De Nederlandse BV als een vaste inrichting van een buitenlandse vennootschap

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "De Nederlandse BV als een vaste inrichting van een buitenlandse vennootschap"

Transcriptie

1 De Nederlandse BV als een vaste inrichting van een buitenlandse vennootschap Rashmi Gangaram Panday Semester 2, studiejaar 2008/2009 Juli 2009 Bachelorscriptie Begeleider : dhr. mr. drs. W.A.P. Nieuwenhuizen 1

2 Inhoudsopgave 1 Inleiding / 3 2 Praktijk geschil en Probleemstelling / Praktijk geschil / Standpunten van de belastinginspecteur / Probleemstelling / 6 3 Regelgeving en Jurisprudentie / De BTW-richtlijn / De Wet / Het Besluit / Jurisprudentie / 10 4 Belang van de vaste inrichting in de praktijk / Praktisch belang / Registratie en aangifte / Verschuldigdheid / Belasting structuren / 13 5 Wanneer kan een BV een vaste inrichting vormen van een buitenlandse vennootschap? / HvJ DFDS arrest / Gelieerdheid / Ratio legis / 20 6 Aanpassing van de BTW-richtlijn / 21 7 Conclusie / 22 Bibliografie / 24 2

3 1. Inleiding Het onderwerp van de scriptie is de vaste inrichting in de BTW. De basis voor deze scriptie is een praktijk geschil, waarin een verschil van mening bestaat over het begrip vaste inrichting. Nu er geen definitie van het begrip vaste inrichting is opgenomen in de Wet Omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) is het niet makkelijk om aan te geven wanneer er precies sprake is van een vaste inrichting. Het is belangrijk te weten wanneer er sprake is van een vaste inrichting, omdat het wel of niet aanwezig zijn van de vaste inrichting van belang is bij de bepaling van de plaats van dienst. Ook is het belangrijk om tot de conclusie te komen wie de belasting verschuldigd is. Zoals is aangegeven ontbreekt er een definitie in de Wet OB, maar ook in de BTW-richtlijn. Doordat er geen definitie is is er vaak onduidelijkheid of er wel of geen vaste inrichting is en ook wat betreft de plaatsbepaling van de dienst. Er zijn diverse vragen gesteld aan het Hof van Justitie EG over de vaste inrichting en wat daaronder moet worden verstaan. Uit de jurisprudentie blijkt dat een vaste inrichting een fysieke constructie is die duurzaam ter beschikking staat van een onderneming en ten behoeve van die onderneming ondernemingsactiviteiten verricht. In het praktijk geschil stelt de belastinginspecteur dat een besloten vennootschap (hierna: BV) een vaste inrichting vormt van een Limited (hierna: Ltd.), terwijl de BV het tegenovergestelde meent. De BV is gevestigd in Nederland en de Ltd. in St. Maarten. Volgens de belastinginspecteur vallen de diensten op grond van de hoofdregel van artikel 6, eerste lid van de Wet OB 1968 verricht door de BV aan de Ltd. in de Nederlandse BTW-heffing. De BV deelt deze mening niet en vindt dat zij geen vaste inrichting kan vormen van de Ltd. De BV verricht advies en reclame diensten, welke prestaties op grond van artikel 6, tweede lid onderdeel d van de Wet OB niet in Nederland belastbaar zijn. Het gaat in deze situatie duidelijk om het begrip vaste inrichting en de betekenis ervan. Het geschil valt te vergelijken met het arrest van het Hof van Justitie EG 20 februari 1997, C-260/95 (DFDS A/S). Uit dit arrest bleek dat een dochtervennootschap van een buitenlandse vennootschap wel een vaste inrichting kan zijn. In het DFDS arrest is er gelieerdheid, een duidelijke moeder-dochterrelatie. Deze gelieerdheid komt niet voor in de casus tussen de BV en de Ltd., hier zijn ze verbonden via een privé persoon die een minderheidsbelang heeft in de BV. Het is in dit geval onduidelijk op welke 3

4 gronden de BV een vaste inrichting vormt van de Ltd. Er is namelijk geen verband tussen beide ondernemingen. De hoofdvraag in deze scriptie luidt: onder welke omstandigheden kan een BV in Nederland een vaste inrichting vormen van een buitenlandse vennootschap? Om de hoofdvraag te beantwoorden wordt in hoofdstuk 2 de casus uitgelegd en worden de standpunten van de belastinginspecteur aangegeven. Ook komt de probleemstelling aan de orde. Hoofdstuk 3 is het theoretische gedeelte. In dit hoofdstuk wordt het begrip vaste inrichting uitgelegd volgens de regelgeving en jurisprudentie. De vaste inrichting in de wet, richtlijn en besluit wordt behandeld en ook aan de hand van jurisprudentie. Uit de jurisprudentie zal het arrest DFDS A/S van het Hof van Justitie EG en het arrest Fiscale eenheid HR 14 juni 2002, nr , BNB 2002/287 worden besproken. Het belang van de vaste inrichting in de praktijk komt in hoofdstuk 4. De vraag of een BV een vaste inrichting kan vormen van een buitenlandse vennootschap wordt met behulp van het DFDS A/S arrest, de gelieerdheid en ratio legis beantwoord in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 wordt gekeken of een aanpassing in de BTW-richtlijn nodig is voor het begrip vaste inrichting. De scriptie wordt afgesloten met een conclusie.. 2 Praktijk geschil en probleemstelling 2.1 Praktijk geschil Het geschil gaat om de plaatsbepaling van de diensten verricht door een BV aan een Ltd. De BV is gevestigd in Nederland, en de Ltd. in St.Maarten. De Ltd. is een houdster en investeringsmaatschappij. De Ltd. heeft zelf ook nog belang in ondernemingen die zowel binnen als buiten de Europese Unie (hierna: EU) zijn gevestigd. Een natuurlijk persoon heeft een belang van minder dan 50% in de BV en heeft hij ook een belang in de Ltd. Hoe groot het belang in de Ltd. is is niet bekend. De BV zelf heeft geen belang in de Ltd. en ook niet omgekeerd. De enige gelieerdheid tussen de twee vennootschappen is de natuurlijke persoon. Hij heeft immers in beide vennootschappen een belang. De BV heeft een netwerk van consultants en contacten met potentiële investeerders wereldwijd. Met behulp van dit netwerk en contacten probeert de BV investeerders te werven voor de ondernemingen van de Ltd. Ook biedt de BV hulp bij het opzetten van wenselijke vennootschappelijk investeringsstructuren. De BV verricht 4

5 advies en reclame diensten aan de Ltd. en doet zelf niet aan investeringen. De BV heeft van de Ltd. voor het werven en managen van investeerders een consultancyfee ontvangen. Op de facturen van de consultancyfee aan de Ltd. is geen omzetbelasting in rekening gebracht. De BV heeft geen BTW in rekening gebracht, omdat zij van mening is dat de advies en reclame diensten op grond van artikel 6, tweede lid onderdeel d, ten tweede, Wet OB en op grond van artikel 6, tweede lid onderdeel d, ten derde, Wet OB plaats vinden in het land waar de afnemer is gevestigd dan wel een vaste inrichting heeft waar de dienst wordt verricht. In dit geval is dat niet Nederland maar St. Maarten Standpunten van de belastinginspecteur Voor de diensten verricht door de BV aan de Ltd. zijn facturen zonder BTW verzonden. De BTW-heffing vindt op deze manier niet plaats in Nederland, maar in het buitenland. Het eerste standpunt van de belastinginspecteur is dat er omzetbelasting op de facturen had moeten staan aangezien naar zijn inzicht de diensten in Nederland belastbaar zijn. De belastinginspecteur is het niet eens met de stelling van de BV dat de diensten niet in Nederland belastbaar zijn. Van de diensten op grond van artikel 6, tweede lid onderdeel d, ten tweede en ten derde, van de Wet OB is er in dit geval geen sprake. Dit omdat het voor diensten geldt die hoofdzakelijk en gewoonlijk verricht worden in het kader van vrije beroepen. Van soortgelijke diensten is er slechts sprake als deze hetzelfde doel hebben als de genoemde diensten. Volgens de inspecteur is er sprake van één dienst, namelijk een complex van diensten dat in economisch opzicht één geheel vormt. Het gaat hier om meer dan alleen advisering, zodat men niet kan spreken van diensten in de zin van artikel 6, tweede lid onderdeel d, ten derde, Wet OB. Het gaat in dit geval om diensten betreffende het werven van investeerders, het leggen van contacten met investeerders en het opzetten van investeringsstructuren. Er is hier geen sprake van diensten welke gewoonlijk en hoofdzakelijk in het kader van de in artikel 6, tweede lid onderdeel d, ten derde, Wet OB genoemde beroepen worden verricht. De inspecteur is van mening dat over een dienst in de zin van artikel 6, tweede lid onderdeel d, ten derde, Wet OB geen sprake is en dat het ook niet aannemelijk is dat een andere uitzondering van toepassing is. Hierdoor is de algemene regel van artikel 6, eerste lid, van de Wet OB van toepassing en is de plaats van dienst Nederland en vallen 5

6 de diensten in de Nederlandse BTW-heffing. Het tweede standpunt dat wordt ingenomen door de inspecteur is dat de afnemer van de diensten, de Ltd., niet buiten de EU gevestigd is en dat er sprake is van een vaste inrichting in Nederland. De BV vormt de vaste inrichting van Ltd. in Nederland. En ook hierdoor is de plaats van dienst in Nederland. Dit geldt voor zowel de algemene regel als de diensten genoemd in artikel 6, tweede lid onderdeel d, Wet OB. Doordat de inspecteur de BV ziet als vaste inrichting van de Ltd. maakt het niet uit onder welke regel de diensten vallen. De aanwezigheid van de vaste inrichting zorgt ervoor dat de diensten in zowel de hoofdregel van artikel 6, eerste lid, Wet OB als uitzondering van artikel 6, tweede lid onderdeel d, Wet OB vallen in de Nederlandse BTW-heffing. 2.2 Probleemstelling Het tweede standpunt van de inspecteur dat de BV een vaste inrichting is van de Ltd., wordt volgens de BV door de inspecteur niet onderbouwd en heeft het geen steun in de regelgeving, jurisprudentie en beleid. De jurisprudentie en het besluit van de Staatssecretaris geven uitleg over het begrip vaste inrichting, maar aan de hand daarvan kunnen de werkzaamheden van de BV voor de Ltd. geen vaste inrichting te weeg brengen. De belastingadviseur vindt dit in strijd te zijn met de jurisprudentie. Het probleem in het geschil is het begrip vaste inrichting. De BV wordt door de inspecteur gezien als de vaste inrichting van de Ltd. Een duidelijke definitie van het begrip is er niet. In de BTW-richtlijn en in de Wet OB is er geen definitie is opgenomen. Het begrip vaste inrichting is van belang voor de plaatsbepaling van de dienst en waar de dienst moet worden belast. Het is in dit geval onduidelijk op welke gronden de inspecteur de BV als vaste inrichting beschouwd van de Ltd. Uit het DFDS arrest van het Hof van Justitie 1 valt af te leiden dat een dochtervennootschap van een buitenlandse vennootschap wel een vaste inrichting kan zijn. In dat arrest bestond er ook een duidelijke gelieerdheid. De buitenlandse vennootschap had 100% belang in de dochtervennootschap. Er was een relatie tussen die twee vennootschappen. In de behandelde casus is er geen sprake van gelieerdheid. Het standpunt van de inspecteur valt daarom te betwijfelen. Er zal daarom gekeken worden naar de wijze waarop het 1 HvJ EG 20 februari 1997,C-260/95. 6

7 begrip vaste inrichting in de jurisprudentie vorm heeft gekregen. Op deze manier zal gekeken worden op welke gronden de BV wel of geen vaste inrichting kan zijn van de Ltd. 3 Regelgeving en Jurisprudentie Het begrip vaste inrichting heeft een belangrijke plaats in de boven geschetste casus. Om een idee te krijgen wat er met een vaste inrichting wordt bedoeld zal het begrip worden uitgelegd naar de vorm die het heeft gekregen in de BTW-richtlijn, de Wet OB, het Besluit en de jurisprudentie van het Hof van Justitie EG De BTW-richtlijn De vaste inrichting is van belang bij de plaatsbepaling van de dienst. Om ervoor te zorgen dat buitenlandse ondernemers op dezelfde manier in de BTW worden behandelt als binnenlandse ondernemers wordt het begrip vaste inrichting gehanteerd. Het moet dan wel zo zijn dat de buitenlandse ondernemers op dezelfde manier optreden als de in het binnenland gevestigde ondernemers. 2 In de BTW-richtlijn is geen bepaling opgenomen die het begrip vaste inrichting definieert. De richtlijn is van toepassing voor alle lidstaten van de EU. Elke lidstaat is verplicht deze te implementeren in eigen wetgeving. Het begrip vaste inrichting heeft in veel landen geen definitie gekregen. Het zou een mogelijkheid kunnen zijn om een definitie van de vaste inrichting op te nemen in de BTW-richtlijn en dat de lidstaten het naar eigen wet en regelgeving uitleggen. Het begrip komt in diverse artikelen van de richtlijn voor. Artikel 43 en artikel 56 van de BTW-richtlijn zijn belangrijk voor de plaatsbepaling van een dienst. Artikel 43 van de richtlijn is terug te vinden in artikel 6, eerste lid van de Wet OB en artikel 56 in artikel 6,tweede lid van de Wet OB. Een definitie echter ontbreekt. Er is wel geprobeerd een omschrijving voor het begrip vast te leggen in de BTW-richtlijn. In het boek Het concern in de BTW haalt Van Norden aan dan in het voorstel voor de Negentiende richtlijn de vaste inrichting omschreven wordt als elke vaste inrichting van een belastingplichtige, ook indien daar geen belastbare handelingen worden verricht. 2 Van Hilten & Van Kesteren 2007, p. 78 7

8 Het voorstel is ingetrokken op 24 november Volgens Van Norden vindt de Europese Commissie het niet eenvoudig om het begrip vaste inrichting uit te leggen. De Commissie vindt een definitie opnemen in de BTW-richtlijn niet nodig omdat het de uitleg van het HvJ EG acceptabel vindt. 3 Een inrichting waar geen activiteiten worden ontplooid zou ook als vaste inrichting kunnen worden aangemerkt op grond van de betekenis in het voorstel van de Negentiende richtlijn. 4 Deze uitleg blijkt echter niet juist te zijn aangezien het verrichten van een economische activiteit belangrijk is om als belastingplichtige op grond van artikel 7 Wet OB te kwalificeren. 3.2 De Wet In de Wet OB is er ook geen artikel dat het begrip vaste inrichting uitlegt, maar wordt wel genoemd in belangrijke artikelen voor de plaatsbepaling zoals artikel 6, eerste lid, Wet OB en artikel 6, tweede lid, Wet OB. Artikel 6, eerste lid, Wet OB is van toepassing indien de dienstverrichter in Nederland woont of gevestigd is dan wel in Nederland een vaste inrichting heeft van waaruit de dienst wordt verricht. De dienst wordt dan in Nederland belast. Op grond van artikel 6, tweede lid, Wet OB worden diensten belast daar waar de afnemer woont of gevestigd is. Indien de dienstverrichter in Nederland een vaste inrichting heeft worden de diensten dan niet meer belast bij de afnemer, maar daar waar de dienstverrichter zijn vaste inrichting heeft, dus in Nederland. De aanwezigheid van het begrip vaste inrichting in beide artikelen heeft als gevolg dat het niet uit maakt waar een dienst wordt verricht als de dienstverrichter in Nederland een vaste inrichting heeft. De dienst wordt in beide gevallen belast in Nederland. Een betekenis van het begrip vaste inrichting is er echter niet, waardoor het moeilijk is vast te stellen wanneer er een vaste inrichting is en waar de dienst wordt belast. In het Besluit ter voorkoming dubbele belastingheffing wordt in artikel 2 de vaste inrichting omschreven als volgt: een duurzame inrichting van een onderneming met behulp waarvan de werkzaamheden van die onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend, daaronder begrepen de zetel van de leiding van de onderneming, landbouwgronden en werken waarvan de uitvoering langer dan twaalf maanden duurt. 5 Er moet dus enig verband tussen die twee zijn om te kunnen spreken over een vaste 3 Norden, 2007, p Van Eijk-Nagel, 2006, p Artikel 2, lid 1 Bvdb

9 inrichting. In de casus gaat het om twee zelfstandige ondernemingen. De een is geen bedrijfsdeel van de ander en ook niet omgekeerd. 3.3 Het Besluit In de Wet OB is geen definitie voor de vaste inrichting, maar er wordt hierover wel uitleg gegeven bij het Besluit van 8 oktober 2002, nr. DGB2002/5520M, V- N De vaste inrichting wordt omschreven als een duurzame geëxploiteerde bedrijfsinrichting van een ondernemer. De zetel van de bedrijfsuitoefening is gevestigd in het buitenland en vandaar uit worden prestaties tegenover derden verricht. Dit betekent dat een vaste inrichting haar werkzaamheden verricht als zelfstandige ondernemer als in de zin van artikel 7 van de Wet OB. Als vaste inrichting kan bijvoorbeeld worden aangemerkt een in Nederland gevestigde fabriek, werkplaats, verkoopruimte of een soortgelijke vestiging van een buitenlandse onderneming. Als de inrichting zich ten behoeve van de buitenlandse vestiging alleen bezig houdt met reclamedoeleinden, onderzoek of inwinnen en verstrekken van informatie kan die inrichting geen vaste inrichting zijn. Het houden van een goederendepot in Nederland door een buitenlandse ondernemer is geen vaste inrichting. Er is wel sprake van een vaste inrichting als een ondernemer in Nederland voor de buitenlandse ondernemer goederen in opslag en bewaargeving op zich neemt. Ook is er een vaste inrichting indien vanuit het goederendepot inkomende en uitgaande levering van goederen betrekkingen met de Nederlandse afnemers worden onderhouden. Een in Nederland gevestigde dochtervennootschap gevormd naar Nederlands recht van een in het buitenland gevestigde moedervennootschap moet worden beschouwd als afzonderlijke ondernemer binnen Nederland. In dit geval is er geen sprake van een vaste inrichting. 6 Volgens Van Eijk-Nagel kan van een vaste inrichting niet worden gesproken indien de taken van de inrichting van ondersteunende aard zijn van de buitenlandse vestiging. 7 6 Besluit 8 oktober 2002, nr. DGB2002/5520M, V-N Van Eijk-Nagel, 2006, p

10 3.4 Jurisprudentie In de jurisprudentie van het Hof van Justitie EG wordt uitleg gegeven over het begrip vaste inrichting. De uitleg lijkt veel op het Besluit van 8 oktober Arresten die een belangrijke rol innemen zijn het DFDS arrest en het ARO Lease arrest. Een ander belangrijk arrest is het grensoverschrijdende fiscale eenheid arrest van de HR 14 juni 2002, nr , BNB 2002/287. Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie EG kunnen vereisten worden afgeleid waaraan een vaste inrichting moet voldoen. Een vaste inrichting moet duurzaam over personeel en technische middelen beschikken die voor de desbetreffende dienstverrichtingen belangrijk zijn en het moet niet doelmatig zijn. 8 Uit het DFDS arrest 9 valt af te leiden dat een vaste inrichting niet alleen duurzaam moet zijn en moet beschikken over personeel en technische middelen, maar dat belangrijk is dat het personeel en technische middelen worden gebruikt ten behoeve van de diensten die in opdracht van de moedervennootschap worden verricht. Er moet dus sprake zijn van gelieerdheid. Uit dit arrest blijkt dat een zelfstandige onderneming een vaste inrichting kan zijn van een andere zelfstandige onderneming. Belangrijk is dat bij bepaling van de plaats van dienst moet worden uitgegaan van de meest nuttigste fiscale uitkomst. De uitkomst moet leiden tot een fiscaal rationele oplossing. Het is van belang om te kijken of de ene onderneming onafhankelijk is van de andere, namelijk de moedermaatschappij. Uit het arrest bleek dat de moedermaatschappij dat gevestigd was in Denemarken over 100% van het kapitaal in bezit had van de dochtermaatschappij gevestigd in het Verenigd Koninkrijk. De dochtermaatschappij had tegenover de moedermaatschappij een aantal verplichtingen. Het bleek dus dat de dochtermaatschappij slecht als assistent van de moedermaatschappij was te beschouwen. De dochtermaatschappij was dus niet onafhankelijk van de moedermaatschappij. In het Aro Lease BV arrest 10 geeft het Hof aan dat voor het aanwezig zijn van een vaste inrichting behalve het duurzaamheid vereiste er een geschikte structuur moet zijn waar zelfstandig diensten worden verricht. De vaste inrichting moet ook in staat zijn diensten te kunnen ontvangen, niet alleen te verrichten. 8 HvJ EG 4 juli 1985, 168/84. 9 HvJ EG 20 februari 1997, DFDS A/S,C-260/ HvJ EG 17 juli 1997, C-190/95. 10

11 In artikel 7, lid 4, Wet OB staat duidelijk dat een Nederlandse vaste inrichting deel kan uitmaken van een Nederlandse fiscale eenheid en dat de buitenlandse hoofdhuizen er buiten vielen. Buitenlandse natuurlijke personen of lichamen die in Nederland een vaste inrichting hebben kunnen geen fiscale eenheid vormen, maar kunnen wel als ondernemer voor de Wet OB worden aangemerkt. Ook in art. 11 van de BTW-richtlijn staat dat personen van elke lidstaat binnen het grondgebied van die lidstaat als één belastingplichtige kan worden aangemerkt. De onderdelen van de fiscale eenheid moeten voldoen aan de voorwaarde van financieel, economisch en organisatorisch verwevenheid. Een ander belangrijk arrest is het arrest over de grensoverschrijdende fiscale eenheid van de Hoge Raad. 11 Het ging in dit arrest om de vraag of buitenlandse hoofdhuizen tot de Nederlandse fiscale eenheid behoorden, of dat het alleen kon binnen het Nederlands grondgebied en of de onderlinge prestaties met BTW belastbaar zijn. In het arrest geeft de Hoge Raad aan dat de onderlinge prestaties binnen de fiscale eenheid niet onder de BTW-heffing vallen. Ook prestaties van vaste inrichtingen aan elkaar die gevestigd zijn in Nederland zijn niet onderworpen aan de BTW-heffing indien hun buitenlandse hoofdhuizen in het buitenland wel een fiscale eenheid vormen. De Hoge Raad geeft aan dat een buitenlandse vennootschap met een Nederlandse vaste inrichting als zodanig, dus de hoofdvestiging inbegrepen voor de Nederlandse omzetbelasting onderdeel is van een fiscale eenheid. Er is dus geen sprake van BTWheffing voor de prestaties tussen hoofdhuis en vaste inrichting. Er is ook geen sprake van BTW-heffing in het geval hoofdhuis en vaste inrichting beide in Nederland gevestigd zijn, maar geen fiscale eenheid vormen in de zin van artikel 7, lid 4, Wet OB. 4 Belang van de vaste inrichting in de praktijk De vaste inrichting is een duurzaam geëxploiteerde bedrijfsinrichting van een ondernemer die ten behoeve van die ondernemer prestaties tegenover derden verricht. De zetel van bedrijfsuitoefening van de ondernemer is gevestigd in het buitenland. De andere kenmerken van de vaste inrichting zijn uitgelegd in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 wordt het belang van de vaste inrichting behandeld. Paragraaf 4.1 gaat over de vaste 11 HR 14 juni 2002, nr , BNB 2002/

12 inrichting en de registratie in de praktijk, de aangifte, de plaatsbepaling van de toeleverancier en de verleggingsregeling. 4.1 Praktisch belang Registratie en aangifte De vaste inrichting is een onderdeel van een in het buitenland gevestigde onderneming, het hoofdhuis. De vaste inrichting wordt ook wel de secundaire vestiging genoemd. Elke ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet OB die prestaties verricht moet omzetbelasting betalen. De ondernemer moet zich melden bij de fiscus aangezien hij economische activiteiten verricht. Als de ondernemer in Nederland een vaste inrichting heeft dient de vaste inrichting zich aan te melden bij de fiscus. Indien de buitenlandse ondernemer in Nederland niet over een vaste inrichting beschikt en de verleggingsregeling niet van toepassing is, moet de buitenlandse ondernemer zelf de verschuldigde belasting aangeven en afdragen. Er is echter nog de keuzemogelijkheid voor een fiscaal vertegenwoordiger. De lidstaten kunnen zelf bepalen of in hun land voor het afdragen van BTW een fiscaal vertegenwoordiger nodig is. De fiscaal vertegenwoordiger handelt in de plaats van de ondernemer met betrekking tot alle rechten en verplichtingen die hij heeft betreffende de aangifte en de betaling van de belasting. 12 Deze regel is opgenomen in artikel 33a, eerste lid, Wet OB Verschuldigdheid De belasting is verschuldigd van degene die de levering of dienst verricht. Dit staat vast in artikel 12 eerste lid Wet OB. In artikel 12 het tweede en derde lid van de Wet OB worden twee uitzonderlingen genoemd op de hoofdregel van artikel 12 eerste lid Wet OB. De belasting kan in bepaalde gevallen worden geheven van degene aan wie de levering wordt verricht of dienst wordt verleend. De belastingschuld wordt dus verlegd en niet de dienst. Dit is de verleggingsregeling. Indien de plaats van dienst Nederland is en de buitenlandse dienstverrichtende ondernemer in Nederland niet over een vaste inrichting beschikt, wordt de belasting verschuldigdheid verlegd naar de plaats van de afnemer, namelijk naar de Nederlandse afnemende ondernemer. Indien de ondernemer 12 Van Hilten & Van Kesteren 2007, p

13 bijvoorbeeld een dienst verricht in Nederland als bedoeld in artikel 6 tweede lid, onderdeel d ten tweede Wet OB en wel beschikt over een vaste inrichting in Nederland kan de verschuldigdheid van belasting niet worden verlegd naar de afnemer. De belastingschuld blijft in dit geval bij de ondernemer met de vaste inrichting in Nederland. Een buitenlandse ondernemer kan geen Nederlandse BTW aan de Nederlandse afnemer in rekening brengen. Indien een Nederlandse ondernemer een dienst verricht voor een buitenlandse ondernemer en hij daar geen vaste inrichting heeft is de verleggingsregeling ook van toepassing. Op grond van artikel 196 BTW-richtlijn wordt de BTW verlegd van de Nederlander naar de buitenlandse afnemer. 4.2 Belasting structuren In de vorige paragraaf is gekeken naar het belang van de vaste inrichting in de prakrijk. Vaste inrichtingen kunnen verandering brengen in niet alleen de plaatsbepaling van de dienst, maar ook is het van belang wie de belasting moet betalen. Er zal nu worden gekeken naar de verschillende belasting structuren waarvan een vaste inrichting deel uit kan maken en wat de fiscale gevolgen hiervan zijn. Vennootschappen kunnen beschikken over vaste inrichtingen zowel in binnen als buitenland. Een vaste inrichting kan ook deel uitmaken van een fiscale eenheid. Op grond van artikel 7 vierde lid Wet OB moeten alle onderdelen van de fiscale eenheid zich bevinden in Nederland. Een grensoverschrijdende fiscale eenheid is niet mogelijk. Dit blijkt ook uit het arrest van de Hoge Raad van14 juni 2002, nr , BNB 2002/287. Volgens Scholten wordt in eerste instantie een vaste inrichting niet als een zelfstandig bedrijfsonderdeel van een concernvennootschap gezien. Het wordt beschouwd als een niet zelfstandig juridisch onderdeel van een rechtspersoon. De rechtspersoon kan gevestigd zijn in Nederland of het buitenland. 13 Uit het DFDS arrest 14 is echter gebleken dat een zelfstandige dochteronderneming onder bepaalde omstandigheden wel een vaste inrichting kan zijn de moederonderneming. In dit arrest trad de dochteronderneming op als assistent van die moederonderneming. Het hebben van een vaste inrichting heeft zowel voordelen als nadelen. Een voordeel van een vaste inrichting is dat diensten tussen vaste inrichting en hoofdhuis buiten de BTW-heffing blijven. Een arrest waaruit dit duidelijk werd is het FCE Bank- 13 Scholten, 2004/2005, pp HvJ EG 20 februarie 1997, DFDS A/S, C-260/95. 13

14 arrest. 15 Het FCE Bank-arrest ging over de in het Verenigd Koninkrijk gevestigde FCE Bank en haar vaste inrichting gevestigd in Italië. De bank verrichte prestaties aan haar vaste inrichting en de vraag was of deze prestaties BTW belaste prestaties waren. Het Hof van Justitie EG bepaalde dat de vaste inrichting van de buitenlandse bank geen BTW verschuldigd was. Er zou pas BTW-heffing zijn indien de vaste inrichting onafhankelijk was van de bank. In dit geval droeg de bank het volledig economische bedrijfsrisico en vormden de bank en de vaste inrichting één belastingplichtige. Dit arrest heeft een nieuw criterium voor de vaste inrichting met zich mee gebracht. Uit dit arrest blijkt dat bij de beoordeling of onderlinge prestaties belastbaar zijn de afhankelijkheidspositie van de vaste inrichting belangrijk is. In de artikel 7 vierde lid van de Wet OB staat dat een fiscale eenheid tussen in Nederland gevestigde ondernemingen mogelijk is. Ook een vaste inrichting kan deel uitmaken van een fiscale eenheid. Aan de voorwaarden van financieel, economisch en organisatorische verwevenheid moet ook worden voldaan. Een voordeel van een fiscale eenheid is dat de administratieve last wordt verminderd. De fiscale eenheid wordt beschouwd als één belastingplichtige. Onderlinge transacties zijn dan ook niet belast. Immers kun je niet aan jezelf onder bewarende titel diensten verrichten of leveringen doen. Ingeval een vaste inrichting onderdeel is van een fiscale eenheid geldt hetzelfde. Diensten tussen de verschillende onderdelen van de fiscale eenheid zijn niet met BTW belast. De Commissie van de EG vindt een probleem bij vaste inrichting constructies dat niet alle lidstaten de vrijstellingen op de zelfde manier uitleggen. Financiële vrijstellingen bijvoorbeeld worden niet in alle lidstaten hetzelfde uitgelegd. Op deze manier ontstaat er onzekerheid en kan ook de BTW bovenmatig worden toegepast op leveranties van vrijgestelde prestaties. 16 Om dit probleem tegen te gaan kan artikel 27 van de BTW-richtlijn worden toegepast. Het gaat in dit artikel om de interne dienst. Lidstaten kunnen door artikel 27 van de BTW-richtlijn in te voeren in nationale wetgeving de interne dienst gelijkstellen als een dienst verricht onder bezwarende titel. De BTW wordt in die gevallen geheven bij het hoofdhuis of bij de vaste inrichting die via een andere vaste inrichting de dienst verkrijgt. 15 HvJ EG 23 maart 2006, C-210/04 16 Voorstel tot wijziging van Richtlijn 77/388/EEG, COM(2003)822 def.,p

15 5 Wanneer kan een BV een vaste inrichting vormen van een buitenlandse vennootschap? Tot nu is het praktische geschil behandeld en wat er in de theorie over de vaste inrichting te vinden is. De betekenis ontbreekt in de nationale wetgeving en de BTWrichtlijn, maar wordt wel uitgelegd wat te verstaan onder een vaste inrichting in de jurisprudentie van het HvJ EG. Nu zal de vraag worden beantwoord onder welke omstandigheden een Nederlandse BV een vaste inrichting kan zijn van een buitenlandse vennootschap. Dit zal gedaan worden aan de hand van de jurisprudentie, de gelieerdheid en de ratio legis. 5.1 HvJ DFDS arrest In paragraaf 3.4 is het begrip vaste inrichting uitgelegd aan de hand van de jurisprudentie. Een arrest dat is behandeld is het DFDS arrest. Met behulp van dit arrest zal de hoofdvraag worden beantwoord. Dit arrest wordt gebruikt omdat het goed aansluit bij het geschil dat is geschetst in hoofdstuk 2. Het gaat min of meer om een soortgelijke situatie. Het DFDS arrest gaat over een dochtervennootschap gevestigd in het Verenigd Koninkrijk ( hierna: VK) DFDS Ltd. die voor haar Deense moedervennootschap DFDS A/S reizen verkoopt aan particulieren in het VK. De DFDS Ltd. in het VK wordt door het Hof als vaste inrichting van de in Denemarken gevestigde moedervennootschap beschouwd. Tussen de twee is een agentuurovereenkomst gesloten. De Commissioners of Cutoms and Excise waren van mening dat DFDS A/S BTW moest betalen over diensten die DFDS Ltd in VK verrichte, namelijk voor de verkoop van de reispakketten door DFDS Ltd. in opdracht van DFDS A/S. DFDS A/S was het er niet mee eens en vond dat de diensten belastbaar waren in Denemarken aangezien daar de zetel van bedrijfsuitoefening is gevestigd en niet in het VK. De Commissioners vonden dat door de gesloten overeenkomst de zetel van bedrijfsuitoefening in het VK was gevestigd en dat de diensten vanuit een vaste inrichting worden verricht op grond van artikel 26 van de Zesde richtlijn, nu artikel 306 van de Btw-richtlijn. Belangrijke rechtsoverwegingen van het Hof waren dat het letterlijk toepassen van artikel 26 van de Zesde richtlijn niet tot een fiscaal rationele oplossing leidt. Er 15

16 moet gekeken worden naar de fiscaal nuttigste uitkomst. In dit arrest bleek het nuttigste te zijn dat de plaats van dienst is daar waar de dienstverrichter zijn zetel van bedrijfsuitoefening heeft. Een andere plaats als dienst dan daar waar de zetel is aannemen kan pas indien de inrichting voldoet aan de in het arrest Berkholz genoemde criteria voor vaste inrichting, namelijk het aanwezig zijn van zekere bestendigheid en dat door duurzaam beschikken over personeel en technische middelen die nodig zijn voor het verrichten van diensten. Ook belangrijk is of de twee ondernemingen onafhankelijk zijn van elkaar. DFDS Ltd. trad op als assistent van DFDS A/S. DFDS A/S had 100% van het gehele kapitaal en DFDS Ltd. had nog contractuele verplichtingen opgelegd gekregen van DFDS A/S. DFDS Ltd. was dus niet onafhankelijk van DFDS A/S. 17 Het geschil uitgelegd in hoofdstuk 2 heeft min of meer het zelfde probleem als het DFDS arrest. Het gaat hier ook om twee ondernemingen. Eén in Nederland en de andere in St. Maarten gevestigd. De BV verricht diensten aan de Ltd. Net als in het DFDS arrest hebben de twee ondernemingen, namelijk de BV en de Ltd. contractuele verplichtingen. De BV verricht de diensten op grond van een consultancy overeenkomst. De BV is een duurzame inrichting en op grond van het Besluit moet een vaste inrichting geen werkzaamheden verrichten van ondersteunende aard. Wat de werkzaamheden van de Ltd. zijn is onbekend. Wat wel bekend is dat de Ltd. in verschillende ondernemingen in zowel binnen als buiten Europa aandelenbelang heeft. De werkzaamheden van de BV zijn reclamediensten, verschaffen van advies, bijeenkomsten houden voor potentiële investeerders en werving van investeerders voor de ondernemingen van de Ltd. Uit het consultancy overeenkomst blijkt dat de BV de Ltd. assisteert bij het werven van investeerders en bij het opzetten van investeringsstructuren. Afgeleid kan worden dat de BV gezien haar werkzaamheden als assistent kan worden beschouwd van de Ltd. Net als in het DFDS arrest werd de dochtervennootschap gezien als de assistent van de moedervennootschap. Men kan dan zeggen dat de BV de vaste inrichting is van de Ltd. Men kan ook zeggen dat de werkzaamheden van ondersteunende aard zijn en dat op grond van de definitie opgenomen in het Besluit de BV geen vaste inrichting is van de Ltd. Een ander punt is dat de BV in Nederland is gevestigd en als wij aannemen dat het opgericht is naar 17 HvJ EG 20februari 1997, C-260/95. 16

17 Nederlands recht de BV toch geen vaste inrichting is van de Ltd. op grond van het Besluit van 8 oktober In het Besluit wordt duidelijk gemaakt dat een naar Nederlands recht opgerichte onderneming gevestigd in Nederland als zelfstandige onderneming moet worden beschouwd en niet als vaste inrichting. Uit het DFDS arrest van het Hof van Justitie EG blijkt dat een zelfstandige rechtspersoon wel als vaste inrichting aangemerkt. DFDS Ltd. gevestigd in het VK en opgericht naar het Engels recht wordt gezien als de vaste inrichting. DFDS Ltd. is een zelfstandige onderneming, maar ook de vaste inrichting van de moedervennootschap. Volgens de jurisprudentie kan een zelfstandige onderneming een vaste inrichting zijn, maar het Besluit beschouwd een in Nederland gevestigde onderneming opgericht naar Nederlands recht niet als vaste inrichting maar als zelfstandige onderneming. De jurisprudentie en het Besluit stemmen op dit gebied niet overeen. Aan het volgende kenmerk dat wordt genoemd in de jurisprudentie is dat een vaste inrichting technische middelen moet hebben voor de te verrichten diensten. Er is personeel aanwezig. Een ander belangrijk punt is dat er een geschikte structuur moet zijn. De diensten moeten zelfstandig worden verricht. De vaste inrichting moet ook in staat zijn diensten en leveringen te kunnen ontvangen. Volgens het Besluit is de vaste inrichting de inrichting van waaruit de diensten worden verricht. Uit het Aro Lease arrest wordt het volgende aangehaald namelijk dat de inrichting ook moet kunnen ontvangen. Het is waarschijnlijk ook zo dat de BV diensten ontvangt, behalve zelf ook verricht. Er zullen ook diensten aan de BV worden verricht. De BV voldoet tot nu toe aan de meeste genoemde definities van de vaste inrichting beschreven door het Hof. Belangrijk is nu om na te gaan of er sprake is van gelieerdheid. In de DFDS arrest was duidelijk uit te halen dat het ging om twee ondernemingen die bij elkaar hoorden. In het geschil is het niet zo dat de zetel van de bedrijfsuitoefening van de onderneming in Nederland is gevestigd. Het zijn twee aparte ondernemingen. Het gaat niet om één onderneming waarvan de zetel in Nederland is gevestigd. Enige manier dat deze twee ondernemingen een verband hebben is namelijk dat dezelfde natuurlijke persoon in beide ondernemingen een belang heeft. Hij is slechts aandeelhouder en geen ondernemer. De ondernemingen worden niet door hem gedreven, maar hebben twee aparte leidinggevenden. De ondernemingen kunnen ook geen fiscale eenheid zijn op grond van artikel 7 lid 4 Wet OB, omdat een fiscale eenheid over de grens niet mogelijk is. Dit is niet alleen in de Wet OB opgenomen, maar blijkt ook uit het FE arrest dat 17

18 besproken is in paragraaf 3.4. In de arresten Berkholz en Aro Lease gaat het duidelijk om een onderdeel van de bedrijfsuitoefening. In deze situatie is de BV geen onderdeel van de Ltd. en is het geen vaste inrichting op grond van het Berkholz arrest en Aro Lease arrest. Wat nog te bespreken is is de eventuele gelieerdheid. De Ltd. heeft geen belang in de BV. Hetgeen wel zo was bij DFDS A/S en DFDS Ltd. Er was duidelijk een moedermaatschappij aan te wijzen en was duidelijk die de dochter was. De BV echter is niet de dochtermaatschappij van de Ltd. 5.2 Gelieerdheid Om antwoord te geven op de hoofdvraag is het belangrijk om de gelieerdheid tussen de twee ondernemingen te bespreken. Het DFDS wordt nog steeds als houvast gebruikt. Zoals eerder aangehaald beschikte de moedermaatschappij DFDS A/S 100% van het geplaatste kapitaal van de dochtermaatschappij, te weten DFDS Ltd. Onder gelieerdheid wordt verstaan dat de twee ondernemingen met elkaar verbonden zijn. Op grond van artikel 8b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt onder verbonden lichamen verstaan een lichaam die in een ander lichaam onmiddellijk of middellijk deelneemt aan de leiding of belang heeft in het kapitaal van een ander lichaam. Deze betekenis van gelieerdheid in de vennootschapsbelasting wordt aangehaald omdat het veelal lijkt op de verbondenheid aangegeven in het DFDS arrest. In het arrest wordt aangehaald dat de moedermaatschappij in bezit is van het gehele kapitaal van de dochtermaatschappij en dat er niet alleen sprake is van verbondenheid, maar ook dat de dochtermaatschappij de assistent is van de moedermaatschappij. Uit de gegevens van het praktisch geschil kan worden afgeleid dat de Ltd. niet over aandelen kapitaal van de BV beschikt. De BV en Ltd. hebben geen direct of indirect belang in elkaar. Wat er wel is is de consultancy overeenkomst. En de natuurlijk persoon die in beide ondernemingen een belang heeft. In de BV is dat minder dan 50% en het belang in de Ltd. is onbekend. Wat de activiteiten van de Ltd. zijn is ook onbekend. Het is dus moeilijk te zeggen of de activiteiten van de BV van ondersteunende aard zijn. Om antwoord te geven op de vraag of de Nederlandse BV een vaste inrichting is 18

19 van de Ltd. zullen twee scenario s worden beschreven. De eerste is dat er wordt uitgegaan van gelieerdheid en de tweede is dat er geen sprake is van gelieerdheid. Bij gelieerdheid is er 100% belang van de natuurlijk persoon in de Ltd. en ook heeft hij belang van iets minder dan 50% in de BV. Hij is dus aandeelhouder in beide ondernemingen. Hij is geen directeur-grootaandeelhouder van de twee ondernemingen, want hij maakt geen deel uit van het bestuur van de ondernemingen. In dit geval kan er nog steeds niet worden gezegd dat de twee bedrijven verbonden lichamen zijn, want de Ltd. heeft geen belang in de BV. De natuurlijk persoon heeft in beide bedrijven een belang, maar hij is slechts aandeelhouder. Er ontstaat zo nog steeds geen indirect belang van de Ltd. in de BV en ook niet omgekeerd. Bij geen gelieerdheid is er dus geen verband tussen de twee ondernemingen. De BV voldoet dan wel aan alle opgenoemde punten van de vaste inrichting, maar kan op grond van het DFDS arrest niet als vaste inrichting worden aangemerkt. Tussen de twee ondernemingen is er slechts op contract basis een verband. De diensten worden verricht op grond van het gesloten contract. Dat is niet genoeg om aangemerkt te worden als vaste inrichting. De BV kan niet worden beschouwd als assistent van de Ltd. De BV is een aparte onderneming die diensten verricht aan een buitenlandse afnemer. En op grond van artikel 6 lid 2 onderdeel d Wet OB zijn de diensten dus belast op de plaats van de afnemer. De BV heeft dus op grond daarvan geen omzetbelasting in rekening gebracht. En in dit geval is dat juist, want de BV kan niet de vaste inrichting zijn. Hierdoor zijn de diensten niet in Nederland belast. De BV is een zelfstandige onderneming met eigen leiding en de situatie zoals geschetst in het DFDS arrest toch niet van toepassing. In dat arrest leek het erop uit te komen dat BTW-heffing helemaal wegbleef. En om tot de fiscale rationele oplossing te komen werd DFDS Ltd. als vaste inrichting beschouwd. Indien de Ltd. 100% belang had in de BV zou het op grond van het DFDS arrest kunnen dat de BV de vaste inrichting is van de Ltd. De casus lijkt in dat geval helemaal op het arrest. Maar de casus komt niet helemaal overeen met het arrest, want de Ltd. heeft geen aandelenbelang in de BV. De BV is dus geen vaste inrichting van de Ltd. Indien de natuurlijk persoon in zowel de BV als de Ltd. 100% belang heeft is er wel een gelieerdheid tussen de twee vennootschappen en kan de BV de vaste inrichting zijn van de Ltd. Maar de natuurlijk persoon heeft een minderheidsbelang in de BV en het belang 19

20 in de Ltd. is onbekend. Op grond hiervan is de BV geen gelieerde onderneming van de Ltd. en dus ook geen vaste inrichting. 5.3 Ratio legis Ratio legis betekent de strekking van de wet. Met andere woorden wat wil men bereiken met de wet, het doel. In de Wet OB is het doel de bestedingen te belasten. Belangrijk is dus dat BTW-heffing plaatsvindt. In het praktijk geschil is dat ook zo. De BTW-heffing ontbreekt niet, er is BTW-heffing in de schakel met de eindconsument. De BTW-heffing vindt plaats op de plaats van de afnemer. En daar vindt eigenlijk ook het verbruik plaats. De Ltd. is gevestigd in St. Maarten en de dienst wordt daar verbruikt en op grond van artikel 6 tweede lid onderdeel b ten derde Wet OB. Indien de BV wel de vaste inrichting was van de Ltd. is het nog steeds niet de fiscale rationele oplossing als bedoeld in het DFDS arrest. In dat arrest vreesde men dat de BTW-heffing weg zou blijven, terwijl dat hier niet zo is. Indien de BV als vaste inrichting wordt aangemerkt blijft heffing nog steeds niet buiten aanmerking. En indien de BV geen vaste inrichting is van de Ltd. dan is er ook nog steeds BTW-heffing. Het praktisch geschil is te vergelijken met het DFDS arrest, maar alleen hier gaat het niet om het ontbreken van de heffing. Het fiscaal rationele uitkomst is dan ook dat de heffing niet ontbreekt en dat de BTW-heffing op de juiste plaats wordt geheven. Met fiscaal rationele uitkomst wordt bedoeld dat de uitkomst in overeenstemming is met de redelijkheid. Fiscale neutraliteit is ook belangrijk. Hiermee wordt bedoeld dat de uitkomst neutraal mogelijk moet zijn namelijk dat de ene partij niet teveel wordt bevoordeeld en de andere benadeeld en ook niet omgekeerd. In het geschil is de fiscale rationele uitkomst dat de BTW-heffing niet wegblijft. Door de BV als vaste inrichting te beschouwen wordt de BTW geheven in Nederland, waardoor het buitenland niet kan heffen. Dit is nadelig voor het buitenland aangezien de BV niet als vaste inrichting kan worden aangemerkt. De gronden daarvoor ontbreken. De BV als vaste inrichting aan te merken is in deze situatie niet juist en vindt de BTW-heffing niet in Nederland plaats. 20

21 6 Aanpassing van de BTW-richtlijn In 2010 vindt de wetswijziging plaats. De hoofdregel van de plaats van dienst wordt de uitzondering en de uitzondering wordt de hoofdregel. Reden van deze wijziging is om het doel van de Wet OB te waarborgen. Doel van de wet is namelijk het verbruik te belasten. Het wordt daarom ook wel de indirect verbruiksbelasting genoemd. Door de uitzondering tot hoofdregel te maken wordt geacht het verbruik te belasten daar waar het verbruik werkelijk plaatsvindt. Deze wetswijziging betekent voor de vaste inrichting dat de plaats van dienst daar is waar de vaste inrichting is gevestigd aan wie de dienst wordt verricht. Er verandert dus niet veel voor de vaste inrichting. De plaats van dienst wordt veranderd in de wet, maar er komt nog steeds geen definitie voor de vaste inrichting. Zoals in paragraaf 3.1 is aangegeven is er geprobeerd om een definitie vast te leggen, namelijk in de negentiende richtlijn wat echter niet doorging. Dit omdat de definitie niet goed aansloot bij het doel van de BTW-richtlijn. De jurisprudentie van het Hof van Justitie EG vindt men genoeg. Van Norden geeft aan dat de Commissie van mening is dat het opnemen van een definitie in de richtlijn voor meer problemen zal zorgen. Ook geeft hij aan dat de lidstaten de jurisprudentie van het Hof verschillend interpreteren en om die jurisprudentie te gebruiken bij het vastleggen van een definitie lastig kan zijn. Het beste, volgens Van Norden, is de jurisprudentie te gebruiken bij de uitleg van het begrip. 18 Van Eijk-Nagel is van mening dat het misschien goed is dat er geen definitie is zodat de lidstaten aan de hand van de jurisprudentie vaststellen wanneer er sprake is van een vaste inrichting. Dit omdat de lidstaten niet altijd de criteria handhaven van de jurisprudentie, maar ervan afwijken. Indien er in de BTW-richtlijn een definitie worden opgenomen die de lidstaten in eigen wetgeving kunnen implementeren is de kans groot dat het Hof van Justitie EG de mogelijkheid niet meer krijgt om bepaalde constructies tegen te gaan. Volgens Van Eijk-Nagel is een definitie opnemen in de richtlijn ongewenst en is het beste om per situatie te bepalen of er sprake is van een vaste inrichting Norden, 2007, p Van Eijk-Nagel, 2006, p

22 7 Conclusie Om tot een antwoord te komen voor de hoofdvraag is het praktijk geschil behandeld. De standpunten van zowel de BV als de belastinginspecteur zijn besproken. Volgens de belastinginspecteur is de BV de vaste inrichting van de Ltd. in ST. Maarten. De BV meent het tegengestelde. Om te kunnen beoordelen of de BV de vaste inrichting is van de Ltd. is het begrip vaste inrichting behandeld. Het begrip is uitgelegd volgens het Besluit, de definitie van de vaste inrichting in het Besluit ter voorkoming dubbele belastingheffing Ook is de betekenis die het Hof van Justitie EG geeft aan de vaste inrichting is besproken. Uit dit alles valt af te leiden dat een vaste inrichting een duurzame inrichting is die beschikt over personeel en technische middelen die nodig zijn ten behoeve van de diensten die in opdracht van de moedermaatschappij worden verricht. Naaste het duurzaamheid vereiste is belangrijk het aanwezig zijn van een geschikte structuur waar de diensten zelfstandig worden verricht. Belangrijk bij de beoordeling of de BV een vaste inrichting is van de Ltd. is als beoordelingscriteria het DFDS arrest, de gelieerdheid en ratio legis gebruikt. Het DFDS arrest is gebruikt omdat het geschil met het arrest te vergelijken is. Het blijkt dat de BV op grond van geen van de opgenoemde criteria als vaste inrichting kan worden aangemerkt. De BV voldoet aan alle voorwaarden van het Hof van Justitie EG die worden toegekend aan een vaste inrichting behalve aan de in het DFDS arrest genoemde afhankelijkheid. De Ltd. heeft geen aandelenbelang in de BV en ook niet omgekeerd. De BV kan op grond van de consultancy overeenkomst als assistent worden gezien van de Ltd. die eventueel ondersteunende werkzaamheden verricht, maar op grond van het Besluit is er geen vaste inrichting indien de taken van ondersteunende aard zijn. Indien als uitgangspunt wordt gehandhaafd dat de natuurlijk persoon waarmee de twee ondernemingen zijn verbonden in de Ltd. 100% belang heeft, kan dan nog de BV niet de vaste inrichting van de Ltd. zijn. De Ltd. heeft dan nog geen direct of indirect belang in de BV. En indien als uitgangspunt wordt gehandhaafd dat het belang van de natuurlijk persoon in de Ltd. onbekend is is ook dan nog de BV niet de vaste inrichting, want ook dan nog heeft de Ltd. geen aandelenbelang in de BV. De natuurlijk persoon heeft een minderheidsbelang in de BV. Tussen de BV en de Ltd. is er afgezien van het consultancy overeenkomst geen enkel andere gelieerdheid als bedoeld in het 22

23 DFDS arrest. Ook op grond van de ratio legis kan worden geconcludeerd dat de BV niet de vaste inrichting is van de Ltd. Doel van de wet is om het verbruik te belasten. Het verbruik vindt plaats in dit geval bij de afnemer. Hier is dat de in St. Maarten gevestigde Ltd. Door de BV als vaste inrichting te beschouwen van de Ltd. kan niet worden gekomen tot de fiscale rationele oplossing. Er zijn geen gronden waarop de BV als vaste inrichting kan worden beschouwd van de Ltd. Gezien het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de BV geen vaste inrichting is van de Ltd. Het antwoord op de hoofdvraag luidt dan als volgt: een Nederlandse BV kan pas als vaste inrichting worden beschouwd van een buitenlandse vennootschap indien de buitenlandse vennootschap de moedervennootschap is van de Nederlandse vennootschap. Tussen de twee ondernemingen moet er een aandelenbelang zijn. De BV, duurzame inrichting met geschikte structuur beschikkende over personeel en technische middelen, verricht diensten in opdracht van haar moedervennootschap. In dit geval kan de BV een vaste inrichting zijn. Bij het ontbreken van het aandelenbelang van de buitenlandse vennootschap is het onjuist de Nederlandse BV als vaste inrichting te zien. De BV is in dat geval een aparte zelfstandige onderneming en niet de vaste inrichting. Ook is er gekeken of een definitie voor de vaste inrichting opnemen in de richtlijn tot een oplossing kan leiden voor de onduidelijkheid. Gebleken uit literatuur is dat een definitie opnemen in de richtlijn niet gewenst is. Aangehaald wordt dat het begrip uitgelegd moet worden aan de hand van de jurisprudentie en dat er per situatie bepaald moet worden wanneer er sprake is van een vaste inrichting. 23

24 Bibliografie Eijk-Nagel, van W. P. J.( 2006). Vaste inrichting ; definitie (on)gewenst? Europese Fiscale Studies. Hilten van M. E., H. W. M. van Kesteren (2007). Omzetbelasting. Deventer: Kluwer. Norden, van G. (2007). Het concern in de BTW. Deventer: Kluwer. Besluit 21 november 2003, nr. DG2003/6237, V-N 2003/ Hof van Justitie EG, 17 juli 1997, C-190/95. Hof van Justitie EG 20 februari 1997, C-260/95. Hof van Justitie EG, 4 juli 1985, 168/84. Hoge Raad 14 juni 2002, nr , BNB 2002/287. BTW-richtlijn. Voorstel voor een Richtlijn van de Raad van 23 december 2003 tot wijziging van Richtlijn 77/388/EEG wat betreft de plaats van levering van diensten, COM(2003)822. Brussel. Wet op de Omzetbelasting Besluit ter voorkoming dubbele belastingheffing

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. STAATSCOURANT Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. Nr. 38029 30 december 2014 Vennootschapsbelasting. Fiscale eenheid. Wijziging van het besluit van 14 december 2010, nr. DGB2010/4620M,

Nadere informatie

De vaste inrichting: een tweezijdig begrip?

De vaste inrichting: een tweezijdig begrip? De vaste inrichting: een tweezijdig begrip? Door: mr. E. Usta 2012/2013 Inhoudsopgave Inleiding... 3 Hoofdstuk 1 Definitie vaste inrichting... 4 1.1 Europese rechtspraak... 4 1.1.1 Arrest van 4 juli 1985,

Nadere informatie

Is de fiscale eenheid in Nederland in strijd met Europese btw-richtlijn?

Is de fiscale eenheid in Nederland in strijd met Europese btw-richtlijn? Is de fiscale eenheid in Nederland in strijd met Europese btw-richtlijn? Naam: Eline Fleuren Studierichting: Fiscale economie Studentennummer: S798936 Datum: 26-4-2011 Begeleider: Mr. N. Sayedi 1 Hoofdstuk

Nadere informatie

Definitie(s) van de term vaste inrichting

Definitie(s) van de term vaste inrichting Definitie(s) van de term vaste inrichting EEN VERRUIMING IN DE HERSCHIKTE UITVOERINGSVERORDENING? IS DIT WENSELIJK? Masterthesis Fiscale Economie Naam Adres Marjolein van den Berg LLM Picushof 192, 5613

Nadere informatie

Bachelorscriptie. Hoofdhuis en vaste inrichting fiscaal een eenheid?

Bachelorscriptie. Hoofdhuis en vaste inrichting fiscaal een eenheid? Bachelorscriptie Hoofdhuis en vaste inrichting fiscaal een eenheid? Een onderzoek naar de behandeling van dienstverleningsactiviteiten tussen hoofdhuis en vaste inrichting in het kader van de Omzetbelasting

Nadere informatie

Collegeaantekeningen Fiscale aspecten Registergoederen. Week 1

Collegeaantekeningen Fiscale aspecten Registergoederen. Week 1 Collegeaantekeningen Fiscale aspecten Registergoederen Week 1 2016-2017 HC week 1 Fiscale aspecten van Registergoederen 9 februari 2017 Inleiding Waarom is het vak voor notariëlen van belang? Wat heeft

Nadere informatie

HOOFDSTUK 1 Een systematiek voor het oplossen van btw-problemen

HOOFDSTUK 1 Een systematiek voor het oplossen van btw-problemen HOOFDSTUK 1 Een systematiek voor het oplossen van btw-problemen De wijze waarop internationale transacties in de heffing van btw worden betrokken, wordt bepaald door de systematiek van de btw-wetgeving.

Nadere informatie

Bachelor Thesis. De btw-fiscale eenheid in Nederland te ruim? De btw-fiscale eenheid in Nederland te ruim? Naam student: Rick Meijer ANR:

Bachelor Thesis. De btw-fiscale eenheid in Nederland te ruim? De btw-fiscale eenheid in Nederland te ruim? Naam student: Rick Meijer ANR: Bachelor Thesis De btw-fiscale eenheid in Nederland te ruim? Naam student: Rick Meijer ANR: 450182 Begeleider: W. J. C. de Bakker Examencommissie: A.J. van Doesum ~ 1 ~ Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding...

Nadere informatie

De ruimte van de fiscale eenheid in Nederland

De ruimte van de fiscale eenheid in Nederland De ruimte van de fiscale eenheid in Nederland Naam student: Bob Klooster Administratie nummer Student: S 572806 Naam begeleider: Mw. Mr. A.H.S. Bouwman 1 Inhoudsopgave 1 Inleiding 4 2 Fiscale eenheid in

Nadere informatie

In haar verwijzigingsbeslissing heeft de Hoge Raad de volgende vraag aan het HvJ EG voorgelegd:

In haar verwijzigingsbeslissing heeft de Hoge Raad de volgende vraag aan het HvJ EG voorgelegd: Drie musketiersverliezenstrijd koepelvrijstelling In haar verwijzigingsbeslissing heeft de Hoge Raad de volgende vraag aan het HvJ EG voorgelegd: Moet artikel 13 A lid 1 letter f van de Zesde Richtlijn

Nadere informatie

De Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 05/6797) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.

De Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 05/6797) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. LJN: BO3637, Hoge Raad, 09/00760 Print uitspraak Datum uitspraak: 22-04-2011 Rechtsgebied: Belasting Soort procedure: Cassatie Inhoudsindicatie: Omzetbelasting; art. 5, lid 3, en art. 13, B, aanhef en

Nadere informatie

Door: Marieke Herber 2010 / 2011. De vaste inrichting in de btw: terecht gebruikt of misbruikt?

Door: Marieke Herber 2010 / 2011. De vaste inrichting in de btw: terecht gebruikt of misbruikt? Door: Marieke Herber 2010 / 2011 De vaste inrichting in de btw: terecht gebruikt of misbruikt? Inhoudsopgave Hoofdstuk 1: Inleiding 3 1.1 Inleiding 3 1.2 Aanleiding 3 1.3 Probleemstelling en opbouw 4 Hoofdstuk

Nadere informatie

Besluit van tot vaststelling van het besluit ter voorkoming van dubbele belasting voor de BES eilanden (Besluit ter voorkoming dubbele belasting BES)

Besluit van tot vaststelling van het besluit ter voorkoming van dubbele belasting voor de BES eilanden (Besluit ter voorkoming dubbele belasting BES) Besluit van tot vaststelling van het besluit ter voorkoming van dubbele belasting voor de BES eilanden (Besluit ter voorkoming dubbele belasting BES) 2010/555; Op de voordracht van de Staatssecretaris

Nadere informatie

Advieswijzer. Fiscale eenheid 2016 De voor- en nadelen op een rij Denk ondernemend. Denk Bol.

Advieswijzer. Fiscale eenheid 2016 De voor- en nadelen op een rij Denk ondernemend. Denk Bol. Advieswijzer Fiscale eenheid 2016 De voor- en nadelen op een rij 13-07-2016 Denk ondernemend. Denk Bol. Onderneemt u vanuit meerdere bv s, dan kan het fiscaal aantrekkelijk zijn om de bv s een fiscale

Nadere informatie

NOTA VAN HET VOORZITTERSCHAP de Groep belastingvraagstukken Indirecte belasting (BTW) Betreft: BTW - Plaats van levering van gas en elektriciteit

NOTA VAN HET VOORZITTERSCHAP de Groep belastingvraagstukken Indirecte belasting (BTW) Betreft: BTW - Plaats van levering van gas en elektriciteit Conseil UE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE Brussel, 27 januari 2003 (31.01) (OR. en) PUBLIC 5731/03 Interinstitutioneel dossier: 2002/0286 (CNS) LIMITE FISC 10 ENER 23 NOTA VAN HET VOORZITTERSCHAP aan: de Groep

Nadere informatie

Het gevecht tussen twee vestigingsplaatsen van één belastingplichtige

Het gevecht tussen twee vestigingsplaatsen van één belastingplichtige Het gevecht tussen twee vestigingsplaatsen van één belastingplichtige De vaste inrichting met betrekking tot de plaats van dienst regelgeving in de btw Door: Eva Florence Jeanette Dreijer MSc 2011/ 2012

Nadere informatie

Special wijziging BTW- factureringsregels Per 1 januari 2013

Special wijziging BTW- factureringsregels Per 1 januari 2013 Special wijziging BTW- factureringsregels Per 1 januari 2013 Audit І Tax І Advisory Belangrijke wijzigingen in de btw facturerings regels per 1 januari 2013 Inhoudsopgave 1. Inleiding 3 2. Wanneer moet

Nadere informatie

Art. 39 Algemene wet inzake rijksbelastingen In de gevallen waarin het volkenrecht, dan wel naar het oordeel van Onze Minister het internationale

Art. 39 Algemene wet inzake rijksbelastingen In de gevallen waarin het volkenrecht, dan wel naar het oordeel van Onze Minister het internationale Art. 39 Algemene wet inzake rijksbelastingen In de gevallen waarin het volkenrecht, dan wel naar het oordeel van Onze Minister het internationale gebruik, daartoe noopt, wordt vrijstelling van belasting

Nadere informatie

RJ-Uiting 2009-1: Gevolgen van aanpassingen in boek 2 van het Burgerlijk Wetboek als gevolg van Richtlijn 2006/46/EG van 14 juni 2006

RJ-Uiting 2009-1: Gevolgen van aanpassingen in boek 2 van het Burgerlijk Wetboek als gevolg van Richtlijn 2006/46/EG van 14 juni 2006 RJ-Uiting 2009-1: Gevolgen van aanpassingen in boek 2 van het Burgerlijk Wetboek als gevolg van Richtlijn 2006/46/EG van 14 juni 2006 Inleiding Op 22 december 2008 is een aantal artikelen in titel 9 van

Nadere informatie

Eiseres heeft op haar aangifte voor het eerste kwartaal van omzetbelasting voldaan.

Eiseres heeft op haar aangifte voor het eerste kwartaal van omzetbelasting voldaan. Rechtbank Haarlem 5 oktober 2010, nrs. 09/3619 en 09/3620 Uitspraak RECHTBANK HAARLEM Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer Zaaknummers: AWB 09/3619 en AWB 09/3620 Uitspraakdatum: 5 oktober

Nadere informatie

Een ruimere uitleg van de btw-fiscale eenheid

Een ruimere uitleg van de btw-fiscale eenheid De btw-fiscale eenheid was in 2013 een actueel onderwerp in de jurisprudentie. In dit artikel gaan wij in op de ruimere toepassing die naar onze opvatting het gevolg is van de recentelijk gewezen jurisprudentie.

Nadere informatie

Wijziging regels plaats van dienst/ procedure teruggaafverzoeken per 2010. Onderwerp: EU BTW pakket per 1 januari 2010. Bestemd voor: alle ondernemers

Wijziging regels plaats van dienst/ procedure teruggaafverzoeken per 2010. Onderwerp: EU BTW pakket per 1 januari 2010. Bestemd voor: alle ondernemers Wijziging regels plaats van dienst/ procedure teruggaafverzoeken per 2010 Onderwerp: EU BTW pakket per 1 januari 2010 Doel: informeren Bestemd voor: alle ondernemers 1 Inleiding Per 1 januari 2010 zal

Nadere informatie

Interne rente bij de vaste inrichting

Interne rente bij de vaste inrichting 3 Internationaal Belastingrecht en Dividendbelasting Master Internationaal en Europees Belastingrecht Universiteit van Amsterdam Interne rente bij de vaste inrichting Het in aanmerking nemen van interne

Nadere informatie

$ 100,000 (2punten) Pand gebruik genot $ 417,500 50% $ 208,750 Boekwaarde $ 250,000 -/- 1 Hypotheek $ 100,000 +/+ 1.

$ 100,000 (2punten) Pand gebruik genot $ 417,500 50% $ 208,750 Boekwaarde $ 250,000 -/- 1 Hypotheek $ 100,000 +/+ 1. Opgave 1 Activa Fiscale Werkelijke Passiva Fiscale Werkelijke boekwaarde waarde boekwaarde waarde Alternatief per goed Bedrijfspand 250,000 350,000 Kapitaal 337,500 667,500 getal 2 (x3) Voorraad 200,000

Nadere informatie

RAPPORT COMMISSIE ASSURANTIEBELASTING BUITENLAND

RAPPORT COMMISSIE ASSURANTIEBELASTING BUITENLAND RAPPORT COMMISSIE ASSURANTIEBELASTING BUITENLAND juli 2005 INHOUDSOPGAVE 1. Verantwoording 2. Aanbevelingen 3. Toelichting 3.1 Scope van het rapport 3.2 Kvaernerarrest 3.3 Voor welke risico s is waar in

Nadere informatie

VRAAG 1 VRAAG 2. Intracommunautaire levering

VRAAG 1 VRAAG 2. Intracommunautaire levering VRAAG 1 Intracommunautaire levering Op grond van art. 12, lid 2, onderdeel a, 2 Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 is voor de toepassing van het nultarief voor intracommunautaire leveringen vereist

Nadere informatie

ECLI:NL:HR:2017: Geding in cassatie. Uitspraak

ECLI:NL:HR:2017: Geding in cassatie. Uitspraak ECLI:NL:HR:2017:185 Instantie Hoge Raad Datum uitspraak 10-02-2017 Datum publicatie 10-02-2017 Zaaknummer 15/04877 Formele relaties In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2015:3523, (Gedeeltelijke) vernietiging

Nadere informatie

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. Dividendbelasting; Inkomstenbelasting; Vennootschapsbelasting; EU-recht

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. Dividendbelasting; Inkomstenbelasting; Vennootschapsbelasting; EU-recht STAATSCOURANT Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. Nr. 22561 29 april 2016 Dividendbelasting; Inkomstenbelasting; Vennootschapsbelasting; EU-recht 25 april 2016 nr. DGB 2016/1731M

Nadere informatie

De overdracht van een algemeenheid van goederen bij de verkoop van een deelneming: Is er sprake van een kijkdoos gedachte?

De overdracht van een algemeenheid van goederen bij de verkoop van een deelneming: Is er sprake van een kijkdoos gedachte? De overdracht van een algemeenheid van goederen bij de verkoop van een deelneming: Is er sprake van een kijkdoos gedachte? Door: J.I. (Joanna) Rossa MSc 2012/2013 Inhoudsopgave Lijst van gebruikte afkortingen

Nadere informatie

Omzetting van de Europese richtlijn naar het Belgisch recht

Omzetting van de Europese richtlijn naar het Belgisch recht 87 HOOFDSTUK 1 Omzetting van de Europese richtlijn naar het Belgisch recht AFDELING 1 Het fiscale stelsel opgelegd door de Europese fiscale fusierichtlijn van 23 juli 1990 (veelvuldig gewijzigd) 1. Toepassingsgebied

Nadere informatie

Cliëntenbrief Nieuwe factureringsregels vanaf 1 januari 2013: alle wijzigingen op een rij

Cliëntenbrief Nieuwe factureringsregels vanaf 1 januari 2013: alle wijzigingen op een rij Cliëntenbrief Nieuwe factureringsregels vanaf 1 januari 2013: alle wijzigingen op een rij Onderwerp: nieuwe factureringsregels per 1 januari 2013 Doel: informeren en adviseren Bestemd voor: alle ondernemers

Nadere informatie

Het pro rata aftrekrecht van een gemengd presterende ondernemer met buitenlandse vaste inrichtingen

Het pro rata aftrekrecht van een gemengd presterende ondernemer met buitenlandse vaste inrichtingen Tilburg University Het pro rata aftrekrecht van een gemengd presterende ondernemer met buitenlandse vaste inrichtingen Een pro rata berekening op basis van de wereldomzet wenselijk? Masterscriptie Fiscale

Nadere informatie

Hoorcollege 1: Inleiding

Hoorcollege 1: Inleiding Hoorcollege 1: Inleiding Datum: 9 november 2009 Studiestof: hoofdstuk 5 Drs. O.L. Mobach INLEIDING De omzetbelasting is vak dat altijd actueel is. In de Verenigde Staten is er op dit moment bijvoorbeeld

Nadere informatie

138 De Pensioenwereld in 2014

138 De Pensioenwereld in 2014 17 138 De Pensioenwereld in 2014 Beleggingen 139 EU-claims: geen grijs gedraaide plaat Auteurs: Susan Groot Koerkamp en Erwin Nijkeuter In de meeste Europese landen worden of werden buitenlandse pensioenfondsen

Nadere informatie

I. ALGEMEEN. Memorie van toelichting. 1. Inleiding

I. ALGEMEEN. Memorie van toelichting. 1. Inleiding Wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 in verband met de invoering van een tussenregeling voor valutaresultaten op deelnemingen (Tussenregeling valutaresultaten op deelnemingen) Memorie

Nadere informatie

Zaak C-524/04. Test Claimants in the Thin Cap Group Litigation tegen Commissioners of Inland Revenue

Zaak C-524/04. Test Claimants in the Thin Cap Group Litigation tegen Commissioners of Inland Revenue Zaak C-524/04 Test Claimants in the Thin Cap Group Litigation tegen Commissioners of Inland Revenue [verzoek van de High Court of Justice (England & Wales), Chancery Division, om een prejudiciële beslissing]

Nadere informatie

1. Inleiding. Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, Sector brieven & beleidsbesluiten

1. Inleiding. Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, Sector brieven & beleidsbesluiten Omzetbelasting, motorrijtuigenbelasting en belasting van personenauto s en motorrijwielen. Directeur-grootaandeelhouder en gevolgen Van der Steen arrest Hof van Justitie EG, zaak C-355/06 1 Omzetbelasting,

Nadere informatie

Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder wet: Wet op het financieel toezicht.

Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder wet: Wet op het financieel toezicht. Besluit van [datum] houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 5:81, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht (Vrijstellingsbesluit overnamebiedingen Wft) Op voordracht van Onze Minister van

Nadere informatie

Hoe moet het pro rata aftrekrecht in een concern met een hoofdhuis en één of meerdere vaste inrichtingen worden vastgesteld?

Hoe moet het pro rata aftrekrecht in een concern met een hoofdhuis en één of meerdere vaste inrichtingen worden vastgesteld? Hoe moet het pro rata aftrekrecht in een concern met een hoofdhuis en één of meerdere vaste inrichtingen worden vastgesteld? Door: Sam Williams 2011/ 2012 Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding Blz. 2 Hoofdstuk

Nadere informatie

(On)belastbaarheid van onderlinge prestaties

(On)belastbaarheid van onderlinge prestaties (On)belastbaarheid van onderlinge prestaties Een onderzoek naar de aanwezigheid van een belastbare prestatie tussen hoofdhuis en vaste inrichting en de invloed van een vaste inrichting op de pro rata berekening

Nadere informatie

De Vaste Inrichting: is het begrip nog toereikend?

De Vaste Inrichting: is het begrip nog toereikend? De Vaste Inrichting: is het begrip nog toereikend? Door: mr. S.S.C. Wijsman 2015/2016 Inhoudsopgave Inhoudsopgave... 1 Lijst van gebruikte afkortingen... 3 1. Inleiding... 4 1.1 Aanleiding onderzoek...

Nadere informatie

Transparante Vennootschap

Transparante Vennootschap Transparante Vennootschap Er is een Transparante Vennootschap (hierna: TV) ingevoerd. Een TV is een naamloze vennootschap (hierna NV) of een besloten vennootschap (hierna: BV) die verzcht heeft om voor

Nadere informatie

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Eerste Kamer der Staten-Generaal Eerste Kamer der Staten-Generaal 1 Vergaderjaar 2002 2003 Nr. 234 28 887 Wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 in verband met de in beginsel tijdelijke invoering van een omzetbelastingregeling

Nadere informatie

Belangrijk advies A-G bij Europees Hof over dividendbelasting op dividend aan moedervennootschap gevestigd op Curaçao

Belangrijk advies A-G bij Europees Hof over dividendbelasting op dividend aan moedervennootschap gevestigd op Curaçao Belangrijk advies A-G bij Europees Hof over dividendbelasting op dividend aan moedervennootschap gevestigd op Curaçao Recent heeft de advocaat-generaal bij het Europese Hof van Justitie in Luxemburg (HvJ)

Nadere informatie

De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus EA 's Gravenhage

De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus EA 's Gravenhage > Retouradres Postbus 20201 2500 EE Den Haag De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA 's Gravenhage Korte Voorhout 7 2511 CW Den Haag Postbus 20201 2500 EE Den Haag www.rijksoverheid.nl

Nadere informatie

Belastingvoordeel halen door misbruik

Belastingvoordeel halen door misbruik Transfer Pricing Levert u goederen en/of diensten binnen uw groep van bedrijven? Dan moet u zakelijk handelen en heeft u te maken met Transfer Pricing. Een onderwerp dat steeds meer in de belangstelling

Nadere informatie

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 2012 365 Besluit van 11 augustus 2012 tot wijziging van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 in verband met de invoering van een bankenbelasting

Nadere informatie

Axel Spiessens BTW BIJ INVOER RESULTATEN UIT ACADEMISCH ONDERZOEK

Axel Spiessens BTW BIJ INVOER RESULTATEN UIT ACADEMISCH ONDERZOEK Axel Spiessens BTW BIJ INVOER RESULTATEN UIT ACADEMISCH ONDERZOEK 1 STELLING Er moet het een en ander veranderen of beter worden geregeld in de regelgeving 2 PROGRAMMA o Onderzoeksvragen o Rechtskarakter

Nadere informatie

De Skandia-zaak: Hoofdhuis en vaste inrichting samen in de fiscale eenheid btw?

De Skandia-zaak: Hoofdhuis en vaste inrichting samen in de fiscale eenheid btw? De Skandia-zaak: Hoofdhuis en vaste inrichting samen in de fiscale eenheid btw? Een onderzoek naar de mogelijkheden om een grensoverschrijdend hoofdhuis of vaste inrichting op te nemen in de fiscale eenheid

Nadere informatie

Verkoop van deelnemingen in de economische en niet-economische sfeer

Verkoop van deelnemingen in de economische en niet-economische sfeer Verkoop van deelnemingen in de economische en niet-economische sfeer Door: N. Tanouti M. Sc. 2010/ 2011 Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding... 4 Hoofdstuk 2 Belastingplicht van houdstermaatschappijen bij

Nadere informatie

Besluit van 25 januari 2013, nr. BLKB 2013/82M, De staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.

Besluit van 25 januari 2013, nr. BLKB 2013/82M, De staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. Omzetbelasting. Heffing van omzetbelasting ten aanzien van en en mobiele telefoonabonnementen Belastingdienst/Landelijk Kantoor Belastingdienstregio s, Brieven en beleidsbesluiten Besluit van 25 januari

Nadere informatie

11558/02 jv 1 DG G I

11558/02 jv 1 DG G I RAAD VAN DE EUROPESE UNIE Brussel, 26 augustus 2002 (28.08) (OR. fr) 11558/02 FISC 216 INGEKOMEN DOCUMENT van: de heer Sylvain BISARRE, directeur, namens de secretaris-generaal van de Europese Commissie

Nadere informatie

Curaçaos fiscaal vestigingsklimaat Fiscaal aantrekkelijke investeringslichamen en regelingen

Curaçaos fiscaal vestigingsklimaat Fiscaal aantrekkelijke investeringslichamen en regelingen Curaçaos fiscaal vestigingsklimaat Fiscaal aantrekkelijke investeringslichamen en regelingen Auteurs: V.L.M. Bonifacio-Pieters MSc en J.J. Job MSc 1 Behalve voor het zonnige weer, de uitgestrekte zandstranden,

Nadere informatie

De juridische nieuwslijn Lexalert informeert u gratis en per over de juridische actualiteit. Schrijf gratis in via

De juridische nieuwslijn Lexalert informeert u gratis en per  over de juridische actualiteit. Schrijf gratis in via ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer) 17 september 2014 (*) Prejudiciële verwijzing Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde Richtlijn 2006/112/EG Btw-groep Interne facturering voor

Nadere informatie

Hoge Raad 24-04-2015 24-04-2015 13/03775. Belastingrecht. Cassatie. Rechtspraak.nl

Hoge Raad 24-04-2015 24-04-2015 13/03775. Belastingrecht. Cassatie. Rechtspraak.nl ECLI:NL:HR:2015:1084 Instantie Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Hoge Raad 24-04-2015 24-04-2015 13/03775 In cassatie op

Nadere informatie

JJJ. de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs Commissie Wetsvoorstellen

JJJ. de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs Commissie Wetsvoorstellen JJJ JJJ de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs Commissie Wetsvoorstellen mr. drs. S.A.W.J. Strik voorzitter Commissie Wetsvoorstellen Aan de Vaste commissie voor Financiën van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Nadere informatie

Uitzondering op 90%-eis voor kwalificerend buitenland

Uitzondering op 90%-eis voor kwalificerend buitenland Uitzondering op 90%-eis voor kwalificerend buitenland belastingplichtige Kabinet zegde toe uitwerking te geven aan een uitzonderingsbepaling (art. 7.8 WetIB 2001) op het 90% inkomenscriterium voor kwalificerende

Nadere informatie

Het voorstel van rijkswet wordt als volgt gewijzigd: a. In onderdeel b, aanhef, wordt de komma aan het slot vervangen door een dubbele punt.

Het voorstel van rijkswet wordt als volgt gewijzigd: a. In onderdeel b, aanhef, wordt de komma aan het slot vervangen door een dubbele punt. 33 955 Regeling voor Nederland en Curaçao tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en een woonplaatsfictie

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2002 2003 28 887 Wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 in verband met de in beginsel tijdelijke invoering van een omzetbelastingregeling voor elektronische

Nadere informatie

De Rechtbank te 's-gravenhage (nr. AWB 10/5062) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.

De Rechtbank te 's-gravenhage (nr. AWB 10/5062) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. 11 Oktober 2013 nr. 12/04012 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-gravenhage van 10 juli 2012, nr. BK-11/00544,

Nadere informatie

Fiscale aspecten van aandelenvennootschappen met een dubbele vestigingsplaats

Fiscale aspecten van aandelenvennootschappen met een dubbele vestigingsplaats Fiscale aspecten van aandelenvennootschappen met een dubbele vestigingsplaats door Dr. M. van Dun 1997 KLUWER - DEVENTER Inhoudsopgave LUST VAN GEBRUIKTE AFKORTINGEN XVI 1 INLEIDING 1 2 DE ONTSTAANSGESCHIEDENIS

Nadere informatie

COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. Voorstel voor een BESCHIKKING VAN DE RAAD

COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. Voorstel voor een BESCHIKKING VAN DE RAAD NL NL NL COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN Brussel, 24.11.2009 COM(2009)641 definitief Voorstel voor een BESCHIKKING VAN DE RAAD waarbij de Portugese Republiek wordt gemachtigd een maatregel toe

Nadere informatie

2014 -- Omzetbelasting -- Deel 2

2014 -- Omzetbelasting -- Deel 2 Omzetbelasting week 3 programma Ondernemer en fiscale eenheid Uitbreiding begrippen levering en dienst Afstandsverkopen Gemengde prestaties Afwijkende plaats van dienst 1 Ondernemer 1 van 2 Artikel 7 1.

Nadere informatie

Een ruimere algemeenheid

Een ruimere algemeenheid Bachelor thesis Een ruimere algemeenheid Naam Imke Kuunders Adres Oude Molen 14 5757 AZ Liessel Telefoonnummer 0650983558 Studierichting Fiscale Economie Administratienummer 129392 Datum mei 2011 Examencommissie

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2010 2011 32 505 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2011) Nr. 7 NOTA VAN WIJZIGING Ontvangen 26 oktober

Nadere informatie

Addendum behorende bij de vaststellingsovereenkomst Belastingplicht Woningcorporaties (d.d. 15 januari 2007) Projectgroep Belco 14 maart 2007

Addendum behorende bij de vaststellingsovereenkomst Belastingplicht Woningcorporaties (d.d. 15 januari 2007) Projectgroep Belco 14 maart 2007 Addendum behorende bij de vaststellingsovereenkomst Belastingplicht Woningcorporaties (d.d. 15 januari 2007) Projectgroep Belco 14 maart 2007 INHOUDSOPGAVE I Partijen II Addendum en Vaststellingsovereenkomst

Nadere informatie

Datum 1 juli 2010 Betreft Vragen van het lid Bashir over onduidelijkheid rond ontwijking van btwafdracht

Datum 1 juli 2010 Betreft Vragen van het lid Bashir over onduidelijkheid rond ontwijking van btwafdracht > Retouradres Postbus 20201 2500 EE Den Haag Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Uw brief (kenmerk) 23 april 2010 (2010Z07393) Bijlagen Datum 1 juli 2010 Betreft

Nadere informatie

2. Betrokkenheid vaste inrichting bij diensten/facturatie 3. Moment van verschuldigdheid

2. Betrokkenheid vaste inrichting bij diensten/facturatie 3. Moment van verschuldigdheid 31 907 Wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 in verband met de invoering van een nieuwe regeling voor de plaats van dienst voor de heffing van omzetbelasting, alsmede een nieuwe regeling voor

Nadere informatie

Belangrijke wijzigingen in de btwfactureringsregels

Belangrijke wijzigingen in de btwfactureringsregels 2 november 2012 Indirect Tax Alert btw no. 454 Belangrijke wijzigingen in de btwfactureringsregels Per 1 januari 2013 wijzigen de factureringsregels voor de btw. De nieuwe regels zijn gebaseerd op richtlijn

Nadere informatie

Utrecht 21 april 2015

Utrecht 21 april 2015 Utrecht 21 april 2015 ONDERWERPEN Algemene inleiding BTW verschuldigd over subsidies? Invloed van subsidies op de aftrek van BTW KARAKTER VAN DE BTW Belast het verbruik door consument / eindverbruiker

Nadere informatie

Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, willekeurige afschrijving

Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, willekeurige afschrijving Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, willekeurige afschrijving Geldend op 24-07-2009 - Besluit van 27 maart 2001; CPP 2001/366M De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris

Nadere informatie

Overzicht van de verwachte inkomsten uit indirecte belastingen in De omzetbelasting is de enige indirecte belasting die gebaseerd is op EU

Overzicht van de verwachte inkomsten uit indirecte belastingen in De omzetbelasting is de enige indirecte belasting die gebaseerd is op EU 1 2 Overzicht van de verwachte inkomsten uit indirecte belastingen in 2013. De omzetbelasting is de enige indirecte belasting die gebaseerd is op EU richtlijnen, met nogal dwingende instructies. De stroom

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2003 2004 29 034 Wijziging van enkele belastingwetten in verband met de implementatie van Richtlijn 2003/49/EG van de Raad van de Europese Unie van 3 juni

Nadere informatie

Bachelorthesis. De afnemer van de prestatie voor de btw

Bachelorthesis. De afnemer van de prestatie voor de btw Bachelorthesis De afnemer van de prestatie voor de btw Naam: Luuk Wagenaars Studierichting: Fiscale Economie Administratienummer: 989677 Datum: Juni 2013 Examencommissie: Mr. dr. M.M.W.D. Merkx, Mr. E.G.

Nadere informatie

LJ : BJ8782, Rechtbank Breda, 08/5579. Datum uitspraak: Datum publicatie:

LJ : BJ8782, Rechtbank Breda, 08/5579. Datum uitspraak: Datum publicatie: 1 van 6 8-10-2009 20:55 LJ : BJ8782, Rechtbank Breda, 08/5579 Datum uitspraak: 02-09-2009 Datum publicatie: 30-09-2009 Rechtsgebied: Soort procedure: Belasting Eerste aanleg - meervoudig Inhoudsindicatie:

Nadere informatie

Nieuwsbrief 2009-10 Nieuwe BTW-regels vanaf 01/01/2010 : wijziging inzake de plaats van diensten

Nieuwsbrief 2009-10 Nieuwe BTW-regels vanaf 01/01/2010 : wijziging inzake de plaats van diensten Nieuwsbrief 2009-10 Nieuwe BTW-regels vanaf 01/01/2010 : wijziging inzake de plaats van diensten 1. Principe Vanaf 1 januari 2010 wijzigen de regels inzake plaatsbepaling bij grensoverschrijdende diensten

Nadere informatie

mr. T. (Ton) Verveer 4/15/2010

mr. T. (Ton) Verveer 4/15/2010 Btw en transport per 1 januari 2010 mr. C.F.C. C (Frank) Resseler mr. T. (Ton) Verveer 1 Btw in perspectief Btw en transport INHOUD Btw en met transport samenhangende diensten Bemiddeling Verhuur vrachtwagens

Nadere informatie

De omvang van de fiscale eenheid in Nederland

De omvang van de fiscale eenheid in Nederland De omvang van de fiscale eenheid in Nederland Masterscriptie Fiscaal Recht Naam: J.H.A. Otten ANR: 714392 Telefoonnummer: 0647679717 Adres: Torenpad 10, 5056 SE Berkel-Enschot Datum: 22 november 2011 Opleiding:

Nadere informatie

MKB Boekhouder in control

MKB Boekhouder in control MKB Boekhouder in control Themabijeenkomst over alles wat een boekhouder moet weten van omzetbelasting 09-05-2017 MKB Boekhouder in control - omzetbelasting 1 Omzetbelasting in uw bedrijf 09-05-2017 MKB

Nadere informatie

1. Inschrijvingsplicht voor rechtspersonen en ondernemingen

1. Inschrijvingsplicht voor rechtspersonen en ondernemingen Handelsregister 1. Inschrijvingsplicht voor rechtspersonen en ondernemingen Op grond van art. 5 aanhef en sub a Handelsregisterwet 2007 wordt een onderneming die in Nederland is gevestigd en die toebehoort

Nadere informatie

BTW OP VERKOOP VAN GROND

BTW OP VERKOOP VAN GROND BTW OP VERKOOP VAN GROND Sinds 1 januari 2011 is de verkoop van grond in bepaalde gevallen onderworpen aan btw in plaats van aan registratierechten. Dit is het geval wanneer een terrein dat bij een nieuw

Nadere informatie

De heer R.J.A.M. Sadée wil ik bedanken voor zijn kritische blik en zijn bijdrage aan het redigeren van mijn scriptie.

De heer R.J.A.M. Sadée wil ik bedanken voor zijn kritische blik en zijn bijdrage aan het redigeren van mijn scriptie. Voorwoord Beste lezer, Voor u ligt mijn masterscriptie, waarin ik de herzieningsregels in de btw onder de loep neem. Met deze scriptie komt een einde aan mijn zeven jaar durende studententijd waarvan ik

Nadere informatie

TIPS. Internationaal zaken doen en BTW (deel 2) www.hlb-van-daal.nl

TIPS. Internationaal zaken doen en BTW (deel 2) www.hlb-van-daal.nl TIPS Internationaal zaken doen en BTW (deel 2) Handel en BTW In dit memo worden aspecten van BTW behandeld, die van toepassing kunnen zijn bij internationale handel. Het is geen volledig overzicht, maar

Nadere informatie

Blok 10: IS 1: tarieven, gelieerde partijen, onderkapitalisatie, belastingparadijzen, fiscale eenheid

Blok 10: IS 1: tarieven, gelieerde partijen, onderkapitalisatie, belastingparadijzen, fiscale eenheid Blok 10: IS 1: tarieven, gelieerde partijen, onderkapitalisatie, belastingparadijzen, fiscale eenheid Vennootschapsbelasting (IS). 1. Algemeen. Vennootschappen. De vennootschapsbelasting (Impuesto sobre

Nadere informatie

Het leerstuk kosten voor gemene rekening

Het leerstuk kosten voor gemene rekening Het leerstuk kosten voor gemene rekening Naam: Imke van der HooftStudierichting: Fiscale economie Administratienummer: 465058 Maand en jaar: December 2011 Samenstelling examencommissie: W.J.C. De Bakker

Nadere informatie

Wet op de dividendbelasting 1965

Wet op de dividendbelasting 1965 Wet op de dividendbelasting 1965 Wet van 23 december 1965, houdende vervanging van het Besluit op de Dividendbelasting 1941 door een nieuwe wettelijke regeling, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2009, 611

Nadere informatie

Scriptie Fiscale Economie. Een onderzoek naar de reisbureauregeling: Is de eindbestemming in zicht?

Scriptie Fiscale Economie. Een onderzoek naar de reisbureauregeling: Is de eindbestemming in zicht? Scriptie Fiscale Economie Een onderzoek naar de reisbureauregeling: Is de eindbestemming in zicht? Naam: T.J. Neijzen Administratienummer: 328689 Opleiding: Master Fiscale Economie - Accent Indirecte Belastingen

Nadere informatie

Besluit van 14 december 2010, nr. DGB2010/6832M, Staatscourant 2010, 20507

Besluit van 14 december 2010, nr. DGB2010/6832M, Staatscourant 2010, 20507 Algemene wet inzake rijksbelastingen. Besluit heffingsrente Directoraat-generaal Belastingdienst, Brieven en beleidsbesluiten Besluit van 14 december 2010, nr. DGB2010/6832M, Staatscourant 2010, 20507

Nadere informatie

UNIVERSITEIT VAN TILBURG

UNIVERSITEIT VAN TILBURG UNIVERSITEIT VAN TILBURG Modernisering van de vrijstelling voor betalingsverkeer Onderzoek naar de reikwijdte en toepassing van de vrijstelling ten behoeve van het moderne betalingsverkeer Naam: A.W. Groeneweg

Nadere informatie

De Nederlandse integratieheffing in Europees perspectief: Is het einde van de Nederlandse integratieheffing nabij?

De Nederlandse integratieheffing in Europees perspectief: Is het einde van de Nederlandse integratieheffing nabij? De Nederlandse integratieheffing in Europees perspectief: Is het einde van de Nederlandse integratieheffing nabij? Door: mr. A.M. Kruijer 2012/2013 Inhoudsopgave Inleiding 3 Hoofdstuk 1 De integratieheffing

Nadere informatie

ABC-transacties binnen de interne markt: geen koud kunstje

ABC-transacties binnen de interne markt: geen koud kunstje ABC-transacties binnen de interne markt: geen koud kunstje mr. I.M. Duinker; mr. P. de Kock 1 Met ingang van 1 januari 2012 zijn in de Wet op de omzetbelasting 1968 wijzigingen aangebracht in het kader

Nadere informatie

de inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur)

de inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur) LJN: BW3414, Gerechtshof Arnhem, 11/00467 en 11/00468 Datum uitspraak: 11-04-2012 Datum publicatie: 20-04-2012 Rechtsgebied: Belasting Soort procedure: Hoger beroep Inhoudsindicatie: Omzetbelasting. De

Nadere informatie

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer) 13 juli 1989*

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer) 13 juli 1989* SKATTEMINISTERIET / HENRIKSEN ARREST VAN HET HOF (Derde kamer) 13 juli 1989* In zaak 173/88, betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Højesteret, in het aldaar aanhangig

Nadere informatie

ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer) 25 oktober 2012 (*)

ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer) 25 oktober 2012 (*) ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer) 25 oktober 2012 (*) Btw Richtlijn 2006/112/EG Artikelen 306-310 Bijzondere regeling voor reisbureaus Vervoerdienst die door reisbureau handelend in eigen naam wordt verricht

Nadere informatie

Plaats van dienst en nieuwe teruggaafprocedure buitenlandse Omzetbelasting per 1 januari 2010

Plaats van dienst en nieuwe teruggaafprocedure buitenlandse Omzetbelasting per 1 januari 2010 Plaats van dienst en nieuwe teruggaafprocedure buitenlandse Omzetbelasting per 1 januari 2010 Onlangs is een wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op de Omzetbelasting 1968 aangenomen. De wijzigingen zien

Nadere informatie

Besluit voorkoming dubbele belasting 2001

Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 Besluit van 21 december 2000, houdende vaststelling van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2008, 574 HOOFDSTUK 1 REIKWIJDTE

Nadere informatie

Verruiming btw-sportvrijstelling

Verruiming btw-sportvrijstelling omzetbelasting Verruiming btw-sportvrijstelling FISCAAL PRAKTIJKBLAD 2015-16 6 oktober 2015 De btw-sportvrijstelling voor sportverenigingen moet op termijn verruimd worden. Dit heeft de Staatssecretaris

Nadere informatie

Datum van inontvangstneming : 29/12/2016

Datum van inontvangstneming : 29/12/2016 Datum van inontvangstneming : 29/12/2016 Vertaling C-580/16-1 Zaak C-580/16 Verzoek om een prejudiciële beslissing Datum van indiening: 17 november 2016 Verwijzende rechter: Verwaltungsgerichtshof (Oostenrijk)

Nadere informatie