoud. Het omvat leningen met als zekerheid residentieel onroerend goed die worden gebruikt voor de aankoop van een huis, en overige leningen voor huisaankoop die worden afgesloten op persoonlijke basis of waarvoor andere vormen van activa als zekerheid worden verstrekt. Ook de financiering voor de aanschaf van een woonboot valt onder woninghypotheken Consumptief krediet Consumptief krediet is een verzamelbegrip en bestaat uit vier componenten: persoonlijke leningen, doorlopend krediet, kaartkrediet en roodstand (rekening-courant krediet). In algemene zin omvat het al het krediet aan de sector huishoudens voor persoonlijk gebruik in de consumptieve sfeer Persoonlijke leningen Persoonlijke lening betreft krediet aan huishoudens voor consumptieve bestedingen en bevat niet doorlopend krediet, kaartkrediet of roodstand (rekening-courant krediet). Merk op dat persoonlijke leningen niet moeten worden verward met het begrip overige leningen (postnummer , zie onder) Doorlopend krediet Doorlopend krediet kenmerkt zich doordat: 1. de lener gebruik mag maken van het krediet tot aan een van te voren goedgekeurde limiet zonder voorafgaande kennisgeving aan de bank; 2. het totaal opgenomen krediet kan laten stijgen of dalen al naar gelang er wordt opgenomen of wordt afgelost; 3. het krediet herhaaldelijk mag worden gebruikt; 4. er geen plicht is tot reguliere aflossingen. Doorlopend krediet omvat dus tevens de via een kredietlijn of faciliteit opgenomen bedragen. Het ongebruikte ofwel afgeloste deel van een kredietlijn, mag niet onder de uitstaande bedragen worden meegenomen. Doorlopend krediet bevat géén kaartkrediet. Qua looptijd indeling dient doorlopend krediet standaard te worden gerubriceerd onder de categorie oorspronkelijke looptijd korter dan of gelijk aan 1 jaar. 26

27 Roodstand (rekening-courant) Roodstanden zijn negatieve saldi op de rekening-courant. Roodstand bevat géén kaartkrediet. Qua looptijd indeling dient roodstand standaard te worden gerubriceerd onder de categorie oorspronkelijke looptijd korter dan of gelijk aan 1 jaar Kaartkrediet Kaartkrediet omvat krediet aan huishoudens en niet-financiële bedrijven via óf delayed debit cards (dat zijn kaarten die faciliteitskrediet bieden zoals hieronder omschreven) óf via credit cards (dat zijn kaarten die zowel faciliteitskrediet als verruimd krediet bieden). Al het kaartkrediet moet worden gerapporteerd op post en mag geen deel uitmaken van persoonlijke leningen, doorlopend krediet of roodstand. Qua looptijd indeling dient kaartkrediet standaard te worden gerubriceerd onder de categorie oorspronkelijke looptijd korter dan of gelijk aan 1 jaar Faciliteitskrediet Faciliteitskrediet wordt omschreven als bedragen die tegen een rentetarief van nul procent uitstaan tussen het moment van de betalingstransactie met de creditkaart en het moment waarop het aldus ontstane kaartkrediet moet worden afgelost Verruimd krediet Verruimd krediet wordt omschreven als bedragen die nog uitstaan ná het moment van bovenstaande kostenloze verrekening en draagt dus per definitie rente. Verruimd krediet ontstaat in de praktijk als er in delen wordt afbetaald (bv. een beperkt bedrag per maand) of omdat er onvoldoende saldo op de aangegeven rekening is voor automatische verrekening Overige leningen Dit betreft leningen aan niet-financiële bedrijven of leningen aan huishoudens. In het geval van leningen aan huishoudens: anders dan leningen voor de aankoop van een huis (woninghypotheken) en anders dan voor consumptieve doeleinden (dus anders dan persoonlijke leningen, doorlopend krediet, roodstand of kaartkrediet). Het omvat leningen voor onder andere studie en opleiding en voor effectenaankoop. In het geval van leningen aan niet-financiële bedrijven betreft deze post leningen die niet kunnen worden geclassificeerd als doorlopend krediet, roodstand of kaartkrediet. 27

28 Niet-financiële vaste activa Onder niet-financiële vaste activa moeten alle materiële (zoals gebouwen, machines) en immateriële (software, programmatuur) vaste activa gerapporteerd worden die niet-financieel van aard zijn. De financiële vaste activa vallen ook uiteen in materieel en immaterieel. Materiële financiële vaste activa zijn leningen, deposito s, effecten en deelnemingen, kortom alle normale posten op de bankbalans en vallen dus niet onder de post niet-financiële vaste activa. De immateriële financiële vaste activa moeten onder overige activa gemeld worden, waarvoor speciale aandacht is voor goodwill als aparte waarvan-post Financiële derivaten Onder financiële derivaten aan de actiefzijde van de balans moeten alle voor eigen rekening afgesloten on-balance derivatencontracten met een positieve marktwaarde op het einde van de verslagmaand worden gerapporteerd en derhalve een vordering vertegenwoordigen. De posities in financiële derivaten moeten zoveel mogelijk bruto worden verantwoord. Dit betekent dat het niet is toegestaan om tegengestelde posities in contracten van hetzelfde type, met dezelfde sector en op hetzelfde land met elkaar te salderen (zie hiervoor ook onder Saldering in Deel 1). De derivatencontracten kunnen betrekking hebben op zowel over-the-counter contracten als op aan de beurs verhandelde contracten, ongeacht de aard van de onderliggende waarde (bijvoorbeeld een effectenindex, goederen of andere financiële waarden). Bij het bepalen van de marktwaarde van de derivatencontracten mag worden aangesloten bij de interne waarderingsmodellen en boekhoudregels Overige activa Dit is een restpost aan de actiefzijde van de balans, gedefinieerd als niet elders opgenomen activa. Deze post kan onder meer omvatten: nog te ontvangen opgelopen rente op verstrekte leningen en deposito s; nog te ontvangen rente op aangehouden schuldpapier; lopende huur op gebouwen; te ontvangen bedragen uit andere hoofde dan van het kernbedrijf van de MFI dan wel de SPV; te ontvangen bedragen uit hoofde van posten op tussenrekeningen en overlopende posten; nog te ontvangen dividenden; te ontvangen bedragen uit hoofde van toekomstige afrekening effectentransacties; immateriële financiële activa; goodwill. 28

29 Waarvan: te ontvangen rente op leningen en effecten Rapporteurs moeten de nog te ontvangen rente op verstrekte leningen en deposito s en op het eigen effectenbezit verantwoorden onder overige activa en wel onder de daarvoor bestemde waarvan-post, te ontvangen rente op leningen en effecten. De nog te ontvangen rente is het totaal van de tot op dat moment (dus niet alleen de in de betreffende verslagmaand aangegroeide rente) opgelopen rentevergoedingen die de rapporteur van haar debiteuren inclusief eigen buitenlandse MFI-entiteiten te vorderen heeft Waarvan: goodwill Wanneer de boekwaarde van een deelneming de netto vermogenswaarde van deze deelneming overstijgt, is er sprake van goodwill. Met andere woorden, goodwill ontstaat wanneer een deel van de boekwaarde niet is terug te voeren op de aanwezige tastbare activa en passiva van de deelneming. Wanneer de deelneming verkocht zou worden, zou voor deze deelneming een hogere opbrengst ontvangen kunnen worden dan puur op basis van de waarde van tastbare activa en passiva kan worden verwacht. De goodwill op deelnemingen moet worden opgenomen onder overige activa en onder de bijbehorende waarvan-post, goodwill. Eventuele negatieve goodwill (badwill) moet als negatief bedrag onder overige activa en de waarvan-post goodwill worden opgenomen Totaal activa Deze gegenereerde post bevat de som van alle totaaltellingen van de hoofdposten aan de activazijde van de balans in de kolom Totaal generaal. Balansposten Passiva Kapitaal en reserves De post Kapitaal en reserves post kan worden onderscheiden in twee componenten: 1. deelnemingen eigen vermogen die naar sector en land dienen te worden uitgesplitst (postnummer ) 2. het deel dat niet naar sector en land is toe te rekenen (sector 9998) Kapitaal en reserves omvatten de bedragen die voortvloeien uit de uitgifte door de rapporterende instelling aan aandeelhouders en anderen met eigendomsrechten, van aandelen in het eigen vermogen die voor de houder eigendomsrechten in de rapporterende instelling vertegenwoordigen en in het algemeen recht geven op een aandeel in de winst en een aandeel in het eigen vermogen bij liquidatie. 29

30 Hiertoe behoort eveneens door de rapporterende instelling gereserveerde gelden voor toekomstige betalingen en verplichtingen. Hiertoe behoren: eigen vermogen; niet-uitgekeerde winsten of gelden; algemene en specifieke reserves alsmede voorzieningen getroffen voor dubieuze debiteuren; voor SPV s ook: eenheden van securitisatiefondsen. Juridisch niet-zelfstandige dochters en kantoren van buitenlandse banken zouden hun volledige kapitaal en reserves in feite moeten kunnen toerekenen naar het land van de moederinstelling onder de post Deelnemingen eigen vermogen. Het zou in principe dan ook niet voor moeten kunnen komen dat deze buitenlandse instellingen op 9001HK6 Kapitaal en Reserves rapporteren onder de kolom niet toe te rekenen Deelnemingen eigen vermogen Van deelnemingen eigen vermogen is sprake wanneer een instelling deelneemt in het kapitaal van het binnenlands MFI bedrijf van de rapporteur (zie consolidatie grondslagen in Deel 1). Voor het aanmerken van een belang in het kapitaal van de rapporteur als een deelneming eigen vermogen in de statistische rapportages, vormt de aard van de participatie het criterium en niet het percentage van de participatie. Deelname in het kapitaal van de rapporteur moet in de rapportage als deelneming eigen vermogen worden geclassificeerd, indien het belang een duurzaam en relatief permanent karakter heeft met als doel invloed uit te oefenen op het beleid van de rapporterende instelling, dit in tegenstelling tot de motieven van beleggers in eigendomspapier. Dit betekent dat ook procentueel kleine belangen in het kapitaal (van bijvoorbeeld minder dan 10%) als deelnemingen eigen vermogen moeten worden aangemerkt indien de aard van het belang overeenkomt met de bovengenoemde beschrijving. Indien een rapporterende instelling beursgenoteerde aandelen uitgeeft, dient het aandelenkapitaal alleen als deelneming eigen vermogen gerapporteerd te worden voor zover de eigendomspapieren niet (meer) worden verhandeld via een georganiseerde effectenbeurs. De betrokken rapporterende instelling zal - over het algemeen - niet eenvoudig op de hoogte kunnen zijn over een belang in de onderneming wanneer een partij dit belang via aankopen van beursgenoteerde aandelen (geleidelijk) heeft opgebouwd. Bovendien is het karakter van het aandelenbezit van een investeerder voor de rapporterende instelling doorgaans onbekend. Het belang van de investeerder moet worden gerapporteerd vanaf het moment dat de aandeelhouder zijn belang kenbaar heeft gemaakt en de stukken uit de vrije handel zijn genomen. Het register van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) bevat meldingen van substantiële deelnemingen en bijzondere statutaire zeggenschapsrechten en is een belangrijke bron voor het identificeren van participaties in het aandelenkapitaal van de rapporterende 30

31 instelling. Dit register - benaderbaar via de website van de AFM 10 - bevat de substantiële deelnemingen van aandeelhouders in uitgevende instellingen en meldingen van bijzondere statutaire zeggenschapsrechten. 11 Indien de rapporteur een juridisch niet-zelfstandige eenheid (kantoor of branch) vormt van het buitenlandse hoofdkantoor, dan moet eveneens het verkregen werkkapitaal door de rapporteur als deelneming eigen vermogen worden gerapporteerd. Aangezien het Nederlands MFI bedrijf de consolidatiegrondslag vormt voor de statistische rapportages kan het Nederlandse kantorennetwerk van banken met een Nederlands hoofdkantoor niet zelfstandig rapporteren. Deze kantoren moeten worden geconsolideerd in de rapportage van het Nederlandse hoofdkantoor. Alleen rapportageplichtige Nederlandse branches en kantoren van buitenlandse ondernemingen moeten hun - van het buitenland - verkregen werkkapitaal rapporteren. Banken met een Nederlands hoofdkantoor kunnen wel deelnemingen eigen vermogen rapporteren wanneer een Nederlandse of buitenlandse instelling deelneemt in het kapitaal van de bank. Zogenoemde cross-participaties - deelnemingen van een buitenlandse dochter of buitenlandse branch in de rapporterende instelling - moeten als deelnemingen eigen vermogen worden verantwoord. Achtergestelde en eeuwigdurende opgenomen leningen mogen echter niet als deelnemingen eigen vermogen worden beschouwd, maar vallen onder het instrument opgenomen leningen en deposito s (postnummer ) Uitgegeven schuldpapier Onder uitgegeven schuldpapier moeten alle schuldbewijzen gerapporteerd worden die door de rapporteur zijn geëmitteerd, ongeacht de plaats van uitgifte en bewaring. Aangezien de rapporteur veelal niet op de hoogte is van het houderschap van zijn uitgegeven schuldtitels, moet uitgegeven schuldpapier worden verantwoord onder de sector niet toe te rekenen. Onder schuldpapier worden effecten verstaan die de houder een onvoorwaardelijk recht geven op een vast of contractueel bepaald inkomen in de vorm van couponbetalingen en/of een vast bedrag op een bepaalde datum of op bepaalde data, dan wel vanaf een bij de emissie vastgestelde datum. Deze effecten moeten in principe 10 http//:www.afm.nl. 11 Onder uitgevende instelling wordt verstaan: een naamloze vennootschap die is opgericht naar Nederlands recht waarvan (de certificaten van) aandelen zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt in Nederland of in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel EER-staat. Of van rechtspersonen opgericht naar het recht van een staat die geen EU-lidstaat is waarvan (de certificaten van) aandelen zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt in Nederland. Zodra een deelneming 5% of meer van het geplaatste kapitaal bedraagt, dient de aandeelhouder dit te melden. Vervolgens dient hij opnieuw te melden zodra zijn substantiële deelneming een drempelwaarde bereikt, overschrijdt of juist daaronder komt. Dit kan het geval zijn als hij de beschikking krijgt of verliest over aandelen of door een toe- of afname van het geplaatste kapitaal van de uitgevende instelling (de noemer). De drempelwaarden zijn: 5%, 10%, 15%, 20%, 25%, 30%, 40%, 50%, 60%, 75% en 95%. 31

32 verhandelbaar zijn op secundaire markten. Een indicatie voor het in principe verhandelbaar zijn van een schuldtitel is het bestaan van een ISIN-code voor het betrokken effect. Daarnaast mogen deze instrumenten de houder geen eigendomsrechten verlenen met betrekking tot de emitterende instelling. In het geval van converteerbare leningen moeten deze worden opgenomen onder uitgegeven schuldpapier zolang de schuldtitels nog niet zijn omgezet in aandelen. Indien de lening is geconverteerd naar aandelenvermogen verdwijnt het instrument uit uitgegeven schuldpapier en verschijnt in kapitaal en reserves (postnummer ). De opgelopen rente op het schuldpapier mag niet bij de standen worden opgeteld, maar moet worden gerapporteerd als nog te betalen interest onder de waarvan regel van overige passiva te betalen rente op leningen en effecten (postnummer ). De waardering van het uitgegeven schuldpapier dient te geschieden op basis van de boekhoudrichtlijnen die rapporteurs hanteren voor de jaarverslaggeving. Zogenoemde uitgegeven hybride stukken die niet tot het kapitaal van de bank worden gerekend en waarbij de contractuele aflossingswaarde minder is dan het oorspronkelijke geïnvesteerde bedrag vanwege de combinatie van schuldcomponenten en componenten van derivaten moeten worden verantwoord als uitgegeven schuldpapier. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan Turbo s, maar er zijn vele andere varianten mogelijk. Meestentijds zal eigen uitgegeven schuldpapier als vreemd vermogen worden gezien en dus niet worden geclassificeerd als kapitaal. Echter, in heel uitzonderlijke gevallen kan eigen uitgegeven schuldpapier zo vorm worden gegeven dat het papier vanuit bedrijfseconomisch oogpunt als kapitaal mag worden beschouwd (en dan boeken onder Kapitaal en reserves). Voorbeeld Tijdens de financiële crisis kregen enkele banken steun van de Nederlandse Staat. In sommige gevallen werd deze steun gegeven in de vorm van een converteerbare obligatielening (Mandatory Convertible Note) die zodanig was vorm gegeven dat de lening (vanuit het oogpunt van bedrijfseconomisch toezicht) mocht worden gerekend tot het kapitaal van de bank Opgenomen leningen en deposito's Onder opgenomen leningen en deposito s worden alle middelen verstaan die niet worden verkregen door het emitteren van effecten. De opgenomen leningen en deposito s moeten tegen de nominale waarde worden gerapporteerd. De hoofdsom van een lening kan afnemen wanneer de rapporteur aflost op de opgenomen lening en de hoofdsom van een deposito kan afnemen wanneer de crediteur zijn geplaatste deposito bij de rapporteur verlaagt. Het verschil tussen leningen en deposito s hangt af van 32

33 de partij die het initiatief neemt tot het aangaan van de financiële verhouding. Wanneer de geldnemer het initiatief neemt, dient de post te worden verantwoord onder leningen. Verhoudingen waarbij het initiatief bij de geldgever ligt dienen daarentegen als deposito s te worden verantwoord. Middelen die op een trustbasis worden ontvangen, dienen niet onder deze post te worden opgenomen. Het door de rapporteur uitgegeven niet-verhandelbaar schuldpapier (waarvoor dus geen ISIN code aan gekoppeld is), moet worden gerapporteerd onder opgenomen leningen en deposito s. Margestortingen uit hoofde van derivatencontracten dienen als opgenomen leningen en deposito s te worden gerapporteerd, indien ze liquide - bij de rapporteur gedeponeerd - onderpand vormen; in eigendom blijven van de deposant en; bij afloop van het contract aan de deposant worden terugbetaald. Op basis van de marktpraktijk dienen ontvangen marges alleen als opgenomen leningen en deposito s te worden geclassificeerd voor zover de rapporteur middelen ter beschikking krijgt die zonder meer opnieuw kunnen worden uitgeleend. Indien een deel van de door de rapporteur ontvangen marges aan een andere deelnemer op de derivatenmarkt dient te worden doorgegeven (bijvoorbeeld het clearinghuis), behoort alleen het voor de rapporteur beschikbaar blijvende gedeelte onder opgenomen leningen en deposito s te worden geclassificeerd. De complexiteit van de markt maakt het moeilijk om vast te stellen welke marges voor de rapporteur middelen vormen voor het opnieuw uitlenen en welke marges daadwerkelijk terugbetaalbaar zijn, omdat verschillende soorten marges zonder onderscheid op dezelfde rekeningen kunnen worden geplaatst. In die gevallen volstaat classificatie van al deze marges onder opgenomen leningen en deposito s. Door rapporteurs uitgegeven aandelen moeten worden gerapporteerd onder opgenomen leningen en deposito s (en niet als kapitaal en reserves) wanneer een rekeninghouder van de rapporteur aandelen in de betreffende rapporteur heeft aangekocht (dit betreft derhalve een economische debiteur-crediteur relatie tussen de uitgevende rapporteur en de houder, ongeacht de eigendomsrechten van deze aandelen), en indien de aandelen kunnen worden omgezet in chartaal geld of worden teruggekocht zonder significante beperkingen of boetes voor de rekeninghouder. Een opzegtermijn wordt niet als een significante beperking beschouwd. Bovendien dienen dergelijke aandelen aan de volgende voorwaarden te voldoen: de betrokken nationale bestuursrechtelijke bepalingen stipuleren geen onvoorwaardelijk recht voor de uitgevende rapporteur om terugkoop van de aandelen af te wijzen; de aandelen zijn waardevast, d.w.z. onder normale omstandigheden vindt in geval van terugkoop uitbetaling plaats tegen hun nominale waarde en; 33

34 indien de rapporteur insolvabel wordt, zijn de houders van de aandelen juridisch niet verplicht in te staan voor de nominale waarde van de aandelen (d.w.z. de deelname van aandeelhouders in het geplaatste kapitaal) te boven gaande uitstaande verplichtingen, noch tot enige aanvullende lasten. De achterstelling van aandelen ten opzichte van enig ander door de rapporteur uitgegeven instrument geldt niet als een aanvullende last. De opzegtermijnen voor de conversie van dergelijke aandelen in chartaal geld vormen de basis voor de indeling van deze aandelen naar opzegtermijn binnen de instrumentencategorie opgenomen leningen en deposito s Waarvan syndicaatsleningen Een voorbeeld: Een Nederlandse bank ontvangt een syndicaatslening. Het syndicaat wordt geleid door een internationaal opererende Amerikaanse zakenbank. Uitgangspunt hierin is dat het geld indirect wordt verkregen van verschillende tegenpartijen die onder het syndicaat hangen en die voor de geldnemer vaak niet bekend zijn. Dit kunnen bovendien partijen zijn in verschillende sectoren en verschillende landen, waardoor de gelden niet eenduidig aan één sector of één land kunnen worden toegerekend. Dit betekent dat alle opgenomen gelden in de vorm van een syndicaatslening als niet toe te rekenen dienen te worden geclassificeerd in de SE-rapportages en niet in de sector- en landenspecificaties mogen terugkomen Girale deposito s (passief) Tot de girale deposito s behoren deposito s die zonder enige significante vertraging, beperking of boete kunnen worden omgezet in chartaal geld en/of die per cheque, bankopdracht, debitering (bv. via pinpas) en dergelijke overdraagbaar zijn. Hiertoe behoren onder andere: saldi (rentedragend of niet) die, zonder significante boete of beperkingen, onmiddellijk of aan het eind van de werkdag volgend op die waarop ze werden opgevraagd, in chartaal geld kunnen worden omgezet, maar niet overdraagbaar zijn; saldi (rentedragend of niet) in op hardware gebaseerd of op software gebaseerd elektronisch geld (bijvoorbeeld elektronische portemonnees/chipknip); leningen, die moeten worden afgelost aan het einde van de werkdag volgend op die waarop de lening werd verstrekt; daggeld, call-geld en call-fixe van ten hoogste één dag. 34

35 Waarvan: saldi op prepaid cards Betaalmiddelen, al dan niet rentedragend, waar van tevoren tegoeden op zijn gezet die kunnen worden aangewend voor het doen van betalingen (bijvoorbeeld in de vorm van saldi op elektronische portemonnees, zoals de chipknip) Waarvan: direct opvraagbaar Het kenmerk van deze zogeheten direct opvraagbare of overdraagbare tegoeden (transferable deposits) is dat het tegoeden zijn op rekeningen bij banken die direct op verzoek/aanvraag overdraagbaar zijn (onmiddellijk opeisbaar), om betalingen te verrichten aan anderen met algemeen gebruikte betaalmiddelen zoals overschrijving, pintransactie, credit card en chipknip, zonder vertraging, beperking of boete. Deposito s die alleen kunnen worden opgenomen via een andere rekening, of louter zijn te benutten via een kasopname, zijn niet direct overdraagbaar. Bij transferable deposits kan de houder dus dezelfde dag over bedragen beschikken (anders dan bij bijvoorbeeld overnight deposits waar de houder pas de volgende dag kan disponeren) Overige deposito s Niet-overdraagbare deposito s kunnen niet in chartaal geld worden omgezet vóór afloop van een vaste termijn of zonder inachtneming van een opzegtermijn tenzij de houder een soort boete betaalt. Overige deposito s zijn onderverdeeld in deposito s met vaste looptijd, deposito s met opzegtermijn, repo s en lange leningen Deposito's met vaste looptijd Het betreft niet-girale deposito s die niet in chartaal geld kunnen worden omgezet vóór afloop van een vaste termijn of die slechts vóór afloop daarvan in chartaal geld kunnen worden omgezet als de houder enigerlei boete betaalt. Financiële producten met roll-over-bepalingen moeten worden ingedeeld naar de kortste looptijd. Hoewel deposito s met een vaste looptijd eventueel eerder kunnen worden opgezegd na voorafgaande kennisgeving, of kunnen worden opgenomen op straffe van bepaalde boetes, worden deze kenmerken niet relevant geacht voor classificatiedoeleinden. Het initiële vaste looptijdkarakter van het deposito is leidend voor de classificatie. Deze post omvat: Geplaatste tegoeden met een vaste looptijd die niet-overdraagbaar zijn en vóór het einde van de looptijd niet in chartaal geld kunnen worden omgezet; 35

36 Geplaatste tegoeden met een vaste looptijd die niet-overdraagbaar zijn, maar wel na voorafgaande opzegging opvraagbaar zijn; Geplaatste tegoeden met een vaste looptijd die niet-overdraagbaar zijn, maar onder betaling van een boete onmiddellijk opvraagbaar zijn; Margestortingen uit hoofde van derivatencontracten die liquide onderpand tegenover het kredietrisico vormen, maar eigendom blijven van de deposant en aan de deposant worden terugbetaald bij afloop van het contract; Door de rapporteur uitgegeven niet-verhandelbare schuldbewijzen; Achtergestelde schuld uitgegeven door de rapporteur in de vorm van deposito s of leningen; Securitisatiepassiva, oftewel de tegenpost van leningen en/of overige activa afgestoten in een securitisatie, waarvan de afgestoten activa nog blijft opgenomen op de statistische MFI balans. Bij conventie worden deze passiva toegewezen aan de looptijduitsplitsing vaste looptijd langer dan twee jaar ; Bouwdeposito s (ingedeeld in de looptijdcategorie kleiner of gelijk aan 1 jaar ); Posities opgebouwd door inleggingen uit hoofde van spaarhypotheken; Ingelegde tegoeden op bedrijfsspaarrekeningen uit hoofde van spaarloon (exclusief het spaarloondeel dat reeds is vrijgevallen);. Tegoeden in het kader van banksparen. Deze dienen te worden geclassificeerd in de looptijdcategorie meer dan 2 jaar ; Administratief gereguleerde spaartegoeden waarvoor het looptijdcriterium niet relevant is. Deze dienen te worden geclassificeerd in de looptijdcategorie meer dan 2 jaar ; Bruto te betalen bedragen met betrekking tot tussenrekeningen die nauw verband houden met deposito s met een vaste looptijd Deposito's met opzegtermijn Onder deposito's met opzegtermijn vallen: Tegoeden zonder vaste looptijd die slechts met inachtneming van een opzegtermijn kunnen worden opgevraagd; Tegoeden met een vaste looptijd die niet overdraagbaar zijn maar waarbij ten aanzien van eerdere opvragingen een opzegtermijn in acht moet worden genomen; Tegoeden waarbij, hoewel de tegoeden juridisch gezien direct opvraagbaar zijn, bij opvraging een aanzienlijke boete moet worden betaald; Beleggingsrekeningen zonder opzegtermijn of vaste looptijd, waarbij het opnemen van bedragen onderhevig is aan beperkingen; Tegoeden op bedrijfspaarrekeningen uit hoofde van spaarloon die reeds zijn vrijgevallen; 36

37 Internetspaarrekeningen waarvan een cliënt in het algemeen tegoeden over dient te schrijven naar een betaalrekening om daadwerkelijk over het geld te kunnen beschikken; Internetrekeningen met een spaarkarakter waarvan rechtstreeks tegoeden kunnen worden overgeschreven naar een rekening van derden; Tegoeden in het kader van de levensloopregeling. Deze dienen te worden gerubriceerd als deposito s met opzegtermijn van meer dan 3 maanden (daar waar van toepassing dienen deze deposito s tevens te worden gerubriceerd met een looptijd van meer dan 1 jaar); Bruto te betalen bedragen met betrekking tot tussenrekeningen die nauw verband houden met deposito s met opzegtermijn Fiduciaire deposito's die bij een rapporterende bank worden aangehouden moeten worden opgenomen onder Deposito's met opzegtermijn. Aan de deposito's tussen een "agent bank" en een rapporterende SE-bank/recipiënt bank ligt doorgaans geen trust-overeenkomst ten grondslag. Dat is wel het geval bij het deposito dat de klant bij de "agent bank" stort (en die daardoor buiten de boeken van de "agent bank" moet blijven, zie figuur). In feite stort de "agent bank" namens de klant geld bij de rapporterende SE-bank; de rapporterende SE-bank ziet niet welke tegenpartij er achter zit. Gemakshalve dienen rapporterende banken als tegenpartij bij dergelijke deposito s de sector niet-financiële bedrijven te nemen. Het merendeel van deze deposito s is doorgaans afkomstig vanuit deze sector Repo's Repos of Repurchase Agreements zijn contracten waarbij gelden door de rapporteur worden ontvangen in ruil voor door de rapporteur tegen een bepaalde koers verkochte effecten onder beding van wederinkoop van dezelfde (of soortgelijke) effecten tegen een vaste koers op een afgesproken datum in de toekomst. De door de rapporteur ontvangen bedragen in ruil voor effecten die aan een derde zijn overgedragen (de tijdelijke verkrijger) moeten onder repo s worden gerapporteerd indien 37

38 er een vaste verplichting is om de transactie om te keren en niet slechts een optie daartoe bestaat. Dit houdt eveneens in dat tijdens de transactie alle risico s en beloningen van de onderliggende effecten voor de rapporteur blijven. Kenmerk van een repo of een soortgelijk product is dat het economisch eigendom niet verandert en beloningen daardoor teruggaan naar de economische eigenaar. Als dit niet het geval is, kan het instrument niet als repo worden beschouwd. Overigens zijn er verschillende soorten producten met kenmerken van een repo. Zo zijn er instrumenten waarbij het dividend bij uitkering direct wordt door vergoed aan de economisch eigenaar (een echte repo) en instrumenten waarbij het dividend wordt vergoed bij de terugkoop van de effecten (de economisch eigenaar betaalt dan minder om zijn effecten terug te krijgen; een sell-buy back). In het verleden was sprake binnen de financiële wereld van het gebruik van sell-buy backs bij het zogenoemde dividend stripping. In zo n geval ging een partij een sell-buy-back transactie aan vlak voor het moment waarop dividend zou worden uitgekeerd, omdat het resultaat van een sell-buy-back mag worden opgevoerd als verkoopresultaat (in tegenstelling tot een repo waarbij het doorvergoede dividend als dividend wordt beschouwd en waarover dividendbelasting betaald moet worden). De partij die een sell-buy-back aangaat betaalde op deze manier geen dividendbelasting. Rapporteurs dienen de sell-buy back te rapporteren onder de post repo s, aangezien de constructie van dit instrument grote gelijkenissen vertoont met de zuivere repo. Cruciaal bij deze instrumenten is dat het economisch eigendom van de effecten niet verandert. De volgende varianten van repo-achtige transacties worden ingedeeld onder repo s : Ontvangen bedragen in ruil voor effecten die tijdelijk aan een derde zijn overgedragen in de vorm van een verkoop/terugkoopovereenkomst. Ontvangen bedragen in ruil voor effecten die tijdelijk aan een derde zijn overgedragen in de vorm van een obligatie-uitleen tegen liquide onderpand. Aangezien het economisch eigendom van de effecten niet verandert, moeten effecten die tijdelijk zijn verkocht op de balans blijven staan van de rapporteur Lange leningen (> 2 jaar) Onder lange leningen dienen alle instrumenten geboekt te worden die in de productindeling van de banken geclassificeerd worden als lange leningen, voor zover zij een oorspronkelijke looptijd hebben die langer is dan twee jaar. Lange leningen met een looptijd korter of gelijk aan twee jaar dienen onder deposito s met vaste looptijd te worden geclassificeerd. Bij lange leningen ligt het initiatief tot het aantrekken van deposito s bij de rapporterende instelling, in tegenstelling tot deposito s die op initiatief van de tegenpartij bij de rapporteur geplaatst worden. 38

39 Totaal spaargeld Het totaal spaargeld is een optelsom van deposito s met vaste looptijd en deposito s met opzegtermijn. In het rapportagehulpmiddel e-line DNB wordt in de kolom totaal spaargeld een telling gegenereerd van deze twee typen deposito s Financiële derivaten Onder financiële derivaten moeten op de passiefzijde van de balans alle voor eigen rekening afgesloten on-balance derivatencontracten worden gerapporteerd die op het einde van de verslagmaand een negatieve marktwaarde hebben en derhalve een verplichting vertegenwoordigen. De posities in financiële derivaten moeten zoveel mogelijk bruto worden verantwoord. Dit betekent dat het niet is toegestaan om tegengestelde posities in contracten van hetzelfde type, met dezelfde sector en op hetzelfde land met elkaar te salderen (zie hiervoor ook onder Saldering in Deel 1 op pagina 13). De derivatencontracten kunnen betrekking hebben op zowel aan de beurs verhandelde contracten als overthe-counter contracten, ongeacht de aard van de onderliggende waarde (bijvoorbeeld een effect, index, goed of andere financiële waarden). Bij het bepalen van de marktwaarde van de derivatencontracten mag worden aangesloten bij de interne waarderingsmodellen en boekhoudregels Overige passiva Overige passiva vormt een restpost aan de passiefzijde van de balans, gedefinieerd als niet-eldersopgenomen passiva Deze post omvat onder andere: Nog te betalen (opgelopen) rente op deposito s en leningen; Nog te betalen rente op uitgegeven schuldpapier; Nog te betalen bedragen uit anderen hoofde dan van het kernbedrijf van de rapporterende instelling, d.w.z. bedragen verschuldigd aan leveranciers, belastingen, lonen, sociale premies enz.; Voorzieningen die verplichtingen ten opzichte van derden vertegenwoordigen, d.w.z. pensioenen, dividenden enz.; Netto posities uit hoofde van effectenuitleen zonder liquide onderpand; Te betalen bedragen uit hoofde van toekomstige afrekeningen van effectentransacties; Bij SPV s: tegenposten voor waarderingsverschillen tussen de nominale waarde en aankoopprijs van leningen; Te betalen bedragen uit hoofde van tussenrekeningen en van overlopende posten; 39

40 Waarvan: te betalen rente op leningen en effecten Rapporteurs moeten de nog te betalen rente op ontvangen leningen en deposito s en op de eigen uitgegeven effecten verantwoorden onder overige passiva en onder de daarvoor bestemde waarvanpost, te betalen rente op leningen en effecten. De nog te betalen rente is het totaal van de tot op dat moment opgelopen rentevergoedingen (dus niet alleen de in de betreffende verslagmaand aangegroeide rente) die de rapporteur aan zijn crediteuren inclusief eigen MFI-entiteiten te betalen heeft Waarvan: short posities in participatiebewijzen in GMF s Waarvan: shortposities in aandelen Waarvan: shortposities in schuldpapier Onder short posities in effecten worden verkochte effecten verstaan die zijn ingeleend van een derde partij met de intentie om de effecten op termijn in de markt terug te kopen om ze vervolgens aan de uitlener van de effecten terug te geven. Met het short gaan in effecten wordt getracht van een neergaande markt (dalende koersen) te profiteren. Volgens de ECB-wetgeving moeten short posities worden verantwoord als negatieve activa onder de post aangehouden aandelen, aangehouden schuldpapier of aandelen/participaties uitgegeven door GMF s (al naar gelang het instrument waarin wordt short gegaan). De keuze die DNB eerder bood om de short posities te rapporteren onder overige passiva en onder de bijbehorende waarvan-post onder overige passiva, vervalt. Deze post in e-line zal voortaan leeg moeten blijven. In onderling overleg met de rapporteur zal DNB bij deze overgang in de praktijk maatvoering toepassen Totaal passiva Deze post bevat de som van alle posten aan de passiefzijde van de MFI balans. 40

41 Sectorindeling Algemeen In deze paragraaf worden de sectoren nader beschreven. Allereerst worden hieronder de verschillende sectoren afzonderlijk uiteengezet. Daarna is een schema Sectorclassificatie opgenomen waarin verbanden worden gelegd tussen de SE-indeling en -codering met de sectorindeling volgens de meest recente versie van de Standaard Bedrijfs Indeling (SBI 2008) zoals die ook door het CBS gehanteerd wordt in diverse bedrijfsstatistieken. In dit schema is tevens nog een verwijzing opgenomen naar de indeling volgens het Europees Stelsel van Rekeningen. Op e-line DNB staat een excel-bestand Sectortoekenning Nederlandse Overheid. Hierin zijn alle individuele overheidsinstellingen opgenomen met een indicatie van de indeling naar sector tegenpartij. Het eerste tabblad bevat een onderverdeling naar Centrale Overheid (Rijk, Universiteiten, Publieksrechtelijke bedrijfsorganisaties en Centrale instellingen zonder winstoogmerk), Lokale Overheid (Gemeentes, Gemeenschappelijke Regelingen, Provincies, Waterschappen, Speciaal onderwijs en Lokale instellingen zonder winstoogmerk) en Sociale fondsen. Voor een verdere toelichting en onderverdeling naar verschillende sectoren kan bovendien de ECB Sector Manual worden geraadpleegd via: Dit document bevat gedetailleerde richtlijnen voor de indeling naar sectoren en een paragraaf specifiek voor Nederland en Nederlandse instellingen, waarbij voor alle sectoren ook voorbeelden zijn genoemd. De belangrijkste bevindingen hieruit zullen in de onderstaande sectorbeschrijvingen worden aangehaald. Sectoromschrijvingen 1000 Totaal MFI s MFI is de afkorting voor een Monetaire Financiële Instelling. Een MFI is een ingezeten kredietinstelling zoals gedefinieerd in het gemeenschapsrecht, of een andere ingezeten financiële instelling die zich toelegt op het aantrekken van deposito s en/of nauwe substituten van deposito s van andere instellingen dan MFI s en op het voor eigen rekening (althans in economische zin) verstrekken van kredieten en/of beleggen in effecten. De MFI-sector omvat vier subsectoren: Samenstelling MFI-sector Monetaire Financiële Instellingen (MFIs) Centrale bank Overige MFIs (OMFIs) Kredietinstellingen Geldmarktfondsen Overige instellingen 41

42 Voor MFI s gevestigd in de Europese Unie geldt dat deze in de zogenaamde list of MFI s van de ECB dienen te zijn opgenomen Centrale bank Betreft de nationale centrale bank van het betreffende land Kredietinstellingen Onder een kredietinstelling zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, van Richtlijn NL Publicatieblad van de Europese Unie L 15/ /48/EG van het Europees Parlement en de Raad valt (1) een onderneming waarvan de werkzaamheden bestaan uit het in ontvangst nemen van deposito s of van andere terugbetaalbare gelden afkomstig van het publiek en het verlenen van kredieten voor eigen rekening, (2) een instelling voor elektronisch geld in de zin van Richtlijn 2000/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het bedrijfseconomisch toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld (2), en (3) overige MFI s, dat wil zeggen andere ingezeten financiële instellingen die voldoen aan de definitie van MFI, ongeacht de aard van hun activiteiten. De mate waarin de door deze laatste instellingen uitgegeven financiële instrumenten substituten vormen voor bij kredietinstellingen geplaatste deposito s, bepaalt hun classificatie, mits zij ook in andere opzichten aan de definitie van MFI voldoen. In het geval van instellingen voor collectieve belegging, voldoen geldmarktfondsen aan de overeengekomen voorwaarden voor liquiditeit en worden derhalve ook gerekend tot de MFI-sector Kredietinstellingen binnen eigen concern Hierop dienen alle posities gerapporteerd te worden die banken hebben met andere kredietinstellingen binnen het eigen concern. Dit zullen per definitie buitenlandse kredietinstellingen (binnen het eigen concern) zijn aangezien de binnenlandse kredietinstellingen binnen het eigen concern al deel uitmaken van de consolidatiegrondslag van het binnenlandse MFI-bedrijf (en in de rapportage dient te worden meegeconsolideerd). De afweging of een kredietinstelling binnen- of buiten eigen concern is dient te worden gemaakt op basis van de consolidatiegrondslag van de geconsolideerde rapportage van de moederinstelling (zie bijvoorbeeld de landenrisicorapportage, 8023). Als twee juridisch zelfstandige kantoren van een moederconcern in de geconsolideerde rapportages (zoals de landenrisicorapportage) binnen dezelfde consolidatiegrondslag vallen, gelden posities tussen deze twee kantoren als posities op kredietinstellingen binnen eigen concern Kredietinstellingen buiten eigen concern De kredietinstellingen buiten eigen concern betreffen kredietinstellingen waarmee de rapporterende instelling een positie kan hebben, niet vallende onder sector

43 1130 Geldmarktfondsen en overige instellingen Het totaal van geldmarktfondsen en overige MFI instellingen zoals beschreven onder de sectoren 1131 en Geldmarktfondsen Geldmarktfondsen zijn in dit kader gedefinieerd als beleggingsinstellingen: waarvan, in termen van liquiditeit, de aandelen/participaties nauwe substituten voor deposito s vormen, en die voornamelijk (d.w.z. ten minste 85% van de beleggingsportefeuille) beleggen in geldmarktinstrumenten en/of in aandelen/participaties van geldmarktfondsen en/of in andere overdraagbare schuldinstrumenten met een resterende looptijd tot en met één jaar, en/of in bankdeposito s, en/of; die een rendementsniveau nastreven dat dichtbij de rente op geldmarktinstrumenten ligt. Binnen het eurogebied gevestigde geldmarktfondsen die aan deze kwalificaties voldoen, zijn opgenomen in de lijst van MFI s Overige MFI-instellingen MFI's exclusief nationale centrale banken, kredietinstellingen en geldmarktfondsen Totaal overheid en private sector Het betreft hier het totaal van de instellingen vallende onder Overheid (sector 2100) en private sector (sector 2200) Overheid Ingezeten eenheden met als hoofdfunctie het voortbrengen van niet-marktgoederen en -diensten bestemd voor individueel of collectief gebruik en/of de herverdeling van het nationale inkomen en het nationale vermogen. De overheid kent een uitsplitsing in vier subsectoren: centrale overheid, overige overheid, deelstaatoverheid en lagere overheid Centrale overheid De centrale overheid omvat bestuursinstellingen van de staat en andere centrale instellingen waarvan de bevoegdheid zich over het gehele economische gebied uitstrekt, met uitzondering van het beheer van wettelijke sociale verzekeringsinstellingen. Onder de centrale overheid vallen het Rijk, universiteiten, publieksrechtelijke bedrijfsorganisaties en centrale instellingen zonder winstoogmerk. Op e-line DNB staat een excel-bestand Sectortoekenning Nederlandse Overheid waarin de sectortoekenning van de centrale overheid wordt beschreven. 43

44 Hebben MFI s posities met internationale organen als de OECD, de NATO en de OPEC dan dienen zij die posities als hoofdregel te rubriceren onder Centrale Overheid rest van de wereld. In de ECB Sector Manual (http://www.ecb.int/pub/pdf/other/mfimarketstatisticssectormanual200703en.pdf) staat een lijst van internationale organen. Er bestaan echter uitzonderingen op deze regel voor dié organen die een vorm van bancaire activiteiten ondernemen, (voorbeelden: IMF, BIS). Deze vallen onder MFI s rest van de wereld. Classificatie Europese Investeringsbank (EIB) Naar aanleiding van besluitvorming binnen het ESCB dient de Europese Investeringsbank (EIB) t.b.v. de minimumreserverapportage met ingang van de rapportages over ultimo juni 2009 geclassificeerd te worden als 'kredietinstelling' in het 'eurogebied' i.p.v. als 'internationaal orgaan' (in 'rest van de wereld'). Hiervoor is een aparte variant in e-line gecreëerd. Dit betekent dat de posities met EIB in formulieren 9001 en 9011 niet meer dienen te worden gerapporteerd onder internationale organen in variant 1911 (landcode 5J), maar in de daarvoor bestemde variant 0914 (landcode XF), te classificeren in de sector 'kredietinstellingen' (9001) of 'MFI s' (9011). De 'List of MFI s, subject to minimum reserves', zoals gepubliceerd op de ECB-website, is hiervoor aangepast en de EIB is hierin ook opgenomen. Deze List of MFI s dient als basis voor de classificatie van MFI-tegenpartijen in het eurogebied. Classificatie van enkele andere bekende internationale organen: - European Financial Stabilisation Facility (EFSF) - Deze instelling is een overige financiële instelling (OFI) in Luxemburg en vormt dus ook een uitzondering op de lijst met internationale organen. - ECB: MFI in Duitsland - IMF: MFI in de Verenigde Staten - BIS: MFI in Zwitserland. - ESM: OFI met als tegenpartij internationaal orgaan binnen de EU (4Z) In geval van twijfel over de juiste classificering van een internationale instelling kan contact worden gezocht met DNB Overige overheid Tot de overige overheid behoren alle overheidsinstellingen niet vallende onder de centrale overheid. Bedoeld worden deelstaatoverheden, lagere overheden en wettelijke sociale verzekeringsinstellingen Deelstaatoverheid Afzonderlijke institutionele eenheden die bepaalde overheidsfuncties op een lager niveau dan de centrale overheid en op een hoger niveau dan de lagere overheid uitoefenen, met uitzondering van het beheer van wettelijke sociale verzekeringsinstellingen worden omschreven als deelstaatoverheid. Deze 44

45 sector is slechts voor een aantal landen van toepassing waaronder België, Duitsland, Spanje, Portugal en Oostenrijk Lagere overheid Tot de lagere overheid behoren instellingen van openbaar bestuur waarvan de bevoegdheid zich slechts tot een lokaal gedeelte van het economische gebied uitstrekt, met uitzondering van het beheer van de plaatselijke wettelijke sociale verzekeringsinstellingen Wettelijke sociale verzekeringsinstellingen Wettelijke sociale verzekeringsinstellingen zijn institutionele eenheden op centraal, deelstaat- en lokaal niveau waarvan de hoofdactiviteit bestaat uit het verstrekken van sociale uitkeringen Private sector Totaal van alle instellingen niet vallende onder de sectoren MFI s en overheid Overige financiële instellingen Onder overige financiële instellingen zijn begrepen alle financiële instellingen met uitzondering van MFI's, verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen begrepen. Voorbeelden hiervan zijn gespecialiseerde financiële instellingen zoals beleggingsinstellingen, SPV's, leasemaatschappijen, risicokapitaal- en ontwikkelingskapitaalmaatschappijen (zoals participatiemaatschappijen), holdings die uitsluitend het beheer en de leiding hebben over een groep dochterondernemingen met de hoofdfunctie financiële intermediatie en/of het verlenen van financiële hulpdiensten (financiële holdings), vermogensbeheerders, assurantietussenpersonen, effectenmakelaars en effectenbeursinstellingen. Merk hierbij op dat holdings boven financiële instellingen dus worden toegerekend aan de sector OFI, maar dat holdings boven niet-financiële ondernemingen worden toegerekend aan de sector nietfinanciële bedrijven. In een aantal rapportage formulieren wordt de sector overige financiële instellingen (2210) verder uitgesplitst naar centrale tegenpartijen (2211), SPV s (2212) en overige OFI s (2213). In onderstaand kader volgt een overzicht van enkele 'bekende' tegenpartijen die onder de sector OFI vallen, maar waar dat uit de naam niet snel duidelijk is. Selectie belangrijke Overige Financiële Instellingen Naam Achmea Holding NV Aegon NV Allianz Nederland Groep NV AXA Nederland BV Coöperatie Univé UA De Goudse NV Type Holding Holding Holding Holding Holding Holding 45

46 Delta Lloyd NV EFSF Eureko BV Fortis NV Generali Verzekeringsgroep NV ING Groep NV ING Verzekeringen NV NIBC Holding NV Reaal Verzekeringen NV SNS Reaal NV Altera Vastgoed NV Stichting Beheer SNS Reaal Vereniging Achmea Vereniging Aegon Vesteda Groep BV RFS Holdings BV LASER NEDERLAND BV RIBANK NV BNP PARIBAS PERSONAL FINANCE BV ING Real Estate (B) B.V. Rabo Merchant Bank N.V. Obvion N.V. ING Lease Holding N.V. Interadvies N.V. Quion 9 BV Fortis GSLA BV De Lage Landen Trade Finance B.V. Fortis Commercial Finance Holding NV Holding Internationaal orgaan Holding Holding Holding Holding Holding Holding Holding Holding Financieel hulpbedrijf/auxiliary Financieel hulpbedrijf/auxiliary Financieel hulpbedrijf/auxiliary Financieel hulpbedrijf/auxiliary Financieel hulpbedrijf/auxiliary Financieel hulpbedrijf/auxiliary Financieringsmaatschappij Financieringsmaatschappij Financieringsmaatschappij Overige niet-mfi's Financiële intermediairs Financiële intermediairs Financiële leasing Overige niet-mfi's Financiële intermediairs Financiële intermediairs Financiële intermediairs Financiële intermediairs 2211 Centrale tegenpartijen (CCP) Een centrale tegenpartij (CCP) is een entiteit die zichzelf juridisch tussen tegenpartijen plaatst bij contracten die op financiële markten worden verhandeld, en daarbij de koper wordt voor elke verkoper en de verkoper voor elke koper. Een actuele uitputtende lijst van CCP's is te vinden op de volgende website van de Europese Commissie: Banken die tevens clearing member zijn, zoals bijvoorbeeld Euroclear Bank, zijn weliswaar aangesloten bij clearinginstellingen maar zelf geen CCP s. Hetzelfde geldt ook voor banken die settlement instelling zijn Special purpose vehicles (SPV's) (Zie ook Deel 3) Een vehikel dat in het kader van een securitisatietransactie activa en/of kredietrisico overneemt en effecten, eenheden van securitisatiefondsen, andere schuldbewijzen en/of financiële derivaten uitgeeft dan wel eigenaar is van onderliggende activa. De SPV is gevrijwaard van het risico van faillissement of een andere vorm van in gebreke blijven van de originator. 46

47 Niet tot de SPV s behoren: MFI s in de zin van artikel 1 van Verordening (EG) nr. 25/2009 (ECB/2008/32); beleggingsinstellingen in de zin van artikel 1 van Verordening (EG) nr. 958/2007 van de Europese Centrale Bank van 27 juli 2007 houdende statistieken betreffende de activa en passiva van beleggingsfondsen. zogeheten Covered Bond Companies waaraan het onderpand bij uitgegeven covered bonds (gedekte obligaties) kan worden overgedragen of is overgedragen. Rentebetaling en aflossing van deze effecten zijn directe, onvoorwaardelijke verplichtingen van de orginator. instellingen die hoofdzakelijk handelen als eerste kredietverstrekker ( first lender ) en zelf de leningen creëren (derhalve niet overnemen van een eerdere kredietverlener). -Voor binnen het eurogebied gevestigde SPV s kan de lijst van Financial vehicle corporations worden geraadpleegd op de website van de ECB, zie de volgende link: OFI's exclusief CCP en SPV's Overige financiële instellingen exclusief de centrale tegenpartijen en special purpose vehicles. Het EFSF valt onder 2213 (zie boven Classificatie van enkele andere bekende internationale organen) 2220 Verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen Verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen worden gedefinieerd als financiële vennootschappen en quasi-vennootschappen met als hoofdfunctie financiële intermediatie ten gevolge van risicospreiding. Het betreft hier zowel onder toezicht -, als niet onder toezicht staande pensioenfondsen en verzekeringsinstellingen. Bij verzekeringsinstellingen kan met name gedacht worden aan levens -, schade- en herverzekeringsmaatschappijen als ook aan spaar- en jaarkassen. Tevens behoren daartoe particulier georganiseerde sociale verzekeringsinstellingen, die sociale verzekeringsregelingen uitvoeren die buiten de invloedsfeer van de overheid vallen. Holdings van verzekeringsinstellingen die zelf geen verzekeringsactiviteiten uitvoeren, vallen niet onder deze sector maar onder de sector Overige financiële instellingen (2213) Niet-financiële bedrijven Niet-financiële bedrijven zijn vennootschappen en quasi-vennootschappen die zich niet bezighouden met financiële intermediatie, maar waarvan de hoofdfunctie bestaat uit het produceren van marktgoederen en niet-financiële diensten. In geval van vennootschappen met diverse bedrijfsactiviteiten wordt de sectortoekenning bepaald door de handelsactiviteit waarmee minimaal 50% van de toegevoegde waarde wordt behaald. Daarnaast gelden de volgende specifieke regels omtrent bekende twijfelgevallen: 47

48 Kasgeldvennootschappen maken geen deel uit van niet-financiële bedrijven, maar van OFI's (2213). Bij het ontstaan van een kasgeldvennootschap vanuit een niet-financieel bedrijf dient een herclassificatie plaats te vinden. Holdings of andere controlerende vennootschappen worden toegerekend aan de sector nietfinanciële bedrijven als minimaal 50% van de toegevoegde waarde van de diverse dochterondernemingen wordt behaald door activiteiten die bestaan uit de productie van goederen of niet-financiële diensten. Indien minder dan 50% toegevoegde waarde: toerekenen aan OFI s (2213). Niet-financiële bedrijven zijn verder onder te verdelen in niet-financiële particuliere bedrijven en nietfinanciële publieke bedrijven Niet-financiële particuliere bedrijven Alle private instellingen, instituten of fondsen die zich bezighouden met niet-financiële dienstverlening of met de productie van goederen, met als oogmerk het maken van winst, dienen onder deze kolom te worden gerubriceerd. Hieronder vallen onder andere alle beursgenoteerde bedrijven (met uitzondering van OFI s, zie boven), overige BV s, firma s en particuliere NV s (meer dan 50% particulier bezit). Ook woningbouwcorporaties en private ziekenhuizen worden gezien als nietfinanciële particuliere bedrijven Niet-financiële publieke bedrijven Alle publieke instellingen, instituten of fondsen die zich bezighouden met niet-financiële dienstverlening of met de productie van goederen, met als oogmerk het maken van winst, dienen onder deze kolom te worden gerubriceerd. Hieronder vallen alle ondernemingen met meer dan 50% publiek/overheids bezit, zoals spoorwegen, luchthavens, publieke ziekenhuizen en dergelijke Huishoudens Personen of groepen van personen, in de hoedanigheid van consument en in de hoedanigheid van producent van goederen en niet-financiële diensten voor uitsluitend eigen consumptie, alsook in de hoedanigheid van producent van marktgoederen en niet-financiële en financiële diensten mits hun activiteiten niet worden uitgeoefend door quasi-ondernemingen. De sector omvat tevens instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens, met als hoofdfunctie de productie van nietmarktgoederen en -diensten bestemt voor bepaalde groepen huishoudens, zoals kerken, stichtingen en verenigingen. Kleine zelfstandigen, ZZP-ers enz. vallen tevens onder de sector Huishoudens voor zover ze aan de beschrijving van eenmanszaken en personenvennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid (subsector van huishoudens, Europees Stelsel van Rekeningen 1995, paragraaf 2.76d) voldoen, gedefinieerd 48

49 als Eenmanszaken en personenvennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid of onafhankelijke juridische status... en die tot de marktproducenten behoren. Hiertoe behoren bedrijven zonder rechtspersoonlijkheid, (personenvennootschappen van) zelfstandige advocaten, artsen enz. In het geval van eenmanszaken is het bedrijf onlosmakelijk verbonden met de natuurlijke persoon of personen die er eigenaar van is of zijn en alle rechten en verplichtingen die voortvloeien uit het bedrijf en de particuliere sfeer, in zich verenigt of verenigen. Elk natuurlijk persoon kan een onderneming drijven. Bij een 'natuurlijk persoon' is er geen scheiding van aansprakelijkheid tussen persoon en bedrijf en in geval van bijvoorbeeld faillissement komt de schuld van het bedrijf rechtstreeks terecht bij de (natuurlijke) persoon en kan op deze persoon verhaald worden. Naast de natuurlijke persoon bestaat de niet-natuurlijke persoon (juridische term: rechtspersoon) in de vorm van bijvoorbeeld een NV of BV. Zowel de natuurlijke als de nietnatuurlijke persoon kan personeel in loondienst hebben. Onder bovenstaande definitie uit de wet vallen alle natuurlijke personen, d.w.z. rechtsvormen zonder rechtspersoon. Het gaat daarbij om Eenmanszaken, Maatschappen, Commanditaire Vennootschappen (CV) en Vennootschappen Onder Firma (VOF). Dit zijn allen natuurlijke personen en deze vallen daarmee in principe onder huishoudens. CV s nemen hierbij een bijzondere plaats in omdat deze, al naar gelang de activiteiten van de CV, ook kunnen worden geclassificeerd onder de sector niet-financieel bedrijf. DNB verzoekt de rapporteurs met haar contact te leggen indien zij een omvangrijke CV met een bedrijfsmatig karakter in de boeken hebben. Een eenmanszaak is per definitie altijd een natuurlijk persoon. Een eenmanszaak zegt dus iets over de rechtsvorm, maar niet over het aantal personeelsleden: een eenmanszaak kan meerdere personen in loondienst hebben. Eenmanszaken vallen onder huishoudens. Voorbeelden van eenmanszaken, met of zonder personeel: de kleine slager, de kleine boetiek enz. worden heel vaak als eenmanszaak gevoerd en kunnen daarbij ook personeel hebben. Als een slager echter zijn activiteiten uitoefent in de vorm van een BV (rechtsvorm met rechtspersoon), is dat dus geen eenmanszaak. Freelancers of Zelfstandigen Zonder Personeel (zzp'ers): De meeste zzp'ers opereren vanuit een eenmanszaak en vallen om die reden dus onder de huishoudens. Vrije beroepsbeoefenaren (zoals advocaten, notarissen, huisartsen, medisch specialisten, kunstenaars, tandartsen, accountants enz.) vallen ook onder huishoudens, tenzij ze hun activiteiten vanuit een rechtspersoon ontplooien Totaal sectoren Deze post betreft het totaal van alle instellingen vallende onder de sectoren MFI s, overheid en private sector. 49

50 9998 Niet toe te rekenen Onder deze sector dienen balansposten te worden verantwoord die niet naar een bepaald land of sector kunnen worden toegerekend Totaal generaal Totaal generaal omvat het totaal van alle sectoren (9000) inclusief het niet toe te rekenen deel (9998). 50

51 SBI2008 actueel Schema sectorclassificatie Omschrijving Nadere uitsplitsing Institution ele sector Eventuele uitsplitsing 12 SE-codering 6411 Centrale banken S (Centrale bank) Overige monetaire financiële instellingen S (Kredietinstellingen), 1130 (GMF s + overige instellingen) Financiële holdings S.123 S.123C 2213 (OFI s ex CCP/SPV) Beleggingsfondsen S.123 S.123A 2213 (OFI s ex CCP/SPV) Overige OFI S.123 S.123C 2211 (CCP), 2212 (SPV), 2213 (OFIs ex CCP/SPV) 66.. Financiële hulpbedrijven 65 Verzekeringsinstelling -en en pensioenfondsen 84 en 85 Rest Overheid Met rechtspersoon S (OFI s ex CCP/SPV) Zonder rechtspersoon S (OFI s ex CCP/SPV) Verzekeringsinstellingen S.125 S.125A 2220 Pensioenfondsen S.125 S.125B 2220 Zie excel-bestand Sectortoekenning Nederlandse Overheid Zie excel-bestand Sectortoekenning Nederlandse Overheid Eenmanszaak, rederij, maatschap, samenwerkingsovereenkomst, VOF, commanditaire (vennootschap), NV of BV in oprichting Vereniging, kerk, stichting Overig S.1311 S.1313 S.1314 S.1311 S.1313 S (Centrale overheid), 2122 (Lagere overheid), 2123 (Sociale fondsen) 2110 (Centrale overheid), 2122 (Lagere overheid), 2123 (Sociale fondsen) S.1A S (Huishoudens) Zonder marktoutput S.1A S (Huishoudens) Overheidsbedrijf, niet genoemd in overheidsbestand S.1101 nietfinancieel overheidsbedrijf Overig S.1102 nietfinancieel particulier bedrijf 2242 (Niet financiële publieke bedrijven) 2241 (Niet financiële particuliere bedrijven) S.121 Centrale banken S.122 Overige monetaire financiële instellingen S.125 Verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen S.125A Verzekeringsmaatschappijen S.125B Pensioenfondsen S.124 Financiële hulpbedrijven S.123A Beleggingsinstellingen S.123C Overige OFI S.1311 Centrale overheid S.1313 Lagere overheid S.1314 Wettelijke sociale verzekeringsinstellingen S.14 Huishoudens S.15 Instellingen zonder winstoogmerk S.1A S.14 + S.15 S.1101 Niet-financiële vennootschappen, in handen van de overheid S.1102 Overige niet-financiële vennootschappen 12 Deze kolom is extra toegevoegd, is niet nodig voor SE-staten. 13. betekent hier: alle digits die op deze positie voorkomen 51

52 Deel 3: Rapportages over securitisaties (en overige overdrachten) door MFI s en SPV s Inleiding In de SE-rapportage moeten gegevens over securitisaties (en overige overdrachten) en over in Nederland gevestigde SPV s worden verstrekt. De te verstrekken gegevens zijn opgenomen in drie formulierensets: maandformulier 9013 (inbegrepen in de set van formulier 9001 ); hierop moeten op maandbasis gegevens worden gerapporteerd over leningen die vanuit de balans van het binnenlands MFIbedrijf via een zogeheten true sale (ofwel traditionele)-constructie worden gesecuritiseerd of anderszins worden overgedragen (maar niet via een synthetische securitisatie); kwartaalformulier 9013 (inbegrepen in de set van formulier 9021); hierop moeten op kwartaalbasis gegevens worden gerapporteerd over leningen die vanuit de balans van het binnenlands MFIbedrijf via een zogeheten true sale (ofwel traditionele)-constructie worden gesecuritiseerd of anderszins worden overgedragen (maar niet via een synthetische securitisatie); kwartaalformulier 7001; hierop moeten op kwartaalbasis aanvullende gegevens worden gerapporteerd over de volledige balans van Nederlandse SPV s. Dit omvat dan niet alleen de aanvullende balansgegevens voor SPV s met true sale -securitisaties, maar ook alle SPVgegevens voor synthetische en eventuele overige securitisaties. SPV s die ook een zogeheten Bijzondere Financiële Instelling (zie paragraaf Definities en voorschriften onder SPV s die ook een BFI zijn ) zijn, maar geen activa hebben overgenomen vanuit het Nederlandse MFI-bedrijf, moeten niet mee worden gerapporteerd. Als een BFI-SPV wel activa overneemt vanuit het Nederlandse MFI-bedrijf moet die wel worden meegenomen (mede vanwege de consistentie met de 9013-rapportage). Hieronder wordt eerst een definitie gegeven van de voor deze formulierensets toepassing zijnde begrippen SPV en securitisatie. Vervolgens wordt de samenhang tussen 9013 en 7001 toegelicht. Daarna wordt afzonderlijk ingegaan op de formulieren. Definitie van SPV en securitisatie Voor rapportage van gegevens over securitisaties op 9013 en 7001 gelden de onderstaande definities van SPV en securitisatie. 52

53 SPV Een vehikel dat in het kader van een securitisatietransactie activa en/of kredietrisico overneemt en effecten, eenheden van securitisatiefondsen, andere schuldbewijzen en/of financiële derivaten uitgeeft dan wel eigenaar is van onderliggende activa. De SPV is gevrijwaard van het risico van faillissement of een andere vorm van in gebreke blijven van de originator. Niet tot de SPV s behoren: MFI s in de zin van artikel 1 van Verordening (EG) nr. 25/2009 (ECB/2008/32); beleggingsinstellingen in de zin van artikel 1 van Verordening (EG) nr. 958/2007 van de Europese Centrale Bank van 27 juli 2007 houdende statistieken betreffende de activa en passiva van beleggingsfondsen. zogeheten Covered Bond Companies waaraan het onderpand bij uitgegeven covered bonds (gedekte obligaties) kan worden overgedragen of is overgedragen. Covered bonds worden namelijk geëmitteerd door banken. Rentebetaling en aflossing van deze effecten zijn directe, onvoorwaardelijke verplichtingen van de orginator ; instellingen die hoofdzakelijk handelen als eerste kredietverstrekker ( first lender ) en zelf de leningen creëren (derhalve niet overnemen van een eerdere kredietverlener). Als bij een securitisatieprogramma meerdere ondernemingen betrokken zijn, bijv. in geval van afzonderlijke issuing en asset purchasing companies of master-trust structuren, dan wordt in het kader van deze rapportage elk van deze ondernemingen als SPV aangemerkt. Securitisatie Een techniek waarbij een activum of een pool van activa door een originator wordt overgedragen aan een afgescheiden entiteit en/of het kredietrisico daarvan wordt overgedragen door middel van uitgifte van effecten, eenheden van securitisatiefondsen, andere schuldbewijzen, financiële derivaten en/of andere gelijkwaardige mechanismen. Niet tot securitisaties worden gerekend transacties waarbij sprake is van uitgifte van covered bonds door banken; Voor een volledige definitie van SPV en securitisatie wordt verwezen naar artikel 1 van ECB- Verordening (EG) Nr. 24/2009 over de verzameling en opstelling van statistieken betreffende activa en passiva van Special purpose vehicles (SPV's) die securitisatietransacties verrichten (ECB/2008/30), zie annex. Samenhang tussen 9013 en 7001 Op 9013 moeten data (stromen en standen) over gesecuritiseerde leningen worden gerapporteerd voorzover deze vanuit het binnenlandse MFI-bedrijf in principe een afstoting aan dan wel terugname 53

54 van een SPV inhouden. Dit betreft in hoofdzaak leningen die in het kader van een true sale transactie (daadwerkelijke overdracht, ook wel traditioneel genoemd) worden gesecuritiseerd. Leningen die in andere securitisatieconstructies daadwerkelijk worden overgedragen en van de MFI-balans worden verwijderd, behoren hier ook toe. Leningen die d.m.v. een synthetische securitisatie worden gesecuritiseerd vallen hier echter niet onder, omdat leningen daarbij niet worden afgestoten (alleen de kredietrisico s) maar op de MFI-balans blijven staan. De op 9013 gerapporteerde standgegevens over gesecuritiseerde leningen die door het binnenlandse MFI-bedrijf aan Nederlandse SPV s zijn overgedragen, worden gebruikt voor de opstelling van de SPV-statistiek. De benodigde aanvullende gegevens worden op 7001 opgevraagd. Dit betreft met name data over gesecuritiseerde leningen die afkomstig zijn van een andere originator dan het binnenlandse MFIbedrijf, overige balansposten voor de SPV s met een true sale -karakter (voor zowel standen als transacties) en alle posten voor SPV s met een synthetische en overige securitisatieconstructie (voor zowel standen als transacties). In onderstaande figuur is de samenhang tussen de gevraagde gegevens over securitisaties op 9013 en over SPV s op 7001 grafisch weergegeven. Samenhang 9013 (securitisaties) en 7001 (SPV) Maandrapportage securitisaties (9013) Securitisaties (true sale) 9013 BUIT SPV - standen/stromen NL SPV - stromen Gesecuritiseerde leningen (afgestoten) door NL MFI NL SPV - standen Kwartaalrapportage SPV s (7001) NL SPV 7001 Volledige balans, m.n.: - Gesecuritiseerde leningen door andere dan NL MFI - Transacties gesecuritiseerde leningen - Overige posten Ook voor synthetische en overige securitisaties Samenhang tussen 9001 en 9013 De samenhang tussen de verschillende rapportage formulieren kunnen het beste inzichtelijk worden gemaakt door een z.g.n. reconciliatieoverzicht. Hierin wordt schematisch aangegeven hoe de stand van een balanspost zich gedurende een rapportageperiode ontwikkeld. Oftewel wat is de beginstand van een balanspost, welke stroomcomponenten hebben invloed op deze stand en tot welke eindstand resulteert dit. 54

55 Voorbeeld 1: De reconciliatie van woninghypotheken op de MFI balans. Alle elementen die van invloed zijn op de stand van woninghypotheken worden separaat onderscheiden; gerapporteerde data in de formulieren 9001, 9003 en 9013 worden hiermee in samenhang beoordeeld met uiteindelijk de transactie als resultante (kolom 8). Deze transactie bestaat uit het saldo van eventueel nieuwe verstrekte woninghypotheken door de MFI en aflossingen door de huishoudens. Voorbeeld 2: De reconciliatie van woninghypotheken op de SPV balans die voor de MFI worden beheerd. Alle elementen die van invloed zijn op de stand van woninghypotheken bij de MFI worden separaat onderscheiden; gerapporteerde data in het formulier 9013 (Hoofdkenmerk 1 en 3) worden hiermee in samenhang beoordeeld met uiteindelijk de transactie als resultante (kolom 5). Relatie tussen 9001 en 9013 m.b.t. derecognized/not derecognized In de SE-rapportages moeten de gegevens over gesecuritiseerde leningen aansluiten bij de jaarrekening van het MFI-bedrijf. Hierbij moet het gaan om de enkelvoudige (vennootschappelijke) jaarrekening en niet om de geconsolideerde jaarrekening van het concern waarvan de MFI eventueel onderdeel van uitmaakt. Als in de enkelvoudige jaarrekening de gesecuritiseerde leningen 'not derecognized' zijn, moet dit ook gelden voor de gegevens in de formulieren 9013 en De systematiek voor gesecuritiseerde leningen wordt in onderstaande tabel weergegeven. 55

56 Rapportage van gesecuritiseerde leningen Rapportage op formulier als derecognised (met effect op MFI-balans) (van balans verwijderd) als not derecognised (zonder effect op MFI-balans) (niet van de balans verwijderd) 9001 nee ja 9013 HK1: stromen* HK3: standen HK2: stromen HK4: standen * Betreft bruto stromen: verkopen en terugkopen in kader van securitisaties 56

57 Formulier 9013 Titel MFI securitisaties standen en stromen - hoofdkenmerk 1 Bruto-stromen met effect op de MFI-balans (verkoop / terugkoop) - hoofdkenmerk 2 Netto-stromen zonder effect op de MFIbalans - hoofdkenmerk 3 Standen bij SPV s van door de MFI gesecuritiseerde leningen die van de MFIbalans zijn verwijderd - hoofdkenmerk 4 Standen van gesecuritiseerde leningen die niet van de MFI-balans zijn verwijderd. Voor de toepassing van dit rapportageformulier betekent verwijdering uit de balans de verwijdering van een lening of een deel daarvan uit de overeenkomstig in 9001HK1 gerapporteerde standen. Rapportage populatie Grootste banken en kleinere banken met securitisaties Frequentie Maand voor grootste banken Kwartaal voor kleinere banken met securitisaties Inzendtermijn 11 e /12 e werkdag na afloop van de verslagperiode Inleiding Wanneer vanuit de balans van het binnenlands MFI-bedrijf leningen worden gesecuritiseerd of anderszins worden overgedragen, heeft dit een invloed op de ontwikkeling van balansposten in de monetaire statistiek. Om de effecten van securitisaties/overdrachten te kunnen monitoren en deze cijfers in de monetaire statistiek te kunnen schonen voor deze transacties, worden stand- en stroomgegevens over gesecuritiseerde leningen gevraagd op formulier De standgegevens worden tevens gebruikt voor de opstelling van de statistiek over Nederlandse SPV s. 57

58 Alle gegevens op 9013 moeten worden uitgesplitst naar land en sector van de tegenpartij van de lening (leningnemer). Voor land van tegenpartij moeten de gegevens d.m.v. keuzemogelijkheden bij de variant land tegenpartij worden geclassificeerd naar Nederland, overig eurogebied en rest van de wereld. Voor de sector van de tegenpartij moet binnen deze landengroepen via de kolommen op het formulier de uitsplitsing worden gemaakt. Leningen die worden afgestoten tijdens de warehousing -fase in een securitisatie (wanneer de securitisatie nog niet voltooid is omdat effecten of soortgelijke instrumenten nog niet zijn uitgegeven) worden behandeld alsof ze al gesecuritiseerd zijn. Waarderingsvoorschriften voor 9013 De leningen op formulier 9013 moeten worden gerapporteerd tegen de uitstaande hoofdsom (nominale waarde). Dit geldt zowel voor de standen als de stromen. Eventuele afschrijvingen vóór de overdracht (maar niet herwaarderingen) dienen hierop in mindering te zijn gebracht. Bruto-stromen met effect op de MFI-balans (9013 HK1) In 9013HK1 dienen alleen transacties (securitisaties en overige overdrachten) te worden gerapporteerd met effect op de gerapporteerde standen van leningen op de MFI-balans. Niet in deze rapportage moeten worden meegenomen leningen (ongeacht aan welke leningnemer deze oorspronkelijk verstrekt zijn) die zijn overgedragen aan of verworven van een andere MFI, en leningen die worden overgedragen als resultaat van een fusie, overname of splitsing waarbij de rapporteur is betrokken. Transacties dienen analoog aan 9001HK1 te worden uitgesplitst naar land/sector van de tegenpartij (leningnemer) d.m.v. de variant land tegenpartij. Voor de berekening van de netto-stromen van deze transacties en de monitoring van de bruto-stromen dienen de transacties van leningen in twee bruto-componenten te worden gerapporteerd: bruto-verkoop (ook wel derecognition genoemd) en bruto-terugkoop (ook wel rerecognition genoemd). Deze twee componenten worden in e-line DNB in de variant bruto stroom gepresenteerd. Aflossingen op gesecuritiseerde leningen dienen niet als bruto stroom te worden gerapporteerd. In 9013HK1 dient tevens te worden aangegeven of er sprake is van overdracht naar een SPV en in welk land de SPV of overige tegenpartij (niet-spv) is gevestigd. D.m.v. de variant land (niet-) SPV wordt onderscheid gemaakt naar SPV s in het eurogebied (per euroland te rapporteren), SPV s buiten het eurogebied (rest van de wereld) en overige tegenpartijen (niet-spv s). Dit onderscheid is sluitend gemaakt. Dat wil zeggen: alle securitisaties/overdrachten van leningen met effect op de MFIbalans kunnen en moeten worden gerapporteerd (zonder waarvan -delen) en tellen per saldo op tot het totaal aan overdrachten/securitisaties in de betreffende rapportageperiode. 58

59 Samengevat: in 9013HK1 is sprake van drie varianten: (1) land tegenpartij, (2) verkoop/terugkoop en (3) land van vestiging (niet-)spv. 14 Voorbeeld 1 In februari 2011 verkoopt/securitiseert een Nederlandse MFI woninghypotheken ter waarde van 500 miljoen en draagt deze daadwerkelijk over aan een Luxemburgse SPV. De gesecuritiseerde activa betreffen woninghypotheken met een oorspronkelijke looptijd langer dan 5 jaar, verstrekt aan Nederlandse huishoudens. Hiervoor moet op 9013HK1 het volgende worden gerapporteerd: variant 1, land tegenpartij: Nederland variant 2, bruto-stroom: Bruto-verkoop van gesecuritiseerde of anderszins overgedragen leningen ('derecognition') variant 3, land (niet-)spv: SPV s in Luxemburg post , kolom 2250 TRA (woninghypotheken aan huishoudens met een looptijd > 5 jaar): 500. Deze transactie heeft invloed op de uitstaande woninghypotheken op de MFI-balans; zie onderstaande reconciliatie-overzicht, bekeken vanuit de MFI (figuur 1). Figuur 1 Bij de overdracht van de woninghypotheken van de MFI naar de SPV worden uiteraard de uitstaande bedragen aan woninghypotheken op de SPV-balans beïnvloed. Zie onderstaande reconciliatieoverzicht, bekeken vanuit de SPV (figuur2). 14 In het Handboek worden ook variantnummers gehanteerd. In e-line DNB zijn deze nummers niet zichtbaar, maar de volgorde waarop de varianten worden getoond, komt wel hiermee overeen. 59

60 Figuur 2 Voorbeeld 2 In maart 2011 koopt een Nederlandse MFI woninghypotheken met een oorspronkelijke looptijd langer dan 5 jaar terug ter waarde van 300 miljoen, die worden opgenomen op de MFI-balans. Het betreft woninghypotheken verstrekt aan Nederlandse huishoudens. De betreffende kredieten waren eerder gesecuritiseerd naar een Britse SPV. Hiervoor moet op 9013HK1 het volgende worden gerapporteerd: variant 1, land tegenpartij: Nederland variant 2, bruto-stroom: Bruto-terugkoop van eerder gesecuritiseerde of anderszins overgedragen leningen ('rerecognition') variant 3, land (niet-)spv: SPV s in Rest van de wereld post , kolom 2250 TRA (woninghypotheken aan huishoudens met een looptijd > 5 jaar): 300. De terugkoop is zichtbaar in de reconciliatie, bekeken vanuit de MFI (figuur 3) en vanuit de SPV (figuur 4). 60

61 Figuur 3 Figuur 4 Netto-stromen zonder effect op de MFI-balans (9013 HK2) In 9013HK2 dienen MFI s die IAS 39 of soortgelijke jaarrekeningregels in de SE-rapportage toepassen, transactiegegevens te rapporteren over leningen die zijn afgestoten maar die niet van de MFI-balans zijn verwijderd. Het gaat hier om true sale (ofwel traditionele) securitisaties die geen effect hebben op de gerapporteerde standen van leningen op de MFI-balans (ook wel not derecognition genoemd); deze securitisaties komen daarmee ook niet voor als een stroomcomponent 61

62 in de reconciliatie, bekeken vanuit de MFI (figuur 1). Transacties voortvloeiend uit synthetische securitisaties dienen hier dus niet te worden meegenomen. In tegenstelling tot 9013HK1, waar de netto-stromen gesplitst gerapporteerd worden naar twee brutocomponenten, dient in 9013HK2 een netto-stroom te worden gerapporteerd. Het gaat hier om het saldo van afstotingen en verwervingen die geen effect hebben op de gerapporteerde standen van leningen in 9001HK1, d.w.z. afstotingen die geen verwijdering uit de balans inhouden en verwervingen die geen opname of wederopname op de balans inhouden. Aflossingen op gesecuritiseerde leningen dienen niet in de netto-stroom te worden gerapporteerd. Formulier 9013 HK2 kent twee varianten: het land van de tegenpartij (leningnemer), wat dient te worden aangegeven in drie landengroepen: Nederland, Overig eurogebied en Rest van de wereld; het land van vestiging van de SPV of niet-spv: hierbij wordt onderscheid gemaakt naar SPV s in het eurogebied (per euroland te rapporteren), SPV s buiten het eurogebied (rest van de wereld) en overige tegenpartijen (niet-spv s). Uitgaande van de twee eerder genoemde voorbeelden van een securitisatie van 500 mln. (verkoop naar SPV) en terugkoop van 300 mln., maar aannemende dat deze niet van de MFI-balans zijn verwijderd, komen deze transacties terug in een separate reconciliatie van woninghypotheken bekeken vanuit de SPV, die woninghypotheken beheerd die niet van de MFI-balans zijn gehaald (figuur 5). Figuur 5 62

63 Standen bij SPVs van door de MFI gesecuritiseerde leningen die van de MFI-balans zijn verwijderd (9013HK3) In 9013HK3 dienen de uitstaande bedragen van door Nederlandse MFI s in securitisaties beheerde leningen bij SPV s te worden gerapporteerd. Dat wil zeggen dat de standen van gesecuritiseerde leningen uit hoofde van de zogenoemde derecognized securitisaties (zie 9013HK1) in 9013HK3 moeten worden gemeld (zie voor het verband tussen de stromen en de standen het reconciliatievoorbeeld, figuur 3). Het betreft hier standen van leningen die van de MFI-balans zijn verwijderd. In 9013HK3 is sprake van twee varianten: het land van de tegenpartij (leningnemer): Nederland, Overig eurogebied en Rest van de wereld; het land van vestiging van de betrokken SPV s; er dient onderscheid te worden gemaakt naar SPV s per euroland. Standen van gesecuritiseerde leningen die niet van de MFI-balans zijn verwijderd (9013 HK4) In 9013HK4 dienen MFI s die IAS 39 of soortgelijke jaarrekeningregels in de SE-rapportage toepassen, de uitstaande bedragen van leningen te rapporteren die door middel van een securitisatie zijn afgestoten maar die niet van de MFI-balans zijn verwijderd. Het betreft hier derhalve true sale (ofwel traditionele) securitisaties waarbij de gesecuritiseerde activa not derecognized zijn, die in 9013HK2 dienen te worden gemeld (zie voor het verband tussen de stromen en de standen het reconciliatievoorbeeld, figuur 5). Het gaat hierbij niet om leningen die synthetisch zijn gesecuritiseerd. In 9013HK4 is sprake van twee varianten: het land van de tegenpartij (leningnemer): Nederland, Overig eurogebied en Rest van de wereld; het land van vestiging van de betrokken SPV s; er dient onderscheid te worden gemaakt naar SPV s per euroland. 63

64 Formulier 7001 Titel SPV s : standen en transacties - hoofdkenmerk 1 Kwartaalrapportage SPV's standen gesecuritiseerde leningen niet inbegrepen op 9013 (niet-mfi originator) - hoofdkenmerk 2 Kwartaalrapportage SPV s standen excl. gesecuritiseerde leningen en niet toe te rekenen - hoofdkenmerk 3 Kwartaalrapportage SPV s standen niet toe te rekenen en totaal generaal - hoofdkenmerk 4 Kwartaalrapportage SPV's transacties gesecuritiseerde leningen - hoofdkenmerk 5 Kwartaalrapportage SPV s transacties excl. gesecuritiseerde leningen en niet toe te rekenen - hoofdkenmerk 6 Kwartaalrapportage SPV s transacties niet toe te rekenen en totaal generaal - hoofdkenmerk 7 Kwartaalrapportage SPV s afschrijvingen - hoofdkenmerk 8 Kwartaalrapportage lijst SPV s Rapportage populatie In Nederland gevestigde SPV s die geen BFI zijn Frequentie Kwartaal Inzendtermijn 17 e werkdag na afloop van kalenderkwartaal Eerste rapportage is in juli 2010 met standgegevens terugwerkend ultimo Dit houdt in: voor het vierde kwartaal 2009 alleen standgegevens en de lijst met inbegrepen SPV's (dus HK1, HK2, HK3 en HK8); voor het eerste en tweede kwartaal 2010 alle gegevens. 64

65 Inleiding Krachtens de ECB-verordening over SPV's 16 die securitisaties verrichten moet DNB kwartaalgegevens aan de ECB leveren over de volledige balans (standen en transacties) van Nederlandse SPV's. Voor de samenstelling van deze SPV-statistiek zal DNB gebruik maken van de gegevens over gesecuritiseerde leningen die op formulier 9013 worden gerapporteerd. Op formulierenset 7001 worden aanvullende kwartaalgegevens over alleen Nederlandse SPV s die nodig zijn voor de SPV-statistiek gerapporteerd. Dit betreft de volgende gegevens: - voor standen van true sale gesecuritiseerde leningen: diverse uitsplitsingen voor leningen die afkomstig zijn van een andere originator dan het binnenlandse MFI-bedrijf, voor leningen die afkomstig zijn van het binnenlandse MFI-bedrijf alleen een totaal; - voor transacties van true sale gesecuritiseerde leningen: uitsplitsingen voor alle gesecuritiseerde leningen, met inbegrip dus van leningen die afkomstig zijn van het binnenlandse MFI-bedrijf (omdat de stromen die in 9013 worden gerapporteerd niet bruikbaar zijn voor de SPV-statistiek); - overige balansposten voor de SPV s met een true sale -karakter (voor zowel standen als transacties); - alle (balans)posten voor SPV s met een synthetische en overige securitisatieconstructie (voor zowel standen als transacties). - afschrijvingen voor het totaal van gesecuritiseerde leningen; - een lijst van inbegrepen SPV s. Voor rapportage op 7001 moeten de SPV s eerst worden geclassificeerd naar securitisatietype (true sale, synthetisch en overig), waarna alle posten van de desbetreffende SPV bij dit securitisatietype moeten worden verantwoord. Definities en voorschriften Voor de definities van SPV en securitisatie wordt verwezen naar de eerdere specifieke paragraaf hierover (pagina 46 en 52). Illustraties van SPV's/securitisaties Hieronder worden nog enkele illustraties weergegeven van SPV s en securitisaties. Naast SPV s die zogeheten plain vanilla securitisaties uitvoeren (aankoop van leningen van de oorspronkelijke kredietverstrekker met uitgifte van effecten ter financiering daarvan), vallen ook SPV s onder de definitie waarbij sprake is van meer complexe securitisaties of securitisaties waaraan in deze context minder snel wordt gedacht. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan (onderstaande constructies kunnen elkaar overlappen en betreffen geen uitputtende opsomming): 16 Verordening (EG) Nr. 24/2009 van 19 december 2008 (ECB/2008/30). 65

66 constructies waarbij sprake is van een entiteit die effecten uitgeeft (issuing company) en de opbrengsten daarvan als lening doorverstrekt aan een entiteit die de activa aankoopt (asset purchasing company). Beide entiteiten worden in dit geval als SPV aangemerkt, voor zover zij beide ingezetenen zijn van Nederland. Is slechts één van beide entiteiten een ingezetene, dan behoort alleen deze te worden meegenomen; zogeheten master trust securitisaties waarbij de activa worden toegewezen aan een trustee, die een economisch belang verstrekt aan de betreffende SPV. Afzonderlijke SPV s geven hierbij normaal gesproken de effecten uit en lenen deze opbrengsten door aan de trustee in ruil voor een belang in de pool van activa aangehouden door de trust. Een trust van dit type wordt vaak aangeduid met een Receivables Trust' of een 'Master Trust', en wordt vaak gebruikt als het gewenst is om een grote pool van activa te securitiseren gedurende een bepaalde periode, of als de activa kortlopende schulden betreffen die voortdurend worden vervangen door nieuwe schulden (zoals met creditcard vorderingen). Bij deze constructies vallen zowel de master trust als de afzonderlijke SPV s onder de definitie van SPV (voorzover zij ingezetenen zijn); zogeheten repackages van al eerder gesecuritiseerde activa, waarbij effecten worden gekocht die zijn uitgegeven door SPV s en ter financiering daarvan nieuwe effecten worden uitgegeven; zogenoemde conduits, die een gevarieerde portefeuille aan activa (bijvoorbeeld ABS, CDOs/CLOs, autoleningen/-leases, zakelijke hypotheken, creditcard vorderingen, studieleningen of handelsvorderingen) financieren door uitgifte van commercial paper (asset backed commercial paper, ABCP, geheten). Vaak wordt elke transactie gestructureerd als een standaard securitisatie, waarbij de activa worden verkocht aan een SPV d.m.v. een true sale securitisatie. Vervolgens koopt de conduit deze pool van vorderingen van de SPV of financiert de SPV-aankoop door een lening te verstrekken die wordt gedekt door de gekochte vorderingen. Deze structuur staat bekend als een two-step sale. Bij deze constructie worden beide vehikels, zowel de conduit als de genoemde SPV, als SPV aangemerkt; securitisaties die door banken worden verricht voor de creatie van beleenbare activa die - voor liquiditeitsdoeleinden - als onderpand kunnen dienen voor opname van leningen bij de centrale bank en waarbij de uitgegeven effecten daartoe zelf door deze banken worden gekocht (deze vorm van securitisatie wordt ook wel aangeduid met interne securitisatie); securitisaties die voor arbitragedoeleinden worden uitgevoerd om te profiteren van het verschil tussen de hoger renderende activa en lagere financieringskosten van de passiva, zoals bijvoorbeeld bij zogeheten Structured Investment Vehicles (SIVs); constructies waarbij bestaande leningen worden gekocht op de secundaire markt, waar tegenover effecten worden uitgegeven. Onder bestaande leningen worden verstaan leningen die eerder zijn verstrekt door een kredietverlener; securitisaties waarbij effecten worden uitgegeven met slechts één tranche (single tranche). Vaak worden de effecten uitgegeven in meerdere tranches, elk met een verschillend risicoprofiel. Ook 66

67 indien echter slechts sprake is van één tranche, vallen deze entiteiten die securitisaties uitvoeren onder de definitie van SPV s; securitisaties van andere activa dan leningen, zoals bijvoorbeeld toekomstige kasstromen voortvloeiend uit opbrengsten uit royalty s, licenties, gasverkopen, loterijen, belastingen enz. SPV s die ook een Bijzondere Financiële Instelling (BFI) zijn In Nederland gevestigde SPV s kunnen door DNB ook zijn aangemerkt als een zogeheten Bijzondere Financiële Instelling (BFI), dienen niet in de 7001-rapportage te worden meegenomen. Het gaat hierbij om SPV s die hoofdzakelijk buitenlandse activa én passiva op de balans hebben staan. Deze BFI-SPV s dienen alleen in de 7001-rapportage worden opgenomen als zij activa hebben overgenomen vanuit het Nederlandse MFI-bedrijf (mede vanwege de consistentie met de rapportage). Hebben deze BFI-SPV s geen activa vanuit het Nederlandse MFI-bedrijf overgenomen, dan hoeven zij niet te worden meegerapporteerd. Als het voor de bank echter efficiënter is ze wel in de 7001-rapportage mee te nemen, kan dit na overleg met DNB. Indeling en aggregatie SPV's naar securitisatietype De SPV-gegevens moeten naar securitisatietype worden ingedeeld. Daarbij worden de volgende securitisatievormen onderscheiden: true sale (ofwel traditioneel): securitisatie waarbij de risico-overdracht plaatsvindt door de economische overdracht van de gesecuritiseerde activa aan de SPV. Dit wordt gerealiseerd door eigendomsoverdracht van de gesecuritiseerde activa van de originator of door subdeelneming. synthetisch: securitisatie waarbij de risico-overdracht plaatsvindt door gebruik van kredietderivaten, garanties of andere gelijkaardige mechanismen; overig: overige vormen van securitisatie. Voordat data in deze categorie worden gerapporteerd, dient hierover afstemming te hebben plaatsgevonden met DNB. Enkele bijzondere vormen: - Een SPV die zich bezighoudt met zowel true sale (traditionele) als synthetische securitisaties moet ingedeeld worden bij true sale of synthetisch op grond van de verwachte overheersende vorm van de hiermee gemoeide krediet exposures op ex-ante basis. Hiervoor moet de omvang van het synthetische exposure gemeten worden aan de hand van de omvang van de activa die de SPV aanhoudt voor dekking van zijn potentiële verplichtingen voortvloeiend uit de overname van de exposures (en niet van de notional amounts van de onderliggende activa). - Hersecuritisaties (re-securitisations) zijn securitisaties waarbij de SPV primair belegt in effecten die zelf het product zijn van een andere securitisatie. Hersecuritisaties moeten worden geclassificeerd op basis van look-through, d.w.z. dat gekeken moet worden naar de aard en bijbehorende omvang van de onderliggende exposures. Bij synthetisch onderliggende exposures (bijv. credit default swaps) moet de omvang worden bepaald op grond van die van het onderpand, en niet op 67

68 grond van de onderliggende notional amounts. Vervolgens moet de SPV worden ingedeeld in de categorie met de hoogste verhouding. Stel dat bijvoorbeeld voor 30% wordt belegd in true sale RMBS (Residential Mortgage-backed Securities), 30% in true sale CMBS (Commercial Mortgage-backed Securities) en 40% in een synthetische CDO (Collateralised Debt Obligations) die belegt in credit default swaps. In dat geval is uiteindelijk het true sale-exposure (60%) groter dan het synthetische exposure (40%), zodat de SPV moet worden geclassificeerd als true sale. De cijfermatige SPV-gegevens moeten per securitisatietype worden geaggregeerd. Een SPV moet daartoe eerst worden geclassificeerd als True sale, Synthetisch of Overig. Vervolgens dienen alle posten van de desbetreffende SPV bij dit securitisatietype te worden verantwoord. In de rapportage moeten dan de gegevens van de SPV s per categorie worden samengevoegd en in de desbetreffende onderdelen (via variant of kolom) op de formulieren worden ingevoerd. Geconsolideerde-rapportage bij aparte issuing en asset purchasing companies De gegevens van SPV s met een multi-vehicle structuur, zoals constructies met een aparte issuing company en aparte asset purchasing company, mogen geconsolideerd worden gerapporteerd (mits beide ingezetenen zijn van Nederland). Daarbij mogen de leningen tussen deze issuing en asset purchasing companies tegen elkaar worden weggestreept. Deze consolidatie geldt echter niet voor eventuele onderlinge verhoudingen in effecten. Originator Gegevens over gesecuritiseerde activa moeten naar land(engroep) en sector van de originator worden ingedeeld. Onder originator wordt verstaan de entiteit die de activa en/of het kredietrisico daarvan overdraagt aan de SPV. Ingeval van bijvoorbeeld leningen is de originator de huidige kredietverstrekker, de partij die de lening heeft uitstaan tegenover de debiteur en deze lening derhalve op haar balans heeft staan. Vaak is dit ook de partij die bij liquidatie van de SPV de eventueel nog resterende leningen terug op haar balans neemt. Aanmeldingsplicht SPV s Naast de in 7001 te rapporteren gegevens hebben in Nederland ingezetene SPV s, krachtens artikel 3 van de eerdergenoemde ECB-verordening over SPV s, de wettelijke verplichting zich aan te melden bij DNB. SPV s moeten bij DNB worden aangemeld door middel van een hiervoor opgesteld formulier Aanmelding Special Purpose Vehicles (SPV s). Naast adres- en contactgegevens van de SPV wordt hierin ook gevraagd naar specifieke informatie over de securitisatie. Aanmelding moet plaatsvinden wanneer de intentie bestaat om binnen de volgende zes maanden te starten met securitisatie-activiteiten. 68

69 Voor het aanmeldingsformulier en bijbehorende toelichting wordt verwezen naar de website van E- Line DNB, onder gebruikersdocumentatie bij de categorie Monetaire Instellingen (zie link: Wijzigingen ten opzichte van eerder gemelde gegevens moeten ook worden doorgegeven. Standen en transacties (7001HK1 t/m HK6) Per verslagperiode, die betrekking heeft op een kalenderkwartaal, moeten stand- en transactiecijfers worden gerapporteerd. Standen Standen betreffen de uitstaande bedragen aan het einde van de betreffende verslagperiode. Standgegevens moeten worden ingevuld op de formulieren 7001HK1 t/m HK3. Transacties Transacties worden gedefinieerd als de netto-aankoop van vorderingen (activa) of het netto aangaan van verplichtingen (passiva) voor elk type instrument, d.w.z. de som van alle transacties die in de betreffende verslagperiode plaatsvinden. Aan de actiefzijde van de balans betreft dit derhalve het saldo van de aankoop van vorderingen en de verkoop c.q. aflossing daarvan. Aan de passiefzijde bevat dit het saldo van het aangaan van nieuwe verplichtingen en het aflossen (of overdragen) daarvan. De waarderingsmethode voor elke transactie is voor de activa de aankoop- of verkoopwaarde en voor de passiva de waarde waartegen deze zijn aangegaan, afgelost of vervangen. Afschrijvingen en herwaarderingen maken geen onderdeel uit van transacties. Transacties zijn dus niet per definitie gelijk aan het verschil tussen opeenvolgende standen. Dit is alleen het geval als er geen waarderingsverschillen/herwaarderingen en overige mutaties (zoals afschrijvingen en evt. herclassificaties) zijn. Het verloop tussen balansstanden kent namelijk de volgende vergelijking: eindstand t-1 + (netto-)transacties + herwaarderingen + overige mutaties = eindstand t Transacties moeten worden ingevuld op de formulieren 7001HK4 t/m HK6. In het onderstaande voorbeeld wordt het verloop tussen balansstanden (reconciliatie) geïllustreerd. 69

70 Gesecuritiseerde leningen - reconciliatie Securitisatietype True sale Bedragen in miljoenen euro's Reconciliatiecomponent Beginstand t = eindstand t-1 Transacties t Afschrijving t Herwaardering* t Overige mutaties t Bron 7001 HK HK HK8 Wordt niet gerapporteerd 9999 SPU 9999 TRA 9999 AFS Wordt niet gerapporteerd Eindstand t 7001 HK SPU (= ) 2011K K K * Standen van gesecuritiseerde leningen moeten worden gerapporteerd tegen de hoofdsom (nominale waarde). Indien de transactiewaarde van de aan- of verkopen hiervan afwijken ontstaan waarderingsverschillen. Gesecuritiseerde leningen van SPV's (7001HK1 en HK4) Op 7001HK1 (standen) moeten alleen gegevens van gesecuritiseerde leningen worden gerapporteerd die niet zijn inbegrepen op formulier 9013 (niet-mfi originator) en dus afkomstig zijn van de balans van andere originators dan het binnenlandse MFI-bedrijf. Op 7001HK4 (transacties) moeten daarnaast de gegevens van gesecuritiseerde leningen die afkomstig zijn van het binnenlandse MFI-bedrijf worden gerapporteerd. Bij variant 2 (land/sector originator) kan de van toepassing zijnde originatorcategorie worden geselecteerd (t.w. Nederlandse MFI-originators dan wel andere originators dan Nederlandse MFI s). Deze post omvat gesecuritiseerde leningen ongeacht of de heersende administratieve verantwoordingsof verslagleggingsmethode eist dat de activa op de balans van de SPV of een andere entiteit worden opgenomen. Varianten Gegevens over gesecuritiseerde leningen dienen te worden uitgesplitst via enkele varianten, die in onderstaand overzicht zijn weergegeven In het Handboek worden ook variantnummers gehanteerd. In e-line DNB zijn deze nummers niet zichtbaar, maar de volgorde waarop de varianten worden getoond, komt wel hiermee overeen. 70

71 7001HK1 (standen) 7001HK4 Code-omschrijving Keuze uit: (transacties) Variant 1 Variant 1 Securitisatietype True sale Overig Variant 2 Land tegenpartij Nederland Overig eurogebied Rest van de wereld Variant 2 Land/sector originator Nederlandse MFIoriginators Andere originators dan Nederlandse MFI s). Variant 3 Land tegenpartij Nederland Overig eurogebied Rest van de wereld Bij deze varianten moet een keuze worden gemaakt uit een aantal categorieën. Daarbij kan het beste de volgorde van de varianten worden aangehouden. Zo dient op HK1 via de eerste variant een keuze te worden gemaakt voor securitisatietype van de SPV. Vervolgens moet via de tweede variant het land van de tegenpartij van de lening (leningnemer) worden geselecteerd. Bij deze tweede variant dienen dan alle gegevens behorende bij de selectie van de eerste variant te worden ingevuld. Per securitisatietype (variant 1) moeten de gegevens die worden ingevuld onder variant 2 (en 3) optellen tot het totaal. Als bijvoorbeeld sprake is van een true sale-securitisatietype en van in Nederland gevestigde tegenpartijen, moet een variant(combinatie) worden aangemaakt waarbij bij variant 1 (Code securitisatietype) True sale en bij variant 2 (Code land tegenpartij) Nederland moet worden geselecteerd. Als er ook nog tegenpartijen in andere eurolanden zijn, dient een nieuwe variant(combinatie) te worden aangemaakt waarbij bij variant 1 True sale moet worden geselecteerd (c.q. gehandhaafd blijft) en bij variant 2 Overig eurogebied moet worden gekozen. Als sprake is van een SPV in de categorie Overig, moet bij variant 1 Overig worden geselecteerd en vervolgens de van toepassing zijnde variant(en). Bij SPV s met een synthetisch securitisatietype worden niet de leningen maar alleen de kredietrisico's overgedragen en staan de leningen niet op de balans van deze SPV. Daarom wordt bij variant 1 niet de mogelijkheid geboden om gegevens over gesecuritiseerde leningen te rapporteren voor SPV s in de categorie synthetisch. Voor de SPV s in de categorie overig kan invulling wel van toepassing zijn, bijvoorbeeld als sprake is van een SPV met een hybride securitisatiestructuur bestaande uit een true 71

72 sale en een synthetisch deel. In dat geval moeten de gesecuritiseerde leningen die op de balans van deze SPV staan (en niet op de balans van de originator) op deze formulieren in de kolom Overig worden ingevuld. (Voor 7001HK1 geldt ook dit alleen voorzover deze leningen niet zijn gesecuritiseerd vanuit het binnenlandse MFI-bedrijf en dus niet zijn gerapporteerd op Voor 7001 HK4 dienen ook deze laatstgenoemde leningen te worden meegerapporteerd). Verdere uitsplitsingen op formulier Na de selectie van de desbetreffende varianten dienen op het formulier enkele verdere uitsplitsingen te worden gemaakt: naar diverse sectoren van de tegenpartij van de lening (leningnemer); naar oorspronkelijke looptijd van korter of gelijk aan één jaar, langer dan één tot en met vijf jaar en langer dan vijf jaar; voor leningen aan huishoudens naar soort lening: woninghypotheken, consumptief krediet en overige leningen; voor het totaal van de gesecuritiseerde leningen naar sector van originator binnen het eurogebied en naar originators buiten het eurogebied. Indien bijvoorbeeld sprake is van securitisatie van leningen door een hypotheekdochter van een MFI die zelf geen MFI is maar een Overige financiële instelling, moet dit deel van de gesecuritiseerde leningen worden gerapporteerd onder Overige financiële instellingen. Waardering Standgegevens over leningen (op 7001HK1) dienen te worden gewaardeerd tegen de uitstaande hoofdsom (nominale waarde), zelfs indien ze door de originator voor een andere prijs werden gekocht. De tegenpost voor het waarderingsverschil tussen de nominale waarde en de aankoopprijs dient te worden opgenomen onder post overige activa dan wel post overige passiva. Indien een deel van de aankoopprijs later door de SPV aan de originator zal worden betaald ( deferred purchase price ), moet dit nog te betalen deel worden opgenomen onder post opgenomen leningen. Transactiegegevens over gesecuritiseerde leningen (op 7001HK4) dienen tegen transactiewaarde te worden gerapporteerd (zie paragraaf standen en transacties op pagina 68). Overige activa en passiva van SPV's op 7001HK2 en HK5 In deze formulieren moeten de overige activa en passiva worden gemeld die naar land en een aantal beperkte sectoren van de tegenpartij moeten worden uitgesplitst. Hierbij gaat het om de volgende posten: 72

73 activa: deposito s, verstrekte niet-gesecuritiseerde leningen (naar twee looptijdcategorieën), overige gesecuritiseerde activa (naar land, d.w.z. eurogebied/niet-eurogebied, van originator en sector indien binnen eurogebied), aangehouden aandelen en deelnemingen, aangehouden schuldpapier (naar drie looptijdcategorieën), niet-financiële vaste activa, financiële derivaten, overige activa; passiva: opgenomen leningen (naar twee looptijdcategorieën), financiële derivaten, overige passiva. Varianten Gegevens over bovengenoemde overige activa en passiva dienen te worden uitgesplitst via twee varianten, die in onderstaand overzicht zijn weergegeven. 7001HK2 en HK5 Code-omschrijving Keuze uit: Variant 1 Securitisatietype True sale Synthetisch Overig Variant 2 Land tegenpartij Nederland Overig eurogebied Rest van de wereld Daarbij kan het beste de volgorde van de varianten worden aangehouden. Zo dient via de eerste variant eerst een keuze te worden gemaakt voor securitisatietype van de SPV. Vervolgens moet via de tweede variant het land van de tegenpartij van de vordering of verplichting te worden geselecteerd. Bij deze tweede variant dienen dan alle gegevens behorende bij de selectie van de eerste variant te worden ingevuld. Als bijvoorbeeld sprake is van een true sale-securitisatietype en van in Nederland gevestigde tegenpartijen, moet een variant(combinatie) worden aangemaakt waarbij bij variant 1 (Code securitisatietype) True sale en bij variant 2 (Code land tegenpartij) Nederland moet worden geselecteerd. Als er ook nog tegenpartijen in andere eurolanden zijn, dient een nieuwe variant(combinatie) te worden aangemaakt waarbij bij variant 1 True sale moet worden geselecteerd (c.q. blijft gehandhaafd) en bij variant 2 Overig eurogebied moet worden gekozen. Als bijvoorbeeld ook sprake is van een SPV in de categorie Synthetisch, moet bij variant 1 Synthetisch worden geselecteerd en vervolgens het van toepassing zijnde land van tegenpartij bij variant 2. Verdere uitsplitsingen op formulier Na de selectie van de desbetreffende varianten dient op het formulier nog een verdere uitsplitsing te worden gemaakt naar sector van de tegenpartij. Daarbij worden onderscheiden: MFI's, SPV's en overige sectoren. 73

74 Overige posten van SPV's op 7001HK3 en HK6 Op dit formulier worden de nog ontbrekende posten gevraagd, die niet hoeven te worden toegerekend naar land en sector van de tegenpartij. In tegenstelling tot de andere 7001-formulieren zijn de drie securitisatietypen hier in kolommen weergegeven in plaats van variantkeuzes. Kapitaal en reserves, en uitgegeven schuldpapier Ingevuld moeten hier o.a. worden de posten kapitaal en reserves en uitgegeven schuldpapier (uitgesplitst naar drie looptijdcategorieën op basis van de oorspronkelijke, wettelijke looptijd: korter dan of gelijk aan één jaar, langer dan één tot en met twee jaar en langer dan twee jaar). Inbegrepen op 9013 (MFI-originator) Op 7001HK3 (standen) moet daarnaast op post Inbegrepen op 9013 (MFI originator) een totaalbedrag worden gerapporteerd die betrekking heeft op leningen die zijn gesecuritiseerd vanuit het binnenlandse MFI-bedrijf en daarbij van de balans zijn verwijderd (dit laatste om dubbeltellingen tussen de MFI- en SPV-balans te vermijden). Invulling van deze post is nodig om een volledig, sluitend beeld van de SPV( s) te verkrijgen. Op 7001HK1 (standen) dienen immers alleen de gesecuritiseerde leningen te worden gerapporteerd voor zover deze niet afkomstig zijn van de binnenlandse MFI-entiteit en deze niet zijn inbegrepen op formulier NB: Het op 7001HK3 te rapporteren bedrag op deze post moet gelijk zijn aan de overeenkomstige gegevens op formulier 9013 bij Nederlandse SPV s in de laatste maand van het verslagkwartaal. Op 7001HK6 (transacties) komt deze post niet voor, omdat op HK4 transactiegegevens over alle gesecuritiseerde leningen moeten worden gerapporteerd, met inbegrip van leningen gesecuritiseerd vanuit het binnenlandse MFI-bedrijf. Leningen die zijn overgedragen aan een SPV in de categorie true sale, moeten in de kolom True sale worden gerapporteerd. In geval leningen zijn afgestoten aan een SPV in de categorie overig (die dus ook zijn gerapporteerd op 9013), dienen deze leningen hier in de kolom Overig te worden gemeld. Voor synthetische securitisaties kan hier niets worden ingevuld, omdat daarbij ten principale geen leningen worden afgestoten (deze blijven op de balans van de originator staan). Recapitulatie van overige gegevens Naast bovengenoemde te rapporteren gegevens wordt op deze formulieren een recapitulatie gegeven van de op andere formulieren ingevulde gegevens door middel van het tonen van een verkorte balans van de SPV s per securitisatietype en een totaal-generaal. Per securitisatietype dienen de balansen (zowel de standen op HK3 als de transacties op HK6) te sluiten, d.w.z. dat totaal activa gelijk dient te zijn aan totaal passiva. 74

75 Afschrijvingen (7001HK7) Op formulier 7001HK7 moeten de afschrijvingen op het totale van de gesecuritiseerde leningen, zoals gerapporteerd op formulier 7001HK3, worden gerapporteerd. Het dient alleen afschrijvingen te omvatten die zijn verricht in het verslagkwartaal (dus niet cumulatief). Afschrijvingen zijn waardeverminderingen (afboekingen) van op de balans opgenomen leningen als gevolg van de verminderde inbaarheid cq. terugbetaling van de lening. Specifieke voorzieningen voor debiteuren dienen niet opgenomen te worden onder afschrijvingen. Afschrijvingen die worden geconstateerd bij verkoop of overdracht van de leningen aan derden, moeten wel worden opgenomen, indien identificeerbaar. Variant Gegevens over afschrijvingen dienen via variant 1 te worden uitgesplitst naar securitisatietype True sale en Overig, maar zonder verdere uitsplitsingen naar bijvoorbeeld land en tegensector. Het securitisatietype Synthetisch komt niet voor op HK7, omdat synthetisch gesecuritiseerde leningen niet op de balans van SPV s staan HK7 Code-omschrijving Keuze uit: Variant 1 Securitisatietype True sale Overig Overzicht van inbegrepen SPV's (7001HK8) Op formulier 7001HK8 dienen de namen van de SPV's te worden gemeld die zijn inbegrepen in de gerapporteerde cijfers. Daarbij moet onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds in Nederland gevestigde SPV's die zijn inbegrepen op de formulieren 7001 ten behoeve van de opstelling van de SPV-statistiek en anderzijds de in de overige eurolanden gevestigde SPV's die zijn inbegrepen op formulier Bij de Nederlandse SPV's dient door middel van een keuzemenu het van toepassing zijnde securitisatietype voor de SPV te worden geselecteerd. Bij SPV's die zijn gevestigd in de overige eurolanden, moet door middel van een keuzemenu het betreffende euroland worden geselecteerd. Bij de opgave van de SPV's moeten de SPV's worden vermeld die zijn inbegrepen in de standgegevens per de laatste maand van het kwartaal op formulier 9013HK3 (uitstaande gesecuritiseerde leningen die van de MFI-balans zijn verwijderd) en/of 9013HK4 (uitstaande gesecuritiseerde leningen die niet van de MFI-balans zijn verwijderd) dan wel in de standgegevens van gesecuritiseerde leningen, andere 75

76 gesecuritiseerde activa of uitgegeven effecten in de desbetreffende 7001-kwartaalrapportage.SPV s dienen derhalve niet meer op 7001HK8 te worden vermeld als de uitgegeven effecten zijn afgelost en er geen gesecuritiseerde activa meer uitstaan. Voorbeelden Voorbeeld 1: True sale securitisatie van woninghypotheken door een binnenlandse MFI en hypotheekdochter In juni vindt een derecognized true sale securitisatie plaats van woninghypotheken via een Nederlandse SPV die zijn verstrekt door een binnenlandse MFI en een dochteronderneming van de MFI die zelf geen MFI is maar behoort tot de categorie Overige financiële instellingen (hierna: OFI). Het totale gesecuritiseerde bedrag is miljoen (nominaal bedrag, gelijk aan transactiebedrag), waarvan 400 miljoen afkomstig is van de MFI en 600 miljoen van de OFI. Het betreft woninghypotheken aan Nederlandse huishoudens met een looptijd langer dan 5 jaar. Hiervoor moeten op 9013 en 7001 onderstaande gegevens worden gerapporteerd. Op 9013 voor de maand juni: HK 1: - variant 1, land tegenpartij: Nederland - variant 2, bruto stroom: Bruto-verkoop van gesecuritiseerde of anderszins overgedragen leningen ('derecognition') - variant 3, land (niet-)spv: SPV s in Nederland - post , kolom 2250 TRA (woninghypotheken aan huishoudens met een looptijd > 5 jaar): 400 HK 2: niets (er is nl. sprake van derecognition ) HK 3: - variant 1, land tegenpartij: Nederland - variant 2, land (niet-)spv: SPV s in Nederland - post , kolom 2250 SPU (woninghypotheken aan huishoudens met een looptijd > 5 jaar): 400 HK 4: niets (er is nl. sprake van derecognition ). Op 7001 voor het tweede kwartaal: HK 1: alleen de woninghypotheken die afkomstig zijn van de OFI, en wel alsvolgt: - variant 1, securitisatietype: True sale - variant 2, land tegenpartij: Nederland - post , kolom 2250 SPU (woninghypotheken aan huishoudens met een looptijd > 5 jaar): post , kolom 9000 SPU (gesecuritiseerde leningen afkomstig van originators binnen de sector overige financiële instellingen binnen het eurogebied):

77 HK 2: bij variant 1 onder True sale de uitstaande bedragen van de meeste overige balansposten met het van toepassing zijnde land van de tegenpartij onder variant 2; HK 3: in de kolom True sale de uitstaande bedragen van de resterende balansposten, o.a.: - op post (gesecuritiseerde leningen, inbegrepen op 9013): 400 (dit bedrag dient overeen te komen met het bedrag dat voor deze SPV is inbegrepen op 9013 HK3 over de maand juni); HK 4: niet alleen de woninghypotheken die afkomstig zijn van de OFI maar ook die van de MFI moeten hier worden gerapporteerd, en wel alsvolgt: - variant 1, securitisatietype: True sale vervolgens voor het MFI-deel - variant 2, land/sector originator: Nederlandse MFI s - variant 3, land tegenpartij: Nederland - post , kolom 2250 TRA (woninghypotheken aan huishoudens met een looptijd > 5 jaar): post (gesecuritiseerde leningen afkomstig van eurogebied-originators binnen de sector MFI s): 400 en voor het OFI-deel: - variant 2, land/sector originator: Andere originators dan Nederlandse MFI s - variant 3, land tegenpartij: Nederland - post , kolom 2250 TRA (woninghypotheken aan huishoudens met een looptijd > 5 jaar): post , kolom 9000 TRA (gesecuritiseerde leningen afkomstig van eurogebiedoriginators binnen de sector overige financiële instellingen ): 600 HK 5: bij variant 1 onder True sale de transactiecijfers van de meeste overige balansposten van de SPV; HK 6: in de kolom True sale de transactiecijfers van de resterende balansposten; HK 7: niets (er zijn geen afschrijvingen); HK 8: in de eerste tabel ( In Nederland gevestigde SPV s inbegrepen op formulieren 7001HK1 t/m HK7 ) invulling van de naam van de SPV en bij securitisatietype selectie van True sale. Voorbeeld 2: True sale securitisatie van woninghypotheken door een binnenlandse MFI met aflossingen en afschrijvingen In januari vindt vanuit het binnenlandse MFI-bedrijf via een Nederlandse SPV een derecognized true sale securitisatie plaats van woninghypotheken met een looptijd > 5 jaar verstrekt voor een nominaal bedrag van 500 miljoen, dat gelijk is aan het aankoopbedrag door de SPV. In februari wordt 3 miljoen op de woninghypotheken afgelost. In maart wordt weer 4 miljoen aan de SPV overgedragen en wordt 2 miljoen afgeschreven vanwege de ingeschatte verminderde inbaarheid van de leningen. 77

78 Hiervoor moeten op 9013 en 7001 onderstaande gegevens worden gerapporteerd. Op 9013 voor de maand januari HK 1: - variant 1, land tegenpartij: Nederland - variant 2, bruto stroom: Bruto-verkoop van gesecuritiseerde of anderszins overgedragen leningen ('derecognition') - variant 3, land (niet-)spv: SPV s in Nederland - post , kolom 2250 TRA (woninghypotheken aan huishoudens met een looptijd > 5 jaar): 500 HK 2: niets (er is nl. sprake van derecognition ) HK 3: - variant 1, land tegenpartij: Nederland - variant 2, land (niet-)spv: SPV s in Nederland - post , kolom 2250 SPU (woninghypotheken aan huishoudens met een looptijd > 5 jaar): 500 HK 4: niets (er is nl. sprake van derecognition ). Op 9013 voor de maand februari HK 1: niets (er worden nl. geen woninghypotheken overgedragen of teruggenomen) HK 2: niets (er is nl. sprake van derecognition ) HK 3: - variant 1, land tegenpartij: Nederland - variant 2, land (niet-)spv: SPV s in Nederland - post , kolom 2250 SPU (woninghypotheken aan huishoudens met een looptijd > 5 jaar): 497 (= 500-3) HK 4: niets (er is nl. sprake van derecognition ). Op 9013 voor de maand maart HK 1: - variant 1, land tegenpartij: Nederland - variant 2, bruto stroom: Bruto-verkoop van gesecuritiseerde of anderszins overgedragen leningen ('derecognition') - variant 3, land (niet-)spv: SPV s in Nederland - post , kolom 2250 TRA (woninghypotheken aan huishoudens met een looptijd > 5 jaar): 4 HK 2: niets (er is nl. sprake van derecognition ) HK 3: - variant 1, land tegenpartij: Nederland - variant 2, land (niet-)spv: SPV s in Nederland - post , kolom 2250 SPU (woninghypotheken aan huishoudens met een looptijd > 5 jaar): 499 (= ) HK 4: niets (er is nl. sprake van derecognition ). 78

79 Op 7001 voor het eerste kwartaal: HK 1: niets (de gegevens zijn gerapporteerd op 9013HK3) HK 2: bij variant 1 onder True sale de uitstaande bedragen van de meeste overige balansposten van de SPV; HK 3: in de kolom True sale de uitstaande bedragen van de resterende balansposten, o.a.: - post , kolom 2250 SPU (gesecuritiseerde leningen, inbegrepen op 9013): 499 (= : dit bedrag dient overeen te komen met het totaalbedrag dat voor deze SPV is inbegrepen op 9013 HK3 voor de maand maart); HK 4: - variant 1, securitisatietype: True sale - variant 2, land/sector originator: Nederlandse MFI s - variant 3, land tegenpartij: Nederland - op post , kolom 2250 TRA (woninghypotheken aan huishoudens met een looptijd > 5 jaar): 501 (= ) - post , kolom 2250 TRA (gesecuritiseerde leningen afkomstig van originators binnen de sector MFI s binnen het eurogebied): 501 (= ) HK 5: bij variant 1 onder True sale de transactiecijfers van de meeste overige balansposten van de SPV; HK 6: bij variant 1 onder True sale de transactiecijfers van de resterende balansposten; HK 7: bij variant 1 onder True sale: 2; HK 8: in de eerste tabel ( In Nederland gevestigde SPV s inbegrepen op formulieren 7001HK1 t/m HK7 ): invulling van de naam van de SPV en bij securitisatietype selectie van True sale. 79

80 Annex: Uit Verordening (EG) Nr. 24/2009 van de Europese Centrale Bank van 19 december 2008 houdende statistieken betreffende de activa en passiva van lege financiële instellingen die securitisatietransacties verrichten (ECB/2008/30) Artikel 1 Definities Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: 1. LFI : een onderneming die overeenkomstig gemeenschapsrecht of nationaal recht is opgericht krachtens één van de volgende mogelijkheden: i) contractrecht als een door beheermaatschappij beheerd beleggingsfonds; ii) trustrecht; iii) vennootschapsrecht als een naamloze vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een besloten vennootschap; iv) een ander gelijkaardig mechanisme waarvan de hoofdactiviteit aan volgende criteria voldoet: a) zij beoogt één of meer securitisatietransacties uit te voeren dan wel voert deze uit en is gevrijwaard van het risico van faillissement of een andere vorm van in gebreke blijven van de initiator, en b) zij geeft het volgende uit, dan wel beoogt zulks te doen: effecten, eenheden van securitisatiefondsen, andere schuldbewijzen en/of financiële derivaten en/of zij is wettelijke of economische eigenaar of kan dit zijn van aan de uitgifte van effecten, eenheden van securitisatiefondsen, andere schuldbewijzen en/of financiële derivaten onderliggende activa die te koop aangeboden worden aan het publiek of verkocht worden op basis van onderhandse plaatsingen. De volgende ondernemingen vallen niet onder de definitie van een LFI: - MFI s in de zin van artikel 1 van Verordening (EG) nr. 25/2009 (ECB/2008/32), - beleggingsfondsen (BF s) in de zin van artikel 1 van Verordening (EG) nr. 958/2007 van de Europese Centrale Bank van 27 juli 2007 houdende statistieken betreffende de activa en passiva van beleggingsfondsen (ECB/2007/8); 2. Securitisatie : een transactie of regeling waarbij een activum of een pool van activa aan een van de initiator afgescheiden entiteit overgedragen wordt en gecreëerd werd voor securitisatie of daartoe dient en/of het kredietrisico van een activum of een pool van activa, of een deel ervan, overgedragen wordt aan de beleggers in de effecten, eenheden van securitisatiefondsen, andere schuldbewijzen en/of financiële derivaten die werden uitgegeven door een van de initiator afgescheiden entiteit en gecreëerd werd voor securitisatie of daartoe dient, en: a) bij een overdracht van een kredietrisico, wordt de overdracht voltooid door: 80

81 - de economische overdracht van gesecuritiseerde activa aan een van de initiator afgescheiden entiteit die gecreëerd werd voor securitisatie of daartoe dient. Dit wordt gerealiseerd door de eigendomsoverdracht van de gesecuritiseerde activa van de initiator of door subdeelneming, of - het gebruik van kredietderivaten, garanties of andere gelijkaardige mechanismen, en b) als dergelijke effecten, eenheden van securitisatiefondsen, andere schuldbewijzen en/of financiële derivaten uitgegeven worden, zij geen betalingsverplichtingen van de initiator vormen. Specifieke posten formulier 7001 (SPV s) Gesecuritiseerde leningen De onder deze post te rapporteren leningen bestaan uit aan de kredietnemers geleende gelden die door de SPV's van de originator werden verworven. Deze gelden zijn niet belichaamd in documenten of zijn belichaamd in één enkel document, zelfs indien dit verhandelbaar is geworden. Deze post omvat gesecuritiseerde leningen ongeacht of de heersende administratieve verantwoordings- of verslagleggingsmethode eist dat de activa op de balans van de SPV of een andere entiteit worden opgenomen. Dit omvat eveneens: financiële leases ten behoeve van derden: Financiële leases zijn contracten waarbij de juridische eigenaar van een duurzaam goed (verder de lessor ) deze activa voor het grootste deel, zo niet voor de gehele economische levensduur van de activa, uitleent aan een derde (verder de lessee ) in ruil voor afbetalingstermijnen ter dekking van de kosten van het goed plus ingecalculeerde rentekosten. De lessee wordt verondersteld alle aan het gebruik van het goed verbonden voordelen te genieten en de aan de eigendom verbonden kosten en risico s te dragen. Statistisch zijn financiële leases leningen van de lessor aan de lessee waarmee de lessee het duurzame goed kan aankopen. Door een originator verstrekte financiële leases, welke handelt als lessor, dienen te worden opgenomen onder de actiefpost gesecuritiseerde leningen. De aan de lessee uitgeleende activa (duurzame goederen) dienen nergens te worden opgenomen. dubieuze vorderingen die nog niet zijn afgelost of afgeschreven: dubieuze vorderingen worden beschouwd als leningen met achterstallige terugbetaling of die anderszins onvolwaardig zijn bevonden. aangehouden niet-verhandelbare effecten: aangehouden effecten met uitzondering van niet - verhandelbare aandelen en andere deelnemingen, die niet op secundaire markten kunnen worden verhandeld, zie tevens verhandelde leningen. verhandelde leningen: De facto verhandelbaar geworden leningen, dienen te worden opgenomen onder de actiefpost gesecuritiseerde leningen, indien ze verder in één enkel document worden belichaamd en doorgaans slechts incidenteel verhandeld worden. achtergestelde schuld in de vorm van deposito s of leningen: Achtergestelde schuldbewijzen verschaffen een ondergeschikte vordering op de uitgevende instelling die alleen kan worden uitgeoefend nadat alle vorderingen met een hogere status (bijv. deposito s/leningen) zijn voldaan, 81

82 waardoor ze enigszins lijken op aandelen en andere deelnemingen. Statistisch dienen achtergestelde schulden te worden behandeld overeenkomstig de aard van het financiële instrument, d.w.z. geclassificeerd te worden als gesecuritiseerde leningen of als aangehouden schuldpapier. Indien het gangbaar is alle vormen van door een SPV aangehouden achtergestelde schulden voor statistische doeleinden als een enkel cijfer aan te geven, dient dit cijfer onder de post aangehouden schuldpapier te worden opgenomen, omdat achtergestelde schulden hoofdzakelijk bestaan uit effecten en niet uit leningen. In deze post zijn niet inbegrepen effecten die worden gedekt door gesecuritiseerde leningen (zoals asset-backed securities, mortgage-backed securities enz.). Deze effecten moeten worden gerapporteerd onder post aangehouden schuldpapier Deposito s Deze post betreft door SPV s bij monetaire financiële instellingen (MFI s) geplaatste deposito s. Deze post omvat tevens aangehouden in omloop zijnde euro- en buitenlandse bankbiljetten en munten die algemeen worden gebruikt voor het verrichten van betalingen. In het statistisch raamwerk kunnen geen deposito s bij andere instellingen dan MFI s worden aangehouden. Indien in de eigen administratie deposito s tegenover niet-mfi instellingen zijn vastgelegd, moeten die worden gerapporteerd onder de post verstrekte nietgesecuritiseerde leningen. Bedragen moeten onder deze post (deposito s) worden verantwoord, als het initiatief tot het aangaan van deze financiële verhouding bij de geldgever (in dit geval de SPV) ligt. Als de geldnemer (in dit geval de MFI) het initiatief neemt, moet de verhouding worden verantwoord onder de post verstrekte niet-gesecuritiseerde leningen. Het te rapporteren bedrag moet betrekking hebben op de nog terug te betalen hoofdsom, exclusief opgelopen rente. De opgelopen rente moet worden opgenomen in de post overige passiva Verstrekte niet-gesecuritiseerde leningen Deze post omvat gelden die de securitisatie verrichtende SPV s lenen aan kredietnemers, die niet zijn belichaamd in documenten of die zijn belichaamd in één enkel document zelfs als dit verhandelbaar is geworden en niet vallen onder de gesecuritiseerde leningen. Het betreft onder meer de volgende posten: aan SPV s verstrekte leningen; vorderingen krachtens repo-overeenkomsten met wederverkoopverplichting of opgenomen effectenleningen tegen liquide onderpand. Dit betreft de tegenpost van gelden betaald in ruil voor door SPV s gekochte effecten of opgenomen effectenleningen tegen liquide onderpand (zie post opgenomen leningen ). 82

83 Het te rapporteren bedrag moet betrekking hebben op de nog terug te betalen hoofdsom, exclusief opgelopen rente. De opgelopen rente moet worden opgenomen in de post overige passiva Overige gesecuritiseerde activa Deze post omvat gesecuritiseerde activa met uitzondering van die van de posten 'gesecuritiseerde leningen' en 'aangehouden schuldpapier', zoals belastingvorderingen en andere toekomstige kasstromen, ongeacht of de heersende administratieve verantwoordings- of verslagleggingsmethode eist dat de activa op de balans van de SPV of een andere entiteit worden opgenomen Opgenomen leningen In het geval van SPV s omvat deze post alle door SPV s aan crediteuren verschuldigde bedragen, niet zijnde gelden verkregen door de uitgifte van verhandelbare effecten. Deze post bestaat uit: aan de SPV verstrekte leningen; niet-verhandelbare schuldbewijzen, uitgegeven door SPV s: Instrumenten kunnen als nietverhandelbaar worden aangeduid in die zin dat de overdracht van de juridische eigendom van het instrument beperkt mogelijk is, wat betekent dat ze niet kunnen worden verhandeld of, ook al zijn ze technisch verhandelbaar, verhandelen niet mogelijk is vanwege het ontbreken van een gereguleerde markt. Niet-verhandelbare, door SPV's uitgegeven instrumenten die nadien verhandelbaar worden en die op secundaire markten kunnen worden verhandeld, dienen als schuldpapier te worden ingedeeld; nog te betalen deferred purchase price, dat wil zeggen dat deel van de aankoopprijs dat nog door de SPV aan de originator moet worden betaald voor de overgenomen vorderingen; repo s: tegenpost van gelden ontvangen in ruil voor door de SPV s tegen een bepaalde koers verkochte effecten onder beding van wederinkoop van dezelfde (of soortgelijke) effecten tegen een vaste koers op een afgesproken datum. Door SPV s ontvangen bedragen in ruil voor effecten die aan een derde zijn overgedragen ( tijdelijke verkrijger ) dienen hier te worden ingedeeld, indien er een vaste verplichting bestaat om de transactie om te keren en niet louter een optie daartoe. Dit houdt in dat tijdens de transactie de SPV s alle risico s en beloningen van de onderliggende effecten dragen. De volgende varianten van repo-achtige transacties worden allemaal hier ingedeeld: ontvangen bedragen in ruil voor effecten die tijdelijk aan een derde zijn overgedragen in de vorm van een effectenuitleen tegen liquide onderpand; ontvangen bedragen in ruil voor effecten die tijdelijk aan een derde zijn overgedragen in de vorm van een verkoop/terugkoopovereenkomst. De onderliggende effecten van repo-achtige transacties worden geboekt volgens de regels in actiefpost 83

84 Aangehouden schuldpapier. Transacties die de tijdelijke overdracht van goud tegen liquide onderpand behelzen, worden ook onder deze post opgenomen. Deze post omvat niet de te ontvangen lopende rente. Deze moet worden gerapporteerd op post overige activa Inbegrepen op 9013 (MFI originator) Dit betreft de totaalpost van de gesecuritiseerde leningen die zijn gesecuritiseerd vanuit het binnenlandse MFI-bedrijf. Deze moet worden gerapporteerd op 7001HK3 (standen) teneinde een volledig, sluitend beeld van de SPV( s) te verkrijgen. Voor een verdere toelichting op deze post wordt verwezen naar de toelichting bij het desbetreffende formulier. 84

85 Form 8023 Title Country risk report / BIS Consolidated Statistics Reporting population All banks Frequency Quarterly Reporting deadline 8 weeks after the quarter-end General Guidelines Introduction The consolidated banking statistics (country risk report; 8023) were introduced as a semi-annual reporting exercise in the late 1970s and early 1980s to provide information on the country risk exposures of major individual nationality banking groups to developing countries. Following the financial crises in emerging markets in the late 1990s, the consolidated statistics were enhanced to include complete country coverage of banks on-balance sheet exposures, separate country data and a move to a quarterly reporting frequency. In response to recommendations of a working group of the Committee on the Global Financial System (CGFS), and in order to maintain the consolidated banking statistics as a key source of public information on international financial market developments, the measurement of commercial banks consolidated country risk exposures on an ultimate risk basis has been added to the reporting requirements. Consequently, as from end-march 2005 the statistics cover more comprehensive data on country risk exposures inclusive of derivatives and some off-balance sheet positions (credit commitments and guarantees). From 2008, at the peak of the financial crisis, an important effort to close information gaps in the BIS international banking statistics has been triggered under the coordination of the FSB and IMF. Important changes have already been recommended by the CGFS in the consolidated statistics in the consolidated statistics. General The consolidated banking statistics are collected on a bank-level worldwide-consolidated basis, including the exposures of bank s foreign offices (i.e. subsidiaries and branches) excluding the interoffice positions. This data set is designed to provide comprehensive and consistent quarterly data on banks financial claims on other countries on two different bases. The first set of statistics collects data on an immediate borrower basis, i.e. claims allocated to the country where the original risk lies. The second set collects data on an ultimate risk basis, i.e. claims allocated to the country where the final risk lies, in order to assess country credit risk exposures consonant with banks own risk management systems. The data cover on-balance sheet and some off-balance sheet claims/exposures reported by domestic banks. 85

86 A. Reporting requirements common for immediate borrower and ultimate risk basis 1. Reporting institutions Reporting institutions, sometimes referred as banks or banking offices in these guidelines, are defined as the domestic banks and, for immediate borrower data only, foreign-owned institutions whose business it is to receive deposits and/or close substitutes for deposits and to grant credits or invest in securities on their own account. This definition of banks conforms to other widely used definitions, such as deposit-taking corporations, except the central bank in the System of National Accounts (SNA) and the new Balance of Payments Manual (BPM6), other (than central bank) depository institutions in the IMF money and banking statistics. Thus, the community of reporting institutions should include not only commercial banks but also savings banks, credit unions or cooperative credit banks, and other financial credit institutions. For the purpose of this statistics, four types of reporting institutions are distinguished (outlined below). Type Reporting institutions Definition 1 Domestically owned banks (banks with ultimate parent in NL) Banking offices with a controlling parent located in the reporting country: typically banks with a head office in the reporting country. 2 Inside-area foreign banks consolidated by their parent Branches or subsidiaries located in the reporting country whose activities are consolidated by a parent bank in another reporting country, i.e. inside-area offices consolidated by a domestically owned bank in another reporting country. 3 Inside-area foreign banks not consolidated by their parent Inside-area banks whose activities are not consolidated by their parent. This type mainly comprises banking offices with a non-bank parent in another reporting country (e.g. the banking subsidiary of an insurance group). 4 Outside-area foreign banks Banking offices located in the reporting country whose controlling parent resides in a non-reporting country 18. This type also includes consortium banks with parents of unidentified or mixed nationality. All four bank types should report the statistics on an immediate risk (IR) basis; only domestically owned banks (bank type 1) are required to report the statistics on an ultimate risk (UR) basis. A reporting institution whose activities are not consolidated by its parent should be reported by the host country as either an inside-area foreign bank (if the parent is in another reporting country) or an outside-area foreign bank (if the parent is in a non-reporting country). 18 The reporting countries are: Australia, Austria, Belgium, Brazil, Canada, Chili, Chinese Taipei, Denmark, Finland, France, Germany, Greece, Hong Kong, India, Ireland, Italy, Japan, Luxembourg, Mexico, Norway, Panama, Portugal, Singapore, Spain, Sweden, Switzerland, Turkey, United Kingdom, United States. 86

87 2. Type of claims In the consolidated banking statistics different type of claims need to be reported: Cross-border claims are claims that are granted or extended to non-residents on an immediate borrower basis (column 1 of figure 2) or claims on an ultimate risk basis (column 20 of figure 2). The criterion for claims on an ultimate risk basis is the residency of the ultimate obligor or guarantor and hence, those claims are cross-border when the ultimate obligor or guarantor resides in a country that is different from the residency of the reporting institution (head office, branches or subsidiaries). Local claims refer to claims of domestic banks foreign affiliates (branches/subsidiaries) on the residents of the host country (i.e. country of residence of affiliates). For the purpose of reporting on an immediate borrower basis, local claims in foreign currencies are reported together with cross-border claims to make up international claims (A + B) (column 1-8 in figure 1); in addition, local claims in local currency (C) are reported separately (column 16 in figure 1) 19. On an ultimate risk basis, claims should be classified as local claims (B + C) only if the ultimate obligor or guarantor resides in the host (residence) country where domestic banks foreign affiliates (branches/subsidiaries) are located. In this case cross-border claims (A) (column 20 of figure 2) and local claims in all currencies (B + C) (column 21 of figure 2) are to be reported separately (see figure 2). International claims (A + B) are defined as banks cross-border claims (A) plus local claims of foreign affiliates in foreign currencies (B). Foreign claims are defined as the sum of cross-border claims (A) plus foreign offices local claims in all currencies (B + C). Therefore, on an immediate borrower basis, this category can be calculated as the sum of international claims (A + B) and local claims in local currency (C) (column in figure 2), while on an ultimate risk basis, it is equivalent to the sum of local (B + C) and cross-border (A) positions (in all currencies) (column 14 in figure 2). Figure 1: Different types of claims 19 Furthermore, head offices of banks (domestic banks) are required to report the liabilities in local currency with local residents of foreign affiliates. The reason for requesting (in addition to international claims) the information on local claims and local liabilities in the local currency of foreign offices is that gross local claims are an additional source of country risk and local claims net of local liabilities are an additional source of transfer risk. 87

88 Figure 2: Claims on immediate borrower basis Figure 3: Claims on ultimate risk basis Consolidation Reporting requirements: Claims on immediate borrower Risk transfer Claims on ultimate risk basis Domestically owned banks Consolidated basis; exclude inter-office positions All (column 1-8, 16-17) All (column 11-13) All (column 14-15, 18-24) Inside-area foreign banks consolidated by their parent Non-consolidated basis; include inter-office positions Only column 1-8 No No Inside-area foreign banks not consolidated by their parent Non-consolidated basis; include inter-office positions All (column 1-8, 16-17) All (column 11-13) No Outside-area foreign banks Non-consolidated basis; include inter-office positions Only column 1-8 No No Country breakdown All countries (excl. NL) Only (ultimate) home country All countries (excl. NL) All countries (excl. NL) Figure 4: Reporting requirements for different reporting institutions 88

89 B. Positions on an immediate borrower basis 1. Reporting institutions For the purposes of the consolidated statistics on an immediate borrower basis, four groups of reporting banks are distinguished: a) Domestic Banks Domestic banks are those which have their head-office located in the reporting country (here: the Netherlands) (see also Box 1). Domestic banks should report their cross-border claims (except onbalance sheet derivatives) of all their offices worldwide vis-à-vis all other countries in all currencies and the local claims of their affiliates in other countries in non-local currency, which constitute together their international claims. All columns in the 8023 form should thus be reported for each country 20. b) Consolidated inside area foreign banks Bank offices in the reporting country (here: the Netherlands) whose activities are consolidated by their head office located in another reporting country 21 should report only their cross-border claims on residents in their home country on a non-consolidated basis (including inter-office positions). No data are requested on the claims of these foreign banks on any other countries because this would lead to double-counting of lending which is covered by the consolidated reporting of the relevant head offices. However, inside area banks whose activities are not consolidated by their head-office should provide a full country breakdown of their international claims (see c below). Consolidated inside area foreign banks should in the 8023 form thus only report columns 1-8 (see figure 2) on their home country, on a non-consolidated basis. Box 1: Consolidated and unconsolidated inside area foreign banks In the particular case where a bank s activities are not consolidated by the home country, the bank s claims should be reported by the host country either under unconsolidated inside area foreign banks if the parent (non-bank or bank) is located in another reporting country, or under outside area foreign banks if the parent is located in a non-reporting country. 20 For example, a Dutch bank with a single foreign subsidiary, located in Thailand, reports the following international claims : the lending of its Dutch offices to residents of all countries other than the Netherlands, plus the cross-border claims of its Thai subsidiary to residents of countries other than the Netherlands, plus the local claims on residents of Thailand in foreign currencies. The data should be reported on a consolidated balance sheet basis, so that positions between different offices of the same bank are excluded. 21 Reporting countries for the consolidated banking statistics are Australia, Austria, Belgium, Brazil, Canada, Chile, Chinese Taipei, Denmark, Finland, France, Germany, Greece, Hong Kong, Korea, India, Ireland, Italy, Japan, Luxembourg, Mexico, Netherlands, Norway, Panama, Portugal, Singapore, Spain, Sweden, Switzerland, Turkey, United Kingdom, United States. 89

90 c) Unconsolidated inside area foreign banks As mentioned above, offices of inside area foreign banks whose activities are not consolidated by their head-office should provide a full country breakdown (including vis-à-vis parent country) of their international claims. Thus, unconsolidated inside area foreign banks should in the 8023 form thus report columns 1-8, 11-13, (see figure 2) for all countries, on a non-consolidated basis. d) Unconsolidated outside area foreign banks Banks subsidiaries/offices in the reporting countries whose head offices are located in a non-reporting country 22 (i.e. outside area foreign banks), or consortium banks of unidentified nationality, should report their cross-border claims on all other countries including their home country on a nonconsolidated basis (including inter-office positions). These data should include any positions the banks have vis-à-vis their own offices in other countries. Thus, unconsolidated outside area foreign banks should in the 8023 form thus report columns 1-8 (see figure 2) for all countries, on a non-consolidated basis. 2. Business to be reported 2.1 On-balance sheet financial claims Reporting banks should provide data on their financial claims on an immediate borrower basis (i.e. allocated to the country where the original risk lies) as explained below. The data on financial claims should comprise all items which represent claims on other individual countries or economies. If derivatives are recorded on balance sheet, they should be excluded from the reporting of on-balance sheet financial claims on an immediate borrower basis, to be consistent with foreign claims on ultimate risk basis (exclusive of derivatives). Financial claims include certificates of deposit (CDs), promissory notes and other negotiable paper issued by non-residents, banks holdings of international notes and coins, foreign trade-related credits, claims under sale and repurchase agreements with non-residents, deposits and balances placed with banks, loans and advances to banks and non-banks, holdings of securities and participations including equity holdings in unconsolidated banks or non-bank subsidiaries. Similarly, borrowing and lending of securities, gold and other precious metals without cash collateral should not be reported as international banking business. Holdings of securities also include credit-linked notes and other collateralized debt obligations as well as asset-backed securities. 2.2 Risk transfers Reporting domestic banks are requested to provide information on the volume of their cross-border financial claims, except derivatives, and of the local claims of their foreign offices in any currency 22 Country that does not provide consolidated banking data on an immediate borrower basis (for instance Hungary). 90

91 which have been reallocated from the country of the immediate borrower to the country of ultimate risk (column 11 and 12 in figure 2) as a result of guarantees, collateral or those credit derivatives that are part of the banking book. Risk reallocation should also include that between different economic sectors: banks, public sector, non-bank private sector and unallocated by sector in the same country. Moreover, it should also cover loans to domestic borrowers which are guaranteed by foreign entities and which therefore represent inward risk transfers which increase exposure to the country of the guarantor. Equally, foreign lending which is guaranteed by domestic entities (e.g. a domestic export credit agency) should be reported as an outward risk transfer, which reduces the exposure to the country of the foreign borrower. If all outward and inward risk transfers were to be reported, they would add up to the same total. However, because in the case of risk reallocations from or to a reporting bank s home (parent) country only the leg relating to the foreign counterparty country should be reported, inward and outward risk transfers will not necessarily balance in practice. Similarly, the issuer (or protection buyer) of credit-linked notes and other collateralized debt obligations and asset-backed securities should only report an outward risk transfer and no inward risk transfer because they are perceived to have received cash collateral, which extinguishes their exposure to the original claim. In summary, the following three forms of risk reallocation should be distinguished: Lending to a non-resident which is guaranteed by a non-resident third party. In this case both the outward risk transfer from the original borrower and the inward risk transfer to the guarantor should be reported. Lending to a non-resident which is guaranteed by a resident third party or where the exposure is extinguished by receiving cash collateral. In this case only the outward risk transfer from the original non-resident borrower should be reported. Lending to a resident which is guaranteed by a non-resident third party. In this case only the inward risk transfer to the non-resident guarantor should be reported. The information on the reallocation of claims should as a general standard be reported as net risk transfers, i.e. the difference between reallocated claims which increase exposure (inward risk transfers) and those which reduce exposure (outward risk transfers) vis-à-vis a given country. Detailed examples for the reporting of risk transfers are provided in the Annex. 91

92 C. Positions on an ultimate risk basis In line with the risk reallocation principle for measuring country exposure, the country of ultimate risk or where the final risk lies is defined as the country in which the guarantor of a financial claim resides and/or the country in which the head office of a legally dependent branch is located 23. Collateral may be considered as an indicator of where the final risk lies to the extent that it is recognized as a risk mitigant according to the supervisory instructions in according to the supervisory instructions in the reporting country. The list of recognised collateral under various approaches of credit risk mitigation is available in the Basel Capital Accord document 24. Similarly, if credit derivatives are used to cover for the counterparty risk of financial claims in the banking book, the country of ultimate risk of these positions is defined as the country in which the counterparty to the credit derivative contract resides. In addition, in the case of holdings of creditlinked notes and other collateralized debt obligations and asset-backed securities a look-through approach should be adopted and the country of ultimate risk is defined as the country where the debtor of the underlying credit, security or derivative contract resides. However, it is recognized that this look-through approach might not always be possible in practice. Accordingly, reporting institutions might only be able to provide estimates for the allocation of claims to the country where the debtor of the underlying resides or to allocate the claims to the country of the immediate borrower, which is the country where the issuer of the securities resides. Furthermore, the issuer (or protection buyer) of credit-linked notes and other collateralized debt obligations and asset-backed securities should regard the issuance of a security backed by financial claims and sold to investors as cash collateral, which therefore extinguishes the exposure of the issuer to the underlying claim provided the securitization is without recourse or guarantees and no residual exposure is retained by the issuing bank. Claims on subsidiaries can only be considered as being guaranteed by the head office if the parent has provided an explicit guarantee. In contrast, claims on branches should, for the purposes of the consolidated banking statistics, always be considered as guaranteed by the respective head office, even if there is no legal guarantee. In the specific case of a resale agreement the ultimate risk should be allocated to the country and the sector of the ultimate counterparty. 23 This means that domestic banks extending claims to such a branch have to reallocate the positions to the country of the branch s head office. 24 See Basel Committee on Banking Supervision, International convergence of capital measurement and capital standards, June 2006 (http://www.bis.org/publ/bcbs128.pdf), paragraphs 145 and

93 1. Reporting institutions For the purposes of these statistics reported on an ultimate risk basis the reporting institutions are those included in type 1 of section A. Meaning that only domestically owned banks need to report their claims on an ultimate risk basis. 2. Business to be reported 2.1 On-balance sheet financial claims (columns 14, 15, 18 21) Reporting domestic banks are requested to provide quarterly data on cross-border on-balance sheet financial claims, except financial derivatives, of their offices worldwide and the claims of their foreign affiliates on residents of the countries where the offices are located. The data should be reported on a consolidated and ultimate risk basis, i.e. inter-office positions should be excluded and the positions should be allocated to the country where the final risk lies. The data on financial claims, except derivatives, should comprise all those balance sheet items which represent claims on residents in other individual countries or economies. The instruments include certificates of deposit, promissory notes and other negotiable paper issued by non-residents, banks holdings of international notes and coins, foreign trade-related credits, claims under sale and repurchase agreements with non-residents, deposits and balances placed with banks, loans and advances to banks and non-banks, holdings of securities and participations including equity holdings in other banks or non-bank subsidiaries. Borrowing and lending of securities, gold and other precious metals without cash collateral should not be reported as international banking business. Holdings of securities also include credit-linked notes and other collateralized debt obligations and asset-backed securities. If derivatives are booked on-balance sheet, they should not be included in the reporting of financial claims but listed separately under the item Derivative contracts (see 2.2 below). Reporting domestic banks should also provide a breakdown between cross-border claims of all their offices on the one hand and local claims of their foreign offices on the other. 2.2 Derivative contracts (column 22) Derivatives contracts with a positive market value have to be reported separately, regardless of whether the derivative contracts are booked as off- or on-balance sheet items. Reporting domestic banks are requested to provide consolidated data on the cross-border financial claims resulting from derivative contracts of all their offices worldwide and the financial claims from derivative contracts of their foreign offices vis-à-vis residents of the countries where the offices are located. The data should be reported on a consolidated and ultimate risk basis, i.e. inter-office positions should be excluded, and the positions should be allocated to the country where the final risk lies. For the valuation of derivative contracts see section F.2. 93

94 The data should cover in principle all derivative contracts that are reported in the context of the BIS s regular semi-annual OTC derivatives statistics. The data thus mainly comprise forwards, swaps and options relating to foreign exchange, interest rate, equity, commodity and credit derivative contracts. Credit derivatives, such as credit default swaps and total return swaps, should only be reported under the item Derivative contracts if they are held for trading by a protection-buying reporting bank. Credit derivatives that are not held for trading should be reported as Risk transfers by the protection buyer and all credit derivatives should be reported as Guarantees by the protection seller (see below). 2.3 Guarantees extended (column 23) Guarantees extended are contingent liabilities arising from an irrevocable obligation to pay a thirdparty beneficiary when a client fails to perform some contractual obligation. They include secured, bid and performance bonds, warranties and indemnities, confirmed documentary credits, irrevocable and standby letters of credit, acceptances and endorsements. Reporting domestic banks are requested to provide data on guarantees outstanding vis-à-vis non-residents of all their offices worldwide and the exposures of their foreign offices from guarantees vis-à-vis residents of the countries where these offices are located. Guarantees extended also include the contingent liabilities of the protection seller of credit derivative contracts. Guarantees should be reported to the extent that they represent the unutilised portions of both binding contractual obligations and any other irrevocable commitments. They should only cover those obligations which, if utilised, would be reported in total cross-border claims and local claims of foreign offices in any currency. Performance bonds and other forms of guarantee should only be reported if, in the event of the contingency occurring, the resulting claim would have an impact on total cross-border claims and local claims of foreign offices in any currency. They should be reported on an ultimate risk basis, i.e. inter-office positions should be excluded and except when the exposure is mitigated by cash collateral or by exposure to a resident (i.e. home country) third party, in which case no foreign exposure is reported the positions should be allocated to the country where the final risk lies. 2.5 Credit commitments (column 24) Credit commitments are arrangements that irrevocably obligate an institution, at a client s request, to extend credit in the form of loans, participation in loans, lease financing receivables, mortgages, overdrafts or other loan substitutes or commitments to extend credit in the form of the purchase of loans, securities or other assets, such as backup facilities including those under note issuance facilities (NIFs) and revolving underwriting facilities (RUFs). 94

95 Reporting domestic banks are requested to provide data on credit commitments vis-à-vis non-residents of all their offices worldwide and the exposures of their foreign offices from guarantees vis-à-vis residents of the countries where these offices are located. Credit commitments should be reported to the extent that they represent the unutilised portions of both binding contractual obligations and any other irrevocable commitments. They should only cover those obligations which, if utilised, would be reported in total cross-border claims and local claims of foreign offices in any currency. Credit commitments should be reported on an ultimate risk basis, i.e. inter-office positions should be excluded and except when the exposure is mitigated by cash collateral or by exposure to a resident (i.e. home country) third party, in which case no foreign exposure is reported the positions should be allocated to the country where the final risk lies. D. Consistency between immediate and ultimate borrower statistics The risk transfer information on foreign claims on an immediate borrower basis is used to derive foreign claims on an ultimate risk basis. From a conceptual point of view, taking into account net risk transfers, foreign claims on an immediate borrower basis should be equal to foreign claims on an ultimate risk basis. This should hold for claims of banks on each individual vis-à-vis country. E. Counterparties country, sector and maturity breakdowns Reporting banks are requested to provide three principal breakdowns of their banks financial claims: (1) by country, (2) by sector and (3) by maturity. 1. Country breakdown A full breakdown by individual debtor country consistent with the balance of payments concept of residence of the counterparty is requested for all types of claims on immediate and ultimate risk in the context of the consolidated banking statistics. This includes all on and off-balance sheet claims and the data on risk transfers. 2. Sector breakdown Reporting banks are also requested to provide a sector breakdown by borrower for the following types of claims: (i) Total international claims on an immediate borrower basis, i.e. cross-border claims plus local claims in foreign currency of foreign offices of reporting banks; (ii) Total foreign claims on an ultimate risk basis, i.e. cross-border claims plus total local claims in all currencies of foreign offices of reporting banks. The following sectors should be identified separately: Banks; those institutions whose business it is to receive deposits and/or close substitutes for deposits and to grant credits or invest in securities on their own account 95

96 Public sector; comprises the general government sector, central banks and multilateral development banks; Non-bank private sector; is composed of non-bank financial institutions and non-financial corporations, be they private or public, and households, including non-profit institutions serving households. In contrast to some other statistics claims on foreign official monetary authorities and multilateral development banks, as well as on other international organizations, should be placed in the public sector category, instead of the bank category, and claims on publicly owned enterprises other than banks should be allocated to the non-bank private sector. While positions of international institutions are requested separately as an exclusive member in the vis-à-vis country breakdown, the positions of official monetary authorities should be allocated to the respective countries of their residence. Please note that the BIS and the ECB should be classified by reporters as public sector institutions resident in Switzerland and Germany respectively. 3. Maturity breakdown (immediate borrower basis only) Reporting banks are also requested to provide a maturity breakdown for total international claims (cross-border claims plus local claims in foreign currency of foreign offices of reporting banks) on an immediate borrower basis based on the concept of remaining maturity. The following four maturity bands are distinguished: up to and including one year: i.e. original maturity of up to one year plus original maturity of more than one year but falling due within the next 12 months. over one year and up to and including two years over two years unallocated Deposits or claims of banks that are receivable on demand should be allocated to the up to and including one year maturity bracket. Claims that cannot be classified by maturity, such as equities and participations, should be assigned to a residual category ( unallocated ). The maturities should be defined on the basis of the time to the final payment of the relevant claim (with respect to the reporting period). 96

97 F. Other reporting conventions 1. Netting of assets Financial claims should generally be reported on a gross basis. However, head offices of banks should exclude claims on their own offices in any other country. Financial claims resulting from derivative contracts should be netted only for those contracts that are with the same counterparty and that are covered under a legally enforceable netting agreement. For all other derivative contracts, the gross positive fair values must be reported. Negative market values of derivative contracts are considered to represent financial liabilities and are therefore excluded by definition from the reporting of financial claims. Reporting of financial claims resulting from derivative contracts should in principle be consistent with the replacement value, when compliant with accounting standards used to produce the balance sheet 25. For more information please refer to box Valuation For the purpose of measuring international banking business, in particular international lending and borrowing by banks, in a consistent and comparable way, it is recommended that the international assets and liabilities in local currency with local residents of domestic banks foreign affiliates reported be valued as far as possible according to uniform valuation principles. This would enhance consistency with other statistical systems such as the SNA, the balance of payments and the international investment position statistics. It is therefore recommended that, in principle, banks international claims be valued at market prices. Where market values are not appropriate, contractual or nominal values should be used. For instance, loans in the banking books, which in principle should be assigned nominal value, should be valued in accordance to the reporting countries accounting standards. In consolidated banking on an immediate borrower basis only local liabilities of foreign offices of domestic banks are reported (column 17). For these local liabilities, however, contractual or nominal rather than market values are considered more appropriate. It is also recognised that national accounting rules may require different valuation methods depending on the type of asset or liability. Financial claims resulting from derivative contracts (column 22) should be valued at market prices or fair values. Net positive fair values i.e. positive fair values less negative fair values (or zero, whichever is greater) can be reported for only those contracts that are both with the same counterparty and covered under a legally enforceable netting agreement. For all other contracts, the gross positive fair values must be reported. Negative market values of derivative contracts are considered to represent financial liabilities and are therefore excluded by definition from the reporting of financial claims. 25 Replacement value is also referred as net mark-to-market value that can be either a gross positive or a gross negative value. 97

98 Contingent liabilities resulting from guarantees extended (column 23) and credit commitments (column 24) should be valued at face value or the maximum possible exposure. Box 2: Examples for market or fair values of derivative contracts The following examples indicate how to calculate the market or fair value of various derivative contracts: For a forward, a contract to purchase USD against EUR at a forward rate of 1.00 when initiated has a positive market value if the EUR/USD forward rate for the same settlement date is lower than 1.00 at the time of reporting. It has a negative market value if the forward rate is higher than 1.00 at the time of reporting, and it has a zero market value if the forward rate is equal to 1.00 at the time of reporting. For swaps, which involve multiple (and sometimes two-way) payments, the market or fair value is the net present value of the payments to be exchanged between the counterparties between the reporting date and the contract s maturity, where the discount factor to be applied would normally reflect the market interest rate for the period of the contract s remaining maturity. Thus, a fixed/floating swap which, at the interest rates prevailing at the reporting date, involves net annual receipts by the reporter of e.g. 2% of the notional principal amount for the next three years has a positive marked to market (or replacement) value equal to the sum of three net payments (each 2% of the notional amount), discounted by the market interest rate prevailing at the reporting date. If the contract is not in the reporter s favour (ie the reporter would have to make net annual payments), the contract has a negative net present value. Unlike forwards or swaps, OTC options have a market or fair value at initiation which is equal to the premium paid to the writer of the option. Throughout their life, option contracts can only have a positive market or fair value for the buyer and a negative market or fair value for the seller. If a quoted market price is available for a contract, the market value to be reported for that contract is the product of the number of trading units of the contract multiplied by that market price. If a quoted market price is not available, the market or fair value of an outstanding option contract at the time of reporting can be determined on the basis of secondary market prices for options with the same strike prices and remaining maturities as the options being valued, or by using option pricing models. In an option pricing model, current quotes of forward prices for the underlying (spot prices for American options) and the implied volatility and market interest rate relevant to the option s maturity would normally be used to calculate the market values. As with other derivative contracts, the fair value of options sold and purchased should not be netted against each other unless they are with the same counterparty and are covered by a qualified netting agreement. 3. Arrears, provisions and write-offs The following reporting procedures are recommended for arrears, provisions and write-offs: A. Arrears of interest and principal Until they are written off, interest in arrears on financial claims and principal in arrears (including capitalised interest) should be included in the data on financial claims. B. Provisions International financial claims against which provisions have been made are normally reported as foreign assets at their gross value. C. Write-offs of claims and debt forgiveness Although an asset which has been written off may still be a legally enforceable claim, it is recommended that such items be excluded from the reported data. This is because the writing-off process can be seen as reflecting the judgment that the current or prospective price of the claim is zero. The same reporting convention is recommended for reductions in claims due to debt forgiveness, i.e. cancellations of claims via contractual arrangements between debtors and creditors. 98

99 G. Specific reporting cases - questions and answers 1. Questions about consolidation Question 1: Are there any rules concerning consolidation across sectors (e.g. other financial intermediaries, non-banks) in the consolidated statistics? Answer: For the purposes of the consolidated banking statistics, it is recommended to follow the supervision rules for the consolidation across sectors. Question 2: How should the business among different branches worldwide of a bank be consolidated? Answer: A bank may have branches in the reporting country and affiliates/offices in (other) different countries. The positions vis-à-vis related foreign offices and among offices/affiliates of the same bank in the same or different countries should not be reported in the consolidated banking statistics. For consolidated banking such positions constitute inter-office business. 2. Specific questions Question 3: If a bank is taken over by a non-bank entity, should it discontinue reporting? Answer: Only the banking business of the non-bank entity should be reported. In other words, the bank concerned should continue to report its banking business (see Section C.1: Reporting Institutions). Question 4: Can claims outstanding be negative and be reported as such? Answer: Reporting of negative stock amounts may be acceptable in exceptional cases of short positions on derivative instruments and portfolio investment. It is expected these amounts would be reported on the asset side in the Other Assets instrument category. Question 5: How should the balances in dormant accounts be treated/reported? Answer: The reporting bank should report dormant liabilities/claims to the country of the last indicated address. Question 6: How should loans related to movable assets (like loans to shipping companies) be reported? Answer: The residence country of the owner of the movable assets should be treated as the immediate country exposure and the guarantor s country as the ultimate risk exposure. 99

100 Question 7: How should euro banknotes and coins be reported in the consolidated banking? Answer: Banks holdings of international notes and coins that are in circulation and commonly used to make payments should be recorded as claims. In the case of the geographical allocation of euro banknotes and coins, due to the impossibility for the reporting banks to split their holdings according to the issuing countries, it is recommended to the non-euro area reporting countries to allocate these banknotes and coins as claims on the ECB, which is included under Germany in the country classification. Question 8: Should local positions in local currency of a subsidiary s subsidiary in the same country be reported? Answer: For the purpose of reporting consolidated banking data, a subsidiary of a bank s subsidiary should be treated the same as branches/offices of reporting institutions. If the subsidiary s subsidiary resides in the same country as its parent institution, local claims should not be reported. Local claims relate only to foreign affiliates. Question 9: How should letters of credit confirmed by another bank be treated? Answer: Letters of credit are to be treated as a guarantee; confirmation should be disregarded on an immediate borrower basis. Question 10: How should the value of a guarantee be reported when it exceeds that of the related asset? Answer: The full guarantee value should be reported as a guarantee extended with the same ultimate risk allocation as the claims. Question 11: How should be allocated the holdings of bonds issued by the European Financial Stability Facility (EFSF) and Mechanism (ESFM), and how should be classified the European Stability Mechanism (ESM) which will replace both EFSF and EFSM from 2013? Answer: On an immediate borrower basis, holdings of debt securities issued by EFSF and EFSM should, in the geographic allocation, be reported vis-à-vis Luxembourg / non-bank private sector up to 2013 and later on vis-à-vis International organisations / public sector, as the European Stability Mechanism (ESM) will fall under the international organizations category. On an ultimate risk basis, practical issues were recognised for the reporting on a pro-rata basis (vis-à-vis 17 euro area member states). It is therefore recommended to report vis-à-vis International organisations (1C) / public sector. Question 12: How should credit default swaps be reported? Answer: Credit default swaps (CDS), like other credit derivatives such as total return swaps, should be reported under the item Derivatives contracts at positive market value if they are held for trading by 100

101 a protection-buying reporting bank. CDS that are not held for trading should be reported as risk transfers by the protection buyer and all CDS should be reported as Guarantees extended by the protection seller. CDS sold should be reported at gross (not net) notional values, net of cash collateral, under guarantees extended vis-à-vis the country of the underlying reference entity, where the final risk lies. However, positions vis-à-vis resident counterparties on an ultimate risk basis should not be reported under the current reporting requirements. 3. Sector classification Question 13: How are the immediate/ultimate country and sector decided for mortgage-based loans? Answer: As mentioned in Section C, collateral may be considered as an indicator of where the final risk lies to the extent that it is recognised as a risk mitigant according to the supervisory instructions in the reporting country. The lists of recognised collateral under various approaches of credit risk mitigation are available in the Basel Capital Accord document. In the following example, it is assumed that mortgage-backed securities are recognised as a credit risk mitigant by the reporting central bank. Based on this assumption, the situation could develop as follows: In the case of a loan to a German company that is secured by real estate in the United States, the German non-bank private sector could be considered as the immediate borrower and the US unallocated sector as the ultimate borrower. In the case of the same loan being secured by asset-backed securities issued by a US bank, which in turn are based on mortgage-backed loans to the non-bank private sector, the question arises as to whether these loans were extended to US companies and whether they are in turn backed by real estate in the United States. If both conditions were met, the treatment would be the same as before based on the look-through approach, whereby the immediate borrower is the German non-bank sector and the ultimate borrower is the US unallocated sector. This is simply the result of the special treatment of mortgage-backed loans where the location of the mortgage determines the choice of country. The second difference is in the sector allocation. This should be different, as in both cases the loan is directly or indirectly secured by real estate located in the United States. Question 14: If a Japanese bank purchases emissions credits from a Brazilian power company in which sector should the bank report this position? Answer: Under non-bank private sector vis-à-vis Brazil. Question 15: What sector should be used for fixed assets, such as equities and participations? Answer: Unallocated. 101

102 Question 16: What should be the sector for quasi-government organisations, such as Ginnie Mae, Fannie Mae and Freddie Mac? Answer: On an immediate borrower basis, quasi-government organisations should be classified as non-bank private sector. This is consistent with SNA/BPM framework (Ref. External Debt Statistics Guide 2003, section 3.6, page 25 and section 5.5, page 39). On an ultimate risk basis, if claims on these institutions are covered by an explicit government guarantee, they should be reallocated to the public sector (e.g. Fannie Mae and Freddie Mac have an explicit government guarantee through end- 2012). Question 17: What should be the sector for the balances arising from Repo transactions? And in the special case of resale agreements? Answer Repo: In a repo agreement, on an immediate borrower basis, the country as well as the sector would depend on the counterparty of the repo-contract and not on the underlying instrument. If the contract/transaction is with a bank, then the sector is "bank" and if with a central bank then the public sector. The inward risk transfers and the country/sector on ultimate risk basis would depend on the issuer of underlying instrument, i.e. if the underlying asset/instrument is US bonds/securities of a private company, then the country of ultimate risk would be the US (inward risk transfer) and the sector, the non-bank private one. Answer Resale contract: In a resale contract, only claims should be reported, i.e. only when a bank is entering in an agreement to resale securities that it initially purchased. Then, on an immediate borrower basis, the country and the sector would depend on the counterparty to the agreement as indicated above. Same as above is requested regarding the ultimate risk allocation. 102

103 4. Immediate and ultimate risk Question 18: What should be the country of immediate exposure of claims on brass plate companies? Answer: The country of immediate exposure is the country where the company is officially registered. Question 19: How should risk transfer be reported when gold is used as collateral? Answer: If the country in which the collateral is held differs from the country of the immediate borrower, then the collateral will result in an outward risk transfer from the country of the immediate borrower (and an inward risk transfer for the country in which the collateral is held). Same reporting applies also to other precious metals when used as collateral. As in the case of locational banking, borrowing and lending of securities and gold without cash collateral should not be reported as international banking business. Question 20: What should the country/sector of ultimate risk be for a cash balance? Answer: This should be classified as a claim on the currency issuing authority. For example, for cash balances in US dollars, the country of immediate and ultimate risk is the United States. Similarly, the sector of immediate and ultimate risk is public sector (claim on the US Federal Reserve). Question 21: What should be the country/sector of ultimate risk for cheques purchased? Answer: This depends on the type of cheque (customer/private cheque, banker s cheque?). Private cheques drawn on a bank should be reported as off-balance sheet items (as these are sent on collection). Even if a bank purchases cheques (banker s cheques or other types of cheque), these should be classified based on where the final risk lies (i.e. the issuer s parent country/sector). Please note that the sector of a parent institution could be different from that of the immediate counterparty. Question 22: What is the country of ultimate risk for cash collateral (received against loans extended)? Answer: Ultimate risk data are required only for domestic banks. If deposits or cash are used as collateral, the cash collateral holder is the (domestic) bank itself and hence there is no need to report inward risk. 103

104 ANNEX: Examples for the reporting of individual transactions 26 Reporting Country: NL Immediate borrower reporting Ultimate risk reporting A. Loans and deposits 1. A NL bank has extended a loan to a corporate in Japan which is backed by a guarantee from a bank in the UK 2. A NL bank has extended a loan to a corporate in Japan which (a) is backed by a guarantee from a bank in the NL or (b) has provided NL Treasury paper as collateral 3. A NL bank has a deposit with a branch of a Japanese bank in the UK Type of bank Type of claim Sector Vis-à-vis land Domestic International Private Domestic International sector Private sector Japan Japan Type of risk transfer Inward: UK Outward: Japan Domestic International Bank UK Inward: Japan Type of claim Sector Vis-à-vis land Cross-border Bank UK Outward: Japan None None None Outward: UK Cross-border Bank Japan 4. A NL bank has extended a loan to a corporate in Japan. The corporate has provided UK government securities as collateral 5. A NL bank has extended a loan to a corporate in Japan. In order to hedge the counterparty risk, the NL bank has bought credit derivative issued by a bank in the UK 6. A subsidiary of a NL bank in Japan has a deposit in local currency with a branch of a UK bank in Japan Domestic International Private sector Japan Inward: UK Outward: Japan Domestic International Private Japan Inward: UK sector Outward: Japan Domestic Local claims in Bank Japan Inward: UK local currency Outward: Japan Cross-border Public UK Cross-border Bank UK Cross-border Bank UK 26 Please note that the term bank only refers to either head offices of banks or their legally independent and incorporated subsidiaries, but not to branches of banks, which are referred to separately. In addition, the term none should be read as meaning no reporting required. 104

105 Reporting Country: NL A. Loans and deposits Immediate borrower reporting Ultimate risk reporting Type of bank Type of claim Sector Vis-à-vis land Type of risk transfer Type of claim Sector Vis-à-vis land 7. A subsidiary of a NL bank in Japan has extended a loan in foreign currency to a corporate in Japan. The corporate has provided NL government securities as collateral 8. A subsidiary of a NL bank in Japan has extended a loan to a corporate in the UK guaranteed by a bank in Japan 9. A branch of a NL bank in Japan has a deposit with a branch of a Japanese bank in the US 10. A Japanese bank in NL has extended a loan to a corporate in Japan (reporting by the Japanese bank s branch in NL) Domestic International Private sector Japan Outward: Japan None None None Domestic International Private UK Inward: Japan Local Bank Japan sector Outward: UK Domestic None None None Inward: Japan Local Bank Japan Consolidated International Private Japan None None None None inside-area sector foreign bank 11. A Japanese bank in NL has extended a loan to a corporate in the UK (reported by the Japanese bank s branch in NL) 12. A Philippine bank in the US has extended a loan to a bank in Japan (reported by the Philippine bank s branch in the US) Consolidated inside-area foreign bank Unconsolidated outside-area foreign bank None None None None None None None International Bank Japan None None None None 105

106 Reporting Country: NL A. Loans and deposits Immediate borrower reporting Ultimate risk reporting Type of bank Type of claim Sector Vis-à-vis land Type of risk transfer Type of claim Sector Vis-à-vis land 13. A subsidiary of a NL bank in Canada acquires credit card claims in local currency on customers in Canada. Subsequently, the bank issues asset-backed securities against these claims and sells the securities in Canada 14. The business of a subsidiary of a UK bank in NL has not been consolidated by the parent. This subsidiary has extended a loan to a corporate in Japan guaranteed by a bank in Canada 15. A NL bank has extended a loan to a subsidiary of a Japanese bank in the UK. The subsidiary has received an explicit guarantee from its head office 16. A NL bank has a sale and repurchase transaction (repo) involving the sale of a USD denominated security with a commitment to repurchase the same asset with a branch of an UK bank in Austria Domestic Unconsolidated inside-area foreign bank Local claims in local currency International Private sector Private sector Canada Outward: Canada Domestic International Bank UK Inward : Japan Outward : UK Domestic International Bank Austria Inward : UK Outward : Austria None None None Japan None None None None Cross-border Bank Japan Cross-border Bank UK 106

107 Reporting Country: NL Immediate borrower reporting Ultimate risk reporting B. Securities 1. A NL bank has purchased securities issued by a Japanese bank against credit card claims on Japanese nonbanks 2. A NL bank has purchased securities issued by a branch of a Japanese bank in NL 3. A Japanese bank in NL has purchased Japanese government securities (reporting by the Japanese bank in NL) 4. A Japanese bank in NL has purchased UK government securities (reporting by the Japanese bank in NL) Type of bank Type of claim Sector Vis-à-vis land Type of risk transfer Domestic International Bank Japan Inward: Japan Domestic Consolidated inside-area foreign bank Consolidated inside-area foreign bank None None None International Public sector Outward: Japan Type of claim Sector Vis-à-vis land Cross-border Private sector Japan Inward: Japan Cross-border Bank Japan Japan None None None None None None None None None None None 5. A Philippine bank in NL has purchased UK government securities (reporting by the Philippine bank in NL) Unconsolidated outside-area foreign bank International Public sector UK None None None None 6. A NL bank in Japan has purchased securities issued by a subsidiary of a Japanese bank in Canada and the issue of securities has been explicitly guaranteed by the parent 7. A Japanese bank in the UK has sold securities issued by a subsidiary of a Japanese bank in Canada and the issue of securities has been explicitly guaranteed by the parent Domestic International Bank Canada Inward: Japan Outward: Canada Domestic International/ Bank UK Inward: Japan Local claims in Outward: UK local currency, if in pounds Local Bank Japan Cross-border Bank Japan 107

108 Reporting Country: NL Immediate borrower reporting Ultimate risk reporting A. Derivatives Note: Derivatives (on- and off-balance sheet) should not be reported on a consolidated and ultimate risk basis. 1. A NL bank has bought credit derivatives issues by a bank in the UK which are recorded in the trading book of the NL bank 2. A NL bank has bought interest rate derivatives issued by a branch of a Japanese bank in the UK 3. A NL bank has bought equity derivatives issued by another NL bank. The bank has provided UK government securities as collateral 4. A branch of a NL bank in Japan has bought interest rate derivatives issued by a branch of a UK bank in Japan 5. A subsidiary of a NL bank in Japan has bought equity derivatives issues by a branch of a NL bank in Japan 6. A Japanese bank in NL has bought credit derivatives issued by a bank in Japan with are recorded in the trading book of a Japanese bank in NL Type of bank Type of claim Sector Vis-à-vis land Type of risk transfer Type of claim Domestic None None None None Derivatives UK Domestic None None None None Derivatives Japan Domestic None None None None Derivatives UK Domestic None None None None Derivatives UK Domestic None None None None None None Consolidated inside-area foreign bank None None None None None None Vis-à-vis land 7. A Philippine bank in NL has bought credit derivatives issued by a bank in Japan which are recorded in the trading book of the Philippine bank in NL Unconsolidated outside-area foreign bank None None None None None None 108

109 Reporting Country: NL Immediate borrower reporting Ultimate risk reporting B. Guarantees and credit commitments Note: Derivatives (on- and off-balance sheet) should not be reported on a consolidated and ultimate risk basis. 1. A NL bank has guaranteed a loan extended by a bank in Japan to the branch of a UK bank in Hong Kong 2. A NL bank has made a credit commitment to a corporate in the UK 3. A NL bank has made a credit commitment to a branch of a UK bank in Japan 4. A NL bank has sold a credit derivative on a German corporate to a branch of a Japanese bank in UK 5. A subsidiary of a NL bank in Japan has guaranteed a loan extended by a Japanese bank to a branch of a UK bank in Japan 6. A branch of a NL bank in Japan has made a credit commitment to a corporate in Japan 7. A Philippine bank in NL has guaranteed a loan extended by a Japanese bank to a corporate in the Philippines Type of bank Type of claim Sector Vis-à-vis land Type of risk transfer Type of claim Domestic None None None None Guarantee UK Domestic None None None None Credit commitment UK Domestic None None None None Credit commitment UK Vis-à-vis land Domestic None None None None Guarantee Germany Domestic None None None None Guarantee UK Domestic Unconsolidated outside-area foreign bank None None None None Credit commitment Japan None None None None None None 8. A Japanese bank in NL has guaranteed a loan extended by a UK bank to a corporate in France Consolidated inside-area foreign bank None None None None None None 109

110 Form 8024 Title Reporting population Frequency Reporting deadline OTC Derivatives Markets Statistics Largest banks / leading international dealers Half yearly 6 weeks after half-year end General Guidelines Introduction As of end-june 1998, the central banks of the G10 countries introduced the regular collection of statistics on derivatives markets through reporting by leading global dealers. The objective of the reporting exercise is to obtain reasonably comprehensive and internationally consistent information on the size and structure of over-the-counter (OTC) derivatives markets. The purpose of the statistics is to increase market transparency and thereby help central banks, other authorities and market participants to better monitor patterns of activity in the global financial system. The semi-annual derivatives statistics are part of a global reporting exercise carried out under the auspices of the Bank for International Settlements (BIS). The reporting exercise covers the collection of market data on notional amounts and gross market values outstanding of broad categories of foreign exchange, interest rate, equity-based and commodity derivative instruments, and on credit derivatives. The statistics also include derivatives-related credit exposures before and after netting arrangements. Types of data requested To gauge the size of the OTC derivatives markets, the statistics will collect the following types of data of the reporting institution: o outstandings in nominal or notional amounts (Tables 1A, 2A, 3A & 4) o outstandings in gross (positive and negative) market values (Tables 1B, 1C, 2B, 2C, 3B & 3C) o gross market values, current credit exposure and liabilities arising from OTC derivatives contracts (Table 5) Data reported should reflect positions as on the last business day of June or December, as appropriate. 110

111 Nominal or notional amounts outstanding are defined as the gross nominal or notional value of all deals concluded and not yet settled at the reporting date. The data should in principle be reported on a consolidated basis, i.e. inter-company deals should always be excluded, even if they relate to transactions with affiliates which are unconsolidated based on ownership criteria but are in effect controlled by the reporting institution. For contracts with variable nominal or notional principal amounts, the basis for reporting should be the nominal or notional principal amounts at the time of reporting. No netting of contracts is permitted for purposes of this item. Therefore (1) obligations of the reporting bank to purchase from third parties against the bank's obligations to sell to third parties, (2) written options against purchased options, or (3) contracts subject to bilateral netting agreements should not be netted. The notional amount or par value to be reported for a derivative contract with a multiplier component is the contract's effective notional amount or par value. For example, a swap contract with a stated notional amount of $1,000,000 whose terms called for quarterly settlement of the difference between 5% and LIBOR multiplied by ten has an effective notional amount of $10,000,000. The par value to be reported is that of the contract itself and not the par value of financial instruments intended to be delivered under forward contracts. Swaps; the notional amount of a swap is the underlying principal amount upon which the exchange of interest, foreign exchange or other income or expense is based. Equity and commodity-linked contracts; the contract amount to be reported for an equity or commodity contract is the quantity, e.g. number of units, of the commodity or equity product contracted for purchase or sale multiplied by the contract price of a unit. The notional amount to be reported for commodity contracts with multiple exchanges of principal is the contractual amount multiplied by the number of remaining exchanges of principal in the contract. Credit derivatives; the contract amount to be reported for credit derivatives is the nominal value of the relevant reference credit. Credit linked notes do not fall within the scope of this survey and are therefore not to be reported. Gross market values are defined as the sum of the absolute values of all open contracts with either positive or negative replacement values evaluated at market prices prevailing at the reporting date. Replacement values stand for the price to be received or paid if the instrument were sold in the market at the time of reporting. Market values are the amounts at which a contract could be exchanged in a current transaction between willing parties, other than in a forced or liquidation sale. If a quoted price is available for a contract, the number of trading units should be multiplied by that market price. If a quoted market price is not available, the reporting institution should provide its best estimate of market 111

112 value based on the quoted price of a similar contract or on valuation techniques such as discounted cash flows. The term gross is used to indicate that contracts with positive and negative replacement values with the same counterparty should not be netted. Nor should the sums of positive and negative contract values be set off against each other within a risk category such as foreign exchange, interest rate, equity, commodity, credit and other. Thus, the gross positive market value of a firm's outstanding contracts is the sum of all positive replacement values of a firm s contracts. Similarly, the gross negative market value is the sum of all negative values of a firm s contracts. In the case of forwards and swaps, the market (or replacement) value of outstanding contracts to which the reporter is a counterparty is either positive, zero or negative, depending on how underlying prices have moved since the contract's initiation. Please see the examples of how to calculate the market value of forwards and swaps in Annex II. Unlike forwards or swaps, OTC options have a market value at initiation, which is equal to the premium paid to the writer of the option. Throughout their life option contracts can only have a positive market value for the buyer and a negative market value for the seller. If a quoted market price is available for a contract, the market value to be reported for that contract is the product of the number of trading units of the contract multiplied by that market price. If a quoted market price is not available, the market value of an outstanding option contract at the time of reporting can be determined on the basis of secondary market prices for options with the same strike prices and remaining maturities as the options being valued, or by using option pricing models. In an option pricing model, current quotes of forward prices for the underlying (spot prices for American options) and the implied volatility and market interest rate relevant to the option's maturity would normally be used to calculate the market values. Gross positive market value would be the sum of the current market values of all purchased options, and gross negative market value would be the sum of the values of sold options. Options sold and purchased with the same counterparty should not be netted against each other, nor should offsetting bought and sold options on the same underlying. For transactions linked to synthetic portfolio products such as CDS for a super senior tranche, it may be difficult to calculate a market value. In these cases, the data may be partly estimated and should be reported on a best effort basis. This information is not requested for the index products and it should be broken down only by instrument and by counterparty, no further breakdowns by rating, sector, location of counterparty, etc., are requested for this particular data type. 112

113 Instrument types For each market risk category, the following instrument breakdown is in principle requested: Forwards contracts Swaps OTC options: sold & bought Other products Forward contracts. Forward contracts represent agreements for delayed delivery of financial instruments or commodities in which the buyer agrees to purchase and the seller agrees to deliver, at a specified future date, a specified instrument or commodity at a specified price or yield. Forward contracts are generally not traded on organised exchanges and their contractual terms are not standardised. The reporting exercise should also include transactions where only the difference between the contracted forward outright rate and the prevailing spot rate is settled at maturity, such as non-deliverable forwards (i.e. forwards which do not require physical delivery of a non-convertible currency) and other contracts for differences. Those forward contracts are to be reported that have been entered into by the reporting bank and are outstanding (i.e. open contracts) as at the reporting date. Contracts are outstanding (i.e. open) until they have been cancelled by acquisition or delivery of the underlying financial instrument or commodity or settled in cash. Such contracts can only be terminated, other than by receipt of the underlying asset, by agreement of both buyer and seller. Swaps. Swaps are transactions in which two parties agree to exchange payment streams based on a specified notional amount for a specified period. Forward-starting swap contracts should be reported as swaps. For swaps executed on a forward/forward basis, both forward parts of the transaction should be reported separately. In contrast, in the case of foreign exchange swaps, which are concluded as spot/forward transactions, only the unsettled forward part of the deal is to be reported. OTC options. Option contracts convey either the right or the obligation, depending upon whether the reporting institution is the purchaser or the writer, respectively, to buy or sell a financial instrument or commodity at a specified price up to a specified future date. OTC option contracts include all option contracts not traded on an organised exchange. Swaptions, i.e. options to enter into a swap contract, and contracts known as caps, floors, collars and corridors should be reported as options. Options such as call feature embedded in loans, securities and other on-balance sheet assets do not fall within the scope of the regular derivatives market statistics and are therefore not to be reported unless they are a derivative instrument that must be treated separately under FAS 133 or IAS 39. These accounting standards require the bifurcation of derivatives that are not clearly and closely related to the host contract. Commitments to lend are not considered options for purposes of this reporting. 113

114 Sold options. Data are requested on the financial instruments or commodities that the reporting bank has, for compensation (such as a fee or premium), obligated itself to either purchase or sell under OTC option contracts. Also to be reported are data for written caps, floors and swaptions and for the written portion only of collars and corridors. Bought options. Data are requested on the financial instruments or commodities for which the reporting bank has, for a fee or premium, acquired the right to either purchase or sell under OTC option contracts. Also to be reported are data for purchased caps, floors and swaptions and for the purchased portion only of collars and corridors. Other products. Other derivative products are instruments where decomposition into individual plain vanilla instruments such as forwards, swaps or options is impractical or impossible. Examples of "other" products are swaps with underlying notional principal in one currency and fixed or floating interest rate payments based on interest rates in currencies other than the notional (differential swaps or diff swaps) and instruments with leveraged payoffs and/or those whose notional principal varies as a function of interest rates, such as swaps based on LIBOR squared or index amortising rate swaps. Further instrument definitions and reporting categorisations are provided in Annex I below. Categorisation of derivatives involving more than one market risk category Individual derivatives transactions are to be categorised into six risk classes: foreign exchange, singlecurrency interest rate, equity, commodity, credit and other. In practice, however, individual derivatives transactions may straddle more than one risk category. In such cases, transactions that are simple combinations of exposures should be reported separately in terms of their individual components, as explained in Annex I below. Transactions that cannot be readily broken down into separable risk components should be reported in only one risk category. The allocation of such products with multiple exposures should be determined by the underlying risk component that is most significant. However, if, for practical reasons, reporting institutions are in doubt about the correct classification of multi-exposure derivatives, they should allocate the deals according to the following order of precedence: Commodities. All derivatives transactions involving a commodity or commodity index exposure, whether or not they involve a joint exposure in commodities and any other risk category (i.e. foreign exchange, interest rate or equity), should be reported in this category. Equities. With the exception of contracts with a joint exposure to commodities and equities, which are to be reported as commodities, all derivatives transactions with a link to the performance of equities or equity indices should be reported in the equity category. That is, equity deals with exposure to foreign 114

115 exchange or interest rates should be included in this category. Quanto-type instruments are an example of deals with joint equity and foreign currency exposures and would be reported in this category. Foreign exchange. This category will include all derivatives transactions (with the exception of those already reported in the commodity or equity categories) with exposure to more than one currency, be it in interest or exchange rates. Single-currency interest rate contracts. This category will include derivatives transactions in which there is exposure to only one currency's interest rate. This category should include all fixed and/or floating single-currency interest rate contracts including forwards, swaps and options. Reporting basis The survey is conducted among credit institutions that are active players in OTC derivatives markets. The reporting of amounts outstanding data should be on a consolidated basis. This means that data from all branches and (majority-owned) subsidiaries worldwide of a given institution must be added together and reported by the parent institution only to the official monetary authority in the country where the parent institution has its head office. Deals between affiliates (i.e. branches and subsidiaries) of the same institution must not be reported. Reporting deadline Reporting of data to De Nederlandsche bank should be no later than six weeks after the end of the two semi-annual reporting dates of end-december and at end-june of each year. Counterparties Reporting institutions are requested to provide for each instrument in the foreign exchange, interest rate and equity derivatives risk categories a breakdown of contracts by counterparty as follows: Reporting dealers are defined as those institutions which participate in the semi-annual BIS OTC derivatives market statistics. Reporting dealers will mainly be commercial and investment banks and securities houses, including their branches and subsidiaries and other entities which are active dealers. A list of reporting dealers and their consolidated subsidiaries which are active in derivatives markets is made available by the De Nederlandsche Bank to the reporting institutions for this purpose. Other financial institutions covers all categories of financial institution not classified as reporting dealers, including banks, funds and non-bank financial institutions which may be considered as financial end-users. 115

116 A non-financial customer is any counterparty other than those described above, in practice mainly corporate firms and governments. Reporting institutions are requested to provide an extended counterparty breakdown for credit default swaps, whereby the non-reporting financial institutions should be broken down as follows: o o Banks and securities firms. Central Counterparties (CCPs): an entity that interposes itself between counterparties to contracts traded in one or more financial markets, becoming the buyer to every seller and the seller to every buyer (Annex IV).Insurance firms (including pension funds 27 ), reinsurance and financial guarantee firms. o Special Purpose Vehicles, Special Purpose Corporations and Special Purpose Entities 28 : legal entities that are established for the sole purpose of carrying out single transactions, such as in the context of asset securitisation through the issuance of asset-backed and mortgage-backed securities. These entities often lack any own employees. o o Hedge funds: mainly unregulated investment funds that typically hold long or short positions in commodity and financial instruments in many different markets according to a predetermined investment strategy and that may be highly leveraged. Other financial institutions: all remaining financial institutions that are not listed above. In practice, they will mainly include mutual funds. 27 As a general rule pension funds should be included under insurance firms. However, if they do not offer savings schemes involving an element of risk sharing linked to life expectancy they are more akin to mutual funds and should be included with the latter under other financial institutions. It is recognized that the recommended latter distinction might only be possible on a best effort basis. 28 See detailed definition in Annex

117 Guidelines to the Reporting Forms Foreign exchange and gold contracts (Table 1A, 1B and 1C) These contracts include deals involving the exchange of currencies in the forward market. They therefore cover outright forwards, foreign exchange swaps, currency swaps (including cross-currency interest rate swaps) and currency options. Foreign exchange contracts include all deals involving exposure to more than one currency, whether in interest rates or exchange rates. Gold contracts include all deals involving exposure to that commodity. For foreign exchange contracts, the following currency breakdown is requested: USD (US dollar), EUR (Euro), JPY (Japanese yen), GBP (Pound sterling), CHF (Swiss franc), CAD (Canadian dollar), SEK (Swedish krona), AUD (Australian dollar). The data for foreign exchange contracts are to be broken down on a single-currency basis. This means that the notional amount outstanding and the gross positive or negative market value of each contract will be reported twice, according to the currencies making up the two legs of the contract. The total of the amounts reported for individual currencies will thus add up to 200% of total amounts outstanding. For example, a reporting institution entering into a forward contract to purchase US dollars in exchange for euros with a notional principal amount of $100 million would report $100 million in the USD column, another $100 million in the EUR column, and $100 million in the Total column. Single-currency interest rate derivatives (Table 2A, 2B and 2C) Interest rate contracts are contracts related to an interest-bearing financial instrument whose cash flows are determined by referencing interest rates or another interest rate contract (e.g. an option on a futures contract to purchase a Treasury bill). Interest rate contracts include forward rate agreements, singlecurrency interest rate swaps and interest rate options, including caps, floors, collars and corridors. This category is restricted to those deals where all the legs are exposed to only one currency's interest rate. Thus it excludes contracts involving the exchange of one or more foreign currencies (e.g. crosscurrency swaps and currency options) and other contracts whose predominant risk characteristic is foreign exchange risk, which are to be reported as foreign exchange contracts. For interest rate contracts, the following currency breakdown is requested: USD (US dollar), EUR (Euro), JPY (Japanese yen), GBP (Pound sterling), CHF (Swiss franc), CAD (Canadian dollar), SEK (Swedish krona), AUD (Australian dollar). 117

118 Equity and commodity-linked derivatives (Table 3A, 3B and 3C) Equity derivatives contracts are contracts that have a return, or a portion of their return, linked to the price of a particular equity or to an index of equity prices. Equity-linked contracts must be categorised according to whether they are related to US, Japanese, European (excluding countries in Eastern Europe), Latin American, other Asian or other countries equity and stock indices. The contracts should be allocated according to the nationality of the issuer of the underlying rather than the country where the instrument is being traded. For commodity, credit and other derivatives, no further breakdown by risk factor is required. Commodity contracts are contracts that have a return, or a portion of their return, linked to the price of, or to a price index of, a commodity such as a precious metal (other than gold), petroleum, lumber or agricultural products. Please note that contracts that have a return, or a portion of their return, linked to the price of precious metals (other than gold) should be reported separately from other commodity-linked contracts. Notional amounts outstanding of OTC derivative contracts by remaining maturity (Table 4) For notional amounts outstanding of foreign exchange (including gold), interest rate and equity-linked contracts, a breakdown is requested by remaining maturity according to the following bands: o one year or less o over one year and up to five years o over five years In the case of transactions where the first leg has not come due, the remaining maturity of each leg should be determined as the difference between the reporting date and the settlement or due date, respectively, of the near and far-end legs of the transaction. Gross market values, current credit exposure and liabilities arising from OTC derivate contract (Table 5) Reporting institutions are requested to provide information on credit exposures and liabilities arising from OTC derivatives contracts. For contracts, which have a positive market value, reporting institutions are requested to report (1) the gross market value of these contracts, and (2) the market value (i.e. current credit exposure) after taking account of legally enforceable bilateral netting agreements. For contracts, which have a negative market value, reporting institutions are requested to report (1) the gross market value of these contracts, and (2) the market value (i.e. liabilities) after taking account of legally enforceable bilateral netting agreements. 118

119 Credit Default Swaps (Table 6 Annex 1.1 to 1.5) The statistics cover data on credit default swaps (CDS). These are bilateral financial contracts in which the protection buyer (risk shedder) pays a fixed periodic fee in return for a contingent payment by the protection seller (risk taker), triggered by a credit event on a reference entity. Credit events, which are specified in CDS contracts, may include bankruptcy, default or restructuring. Data on all the open positions held in CDS contracts at the end of the corresponding reporting period should be reported in terms of notional amounts outstanding bought and sold, broken down by rating category (annex 1.1), by maturity (annex 1.2), by sector (annex 1.3) and by counterparty (annex 1.5). In addition, gross and net market values of contracts (positive and negative) should be reported for all contracts (annex 1.4). For each of the annex tables the following instrument breakdown is requested: Single-name instruments; credit derivatives where the reference entity is a single named entity, e.g. a corporation. Multi-name instruments; CDS contracts referencing more than one name as in portfolio or basket credit default swaps or credit default swap indices. A basket credit default swap is a CDS where the credit event is the default of some combination of the credits in a specified basket of credits. In the particular case of an n th-to-default basket it is the n th credit in the basket of reference credits whose default triggers payments. Another common form of multi-name CDS is that of the tranched credit default swap. Variations operate under specifically tailored loss limits these may include a first loss tranched CDS, a mezzanine tranched CDS, and a senior (also known as a super-senior ) tranched CDS. o Of which index products. Only total notional amounts outstanding bought and sold of these instruments are to be reported. Index products are multi-name credit default swap contracts with constituent reference credits and a fixed coupon that are determined by an administrator such Markit (which administers the CDX indexes and the itraxx indexes). Index products include tranches of credit default swap indexes. Index contracts restrict the eligible types of credit events to bankruptcy or failure to pay in the US, and to bankruptcy, failure to pay or restructuring in Europe and in Japan. In the case of a credit event, the entity is removed from the index and the contract continues (with a reduced notional amount) until maturity. Credit linked notes, options on CDS and total return swaps are not to be included when reporting They are included in the more comprehensive BIS Triennial Survey. 119

120 Table 6 Annex 1.1 Credit Default Swaps by Rating Category A breakdown by rating is requested. The current rating for any contract should be used when reporting and not the rating at inception. The categories used are those provided by several major rating companies. If no public ratings are available, but internal ratings are, please modify those for use against the categories in the table as appropriate. 30 The categories used are: Investment grade (AAA-BBB) o Upper investment-grade (AAA and AA) o Lower investment-grade (A and BBB) Below investment grade (BB and below) Non-rated If a CDS contract refers to a specific underlying reference asset for which several public ratings are available, the lower of the two highest should be used for reporting. However, if the CDS contract specifies merely a corporate name (or country) as the underlying credit rather than a specific reference obligation, individual banks are allowed to report the internal credit rating which meets their business requirements. For single name instruments the rating of the underlying reference obligation(s) should be used. For rated multi-name instruments the rating of the contract (entire basket, portfolio, or index) should be used. If the portfolio or basket underlying a multi-name instrument is unrated or not available, then it is recommended to allocate the contract to (1) investment grade if all underlying contracts are investment grade, and to (2) below investment grade if the underlying reference entities are subinvestment grade. Instruments should be classified as non-rated only if (1) it does not have any rating and (2) it is not possible or very burdensome to classify the contract based on the ratings of the underlying reference entities. Table 6 Annex 1.2 Credit Default Swaps by Maturity A breakdown is requested by remaining contract maturity. The maturity bands are as follows: One year or less Over one year and up to and including five years Over five years. The remaining contract maturity is to be determined by the difference between the reporting date and the expiry date for the contract and not by the date of execution of the deal. 30 Scale translations for major rating companies are available on Bloomberg. For access on Bloomberg, please type RATD <GO> and select Long-term rating scales comparison. 120

121 Table 6 Annex 1.3 Credit Default Swaps by Sector A breakdown is requested by economic sector of the obligor of the underlying reference obligation (reference entity) as follows: Sovereigns: Restricted to a country s central, state or local government, excluding publicly owned financial or non-financial firms. Financial firms: all categories of financial institutions, including commercial and investment banks, securities houses, mutual funds, hedge funds and money market funds, building societies, leasing companies, insurance companies and pension funds. This definition of financial firms is consistent with the definition of financial institutions in section 3 above. Non-financial firms: all categories of institutions other than financial firms and sovereigns (as defined above). Portfolio or structured: This group includes securitized products and CDS contracts where the reference entities belong to different sectors (such as in the case of basket credit default swaps). Securitized products are CDS contracts, written on a securitised product or a combination of securitised products, i.e. ABS or MBS. The reference entity of these types of contracts is not the securitised product itself (i.e. the ABS or the MBS) but the individual securities or loans that were used to construct it. From this perspective, these contracts should be classified as multi-name rather than single-name instruments. Table 6 Annex 1.4 Gross and Net Market Value Credit Default Swaps Gross market values: reporting institutions are requested to provide information on gross positive and gross negative mark-to-market values arising from outstanding CDS contracts. For transactions linked to synthetic portfolio products such as CDS for a super senior tranche, it may be difficult to calculate a market value. In these cases, the data may be partly estimated and should be reported on a best effort basis. This information is not requested for the index products and it should be broken down only by instrument and by counterparty, no further breakdowns by rating, sector, location of counterparty, etc., are requested for this particular data type. Net market values: reporting institutions are requested to provide information on credit exposures and liabilities arising from credit default swaps contracts broken down by the counterparties only. For contracts which have a positive market value, reporting institutions are requested to report (1) the gross market value of these contracts, and (2) the net market value (i.e. current credit exposure) after taking account of legally enforceable bilateral netting agreements for CDS contracts. For contracts which have a negative market value reporting institutions are requested to report (1) the gross market 121

122 value of these contracts and (2) the net market value (i.e. liabilities) after taking account of legally enforceable bilateral netting agreements for CDS contracts. Collateralization is not taken into account for the computation of notional amounts outstanding, gross market values and gross credit exposure and liabilities. The differences between gross market values, net market values and gross credit exposure are illustrated by an example presented in annex III. Table 6 Annex 1.5 Credit Default Swaps by location of counterparty Total notional amounts outstanding, bought and sold, should be allocated to one of the following categories (please see below) on an ultimate risk basis, i.e. according to the nationality of the counterparty. A list of reporting dealers (counterparties) and the geographical location of their corresponding head office is provided separately. Home country means country of incorporation of the reporter s head office. o o With counterparties with head office incorporated in reporter s home country Reporting dealers in home country Non reporting counterparties in home country With counterparties abroad: Reporting dealers abroad, Non reporting counterparties abroad, Both groups should be broken down by country/region 31 according to the nationality of the counterparty: US Japan European developed countries Latin America Other Asian countries All other countries 31 The detailed list of countries included/excluded in each regional group is available in Annex VI. 122

123 ANNEX I Detailed instrument definitions and categorisation In each risk category, OTC derivatives are in principle to be broken down into three types of plain vanilla instrument (forwards, swaps and options). Plain vanilla instruments are those traded in generally liquid markets according to more or less standardised contracts and market conventions. If a transaction is composed of several plain vanilla components, each part should in principle be reported separately. Positions of OTC derivatives outstanding should be defined as follows: Foreign exchange transactions In each risk category, OTC derivatives are in principle to be broken down into three types of plain vanilla instrument (forwards, swaps and options). Plain vanilla instruments are those traded in generally liquid markets according to more or less standardised contracts and market conventions. If a transaction is composed of several plain vanilla components, each part should in principle be reported separately. Positions of OTC derivatives outstanding should be defined as follows: Outright forward: Foreign exchange swap: Currency swap: Currency option: Transaction involving the exchange of two currencies at a rate agreed on the date of the contract for value or delivery (cash settlement) at some time in the future (more than two business days later). This category also includes forward foreign exchange agreement transactions (FXA), nondeliverable forwards and other forward contracts for differences. Transaction which involves the actual exchange of two currencies (principal amount only) on a specific date at a rate agreed at the time of the conclusion of the contract (the short leg), and a reverse exchange of the same two currencies at a date further in the future at a rate (generally different from the rate applied to the short leg) agreed at the time of the contract (the long leg). Both spot/forward and forward/forward swaps should be included. Short-term swaps carried out as tomorrow/next day transactions should also be included in this category. Contract which commits two counterparties to exchange streams of interest payments in different currencies for an agreed period of time and to exchange principal amounts in different currencies at a pre-agreed exchange rate at maturity. Option contract that gives the right to buy or sell a currency with another currency at a specified exchange rate during a specified period. This category also includes exotic foreign exchange options such as average rate options and barrier options. 123

124 Currency swaption: Currency warrant: OTC option to enter into a currency swap contract. OTC option; long-dated (over one year) currency option. Non-plain vanilla products should in principle be separated into their plain vanilla components. If this is not feasible, then the OTC options section takes precedence in the instrument classification, so that any foreign exchange derivative product with an embedded option is reported as an OTC option. All other OTC foreign exchange derivative products should be reported in the forwards or swaps section. Single-currency interest rate derivatives Forward rate agreement (FRA): Interest rate swap: Interest rate option: Interest rate cap: Interest rate floor: Interest rate collar: Interest rate corridor: Interest rate forward contract in which the rate to be paid or received on a specific obligation for a set period of time, beginning at some time in the future, is determined at contract initiation. Agreement to exchange periodic payments related to interest rates on a single currency; can be fixed for floating, or floating for floating based on different indices. This group includes those swaps whose notional principal is amortised according to a fixed schedule independent of interest rates. Option contract that gives the right to pay or receive a specific interest rate on a predetermined principal for a set period of time. OTC option that pays the difference between a floating interest rate and the cap rate. OTC option that pays the difference between the floor rate and a floating interest rate. Combination of cap and floor. 1) A combination of two caps, one purchased by a borrower at a set strike and the other sold by the borrower at a higher strike to, in effect, offset part of the premium of the first cap. 2) A collar on a swap created with two swaptions - the structure and participation interval is determined by the strikes and types of the swaptions. 3) A digital knockout option with two barriers bracketing the current level of a longterm interest rate. 124

125 Interest rate swaption: Interest rate warrant: OTC option to enter into an interest rate swap contract, purchasing the right to pay or receive a certain fixed rate. OTC option; long-dated (over one year) interest rate option. Non-plain vanilla products should in principle be separated into their plain vanilla components. If this is not feasible, then the OTC options section takes precedence in the instrument classification, so that any interest rate derivative product with an embedded option is reported as an OTC option. All other OTC interest rate derivative products should be reported in the forwards or swaps section. Equity and stock index derivatives Equity forward: Equity swap: Equity option: Equity warrant: Contract to exchange an equity or equity basket at a set price at a future date. Contract in which one or both payments are linked to the performance of equities or an equity index (e.g. S&P 500). It involves the exchange of one equity or equity index return for another and the exchange of an equity or equity index return for a floating or fixed interest rate. Option contract that gives the right to deliver or receive a specific equity or equity basket at an agreed price at an agreed time in the future. OTC option; long-dated (over one year) equity option. Non-plain vanilla products should in principle be separated into their plain vanilla components. If this is not feasible, then the OTC options section takes precedence in the instrument classification, so that any equity derivative product with an embedded option is reported as an OTC option. All other OTC equity derivative products should be reported in the forwards and swaps section. Commodity derivatives Commodity forward: Commodity swap: Forward contract to exchange a commodity or commodity index at a set price at a future date. Contract with one or both payments linked to the performance of a commodity price or a commodity index. It involves the exchange of the return on one commodity or commodity index for another and the exchange of a commodity or commodity index for a floating or fixed interest rate. 125

126 Commodity option: Option contract that gives the right to deliver or receive a specific commodity or commodity index at an agreed price at a set date in the future. Non-plain vanilla products should in principle be separated into their plain vanilla components. If this is not feasible, then the OTC options section takes precedence in the instrument classification, so that any commodity derivative product with an embedded option is reported as an OTC option. All other OTC commodity derivative products are reported in the forwards and swaps section. Credit derivatives Credit spread forward: Agreement to pay or receive at some time in the future a cash payment that depends on the difference between a spread (i.e. the difference in yields between two financial assets) agreed at contract initiation and that prevailing at settlement. Credit swap: event/default Contract, which commits two counterparties to exchange a periodic fee in exchange for a payment contingent on a default event or any other, agreed change in the credit quality of a reference asset for an agreed period of time. Total return swap: Credit spread option: Contract, which commits two counterparties to exchange the total economic performance of a financial asset (defined to include all interest payments, fees and any capital appreciation or depreciation) in exchange for a floating rate payout based on a reference index (usually LIBOR plus a spread reflecting the creditworthiness of the counterparty as well as the credit rating and liquidity of the underlying asset). Option contract that gives the right to receive a cash payment if a spread, i.e. the difference in yields between two financial assets, widens beyond an agreed strike level during a specific period. 126

127 ANNEX II Examples of how to calculate the market value of forwards and swaps For a forward, a contract to purchase USD against EUR at a forward rate of 1.00 when initiated has a positive market value if the EUR/USD forward rate at the time of reporting for the same settlement date is lower than It has a negative market value if the forward rate at the time of reporting is higher than 1.00 and it has a zero market value if the forward rate at the time of reporting is still As explained in Section 4 above, each positive or negative market value would have to be reported twice, according to the currencies making up the two "legs" of the contract. For swaps, which involve multiple (and sometimes two-way) payments, the market value is the net present value of the payments to be exchanged between the counterparties between the reporting date and the contract's maturity, where the discount factor to be applied would normally reflect the market interest rate for the period of the contract's remaining maturity. Thus, a fixed/floating swap which, at the interest rates prevailing at the reporting date involves net annual receipts by the reporter of e.g. 2% of the notional principal amount for the next three years has a positive marked-to-market (or replacement) value equal to the sum of three net payments (each 2% of the notional amount), discounted by the market interest rate prevailing at the reporting date. If the contract is not in the reporter's favour (i.e. the reporter would have to make net annual payments), the contract has a negative net present value. Again, the "gross" in the sums of market (or replacement) values refers to the fact that all positive and negative-value contracts are to be summed separately; that is, gain and loss contracts with the same counterparty should not be netted before being summed, nor should e.g. positive-value swaps in a given currency be offset by negative-value contracts in the same currency. 127

128 ANNEX III: Example illustrating the differences between gross market values, net market values and gross credit exposure Hypothetical derivatives book of a reporter (Barclays) showing the market values of outstanding contracts to Barclays and its counterparties Reporter Counterparties Barclays HSBC (Reporting dealer) Prudential (other financial institution) CDS CDS CDS IRS IRS Gross and net positive (or, equivalently, negative) CDS market values Contribution of Total reported by Barclays (CDS) in Tabel of which 6 annex vis-à-vis 1.4 Total Barclays- HSBC Barclays- Prudential of which vis-à-vis other financial trades trades All contracts reporting dealer institutions Gross positive CDS market value Gross negative CDS market value Net positive CDS market value Net negative CDS market value Gross credit exposure of total OTC derivatives Total reported by Barclays Total Contribution of in Table 5 (OTC) Barclays- HSBC Barclays- Prudential of which vis-à-vis trades trades All contracts reporting dealer Gross credit exposure - claims Gross credit exposure - liabilities

129 ANNEX IV Central counterparties (CCPs) that are currently serving or have plans to serve the credit default swap (CDS) market Region Name Eurex Credit Clear Europe ICE Clear Europe LCH Clearnet SA North America Japan CME CMDX ICE Trust US Japan Securities Clearing Corporation Tokyo Financial Exchange 129

130 ANNEX V Definition of technical terms 1. Financial vehicle Corporations (FVC), Special Purpose Entities (SPE) et al: US FED definition: A trust or other legal vehicle that meets all of the following conditions: a) it is distinct legal entity and b) its permitted activities are significantly limited and are entirely specified in the legal documents establishing the SPE. ECB definition: Financial vehicle corporations" (FVCs) are undertakings whose principal activity meets both of the following criteria: (1) to carry out securitisation transactions and which are insulated from the risk of bankruptcy or any other default of the originator; (2) to issue securities, securitisation fund units, other debt instruments and/or financial derivatives and/or to legally or economically own assets underlying the issue of securities, securitisation fund units, other debt instruments and/ or financial derivatives that are offered for sale to the public or sold on the basis of private placements. 2. Assets Backed Securities (ABS): ABS are debt instruments that are backed by a pool of ringfenced financial assets (fixed or revolving), that convert into cash within a finite time period. In addition, rights or other assets may exist that ensure the servicing or timely distribution of proceeds to the holders of the security. Generally, assetbacked securities are issued by a specially created investment vehicle which has acquired the pool of financial assets from the originator/seller. In this regard, payments on the asset-backed securities depend primarily on the cash flows generated by the assets in the underlying pool and other rights designed to assure timely payment, such as liquidity facilities, guarantees or other features generally known as credit enhancements. 130

131 ANNEX VI Composition of regional breakdowns United States Spain Mexico Laos Sweden Netherlands Lebanon Japan Switzerland Antilles Macau European countries developed Turkey Nicaragua Malaysia United Kingdom Vatican City Panama Peru Maldives Mongolia Other Europe Suriname Nepal Excludes: Trinidad and Tobago North Korea Albania Uruguay Oman Bulgaria Latin American Venezuela Pakistan Hungary (includes Caribbean) Other Latin American Philippines Poland Argentina and Caribbean Qatar Romania Bahamas Saudi Arabia Russia Barbados Singapore Successor republics of: Belize Sri Lanka Czechoslovakia, Soviet Union and Yugoslavia Bermuda Bolivia Other Asian (excluding Japan) Syria Thailand Brazil Afghanistan United Arab Emirates Includes: British West Indies Bahrain Vietnam Belgium Cayman Islands Bangladesh Yemen Cyprus Chile Bhutan Other Asia and Denmark Colombia Brunei Middle East Finland Costa Rica Burma France Cuba Cambodia Germany Dominican Republic China Gibraltar Ecuador Mainland Other Greece El Salvador Taiwan All other countries Iceland Falkland Islands Hong Kong Ireland Fr. W. Indies and India Italy Fr Guinea Indonesia Luxembourg Grenada Iran Malta Guatemala Iraq Monaco Guyana Israel Netherlands Haiti Jordan Norway Honduras Korea Portugal Jamaica Kuwait 131

132 Formulier 8076 Titel Rapportage populatie Frequentie Inzendtermijn Deposito s met spaargeldbehandeling Grootste banken Maand 11 e werkdag na afloop van de verslagmaand Doel van het formulier Het spaargeldformulier is ontwikkeld ten behoeve van het CBS en geeft stromeninformatie over de maandelijkse ontwikkeling van de spaargelden van huishoudens in Nederland. Opzet Vanaf de ultimo stand van de vorige gerapporteerde maand dient informatie gegeven te worden over de inleggingen, disposities en bijgeschreven rente. De stand per ultimo die hieruit resulteert, dient weer overeen te komen met de gerapporteerde stand in het rapportageformulier 9001, variant Nederland, sector Huishoudens. Regels: Stand vorige maandultimo De stand vorige maandultimo dient overeen te komen met de in de voorgaande rapportagemaand opgegeven stand bij de post Stand per ultimo. In geval van een herrubricering zal de beginstand niet aansluiten bij de eindstand van de vorige maand. De omvang van de herrubricering dient niet als een stroomcomponent (inleggingen of disposities) te worden gerapporteerd. Inleggingen Onder deze post wordt het totaal van de in de afgelopen maand gestorte gelden op bestaande of nieuwe deposito s gerapporteerd. Disposities Onder deze post wordt het totaal van de in de afgelopen maand opgenomen gelden op bestaande of nieuwe of afgesloten deposito s gerapporteerd. 132

133 Bijgeschreven rente Onder deze post wordt het totaal van de in de afgelopen maand door de rapporterende instelling bijgeschreven rente op deposito s gerapporteerd. Stand per ultimo Deze post is een rekenpost (kan niet worden ingevuld) van de stand vorige maandultimo plus de bijgeschreven rente en inleggingen minus de disposities. Chartaal (=contant) uitbetaalde rente of op een andere niet-spaarrekening overgeschreven rente Onder deze post wordt het totaal van de in de afgelopen maand door de rapporterende instelling chartaal uitgekeerde rente, die niet op deposito s werd bijgeschreven, gerapporteerd. Aantal rekeningen per maandultimo (in eenheden) Onder deze post dient het totaal aantal actieve spaarrekeningen aangehouden door huishoudens gerapporteerd te worden. Het gaat hierbij om spaarrekeningen die - een saldo bevatten groter dan 0 of - de laatste 2 jaar gemuteerd zijn of - korter dan 2 jaar geleden zijn geopend. Totaal spaargeld In de gegenereerde regel Totaal spaargeld wordt de som van de regels Deposito s met vaste looptijd en Deposito s met opzegtermijn weergegeven. Alleen de post Chartaal uitbetaalde rente of op een andere niet-spaarrekening overgeschreven rente dient door de rapporterende instelling zelf gevuld te worden. 133

134 Formulier 8097 Titel Vaststelling aanhouding minimumreserve Rapportage populatie Frequentie Inzendtermijn Alle banken Maand of Kwartaal 11 e werkdag na afloop van de verslagperiode Doel van het formulier Formulier 8097 dient ter vaststelling van de aanhoudingsverplichting in het kader van de minimumreserveregeling van de ECB. Formulier 8097 wordt voor de volledige rapporteurs (incl. MFIdochters) automatisch gegenereerd uit hun rapportages in de varianten van formulier 9001 en voor de kleinere rapporteurs uit hun rapportages in formulier MFI s die geconsolideerd zijn opgenomen in de rapportage van formulier 9001, maar die zelfstandig een minimumreserve aan willen houden dienen op maandbasis uiterlijk op de 11 e werkdag het formulier 8097 in te sturen. De hieruit berekende aanhoudingsverplichting wordt gecorrigeerd op de aanhoudingsverplichting van de moederinstelling. Achtergrond van het formulier De aanhouding van minimumreserves bij het ESCB heeft tot doel om een structureel geldmarkttekort te creëren of dit te vergroten. Op deze wijze kan het ESCB ingrijpen als verschaffer van liquiditeiten en daarmee ook de geldmarktrente beïnvloeden. Opzet Over kort aangetrokken gelden met een looptijd van maximaal 2 jaar dient een reserve van 1% aangehouden te worden bij De Nederlandsche Bank. Elke afzonderlijk rapporterende instelling heeft een forfaitaire aftrek op de berekende minimumreserve. Met ingang van 1 januari 1999 is deze aftrek Per instelling moet de minimumreserve als volgt worden berekend op basis van de passiefposten die op dit formulier staan vermeld: 134

135 Tabel 1 voorbeeld berekening minimumreserve Post Kolom Betekenis NTR BEG Uitgegeven schuldpapier (en aangehouden door kredietinstellingen binnen EMU) NTR BEG Uitgegeven schuldpapier (en aangehouden door kredietinstellingen binnen EMU) waarvan looptijd > 2 jaar BEG, 2000 BEG RVW Opgenomen leningen en deposito's BEG, 2000 BEG RVW Opgenomen deposito's met vaste looptijd > 2 jaar BEG, 2000 BEG RVW Opgenomen deposito's met opzegtermijn > 2 jaar BEG, 2000 BEG RVW Repo's BEG, 2000 BEG RVW Opgenomen lange leningen (> 2 jaar) Berekening 1: MinResMFI = (deposito s (deposito s met looptijd langer dan 2 jaar + repo s) + verhandelbaar schuldpapier (verhandelbaar schuldpapier met looptijd langer dan 2 jaar)*(1-m1)) * G M1 is de macro-ratio waarmee de waarde van het verhandelbaar schuldpapier in de reservebasis moet worden verminderd. Dit ter compensatie van het deel van het verhandelbaar schuldpapier dat in handen is van kredietinstellingen gevestigd in het EMU gebied. Met ingang van is de waarde van M1 vastgesteld op 0,3. De waarde van deze factor wordt jaarlijks door de ECB-governing council vastgesteld. G1 is de factor waarmee het totaal aan relevante passiva wordt vermenigvuldigd om te komen tot het bedrag dat als reserve dient te worden aangehouden. Deze waarde is sinds december 2011 vastgesteld op 0,01. Indien een instelling aanwijsbaar kan aantonen dat meer dan M1 van het verhandelbaar schuldpapier wordt aangehouden door kredietinstellingen binnen de EMU dan luidt de berekening als volgt: Berekening 2: MinResMFI = (deposito s (deposito s met looptijd langer dan 2 jaar + repo s) + verhandelbaar schuldpapier (verhandelbaar schuldpapier met looptijd langer dan 2 jaar)-(verhandelbaar schuldpapier t.o.v. MFI s in het eurogebied-verhandelbaar schuldpapier langer dan 2 jaar in het eurogebied) * G Indien de berekende verplichting voor de minimumreserve van een instelling kleiner is dan 0, dan wordt deze gelijk gesteld aan 0. Invulvelden Niet toe te rekenen: Hieronder wordt al het door de rapporterende instelling uitgegeven verhandelbare schuldpapier gegenereerd vanuit eerder ingevulde rapportageformulieren (9001HK6 of 9021HK2). Het is mogelijk voor instellingen om een verdere uitsplitsing te maken naar Waarvan: aangehouden door kredietinstellingen binnen de EMU. Indien een rapporterende instelling door middel van 135

136 meegestuurde verklaringen aan DNB kan aantonen dat meer dan 30% van de uitgegeven schuldbewijzen worden aangehouden door kredietinstellingen binnen de EMU dan dient in de betreffende kolom (1120 BEG) het te rapporteren bedrag door de MFI zelf te worden ingevuld en wordt de minimumreserve berekend volgens berekeningsmethode

137 Formulier 9001 Titel Maandrapportage SE standen - hoofdkenmerk 1 Standen per land, uitgesplitst naar tegensector, looptijd en valuta - hoofdkenmerk 2 Effectenportefeuille van Nederlandse MFIs - hoofdkenmerk 3 Verstrekte leningen en deposito s met overdekking aan onroerend goed als onderpand (LTV ratio <= 1) - hoofdkenmerk 4 Verstrekte leningen en deposito s in euro uitgesplitst naar oorspronkelijke en resterende looptijd - hoofdkenmerk 5 Uitsplitsing van de bedrijfskredietverlening naar bedrijfstak (kwartaalrapportage voor select aantal banken) - hoofdkenmerk 6 Totaal SE balans inclusief de posten die niet naar tegensector zijn toe te rekenen Rapportage populatie Grootste banken Frequentie Maand Inzendtermijn 11 e of 12 e werkdag na afloop van de verslagmaand Doel en opzet formulier Om de ontwikkeling van de geldhoeveelheid binnen de eurozone te monitoren, wordt voor de ECB een aantal sociaal-economische statistieken uitgevraagd die een inzicht verschaffen in de bronnen van de geldcreatie en de groei van monetaire aggregaten. Formulier 9001 levert primair de balansstanden op die hiertoe noodzakelijk zijn. Hiervoor dienen subformulieren de z.g.n. hoofdkenmerken te worden ingevuld. Het formulier met hoofdkenmerk 1 bevat een uitgebreide uitsplitsing van standen die dienen te worden uitgesplitst naar looptijden, instrument, valuta, tegensectoren en land van tegensector. De formulieren met hoofdkenmerken 2 tot en met 5 bevatten deelinformatie over respectievelijk effecten, uitzettingen met onderpand, uitsplitsingen naar resterende looptijd en kredietverlening naar bedrijfstak. Hoofdkenmerk 6 bevat totalen en posten die niet toe te rekenen zijn aan tegensectoren. 137

138 Algemene informatie Voor een omschrijving van de posten op de hoofdkenmerkbladen kan gebruik worden gemaakt van de informatie uit deel 2 van dit handboek. In de hieronder opgenomen beschrijving per hoofdkenmerk wordt een aanvullende toelichting gegeven op de definitie van een aantal balansposten. Informatie over de effectenrapportage van rapporterende banken wordt opgevraagd in formulier 9001HK2 (effectenportefeuille MFI s). Met de banken is overeengekomen dat op termijn de ISINrapportages (afkomstig uit het DRA-raamwerk) zullen worden ingezet voor de monetaire statistiek. Vooralsnog zullen de rapporterende instellingen het benodigde detail zelf moeten aanleveren op 9001HK2. Na eventuele inzet van de ISIN-rapportages in de monetaire statistiek kan het formulier 9001HK2 komen te vervallen. Deelnemingen in geldmarktfondsen dienen onder aandelen/participatiebewijzen uitgegeven door Geldmarktfondsen in 9001HK2 te worden gerapporteerd. De regel overige EU-valuta s bestaat uit het totaal van alle valuta s van de lidstaten van de Europese Unie exclusief de euro en het Britse pond. 138

139 9001HK1: Standen per land, uitgesplitst naar tegensector, looptijd en valuta Derivaten Financiële derivaten (zowel activa als passiva): banken dienen al hun eigen derivatenposities afzonderlijk te rapporteren in de kolom Totaal alle sectoren (9000 SPU), maar met een volledige landenuitsplitsing (land van de tegenpartij van het derivatencontract). Contracten met een positieve marktwaarde moeten aan de activazijde van de balans worden gerapporteerd. Contracten met een negatieve marktwaarde moeten aan de passivazijde van de balans worden verantwoord. Waardering van de derivatencontracten dient aan te sluiten bij de waardering volgens internationale standaarden. Zie hiervoor waarderingsissues in algemene stuk. Over het algemeen kennen derivatencontracten die op de openbare beurzen worden verhandeld geen marktwaarde, aangezien dagelijkse afrekening plaatsvindt via de margerekeningen. Aangezien onderhandse derivaten (OTC-derivaten) niet dagelijks centraal worden vereffend, kennen dergelijke contracten wel een marktwaarde en moeten hier gerapporteerd worden. Eigen margerekeningen voor de vereffening van openbaar verhandelbare derivatencontracten dienen onder Girale deposito s (onderdeel van de post verstrekte leningen en deposito s aan de activazijde van de balans) op formulier 9001HK1 gerapporteerd te worden. Eventuele aangehouden margerekeningen bij de rapporterende instelling door derden moeten worden verantwoord aan de passivazijde van de balans onder Girale deposito s (onderdeel van de post Opgenomen leningen en deposito s ) op formulier 9001HK1. Overige activa cq. -passiva Bij het afzonderlijk verantwoorden van de te ontvangen rente op leningen en effecten onder overige activa dienen rapporterende instellingen aansluiting te zoeken bij (inter)nationale accountingrichtlijnen. Zie hiervoor ook de toelichting op de begrippen in Deel 2 van dit handboek (paragraaf Overige activa op pagina 28). De rapporterende instellingen moeten de goodwill van hun deelnemingen, indien de goodwill niet ten gunste wordt gebracht van het eigen vermogen en wordt geactiveerd, als volgt definiëren: verkrijgingswaarde van de deelneming minus de netto vermogenswaarde. Bij de behandeling van goodwill (bijvoorbeeld de wijze van afschrijving) dient eveneens aansluiting te worden gezocht bij (inter)nationale accountingrichtlijnen. De netto vermogenswaarde van de deelneming dient onder de post Deelnemingen op formulier 9001HK1 te worden verantwoord. Zie ook hiervoor de toelichting op de begrippen in Deel 2 van dit handboek (paragraaf Deelnemingen op pagina 20). 139

140 Overige activa en overige passiva dienen exclusief financiële derivaten te worden gerapporteerd. De rapporterende instellingen dienen een volledige landenuitsplitsing te rapporteren van overige activa en passiva. Een waarvan euro -component is opgenomen, mede i.v.m. de opstelling van de betalingsbalans. Uitsplitsingen van overige activa en passiva: De rapporterende instellingen moeten de post overige activa aanvullend uitsplitsen naar Te ontvangen rente op leningen en effecten en Goodwill. De post overige passiva dient aanvullend te worden uitgesplitst naar te betalen rente op leningen en effecten, Short posities in aandelen/participaties in geldmarktfondsen, Short posities in aandelen en Short posities in schuldpapier. LET OP: shortposities als waarvan-post onder Overige passiva moeten voortaan verantwoord worden als negatieve activa al naar gelang het betreffende instrument (zie ook de relevante paragraaf in Deel 2 op pagina 40). Deelnemingen Van een deelneming wordt gesproken wanneer wordt deelgenomen in het kapitaal van een onderneming. Het doel van de deelneming moet zijn een min of meer blijvend belang te verwerven waarmee zeggenschap (dat wil zeggen een aanzienlijke mate van invloed en een relatie voor langere termijn ) in het beheer van de onderneming wordt verkregen, zulks in tegenstelling tot de motieven van bijvoorbeeld effectenbeleggers. Het percentage van de deelneming is niet primair van belang, doorslaggevend is het doel van de deelneming in het kapitaal: invloed uitoefenen en een relatie voor de langere termijn aangaan. Het vast percentage voor een deelneming zoals geformuleerd in het Burgerlijk Wetboek is derhalve niet leidend. Het verstrekte werkkapitaal aan buitenlandse juridisch niet-zelfstandige eenheden (kantoren/branches) dient ook als deelneming te worden gerapporteerd. Bovendien moet het verstrekte werkkapitaal aan buitenlandse kantoren en branches als een afzonderlijke waarvan-post onder deelneming worden opgenomen. Onder het werkkapitaal wordt de financiering van een kantoor of branch verstaan met een permanent karakter, het werkkapitaal omvat het vermogen (net asset value) van de branch. In praktijk zullen enkel kapitaaldotaties gerapporteerd moeten worden als werkkapitaal. Veelal zullen kapitaaldotaties gelijk zijn aan het minimaal vereiste kapitaal vanuit het oogpunt van prudentieel toezicht. Buitenlandse branches binnen de Europese Unie hoeven zelf geen kapitaal aan te houden voor prudentieel toezicht, maar kunnen desondanks wel middelen van het hoofdkantoor ontvangen die als kapitaaldotatie onder werkkapitaal gerapporteerd moeten worden. Hierbij valt te denken aan alle middelen met een permanent karakter die nodig zijn om de branch operationeel te houden (bijvoorbeeld een minimale buffer voor de financiering van vaste lasten, salarissen, inventaris). Andersoortige financiering van de branch (funding) via leningen of rekening-courant kredieten mogen niet als werkkapitaal/deelneming gezien worden, maar moeten worden verantwoord onder Verstrekte leningen en deposito s op 9001HK1 met als tegenpartij de sector MFI. Uitgangspunt hierbij is dat 140

141 werkkapitaal bestaat uit de gelden die nodig zijn om een kantoor in staat te stellen activiteiten te ontplooien zoals het verstrekken van kredieten, terwijl de funding van een kantoor plaats vindt om deze activiteiten te kunnen ontplooien. Deelnemingen eigen vermogen Van een deelneming eigen vermogen wordt gesproken wanneer een eenheid deelneemt in het kapitaal van een rapporterende bank. Het doel van de deelneming in het eigen vermogen moet zijn een min of meer blijvend belang te verwerven waarmee zeggenschap (dat wil zeggen een aanzienlijke mate van invloed en een relatie voor langere termijn ) in het beheer van de rapporterende bank wordt verkregen, zulks in tegenstelling tot de motieven van bijvoorbeeld effectenbeleggers. Aan het classificeren van een deelneming eigen vermogen is geen drempelwaarde met een percentage verbonden. Het percentage van de deelneming is niet primair van belang, doorslaggevend is het doel van de deelneming in het kapitaal van de rapporterende instelling: invloed uitoefenen en een relatie voor de langere termijn aangaan. Aangezien ook minderheidsbelangen moeten worden gerapporteerd kan ook een deelneming eigen vermogen op land Nederland gerapporteerd worden. Immers, een Nederlandse partij kan een duurzaam belang van enkele procenten hebben in een rapporterende bank zonder dat de deelnemende partij een rapporteur is. Daarnaast kan een Nederlandse rapporterende bank een duurzaam belang van enkele procenten hebben in een andere rapporterende bank zonder dat de deelnemende bank de andere bank mee consolideert (immers, er is geen sprake van een meerderheidsbelang). Het ontvangen werkkapitaal van de buitenlandse moeder of hoofdkantoor moet eveneens als deelneming eigen vermogen gerapporteerd worden. Bovendien moet het ontvangen werkkapitaal als een afzonderlijke waarvan-post onder deelnemingen eigen vermogen worden opgenomen. Onder het werkkapitaal wordt de financiering van een kantoor of branch in Nederland verstaan met een permanent karakter, het werkkapitaal omvat het vermogen (net asset value) van de branch. In praktijk zullen enkel kapitaaldotaties ontvangen van de buitenlandse moeder of hoofdkantoor gerapporteerd moeten worden als werkkapitaal. Veelal zullen kapitaaldotaties gelijk zijn aan het minimale vereiste kapitaal vanuit het oogpunt van prudentieel toezicht. Branches in Nederland van een moeder binnen de Europese Unie hoeven zelf geen kapitaal aan te houden voor prudentieel toezicht, maar kunnen desondanks wel middelen van het buitenlandse hoofdkantoor krijgen die als kapitaaldotatie onder werkkapitaal gerapporteerd moeten worden. Hierbij valt te denken aan alle middelen met een permanent karakter die nodig zijn om de Nederlandse branch operationeel te houden (bijvoorbeeld een minimale buffer voor de financiering van vaste lasten, salarissen, inventaris). Andersoortige financiering van de branch (funding) via leningen of rekening-courant kredieten mogen niet als 141

142 werkkapitaal/deelneming gezien worden, maar moeten worden verantwoord onder post Ontvangen leningen en deposito s op 9001HK1. 142

143 9001HK2: Effectenportefeuille MFI s Aangehouden aandelen: Onder aandelen vallen ook certificaten van aandelen (zoals depository receipts ) en participaties in beleggingsinstellingen (m.u.v. aandelen en participaties in geldmarktfondsen, die onder een afzonderlijke post gerapporteerd moeten worden). Aandelen die als deelneming worden aangehouden dienen afzonderlijk gerapporteerd te worden onder post deelnemingen (postnummer in 9001HK1). Aangehouden schuldpapier: Voornamelijk zal het aangehouden schuldpapier bestaan uit kapitaalmarktpapier (oorspronkelijke looptijd langer dan één jaar) en geldmarktpapier (oorspronkelijke looptijd korter of gelijk aan één jaar). De volgende speciale gevallen verdienen specifieke aandacht: 1. Een onderneming kan beslissen tot de uitgifte van nieuwe of additionele aandelen via de uitgifte van zogenaamde subscription rights. Deze geven de houders van bestaande aandelen het recht om op de emissie in te schrijven tegen een emissiekoers die onder de actuele marktkoers van de bestaande aandelen ligt. De subscription rights worden in de rapportage beschouwd als een gekochte calloptie of warrant en moeten als zodanig in de rapportage worden verantwoord (onder financiële derivaten op formulier 9001HK1 onder postnummer ). 2. Zogenoemde hybride stukken - waarbij de contractuele aflossingswaarde minder is dan het oorspronkelijke geïnvesteerde bedrag vanwege de combinatie van schuldcomponenten en componenten van derivaten - moeten op formulier 9001HK2 worden verantwoord als aangehouden schuldpapier. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan Turbo s, maar er zijn vele andere varianten mogelijk. 143

144 9001HK3: Verstrekte leningen en deposito s met overdekking aan onroerend goed als onderpand In 9001HK3 dienen alleen dié leningen te worden gerapporteerd waarvan de lening verstrekt zijn aan niet-financiële bedrijven en huishoudens, waarbij de lening gegarandeerd wordt door een overdekking aan een onroerend goed onderpand. De posten in 9001HK3 zijn feitelijk een waarvan -post van de corresponderende balansposten uit formulier 9001HK1. In 9001HK1 wordt informatie gevraagd m.b.t verstrekte leningen en deposito s, ongeacht er sprake is van een garantiestelling of onderpand. Onderpandsvoorwaarden: de uitsplitsing van leningen naar onderpand in de vorm van onroerend goed omvat het totale bedrag aan uitstaande leningen die tegen onderpand worden verstrekt met een verhouding van uitstaande leningen en onderpand gelijk aan 1 of minder dan 1. Dat wil zeggen dat er ten tijde van de afsluiting van het leencontract er een Loan To Value ratio moet zijn van <= 1. Daarbij moet worden voldaan aan de punten van deel 1 van bijlage VIII van de Capital Requirements Directive 2006/48/EG (het Basel-II akkoord). 32 Hier staat onder meer in dat; - zakelijk en particulier onroerend goed toelaatbaar onderpand zijn indien de waarde daarvan niet wezenlijk afhangt van de kredietwaardigheid van de geldnemer, noch dat het debiteurenrisico op de geldnemer in wezenlijke mate afhangt van het rendement op het onroerend goed(project) maar juist samenhangt met de capaciteit van de geldnemer om zijn schuld uit andere bronnen terug te betalen (punt 13). De ECB heeft er bewust voor gekozen geen eigen aparte definitie van onderpand en garanties te hanteren. Dit is gedaan om extra lasten voor de rapporteurs te voorkomen. Daarom wordt in de rentestatistiek-wetgeving verwezen naar de CRD richtlijn. Deze richtlijn is in de Nederlandse Wet financieel toezicht (Wft) neergelegd. Operationalisering regels t.b.v. waardering onderpand in 9001HK3 We beginnen eerst met een simpel voorbeeld: Voorbeeld Woninghypotheken: Waarde van het onroerend goed onderpand: In deze situatie is er een LTV-ratio van 0,8 dus <= 1. Er is dus overdekking. Daarom deze lening niet alleen in 9001HK1 maar ook in 9001HK3 rapporteren d.w.z. de volledige waarde van de lening i.c ) Maar hoe wordt nu de waarde van dat onroerend onderpand vastgesteld? Onroerend goed (onderpand bestaat conform de CRD uit: 32 Zie 144

145 1. grond 2. gebouwen (zakelijk & particulier) 3. zakelijk recht Voorbeelden van gebouwen zijn kantoren, fabrieken, eigen woning, appartement, recreatiebungalow, woonboot, -ark, -schip, garagebox enz.). Voorbeelden van zakelijk recht zijn appartementsrecht, recht van erfpacht. Banken mogen binnen hun bedrijf aanwezige data over waarde onroerend goed onderpand gebruiken om hun leningen te classificeren naar LTV-ratio. Deze data kunnen verkoopcijfers of WOZ-waarden zijn. Vaststelling LTV-ratio 33 Vraag: Moet de Loan-to-Value ratio eenmalig of regelmatig worden berekend? Antwoord: In beginsel mogen banken eenmalig de LTV berekenen als de lening op de MFI-balans komt. Vervolgens moeten zij die leningen met overdekking (LTV <= 1) rapporteren onder 9001HK3. Regelmatige herwaardering van het onroerend goed onderpand is niet verplicht zolang het aanvankelijke contract loopt. Maar herwaardering mág wèl, bijvoorbeeld als een nieuwe rentevaste periode aanvangt (van belang voor de renterapportage 9004). Of als een tweede lening met hetzelfde onderpand wordt afgesloten. Immers: een en hetzelfde onderpand kan diverse leningen ondersteunen (terwijl er toch sprake is van overdekking). Aan de andere kant kan een en dezelfde lening gesteund worden door meerdere onderpanden. Maar ook als een bestaande lening in omvang wordt verhoogd stelt DNB het in het kader van dit handboek op prijs als banken het onroerend goed onderpand herwaarderen. Veel banken hebben een dergelijke herwaardering al in hun normale leningacceptatie procedures opgenomen. Er ontstaan zodoende andere LTV-ratio s. Daarnaast passen banken in hun eigen bedrijf indexatie toe. Indexatie van de waarde van het onderpand bevordert natuurlijk de actualiteit van de LTV-ratio en wordt door DNB verwelkomd. Vraag: Moet de LTV ratio per lening of per cliënt worden vastgesteld? Antwoord: Banken dienen de LTV-ratio per lening te berekenen. LTV-ratio per cliënt is niet de bedoeling van de wet. Een cliënt kan meerdere leningen hebben, met, maar ook zonder (voldoende) onderpand. Op deze wijze zou overdekking zelden worden vastgesteld. Een hypotheeklening die wèl gedekt zou zijn, zou dan niet gerapporteerd worden. 33 Onderstaande beschrijving is gebaseerd op presentaties aan de NVB-werkgroep SE-BWB op 31 mei en 14 december

146 Waardering leningen Vraag: Leningen rapporteren inclusief voorzieningen? Antwoord: Ja, voor de sociaal-economische rapportages moet dat (anders dan in bedrijfseconomische rapportages) Vraag: Leningen rapporteren voordat haircuts er af gaan? Antwoord: Ja, voor de sociaal-economische rapportages moet dat (anders dan in bedrijfseconomische rapportages) Vraag: Leningen rapporteren na aftrek van evt. aflossingen? Antwoord: Ja, uiteraard moet van leningen het netto uitstaande bedrag worden gerapporteerd. Vraag: Wat rapporteren bij senior mortgages? Antwoord: In het geval van Verenigingen van Eigenaren (VvE) kan het zo zijn dat de VvE het eerste recht heeft op het onderpand van een appartement indien een lid zijn betaalverplichting jegens de VvE niet nakomt en in gebreke blijft bij zijn hypotheekverplichting. Delen van het onderpand die al voor een lening zijn ingezet kunnen natuurlijk niet nog een keer worden gebruikt In dat geval moeten MFI s (zijnde de junior of achtergestelde crediteur) alleen dát, resterend, deel van onderpand in de LTV-ratio betrekken dat ook echt beschikbaar is voor die MFI-junior, dus pas nadat aan de onderpand-aanspraak van de senior in rang (i.c. de VvE) is voldaan. Relatie BSI-MIR Voorbeeld Er is een nieuw contract in de zin van nieuw geld zoals een lening 34 met onvoldoende dekking door onroerend goed onderpand. Stel de dekking is 90%. Dan is voor de BSI/9001 rapportage de LTV > 1. Dus er volgt geen vermelding voor HK3. Indien er ook een additionele persoonlijke garantie van derden bestaat dan moet de waarde daarvan worden meegenomen in de ruimere MIR-definitie van onderpand (zie verderop onder 9004: HK3 Nieuwe contracten met overdekking van onderpand en/of garanties. Voor de MIR/9004 kan de LTV wel 1 zijn is. Vraag: Hoe deze lening te rapporteren in BSI en in MIR? Antwoord: BSI: altijd in 9001HK1 BSI: niet in 9001HK3 vanwege onderdekking (LTV>1) 34 Dus niet een vernieuwd contract waarbij het uitstaand kredietbedrag gelijk blijft. 146

147 MIR: altijd in 9004HK2 MIR: ook in 9004HK3 door overdekking (LTV 1) Voorbeeld Nieuwe kredietovereenkomst met NFB 100 mln dekking door onroerend goed onderpand 80 mln NFB trekt daadwerkelijk 20 mln. Vraag: Hoe deze overeenkomst te rapporteren in BSI en MIR? Antwoord: BSI/HK1: 20 mln rapporteren BSI/HK3: 20 mln rapporteren, want elke trekking tot en met 80 mln is gesteund door onroerend goed onderpand, dus tot en met dat bedrag rapporteren in 9001HK3. Indien trekking > 80 mln zijn er twee opties: a. indien volledig getrokken bedrag is 90 mln, dan niet gedekt (geen enkele rapportage in 9001HK3); b. alleen datgene boven de drempel ( 10 mln) is niet gedekt en daaronder volledig, dus tot en met 80 miljoen rapporteren in 9001HK3 Optie b. heeft voorkeur, indien dat technisch mogelijk is. MIR/HK2; overeenkomst van 100 miljoen is een nieuw contract, dus in beginsel 100 mln rapporteren met bijbehorende (gewogen) rente(s). MIR/HK3; de overeenkomst is voor 80% gedekt door onderpand en garanties, LTV > 1; dus geen rapportage in 9004HK3. Analoog aan 9001HK1 wordt in 9001HK3 een uitsplitsing gevraagd naar subposten, oorspronkelijke looptijd, subsectoren en land van vestiging van de tegenpartij. Voor de sector huishoudens zijn de verstrekte leningen uitgesplitst naar woninghypotheken, consumptief krediet (persoonlijke leningen, doorlopend krediet, roodstand en kaartkrediet) en overige leningen. 147

148 9001HK4: Verstrekte leningen en deposito s luidend in euro naar resterende looptijd In tegenstelling tot andere hoofdkenmerken moeten in 9001HK4 slechts posten oorspronkelijk luidend in euro s worden gemeld. In 9001HK4 worden posten gevraagd die een waarvan -post zijn van balansposten uit formulier 9001HK1 voor leningen die zijn verstrekt aan niet-financiële bedrijven en huishoudens. In 9001HK1 wordt informatie gevraagd m.b.t. verstrekte leningen en deposito s met een looptijduitsplitsing naar oorspronkelijke looptijd. In 9001HK4 wordt voor twee looptijdvarianten (oorspronkelijke looptijd > 1 jaar en > 2 jaar) een uitsplitsing gevraagd naar resterende looptijd, waarbij tevens onderscheid wordt gemaakt naar leningen waarvoor binnen 12 respectievelijk 24 maanden een renteherziening plaatsvindt. Onder een renteherziening wordt verstaan een wijziging in de rentevoet van een lening die is voorzien in de actuele leenovereenkomst. Tot leningen die onderhevig zijn aan de renteherziening, behoren onder andere: 1. leningen waarvan de einddatum van de rentevaste periode is bereikt; 2. leningen met rentevoeten die periodiek worden herzien in overeenstemming met de ontwikkeling van een index (bv. Euribor); 3. leningen met rentevoeten die voortdurend worden herzien (variabele rente), en; 4. leningen met rentevoeten die kunnen worden herzien wanneer de MFI dit aangewezen acht. Bij de uitsplitsing van de leningen met oorspronkelijke looptijd > 1 jaar is, om een sluitende uitsplitsing te creëren de laatstgenoemde post resterende looptijd > 1 jaar en zonder renteherziening binnen 12 maanden toegevoegd. Hierin dienen de volgende leningen te worden gerubriceerd: 1. leningen met oorspronkelijke looptijd waarvan de resterende looptijd > 1 jaar betreft en waarbij een renteherziening zal plaatsvinden op een tijdstip ná 12 maanden vanaf heden; 2. leningen met oorspronkelijke looptijd waarvan de resterende looptijd > 1 jaar betreft maar waarbij géén renteherziening zal plaatsvinden. Bij de uitsplitsing van de leningen met oorspronkelijke looptijd > 2 jaar geldt eenzelfde systematiek als hierboven beschreven. Om een sluitende uitsplitsing te creëren is de laatstgenoemde post resterende looptijd > 2 jaar en zonder renteherziening binnen 24 maanden toegevoegd. Hierin dienen de volgende leningen te worden gerubriceerd: 1. leningen met oorspronkelijke looptijd waarvan de resterende looptijd > 2 jaar betreft en waarbij een renteherziening zal plaatsvinden op een tijdstip ná 24 maanden vanaf heden; 2. leningen met oorspronkelijke looptijd waarvan de resterende looptijd > 2 jaar betreft maar waarbij géén renteherziening zal plaatsvinden. 148

149 De post Verstrekte leningen en deposito's met oorspronkelijke looptijd > 1 jaar op 9001HK4 hoort aan te sluiten met het totaal van post (1 jaar looptijd <= 5 jaar) en (looptijd > 5 jaar) op 9001HK1. Leningen met een oorspronkelijke looptijd > 2 jaar (die niet één-op-één te herleiden zijn uit 9001HK1), komen ook voor in de klasse oorspronkelijke looptijd > 1 jaar en dienen dus ook twee keer in 9001HK4 te worden gerapporteerd! Analoog aan 9001HK1 wordt in 9001HK4 een uitsplitsing gevraagd naar subsectoren en land van vestiging van de tegenpartij. Ter controle tussen 9001HK1 en 9001HK4 is een controleformulier 9001XB2 gemaakt, waarin de posten tussen beide hoofdkenmerken vergeleken worden. 149

150 9001HK5: Verstrekte leningen en deposito s naar bedrijfstak 9001HK5 is een hoofdkenmerk waarin de aan niet-financiële bedrijven verstrekte leningen en deposito s zijn uitgesplitst naar bedrijfstakken. In tegenstelling tot alle andere hoofdkenmerken in 9001, die maandelijks gerapporteerd dienen te worden, is 9001HK5 een kwartaalrapportage. HK5 is kwartaalrapportage in een maandset en wordt daarom in technische specificaties als rapportage met een maandperiodiciteit getoond. De totale leningen en deposito s verstrekt aan niet-financiële bedrijven worden automatisch gevuld (grijze velden in formulier) vanuit formulier 9001HK1. Wordt in 9001HK1 per land het gehele hoofdkenmerk gevuld, voor 9001HK5 is een bedrijfstakuitsplitsing nodig voor de landengroep Nederland en Overig eurogebied. Voor de vaststelling van de bedrijfstakken is de z.g.n. NACE-code (rev 2) gehanteerd. NACE staat voor "Nomenclature statistique des activités économiques dans la Communauté européenne" ("Statistische nomenclatuur van de economische activiteiten in de Europese Gemeenschap"). De NACE-code is de code die door de Europese Unie en haar lidstaten toegekend wordt aan een bepaalde klasse van economische activiteiten en is bedoeld als hulpmiddel bij het opstellen van economische statistieken en overzichten. Het verdient de voorkeur dat rapporteurs de bedrijfstakuitsplitsing volledig gebaseerd op de NACEcode rapporteren. Indien volledige aansluiting met NACE niet mogelijk is dient de rapporteur 9001HK5 op basis van codering in eigen bedrijfsadministratie in te vullen, waarbij de NACE-indeling zoveel mogelijk wordt benaderd. Een volledig overzicht van de NACE-bedrijfstakindeling is te vinden op Eurostat (zie ACE_1_1#. Hieronder zullen per bedrijfstak de belangrijkste punten van de NACE-definities worden beschreven: 2240 SUA Landbouw, bosbouw en visserij De exploitatie van plantaardige of dierlijke rijkdommen, bijvoorbeeld in de vorm van landbouw, veeteelt, visserij of bosbouw. Denk hierbij ook aan de bloementeelt, verbouw van natuurlijke zaden en de commerciële jacht SUB Delfstofwinning Delfstofwinning omvat de extractie van mineralen uit vaste stoffen, vloeistoffen of gas en alle activiteiten die deze extractie faciliteren. Hieronder vallen tevens de activiteiten die vallen onder de ontwikkeling of uitbating van natuurlijke olie- of gasvelden, zoals boringen of geologisch onderzoek. 150

151 De raffinage van olie wordt toegerekend aan de bedrijfstak industrie. Ook activiteiten rond de productie van zandproducten ten behoeve van de bouw worden tot deze bedrijfstak gerekend SUC Industrie De bedrijfstak industrie omvat vrijwel alle activiteiten rond de bewerking van (grond)stoffen tot andere producten. Om een idee te krijgen van de reikwijdte van deze bedrijfstak kan worden gedacht aan de volgende soorten industrie: Productie/verwerking van voedselwaren (extractie van suiker, brouwen van bier enz.) Productie van textiel en/of kleding Drukkerijen Olieraffinage Productie van chemische en/of kunststoffen Productie van elektronica Productie van machines De reparatie en/of onderhoud van goederen In sommige gevallen kan het onderscheid tussen de bedrijfstak industrie en andere bedrijfstakken niet helder zijn. In zulke gevallen kan als richtlijn worden gekeken naar de vraag in hoeverre een nieuw product tot stand komt uit andere producten. Op deze manier vallen activiteiten als de verwerking van visproducten (bv fileren van vis) of melkproducten (bv pasteurisatie) onder de bedrijfstak industrie SUD Energiebedrijven De bedrijfstak energiebedrijven omvat de levering van elektriciteit en gas. Hieronder valt ook het gebruik en beheer van de infrastructuur om de energie naar de uiteindelijke afnemer te kunnen transporteren (zoals de bedrading en gasleidingen) SUE Waterleiding, riolering en afvalverwerking Onder deze bedrijfstak vallen alle activiteiten die vallen onder het management van verschillende vormen van afval. Hieronder valt tevens de productie, zuivering en distributie van water, de verzameling en verwerking van diverse soorten afval, en het onderhoud aan de riolering SUF Bouwnijverheid Bouwnijverheid omvat de bouw van, onder meer gebouwen en civiele constructies. Ook de ontwikkeling van bouwprojecten met het plan deze te verkopen vallen onder deze bedrijfstak. Het ontwerpen van deze gebouwen valt onder de bedrijfstak Vrije beroepen en wetenschappelijke en technische activiteiten Daarnaast moet worden opgemerkt dat de ontwikkeling van bouwprojecten die 151

152 niet voor de verkoop zijn bestemd maar voor verhuur (in eigen beheer) niet in deze bedrijfstak vallen maar in de bedrijfstak exploitatie van en handel in onroerend goed SUG Groothandel, detailhandel en garages Deze bedrijfstak omvat de verkoop van allerhande (eind)producten en eventuele serviceactiviteiten die met deze verkoop samenhangen. Daarnaast vallen alle activiteiten rond de verkoop, onderhoud en reparatie van motorvoertuigen onder deze bedrijfstak. Detailhandel via het internet of televisie valt ook onder deze bedrijfstak SUH Vervoer en opslag Onder deze bedrijfstak valt al het persoons- en vrachtvervoer via land, lucht, water of rails. Ook de distributie van post en/of pakketjes wordt onder het vrachtvervoer gerekend. De opslag van goederen (bv opslag grondstoffen in havens) of het management van knooppunten in het transport van personen (bushaltes, treinstations) dienen tevens onder deze bedrijfstak te worden geclassificeerd SUI Horeca Onder de bedrijfstak horeca vallen alle cafés, restaurants en hotels en cateringactiviteiten SUJ ICT De bedrijfstak ICT omvat de productie en distributie van allerhande soorten data. Voorbeelden hiervan zijn radio en televisie producties, kranten en tijdschriften, andere media producties, releases van diverse soorten software, telecommunicatie producties en IT-activiteiten SUK Financiële dienstverlening Op basis van ESA 95 dienen Holdingmaatschappijen en Finance-onderdelen van (veelal grote) nietfinanciële ondernemingen toe te worden gerekend aan de sector niet-financiële ondernemingen. Dit betekent dat deze Holdingmaatschappijen en Finance-onderdelen dus in de 9001HK5 terug dienen te komen. Bij de bedrijfstakindeling volgens NACE2 dienen deze Holdings en Finance-onderdelen te worden verantwoord onder de bedrijfstak Financiële dienstverlening. In geval van onduidelijkheid of onzekerheid rond de juiste toekenning van de bedrijfstak wordt rapporteurs verzocht op voorhand hierover contact te leggen met DNB SUL Exploitatie van en handel in onroerend goed Onder deze bedrijfstak worden alle activiteiten geschaard die bijdragen aan de exploitatie van, en handel in onroerend goed door middel van verhuur, verkoop of advisering (makelaarskantoren). Nieuwbouwprojecten die bij oplevering direct in de verkoop gaan vallen niet onder deze bedrijfstak 152

153 maar onder de bedrijfstak bouwnijverheid. Nieuwbouwprojecten waarbij het opgeleverde onroerend goed in eigen beheer blijft en is bestemd voor de verhuur valt wel onder deze bedrijfstak. Evenzo valt de exploitatie van hotels, vakantieparken enz. niet onder deze bedrijfstak maar onder de bedrijfstak Horeca SUM Vrije beroepen en wetenschappelijke en technische activiteiten Onder deze bedrijfstak vallen vrije beroepen als advocatuur, accountancy, architectuur en wetenschappelijke onderzoeksinstellingen. Ook reclamebureaus of marktonderzoeksbureaus worden onder deze bedrijfstak geschaard SUN Administratieve en ondersteunende diensten Onder deze bedrijfstak vallen alle diensten die niet zijn gebaseerd op de overdracht van specifieke kennis maar op de ondersteuning van andere instellingen en/of particulieren. Denk hierbij aan uitzendbureaus, reisbureaus, beveiligingsbureaus, schoonmaakdiensten of administratieve diensten, 2240 SUO Openbaar bestuur en defensie; verplichte sociale verzekeringen Onder deze bedrijfstak vallen alle activiteiten die vanuit overheidswege worden uitgevoerd, zoals de belastingdienst, rechtbanken of instellingen die de administratieve taken uitvoeren voor defensie of sociale zekerheidsinstellingen SUP Onderwijs Deze bedrijfstak omvat alle onderwijsinstellingen, zoals basisscholen, voortgezet onderwijs, hoge scholen en universiteiten. Ook andere onderwijsinstellingen als sportscholen, conservatoria, rijscholen vallen onder deze bedrijfstak SUQ Gezondheids- en welzijnszorg Onder deze bedrijfstak vallen als activiteiten die gericht zijn op de gezondheid of het welzijn van mensen. Hieronder vallen bijvoorbeeld ziekenhuizen, huisartspraktijken, tandheelkundige praktijken, ouderenzorg maar ook kinderdagopvang (crèche) SUR Kunst, amusement en recreatie Deze bedrijfstak beschrijft alle instellingen die culturele, educatieve of recreatieve activiteiten ontplooien. Voorbeelden hiervan zijn theaters, musea, bibliotheken, casino s, sportclubs, fitnesscentra en pretparken. Merk op dat activiteiten op het gebied van radio, televisie of films toebehoren aan de bedrijfstak ICT. 153

154 2240 SUS Overige dienstverlening Alle activiteiten van instellingen die niet in een van de andere bedrijfstaken kan worden gerangschikt, kan in de bedrijfstak overige dienstverlening worden geplaatst. Dit kunnen bijvoorbeeld bedrijfsmatige activiteiten zijn van belangenverenigingen of vakbonden SUT Huishoudens als werkgever; productie van huishoudens voor eigen gebruik ZZP ers vallen onder de bedrijfstak huishoudens en dienen derhalve niet in deze NACE uitsplitsing te worden opgenomen. De enige uitzondering hierop zijn huishoudens die dienstverlening verzorgen of goederen produceren die louter voor eigen gebruik zijn. 154

155 9001HK6: Totaal SE-balans, totaal generaal Formulier 9001HK6 bestaat grotendeels uit gegenereerde posten uit formulier 9001HK1 en 9001HK2. De kolom niet toe te rekenen is de enige kolom die door de MFI zelf kan worden ingevuld. De kolom totaal generaal dient uiteindelijk een volledig sluitende balans weer te geven. Kolom niet toe te rekenen (9998 SPU) Hierin dienen posten te worden opgenomen die niet naar land of sector zijn toe te rekenen: Kasmiddelen, niet financiële vaste activa, bepaalde overige activa/passiva, kapitaal en reserves alsmede een uitsplitsing op uitgegeven schuldpapier en syndicaatsleningen. Uitgegeven schuldpapier Voor uitgegeven schuldpapier met looptijden korter dan twee jaar moet een uitsplitsing worden gerapporteerd naar papier met een nominale kapitaalsgarantie van minder dan 100 procent. Het betreft hier z.g.n. hybride instrumenten. Dit is schuldpapier uitgegeven door MFI s met een oorspronkelijke looptijd tot twee jaar en die op de vervaldatum een contractuele aflossingswaarde hebben in de uitgevende valuta van minder dan het bedrag dat oorspronkelijk is geïnvesteerd vanwege de combinatie van schuldcomponenten en componenten van derivaten. Het uitgegeven schuldpapier dient onder kolom Niet toe te rekenen gerapporteerd te worden aangezien de emittent (de rapporterende bank) geen informatie heeft over het houderschap van zijn eigen uitgegeven stukken. De te betalen rente hierop dient onder overige passiva onder kolom Niet toe te rekenen te worden gerapporteerd. Syndicaatsleningen Door MFI s opgenomen leningen en deposito s uit hoofde van syndicaatsleningen dienen in 9001HK6 te worden gerapporteerd, in de sector Niet toe te rekenen. In de totaaltelling van de totale opgenomen leningen en deposito s (totaal generaal) worden deze syndicaatsleningen inbegrepen. Zie verder de postomschrijving Syndicaatsleningen in Deel

156 Formulier 9002 Titel Rapportage populatie Frequentie Inzendtermijn Maandrapportage SE stromen Grootste banken Maand 20 e werkdag na afloop van de verslagmaand Doel van het formulier Voor het afleiden van transacties in het effectenbezit is - naast standgegevens - ook informatie nodig over gerealiseerde en ongerealiseerde prijsherwaarderingen. Verschillende componenten van de reconciliatie worden vervolgens naar de ECB verstuurd, waarna de ECB de transacties kan afleiden. De gerapporteerde gegevens op formulier 9002 vormen een deel van deze reconciliatiecomponenten (zie onderstaand figuur). Eindstand + Netto transacties + Wisselkoers + Prijsmutaties + Reeks- = Eindstand maand t-1 mutaties maand t maand t breuken maand t Rapport 9001 Afleiding door Berekend door Rapport 9002 Berekend Rapport ECB ECB door DNB 9001 Inhoud van het formulier Het stromenformulier 9002 heeft betrekking op mutaties in de corresponderende effectenposten (aangehouden aandelen en aangehouden schuldpapier) op standenformulier Voor effecten (onderverdeeld naar aangehouden aandelen en aangehouden schuldpapier) dient maandelijks het resultaat ten opzichte van de voorgaande maand (of aankoopwaarde indien de effecten gedurende de maand zijn aangeschaft) gerapporteerd te worden. Het resultaat wordt gedefinieerd als marktwaarde op tijdstip t minus marktwaarde op tijdstip t-1. Voor gedurende de maand verkochte aandelen die op moment t-1 nog in de effectenportefeuille zaten, dient het gerealiseerde resultaat ten opzichte van de marktwaarde van de voorgaande rapportagemaand (en niet ten opzichte van de aankoopwaarde) gerapporteerd te worden. Voor effecten die gedurende de maand zijn gekocht en binnen dezelfde maand zijn verkocht dient het verschil in de aan- en verkoopprijs gerapporteerd te worden. 156

157 Formulier 9003 Titel Rapportage populatie Frequentie Inzendtermijn Maandrapportage afschrijvingen Grootste banken Maand 11 e /12 e werkdag na afloop van de verslagmaand Doel van het formulier Naast standeninformatie in formulier 9001 dient ook stromeninformatie te worden gerapporteerd. Op dit formulier 9003 wordt t.b.v. de ECB informatie gevraagd over afschrijvingen op diverse instrumenten, uitgesplitst naar o.a. sector. De afschrijvingen vormen ook een onderdeel van de reconciliatie van de standontwikkeling van de verstrekte leningen en deposito s. Zie onderstaand voorbeeld, waarin in januari miljoen aan woninghypotheken is afgeschreven. Toelichting per hoofdkenmerk: Op dit formulier dienen verstrekte leningen en deposito s te worden gerapporteerd die van de balans gehaald zijn als gevolg van afschrijvingen. Specifieke voorzieningen voor debiteuren dienen niet opgenomen te worden onder afschrijvingen. Afschrijvingen die worden geconstateerd bij verkoop of overdracht van de leningen aan derden, worden ook opgenomen, indien identificeerbaar. 157

HANDBOEK SOCIAAL-ECONOMISCHE RAPPORTAGES

HANDBOEK SOCIAAL-ECONOMISCHE RAPPORTAGES HANDBOEK SOCIAAL-ECONOMISCHE RAPPORTAGES Divisie Statistiek & Informatie De Nederlandsche Bank 2015 De Nederlandsche Bank NV Inhoud Deel 1 Algemeen 2 Doel en achtergrond SE-rapportages 2 Rapportageverplichtingen:

Nadere informatie

HOOFDLIJNEN NIEUWE DNB-RAPPORTAGE BELEGGINGSINSTELLINGEN

HOOFDLIJNEN NIEUWE DNB-RAPPORTAGE BELEGGINGSINSTELLINGEN 1 HOOFDLIJNEN NIEUWE DNB-RAPPORTAGE BELEGGINGSINSTELLINGEN 1 INLEIDING Momenteel zijn er twee rapportagekaders voor beleggingsinstellingen, elk voor een verschillend doel. Zo bestaat er de (ex-)wtb-kwartaalrapportage

Nadere informatie

EUROPESE CENTRALE BANK

EUROPESE CENTRALE BANK 26.9.2003 NL Publicatieblad van de Europese Unie L 241/1 EUROPESE CENTRALE BANK RICHTSNOER VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK van 6 februari 2003 inzake bepaalde statistische rapportagevereisten van de Europese

Nadere informatie

De Knab Participatie in het kort

De Knab Participatie in het kort De Knab Participatie in het kort De Knab Participatie in het kort Let op! De Knab Participatie in het kort geeft antwoord op vragen die je mogelijk hebt over de participatie. Als je overweegt om de Knab

Nadere informatie

STATISTIEKEN VAN DE ECB EEN KORT OVERZICHT

STATISTIEKEN VAN DE ECB EEN KORT OVERZICHT STATISTIEKEN VAN DE ECB EEN KORT OVERZICHT AUGUSTUS 2003 De statistieken van de Europese Centrale Bank (ECB) hebben als belangrijkste doel de ondersteuning van het monetaire beleid van de ECB en andere

Nadere informatie

Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen

Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen L 57/34 27.2.2002 RECTIFICATIES Rectificatie van Verording (EG) nr. 2423/2001 van de Europese Ctrale Bank van 22 november 2001 met betrekking tot de geconsolideerde balans van de sector monetaire instelling

Nadere informatie

Wijzigingen in de DRA-toelichting

Wijzigingen in de DRA-toelichting Wijzigingen in de DRA-toelichting Profiel PNK Inleiding Tekenconventie: De volgende teksten zijn toegevoegd aan de toelichting: Inkomen: Inkomen op financiële activa en passiva dient zonder teken gerapporteerd

Nadere informatie

Onderwerp Nieuwe rapportageverplichting beleggingsinstellingen tbv statistieken

Onderwerp Nieuwe rapportageverplichting beleggingsinstellingen tbv statistieken Divisie Statistiek en informatie Afdeling Overige financiële instellingenstatistieken Amsterdam Postbus 98 1000 AB Amsterdam Datum Uw kenmerk Doorkiesnummer 020-524 3368 Bijlage(n) 1 Onderwerp Nieuwe rapportageverplichting

Nadere informatie

L 211/8 Publicatieblad van de Europese Unie 11.8.2007

L 211/8 Publicatieblad van de Europese Unie 11.8.2007 L 211/8 Publicatieblad van de Europese Unie 11.8.2007 VERORDENING (EG) Nr. 958/2007 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK van 27 juli 2007 houdende statistieken betreffende de activa en passiva van beleggingsfondsen

Nadere informatie

BIJLAGE A bij het. voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

BIJLAGE A bij het. voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD NL NL NL EUROPESE COMMISSIE Brussel, 20.12.2010 COM(2010) 774 definitief Bijlage A/Hoofdstuk 14 BIJLAGE A bij het voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende het Europees

Nadere informatie

MODEL financieringsmaatschappijen; invoering Wet op het financieel toezicht

MODEL financieringsmaatschappijen; invoering Wet op het financieel toezicht Expertisecentrum Markttoetreding Amsterdam Postbus 98 1000 AB Amsterdam Datum Uw kenmerk Doorkiesnummer 020 524 Bijlage(n) Onderwerp MODEL financieringsmaatschappijen; invoering Wet op het financieel toezicht

Nadere informatie

Betalingsbalans. Versie 6.0. Toelichting op het formulier populatieonderzoek Overige Sectoren. De Nederlandsche Bank NV, 2010

Betalingsbalans. Versie 6.0. Toelichting op het formulier populatieonderzoek Overige Sectoren. De Nederlandsche Bank NV, 2010 Betalingsbalans Toelichting op het formulier populatieonderzoek Overige Sectoren Versie 6.0 De Nederlandsche Bank NV, 2010 Toelichting populatieonderzoek Overige Sectoren- betalingsbalans - versie 6.0.doc

Nadere informatie

Artikel 2 Slotbepalingen Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 2 Slotbepalingen Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. 24.9.2015 L 248/45 VERORDENING (EU) 2015/1599 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK van 10 september 2015 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1333/2014 houdende geldmarktstatistieken (ECB/2015/30) DE RAAD VAN

Nadere informatie

VERORDENING (EU) 2015/534 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK van 17 maart 2015 betreffende rapportage van financiële toezichtinformatie (ECB/2015/13)

VERORDENING (EU) 2015/534 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK van 17 maart 2015 betreffende rapportage van financiële toezichtinformatie (ECB/2015/13) 31.3.2015 NL L 86/13 VERORDENING (EU) 2015/534 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK van 17 maart 2015 betreffende rapportage van financiële toezichtinformatie (ECB/2015/13) DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE

Nadere informatie

PERSBERICHT. Eerste publicatie van MFI-rentestatistieken voor het eurogebied 1

PERSBERICHT. Eerste publicatie van MFI-rentestatistieken voor het eurogebied 1 10 december 2003 PERSBERICHT Eerste publicatie van MFI-rentestatistieken voor het eurogebied 1 Vandaag introduceert de Europese Centrale Bank (ECB) een nieuwe reeks geharmoniseerde statistieken betreffende

Nadere informatie

Jaarbericht Weller Wonen Holding BV 2014

Jaarbericht Weller Wonen Holding BV 2014 Jaarbericht Weller Wonen Holding BV 2014 Inhoudsopgave 1. Algemeen 2 2. Jaarrekening 3 2.1 Balans per 31-12-2014 (voor winstbestemming) 3 2.2 Winst en verliesrekening over 2014 4 2.3 Kasstroomoverzicht

Nadere informatie

EUROPESE CENTRALE BANK

EUROPESE CENTRALE BANK L 202/54 Publicatieblad van de Europese Unie 4.8.2009 EUROPESE CENTRALE BANK BESLUIT VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK van 17 juli 2009 tot wijziging van Besluit ECB/2006/17 betreffende de jaarrekening van

Nadere informatie

Kenmerken financiële instrumenten en risico s

Kenmerken financiële instrumenten en risico s Kenmerken financiële instrumenten en risico s Inleiding Aan alle vormen van beleggen zijn risico s verbonden. De risico s zijn afhankelijk van de belegging. Een belegging kan in meer of mindere mate speculatief

Nadere informatie

MKBI DUURZAAM B.V. TWEEDE KWARTAAL 2014 KWARTAAL RAPPORTAGE NIET GECONTROLEERD

MKBI DUURZAAM B.V. TWEEDE KWARTAAL 2014 KWARTAAL RAPPORTAGE NIET GECONTROLEERD MKBI DUURZAAM B.V. KWARTAAL RAPPORTAGE TWEEDE KWARTAAL 2014 NIET GECONTROLEERD 6 OKTOBER 2014 MKBI DUURZAAM B.V. De Kuiper 5 5353 RJ Nieuwkuijk The Netherlands Directie MKBi Beheer B.V. A van Egberink

Nadere informatie

Betalingsbalans. Versie 1.0. Toelichting op het formulier populatieonderzoek Niet-Financiële Vennootschappen. De Nederlandsche Bank NV, 2012

Betalingsbalans. Versie 1.0. Toelichting op het formulier populatieonderzoek Niet-Financiële Vennootschappen. De Nederlandsche Bank NV, 2012 Betalingsbalans Toelichting op het formulier populatieonderzoek Niet-Financiële Vennootschappen Versie 1.0 De Nederlandsche Bank NV, 2012 Toelichting op het populatieonderzoeksformulier NFV_versie 1.0.doc

Nadere informatie

Betalingsbalans. Versie 4.5. Profiel: BEB Benchmark BFI s. Toelichting op de benchmark -rapportage Activa en Passiva over het jaar 2015

Betalingsbalans. Versie 4.5. Profiel: BEB Benchmark BFI s. Toelichting op de benchmark -rapportage Activa en Passiva over het jaar 2015 Betalingsbalans Profiel: BEB Benchmark BFI s Toelichting op de benchmark -rapportage Activa en Passiva over het jaar 2015 Versie 4.5 De Nederlandsche Bank NV, 2014 Toelichting BFI benchmarkrapportage 2015

Nadere informatie

AANVULLENDE TOELICHTING JAARRAPPORTAGE 2009 PROFIEL BFI

AANVULLENDE TOELICHTING JAARRAPPORTAGE 2009 PROFIEL BFI AANVULLENDE TOELICHTING JAARRAPPORTAGE 2009 PROFIEL BFI Inleidende Opmerkingen 1. Met het oog op juiste invulling van de rapportage verzoeken wij u dringend deze toelichting goed te lezen. Meer gedetailleerde

Nadere informatie

VERORDENINGEN. VERORDENING (EG) Nr. 24/2009 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK. van 19 december 2008

VERORDENINGEN. VERORDENING (EG) Nr. 24/2009 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK. van 19 december 2008 20.1.2009 NL Publicatieblad van de Europese Unie L 15/1 I (Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is) VERORDENINGEN VERORDENING (EG) Nr. 24/2009 VAN DE EUROPESE

Nadere informatie

Artikel 1. Wijzigingen

Artikel 1. Wijzigingen L 14/36 NL RICHTSNOER (EU) 2016/66 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK van 26 november 2015 tot wijziging van Richtsnoer ECB/2013/24 betreffende de statistische rapportagevereisten van de Europese Bank met betrekking

Nadere informatie

EUROPESE CENTRALE BANK

EUROPESE CENTRALE BANK L 36/22 Publicatieblad van de Europese Unie 5.2.2009 EUROPESE CENTRALE BANK BESLUIT VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK van 11 december 2008 tot wijziging van Besluit ECB/2006/17 betreffende de jaarrekening

Nadere informatie

HOLLAND IMMO GROUP INSINGER DE BEAUFORT BEHEER B.V. TE EINDHOVEN. Halfjaarcijfers per 30 juni 2014. Geen accountantscontrole toegepast

HOLLAND IMMO GROUP INSINGER DE BEAUFORT BEHEER B.V. TE EINDHOVEN. Halfjaarcijfers per 30 juni 2014. Geen accountantscontrole toegepast HOLLAND IMMO GROUP INSINGER DE BEAUFORT BEHEER B.V. TE EINDHOVEN Halfjaarcijfers per 30 juni 2014 Balans per 30 juni 2014 Vóór resultaatbestemming ACTIVA 30 juni 2014 31 december 2013 Vlottende activa

Nadere informatie

Jaarbericht. Weller Vastgoed Ontwikkeling Secundus BV

Jaarbericht. Weller Vastgoed Ontwikkeling Secundus BV Jaarbericht Weller Vastgoed Ontwikkeling Secundus BV 2014 Inhoudsopgave 1. Algemeen 2 2. Jaarrekening 3 2.1 Balans per 31-12-2014 (voor winstbestemming) 3 2.2 Winst en verliesrekening over 2014 4 2.3 Kasstroomoverzicht

Nadere informatie

Richtsnoeren voor de behandeling van verbonden ondernemingen, waaronder deelnemingen

Richtsnoeren voor de behandeling van verbonden ondernemingen, waaronder deelnemingen EIOPA-BoS-14/170 NL Richtsnoeren voor de behandeling van verbonden ondernemingen, waaronder deelnemingen EIOPA Westhafen Tower, Westhafenplatz 1-60327 Frankfurt Germany - Tel. + 49 69-951119-20; Fax. +

Nadere informatie

IBUS ASSET MANAGEMENT UK B.V. HALFJAARVERSLAG 2007. Krijgsman 6 - Postbus 8010-1180 LA Amstelveen Telefoon 020-7559000 - Fax 020-7559090

IBUS ASSET MANAGEMENT UK B.V. HALFJAARVERSLAG 2007. Krijgsman 6 - Postbus 8010-1180 LA Amstelveen Telefoon 020-7559000 - Fax 020-7559090 IBUS ASSET MANAGEMENT UK B.V. HALFJAARVERSLAG 2007 Krijgsman 6 - Postbus 8010-1180 LA Amstelveen Telefoon 020-7559000 - Fax 020-7559090 INHOUDSOPGAVE Vennootschappelijke Balans 3 Vennootschappelijke Winst-

Nadere informatie

VBI WINKELFONDS NV ANNEXUM. Directie Annexum Beheer B.V. WTC, G-Toren Strawinskylaan 485 1077 XX Amsterdam HALFJAARBERICHT 2012

VBI WINKELFONDS NV ANNEXUM. Directie Annexum Beheer B.V. WTC, G-Toren Strawinskylaan 485 1077 XX Amsterdam HALFJAARBERICHT 2012 1 Halfjaarbericht 2012 VBI Winkelfonds NV ANNEXUM VBI WINKELFONDS NV HALFJAARBERICHT 2012 Directie Annexum Beheer B.V. WTC, G-Toren Strawinskylaan 485 1077 XX Amsterdam 2 Halfjaarbericht 2012 VBI Winkelfonds

Nadere informatie

Steunstichting SBWU. Boekjaar 2014. Steunstichting SBWU Utrecht. 2 april 2015

Steunstichting SBWU. Boekjaar 2014. Steunstichting SBWU Utrecht. 2 april 2015 Steunstichting SBWU Boekjaar 2014 Steunstichting SBWU Utrecht 2 april 2015 Inhoud Blad Jaarrekeningverslag over boekjaar 2014 3 Jaarrekening 2014 4 Balans per 31 december 2014 5 Winst-en verliesrekening

Nadere informatie

De Nederlandsche Bank N.V. Consultatie. CRD II Implementatie (nieuwe) Regeling Hybride kapitaalinstrumenten banken 2010

De Nederlandsche Bank N.V. Consultatie. CRD II Implementatie (nieuwe) Regeling Hybride kapitaalinstrumenten banken 2010 De Nederlandsche Bank N.V. Consultatie CRD II Implementatie (nieuwe) Regeling Hybride kapitaalinstrumenten banken 2010 28 juni 2010 1 Regeling van De Nederlandsche Bank NV van [datum], tot vaststelling

Nadere informatie

Elite Fund Management B.V. te Naarden

Elite Fund Management B.V. te Naarden Elite Fund Management B.V. te Naarden Halfjaarbericht 2015 30 juli 2015 1 Inhoudsopgave Algemeen 3 Halfjaarbericht over de periode 1 januari 2015 tot en met 30 juni 2015 4 Balans per 30 juni 2015 5 Winst-en-verliesrekening

Nadere informatie

Rafael gemeente De Rank T.a.v. het bestuur Ringvaartweg 123 3065 AC ROTTERDAM. Jaarrekening 2014

Rafael gemeente De Rank T.a.v. het bestuur Ringvaartweg 123 3065 AC ROTTERDAM. Jaarrekening 2014 Rafael gemeente De Rank T.a.v. het bestuur Ringvaartweg 123 3065 AC ROTTERDAM Jaarrekening 2014 Rafael gemeente De Rank T.a.v. het bestuur Ringvaartweg 123 3065 AC ROTTERDAM Jaarrekening 2014 INHOUDSOPGAVE

Nadere informatie

Global Opportunities (GO) Capital Asset Management BV gevestigd te AMSTERDAM. Rapport inzake de jaarrekening 2013

Global Opportunities (GO) Capital Asset Management BV gevestigd te AMSTERDAM. Rapport inzake de jaarrekening 2013 Global Opportunities (GO) Capital Asset Management BV gevestigd te AMSTERDAM Rapport inzake de jaarrekening 2013 Inhoudsopgave Pagina Opdracht 1 Algemeen 1 Resultaten 1 Financiële positie 2 Kengetallen

Nadere informatie

ABN AMRO Investment Management B.V. Jaarrekening 2013

ABN AMRO Investment Management B.V. Jaarrekening 2013 Jaarrekening 2013 Pagina 1 van 12 INHOUD Pagina Directieverslag 3 Balans per 31 december 2013 4 Winst- en verliesrekening 2013 5 Toelichting algemeen 6 Toelichting op de balans per 31 december 2013 8 Toelichting

Nadere informatie

HOLLAND IMMO GROUP BEHEER B.V. TE EINDHOVEN. Halfjaarcijfers per 30 juni 2014. Geen accountantscontrole toegepast

HOLLAND IMMO GROUP BEHEER B.V. TE EINDHOVEN. Halfjaarcijfers per 30 juni 2014. Geen accountantscontrole toegepast HOLLAND IMMO GROUP BEHEER B.V. TE EINDHOVEN Halfjaarcijfers per 30 juni 2014 Balans per 30 juni 2014 Vóór resultaatbestemming ACTIVA 30 juni 2014 31 december 2013 Vlottende activa Handelsdebiteuren 1.624

Nadere informatie

Stichting Tuchtrecht Vrijwilligerswerk. Jaarrekening 2014

Stichting Tuchtrecht Vrijwilligerswerk. Jaarrekening 2014 Stichting Tuchtrecht Vrijwilligerswerk Jaarrekening 2014 INHOUDSOPGAVE Pagina 1. Jaarrapportage 1.1 Opdrachtbevestiging 3 1.2 Algemeen 4 1.3 Resultaatvergelijking 4 1.4 Meerjarenoverzicht 6 1.5 Financiële

Nadere informatie

De inschatting van de kans op eventuele wanbetalingen bij toekomstige rente- en aflossingsbetalingen op schuldpapier; Renterisico

De inschatting van de kans op eventuele wanbetalingen bij toekomstige rente- en aflossingsbetalingen op schuldpapier; Renterisico Agendapunt 05 Bijlage 08 TREASURYSTATUUT I Begripsbepalingen Artikel 1 In dit statuut wordt verstaan onder: Derivaten Financiële instrumenten die hun bestaan ontlenen aan een bepaalde onderliggende waarde.

Nadere informatie

De bestuursleden van Stichting Goed Bezig Midscheeps 3 9733 A Groningen. Financieel verslag 2012. Dossiernummer: 800070.0

De bestuursleden van Stichting Goed Bezig Midscheeps 3 9733 A Groningen. Financieel verslag 2012. Dossiernummer: 800070.0 De bestuursleden van Stichting Goed Bezig Midscheeps 3 9733 A Groningen Financieel verslag 2012 Dossiernummer: 800070.0 Kenmerk: H. Veen Datum: 26 april 2013 Inhoudsopgave 1. Rapport 3 1.1 Opdracht 4 1.2

Nadere informatie

Global Opportunities (GO) Capital Asset Management BV gevestigd te AMSTERDAM. Rapport inzake de jaarrekening 2014

Global Opportunities (GO) Capital Asset Management BV gevestigd te AMSTERDAM. Rapport inzake de jaarrekening 2014 Global Opportunities (GO) Capital Asset Management BV gevestigd te AMSTERDAM Rapport inzake de jaarrekening 2014 Inhoudsopgave Pagina Opdracht 1 Algemeen 1 Resultaten 1 Financiële positie 2 Kengetallen

Nadere informatie

Toelichting bij de informatieverzameling over door lokale besturen verstrekte waarborgen Versie 20 mei 2014 pagina 1/8

Toelichting bij de informatieverzameling over door lokale besturen verstrekte waarborgen Versie 20 mei 2014 pagina 1/8 Versie 20 mei 2014 pagina 1/8 Toelichting Er zijn drie versies van de tabellen, nl. één per type bestuur (gemeente, provincie of OCMW). De inhoud van die drie versies is quasi identiek, alleen verschillen

Nadere informatie

J A A R STUKKEN 2 0 12. Energiek BV. Permar Energiek BV Ede

J A A R STUKKEN 2 0 12. Energiek BV. Permar Energiek BV Ede J A A R STUKKEN 2 0 12 Energiek BV Permar Energiek BV Ede Opmaakdatum:31 mei 2013 Jaarstukken 2012 - Jaarrekening - Overige gegevens Opmaakdatum: 31 mei 2013 1 Jaarrekening - Balans - Winst-en-verliesrekening

Nadere informatie

ABN AMRO VOORWAARDEN GEDELEGEERDE RAPPORTAGE EMIR

ABN AMRO VOORWAARDEN GEDELEGEERDE RAPPORTAGE EMIR ABN AMRO VOORWAARDEN GEDELEGEERDE RAPPORTAGE EMIR 1. INLEIDING EN DEFINITIES 1.1 EMIR verplicht ondernemingen om te rapporteren over de OTC-derivatentransacties die zij aangaan. Dit betekent dat zowel

Nadere informatie

VERORDENING (EU) Nr. 1011/2012 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK van 17 oktober 2012 betreffende statistieken inzake aangehouden effecten (ECB/2012/24)

VERORDENING (EU) Nr. 1011/2012 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK van 17 oktober 2012 betreffende statistieken inzake aangehouden effecten (ECB/2012/24) L 305/6 Publicatieblad van de Europese Unie 1.11.2012 VERORDENING (EU) Nr. 1011/2012 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK van 17 oktober 2012 betreffende statistieken inzake aangehouden effecten (ECB/2012/24)

Nadere informatie

EUROPESE CENTRALE BANK

EUROPESE CENTRALE BANK 31.10.2003 L 283/81 EUROPESE CENTRALE BANK RICHTSNOER VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK van 23 oktober 2003 voor transacties van deelnemende lidstaten met hun werksaldi in buitenlandse valuta's ingevolge artikel

Nadere informatie

Gezien de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, inzonderheid artikel 5,

Gezien de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, inzonderheid artikel 5, L 366/36 NL VERORDENING (EU) Nr. 1374/2014 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK van 28 november 2014 betreffende statistische rapportagevereisten voor verzekeringsinstellingen (ECB/2014/50) DE RAAD VAN BESTUUR

Nadere informatie

http://wetten.overheid.nl/bwbr0011987/geldigheidsdatum_15-01-2015/afdrukken

http://wetten.overheid.nl/bwbr0011987/geldigheidsdatum_15-01-2015/afdrukken http://wetten.overheid.nl/bwbr0011987/geldigheidsdatum_/afdrukken Page 1 of 5 Wet financiering decentrale overheden (Tekst geldend op: ) Wet van 14 december 2000, houdende nieuwe bepalingen inzake het

Nadere informatie

Balans per 31 december 2014 (na resultaatbestemming)

Balans per 31 december 2014 (na resultaatbestemming) Balans per 31 december 2014 (na resultaatbestemming) ACTIVA Vlottende activa Toe- 31 december 2014 lichting Vorderingen 1 17.426 Liquide middelen 270.066 287.492 PASSIVA Eigen vermogen 2 Vrij besteedbaar

Nadere informatie

IBUS ASSET MANAGEMENT UK B.V. JAARREKENING 2006. Polarisavenue 85 - Postbus 2007-2130 GE Hoofddorp Telefoon 023-5685800 - Fax 023-5685806

IBUS ASSET MANAGEMENT UK B.V. JAARREKENING 2006. Polarisavenue 85 - Postbus 2007-2130 GE Hoofddorp Telefoon 023-5685800 - Fax 023-5685806 IBUS ASSET MANAGEMENT UK B.V. JAARREKENING 2006 Polarisavenue 85 - Postbus 2007-2130 GE Hoofddorp Telefoon 023-5685800 - Fax 023-5685806 INHOUDSOPGAVE Vennootschappelijke Balans 3 Vennootschappelijke Winst-

Nadere informatie

Deze definities dienen ter interpretatie van begrippen in het Informatie Memorandum alsmede de aanvullende stukken.

Deze definities dienen ter interpretatie van begrippen in het Informatie Memorandum alsmede de aanvullende stukken. 9. Begrippenlijst Deze definities dienen ter interpretatie van begrippen in het Informatie Memorandum alsmede de aanvullende stukken. Aanbieder De entiteit die de Obligaties in Old Liquors Invest B.V.

Nadere informatie

Richtsnoeren voor de omgang met markt- en tegenpartijrisico s in de standaardformule

Richtsnoeren voor de omgang met markt- en tegenpartijrisico s in de standaardformule EIOPA-BoS-14/174 NL Richtsnoeren voor de omgang met markt- en tegenpartijrisico s in de standaardformule EIOPA Westhafen Tower, Westhafenplatz 1-60327 Frankfurt Germany - Tel. + 49 69-951119-20; Fax. +

Nadere informatie

Kenmerken financiële instrumenten en risico s

Kenmerken financiële instrumenten en risico s Kenmerken financiële instrumenten en risico s Aan alle vormen van beleggen zijn risico s verbonden. De risico s zijn afhankelijk van de belegging. Een belegging kan in meer of mindere mate speculatief

Nadere informatie

MKBI DUURZAAM B.V. DERDE KWARTAAL 2013 KWARTAAL RAPPORTAGE NIET GECONTROLEERD

MKBI DUURZAAM B.V. DERDE KWARTAAL 2013 KWARTAAL RAPPORTAGE NIET GECONTROLEERD MKBI DUURZAAM B.V. KWARTAAL RAPPORTAGE DERDE KWARTAAL 2013 NIET GECONTROLEERD 30 SEPTEMBER 2013 MKBI DUURZAAM B.V. De Kuiper 5 5353 RJ Nieuwkuijk The Netherlands Directie MKBi Beheer B.V. A van Egberink

Nadere informatie

Uitgebracht aan de directie en aandeelhouder van: Vinc Vastgoed Management I B.V. inzake. tussentijds bericht per 1 juli 2010

Uitgebracht aan de directie en aandeelhouder van: Vinc Vastgoed Management I B.V. inzake. tussentijds bericht per 1 juli 2010 Uitgebracht aan de directie en aandeelhouder van: inzake tussentijds bericht per 1 juli 2010 7 juli 2010 Barendrecht INHOUDSOPGAVE Pagina Balans per 1 juli 2010 2 Winst- en verliesrekening over de periode

Nadere informatie

A. Beheerders met zetel in Nederland van een icbe Staat Frequentie Indieningstermijn FINREPBSACT Balans (activa) per.

A. Beheerders met zetel in Nederland van een icbe Staat Frequentie Indieningstermijn FINREPBSACT Balans (activa) per. Invulinstructie DNB beheerdersrapportage (financiële staten uit hoofde 3:72 Wft) Toezicht nationale instellingen Beleggingsondernemingen en beleggingsinstellingen Op de volgende bladzijden treft u een

Nadere informatie

Informatie ten behoeve van het deponeren van de rapportage bij het Handelsregister

Informatie ten behoeve van het deponeren van de rapportage bij het Handelsregister Informatie ten behoeve van het deponeren van de rapportage bij het Handelsregister Informatie ten behoeve van het deponeren van de rapportage bij het Handelsregister Classificatie van de rechtspersoon

Nadere informatie

Uitgebracht aan de directie en aandeelhouder van: Vinc Vastgoed Management I B.V. inzake. tussentijds bericht per 30 juni 2012

Uitgebracht aan de directie en aandeelhouder van: Vinc Vastgoed Management I B.V. inzake. tussentijds bericht per 30 juni 2012 Uitgebracht aan de directie en aandeelhouder van: inzake tussentijds bericht per 30 juni 2012 28 augustus 2012 Barendrecht INHOUDSOPGAVE Pagina Balans per 30 juni 2012 2 Winst- en verliesrekening over

Nadere informatie

- 1 - De Nederlandsche Bank NV (DNB) legt een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 1:80 en 1:81 van de Wft, op aan:

- 1 - De Nederlandsche Bank NV (DNB) legt een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 1:80 en 1:81 van de Wft, op aan: - 1 - Beschikking tot het opleggen van een bestuurlijke boete aan Matrix Asset Management B.V. als bedoeld in artikel 1:80 van de Wet op het financieel toezicht Gelet op artikel 1:80, 1:81, 1:98 en 3:72,

Nadere informatie

Nieuwe bepalingen over verbonden partijen en niet in de balans opgenomen regelingen

Nieuwe bepalingen over verbonden partijen en niet in de balans opgenomen regelingen Nieuwe bepalingen over verbonden partijen en niet in de balans opgenomen regelingen Eind 2008 zijn in de Nederlandse wet nieuwe bepalingen opgenomen met vereisten voor de toelichting van de jaarrekening.

Nadere informatie

COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD

COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN Brussel, 14.3.2003 COM(2003) 114 definitief 2003/0050 (CNS) Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende de statistische gegevens die moeten worden gebruikt

Nadere informatie

IBUS Fondsen Beheer B.V. Jaarverslag 2013

IBUS Fondsen Beheer B.V. Jaarverslag 2013 IBUS Fondsen Beheer B.V. INHOUDSOPGAVE JAARVERSLAG 4 JAARREKENING Balans per 31 december 2013 5 Winst- en verliesrekening over 2013 6 Kasstroomoverzicht 7 Grondslagen van waardering en resultaatbepaling

Nadere informatie

boekhouding - belastingen - bedrijfsadvies Jaarverslag 2014 Stichting 070watt Pletterijkade 15-28 2515 SG 'S-GRAVENHAGE

boekhouding - belastingen - bedrijfsadvies Jaarverslag 2014 Stichting 070watt Pletterijkade 15-28 2515 SG 'S-GRAVENHAGE Jaarverslag Pletterijkade 15-28 2515 SG 'S-GRAVENHAGE T.a.v. Mevr. H. Weisfelt Pletterijkade 15-28 2515 SG 'S-GRAVENHAGE Voorburg, 30 september 2015 Geachte mevrouw Weisfelt Dit rapport bevat de resultaten

Nadere informatie

DOORLOPENDE TEKST VAN DE ADMINISTRATIEVOORWAARDEN VAN: STICHTING ADMINISTRATIEKANTOOR WILGENHAEGE STEDEKROON. Concept d.d.

DOORLOPENDE TEKST VAN DE ADMINISTRATIEVOORWAARDEN VAN: STICHTING ADMINISTRATIEKANTOOR WILGENHAEGE STEDEKROON. Concept d.d. DOORLOPENDE TEKST VAN DE ADMINISTRATIEVOORWAARDEN VAN: STICHTING ADMINISTRATIEKANTOOR WILGENHAEGE STEDEKROON Concept d.d. 17 oktober 2011 - 2 - ADMINISTRATIEVOORWAARDEN Definities aandelen: administratiekantoor:

Nadere informatie

Tussentijds bericht Staalbankiers Beleggingsfondsen Beheer B.V. per 30-06-2013

Tussentijds bericht Staalbankiers Beleggingsfondsen Beheer B.V. per 30-06-2013 Tussentijds bericht Staalbankiers Beleggingsfondsen Beheer B.V. per 30-06-2013 Inhoudsopgave 1. Verslag van de directie 3 2. Jaarrekening 5 Balans per 30 juni 2013 Winst- en verliesrekening over 26 april

Nadere informatie

Inmaxxa BV te Naarden Halfjaarbericht 2010 28 juli 2010

Inmaxxa BV te Naarden Halfjaarbericht 2010 28 juli 2010 Inmaxxa BV te Naarden Halfjaarbericht 2010 28 juli 2010 Inmaxxa BV Halfjaarbericht 2010 1 Inhoudsopgave Algemeen 3 Jaarverslag van de directie 4 Halfjaarbericht over de periode 1 januari 2010 tot en met

Nadere informatie

Verkorte jaarrekening

Verkorte jaarrekening Geconsolideerde winst- en verliesrekening voor het jaar eindigend op 31 december 2012 x miljoen Doorlopende activiteiten Beëindigde Vóór Bijzondere activiteiten bijzondere posten posten Netto-omzet 9.131-9.131-9.131

Nadere informatie

Treasurystatuut Stichting Openbare Scholengroep Vlaardingen Schiedam (OSVS)

Treasurystatuut Stichting Openbare Scholengroep Vlaardingen Schiedam (OSVS) Treasurystatuut Stichting Openbare Scholengroep Vlaardingen Schiedam (OSVS) Treasurystatuut Stichting Openbare Scholengroep Vlaardingen Schiedam vs. 1.2 28 november 2013 pagina 1 van13 Inhoudsopgave 1.

Nadere informatie

MKBI DUURZAAM B.V. VIERDE KWARTAAL 2013 KWARTAAL RAPPORTAGE NIET GECONTROLEERD

MKBI DUURZAAM B.V. VIERDE KWARTAAL 2013 KWARTAAL RAPPORTAGE NIET GECONTROLEERD MKBI DUURZAAM B.V. KWARTAAL RAPPORTAGE VIERDE KWARTAAL 2013 NIET GECONTROLEERD 31 DECEMBER 2013 MKBI DUURZAAM B.V. De Kuiper 5 5353 RJ Nieuwkuijk The Netherlands Directie MKBi Beheer B.V. A van Egberink

Nadere informatie

J A A R STUKKEN 2 0 1 4. Energiek BV. Permar Energiek BV Ede

J A A R STUKKEN 2 0 1 4. Energiek BV. Permar Energiek BV Ede J A A R STUKKEN 2 0 1 4 Energiek BV Permar Energiek BV Ede Opmaakdatum:21 mei 2015 I N H O U D S O P G A V E : PAGINA Jaarrekening: -Balans per 31 december 2014 4 -WInst en verliesrekening per 31 december

Nadere informatie

BESLUIT (EU) 2015/1196 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK

BESLUIT (EU) 2015/1196 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK L 193/134 BESLUIT (EU) 2015/1196 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK van 2 juli 2015 houdende wijziging van Besluit ECB/2010/21 betreffende de jaarrekening van de Europese Centrale Bank (ECB/2015/26) DE RAAD

Nadere informatie

Uitgebracht aan de directie en aandeelhouder van: Vinc Vastgoed Management I B.V. inzake. tussentijds bericht per 30 juni 2011

Uitgebracht aan de directie en aandeelhouder van: Vinc Vastgoed Management I B.V. inzake. tussentijds bericht per 30 juni 2011 Uitgebracht aan de directie en aandeelhouder van: inzake tussentijds bericht per 30 juni 2011 25 augustus 2011 Barendrecht INHOUDSOPGAVE Pagina Balans per 30 juni 2011 2 Winst- en verliesrekening over

Nadere informatie

HOLLAND IMMO GROUP BEHEER B.V. TE EINDHOVEN. Halfjaarcijfers per 30 juni 2015. Geen accountantscontrole toegepast

HOLLAND IMMO GROUP BEHEER B.V. TE EINDHOVEN. Halfjaarcijfers per 30 juni 2015. Geen accountantscontrole toegepast HOLLAND IMMO GROUP BEHEER B.V. TE EINDHOVEN Halfjaarcijfers per 30 juni 2015 Balans per 30 juni 2015 Vóór resultaatbestemming ACTIVA 30 juni 2015 31 december 2014 Vaste activa Immateriële vaste activa

Nadere informatie

IBUS FONDSEN BEHEER B.V. JAARVERSLAG 2011. Krijgsman 6 - Postbus 8010-1180 LA AMSTELVEEN Telefoon 020-7559000 - Fax 020-7559090

IBUS FONDSEN BEHEER B.V. JAARVERSLAG 2011. Krijgsman 6 - Postbus 8010-1180 LA AMSTELVEEN Telefoon 020-7559000 - Fax 020-7559090 IBUS FONDSEN BEHEER B.V. JAARVERSLAG 2011 Krijgsman 6 - Postbus 8010-1180 LA AMSTELVEEN Telefoon 020-7559000 - Fax 020-7559090 INHOUDSOPGAVE Pagina JAARVERSLAG 3 JAARREKENING Balans per 31 december 2011

Nadere informatie

Questions and Answers nieuwe rapportage beleggingsinstellingen.

Questions and Answers nieuwe rapportage beleggingsinstellingen. Questions and Answers nieuwe rapportage beleggingsinstellingen. Derivaten Contracts For Difference E-Line BB Tegensector BLI Tegensector NTG (Niet toegerekend) Uitsplitsing naar valuta Inloggen door meerdere

Nadere informatie

Sterke toename van beleggingen in Duits en Frans schuldpapier. Grafiek 1 - Nederlandse aankopen buitenlandse effecten

Sterke toename van beleggingen in Duits en Frans schuldpapier. Grafiek 1 - Nederlandse aankopen buitenlandse effecten Sterke toename van beleggingen in Duits en Frans schuldpapier Nederlandse beleggers hebben in 21 per saldo voor bijna EUR 12 miljard buitenlandse effecten verkocht. Voor EUR 1 miljard betrof dit buitenlands

Nadere informatie

Balans per 31 december 2012 (na resultaatbestemming)

Balans per 31 december 2012 (na resultaatbestemming) Balans per 31 december 2012 (na resultaatbestemming) ACTIVA Vlottende activa Toe- 31 december 2012 lichting Vorderingen 1 11.745 Liquide middelen 48.856 60.601 PASSIVA Eigen vermogen 2 Vrij besteedbaar

Nadere informatie

Tussentijdse cijfers 01-01-2015 / 30-06-2015 voor publikatiedoeleinden. van Ostrica B.V. te Amsterdam

Tussentijdse cijfers 01-01-2015 / 30-06-2015 voor publikatiedoeleinden. van Ostrica B.V. te Amsterdam Tussentijdse cijfers 01-01-2015 / 30-06-2015 voor publikatiedoeleinden van Ostrica B.V. te INHOUDSOPGAVE Pagina Balans per 30 juni 2015 1 Grondslagen van waardering en resultaatbepaling 3 Toelichting op

Nadere informatie

Halfjaarbericht 2015. Bright LifeCycle Fonds

Halfjaarbericht 2015. Bright LifeCycle Fonds Halfjaarbericht 2015 Bright LifeCycle Fonds Periode: 19 december 2014 tot en met 30 juni 2015 Inhoudsopgave HALFJAARBERICHT BRIGHT LIFECYCLE FONDS... 3 BALANS PER 30 JUNI 2015... 3 WINST- EN VERLIESREKENING

Nadere informatie

Jaarverslag 2010 Rhodenborg Beleggingen I BV Houten

Jaarverslag 2010 Rhodenborg Beleggingen I BV Houten Jaarverslag 2010 Rhodenborg Beleggingen I BV Houten Inhoudsopgave pagina Jaarrekening Balans per 31 december 2010 2 Algemene toelichting 3 Grondslagen voor de waardering van activa en passiva 4 Grondslagen

Nadere informatie

ABN AMRO Basic Funds N.V. Jaarrekening 2013

ABN AMRO Basic Funds N.V. Jaarrekening 2013 Jaarrekening 2013 Pagina 1 van 12 INHOUD Pagina Directieverslag 3 Balans per 31 december 2013 4 Winst- en verliesrekening 2013 5 Toelichting algemeen 6 Toelichting op de balans per 31 december 2013 8 Toelichting

Nadere informatie

Onderstaande tabel geeft het verloop weer van onze huidige langlopende geldleningen.

Onderstaande tabel geeft het verloop weer van onze huidige langlopende geldleningen. 4 Financiering Het doel van deze paragraaf is om de raad beter te informeren omtrent het treasurybeleid en de beheersing van financiële risico s. De treasuryfunctie ondersteunt de uitvoering van de programma's

Nadere informatie

ONDERZOEK NAAR DE CONFORMITEIT TUSSEN IAS 32 (HERZIENE VERSIE VAN 1998) EN DE EUROPESE JAARREKENINGENRICHTLIJNEN

ONDERZOEK NAAR DE CONFORMITEIT TUSSEN IAS 32 (HERZIENE VERSIE VAN 1998) EN DE EUROPESE JAARREKENINGENRICHTLIJNEN XV/6026/99 NL ONDERZOEK NAAR DE CONFORMITEIT TUSSEN IAS 32 (HERZIENE VERSIE VAN 1998) EN DE EUROPESE JAARREKENINGENRICHTLIJNEN DIRECTORAAT-GENERAAL XV Interne markt en financiële diensten 1 Dit document

Nadere informatie

Vinc Vastgoed Management I B.V. gevestigd te Rotterdam

Vinc Vastgoed Management I B.V. gevestigd te Rotterdam #ORG=saa#VES=rdm#PAP=vbl Vinc Vastgoed Management I B.V. gevestigd te Rotterdam Financieel verslag over het boekjaar 1-1-2014 / 30-6-2014 #ORG=saa#VES=rdm#PAP=vlg Vinc Vastgoed Management I B.V., Rotterdam

Nadere informatie

HALFJAARBERICHT 2013 1 januari 30 juni 2013

HALFJAARBERICHT 2013 1 januari 30 juni 2013 HALFJAARBERICHT 2013 1 januari 30 juni 2013 Oyens & Van Eeghen Beheer B.V. Zuidplein 124 1077 XV AMSTERDAM INHOUD 1 INLEIDING 1 1.1 Algemeen 1 1.2 Doelstelling 1 1.3 Directie 1 1.4 Wft-vergunning 1 2 HALFJAARCIJFERS

Nadere informatie

HALFJAARVERSLAG. AEFIDES Vastgoed XIV CV te Groningen. Over de periode 1 januari 2010 t/m 30 juni 2010

HALFJAARVERSLAG. AEFIDES Vastgoed XIV CV te Groningen. Over de periode 1 januari 2010 t/m 30 juni 2010 HALFJAARVERSLAG AEFIDES Vastgoed XIV CV te Groningen Over de periode 1 januari 2010 t/m 30 juni 2010 INHOUD Pagina HALFJAARVERSLAG 1 Resultaat over 1 januari 2010 t/m 30 juni 2010 3 2 Balans per 30 juni

Nadere informatie

Halfjaarcijfers per 30 juni 2015

Halfjaarcijfers per 30 juni 2015 Halfjaarcijfers per 30 juni 2015 STICHTING BEHEER OIKOCREDIT NEDERLAND FONDS INHOUDSOPGAVE Balans per 30 juni 2015 2 Staat van baten en lasten over het eerste halfjaar 2015 3 Toelichting op de halfjaarcijfers

Nadere informatie

JAARRAPPORT 2011. Oyens & Van Eeghen Beheer B.V. Zuidplein 124 1077 XV AMSTERDAM

JAARRAPPORT 2011. Oyens & Van Eeghen Beheer B.V. Zuidplein 124 1077 XV AMSTERDAM JAARRAPPORT 2011 Oyens & Van Eeghen Beheer B.V. Zuidplein 124 1077 XV AMSTERDAM Vastgesteld door de Algemene Vergadering van Aandeelhouders d.d. 30 mei 2012. INHOUD 1 INLEIDING 2 JAARREKENING 3 OVERIGE

Nadere informatie

Informatie ten behoeve van het deponeren van de rapportage bij het Handelsregister

Informatie ten behoeve van het deponeren van de rapportage bij het Handelsregister Informatie ten behoeve van het deponeren van de rapportage bij het Handelsregister Informatie ten behoeve van het deponeren van de rapportage bij het Handelsregister Classificatie van de rechtspersoon

Nadere informatie

BUSINESS VALUATION UITWERKING TOPAAS B.V.

BUSINESS VALUATION UITWERKING TOPAAS B.V. BUSINESS VALUATION UITWERKING TOPAAS B.V. VERONDERSTELLINGEN Vraagprijs 2.500.000 (pand en inventaris). Inkomsten: In totaal 40 kamers; Bezetting kamers: T1 45%, T2 52%, T3 63%, vanaf T4 en verder 68%;

Nadere informatie

10 Buitenlandse deelnemingen in de (geconsolideerde) jaarrekening

10 Buitenlandse deelnemingen in de (geconsolideerde) jaarrekening Voortgezette Studie Boekhouden 10.1 a Transacties in vreemde valuta s zijn transacties die leiden tot het ontstaan respectievelijk tenietgaan van in vreemde valuta s luidende vorderingen of schulden dan

Nadere informatie

SynVest Fund Management B.V. Hogehilweg 5 1101 CA AMSTERDAM. Publicatiebalans 2014

SynVest Fund Management B.V. Hogehilweg 5 1101 CA AMSTERDAM. Publicatiebalans 2014 Hogehilweg 5 1101 CA AMSTERDAM Publicatiebalans 2014 Vastgesteld door de Algemene Vergadering d.d. 15-07-2015. Hogehilweg 5 1101 CA AMSTERDAM Publicatiebalans 2014 Ingeschreven bij de Kamer van Koophandel

Nadere informatie

6136 GM SITTARD TE DEPONEREN FINANCIEEL VERSLAG 2013 B V DR. NOLENSLAAN 117. Company.info ALRECREA. Handeisregist er 14024391 te Zuid-Limburg

6136 GM SITTARD TE DEPONEREN FINANCIEEL VERSLAG 2013 B V DR. NOLENSLAAN 117. Company.info ALRECREA. Handeisregist er 14024391 te Zuid-Limburg TE DEPONEREN FINANCIEEL VERSLAG 2013 VAN ALRECREA B V DR. NOLENSLAAN 117 6136 GM SITTARD Dossiernummer Handeisregist er 14024391 te Zuid-Limburg INHOUDSOPGAVE I. JAARREKENING 2013 pag. 4 Algemene toelichting

Nadere informatie

Stagnatie bij bancaire bfi s, groei van activiteiten bij overige bfi s

Stagnatie bij bancaire bfi s, groei van activiteiten bij overige bfi s Stagnatie bij bancaire bfi s, groei van activiteiten bij overige bfi s Bijzondere Financiële Instellingen (bfi s) zijn entiteiten die in Nederland zijn opgericht door buitenlandse multinationale concerns

Nadere informatie

Examen Accountancypraktijk voor gevorderden najaar 2010

Examen Accountancypraktijk voor gevorderden najaar 2010 Examen Accountancypraktijk voor gevorderden => Beschikbare tijd: 3 uur => Gebruik van een rekenmachine is toegestaan, gebruik van de syllabus of andere literatuur is niet toegestaan => Specificeer de uitwerkingen

Nadere informatie

RICHTSNOER VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK

RICHTSNOER VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK 24.1.2012 Publicatieblad van de Europese Unie L 19/37 RICHTSNOEREN RICHTSNOER VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK van 21 december 2011 tot wijziging van Richtsnoer ECB/2010/20 betreffende het juridische kader

Nadere informatie

Monetaire beleidsinstrumenten van de ECB

Monetaire beleidsinstrumenten van de ECB Monetaire beleidsinstrumenten van de ECB Bronnen: www.nbb.be en www.ecb.int A. Definitie van prijsstabiliteit Prijsstabiliteit is gedefinieerd als inflatie beneden, maar dicht bij de 2%. Besluiten over

Nadere informatie

Oase Arnhem Bethaniënstraat 1-3 6826 TA ARNHEM. Jaarrekening 2014

Oase Arnhem Bethaniënstraat 1-3 6826 TA ARNHEM. Jaarrekening 2014 Bethaniënstraat 1-3 6826 TA ARNHEM Jaarrekening 2014 Bethaniënstraat 1-3 6826 TA ARNHEM Jaarrekening 2014 INHOUDSOPGAVE Pagina 1. Rapport 1.1 Samenstellingsverklaring 2 1.2 Algemeen 4 1.3 Resultaatvergelijking

Nadere informatie