25 e jaargang nr. 2 April 2007 Inhoud:

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "25 e jaargang nr. 2 April 2007 Inhoud:"

Transcriptie

1 Nederlandse Vereniging van Artsen voor Verstandelijk Gehandicapten 25 e jaargang nr. 2 April 2007 Inhoud: Verenigingsadressen, colofon binnenzijde voorblad Redactioneel 1 Van de voorzitter 31 Bestuursmededelingen 32 Depressie bij het syndroom van Down 33 Eerste episode na een life-event Myra van Hengstum, arts; Frans Ewals, AVG Help, er komt een hepatitis-b patiënt! 37 Preventieadvies aan instellingen in de gehandicaptenzorg Paula van Leeuwen, coördinator Nationaal Hepatitis Centrum; Roel Borstlap, kinderarts Stichting Down Syndroom Wat prikt de AVG? 39 Beleid rond laboratoriumonderzoek anno 2006 Marion Gruijters, AVG Gerichte aandacht en begeleiding succesvol bij screening voor 41 borstkanker bij instellingsgebonden vrouwen Annet van den Horn, beleidsmedewerker Namens Landelijk Voorlichtersoverleg Borstkanker Hearing Impairment in Adults with an Intellectual Disability: 43 Epidemiology and Rehabilitation. Nederlandse samenvatting van het proefschrift van Anneke Meuwese-Jongejeugd. Oproepen 46 TOP-R Studie: onderzoek naar nieuwe mechanismen van schildklierhormoonresistentie met dramatische gevolgen. n Redactie TAVG/NVAVG n n JNI / BE n n Postbus 1738 n n 3000 DR Rotterdam n Nieuws 48 > Voorjaars ALV: Longaandoeningen bij verstandelijk gehandicapten > Palliatieve zorg voor mensen met een verstandelijke beperking: Hoe pak je het aan? > Vooraankondiging congres Focus op onderzoek Vervolg zie pag. 57

2 Verenigingsadressen Colofon Bestuur: Mw. H. Veeren, voorzitter Tel Mw. K.E. van den Brink, secretaris Tel (werk) (huis) Mw. A. Wagemans, penningmeester Tel Mw. S. Huisman Tel L. Bastiaanse Tel Mw. T. Kranenburg Tel A. Louisse Tel: Mw. B. Tinselboer Tel: Secretariaat: Mw. S. van Eif Erasmus MC / AE-408 Postbus 2040, 3000 CA Rotterdam Tel: , Fax: Redactie: Layout: mw. G. Nijdam (eindredactie) mw. dr. M.A.M. Tonino W. Braam J. de Geest B. Elffers R.K. Schreuel Correspondentieadres: mw. G. Nijdam Bogaartsborg AK Maastricht Tel.: Het TAVG is het verenigingsblad van de Nederlandse Vereniging van Artsen voor Verstandelijke Gehandicapten (NVAVG). Deze vereniging, opgericht in 1981, stelt zich ten doel: het handhaven, c.q. verbeteren van de kwaliteit van de medische dienstverlening in de zorg voor mensen met een verstandelijke handicap, onder meer door: het bevorderen van de onderlinge gedachtewisseling en samenwerking van artsen in de zorg voor mensen met een verstandelijke handicap; het bevorderen van meningsvorming en standpuntbepaling t.a.v. onderwerpen die van belang kunnen zijn voor de organisatie en het functioneren van de medische dienstverlening in de zorg voor mensen met een verstandelijke handicap. De vereniging telt ongeveer 250 leden. Het lidmaatschap staat open voor artsen, werkzaam in de zorg voor mensen met een verstandelijke handicap. Het TAVG verschijnt minimaal viermaal per jaar. De redactie stelt zich ten doel alle artsen, die werkzaam zijn in de zorg voor mensen met een verstandelijke handicap, op de hoogte te stellen van ontwikkelingen binnen dit vakgebied. Daartoe maakt zij gebruik van verslagen van studiedagen, congressen, van oorspronkelijke artikelen, casuïstiek, boekbesprekingen, het aankondigen van nieuwe initiatieven, van ingezonden stukken en voorts van alles wat aan het bereiken van de doelstelling kan bijdragen. ISSN: Lidmaatschap 170,- per jaar. Voor niet-leden bestaat de mogelijkheid een abonnement te nemen op het TAVG door 30,- over te maken op postbankrekeningnummer t.a.v. de penningmeester van de NVAVG o.v.v. "abonnement TAVG". Kopij in Word-bestand mailen naar voor de volgende data: Verschijningsdatum: Aanleverdatum: 1 januari november april februari oktober mei januari augustus 2007 Website: Inhoud: Vaste rubrieken o.m.: Literatuur o.a.literatuurlijst opleiding, scripties opvragen Nascholingsagenda ; Accreditering en Herregistratie Links: Syndromen, medisch, organisaties Vacaturebank: gevraagd en aangeboden (gratis plaatsen) Discussieforum (NVAVG leden) Verder op deze site: Visiedocument Kwaliteitskader Gehandicaptenzorg ( ) Diverse onderwerpen op de nascholingsagenda ( ) etc.

3 Redactioneel We hebben een veelzijdig beroep gekozen en als beroepsgroep een heel brede belangstelling. We kunnen kiezen uit veel verschillende soorten literatuur en staan er ook her en der in vermeld. AVG staat zelfs al in Pinkhof. In de Codex Medicus staat ook al een hoofdstuk zorg voor mensen met een verstandelijke beperking. Nu nog correct in het zakwoordenboek der geneeskunde (Coëlho) waar nu nog AVG = arts, veiligheid, gezondheid staat! Maar onze veelzijdigheid vertaalt zich niet direct in een groot en veelzijdig aanbod van kopij van onze lezers voor dit tijdschrift. De redactie doet veel moeite om onze veelzijdigheid te bewaren. Graag nu nog UW bijdrage en vermelding in het TAVG - het lijkt me heerlijk om uit een groot aanbod te kunnen kiezen. Truus Nijdam, eindredacteur Van de voorzitter Lastige familie Mijn schoonvader heeft zijn enkel gebroken. Een heel nare breuk, met vele losse fragmenten. Hij werd opgenomen in een niet nader te noemen ziekenhuis, na een week geopereerd en toen onverwacht snel na de operatie naar huis ontslagen. Natuurlijk wordt je als lieve schoondochter en enige medicus in de familie, daar intensief bij betrokken. En ik geef het toe: wij zijn een lastige familie. Althans: dat heeft men zeer waarschijnlijk wel van ons gevonden. Wij hadden in onze ogen heel redelijke wensen: we wilden goed geïnformeerd worden, de chirurg eens spreken (- liefst vóór de operatie, iets waar met verbazing op gereageerd werd-) en inderdaad, na de ingreep nog een keer. Wat had de geconsulteerde internist precies gezegd en waarom kreeg schoonpapa al voor de ingreep dagelijks zuurstof? Natuurlijk wilden we ook graag weten wat de verdere prognose was. Nu is mijn schoonvader nog heel erg bij de pinken, maar ook hij kon niet alles wat er tijdens de 'grote visite' rond zijn bed besproken was even duidelijk reproduceren. Dat was dus wel lastig. En omdat we ons weinig gehoord voelden en geen antwoorden kregen op onze vragen in het desbetreffende ziekenhuis, gingen we juist op onze strepen staan. De orthopeed had echt geen tijd: druk, druk, druk met opereren natuurlijk. Maar na lang aandringen liet hij uiteindelijk via de verpleging weten om dan 's avonds om uur het gesprek per mobiele telefoon vanuit zijn huis te willen voeren. Waarschijnlijk was hij van mening dat hij deze lastige familie hiermee toch wel zeer ter wille was. Wij vonden dat het absurd was dat hij geen kwartiertje tijd kon of wilde vrijmaken voor een persoonlijk gesprek. Twee verschillende interpretaties van dezelfde gebeurtenis. Het is eigenlijk wel verfrissend om 'de zorg' af en toe eens vanuit het perspectief van de consument te bezien. Ik herinner me mijn eigen geworstel met een lastige familie toen ik zelf nog maar kort in de zorg werkte. Op een of andere manier kreeg ik het iedere keer aan de stok met de bejaarde ouders van een diep verstandelijk gehandicapte vrouw van een jaar of 40: Toos. Al deed ik zo mijn best, we leken nooit een gemeenschappelijke visie te hebben. Het werd altijd strijd, of het nu ging om medicatie voor de voetschimmel, de behandeling van eksterogen, of het verzoek van ouders om ander incontinentiemateriaal te gaan gebruiken. Er deugde al weinig op de woning, maar van mij als verse jonge dokter deugde al helemaal niets, zo voelde het. Dat het daadwerkelijk aan een gemeenschappelijke visie ontbrak werd op een zondagavond toevallig duidelijk. Mij werd in de dienst gevraagd te komen kijken bij een cliënte die, (dat had je toen nog) op dezelfde kamer sliep. De ouders van Toos hadden haar net terug gebracht en stopten Toos na een vermoeiende dag zelf in bed. Stelt u voor: Toos: ruim 110 kg zwaar, lichte snor op de bovenlip en altijd wat nors kijkend, voor de gelegenheid gehuld in een uiterst degelijke flanellen pyjama. Maar de ouders stopten haar in bed zoals ik even eerder mijn schattige 1-jarige dochter in haar bedje had gestopt: Vol vertedering, met nog een kusje, nou vooruit, nog eentje dan, de aller-allerlaatste, en nog een liefdevolle aai over het toch al aardig grijs wordende hoofd. Zij zagen in dat logge lijf, dat nu mompelend de lakens over zich heen trok, nog steeds het blonde peutertje dat Toos, getuige een vergeelde foto boven het bed, vroeger geweest moest zijn. Ik zag die vlezige tenen met eksterogen en kalknagels, waarvoor ik geen antimycotica mocht voorschrijven. Twee verschillende interpretaties van dezelfde Toos. Bij het volgende gesprek deed ik erg mijn best om aan Toos te denken als een kleine blonde peuter. Dat was niet gemakkelijk omdat ze er grommend en af en toe luid gillend naast zat. Maar het hielp uiteindelijk wel: we werden het zowaar, zonder al te veel strijd, eens. Hanneke Veeren, voorzitter NVAVG 31

4 Bestuursmededelingen Competentieprofiel AVG Recent is dit document ook goedgekeurd door het CHVG. De definitieve tekst van het competentieprofiel is te vinden op de website van de NVAVG. Federatie van Ouderverenigingen Op 21 februari 2007 is het faillissement van de vereniging Federatie van Ouderverenigingen (FvO) uitgesproken. De NVAVG betreurt dit ten zeerste en verliest hiermee een belangrijke en uiterst deskundige samenwerkingspartner. Dit zal onder meer consequenties hebben voor het continueren van de FvO-NVAVG samenwerkingsprojecten die gericht zijn op emancipatie van en ondersteuning bij het zorgen voor de eigen gezondheid van mensen met een verstandelijke beperking. De NVAVG heeft deze zorgen geuit en haar steun betuigd. Recente berichten waaruit blijkt dat momenteel stappen worden ondernomen om de kerntaken van de FvO te kunnen continueren zijn hoopgevend. AVG in Pinkhof geneeskundig woordenboek Vorig jaar is aan de NVAVG gevraagd om een woordenboekbeschrijving voor de term 'AVG' aan te leveren voor de nieuwe versie van Pinkhof. Inmiddels is de nieuwe versie verschenen en staat de term AVG er als volgt in: Arts gespecialiseerd in medische zorg voor mensen met een verstandelijke handicap; richt zich op een populatie en houdt zich bezig met gezondheidsproblemen die met een verstandelijke handicap verband houden, dit medische specialisme is in 2000 in Nederland ingevoerd. CBO-richtlijn De NVAVG heeft de CBO-richtlijn 'behandeling van neuropsychiatrische gevolgen van niet-aangeboren hersenletsel' geautoriseerd. Aan de werkgroep voor deze richtlijn hebben vertegenwoordigers van de NVAVG deelgenomen (Olga Hutten en Koos de Geest). Binnenkort zal de richtlijn ook op de NVAVG/website te vinden zijn. Opvolging HVRC Met het overlijden van Cees van Schie is een vacature ontstaan binnen de HVRC. Als nieuwe kandidaat hebben wij Anneke Schoonbrood voorgedragen. Arjen Louisse blijft plaatsvervangend lid. planning april Voorjaarsvergadering 21 september Regio-overleg 16 november Najaarsvergadering Kathleen van de Brink Secretaris NVAVG bestuur CHVG = College voor Huisartsgeneeskunde, Verpleeghuisgeneeskunde en medische zorg voor Verstandelijk Gehandicapten. HVRC = Huisarts- en Verpleeghuisarts Registratie Commissie 32

5 Artikelen DEPRESSIE BIJ HET SYNDROOM VAN DOWN Eerste episode na een life-event Myra van Hengstum, arts; Frans Ewals, AVG Inleiding De prevalentie van een depressie is bij het syndroom van Down (DS) beduidend hoger dan bij mensen met een verstandelijke handicap in het algemeen. In een transversale studie van Collacott 1 werd bij 11,3 procent van de patiënten met het DS een depressie gediagnosticeerd, tegenover 4,3 procent bij een controle groep met een verstandelijke handicap door een andere oorzaak. Ook Myers en Pueschel 2 onderzochten de prevalentie van depressie bij volwassenen met een verstandelijke handicap. Zij constateerden bij het DS een prevalentie van 6,1 procent bij 164 volwassen mensen met het DS. Het is goed mogelijk dat de prevalentie van depressie bij het DS in werkelijkheid hoger ligt dan in bovenstaande studies. Stemmingsstoornissen zijn bij mensen met een verstandelijke handicap lastig te diagnosticeren ten gevolge van de cognitieve en communicatieve beperkingen van deze groep. De reden voor het feit dat mensen met het syndroom van Down een grotere kans hebben op het ontwikkelen van een depressie is nog niet bekend. In de literatuur 2,3,4 wordt de mogelijkheid geopperd dat een vermeende depressie in feite een vroeg stadium van de ziekte van Alzheimer is. Deze ziekte komt significant vaker voor bij mensen met het DS en wordt vaak vooraf gegaan door depressieve symptomen 1,4. Collacott 1 merkt echter op dat dit niet de verklaring kan zijn voor de hogere prevalentie, aangezien de gemiddelde leeftijd van het optreden van depressie 29 jaar is, terwijl dit bij dementie gemiddeld 54 jaar is. Andere oorzaken die genoemd worden zijn genetische factoren, somatische oorzaken (zoals schildklierfunctiestoornissen), of stressvolle omgevingsfactoren 6,2,7. Deze laatste hebben overigens ook een betekenis voor de prognose: indien de depressie ontstaat na een life-event is de kans kleiner dat er een recidief optreedt 8. In een polikliniek voor verstandelijk gehandicapten kregen we recent in korte tijd vier adolescenten met het DS onder behandeling die een depressie ontwikkelden na een life- Samenvatting Mensen met Down Syndroom (DS) zijn kwetsbaar voor depressies. Vier casus zijn aanleiding voor een literatuuronderzoek met de volgende vragen: wijkt de symptomatologie van depressie bij DS af, wat is de effectiviteit van antidepressiva bij deze groep en - de primaire vraag - is er een relatie met life-events? De symptomatologie blijkt afwijkend en vraagt om een aangepast classificatiesysteem. Antidepressiva lijken even effectief als in de gehele populatie. In de literatuur zijn schaarse aanwijzingen voor een (prognostisch) betekenisvolle relatie tussen life-event en depressie. event. Dit riep een drietal klinische vragen op waarop we door literatuuronderzoek een antwoord hebben gezocht. Centraal in deze literatuurstudie staat de vraag of er een relatie bestaat tussen het optreden van een life-event en de ontwikkeling van een depressie bij mensen met het DS. De tweede onderzoeksvraag betreft de klinische presentatie van een depressie bij het DS. Gezien de cognitieve en communicatieve beperkingen bij DS, is het aannemelijk dat de klinische symptomen verschillen van die in de algemene populatie en er zodoende mogelijk andere diagnostische criteria vereist zijn. Tenslotte is het uiteraard van belang te weten hoe een depressie bij het DS het beste behandeld kan worden. Dit thema komt terug bij de beantwoording van de derde onderzoeksvraag. Allereerst beschrijven we de vier ziektegeschiedenissen. Ziektegeschiedenissen Dolf Dolf woont sinds enige jaren weer bij zijn ouders. Hij is de jongste van twee kinderen. Hij heeft het DS, functioneert op matig verstandelijk gehandicapt niveau en is 30 jaar als hij door een collega-avg verwezen wordt. Zijn klachten bestaan al een groot aantal jaren. Rond zijn 21 ste jaar is Dolf begeleid zelfstandig gaan wonen in een door zijn ouders opgezet project. Na enkele jaren is hij weer bij hen teruggekeerd in verband met een ernstige achteruitgang in zijn functioneren. Mogelijk was er ook sprake van seksueel misbruik. Ook bij zijn ouders trok Dolf zich steeds meer in zijn eigen kamer terug, tot hij daar hele dagen verbleef. Van dagbesteding was al langere tijd geen sprake meer. Elders is de diagnose depressie gesteld en een uitgebreid behandelprogramma gestart. Dit bestond uit intensieve, richtinggevende gezinsondersteuning, sensomotore therapie en een antidepressivum (citalopram). Ten tijde van het eerste consult is Dolf actiever, slaapt minder, hij neemt enigszins deel aan het gezinsleven en bezoekt, weliswaar in zeer beperkte mate, het dagactiviteitencentrum. Bij onderzoek blijkt Dolf een vriendelijke, onzekere en stotterende man, die zich kinderlijk-afhankelijk presenteert. Hij moet steeds uitdrukkelijk uitgenodigd worden aan het gesprek deel te nemen. Lichamelijk- en laboratoriumonderzoek laten geen belangrijke afwijkingen zien. Diagnostische formulering: traag herstellend regressiefdepressief beeld bij man met het DS, ontstaan in aansluiting op zelfstandig gaan wonen en mogelijk seksueel misbruik. Het ingestelde beleid is voortgezet, aangevuld met psychoeducatie, ook gericht op het langetermijn perspectief en concrete adviezen rondom nachtrust en activiteiten. Acht maanden later blijkt het weer beter te gaan. Dolf slaapt minder, de psycho-motoriek is actiever en hij gaat meer uren naar het dagactiviteitencentrum. De citalopram is op advies van een alternatief therapeut gestopt, zonder opvallende 33

6 consequenties. Bijzonder is de gedragsverandering die Dolf laat zien als hij alleen met de onderzoeker in een ruimte is. Van een bleke, bijna ritueel reagerende man verandert hij in een actief, betrokken, zelfstandig persoon. Deze sterke omgevingsgebonden wisselingen in functioneren worden door zijn ouders herkend. Esther Esther is negentien jaar als ze wordt verwezen door de huisarts. Ze heeft het DS en functioneert waarschijnlijk op matig verstandelijk gehandicapt niveau. Het gezin bestaat uit moeder en vier kinderen. Esther is de tweede. Haar vader verliet een maand geleden het huis. Twee maanden voor het eerste consult logeerde Esther tijdens de vakantie van haar ouders elders. Hierna gedroeg ze zich anders: ze was gespannen en prikkelbaar, verdroeg geen lichamelijk contact meer, trok zich meer en meer terug en leek zich minder veilig te voelen. Esther at minder. Het dag- en nachtritme bleef onveranderd. Opvallend is verder dat de tijd stil lijkt te staan op een datum enige tijd geleden. Deze veranderingen zijn zowel thuis als op school aanwezig. Haar moeder beschrijft deze als een versterking van Esthers normale gedrag. Vermeldenswaardig zijn een aantal andere recente discontinuïteiten in haar leven. Ze is naar een nieuwe school gegaan en kreeg te maken met een nieuwe buschauffeur en een nieuwe logeerplek. Esther beleeft nog wel plezier aan haar hobby's buikdansen en zwemmen. Bij onderzoek zien we een vriendelijke, wat vlakke en contactafwerende vrouw. Ze geeft geen hand, maar steekt haar lege mouw toe. Esther spreekt weinig en ondersteunt haar communicatie met gebaren, waarbij ze steeds oogcontact met haar moeder zoekt. Het lichamelijk onderzoek is goed mogelijk en levert geen nieuwe gezichtpunten op. Voorlopige diagnose: Toename van angststoornis in de puberteit bij mogelijk chronisch overvraagde jonge vrouw met het DS in de puberteit, in aansluiting op ernstige gezinsproblemen en andere discontinuïteiten in haar leven. Aangezien er helemaal geen psychodiagnostisch onderzoek beschikbaar blijkt, wordt elders een onderzoek naar cognitieve en sociaal-emotionele mogelijkheden en een communicatieprofiel aangevraagd.. Er treedt ernstige stagnatie op bij het afgeven van een indicatie voor dit onderzoek. Een volgend - telefonisch - consult vindt negen maanden na het eerste plaats. De moeder van Esther vertelt geen nieuwe afspraak te hebben gemaakt in verband met eigen problemen. Met haar dochter gaat het weer goed. Het contact wordt in principe afgesloten. Ingrid Ingrid woont bij haar moeder en haar partner. Haar ouders zijn reeds lang gescheiden. Ingrid heeft met beiden een goed contact. Ze heeft het DS, functioneert op matig verstandelijk gehandicapt niveau. Haar ouders hebben er altijd voor gekozen om haar zo gewoon mogelijk op te voeden. Ze is negentien jaar als ze door haar huisarts verwezen wordt wegens ernstige psychische klachten. Deze begonnen tijdens een gezinsvakantie ruim een jaar geleden. De altijd al enigszins aanwezige dwangmatigheden namen sterk toe, de zelfstandigheid werd minder en Ingrid sloot zich meer en meer af. Tijdens de zomervakantie enkele maanden voor het eerste consult, ontstonden er nieuwe symptomen: psychomotore onrust, vermageren, in zichzelf praten en slecht slapen. Er was nauwelijks contact meer met Ingrid te krijgen. Elders werd voor de nacht pipamperon voorgeschreven. Opvallend is een reeks recente veranderingen in haar leven: - Door middel van een kaakoperatie is de gezichtvorm van Ingrid veranderd, - ze is gesteriliseerd, - haar vriend, een spraakmakende jongeman, eveneens met het DS, maakte de verkering uit, - alle vrijetijdsactiviteiten binnen niet verstandelijk gehandicapten verenigingsverband stoppen definitief, - Ingrid maakte haar school af en ging naar een activiteitencentrum. Bij onderzoek blijkt er sprake van een sterk geremde psychomotoriek en een vlak, maar wel adequaat modulerend affect. Ingrid stelt zich zeer afhankelijk op naar haar moeder. Er lijkt nu geen sprake van psychotische verschijnselen. Aanvullend onderzoek was reeds door de huisarts verricht en liet geen afwijkingen zien. Diagnostische formulering: reactieve depressie en stoornis in de identiteitsontwikkeling als gevolg van een cumulatie van belastende life-events. Gedragswetenschappelijke interventie omvat psycho-educatie en ondersteuning van ouders en Ingrid bij het ontwikkelen van een passende identiteit en levensinvulling. Daarnaast wordt het antidepressivum fluvoxamine (eenmaal daags 150 mg) voorgeschreven. Stoppen van de pipamperon geeft opnieuw verlies van contact met de realiteit, waarna met dit middel opnieuw gestart is. Bij een vervolgconsult een maand later functioneert Ingrid veel beter. Ze is minder in zichzelf gekeerd, opgewekter en komt weer tot activiteiten. De gecombineerde behandeling zal worden voortgezet, ook gezien de grote veranderingen die nog komen gaan. Unal Het Turks -Nederlandse gezin waar Unal deel van uit maakt, bestaat naast hem uit vader, broer en zus. Zijn moeder is anderhalf jaar geleden plotseling overleden. Unal heeft het DS en functioneert op ernstig verstandelijk gehandicapt niveau. Hij bezoekt al vele jaren met veel plezier het KDV in zijn woonplaats. Unal is zeventien jaar, als zijn huisarts hem verwijst in verband met fysieke klachten en mentale veranderingen. De altijd opgewekte en contactgerichte jongeman is sinds enige maanden initiatiefloos, hij lacht niet meer, trekt zich terug op zijn slaapkamer, slaapt veel en wil niet meer naar het KDC. Daarnaast klaagt hij over buikpijn, misselijkheid, braken en hoofdpijn. Hij is zeven kilo afgevallen. Bij onderzoek zien we een zeer matte jongeman, die nauwelijks oogcontact maakt. Hij spreekt slechts enkele woorden ("niet naar school"), alleen tegen zijn vader. Lichamelijk onderzoek levert geen nieuwe informatie op. Aanvullend onderzoek was reeds verricht door de huisarts. Diagnostische formulering: Depressieve stoornis, waarschijnlijk syndromaal bepaald, waarbij mogelijk het overlijden van moeder een rol speelt. Daarnaast mogelijk ook zure refluxklachten op grond van het klachtenpatroon en de hoge a-priori kans. 34

7 Gedragswetenschappelijke interventie bestaat uit ondersteuning bij het graduele herstel van het normale dagprogramma, waarbij het weer gaan bezoeken van het KDC centraal staat. Medicamenteus wordt, naast een proefbehandeling met omeprazol voor de refluxklachten, fluvoxamine 75 mg per dag voorgeschreven. Bij een vervolgconsult twee maanden later is Unal een opgewekte, communicatieve en ontspannen man. Zijn vader vertelt dat hij weer geheel de oude is. Hij bezoekt weer hele dagen het KDC. De omeprazol wordt gestopt en het antidepressivum gecontinueerd, evenals de gerichte gedragswetenschappelijke ondersteuning. Binnenkort gaat het hele gezin voor de eerste keer naar Turkije, op vakantie. Onderzoeksvragen 1 Zijn er verschillen in de klinische presentatie van een depressie tussen mensen met het DS (de doelpopulatie) en de gehele populatie en zo ja, welke? 2 Wat is er bekend over de effectiviteit van antidepressiva bij een depressie bij mensen met het DS? 3 Is er een relatie tussen het optreden van life-events en de ontwikkeling van depressie bij het DS? Methode Bovenstaande vragen zijn beantwoord aan de hand van een literatuurstudie. Hiervoor is er gezocht in vier databases: Pubmed, Embase, Cochrane en Psychlit, met de MeSH termen Down syndrome, mental retardation, depression, depressive disorder, etiology en treatment in verschillende combinaties. Dit leverde twaalf bruikbare artikelen op. en terugkerende gedachten aan de dood. Ditzelfde concluderen Myers en Pueschel 2 in een case studie onder 22 volwassenen met het DS. Dit kan verklaard worden door het feit dat mensen met een verstandelijke handicap beperkt zijn in het beleven van gedachten en gevoelens en in de expressie ervan. 2 Over de effectiviteit van antidepressiva bij verstandelijk gehandicapten stellen Verhoeven et al 11 dat deze vergelijkbaar is met die bij de gehele populatie. Er zijn een aantal case-reports, die de medicamenteuze behandeling van een depressie bij het DS beschrijven. Myers en Pueschel 2 geven een overzicht van de behandeling in dertien casereports van volwassenen met het DS, gepubliceerd tussen 1968 en Bij elf van de dertien mensen wordt een tricyclisch antidepressivum (TCA) gegeven. Dit blijkt bij negen van de elf mensen een effectieve behandeling. Bhaumik et al 9 stellen dat selectieve serotonine heropname remmers (SSRI's) bij mensen met een verstandelijke handicap beter verdragen worden dan TCA's en minder bijwerkingen geven. Dit is echter een ongecontroleerde studie. Een aantal onderzoeken zijn gericht op specifieke SSRI's. De effectiviteit van fluoxetide en paroxetine (beide SSRI's) is volgens Bhaumik en Wildgust 9 even groot bij verstandelijk gehandicapten. Ook de bijwerkingen waren in dit onderzoek hetzelfde, met als meest gerapporteerde bijwerkingen agitatie en hypomanie. In 2001 is een ongecontroleerd lange termijn onderzoek verricht naar de effecten van citalopram bij verstandelijk gehandicapten 11. Het gaat hier dus niet uitsluitend om mensen met DS. Bij twaalf van de twintig patiënten trad een verbetering op. Eén patiënt ontwikkelde convulsies, hetgeen een bekende bijwerking is. Behalve een delier bij een andere patiënt waren er geen evidente bijwerkingen. Resultaten 1 In de literatuur zijn een aantal case studies gevonden, die inzicht geven in de klinische symptomen bij mensen met het DS. Cooper en Collacott 1 hebben van volwassenen met het DS met in totaal 56 depressieve episodes de klinische symptomen geïnventariseerd en getoetst of deze episoden volgens DSM-III criteria geclassificeerd zouden worden als depressie. Zij stelden dat 50 procent van de episodes voldeed aan de DSM-III criteria. Door de gehanteerde wijze van inclusie van episodes is deze uitkomst echter niet valide, omdat bij de inclusie gebruik is gemaakt van de DSM criteria om vast te stellen of het een depressieve episode betrof. Kortom, een partiële cirkelredenering. In een aantal andere studies wordt voor de inclusie van depressieve episodes in plaats van de DSM- III criteria gebruik gemaakt van de ICD-9 criteria 1,9. In het onderzoek van Cooper en Collacott 10 zijn de meest voorkomende symptomen een somber affect, teruggetrokkenheid, anhedonie, agressiviteit, vermoeidheid, psychomotore vertraging, verminderde eetlust, verminderde zelfzorg, slaapstoornissen, hypochondrie, veel huilen en verminderde spraak. Een aantal van de criteria opgenomen in de DSM-III werd geen enkele keer gezien, te weten schuldgevoelens, een gevoel van waardeloosheid 3 De door ons gesignaleerde relatie tussen een life-event en de ontwikkeling van een depressie is eerder beschreven 6,2,7,12. Hastings et al 12 onderzochten bij 1155 verstandelijk gehandicapten wat de bijdrage was van life-events aan de ontwikkeling van psychiatrische problemen. Zij concludeerden dat er een significante, maar relatief kleine bijdrage was. Zij maken in hun studie geen onderscheid tussen DS en andere oorzaken van een verstandelijke handicap. Myers en Pueschel 2 merken op dat er in bijna alle negen beschreven casus een depressie door een opvallende verandering werd voorafgegaan, variërend van een vakantie van ouders tot het einde van het laatste schooljaar. Deze ogenschijnlijk vaak kleine gebeurtenissen kunnen van groot belang zijn voor een persoon met een verstandelijke handicap. Volgens Capone 7 is dit voornamelijk het geval bij adolescenten. In de adolescentie zijn mensen met het DS zich mogelijk bewuster van het feit dat ze 'anders' zijn, is er vaak een verminderde acceptatie door leeftijdsgenoten of een verlies van persoonlijke relaties. Deze psychosociale stressoren kunnen leiden tot een depressie. Cooper en Collacot 10 vinden in hun retrospectieve analyse van 40 depressieve episodes bij mensen met DS enige aanwijzingen voor bijzondere kenmerken van een depressie die optreedt na een life-event. De patiënten zijn jonger, de 35

8 symptomatologie wijkt af, het beloop is langer en de kans op recidief lijkt kleiner. In de ziektegeschiedenissen die wij beschrijven is steeds sprake van belangrijke lifeevents. Bespreking en conclusie Uit de literatuur wordt duidelijk dat de prevalentie van depressie onder mensen met het DS beduidend hoger ligt dan bij de groep mensen met een verstandelijke handicap met een andere etiologie. De omvang van het probleem ten opzichte van de gehele populatie blijft echter onbekend, omdat het waarschijnlijk is dat de diagnose vaak gemist wordt. Het is van belang voor hulpverleners en andere betrokkenen om een depressie vroegtijdig te herkennen, opdat er een adequate behandeling gegeven kan worden. Voor het juist en tijdig diagnosticeren van een depressie zijn diagnostische criteria nodig die aangepast zijn aan de klinische presentatie bij mensen met het DS. Zoals hierboven beschreven, verschilt de presentatie op enkele wezenlijke punten met die bij de gehele populatie, waardoor de DSM criteria niet altijd volstaan. Hoewel dit bekend is, wordt in de literatuur toch veelal gebruik gemaakt van deze criteria. Inmiddels is er een classificatiesysteem ontworpen voor mensen met een verstandelijke handicap en een psychiatrische stoornis, de DC-LD 13. In ons literatuuronderzoek zijn wij het gebruik hiervan niet tegengekomen. Voor de standaardpopulatie zijn een groot aantal gevalideerde psychometrische instrumenten beschikbaar. Voor de groep mensen met een verstandelijke beperking noemen Kraijer en Plas 14 alleen de 'Signaallijst Depressie voor Zwakzinnigen' (SDZ) 15 als specifiek instrument. Deze is niet als diagnosticum bedoeld, maar geeft aan wanneer er een indicatie bestaat voor verder onderzoek naar de aanwezigheid van een depressie. Naar de medicamenteuze behandeling van depressie bij het DS zijn geen gecontroleerde studies verricht. In de meeste case studies die voor 1995 zijn gepubliceerd, wordt een TCA gebruikt, terwijl in de meer recentere studies de voorkeur aan een SSRI wordt gegeven. Vooralsnog is er geen onderzoek gepubliceerd dat aanleiding geeft om af te wijken van de richtlijnen voor de behandeling van een depressie zoals deze zijn geformuleerd voor de gehele populatie. Wel moet er meer aandacht worden besteed aan bijwerkingen en interacties. Gesuggereerd wordt dat SSRI's beter verdragen worden door verstandelijk gehandicapten 9,11. Dit is tot op heden nog onvoldoende gefundeerd. In onze vier casus ontwikkelen mensen met het DS een depressie na een life-event. Het is opvallend dat de relatie tussen een life-event en het ontstaan van een depressie wel vaker is benoemd in de literatuur, maar onvoldoende is onderzocht. Hastings et al 12 stellen dat er wel een significante relatie bestaat tussen life-events en psychiatrische problemen bij verstandelijk gehandicapten, maar geven ook aan dat deze causale relatie verder geëxploreerd moet worden. Het verdient aanbeveling hierbij specifiek te kijken naar mensen met het DS, omdat de prevalentie van depressie in deze groep hoger ligt dan bij andere verstandelijk gehandicapten 1 en de reden hiervoor nog niet bekend is. Indien hier meer duidelijkheid over bestaat, kan er wellicht aandacht geschonken worden aan de preventie van een depressie bij het optreden van gebeurtenissen die stress opleveren. Ook voor het starten van de medicamenteuze en niet-medicamenteuze behandeling is het van belang na te gaan of er stressvolle omgevingsfactoren zijn. In al onze casussen speelde de identificatie en bestrijding van stressoren een rol bij de interventie. Bij een eventueel vervolgonderzoek zou mede aandacht besteed moeten worden aan de vraag of de relatie tussen het optreden van life-events en de ontwikkeling van een depressie specifiek voor adolescenten geldt. Literatuur 1 Collacott RA, Cooper SA, McGrother. Differential rates of psychiatric disorders in adults with Down 's syndrome compared with other mentally handicapped adults. Br J Psychiatry 1992;161: Myers BA, Pueschel SM. Psychiatric disorders in persons with Down syndrome. The Journal Of Nervous And Mental Disease 1991;179(10): Storm W. Differential diagnosis and treatment of depressive features in Down's syndrome: a case illustration. Research in Developmental Disabilities 1990;11: Warren AC, Holroyd S, Folstein MF. Major depression in Down's syndrome. British Journal of Psychiatry 1989;155: Bouras N. Psychiatric and behavioural disorders in developmental disabilities and mental retardation. Cambridge: Cambridge University Press, Myers BA, Pueschel SM. Major depression in a small group of adults with Down syndrome. Research in Developmental Disabilities 1995;16(4): Capone G, Goyal P, Ares W, Lannigan E. Neurobehavioural disorders in children, adolescents, and young adults with Down Syndrome. Am J Med Genet Part C Semin Med Genet 2006;142C: Cooper SA, Collacott RA. Relapse of depression in people with Down's syndrome. British Journal of Developmental Disabilities 1994;78: Cooper SA, Collacott RA. Clinical features and diagnostic criteria of depression in Down's syndrome. British Journal of psychiatry 1994;165(3): Bhaumik S et al. A naturalistic study in the use of antidepressants in adults with learning disabilities and affective disorders. Human Psychofarmacology 1995;10: Verhoeven WMA et al. Citalopram in mentally retarded patients with depression: a long-term clinical investigation. European Psychiatry 2001;16: Bhaumik S, Wildgust HJ. Letter to the editor. Human Psychopharmacology 1996;11: Hastings RP, Hatton C, Taylor JL, Maddison C. Life events and psychiatric symptoms in adults with intellectual disabilities. Journal of Intellectual Disability Research 2004;48(1): Royal College of psychiatrists. DC-LD. Diagnostic criteria for use with adults with learning disabilities/mental retardation Kraijer D, Plas J. Handboek Diagnostiek en Verstandelijke Beperking. Swetz & Zeitlinger, Roeden. Signaallijst Depressie voor Zwakzinnigen (uitgegeven als doctoraalscriptie) Myra van Hengstum, arts Frans Ewals, AVG Prinsenstichting/St.Odion Purmerend (tevens Westfriesgasthuis te Hoorn, Queeste te Alkmaar (FE)) correspondentieadres: Frans Ewals, Jan Boonplein BL De Rijp Summary Individuals with Down s syndrome (DS) are vulnerable to depression. Analysis of four cases led to a literature search, considering the following questions: How is the symptomatology of depression in DS, are antidepressive drugs effective for this group and -the central question - is there a relationship between life events and depression in DS? The different symptomatology requires a different classification system. Antidepressive drugs seem as effective as in the general population. In the literature some evidence is found for a (prognostic) meaningful relationship between life-events and depression in DS. 36

9 HELP, ER KOMT EEN HEPATITIS B PATIËNT! Preventieadvies aan instellingen in de gehandicaptenzorg Paula van Leeuwen, coördinator Nationaal Hepatitis Centrum; Roel Borstlap, kinderarts Stichting Down Syndroom Inleiding Hepatitis B, een probleem van de grote instituten? In wat men vroeger de traditionele intramurale instituten voor verstandelijk gehandicapten noemde was en is een vaccinatiebeleid hepatitis B van kracht voor de verstandelijk gehandicapten en/of de medewerkers. Deze vaccinaties worden bekostigd vanuit de vaste AWBZ vergoeding. Reden voor deze vaccinatie was de grote kans op besmetting met het hepatitis B virus. Maar de sector is sterk veranderd, grote instellingen zijn veelal ontmanteld en bewoners, ook diegene met een ernstige of matige handicap, wonen nu in kleinschalige woonvormen. In deze woonvormen verblijven mensen met een indicatie langdurig verblijf, maar ook bewoners met alleen een indicatie kort verblijf of dagbesteding. Voor die laatste groepen is het aanbieden van vaccinatie tegen hepatitis B geen standaard procedure. De kosten van hun vaccinatie worden ook niet vergoed door de instelling of ziektekostenverzekering. Uitzondering hierop zijn de mensen met Downsyndroom en mensen die het huishouden delen met een bekende hepatitis B-drager. Nieuwe hepatitis B-besmettingen komen weliswaar minder vaak voor dan twintig jaar geleden. Daar heeft beslist de schaalverkleining in positieve zin aan bij gedragen. Niettemin is er nog steeds een verhoogde prevalentie van chronische hepatitis B bij deze bewonersgroep. Belangrijkste reden voor deze hogere besmettingsgraad was en is de combinatie van drie factoren: - Aanleg: mensen met Downsyndroom bijvoorbeeld, zijn gevoeliger voor infecties; lopen dus makkelijker een Hepatitis B infectie op en worden vaker drager van het virus, - gedrag: onhygiënisch gedrag, automutilatie, onveilig vrijen, - omgeving: intensief (lijfelijk) contact met hepatitis B-dragers. Schrikreactie bij hepatitis B Bij het Nationaal Hepatitis Centrum komen regelmatig signalen binnen dat instellingen, leidinggevenden en medewerkers slecht zijn voorbereid op de komst van een bekende hepatitis B-drager. Ook het algemene preventiebesef dat veel bewoners nooit getest zijn en dit niet betekent dat zij geen hepatitis B hebben, dringt dan pas door. De onrust is vooral ingegeven door onwetendheid en escaleert in het uiterste geval in werkweigering of uitstel van de plaatsing. Hepatitis B-besmette bewoners krijgen regelmatig onterechte beperkingen opgelegd zoals het niet mogen gebruiken van gemeenschappelijk toilet of doucheruimte of beperkingen in de sociale contacten en aan de eettafel. Het vaccinatiebeleid is de laatste jaren voor medewerkers sterk verbeterd. Het is echter onacceptabel dat in toene- mende mate alle medewerkers gevaccineerd worden en verstandelijk gehandicapten niet of maar voor een deel. Zij hebben immers een minstens zo grote kans op besmetting door een groepsgenoot die een HBV-drager is. Bovendien zijn zij vaak minder goed in staat tot verantwoord hygiënisch handelen dan de medewerkers. Hoe wordt het virus (HBV) overgedragen? Om te kunnen oordelen of een cliënt risicogedrag vertoont is het goed om de besmettingsroute en praktische vertaling daarvan nader te definiëren. DNA van het hepatitis B virus kan tegenwoordig met de nieuwste technieken in bijna alle lichaamsvloeistoffen aangetoond worden, maar de realiteit is toch dat het bij hepatitis B gaat om bloed, sperma en andere genitale vloeistoffen en speeksel met bloedbijmenging (tandvleesontsteking, bloedend tandvlees na het tandenpoetsen, dwangmatig op dingen bijten). Bovendien moet het virus bij de volgende "een poort" vinden om het lichaam binnen te komen. Besmetting is mogelijk via: - Beschadigde huid, slijmvliezen, - prikken aan scherpe voorwerpen waar bloeddeeltjes aan zitten, - bijtverwonding, - seksueel contact, - gemeenschappelijk gebruik van scheerattributen, tandenborstels en dergelijke. Besmetting is niet mogelijk via: - Gemeenschappelijk gebruik van het toilet (vieze wc bril), - gemeenschappelijk gebruik van glazen, borden en ander serviesgoed, - normaal sociaal contact zoals handen geven, knuffelen en zoenen, - niezen of (aan)hoesten of braken ( bij braaksel zonder bloedbijmenging), - onhygiënisch gedrag met urine en ontlasting, - (tong)zoenen (behalve net na het tanden poetsen). Preventieregels voor iedereen gelijk Aangezien u niet weet of iemand een bloedoverdraagbaar virus bij zich draagt gelden voor iedereen dezelfde preventieregels. Dit in tegenstelling tot de zeventiger en tachtigerjaren van de vorige eeuw, waarin aparte verzorgingsregels 37

10 werden gehanteerd voor hepatitis B-positieve cliënten en al hun materialen (bloedbuisjes, wasgoed) met waarschuwingsstickers werden beplakt. Deze algemeen geldende preventieregels zijn: - Geen gezamenlijk gebruik van tandenborstels, scheerapparaten, nagelschaartjes of vijltjes, - wegwerphandschoenen dragen bij elk contact met bloed, wondvocht of lichaamsvochten die zichtbaar met bloed zijn vermengd ( zoals bij helpen met tandenpoetsen), - wondjes (ook aan eigen handen) altijd afdekken met een waterafstotende pleister of verbandspray, - gemorst bloed verwijderen, eerst schoonmaken met water en zeep, daarna oppervlakken en instrumenten desinfecteren met alcohol 70%, - bij een accident de wond laten bloeden, spoelen en (waar mogelijk) desinfecteren en direct contact opnemen met een arts voor verdere beoordeling, - kleding, beddengoed, handdoeken of washandjes die met bloed of sperma besmeurd zijn reinigen ( > 60 ºC). De komst van een HBV drager De boodschap van bovenstaande is natuurlijk: laat u niet verrassen door de komst van een hepatitis B drager en laat u niet verleiden tot een vals gevoel van veiligheid bij andere cliënten. Niettemin is het een menselijke reactie dat iedereen extra alert is als er een bekende drager binnenkomt. Plaatsing in een groep van gevaccineerde medecliënten en medewerkers heeft natuurlijk de voorkeur. Denk nuchter na over welke risicogedrag er bij deze cliënt aan de orde is. Extra aandacht voor voorlichting van personeel kan een hoop vooroordelen wegnemen. Soms wordt besloten tot een spoedvaccinatie procedure. Denk dan niet alleen aan de medewerkers, maar ook aan medebewoners. Versnelde vaccinatieschema's hebben maar een beperkte meerwaarde en hebben altijd vier in plaats van drie vaccinaties nodig. Overleg altijd goed nut en noodzaak daarvan met (externe) deskundigen. Paula van Leeuwen, coördinator NHC, Telefoon: ( maandag - vrijdag van 9 tot uur) Roel Borstlap, kinderarts Stichting Down Syndroom Praktijk Om bovenstaande optimaal te kunnen uitvoeren dienen instellingen een adequaat preventiebeleid te ontwikkelen en niet te wachten tot er zich de eerste bekende hepatitis B- drager aandient. De deconcentratie van woonvoorzieningen en de maatschappelijke integratie van verstandelijk gehandicapten maakt dat er op alle instellingsniveaus beleid ontwikkeld moet worden. Dit houdt concreet in: - De instelling heeft kennis van het risicogedrag ( onderdeel van de RI&E: risico-inventarisatie en evaluatie), - de instelling heeft een (prik)accidentenprotocol, dat bij alle medewerkers bekend is. De instelling heeft ook afspraken gemaakt met in- en externen over afhandeling ( met eigen artsen, Spoed Eisende Hulp (SEH), GGD of Arbo-dienst), - de instelling heeft op basis van risico-inschatting en accidentenervaringen uit het verleden een vaccinatiebeleid voor cliënten en medewerkers, - de instelling geeft voorlichting aan cliënten, familie en personeel. Herhaling van voorlichting is hierbij noodzakelijk (opfrissen kennis, nieuwe ontwikkelingen, nieuwe cliënten en medewerkers). Is een cliënt drager en gaat deze regelmatig naar huis, dan heeft het de voorkeur dat de instelling verifieert of de ouders/ verzorgers de preventieregels kennen en kunnen toepassen. Wat kan het NHC voor u betekenen? Het Nationaal Hepatitiscentrum geeft: - Informatie en advies op individueel en organisatieniveau, - informatie over hepatitis, ziektebeloop, diagnostiek en behandeling, - ondersteuning bij beleidsontwikkeling op het gebied van preventie, vaccinatie en accidentenafhandeling, - informatie over de uitvoering van preventiebeleid en over uitvoeringsinstanties. Uit ervaringen in het werkveld weten we dat dit eigenlijk alleen goed lukt als er een verantwoordelijke is aangesteld voor de actualisatie en uitvoering van bovenstaande punten. 38

11 WAT PRIKT DE AVG? BELEID ROND LABORATORIUMONDERZOEK ANNO 2006 Marion Gruijters, AVG Ter gelegenheid van de NVAVG-studiedag over laboratoriumonderzoek, gehouden in september 2006, is door middel van een enquête gepeild hoe de AVG omgaat met het laboratoriumonderzoek, een belangrijk hulpmiddel om klachten bij onze verstandelijk beperkte patiënten te kunnen objectiveren. Er werden 200 vragenlijsten verzonden, we ontvingen er 54 (27%) retour. Leidraad bij het aanvragen van laboratorium onderzoek is vooral ervaringskennis, evidence en gewoonte. De NHGstandaarden zijn de belangrijkste richtlijn voor de keuze voor laboratoriumonderzoek. Laboratoriumonderzoek als screening: (dus zonder actuele klacht of voor het onderzoek relevante anamnese) We waren benieuwd of de AVG zijn/haar patiënten extra controleert. Vroeger was het in diverse instellingen gewoonte dat er jaarlijks laboratorium onderzoek plaats vond. Hoe vaak gebeurt dat nu nog steeds? Laboratoriumonderzoek wordt bij meer dan de helft van de respondenten gebruikt als screeningsinstrument; bij opname wordt vaak geprikt op hepatitis B-markers, bloedbeeld, lever-, nier- en schildklierfuncties en glucose. Periodiek screenend laboratorium onderzoek bij alle cliënten is veel minder standaard: er wordt niet jaarlijks gescreend, maar minder vaak. Een derde van de respondenten vraagt dan meestal aan: glucose, TSH en cholesterol. Bert van de Meeberg stelt dat een verstandelijke beperking op zich reden is voor periodieke laboratorium controle en hij vindt bij periodieke laboratoriumcontrole van cliënten zonder klachten bij 34% afwijkingen, vooral in het bloedbeeld 1. Screent de AVG de meervoudig complexgehandicapte populatie? Achttien procent controleert periodiek het bloedbeeld, merendeels jaarlijks. Lever- en nierfuncties worden ook nog wel bepaald door vijftien procent. Bij de cliënten met Down syndroom wordt meer gescreend. Bijna 60% van de respondenten screent periodiek het bloedbeeld, TSH wordt jaarlijks of vaker bepaald door 74% van de respondenten, minder vaak door 24%; Coeliakie en glucose worden door respectievelijk 53% en 62% van de respondenten minder dan eens per jaar gecontroleerd. Bij andere syndromen is er slechts door een paar respondenten gemeld dat er laboratoriumonderzoek gebeurt. Laboratoriumonderzoek op indicatie De AVG is actief in het zoeken naar de etiologie van een verstandelijke beperking. Is die niet bekend dan laat ruim een derde van de respondenten chromosomenonderzoek doen, in het algemeen in overleg met de klinisch geneticus. Ook DNA- en metabool onderzoek wordt door ruim een derde aangevraagd. De verstandelijk gehandicapte populatie kenmerkt zich onder meer door een gebrekkige anamnese. Vage klachten zijn aan de orde van de dag. We waren benieuwd welke objectieve laboratorium parameters hierbij ingezet worden om te komen tot een mogelijke diagnose. Het resultaat: - Geprikt wordt: bloedbeeld (door 72% altijd, 26% soms), BSE (69% altijd, 26% soms), lever-, nier- en schildklierfuncties (61% altijd, 30% soms), CRP 48% soms, 28% altijd), Helicobacter (37% soms). - Bij onverklaarde gedragsproblemen komt het aanvraagprofiel grotendeels overeen met het bovenstaande. - bij automutilatie wordt het laboratorium ook vaak benut: 75% prikt altijd of soms de BSE, 80% het bloedbeeld, CRP, lever-, nier- en schildklierfuncties worden door 46% soms, door 28% steevast bepaald. Laboratorium onderzoek ter monitoring van bekende aandoeningen - GORZ: 59% laat jaarlijks of vaker bij alle of een deel van deze patiëntengroep het bloedbeeld bepalen, 13% minder frequent. Ferritine wordt meer op indicatie bepaald, door 26% jaarlijks of vaker, door 15% jaarlijks of vaker bij alle GORZ patiënten. Helicobacter wordt op indicatie, niet jaarlijks bepaald door 35% van de respondenten. - Chronische hepatitis B: jaarlijkse controle heeft de overhand, vooral van de leverfuncties (39%). HBAg en de antistoffen wordt door 27% jaarlijks gecheckt, bloedbeeld door 20%. Ongeveer 25% van de respondenten voert geen laboratoriumcontrole uit bij dragers. Leverpunctie wordt zelden gedaan (5%). R. de Man adviseert in elk geval de mensen met actieve virusreplicatie te detecteren om dat behandeling van deze groep zinvol is 1. - Epilepsie: voordat gestart wordt met een anti-epilepticum wordt door 70% altijd of soms gekeken naar bloedbeeld, leverfunctie en de concentratie (spiegel) van een al gebruikt middel tegen epilepsie. Bij gebruik van anti-epileptica wordt door een meerderheid van de respondenten bloedbeeld, mineralen, leverfuncties en bloedspiegels gemeten. Het nut hiervan werd op de studiedag in sept bestreden door collega Carpay 2. - Psychofarmacagebruik: 61% van de respondenten controleert altijd of soms als men een cliënt met een psychofarmacon gaat behandelen de lever-, nierfunctie en 39

12 bloedbeeld. Eveneens 61 % van de AVG's voert deze controles uit bij cliënten die psychofarmaca gebruiken. Marion Gruijters Literatuur: 1 De Man RA. Diagnostiek en behandeling van Hepatitis B-virusinfecties. TAVG 2007;1: Carpay JA. TAVG 2007;1:

13 GERICHTE AANDACHT EN BEGELEIDING SUCCESVOL BIJ SCREENING VOOR BORSTKANKER BIJ INSTELLINGSGEBONDEN VROUWEN Annet van den Horn, beleidsmedewerker, Namens Landelijk Voorlichtersoverleg Borstkanker Inleiding Vrouwen die in instellingen wonen, nemen veel minder vaak deel aan het bevolkingsonderzoek naar borstkanker dan andere vrouwen. En als ze wél deelnemen, verloopt het onderzoek vaak een stuk moeizamer. Gerichte aandacht en begeleiding voor deze groep vrouwen, zowel vanuit de instellingen als vanuit de organisaties die het bevolkingsonderzoek uitvoeren, kan de kwaliteit van de screening flink verhogen. Dat zijn de belangrijkste conclusies van een onderzoek dat in mei 2006 is uitgevoerd in opdracht van Preventicon, de screeningsorganisatie in de regio Utrecht. In het kader van zijn co-schap Sociale Geneeskunde aan de Universiteit Utrecht deed Jean-Luc Murks uitgebreid literatuuronderzoek naar de specifieke problemen bij het screenen van instellingsgebonden vrouwen en de borstkankerincidentie bij vrouwen met een beperking. Vervolgens toetste hij een deel van zijn bevindingen aan de praktijk bij Preventicon. Hij interviewde daarvoor medewerkers uit de organisatie. Ook maakte hij een analyse van de opkomst- en verwijscijfers van instellingsgebonden cliënten van Preventicon. De schaal van het onderzoek is te klein om er harde wetenschappelijke conclusies aan verbinden. Maar omdat er een brug wordt geslagen tussen internationale literatuur en de dagelijkse praktijk in Nederland, zijn de bevindingen voor de betrokkenen uit het veld de moeite van het vermelden waard. De conclusies en aanbevelingen in het onderzoek sluiten voor een belangrijk deel aan bij de richtlijn die de NVAVG sinds april 2004 hanteert voor het screenen van instellingsgebonden vrouwen (zie rubriek Richtlijnen op Het bevolkingsonderzoek borstkanker in het kort In Nederland krijgt ongeveer één op de negen vrouwen borstkanker, waarvan driekwart in de leeftijd van 50 tot en met 75 jaar. Om (beginnende) borstkanker in een zo vroeg mogelijk stadium op te sporen en daarmee de kans op een succesvolle behandeling te vergroten, krijgen alle vrouwen tussen de 50 en 75 jaar, dus ook de vrouwen in instellingen, de mogelijkheid om mee te doen aan een tweejaarlijkse screening. Negen regionale organisaties zijn verantwoordelijk voor het hele traject. Dat begint bij de uitnodiging van alle vrouwen uit de doelgroep en eindigt met een eventuele verwijzing naar het ziekenhuis voor verder onderzoek. De screening zelf wordt gedaan door gespecialiseerde radiodiagnostische laboranten die mammogrammen maken van beide borsten waarna twee gespecialiseerde radiologen onafhankelijk van elkaar de mammogrammen beoordelen. In het onderzochte gebied, het werkgebied van Preventicon, vallen in totaal vrouwen in de doelgroep. Daarvan wonen er 2000 in instellingen. Inventarisatie van problemen bij instellingsgebonden vrouwen Zowel in de literatuur als in de praktijk wordt duidelijk dat het screenen van cliënten met beperkingen veel obstakels kent. Jean-Luc Murks heeft aan de hand van beschikbare (internationale) literatuur een inventarisatie gemaakt van veel voorkomende problemen op dit vlak (zie tabel 1). Deze zijn zowel terug te voeren op de persoonlijke situatie van de vrouw als op gezichtspunten vanuit het medische beroep. Preventicon De medewerkers van Preventicon die voor het onderzoek zijn geïnterviewd, herkennen veel van de genoemde problemen in hun dagelijkse praktijk. Dat begint al bij de opkomst. In het werkgebied van Preventicon was de opkomst onder instellingsgebonden vrouwen de afgelopen vijf jaar gemiddeld fors lager dan bij de andere vrouwen uit de doelgroep: 44 procent versus 79 procent. De cijfers laten zien dat de opkomst bij instellingsgebonden vrouwen duidelijk afneemt naarmate ze ouder worden. In de leeftijdsgroep jaar bedraagt de opkomst nog ongeveer tweederde ten opzichte van de totale doelgroep, in de leeftijdsgroep jaar is dat teruggevallen tot de helft. Uit de literatuur blijkt dat de opkomst onder cliënten met een handicap of psychiatrische aandoening veel hoger is als zij vooraf extra uitleg krijgen van een arts en door hem of haar gestimuleerd worden om mee te doen. Om die reden betrekt Preventicon de instellingsartsen bij het screeningstraject. De onderzoeker stelt vast dat dit eigenlijk overal de praktijk zou moeten zijn maar concludeert tegelijkertijd dat op dit moment niet bekend is of alle instellingsartsen goed op de hoogte worden gesteld en in welke mate ze hun invloed aanwenden om het screeningstraject goed te laten verlopen. Screeningsprocedure Tijdens de screening zelf vormt de beperking van de vrouw meestal het centrale probleem. Een lichamelijke beperking bemoeilijkt bijvoorbeeld de komst naar de screeningsunit of maakt het onmogelijk om een goede houding aan te nemen voor het maken van de mammogrammen. Om die reden verwijzen sommige screeningsorganisaties cliënten in een rolstoel naar een ziekenhuis voor de screening. Bij cliënten met een cognitieve beperking blijkt het soms lastig om duidelijk te maken dat het om een screening gaat en niet om een gerichte verdenking van een ernstige afwijking. Verder bestaat er onder deze groep cliënten veel angst voor de mammograaf en de handelingen die moeten worden verricht om de foto's te maken. Helaas komt het regelmatig voor dat 41

14 onderzoeken vroegtijdig moeten worden afgebroken omdat een cliënte te gespannen of weigerachtig is. Laboranten van Preventicon geven aan dat de aanwezigheid van een vertrouwde begeleidster vaak een sterk positief effect heeft op de slaagkansen van het onderzoek. Een naast familielid of een verzorgster die de cliënt goed kent, is in staat om de angst weg te nemen en de laborante goed te ondersteunen in de aanpak. Helaas constateren de laborantes ook dat angstige cliënten uit instellingen lang niet altijd op deze manier worden begeleid. De praktijk bij Preventicon laat zien dat ook de opstelling van een röntgenlaborante zelf belangrijk is voor het laten slagen van de screening. Voor het verrichten van het onderzoek bij een vrouw met een beperking is creativiteit, ervaring en geduld nodig. Laborantes die in staat zijn om de cliënte te motiveren of gerust te stellen bereiken meer dan zij die zich niet op hun gemak voelen in de omgang met deze doelgroep. Borstkankerincidentie Jean-Luc Murks stelt vast dat er over de incidentie van borstkanker bij vrouwen met een beperking weinig goed onderzoek beschikbaar is. Als er al gegevens beschikbaar zijn, dan zijn deze gebaseerd op kleine populaties. Uit sommige onderzoeken komt een verhoogd risico naar voren, uit andere een vergelijkbaar of kleiner risico. Wel is duidelijk dat vrouwen in instellingen vaak met meer risicofactoren te maken hebben die in verband worden gebracht met borstkanker, zoals overgewicht, weinig lichaamsbeweging en kinderloosheid. Door dat gegeven en het feit dat de levensverwachting van vrouwen in instellingen bijna gelijk is aan dat van de algemene bevolking, is screening voor deze groep zeer wenselijk, stelt Jean-Luc Murks. De cijfers van Preventicon in de periode laten zien dat vrouwen in instellingen na een screening gemiddeld 1,7 keer vaker worden doorverwezen naar het ziekenhuis voor nader onderzoek. Maar vooral de laatste jaren is er een neerwaartse trend te zien en worden de verschillen in verwijsgedrag met de gemiddelde doelgroep minder. Verder is gekeken naar hoe vaak er daadwerkelijk sprake bleek te zijn van borstkanker in de groep instellingsgebonden vrouwen in de regio Utrecht. Uit deze gegevens blijkt dat in deze vrouwen ongeveer 1,2 keer vaker borstkanker krijgen dan vrouwen uit de totale doelgroep. In de hogere leeftijdscategorieën komt borstkanker zelfs 3,5 keer meer voor. Maar in absolute zin gaat het om zulke lage aantallen dat er eigenlijk niet goed gerekend kan worden en er dus ook geen wetenschappelijk onderbouwde conclusies uit getrokken kunnen worden. Conclusie In zijn eindconclusie stelt Jean-Luc Murks vast dat instellingsgebonden vrouwen een hogere kans op borstkanker hebben maar dat het nog maar de vraag is of het bevorderen van de opkomst veel oplevert. De numerieke winst is zeer beperkt terwijl aan de andere kant het screenen voor deze groep vrouwen een enorme opgave blijft. Wel vindt hij het zinvol om meer aandacht te besteden aan een kwalitatief betere aanpak van het onderzoek, zodat dit voor zowel de cliënten als de laboranten prettiger verloopt. Anderzijds is het van belang dat instellingen goed beoordelen of deelname door een vrouw haalbaar is (zie kader). Annet van den Horn Stichting Vroegtijdige Opsporing Borstkanker Piet Heinstraat JE Enschede Het volledige onderzoeksverslag kan opgevraagd worden bij Alijne Verhaar Communicatie medewerker Preventicon, telefoon: (030) e.mail: Stichting Preventicon is verantwoordelijk voor de uitvoering van de bevolkingsonderzoeken borst- en baarmoederhalskanker in Midden Nederland. Het werkgebied omvat de provincie Utrecht en een gedeelte van de Betuwe. Wie kan meedoen aan het bevolkingsonderzoek borstkanker? Het maken van een mammogram luistert nauw. Met de huidige beschikbare apparatuur, lukken de opnamen alleen als een cliënte de spieren niet teveel aanspant. De borstfoto's kunnen niet goed worden beoordeeld als een cliënte zich tijdens de opnamen beweegt of in bedwang moet worden gehouden door begeleiders. Om dergelijke situaties te voorkomen hebben de negen organisaties voor het bevolkingsonderzoek borstkanker in Nederland criteria opgesteld waarmee instellingen kunnen beoordelen welke vrouwen met succes aan het bevolkingsonderzoek kunnen meedoen. Deze criteria zijn: - De cliënte moet stil kunnen zitten of staan, - de cliënte moet rechtop kunnen zitten of staan, - haar hoofd, hals, schouders en ellebogen moeten beweeglijk zijn, - als alleen een zittende houding mogelijk is, dan moet de cliënte haar knieën kunnen buigen omdat ze anders niet dicht genoeg bij het röntgenapparaat kan komen. Het screenen verloopt een stuk soepeler als de cliënte daarnaast enige druk van de mammograaf op haar borsten en enige aanraking door de laborante kan verdragen. Omdat sommige units een trapje hebben, moet een cliënte in dat geval ook zelfstandig de unit kunnen betreden. Gedeelde verantwoordelijkheid Het goed screenen van instellingsbewoners is een gedeelde verantwoordelijkheid van de instellingen en de screeningsorganisaties. De instellingen zorgen ervoor dat de bewoonsters worden geselecteerd aan de hand van de genoemde criteria. Ook de begeleiding en de ondersteuning van de bewoonsters hoort hierbij, net als het vooraf invullen van het vragenformulier. De gegevens op dat formulier hebben de radiologen nodig voor een goede beoordeling van de foto's. De screeningsorganisaties zijn, naast het correct uitvoeren van de screeningsoprocedure, op hun beurt verantwoordelijk voor een goede voorlichting aan de instellingen over de mogelijkheden en onmogelijkheden tijdens de screening. 42

15 HEARING IMPAIRMENT IN ADULTS WITH AN INTELLECTUAL DISABILITY: EPIDEMIOLOGY AND REHABILITATION. Nederlandse samenvatting van het proefschrift Anneke Meuwese-Jongejeugd, hoofd van de afdeling Vroegtijdige Onderkenning van kinderen met Gehoorstoornissen, bij de Nederlandse Stichting voor het Dove en Slechthorende Kind te Amsterdam. Inleiding Dit proefschrift presenteert de resultaten van een epidemiologische studie betreffende slechthorendheid bij volwassenen met een verstandelijke beperking, evenals de resultaten van een studie waarin de implementatie van een behandelingprogramma in zorginstellingen voor mensen met een verstandelijke beperking werd onderzocht. Het wordt voorafgegaan door een overzicht in hoofdstuk 1 van de reeds gepubliceerde literatuur op het gebied van slechthorendheid bij mensen met een verstandelijke beperking, zowel wat betreft de epidemiologie als de behandeling. Ook worden in dit hoofdstuk de redenen aangegeven waarom de studies werden opgezet. Daarnaast worden de doelstellingen van de studies geformuleerd en definities gegeven voor verstandelijke beperking, slechthorendheid, slechtziendheid, dubbele zintuiglijke beperking, en implementatie. De weinige studies naar prevalentie van slechthorendheid bij volwassenen met een verstandelijke beperking zijn tot nu toe uitgevoerd in kleine of geselecteerde populaties. Daarnaast werden ook verschillende definities van slechthorendheid gehanteerd. Om de landelijke prevalentie en ernst van slechthorendheid te kunnen bepalen, en risicogroepen te kunnen identificeren, werd in 1998 een grootschalig onderzoek opgezet. Dit onderzoek, dat beschreven staat in hoofdstuk 2 werd uitgevoerd in een steekproef van 1598 volwassenen uit een basispopulatie van 9012 volwassen gebruikers van woonvoorzieningen en dagcentra voor verstandelijke gehandicapten. De basispopulatie vormde een representatieve afspiegeling van de totale populatie van verstandelijk gehandicapten in Nederland. Gebruik werd gemaakt van internationaal erkende diagnostische methoden en criteria. Na een re-weighting procedure vanwege uitval tijdens de studie en een toegepaste stratificatie, werd voor de totale populatie van verstandelijk beperkte zorggebruikers in Nederland een prevalentie van slechthorendheid vastgesteld van 30%. Dit hoge percentage bleek niet alleen te worden veroorzaakt door de vaak voorkomende slechtho- 43

16 rendheid bij mensen met het syndroom van Down (prevalentie 57%), maar ook door een prevalentie van 24% in de subpopulatie met een verstandelijke beperking door een andere oorzaak, dat nog steeds significant hoger bleek te zijn dan de prevalentie van 16-17% in de algemene populatie. Daarnaast bleek dat de prevalentie versus leeftijdscurve ongeveer 10 jaar opgeschoven is naar een jongere leeftijd. We adviseren dan ook om in de bestaande Nederlandse en internationale richtlijnen voor gehoorscreening bij volwassenen met een verstandelijke beperking als gevolg van een andere oorzaak dan het syndroom van Down, de screening op ouderdoms-slechthorendheid te laten plaatsvinden vanaf de leeftijd van 40 jaar in plaats van vanaf 50 jaar. Zoals te verwachten was, vormde, naast Down syndroom, ook een leeftijd van 50 jaar en ouder een verhoogd risico. In tegenstelling tot de situatie bij slechtziendheid, waar een ernstiger mate van verstandelijke beperking de belangrijkste risicofactor is, bleek dit voor slechthorendheid uitsluitend in de subpopulatie met het syndroom van Down een risicofactor te zijn. Vanwege de zeer hoge prevalentie van slechthorendheid bij volwassenen met het syndroom van Down (ruim 57%), oplopend tot 100% bij 60 plussers, adviseren we een tweede aanpassing in de voornoemde richtlijnen en wel dat elke drie jaar meteen audiometrie wordt verricht door een KNO-arts of audioloog in plaats van dit eerst vooraf te laten gaan door een screeningsronde. de aanpassing. Tevredenheid met de hoortoestellen bleek samen te hangen met dezelfde aspecten als in de algemene bevolking: opbrengst van de hoortoestellen, cosmetische aspecten en zelfbeeld, kwaliteit van het geluid, comfort en gebruiksgemak, en service van de hoortoestellenleverancier. Opvallend was dat bij sommige deelnemers aan de studie een voorkeur bestond voor zo onzichtbaar mogelijke hoortoestellen, maar bij anderen juist voor helder gekleurde hoorapparatuur. De meeste deelnemers, inclusief enkele mensen met een lichte verstandelijke beperking, bleken gedeeltelijk of geheel afhankelijk te zijn van hun begeleiders in het gebruik en onderhoud van de hoortoestellen. Ondanks het feit dat de begeleiders een training hadden gevolgd om hierin deskundigheid te verkrijgen, inclusief in het signaleren van problemen, bleken bij een aantal cliënten zes maanden na het starten met de hoortoestellen nog steeds klachten te bestaan van ongemak, pijn en geluid. Als gevolg hiervan werden hoortoestellen weer uit het oor gehaald of uitgezet. Onze conclusies zijn dat: 1. informatie meerdere keren gegeven moet worden en dat gecheckt moet worden of het begrepen is, 2. de cliënt gevraagd dient te worden welke specifieke wensen er bestaan ten aanzien van de hoortoestellen, ook ten aanzien van de cosmetische aspecten, en 3. dat een professional (logopedist of audicien) regelmatig bij de cliënten langs dient te gaan om klachten te kunnen signaleren en de hoortoestellen te controleren. Omdat al eerder de resultaten waren gepresenteerd van een epidemiologisch onderzoek naar slechtziendheid in dezelfde studiepopulatie, konden nu ook de landelijke prevalentie en ernst van een dubbele zintuiglijke beperking worden vastgesteld (hoofdstuk 3). Bij 77 deelnemers aan de studie bleek sprake te zijn van een dubbele zintuiglijke beperking. Na reweighting van de data werd een prevalentie van 5% vastgesteld voor de totale populatie, van 3% voor de leeftijdsgroep jonger dan 50 jaar, en van 11% voor de populatie van 50 jaar en ouder. Deze prevalenties zijn aanzienlijk hoger dan de prevalenties in de algemene populatie. Als risicofactoren konden worden geïdentificeerd: een ernstiger mate van verstandelijke beperking, leeftijd van 50 jaar en ouder en syndroom van Down. In drie gevallen was sprake van de combinatie (zeer) ernstige slechthorendheid/ blindheid. De slechthorendheid en slechtziendheid was in principe behandelbaar of revalideerbaar in de meerderheid van de gevallen. In hoofdstuk 4 worden de resultaten gepresenteerd van een pilot study waarin verwachtingen van, en tevredenheid met hoortoestellen zijn onderzocht in een groep volwassenen met een verstandelijke beperking. We wilden weten of de resultaten overeenkwamen met resultaten uit vergelijkbare studies in de algemene populatie. Zo niet, dan zou dit consequenties kunnen hebben voor de introductie, maar ook voor de follow-up van de hoortoestellen. Zestien volwassenen met een lichte tot matige verstandelijke beperking werden geïnterviewd vóór het starten met hoortoestellen en een half jaar erna. De verwachtingen bleken in de meeste gevallen te berusten op incomplete of onjuiste informatie. Speciale wensen ten aanzien van de hoortoestellen, bijvoorbeeld ten aanzien van de zichtbaarheid, bleken in enkele gevallen van invloed te zijn op het uiteindelijke succes van Uit onze ervaring was bekend dat behandeling met hoortoestellen bij volwassenen met een verstandelijke beperking vaak mislukt. Dit kan te maken hebben met cliënt-gerelateerde factoren zoals onbegrip of angst, maar ook met factoren die te maken hebben met de omgeving (afhankelijkheid van begeleiders, akoestiek). We wilden weten of het mogelijk was om een adequate behandeling te realiseren in zorginstellingen voor mensen met een verstandelijke beperking. In hoofdstuk 5 wordt beschreven welke barrières ontmoet werden tijdens het implementeren van een aangepast behandelingsprotocol voor slechthorendheid in vijf zorginstellingen (centrale locaties en gezinsvervangende tehuizen). Door een werkgroep was allereerst een behandelingsprotocol ontwikkeld, aangepast aan mensen met een verstandelijke beperking, bestaande uit vier modules: 1. hoortoestelaanpassing en een gewennings- en hoortraining, 2. beoordeling van de akoestiek in woon- en werkvertrekken, indien nodig gevolgd door het verrichten van aanpassingen, 3. beoordeling van de communicatieve behoeften en vaardigheden, gevolgd door een multidisciplinaire bespreking in de zorginstelling, en 4. training van groepsleiding volgens een train-de-trainers model. Hierna volgde een inventarisatie van problemen die verwacht werden tijdens het implementatieproces, en werden strategieën ontwikkeld om deze problemen te verhelpen. Desondanks lukte het in twee jaar tijd maar bij drie van de 31 geïncludeerde deelnemers om alle voorwaarden voor een optimale start met de hoortoestellen te kunnen realiseren (gewennings- en hoortraining beschikbaar, groepsleiding 44

17 getraind, communicatie adviezen besproken, akoestiek verbeterd). We hadden eigenlijk verwacht vooral acceptatieproblemen te ontmoeten op het niveau van de cliënt en begeleiders. In plaats daarvan kwamen we ze al op organisatorisch niveau tegen, voordat daadwerkelijk met de hoortoestellen gestart kon worden. Gaandeweg het implementatieproces werd verder duidelijk, dat het management het (soms) wel mogelijk had gemaakt om tijdens de studie interventies aan te bieden, maar dat geen maatregelen genomen waren om continuïteit na afloop van de studie te garanderen. We concludeerden dat we wel barrières hadden kunnen registreren, maar niet waardoor ze veroorzaakt waren. Om dit te kunnen bestuderen werd een vervolgonderzoek opgezet om het implementatieproces te evalueren. In het tweede deel van het implementatieonderzoek werden kwalitatieve onderzoeksmethodes gebruikt om retrospectief factoren te identificeren die het implementatieproces hadden beïnvloed. Vierentwintig betrokken medewerkers uit de zorginstellingen (management en professionals) en drie audiologen werden geïnterviewd. De resultaten van dit onderzoek staan beschreven in hoofdstuk 6. De audiologische centra hadden te maken met een onverwacht grote aanvoer van nieuwe cliënten. Daarnaast hadden ze vrijwel geen ervaring in het uitvoeren van de diagnostiek op locatie van de zorginstellingen. Dit heeft geleid tot enorme vertragingen. Een ander probleem was, dat het ter plaatse beoordelen van de akoestiek moest gebeuren zonder extra financiële vergoeding, ook vonden niet alle audiologen het hun taak om dit te doen. De activiteiten tussen de zorgorganisaties voor verstandelijk gehandicapten en de audiologische centra waren onvoldoende gecoördineerd, taken en verantwoordelijkheden waren niet duidelijk afgesproken. Voor de zorgorganisaties zelf werden door de geïnterviewden de volgende factoren genoemd, die de implementatie negatief hadden beïnvloed: onvoldoende draagvlak bij de groepsleiding, financiële en organisatorische consequenties van het project onvoldoende in kaart gebracht, lokale procedures onvoldoende in kaart gebracht, competitie met andere lopende projecten, onvoldoende informatieoverdracht, en onvoldoende verankering van het protocol, inbedding in de werkwijzen. De kwaliteit van de informatieoverdracht werd zowel op de centrale locaties als in de kleinschaliger woonvormen slecht genoemd. De lokale projectcoördinatoren, allen professionele medewerkers, waren onvoldoende toegerust, en werden onvoldoende door het management ondersteund, om deze problemen op te lossen. Sommige opmerkingen suggereerden, dat het implementatieproces ook beïnvloed zou kunnen zijn door de organisatiecultuur, zoals die naar voren kwam in het gedrag van zowel medewerkers als het management. Op dit vlak werden voorzichtig de volgende relevante aspecten geïdentificeerd: focus op kwaliteitsverbetering, focus op resultaten, betrokkenheid en verantwoordelijkheid van medewerkers, meer of minder formele relaties tussen de disciplines, en het beleid ten aanzien van normale of juist gespecialiseerde gezondheidszorg voor de cliënten. Het laatste aspect werd ter sprake gebracht in alle vijf zorgorganisaties. De andere aspecten werden minder vaak genoemd, maar zijn al langere tijd bekend uit de literatuur over andere vormen van gezond- heidszorg, bijvoorbeeld over continue kwaliteitsverbetering in ziekenhuizen. Wij concluderen, dat audiologische revalidatie in deze bevolkingsgroep een complexe interventie is met meerdere innovatieve aspecten. Voor de implementatie is een samenhangend implementatieplan nodig, dat tot stand komt in voortdurend overleg tussen betrokken professionals en het top management. Deskundigheid in verandermanagement is daarbij onontbeerlijk. Wij adviseren dat: 1. Zorginstellingen en audiologische centra op gestructureerde wijze met elkaar samen gaan werken, 2. Hoortoestelgewenning- en hoortraining vanuit het audiologisch centrum aangeboden gaat worden, 3. deskundigheidsbevordering op het gebied van slechthorendheid structureel opgenomen dient te worden in de basisopleidingen van alle professionals die betrokken zijn bij mensen met een verstandelijke beperking en 4. er bindende bouwvoorschriften komen voor akoestische omstandigheden in scholen, instituten, woningen en dagcentra voor mensen met een verstandelijke beperking, zoals al is geadviseerd door het Bouwcollege. Verder adviseren we het management van zorginstellingen om verbeterprojecten op te zetten op het gebied van de bejegening en behandeling van hun slechthorende cliënten. In hoofdstuk 7 worden de belangrijkste bevindingen nog een keer gepresenteerd en becommentarieerd. Verder gaan we in op een aantal problemen die ontmoet werden tijdens de studies. Achtereenvolgens komen aan de orde: de omvang van het gehoorprobleem en van het probleem van de dubbel zintuiglijk beperkten, het screeningsprotocol, het diagnostisch protocol, de afhankelijkheid van begeleiders en de audiologische zorg. Een voorstel wordt gedaan voor een samenwerkingsvorm voor professionals die betrokken zijn bij de opsporing en behandeling van slechthorendheid In dit proefschrift worden enkele studies gepresenteerd met een pionierskarakter. Hiermee is slechts de basis gelegd. In de discussie worden enkele aanbevelingen gedaan voor verder onderzoek. Vervolgens worden de aanbevelingen nog eens samengevat enerzijds voor aanpassingen in bestaande richtlijnen voor vroegtijdige opsporing van slechthorendheid bij mensen met een verstandelijke beperking, en anderzijds voor een structurele aanpak van de diagnostiek en behandeling van slechthorendheid in zorginstellingen voor mensen met een verstandelijke beperking. Wij menen dat hiermee de kwaliteit van de audiologische zorg voor mensen met een verstandelijke beperking zal verbeteren. Anneke Meuwese-Jongejeugd Meuwese-Jongejeugd A. Hearing Impairment in Adults with an Intellectual Disability: Epidemiology and Rehabilitation. Dissertation. Een exemplaar is gratis te bestellen bij 45

18 Oproepen TOP-R STUDIE: ONDERZOEK NAAR NIEUWE MECHANISMEN VAN SCHILDKLIERHORMOONRESISTENTIE MET DRA- MATISCHE GEVOLGEN Aan alle Artsen voor Verstandelijk Gehandicapten in Nederland Geachte collega s, Graag wil ik uw aandacht vragen voor een nieuw onderzoek dat is gestart vanuit het Erasmus MC te Rotterdam. In de TOP-R (Thyroid hormone Origin of Psychomotor Retardation) studie wordt er onderzoek gedaan naar nieuwe mechanismen van schildklierhormoonresistentie in het ontstaan van psychomotore retardatie. Op de najaarsvergadering van de NVAVG van 17 november 2006 is dit onderzoek reeds gepresenteerd. Hieronder treft u een samenvatting aan van de TOP-R studie. Onlangs is echter in ons laboratorium aangetoond dat de receptor MCT8 een actieve en specifieke schildklierhormoontransporter is. MCT10 vertoont een hoge homologie met MCT8, lijkt snel schildklierhormoontransport te faciliteren en heeft voor T3 zelfs een hogere opname dan MCT8. MCT10 vertoont onder meer een hoge expressie in de placenta. Dit is erg belangrijk wanneer men bedenkt dat de foetus in de eerste helft van de zwangerschap voor schildklierhormoon van de moeder afhankelijk is. Een andere uitzondering is OATP1C1 die vooral T4 transporteert en hoog tot expressie komt in de bloedhersenbarrière. Achtergrond Schildklierhormoon is van wezenlijk belang voor de normale ontwikkeling van het centrale zenuwstelsel, zoals blijkt uit de ernstige (neurologische) afwijkingen bij onbehandelde foetale en neonatale hypothyreoïdie. Het door de schildklier geproduceerde schildklierhormoon T4 is biologisch inactief en verkrijgt door lokale omzetting in T3 in de perifere weefsels zijn definitieve werking. In figuur 1 is een weergave te zien van de lokale regulatie in de hersenen. In hersenen zijn de neuronen de cellen waar T3 zijn werking primair uitoefent. T3 wordt verkregen in aangrenzende astrocyten door dejodering van T4 door het enzym type2 dejodase(d2). Zoals in alle T3-gevoelige cellen begint de werking van T3 door te binden met de kernreceptoren geassocieerd met T3 respons elementen in het promotorgebied. Dit resulteert in een veranderde transcriptie van genen. Vervolgens wordt T3 in het neuron geïnactiveerd door type3 dejodase (D3). De werking van beide dejodases en T3 is intracellulair. Het belang van MCT8 is in ons laboratorium aangetoond bij een aantal jongetjes met ernstige psychomotore retardatie en verhoogde T3 waarden. 1 In alle patiënten zijn er mutaties aangetoond in MCT8. In de MCT8-patiënten zijn TSH en T4 niet of nauwelijks afwijkend, maar is het T3 sterk verhoogd. De hypothese van dit onderzoek is dat andere verstoringen in de lokale bioregulatie van schildklierhormoon in het centrale zenuwstelsel de ontwikkeling negatief kunnen beïnvloeden. Deze verstoringen kunnen het gevolg zijn van verminderde expressie van andere schildklierhormoontransporters (zoals MCT10 en OATP1C1) of de dejodases. Tot nu toe zijn er in deze genen geen mutaties beschreven. De studies met de MCT8-patiënten laten zien dat deze niet worden opgemerkt in de TSH-screening voor congenitale hypothyreoïdie. Doel Ons project focust op de functie van deze transporters en dejodases in patiënten met psychomotore retardatie en afwijkende serum schildklier-hormoonspiegels. De belangrijkste onderwerpen die bestudeerd zullen worden zijn: 1 Het bepalen van de mogelijke rol van schildkliergerelateerde kandidaat genen (in ieder geval de schildklierhormoontransporters MCT8, MCT10 en OATP1C1 en de dejodases D2 en D3) in het ontstaan van psychomotore retardatie. 2 Het bepalen van de functionele gevolgen van de mutaties voor de activiteiten van transporters en/of dejodases, en dus voor de regulatie voor de bioactiviteit van schildklierhormoon. Recent is duidelijk geworden dat transport van schildklierhormoon door de celmembraan niet plaatsvindt door diffusie, maar door schildklier-hormoontransporters. Hoewel in de laatste jaren meerdere schildklierhormoontransporters zijn ontdekt, is bij de meeste de activiteit en specificiteit voor schildklierhormoon laag. Wanneer meerdere familieleden een combinatie hebben van mentale retardatie en afwijkende schildklierhormoonwaarden, zal getracht worden door middel van linkage analysis met chromosomale markers het gemuteerde gen op te sporen. Uit de literatuur blijkt dat bij ongeveer 50 procent van de mensen met mentale retardatie de oorzaak onbekend is. Deze studie kan een bijdrage leveren aan het ophelderen van de etiologie van psychomotore retardatie. Wanneer er 46

19 een mutatie gevonden wordt, kan er familieonderzoek plaatsvinden. In MCT8 patiënten zijn er aanwijzingen dat in andere weefsels dan het centrale zenuwstelsel er sprake is van een hyperthyreoïdie. Dit kan verklaard worden door het aanwezig zijn van andere transporters dan MCT8 in deze weefsels, die wel goed functioneren. In combinatie met het sterk verhoogde (actieve) T3 in deze patiënten leidt dit tot een hyperthyreoïdie in deze weefsels, terwijl er dus een feitelijke hypothyreoïdie is in het neuron. Een systemische hyperthyreoïdie zal de slechte voedingstoestand en lage spiermassa in deze patiënten alleen maar verslechteren. Er wordt momenteel onderzoek gedaan of verlaging van het T3 effectief is. Studiepopulatie Om in het onderzoek geïncludeerd te worden moet er sprake zijn van mentale retardatie en enige vorm van motorische ontwikkelingsachterstand. Ondanks uitgebreide evaluatie mag er geen etiologische diagnose zijn ('asfyxie' bijvoorbeeld volstaat niet). In eerste instantie wordt de meest ernstig aangedane groep geïncludeerd. Dit houdt in dat het IQ lager dan 40 moet zijn. Wanneer er geen IQ-test is verricht, beoordeelt de AVG of er een overeenkomstig laag ontwikkelingsniveau is. Er wordt naar gestreefd om 1000 mensen te includeren. werking wil verlenen aan de TOP-R studie, kunt u dit nu al kenbaar maken door contact op te nemen. Het voornemen is om alle instellingen in Nederland te benaderen. Bekostiging Dit project wordt gefinancierd door een TOP-subsidie van ZonMw. Vragen of opmerkingen Wanneer u naar aanleiding van bovenstaande informatie vragen of opmerkingen heeft, kunt u altijd contact opnemen. Eveneens kunt u mij benaderen, zoals ik al heb aangegeven, wanneer uw organisatie van plan is deel te nemen aan deze studie. Met vriendelijke groet, Edward Visser Telefoon : Mede namens prof. dr. ir. T.J. Visser Literatuur 1 Friesema EC et al. Association between mutations in a thyroid hormone transporter and severe X-linked psychomotor retardation. Lancet 2004;364: Methoden Voor dit onderzoek zijn twee buisjes bloed nodig: een stolbuis en EDTA-buis. Er wordt in principe aangesloten bij een reeds geplande venapunctie (bijvoorbeeld voor het bepalen van een medicatiespiegel; zie figuur 2). Er hoeft dus niet extra geprikt te worden. Vervolgens worden de schildklierhormoonparameters bepaald. Wanneer deze afwijkend zijn zal het DNA geanalyseerd worden op mutaties in de kandidaat-genen. Indien er een mutatie gevonden wordt zullen de functionele gevolgen bestudeerd worden. Uitvoering Wanneer de AVG's in de instelling bereid zijn tot participatie wordt er vanuit de Medisch Ethische Toetingscommissie Erasmus MC naar de directie en Raad van Bestuur een brief gestuurd met het verzoek om een advies voor lokale uitvoerbaarheid. Eventuele lokale ethische commisies, cliëntenraad en dergelijke hebben dan de mogelijkheid zich hierover uit te spreken. Wanneer vanuit de instelling wordt ingestemd met het onderzoek, is het verstandig om afspraken te maken om de gang van zaken specifiek op de instelling toe te spitsen (zoals de procedure rond informed consent en de venapunctie). Wanneer u geïnteresseerd bent in dit onderzoek, kunt u dit bespreken binnen uw instelling. Indien uw instelling mede- 47

20 Nieuws Longaandoeningen bij verstandelijk gehandicapten Datum: 20 april 2007 Locatie: Beatrixgebouw / Jaarbeurs te Utrecht Dagvoorzitter: Marion Gruijters Accreditatie is aangevraagd Ochtendprogramma: Algemene Ledenvergadering Risicofactoren voor recidiverende luchtweginfecties bij kinderen met ernstige meervoudige beperkingen / discussie Mw. dr. C. Penning, Projectleider onderzoekslijn "Co-morbiditeit bij kinderen met ernstige meervoudige beperkingen", Erasmus MC te Rotterdam Theepauze Middagprogramma: Longproblemen bij meervoudig beperkte kinderen Dr. P. Merkus, Kinderlongarts Erasmus MC Sophia Kinderziekenhuis te Rotterdam Inhalatiemedicatie bij mensen met een verstandelijke beperking/discussie Mw. D. Konz, AVG bij ASVZ Zuid West te Sliedrecht P. van Bakel, apotheker bij Thorbecke apotheek te Sliedrecht In de beperking toont zich de meester. Kinderfysiotherapeutische behandelmogelijkheden bij ernstig meervoudig beperkte kinderen met pulmonale problemen Mw. L.J. van der Giessen, Kinderfysiotherapeut Erasmus MC Sophia kinderziekenhuis te Rotterdam Afsluiting Kosten voor leden NVAVG: - 'gewoon' lid: 87,50 - AIOS-AVG en 'donateurs' 60,- Kosten voor niet-leden 150, Discussie Lunchpauze Diverse aspecten rond Aspiratiepneumonie / discussie Dr. F. Teding van Berkhout, Longarts UMC Utrecht Opgeven via (zie nascholingsagenda) en betalen (giro t.n.v. NVAVG te Rotterdam) vòòr 6 april Bij annulering na 6 april zal helaas het volledige bedrag in rekening worden gebracht. Informatie bij het NVAVG secretariaat via of telefonisch Chronic Disease Management in People with Intellectual Disability Monash University Prato Centre Prato, Italy May, 2007 Invitation The Centre for Developmental Disability Health Victoria (CDDHV) in the School of Primary Health Care, Faculty of Medicine, Nursing and Health Sciences at Monash University takes great pleasure in inviting you to attend the International Roundtable of the Physical Health Special Interest Research Group (Health SIRG) of the International Association for the Scientific Study of Intellectual Disability (IASSID). The aim of the conference is to develop a framework for the management of chronic disease in people with intellectual disability. The roundtable will be held at the Monash University Prato Centre in Prato, Italy from the 21st to 23rd May We will be considering the following questions in regards to chronic disease management in people with intellectual disability: What do we know about chronic disease and its management in people with intellectual disability? What are the essential elements for establishing a framework for the management of chronic disease? What should our priorities be? What are the determinants of best practice? How do we develop and/or promote models of best practice? How do we engage governments and the public at large? For further information please download the conference brochure and registration form or contact Mrs Faye Alphonso or A/Professor Robert Davis on or (http://www.cddh.monash.org/upcoming-events.html#2) 48

07-04-15. Herkennen van en omgaan met. Angst en Depressie. Na vanmiddag. bij ouderen met een verstandelijke beperking

07-04-15. Herkennen van en omgaan met. Angst en Depressie. Na vanmiddag. bij ouderen met een verstandelijke beperking Na vanmiddag Herkennen van en omgaan met Angst en Depressie bij ouderen met e Weet u hoe vaak angst en depressie voorkomen, Weet u wie er meer risico heeft om een angststoornis of depressie te ontwikkelen,

Nadere informatie

PROTOCOL TER PREVENTIE VAN BLOEDOVERDRAAGBARE AANDOENINGEN. Met instemming PGMR mei 2013 MET INSTEMMING

PROTOCOL TER PREVENTIE VAN BLOEDOVERDRAAGBARE AANDOENINGEN. Met instemming PGMR mei 2013 MET INSTEMMING PROTOCOL TER PREVENTIE VAN BLOEDOVERDRAAGBARE AANDOENINGEN Met instemming PGMR mei 2013 MET INSTEMMING INHOUDSOPGAVE INHOUDSOPGAVE... 1 1 INLEIDING... 2 2 VOORKOMEN VAN BLOEDBLOEDCONTACT... 2 2.1 Specifieke

Nadere informatie

Depressie. Informatiefolder voor zorgteam. Zorgprogramma Doen bij Depressie UKON. Versie 2013-oktober

Depressie. Informatiefolder voor zorgteam. Zorgprogramma Doen bij Depressie UKON. Versie 2013-oktober Depressie Informatiefolder voor zorgteam Zorgprogramma Doen bij Depressie Inleiding Deze folder is bedoeld voor afdelingsmedewerkers die betrokken zijn bij de zorg voor een cliënt bij wie een depressie

Nadere informatie

Medicatie als instrument om onrust en agressie te beheersen? Niet agressief, maar duf? dr. Martin Smalbrugge. Wie ben ik??

Medicatie als instrument om onrust en agressie te beheersen? Niet agressief, maar duf? dr. Martin Smalbrugge. Wie ben ik?? Medicatie als instrument om onrust en agressie te beheersen? Niet agressief, maar duf? dr. Martin Smalbrugge Wie ben ik?? Specialist ouderengeneeskunde Hoofd opleidingsinstituut specialisme ouderengeneeskunde

Nadere informatie

Cover Page. The handle http://hdl.handle.net/1887/39582 holds various files of this Leiden University dissertation

Cover Page. The handle http://hdl.handle.net/1887/39582 holds various files of this Leiden University dissertation Cover Page The handle http://hdl.handle.net/1887/39582 holds various files of this Leiden University dissertation Author: Hegeman, Annette Title: Appearance of depression in later life Issue Date: 2016-05-18

Nadere informatie

1. Vragen over de hepatitis B aandachtscampagne

1. Vragen over de hepatitis B aandachtscampagne VRAAG EN ANTWOORD Hepatitis B aandachtscampagne: Zeg Nee!...Tegen hepatitis B 1. Vragen over de hepatitis B aandachtscampagne Q. Wat is het doel van de campagne? A. We willen Chinezen woonachtig in Rotterdam

Nadere informatie

SAMENVATTING. Achtergrond en doelstellingen van dit proefschrift

SAMENVATTING. Achtergrond en doelstellingen van dit proefschrift 153 SAMENVATTING Achtergrond en doelstellingen van dit proefschrift Angst en depressie zijn de meest voorkomende psychische stoornissen, de ziektelast is hoog en deze aandoeningen brengen hoge kosten met

Nadere informatie

Depressie na een beroerte

Depressie na een beroerte Afdeling: Onderwerp: 6B Neurologie 1 Voor wie is deze folder bedoeld? Deze informatiefolder is bedoeld voor zowel patiënten die in het Ikazia Ziekenhuis zijn opgenomen en/of hun naasten. Door middel van

Nadere informatie

Nederlandse Samenvatting

Nederlandse Samenvatting Nederlandse Samenvatting 99 Nederlandse Samenvatting Depressie is een veel voorkomend en ernstige psychiatrisch ziektebeeld. Depressie komt zowel bij ouderen als bij jong volwassenen voor. Ouderen en jongere

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting

Nederlandse samenvatting Nederlandse samenvatting 137 138 Het ontrafelen van de klinische fenotypen van dementie op jonge leeftijd In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, komt dementie ook op jonge leeftijd voor. De diagnose

Nadere informatie

Wat is depressie? Oorzaak, omvang, gevolg

Wat is depressie? Oorzaak, omvang, gevolg Wat is depressie? Oorzaak, omvang, gevolg Prof. Dr. Brenda Penninx Vakgroep psychiatrie / GGZ ingeest Neuroscience Campus Amsterdam Mental Health EMGO+ Institute for Health and Care Research b.penninx@vumc.nl

Nadere informatie

Depressie bij verpleeghuiscliënten

Depressie bij verpleeghuiscliënten Doen bij Depressie zorgprogramma Informatiefolder voor afdelingsmedewerkers Depressie bij verpleeghuiscliënten Folder 4 Inleiding Deze folder is bedoeld voor afdelingsmedewerkers die betrokken zijn bij

Nadere informatie

Samenvatting. Een complex beeld

Samenvatting. Een complex beeld Samenvatting Een complex beeld Vroeg herkende lymeziekte na een tekenbeet is goed te behandelen met antibiotica. Het beeld wordt echter complexer als de symptomen minder duidelijk zijn of als de patiënt

Nadere informatie

VERANDERING VAN GEDRAG: EEN PROBLEEM OF NIET? Marieke Schuurmans Verpleegkundige & onderzoeker UMC Utrecht/Hogeschool Utrecht

VERANDERING VAN GEDRAG: EEN PROBLEEM OF NIET? Marieke Schuurmans Verpleegkundige & onderzoeker UMC Utrecht/Hogeschool Utrecht VERANDERING VAN GEDRAG: EEN PROBLEEM OF NIET? Marieke Schuurmans Verpleegkundige & onderzoeker UMC Utrecht/Hogeschool Utrecht GEDRAG: De wijze waarop iemand zich gedraagt, zijn wijze van doen, optreden

Nadere informatie

Hoe krijg je hepatitis B?

Hoe krijg je hepatitis B? Hepatitis B Hepatitis B is een infectie van de lever, veroorzaakt door het hepatitis B-virus. In Nederland wordt dit virus vooral overgedragen door seksueel contact. Het dringt via de slijmvliezen van

Nadere informatie

Voor het eerst is er een vaccin dat baarmoederhalskanker kan voorkomen

Voor het eerst is er een vaccin dat baarmoederhalskanker kan voorkomen Samenvatting Voor het eerst is er een vaccin dat baarmoederhalskanker kan voorkomen In Nederland bestaat al decennia een succesvol programma voor bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker. Daarmee

Nadere informatie

Plenaire opening. Themamiddag Wil ik het weten? En dan? 28 september 2013

Plenaire opening. Themamiddag Wil ik het weten? En dan? 28 september 2013 Plenaire opening Themamiddag Wil ik het weten? En dan? 28 september 2013 Opening door Anke Leibbrandt Iedereen wordt van harte welkom geheten namens de BVN en de programmacommissie erfelijkheid (betrokken

Nadere informatie

NVAB-richtlijn blijkt effectief

NVAB-richtlijn blijkt effectief NVAB-richtlijn blijkt effectief Nieuwenhuijsen onderzocht de kwaliteit van de sociaal-medische begeleiding door bedrijfsartsen van werknemers die verzuimen vanwege overspannenheid, burn-out, depressies

Nadere informatie

Bipolaire stoornissen

Bipolaire stoornissen Bipolaire stoornissen PuntP kan u helpen volwassenen Sommige mensen hebben last van stemmingsschommelingen die niet in verhouding staan tot wat er in hun persoonlijke omgeving gebeurt. De stemming lijkt

Nadere informatie

Protocol 3: Geneesmiddelen en Medisch Handelen 1 (GMMH) KDV t Sprookjesland

Protocol 3: Geneesmiddelen en Medisch Handelen 1 (GMMH) KDV t Sprookjesland Protocol 3: Geneesmiddelen en Medisch Handelen 1 (GMMH) KDV t Sprookjesland 1 Laatste versie: 27 januari 2014 Inhoudsopgave Inleiding 3. Geneesmiddelen verstrekking op verzoek 3.1. Huid- en wondverzorging

Nadere informatie

Samenvatting Jong; dus gezond!?

Samenvatting Jong; dus gezond!? Samenvatting Jong; dus gezond!? Deel III Gezondheidsprofiel regio Nieuwe Waterweg Noord, 2005-2008 Samenvatting rapport Jong; dus gezond!? Gezondheidssituatie van de Jeugd (2004-2006) Regio Nieuwe Waterweg

Nadere informatie

SAMENVATTING SAMENVATTING. Werk en Psychische Gezondheid: Studies naar de invloed van werk kenmerken, sociale rollen en gender

SAMENVATTING SAMENVATTING. Werk en Psychische Gezondheid: Studies naar de invloed van werk kenmerken, sociale rollen en gender SAMENVATTING Werk en Psychische Gezondheid: Studies naar de invloed van werk kenmerken, sociale rollen en gender In de jaren negentig werd duidelijk dat steeds meer werknemers in Nederland, waaronder in

Nadere informatie

Depressie. Informatiefolder voor cliënt en naasten. Zorgprogramma Doen bij Depressie UKON. Versie 2013-oktober

Depressie. Informatiefolder voor cliënt en naasten. Zorgprogramma Doen bij Depressie UKON. Versie 2013-oktober Depressie Informatiefolder voor cliënt en naasten Zorgprogramma Doen bij Depressie Versie 2013-oktober Inleiding Deze folder bevat informatie over de klachten die bij een depressie horen en welke oorzaken

Nadere informatie

Behandeling van ouderen in de eerste lijn

Behandeling van ouderen in de eerste lijn Behandeling van ouderen in de eerste lijn Lucinda Meihuizen, GZ psycholoog Bestuurslid sectie ouderenpsychologen NIP Zorgpartners Midden-Holland en Samenwerkende psychologen Alphen a/d Rijn Agenda workshop

Nadere informatie

Stoppen met langdurig antipsychoticagebruik voor gedragsproblemen. Gerda de Kuijper Arts verstandelijk gehandicapten/senior onderzoeker

Stoppen met langdurig antipsychoticagebruik voor gedragsproblemen. Gerda de Kuijper Arts verstandelijk gehandicapten/senior onderzoeker Stoppen met langdurig antipsychoticagebruik voor gedragsproblemen Gerda de Kuijper Arts verstandelijk gehandicapten/senior onderzoeker Congres Focus op onderzoek Utrecht 22 juni 2015 Inhoud presentatie

Nadere informatie

Universitair Medisch Centrum Groningen

Universitair Medisch Centrum Groningen Universitair Medisch Centrum Groningen Beter af met minder Reduction of Inappropriate psychotropic Drug use in nursing home residents with dementia Claudia Groot Kormelinck Prof.dr. Sytse Zuidema Probleemgedrag

Nadere informatie

Depressie bij verpleeghuiscliënten

Depressie bij verpleeghuiscliënten Doen bij Depressie zorgprogramma Informatiefolder voor cliënt en naasten Depressie bij verpleeghuiscliënten Folder 3 Inleiding Deze folder bevat informatie over de klachten die bij een depressie horen

Nadere informatie

Patiënteninformatie. Psychiatrie- Obstetrie- Paediatrie (POP)-poli. Informatie voor patiënten over de POP-poli van Tergooi.

Patiënteninformatie. Psychiatrie- Obstetrie- Paediatrie (POP)-poli. Informatie voor patiënten over de POP-poli van Tergooi. Patiënteninformatie Psychiatrie- Obstetrie- Paediatrie (POP)-poli Informatie voor patiënten over de POP-poli van Tergooi. Inhoudsopgave Pagina Inleiding 4 Psychiatrische aandoeningen en kinderwens of

Nadere informatie

Zwangerschap en bipolaire stoornis avontuur voor patient en behandelaar. Anja Stevens

Zwangerschap en bipolaire stoornis avontuur voor patient en behandelaar. Anja Stevens Zwangerschap en bipolaire stoornis avontuur voor patient en behandelaar Anja Stevens 14 december 2013 Inhoud Inleiding Kinderwens Zwangerschap Bevalling Kraambed en daarna Zwangerschapsplan Vaders Take

Nadere informatie

- 172 - Prevention of cognitive decline

- 172 - Prevention of cognitive decline Samenvatting - 172 - Prevention of cognitive decline Het percentage ouderen binnen de totale bevolking stijgt, en ook de gemiddelde levensverwachting is toegenomen. Vanwege deze zogenaamde dubbele vergrijzing

Nadere informatie

Chapter 10 Samenvatting

Chapter 10 Samenvatting Chapter 10 Samenvatting Chapter 10 De laatste jaren is de mortaliteit bij patiënten met psychotische aandoeningen gestegen terwijl deze in de algemene populatie per leeftijdscategorie is gedaald. Een belangrijke

Nadere informatie

hoofdstuk 3 Hoofdstuk 4 Hoofdstuk 5

hoofdstuk 3 Hoofdstuk 4 Hoofdstuk 5 SAMENVATTING 117 Pas kortgeleden is aangetoond dat ADHD niet uitdooft, maar ook bij ouderen voorkomt en nadelige gevolgen kan hebben voor de patiënt en zijn omgeving. Er is echter weinig bekend over de

Nadere informatie

Cover Page. The handle http://hdl.handle.net/1887/21978 holds various files of this Leiden University dissertation.

Cover Page. The handle http://hdl.handle.net/1887/21978 holds various files of this Leiden University dissertation. Cover Page The handle http://hdl.handle.net/1887/21978 holds various files of this Leiden University dissertation. Author: Goeij, Moniek Cornelia Maria de Title: Disease progression in pre-dialysis patients:

Nadere informatie

Take-home toets klinisch redeneren 2

Take-home toets klinisch redeneren 2 Take-home toets klinisch redeneren 2 Naam: Sanne Terpstra Studentnummer: 500646500 Klas: 1F2 Datum: 23-01-2012 Deel 1: Casus Mevrouw Alberts is een 81 jarige weduwe. Haar man is 5 maanden geleden overleden

Nadere informatie

Elektroconvulsie therapie. Een behandeling bij ernstige psychiatrische aandoeningen. Informatie voor verwijzers

Elektroconvulsie therapie. Een behandeling bij ernstige psychiatrische aandoeningen. Informatie voor verwijzers Elektroconvulsie therapie Een behandeling bij ernstige psychiatrische aandoeningen Informatie voor verwijzers Effectieve behandelmethode Elektroconvulsie therapie (ECT) passen we toe bij mensen met specifieke

Nadere informatie

SAMENVATTING. Samenvatting

SAMENVATTING. Samenvatting SAMENVATTING. 167 Met de komst van verpleegkundigen gespecialiseerd in palliatieve zorg, die naast de huisarts en verpleegkundigen van de thuiszorg, thuiswonende patiënten bezoeken om te zorgen dat patiënten

Nadere informatie

Factoren in de relatie tussen angstige depressie en het risico voor hart- en vaatziekten

Factoren in de relatie tussen angstige depressie en het risico voor hart- en vaatziekten Factoren in de relatie tussen angstige depressie en het risico voor hart- en vaatziekten In dit proefschrift werd de relatie tussen depressie en het risico voor hart- en vaatziekten onderzocht in een groep

Nadere informatie

MAPPING STUDIE. Anne van den Brink. Specialist Ouderengeneeskunde, Junior Onderzoeker

MAPPING STUDIE. Anne van den Brink. Specialist Ouderengeneeskunde, Junior Onderzoeker MAPPING STUDIE Anne van den Brink Specialist Ouderengeneeskunde, Junior Onderzoeker UKON symposium 7 april 2016 A study on the characteristics, care needs and quality of life of patients with both Mental

Nadere informatie

Dementie per leeftijdscategorie 6-1-2010. Dementie Dementiesyndroom. = ontgeesting. Omvang dementie in Nederland. Matthieu Berenbroek

Dementie per leeftijdscategorie 6-1-2010. Dementie Dementiesyndroom. = ontgeesting. Omvang dementie in Nederland. Matthieu Berenbroek Dementie Dementiesyndroom de-mens = ontgeesting Matthieu Berenbroek Fontys Hogeschool Verpleegkunde Omvang dementie in Nederland 2005 180.000 / 190.000 dementerenden 2050 400.000 dementerenden Bron CBO

Nadere informatie

Patiënteninformatie. Acuut optredende verwardheid. (delier) Acuut optredende verwardheid (delier)

Patiënteninformatie. Acuut optredende verwardheid. (delier) Acuut optredende verwardheid (delier) Patiënteninformatie Acuut optredende verwardheid (delier) Acuut optredende verwardheid (delier) 1 Acuut optredende verwardheid (delier) Intensive Care, route 3.3 Telefoon (050) 524 6540 Inleiding Uw familielid

Nadere informatie

Dit proefschrift presenteert de resultaten van het ALASCA onderzoek wat staat voor Activity and Life After Survival of a Cardiac Arrest.

Dit proefschrift presenteert de resultaten van het ALASCA onderzoek wat staat voor Activity and Life After Survival of a Cardiac Arrest. Samenvatting 152 Samenvatting Ieder jaar krijgen in Nederland 16.000 mensen een hartstilstand. Hoofdstuk 1 beschrijft de achtergrond van dit proefschrift. De kans om een hartstilstand te overleven is met

Nadere informatie

het psychisch functioneren van de ouder, de tevredenheid van de ouders met de (huwelijks)relatie en de gezinscommunicatie. Een beter functioneren van

het psychisch functioneren van de ouder, de tevredenheid van de ouders met de (huwelijks)relatie en de gezinscommunicatie. Een beter functioneren van 9 Samenvatting 173 174 9 Samenvatting Kanker is een veel voorkomende ziekte. In 2003 werd in Nederland bij meer dan 72.000 mensen kanker vastgesteld. Geschat wordt dat het hier in 9.000 gevallen om mensen

Nadere informatie

Iedereen ervaart wel eens lichamelijke klachten. Soms is hiervoor een duidelijke oorzaak, zoals een beschadiging of een ontsteking, maar vaak is er ge

Iedereen ervaart wel eens lichamelijke klachten. Soms is hiervoor een duidelijke oorzaak, zoals een beschadiging of een ontsteking, maar vaak is er ge LEKENSAMENVATTING Iedereen ervaart wel eens lichamelijke klachten. Soms is hiervoor een duidelijke oorzaak, zoals een beschadiging of een ontsteking, maar vaak is er geen duidelijke medische verklaring

Nadere informatie

AGED: Amsterdam Groningen Elderly Depression Study

AGED: Amsterdam Groningen Elderly Depression Study AGED: Amsterdam Groningen Elderly Depression Study Angst en depressie bij verpleeghuisbewoners; prevalentie en risico indicatoren Lineke Jongenelis Martin Smalbrugge EMGO, onderzoeksprogramma common mental

Nadere informatie

Gezond ouder met een verstandelijke beperking: specialistische zorg voor hoog-risicogroepen

Gezond ouder met een verstandelijke beperking: specialistische zorg voor hoog-risicogroepen Gezond ouder met een verstandelijke beperking: specialistische zorg voor hoog-risicogroepen Prof Dr Heleen Evenhuis Geneeskunde voor verstandelijk gehandicapten Afd Huisartsgeneeskunde Erasmus MC Rotterdam

Nadere informatie

Azathioprine (Imuran) bij de ziekte van Crohn, colitis ulcerosa en auto-immuun hepatitis

Azathioprine (Imuran) bij de ziekte van Crohn, colitis ulcerosa en auto-immuun hepatitis Azathioprine (Imuran) bij de ziekte van Crohn, colitis ulcerosa en auto-immuun hepatitis Uw behandelend arts heeft met u gesproken over het gebruik van Azathioprine (Imuran). In deze folder krijgt u informatie

Nadere informatie

&Ons Tweede Thuis VOLWASSENEN

&Ons Tweede Thuis VOLWASSENEN &Ons Tweede Thuis VOLWASSENEN & & VOLWASSENEN Ondersteuning voor mensen met een beperking Heb je een beperking of heeft je zoon of dochter een beperking? Dan is wat ondersteuning soms erg welkom. Ons Tweede

Nadere informatie

Discussion Summary Samenvatting Dankwoord Curriculum Vitae

Discussion Summary Samenvatting Dankwoord Curriculum Vitae chapter 7 Discussion Summary Samenvatting Dankwoord Curriculum Vitae 140 chapter 7 SAMENVATTING De bipolaire stoornis (of manisch-depressieve stoornis) is een stemmingsstoornis waarin episodes van (hypo)manie

Nadere informatie

Delirium of delier (acuut optredende verwardheid)

Delirium of delier (acuut optredende verwardheid) Delirium of delier (acuut optredende verwardheid) In deze folder leest u wat een delirium is, wat de verschijnselen van een delirium zijn en leest u informatie over de behandeling en tips voor patiënten

Nadere informatie

Depressie. Meer dan een somber gevoel. Deze folder is voor doven en slechthorenden die meer willen weten over depressie

Depressie. Meer dan een somber gevoel. Deze folder is voor doven en slechthorenden die meer willen weten over depressie ggz voor doven & slechthorenden Depressie Meer dan een somber gevoel Deze folder is voor doven en slechthorenden die meer willen weten over depressie Herkent u dit? Iedereen is wel eens somber of treurig.

Nadere informatie

Wat te doen na een Prik of Snij-ongeval

Wat te doen na een Prik of Snij-ongeval Wat te doen na een Prik of Snij-ongeval Wat te doen na een Prik of Snij-ongeval in de St. Anna Zorggroep Voorlichtingsbrochure betreffende bloedoverdraagbare aandoeningen op en door het werk. Algemeen

Nadere informatie

Verstandelijke Beperking en Psychiatrie; praktijk richtlijnen

Verstandelijke Beperking en Psychiatrie; praktijk richtlijnen Verstandelijke Beperking en Psychiatrie; praktijk richtlijnen Congres Focus op Onderzoek, 22 juni 2015 Gerda de Kuijper, AVG/senior senior onderzoeker CVBP/UMCG Dederieke Festen AVG/senior onderzoeker

Nadere informatie

Doen bij Depressie. Module 3 Fase 4 - Behandelen. Medicamenteuze behandeling van depressie bij cliënten van verpleeghuizen.

Doen bij Depressie. Module 3 Fase 4 - Behandelen. Medicamenteuze behandeling van depressie bij cliënten van verpleeghuizen. Doen bij Depressie Module 3 Fase 4 - Behandelen Module 3 Medicamenteuze behandeling Bijlage 8 Medicamenteuze behandeling van depressie bij cliënten van verpleeghuizen Protocol gebaseerd op het Addendum

Nadere informatie

Terrorisme en dan verder Wat te doen na een aanslag?

Terrorisme en dan verder Wat te doen na een aanslag? Terrorisme en dan verder Wat te doen na een aanslag? Publieksversie Ga zo veel mogelijk door met uw normale dagelijkse activiteiten. Dat geeft u het gevoel dat u de baas bent over de situatie. Dit is ook

Nadere informatie

van de huidige praktijk, de ontwikkeling van een communicatiemodel en de evaluatie van dit model.

van de huidige praktijk, de ontwikkeling van een communicatiemodel en de evaluatie van dit model. Samenvatting 96 Samenvatting We wisten het al (ze lachte) maar tot dat je het zeker weet, hoop je op een andere verklaring voor zijn problemen, maar het was geen nieuws (mw. J. echtgenoot van Alzheimer

Nadere informatie

Stemmingsstoornissen. Els Ronsse. Psysense Oc br ebergiste. www.psysense.be

Stemmingsstoornissen. Els Ronsse. Psysense Oc br ebergiste. www.psysense.be Stemmingsstoornissen Els Ronsse Polikliniek PC Guislain Psysense Oc br ebergiste www.psysense.be Inleiding Stemmingsstoornissen bij V.G. zijn veel meer dan stoornissen in de stemming, ook in cognitie motivatie

Nadere informatie

Stemmingsstoornissen. Van DSM-IV-TR naar DSM-5. Johan van Dijk, klinisch psycholoog-psychotherapeut Max Güldner, klinisch psycholoog-psychotherapeut

Stemmingsstoornissen. Van DSM-IV-TR naar DSM-5. Johan van Dijk, klinisch psycholoog-psychotherapeut Max Güldner, klinisch psycholoog-psychotherapeut Stemmingsstoornissen Van DSM-IV-TR naar DSM-5 Johan van Dijk, klinisch psycholoog-psychotherapeut Max Güldner, klinisch psycholoog-psychotherapeut Inhoud Veranderingen in de DSM-5 Nieuwe classificaties

Nadere informatie

Hepatitis B Inleiding Hepatitis A Preventie hepatitis B Preventie hepatitis A

Hepatitis B Inleiding Hepatitis A Preventie hepatitis B Preventie hepatitis A Naast deze infokaart over hepatitis zijn er ook infokaarten beschikbaar over: infectieziekten algemeen, tuberculose, seksueel overdraagbare aandoeningen, jeugd en onveilig vrijen en jeugd en vaccinatie.

Nadere informatie

Depressie bij ouderen Herstel als voorwaarde voor rehabilitatie?

Depressie bij ouderen Herstel als voorwaarde voor rehabilitatie? Depressie bij ouderen Herstel als voorwaarde voor rehabilitatie? Rob Kok, psychiater, epidemioloog Parnassia Bavo Groep Den Haag Waarom rehabilitatie? Eerherstel van wie? Over welke ouderen hebben we het

Nadere informatie

DE PROCEDURE DE FEITEN

DE PROCEDURE DE FEITEN Klachtencommissie Huisartsenzorg Midden-Nederland Uitspraak januari 2013 Kern: te late doorverwijzing bij verhoogde ASAT en ALAT waarden Klager verwijt de huisarts dat hij hem te laat heeft doorverwezen

Nadere informatie

Depressieve symptomen bij verpleeghuiscliënten

Depressieve symptomen bij verpleeghuiscliënten Doen bij Depressie zorgprogramma Informatiefolder voor afdelingsmedewerkers Depressieve symptomen bij verpleeghuiscliënten Folder 2 Inleiding Deze folder is bedoeld voor afdelingsmedewerkers die betrokken

Nadere informatie

Tevredenheidsonderzoek onder mensen met een manisch depressieve stoornis en hun betrokkenen

Tevredenheidsonderzoek onder mensen met een manisch depressieve stoornis en hun betrokkenen Tevredenheidsonderzoek onder mensen met een manisch depressieve stoornis en hun betrokkenen Patiënt redelijk tevreden, maar snelheid en betrokkenheid bij behandeling kan beter Index 1. Inleiding 2. Onderzoeksmethode

Nadere informatie

NIEUWE EUROPESE RICHTLIJN VOOR PREVENTIE, DETECTIE EN BEHANDELING VAN DEPRESSIE IN

NIEUWE EUROPESE RICHTLIJN VOOR PREVENTIE, DETECTIE EN BEHANDELING VAN DEPRESSIE IN NIEUWE EUROPESE RICHTLIJN VOOR PREVENTIE, DETECTIE EN BEHANDELING VAN DEPRESSIE IN PALLIATIEVE ZORG Referentie. Rayner, L., Price, A., Hotopf, M., Higginson, I.J. (2011). The development of evidencebased

Nadere informatie

Depressies en angststoornissen - Net zo vaak samen als apart. Prof.dr. W.A. Nolen UMC Groningen

Depressies en angststoornissen - Net zo vaak samen als apart. Prof.dr. W.A. Nolen UMC Groningen Depressies en angststoornissen - Net zo vaak samen als apart Prof.dr. W.A. Nolen UMC Groningen NESDA - Verschillende cohorten Vanuit NEMESIS (303) Vanuit ARIADNE (261) 1 e lijn (1611) Met huidige depressie/angststoornis

Nadere informatie

De Week gaat van start met de Breingeindag op maandag 26 maart 2012 in t Veerhuis te Nieuwegein.

De Week gaat van start met de Breingeindag op maandag 26 maart 2012 in t Veerhuis te Nieuwegein. Op zoek naar waardevolle contacten De werkgroep Week van de Psychiatrie organiseert van 26 tot en met 31 maart 2012 de 38e Week van de Psychiatrie. Het thema van de Week van de Psychiatrie 2012 is Contact

Nadere informatie

Hyperacusis vanuit psychiatrisch perspectief: diagnostiek en psychofarmacologische behandeling Ines Sleeboom-van Raaij consulent-psychiater

Hyperacusis vanuit psychiatrisch perspectief: diagnostiek en psychofarmacologische behandeling Ines Sleeboom-van Raaij consulent-psychiater Hyperacusis vanuit psychiatrisch perspectief: diagnostiek en psychofarmacologische behandeling Ines Sleeboom-van Raaij consulent-psychiater 24 april 2014 Jaarvergadering KNO en HHH Disclosures Geen Hyperacusis

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting

Nederlandse samenvatting Cannabisgebruik en stoornissen in het gebruik van cannabis in de adolescentie en jongvolwassenheid. Cannabis is wereldwijd een veel gebruikte drug. Het gebruik van cannabis is echter niet zonder consequenties:

Nadere informatie

Marrit-10-H10 24-06-2008 11:05 Pagina 131. chapter 10 samenvatting

Marrit-10-H10 24-06-2008 11:05 Pagina 131. chapter 10 samenvatting Marrit-10-H10 24-06-2008 11:05 Pagina 131 chapter 10 samenvatting Marrit-10-H10 24-06-2008 11:05 Pagina 132 Marrit-10-H10 24-06-2008 11:05 Pagina 133 Zaadbalkanker wordt voornamelijk bij jonge mannen vastgesteld

Nadere informatie

De geriatrische patiënt op de SEH. SEH onderwijsdag Sigrid Wittenberg, aios klinische geriatrie

De geriatrische patiënt op de SEH. SEH onderwijsdag Sigrid Wittenberg, aios klinische geriatrie De geriatrische patiënt op de SEH SEH onderwijsdag Sigrid Wittenberg, aios klinische geriatrie Relevante onderwerpen Delier Symptoomverarming Medicatie op de SEH Duur aanwezigheid patiënt op de SEH Delier

Nadere informatie

Grensoverschrijdend gedrag. Les 2: inleiding in de psychopathologie

Grensoverschrijdend gedrag. Les 2: inleiding in de psychopathologie Grensoverschrijdend gedrag Les 2: inleiding in de psychopathologie Programma Psychopathologie; wat is het? Algemene functionele psychopathologie DSM Psychopathologie = Een onderdeel van de psychiatrie

Nadere informatie

Preventie van depressie bij adolescenten: wat is de beste weg? Dr. Daan Creemers Gz-psycholoog/onderzoekscoordinator K&J GGZ Oost Brabant

Preventie van depressie bij adolescenten: wat is de beste weg? Dr. Daan Creemers Gz-psycholoog/onderzoekscoordinator K&J GGZ Oost Brabant Preventie van depressie bij adolescenten: wat is de beste weg? Dr. Daan Creemers Gz-psycholoog/onderzoekscoordinator K&J GGZ Oost Brabant Film: fragmenten Iedereen depressief (VPRO) Wat is een depressie?

Nadere informatie

Postpartum psychiatrie op de moeder-baby unit

Postpartum psychiatrie op de moeder-baby unit Oprichtingssymposium LKPZ 9 september 2010, Corpus, Oegstgeest Postpartum psychiatrie op de moeder-baby unit Kathelijne Koorengevel, psychiater Monica Ouwens, dans- en bewegingstherapeut Afdeling Psychiatrie

Nadere informatie

Kennislacunes NHG-Standaard Depressie

Kennislacunes NHG-Standaard Depressie Kennislacunes Kennislacunes 1. Het nut van screening naar depressie bij mensen met een chronische somatische aandoening in de (noot 15-16). 2. De 4DKL als instrument om het verloop van de (ernst van de)

Nadere informatie

Inleiding Agenda van vandaag

Inleiding Agenda van vandaag Inleiding Agenda van vandaag Werkgebied GGD Deelname aan het ZAT Afname KIVPA vragenlijst Jongerenspreekuur op aanvraag (per mail aangevraagd) overleg mentoren, zorg coördinator en vertrouwenspersoon Preventief

Nadere informatie

Gezond ouder met een verstandelijke beperking: veranderde visie na het GOUD-onderzoek

Gezond ouder met een verstandelijke beperking: veranderde visie na het GOUD-onderzoek Gezond ouder met een verstandelijke beperking: veranderde visie na het GOUD-onderzoek Prof Dr Heleen Evenhuis Geneeskunde voor verstandelijk gehandicapten Afd Huisartsgeneeskunde Erasmus MC Rotterdam Inleiding

Nadere informatie

De kinder- en jeugdpsycholoog in het ziekenhuis

De kinder- en jeugdpsycholoog in het ziekenhuis PSYCHOLOGIE De kinder- en jeugdpsycholoog in het ziekenhuis Uw kind is door een medisch specialist van het Laurentius Ziekenhuis verwezen naar de afdeling Medische Psychologie. Deze folder geeft informatie

Nadere informatie

Vroegsignalering bij dementie

Vroegsignalering bij dementie Vroegsignalering bij dementie Docentenhandleiding voor mbo-zorg onderwijs en bijscholing Docentenhandleiding voor mbo-zorg onderwijs en bijscholing Contact: Connie Klingeman, Hogeschool Rotterdam c.a.klingeman@hr.nl

Nadere informatie

Inhoud Dementie: Symptomen en vroegsignalering

Inhoud Dementie: Symptomen en vroegsignalering Inhoud Dementie: Symptomen en vroegsignalering Marian Maaskant Stg. Pergamijn Universiteit Maastricht / GKC Rianne Meeusen Geestelijke Gezondheidszorg Eindhoven en De Kempen Marian Maaskant Casus Wat is

Nadere informatie

Doen bij Depressie Alzheimer café Maarheeze, 11 juni 2014. Dr. Roeslan Leontjevas

Doen bij Depressie Alzheimer café Maarheeze, 11 juni 2014. Dr. Roeslan Leontjevas Doen bij Depressie Alzheimer café Maarheeze, 11 juni 2014 Dr. Roeslan Leontjevas Doen bij Depressie: effectief depressie aanpakken Dr. Roeslan Leontjevas - psycholoog - onderzoek aan Radboud Universitair

Nadere informatie

Onderzoek Communicatie: Assessment en interventie van perceptieve en productieve functiestoornissen bij volwassenen met een verstandelijke beperking

Onderzoek Communicatie: Assessment en interventie van perceptieve en productieve functiestoornissen bij volwassenen met een verstandelijke beperking Onderzoek Communicatie: Assessment en interventie van perceptieve en productieve functiestoornissen bij volwassenen met een verstandelijke beperking Prof. Dr. Ir. Ad Snik, Klinisch Fysicus en Audioloog,

Nadere informatie

Samenvatting voor de niet medisch onderlegde lezer

Samenvatting voor de niet medisch onderlegde lezer Etnische verschillen in overleving bij dialysepatiënten in Europa. De rol van demografische, klinische en psychosociale factoren. Nieren hebben de belangrijke taak om afvalproducten en vocht uit het lichaam

Nadere informatie

Parkinsonismen Vereniging. Parkinson en Psychose

Parkinsonismen Vereniging. Parkinson en Psychose Parkinsonismen Vereniging Parkinson en Psychose Inhoudsopgave Inleiding 4 Psychose 4 Oorzaak 5 Door de ziekte van Parkinson 5 Door het gebruik van anti-parkinsonmedicatie 5 Door een lichamelijke aandoening

Nadere informatie

The NEMO-1 study. Informatie voor ouders. Neonatal seizure treatment study Studie naar de behandeling van convulsies ( stuipen ) bij baby s

The NEMO-1 study. Informatie voor ouders. Neonatal seizure treatment study Studie naar de behandeling van convulsies ( stuipen ) bij baby s The NEMO-1 study Neonatal seizure treatment study Studie naar de behandeling van convulsies ( stuipen ) bij baby s Geachte ouders, NEMO-1 study NEonatal Seizure Treatment with Medication Off-patent: Dose-finding

Nadere informatie

Chapter 9 CHAPTER 9. Samenvatting

Chapter 9 CHAPTER 9. Samenvatting CHAPTER 9 Samenvatting 115 Kanker en behandelingen voor kanker kunnen grote invloed hebben op de lichamelijke gezondheid en het psychisch functioneren van mensen. Er is veel onderzoek gedaan naar de effectiviteit

Nadere informatie

Hoorzorg binnen een instelling

Hoorzorg binnen een instelling Hoorzorg binnen een instelling Ingrid Hertgers, logopedist/ M SEN logopedist s Heeren Loo Advisium Ermelo Marrianne van de Glind-Zwart, Logopedist/teamleider Pento AC Amersfoort s Heeren Loo Ermelo wonen

Nadere informatie

Wat te doen na een prik of snij-ongeval

Wat te doen na een prik of snij-ongeval Wat te doen na een prik of snij-ongeval Wat te doen na een Prik of Snij-ongeval in de St. Anna Zorggroep Voorlichtingsfolder betreffende bloedoverdraagbare aandoeningen op en door het werk. Algemeen Deze

Nadere informatie

De ziekte van Alzheimer. Diagnose

De ziekte van Alzheimer. Diagnose De ziekte van Alzheimer Bij dementie is er sprake van een globale achteruitgang van de cognitieve functies, zoals het geheugen of de taalfuncties. Deze achteruitgang leidt tot functionele beperkingen in

Nadere informatie

Dagbehandeling individueel aanvullend op dagbehandeling in groepsverband

Dagbehandeling individueel aanvullend op dagbehandeling in groepsverband Onderwerp: Samenvatting: Dagbehandeling individueel aanvullend op dagbehandeling in groepsverband Het onderwerp van dit geschil is of en zo ja, in welke situaties, een verzekerde aangewezen kan zijn op

Nadere informatie

Anogenitale Lichen Sclerosus. Leven met Anogenitale Lichen Sclerosus

Anogenitale Lichen Sclerosus. Leven met Anogenitale Lichen Sclerosus Anogenitale Lichen Sclerosus Leven met Anogenitale Lichen Sclerosus Inhoud Inleiding... 3 Hoe ziet Lichen Sclerosus eruit en wat zijn de klachten?... 3 Is Lichen Sclerosus besmettelijk?... 3 Waardoor wordt

Nadere informatie

Verstandelijke Beperking en Psychiatrie; praktijk richtlijnen

Verstandelijke Beperking en Psychiatrie; praktijk richtlijnen Verstandelijke Beperking en Psychiatrie; praktijk richtlijnen Congres Focus op Onderzoek, 22 juni 2015 Gerda de Kuijper, AVG/senior senior onderzoeker CVBP/UMCG Dederieke Festen AVG/senior onderzoeker

Nadere informatie

Kinkhoest is gevaarlijk voor zuigelingen en jonge kinderen

Kinkhoest is gevaarlijk voor zuigelingen en jonge kinderen Samenvatting Kinkhoest is gevaarlijk voor zuigelingen en jonge kinderen Kinkhoest is een gevaarlijke ziekte voor zuigelingen en jonge kinderen. Hoe jonger het kind is, des te vaker zich restverschijnselen

Nadere informatie

TRANSMURAAL PROTOCOL PSYCHIATRIE Herziene versie mei/juni 2009.

TRANSMURAAL PROTOCOL PSYCHIATRIE Herziene versie mei/juni 2009. TRANSMURAAL PROTOCOL PSYCHIATRIE Herziene versie mei/juni 2009. Werkafspraken De afdeling psychiatrie, gevestigd in het Academisch Psychiatrisch Centrum van het AMC, kent 4 zorglijnen: 1. Acute zorg 2.

Nadere informatie

Informatie voor Familieleden omtrent Psychose. InFoP 2. Inhoud

Informatie voor Familieleden omtrent Psychose. InFoP 2. Inhoud Informatie voor Familieleden omtrent Psychose InFoP 2 Inhoud Introductie Module I: Wat is een psychose? Module II: Psychose begrijpen? Module III: Behandeling van psychose de rol van medicatie? Module

Nadere informatie

Door dwang gegijzeld. (Laat-begin) obsessieve-compulsieve stoornis bij Ouderen. Roos C. van der Mast

Door dwang gegijzeld. (Laat-begin) obsessieve-compulsieve stoornis bij Ouderen. Roos C. van der Mast Door dwang gegijzeld (Laat-begin) obsessieve-compulsieve stoornis bij Ouderen Roos C. van der Mast OCS bij ouderen De obsessieve-compulsieve stoornis is een persisterende en stabiele diagnose die zelden

Nadere informatie