153 «/OR» Bank- en effectenrecht

Save this PDF as:
 WORD  PNG  TXT  JPG

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "153 «/OR» Bank- en effectenrecht"

Transcriptie

1 153 «/OR» Bank- en effectenrecht Bank- en effectenrecht «/OR» Rechtbank Rotterdam 24 november 2011 en 15 maart 2012, reg.nr. AWB 11/2632 BC-T2, LJN BU6966 en BV9210 (mr. Van Nifterick, mr. Rapmund, mr. Jurgens) Noot mr. V.H. Affourtit Pensioenfonds. Beleggingsbeleid pensioenfondsen conform prudent-person regel (art. 135 Pw). Open norm. DNB moet als toezichthouder per pensioenfonds maatwerk verrichten. DNB heeft in het bestreden besluit niet duidelijk invulling gegeven aan de open norm. Motiveringsgebrek niet hersteld. Beroep gegrond. [Penwart. 135,171] - De tussenuitspraak van 24 november Een pensioenfonds voert een beleggingsbeleid in overeenstemming met de prudent-person regel. Deze regel is in de Pensioenfondsenrichtlijn (2003/41/EG) niet gedefinieerd, net zo min ais in de Pw. Art. 135 Pw is een open norm. Wat betreft de invulling van deze open norm wordt door de wetgever aangegeven dat de regel het best wordt benaderd in het uitgangspunt dat de waarden op zodanige wijze worden belegd dat de veiligheid, de kwaliteit, de iiquiditeit en het rendement van de portefeuille als geheef worden gewaarborgd. Dit heeft zijn weerslag gekregen in het bepaalde in art. 13 Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen ("Bestu ft FTK"), welke bepaling eveneens als een open norm kan worden aangemerkt. l\aet eiseres, de Stichting Pensioenfonds Vereenigde Giasfabneken ("het fonds"), is de rechtbank van oordeel dat het fonds, om de rechten van deelnemers en pensioengerechtigden afdoende te beschermen, moet kunnen kiezen voor een attocatie van activa die nauwkeung strookt met de aard en de looptijd van hun verpuchtingen, zolang het resuitaat van de prudent-person regel wordt behaald. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het antwoord op de vraag of het fonds voldoet aan art. 135 Pw afhankelijk is van de specifieke omstandigheden binnen het fonds. Van gevai tot gevai zai beoordeeid moeten worden of het fonds de in art. 135 Pw neergelegde norm heeft nageleefd. Als publiekrechteiijke regels ter nadere invuiting van de open normen ontbreken ofop hun beurt vaag zijn, brengt dat met zich dat voor het bestuursorgaan dat belast is met de controle op de naleving van dergelijke open normen hoge eisen aan de motivenng worden gesteld. DNB moet als toezichthouder per pensioenfonds maatwerk verrichten. Dat geen ander pensioenfonds op dezeifde wijze in goud heeft beiegd, acht de rechtbank een onvoidoende motivenng datniet aan art. 135 Pw wordt voidaan. Ook de vaststelling dat het fonds met de belegging in goud afwijkt van de Goldman Sachs Commodity Index ("GSCI") is onvoldoende gemotiveerd. Waarom de GSCi teidend voor de invulling van deze open norm zou zijn, wordt in het bestreden bestu ft immers niet gemotiveerd. Onduideiijk biijft derhalve op welke wijze DNB - op maat - invuiting heeft gegeven aan de normen en of deze voor het fonds voidoende kenbaar zijn geweest. De rechtbank steft DNB in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak en met inachtneming van hetgeen in deze tussenuitspraak is overwogen, het motivenngsgebrek in het bestreden besluit te herstellen. - De einduitspraak van 15 maart Naar het oordeei van de rechtbank is er nog steeds geen sprake van een deugdelijke motivenng. De rechtbank begrijpt dat de beoordeiing van de vraag of het percentage dat is belegd in goud bovenmatig is, kan afhangen van de samenstelling van de rest van de portefeuiue, maar dat is nu juist niet gemotiveerd door DNB. DNB heeft op geen enkeie wijze inzichteiijk gemaakt waarom een belegging van 13% in goud niet conform de prudent-person norm is en een belegging van 3%, gelet op de samensteiiing van de beleggingsportefeuille en de specifteke omstandigheden van het pensioenfonds, wel. DNB heeft de door de rechtbank bij haar tussenuitspraak geconstateerde gebreken niet herstetd. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit, bepaaft dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besiuit, hetgeen in dft geval inhoudt dat het bezwaar gegrond wordt verkiaard en het primaire bestu ft wordt herroepen en bepaalt dat ter voorbereiding op een nadere uitspraak over de omvang van de schadevergoeding het onderzoek wordt heropend. Stichting Pensioenfonds Vereenigde te Gorinchem, eiseres, gemachtigde: prof dr. E. Lutjens, tegen De Nederlandsche Bank NV, verweerster, gemachtigde: mr. C.M. Bitter. 24 november 2011 (tussenuitspraak) Glasfabrieken 1. Ontstaan en loop van de procedure Bij besluit op bezwaar van 16 mei 2011 (hierna: het bestreden besluit) heeft DNB het bezwaar van het fonds tegen de bij besluit van 20 januari 2011 (hierna: het primaire besluit) aan het fonds gegeven aanwijzing, die ertoe strekt dat het fonds haar beleggingsportefeuille in goud blijvend afbouwt - afliankelijk van de uiteindelijk samen te steuen assetmix - tot een percentage gelegen tussen 1 en 3%, ongegrond verklaard en de aanwijzing onder aanvuuing van de motivering gehandhaafd. Het fonds heeft beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Voorts is namens het fonds verschenen ir. D. van Ek, werkzaam bij Mercer Nederland B.V. en adviseur van het fonds. Namens het fonds is voorts verschenen de heer [A], lid van het bestuur van het fonds. Namens DNB zijn verder vier medewerkers verschenen onder wie drs. [B] en mr. [C]. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artücel 171, eerste lid, van de Pensioenwet (hierna: Pw) kan DNB een pensioenuitvoerder die niet voldoet aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald, door middel van het geven van een aanwijzing verplichten om binnen een door de toezichthouder gestelde redelijke termijn ten aanzien van in de aanwijzingsbeschikking aangegeven punten eeri bepaalde gedragslijn te volgen Artücel 135 van de Pw luidt: "1. Een pensioenfonds voert een beleggingsbeleid dat in overeenstemming is met de prudent-person regel en met name gebaseerd is op de volgende uitgangspunten: a. de waarden worden belegd in het belang van aanspraak- en pensioengerechtigden; en b. (...); c. de beleggingen worden gewaardeerd op basis van marktwaardering. 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden ter waarborging van het prudente beleggingsbeleid nadere regels gesteld. 3. De (...) regels die op grond van het tweede lid worden gesteld ten aanzien van de diversificatie van waarden zijn niet van toepassing op beleggingen in staatsobligaties." In de Memorie van toelichting van het wetsvoorstel Pw is onder meer het volgende overwogen (Kamerstukken II2005/06, , nr. 3, p ): "De inhoud van dit artücel is gebaseerd op artikel 9ba, zoals dat is geformuleerd in het wetsvoorstel ter implementatie van richtiijn 2003/41/EG (Kamerstuklcen II2004/05,30 104, nr. 2). Het beleggingsbeleid van een pensioenfonds moet zijn gebaseerd op de prudent personregel. De prudent person-regel wordt door de richtiijn niet gedefinieerd. De richtlijn formuleert wel een aantal uitgangspunten. De regel wordt het best benaderd in het uitgangspunt dat de waarden op zodanige wijze worden belegd dat de veüigheid, de kwahteit, de Uquiditeit en het rendement van de portefeuiue als geheel worden gewaarborgd. Tevens dienen de waarden uitsluitend te worden belegd in het belang van de aanspraak- en de pensioengerechtigden Artikel 13 van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen (hierna: Besluh FTK) luidt, voor zover hier van belang: "1. De waarden worden op zodanige wijze belegd dat de veüigheid, de kwaliteit, de liquiditeit en het rendement van de portefeuiue als geheel zijn gewaarborgd. 2. Waarden die ter dekking van de technische voorzieningen worden aangehouden, worden belegd op een wijze die strookt met de aard en de duur van de verwachte toekomstige pensioenuitkeringen. (...) 5. De waarden worden naar behoren gediversifieerd zodat een bovenmatige afhankelijkheid van of vertrouwen in bepaalde waarden, of een bepaalde emittent van waarden of groep van ondernemingen en risicoaccumulatie in de portefeuille als geheel worden vermeden Op 18 augustus 2010 heeft op uitnodiging van DNB een gesprek plaatsgevonden met een delegatie van het bestuur van het fonds. Tijdens 1366 /Mrisprarfenf/e Ondernemingsrecht , afl. 5 Sdu Uitgevers Sdu Uitgevers /«n'spn/c/enöe Ondernemingsrecht , afl

2 153 «/OR» Bank- en effectenrecht Bank- en effectenrecht «/OR» 153 dit gesprelc iieeft DNB het fonds meegedeeld dat het fonds een te groot deel van de beleggingsportefeuille belegt in slechts één "sub-assetclass", te weten goud, en dat hierdoor sprake is van een concentratierisico. Naar de mening van DNB is deze belegging vanwege het risico niet in het belang van deelnemers van het fonds en dient deze belegging afgebouwd te worden. Het fonds heeft DNB laten weten de visie van DNB niet te onderschrijven. Na correspondentie over en weer heeft DNB het bij het bestreden besluft gehandhaafde primaire besluit genomen In het bestreden besluit overweegt DNB onder meer: "(...) Pensioenfonds Glasfabrieken belegt meer dan 13% van de beleggingsportefeuille in één asset, goud. Ter vergelijking: het gemiddelde dat Nederlandse pensioenfondsen die in grondstoffen beleggen in grondstoffen hebben belegd, bedraagt ongeveer 2,7%), waarbij binnen dft percentage gewoonlijk nog een spreiding plaatsvindt over diverse subcategorieën. Voorts wijst DNB er op dat in de leidende grondstoffenindex (GSCI) goud slechts een belangvan ongeveer 3% vertegenwoordigt in de categorie grondstoffen. Indien Pensioenfonds Glasfabrieken binnen de beleggingscategorie grondstoffen een spreiding had aangebracht in lijn met de GSCI, had dit geresulteerd in een belegging in goud van ongeveer 0,5% in tegenstelling tot de geconstateerde belegging in goud van ruim 13%. Reeds op basis hiervan is naar het oordeel van DNB geen sprake van een handelen zoals een voorzichtig, verstandig en zorgvuldig handelend pensioenfonds in vergehjkbare omstandigheden zou doen. Daar komt nog het volgende bij. (...) Pensioenfonds Glasfabrieken belegt bovenmatig in één individuele waarde, waardoor een waardedaling van goud desastreuze gevolgen kan hebben voor het fondsvermogen als geheel. DNB heeft de risicoverdeling binnen de gehele portefeuille van Pensioenfonds Glasfabrieken in haar beoordehng betrokken en is tot de conclusie gekomen dat Pensioenfonds Glasfabrieken onvoldoende spreiding aanbrengt in haar beleggingsportefeuille en dat de beleggingsportefeuille daarmee onvoldoende is gediversifieerd. Per 30 september 2010 was volgens opgave van Pensioenfonds Glasfabrieken, de verdeling in de beleggingsportefeuille 77,8% staatsobligaties, 13% goud, 8,3%) cash en overige posten en 1,1% onroerend goed. 13% van het vermogen is belegd in de categorie grondstoffen en die 13% is bovendien volledig belegd in één waarde, zijnde goud. De bovenmatige belegging in één individuele waarde, goud, heeft als risico dat een daling van de goudprijs zeer negatieve gevolgen kan hebben voor het fondsvermogen als geheel. Pensioenfonds Glasfabrieken maakt zich hierdoor, in strijd met artikel 13, vijfde lid Besluft FTK, in haar beleggingsportefeuille bovenmatig afhankelijk van en heeft een bovenmatig vertrouwen in één bepaalde waarde. Dat de overige beleggingen wel in overeenstemming met de Pw zijn belegd doet aan de bovenmatige afhankelijkheid van en vertrouwen in de belegging in goud binnen de totale beleggingsportefeuiue niet af (...) Voorts miskent Pensioenfonds Glasfabrieken dat een concentratie van de belegging van ruim 13% van het vermogen in één individuele belegging, in strijd is met 4e verplichting van het pensioenfonds tot diversificatie van de beleggingen, ongeacht of dit in goud of een andere individuele belegging is. Alleen voor staatsobligaties maakt artikel 135, derde lid Pw een uhzondering Het fonds betoogt dat het doel, zekerheid verschaffen voor het niet wegzakken van de waarde van het vermogen van het fonds, met beleggen in goud kon worden bereikt. Beleggen in goud moet men beoordelen naar de situatie van het moment, rekening houdende met de verwachte ontwikkelingen in de financiële markten en de voorzichtigheidsprincipes die in acht genomen moeten worden. Het fonds meent dat van concentratie geen sprake is, en al helemaal niet van een bovenmatige concentratie. 13% is immers een beperkt deel van het vermogen. Daarnaast is er geen sprake van concentratierisico. Daarbij is van belang dat het fonds een goudprijs-monitoring beleid heeft en goud makkelijk en snel verkocht kan worden als daartoe een noodzaak zou zijn. Er is geen sprake van bovenmatige afhankelijkheid van of vertrouwen in de goudbelegging of van een te vermij den risicoaccumulatie in de portefeuiue als geheel Beoordeling In artikel 135 van de Pw en de daarop gebaseerde bepalingen van het Besluft FTK zijn de eisen ten aanzien van beleggingen opgenomen. Een pensioenfonds voert een beleggingsbeleid in overeenstemming met de prudent-person regel. De prudent-person regel is in de Pensioenfondsenrichtlijn (2003/41/EG) niet gedefinieerd, net zo min als in de Pw. Artikel 135 van de Pw is een open norm. Wat betreft de invuuing van deze open norm wordt door de wetgever aangegeven dat de regel het best wordt benaderd in het uftgangspunt dat de waarden op zodanige wijze worden belegd dat de veüigheid, de kwahteit, de liquiditeft en het rendement van de portefeuüle als geheel worden gewaarborgd. Dit heeft zijn weerslag gekregen in het bepaalde van artücel 13 van het Besluft FTK, weuce bepaling eveneens als een open norm kan worden aangemerkt In het primahe besluit tot het geven van de aanwijzing wordt door DNB gesteld dat sprake is van een te geconcentreerde positie in één specifiek asset, waarbij wordt gewezen op de Goldman Sachs Commodity Index (GSCI) waarin het aandeel goud slechts 3,13% is. Ter vergelijking overweegt DNB dat het aandeel commodities in de totale beleggings-portefeuiue bij het fonds hoog, namelijk 13-15%, was en bovendien binnen de commodityportefeuue het aandeel goud 100% was. In het bestreden besluft wordt de GSCI als leidend aangemerkt en overwogen dat reeds op basis hiervan geen spralce is van het voldoen aan de prudent-person regel. Verder wordt ter vergelijking verwezen naar het beleggingsbeleid van andere Nederlandse pensioenfondsen ten aanzien van de grondstoffenbeleggingen. Uft het bestreden besluft leidt de rechtbank aldus af dat de open normen van artikel 135 van de Pw en artikel 13 van het Besluft FTK door DNB zodanig zijn ingevuld dat afwijlcend beleggen van de GSCI in strijd kan Icomen met artikel 135 van de Pw en dat de beleggingsportefeuiue niet te zeer mag afwijken van die van andere pensioenfondsen. Daarnaar gevraagd ter zitting is echter door de gemachtigde van DNB gesteld dat het hier niet gaat om een invuuing van de open norm, maar om aanknopingspunten, hetgeen de rechtbank in het hcht van de tekst van het bestreden besluit niet goed kan plaatsen. DNB steft in het bestreden besluft wehswaar dat zij de risicoverdeling binnen de gehele portefeuüle van Pensioenfonds Glasfabrieken in haar beoordelüig heeft betrokken, maar onduidelijk blijft welk toetsingskader DNB daarvoor heeft gebruikt en weuce maatstaven DNB daarvoor heeft gehanteerd en of deze voor het fonds voldoende kenbaar zijn geweest Met het fonds is de rechtbank van oordeel dat het fonds, om de rechten van deelnemers en pensioengerechtigden afdoende te beschermen, moet kunnen kiezen voor een auocatie van activa die nauwkeurig strookt met de aard en de looptijd van hun verplichtingen, zolang het resultaat van' de prudent-person regel wordt behaald Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het antwoord op de vraag of het fonds voldoet aan artikel 135 van de Pw afhankelijk is van de specifielce omstandigheden binnen het fonds. Van geval tot geval (van pensioenfonds tot pensioenfonds) zal beoordeeld moeten worden of het fonds de in artikel van de 135 van de Pw neergelegde norm heeft nageleefd. Als publiekrechtelijke regels ter nadere invulhng van de open normen ontbreken of op hun beurt vaag zijn, brengt dat met zich dat voor het bestuursorgaan dat belast is met de controle op de naleving van dergelijke open normen hoge eisen aan de motivering worden gesteld DNB moet als toezichthouder per pensioenfonds maatwerk verrichten. Dat geen ander pensioenfonds op dezelfde wijze in goud heeft belegd, acht de rechtbank een onvoldoende motivering dat niet aan artikel 135 van de Pw wordt voldaan. Ook de vaststeuing dat het fonds met de belegging in goud afwijkt van de GSCI is onvoldoende gemotiveerd. Waarom de GSCI leidend voor de invulling van deze open norm zou zijn, wordt in het bestreden besluft immers niet gemotiveerd. Onduidelijk blijft derhalve op welke wijze DNB - op maat - invuuing heeft gegeven aan de normenen of deze voor het fonds voldoende kenbaar zijn geweest Uft het bovenstaande vloeit voort dat naar het oordeel van de rechtbank het bestreden besluft een deugdelijke motivering ontbeert. Met verwijzing naar artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht steft de rechtbank DNB in de gelegenheid dft gebrek te herstellen. De rechtbankbepaaft de termijn waarbinnen het gebrek door DNB kan worden hersteld op vier weken. Indien DNB geen gebruüc maakt van de mogelijkheid het gebrek in het bestreden besluft te hersteuen, dient zij dit per ommegaande aan de rechtbank mede te delen. 3. Beslissing De rechtbank, stelt DNB in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak en met inachtneming van hetgeen in deze tussenuftspraak is overwogen, het motiveringsgebrek in het bestreden besluft te hersteuen Jurisprudentie Ondernemmgsrecht , afl. 5 Sdu Uitgevers Sdu Uitgevers Jurisprudentie Ondernemmgsrecht , afl

3 153 «70R» Bank- en effectenrecht Bank- en effectenrecht «JOR» maart 2012 (einduitspraak) 1. Ontstaan en loop van de procedure Bij besluit op bezwaar van 16 mei 2011 (hierna: het bestreden besluit) heeft DNB het bezwaar van het fonds tegen de bij besluft van 20 januari 2011 (hierna: het primaire besluit) aan het fonds gegeven aanwijzing, die ertoe strekt dat het fonds haar beleggingsportefeuille in goud blijvend afl)ouwt - afliankelijk van de uheindelijk samen te stellen assetmbc - tot een percentage gelegen tussen 1 en 3%, ongegrond verklaard en de aanwijzing onder aanvuuing van de motivering gehandhaafd. Het fonds heeft beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november De rechtbank heeft op 24 november 2011 een tussenmtspraak gedaan en met toepassing van artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) DNB in de gelegenheid gesteld om het motiveringsgebrek in het bestreden besluit te hersteuen. Bij brief van 21 december 2011 heeft DNB een nadere motivering aan de rechtbank doen toekomen. Bij brief van 18 januari 2012 heeft het fonds haar zienswijze gegeven op de brief van DNB van 21 december De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 171, eerste lid, van de Pensioenwet (hierna: Pw) kan DNB een pensioenuitvoerder die niet voldoet aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald, door middel van het geven van een aanwijzing verplichten om binnen een door de toezichthouder gestelde redelijke termijn ten aanzien van in de aanwijzingsbeschücking aangegeven punten een bepaalde gedragslijn te volgen Artikel 135 van de Pw luidt: "1. Een pensioenfonds voert een beleggingsbeleid dat in overeenstemming is met de prudent-person regel en met name gebaseerd is op de volgende uhgangspunten: a. de waarden worden belegd in het belang van aanspraak- en pensioengerechtigden; en b. (...); c. de beleggingen worden gewaardeerd op basis van marktwaardering. 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden ter waarborging van het prudente beleggingsbeleid nadere regels gesteld. 3. De (...) regels die op grond van het tweede lid worden gesteld ten aanzien van de diversificatie van waarden zijn niet van toepassing op beleggingen in staatsobligaties." Artikel 13 van het Besluft financieel toetsmgskader pensioenfondsen (hierna: Besluft FTK) luidt, voor zover hier van belang; "1. De waarden worden op zodanige wijze belegd dat de veihgheid, de kwaliteit, de liquiditeft en het rendement van de portefeuiue als geheel zijn gewaarborgd. 2. Waarden die ter dekking van de technische voorzieningen worden aangehouden, worden belegd op een wijze die strookt met de aard en de duur van de verwachte toekomstige pensioenuitkeringen. (...) 5. De waarden worden naar behoren gediversifieerd zodat een bovenmatige afliankelijkheid van of vertrouwen in bepaalde waarden, of een bepaalde emittent van waarden of groep van ondernemingen en risicoaccumulatie in de portefeuille als geheel worden vermeden In haar. tussenuitspraak van 24 november 2011 (LJN: BU6966) heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluft een deugdelijke motivering ontbeert en DNB in de gelegenheid gesteld te motiveren op welke wijze zij - op maat - invuuing heeft gegeven aan de normen van artikel van artucel 135 van de Pw en artikel 13 van het Besluft FTK en of de maatstaven die zij heeft gehanteerd voor het fonds voldoende kenbaar zijn geweest DNB heeft ter uitvoering van het bepaalde in de tussenuitspraak bij brief van 21 december 2011 de wijze waarop zij artücel 135 van de Pw en artikel 13 van het Besluft FTK toepast en waarop zij het beleggingsbeleid van het fonds aan deze normen heeft getoetst nader gemotiveerd DNB heeft verklaard dat het niet haar oogmerk was om de open norm in te vuuen met het goudbelang in de GSCI en het beleggingsbeleid van andere pensioenfondsen. DNB stelt in verband met de beoordeung van de vraag of een belegging in goud van 13% van de totale beleggingsportefeuiue van bovenmatige afliankelijkheid of vertrouwen getuigt, dehelebeleggingsportefeuüle van het fonds beoordeeld te hebben op diversifi- catie in samenhang mét de aan de verschihende waarden verbonden risico's. Vastgesteld is dat de beleggingsportefeuiue volgens de opgave van het fonds aldus was verdeeld: 77,8% staatsobligaties, 13% grondstoffen, 8,3% cash en overige posten 1,1% onroerend goed. Van de 22% die niet belegd was in staatsobligaties was, gelet op deze verdeling, 55% belegd in de categorie grondstoffen en wel voor het geheel belegd in goud. Volgens DNB is dit deel op zichzelf al bovenmatig. Daarbij heeft DNB de risico's betrokken die samenhangen met beleggen in goud. Evenals in het besluft van 16 mei 2011 heeft DNB erop gewezen dat het hoge percentage van 13% als risico heeft dat een flinke daling van de goudprijs zeer negatieve gevolgen heeft voor het fondsvermogen van het fonds als geheel en gewezen op de daling van de goudprijs tussen 21 januari 1980 en 18 maart 1980 van $ 850,00 naar $ 481,20 per ounce. Tevens is naar voren gebracht dat de goudprijs in de maand december 2011 met ongeveer 9% is gedaald. Voorts heeft DNB er op gewezen dat de volatüiteit van goud in de afgelopen 40 jaar hoger was dan die van aandelen en dat de standaarddeviatie voor goud in deze jaren 33,7% was tegen een standaarddeviatie voor aandelen van 18,5%. Op grond hiervan heeft DNB in het bestreden besluit en in de nadere motivering van 21 december 2011 geconcludeerd dat goud een volatiele, risicovolle belegging is. DNB concludeert dat het fonds niet aan artikel 13, vijfde lid, van het Besluit FTK voldeed DNB heeft aangegeven de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de kenbaarheidvan de wijze waarop zij de open normen heeft ingevuld aldus te begrijpen dat deze samenhangen met de lezing door de rechtbank van het bestreden besluft dat artücel 135 Pw door DNB zou worden ingevuld aan de hand van de GSCI-index en de vergelijking met het beleggingsbeleid van andere Nederlandse pensioenfondsen. Nu DNB de norm niet op deze wijze invult, rijst naar haar oordeel ook geen vraag naar de kenbaarheid. DNB heeft nog wel opgemerkt dat het fonds behoorde te weten dat met een goudbelegging van 13% de beleggingsportefeuiue bovenmatig afhankelijk was in de zin van artikel 13, vijfde lid, van het Besluit FTK. Voor de vraag hoeveel een prudent person afhankelijkheid van en vertrouwen in goud kan/mag hebben is voor een pensioenfonds als goede indicator te gebruiken hoe andere vermogensbeheerders zich "prudent" gedragen, zoals de S&P-GSCI-index en de Dow Jones-UBS commodity index. In deze indices vertegenwoordigt goud slechts een zeer beperkt belang in de categorie grondstoffen. Tenslotte is de DNB van mening dat goud niet geschüct is voor de dekking van de 20% toekomstige pensioenuitkeringen omdat geen kasstromen gekoppeld zijn aan de belegging met goud en dat goud evenmin geschikt is om de indexatieambitie zeker te steüen Het fonds heeft betoogd dat DNB nog steeds niet concreet heeft gemotiveerd waarom de norm van 3% van de beleggingsportefeuiue dat belegd mag zijn in goud een juiste, op het fonds toegesneden norm is. Zij benadrukt dat het pensioenfonds vrijheid heeft om de invulling van de norm naar eigen inzicht in te vuuen en dat de norm van de prudent person mede betekent dat de beleggingen niet aüeen gericht dienen te zijn op veiligheid, maar ook op kwaliteit, liquiditeit en rendement van de portefeuüle en dat van de portefeuiüe als geheel. Naar de mening van het fonds is door DNB niet gemotiveerd waarom het beleid en de goudbelegging van het fonds niet voorzichtig, verstandig en zorgvuldig is geweest, gelet ook op de specifielce omstandigheden. Dat het deel van de portefeuiue dat in goud is belegd bovenmatig is omdat het 55% vormt van het deel dat niet in staatsobligaties is belegd is door DNB ten onrechte niet gemotiveerd. Het fonds heeft er voorts op gewezen dat de daling van de goudprijs in 1980 meer dan 30 jaar geleden is en in het hcht van de stabiele ontwikkeling van de goudprijs daarna, niet de norm kan zijn voor invuuing van de prudent person-regel in de huidige tijd. Het fonds is van mening dat ze een zorgvuldig risicomanagementbeleid heeft vastgelegd, gericht op het monitoren van de goudprijs en het ingrijpen indien dit volgens het beleid is geïndiceerd. Buiten de fase waarin automatisch tot verkoop wordt overgegaan, kan ook reeds een verkoopbeshssing door het fonds worden genomen. Het bestuur van het fonds zal dat zeker prudent beoordelen. Tenslotte heeft het fonds betoogd dat het renterisico van de nominale verplichtingen strategisch vouedig is afgedekt en de uiticeringen voor de eerstkomende jaren op basis van couponrentes en aflossingen van AAA staatsobligaties vouedig is gedekt, hetgeen periodiek wordt herijkt De rechtbank oordeelt als volgt Jurisprudentie Ondernemmgsrecht , afl. 5 Sdu Uitgevers Sdu Uitgevers Jurisprudentie Ondernemingsrecht , afl

4 153 «/OR» Bank- en effectenrecht Bank- en effectenrecht «/OR» In de Memorie van toeliciiting van het wetsvoorstel Pw is onder meer het volgende overwogen (Kamerstukken II2005/06,30 413, nr. 3, p ): "Zoals in de PSW en aangegeven in onderdeel 32 van de nota Hoofdlijnen FTK zullen ook op basis van dit wetsvoorstel geen kwantitatieve beleggingsrestricties gaan gelden. In het wetsvoorstel ter implementatie bij richtlijn 2003/41/EG (Kamerstukken II 2004/05, , nr. 3) is al toegelicht dat geen kwantitatieve beleggtngsrestricties gelden voor pensioenfondsen met zetel in Nederland, maar ook niet ten aanzien van grensoverschrij dende dienstverlening vanuit een andere lidstaat naar Nederland. (...) De inhoud van dit artikel is gebaseerd op artikel 9ba, zoals dat is geformuleerd in het wetsvoorstel ter implementatie van richtlijn 2003/41/EG (Kamerstukken II 2004/05, , nr. 2). Het beleggingsbeleid van een pensioenfonds moet zijn gebaseerd op de prudent personregel. De prudent person-regel wordt door de richtlijn niet gedefinieerd. De richtlijn formuleert wel een. aantal uitgangspunten. De regel wordt het best benaderd in het uitgangspunt dat de waarden op zodanige wijze worden belegd dat de veiligheid, de kwaliteit, de liquiditeit en het rendement van de portefeuiue als geheel worden gewaarborgd. Tevens dienen de waarden uitsluitend te worden belegd in het belang van de aanspraaken de pensioengerechtigden. (...) Overigens is de vereiste omvang van het totaal aan waarden mede afhankelijk van het gekozen risicoprofiel. De prudent person-regel richt zich op het totaal. Daarbinnen is het dus heel goed mogehjk dat individuele beleggingen een hoger risico meebrengen. Het doel daarvan kan zijn voor dat deel een hoger rendement te halen, waarmee bijvoorbeeld toeslagverlening kan worden betaald. Een perfecte afstemming tussen bezittingen en verplichtingen is zo niet onmogelijk dan in ieder geval moeilijk en kostbaar. (...) Wel is ervoor gekozen de in artikel 9ba, onderdelen b tot en met e, van de PSW opgenomen onderwerpen, die auemaal betrekldng hebben op een nadere uitwerking van de prudentperson regel, in een algemene maatregel van bestuur te regelen. Daarmee wordt niet beoogd aanvuuende eisen te steuen en wordt dan ook geen gebruik gemaakt van de in artikel 18, vijfde lid, van richtlijn 2003/41/EG geboden mogelijkheid daartoe." Hoewel artikel 18, vijfde lid, van de Richtlijn 2003/41 EG de mogelijkheid biedt om kwantitatieve voorschriften ten aanzien van beleggingen vast te SteUen, heeft de regering, blijkens de hiervoor aangegeven geschiedenis van de totstandkoming van artikel 135 van de Pw, daarvan bewust afgezien. De pensioenfondsen hebben de vrijheid om naar eigen inzicht te beleggen waarbij aan de normen van artücel 13 Besluit FTK dient te worden voldaan. Anders dan de in deze zaak gedane uitspraak van de voorzieningenrechter (uitspraak van 8 februari 2011, LJN: BP3625), uft welke uftspraak kan worden afgeleid dat beoordelingsruimte toelcomt aan DNB, is de rechtbank thans van oordeel dat het in eerste instantie aan het pensioenfonds is om de prudent-person regel uit te leggen en aan de toezichthouder om te controleren of de open norm op een goede wijze is ingevuld. Zoals is overwogen in de tussenuitspraak zuüen daarbij de specifieke omstandigheden van het pensioenfonds worden betrokken, er moet spralce zijn van maatwerk. Indien DNB daarbij tot het oordeel komt dat niet wordt voldaan aan de prudent-person regel, zal zij dit oordeel deugdelijk moeten motiveren De rechtbank stelt vast dat de brief van 21 december 2011 met betrekking tot de bovenmatige afliankelijkheid van en vertrouwen in goud niet langer passages bevat waarin wordt verwezen naar het belang dat goud vertegenwoordigt binnen de GSCI en naar de mate waarin andere pensioenfondsen in goud hebben belegd. Naar het oordeel van de rechtbank is met de motivering dat er sprake is van bovenmatige afhankelijkheid omdat er 55% van de portefeuüle buiten de staatsobligaties is belegd in goud nog steeds geen spralce van een deugdelijke motivering. Deze zuiver cijfermatige berekening zegt immers aüeen iets over de verhouding tussen het deel van de beleggingsportefeuille dat in goud is belegd en de overige beleggingen buiten de beleggingen, in de staatsobligaties en meer ook niet. Br zou immers ook sprake zijn van een belegging in goud van 55% indien er voor 3% in goud, 94,5% in staatsobligaties en 2,5% in overige beleggingen zou zijn belegd. De rechtbank begrijpt dat de beoordeling van de vraag of het percentage dat is belegd in goud bovenmatig is kan afhangen van de samenstelling van de rest van de portefeuüle, maar dat is nu juist niet gemotiveerd door DNB. DNB heeft op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt waarom een belegging van 13% in goud niet conform de prudent person- norm is en een belegging van 3%, gelet op de samensteuing van de beleggingsportefeuüle en de specifieke omstandigheden van het pensioenfonds, wel. Ondanlcs de in de tussenuitspraak gegeven opdracht is nog steeds niet duidelijk op weuce wijze de risicoverdeling binnen de gehele portefeuiue door DNB betrokken is in de beoordeling en wellce maatstaven zijn gehanteerd De verwijzing naar de daling van de goudprijs in 1980 en de standaarddeviatie van 33,7 zijn door DNB ongewijzigd gehandhaafd in de motivering van21 december Door de rechtbank wordt dit als onvoldoende motivering beschouwd voor het standpunt van DNB dat er te veel risico's samenhangen met beleggen in goud. Het fonds heeft erop gewezen dat over de afgelopen 10 jaar de goudprijs stabiel is gestegen en de standaarddeviatie voor goud in de periode van ,1% betrof tegen een standaarddeviatie voor aandelen van 21,5% Met het fonds is de rechtbank dan ookvan oordeel dat DNB met de in de brief van 21 december 2011 gegeven motivering zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de dragende overwegingen van de tussenuitspraak. De rechtbank acht de zinsnede van DNB in haar brief dat er geen vraag naar de kenbaarheid van de invuuing van de norm rijst omdat door DNB de norm niet door verwijzing naar de GSCI wordt ingevuld bovendien niet begrijpelijk. Op welke wijze DNB de norm invult, dit zal hoe dan ook duidelijlc en kenbaar moeten zijn voor het pensioenfonds. Uit de motivering zoals deze thans is neergelegd in de brief van 21 december 2011 blijlct nog steeds niet dat er door DNB maatwerk is verricht door de totale beleggingsportefeuille en de specifieke omstandigheden van het fonds in ogenschouw te nemen. DNB heeft de door de rechtbank bij haar tussenuitspraak geconstateerde gebreken niet hersteld Het bestreden besluit kan daarom niet in stand bhjven en komt voor vernietiging in aanmerking. Het beroep is derhalve gegrond. Voorts ziet de rechtbank aanleiding om onder toepassing van artücel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb de in het primaire besluit gegeven aanwijzing te herroepen, omdat DNB wederom niet heeft voldaan aan de op haar als financieel toezichthouder rustende verplichting om de aanwijzing strekkende tot het afbouwen van haar beleggingsportefeuiue in goud te voorzien van een deugdelijke motivering. De rechtbank overweegt in dit verband dat het gelet op het bepaalde in de tussenuitspraak van 24 november 2011 en de inhoud van de motivering van DNB van 21 december 2011 niet reëel is om te verwachten dat DNB na vernietiging van het bestreden besluit zal kunnen Icomen tot een nieuwe heroverweging strekkende tot handhaving van de aanwijzing die de wel de rechterlijke toets zal kunnen doorstaan (zie ter vergelijking: de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 juh 2006 (LJN: AY7383), weuce uitspraak is bevestigd door het Coüege van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBb) bij uitspraak van 12 aprü 2007 (LJN: BA2940) en de uitspraak van het CBb van 12 september 2006 (LJN: AY7979)) Artikel 8:73 van de Awb geeft de rechtbank bij een gegrond beroep de mogelijkheid eèn partij te veroordelen tot betaling van schadevergoeding. Omdat de rechtbank hierboven heeft geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep en is gebleken dat het fonds schade heeft geleden, zal de rechtbank, ter voorbereiding van een nadere uitspraak daarover, met toepassing van het bepaalde in artikel 8:73, tweede lid, van de Awb, het onderzoek heropenen De rechtbank veroordeelt DNB in de door het fonds gemaakte proceskosten. (...; red.). 3. Beslissing De rechtbank, recht doende: verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit, bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, hetgeen in dit geval inhoudt dat het bezwaar gegrond wordt verklaard en het primaire besluit wordt herroepen, bepaalt dat ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de omvang van de schadevergoeding het onderzoek wordt heropend, bepaalt met betrekking tot dit onderzoek dat het fonds in de gelegenheid wordt gesteld om binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak schriftelijk de door haar geleden schade te concretiseren met objectieve, verifieerbare bewijsstukken, waarna DNB in de gelegenheid zal worden gesteld om te reageren, bepaalt dat DNB aan het fonds het betaalde griffierecht (...; red.) vergoedt, veroordeelt DNB in de proceskosten (...; red.) /MrisprMde«Ke Ondernemingsrecht , afl. 5 Sdu Uitgevers Sdu Uitgevers 7Mrisfir«de«tfe Ondernemingsrecht , afl

5 153 «/OR» Bank- en effectenrecht Bank- en effectenrecht «/OR» 153 NOOT 1. Bovenstaande twee uitspraken zijn gedaan in een beroepsprocedure van de Stichting Pensioenfonds Vereenigde Glasfabrieken (hierna: het fonds) tegen een aanwijzing van DNB die ertoe strekte dat het fonds zijn beleggingsportefeuille in goud blijvend afbouwt tot een percentage tussen 1 en 3 procent. De eerste uitspraak betreft een tussenuitspraak, waarbij DNB in de gelegenheid is gesteld om met een betere motivering van de aanwijzing te komen (de zogenaamde "bestuurlijke lus" waarover hierna meer). Deze uitspraak werd reeds gesignaleerd in mijn noot onder Rb. Rotterdam 4 augustus 2011 in «JOR» 2012/12. In de tweede uitspraak is de nieuwe motivering door de rechtbank gewogen en te licht bevonden. 2. Het fonds had een beleggingsportefeuille waarvan (afgerond) 78% was belegd in staatsobligaties, 13% in goud, 8% in cash en overige posten en 1% in onroerend goed. De belegging in goud vond geen genade bij DNB. DNB meende dat het fonds hiermee een te groot deel van de beleggingsportefeuille had belegd in een risicovol product. DNB wees er daarbij op dat Nederlandse pensioenfondsen gemiddeld genomen 2,7% in grondstoffen beleggen, waarbij bovendien een spreiding over diverse soorten grondstoffen plaatsvindt. Bovendien bedraagt het aandeel goud in de volgens DNB leidende Goldman Sachs Commodity Index ("GSCI") slechts 3,13%). De volgens DNB bovenmatige belegging in goud heeft als risico dat een daling van de goudprijs zeer negatieve gevolgen kan hebben voor het fondsvermogen. Aldus zou het vermogensbeheer van het fonds volgens DNB niet in overeenstemming zijn met de prudentperson regel zoals neergelegd in art. 135 Pensioenwet. Om die reden heeft DNB het fonds op grond van art. 171 Pensioenwet de aanwijzing gegeven om het aandeel goud in zijn beleggingsportefeuille blijvend terug te brengen tot een percentage tussen 1 en 3%. Het daartegen gerichte bezwaar is door DNB ongegrond verklaard. 3. Art. 135, lid 1, Pensioenwet bepaalt dat een pensioenfonds een beleggingsbeleid voert dat in overeenstemming is met de prudent-person regel. Wat daaronder concreet moet worden verstaan, wordt in de wet niet uitgewerkt. De prudent-person regel is dan ook een open norm. Een pensioenfonds dient het beheerde vermogen volgens de wetsgeschiedenis op zodanige wijze te beleggen dat de veiligheid, de kwaliteit, de liquiditeiten het rendement van de portefeuille als geheel wordt gewaarborgd. Dit uitgangspunt is nader uitgewerkt in art. 13 van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen. Ook deze bepaling is echter geformuleerd als een open norm. In r.o van de uitspraak van 15 maart 2012 stelt de rechtbank principieel voorop dat het in eerste instantie aan het pensioenfonds is om deze open norm in te vullen (en toe te passen). Dit is voor het fonds van groot belang. Het betekent dat DNB niet kan voorschrijven hoe het fonds invulling dient te geven aan zijn beleggingsbeleid binnen de kaders van de prudentperson regel. Op grond van Rb, Rotterdam 4 augustus 2011, «JOR» 2012/12, m.nt, Affourtit en (met name) de in onderhavige kwestie door de voorzieningenrechter gewezen uitspraak (Vz. Rb, Rotterdam 8 februan 2011, «JOR» 2011/120, m,nt. Roth) zou men tot een andere conclusie kunnen komen. Van laatstbedoelde uitspraak wordt door de rechtbankthans echter met zoveel woorden afstand genomen. 4. De conclusie van de rechtbank lijkt mij juist. Dat volgt in deze zaak uit de wetsgeschiedenis. Deze maakt duidelijk dat een pensioenfonds zijn eigen beleggingsbeleid mag bepalen binnen de kaders van de prudent-person regel. De rechtbank schiet in mijn ogen echter door met het oordeel dat aan DNB geen enkele beoordelingsruimte zou toekomen. DNB moet immers controleren of een pensioenfonds zich aan de prudentperson regel houdt. Daartoe dient DNB zich uiteraard een oordeel te (kunnen) vormen over de vraag wanneer de grenzen van de prudentperson regel zijn overschreden. Dat oordeel impliceert per definitie de aanwezigheid van (in ieder geval enige) beoordelingsruimte. Wel is juist dat de beoordelingsruimte van DNB beperkt is: DNB mag niet voor de pensioenfondsen bepalen hoe zij hun beleggingsportefeuilles moeten inrichten. Als gevolg daarvan hoeft de bestuursrechter zich niette beperken tot een marginale toetsing van het oordeel van DNB. Mogelijk heeft de rechtbank bedoeld dat er geen sprake is van beoordelmgsvr/7/7e/d(zie in die zin ook Rb. Rotterdam 8 maart 2012, «JOR» 2012/119, m.nt, Lieverse), Wanneer sprake is van beoordelingsvrijheid, dan is de beoordelings- ruimte zo groot, dat beantwoording van de vraag of is voldaan aan de toepassingscondities van een wettelijke bevoegdheid door de wetgever aan het bestuursorgaan is overgelaten. De rechter dient dat oordeel dan terughoudend te toetsen (zie hierover Van Wijk/Konijnenbelt&Van Male, Hoofdstukken van bestuursrectit, Amsterdam 2011, p ) 5, De beperkte beoordelingsruimte brengt mee dat aan de motivering van het oordeel van DNB, dat het beleggingsbeleid in een concreet geval niet voldoet aan de prudent-person regel, hoge eisen moeten worden gesteld (r.o, 2,7,4 van de tussenuitspraak). De tussenuitspraak maakt duidelijk dat een algemene verwijzing naar de GSCI daartoe niet volstaat, net als een verwijzing naar hetgeen bij andere pensioenfondsen gebruikelijk is (r.o. 2.75). Dit is ook logisch: als het aan een individueel pensioenfonds is overgelaten om het beleggingsbeleid te bepalen, dan kan de inhoud daarvan niet indirect worden gedicteerd door-in dit geval-de andere pensioenfondsen of Goldman Sachs (vgl. r.o van de tussenuitspraak). Hieruit vloeit ook logisch voort dat het oordeel, dat de prudent-person regel is geschonden, moet worden onderbouwd met een op de bijzondere situatie van het desbetreffende pensioenfonds toegesneden motivering (r.o van de tussenuitspraak). De einduitspraak maakt duidelijk dat die motivering niet mag blijven steken in algemeenheden, zoals verwijzingen naar historische cijferreeksen (r.o ) of op zichzelf weinig zeggende constateringen over de samenstelling van de beleggingsportefeuille (r.o. 2,6.3). 6, Het oordeel dat de invuiling van de open norm primair aan de normadressaat (het pensioenfonds) wordt overgelaten, kan in dit geval worden gebaseerd op de wetsgeschiedenis. Dit is lang niet altijd het geval. Toch dringt zich de vraag op of wellicht in het algemeen geldt dat wanneer een wettelijke gedragsnorm een open norm is, de beoordelingsruimte van de toezichthouder per definitie beperkt is. Invulling van die gedragsnorm is immers in beginsel primair aan de normadressaat. De toezichthouder toetst dit pas achteraf. In een geval als het onderhavige, waarbij het optreden van de toezichthouder bestaat uit het geven van een aanwijzing, stuit het aannemen van een dergelijke primaire verantwoordelijkheid van de normadressaat naar mijn oordeel niet op grote bezwaren. Dit wordt anders wanneer overtreding van de open norm wordt gesanctioneerd met een punitieve sanctie. Art. 7 EVRM brengt immers mee dat de inhoud van wettelijke bepalingen op de overtreding waarvan bestraffende sancties staan vooraf voldoende bepaalbaar en kenbaar moet zijn. Toch wordt in de rechtspraak aanvaard dat ook bij de invulling van open normen en de afwezigheid van beoordelingsvrijheid voor de toezichthouder het opleggen van een punitieve sanctie mogelijk is, zij het dat de rechter vol toetst of sprake is van een schending van de open norm (zie bijvoorbeeld Rb. Rotterdam 9 juli 2009, «JOR» 2009/233, m.nt. Grundmann-van de Krol en Rb. Rotterdam 8 maart 2012, «JOR» 2012/119, m.nt. Lieverse). 7. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak van 24 november 2011 de bestuurlijke lus toegepast. Dit instrument bestaat sinds 1 januari 2010 en is neergelegd in art. 8:51a Awb. Deze bepaling geeft de rechter de mogelijkheid om bestuursorganen op te dragen gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Op die manier kan worden voorkomen dat, zoals gebruikelijk was in het bestuursrecht, na vernietiging van een besluit een nieuwe bezwaarfase nodig was, gevolgd door een nieuwe toetsing door de bestuursrechter. In het onderhavige geval heeft DNB de mogelijkheid gekregen om het door de rechtbank geconstateerde motiveringsgebrek in de beslissing op bezwaar te herstellen. Hierin is DNB niet geslaagd. De vraag rijst dan wat de rechtbank vervolgens moet doen. Moet zij nog eens de bestuudijke lus toepassen, zodat DNB nogmaals de mogelijkheid krijgt om het motiveringsgebrek te herstellen? Of kan de rechtbank eenvoudigweg volstaan met vernietiging van het bestreden besluit, zodat DNB in een nieuwe bezwaarfase kan nadenken over een betere motivering? Bij beide mogelijkheden rijst de vraag waaraan het vertrouwen zou moeten worden ontleend dat DNB nu wel in staat zal zijn om een deugdelijke motivering op te stellen. Immers, het is heel goed mogelijk dat een dergelijke motivenng niet kan worden gegeven. Een derde kans voor DNB voegt dan in het geheel niets toe, In het onderhavige geval had de rechtbank er geen vertrouwen in dat DNB nog met een deugdelijke motivering zou komen. Om die reden heeft de rechtbank zelf in de zaak voorzien en niet alleen de beslissing op bezwaar vernietigd, maar ook het primaire besluit herroepen Jurisprudentie Ondernemmgsrecht , afl. 5 Sdu Uitgevers Sdu Uitgevers Jurisprudentie Ondernemingsrecht , afl

6 154 «/OR» Bank- en effectenrecht Bank- en effectenrecht «/OR» Door de herroeping van de aanwijzing is het fonds niet langer verplicht om de beleggingsportefeuille in goud afte bouwen. De herroeping brengt zelfs mee dat deze verplichting rechtens nooit heeft bestaan. Feitelijk is dit natuurlijk anders. Het maken van bezwaar en het instellen van beroep tegen de aanwijzing schortten de werking van de aanwijzing niet op (art. 6:16 Awb). Het verzoek om voorlopige voorziening Van het fonds is bovendien afgewezen (Vzr. Rb. Rotterdam 8 februari 2011, «JOR» 2011/120, m.nt. Roth). Het fonds heeft de aanwijzing dan ook moeten uitvoeren. In diverse media heeft het fonds verkondigd dat de goudportefeuille die ter uitvoenng van de aanwijzing in 2011 is afgestoten nu meerwaard zou zijn geweest,zodat hij een vordering heeft op DNB van 12 tot 13 miljoen (zie bijvoorbeeld (http://www.am- web.nl/nieuws/nederland/pensioenfonds-loopt- 12-miljoen-euro-mis-dankzij lynkx). Deze vordering zal op grond van art. 8:73, lid 2, Awb door de rechtbank worden beoordeeld. Het thans bij de Eerste Kamer aanhangige wetvoorstel voor de 'Wet aansprakelijkheidsbeperking DNB en AFM en bonusverbod staatsgesteunde ondernemingen' (Kamerstukken 120^W2, 33058, nr. A) zal aan een verplichting tot betaling van schadevergoeding in ieder geval niet in de weg staan. Weliswaar zal de werking van die wet niet beperkt zijn tot het handelen en nalaten van de AFM en DNB op grond van de Wft, maar aan de wet wordt geen terugwerkende kracht toegekend (artikel lll). V.H. Affourtit advocaat financieel en economisch publiekrecht bij Houthoff Buruma te Amsterdam 154 Voorzieningenrechter Rechtbank Rotterdam 20 maart 2012, zaaknr. AWB 12/415 VBC-T2 (mr. Damsteegt) Noot mr. J.A. Voerman Aanbieden van beleggingsobjecten zonder vergunning. Verzochte informatie niet aan AFM verstrekt. Last onder dwangsom en publicatie dwangsom. Beperkte voorziening: korte verlenging termijn om alsnog aan verzoek te kunnen voldoen, voor het overige afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. [Wft art. 2:55, 2:65] Naar tiet oordeet van de voorzieningenrectiter kon AFM redelijkerwijs van mening zijn dat zij de aan A gevraagde inlictitingen voor tiet goed vervutien van haar toezichthoudende taak behoorde te vorderen. Vast staat dat Nededandse beleggers gelden hebben verstrekt aan Aten behoeve van het bekostigen van een of meer procedures die D heeft aangespannen en data zich verplicht om (de iening terug te betalen plus) een deel van de opbrengst (van A dan wel D) af te dragen. Uit de verschillende overeenkomsten wordt niet zonder meer duidelijk welke relatie er tussen A en D bestaat. IVIogelijk is het zo dat DenA tezamen beleggingsobjecten in de vorm van rechten op opbrengsten van mineraairechten aanbieden. Voor zover dit niet het geval is en de belegger uitsluitend een recht op een percentage van de opbrengst van de rechtszaken die D voert en/of schikkingen die zij of A aangaan (met andere partijen) wordt voorgehouden, is het mogeiijk data al dan niet tezamen met D rechten van deeineming in een beleggingsinstelling aanbiedt, in beide gevallen gaat het om gedragingen die in beginsei verboden zijn zonder te beschikken over een vergunning van AFtVI. t-let beroep dat A doet op een vrijsteliing van de vergunningplicht kan haar in dit verband niet baten. Het informatieverzoek van AFiVI was er immers op gericht om vast te kunnen stellen ofde handelwijze van A valt onder de Wft en of die mogeiijk vergunningpiichtig is of niet. AFIVI heeft A herhaaldelijk schriftelijk vergeefs om de informatie verzocht. A is derhaive in verzuim die te verstrekken. AFfVl komt de bevoegdheid toe haar een tast onder dwangsom op te ieggen. Het verzoek om een voodopige voorziening wordt dan ookin zoverre afgewezen. De voorzieningenrechter ziet niettemin aanieiding tot het treffen van een, louter op het voorkomen van het verbeuren van de dwangsom genchte, beperkte voorziening en zal de begunstigingstermijn vooreen korte periode schorsen. De schorsing strekt ertoe data, te rekenen vanaf de dag na verzending van de uitspraak, binnen dne werkdagen alsnog aan de last kan voldoen en zo verbeurte van een dwangsom kan voorkomen. A, verzoeicster, gemachtigde: mr. T. Vink, tegen Stichting Autoriteit Financiële Markten, verweerster, gemachtigden: mr. E.J. Daalder en mr. F.E. de Bruijn. Procesverloop Bij besluit van 16 januari 2012 (het bestreden besluit) heeft AFM [A] gelast binnen tien werkdagen na dagtekening van dit besluit onder verbeurte van een dwangsom van 4.000,000 per dag of gedeelte daarvan, tot een maximum van ,00, alsnog een kopie over te leggen van de bankafschriften van het/de bankrekeningnummer(s) die [A] aanhoudt voor haar bedrijfsactiviteiten vanaf 1 januari 2008 tot heden. AFM heeft voorts beslist de dwangsom op de voet van artikel 1:99 van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft) te zuhen publiceren indien deze wordt verbeurd. Tegen dit besluit heeft [A] bezwaar gemaakt. Voorts heeft [A] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van de last en van de beslissing tot publicatie. Het onderzoek ter zitting heeft - achter gesloten deuren - plaatsgevonden op 14 maart [A] heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. AFM heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.E. de Bruijn. Voort zijn verschenen [C], bestuurder van [A], en mr. A.L. Lée, werkzaam bij AFM. Overwegingen 1. AFM heeft van [A] de beschüddng gekregen over een aantal overeenkomsten tussen [A] en Nederlandse beleggers. Voorts heeft AFM contact gehad met de advocaat van [A]. AFM heeft aan de hand van de aan haar verstrekte informatie gemeend dat [A] Nederlandse consumenten een percentage van de mineraalrechten van [D] aanbiedt en dat [A] is opgericht om gelden aan te trekken ten behoeve van juridische procedures van [D] tegen derden. AFM heeft vervolgens een onderzoek ingesteld naar de activiteiten van [A] teneinde vast te kunnen steuen of zij financiële diensten heeft verleend. AFM heeft daartoe op 2 februari 2011 een eerste informatieverzoek naar de advocaat van [A] gezonden. 2. Bij brief van 3 maart 2011 heeft de advocaat van [A] die toen optrad als advocaat van [E] AFM onder meer bericht dat: - de waarde van participaties in [D], welke maatschappij onder meer wordt bestuurd door [C], voornamelijk worden gevormd door de beoogde oliereserves; - [A], die is gevestigd te [F], slechts bevoegd is om namens [D] op te treden in verband met de bekostiging van procedures en aflossingen hiervan (lees: aflossing van de daartoe aangetrokken gelden); - [A] geen licentie houdt op de mineraalrechten die [D] onrechtmatig zijn afgenomen door [G]; - [D] noch [A] in Nederland werkzaamheden hebben verricht om investeerders of financiers aan zich te binden; - [D] op verzoek van [E] een begroting heeft gemaakt in verband met het aanhangig maken van een claim op Nederlands grondgebied tegen [G] in samenhang met juridische actiesin [G], [H] en [I]; - [E] te kennen heeft gegeven dat zowel zijn familieleden als zijn zakenrelatie - de famüie [J] - geïnteresseerd waren om de beoogde begroting te financieren en dit vervolgens hebben gedaan door in [K] een overeenkomst te tekenen; - [C] heeft na zijn vestiging in Nederland direct contact opgenomen met aue autoriteiten waaronder AFM; - er in Nederland procedures lopen tegen [G], zij het nog zonder succes; - aflossing op de overbruggingsleningen hierdoor uitbleef en deze leningen geabsorbeerd zijn in een nieuwe participatie voor de famihes [E] en [J], welke overeenkomsten eveneens in [K] zijn aangegaan; - bij geen van de leningen mineraalrechten van [D] tot zekerheid zijn geboden of in licentie gegeven, terwijl evenmin sprake is van een winstafhankelijke rente Mrisprac/e«Ke Ondernemingsrecht , afl. 5 Sdu Uitgevers Sdu Uitgevers /wr/sprwdentte Ondernemingsrecht , afl

JOR 2013/312 CBB, 10-09-2013, AWB 12/42310, ECLI:NL:CBB:2013:104 135 PW),

JOR 2013/312 CBB, 10-09-2013, AWB 12/42310, ECLI:NL:CBB:2013:104 135 PW), JOR 2013/312 CBB, 10-09-2013, AWB 12/42310, ECLI:NL:CBB:2013:104 Pensioenfonds, Beleggingsbeleid moet in overeenstemming zijn met prudent-person regel (art. 135 PW), Invulling norm door pensioenfondsen,

Nadere informatie

ECLI:NL:RBAMS:2017:2972

ECLI:NL:RBAMS:2017:2972 ECLI:NL:RBAMS:2017:2972 Instantie Rechtbank Amsterdam Datum uitspraak 04-04-2017 Datum publicatie 04-05-2017 Zaaknummer AMS 15/5918 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Bestuursrecht Eerste

Nadere informatie

http://www.legalintelligence.com/frontend/doc.aspx?docid=1184...

http://www.legalintelligence.com/frontend/doc.aspx?docid=1184... Page 1 of 6 JOR 2013/309 CBB, 14-08-2013, 13/396, ECLI:NL:CBB:2013:160 Overtreding van art. 4:23 Wft, Publicatie van de opgelegde boete, Afwijzing verzoek tot schorsing van publicatie totdat in hoger beroep

Nadere informatie

ECLI:NL:RBARN:2010:BN2186

ECLI:NL:RBARN:2010:BN2186 ECLI:NL:RBARN:2010:BN2186 Instantie Rechtbank Arnhem Datum uitspraak 06-07-2010 Datum publicatie 23-07-2010 Zaaknummer AWB 10/180, 10/181, 10/508, 10/513, 10/684 en 10/685 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken

Nadere informatie

het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden.

het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden. LJN: AU3784, Raad van State, 200501342/1 Print uitspraak Datum uitspraak: 05-10-2005 Datum publicatie: 05-10-2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht overig Soort procedure: Hoger beroep Inhoudsindicatie: Bij

Nadere informatie

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY9580

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY9580 ECLI:NL:RBSGR:2006:AY9580 Instantie Datum uitspraak 05-09-2006 Datum publicatie 06-10-2006 Rechtbank 's-gravenhage Zaaknummer AWB 05/37675 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Vreemdelingenrecht

Nadere informatie

ECLI:NL:RVS:2013:1522

ECLI:NL:RVS:2013:1522 ECLI:NL:RVS:2013:1522 Instantie Raad van State Datum uitspraak 16-10-2013 Datum publicatie 16-10-2013 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 201206838/1/A3 Bestuursrecht Tussenuitspraak

Nadere informatie

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder, gemachtigden: mrs. C.J. Telting en B.A. Veenendaal.

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder, gemachtigden: mrs. C.J. Telting en B.A. Veenendaal. Uitspraak RECHTBANK AMSTERDAM Sector bestuursrecht zaaknummer: AWB 11/2308 WWB uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, gemachtigde mr. W.G. Fischer,

Nadere informatie

ECLI:NL:RBGEL:2014:6996

ECLI:NL:RBGEL:2014:6996 ECLI:NL:RBGEL:2014:6996 Instantie Rechtbank Gelderland Datum uitspraak 11-11-2014 Datum publicatie 20-11-2014 Zaaknummer AWB - 14 _ 1957 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Socialezekerheidsrecht

Nadere informatie

ECLI:NL:RBROT:2014:5233

ECLI:NL:RBROT:2014:5233 ECLI:NL:RBROT:2014:5233 Instantie Rechtbank Rotterdam Datum uitspraak 03-07-2014 Datum publicatie 29-07-2014 Zaaknummer Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie AWB-13_02242

Nadere informatie

ECLI:NL:RBSGR:2011:BT6286

ECLI:NL:RBSGR:2011:BT6286 ECLI:NL:RBSGR:2011:BT6286 Instantie Datum uitspraak 27-09-2011 Datum publicatie 30-09-2011 Rechtbank 's-gravenhage Zaaknummer 11/18267 & 11/18269 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Vreemdelingenrecht

Nadere informatie

ECLI:NL:RBALK:2012:BV7977

ECLI:NL:RBALK:2012:BV7977 ECLI:NL:RBALK:2012:BV7977 Instantie Rechtbank Alkmaar Datum uitspraak 26-01-2012 Datum publicatie 06-03-2012 Zaaknummer 11/1543 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Bestuursrecht Eerste

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Raad van State 201200615/1/V4. Datum uitspraak: 13 november 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op

Nadere informatie

Zaaknummer : 2014/282 en Datum uitspraak : 26 januari 2015 : Verzoeker en Hogeschool Rotterdam

Zaaknummer : 2014/282 en Datum uitspraak : 26 januari 2015 : Verzoeker en Hogeschool Rotterdam Zaaknummer : 2014/282 en 282.1 Rechter[s] : mr. Olivier Datum uitspraak : 26 januari 2015 Partijen : Verzoeker en Hogeschool Rotterdam Trefwoorden : [onderzoek] Adviseur Bijzondere omstandigheden Finale

Nadere informatie

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven; Dienst Werk, Zorg en Inkomen (Dienst WZI), te Eindhoven, verweerder.

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven; Dienst Werk, Zorg en Inkomen (Dienst WZI), te Eindhoven, verweerder. LJN: BA9368, Rechtbank 's-hertogenbosch, AWB 06/4958 Datum uitspraak: 12-06-2007 Datum publicatie: 11-07-2007 Rechtsgebied: Bijstandszaken Soort procedure: Eerste aanleg - enkelvoudig Inhoudsindicatie:

Nadere informatie

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ4413

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ4413 ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ4413 Instantie Rechtbank Amsterdam Datum uitspraak 19-04-2011 Datum publicatie 13-05-2011 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie awb 09-5337 wwb en awb 10-4936

Nadere informatie

Rubriek \ Bank-en effectenrecht College Voorzieningenrechter Rechtbank Rotterdam

Rubriek \ Bank-en effectenrecht College Voorzieningenrechter Rechtbank Rotterdam Informatie JOR 2011/85 Rechtbank Rotterdam, 13-01-2011, AWB 10/5116 VBC-T2 Last onder dwangsom, Overtreding, Wet handhaving consumentenbescherming, Publicatie kern besluit tot lastopiegging AFM, Voorlopige

Nadere informatie

ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8326

ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8326 ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8326 Instantie Datum uitspraak 25-05-1999 Datum publicatie 21-01-2013 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 97/10163 ABW Bestuursrecht

Nadere informatie

ECLI:NL:RVS:2017:1997

ECLI:NL:RVS:2017:1997 ECLI:NL:RVS:2017:1997 Instantie Raad van State Datum uitspraak 26-07-2017 Datum publicatie 26-07-2017 Zaaknummer Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 201604542/1/A1 Eerste

Nadere informatie

ECLI:NL:RVS:2012:BX4621

ECLI:NL:RVS:2012:BX4621 ECLI:NL:RVS:2012:BX4621 Instantie Raad van State Datum uitspraak 08-08-2012 Datum publicatie 15-08-2012 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 201205237/1/A4 en 201205237/2/A4

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: \ Raad vanstate 2012Ö1424/1/V1. Datum uitspraak: 26 september 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep

Nadere informatie

ECLI:NL:RBNNE:2017:2675

ECLI:NL:RBNNE:2017:2675 ECLI:NL:RBNNE:2017:2675 Instantie Datum uitspraak 19-06-2017 Datum publicatie 19-07-2017 Zaaknummer LEE 17/863 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Rechtbank Noord-Nederland Socialezekerheidsrecht

Nadere informatie

ECLI:NL:RBOBR:2014:7213

ECLI:NL:RBOBR:2014:7213 ECLI:NL:RBOBR:2014:7213 Instantie Datum uitspraak 27-11-2014 Datum publicatie 13-01-2015 Zaaknummer 14 _ 2026 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Rechtbank Oost-Brabant Socialezekerheidsrecht

Nadere informatie

ECLI:NL:RVS:2015:3233

ECLI:NL:RVS:2015:3233 ECLI:NL:RVS:2015:3233 Instantie Raad van State Datum uitspraak 21-10-2015 Datum publicatie 21-10-2015 Zaaknummer Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 201500429/1/A2 Eerste

Nadere informatie

ECLI:NL:RBDHA:2017:2525

ECLI:NL:RBDHA:2017:2525 ECLI:NL:RBDHA:2017:2525 Instantie Rechtbank Den Haag Datum uitspraak 16-03-2017 Datum publicatie 12-05-2017 Zaaknummer 16_6475 Rechtsgebieden Socialezekerheidsrecht Bijzondere kenmerken Eerste aanleg -

Nadere informatie

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1824

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1824 ECLI:NL:CRVB:2008:BC1824 Instantie Datum uitspraak 02-01-2008 Datum publicatie 15-01-2008 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 07-319 WW Bestuursrecht

Nadere informatie

ECLI:NL:RBSHE:2004:AO8345

ECLI:NL:RBSHE:2004:AO8345 ECLI:NL:RBSHE:2004:AO8345 Instantie Datum uitspraak 16-04-2004 Datum publicatie 26-04-2004 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Rechtbank 's-hertogenbosch Awb 03 / 930 GEMWT

Nadere informatie

ECLI:NL:RBDOR:2010:BO7430

ECLI:NL:RBDOR:2010:BO7430 ECLI:NL:RBDOR:2010:BO7430 Instantie Rechtbank Dordrecht Datum uitspraak 29-11-2010 Datum publicatie 15-12-2010 Zaaknummer 10/1272 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht

Nadere informatie

AB 2012/6: Schadevergoeding na onrechtmatige subsidievaststelling.

AB 2012/6: Schadevergoeding na onrechtmatige subsidievaststelling. AB 2012/6: Schadevergoeding na onrechtmatige subsidievaststelling. Schadevergoeding na onrechtmatige subsidievaststelling. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Meervoudige kamer), 31 augustus

Nadere informatie

ECLI:NL:RBDHA:2016:4544

ECLI:NL:RBDHA:2016:4544 ECLI:NL:RBDHA:2016:4544 Instantie Rechtbank Den Haag Datum uitspraak 28-04-2016 Datum publicatie 02-05-2016 Zaaknummer 15/22319 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Vreemdelingenrecht Bodemzaak

Nadere informatie

ECLI:NL:CRVB:2013:2805

ECLI:NL:CRVB:2013:2805 ECLI:NL:CRVB:2013:2805 Instantie Datum uitspraak 11-12-2013 Datum publicatie 20-01-2014 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 12-4576 WW Socialezekerheidsrecht

Nadere informatie

ECLI:NL:CRVB:2016:1532

ECLI:NL:CRVB:2016:1532 ECLI:NL:CRVB:2016:1532 Instantie Datum uitspraak 26-04-2016 Datum publicatie 02-05-2016 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 14-4223 WIK Socialezekerheidsrecht

Nadere informatie

ECLI:NL:RBOBR:2016:4015

ECLI:NL:RBOBR:2016:4015 ECLI:NL:RBOBR:2016:4015 Instantie Datum uitspraak 27-07-2016 Datum publicatie 16-02-2017 Zaaknummer 16 _ 1047 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Rechtbank Oost-Brabant Socialezekerheidsrecht

Nadere informatie

ECLI:NL:CRVB:2016:4664

ECLI:NL:CRVB:2016:4664 ECLI:NL:CRVB:2016:4664 Instantie Datum uitspraak 07122016 Datum publicatie 09122016 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 15/2455 WMO Socialezekerheidsrecht

Nadere informatie

ECLI:NL:RBARN:2009:BJ1550

ECLI:NL:RBARN:2009:BJ1550 ECLI:NL:RBARN:2009:BJ1550 Instantie Rechtbank Arnhem Datum uitspraak 15-06-2009 Datum publicatie 06-07-2009 Zaaknummer AWB 08/5874 Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie

Nadere informatie

ECLI:NL:RBGEL:2016:2558

ECLI:NL:RBGEL:2016:2558 ECLI:NL:RBGEL:2016:2558 Instantie Rechtbank Gelderland Datum uitspraak 12-05-2016 Datum publicatie 19-05-2016 Zaaknummer AWB - 15 _ 7447 Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie

Nadere informatie

ECLI:NL:RBOBR:2017:1221

ECLI:NL:RBOBR:2017:1221 ECLI:NL:RBOBR:2017:1221 Instantie Datum uitspraak 09-03-2017 Datum publicatie 20-03-2017 Zaaknummer 16_2690 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Rechtbank Oost-Brabant Socialezekerheidsrecht

Nadere informatie

ECLI:NL:CRVB:2017:2822

ECLI:NL:CRVB:2017:2822 ECLI:NL:CRVB:2017:2822 Instantie Datum uitspraak 16-08-2017 Datum publicatie 18-08-2017 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 16/4369 AWBZ Socialezekerheidsrecht

Nadere informatie

Print deze uitspraak rechtsgebied Kamer 2 - Milieu - Schadevergoeding

Print deze uitspraak rechtsgebied Kamer 2 - Milieu - Schadevergoeding Essentie uitspraak: Beëindiging verkoop LPG. Het college had moeten beoordelen welke schade aan de juridische beëindiging van de activiteit was toe te schrijven. In het thans bestreden besluit heeft het

Nadere informatie

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 September 2016 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 September 2016 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen 010 Rechtbank Rotterdam 15:23:33 13-09-2016 2/7 uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Team Bestuursrecht 3, V-nummer: uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 September 2016 op het

Nadere informatie

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 14 mei 2004 in het geding tussen:

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 14 mei 2004 in het geding tussen: LJN: AT7485, Raad van State, 200405147/1 (Printbare versie) Datum uitspraak: 15-06-2005 Datum publicatie: 15-06-2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht overig Soort procedure: Hoger beroep Inhoudsindicatie: Bij

Nadere informatie

ECLI:NL:RBZWB:2016:7164

ECLI:NL:RBZWB:2016:7164 ECLI:NL:RBZWB:2016:7164 Instantie Datum uitspraak 15-11-2016 Datum publicatie 21-11-2016 Zaaknummer AWB 16_1479 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Rechtbank Zeeland-West-Brabant Bestuursrecht

Nadere informatie

ECLI:NL:RBOVE:2016:4491

ECLI:NL:RBOVE:2016:4491 ECLI:NL:RBOVE:2016:4491 Instantie Rechtbank Overijssel Datum uitspraak 15112016 Datum publicatie 25112016 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie ak_zwo_16_934 Bestuursrecht Eerste

Nadere informatie

ECLI:NL:RBNNE:2015:4387

ECLI:NL:RBNNE:2015:4387 ECLI:NL:RBNNE:2015:4387 Instantie Datum uitspraak 10-09-2015 Datum publicatie 17-09-2015 Zaaknummer Awb 15/1167 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Rechtbank Noord-Nederland Bestuursrecht

Nadere informatie

ECLI:NL:CRVB:2016:4517

ECLI:NL:CRVB:2016:4517 ECLI:NL:CRVB:2016:4517 Instantie Datum uitspraak 23-11-2016 Datum publicatie 29-11-2016 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 14/4198 WW Socialezekerheidsrecht

Nadere informatie

ECLI:NL:CRVB:2012:BY4292

ECLI:NL:CRVB:2012:BY4292 ECLI:NL:CRVB:2012:BY4292 Instantie Datum uitspraak 27-11-2012 Datum publicatie 28-11-2012 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 11-1813 WWB + 11-1953

Nadere informatie

ECLI:NL:RBDHA:2017:6306

ECLI:NL:RBDHA:2017:6306 ECLI:NL:RBDHA:2017:6306 Instantie Rechtbank Den Haag Datum uitspraak 07-06-2017 Datum publicatie 29-06-2017 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 17_712 IBPVV Belastingrecht Eerste

Nadere informatie

ECLI:NL:CRVB:2016:5132

ECLI:NL:CRVB:2016:5132 ECLI:NL:CRVB:2016:5132 Instantie Datum uitspraak 27-12-2016 Datum publicatie 09-01-2017 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 15/1082 WWB Socialezekerheidsrecht

Nadere informatie

ECLI:NL:RVS:2012:BY6738

ECLI:NL:RVS:2012:BY6738 ECLI:NL:RVS:2012:BY6738 Instantie Raad van State Datum uitspraak 19-12-2012 Datum publicatie 19-12-2012 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 201102748/1/R4 Bestuursrecht Eerste

Nadere informatie

ECLI:NL:CRVB:2007:BB0694

ECLI:NL:CRVB:2007:BB0694 ECLI:NL:CRVB:2007:BB0694 Instantie Datum uitspraak 25-07-2007 Datum publicatie 02-08-2007 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 05-4212 WVG Bestuursrecht

Nadere informatie

ECLI:NL:CBB:2002:AE1633

ECLI:NL:CBB:2002:AE1633 ECLI:NL:CBB:2002:AE1633 Instantie Datum uitspraak 09-04-2002 Datum publicatie 17-04-2002 Zaaknummer AWB 00/25 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie College van Beroep voor het bedrijfsleven

Nadere informatie

pagina 1 van 5 ECLI:NL:RBDHA:2014:6145 Instantie Rechtbank Den Haag Datum uitspraak 20-05-2014 Datum publicatie 04-06-2014 Zaaknummer Rechtsgebieden AWB-13_10151 Belastingrecht Bijzondere kenmerken Bodemzaak

Nadere informatie

- 1 - De Nederlandsche Bank NV (DNB) legt een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 1:80 en 1:81 van de Wft, op aan:

- 1 - De Nederlandsche Bank NV (DNB) legt een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 1:80 en 1:81 van de Wft, op aan: - 1 - Beschikking tot het opleggen van een bestuurlijke boete aan Matrix Asset Management B.V. als bedoeld in artikel 1:80 van de Wet op het financieel toezicht Gelet op artikel 1:80, 1:81, 1:98 en 3:72,

Nadere informatie

ECLI:NL:RBAMS:2008:BH4545

ECLI:NL:RBAMS:2008:BH4545 ECLI:NL:RBAMS:2008:BH4545 Instantie Rechtbank Amsterdam Datum uitspraak 27-05-2008 Datum publicatie 03-03-2009 Zaaknummer AWB 07/1049 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Bestuursrecht

Nadere informatie

ECLI:NL:RVS:2011:BQ4936

ECLI:NL:RVS:2011:BQ4936 ECLI:NL:RVS:2011:BQ4936 Instantie Raad van State Datum uitspraak 18-05-2011 Datum publicatie 18-05-2011 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 201008844/1/H1 Bestuursrecht Hoger

Nadere informatie

ECLI:NL:CRVB:2017:228

ECLI:NL:CRVB:2017:228 ECLI:NL:CRVB:2017:228 Instantie Datum uitspraak 11012017 Datum publicatie 24012017 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 15/8046 AWBZ Socialezekerheidsrecht

Nadere informatie

ECLI:NL:CRVB:2015:1003

ECLI:NL:CRVB:2015:1003 ECLI:NL:CRVB:2015:1003 Instantie Datum uitspraak 31032015 Datum publicatie 02042015 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 132022 WWB Socialezekerheidsrecht

Nadere informatie

ECLI:NL:RBROT:2011:BR4189

ECLI:NL:RBROT:2011:BR4189 ECLI:NL:RBROT:2011:BR4189 Instantie Rechtbank Rotterdam Datum uitspraak 04-08-2011 Datum publicatie 04-08-2011 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie AWB 10/4037 BC-T2 Bestuursrecht

Nadere informatie

ECLI:NL:CRVB:2007:BA2284

ECLI:NL:CRVB:2007:BA2284 ECLI:NL:CRVB:2007:BA2284 Instantie Datum uitspraak 28-03-2007 Datum publicatie 05-04-2007 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 04-5151 WAO Bestuursrecht

Nadere informatie

Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2015:7924, Meerdere afhandelingswijzen. Algemene wet bestuursrecht 8:4 Gemeentewet Gemeentewet 83 Kieswet

Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2015:7924, Meerdere afhandelingswijzen. Algemene wet bestuursrecht 8:4 Gemeentewet Gemeentewet 83 Kieswet ECLI:NL:RVS:2016:934 Instantie Raad van State Datum uitspraak 06-04-2016 Datum publicatie 06-04-2016 Zaaknummer Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 201600302/1/A2 Eerste

Nadere informatie

ECLI:NL:RBMNE:2015:8351

ECLI:NL:RBMNE:2015:8351 ECLI:NL:RBMNE:2015:8351 Instantie Datum uitspraak 27-11-2015 Datum publicatie 23-12-2015 Zaaknummer UTR 15/612 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Rechtbank Midden-Nederland Belastingrecht

Nadere informatie

ECLI:NL:CRVB:2017:2833

ECLI:NL:CRVB:2017:2833 ECLI:NL:CRVB:2017:2833 Instantie Datum uitspraak 09-08-2017 Datum publicatie 18-08-2017 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 15/8007 ZVW Socialezekerheidsrecht

Nadere informatie

ECLI:NL:RBROT:2013:CA0078

ECLI:NL:RBROT:2013:CA0078 ECLI:NL:RBROT:2013:CA0078 Instantie Rechtbank Rotterdam Datum uitspraak 14-05-2013 Datum publicatie 14-05-2013 Zaaknummer ROT 11/02338 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Bestuursrecht

Nadere informatie

ECLI:NL:RBNHO:2014:185

ECLI:NL:RBNHO:2014:185 ECLI:NL:RBNHO:2014:185 Instantie Datum uitspraak 15-01-2014 Datum publicatie 31-03-2014 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Rechtbank Noord-Holland AWB-13_2593 Bestuursrecht

Nadere informatie

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3477

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3477 ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3477 Instantie Datum uitspraak 29-04-2011 Datum publicatie 04-05-2011 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 10-1393 WIA + 10-2553

Nadere informatie

ECLI:NL:RBAMS:2009:BK9813

ECLI:NL:RBAMS:2009:BK9813 ECLI:NL:RBAMS:2009:BK9813 Instantie Rechtbank Amsterdam Datum uitspraak 24-12-2009 Datum publicatie 20-01-2010 Zaaknummer 09/947 WI Rechtsgebieden Bestuursrecht Bijzondere kenmerken Eerste aanleg - enkelvoudig

Nadere informatie

ECLI:NL:RBBRE:2011:BP8246

ECLI:NL:RBBRE:2011:BP8246 ECLI:NL:RBBRE:2011:BP8246 Instantie Rechtbank Breda Datum uitspraak 25-02-2011 Datum publicatie 18-03-2011 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 10 / 938 Wmo Bestuursrecht Eerste

Nadere informatie

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX3339

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX3339 ECLI:NL:RBAMS:2012:BX3339 Instantie Rechtbank Amsterdam Datum uitspraak 21-05-2012 Datum publicatie 01-08-2012 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie AWB 11-3232 WWB Bestuursrecht

Nadere informatie

LJN: AU4276, Rechtbank Rotterdam, 05/4247. Datum uitspraak: Datum publicatie:

LJN: AU4276, Rechtbank Rotterdam, 05/4247. Datum uitspraak: Datum publicatie: LJN: AU4276, Rechtbank Rotterdam, 05/4247 Datum uitspraak: 13-10-2005 Datum publicatie: 13-10-2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht overig Soort procedure: Voorlopige voorziening Inhoudsindicatie: Rotterdam

Nadere informatie

ECLI:NL:RVS:2005:AU2988

ECLI:NL:RVS:2005:AU2988 ECLI:NL:RVS:2005:AU2988 Instantie Raad van State Datum uitspraak 21-09-2005 Datum publicatie 21-09-2005 Zaaknummer 200501988/1 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Bestuursrecht Hoger beroep

Nadere informatie

ECLI:NL:RVS:2014:3559 Deeplink http://d

ECLI:NL:RVS:2014:3559 Deeplink http://d ECLI:NL:RVS:2014:3559 Deeplink http://d Instantie Raad van State Datum uitspraak 01-10-2014 Datum publicatie 01-10-2014 Zaaknummer 201309659/1/A3 Rechtsgebieden Bestuursrecht Bijzondere kenmerken Hoger

Nadere informatie

ECLI:NL:RBZLY:2012:BX0557

ECLI:NL:RBZLY:2012:BX0557 ECLI:NL:RBZLY:2012:BX0557 Instantie Datum uitspraak 03-07-2012 Datum publicatie 06-07-2012 Zaaknummer Awb 11/2189 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Rechtbank Zwolle-Lelystad Bestuursrecht

Nadere informatie

ECLI:NL:RBNHO:2017:3051

ECLI:NL:RBNHO:2017:3051 ECLI:NL:RBNHO:2017:3051 Instantie Datum uitspraak 04-04-2017 Datum publicatie 14-04-2017 Rechtbank Noord-Holland Zaaknummer AWB - 16 _ 22 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Socialezekerheidsrecht

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: Raad vanstate 201111794/1 A/2. Datum uitspraak: 12 oktober 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep

Nadere informatie

ECLI:NL:CRVB:2003:AF3863

ECLI:NL:CRVB:2003:AF3863 ECLI:NL:CRVB:2003:AF3863 Instantie Datum uitspraak 07-01-2003 Datum publicatie 04-02-2003 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 01/2345 WAO Bestuursrecht

Nadere informatie

ECLI:NL:CRVB:2013:2879

ECLI:NL:CRVB:2013:2879 ECLI:NL:CRVB:2013:2879 Instantie Datum uitspraak 17-12-2013 Datum publicatie 19-12-2013 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 13-211 WWB Socialezekerheidsrecht

Nadere informatie

ECLI:NL:CRVB:2010:BM6743

ECLI:NL:CRVB:2010:BM6743 ECLI:NL:CRVB:2010:BM6743 Instantie Datum uitspraak 21-05-2010 Datum publicatie 08-06-2010 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 06-3679 WAO + 09-4841

Nadere informatie

ECLI:NL:RBALM:2010:BO4728

ECLI:NL:RBALM:2010:BO4728 ECLI:NL:RBALM:2010:BO4728 Instantie Rechtbank Almelo Datum uitspraak 18-11-2010 Datum publicatie 23-11-2010 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 10 / 817 WW44 BN1 A Bestuursrecht

Nadere informatie

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7733

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7733 ECLI:NL:RVS:2013:BZ7733 Instantie Raad van State Datum uitspraak 17-04-2013 Datum publicatie 17-04-2013 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 201200753/1/A3 Bestuursrecht Hoger

Nadere informatie

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3530

ECLI:NL:CRVB:2008:BD3530 ECLI:NL:CRVB:2008:BD3530 Instantie Datum uitspraak 14-05-2008 Datum publicatie 10-06-2008 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 06-4655 AWBZ Bestuursrecht

Nadere informatie

ECLI:NL:CRVB:2012:BV0179

ECLI:NL:CRVB:2012:BV0179 ECLI:NL:CRVB:2012:BV0179 Instantie Datum uitspraak 04-01-2012 Datum publicatie 05-01-2012 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 10-4246 WMO Bestuursrecht

Nadere informatie

ECLI:NL:RVS:2001:AB2287

ECLI:NL:RVS:2001:AB2287 ECLI:NL:RVS:2001:AB2287 Instantie Raad van State Datum uitspraak 31-05-2001 Datum publicatie 13-11-2001 Zaaknummer 200003521/1 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Bestuursrecht Omgevingsrecht

Nadere informatie

ECLI:NL:RBNHO:2015:7536

ECLI:NL:RBNHO:2015:7536 ECLI:NL:RBNHO:2015:7536 Instantie Datum uitspraak 08-09-2015 Datum publicatie 09-09-2015 Rechtbank Noord-Holland Zaaknummer AWB - 15 _ 835 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Omgevingsrecht

Nadere informatie

[Appellant 1] en [Appellant 2], beiden wonende te [woonplaats], (hierna: appellanten)

[Appellant 1] en [Appellant 2], beiden wonende te [woonplaats], (hierna: appellanten) LJN: BI3542, Centrale Raad van Beroep, 08/3709 WJZ + 08/3713 WJZ Datum uitspraak: 15-04-2009 Datum publicatie: 12-05-2009 Rechtsgebied: Sociale zekerheid Soort procedure: Hoger beroep Inhoudsindicatie:

Nadere informatie

Print deze uitspraak rechtsgebied. Kamer 2 - Milieu - Bestuursdwang / E-mail deze uitspraak

Print deze uitspraak rechtsgebied. Kamer 2 - Milieu - Bestuursdwang / E-mail deze uitspraak Essentie uitspraak: Indien in een inrichting meerdere overslag- of laad- en losgedeelten aanwezig zijn, mag per overslag- of laad- en losgedeelte maximaal 10.000 kilogram gevaarlijke stoffen tijdelijk

Nadere informatie

ECLI:NL:CRVB:2016:3181

ECLI:NL:CRVB:2016:3181 ECLI:NL:CRVB:2016:3181 Instantie Datum uitspraak 22-08-2016 Datum publicatie 29-08-2016 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 16/3877 PW-VV Socialezekerheidsrecht

Nadere informatie

ECLI:NL:RVS:2012:BY2512

ECLI:NL:RVS:2012:BY2512 ECLI:NL:RVS:2012:BY2512 Instantie Raad van State Datum uitspraak 07-11-2012 Datum publicatie 07-11-2012 Zaaknummer Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 201203945/1/A2 Eerste

Nadere informatie

ECLI:NL:CRVB:2016:3651

ECLI:NL:CRVB:2016:3651 ECLI:NL:CRVB:2016:3651 Instantie Datum uitspraak 04-10-2016 Datum publicatie 10-10-2016 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 16/5 WWB Socialezekerheidsrecht

Nadere informatie

ECLI:NL:RVS:2016:3050

ECLI:NL:RVS:2016:3050 ECLI:NL:RVS:2016:3050 Instantie Raad van State Datum uitspraak 16-11-2016 Datum publicatie 16-11-2016 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 201601834/1/R2 Bestuursrecht Eerste

Nadere informatie

LJN: BD4051, Rechtbank Almelo, 08 / 520 AQ1 V

LJN: BD4051, Rechtbank Almelo, 08 / 520 AQ1 V LJN: BD4051, Rechtbank Almelo, 08 / 520 AQ1 V Print uitspraak Datum uitspraak: 30-05-2008 Datum publicatie: 16-06-2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht overig Soort procedure: Eerste aanleg - enkelvoudig Inhoudsindicatie:

Nadere informatie

ECLI:NL:RBNNE:2016:4039

ECLI:NL:RBNNE:2016:4039 ECLI:NL:RBNNE:2016:4039 Instantie Datum uitspraak 23-08-2016 Datum publicatie 05-09-2016 Zaaknummer Awb 16/570 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Rechtbank Noord-Nederland Bestuursrecht

Nadere informatie

ECLI:NL:RVS:2012:BY3743

ECLI:NL:RVS:2012:BY3743 ECLI:NL:RVS:2012:BY3743 Instantie Raad van State Datum uitspraak 21-11-2012 Datum publicatie 21-11-2012 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 201202162/1/V6 Bestuursrecht Vreemdelingenrecht

Nadere informatie

EelI: Nl: RBOVE:2016: 2665

EelI: Nl: RBOVE:2016: 2665 ge R~tht.$praakl,_......,,_.... ~ '._._, "_"",,_ _,_,,.. _". _,._ _. "..'o....._.,._,_......._..._.... "....." _,.,........_,..,... _~_.,. _.".._.,_..._._...._........ ~w _~!!~~~~I}~~_~~~!~e_t_E~~~!~!t~J)~~~c:!~_~~_~!~~~~_~!:~i~!~.r~9~ÇJ~!"!i~Cl.t.i~.c=.~~~!"!.!Cl

Nadere informatie

ECLI:NL:RBROT:2017:2831

ECLI:NL:RBROT:2017:2831 ECLI:NL:RBROT:2017:2831 Instantie Rechtbank Rotterdam Datum uitspraak 19-04-2017 Datum publicatie 04-05-2017 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie ROT-17_1857-ROT-17_1856 Bestuursrecht

Nadere informatie

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Voorst te Twello, verweerder.

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Voorst te Twello, verweerder. Uitspraak RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: AWB 14/6677 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 9 MAART 2015 in de zaak tussen i enge, eiser (geina"ái.eme: mr.r mg",

Nadere informatie

Aangetekend verstuurd OPENBARE VERSIE ------- - ------- --- --- ------ ------ ----- ---- -- --------- NeeC.D.VCéKr-16062144 - Beslissingen op bezwaar Datum 25 augustus 2016 Geachte heer ----, Uw kenmerk

Nadere informatie

http://zoeken.rechtspraak.nl/resultpage.aspx?snelzoeken=true&searchtype=ljn&ljn=br1...

http://zoeken.rechtspraak.nl/resultpage.aspx?snelzoeken=true&searchtype=ljn&ljn=br1... pagina 1 van 5 LJN: BR1463, Raad van State, 201011448/1/H1 Datum 13-07-2011 uitspraak: Datum 13-07-2011 publicatie: Rechtsgebied: Bouwen Soort procedure: Hoger beroep Inhoudsindicatie: Bij besluit van

Nadere informatie

LJN: BO7059, Rechtbank Amsterdam, AWB 09/3604 AOW. Datum uitspraak: Datum publicatie:

LJN: BO7059, Rechtbank Amsterdam, AWB 09/3604 AOW. Datum uitspraak: Datum publicatie: LJN: BO7059, Rechtbank Amsterdam, AWB 09/3604 AOW Datum uitspraak: 23-09-2010 Datum publicatie: 13-12-2010 Rechtsgebied: Sociale zekerheid Soort procedure: Eerste aanleg - enkelvoudig Inhoudsindicatie:

Nadere informatie

ECLI:NL:CRVB:2015:872

ECLI:NL:CRVB:2015:872 ECLI:NL:CRVB:2015:872 Instantie Datum uitspraak 24-03-2015 Datum publicatie 25-03-2015 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 14-2865 WWB Socialezekerheidsrecht

Nadere informatie

ECLI:NL:RVS:2017:1233

ECLI:NL:RVS:2017:1233 ECLI:NL:RVS:2017:1233 Instantie Raad van State Datum uitspraak 10-05-2017 Datum publicatie 10-05-2017 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 201606492/1/A3 Bestuursrecht Tussenuitspraak

Nadere informatie