BIJLAGE 2 Achtergrond domeinen SamenStarten

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "BIJLAGE 2 Achtergrond domeinen SamenStarten"

Transcriptie

1 BIJLAGE 2 Achtergrond domeinen SamenStarten Risico en protectieve factoren binnen het SamenStarten Zoals eerder naar voren kwam, wordt de ontwikkeling van kinderen beïnvloed door de risicoconstellatie waarin het kind opgroeit. Hoe meer risico zich in de specifieke constellatie van een kind voordoet, en hoe minder protectie daar tegenover staat, hoe groter de kans dat het kind gedragsproblemen zal ontwikkelen. Ten einde gedragsproblemen te voorkomen, en eventueel bestaande gedragsproblemen zo vroeg mogelijk te signaleren is het SamenStarten er op gericht de brede opvoedingssituatie te inventariseren en te volgen. De brede opvoedingssituatie wordt volgens SamenStarten opgesplitst in vijf hoofdgebieden. Deze hoofdgebieden omvatten die elementen waarvan verwacht kan worden dat ze samen een relatief compleet beeld van de opvoedingssituatie verschaffen, tijdens een consult op het consultatiebureau relatief eenvoudig geïnventariseerd kunnen worden, en bovendien tot op zekere hoogte door het consultatiebureau beïnvloed kunnen worden. De onderwerpen zijn van elkaar te onderscheiden, maar kunnen elkaar wederzijds beïnvloeden. De vijf hoofdgebieden omvatten elk een aantal te onderscheiden maar elkaar onderling beïnvloedende deelaspecten. Zo wordt bij de rol van de partner gevraagd hoe het ouderschap de partner bevalt, of/wat de partner bijdraagt in de verzorging van het kind, in hoeverre de primaire verzorger tevreden is over die bijdrage, of de partners het eens zijn over de manier van opvoeden, hoe met onenigheid daarover wordt omgegaan, en hoe de relatie van de partners onderling in het algemeen is. De gekozen deelaspecten komen allemaal uit de literatuur naar voren als relevant binnen de risicoconstellatie met betrekking tot de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen. In deze bijlage wordt eerst aangegeven op welke manier het theoretische model vertaald is naar feitelijk te bespreken onderwerpen in de contactmomenten, als onderdeel van SamenStarten en wordt vervolgens de specifieke relevantie van die onderwerpen besproken. (Versie: februari 2019) 1

2 Koppeling tussen theoretisch model en protocol Bij de ontwikkeling van SamenStarten is geprobeerd de verschillende relevante factoren, o.a. vanuit het model van Ramey en Ramey (1998), mee te nemen als gespreksonderwerpen om een zo compleet mogelijk beeld van de opvoedingssituatie te krijgen. Binnen SamenStarten wordt elke domein aan de hand van een aantal deelaspecten geïnventariseerd. In deze bijlage wordt de relevantie van de vijf domeinen en hun deelaspecten besproken. 1. Competentie van de primaire verzorger Competentie van de ouder wordt gedefinieerd als de mate waarin een ouder opgewassen is tegen de eisen die de ouderlijke rol aan hem of haar stelt. De aldus gedefinieerde competentie van de primaire verzorger komt uit de literatuur als een belangrijke determinant van opvoedingsgedrag naar voren en kan op basis daarvan relevant geacht worden voor de ontwikkeling van het kind (Belsky, 1984). Als de primaire verzorger over een hoge mate van competentie beschikt, kan dit als protectieve factor werken binnen een situatie die op andere vlakken risico met zich meebrengt. Deze lagere competentie kan gevolgen hebben voor de ontwikkeling van het kind en eventueel tot gedragsproblemen leiden (Ohan et al., 2000). De mate van competentie kan zich in verschillende opvoedingsmechanismen uiten. Ramey en Ramey (1998) onderscheiden de volgende opvoedingsmechanismen als bevorderlijk voor de ontwikkeling: 1. aanmoedigen van exploratiegedrag 2. begeleiden van basis cognitieve vaardigheden 3. toejuichen van nieuwe vaardigheden 4. oefenen/uitbreiden van nieuwe vaardigheden 5. beschermen/voorkomen van ongepast straffen/ridiculiseren van ontwikkelingspogingen 6. taalstimulatie (passend bij leeftijd) (Versie: februari 2019) 2

3 De mate van competentie hangt overigens met een aantal andere risicofactoren samen Moeders/ouders met een hoge competentie komen bijvoorbeeld minder in aanraking met ingrijpende levensgebeurtenissen, kiezen betere buurten om in te wonen en kiezen voor betere voorzieningen (Masten, 2001). Aan het onderwerp competentie van de primaire verzorger wordt binnen SamenStarten aandacht besteed door specifiek in te gaan op een aantal gerelateerde aspecten. Naast elementen die het gevoel van tevredenheid en effectiviteit weergeven is de (lichamelijke) gezondheid meegenomen: 1. De manier waarop de primaire verzorger het ouderschap ervaart 2. De mate waarin de situatie overeenkomt met wat de primaire verzorger zich er van tevoren van had voorgesteld 3. De mate waarin de primaire verzorger zich competent dan wel onzeker voelt met betrekking tot de verzorging 4. De mate waarin de primaire verzorger tijd/ruimte voor zichzelf kan vinden 5. De gezondheid van de primaire verzorger 1.1 Moederbeleving Het ouderschap wordt in het algemeen gezien als een kans om liefde en steun te realiseren voor het kind en om tevens liefde, warmte en comfort te ontvangen. Hoewel moederschap vaak als bevredigend wordt ervaren, rapporteren moeders ook dat opvoeden stress oplevert (Heneghan et al., 2004). Österberg (1998) concludeert eveneens in haar onderzoek dat opvoeden gezien kan worden als een stressvolle levensgebeurtenis. Zij geeft aan dat een kind met aanhoudende medische of gedragsproblemen de beste voorspeller is ten aanzien van incompetentiegevoelens van moeder. Vaders lijken uit dit onderzoek overigens meer capabel dan moeders om de psychosociale problemen te scheiden van de stressperceptie in hun opvoedende rol. 1.2 Gevoel van competentie De competentie van de ouder (competence) hangt in zekere mate af van het gevoel van competentie dat de ouder (self-efficacy) heeft. Bij een vergelijkbaar niveau van kennis over de ontwikkeling van kinderen en gunstige manieren van interactie met kinderen, (Versie: februari 2019) 3

4 blijken ouders die zich zekerder voelen zich inderdaad ook competenter te gedragen. Ouders die zich, vanwege een gebrek aan kennis, ten onrechte competent voelen, gedragen zich juist het minst competent (Hess, 2004). Gevoelens van onzekerheid gaan hand in hand met minder competent gedrag. Het gevoel van competentie kan worden opgesplitst in de mate waarin een ouder tevreden is over het ouderschap, en in de mate waarin een ouder zich als ouder effectief voelt. Ouders die zich minder tevreden en effectief voelen, blijken de behoeften van hun kind minder optimaal aan te voelen (Ohan et al. 2000). Competentiegevoelens van de primaire verzorger blijken verder verband te houden met de mate van stress, ouderlijke niet-responsiviteit, gezondheidsproblemen, echtelijke stress, sociale isolatie en problemen bij het kind (Österberg, 1998). 1.3 Overeenstemming met verwachtingen over het ouderschap Tijdens de zwangerschap vormen ouders verwachtingen - zowel positief als negatief - van het gezin dat gevormd, ofwel uitgebreid zal worden. De vervulling van deze verwachtingen draagt bij aan de tevredenheid of ontevredenheid over de relatie met de partner (Bogan, 2004), het gevoel van competentie en uiteindelijk het functioneren van het kind (Paterson & Sanson, 1999). 1.4 Tijd voor zichzelf Het vinden van tijd voor zichzelf hangt samen met het ervaren van minder stress. Ouders die er in slagen naast het ouderschap ook nog andere rollen te vervullen voelen zich doorgaans competenter en hebben meer plezier in het ouderschap. De mate waarin ouders tijd voor zichzelf vinden hangt vaak samen met de mate waarin steun vanuit het sociale netwerk (partner inclusief) aanwezig is (Bonde, 2004). 1.5 Gezondheid De persoonlijke gezondheid van ouders in zowel psychische als lichamelijke zin houdt verband met de mate waarin gezinnen stress ondervinden. De interactie tussen ouder en kind kan ook direct worden beïnvloed door een gebrekkige gezondheid van de ouder. (Versie: februari 2019) 4

5 1.5.1 Depressiviteit Depressiviteit is één van de meest voorkomende psychiatrische problemen bij vrouwen en komt zoals reeds beschreven vaak voor in combinatie met andere risicofactoren. Vooral in de leeftijd waarop vrouwen kinderen krijgen, komt depressie vaak voor. Depressie is terugkerend en vaak co morbide van aard. Het is in dit kader belangrijk om depressie in een sociale context te zien. Depressie van moeders heeft een negatieve impact op kinderen, echtgenoten/partners, en familie. Kinderen van depressieve vrouwen laten vaker gebreken zien op sociale, psychologische, en cognitieve domeinen (,). Depressieve moeders blijken minder gezichtsexpressie te tonen. Dit minder afgeven van emotionele signalen, kan van invloed zijn op het affectieve gedrag van kinderen. Depressieve moeders stimuleren hun kinderen doorgaans minder en zijn minder responsief, waardoor depressief gedrag zelfs kan leiden tot onder stimulering van kinderen en tot een reductie van het activiteitenniveau van kinderen (Hoffman et al. 1991). 1.6 Competentie moeder in verband met andere factoren Aanhoudende medische en gedragsproblemen van het kind geven een hoop dagelijkse stress, zoals: voedings- en slaapproblemen, uitzonderlijk huilen en steeds terugkomende infecties (Gaylor et al., 2001). Österberg (1998) concludeert tevens in haar onderzoek, dat er een duidelijk verband is tussen de mate van stress, ouderlijk gebrek aan responsiviteit, competentiegevoelens van moeder, gezondheidsproblemen, echtelijke stress, sociale isolatie en problemen bij het kind. Overigens ervaren deze moeders een hoger ouderlijk stressniveau dan vaders uit dezelfde gezinnen. 1.7 (jeugd)ervaringen van de primaire verzorger Ervaringen uit het eigen verleden blijken van invloed op het opvoedingsgedrag (Arrindell, 19). Verworven patronen in het verleden, worden vaak opnieuw uitgevoerd in het heden. Transacties uit de kindertijd, met de daarin gevormde reactiepatronen krijgen binnen het ouderschap vaak in een omgekeerde rolverdeling nieuw leven ingeblazen. Interpretaties van gebeurtenissen, ideeën over communicatie, opvoedingsideeën en dergelijke zijn allemaal gebaseerd op een in het verleden aangevangen referentiekader (Versie: februari 2019) 5

6 (Phelps et al. 1998). Tevens heeft de primaire verzorger door middel van haar eigen ervaringen gedragspatronen, verwachtingen en een bepaald competentiegevoel ten aanzien van het ouderschap ontwikkeld. Moeders die zelf een opvoeding binnen een pedagogisch veilig klimaat hebben genoten, hebben mede hierdoor grote kans zelf te slagen in het creëren van een veilig pedagogisch klimaat voor hun kind. Ook als er voor het overige sprake is van veel risicofactoren (Phelps et al. 1998). Eigen ervaringen kunnen ook van nadelige invloed zijn, zoals in het geval van onverwerkte jeugdtrauma s. Nadelige jeugdervaringen kunnen leiden tot verminderde sensitieve responsiviteit, agressie, depressie of een andere vorm van nadelig opvoedgedrag. Dit geldt met name als het gezin ook vanuit andere hoeken te maken heeft met veel of grote risicofactoren (Phelps et al. 1998). 2. Rol van de partner Hoewel de rol van de partner minder extensief onderzocht is dan die van de primaire verzorger, komt uit de literatuur naar voren dat deze rol zeker niet te verwaarlozen is. Doorgaans wordt door primaire verzorgers aangegeven dat zij bij de zorg voor hun kind in de eerste plaats steun van hun partner verlangen, nodig hebben en krijgen. De manier waarop deze steun vorm krijgt kan in positieve zin beschermend uitwerken maar in negatieve zin dienst doen als risicofactor. De invloed van de partner, als secundaire verzorger, is direct, via de relatie met het kind, maar ook indirect, via de invloed op de primaire verzorger (Lewis, 2005). Het onderwerp rol van de partner valt in SamenStarten uiteen in aandacht voor: 1) de manier waarop de partner het ouderschap ervaart 2) de mate waarin de partner bijdraagt aan de zorg voor het kind 3) de mate waarin de primaire verzorger tevreden is over de bijdrage van de partner 4) de mate waarin de ouders het eens zijn over de manier van opvoeden 5) de manier waarop eventuele conflicten worden opgelost 6) de kwaliteit van de relatie tussen de ouders in het algemeen (Versie: februari 2019) 6

7 In de meeste gezinnen blijkt de moeder nog steeds de rol van primaire verzorger te vervullen, terwijl de rol van partner meestal door de vader vertolkt wordt. Om de rol van de partner via de literatuur uit te diepen is daarom ook gebruik gemaakt van onderzoek dat specifiek op de rol van de vader gericht is. Bij de bespreking van de verschillende partneraspecten wordt de terminologie van de aangehaalde literatuur gebruikt. 2.1 Partner als protectieve factor Alhoewel Knauth (2001) en Wicki (1999) omschrijven dat vrouwen grotere verwachtingen ten aanzien van de gelijkheid van man-vrouw patronen hebben dan in werkelijkheid het geval is, beschrijft Burbach et al. (2004), dat mannen desalniettemin sinds de laatste decennia de opvoedverantwoordelijkheden meer zijn gaan delen. De rol van de vader is in het gezin daardoor significant veranderd. Waar de hechtingsrelatie tussen kind en primaire verzorger zich op de een of andere manier gebrekkig ontwikkelt, bestaat de kans dat met de partner alias secundaire verzorger wel een veilige hechting tot stand komt (Lewis, 2005). Wicki (1999) geeft aan dat de vader in het algemeen minder blijkt te leiden onder zorgen en depressieve buien, en minder conflictueuze interacties in het gezin heeft dan de moeder. Tevens blijken vaders minder last te hebben van zorgen over de rolverdeling, met positieve directe invloed op de huwelijkssatisfactie. De rol van de vader kan er daardoor een zijn van extra energiereserve. Al met al kan de partner in het gezin een protectieve rol spelen. 2.2 Invloed van de vader op het kind Alhoewel Lewis et al. (2005) signaleert dat vooral in de vroege kindertijd de vader meer met het kind blijkt te spelen dan de moeder, constateerde McGovern (1990) eerder, dat de vaders minder sensitieve communicatie toe passen tijdens spelmomenten, met als gevolg dat ze langzamer reageren, signalen missen en minder wederkerig zijn. Burbach et al. (2004) voegt aan deze bevindingen toe dat vaders er naar neigen meer betrokkenheid te tonen bij een zoon dan bij een dochter. De vader beïnvloedt het leven van het kind zowel direct als indirect. Enerzijds heeft de aanwezigheid van de partner impact op primaire verzorger. Een indirect effect op het (Versie: februari 2019) 7

8 kind gaat bijvoorbeeld uit van de emotionele hulp en beschikbaarheid die de vader aan de moeder biedt. Vaders zijn meestal een protectieve factor voor kinderen, zowel op indirecte als directe wijze. 2.3 Kind kenmerken en invloed van de vader Jongens blijken meer lichamelijke gestraft te worden dan meisjes (,). Deze praktijk kan gerelateerd zijn aan het idee dat jonge jongens meer aanpassingsproblemen vertonen en meer uitdagend gedrag vertonen dan meisjes. Vaders blijken, ongeacht sociaal economische status, vaker gebruik te maken van lichamelijke disciplineringtechnieken en zij maken frequenter gebruik van lichamelijke en verbale straffen bij kinderen met probleemgedrag (Burbach et al., 2004). 2.4 Ervaring ouderschap van de partner De manier waarop de partner het ouderschap ervaart kan op directe en indirecte wijze de ontwikkeling van het kind beïnvloeden. Enerzijds kan de mate van enthousiasme een weerslag hebben (in positieve of negatieve zin) op de manier waarop de primaire verzorger het ouderschap ervaart. Anderzijds zal de interactie tussen partner en kind mede afhangen van de mate waarin de partner plezier aan de interactie beleeft. 2.5 Bijdrage van de partner Ook de bijdrage die de partner levert bij de zorg voor het kind blijkt, zowel op directe als op indirecte wijze van belang voor de ontwikkeling van het kind (Lewis, 2005). Directe invloeden kunnen gezien worden in de manier waarop de partner vorm geeft aan de dagelijkse situaties omtrent de taken en verantwoordelijkheden van de opvoeding. Hoe meer de partner praktisch met het kind te maken heeft, hoe sterker die partner zelf, direct, invloed heeft op de ontwikkeling van het kind. Indirect werkt de steun van de partner via de emotionele gesteldheid van de ouder. Hoe meer de partner bijdraagt hoe minder belast de primaire verzorger zich voelt en hoe meer ruimte de primaire verzorger overhoudt voor zelfontplooiing naast de zorg voor het kind. (Versie: februari 2019) 8

9 Steun van de partner heeft een beschermende, bufferwerking tegen stress of negatieve factoren. Depressie en steun hebben een negatief verband, hoe lager de steun van de partner hoe groter de kans op depressie (Rees, 1990). 2.6 Tevredenheid van de primaire verzorger over de bijdrage van de partner Meer nog dan de feitelijke bijdrage die de partner levert aan de verzorging van het kind, blijkt de mate waarin de primaire verzorger met die bijdrage tevreden is samen te hangen met de mate waarin de primaire verzorger het ouderschap als zwaar ervaart. 2.7 Eensgezindheid over de opvoeding Ook de mate waarin ouders dezelfde opvattingen hebben over wat goed is voor het kind is van belang voor de ontwikkeling. Niet alleen doordat verschillende benaderingen soms voor het kind verwarrend kunnen zijn. Maar ook omdat conflict in de omgeving een negatief effect heeft op het kind. Een conflictueuze gezinssituatie hangt samen met allerlei ongunstige ontwikkelingsuitkomsten, zoals een onveilige hechting, minder zelfvertrouwen, minder positieve sociale contacten in het algemeen en meer gedragsproblemen. 2.8 Oplossen van conflicten binnen het ouderschap Als de ouders er in slagen onenigheid over de opvoeding met wederzijds respect in een harmonieuze sfeer te benaderen zal dat een gunstiger effect hebben op de ontwikkeling van het kind, dan wanneer dergelijke onenigheid niet tot een voor alle partijen bevredigende oplossing wordt gebracht. 2.9 Relatie van ouders onderling Het bespreken van de algemene relatie tussen de ouders een relatief nieuw onderwerp is binnen de consultvoering op het consultatiebureau. Bovendien bleek het tijdens de onderzoeksperiode ( ) een van de onderwerpen waar, ook na training, het minst over gesproken werd tijdens de consulten. Aangezien het voor de ontwikkeling van het kind juist een zeer relevant onderwerp is zal er in het hiernavolgende relatief uitgebreid op in worden gegaan. (Versie: februari 2019) 9

10 In het algemeen neemt de tevredenheid over een (huwelijks)relatie, kinderen of geen kinderen, af naarmate de jaren verstrijken (Kurdek, 1993). Na de geboorte van een kind geven koppels vaker blijk hun relatie minder als romantisch en meer als een vorm van partnerschap ervaren (Knauth et al. 1999). In de meeste gevallen neemt in samenhang daarmee de tevredenheid over de onderlinge relatie af (O Brien & Peyton, 2002). Deze daling wordt vaak geassocieerd met de toegenomen stress die een baby in een relatie teweeg brengt en de intimiteit die doorbroken wordt door de verantwoordelijkheden van het zorgen voor de baby (O Brien, 2002). De komst van kinderen binnen een onbevredigende relatie brengt extra moeilijkheden met zich mee; in veel gevallen verslechtert de situatie door het bijkomende ouderschap (Cox, Paley, Payne & Burchinal, 1999). De perceptie van het ouderschap kan de (huwelijks)relatie zowel in positieve als in negatieve richting beïnvloeden. Als ouders de opvoeding als stressvol ervaren en zich naar eigen maatstaf incompetent voelen, zal deze ontevredenheid zijn neerslag hebben op de onderlinge relatie. In positieve zin zullen ouders met traditionele opvattingen over huwelijk en gezinsvorming, het vervullen van de taken die daarbij horen als bevredigend ervaren. Deze tevredenheid met de oudertaak kan een positieve weerslag hebben op de (huwelijks)relatie (O Brien et al., 2002). Een ander belangrijk aspect van de (huwelijks)relatie is seksuele intimiteit (Young, 1998). Young vindt een significant verband tussen seksuele tevredenheid en de kwaliteit van een (huwelijks)relatie. Young s onderzoek bevestigt eerder onderzoek (Byrne, 1981) naar het verband tussen de seksuele tevredenheid en de algehele tevredenheid van de relatie; onderzoek naar causaliteit toont aan dat voor mannen de seksuele relatie een belangrijke determinant voor de gehele relatie is, terwijl voor vrouwen de algehele relatie een voorspeller is voor de kwaliteit van de seksuele relatie (Byrne, 1981). Al meer dan een halve eeuw geleden concludeerde Locke (1951) dat gelukkig getrouwde paren meer de neiging hebben recreatieve behoeften te delen en gezamenlijk tijd te besteden aan ontspanning dan minder gelukkige getrouwde paren. Non-seksuele aspecten van de relatie, zoals het samen delen van toekomstwensen, dromen, doelen, gedachten en gevoelens, respect voor de partner en het samen (Versie: februari 2019) 10

11 ondernemen van recreatieve activiteiten, hangen overigens sterk samen met de tevredenheid over de seksuele relatie (Young, 2002). Door de komst van een kind is er minder tijd om met zijn tweeën iets te ondernemen, al was het alleen maar vanwege de bijkomstige stap naar het regelen van oppas voor het kind (Bogan, 2004) Invloed van de relatie op de opvoeding Relatieproblemen beïnvloeden het functioneren van de familie en het ouderschap op negatieve wijze. Spanningen uit echtelijke conflicten worden in verband gebracht met negatieve ontwikkelingsuitkomsten voor het kind (Cummings & Davies, 2002, Knauth et al., 1999, Bernazanni, 2004). De effecten van veelvuldige relatieproblemen op kinderen zijn procesmatig. De problemen hebben, via het ontbreken van psychische stabiliteit in de familie, invloed op de emotionele ontwikkeling en op het sociaal functioneren (meer agressief gedrag tegenover leeftijdsgenoten). In aanwezigheid van andere familie stressoren (armoede, depressie van de ouder) werken relatieproblemen als versterkende factor voor het risico op een ongunstige ontwikkeling van het kind (Cummings, 1994). Over de relatie tussen ouders schreef Bowlby (1953) by providing love and companionship [the husband] support[s] the mother emotionally and help[s] her maintain that harmonious contented mood in the atmosphere of which the infant thrives (1953, p.13). Bowlby ging er dus van uit dat de kwaliteit van de relatie een indirect effect heeft op het hechtingsproces tussen ouder en kind. Belsky geeft aan dat de kwaliteit van de relatie tussen ouders één van de factoren is die interactioneel of additief de ouderkindrelatie voorspelt (Belsky, 1996). Met name de kwaliteit van de relatie in de prenatale periode is een voorspeller van de roltevredenheid van de moeder (Isabella, 1994). De roltevredenheid hangt sterk samen met de algehele kwaliteit van de relatie (O Brien, 2002). Het interne werkmodel is een belangrijke mediator voor de kwaliteit van zowel de relatie met de partner en als met het kind. Als op basis van een intern werkmodel tevredenheid bestaat over de relatie met het kind en het ouderschap, blijkt een opvoeder minder gevoelig voor relatieproblemen, dan opvoeders die op basis van het intern werkmodel ontevredenheid ervaren over de relatie met het kind en het ouderschap (Das Eiden, Teti & Corns, 1995). (Versie: februari 2019) 11

12 2.9.2 Protectieve en risicofactoren van huwelijkssatisfactie Aangezien de komst van het kind veel veranderingen met zich mee brengt in het gezin is er een risico dat de hoeveelheid echtelijke conflicten stijgt. Uit onderzoek van Knauth et al. (1999) blijken de volgende factoren protectief van aard te zijn op de huwelijkssatisfactie: Grotere huwelijkssatisfactie voor het ouderschap voorspelt grotere huwelijkssatisfactie in de postnatale periode. Hoe beter de impulscontrole van zowel moeder als vader, hoe groter hun tevredenheid met het huwelijk en hoe meer affiniteit en speelsheid ze aan de dag leggen in de omgang met hun kinderen. Hoe meer de vader betrokken is bij de kinderzorg, hoe meer echtelijke tevredenheid de moeder ervaart. Ouders die, content met hun echtelijke relatie, een kalme, respectvolle en betrokken omgeving weten te creëren, vormen hechtere banden met hun kinderen. Kinderen uit dergelijke omstandigheden ontwikkelen vaker op een evenwichtige manier een gevoel van eigen verantwoordelijkheid. In hetzelfde onderzoek bleken nog een aantal factoren de huwelijkssatisfactie significant te verminderen en daarmee nadelige invloed te hebben op het welbevinden van het kind: De manier waarop ouders zelf behandeld zijn door hun ouders en op welke wijze ouders met elkaar interacteren, voorspelt de kwaliteit van de eigen huwelijksrelatie en de mate van zorgend zijn voor het eigen kind. Het niet in balans zijn van de werkverdeling, inclusief de kinderzorg en de huishoudelijke taken, zijn significante bronnen van echtelijke conflicten van nieuwe ouders. Vaders die minder tevreden zijn over hun huwelijk zijn vaker minder betrokken bij de zorg van hun dochters dan bij hun zonen. (Versie: februari 2019) 12

13 Als ouders geen aandacht besteden aan bestaande conflicten in de relatie met de partner, blijkt het ontstane ongenoegen vaak op het kind geprojecteerd te worden, met nadelige invloed op de ontwikkeling van het kind Eenoudergezinnen De afgelopen jaren is het aantal alleenstaande ouders sterk toegenomen van 361 duizend in 1995 tot 425 duizend in In relatieve betekent dit dat in 2003 één op de zes gezinnen een eenoudergezin was, terwijl het in 1995 nog slechts één op de zeven gezinnen betrof (Alders, 2003). Eenoudergezinnen leven vaak op een sociaal minimum en hebben vaak te maken met risicofactoren als armoede, sociale isolatie en een lage SES (Aalbers-van Leeuwen et al., 2002). Eenoudergezinnen ontstaan meestal na scheiding of het overlijden van een van de ouders. Vaak gaat dit samen met stressvolle gebeurtenissen. Dit heeft een negatieve invloed op de gezondheid van zowel ouder als kinderen. De ouder draagt de zorg voor het gezin alleen en gaat er vaak financieel sterk op achteruit. De financiële situatie is binnen eenoudergezinnen relatief ongunstig. Daarbij biedt de feitelijke aard van de situatie weinig kans op vooruitgang op dit gebied. De toekomstmogelijkheden van kinderen uit eenoudergezinnen blijken dan ook minder gunstig dan die voor kinderen in het algemeen. Hun opleidingskansen zijn slechter en er zijn minder mogelijkheden tot individuele ontplooiing doordat de financiële middelen er niet zijn (Kijlstra et al., 2001). De kansen op een gunstige schoolloopbaan voor kinderen uit eenoudergezinnen blijkt inderdaad systematisch lager te zijn dan voor kinderen uit tweeoudergezinnen. Dit zou voornamelijk gelden voor kinderen van gescheiden ouders. Het effect op kinderen van eenoudergezinnen is indirect en loopt deels via het inkomen, deels via andere stresseffecten die met de situatie samenhangen. Bovendien blijken kinderen uit eenoudergezinnen relatief vaak risicogedrag te vertonen en zich, meer dan kinderen uit tweeoudergezinnen, aan kleine criminaliteit schuldig te maken (Gilsing, 1999). Adolescenten die zijn opgegroeid in een eenoudergezin scoren slechter op gebieden als geestelijke gezondheid, werk en relaties. Daarnaast hebben ze vaker een slecht zelfbeeld, depressieve buien, angsten en gevoelens van eenzaamheid (Kijlstra et al., 2001). (Versie: februari 2019) 13

14 2.11 Invloed van kind kenmerken op de relatie van ouders Als vanzelfsprekend beschrijft Knauth (1999) dat de individuele kenmerken van het kind van invloed zijn op de echtelijke relatie. Aangezien de individuele kind kenmerken van het pasgeboren kind om ouderlijke aanpassing vragen. Deze is indirect gerelateerd aan huwelijkssatisfactie. Knauth rapporteert in zijn artikel dat vaders van kinderen met een moeilijker gedrag minder betrokken in het spel zijn en minder betrokken vaders zijn gerelateerd aan een achteruitgang in de huwelijkssatisfactie. Bovendien vermeldt hij een interactie tussen echtelijke relaties en individuele kenmerken van ouders en kind met moeilijk gedrag: Vaders met minder positieve gedragingen en percepties over het ouderschap, die moeilijkere kinderen hebben, ervaren meer achteruitgang ten aanzien van hun huwelijkssatisfactie dan vaders met minder moeilijke kinderen. Moeders die zichzelf als erg impulsief omschrijven en die hun kind als moeilijk ervaren, ervaren eveneens een achteruitgang in huwelijkssatisfactie dan minder impulsieve moeders Invloed van echtelijke conflicten op het welbevinden van het kind Een veel beschreven indirect effect op kinderen in de literatuur zijn echtelijke conflicten. Cummings & Davies (2002) stellen dat echtelijke conflicten van invloed zijn op het cognitief, sociaal, academisch en psycho-biologisch functioneren van kinderen. Echtelijke ruzies veroorzaken negatieve gevolgen in de omgeving van het kind; het gezinsfunctioneren; opvoeding; broers/zussen-relaties. Kinderen reageren verschillend op kind gerelateerde of niet-kind gerelateerde conflicten. Ze maken onderscheid tussen interouderlijke en ouder-kind conflicten. Kind gerelateerde en ouder-kind conflicten zijn van invloed op het schuldgevoel, zelfrespect en daarmee zelfbeeld van kinderen. De spanningen die echtelijke conflicten met zich mee brengen zijn van jongs af aan al voelbaar (Cummings & Davies, 2002). (Versie: februari 2019) 14

15 In hedendaags onderzoek wordt steeds meer aandacht besteed aan onderliggende transactionele processen van echtelijke conflicten. Kinderen reageren op huidige echtelijke conflicten vanuit voorgaande ervaringen met conflicten. Verschillende aspecten kunnen daarom op kinderen verschillend uitwerken. Daarbij hebben frequentie en heftigheid van de conflicten een bijkomstig belang. Ook de houding van de ouders ten opzichte van de conflicten is van invloed. Een positieve, eventueel oplossingsgerichte houding levert minder stress op bij kinderen dan een niet-oplossingsgerichte houding, waarbij conflicten onopgelost blijven. Onopgeloste conflicten zijn voor alle gezinsleden stress verhogend (Cummings & Davies, 2002). 3. Sociaal netwerk Naast de van de partner ontvangen steun speelt de steun die de primaire verzorger van buiten het gezin ontvangt een rol. Het sociale netwerk kan, net als de partner zowel van directe als van indirecte invloed op de ontwikkeling van het kind zijn. De werking kan daarnaast zowel protectief als risico verhogend zijn. Ontvangen sociale steun die de primaire verzorger tot tevredenheid stemt kan bijvoorbeeld dienst doen als protectieve factor, terwijl gebrek aan dergelijke steun en sociale isolatie juist als risicofactor voor de ontwikkeling van het kind werken (Pauli Pott, 2004). Als onderdeel van SamenStarten wordt de sociale steun behandelt middels de volgende deelaspecten: 1. Bronnen van praktische steun 2. Bronnen van emotionele steun 3. Bronnen van adviserende steun 4. Mate van tevredenheid van de primaire verzorger met de ontvangen steun 5. Bekendheid van de primaire verzorger met mogelijkheden om het sociale netwerk te vergroten 6. Behoefte van de primaire verzorger aan meer contact met andere ouders Sociale steun hangt samen met grotere tevredenheid met het ouderschap (Wan, 1996). Tevens blijkt stress, binnen en buiten gezinnen met een goed ontwikkeld sociaal netwerk (Versie: februari 2019) 15

16 minder hoog op te lopen dan bij gezinnen met een minder goed functionerend sociaal netwerk (Feldman et al. 2004; Heneghan et al.; 2004, Sepa; et al., 2004; Gee & Rhodes, 2003; Gilman, 2003; Gabrino & Ganzel et al., 2000; Jackson et al. et al., 2000; Lewis et al. et al., 2000; Österberg, 1998; Ramey & Ramey, 1998; Wan, 1996; Hermanns et al., 1987). Sociale steun voor ouders houdt positief verband met: moederaanpassing, vertrouwen en zelfrespect van ouders (Wan, 1996) en vergroting van ontplooiingskansen (Jackson et al., 2000). Bovendien blijkt sociale steun positief verband te houden met de interactie en verhouding tussen ouder en kind (Huth Bocks, 2004; Pauli Pott, 2004) 3.1 Categorieën van sociale steun In de literatuur wordt sociale steun regelmatig ingedeeld in verschillende categorieën. De vier categorieën voorzien in verschillende behoeften van een ouder (Wan, 1996): Emotionele steun Informerende steun: helpt een persoon te verwoorden, begrijpen en om te gaan met zijn problemen. Gedragingen in verband gebracht met deze functie: bevestiging, feedback, sociale vergelijking, advies, suggesties en richting. Vriendschappelijke steun: wordt ook gerefereerd als verspreide steun. Het helpt bij het afleiden van problemen en vermindert stress. Voelbare/duidelijke/praktische steun: refereert aan financiële inkomsten en voorwaarden. 3.2 Verschillende referenten van sociale steun Naast onderscheid in verschillende vormen van sociale steun kan onderscheid gemaakt worden naar verschillende bronnen van sociale steun (Wan, 1996). Deze verschillende referenten kunnen afkomstig zijn uit verschillende ecologische lagen, en zijn van differentiële waarde (Crnic et al., 1983). Zo bieden grootouders op een andere wijze sociale steun dan buren of andere minder intieme contacten. Tevens blijkt dat de relatie tussen sociale steun en levenstevredenheid aanmerkelijk verschilt, afhankelijk van de referent die de sociale steun verschaft. (Versie: februari 2019) 16

17 Sociale steun van familieleden blijkt voor getrouwde moeders van meer voorspellende waarde voor een verhoogde levenstevredenheid dan sociale steun van niet-familieleden. Deze relatie blijkt minder duidelijk voor getrouwde vaders en alleenstaande moeders, maar ook daar is een trend in deze richting aanwezig. Beide bleken voordeel te hebben van meer bronnen buiten de familie. Opmerkelijk in het onderzoek van Wan is het belang van de sociale steun van de grootouders van het kind. Sociale steun van de grootouders heeft een unieke bijdrage in de levenstevredenheid van de ouders en de ouder-kind relatie. Jackson et al. (2000) wezen al eerder op het gunstig effect dat vooral de grootmoeder heeft bij de opvoeding van kinderen van alleenstaande moeders. Een ander onderscheid naar bronnen van sociale steun is dat in formeel en informeel netwerk. Uit onderzoek van Heneghan et al., (2004) en Dunst (2000) blijkt, dat een informeel netwerk als bevredigender wordt ervaren dan een formeel netwerk. Het informele netwerk biedt met name: moed, advies en emotionele steun. Een geringe mate van sociale steun kan leiden tot sociale isolatie (Osofsky & Thompson, 2000). Vooral moeders die in armoede leven zijn vaker geïsoleerd van familie, vrienden en buren (Hashima & Amato, 1994). Deze groep moeders heeft dikwijls weinig familie in de nabijheid wonen die ondersteuning kan bieden (Osofsky & Thompson, 2000). Sociaal geïsoleerde gezinnen hebben minder toegang tot zowel formele als informele steunbronnen (Hashima & Amato, 1994). De aanwezigheid van een sociaal netwerk hangt samen met een hoger niveau van sociale interactie en een hoger opleidingsniveau van ouders (Osofsky & Thompson, 2000). Een lage mate van sociale steun hangt samen met een verhoogde kans op kindermishandeling (Voight et al., 1996). Ouders die hun kind mishandelen blijken vaker sociaal geïsoleerd te leven en hebben vaker een negatieve attitude ten opzichte van de buurt waarin ze leven, dan ouders waar geen sprake is van mishandeling (Garcia et al., 2003). 4. Obstakels Iedere ouder-kind diade is ingebed in een bepaalde leefomgeving. Naast de ontvangen steun, spelen ook de omstandigheden waar de diade in verkeerd een rol in de manier waarop het kind zich zal ontwikkelen. Ook deze omstandigheden hebben beschermende (Versie: februari 2019) 17

18 dan wel risico verhogende implicaties voor de ontwikkeling van kind. Binnen SamenStarten zijn de omstandigheden onder gebracht in het onderwerp Obstakels. Dit onderwerp valt uiteen in enerzijds de ingrijpende levensgebeurtenissen waar het gezin vanaf de zwangerschap mee te maken heeft gekregen, en anderzijds een aantal maatschappelijke aspecten waar ieder gezin mee te maken heeft. De deelaspecten binnen het onderwerp obstakels zijn als volgt gedefinieerd: 1) ingrijpende levensgebeurtenissen 2) de financiële situatie van het gezin 3) de woonomstandigheden van het gezin 4) de arbeidsomstandigheden van het gezin 5) de mate waarin de gebeurtenissen en/of omstandigheden de relatie tussen ouder en kind beïnvloeden 4.1 Ingrijpende levensgebeurtenissen Iedere ouder kan vroeger of later te maken krijgen met ingrijpende levensgebeurtenissen. Zulke gebeurtenissen kunnen groter (bv. overlijden van een naaste, echtscheiding) of kleiner (bv. verhuizing, ziekte) zijn, incidenteel (bv. verhuizing) of langdurig (bv. financiële problemen). Afhankelijk van de betekenis van de gebeurtenis voor de ouder zal een gebeurtenis meer of minder negatief effect hebben op het psychisch welbevinden. In sommige opzichten zijn algemene werkingen van levensgebeurtenissen gevonden. Zo blijken kleinere, dagelijks terugkerende stress veroorzakende gebeurtenissen (bv. slechte huisvesting) een negatiever effect te hebben op het psychisch welbevinden van ouders, dan grote eenmalige gebeurtenissen (bv. overlijden van grootouders) (Tein et al., 2000). Stress ten gevolge van ingrijpende gebeurtenissen blijkt samen te hangen met verminderde opvoedingskwaliteiten (Crnic, 1983). Een cumulatie van meerdere ingrijpende gebeurtenissen in een bepaalde periode houdt verband met minder communicatief, steunend en accepterend, en meer in zichzelf gedrag van ouders (Tein et al. 2000). Vanwege hun stress verhogende aard kunnen ingrijpende gebeurtenissen dus beschouwd worden als risicofactor voor de ontwikkeling van het kind (Sameroff, 1998). (Versie: februari 2019) 18

19 4.2 Financiële problemen Een in de literatuur veel beschreven stressfactor binnen het gezin is de financiële situatie. Gebrekkige financiële middelen zijn van invloed op het psychisch functioneren van ouders. Het verhoogt de kans op zorgen, depressie en sociaal isolement (Jackson et al. et al., 2000). Verschillende onderzoeken bevestigen de nadelige invloed van armoede op de ontwikkeling van het kind. Het heeft veel impact op zowel sociaal als cognitief gebied. Vooral wanneer de armoede verschillende jaren aanhoudt. Het wordt geassocieerd met een verlaagde kans op schoolsucces en meer gedragsproblemen, zelfs nadat gecorrigeerd is op opleiding van de ouders, leeftijd moeder tijdens geboorte kind, gezinsstructuur en verhuizingen (Sameroff, 1998, Jackson et al. et al., 2000, Aalbers-van Leeuwen & Hermanns, 2002). Tevens noemt Collins (2000) dat strafoplegging vaker voorkomt tijdens economische stress en tegenspoed. Eerder onderzoek van Wicki (1999) sluit hierbij aan, waarin hoge tevredenheid met financiële gezinsinkomsten gerelateerd is aan minder opvoedingsdruk. 5. Welbevinden van het kind Vanuit het biosociaal en het transactionele perspectief wordt gesteld, dat het kind en zijn ouder(s) elkaar wederzijds beïnvloeden. Een kind ontwikkelt zich via een continu samenspel van biologische en sociale factoren (Sameroff & MacKenzie, 2003, Collins et al., 2000, Ramey & Ramey, 1998, Zahn-Waxler et al., 1996). De verwerkingsnetwerken van sociale en emotionele stimuli in de hersenen blijken deels gescheiden en deels samen te werken. Daardoor dragen sociale en emotionele stimuli beide bij aan onder andere de hechtingsrelatie, reproductie en de reactie op beangstigende confrontaties (Norris et al., 2004). Kinderen krijgen in hun ontwikkeling te maken met zowel interne en externe protectieve factoren als interne en externe risicofactoren. Hoewel kinderen verschillend reageren op stressfactoren, ontwikkelen de meeste kinderen voldoende coping strategieën om zodanig met optredende risicofactoren om te gaan, dat een negatieve ontwikkelingsuitkomst uit blijft (Long, & Johnson, 2001). (Versie: februari 2019) 19

20 5.1 Temperament als kind kenmerk Een in verband met de ontwikkeling van het kind vaak genoemde factor is het temperament van het kind. Temperament is te definiëren als de fysieke basis van affectieve bewustwording, expressie en persoonlijke regulatiecomponenten. Variatie in deze componenten dragen bij aan verschillen in individuele persoonlijke kenmerken (Coplan et al., 1999). Kinderen tonen bij de geboorte al verschillen in reacties en gedrag. Dergelijke temperamentvariatie blijkt onder andere verband te houden met prenatale stress (Huizink et al., 2002). Vooral zwangerschapsangst blijkt gerelateerd te zijn aan de geboorte uitkomst en de activatie van de neuro-endocrine. Dit verband blijkt acht maanden na de geboorte, in de periode waarin een groter bewustzijn en interesse in de buitenwereld ontstaan, sterker naar voren te komen dan 3 maanden na de geboorte. Uit onderzoek van Collins et al. (2002) blijkt tevens dat temperamentkenmerken vrij stabiel zijn in de verdere ontwikkeling. Op het gebied van babytemperament worden een aantal specifieke vormen onderscheiden waarin individuele verschillen in gedrag tot uiting komen (Huizink, 2002, Collins, 2000, Coplan, 1999): mate van moeilijkheid: negatieve buien, terugtrekken, hoge intensiteit en een lage regulering van biologische ritmes, aanpassingsvermogen aan nieuwe mensen en andere nieuwe stimuli, aandacht regulatie: aandacht boog en taakvolharding. 5.2 Transactionele processen ten aanzien van temperament Temperamentkenmerken zetten een kettingreactie in werking tussen het kind en zijn omgeving, waardoor het kind risico loopt op of beschermd wordt tegen psychische problemen (Laible, 2004, Coplan et al., 1999). Deze kettingreactie wordt zowel beïnvloed door genetische links tussen ouder- en kind kenmerken, als door ouder-kind interacties. Correlaties tussen temperamentkenmerken en oudergedrag reflecteren bidirectionale interactieve processen (Collins et al., 2000). Kinderen met een makkelijk (Versie: februari 2019) 20

21 temperament ontvangen bijvoorbeeld meer emotionele en directe hulp bij taken van zowel vrienden als opvoeders (Coplan, e.a., 1999). Dit versterkt de kans op negatieve ontwikkelingsuitkomsten bij kinderen met een moeilijk temperament. Het versterkt het risico op latere externaliserende gedragsproblemen (Huizink, 2002, Collins et al., 2000). De relaties tussen moeilijk temperament en omgevingsfactoren kunnen ook vanuit de andere kant beschouwd worden. Zo verklaart Coplan (1999) de gevonden relatie tussen moeilijk temperament van kinderen en lagere sociaaleconomische status van ouders vanuit de minder ontwikkelde disciplineringcapaciteiten die in deze milieus vaker gehanteerd worden. 5.3 Huilgedrag van baby s Huilen is een van de eerste middelen waarmee baby s met hun omgeving kunnen communiceren. Baby s huilen veel, vooral in de eerste drie maanden na de geboorte. Daarna neemt de huilfrequentie doorgaans af, om zich in de loop van het eerste levensjaar te stabiliseren. (McGlaughlin & Grayson, 1999). Veel huilen is de meest gehoorde klacht in verband met pasgeboren baby s. De mate waarin ouders het huilen van hun baby als probleem ervaren loopt niet geheel synchroon met de professionele criteria die voor uitzonderlijk huilgedrag worden aangehouden. Zo bleken in een Amsterdams onderzoek 20,3% van de betrokken moeders het huilen van hun baby als probleem te ervaren, terwijl slechts 7,6% baby s aan het criterium van drie of meer uur huilen per dag bleek te voldoen (Long & Johnson, 2001). Extreem huilgedrag wordt met verschillende factoren in verband gebracht. Snel en heftig huilen wordt beschouwd als indicatie voor negatieve emotionaliteit. Excessief huilgedrag wordt ook gerelateerd aan minder gunstige ouder-kind relaties. Via de verstoring van het levensritme, met bijkomstige vermoeidheid, boosheid, teleurstelling, schuld- en wanhoopgevoelens, kan extreem huilgedrag een toenemend risico met zich meebrengen voor spanningen in de relatie tussen de ouders, en tussen ouder en kind, voor sociale isolatie en voor niet-toevallig babyletsel (Long & Johnson, 2001). (Versie: februari 2019) 21

22 5.4. Slaapgedrag van baby s als relationeel concept Slaapgedrag is een kenmerk van het individu, maar kan, met name bij jonge kinderen, tevens beschouwd worden als een relationeel concept (Sepa et al., 2004, Gaylor, 2001, Österberg, 1998). Het slaapgedrag van kinderen blijkt verband te houden met de mate van stress die de ouders ervaren (Österberg;1998; Long, & Johnson, 2001). In het eerste levensjaar van het kind is het normaal als een kind 2 à 3 keer per nacht wakker wordt. Het relationele aspect komt daarbij vooral aan de orde in verband met de manier waarop het kind vervolgens weer in slaap valt. Dit gedrag wordt in verband gebracht met de algemenere ouder-kind interactie rond zogenaamde reünies. Een te grote afhankelijkheid van het kind van de aandacht van de ouder, in dit geval het moeilijk uit zichzelf weer in slaap kunnen vallen, wordt in verband gebracht met minder gunstige interactiepatronen. Slaapproblemen verschillen overigens per cultuur, leeftijd van kind, sociaal economische status en zelfs per regio (Gaylor, 2001). 5.5 Eetgedrag van baby s als relationeel concept Het voeden van een baby is een moment waarbij ouder en kind contact hebben. Een veel beschreven fenomeen is de responsiviteit van het kind tijdens het voeden, dat gedefinieerd kan worden als de manifestatie van een psychologisch reactie van het kind op de voedingspogingen van de moeder. De reacties van het kind geven een indicatie van attitude van de moeder ten opzichte van het voeden. De responsiviteit van het kind ten aanzien van het voeden laat een continuüm van gedragingen zien, van optimaal tot ongunstig (Mentro et al., 2002). Deze responsiviteit uit zich in: visuele en expressieve signalen: lachen, staren, grimassen, wakkerheid/alertheid, oog openen, stresssignalen, graad van relaxtheid; vocale signalen: huilen en onrust; motorische signalen: aanraken van moeder, lichaam wegdraaien van de moeder, negeren van de tepel, beven, schokken en onrust. (Versie: februari 2019) 22

23 De mate van responsiviteit wordt in verband gebracht met implicaties ten aanzien van groei en ontwikkeling van het kind. Deze gedragingen van responsiviteit zijn afhankelijk van zowel de integriteit van de zorg verlenende omgeving als de biologische make-up en het welzijn van het kind. 5.6 Veerkracht als protectief kind kenmerk Uit de literatuur komt veerkracht als één van de belangrijkste protectieve kind factoren naar voren (Smith & Carlson, 1997). Fundamenteel aan het concept van veerkracht is het concept van plasticiteit, ofwel kneedbaarheid. Plasticiteit ten aanzien van de psychologische verandering indien de omgeving van het kind verandert. Deze continueermogelijkheid om te kunnen veranderen wordt ondersteund door neurodeskundigen, die veranderingen in de hersenen door omgevingsveranderingen bestuderen. Masten & Coatsworth (1998) definiëren veerkracht globaal als gemanifesteerde competentie in de context van significante uitdagingen waaraan men zich dient aan te passen of te ontwikkelen (Bernard, B. & Marshall, K., 2001). 6 Stress Alle hiervoor beschreven aspecten van de opvoedingssituatie kunnen beschouwd worden naar de mate waarin zij als stress dan wel steun opleveren. Vanwege de overkoepelende betekenis die stress geacht kan worden te hebben voor de ontwikkeling van het kind wordt op dit begrip nader ingegaan. Smith & Carlson (1997) omschrijven stress als `een gebeurtenis, situatie, of combinatie van situaties waarin eisen worden gesteld, die de capaciteiten van een persoon te boven gaan. Ervaringen van hoge stress hebben veel gedocumenteerde consequenties, oplopend van slaapverstoringen tot pijn en een slechte gezondheid. Een aantal stressfactoren, zoals de dood van een echtgenoot, echtelijke onenigheid, lawaaioverlast, hoge bevolkingsdichtheid, en criminaliteit worden in verband gebracht met immunologische gebreken. Kortom stress heeft belangrijke schadelijke effecten voor de gezondheid (Sepa, 2004). (Versie: februari 2019) 23

24 In de gezinsliteratuur wordt gesproken over specifieke en pedagogische opvoedingsstress (Morgan, 2002). De verzorging van een kind brengt allerlei praktische handelingen met zich mee. Deze dagelijkse handelingen, zoals het voeden, verzorgen, aankleden, wassen, eten kopen, boodschappen doen, worden in onderzoeken aangegeven met daily hassles, dagelijkse beslommeringen. Naast de dagelijkse beslommeringen in de opvoeding is er ook sprake van opvoedingsstress die meer gericht is op de eisen die de opvoeding aan de ouder stelt, zoals het omgaan met lastig gedrag van kinderen (Morgan, 2002). De effecten van opvoedingsstress op de opvoeding en ouder-kindrelatie zijn afhankelijk van verschillende (risico of protectieve) factoren in verschillende domeinen: oudereigenschappen (psychisch welbevinden van de ouder), kind eigenschappen (temperament, gezondheid van het kind, geboorteplaats in het gezin) en contextuele eigenschappen (levensgebeurtenissen, zoals verhuizing, overlijden van familielid, werkeloosheid). Uit onderzoek blijkt dat een lage mate van stress een positief effect heeft op zowel de kwaliteit van de opvoeding als op de voldoening van het opvoeden (Crnic & Avedo, 1996). Ouders met een lage mate van stress hebben positievere gevoelens ten opzichte van hun kinderen, zijn responsiever en bieden een meer stimulerende omgeving dan ouders met een hoge mate van stress (Osofsky & Thompson, 2000). De opvoedstijl van ouders met weinig stress is adaptief en verzorgend van aard. Stress brengt dus de gezondheid van zowel opvoeders als kinderen in gevaar. Österberg (1998) toont in haar onderzoek een verband tussen ouderlijke stress en infecties in de kindertijd en slaap- en eetproblemen van het kind. Dagelijkse stress die continue van aard is, blijkt van grote invloed op het ouderlijk functioneren. Meer nog dan serieuze ingrijpende levensgebeurtenissen blijkt dergelijke stress voorspellend te zijn voor psychologische symptomen van het kind (Sepa et al. 2004). Voorbeelden van dergelijke continue stressbronnen zijn: werkeloosheid, financiële en huisvestingsproblemen (Sepa et al., 2004, Smith & Carlson, 1997). Stress van ouders wordt door Sepa et al. (2004) in verband gebracht met een aantal negatieve consequenties voor het gezin en daarmee tevens voor de ontwikkeling van het kind: Verminderd psychologisch welzijn van de ouders (Versie: februari 2019) 24

25 Verminderde huwelijkskwaliteit Minder gunstig (opvoedings)gedrag van moeder Minder gunstige moeder-kind interacties Verminderde responsiviteit van de moeder ten aanzien van kind signalen Minder veilige hechtingsrelatie tussen moeder en kind Meer externaliserend gedrag van moeder en meer uitzonderlijk probleemgedrag van het kind Hogere kans op kindermishandeling (Versie: februari 2019) 25