Samenvatting Nederlands Module 1 (Taalijnen)

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Samenvatting Nederlands Module 1 (Taalijnen)"

Transcriptie

1 Samenvatting Nederlands Module 1 (Taalijnen) Samenvatting door een scholier 4e klas havo 2547 woorden 6,3 35 keer beoordeeld 16 jaar geleden Vak Nederlands Nederlands Samenvatting voor toets 1 OVUR-methode: uitwerken van de werkopdracht Oriëntatie: je begint niet direct met het uitwerken van de opdracht, maar dat je eerst precies vaststeld, wat er van je verwachten wordt. Voorbereiding: je bepaalt in hoeverre je het gevraagde al weet of kunt. Je bereid de (uitvoering) opdracht voor. Uitvoering: je voert de opdracht uit. Reflectie: je denkt na (reflecteert) over de uitgevoerde opdracht aan de hand van het antwoordenboek. PR-Model: 5 onderdelen in taalgebruik -tekstdoel en tekstsoort- tekstdoel is bv. Overtuigen,informeren / tekstsoort is bv. Een brief - inhoud - opbouw - formulering - presentatie De 10 punten van het PR-Model - (Publiek) is het tekstdoel duidelijk?: je moet heel duidelijk voor ogen hebben, wat het doel van een tekst is. - (Regels) is de goede tekstsoort gekozen en zijn de bijbehorende regels goed toegepast? Bv. Brief, mail, fax - (Publiek) is de informatie voldoende - (Regels) in de informatie juist? - (Publiek) is de opbouw helder? - (Regels) zijn de alinea s em de zinnen correct verbonden? - (Publiek) is de formulering toegankelijk? Pagina 1 van 11

2 - (Regels) zijn de zinsbouw en de woordkeuze correct? - (Publiek) is de presentatie geschikt? - (Regels) is de schriftelijke/modelinge weergave correct?: een correcte mondelinge weergave kenmerkt zich bv. Door voldoende stemvolume en spreektempo De waarde van het PR-Model - Het model als leidraad bij het schrijven of spreken: je kunt het model gebruiken in de voorbereidingsfase van een te schrijven tekst en een te houden voordracht. - Het model als leidraad bij het lezen en luisteren: je kunt het model ook inzetten bij het analyseren van teksten van anderen. - Het model als leidraad bij het geven van een cijfer: teksten van jezelff en anderen kun je ook een cijfer geven, maar een cijfer is alleen zinvol als je daarmee tegelijkertijd duidelijk maakt welke onderdelen van de tekst of voordracht goed en welke minder goed ijn en waarom dat zo is. Tekstsoorten + tekstdoelen - tekstsoorten horen bij de P van Publiek, omdat je ze nooit los kunt zien van lezers of luisteraars. 3 Algemene tekstdoelen - Uiteenzetting: het meest algemene tekstdoel is informatie geven, iets uiteengeven. In een uiteenzetting moet je objectief blijven, bv. Bij een instructie - Beschouwen: er wordt een onderwerp vanuit verschillende invalshoeken bekeken. De voor- en nadelen, wat zijn de meningen erover? Het is subjectief. Het doel is de lezer aan het denken te zetten. - Overtuigen: de lezer overhalen in te stemmen met jouw standpunt, je probeert je publiek te overtuigen (activeren) = aansporing iets te gaan doen Andere algemene tekstdoelen - Taal als contactlegger: taal kan zonder enig ander doel gebruikt worden om contact te maken, bv. Sociale functie. - Taal als amusement: een geheel ander tekstdoel is je publiek vermaken, bv. Mop/caberettekst. Vaak wordt de amuserende functie van taal gebruikt om andere tekstdoelen gemakkelijker te maken. - Taal als expressiemiddel: het uiten van gevoelens Algemene tekstsoorten - Tekstsoorten vallen onder de R van Regels, omdat ze goed of fout gekozen kunnen zijn en omdat de regels die voor de verschillende tekstsoorten gelden, goed of fout toegepast kunnen worden. Algemene tekstsoorten Pagina 2 van 11

3 - Uiteenzetting: (tekstdoel: uiteenzetting) objectief is het voornaamste kenmerk. Geen meningen, bv. Een recept, routebeschrijving, procedure beschrijving. - Beschouwing: (tekstdoel : beschouwen) het publiek moet zich een oordeel kunnen vormen over het onderwerp, bv. Recensie, achtergrondartikel - Betoog: (tekstdoel: overtuigen) je moet een luisteraar/lezer overtuigen van een bepaalde mening. Als er 1 argument wordt gegeven, spreken we van enkelvoudige argumentatie. Is er meer dan 1 argument, dan is er sprake van meervoudige argumentatie. Als er 2 of meer argumenten zijn, komt het vaak voor dat het ene argument belangrijker is dan het andere, we spreken dan van hoofdargumenten en ondergeschikte argumenten, bv debat of betogend opstel. En als activerend betoog zijn te noemen: de uitnodiging, advertentie en de politieke toespraak. Argumentatiecriteria Voor goede argumentatie gelden 3 algemene criteria - Je moet argumenten geven die waar zijn ( zie boek blz. 87 vb.) - Je moet voldoende argumenten geven - Je argumenten moeten echt op het onderwerp slaan Kwaliteit = hoe goed het is Kwantiteit = hoe veel het is Relevantie = of het er toe doet Standaardvragen bij een tekst: 5 W s en 1H - Standaardvragen: omdat je deze vragen bij elk onderwerp kunt stellen - Wie? - Wat? - Welke? - Hoe? - Waarom? - Waartoe? - Waardoor? - Waarmee? - Waar? - Wanneer? Inhoud van een tekst afstemmen op de doelgroep - doelgroep is ook wel lezersprofiel 3 aspecten van een doelgroep Pagina 3 van 11

4 - Leeftijd van de doelgroep - Opleiding of beroep van de doelgroep, bv. Laagopgeleid, middelbaar en hoogopgeleiden. - Belang van de tekst voor de doelgroep: hebben ze wel iets aan jouw tekst? Tekststructuur(bouwplan) 3 vaste structuren - Uiteenzettingstructuur: (informeren) Inleiding: het onderwerp / probleem Introduceren waarover uitleg gegeven gaat worden. Kern - Uitleg/oplossing/bewijzen geven Slot - een constatering doen - Beschouwingsstructuur: (aan het denken zetten) Inleiding: het onderwerp introduceren waarover een beschouwing zal volgen Kern - Verschillende gezichtspunten met betrekking tot het onderwerp aandragen en voor- en nadelen op een rijtje zetten Slot - Een conclusie geven - Betoogstructuur: ( overtuigen) Inleiding - een mening geven Kern - argumenten geven die de mening ondersteunen en tegenargumenten ontkrachten Slot - Een conclusie of aansporing geven en wijzen op eventuele consequenties Bouwplan - Inleiding: Hoofdvraag weergeven - Kern: 1) antwoord voorbereiden 2) antwoord geven 3) antwoord detailleren - Slot: een constatering geven Alinea: Kernzin + aanvulling K = Kernzin A = Aanvullende zin Zin 1 = K Zin 2 = A1 (oorzaak 1) Zin 3 = A2 ( oorzaak 2) Zin 4 = A3 ( detaillering van oorzaak 3) Pagina 4 van 11

5 Tekstverbanden: verwijs en signaalwoorden Tekstverbanden kun je op 4 manieren aangeven: - Verwijswoorden:bv. ze verwijst naar andere woorden - Signaalwoorden: ze geven een signaal dat er een bepaald verband bestaat tussen zinnen of delen van een zin, of alinea, bv. maar (tegenstelling) - Inhoudswoorden: dit zijn woorden die eigenlijk inhoud van de tekst bepalen - Onzichtbare verbindingen: zinnen in een tekst kunnen ook samenhangen zonder dat er een verbindingsmiddel is aan te wijken - Verwijswoorden: verwijzende voornaamwoorden: bv. Deze, die, dit,dat - persoonlijke voornaamwoorden: bv. Ze, hij, het - eigennamen: Sebastiaan, Margret - voornaamwoordelijke aanduidingen: bv. Waarmee (met wie), waarvan (van wie) Functies van tekstdelen - Aaneenschakeling: zodra een aaneenschakeling meer dan 2 elementen hebben, spreken we van een opsomming, bv. Ten eerste, ten tweede, ten derde, ten slotte. Als de delen van de opsomming steeds belangrijker worden spreken we van een climax - Tegenstelling: bv. Maar, daarentegen, echter, doch, toch, daarentegen, integendeel, evenwel, enerzijds, anderzijds, aan de ene kant, aan de ander kant, in tegenstelling tot, desondanks, daar staat tegenover, niettemin, of - Reden/Argument: bv. Want, aangezien, omdat, immers, namelijk, derhalve - Oorzaak/ Gevolg: bv. Doordat, daardoor, hierdoor, omdat, het gevolg van met als gevolg, dit is te danken/wijten aan, de oorzaak hiervan is, zodat, bijgevolg, dan ook. - Doel/ Middel: bv. Opdat, om, daartoe, door, met de bedoeling, waarmee, door middel van, middels, via, met (be)hulp van. - Detaillering/toelichting: bv. Dat houdt in, dat wil zeggen - Voorbeeld: bv. Bijvoorbeeld, ter illustratie, zo, zoals, stel, neem nou - Voorwaarde: bv. Als, indien, wanneer, mits - Bewijs: bv. Het bewijs is, dat bewijst. - Toegeving: bv. Hoewel, ofschoon, ondanks dat, weliswaar, tenzij - Vergelijking: bv. Alsof, evenals, eveneens, evenzeer, op dezelfde wijze, hetzelfde is, het geval, in vergelijking met, net als, vergelijk (net) zoals - Samenvatting: bv. Samenvattend, kortom - Concluderend: bv. Dus, concluderend, de slotsom is, dat betekent Toegankelijk formuleren 1) Formuleer niet te moeilijk : het wordt moeilijk door: moeilijke woorden - veel afkortingen Pagina 5 van 11

6 - ingewikkelde zinnen 2) Wees concreet: Laat de lezer niet met onbeantwoorde vragen zitten - Vermijd vage woorden - Geef voorbeelden om een opvatting of een bepaald gegeven concreter te maken - Wees bondig, omslachtigheid: onnodig herhalen - vaste uitdijende woordconstructies die evengoed weggelaten kunnen worden of vervangen door 1 woord 3) Wees interessant: Benadruk personen - Varieer je zinnen - Gebruik af en toe eens beeldspraak (formulering door middel van beelden) - Kies voor woorden die fris en krachtig zijn 4) Kies de juiste toon - de formele toon (hoogst aangenaam) - de informele toon (hartstikke fijn) - de neutrale toon (erg prettig) - de modieuze toon (te kaasje kauwgom) - de ordinaire toon (retegoed) Correct formuleren, zinsbouw + woordkeuzefouten Zinsbouwfouten 1) de foutieve samentrekking: - van een samentrekking is sprake als je een zinsdeel weglaat in plaats van herhaalt De regels van samentrekking: het weggelaten zinsdeel moet dezelfde functie hebben - het weggelaten gedeelte moet dezelfde vorm hebben - Het weggelaten gedeelte moet dezelfde betekenis hebben 2) de ontspoorde zin: Soms laten schrijvers zinnen per ongeluk uit de rails lopen, zulke ontspoorde zinnen worden ook wel Anakoloeten genoemd 3) de foutieve beknopte bijzin : bv Vrolijke liedjes zingend werden de aardappels geschild Hier staat dat de aardappels liedjes aan het zingen waren terwijl ze geschild werden. De beknopte bijzin is: vrolijke liedjes zingend 4) Verkeerd geplaatste zinnen Woordkeuzefouten - Contaminatie : is een verhaspeling van woorden en uitdrukkingen bv. Optelefoneren en duur kosten - Congruentiefout : Als het onderwerp enkelvoudig is, dan staat de persoonsvorm ook in het enkelvoud. Dit heet overeenkomst of congruentie - Woorden met een bijzondere gevoelswaarde Pleonasme: in een pleonasme wordt (een deel van) de betekenis van een woord in een andere woord herhaald, bv. Ronde cirkel, of een grote reus, dood overleden Pagina 6 van 11

7 Tautologie: in een tautologie wordt de volledige betekenis van een woord nogmaals in een ander woord uitgedrukt, bv. De woorden met dezelfde betekenis achterelkaar aan te gebruiken, bv. Nat water Als/dan fout: Bij een vergelijking - als Bij een overtreffing - dan Hun/Hen fout: hun - meewerkend voornaamwoord (dan kun je er aan of voor voorzetten) hen - bij een lijdend voornaamwoord Verwijsfout : Woorden als: aan wie, met wie, voor wie, gebruik je bij personen. Woorden als: waaraan, waarmee, waarvoor, gebruik je bij dingen en Dieren Alle het ( huis) woorden - dat Alle de (jongen) woorden - die Alle, alles/niets/het enige/ en als je, verwijst naar een hele zin - wat Jou/jouw : het is jouw boek, maar ik zag jou Meeste/Meesten: Bij personen gebruiken we de vorm met: n en bij dingen en dieren de vorm zonder: n Dat/Wat: Met dat verwijs je naar een onzijdig zelfstandig naamwoord(waar het voor kan staan) Met wat verwijs je naar een hele zin en ook naar iets onbepaalds. Woordsoorten: werkwoorden Inhoudswoorden: (geven de inhoud van een tekst aan): werkwoord - zelfstandig naamwoord - bijvoeglijk naamwoord - bijwoord Fucntiewoorden: (die de inhoudwoorden met elkaar verbinden): lidwoord - Voornaamwoord - Voorzetsel - Voegwoord - Telwoord - Tussenwerpsel - een werkwoord geeft een handeling, gebeurtenis, of toestand aan. Je kunt er een persoon bijzetten: ik, jij, hij, zij, enz. De werkwoordsvorm die bij elk persoon hoort, noemen we dan ook persoonsvorm - De infinitief (hele werkwoord) eindigt vrijwel altijd op: en, soms op: n - Werkwoorden komen voor in verschillende wormen bv. Wonen, woonden, gewoond, dit heet vervoeging - deze heeft 3 kenmerken «persoon: 3 personen *diegene die spreekt (ik, wij) *de aangesprokene(jij, je, u en jullie) *diegene waarover wordt gesproken(zij,hij,het/ze) «Getallen: Enkelvoud * eerste persoon: ik wandel *de tweede persoon: jij/je wandelt, u wandelt Pagina 7 van 11

8 *derde persoon: zij, hij, het, u wandelt «Meervoud * eerste persoon: wij wandelen * tweede persoon: jullie wandelen * derde persoon: ze/zij wandelen «Tijd: we onderscheiden er 3: Onvoltooid: voltooid - Tegenwoordig- verleden - Niet toekomstig: wel toekomstig De werkwoorden worden verdeeld in 3 soorten - Zelfstandig werkwoord: - zijn werkwoorden die zelfstandig, zonder hulp van andere werkwoorden kunnen voorkomen - Koppelwerkwoorden: zijn woorden die een eigenschap koppelen aan een persoon of een zaak * zijn: als eigenschap hebbe, bv. De bal rond is * worden: beginnen te zijn, bv. Marie wordt ziek * lijken: niet echt zijn, bv. Marie lijkt aardig * blijken: in werkelijkheid zijn, bv. Dat bleek niet waar te zijn * blijven: voortdurend zo zijn, bv. Hij blijft een watje * schijnen: zogenaamd zo zijn, bv. Marie schijnt wel aardig te zijn * heten: in naam zo zijn, bv. Dat mag een wonder heten * dunken: volgens de sprekers zo zijn, bv. Dat dunkt mij niet juist * voorkomen: voor de spreken zo lijken, bv dat komt mij zeer vreemd voor - Hulpwerkwoorden: we onderscheiden 3 soorten: * de hulpwerkwoorden van tijd, bv. Hebben, zijn, zullen * de hulpwerkwoorden van de lijdende vorm, bv. De slager slacht de koe, lijdende vorm - de koe wordt door de slager geslacht * de hulpwoorden voor modaliteit: met modaliteit wordt bedoeld dat het werkwoord een subjectieve houding of oordeel uitdrukt, bv. Kunnen, moeten, mogen, willen Presenteren: leestekens - Tempo: als je een voordracht houdt of actief deelneemt aan een discussie, moet je in een gepast tempo spreken - Stemvolume: het stemvolume wordt vooral bepaald door de grootte van de long en de omvang van de stembanden - Spelling: spelling is een afsprakensysteem om gesproken taal op papier te geven Leestekens kunnen de volgende functies hebben - ze geven het zinsritme aan - ze scheiden zinnen of delen van zinnen van elkaar - ze zorgen voor betekenisonderscheid Pagina 8 van 11

9 Komma ; de meeste algemene regel is dat je een komma moet zetten op de plaats waar je bij het hardop lezen van de tekst een korte rust pauze hoort. - voor een uitbreidende bijvoeglijke bijzin komt wel een komma, maar voor een beperkende bijvoeglijke bijzin niet. - Zet een komma voor of na de aanhef - Plaats een komma tussen de delen van een opsomming - Zet een bijstelling tussen komma s. Een bijstelling is een soort bijvoeglijke bepaling - Plaats een komma tussen 2 werkwoorden die ieder bij een andere deelzin behoren Dubbele punt; de dubbele punt wordt gebruikt voor een opsomming, citaat, een aankondiging en een toelichting Na een dubbele punt krijg je een kleine letter, behalve wanneer er een woord volgt dat altijd met een hoofdletter geschreven wordt en wanneer er een citaat volgt. Aanhalingstekens; Je kunt enkele aanhalingstekens voor citaten gebruiken en voor woorden die iets bijzonders aangeven. Dubbele gebruik je dan voor een citaat in een citaat. Punt; - de punt komt aan het einde van een zin. Er komt geen punt na een opschrift, titel en datumaanduiding - Afgekorte woorden krijgen een punt, bv. Jl., nl., mr., enz. Afkortingen die bestaan uit een deel van een zelfstandig naamwoord, krijgen geen punt - Gebruik geen punten in afkortingen waarin hoofdletters voorkomen - Als een zin eindigt met een punt van een afkorting, komt er na die afkortingspunt niet ook nog een zinseindpunt. Haakjes; haakjes gebruiken we meestal als we informatie willen geven zonder er te veel nadruk op te leggen Aandachtsstreepjes; als we informatie in een tekst extra aandacht willen geven, kunnen we die informatie tussen aandachtsstreepjes zetten Samenvattingstrategie; een tekst samenvatten wil zeggen de hoofdpunten van een tekst op samenhangende wijze weergeven, zodat de hoofdgedachte duidelijk wordt. De hoofdgedachte weergegeven in een zin, noemen we ook wel hoofdstelling 7 stappen strategie - Verkennend lezen (globaal, oriënterend) je weet het onderwerp, tekstdoel, hoofdvraag - Studerend lezen (nauwkeurig lezen) - Kernzin eventueel aanvullen: je controleert of elke kernzin op zich, zonder aanvullende informatie, duidelijk genoeg is. - Bepalen of alle kernzinnen noodzakelijk zijn: je gaat na of alle opgenomen kernzinnen wel in de Pagina 9 van 11

10 uiteindelijke samenvatting terecht moeten komen - Controleren of de geselecteerde kernzinnen de hoofdgedachte weergeven - Herformuleren - Controleren spelling/ interpunctie Schrijfstrategie in 5 stappen: - Tekstdoel en tekstsoort bepalen - Inhoud bepalen - Structuur bepalen ( bv. Betoogstructuur) - Formuleren: let bij het formuleren meteen op de volgende zaken : * zij de woorden die gebruikt worden niet te moeilijk? * Formuleer je concreet genoeg? * Formuleer je bondig genoeg zonder daarin te overdrijven? * Formuleer je interessant genoeg? * Heb je de juiste toon? - Aandacht voor de presentatie: bij een geschreven tekst moet je letten op : * lay-out * eventueel gebruikte illustratie * spelling * interpunctie WERKWOORDSPELLING - BELANGRIJK!! 1) PV tt - stam - ik/jij/je Stam + t - alle andere gevallen, hij/zij/men/het.etc. (als je van je geen jij kunt maken is je geen onderwerp, dus stam + t) bv. Loop je mee? (loop jij mee?) Vind je dat ook? ( Vind jij dat ook?) Vindt je broer dat ook? Een persoonsvorm die in de gebiedende wijs staat, krijgt op een enkele uitzondering na, geen uitgang achter de stam. In een formulering met zich komt er wel een -t achter de stam. 2) PV vt - stam + de Stam + te - of sterke werkwoorden veranderen niet 3) Voltooid deelwoord - altijd een hulpwerkwoord (of langer maken) Taxikofschip - zit de letter er niet in, altijd een d 4) Bijvoeglijk naamwoord - zo kort mogelijk Pagina 10 van 11

11 Bij persoonsvorm lopen invullen, hoor je loopt, schrijf je dus met een t Hij verhuist naar A dam (loopt) Hij is naar A dam verhuisd (taxikofschip) Is het geen werkwoord dan is het gewoon het hele werkwoord Pagina 11 van 11