Tegenwoordige en verleden tijd De persoonsvorm staat in de tegenwoordige tijd of in de verleden tijd.

Save this PDF as:
 WORD  PNG  TXT  JPG

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Tegenwoordige en verleden tijd De persoonsvorm staat in de tegenwoordige tijd of in de verleden tijd."

Transcriptie

1 Belangrijk om te weten in groep 7 en 8 Een handig naslagwerk. Als het onderwerp enkelvoud is, wordt de persoonsvorm ook in enkelvoud geschreven. Ik loop naar huis. Jij loopt naar huis. Mijn broer loopt naar huis. Als het onderwerp meervoud is, wordt de persoonsvorm ook in meervoud geschreven. Wij lopen naar huis. Jullie lopen naar huis. De leerlingen lopen naar huis. Tegenwoordige en verleden tijd De persoonsvorm staat in de tegenwoordige tijd of in de verleden tijd. tegenwoordige tijd Jan gaat vandaag naar Parijs. Ik werk op vrijdag altijd tot uur. verleden tijd Jan ging vandaag naar Parijs. Ik werkte op vrijdag altijd tot uur. Persoonsvorm Er zijn drie manieren om de persoonsvorm te vinden. 1. Als je de zin vragend maakt, is de persoonsvorm het werkwoord dat op de eerste plaats komt. Piet eet een appel. Eet Piet een appel? 2. Als je de zin in een andere tijd zet, verandert de persoonsvorm. Piet eet een appel. Piet at een appel. 3. Als het onderwerp in het meervoud staat, staat de persoonsvorm dat ook. Piet eet een appel. Jan en Piet eten een appel.

2 Voltooide tijd De voltooide tijd maak je met het voltooid deelwoord en het hulpwerkwoord hebben, zijn of worden. Het hulpwerkwoord is de persoonsvorm. Hij heeft de lege flessen ingeleverd. De wedstrijd is afgelast. Ik heb hem net opgebeld. Mijn buurman wordt nooit ergens voor gevraagd. Mijn fiets is gelukkig weer gevonden. Op zijn zestigste wordt hij gepensioneerd. Gezegde Het gezegde zijn alle werkwoorden van de zin. Soms is dit alleen de persoonsvorm. Piet eet een appel. Soms is dit de persoonsvorm met nog een ander werkwoord. Piet heeft een appel gegeten. Onderwerp Er zijn twee manieren om het onderwerp te vinden. 1. Als je wie of wat voor de persoonvorm zet, is het antwoord op de vraag het onderwerp. Piet eet een appel. Wie eet een appel? - > Piet De auto rijdt te snel. Wat rijdt te snel? - > de auto 2. Als je het onderwerp van enkelvoud naar meervoud verandert, verandert de persoonsvorm ook. Piet eet een appel. Jan en Piet eten een appel.

3 Koppelwerkwoord, zelfstandig werkwoord en hulpwerkwoord Een koppelwerkwoord vormt samen met een naamwoord een gezegde. Een koppelwerkwoord kan niet alleen een gezegde vormen. De koppelwerkwoorden zijn: zijn, worden, blijven, lijken, blijken, schijnen, heten, dunken, voorkomen. Jaap is ziek. Het meisje lijkt moe. Mijn vader wordt boos. Een zelfstandig werkwoord kan zelfstandig een werkwoordelijk gezegde vormen. Het is een werkwoord met een betekenis De hond luistert naar zijn baas. Ik fiets iedere dag. Het ijs smelt. Een hulpwerkwoord vind je altijd samen met een zelfstandig werkwoord. Bij de hulpwerkwoorden hebben, zijn en worden is dit een voltooid deelwoord. Zij heeft gespeeld. Hij is gevallen. Hij wordt gezocht. Bij de hulpwerkwoorden kunnen, willen, zullen, mogen, moeten en hoeven is dit een infinitief. (hele werkwoord) Zij kan mooi viool spelen. Hij mag niet vallen. Hij wil niet zoeken.

4 Naamwoordelijk gezegde Het naamwoordelijk gezegde is de persoonsvorm + een bijvoeglijk naamwoord of een zelfstandig naamwoord. Mijn moeder is boos. Mijn buurman is advocaat. Koppelwerkwoorden zijn: zijn, worden, blijven, lijken, blijken, schijnen, heten, dunken, voorkomen. Werkwoordelijk gezegde Het werkwoordelijk gezegde is de persoonsvorm + alle andere werkwoorden in de zin. De andere werkwoorden zijn het voltooid deelwoord of het infinitief. Eefje loopt naar huis. Eefje is naar huis gelopen. Eefje zal naar huis lopen. Eefje zou naar huis zijn gelopen. Eefje moet naar huis lopen. Lijdend voorwerp Wanneer je de persoonsvorm, het onderwerp en het gezegde gevonden hebt, kun je kijken of er een lijdend voorwerp in de zin staat. Het lijdend voorwerp vind je alleen in zinnen met een werkwoordelijk gezegde. Je vindt het lijdend voorwerp door wie of wat voor de persoonsvorm, het onderwerp en de rest van het werkwoordelijk gezegde te zetten Ze koopt vanmiddag een bos bloemen. Wat koopt ze? Antwoord: een bos bloemen De docent heeft een hoog cijfer gegeven. Wat heeft de docent gegeven? Antwoord: een hoog cijfer Ik bel mijn moeder op. Wie bel ik op? Antwoord: mijn moeder Het lijdend voorwerp begint nooit met een voorzetsel.

5 Meewerkend voorwerp Na het lijdend voorwerp kun je kijken of er een meewerkend voorwerp in de zin staat. Een paar kenmerken van het meewerkend voorwerp zijn: Je kunt meestal aan of voor voor het meewerkend voorwerp zetten. Als er al aan of voor staat, kun je dit meestal weglaten. Als een zinsdeel met voor begint en je kunt dit vervangen door ten behoeve van, is het een meewerkend voorwerp. Ik gaf hem een cadeau. Ik gaf aan hem een cadeau. Die film duurt mij niet lang genoeg. Die film duurt voor mij niet lang genoeg. Voor hem heb ik mijn vakantie uitgesteld. Ten behoeve van hem heb ik mijn vakantie uitgesteld. Bijwoordelijke bepaling Als je de zin tot en met het meewerkend voorwerp ontleed hebt, blijven er vaak nog zinsdelen over. Deze zinsdelen zijn meestal bijwoordelijke bepalingen. De meest voorkomende bijwoordelijke bepalingen vind je hieronder. Bepaling van tijd. Deze geeft antwoord op de vraag wanneer? Morgen gaan we naar de film. Bepaling van plaats. Deze geeft antwoord op de vraag waar? Mijn nichtje speelt in de tuin. Bepaling van richting. Deze geeft antwoord op de vraag waarheen? Ze gaan naar Corsica. Bepaling van reden. Deze geeft antwoord op de vraag waarom? Hij gaat niet naar school omdat hij ziek is.

6 Voorzetselvoorwerp Een voorzetselvoorwerp is een zinsdeel dat begint met een voorzetsel en dat een vaste combinatie met een werkwoord vormt. Het voorzetsel kan niet weggelaten worden. De jongen werkt aan zijn werkstuk. Ik ga niet akkoord met dat voorstel. Hij verwijst naar de bijlage. Hoofdzin en bijzin Als er in een zin maar één persoonsvorm staat, noemen we dit een enkelvoudige zin. Mina wandelt met haar zoontje. Je kunt deze zin uitbreiden: Mina wandelt met haar zoontje dat vrolijk huppelt. In dit geval zie je twee zinnen. Iedere zin heeft een persoonsvorm Mina wandelt met haar zoontje dat vrolijk huppelt. De eerste zin is echter belangrijker dan de tweede zin. De eerste zin, de hoofdzin, kun je niet weglaten. De tweede zin, de bijzin, kun je wel weglaten. Tegenwoordige tijd lopen vinden ik loop ik vind jij loopt jij vindt hij,zij loopt hij,zij vindt het loopt het vindt wij lopen wij vinden jullie lopen jullie vinden zij lopen zij vinden

7 Verleden tijd werken wachten wandelen landen ik werkte ik wachtte ik wandelde ik landde jij werkte jij wachtte jij wandelde jij landde hij,zij werkte hij,zij wachtte hij,zij wandelde hij,zij landde het werkte het wachtte het wandelde het landde wij werkten wij wachtten wij wandelden wij landden jullie werkten jullie wachtten jullie wandelden jullie landden zij werkten zij wachtten zij wandelden zij landden 't kofschip Gebruik de regel van 't kofschip om te weten of er te(n) of de(n) achter de stam komt: Zit de laatste letter van de stam in 't kofschip? (o en i doen niet mee). Ja? Dan komt er te(n) achter de stam. Nee? Dan komt er de(n) achter de stam. De stam is de ik-vorm van een werkwoord. Of gebruik de regel van 't kofschip om te weten wat de laatste letter van het voltooid deelwoord is: Zit de laatste letter van de stam in 't kofschip? (o en i doen niet mee). Ja? Dan eindigt het voltooid deelwoord op een t. Nee? Dan eindigt het voltooid deelwoord op een d. f/v en s/z De stam van een werkwoord eindigt nooit op een v of een z. Een v wordt dan een f en een z wordt dan een s. Een werkwoord waarvan de stam eindigt op deze f of s, eindigt in de verleden tijd niet op te(n) maar op de(n). leven ik leef ik leefde verwaarlozen ik verwaarloos ik verwaarloosde Een voltooid deelwoord waarvan de stam eindigt op deze f of s, eindigt niet op t maar op d. leven ik leef ik heb geleefd verwaarlozen ik verwaarloos ik heb verwaarloosd

8 Voltooide tijd De voltooide tijd maak je met het voltooid deelwoord en het hulpwerkwoord hebben, zijn of worden. Het hulpwerkwoord is de persoonsvorm. Gebruik de regel van 't kofschip om te weten wat de laatste letter van het voltooid deelwoord is. Een andere manier om de laatste letter van het voltooid deelwoord te bepalen is om met het werkwoord een verleden tijd te maken. ik heb gewerkt werkte ik heb gelegd legde ik heb gewacht wachtte hij heeft gerepareerd repareerde Bijvoeglijk naamwoord Een bijvoeglijk naamwoord geeft een kenmerk of een eigenschap van een ander woord. De hoge toren is een vertrouwd baken. Het verbrande huis bood een trieste aanblik. Een bijvoeglijk naamwoord kan afgeleid zijn van een voltooid deelwoord, er komt dan een e achter het voltooid deelwoord. Het huis is afgebrand. het afgebrande huis Het boek is besteld. het bestelde boek De koper is opgelicht. de opgelichte koper Het gras is gemaaid. het gemaaide gras De schade is vergoed de vergoede schade De tuin is besproeid. de besproeide tuin Gebiedende wijs Met een gebiedende wijs geef je een bevel of een wens. De gebiedende wijs heeft dezelfde vorm als de stam. Ga onmiddellijk naar huis! Was je handen!

9 Infinitief De infinitief (het hele werkwoord) is het werkwoord zoals je het in het woordenboek vindt; er is nog niets mee gebeurd. Hij wil morgen al gaan. Hij kan goed voetballen. Mijn broer moet morgen optreden. Een infinitief kan ook als zelfstandig naamwoord gebruikt worden. Er staat dan het voor of je kunt dit er voor denken. Het huilen stond hem nader dan het lachen. Vissen is zijn lust en zijn leven. Het verbranden van afval is hier niet toegestaan. Tegenwoordig deelwoord Het tegenwoordig deelwoord maak je door d of de achter het werkwoord te zetten. Aarzelend pakte ze het pakje op. IJs en weder dienende, ben ik er morgen.

10 Klinker en medeklinker Als een woord verandert, bijvoorbeeld van enkelvoud naar meervoud, houdt een lange klinker (een lange klank) dezelfde uitspraak. straat baard straten baarden Het woord straat bestaat uit 1, gesloten, lettergreep. Het meervoud van straat is straten. Dit woord bestaat uit twee lettergrepen, waarvan stra een open lettergreep is. Daarom verdwijnt er 1 klinker, want een lange klank in een open lettergreep schrijf je met 1 klinker. Het woord baard bestaat uit 1, gesloten, lettergreep. Het woord baarden bestaat uit twee lettergrepen, waarvan de eerste, baard, een gesloten lettergreep is. Daarom blijft de dubbele klinker in baard, want een lange klank in een gesloten lettergreep schrijf je met twee klinkers. Als een woord verandert houdt een korte klinker (een korte klank) dezelfde uitspraak. rond nat ronde natte Het woord rond bestaat uit 1, gesloten, lettergreep. Het woord ronde bestaat uit twee gesloten lettergrepen, ron en de. Een korte klank in een gesloten lettergreep schrijf je met 1 klinker. Het woord nat bestaat uit 1, gesloten, lettergreep. Het woord natte bestaat uit twee gesloten lettergrepen, nat en te. Om de open lettergreep na te voorkomen, en daarmee de lange klank, schrijf je een extra t Je schrijft geen v aan het eind van een woord maar een f. geven geef Je schrijft geen z aan het eind van een woord maar een s. bazen baas

11 Tweeklanken ij of ei Je schrijft ij in - woorden die eindigen op -lijk, -nij, -rij, lij of -ij, bijvoorbeeld: begeerlijk, maatschappij, razernij, verwennerij - sterke werkwoorden, bijvoorbeeld: prijzen, schijnen Je schrijft ei in - woorden die eindigen op -heid, -lei, eit of -teit, bijvoorbeeld: waarheid, velerlei, kwaliteit Omdat er verder geen regels voor te geven zijn, zul je vaak het woordenboek moeten gebruiken. ie, i, y Je schrijft ie in - gesloten lettergrepen, als je een lange ie hoort, bijvoorbeeld: stier - aan het eind van een woord, bijvoorbeeld: knie - in open lettergrepen waarop de klemtoon valt, bijvoorbeeld: rivieren Je schrijft i in - namen van de maanden januari, februari, juni, juli - woorden die uit het Latijn afkomstig zijn of een Latijnse meervoudsuitgang hebben, bijvoorbeeld: academici - bijvoeglijke naamwoorden die eindigen op -isch, bijvoorbeeld: kritisch - bijvoeglijke naamwoorden die eindigen op ieel, bijvoorbeeld: financieel Je schrijft y in - woorden met een Griekse oorsprong, bijvoorbeeld: hypotheek - Engelse woorden, bijvoorbeeld: baby, hobby ou of au Vroeger kon je aan de uitspraak horen of een woord met ou of au geschreven moest worden. Tegenwoordig is dit niet meer zo en je zult het woordenboek moeten gebruiken.

12 Begin en eind van een woord Twijfel je aan de laatste letter? Maak dan een woord langer om aan de uitspraak te horen hoe je het eind van een woord schrijft. schrob p of b? => schrobben Je hoort een b. hond d of t? => honden Je hoort een d. feest d of t? => feesten Je hoort een t. hard d of t? => harde Je hoort een d. slecht d of t? => slechte Je hoort een t. Eenzelfde voorvoegsel wordt in verschillende woorden op dezelfde manier geschreven, ook als je het in de uitspraak niet hoort. Als je twijfelt, haal dan het woord uit elkaar en kijk wat de laatste letter van het voorvoegsel en de eerste letter van het volgende deel van het woord is. ontnemen 1 of 2 t? => ont eindigt op t 1 t => nemen begint met n onttrekken 1 of 2 t? => ont eindigt op t 2 t => trekken begint met t Eenzelfde achtervoegsel wordt in verschillende woorden op dezelfde manier geschreven, ook als je het in de uitspraak niet hoort. Als je twijfelt, haal dan het woord uit elkaar en kijk wat de eerste letter van het achtervoegsel en de laatste letter van het vorige deel van het woord is. behaaglijk 1 of 2 l? => behaag eindigt op g 1 l => lijk begint met l onmiddellijk 1 of 2 l? => onmiddel eindigt op l 2 l => lijk begint met l c of k c wordt gebruikt in woorden die afgeleid zijn van andere talen, bijvoorbeeld: commissie, comité. Je schrijft k in woorden die al met een k geschreven werden, zoals: kopie, kopij. Let op! de meeste woorden zul je moeten opzoeken en uit je hoofd leren. ng of nk Als je ng hoort, schrijf je dit ook. toegang, drang, zing Als je ngk hoort, schrijf je nk. dank, afhankeljk

13 Lidwoord, de of het? voor een meervoud altijd de de appels, de jassen voor een beroep altijd de de bakker, de schilder voor groenten, fruit, bomen en planten altijd de de bloemkool, de citroen, de eik namen van bergen en rivieren met de de Etna, de Maas vrouwelijke woorden op -ing, -ie,- ij, -heid, -teit,-a, -nis, -st, -schap, -de, -te altijd de de samenleving, de spatie, de vrijheid, de kwaliteit, de agenda, de kennis, de winst, de blijdschap, de liefde voor een verkleinwoord altijd het het kindje woorden met twee lettergrepen die beginnen met be-, ge-, ver-, ont-, altijd het het begrip, het gedrag, het verlies, het ontzag

14 namen van talen altijd het het Russisch namen van metalen altijd het het ijzer, het koper woorden die eindigen op -isme, -ment altijd het het Boeddhisme, het moment woorden die afgeleid zijn van een werkwoord altijd het het slapen Zelfstandig naamwoord Een zelfstandig naamwoord is de naam van een ding, persoon, gevoel, begrip etc. Meestal staat er een lidwoord voor, of kun je die ervoor denken. De straat waar ik woon is erg druk. Een straat moet 's nachts goed verlicht zijn. Het huis naast ons wordt geschilderd. Een huis in de stad is erg duur.

15 Meervoud Het meervoud maak je met de uitgang -en, -s of -'s de hand - de handen Een zelfstandig naamwoord met meer dan 1 lettergreep en dat eindigt op -e, -el, -en, -er, -em, -ie krijgt in het meervoud -s. het katje, de katjes de egel, de egels Een zelfstandig naamwoord dat eindigt op -i, -a, -o, -u, -y krijgt in het meervoud -'s. de taxi, de taxi's de baby, de baby's Bijvoeglijk naamwoord Het bijvoeglijk naamwoord zegt hoe iets is. het dure horloge de lange straat Er kunnen meerdere bijvoeglijke naamwoorden achter elkaar staan. de lange, lege straat Een bijvoeglijk naamwoord staat meestal voor het zelfstandig naamwoord, maar kan er ook achter staan. De straat is lang. Je zet een -e achter het bijvoeglijk naamwoord als het bij een zelfstandig naamwoord staat. het zwarte paard Maar je zet geen -e achter het bijvoeglijk naamwoord als je het lidwoord een bij een zelfstandig naamwoord gebruikt dat eigenlijk een het-woord is. een zwart paard (het paard)

16 Als het bijvoeglijk naamwoord achter het zelfstandig naamwoord staat, zet je er geen -e achter. De man is rijk. Tussen -n en -s Kijk altijd naar het eerste woord van de samenstelling. Is dit een zelfstandig naamwoord dat in het meervoud eindigt op en? Dan krijgt het eerste woord van de samenstelling een tussenletter n. boekenkast hondenhok brievenbus Deze regel geldt in de nieuwste spelling ook voor de volgende woorden: naar hartenlust paddenstoel pierenbad paardenbloem kattenkruid Als het linkerdeel van een samenstelling al eindigt op -en, blijft de schrijfwijze van dat deel behouden. dronkenlap dronkenman We schrijven een s in een samengesteld woord, als je de s kunt horen. stationsplein regeringsverklaring Let op! Als het tweede woord in een samenstelling met een s begint, dan horen we de s niet. We schrijven deze toch. stationsstraat

17 Uitzonderingen! Je schrijft geen -n als: - het eerste deel van een samenstelling verwijst naar een persoon of zaak die uniek is. zonneschijn (er is maar één zon) koninginnedag (er is maar één koningin) - het eerste deel van een samenstelling de betekenis van het tweede deel versterkt en het geheel een bijvoeglijk naamwoord is. boordevol apetrots beregoed - je van het eerste deel van een samenstelling het woord niet meer in de oorspronkelijke betekenis herkent. bolleboos schattebout - het eerste deel van een samenstelling een zelfstandig naamwoord is dat geen meervoud heeft. tarwebrood rijstepap - het eerste deel van een samenstelling een zelfstandig naamwoord is dat zowel een meervoud op -n als -s heeft. secretaresseblad (secretaresses / secretaressen) aktetas (akten / aktes) - als het om een tussenklank in een afleiding gaat. aanbiddelijk besluiteloos ideeëloos stateloos Trema Je plaatst een trema (twee puntjes) om problemen met het uitspreken te voorkomen (klinkerbotsing). efficiënt geïnteresseerd industriële coördineren Je plaatst een trema als bij een woord, dat op 'ie' eindigt, de klemtoon niet op de 'ie' valt. financiën bacteriën

18 Valt de klemtoon wel op de 'ie', dan schrijf je 'ieë'. industrieën fantasieën Apostrof De apostrof (of weglatingsteken) gebruik je in de volgende situaties: Bij meervoud van een woord met de klinker 'i', 'a', 'u', 'o' of 'y' omdat je anders een verkeerde uitspraak van het woord krijgt. menu's agenda's taxi's auto's baby's Bij 's en 't (afkortingen van 'des, en 'het'). 's morgens 't kofschip 's-gravenhage Koppelteken Het koppelteken wordt gebruikt om woorden, letters of getallen te koppelen aan een ander woord (dit noemen we samenstellingen). In de volgende gevallen gebruikt men een koppelteken: In samenstellingen met letters, afkortingen en cijfers. g-snaar tbc-patiënt 83-jarige In samenstellingen die een titel of een rang aanduiden, waarbij je het eerste woord ook zelfstandig als persoonsnaam kunt gebruiken. luitenant-kolonel secretaris-generaal In aardrijkskundige namen met een nadere bepaling. Amsterdam-Oost Nieuw-Zeeland

19 In samenstellingen die zonder koppelteken verkeerd gelezen kunnen worden (klinkerbotsing). radio-omroep stage-uren gala-avond co-ouder In woorden waarin aspirant, assistent, bijna, chef, collega, ex, interim, kandidaat, leerling, meester, niet, non, oud als voorvoegsel gebruikt zijn. ex-minister kandidaat-notaris oud-burgemeester Tussen gelijkwaardige elementen die naast elkaar worden geplaatst in een samenstelling. hotel-restaurant zwart-wit dichter-schrijven In samenstellingen voor een woorddeel met een hoofdletter on-hollands trans-atlantisch Tussen meer dan twee woorden die samen een woord vormen (samenkoppeling). een staakt-het-vuren een kant-en-klare-maaltijd Beide, beiden Als je verwijst naar personen, gebruik je een 'n'. Velen zullen de laatsten zijn. Slechts weinigen zullen deze opleiding afmaken. Enkelen zullen de eindstreep niet bereiken. Als je verwijst naar zaken of dieren, gebruik je geen 'n'. Ik heb mooie vakantiedagen gehad. Slechts enkele waren minder stralend. Jantien heeft twee leren banken. Beide kunnen naar de rommelmarkt. Vele van zijn verhalen zijn mij goed bijgebleven.

20 Persoonlijk naamwoord Het persoonlijk voornaamwoord geeft een persoon aan. ik loop jij, je loopt hij loopt zij, ze loopt het loopt wij, we lopen jullie lopen zij, ze lopen jij ziet mij, me ik zie jou, je ik zie hem ik zie haar ik zie het ik zie ons ik zie jullie ik zie ze Let op! Ik geef het hun. Ik geef het aan hen. Bezittelijk voornaamwoord Het bezittelijk voornaamwoord geeft een bezit aan. Je gebruikt het samen met een zelfstandig naamwoord. Ik zoek mijn jas. Jij zoekt jouw (je) jas. Hij zoekt zijn jas. Zij zoekt haar jas. U zoekt uw jas. Wij zoeken onze jassen. Jullie zoeken jullie jassen. Zij zoeken hun jassen.

21 Vraagwoord Met een vraagwoord maak je een vraag. Ze beginnen met een w, behalve hoe. Je vraagt naar een persoon. Wie is die man? Je vraagt naar een ding. Wat wil je in je koffie? Je vraagt naar een plaats. Waar gaan we naar toe? Je vraagt naar een reden. Waarom ga je weg? Je vraagt naar een manier. Hoe kom ik bij het station? Welk gebruik je bij een zelfstandig naamwoord: bij een de-woord welke, bij een het-woord welk. Welke trein moet ik nemen? Welk boek is van jou?

22 Aanwijzend voornaamwoord Een het-woord dat dichtbij is, wijs je aan met dit. Dit kind woont hier in de straat. Een het-woord dat ver weg is, wijs je aan met dat. Dat kind woont in Amsterdam. Een de-woord dat dichtbij is, wijs je aan met deze. Deze man woont hier in de straat. Een de-woord dat verweg is, wijs je aan met die. Die man woont in Amsterdam. Deze en die gebruik je alleen bij een zelfstandig naamwoord. Dit en dat kun je ook los gebruiken. Het maakt dan niet uit of het enkelvoud of meervoud is. Dichtbij en enkelvoud Dit is mijn vriendin. Veraf en enkelvoud Dat is mijn nieuwe buurman. Dichtbij en meervoud Dit zijn mijn kinderen. Veraf en meervoud Dat zijn mijn nieuwe buren.

23 Woordvolgorde De normale volgorde in een zin is: onderwerp + persoonsvorm + rest van de zin. Hij woont in Amsterdam. Je hoeft niet altijd met het onderwerp te beginnen. Soms begin je met het werkwoord of met een ander deel van de zin. Het hang ervan af welk deel van de zin je nadruk wilt geven. Regel is wel dat je niets tussen het onderwerp en de persoonsvorm zet. In een aantal gevallen komt eerst de persoonsvorm en dan het onderwerp (inversie). Bij een vraagzin Woont hij in Amsterdam? Als de zin begint met een vraagwoord (wie, wat, waarom, wanneer). Wanneer komt hij naar Amsterdam? Als de zin begint met een tijdsbepaling. Vanavond komt hij naar Amsterdam. Als de zin begint met een plaatsbepaling. In Amsterdam kent hij vele mooie plekjes. Als de zin een hulpwerkwoord en een voltooid deelwoord heeft, staat het voltooid deelwoord achter in de zin. Hij heeft drie jaar in Amsterdam gewoond. Als in de zin een tijdsbepaling en een plaatsbepaling staan is de volgorde: eerst de tijdsbepaling en dan de plaatsbepaling. Hij woont al drie jaar in Amsterdam. Splitsbare werkwoorden Splitsbare werkwoorden zijn werkwoorden die meestal gekoppeld zijn aan een voorzetsel. Een voorbeeld hiervan is opbellen. Bij de vervoeging van dit woord zie je het volgende werkwoord: opbellen persoonsvorm: ik bel op voltooid deelwoord: ik heb opgebeld Het voorvoegsel ge wordt geplaatst tussen het voorzetsel en het werkwoord, zie: opgebeld

24

Kernwoord Uitleg Voorbeeld

Kernwoord Uitleg Voorbeeld Aanhalingstekens Accenttekens Achtervoegsel Afbreekteken Gebruik je voor een citaat of als iets niet letterlijk is bedoeld. Gebruik je om iets nadruk te geven of om dubbelzinnigheid te voorkomen. Een nietzelfstandig

Nadere informatie

π (spreek uit uiltje ): hulpwerkwoorden of modale hulpwerkwoorden 46

π (spreek uit uiltje ): hulpwerkwoorden of modale hulpwerkwoorden 46 Inhoud Inleiding 6 1 Wie? (mensen) Wat? (dieren en dingen) 10 π Het zelfstandig naamwoord (man, vrouw, Jan) 12 π Het zelfstandig naamwoord, meervoud (lepels, bloemen) 13 π Het zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

Nadere informatie

als iets niet letterlijk is bedoeld.

als iets niet letterlijk is bedoeld. Kernwoordenlijst Kernwoord Uitleg Voorbeeld Aanhalingstekens Accenttekens Achtervoegsel Afbreekteken Gebruik je voor een citaat of als iets niet letterlijk is bedoeld. Gebruik je om iets nadruk te geven

Nadere informatie

Overzicht toetsen en oefeningen Grammatica I. Grammatica I

Overzicht toetsen en oefeningen Grammatica I. Grammatica I Overzicht toetsen en oefeningen Grammatica I Grammatica I Rubriek Oefening Type Opgaven Uitleg Alle onderwerpen Totaaltoets Grammatica I (*) 42 1 Klanken/letters Deeltoets 1 (*) Naamwoorden Deeltoets 2

Nadere informatie

π (spreek uit uiltje ): hulpwerkwoorden of modale hulpwerkwoorden 46

π (spreek uit uiltje ): hulpwerkwoorden of modale hulpwerkwoorden 46 Inhoud Inleiding 6 1 Wie? (mensen) Wat? (dieren en dingen) 10 π Het zelfstandig naamwoord (man, vrouw, Jan) 12 π Het zelfstandig naamwoord, meervoud (lepels, bloemen) 13 π Het zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

Nadere informatie

Woordsoorten. Nederlands. Aanwijzend voornaamwoord. Onderschikkend voegwoord. Persoonlijk voornaamwoord. Betrekkelijk voornaamwoord

Woordsoorten. Nederlands. Aanwijzend voornaamwoord. Onderschikkend voegwoord. Persoonlijk voornaamwoord. Betrekkelijk voornaamwoord Woordsoorten Nederlands Aanwijzend voornaamwoord Betrekkelijk voornaamwoord Bezittelijk voornaamwoord Bijvoeglijk gebruikt werkwoord Bijvoeglijk naamwoord Bijwoord Bijzin Hoofdzin Hulpwerkwoord Koppelwerkwoord

Nadere informatie

Inhoud. Inleiding 15. Deel 1 Spelling 18

Inhoud. Inleiding 15. Deel 1 Spelling 18 Inhoud Deel 1 Spelling 18 Inleiding 15 1 Grondbeginselen van de Nederlandse spelling 21 1.1 Verschil tussen klank en letter 22 1.2 Hoofdregels 22 1.3 Interactie tussen de regels 24 1.4 Belang van de regel

Nadere informatie

Online cursus spelling en grammatica

Online cursus spelling en grammatica Handleiding Online cursus spelling en grammatica Het hoofdmenu In het hoofdmenu kun je links op een niveau klikken. Daarnaast zie je een overzicht van de modules die bij dit niveau horen. Modules Rechts

Nadere informatie

Taalbeschouwelijke termen bao so 2010

Taalbeschouwelijke termen bao so 2010 1 Bijlage: Vergelijking taalbeschouwelijke termen leerplannen basisonderwijs en secundair onderwijs In deze lijst vindt u in de linkerkolom een overzicht van de taalbeschouwelijke termen uit het leerplan

Nadere informatie

Spiekkaart. Persoonsvorm - p.v.

Spiekkaart. Persoonsvorm - p.v. Persoonsvorm - p.v. DE PERSOONSVORM IS EEN WERKWOORD 1. 2. 3. Zet de zin in een andere tijd: Muis schrijft een brief. Muis schreef een brief. Het werkwoord dat verandert is de persoonsvorm. Maak van de

Nadere informatie

1.2.3 Trappen van vergelijking 20

1.2.3 Trappen van vergelijking 20 INHOUD DEEL I Woord voor woord 13 1.1 Zelfstandig naamwoord (substantief) 16 1.1.1 Definitie 16 1.1.2 Soorten 16 1.1.2.1 Soortnaam of eigennaam 16 1.1.2.2 Concrete of abstracte zelfstandige naamwoorden

Nadere informatie

Zinsontleden en woordbenoemen groep 7/8

Zinsontleden en woordbenoemen groep 7/8 Zinsontleden en woordbenoemen groep 7/8 Naam: 1 Inhoudsopgave: 3 - Onderwerp 4 - Persoonsvorm 5 - Gezegde 6 - Lijdend voorwerp 7 - Meewerkend voorwerp 8 - Werkwoorden 8 - Zelfstandig naamwoorden 9 - Bijvoeglijk

Nadere informatie

In dit boekje staan verschillende mogelijkheden om iets op te lossen.

In dit boekje staan verschillende mogelijkheden om iets op te lossen. In dit boekje staan verschillende mogelijkheden om iets op te lossen. Mochten er aanvullingen zijn, kunt u altijd een e-mail sturen naar info@obs-delandweert.nl. ONTLEDEN Taalkundig ontleden. benoem de

Nadere informatie

Werkwoorden. Hebben en zijn. De twee belangrijkste werkwoorden in het Nederlands zijn hebben en zijn. Ik ben Thomas. Ik heb een fiets.

Werkwoorden. Hebben en zijn. De twee belangrijkste werkwoorden in het Nederlands zijn hebben en zijn. Ik ben Thomas. Ik heb een fiets. Werkwoorden Hebben en zijn De twee belangrijkste werkwoorden in het Nederlands zijn hebben en zijn. Ik ben Thomas. Ik heb een fiets. persoon onderwerp hebben zijn 1 enk. ik heb ben 2 enk. jij/u hebt bent

Nadere informatie

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT) Lesperiode: 1 week 36 t/m week 38 Hoofdstuk: Spelling 2 t/m 6 De stam van het werkwoord Splitsbare werkwoorden Persoonsvorm tegenwoordige tijd en de bijbehorende regel De stam van werkwoorden kunnen noteren

Nadere informatie

instapkaarten taal verkennen

instapkaarten taal verkennen -b fl41..- 1 rair î ; : ; - / 0 t- t-, 9 S QURrz 71 1 t 5KM 1o r MALNBERG St 4) 4 instapkaarten ji - S 1,1 1 thema 5 1 les 2 S S S - -- t. Je leert hoe je van het hele werkwoord een voltooid deelwoord

Nadere informatie

Basisspelling is onderdeel van de Bundel Basisprogramma's. Deze bundel bevat ook Basis Werkwoordspelling en Basisgrammatica.

Basisspelling is onderdeel van de Bundel Basisprogramma's. Deze bundel bevat ook Basis Werkwoordspelling en Basisgrammatica. Basisspelling Basisspelling is onderdeel van de Bundel Basisprogramma's. Deze bundel bevat ook Basis Werkwoordspelling en Basisgrammatica. Het Muiswerkprogramma Basisspelling bestrijkt de basisregels van

Nadere informatie

IN DRIE STAPPEN NAAR EEN FOUTLOZE WERKWOORDSPELLING. werkwoordspelling.com M.Kiewit

IN DRIE STAPPEN NAAR EEN FOUTLOZE WERKWOORDSPELLING. werkwoordspelling.com M.Kiewit IN DRIE STAPPEN NAAR EEN FOUTLOZE WERKWOORDSPELLING werkwoordspelling.com M.Kiewit Schematisch overzicht Stap 1: De persoonsvorm De persoonsvorm is het werkwoord dat op de eerste plaats komt te staan als

Nadere informatie

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT) Vak: Nederlands Programma van Inhoud en Toetsing (PIT) 2016-2017 Lesperiode: 1 Hoofdstuk: Spelling 2 t/m 6 De stam van het werkwoord Splitsbare werkwoorden Persoonsvorm tegenwoordige tijd en de bijbehorende

Nadere informatie

DPS. Communicatie. Werkblad: werkwoordspelling

DPS. Communicatie. Werkblad: werkwoordspelling Werkstuk schrijven DPS Communicatie Werkblad: werkwoordspelling On line, korte, doelgerichte cursussen. Aan de slag wanneer het u uitkomt. Via Skype contact met een ervaren docent. Makkelijker was het

Nadere informatie

Eigen vaardigheid Taal

Eigen vaardigheid Taal Eigen vaardigheid Taal Door middel van het beantwoorden van de vragen in dit blok heeft u inzicht gekregen in uw kennis en vaardigheden van de grammatica en spelling van de Nederlandse taal. In het overzicht

Nadere informatie

De bovenkamer. Josée Coenen. een kleurrijke grammatica van het Nederlands. colofon

De bovenkamer. Josée Coenen. een kleurrijke grammatica van het Nederlands. colofon Josée Coenen De bovenkamer een kleurrijke grammatica van het Nederlands colofon Dit overzicht is samengesteld door Josée Coenen, auteur van De bovenkamer. Vormgeving Marjo Starink Bazalt 2016 Voor meer

Nadere informatie

Inleiding 7. Deel 1 BASISVAARDIGHEDEN SPELLING 9

Inleiding 7. Deel 1 BASISVAARDIGHEDEN SPELLING 9 INHOUD Inleiding 7 Deel 1 BASISVAARDIGHEDEN SPELLING 9 Les 1 Stap voor stap op weg naar minder spellingfouten 11 1.1 Juist spellen is... 11 1.2 Stappenplan goed spellen 13 1.3 Hardnekkige spellingproblemen

Nadere informatie

Zinnen. Zinsontleding VOORBEELDPAGINA S. Bestelnr Het grote taalboek - oefenboek - Paragraaf 18 Zinsontleding.

Zinnen. Zinsontleding VOORBEELDPAGINA S. Bestelnr Het grote taalboek - oefenboek - Paragraaf 18 Zinsontleding. VOORBEELDPAGINA S Zinnen Zinsontleding Soorten zinnen Er zijn verschillende soorten zinnen. De meest gebruikte zijn: s MEDEDELENDE ZINNEN IN DE AANTONENDE WIJS )K GA VANDAAG NAAR HET STRAND s VRAGENDE

Nadere informatie

Werkwoorden zijn woorden die aangeven wat iets of iemand doet, is of wordt.

Werkwoorden zijn woorden die aangeven wat iets of iemand doet, is of wordt. DEEL 1: werkwoorden 1. Werkwoorden Werkwoorden zijn woorden die aangeven wat iets of iemand doet, is of wordt. Voorbeelden: komen, gaan, zwemmen, lopen, zijn enz. 1.1 Vormen van het werkwoord Werkwoorden

Nadere informatie

1. poes Luisterweg Ik luister goed naar het woord, Dan schrijf ik het zoals het hoort.

1. poes Luisterweg Ik luister goed naar het woord, Dan schrijf ik het zoals het hoort. 1. poes 2. draak 3. muts 4. wolk Duo betekent twee De /u/ doet dus niet mee 5. krant 6. schaap Hoor je na een s een /g/? Dan schrijf je ch en nooit een g! 7. feest / vier Ik verdeel het woord in klankgroepen.

Nadere informatie

Hiermee wijs je een speciaal iemand of iets aan. Je begint met de ene zinsstructuur en maakt de zin af in een andere zinsstructuur.

Hiermee wijs je een speciaal iemand of iets aan. Je begint met de ene zinsstructuur en maakt de zin af in een andere zinsstructuur. Kernwoordenlijst Kernwoord Uitleg Voorbeeld Aanwijzend Achtervoegsel Afleiding Anakoloet (ontspoorde zin) Beknopte bijzin Bepaling van gesteldheid Betrekkelijk Bezittelijk Bijstelling Bijvoeglijk naamwoord

Nadere informatie

Zin 1: Lijkt + een vriendelijke jongen: kww + naamwoordelijk deel, samen naamwoordelijk geheel (nwg). Verklaring: lijken is kww.,

Zin 1: Lijkt + een vriendelijke jongen: kww + naamwoordelijk deel, samen naamwoordelijk geheel (nwg). Verklaring: lijken is kww., Zinsontleding: onderwerp, persoonsvorm, werkwoordelijk gezegde, naamwoordelijk gezegde, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp, handelend voorwerp, voorzetselvoorwerp en bijwoordelijke bepalingen in zinnen.

Nadere informatie

instapkaarten taal verkennen

instapkaarten taal verkennen instapkaarten inhoud instapkaarten Taal verkennen thema 1 les 2 1 thema 1 les 4 2 thema 1 les 7 3 thema 1 les 9 4 thema 2 les 2 5 thema 2 les 4 6 thema 2 les 7 7 thema 2 les 9 8 thema 3 les 2 9 thema 3

Nadere informatie

Spelling. 1. Werkwoorden

Spelling. 1. Werkwoorden Stijl en spelling Hieronder volgt een overzicht van de belangrijkste stijl- en spellingregels die in de onderbouw bij Nederlands zijn behandeld. Bij schrijfopdrachten en bij het examen wordt in de bovenbouw

Nadere informatie

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT) Programma van Inhoud en Toetsing (PIT) 2015-2016 Lesperiode: 1 week 36 t/m week 38 Hoofdstuk: Spelling 2 t/m 6 De stam van het werkwoord Splitsbare werkwoorden Persoonsvorm tegenwoordige tijd en de bijbehorende

Nadere informatie

Z I N S O N T L E D I N G

Z I N S O N T L E D I N G - 1 - Z I N S O N T L E D I N G Waarom is zinsontleding zo belangrijk? Elke scholier op de middelbare school maar ook de kinderen op de lagere school, komen veelvuldig met zinsontleding in aanraking, eigenlijk

Nadere informatie

Wat is een zelfstandig naamwoord?

Wat is een zelfstandig naamwoord? Wat is een zelfstandig naamwoord? 1. Inleiding Zelfstandig naamwoorden zijn woorden die 'een zelfstandigheid' aanduiden: een persoon of dier: vrouw, oom, hond een eigennaam: Sara, Apple een ding: fiets,

Nadere informatie

instapkaarten spelling

instapkaarten spelling 7 instapkaarten spelling inhoud instapkaarten spelling Spelling thema 1 les 1/13a cat. 10 a/b 1 thema 1 les 3/13b t.t. 2 thema 1 les 5/14a cat. 33 a/b 3 thema 1 les 7/14b t.t. 4 thema 1 les 9/15a cat.

Nadere informatie

Les 5 Werkwoorden 22 Les 6 De persoonsvorm van het werkwoord 24 Les 7 De, het, een 26 Les 8 Het meervoud (op -en, -s of - s) 28 Herhalingstoets 2 30

Les 5 Werkwoorden 22 Les 6 De persoonsvorm van het werkwoord 24 Les 7 De, het, een 26 Les 8 Het meervoud (op -en, -s of - s) 28 Herhalingstoets 2 30 Inhoud Deel 1 Grammaticale vormen Les 1 Letter, woord, zin, getal, cijfer 12 Les 2 Zinnen 14 Les 3 Persoonlijke voornaamwoorden (1) 16 Les 4 Hij / het / je / we / ze 18 Herhalingstoets 1 20 Les 5 Werkwoorden

Nadere informatie

De laat gearriveerde koerier drinkt achter een bruin bureau koude koffie. Deze jonge verpleegster huppelt meestal vrolijk door de lange gangen.

De laat gearriveerde koerier drinkt achter een bruin bureau koude koffie. Deze jonge verpleegster huppelt meestal vrolijk door de lange gangen. Zinsdelen Nederlands Bijvoeglijke bepaling Bijwoordelijke bepaling Lijdend voorwerp Meewerkend voorwerp Naamwoordelijk gezegde Onderwerp Persoonsvorm Voorzetselvoorwerp Werkwoordelijk gezegde Bijvoeglijke

Nadere informatie

Grammaticaboekje NL. Om een beeld te krijgen van de inhoud: De inhoudsopgave, een paar onderwerpen en de eerste bladzijde van de trefwoorden.

Grammaticaboekje NL. Om een beeld te krijgen van de inhoud: De inhoudsopgave, een paar onderwerpen en de eerste bladzijde van de trefwoorden. 9 789082 208306 van Om een beeld te krijgen van de inhoud: De inhoudsopgave, een paar onderwerpen en de eerste bladzijde van de trefwoorden. Opzoekboekje voor leerlingen in klas 1 tot en met 3 in de onderbouw

Nadere informatie

Indien je de regels uit dit bestand kunt toepassen en je kent de stappen die je in het schema moet maken, dan beheers je de werkwoordspelling goed.

Indien je de regels uit dit bestand kunt toepassen en je kent de stappen die je in het schema moet maken, dan beheers je de werkwoordspelling goed. Regels werkwoordspelling In dit bestand worden de 5 werkwoordsvormen uitgelegd. Het gaat om: 1. Tegenwoordige tijd 2. Verleden tijd 3. Voltooid deelwoord 4. Onvoltooid deelwoord 5. Bijvoeglijk gebruikt

Nadere informatie

Compacte taalgids Nederlands (basis en gevorderd) les- en werkboek

Compacte taalgids Nederlands (basis en gevorderd) les- en werkboek Compacte taalgids Nederlands (basis en gevorderd) les- en werkboek Bezoek- en postadres: Bredewater 16 2715 CA Zoetermeer info@uitgeverijbos.nl www.uitgeverijbos.nl 085 2017 888 Aan de totstandkoming van

Nadere informatie

Thema 10. We ruilen van plek

Thema 10. We ruilen van plek Thema 10 We ruilen van plek Les 10.1 1. zakenreis 2. industrieën 3. raketten 4. percentage 5. demonstratie Les 1 gouden, ziekenhuis In het ankerverhaal staat dat de moeder van Gaby Pak kersen geeft in

Nadere informatie

2 Правописание Spelling 11 Hoofdletters en kleine letters 11 Klinkers na de sisklanken ж, ч, ш, щ / г, к, х / ц 12 Interpunctie 12

2 Правописание Spelling 11 Hoofdletters en kleine letters 11 Klinkers na de sisklanken ж, ч, ш, щ / г, к, х / ц 12 Interpunctie 12 Inhoudsopgave 1 Русский алфавит Het Russische alfabet 10 2 Правописание Spelling 11 Hoofdletters en kleine letters 11 Klinkers na de sisklanken ж, ч, ш, щ / г, к, х / ц 12 Interpunctie 12 3 Фонетика Fonetiek

Nadere informatie

schrijf je meestal ch, behalve bij ik lig, ik leg en ik zeg. Dan schrijf je ij. Dan schrijf je ij.

schrijf je meestal ch, behalve bij ik lig, ik leg en ik zeg. Dan schrijf je ij. Dan schrijf je ij. Groep 6 Spelling Thema 1 Op heterdaad betrapt ng (tong) ch (pech) ei (reis) ij (ijs) Hoor je de zingende /n/, dan schrijf je ng. Hoor je na een korte klank /g/, dan schrijf je meestal ch, behalve bij ik

Nadere informatie

71 S. instapkaarten taal verkennen 5KM. MALtABERG. QVRre. v;rw>r t. -t.

71 S. instapkaarten taal verkennen 5KM. MALtABERG. QVRre. v;rw>r t. -t. v;rw>r t 7 S SS QVRre F9 - -t. t- L 5KM i r MALtABERG instapkaarten taal verkennen S -4 taal verkennen komt er vaak een -e achter. Taa actief. instapkaarten taal verkennen. groep 8 Maimberg s-hertogenbosch

Nadere informatie

Deel 1: Persoonsvorm tegenwoordige tijd

Deel 1: Persoonsvorm tegenwoordige tijd Deel 1: Persoonsvorm tegenwoordige tijd In deze les leer je zwakke werkwoorden als persoonsvorm in de tegenwoordige tijd op de juiste manier spellen. De sterke werkwoorden leveren vaak geen d- of t-problemen

Nadere informatie

- De zin in een andere tijd zetten (tijdproef). - De zin vragend maken. - Van enkelvoud meervoud maken of andersom (getalproef).

- De zin in een andere tijd zetten (tijdproef). - De zin vragend maken. - Van enkelvoud meervoud maken of andersom (getalproef). 2. Persoonsvorm pv Wat is de persoonsvorm? Daar draait in een zin eigenlijk alles om. De persoonsvorm is altijd een werkwoord. Hoe kun je de persoonsvorm vinden? - De zin in een andere tijd zetten (tijdproef).

Nadere informatie

De bovenkamer. Het gebruik van De bovenkamer bij Taal actief. Josée Coenen. een kleurrijke grammatica van het Nederlands

De bovenkamer. Het gebruik van De bovenkamer bij Taal actief. Josée Coenen. een kleurrijke grammatica van het Nederlands Josée Coenen De bovenkamer een kleurrijke grammatica van het Nederlands Het gebruik van De bovenkamer bij Taal actief Bij de verschillende onderdelen van Taal actief kunt u onderdelen uit De bovenkamer

Nadere informatie

instapkaarten taal verkennen

instapkaarten taal verkennen 7 instapkaarten inhoud instapkaarten Taal verkennen thema 1 les 2 1 thema 1 les 4 2 thema 1 les 7 3 thema 1 les 9 4 thema 2 les 2 5 thema 2 les 4 6 thema 2 les 7 7 thema 2 les 9 8 thema 3 les 2 9 thema

Nadere informatie

handelingswijzer redekundig ontleden zinsdelen

handelingswijzer redekundig ontleden zinsdelen handelingswijzer redekundig ontleden zinsdelen Naslagwerk Voor leerlingen en ouders INHOUD INHOUD... 2 REDEKUNDIGE ONTLEDING: ZINSDELEN... 3 PERSOONSVORM (pv)... 3 WERKWOORDELIJK GEZEGDE (ww gez)... 3

Nadere informatie

instapkaarten spelling

instapkaarten spelling instapkaarten spelling inhoud instapkaarten spelling thema 1 les 1/13a cat. 13 a/b 1 thema 1 les 3/13b volt. dw. 2 thema 1 les 5/14a cat. 16 a/b 3 thema 1 les 7/14b volt. dw. 4 thema 1 les 9/15a cat. 16d

Nadere informatie

instapkaarten spelling

instapkaarten spelling instapkaarten spelling inhoud instapkaarten spelling thema 1 les 1/13a cat. 13 a/b 1 thema 1 les 3/13b volt. dw. 2 thema 1 les 5/14a cat. 16 a/b 3 thema 1 les 7/14b volt. dw. 4 thema 1 les 9/15a cat. 16d

Nadere informatie

Gevarieerde Spelling is een programma voor het leren van de belangrijkste spellingregels van het Nederlands.

Gevarieerde Spelling is een programma voor het leren van de belangrijkste spellingregels van het Nederlands. Gevarieerde Spelling Gevarieerde Spelling is een programma voor het leren van de belangrijkste spellingregels van het Nederlands. Doelgroep Gevarieerde Spelling Gevarieerde Spelling is bedoeld voor leerlingen

Nadere informatie

instapkaarten taal verkennen

instapkaarten taal verkennen instapkaarten inhoud instapkaarten Taal verkennen thema 1 les 2 1 thema 1 les 4 2 thema 1 les 7 3 thema 1 les 9 4 thema 2 les 2 5 thema 2 les 4 6 thema 2 les 7 7 thema 2 les 9 8 thema 3 les 2 9 thema 3

Nadere informatie

Benodigde voorkennis taal verkennen groep 5

Benodigde voorkennis taal verkennen groep 5 Taal actief 4 taal verkennen groep 5-8 taal verkennen groep 5 In dit document een overzicht opgenomen van de benodigde voor de lessen Taal verkennen groep 5. Deze kenn maakt onderdeel uit van de leerlijn

Nadere informatie

Spelling. A. Kijk voor de vormen van de tegenwoordige tijd naar het volgende schema:

Spelling. A. Kijk voor de vormen van de tegenwoordige tijd naar het volgende schema: Spelling 1. Werkwoorden: tegenwoordige tijd A. Kijk voor de vormen van de tegenwoordige tijd naar het volgende schema: ik - je/u/hij/ze t we/jullie/ze en bijvoorbeeld: ik drink ik bied je drinkt je biedt

Nadere informatie

5 Niet meer twijfelen 107 Geweest is/is geweest 107 Vele of velen? 108 Hen/hun/ze 110 U/uw, jou/jouw 111 Als/dan 111 Dat/wat 113 Dat/die 115

5 Niet meer twijfelen 107 Geweest is/is geweest 107 Vele of velen? 108 Hen/hun/ze 110 U/uw, jou/jouw 111 Als/dan 111 Dat/wat 113 Dat/die 115 Inhoud Inleiding 13 1 De vaart erin 17 Gebruik verzorgde spreektaal 17 Te ouderwets 17 Checklist ouderwets woordgebruik 19 Te populair 23 Vermijd de lijdende vorm 24 Hoe herkent u de lijdende vorm? 25

Nadere informatie

(ZAKELIJKE) TAALVERZORGING 1 NEDERLANDS

(ZAKELIJKE) TAALVERZORGING 1 NEDERLANDS (ZAKELIJKE) TAALVERZORGING 1 NEDERLANDS 0 AAN HET EINDE VAN DEZE UITLEG: - Kun je een verzorgd schrijven. - Kun je op een juiste manier werkwoorden vervoegen (d, t of dt). Tijdens deze uitleg kun je oefenen

Nadere informatie

Taal Spelling & leestekens

Taal Spelling & leestekens Taal Taalverzorging Basisoefenboek voor de Citotoets, Entreetoets, LVS-toetsen - groep 7&8 Inzage exemplaar Taal Spelling & leestekens Basisoefenboek met 200 vragen versie 1.0 Uitgave voor het basisonderwijs

Nadere informatie

Jaarplanning spelling

Jaarplanning spelling Week 1 Jaarplanning spelling medeklinker(s) en klinkers die door 1 letter worden weergegeven (pen, bol) Kinderen spellen woorden die zijn samengesteld uit 2 eerder geleerde woorden (fietsbel, taalschrift,

Nadere informatie

Taaljournaal Leerlijnenoverzicht - Lezen

Taaljournaal Leerlijnenoverzicht - Lezen Taaljournaal Leerlijnenoverzicht - Lezen 1.1 Eigen kennis 1.1.1 Kinderen kunnen hun eigen kennis activeren, m.a.w. ze kunnen aangeven wat ze over een bepaald onderwerp al weten en welke ervaringen ze er

Nadere informatie

Inhoud. 1 Spelling 5. Noordhoff Uitgevers bv

Inhoud. 1 Spelling 5. Noordhoff Uitgevers bv Inhoud 1 Spelling 5 1 geschiedenis van de nederlandse spelling in vogelvlucht 11 2 spellingregels 13 Klinkers en medeklinkers 13 Spelling van werkwoorden 14 D De stam van een werkwoord 14 D Tegenwoordige

Nadere informatie

Wat is een zelfstandig naamwoord?

Wat is een zelfstandig naamwoord? Wat is een zelfstandig naamwoord? 1. Inleiding Een zelfstandig naamwoord geeft aan: een persoon of dier: vrouw, oom, hond een eigennaam: Sara, Apple een ding: fiets, berg een gebeurtenis: feest, botsing

Nadere informatie

Loopt vader met moeder in het park?

Loopt vader met moeder in het park? Oefening 3 Maak van de gewone zin een vraagzin. Kleur de persoonsvorm lichtblauw. 1. Vader loopt met moeder in het park. Loopt vader met moeder in het park? 2. Morgen ga ik boodschappen doen. Soms begint

Nadere informatie

instapkaarten taal verkennen

instapkaarten taal verkennen 6 instapkaarten inhoud instapkaarten Taal verkennen thema 1 les 2 1 thema 1 les 4 2 thema 1 les 7 3 thema 1 les 9 4 thema 2 les 2 5 thema 2 les 4 6 thema 2 les 7 7 thema 2 les 9 8 thema 3 les 2 9 thema

Nadere informatie

Ontleden. Er zijn twee manieren van ontleden: taalkundig ontleden en redekundig ontleden.

Ontleden. Er zijn twee manieren van ontleden: taalkundig ontleden en redekundig ontleden. Ontleden Er zijn twee manieren van ontleden: taalkundig ontleden en redekundig ontleden. Bij het redekundig ontleden verdeel je de zin in zinsdelen en geef je elk zinsdeel een redekundige naam. Deze zinsdelen

Nadere informatie

Tipboekje. Herman Jozefschool. Groep 8

Tipboekje. Herman Jozefschool. Groep 8 Tipboekje Herman Jozefschool Groep 8 Inhoudsopgave Tips: Woordsoorten Werkwoorden, Lidwoorden,Zelfstandige naamwoorden en eigen namen Bijvoeglijke naamwoorden,voorzetsels,vragende voornaamwoorden Bezittelijke

Nadere informatie

Het Muiswerkprogramma Basisgrammatica bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw.

Het Muiswerkprogramma Basisgrammatica bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw. Basisgrammatica Het Muiswerkprogramma Basisgrammatica bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw. Doelgroepen Basisgrammatica Het computerprogramma Basisgrammatica

Nadere informatie

2c nr. 1 zinnen met want en omdat

2c nr. 1 zinnen met want en omdat OPDRACHTKAART www.nt2taalmenu.nl nt2taalmenu is een website voor mensen die Nederlands willen leren én voor docenten NT2. Iedereen die Nederlands wil leren, kan gratis online oefenen. U kunt ook veel oefeningen

Nadere informatie

Luister naar het alfabet en de voorbeelden. Kijk ook naar de afbeeldingen. voorbeeld letter. b bee [b] bus [ə] een. hemd

Luister naar het alfabet en de voorbeelden. Kijk ook naar de afbeeldingen. voorbeeld letter. b bee [b] bus [ə] een. hemd Het alfabet Van A tot Z Het Nederlandse alfabet heeft 26 letters. Deze letters zijn klinkers en medeklinkers. Er zijn 6 klinkers: a, e, i, o, u, y. Er zijn 20 medeklinkers: b, c, d, f, g, h, j, k, l, m,

Nadere informatie

Dit programma is gemaakt voor leerlingen van groep 7 en 8 van de basisschool, alle niveaus van het vmbo en mbo 1 en 2.

Dit programma is gemaakt voor leerlingen van groep 7 en 8 van de basisschool, alle niveaus van het vmbo en mbo 1 en 2. Spelling op maat 3 De Muiswerkprogramma s Spelling op maat 1, 2 en 3 vormen een complete leerlijn voor de spelling die op de basisschool moet worden aangeleerd. Spelling op maat 3 is het derde deel van

Nadere informatie

Meer dan grammatica!

Meer dan grammatica! Gramm@foon Meer dan grammatica! 1e druk 2011 ISBN: 9789490807061 Copyright: KleurRijker B.V., info@kleurrijker.nl Auteurs: Karine Jekel, Vika Lukina, Nynke Oosterhuis Redactie: Karine Jekel, Nynke Oosterhuis,

Nadere informatie

TAALVERZORGING KGT 2 SPORTIEF PERRON 1

TAALVERZORGING KGT 2 SPORTIEF PERRON 1 Sportief! TAALVERZORGING KGT SPORTIEF PERRON Je zit alweer in het tweede jaar van het vmbo. Vorig jaar heb je veel geleerd bij het onderdeel Taalverzorging, maar misschien ben je ook wel iets vergeten.

Nadere informatie

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT) 2016-2017 Vak: Nederlands Klas: vmbo-tl 2 Onderdeel: Spelling 1 & 2 Digitale methode 1F Spelling: verdubbeling en verenkeling. 1F Spelling: vorming van het bijvoeglijk naamwoord. 1F Werkwoordspelling waarvan

Nadere informatie

schrijf je meestal ch, behalve bij hij ligt, hij legt en hij zegt dan schrijf je ij dan schrijf je ij

schrijf je meestal ch, behalve bij hij ligt, hij legt en hij zegt dan schrijf je ij dan schrijf je ij Groep 8 Spelling Thema 1 Je zit op mijn lip woorden met ng (tong) woorden met cht (lucht) woorden met ei (reis) woorden met ij (ijs) hoor je de zingende /n/, dan schrijf je -ng hoor je na een korte klank

Nadere informatie

WEEK MAANDAG WOENSDAG DINSDAG DONDERDAG VRIJDAG ZONDAG ZATERDAG. Vul het juiste voorzetsel in. Nico fietst elke dag (aan, naar, op) de cursus.

WEEK MAANDAG WOENSDAG DINSDAG DONDERDAG VRIJDAG ZONDAG ZATERDAG. Vul het juiste voorzetsel in. Nico fietst elke dag (aan, naar, op) de cursus. Vul het juiste voorzetsel in. Nico fietst elke dag (aan, naar, op) de cursus. 1 Voeg een woord aan de zin toe zodat hij correct wordt. Micky werkt graag in tuin. Verbeter de fout in de zin. Floortje leeft

Nadere informatie

instapkaarten spelling

instapkaarten spelling 6 instapkaarten inhoud instapkaarten Spelling thema 1 les 1 cat. 5a 1 thema 1 les 3 cat. 5b 2 thema 1 les 5 cat. 9a 3 thema 1 les 7 cat. 9b 4 thema 1 les 9 cat. 10a 5 thema 1 les 11 cat. 10b 6 thema 1

Nadere informatie

Thema 2. Rennen voor geld

Thema 2. Rennen voor geld Thema 2 Rennen voor geld Les 2.1 Berlijnse calorieën zekerheden zebra s onmiddellijk Les 1 reis, ijs Sjoerd vertelt zijn opa dat hij rondjes gaat lopen op een sportterrein. Wat een ander woord voor terrein?

Nadere informatie

Ezel- en kikkerwoorden Groep 7 Week 1

Ezel- en kikkerwoorden Groep 7 Week 1 Ezel- en kikkerwoorden Groep 7 Week 1 Als ik aan het eind van een klankgroep een lange klank hoor, dan gebruik ik daar maar één letter voor. Als ik aan het eind van een klankgroep een korte klank hoor,

Nadere informatie

GRAMMATICA WERKWOORDELIJK GEZEGDE NAAMWOORDELIJK GEZEGDE VOLLEDIGE UITLEG UITLEG PER ONDERDEEL UITLEG PER ONDERDEEL VOLLEDIGE UITLEG

GRAMMATICA WERKWOORDELIJK GEZEGDE NAAMWOORDELIJK GEZEGDE VOLLEDIGE UITLEG UITLEG PER ONDERDEEL UITLEG PER ONDERDEEL VOLLEDIGE UITLEG GRAMMATICA WERKWOORDELIJK GEZEGDE NAAMWOORDELIJK GEZEGDE VOLLEDIGE UITLEG UITLEG PER ONDERDEEL VOLLEDIGE UITLEG UITLEG PER ONDERDEEL OEFENSITES WERKWOORDELIJK GEZEGDE ONTLEDEN ZIN OEFENSITES NAAMWOORDELIJK

Nadere informatie

Spelling & Formuleren. Week 2-7

Spelling & Formuleren. Week 2-7 Spelling & Formuleren Week 2-7 Tentamenstof Boek: Praktische cursus Spelling 6e druk Auteur: M. Klein & M. Visscher Alle hoofdstukken behalve hoofdstuk 4 Proeftentamens zie Blackboard Succes! TEGENWOORDIGE

Nadere informatie

Thema 4. Straatmuzikanten

Thema 4. Straatmuzikanten Thema 4 Straatmuzikanten Les 4.1 tinnen ideeën pakketten resultaat passage Les 1 de, jarig Een man met korte, grijze haren, een snor en een aktetas stootte met zijn voet tegen het geldbakje. Waar hoor

Nadere informatie

Inhoud. 1 Spelling 10

Inhoud. 1 Spelling 10 Inhoud 1 Spelling 10 1 geschiedenis van de friese spelling (stavering) in het kort 10 2 spellingregels 12 Hulpmiddelen 12 Klinkers en medeklinkers 12 Lettergrepen 13 Stemhebbend en stemloos 13 Basisregels

Nadere informatie

Overzicht categorieën Taal actief groep 7

Overzicht categorieën Taal actief groep 7 Overzicht categorieën Taal actief groep Introductie Onderstaand treft u in de eerste kolom het nummer van de categorie aan zoals die voorkomt in Taal actief, in de tweede kolom de omschrijving, in de derde

Nadere informatie

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT) Schooljaar 2015 2016 Nederlands havo vwo 1 Lesperiode: 1 week 36 t/m week 38 Hoofdstuk: Spelling H 2 t/m 6 De stam van het werkwoord Splitsbare werkwoorden Persoonsvorm tegenwoordige tijd en de bijbehorende

Nadere informatie

Kun je dit nog? Spelling. Kaartjes met schrijfaanwijzingen. Kaartje bij woordpakket 1. Voorbeeld

Kun je dit nog? Spelling. Kaartjes met schrijfaanwijzingen. Kaartje bij woordpakket 1. Voorbeeld eek Kaartje bij woordpakket erkwoorden: jij/je achter de persoonsvorm tegenwoordige tijd jij-vorm voor de persoonsvorm (ik-vorm + t) jij-vorm achter de persoonsvorm (ik-vorm) kruipen jij kruipt kruip jij?

Nadere informatie

instapkaarten taal verkennen

instapkaarten taal verkennen instapkaarten inhoud instapkaarten Taal verkennen thema 1 les 2 1 thema 1 les 4 2 thema 1 les 7 3 thema 1 les 9 4 thema 2 les 2 5 thema 2 les 4 6 thema 2 les 7 7 thema 2 les 9 8 thema 3 les 2 9 thema 3

Nadere informatie

1

1 3a www.mevrouwzus.wordpress.com 1 1. pv= persoonsvorm 2. = zinsdeel 3. wwg = werkwoordelijk gezegde 4. nwg = naamwoordelijk gezegd 5. ond = onderwerp 6. lv = lijdend voorwerp 7. mv = meewerkend voorwerp

Nadere informatie

Pdf versie uitleg Grammatica

Pdf versie uitleg Grammatica Uitleg Grammatica Inleiding In deze zelfstudiemodule kun je grammatica oefenen. Grammatica betekent volgens de Van Dale Leer van het systeem van een taal, geheel van regels volgens welke woorden en zinnen

Nadere informatie

Mannelijk Vrouwelijk Onzijdig de slaaf de meester het gevecht het land het beest enkelvoud nominativus genitivus accusativus

Mannelijk Vrouwelijk Onzijdig de slaaf de meester het gevecht het land het beest enkelvoud nominativus genitivus accusativus ZELFSTANDIG NAAMWOORD Mannelijk Vrouwelijk Onzijdig de slaaf de meester het gevecht het land het beest enkelvoud nominativus genitivus accusativus meervoud nominativus genitivus accusativus BIJVOEGLIJK

Nadere informatie

Benodigde voorkennis spelling groep 5

Benodigde voorkennis spelling groep 5 Taal actief 4 spelling groep 5-8 spelling groep 5 In dit document is een overzicht opgenomen van de benodigde voor de lessen spelling groep 5. Deze kennis maakt onderdeel uit van de leerlijn groep 4. Hebben

Nadere informatie

1 Spelling en uitspraak

1 Spelling en uitspraak Inhoud 1 Spelling en uitspraak 1 de spellingregels 11 Klinkers en medeklinkers 12 Accenttekens 11 Apostrof ( ) en koppelteken (-) 12 Hoofdletters 13 Los of aan elkaar? 13 Afbreken 14 2 uitspraak 14 Medeklinkers

Nadere informatie

2 hv. 1

2 hv.  1 2 hv www.mevrouwzus.wordpress.com 1 1. pv= persoonsvorm 2. = zinsdeel 3. wwg = werkwoordelijk gezegde 4. nwg = naamwoordelijk gezegd 5. ond = onderwerp 6. lv = lijdend voorwerp 7. mv = meewerkend voorwerp

Nadere informatie

PIT HAVO-2 +HAVO/VWO Onderdeel: Spelling H1 en H2 Algemene informatie: Wat moet je kennen: Wat moet je kunnen: Toetsing:

PIT HAVO-2 +HAVO/VWO Onderdeel: Spelling H1 en H2 Algemene informatie: Wat moet je kennen: Wat moet je kunnen: Toetsing: PIT HAVO-2 +HAVO/VWO-2 2016-2017 Vak: Nederlands Onderdeel: Spelling H1 en H2 Lesperiode: 1 Aantal lessen per week: 4 Hoofdstuk: 1 en 2 Extra materiaal: Nieuw Nederlands Online De leerling kent de volgende

Nadere informatie

woorden met eer (heer) De /r/ is een plaagletter bij /eer/. volgwoord woorden met oor (oor) De /r/ is een plaagletter bij /oor/.

woorden met eer (heer) De /r/ is een plaagletter bij /eer/. volgwoord woorden met oor (oor) De /r/ is een plaagletter bij /oor/. Groep 5 Spelling Thema 1 Een plek om te werken De /f/ is de fietspompletter. Je hoort met f (fluit) /ffff/. De /v/ is van vlieg. Je hoort /vvvv/. met v (vis) woorden met aar (jaar) luisterwoord woorden

Nadere informatie

schrijf je meestal ch, behalve bij hij ligt, hij legt en hij zegt. Hoor je /ie/ aan het eind van een klankgroep, dan schrijf je i. Dan schrijf je ij.

schrijf je meestal ch, behalve bij hij ligt, hij legt en hij zegt. Hoor je /ie/ aan het eind van een klankgroep, dan schrijf je i. Dan schrijf je ij. Groep 7 Spelling Thema 1 Het landje van ons woorden met ng (tong) woorden met cht (lucht) woorden met i die klinkt als ie (liter) Hoor je de zingende /n/, dan schrijf je ng. Hoor je na een korte klank

Nadere informatie

Toelichting bij de kaartjes die in het opzoekboekje spelling en werkwoordspelling zijn opgenomen

Toelichting bij de kaartjes die in het opzoekboekje spelling en werkwoordspelling zijn opgenomen Toelichting bij de kaartjes die in het opzoekboekje spelling en werkwoordspelling zijn opgenomen Van elk kaartje wordt in deze toelichting kort beschreven wat erop staat. Een spellingregel wordt extra

Nadere informatie

Grammatica. Inhoud. 1. De en het. 2. Meervoud. 3. Werkwoord. 4. Vraagwoorden. 5. Zinnen maken Zinnen maken 2. 7.

Grammatica. Inhoud. 1. De en het. 2. Meervoud. 3. Werkwoord. 4. Vraagwoorden. 5. Zinnen maken Zinnen maken 2. 7. Grammatica Inhoud 1. De en het 2. Meervoud 3. Werkwoord 4. Vraagwoorden 5. Zinnen maken 1 6. Zinnen maken 2 7. Zinnen maken 3 8. Zinnen maken 4 9. Niet en geen 10. Lange woorden 11. Het verkleinwoord 12.

Nadere informatie

Dit programma is gemaakt voor leerlingen van groep 7 en 8 van de basisschool, alle niveaus van het vmbo en mbo 1 en 2.

Dit programma is gemaakt voor leerlingen van groep 7 en 8 van de basisschool, alle niveaus van het vmbo en mbo 1 en 2. Spelling op maat 3 De Muiswerkprogramma s Spelling op maat 1, 2 en 3 vormen een complete leerlijn voor de spelling die op de basisschool moet worden aangeleerd. Spelling op maat 3 is het derde deel van

Nadere informatie

bankbiljet BBQ Hoe moet ik dat spellen? Hoe schrijf je dat woord voluit? 4 verkleinwoord na -y 5 letter- of cijferwoord

bankbiljet BBQ Hoe moet ik dat spellen? Hoe schrijf je dat woord voluit? 4 verkleinwoord na -y 5 letter- of cijferwoord Ludo Permentier Nederlands voor 4 verkleinwoord na -y Als er voor een y aan het eind van een woord een medeklinker komt, en we spreken de y uit als ie, gebruiken we een apostrof om een verkleinwoord te

Nadere informatie

Onthoudschrift spelling groep 8:

Onthoudschrift spelling groep 8: Onthoudschrift spelling groep 8: THEMA 1 Categorie basiswoord woordgroep 9A -ng tong weet/ 13B -ch lucht weet als je acht, echt, ucht of icht hoort schrijf je ch behalve bij hij ligt, hij legt, hij zegt

Nadere informatie

Jan Heerze. Kortom. Nederlandse grammatica. Walvaboek

Jan Heerze. Kortom. Nederlandse grammatica. Walvaboek Jan Heerze Kortom Nederlandse grammatica Walvaboek WOORD VOORAF Kennis van de Nederlandse grammatica is geen doel in zichzelf, maar een hulpmiddel om tekortkomingen in eigen taalgebruik te corrigeren.

Nadere informatie