Mentaliseren bij de Borderline-persoonlijkheidsstoornis

Save this PDF as:
 WORD  PNG  TXT  JPG

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Mentaliseren bij de Borderline-persoonlijkheidsstoornis"

Transcriptie

1 Mentaliseren bij de Borderline-persoonlijkheidsstoornis Bachelorthese Naam student: Marthe Ligthart Collegekaartnummer: UvA-begeleider: dhr. dr. W.J. Gomperts Aantal woorden: 5.507

2 Inhoudsopgave Samenvatting...3 Inleiding...4 De ontwikkeling van mentaliserend vermogen...5 Mentaliserend vermogen van primaire verzorger en de ontwikkeling van borderline...8 Het mentaliserend vermogen bij borderline patiënten...11 Discussie...13 Literatuur

3 Samenvatting Mentalization-Based Treatment (MBT), ontwikkeld door Bateman en Fonagy (2004), is een nieuwe psychoanalytische behandelmethode voor patiënten met borderline- persoonlijkheidsstoornis en is ontstaan vanuit een visie op de borderline-persoonlijkheidsstoornis als een ontwikkelingsstoornis. MBT maakt gebruik van de hechtingstheorie en gaat uit van een gebrek aan mentaliserend vermogen bij patiënten met borderline. Mentaliseren houdt in dat je het doen, denken en voelen van jezelf en anderen waarneemt en begrijpt vanuit gevoelens, overtuigingen, bedoelingen en verlangens. Het lijkt erop dat er in het ontstaan van borderline-problematiek sprake is van een complex verband tussen het mentaliserend vermogen van de primaire verzorger, de gehechtheidskwaliteit van het kind en een gebrekkig mentaliserend vermogen en problemen in de affect- en impulsregulatie, zelfcoherentie en de representatie van anderen (borderline-problematiek) op latere leeftijd. Ouders die slecht kunnen mentaliseren hebben een grotere kans op een kind dat onveilig gehecht raakt. Dit uit zich op latere leeftijd in een gebrekkig mentaliserend vermogen in de context van gehechtheidrelaties als centaal kenmerk van borderline-problematiek. Borderline-patiënten tonen voornamelijk een gebrekkig mentaliserend vermogen als gevraagd wordt naar een directe focus op mentale toestanden, waarmee men bij de behandeling van patiënten met borderline rekening zou moeten houden. 3

4 1. Inleiding Moeilijke mensen worden ze ook wel genoemd, mensen met borderline-persoonlijkheidsstoornis. Het is een stoornis die gekarakteriseerd wordt door impulsiviteit en instabiliteit in stemming, relaties en het zelfbeeld (APA, 1994). Borderline-persoonlijkheidsstoornis is volgens de DSM-IV-TR met een prevalentie van ongeveer 2% in de algemene bevolking en 20% binnen de GGZ de meest voorkomende persoonlijkheidsstoornis. Er zijn verschillende visies geweest op het ontstaan van de stoornis. Bijvoorbeeld borderline als spectrumstoornis van de schizofrene psychose, borderline als niveau van functioneren, borderline als syndroom, borderline als een spectrumstoornis van de manisch-depressieve psychose en tegenwoordig wordt borderline vooral ook gezien als een ontwikkelingsstoornis. Mentalization-Based Treatment (MBT), ontwikkeld door Bateman en Fonagy (2004) is een nieuwe psychoanalytische behandelmethode voor de behandeling van patiënten met borderlinepersoonlijkheidsstoornis en is ontstaan vanuit een visie op borderline als ontwikkelingsstoornis. Centraal staat een gebrek aan mentaliserend vermogen bij patiënten met borderline. Fonagy, e.a., 2002 verstaan onder mentaliseren het vermogen om over eigen en andermans doen en laten te denken in termen van mental states, in het Nederlands, psychische toestanden. Mentaliseren houdt in dat je het doen, denken en voelen van jezelf en anderen waarneemt en begrijpt vanuit gevoelens, overtuigingen, bedoelingen en verlangens. In dit literatuuroverzicht wordt gekeken naar de rol die mentaliseren mogelijk speelt bij borderline problematiek. Hoe is bijvoorbeeld een gebrekkig mentaliserend vermogen bij patiënten met borderline ontstaan. De visie van Bateman en Fonagy op borderline als ontwikkelingsstoornis is een uitwerking van de psychoanalytische objectrelatietheorie en de hechtingstheorie. De psychoanalytische objectrelatietheorie (Freud, Klein, Bion) geeft een verklaringsmodel waarmee men het functioneren van een persoon ten opzichte van anderen tot op zekere hoogte kan begrijpen en in verband kan brengen met ervaringen en omstandigheden van die persoon. In deze theorie ligt de nadruk op de aanwezigheid van mentale representaties van zelf en ander, van innerlijk-objectrelaties, die hun oorsprong vinden in de vroege moeder-kindrelatie. Net als bijvoorbeeld de interpersoonlijke theorie en de zelfpsychologie, gaat de objectrelatietheorie uit van de essentiële rol die een moeder speelt in de vroege psychische ontwikkeling van een kind. Dit komt door het vermogen van een moeder om de gevoelens van haar kind op de juiste manier te lezen en op de juiste manier op de gevoelens van haar kind te reageren. Dit stelt het kind in staat een stabiel zelf te vormen en zijn emoties te reguleren. Slechte ervaringen met anderen kunnen deze ontwikkeling verstoren. De grondlegger van bovengenoemde hechtingstheorie is John Bowlby (1969). Bowlby zag de kwaliteit van de hechting in de vroege jeugd (tussen kind en primaire verzorger) als de basis voor het psychische functioneren in het latere leven. Volgens Bowlby zoekt een kind niet zozeer een moeder als object, maar meer een gevoel van veiligheid bij haar. Om dit gevoel van veiligheid tot stand te laten komen, is het van belang dat de moeder op een adequate manier op het kind reageert. De mate waarop de opvoeder de signalen van het kind opvangt, juist interpreteert en er effectief op reageert speelt hierbij een belangrijke rol. Dit wordt de sensitiviteit van de ouder genoemd. De manier waarop een kind 4

5 gehecht is, heeft een grote invloed op de manier waarop het kind later zijn innerlijke wereld en relaties met anderen vorm en inhoud geeft. Volgens Fonagy is veilige gehechtheid geassocieerd met de mate waarin de verzorger in staat is sensitief te reageren op de mentale toestand van het kind (Fonagy & Bateman, 2005). De ontwikkeling van het vermogen tot mentaliseren van het kind wordt mede door deze sensitiviteit bepaald. Wanneer het mentaliserend vermogen inadequaat is, bemoeilijkt dit de communicatie met een ander. Een zwak mentaliserend vermogen, dus het vermogen om te reflecteren op het mentaal functioneren in onszelf en anderen blijkt geassocieerd te zijn met verschillende psychologische disfuncties, zowel in de vroege jeugd als op latere leeftijd. Het maakt het contact met jezelf (gevoelens, impulsen, gedachten) en met anderen moeilijk. Veel van de symptomen van borderline die in de DSM-IV-TR staan omschreven hebben te maken met interpersoonlijk disfunctioneren en tekorten in de zelfbeleving en gevoelsregulatie. Om een antwoord te geven op de vraag welke rol mentaliseren bij borderline-problematiek speelt, wordt in de eerste paragraaf van dit literatuuroverzicht gekeken naar de ontwikkeling van het vermogen tot mentaliseren. Welke factoren zijn mogelijk van invloed op het ontstaan van een gebrekkig mentaliserend vermogen? Vervolgens wordt in de tweede paragraaf vanuit de hechtingstheorie specifiek gekeken naar de invloed van een gebrekkig mentaliserend vermogen van de verzorgers op de hechtingsrelatie van het kind. Tot slot wordt gekeken naar het mentaliserend vermogen bij patiënten met borderline, wat is de fenomenologie van borderline vanuit de mentalisatietheorie. 2. De ontwikkeling van mentaliserend vermogen Het verwerven van het vermogen tot mentaliseren is een ontwikkelingsproces. Om te begrijpen hoe een gebrekkig mentaliserend vermogen bij patiënten met borderline mogelijk is ontstaan, wordt in deze paragraaf gekeken naar de theorie over de ontwikkeling van het vermogen tot mentaliseren. Bij de geboorte is een baby nog niet in staat zichzelf en anderen te zien als een psychologisch wezen met eigen gevoelens, overtuigingen en bedoelingen. Het kind is zich niet bewust van de gedachten en gevoelens van zijn verzorger. Vanaf ongeveer 6 maanden is een kind al wel in staat om gedrag te voorspellen vanuit de waarnemingen die het kind doet. Een kind kan dan bij zowel mensen als objecten bedenken dat deze een bepaald doel hebben. Het kind kan acties onderscheiden van de uitkomsten en acties begrijpen als een functie om een bepaald doel te bereiken. Vanuit deze teleologische fase ontwikkelt het kind, binnen de context van interpersoonlijke ervaringen, het vermogen tot mentaliseren (Fonagy et al. 2002). Behalve dat iemand een bepaald doel heeft, kan het kind dan ook bedenken dat dit uit een bepaald verlangen in die persoon voortkomt. Dit ontstaat door middel van de interactie met personen waarbij het mentaliserend vermogen al wel ontwikkeld is. De ontwikkeling van de teleologische fase naar een mentaliserend vermogen is afhankelijk van de kwaliteit van de interpersoonlijke interacties tussen het kind en de verzorger. Volgens Fonagy et al hebben relaties in de vroege jeugd een evolutionaire functie, namelijk om het jonge kind een omgeving te bieden waarbinnen het begrip van mentale toestanden van anderen en zichzelf volledig kan worden ontwikkeld. Bij mensen met een gebrekkig mentaliserend vermogen, waaronder bij uitstek patiënten 5

6 met borderline, zou iets mis zijn gegaan in de vroege emotionele en cognitieve ontwikkeling. Deze ontwikkeling wordt door Fonagy en collega s beschreven aan de hand van de concepten affectieve spiegeling, psychische-equivalentiemodus en alsof-modus. Affectieve spiegeling kan gezien worden als een belangrijke omgevingsfactor die noodzakelijk is voor een gezonde ontwikkeling van het mentaliserend vermogen. Hierbij spiegelt de moeder/vader (primaire verzorger) de gevoelens van het kind (Bateman & Fonagy 2004a). Dit gebeurt door gebruik te maken van gezichts- en vocale uitdrukkingen om de gevoelens die de ouder op dat moment bij het kind denkt waar te nemen, uit te drukken en hiermee het kind te kalmeren. De ouder of verzorger moet in staat zijn om het kind als psychische eenheid te ervaren en te benaderen. De mate waarin de primaire verzorgers beschikken over het vermogen tot mentaliseren is hierbij belangrijk. Zij moeten hun kind zelf begrijpen wat betreft zijn mentale toestanden, zoals impulsen, behoeftes, gevoelens, motieven, om deze aan het kind terug te geven op een non-verbale en verbale wijze die het begrijpt. Het is belangrijk dat dit spiegelen contingent gebeurt. Dit wil zeggen dat de juiste emotie van het kind wordt gespiegeld. Zo leert het kind de emoties herkennen. Wordt dit niet juist gedaan dan blijven de emoties van het kind onbenoemd en verwarrend. Ook is het belangrijk dat op een bepaald gevoel van het kind steeds dezelfde reactie wordt gegeven. Doordat de verzorger het spiegelen contingent doet, leert het kind bepaalde verbanden te leggen tussen eigen handelingen en interne gewaarwordingen en de spiegelende respons hierop. Het bouwt een verwachtingspatroon op. Dit geeft het kind een gevoel van controle op de eigen acties. Daarnaast moet het spiegelen ook gemarkeerd gebeuren. Dit wil zeggen dat de verzorger laat merken dat de spiegeling niet het gevoel van de verzorger zelf is maar het gevoel van het kind. Dit gebeurt meestal door de reflectie te overdrijven (Fonagy et al., 2007; Gergely, 2004). Door middel van een contingente en gemarkeerde affectieve spiegeling door de ouder is het kind in staat een stabiel zelf te vormen en ontwikkelt zich het vermogen om emoties te reguleren. Als het kind gaat ervaren dat de ouder zijn innerlijke toestanden herkent en reguleert, ontstaat geleidelijk het besef en de beheersing van de eigen mentale toestanden en hoeft hij er dus niet meer door overweldigd te worden of er meteen met handelen op te reageren. Bovendien gaat het kind ervaren dat zijn innerlijke toestanden kunnen overeenkomen met die van de ander en er ook van kunnen verschillen. Het eerste begin van zelfbesef en sociaal besef, zelfbeheersing en moreel besef ontstaat dus in de interactie van het kleine kind met een primaire verzorger die voldoende mentaliseert (Gomperts, 2004). In de literatuur wordt verondersteld dat de oorsprong van moeilijkheden met affectregulatie bij patiënten met borderline-persoonlijkheidsstoornis wellicht geassocieerd is met de vroege psychosociale omgeving van de borderline-patiënt. Dat is het geval als zijn of haar innerlijke ervaringen niet adequaat door de verzorger gespiegeld werden (Fonagy & Luyten, 2009). Affectieve uitingen door de ouder die niet contingent zijn, geven geen juiste labeling van de innerlijke toestanden van het kind, wat het kind in verwarring brengt en het voor het kind moeilijk maakt zijn of haar emoties te reguleren. De psychische equivalent-modus is een fase in de vroege jeugd als het vermogen tot mentaliseren nog niet tot ontwikkeling is gekomen. In die prementaliserende fase kunnen fantasie en realiteit nog niet onderscheiden worden door het kind. Een kind kent nog niet het verschil tussen interne werkelijkheid en externe werkelijkheid. Mentale belevingen staan gelijk aan de realiteit. In deze fase kunnen kinderen 6

7 nog niet bedenken dat hun eigen gedachten kunnen veranderen, verkeerd kunnen zijn of kunnen verschillen van de gedachten van een ander persoon. Deze equivalent-modus kan stress veroorzaken omdat de beleving van een fantasie alsof het echt is beangstigend kan zijn. In de alsof-modus is het kind daarentegen wel in staat te fantaseren en te symboliseren. De mentale belevingen staan niet meer gelijk aan de externe realiteit en andersom. Het kind kan alsof-spelletjes doen zonder daar bang van te worden. Bijvoorbeeld net doen of een stoel een tank is zonder te denken dat daar echte granaten uit komen. Een kind begrijpt dat tijdens het spelen je fantasie gebruikt kan worden zolang er maar heel duidelijk een verschil gemaakt wordt tussen een spel en de echte wereld. In de psychische equivalent-modus ervaart het kind alles te echt en de alsof -modus als te onecht. Bij een normale ontwikkeling integreert het kind deze twee modi tot de reflectieve modus ( =mentaliserend vermogen), waarin gedachten en gevoelens als representaties ervaren kunnen worden tewiijl ze niet los staan van de werkelijkheid. Het is hierbij belangrijk dat er veel met het kind gespeeld wordt ( alsof-spelletjes worden gedaan) en dat de ouder hierbij op de juiste manier reflecteert. Het kind ontwikkelt spelenderwijs in interactie met de ander het vermogen tot mentaliseren. Deze ontwikkeling vindt plaats rond het 4 e en 5 e levensjaar. Dit maakt dat het kind gaat begrijpen dat het handelen van andere mensen voortkomt uit gedachten en gevoelens van die andere persoon. Zo worden de acties van anderen voorspelbaar voor een kind en wordt het kind minder afhankelijk. Het kind is bijvoorbeeld in staat te begrijpen wat zijn moeder aan het doen is en waarom. Ook kan een kind nu onderscheid maken tussen de innerlijke wereld en de buitenwereld. Tevens wordt de communicatie gemakkelijker. Zonder een juiste representatie van de mentale toestand van de ander is communicatie zeer beperkt. De ontwikkeling van een mentaliserend vermogen wordt dus beïnvloed door de verzorgers van het kind. De mate waarin de primaire verzorger beschikt over het vermogen tot mentaliseren is hierbij belangrijk. Een contingente en gemarkeerde affectieve spiegeling door de ouder stelt het kind in staat een stabiel zelf te vormen en zijn emoties te reguleren. Spelenderwijs leert een kind de psychische equivalentie-modus en alsof-modus te integreren tot de reflectieve modus, waarin gedachten en gevoelens als representaties ervaren kunnen worden. Bij mensen met een gebrekkig mentaliserend vermogen is dit proces niet goed gegaan. Patiënten met borderline zijn hierdoor geneigd om met name in de context van intieme gehechtheidrelaties terug te vallen in de psychische equivalent-modus of de alsof-modus. Dit wordt in paragraaf 3 verder besproken. Volgens Fonagy is de sensitieve explosiviteit van de verzorger (bepaald door het mentaliserend vermogen van de ouder) op de mentale toestand van het kind geassocieerd met een veilige gehechtheid (Fonagy & Bateman, 2005). Daarom wordt in de volgende paragraaf gekeken naar de invloed van een gebrekkig mentaliserend vermogen van de ouders op de gehechtheid van het kind. 3. Mentaliserend vermogen van primaire verzorger en de ontwikkeling van borderline Bateman & Fonagy (2004) hebben hun model van de borderlineproblematiek gebaseerd op de aanname dat patiënten met een borderline-persoonlijkheidsstoornis onveilig gehecht zijn. In deze paragraaf wordt gekeken naar de invloed van het vermogen tot mentaliseren van de primaire verzorger op de 7

8 hechtingsrelatie van het kind. In paragraaf 1 kwam al naar voren dat de mate waarin de primaire verzorger beschikt over het vermogen tot mentaliseren een belangrijke rol speelt bij de ontwikkeling van het mentaliserend vermogen van een kind. Het mentaliserend vermogen van de ouders heeft ook invloed op de hechting van het kind. Verschillende onderzoeken hiernaar worden hier besproken. Mary Ainsworth ontwikkelde in 1978 de Strange Situation test (Ainsworth, e.a., 1978). Dit is een manier om de kwaliteit van de gehechtheid te meten. Zij maakte als eerste onderscheid tussen veilige en onveilige hechting. Tijdens een gestandaardiseerde procedure in een laboratorium wordt naar drie componenten gekeken: een vreemde omgeving, vreemde personen en scheiding van de moeder. De manier waarop een kind hierop reageert bepaalt of een kind veilig of onveilig gehecht is. Mary Main (1994) ontwikkelde samen met anderen het Adult Attachment interview, waarmee gehechtheidpresentaties bij volwassenen kunnen worden onderzocht. Aan de hand van de coherentie van iemands antwoorden op een set gestructureerde vragen over vroegere gehechtheidervaringen, kunnen de gehechtheidrepresentaties van volwassenen worden gemeten. Een verhaal dat beknopt is en duidelijk, goed georganiseerd en volledig, heeft een hoge score op het item coherentie. De Strange Situation Test en het Adult Attachment Interview worden veel toegepast in onderzoek naar hechtingsrelaties en de invloed van het mentaliserend vermogen van de ouders hierop. Veilige gehechtheid is geassocieerd met sensitieve responsiviteit van de verzorger op de mentale toestand van het kind (Fonagy & Bateman, 2005). Met sensitieve responsiviteit wordt bedoeld: de mate waarop de opvoeder de signalen van zijn kind opvangt, juist interpreteert en er effectief op reageert. Later kwam Fonagy met de term mentaliseren. Studies naar de relatie tussen mentaliserend vermogen van verzorgers en de ontwikkeling van het kind hebben op verschillende manieren het mentaliserend vermogen geconstrueerd: o.a. de caregivers state of mind, Maternal mind-mindedness en Reflective Functioning (RF). Allemaal komen ze op hetzelfde neer, het vermogen van de ouder om het kind als een psychological agent te behandelen, als iemand met eigen gedachten en gevoelens. Een van de eerste studies naar de invloed van het mentaliserend vermogen van de verzorgers op de gehechtheid van het kind was van Fonagy e.a. (1991). Voor het meten van het mentaliserend vermogen bij ouders gebruikte Fonagy en collega s de term Reflective Functioning (RF). Om dit vermogen te operationaliseren gebruikten zij het Adult Attachment Interview van Main. Anders dan bij Main die de gehechtheidsstijlen onderzocht, werd bij het meten van de RF schaal beoordeeld in welke mate de verzorgers bij het beschrijven van hun eigen gedrag en dat van anderen in een hechtingscontext spontaan gebruikmaken van termen als gevoelens, overtuigingen, verlangens en bedoelingen. Hierbij wordt dus gekeken naar het mentaliserend vermogen van de volwassene dat wordt gemeten door middel van het aantal keer dat de volwassene aan mental states uit hun jeugd refereren. Onderzocht werd wat de invloed van het hechtingspatroon van de ouders voor de geboorte van hun eerste kind was op het hechtingspatroon van het kind op 1-jarige leeftijd en op de leeftijd van 18 maanden. Het Adult Attachment Interview werd bij 100 moeders en 100 vaders voor de geboorte van hun kind afgenomen. Vervolgens werd 12 en 18 maanden na de geboorte van de baby s de strange situation test van Ainsworth afgenomen. Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat ouders die een lage score hadden op de RF schaal op basis van het Adult Attachment interview, dus al voor de geboorte van hun kind slecht waren in mentaliseren, een grotere kans hadden dat hun kind op de leeftijd van 12 en 18 8

9 maanden onveilig gehecht bleek aan de hand van de strange situation test. De onderzoekers concludeerden dat de gehechtheidskwaliteit van een kind grotendeels afhankelijk is van het vermogen van de verzorger om voor het kind een omgeving te creëren waarin een veilige hechting kan ontstaan. Dit vermogen wordt weer grotendeels bepaald door het mentaliserend vermogen van de ouders. In een onderzoek van Slade (2005) is eveneens gekeken of het reflectieve vermogen van de ouders van invloed is op de gehechtheidsstijl van het kind. In dit onderzoek is de RF van de ouders niet alleen voor de geboorte van het kind gemeten, maar is eveneens gekeken naar het vermogen van de ouders om te mentaliseren ten aanzien van hun kind op de leeftijd van 10 maanden. Het vermogen van de ouders om te mentaliseren ten aan zien van hun kind werd gemeten met het Parent Development Interview (PDI). Hierbij wordt de ouder geïnterviewd over zijn/haar ouderschapservaringen en representaties. Net als bij het Adult Attachment Interview wordt hierbij beoordeeld in welke mate zij bij het beschrijven van, in dit geval het gedrag van hun kind en van hun eigen gedrag ten opzichte van het kind in een hechtingscontext, gebruikmaken van mentale concepten. Bij 40 moeders werd voor de geboorte van hun kind het Adult Attachment Interview afgenomen. Vervolgens werd 10 maanden na de geboorte van de baby s het Parent Development Interview afgenomen en 14 maanden na de geboorte van de baby s werd de strange situation test van Ainsworth afgenomen. Uit de resultaten van dit onderzoek bleek net als uit het onderzoek van Fonagy e.a. (1991) dat het mentaliserend vermogen van de moeder voor de geboorte van het kind een voorspellende waarde heeft voor de veilige gehechtheid van het kind. Daarnaast bleek ook het mentaliserend vermogen van de ouder ten aanzien van het kind een voorspellende waarde te hebben voor de veilige gehechtheid van het kind. De onderzoekers concludeerden hieruit dat reflective functioning van de ouders een cruciale rol speelt in de intergenerationele overdracht van hechting. Naast de term Reflective Functioning wordt in de literatuur veel gebruikgemaakt van de term Maternal Mind-Mindedness (MMM) om het mentaliserend vermogen van ouders te meten (bijvoorbeeld Meins e.a. (2002) ). MMM lijkt op RF omdat bij beide de capaciteit van de ouder om hun kind als een psychological agent te zien, wordt beoordeeld. De methoden verschillen echter in de operationalisatie. Net als bij Reflective Functioning wordt bij MMM naar de manier van praten gekeken van de ouder over zichzelf, het kind en de relatie met het kind. Daarnaast echter kijkt MMM ook naar real-life interacties tussen ouder en kind. Meins en haar medewerkers maakten gebruik van de MMM-schaal en keken daarbij naar de interactie tussen de moeder en haar zes maanden oude baby in een spelsituatie. Zij onderzochten wat voorspellende factoren zijn voor een veilig gehecht kind. 71 moeders werden samen met hun 6 maanden oude kind gedurende 20 minuten gefilmd in een setting waarbij gevraagd werd om samen te gaan spelen net zoals ze thuis zouden doen. De video werd door de onderzoekers bekeken en hierbij werd gescoord hoeveel keer de moeder psyche-gerelateerd commentaar op de activiteiten van het kind gaf. Het ging hier om commentaar dat paste bij het gedrag van het kind op dat moment. Als de kinderen 12 maanden oud waren, werd vervolgens de strange situation test van Ainsworth afgenomen. Uit de resultaten bleek dat de beoordeling van de mindmindedness van de moeder in de interactie met haar kind op de leeftijd van zes maanden een voorspellende factor was voor de gehechtheidsveiligheid van het kind op de leeftijd van twaalf 9

10 maanden. De onderzoekers concludeerden hieruit dat verschillen in hechtingsstijlen en mentaliserend vermogen mede verklaard kunnen worden door het mentaliserend vermogen van de ouders. Van de patiënten met een borderline-persoonlijkheidsstoornis blijkt 75 tot 90% onveilig gehecht te zijn. Een aantal studies heeft dit aangetoond. De onderzoeker Barone (2003) maakte gebruik van het Adult Attachment Interview om de hechtingsstijlen van 40 patiënten met een borderlinepersoonlijkheidsstoornis te vergelijken met de hechtingsstijlen van 40 niet-klinische individuen. Van de patiënten met borderline-persoonlijkheidsstoornis bleek slechts 7% veilig gehecht. Dit in tegenstelling tot de niet-klinische groep, waarvan 62% veilig gehecht bleek. De onderzoekers Patrick et al. (1994) maakten eveneens gebruik van het Adult Attachment Interview om de hechtingsstijlen van 12 patiënten met borderline-persoonlijkheidsstoornis te vergelijken met de hechtingstijlen van 12 patiënten met een dysthieme stoornis. Patiënten met borderline-persoonlijkheidsstoornis rapporteerden meer verwarring en angst over hun relaties met hechtingsfiguren uit het verleden dan patiënten met een dysthieme stoornis. De hechtingsrelatie van patiënten met borderline was vaker gepreoccupeerd te noemen. Alle 12 borderline-patiënten hadden een gepreoccupeerde hechtingsstijl in tegenstelling tot de patiënten met een dysthieme stoornis, van wie slechts 4 patiënten een gepreoccupeerde hechtingsstijl hadden. Er is echter alleen sprake van een eenzijdig verband tussen een onveilige hechting en borderlinepersoonlijkheidsstoornis. Niet iedereen die in zijn jeugd onveilig gehecht is zal een borderlinepersoonlijkheidsstoornis ontwikkelen. Wel blijkt een onveilig hechtingspatroon in de levensloop relatief stabiel te blijven. In die zin dat patiënten die in hun jeugd onveilig gehecht zijn op latere leeftijd problemen met betrekking tot hechting blijven houden (Hamilton 2000). Om de hechtingsstijl van patiënten met borderline-persoonlijkheidsstoornis op volwassen leeftijd te meten wordt onder andere vaak gebruik gemaakt van The Relationship Questionnaire (Bartholomew & Horowitz, 1991). Deze vragenlijst bestaat uit vier delen waarin een veilige, gepreoccupeerde, angstig-vermijdende en een afwijzende hechting omschreven wordt. Patiënten wordt gevraagd om op een 7-punts schaal aan te geven in hoeverre de uitspraken op hen van toepassing zijn. De onderzoekers Hoermann et al. (2004) maakten gebruik van The Relationship Questionnaire om bij 41 vrouwelijke patiënten met een cluster B persoonlijkheidsstoornis de hechtingsstijl te meten. Alle patiënten op twee na hadden een borderlinepersoonlijkheidsstoornis. Patiënten met borderline-persoonlijkheidsstoornis scoorden het hoogst op de angstig-vermijdende dimensie. Eurlings-Bontekoe et al. (2003) maakten in hun onderzoek ook gebruik van de The Relationship Questionnaire. Zij onderzochten het verband tussen hechting en persoonlijkheidsstoornissen onder 109 2e generatie slachtoffers van de tweede wereldoorlog. Uit hun resultaten bleek dat borderline-persoonijkheidsstoornis significant gerelateerd is met een angstige en gepreoccupeerde hechtingsstijl. Tevens wordt er bij het meten van de hechtingsstijl van patiënten met borderline-persoonlijkheidsstoornis op volwassen leeftijd vaak gebruikgemaakt van The Reciprocal Attachment Questionnaire. The Reciprocal Attachment Questionnaire meet de hechtingsrelatie ten aanzien van een ander met wie de patiënt voor minstens 6 maanden een speciale relatie mee heeft. Dit in tegenstelling tot het Adult Attachment Interview en The Relationship Questionnaire, die naar de algemene hechtingspatronen van een patiënt kijken. Uit onderzoek van Bender et al. (2001) waarbij The Reciprocal Attachment Questionnaire bij 30 patiënten die deelnamen aan een trainingsprogramma afgenomen werd, kwam naar voren dat patiënten met borderline-persoonlijkheidsstoornis hoog 10

11 gecorreleerd waren met de ervaring van het onbeschikbaar zijn van hun partner, angst voor verliezen van de partner en het niet willen wijken van de zijde van de partner. Uit de resultaten bleek echter ook dat dit van toepassing was voor de andere cluster B persoonlijkheidsstoornissen. Wat weer aangeeft dat niet iedereen die onveilig gehecht is een borderline-persoonlijkheidsstoornis zal ontwikkelen maar dat een onveilige hechting ook verband houdt met andere cluster B persoonlijkheidsstoornissen of eventuele andere stoornissen. Met de onderzoeken die in deze paragraaf zijn besproken wordt aangetoond dat mentaliserend vermogen van de ouders invloed heeft op de hechting van het kind. Hiermee zijn we terug bij de theorie van Bowlby, die de kwaliteit van de hechting in de vroege jeugd (tussen kind en primaire verzorger) als basis zag voor het psychische functioneren op latere leeftijd. Onderzoek naar de hechting van patiënten met borderline persoonlijkheidsstoornis toont aan dat patienten met een borderline persoonlijkheidsstoornis vaak onveilig gehecht zijn. Er is waarschijnlijk een complex samenspel tussen het mentaliseren van ouder, veilige gehechtheid van het kind en het latere psychische functioneren van het kind. Een kind is door gebrekkig mentaliserend vermogen van de ouder niet in staat om zelf een goed functionerend mentaliserend vermogen te ontwikkelen. Hoe dit gebrekkig mentaliserend vermogen in patiënten met borderline-persoonlijkheidsstoornis tot uiting komt en is onderzocht, wordt in de volgende paragraaf besproken. 4. Het mentaliserend vermogen bij borderline-patiënten Als men kijkt naar de negen criteria van borderline die in de DSM-IV-TR staan omschreven, heeft veel daarvan te maken met interpersoonlijk disfunctioneren en het slecht kunnen reguleren van eigen emoties en gevoelens. Een gebrekkig mentaliserend vermogen zou hier een belangrijke rol bij kunnen spelen, aangezien mentaliseren verwijst naar de mogelijkheid om gevoelens en intenties van zichzelf en een ander te herkennen. In deze paragraaf wordt het mentaliserend vermogen van patiënten met borderline-persoonlijkheidsstoornis bekeken. Volgens Bateman en Fonagy (2004) zijn de kenmerken van borderline-persoonlijkheidsstoornis onder andere een gevolg van de hechtingsgerelateerde inhibitie van het mentaliserend vermogen. Zij geven aan dat mensen met borderline in staat zijn om normaal te mentaliseren, maar niet in de context van gehechtheidsrelaties. Ze zijn geneigd om zowel andermans als hun eigen gedachten en gevoelens verkeerd te interpreteren als ze geëmotioneerd zijn of als hun relatie met de ander hechter wordt. Op zo n moment kan bij patiënten met borderline-persoonlijkheidsstoornis het vermogen om over de ander en over zichzelf in termen van gedachten en gevoelens te denken plotseling verdwijnen. Elke passerende gedachte voelt dan als echt aan en er zijn geen alternatieve gedachten mogelijk. Fonagy et al geven hierbij aan dat mentaliserende gevolgtrekkingen niet per definitie correcter zijn dan gevolgtrekkingen die gemaakt worden in de teleologische modus. Mentaliserende gevolgtrekkingen zijn daarentegen wel erg waardevol in complexe interpersoonlijke situaties, bijvoorbeeld ten tijde van conflict, misleiding, of irrationaliteiten. Patiënten met borderline kunnen in deze situaties alleen functioneren in de teleologische modus. Dit omdat interpersoonlijke situaties (emotioneel geladen of 11

12 intieme relaties) een beroep doen op relationele representaties die afgeleid zijn van de primaire hechtingsrelatie. Patiënten met borderline hebben niet geleerd te mentaliseren binnen een veilige gehechtheidsrelatie. Fonagy en Luyten (2009) benadrukken de overeenkomsten tussen het jonge kind en de patiënt met borderline-persoonlijkheidsstoornis met betrekking tot een zekerheid die beiden hebben over hun subjectieve ervaringen. Jonge kinderen gaan ervan uit dat alle kennis die ze hebben ook beschikbaar is voor andere personen. Ze gaan ervan uit dat hun eigen kennis de kennis is van iedereen. Patiënten met borderline vallen vaak terug op de psychische-equivalentie-modus. In deze modus worden zaken vaak heel concreet begrepen ( ik voel dat, dus het is zo ), extreem rigide gedachtegangen, absolute overtuigingen van eigen gelijk, de overtuiging gedachten van de ander feilloos te kunnen lezen ( ik weet dat jij...denkt ) enzovoort. Wat de patiënt voelt is gelijk met de werkelijkheid, dus daar kunnen geen vraagtekens bij gezet worden, er bestaan geen alternatieve perspectieven ; het is gewoon zo. Wantrouwende vijandigheid is het affect dat vaak bij deze modus hoort. Agressieve acties kunnen zo ook vaak verklaard worden vanuit deze modus: 'De ander kijkt boos en is dus boos op mij; ik moet mij tegen dit gevaar verdedigen!. (Handboek persoonlijkheidspathologie). Patiënten met borderline kunnen ook terugvallen in de alsof-modus, die is besproken in paragraaf 1. Volgens Bateman en Fonagy (2004a, aangehaald in Eurlings-Bontekoe, 2009) is de alsof-modus gerelateerd aan dissociatie en de ervaring van leegte bij borderline-patiënten. Als borderline-patiënten in de alsof-modus aan het praten zijn, kan het in eerste instantie lijken alsof ze aan het mentaliseren zijn. De mentale toestanden die beschreven worden komen echter weinig overeen met het affect; het verhaal voelt betekenisloos en onecht aan. Er zijn verschillende onderzoeken gedaan om het mentaliserend vermogen van patiënten met borderline-persoonlijkheidsstoornis te meten. Uit onderzoek van Arntz et al kwam naar voren dat borderliners juist relatief goed presteren op experimentele mentalisatietaken als er sprake is van weinig arousal. Zij lieten 16 borderline-patiënten, 16 cluster-c patiënten en 28 controlepatiënten een Advanced Theory of Mind Test doen. Deze test bestaat uit 8 mentale verhaaltjes (verhaaltjes waarin het om psychische verschijnselen gaat, o.a. bluffen, fouten, overtuigingen en leugens) en 8 non-mentale verhaaltjes gevolgd door vragen die gaan over de gedachten, gevoelens en intenties van de karakters uit de verhaaltjes. Uit de resultaten bleek dat borderline-patiënten juist beter waren in het beantwoorden van de vragen dan de niet-patiënten. De onderzoekers concluderen hieruit dat deze bevindingen in strijd zijn met de hypothese dat borderliners een beperkt mentaliserend vermogen hebben. Fonagy en Luyten (2009) beamen dat patiënten met borderline-persoonlijkheidsstoornis relatief goed presteren in een situatie van weinig arousal, maar niet in staat zijn om hun eigen gedachten te kunnen uitleggen onder hoge spanning (en dat zijn bij uitstek situaties waarin het gehechtheidssysteem wordt aangesproken). Ze raken in verwarring over hun mentale toestand op momenten dat ze gedomineerd worden door reflectieve assumpties over de interne status van anderen. Volgens Fonagy en Bateman (2006) is het dan ook antitherapeutisch als psychotherapeuten een beroep te doen op het mentaliserend vermogen van de cliënt in situaties waarin juist intense emotionele reacties naar boven komen (door te vragen naar interpersoonlijke situaties, schaamte, schuld, gevoelens etc), dus op momenten waarop de capaciteit van effectief expliciet mentaliseren niet beschikbaar is. Borderline-patiënten tonen 12

13 voornamelijk een gebrekkig mentaliserend vermogen als gevraagd wordt naar een directe focus op mentale toestanden. Volgens Bateman en Fonagy zijn mensen met borderline dus in staat normaal te mentaliseren. Uit onderzoek is gebleken dat patiënten met borderline-persoonlijkheidsstoornis zelfs goed presteren op experimentele mentalisatietaken. Centraal staat dus dat borderliners gebrekkig mentaliseren in de context van gehechtheidsrelaties. Ze zijn geneigd om zowel andermans als hun eigen gedachten verkeerd te interpreteren als ze geëmotioneerd zijn of zich in een hechtingsrelatie bevinden. 5. Discussie Het lijkt erop dat bij mensen met borderline-problematiek sprake is van een complex verband tussen het mentaliserend vermogen van de verzorger, veilige gehechtheid als kind en een gebrekkig mentaliserend vermogen op latere leeftijd. De ontwikkeling van een mentaliserend vermogen wordt beïnvloed door de verzorgers van het kind. Een contingente en gemarkeerde affectieve spiegeling door de verzorgers stelt het kind in staat een stabiel zelf te vormen en zijn emoties te reguleren. De hechting van het kind speelt hierbij eveneens een rol. Met verschillende onderzoeken is aangetoond dat het mentaliserend vermogen van de verzorgers invloed heeft op de hechting van het kind. Verzorgers die slecht kunnen mentaliseren hebben een grotere kans op een kind dat onveilig gehecht raakt. Dit uit zich op latere leeftijd bij patiënten met borderline-persoonlijkheidsstoornis in een gebrekkig mentaliserend vermogen in de context van gehechtheidrelaties. Hierbij moet wel vermeld worden dat er alleen sprake is van een eenzijdig verband tussen een onveilige hechting en borderline-persoonlijkheidsstoornis. Niet iedereen die in zijn jeugd onveilig gehecht is zal een borderline persoonlijkheidsstoornis ontwikkelen. Omgekeerd blijken patiënten met een borderline-persoonlijkheidsstoornis wel vaak onveilig gehecht (75 tot 90%). De mentalisatietheorie is niet geheel nieuw maar maakt gebruik van al bestaande theorieën als de psychoanalytische objectrelatietheorie en de hechtingstheorie. Deze biedt handvatten voor het begrijpen van de oorzaken van een borderline-persoonlijkheidsstoornis. Ook geeft het een kijk op hoe patiënten met borderline-stoornis het beste behandeld zouden kunnen worden. Zoals al meerdere malen is aangegeven tonen borderline-patiënten voornamelijk een gebrekkig mentaliserend vermogen als gevraagd wordt naar een directe focus op mentale toestanden, een belangrijk onderdeel van veel al bestaande therapievormen. Het is bij patiënten met borderline echter juist antitherapeutisch om als psychotherapeut een beroep te doen op het mentaliserend vermogen van de cliënt in situaties waarin intense emotionele reacties naar boven komen (door te vragen naar interpersoonlijke situaties, schaamte, schuld, gevoelens etc), dus op momenten waarop de capaciteit van effectief expliciet mentaliseren niet beschikbaar is. Mentalization-Based Treatment, ontwikkelt vanuit de mentalisatietheorie, houdt rekening met het gebrekkig mentaliserend vermogen van borderlinepatiënten en is er juist op gericht om de patiënt te laten ontdekken hoe hij over zichzelf en anderen denkt, wat hij daarbij voelt en hoe dat zijn reacties op anderen bepaalt. Het onderzoek naar therapieën 13

14 als Mentalization-Based Treatment is nog maar zeer beperkt en ook de precieze processen die ten grondslag liggen aan de werking hiervan, zijn nog onduidelijk. De onderzoeken die in dit literatuuroverzicht zijn besproken zijn voornamelijk gedaan in experimentele settings met weinig arousal. Dit zegt niets over het mentaliserend vermogen van patiënten met borderline-persoonlijkheidsstoornis onder emotionele omstandigheden in het bijzonder als het gehechtheidssysteem is aangesproken. Vervolgonderzoek zou zich meer moeten richten op het mentaliseren van borderliners bij hoge arousal, in situaties waarbij ze geëmotioneerd raken, in het bijzonder dus in hechtingsrelaties (zoals de therapeutische relatie). Onderzoek naar het mentaliserend vermogen van patiënten met borderline in de in gehechtheidssituaties waaronder de therapeutische setting zou meer inzicht kunnen geven in de het effectief behandelen van patiënten met borderlinepersoonlijkheidsstoornis. Literatuur Ainsworth, M.D.S., Blehar, MC., Waters, E., & Wall, S. (1978). Patterns of attachment. New Jersey, Hifisdale: Lawrence Eribaum. American Psychiatric Association (1994). Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, Fourth Edition. Washington, DC: American Psychiatric Press. Arntz, A., Bernstein, D., Oorschot, M., Robson, K., & Schobre, P. (2006). Theory of mind in borderline and Cluster-C personality disorder: No evidence for deficits. Unpublished manuscript, Maastricht University. Barone, L. (2003). Developmental protective and risk factors in borderline personality disorder: A study using the Adult Attachment Interview. Attachment and Human Development, 5, Bartholomew, K., & Horowitz, L. M. (1991). Attachment styles among young adults: A test of a fourcategory model. Journal of Personality and Social Psychology, 61, Bateman, A.W. & Fonagy, P. (2004a). Mentalization based understanding of borderline personality disorder. Oxford: Oxford University Press. Bateman, A.W. & Fonagy, P. (2004b). Psychotherapy for borderline personality disorder: Mentalization based treatment. Oxford: Oxford University Press. Bender, D. S., Farber, B. A., & Geller, J. D. (2001). Cluster B personality traits and attachment. Journal of the American Academy of Psychoanalysis and Dynamic Psychiatry, 29, Bowlby, J. (1969). Attachment: Attachment and Loss (vol. 1). New York: Basic Books. Eurelings Bontekoe, E. M., Verschuur, M. J., & Schreuder, B. (2003). Personality, temperament, and attachment style among offspring of WWII victims: An integration of descriptive and structural features of personality. Traumatology, 9, Fonagy, P. & Bateman, A. (2005). Attachment theory and mentalization-oriented model o borderline personality disorder. In: E.H.M. Eurlings-Bontekoe, R. Verheul, W.M. Snellen. Handboek persoonlijkheids-pathologie (p. 265). Houten: Bohn Stafleu van Loghum. 14

15 Fonagy, P., Gergely, G., Jurist, E., & Target, M. (2002). Affect regulation, mentalization, and the development of the self. New York: Other Press. Fonagy, P., Gergely, G., & Target, M. (2007). The parent infant dyad and the construction of the subjective self. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 48, Fonagy, P., Luyten, P. (2009). A developmental, mentalization-based approach to the understanding and treatment of borderline personality disorder. Development and Psychopathology 21, Fonagy, P., Steele, H., Moran, G., Steele, M., & Higgitt, A. (1991). The capacity for understanding mental states: The reflective self in parent and child and its significance for security of attachment. Infant Mental Health Journal, 13, Fonagy, P. & Target, M. (2003). Psychoanalytic theories: perspectives from developmental psychopathalogy. In: E.H.M. Eurlings-Bontekoe, R. Verheul, W.M. Snellen. Handboek persoonlijkheids-pathologie (p. 2660). Houten: Bohn Stafleu van Loghum. Gergely, G. (2004). The role of contingency detection in early affect regulative interactions and in the development of different types of infant attachment. Social Behavior, 13, Gomperts, W.J. (2003). Een psychoanalyse van massaal geweld. Proces. Tijdschrift voor berechting en reclassering, 82, 3, Gomperts, W.J. (2006). Mindless mind en massamoord. In: Verheugt-Pleiter J.E. (red.) Psychoanalyse anno nu. Assen: Van Gorcum. Hamilton, C. E. (2000). Continuity and discontinuity of attachment from infancy through adolescence. Child Development, 71, Hoermann, S., Clarkin, J. F., Hull, J. W., & Fertuck, E. A. (2004). Attachment dimensions as predictors of medical hospitalizations in individuals with DSM-IV Cluster B personality disorders. Journal of Personality Disorders, 18, Meins, E., Fernyhough, C., Wainwright, R., Das Gupta, M., Fradley, E., & Tuckey, M. (2002) Maternal mind-mindedness and attachment security as predictors of theory of mind understanding. Child Development, 73, Patrick, M., Hobson, P., Castle, D., Howard, R., & Maughan, B. (1994). Personality disorder and the mental representation of early social experience. Development and Psychopathology, 6, Slade, A. (2005). Parental reflective functioning: An introduction. Attachment and Human Development, 7, Formatted: English Formatted: English Formatted: English (U.S.) 15

Focus op mentaliseren

Focus op mentaliseren Tessa Mol 1 Focus op mentaliseren Een effectieve attitude in de behandeling van de borderline persoonlijkheidsstoornis Opinie De verpleegkundige in de geestelijke gezondheidszorg (ggz) ervaart de patiënt

Nadere informatie

DDMBT. Robert Spierings & Peter Bleumer

DDMBT. Robert Spierings & Peter Bleumer DDMBT Mentaliseren en verslavingsproblematiek Gebrekkig mentaliseren als ingang van de behandeling van clienten met een borderline persoonlijkheidsstoornis en verslavingsproblematiek. Robert Spierings

Nadere informatie

Hechting en hechtingsproblemen. Risico- en beschermende factoren

Hechting en hechtingsproblemen. Risico- en beschermende factoren Hechting en hechtingsproblemen Risico- en beschermende factoren September 2017 2017 Nederlands Jeugdinstituut Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk,

Nadere informatie

De Stille kracht van impliciet mentaliseren toont zich in het beeldend proces.

De Stille kracht van impliciet mentaliseren toont zich in het beeldend proces. De Stille kracht van impliciet mentaliseren toont zich in het beeldend proces. Brigitte Plum Beeldend Therapeut GGZ Mondriaan - PSYQ Maastricht - MBT Deeltijd 19-6-2015 1 Opbouw presentatie 1. De aanleiding

Nadere informatie

Cover Page. The handle http://hdl.handle.net/1887/22989 holds various files of this Leiden University dissertation

Cover Page. The handle http://hdl.handle.net/1887/22989 holds various files of this Leiden University dissertation Cover Page The handle http://hdl.handle.net/1887/22989 holds various files of this Leiden University dissertation Author: Pouw, Lucinda Title: Emotion regulation in children with Autism Spectrum Disorder

Nadere informatie

Mentaliseren en geestelijke verzorging

Mentaliseren en geestelijke verzorging Mentaliseren en geestelijke verzorging Mentalization Based Treatment als onderbouwing voor geestelijke verzorging Master these Geestelijke Verzorging Rijksuniversiteit Groningen Eerste begeleider: dr.

Nadere informatie

DE THERAPEUT ONDER VUUR MENTALIZATION-BASED TREATMENT EN AGRESSIE BIJ ASPS EN BPS. AD GERRITSEN, UTRECHT, 12 november 2010 INHOUD PRESENTATIE

DE THERAPEUT ONDER VUUR MENTALIZATION-BASED TREATMENT EN AGRESSIE BIJ ASPS EN BPS. AD GERRITSEN, UTRECHT, 12 november 2010 INHOUD PRESENTATIE DE THERAPEUT ONDER VUUR MENTALIZATION-BASED TREATMENT EN AGRESSIE BIJ ASPS EN BPS AD GERRITSEN, UTRECHT, 12 november 2010 INHOUD PRESENTATIE MENTALISEREN ONTWIKKELINGSMODEL BPS EN ASPS VORMEN VAN AGRESSIE

Nadere informatie

Wat weet u nog over HECHTING

Wat weet u nog over HECHTING Wat weet u nog over HECHTING John Bowlby 1907-1990 Hechtingstheorie HECHTING BOWLBY : Attachment theory : Hechting : is een duurzame emotionele binding tussen het kind en zijn verzorgers intern schema

Nadere informatie

DIT NEDERLAND www.d-i-t.eu. www.d-i-t.org. DYNAMIC INTERPERSONAL THERAPY (DIT) VOOR DEPRESSIE EN ANGSTSTOORNISSEN PERSOONLIJKHEIDSPROBLEMATIEK

DIT NEDERLAND www.d-i-t.eu. www.d-i-t.org. DYNAMIC INTERPERSONAL THERAPY (DIT) VOOR DEPRESSIE EN ANGSTSTOORNISSEN PERSOONLIJKHEIDSPROBLEMATIEK DIT NEDERLAND www.d-i-t.eu www.d-i-t.org. DYNAMIC INTERPERSONAL THERAPY (DIT) VOOR DEPRESSIE EN ANGSTSTOORNISSEN PERSOONLIJKHEIDSPROBLEMATIEK SOMATISCH ONVERKLAARBARE LICHAMELIJKE KLACHTEN Wat is DIT?

Nadere informatie

Mentaliseren Bevorderende Therapie (MBT) voor cliënten met een borderline persoonlijkheidsstoornis

Mentaliseren Bevorderende Therapie (MBT) voor cliënten met een borderline persoonlijkheidsstoornis Mentaliseren Bevorderende Therapie (MBT) voor cliënten met een borderline persoonlijkheidsstoornis Informatie voor cliënten en hun verwijzers Mentaliseren Bevorderende Therapie voor cliënten met een borderline

Nadere informatie

Inleiding. Familiale kwetsbaarheid en geslacht. Samenvatting

Inleiding. Familiale kwetsbaarheid en geslacht. Samenvatting Inleiding Depressie en angst zijn veel voorkomende psychische stoornissen. Het ontstaan van deze stoornissen is gerelateerd aan een breed scala van risicofactoren, zoals genetische kwetsbaarheid, neurofysiologisch

Nadere informatie

Red cheeks, sweaty palms, and coy-smiles: The role of emotional and sociocognitive disturbances in child social anxiety M. Nikolić

Red cheeks, sweaty palms, and coy-smiles: The role of emotional and sociocognitive disturbances in child social anxiety M. Nikolić Red cheeks, sweaty palms, and coy-smiles: The role of emotional and sociocognitive disturbances in child social anxiety M. Nikolić Rode wangen, zweethanden en coy-smiles: De rol van emotionele en socio-cognitieve

Nadere informatie

Richtlijn Gezonde slaap en slaapproblemen bij kinderen (2017)

Richtlijn Gezonde slaap en slaapproblemen bij kinderen (2017) Richtlijn Gezonde slaap en slaapproblemen bij kinderen (2017) Hechtingsrelatie Zelfregulatie en interactie tijdens de nacht Onderdeel van de discussie rond sensitief en responsief ouderschap richt zich

Nadere informatie

Van Hé, hier ben ik tot Ha, daar ben jij

Van Hé, hier ben ik tot Ha, daar ben jij Van Hé, hier ben ik tot Ha, daar ben jij Floortime: ontwikkelingsgerichte therapie, met ouders en het jonge kind aan het werk Jo Wellens, kinder- en jeugdpsychiater & Ilse Vansant, psycholoog afdeling

Nadere informatie

Reactieve hechtingsstoornis; een diagnose in beweging. Band Gedrag Interactie Relatie Stoornis Mentale representatie

Reactieve hechtingsstoornis; een diagnose in beweging. Band Gedrag Interactie Relatie Stoornis Mentale representatie Carlo Schuengel, Orthopedagogiek VU Reactieve hechtingsstoornis; een diagnose in beweging Signaleren verstoord gehechtheidsgedrag Verschillende betekenissen van gehechtheid Band Gedrag Interactie Relatie

Nadere informatie

Our brains are not logical computers, but feeling machines that think.

Our brains are not logical computers, but feeling machines that think. Drs. Fernando Cunha (Child Support Europe) Ontwikkelingspsycholoog Gezondheidspsycholoog (BIG) Kinder- en Jeugdpsycholoog (NIP) Onderwijsspecialist http://www.child-support-europe.com In dienst van kinderen,

Nadere informatie

Samenvatting Dit proefschrift beschrijft een aantal onderzoeken op het gebied van gehechtheid en psychosociaal functioneren in de volwassenheid. In hoofdstuk 1 wordt een overzicht gegeven van de gehechtheidstheorie.

Nadere informatie

Samenvatting (Summary in Dutch)

Samenvatting (Summary in Dutch) Samenvatting (Summary in Dutch) Het aantal eerste en tweede generatie immigranten in Nederland is hoger dan ooit tevoren. Momenteel wonen er 3,2 miljoen immigranten in Nederland, dat is 19.7% van de totale

Nadere informatie

Storm, het Zelf en de Ander tijdens de Adolescentie. Studiedag NVPP, 4 november 2016 Lidewij Gerits

Storm, het Zelf en de Ander tijdens de Adolescentie. Studiedag NVPP, 4 november 2016 Lidewij Gerits Storm, het Zelf en de Ander tijdens de Adolescentie Studiedag NVPP, 4 november 2016 Lidewij Gerits Casus (1) Tracy, 13 jaar Ouders gescheiden, woont met moeder en oudere broer. Moeder is een alleenstaande

Nadere informatie

Chronisch, herhaald suicidaal gedrag bij borderline-patienten. Bert van Luyn Brugge, Plenaire middagsessie

Chronisch, herhaald suicidaal gedrag bij borderline-patienten. Bert van Luyn Brugge, Plenaire middagsessie Chronisch, herhaald suicidaal gedrag bij borderline-patienten Bert van Luyn Brugge, Plenaire middagsessie 1445-1615 Verschillende vormen van (chronisch) suïcidaal gedrag Suicidale Phenotypen 1. reactief,

Nadere informatie

Samenvatting (Summary in Dutch)

Samenvatting (Summary in Dutch) Samenvatting (Summary in Dutch) SAMENVATTING Jaarlijks wordt 8% van alle kinderen in Nederland prematuur geboren. Ernstige prematuriteit heeft consequenties voor zowel het kind als de ouder. Premature

Nadere informatie

Annah Planjer Klinisch psycholoog- psychotherapeut. Supervisor NVP (Volwassenen) en VKJP (Kinder &Jeugd)

Annah Planjer Klinisch psycholoog- psychotherapeut. Supervisor NVP (Volwassenen) en VKJP (Kinder &Jeugd) Spiegeltjes van Malkander : mentaliseren, gehechtheid en de therapeutische relatie. Annah Planjer Klinisch psycholoog- psychotherapeut Supervisor NVP (Volwassenen) en VKJP (Kinder &Jeugd) Mentaliseren:

Nadere informatie

Onderlinge verbondenheid. begeleiding en zorg voor mensen met een verstandelijke en/of andere beperkingen

Onderlinge verbondenheid. begeleiding en zorg voor mensen met een verstandelijke en/of andere beperkingen Onderlinge verbondenheid begeleiding en zorg voor mensen met een verstandelijke en/of andere beperkingen Onderlinge verbondenheid Alleen in verbondenheid met de ander kan je mens zijn. Door de ander ontdek

Nadere informatie

Grensoverschrijdend gedrag. Les 2: inleiding in de psychopathologie

Grensoverschrijdend gedrag. Les 2: inleiding in de psychopathologie Grensoverschrijdend gedrag Les 2: inleiding in de psychopathologie Programma Psychopathologie; wat is het? Algemene functionele psychopathologie DSM Psychopathologie = Een onderdeel van de psychiatrie

Nadere informatie

Geven en ontvangen van steun in de context van een chronische ziekte.

Geven en ontvangen van steun in de context van een chronische ziekte. Een chronische en progressieve aandoening zoals multiple sclerose (MS) heeft vaak grote consequenties voor het leven van patiënten en hun intieme partners. Naast het omgaan met de fysieke beperkingen van

Nadere informatie

Disclosure. Wie doorbreekt de cirkel van mishandeling? Kindermishandeling. Comorbiditeit. Prevalentie in Nederland. Prevalentie in Nederland

Disclosure. Wie doorbreekt de cirkel van mishandeling? Kindermishandeling. Comorbiditeit. Prevalentie in Nederland. Prevalentie in Nederland Disclosure Wie doorbreekt de cirkel van? Prof.dr. Lenneke Alink Kinder Kinder is elke vorm van voor een minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die

Nadere informatie

De invloed van affectieve betrokkenheid op moeilijk verstaanbaar gedrag

De invloed van affectieve betrokkenheid op moeilijk verstaanbaar gedrag Date 14-10-2011 1 De invloed van affectieve betrokkenheid op moeilijk verstaanbaar gedrag Marga Martens Promovenda Rijksuniversiteit Groningen Consulent doofblindheid Koninklijke Kentalis Begeleiderscongres

Nadere informatie

Reactieve hechtingsstoornis; een diagnose in beweging. Band Gedrag Interactie Relatie Stoornis Mentale representatie

Reactieve hechtingsstoornis; een diagnose in beweging. Band Gedrag Interactie Relatie Stoornis Mentale representatie Carlo Schuengel, Orthopedagogiek VU Signaleren verstoord Reactieve hechtingsstoornis; een diagnose in beweging Verschillende betekenissen van gehechtheid Band Gedrag Interactie Relatie Stoornis Mentale

Nadere informatie

MBT-F in gezinnen waarbij uithuisplaatsing dreigt of heeft plaatsgevonden. Nicole Muller 8 juni 2012

MBT-F in gezinnen waarbij uithuisplaatsing dreigt of heeft plaatsgevonden. Nicole Muller 8 juni 2012 MBT-F in gezinnen waarbij uithuisplaatsing dreigt of heeft plaatsgevonden Nicole Muller 8 juni 2012 Savanna Psychotische moeder Happy family? Dilemma van uithuisplaatsen Kinderen in jeugdtehuizen 'schokkend

Nadere informatie

Introductie. Katrien Zabeau. 9 oktober Symposium Opvoeden anno 2015

Introductie. Katrien Zabeau. 9 oktober Symposium Opvoeden anno 2015 Katrien Zabeau Symposium Opvoeden anno 2015 9 oktober 2015 Psychoanalytische pedagogiek: opvoedingsondersteuning en psychotherapie aan kinderen en jongeren (Een andere visie op de psychoanalytische pedagogiek:

Nadere informatie

Exposure to Parents Negative Emotions in Early Life as a Developmental Pathway in the Intergenerational Transmission of Depression and Anxiety E.

Exposure to Parents Negative Emotions in Early Life as a Developmental Pathway in the Intergenerational Transmission of Depression and Anxiety E. Exposure to Parents Negative Emotions in Early Life as a Developmental Pathway in the Intergenerational Transmission of Depression and Anxiety E. Aktar Summary 1 Summary in Dutch (Samenvatting) Summary

Nadere informatie

Jantine Spilt, Conferentie SBOwerkverband 2012

Jantine Spilt, Conferentie SBOwerkverband 2012 Jantine Spilt, Conferentie SBOwerkverband 2012 Gedragsproblemen in context Gedragsproblemen in context Gedragsproblemen in context Gedragsproblemen in context PROBLEEM Probleemgedrag 5 Faculteit der Psychologie

Nadere informatie

Het Mamatrauma. Symposium: Trauma van wieg tot volwassenheid 15 maart Margriet Wentink

Het Mamatrauma. Symposium: Trauma van wieg tot volwassenheid 15 maart Margriet Wentink Het Mamatrauma Symposium: Trauma van wieg tot volwassenheid 15 maart 2016 Margriet Wentink 0 PROGRAMMA Wat is het? Hoe ontstaat het? Hoe werkt het? Welke gevolgen heeft het? De bron. Meergenerationele

Nadere informatie

Bijlage 25: Autismespectrumstoornis in DSM-5 (voorlopige Nederlandse vertaling) 1

Bijlage 25: Autismespectrumstoornis in DSM-5 (voorlopige Nederlandse vertaling) 1 Bijlage 25: Autismespectrumstoornis in DSM-5 (voorlopige Nederlandse vertaling) 1 Moet voldoen aan de criteria A, B, C en D A. Aanhoudende tekorten in sociale communicatie en sociale interactie in meerdere

Nadere informatie

De rol van sekse, hechting en autonomie in as-i en persoonlijkheidspathologie.

De rol van sekse, hechting en autonomie in as-i en persoonlijkheidspathologie. De rol van sekse, hechting en autonomie in asi en persoonlijkheidspathologie. Drs. N. Bachrach GZ psycholoog io Klinisch psycholoog VVGI Externpromovendus UvT Promotor Prof. Dr. M. Bekker Copromotor: Dr.

Nadere informatie

Severity Indices for Personality Problems (SIPP-118 en SIPP-SF) Laura Weekers & Annelies Laurenssen Trimbos Instituut, 3 februari 2016

Severity Indices for Personality Problems (SIPP-118 en SIPP-SF) Laura Weekers & Annelies Laurenssen Trimbos Instituut, 3 februari 2016 Severity Indices for Personality Problems (SIPP-118 en SIPP-SF) Laura Weekers & Annelies Laurenssen Trimbos Instituut, 3 februari 2016 Inhoud Theoretische achtergrond Ontwikkeling SIPP Domeinen en facetten

Nadere informatie

Executieve functies en emotieregulatie. Annelies Spek Klinisch psycholoog/senior onderzoeker Centrum autisme volwassenen, GGZ Eindhoven

Executieve functies en emotieregulatie. Annelies Spek Klinisch psycholoog/senior onderzoeker Centrum autisme volwassenen, GGZ Eindhoven Executieve functies en emotieregulatie Annelies Spek Klinisch psycholoog/senior onderzoeker Centrum autisme volwassenen, GGZ Eindhoven Inhoud 1. Executieve functies en emotieregulatie 2. Rol van opvoeding

Nadere informatie

Spoken bestaan niet. Over trauma, hechting en ouderlijke verantwoordelijkheid. Elisa Van Ee. 2 cogiscope 0413 Spoken bestaan niet

Spoken bestaan niet. Over trauma, hechting en ouderlijke verantwoordelijkheid. Elisa Van Ee. 2 cogiscope 0413 Spoken bestaan niet 2 cogiscope 0413 Spoken bestaan niet Elisa Van Ee Over trauma, hechting en ouderlijke verantwoordelijkheid Spoken bestaan niet Congolees gezin in het AZC Katwijk, 2011 (Marcel van den Bergh/HH). Spoken

Nadere informatie

Ouders gebruiken voor het temperament van hun kind(eren) spontaan woorden als

Ouders gebruiken voor het temperament van hun kind(eren) spontaan woorden als 1 Temperament van het kind en (adoptie)ouderschap Sara Casalin Ouders gebruiken voor het temperament van hun kind(eren) spontaan woorden als verlegen, blij, impulsief, zenuwachtig, druk, moeilijk, koppig,

Nadere informatie

Persoonlijkheidsstoornis Cluster C

Persoonlijkheidsstoornis Cluster C Persoonlijkheidsstoornis Cluster C Deze folder geeft informatie over de diagnostiek en behandeling van cluster C persoonlijkheidsstoornissen. Wat is een cluster C Persoonlijkheidsstoornis? Er bestaan verschillende

Nadere informatie

OUDERS EN HET JONGE KIND WERKEN IN DE TRIADE

OUDERS EN HET JONGE KIND WERKEN IN DE TRIADE OUDERS EN HET JONGE KIND WERKEN IN DE TRIADE Lidewei Chavannes: klinisch psycholoog, psychotherapeut, IMH specialist Triade THERE IS NO SUCH THING AS A BABY. Winnicott Visie diagnostiek en behandeling

Nadere informatie

Internaliserende stoornissen, sekse en emotieregulatie

Internaliserende stoornissen, sekse en emotieregulatie Internaliserende stoornissen, sekse en emotieregulatie Dr. Annemiek Karreman Departement Medische en Klinische Psychologie, Tilburg University Deze presentatie Twee experimentele studies naar de rol van

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting

Nederlandse samenvatting Addendum A 173 Nederlandse samenvatting Het doel van het onderzoek beschreven in dit proefschrift was om de rol van twee belangrijke risicofactoren voor psychotische stoornissen te onderzoeken in de Ultra

Nadere informatie

MOEILIJKE MENSEN? HTTP://WWW.YOUTUBE.COM/WATCH?V=GGHL0QQUXVU&FEATURE=REL ATED. Bernard Kloostra en Alie Schenk, Frontlijnteam 19-04-2012

MOEILIJKE MENSEN? HTTP://WWW.YOUTUBE.COM/WATCH?V=GGHL0QQUXVU&FEATURE=REL ATED. Bernard Kloostra en Alie Schenk, Frontlijnteam 19-04-2012 MOEILIJKE MENSEN? HTTP://WWW.YOUTUBE.COM/WATCH?V=GGHL0QQUXVU&FEATURE=REL ATED Bernard Kloostra en Alie Schenk, Frontlijnteam 19-04-2012 Moeilijke mensen, ze zijn overal. In je huis, in je buurt, op je

Nadere informatie

Ambulante Mentalisatie Bevorderende Therapie

Ambulante Mentalisatie Bevorderende Therapie Ambulante Mentalisatie Bevorderende Therapie Wubbo Scholte (w.scholte@degelderseroos.nl), klinisch psycholoog, is hoofd zorgprogramma Persoonlijkheidsstoornissen van de Gelderse Roos en lid van de wetenschapscommissie

Nadere informatie

Wanneer de vlag de lading niet meer dekt: over het gebruik van labels voor stoornissen

Wanneer de vlag de lading niet meer dekt: over het gebruik van labels voor stoornissen Wanneer de vlag de lading niet meer dekt: over het gebruik van labels voor stoornissen Het moeilijke kind stelt ons vragen: Wie is de volwassene is die hem of haar zo moeilijk vindt? Met welke ver(w)achtingen

Nadere informatie

Over hard werken, verbinden, humor & houden van!!!

Over hard werken, verbinden, humor & houden van!!! Over hard werken, verbinden, humor & houden van!!! Lonneke Mechelse, GZ psycholoog BIG, Registerpsycholoog NIP Arbeid & Organisatie bij Peptalk Delft, (generalistische basis GGZ) & Mentaal Beter Gouda

Nadere informatie

Autisme, wat weten we?

Autisme, wat weten we? Autisme, wat weten we? Matt van der Reijden, kinder- en jeugdpsychiater & geneesheer directeur Dr Leo Kannerhuis, Oosterbeek 1 autisme agenda autisme autisme en het brein: wat weten we? een beeld van autisme:

Nadere informatie

Inhoud. - Hechting - Werkplek - Visie - Video-interactiebegeleiding - Tot slot

Inhoud. - Hechting - Werkplek - Visie - Video-interactiebegeleiding - Tot slot Wie Ben ik? Inhoud - Hechting - Werkplek - Visie - Video-interactiebegeleiding - Tot slot Kind en ziekenhuis Ouderparticipatie september 1993 Kind en ziekenhuis kindgericht = gezinsgericht februari 2009

Nadere informatie

Persoonlijkheidsstoornissen bij Ouderen LOAG 20 maart 2013

Persoonlijkheidsstoornissen bij Ouderen LOAG 20 maart 2013 Persoonlijkheidsstoornissen bij Ouderen LOAG 20 maart 2013 Het komt overal voor Agenda at is de persoonlijkheid anneer spreken we over een stoornis at betekent dit voor ons als arts? Persoonlijkheidstrekken

Nadere informatie

Inhoud 20-10-2011. Gehechtheidstheorie: Cees Janssen Gevaar van chronische stress Bewijs: onderzoek Sterkenburg

Inhoud 20-10-2011. Gehechtheidstheorie: Cees Janssen Gevaar van chronische stress Bewijs: onderzoek Sterkenburg 1 Inhoud Gehechtheidstheorie: Cees Janssen Gevaar van chronische stress Bewijs: onderzoek Sterkenburg Praktijk: Tineke Pilon Consequenties voor praktijk: alles is liefde 2 Definitie Gehechtheidsband Met

Nadere informatie

Aandachtsklachten en aandachtsstoornissen worden geobserveerd in verschillende volwassen

Aandachtsklachten en aandachtsstoornissen worden geobserveerd in verschillende volwassen SAMENVATTING Aandachtsklachten en aandachtsstoornissen worden geobserveerd in verschillende volwassen klinische populaties, waaronder ook de Aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit (ADHD). Ook al wordt

Nadere informatie

het laagste niveau van psychologisch functioneren direct voordat de eerste bestraling begint. Zowel angstgevoelens als depressieve symptomen en

het laagste niveau van psychologisch functioneren direct voordat de eerste bestraling begint. Zowel angstgevoelens als depressieve symptomen en Samenvatting In de laatste 20 jaar is er veel onderzoek gedaan naar de psychosociale gevolgen van kanker. Een goede zaak want aandacht voor kanker, een ziekte waar iedereen in zijn of haar leven wel eens

Nadere informatie

No part of this book may be reproduced in any way whatsoever without the written permission of the publisher.

No part of this book may be reproduced in any way whatsoever without the written permission of the publisher. Bedankt voor het downloaden van dit artikel. De artikelen uit de (online)tijdschriften van Uitgeverij Boom zijn auteursrechtelijk beschermd. U kunt er natuurlijk uit citeren (voorzien van een bronvermelding)

Nadere informatie

Voel jij wat ik bedoel? www.psysense.be 17/5/2008

Voel jij wat ik bedoel? www.psysense.be 17/5/2008 Voel jij wat ik bedoel? www.psysense.be 17/5/2008 Gevoel en emoties / definitie Emoties: in biologische zin: affectieve reacties. Prikkeling van dit systeem geeft aanleiding tot allerlei lichamelijke reacties.

Nadere informatie

TSCYC Ouderversie. Vragenlijst over traumasymptomen bij jonge kinderen. Jeroen de Groot. ID 256-18 Datum 24.12.2014. Informant:

TSCYC Ouderversie. Vragenlijst over traumasymptomen bij jonge kinderen. Jeroen de Groot. ID 256-18 Datum 24.12.2014. Informant: TSCYC Ouderversie Vragenlijst over traumasymptomen bij jonge kinderen ID 256-18 Datum 24.12.2014 Informant: Mieke de Groot-Aerts moeder TSCYC Inleiding 2 / 10 INLEIDING De TSCYC is een vragenlijst die

Nadere informatie

Veiligheid en welbevinden. Hoofdstuk 1

Veiligheid en welbevinden. Hoofdstuk 1 30 Veiligheid en welbevinden Kees (8) en Lennart (7) zitten in de klimboom. Kees geeft Lennart een speels duwtje en Lennart geeft een duwtje terug. Ze lachen allebei. Maar toch kijkt Lennart even om naar

Nadere informatie

Inhoudsopgave Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.

Inhoudsopgave Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Validatie van het EHF meetinstrument tijdens de Jonge Volwassenheid en meer specifiek in relatie tot ADHD Validation of the EHF assessment instrument during Emerging Adulthood, and more specific in relation

Nadere informatie

Omdat uit eerdere studies is gebleken dat de prevalentie, ontwikkeling en manifestatie van gedragsproblemen samenhangt met persoonskenmerken zoals

Omdat uit eerdere studies is gebleken dat de prevalentie, ontwikkeling en manifestatie van gedragsproblemen samenhangt met persoonskenmerken zoals Gedragsproblemen komen veel voor onder kinderen en adolescenten. Als deze problemen ernstig zijn en zich herhaaldelijk voordoen, kunnen ze een negatieve invloed hebben op het dagelijks functioneren van

Nadere informatie

Evidence based behandeling van borderline patiënten: mentalisation based

Evidence based behandeling van borderline patiënten: mentalisation based Evidence based behandeling van borderline patiënten: mentalisation based therapy (MBT), transference focused therapy, schema gerichte therapie en dialectische gedragstherapie op één podium Dawn Bales Mentaliseren

Nadere informatie

Executieve functies binnen de vroegbehandeling. Evelien Dirks NSDSK

Executieve functies binnen de vroegbehandeling. Evelien Dirks NSDSK Executieve functies binnen de vroegbehandeling Evelien Dirks NSDSK Van der Lem symposium september 2015 De6initie Executieve functies = parapluterm Executieve functies: Vaardigheden die nodig zijn om een

Nadere informatie

Voor wie doen we de Meldactie NZa?

Voor wie doen we de Meldactie NZa? Stichting STRAKX Onderzoek en Innovatie Vroegkinderlijke Chronische Traumatisering Volwassenen (VCT-V) STRAKX is een schakel tussen in de kinderjaren chronisch getraumatiseerde volwassenen, behandelaren,

Nadere informatie

Persoonlijkheidsstoornissen Kortdurend Behandelaanbod

Persoonlijkheidsstoornissen Kortdurend Behandelaanbod Persoonlijkheidsstoornissen Kortdurend Behandelaanbod U bent niet de enige Een op de tien Nederlanders heeft te maken met een persoonlijkheidsstoornis of heeft trekken hiervan. De Riagg Maastricht is gespecialiseerd

Nadere informatie

Tussendoelen domein SOCIAAL EMOTIONELE ontwikkeling. Zelfbeeld. *bron: SLO ;6 4 4;6 5 5;6 6 6,6 7

Tussendoelen domein SOCIAAL EMOTIONELE ontwikkeling. Zelfbeeld. *bron: SLO ;6 4 4;6 5 5;6 6 6,6 7 1 Tussendoelen domein SOCIAAL EMOTIONELE ontwikkeling Zelfbeeld 1. Gebruikt en begrijpt het woord wij. 2. Ontdekt verschillen en overeenkomsten tussen zichzelf en de anderen in de groep. 3. Toont non-verbaal

Nadere informatie

Inhoud. Deel I Veranderen 25

Inhoud. Deel I Veranderen 25 Inhoud Inleiding Psychoanalyse in ontwikkeling 13 Deel I Veranderen 25 1 Het psychoanalytisch kader 27 1.1 Inleiding 27 1.2 Bewust-onbewust 27 1.3 Intersubjectiviteit en innerlijk werkmodel 29 1.4 Twee

Nadere informatie

Training Omgaan met Agressie en Geweld

Training Omgaan met Agressie en Geweld Training Omgaan met Agressie en Geweld 2011 Inleiding In veel beroepen worden werknemers geconfronteerd met grensoverschrijdend gedrag, waaronder agressie. Agressie wordt door medewerkers over het algemeen

Nadere informatie

Samenvatting (Dutch summary)

Samenvatting (Dutch summary) Parenting Support in Community Settings: Parental needs and effectiveness of the Home-Start program J.J. Asscher Samenvatting (Dutch summary) Ouders spelen een belangrijke rol in de ontwikkeling van kinderen.

Nadere informatie

Mary Main en Erik Hesse: van gedrag naar representatie en AAI. Peter Fonagy en Mary Target. Reflexieve functie en verbinding met moderne psychoanalyse

Mary Main en Erik Hesse: van gedrag naar representatie en AAI. Peter Fonagy en Mary Target. Reflexieve functie en verbinding met moderne psychoanalyse John Bowlby 1907-1990 Brits psychoanalyticus. Attachment, Separation en Loss Mary Ainsworth (1913-1999) Strange Situation Mary Main en Erik Hesse: van gedrag naar representatie en AAI Peter Fonagy en Mary

Nadere informatie

Borderline in het gezin. Koos Krook, sr. preventiefunctionaris GGZ Midden Brabant

Borderline in het gezin. Koos Krook, sr. preventiefunctionaris GGZ Midden Brabant Borderline in het gezin. Koos Krook, sr. preventiefunctionaris GGZ Midden Brabant Inleiding - Stellingen. - Ontstaan psychiatrische aandoeningen. - Wat zien naastbetrokkenen. - Invloed van borderline op

Nadere informatie

wetenschappelijk onderzoek op de afdeling Psychotherapie Riagg Rijnmond

wetenschappelijk onderzoek op de afdeling Psychotherapie Riagg Rijnmond wetenschappelijk onderzoek op de afdeling Psychotherapie Riagg Rijnmond ESPRi 3 oktober 2013 kees kooiman afdeling Psychotherapie doelgroepen patiënten met ernstige persoonlijkheidspathologie bij ontregeling

Nadere informatie

De Jutters centrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie. Mentaliseren Bevorderende Therapie voor kinderen Nicole Muller

De Jutters centrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie. Mentaliseren Bevorderende Therapie voor kinderen Nicole Muller De Jutters centrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie Mentaliseren Bevorderende Therapie voor kinderen Nicole Muller Iedere volwassene is kind geweest. Risicoclassificaties van kinderen die kunnen leiden

Nadere informatie

Nieuwsbrief voor ouders. Universiteit van Amsterdam. De sociale ontwikkeling van kinderen. Amsterdam, april 2012, jaargang 5, nr.

Nieuwsbrief voor ouders. Universiteit van Amsterdam. De sociale ontwikkeling van kinderen. Amsterdam, april 2012, jaargang 5, nr. Nieuwsbrief voor ouders De sociale ontwikkeling van kinderen Universiteit van Amsterdam Amsterdam, april 2012, jaargang 5, nr. 1 Beste ouder, Door middel van deze nieuwsbrief willen wij u op de hoogte

Nadere informatie

Samenvatting (Summary in Dutch)

Samenvatting (Summary in Dutch) Samenvatting (Summary in Dutch) * 132 Baby s die te vroeg geboren worden (bij een zwangerschapsduur korter dan 37 weken) hebben een verhoogd risico op zowel ernstige ontwikkelingproblemen (zoals mentale

Nadere informatie

De arts-patiëntverhouding anders bekeken I. DE GROOTE, A.DE RICK

De arts-patiëntverhouding anders bekeken I. DE GROOTE, A.DE RICK H U I S A R T S & P R A K T I J K D E H E C H T I N G B O R D E R L I N E P E R S O O N L I J K H E I D S S T O O R N I S E N De arts-patiëntverhouding anders bekeken I. DE GROOTE, A.DE RICK De borderlinepersoonlijkheidsstoornis

Nadere informatie

Is het includeren van een natuurrijke setting, honden en paarden in een psychodynamische psychotherapie behulpzaam?

Is het includeren van een natuurrijke setting, honden en paarden in een psychodynamische psychotherapie behulpzaam? Is het includeren van een natuurrijke setting, honden en paarden in een psychodynamische psychotherapie behulpzaam? Een theoretische beschouwing over de meerwaarde van het inzetten van dieren bij Equine

Nadere informatie

Seksualiteit en ASS. Presentatie symposium pleegzorg 19 juni 2014. presentatie symposium pleegzorg

Seksualiteit en ASS. Presentatie symposium pleegzorg 19 juni 2014. presentatie symposium pleegzorg Seksualiteit en ASS Presentatie symposium pleegzorg 19 juni 2014 programma Opfrissen van informatie over ASS (heel kort het spectrum toelichten). ASS en seksualiteit belichten. Seksuele en relationele

Nadere informatie

Hechtingsangst en -vermijding bij kinderen en adolescenten

Hechtingsangst en -vermijding bij kinderen en adolescenten Psychodiagnostiek Issue Issue / Series / Title PsychoPraktijk Issue / Series / Volume Nr 1 Issue / Date 2014 Issue / Pages / First Page Issue / Pages / Last Page Hechtingsangst en -vermijding bij kinderen

Nadere informatie

Wat beantwoordt. De Pleegouder Pleegkind Interventie. (Over stress en reactie) Door H.W.H. van Andel; GGZ Dimence

Wat beantwoordt. De Pleegouder Pleegkind Interventie. (Over stress en reactie) Door H.W.H. van Andel; GGZ Dimence Wat beantwoordt De Pleegouder Pleegkind Interventie (Over stress en reactie) Door H.W.H. van Andel; GGZ Dimence Symposium Pleegzorg 12-06-2012 1 Risico s voor jonge kinderen die in pleegzorg komen Life

Nadere informatie

ONTWIKKELING VAN EMOTIEREGULATIE EN DE ROL VAN DE GEHECHTHEIDSRELATIE. DR. PAULA STERKENBURG PAULA STERKENBURG

ONTWIKKELING VAN EMOTIEREGULATIE EN DE ROL VAN DE GEHECHTHEIDSRELATIE. DR. PAULA STERKENBURG PAULA STERKENBURG ONTWIKKELING VAN EMOTIEREGULATIE EN DE ROL VAN DE GEHECHTHEIDSRELATIE. DR. PAULA STERKENBURG PAULA STERKENBURG ONTWIKKELING VAN EMOTIEREGULATIE EN DE ROL VAN DE GEHECHTHEIDSRELATIE. 1. Stress/angst 2.

Nadere informatie

borderline persoonlijkheidsstoornis Dr. Josephine Giesen-Bloo Capaciteitsgroep Clinical Psychological Science Universiteit Maastricht

borderline persoonlijkheidsstoornis Dr. Josephine Giesen-Bloo Capaciteitsgroep Clinical Psychological Science Universiteit Maastricht Schema therapie voor mensen met een borderline persoonlijkheidsstoornis Dr. Josephine Giesen-Bloo Capaciteitsgroep Clinical Psychological Science Universiteit Maastricht Opzet q De Borderline persoonlijkheidsstoornis

Nadere informatie

Proefschrift. Cannabis use, cognitive functioning and behaviour problems. Merel Griffith - Lendering. Samenvatting

Proefschrift. Cannabis use, cognitive functioning and behaviour problems. Merel Griffith - Lendering. Samenvatting Proefschrift Cannabis use, cognitive functioning and behaviour problems Merel Griffith - Lendering Samenvatting Het gebruik van cannabis is gerelateerd aan een breed scala van psychische problemen, waaronder

Nadere informatie

Hoofdlijnen van de gehechtheidstheorie

Hoofdlijnen van de gehechtheidstheorie Hoofdlijnen van de gehechtheidstheorie Henk Stulp Inleiding De gehechtheidstheorie is binnen de psychologie een centrale rol gaan spelen in het beschrijven en verklaren van de meest uiteenlopende gedragingen

Nadere informatie

Karen J. Rosier - Brattinga. Eerste begeleider: dr. Arjan Bos Tweede begeleider: dr. Ellin Simon

Karen J. Rosier - Brattinga. Eerste begeleider: dr. Arjan Bos Tweede begeleider: dr. Ellin Simon Zelfwaardering en Angst bij Kinderen: Zijn Globale en Contingente Zelfwaardering Aanvullende Voorspellers van Angst bovenop Extraversie, Neuroticisme en Gedragsinhibitie? Self-Esteem and Fear or Anxiety

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting

Nederlandse samenvatting Nederlandse samenvatting Uit crosscultureel onderzoek is bekend dat de cultuur waarin men opgroeit van jongs af aan invloed heeft op emotie-ervaringen en emotie-uitingen. Veel minder bekend is in welke

Nadere informatie

Infant Mental Health

Infant Mental Health Infant Mental Health WAIMH Vlaanderen wants you! WAIMH Vlaanderen VZW Draagvlak uitbouwen voor IMH professionals 16 november 2017 20u Antwerpen www.waimh-vlaanderen.be Ik zie u graag Motherhood constellation

Nadere informatie

General Personality Disorder. A study into the Core Components of Personality Pathology J.G. Berghuis

General Personality Disorder. A study into the Core Components of Personality Pathology J.G. Berghuis General Personality Disorder. A study into the Core Components of Personality Pathology J.G. Berghuis SAMENVATTING General Personality Disorder H. Berghuis Hoofdstuk 1 is de inleiding van dit proefschrift.

Nadere informatie

4.4 Hechting en scheiding

4.4 Hechting en scheiding 4.4 Hechting en scheiding 155 In het leven van elk kind komt er een moment waarop ze zich los moeten maken van hun eerste verzorger. Voor sommige kinderen gebeurt dat al heel vroeg doordat ouders bijvoorbeeld

Nadere informatie

Theorie over mentaliseren

Theorie over mentaliseren Theorie over mentaliseren Wat is mentaliseren? Mentaliseren is iets, wat iedereen doet en wat iedereen in meerdere of mindere mate kan. Het betekent dat je beseft dat gedrag (externe toestanden), voortkomt

Nadere informatie

DSM-5: Nieuw, maar ook beter? Arq Herfstsymposium vrijdag 25 november 2016

DSM-5: Nieuw, maar ook beter? Arq Herfstsymposium vrijdag 25 november 2016 DSM-5: Nieuw, maar ook beter? Arq Herfstsymposium vrijdag 25 november 2016 Psychotrauma en stressorgerelateerde stoornissen Marloes de Kok, GZ-psycholoog Marthe Schneijderberg, orthopedagoog Psychotrauma

Nadere informatie

HOOFDSTUK 1: INLEIDING

HOOFDSTUK 1: INLEIDING 168 Samenvatting 169 HOOFDSTUK 1: INLEIDING Bij circa 13.5% van de ouderen komen depressieve klachten voor. Met de term depressieve klachten worden klachten bedoeld die klinisch relevant zijn, maar niet

Nadere informatie

Hoofdstuk 9 Oefeningen

Hoofdstuk 9 Oefeningen Hodstuk 9 De eerste stap in werken aan jezelf is ook meteen de belangrijkste stap: Het durven onderkennen van je innerlijke conflicten en dat je daardoor je emoties nog niet voor je kan laten werken. De

Nadere informatie

Hechting en Psychose: Attachment and Psychosis:

Hechting en Psychose: Attachment and Psychosis: Hechting en Psychose: Bieden Hechtingskenmerken een Verklaring voor het Optreden van Psychotische Symptomen? Attachment and Psychosis: Can Attachment Characteristics Account for the Presence of Psychotic

Nadere informatie

Hechting en psychopathologie: de reflectieve functie

Hechting en psychopathologie: de reflectieve functie Hechting en psychopathologie: de reflectieve functie N.J. NICOLAI N. J. Nicolai is psychiater-psychoanalyticus en werkzaam in eigen praktijk. Achtergrond Stoornissen in het reflectief functioneren of mentaliseren

Nadere informatie

De Relatie tussen Mindfulness en Psychopathologie: de Mediërende. Rol van Globale en Contingente Zelfwaardering

De Relatie tussen Mindfulness en Psychopathologie: de Mediërende. Rol van Globale en Contingente Zelfwaardering De Relatie tussen Mindfulness en Psychopathologie: de Mediërende Rol van Globale en Contingente Zelfwaardering The relation between Mindfulness and Psychopathology: the Mediating Role of Global and Contingent

Nadere informatie

Tussendoelen sociaal - emotionele ontwikkeling - Relatie met andere kinderen

Tussendoelen sociaal - emotionele ontwikkeling - Relatie met andere kinderen Tussendoelen sociaal - emotionele ontwikkeling - Relatie met andere kinderen 1. Kijkt veel naar andere kinderen. 1. Kan speelgoed met andere kinderen 1. Zoekt contact met andere kinderen 1. Kan een emotionele

Nadere informatie

Indicatiestelling voor behandeling vanuit het PO : een heilige graal? Bert van Rossum, klinisch psycholoog

Indicatiestelling voor behandeling vanuit het PO : een heilige graal? Bert van Rossum, klinisch psycholoog Indicatiestelling voor behandeling vanuit het PO : een heilige graal? Bert van Rossum, klinisch psycholoog Congres: Laten professionals hun werk goed doen! Ede,12 10 2015 Ervaren clinici om de heilige

Nadere informatie

Traumasensitief opvoederschap

Traumasensitief opvoederschap Traumasensitief opvoederschap Onderzoek naar vergroten van sensitiviteit van pedagogisch medewerkers, pleeg- en opvoedouder voor traumaervaringen van de kinderen die zij opvoeden en begeleiden Spirit,

Nadere informatie

Contact maken, Wat is dat?

Contact maken, Wat is dat? Contact maken, Wat is dat? 2 december 2015, Deventer Derek Strijbos d.strijbos@dimence.nl Contact maken, Wat is dat? 1. Contact en autisme 2. Het conceptuele probleem 3. Een filosofisch voorstel 4. Hoe

Nadere informatie