Jurisprudentiebulletin

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Jurisprudentiebulletin"

Transcriptie

1 2010, aflevering 12 Nummers: Vordering benadeelde partij: JBS 2010, nr. 167 Hof Arnhem 9 december 2010 Gijzeling: immateriële schadevergoeding, i.c per gegijzelde. Brandstichting: dat de vordering ook bij een derde kan worden ingediend, of is ingediend, staat niet aan toekenning schadevergoeding in de weg. Niet is gesteld of gebleken dat de schade reeds is vergoed. Draagkrachtverweer wordt door het hof gepasseerd. JBS 2010, nr. 168 Rb. Maastricht 10 december 2010 Openlijke geweldpleging (grafschennis). Zowel materiële als immateriële schadevergoeding ( 50). JBS 2010, nr. 169 Hof Arnhem 13 december 2010 Shockschade. De gestelde PTSS is niet onderbouwd met een verklaring van een deskundige en door de verdediging betwist. Vordering niet ontvankelijk. JBS 2010, nr. 170 Hof Leeuwarden 16 december 2010 Rechtstreekse schade toegebracht door het bewezenverklaarde feit? Vordering schadevergoeding voor geldopname met gestolen pinpas buiten de bewezenverklaarde periode is niet ontvankelijk. JBS 2010, nr. 171 Hof Amsterdam 17 december 2010 Shockschade. Vordering betreft immateriële schade door wat het slachtoffer zelf is aangedaan en shockschade in verband met de poging tot verkrachting van zijn echtgenote. Gedeelte dat shockschade betreft, is niet eenvoudig van aard. JBS 2010, nr. 172 Rb. Amsterdam 17 december 2010 Shockschade. Nu thans op grond van de stukken niet in rechte kan worden vastgesteld dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, is de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. JBS 2010, nr. 173 Rb. Arnhem 17 december 2010 Shockschade. Dat de benadeelde partij psychische en emotionele schade heeft geleden door het plotselinge overlijden van zijn partner, alsmede door de fysieke toestand waarin de benadeelde partij zijn overleden partner heeft moeten identificeren staat naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate vast. Gedeeltelijke toewijzing. JBS 2010, nr. 174 Rb. s-gravenhage 23 december 2010 Kosten lijkbezorging. Toegewezen posten: vliegtickets begrafenis, vliegtickets plaatsen gedenksteen en aanvraag overlijdensakte. JBS 2010, nr. 175 Rb. Zutphen 29 december 2010 Poging doodslag. O.a. hersenletsel; nog geen eindtoestand immateriële schadevergoeding toegewezen. (Vervolg op blz. 2)

2 Contact- of gebiedsverbod als bijzondere voorwaarde: JBS 2010, nr. 176 Rb. Utrecht 30 november 2010 Aanranding ex-vriendin. Contactverbod gevorderd en opgelegd, mede omdat verdachte ter zitting heeft verklaard dat hij teleurgesteld is in het slachtoffer en graag met haar zou willen spreken over wat zij hem allemaal heeft aangedaan. JBS 2010, nr. 177 Rb. Zutphen 7 december 2010 Ontucht met persoon jonger dan 16 jaar. Contactverbod gevorderd voor 3 jaar. Verdachte kan zich gedeeltelijk hierin vinden. Contactverbod opgelegd voor 2 jaar JBS 2010, nr. 178 Hof Leeuwarden 17 december 2010 Stalking. Meer dan 3 jaar geleden. Lage kans op recidive. Toch contactverbod. JBS 2010, nr. 179 Rb. Utrecht 20 december 2010 Poging doodslag. Recidive. Contact verbroken. Contactverbod gevorderd en opgelegd. Beklag tegen niet vervolgen: JBS 2010, nr. 180 Hof s-gravenhage (raadkamer) 1 december 2010 Beklag tegen niet vervolgen politieagenten. Heeft de politie te lang gewacht met binnentreden van het pand waar het slachtoffer ondertussen aan zijn verwondingen is overleden? Binnentreden bij aankomst van de agenten was volgens het hof volstrekt onverantwoord. De Chef van Dienst kon vervolgens in redelijkheid tot zijn beslissingen komen dat moest worden opgetreden door het ROG en dat moest worden gewacht op de materiaalwagen met kogelwerende vesten e.d. JBS 2010, nr. 182 Rb. Roermond 14 december 2010 Vervolging (van een arts) na bevel ex art. 12i Sv van het hof. Volgens de rechtbank blijkt uit het bevel dat het hof enkel de vervolging voor dood door schuld heeft beoogd. OM mag daarom volgens de rechtbank geen andere strafbare feiten ten laste leggen. Overige onderwerpen: JBS 2010, nr. 183 Rb. Roermond 8 december 2010 Fotoconfrontatie. Schending van art. 9 van het besluit toepassingen maatregelen in het belang van het onderzoek. Verdachte niet in zijn belang geschaad. JBS 2010, nr. 184 Nationale ombudsman 13 december 2010 Bij de griffie afgegeven stukken in verband met een civiele procedure zijn zoek geraakt. Gegeven het feit dat de griffie toentertijd geen ontvangstbewijs verstrekte indien daar niet uitdrukkelijk om werd gevraagd, kan de rechtbank niet aantonen dat de stukken niet zijn zoekgeraakt. De Nationale ombudsman legt het risico dat de stukken zijn zoekgeraakt bij de rechtbank. JBS 2010, nr. 185 Rb. s-gravenhage (civiel, voorzieningenrechter) 23 december 2010 Tenuitvoerlegging schadevergoedingsmaatregel. Medeverdachte is in cassatie gegaan. De Hoge Raad heeft in die zaak de schadevergoedingsmaatregel met verlaagd. Het OM handelt niet onrechtmatig door de uitspraak tegen eiser ten uitvoer te leggen. (Vervolg op blz. 3) JBS 2010, nr. 181 Hof s-hertogenbosch (wrakingskamer) 13 december 2010 Wrakingsverzoek door de klager ten aanzien van de beklagkamer die het beklag ex art. 12 Sv behandelt. Verzoek afgewezen. 2

3 JBS 2010, nr. 186 Nationale ombudsman 28 december 2010 Samenstelling klachtencommissie politie. De Nationale ombudsman is van oordeel dat het feit dat één lid van de zeven leden van de commissie bij de politie heeft gewerkt niet afdoet aan de onafhankelijke opstelling en uitstraling van de commissie. Daarbij weegt mee dat betrokkene nooit verbonden is geweest aan het korps waarop de klachten die de commissie behandelt betrekking hebben. JBS 2010, nr. 187 Nationale ombudsman 29 december 2010 Gelet op de aard van de klachten die verzoeker bij de politie indiende, is de Nationale ombudsman van oordeel dat deze klachten van dermate gering gewicht waren dat de politie deze terecht niet heeft behandeld met een formele klachtenprocedure. 3

4 Colofon In het Jurisprudentiebulletin van Slachtofferhulp Nederland (JBS) wordt jurisprudentie verzameld die van belang kan zijn voor de juridische dienstverlening aan slachtoffers. De opgenomen uitspraken worden onderverdeeld in rubrieken. Binnen de rubrieken zijn de uitspraken chronologisch gerangschikt. De uitspraken worden over het algemeen sterk verkort weergegeven. Aanvullingen en weglatingen door de redactie worden cursief weergegeven. Sommige uitspraken zijn door de redactie van (kort) commentaar voorzien. De uitspraken betreffen merendeels strafzaken van de meervoudige kamers. Indien dat anders is, wordt dat vermeld. Het JBS verschijnt in beginsel maandelijks en is te vinden op U kunt het JBS via toegestuurd krijgen door een berichtje te sturen aan Redactie: mr. A.H. Sas Contact: Overige uitgaven: 4

5 Vordering benadeelde partij: 167. Hof Arnhem 9 december 2010 LJN: BO6761 Gijzeling: immateriële schadevergoeding, i.c per gegijzelde. Brandstichting: dat de vordering ook bij een derde kan worden ingediend, of is ingediend, staat niet aan toekenning schadevergoeding in de weg. Niet is gesteld of gebleken dat de schade reeds is vergoed. Draagkrachtverweer wordt door het hof gepasseerd. Art. 6:106 lid 1 onder b BW. Het hof: [Bewezenverklaard: Gijzeling, art. 282a Sr en poging moord, art. 289 Sr. Ontslag van alle rechtsvervolging voor wat betreft brandstichting, art. 157 Sr.] De vordering van de benadeelde partijen [A], [B], [C], [D], [E] De benadeelde partijen hebben zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Als advocaat heeft zich namens hen gesteld mr R. Oude Breuil, kantoorhoudende te Almelo. Ieder van de benadeelde partijen vordert een bedrag van De vordering van de benadeelde partijen is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De verdediging heeft de vorderingen niet betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partijen als gevolg van het onder 2 [= gijzeling] bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot het hierna te noemen bedrag zal worden toegewezen. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze, ook al lijkt, zoals door de raadsvrouw is aangevoerd, de financiële positie van verdachte thans niet rooskleurig te zijn. Er is niet gebleken van zodanige bijzondere omstandigheden dat van deze reparatoire maatregel zou moeten worden afgezien of dat deze zou moeten worden gematigd. De vordering van de benadeelde partij [M] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard omdat verdachte voor feit 6 dient te worden vrijgesproken, subsidiair dat de vordering dient te worden afgewezen omdat het gevorderde bedrag het eigen risico van de brandschade betreft. Dit eigen risico zou als vordering meegenomen zijn in de surséance van betaling c.q. het faillissement van [vrouw verdachte]. Het hof overweegt als volgt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 6 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot het hierna te noemen bedrag zal worden toegewezen. Dat de vordering ook nog bij een derde zou kunnen worden ingediend of is ingediend doet daar niet aan af, zeker nu gesteld noch gebleken is dat de door de benadeelde partij geleden schade reeds geheel of gedeeltelijk is vergoed. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze, ook al lijkt, zoals door de raadsvrouw is aangevoerd, de financiële positie van verdachte thans niet rooskleurig te zijn. Er is niet gebleken van zodanige bijzondere omstandigheden dat van deze reparatoire maatregel zou moeten worden afgezien of dat deze zou moeten worden gematigd. 5

6 168. Rechtbank Maastricht 10 december 2010 LJN: BO7062 Openlijke geweldpleging (grafschennis). Zowel materiële als immateriële schadevergoeding ( 50). Art. 361 lid 2 onder b Sv. De rechtbank: [Grafschennis, maar zwaarder delict bewezenverklaard: openlijke geweldpleging, art. 141 Sr; (gekwalificeerde) diefstal, art. 310 en 311 Sr.] 7 De benadeelde partijen De benadeelde partijen [naam benadeelde partij 4], [naam benadeelde partij 8], [naam benadeelde partij 25], [naam benadeelde partij 11], [naam benadeelde partij 13], [naam benadeelde partij 26], [naam benadeelde partij 20], [naam benadeelde partij 21] en [naam benadeelde partij 30] vorderen vergoeding van de door hen geleden schade. Het betreft schadevergoeding vanwege geleden materiële en immateriële schade. Namens de benadeelde partij [naam benadeelde partij 13] is ter terechtzitting naar voren gebracht dat de gevorderde materiële schade dient te worden gehalveerd. De officier van justitie heeft gevorderd de vorderingen geheel toe te wijzen met daarbij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdediging heeft ten aanzien van deze vorderingen geen verweer gevoerd Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partijen [naam benadeelde partij 4], [naam benadeelde partij 8], [naam benadeelde partij 25], [naam benadeelde partij 11], [naam benadeelde partij 13], [naam benadeelde partij 26], [naam benadeelde partij 20], [naam benadeelde partij 21] en [naam benadeelde partij 30] door het hiervoor onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit [=openbare geweldpleging] rechtstreeks materiële schade is toegebracht tot de door hen gevorderde bedragen. Voorts is komen vast te staan dat aan voormelde benadeelde partijen hierdoor rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De hoogte van deze immateriële schade wordt door de rechtbank naar billijkheid vastgesteld op een bedrag van 50,-. Nu aan de verdachte ter zake van feit 2 een straf zal worden opgelegd, zullen deze vorderingen worden toegewezen Hof Arnhem 13 december 2010 LJN: BO4464 Shockschade. De gestelde PTSS is niet onderbouwd met een verklaring van een deskundige en door de verdediging betwist. Vordering niet ontvankelijk. Art. 361 lid 3 Sv. Het hof: [Moord, art. 289 Sr.] De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt 5.000,- en bestaat uit immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. Uit de toelichting op de vordering blijkt onder meer dat de ouders van [slachtoffer] onverwacht en plotseling zijn geconfronteerd met het levenloze lichaam van [slachtoffer]. De steekwonden en de gevolgen van eerste hulp- en reanimatieverrichtingen waren daarbij zichtbaar. De vader van [slachtoffer] heeft daardoor een post traumatische stressstoornis ontwikkeld, zo wordt gesteld. Hij heeft zich onder behandeling moeten laten stellen van de Meerkante te Harderwijk en hij zal Eye Movement Desensitization and Reprocessing-therapie (EMDR) ondergaan. Ter onderbouwing is onder meer naar een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam, LJN AV8820 verwezen, waarin in een vergelijkbaar geval een vordering van 5.000,- werd toegewezen. De raadsman heeft de vordering van de benadeelde partij betwist. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet is onderbouwd met een verklaring van een deskundige, waaruit de exacte gevolgen voor de nabestaanden kunnen worden vastgesteld. 6

7 De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. Het hof stelt voorop dat de vordering ziet op zogenaamde shockschade. Van shockschade wordt doorgaans gesproken indien een persoon geestelijk letsel oploopt als gevolg van het waarnemen van of het geconfronteerd worden met een door gevaarzettend handelen van een ander veroorzaakt ernstig gevolg. In een dergelijk geval handelt de dader niet alleen onrechtmatig jegens degene die door zijn handelen is gedood of gekwetst, maar ook jegens degene bij wie door het waarnemen van het strafbare feit of in dit geval door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele shock wordt teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit. Deze situatie zal zich met name kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het ongeval is gedood of gewond. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een familielid dat ooggetuige is van een geweldsdelict of een naaste die het slachtoffer zwaar gewond dan wel levenloos aantreft. De door die emotionele shock ontstane immateriële schade komt onder omstandigheden op grond van het bepaalde in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek voor vergoeding in aanmerking. Voor vergoeding van immateriële schade als hier gevorderd in het strafgeding is echter, gelet op HR 22 februari 2002, LJN AD5356, NJ 2002, 240 vereist dat het bestaan van geestelijk letsel waardoor iemand in zijn persoon is aangetast in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Door de benadeelde partij is gesteld dat de vader van het slachtoffer een post traumatische stressstoornis heeft ontwikkeld, maar dit is door de benadeelde partij niet nader onderbouwd met een schriftelijke verklaring van een deskundige. Nu een dergelijke verklaring ontbreekt en de vordering door de verdediging is betwist, is naar het oordeel van het hof de vordering niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Het hof overweegt nog ten overvloede dat de uitspraak van het gerechtshof te Amsterdam, LJN AV8820, waarnaar door de benadeelde partij wordt verwezen is gecasseerd door de Hoge Raad op 3 juli 2007, NJ 2007, Hof Leeuwarden 16 december 2010 LJN: BO8372 Rechtstreekse schade toegebracht door het bewezenverklaarde feit. Vordering schadevergoeding voor geldopname met gestolen pinpas buiten de bewezenverklaarde periode is niet ontvankelijk. Art. 361 lid 2 onder b Sv. Het hof: [(Gekwalificeerde) diefstallen, art. 310 en 311 Sr.] Benadeelde partij [benadeelde 1] Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de benadeelde partij zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat zijn vordering in eerste aanleg deels is toegewezen en dat hij zich binnen de grenzen van zijn eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van zijn in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort. Blijkens het voegingsformulier benadeelde partijen in het strafproces vordert de benadeelde partij vergoeding van materiële schade tot een bedrag van 8.700,36. Het hof acht de vordering van de benadeelde partij tot het bedrag van 8.518,36 toewijsbaar, nu naar het oordeel van het hof voldoende is komen vast te staan dat door de onder 1. bewezen verklaarde feiten aan de benadeelde partij tot dat bedrag materiële schade is berokkend en dat de schade aan verdachte kan worden toegerekend. Het toe te wijzen bedrag komt neer op integrale toewijzing van de door verdachte deels betwiste vordering, met uitzondering van de posten betreffende de dvd-speler ( 152,-) en de geldopname d.d. 5 februari 2009 ( 30,-). Die geldopname is immers gedaan buiten de periode waarin 7

8 de onder 1. ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten hebben plaatsgevonden, zodat die schade niet kan gelden als rechtstreekse schade geleden door een strafbaar feit, als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering. De schadeclaim betreffende de dvd-speler komt het hof ongegrond voor nu [benadeelde 1] in zijn verklaring van 22 september 2009 stelt de - naar het hof begrijpt - betreffende dvd-speler nog steeds te hebben. Voor zover het de beide posten betreft zal [benadeelde 1] dan ook nietontvankelijk worden verklaard, met bepaling dat hij zijn vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen Hof Amsterdam 17 december 2010 LJN: BO8554 Shockschade. Vordering betreft immateriële schade door wat het slachtoffer zelf is aangedaan en shockschade in verband met het hulpeloos toe moeten zien bij de poging tot verkrachting van zijn echtgenote. Gedeelte dat shockschade betreft, is niet eenvoudig van aard. Art. 361 lid 3 Sv. [Verkrachting, art. 242 Sr, moord, art. 289 Sr en zware mishandeling, art. 302 Sr.] Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 ten laste gelegde. De benadeelde partij is in eerste aanleg niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep op de voet van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gevoegd met een vordering van ,-, zoals door haar ook in eerste aanleg is gevorderd. De benadeelde partij heeft door middel van haar ter terechtzitting verschenen wettelijke vertegenwoordiger, mr. M.R. Bruins namens mr. A. Koops, beiden advocaat te Alkmaar, de vordering mondeling nader toegelicht. De verdachte heeft deze vordering niet betwist. Het hof is van oordeel dat het hierna te noemen gedeelte van de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het voormeld bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade, tot na te melden bedrag, heeft geleden. De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot na te melden bedrag worden toegewezen. Het hof is van oordeel dat het overige gedeelte van de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Het hof overweegt dat het zeer aannemelijk is dat [benadeelde] niet alleen door wat hemzelf is aangedaan maar evenzeer en wellicht nog ernstiger is geschokt door de poging tot verkrachting van zijn echtgenote, [slachtoffer 3], doch nu een deel van de vordering is gebaseerd op wat de echtgenote van de benadeelde partij is aangedaan terwijl de benadeelde partij haar niet direct te hulp heeft kunnen schieten, is deze zogenaamde "shockschade" zo ingewikkeld dat het hof de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk zal verklaren. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. [ 5.000,- toegewezen] 172. Rechtbank Amsterdam 17 december 2010 LJN: BO8429 Shockschade. Nu thans op grond van de stukken niet in rechte kan worden vastgesteld dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, is de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Art. 361 lid 3 Sv. 8

9 De rechtbank: [Doodslag, art 287 Sr.] Ten aanzien van de benadeelde partij De benadeelde partij, [vriendin], heeft zich, middels haar gemachtigde mr. M.H. van Meurs, gevoegd in deze procedure met een vordering tot immateriële schadevergoeding ter hoogte van ,-. De rechtbank begrijpt de vordering, gelet op de door de gemachtigde opgestelde toelichting, aldus dat deze ziet op zogenoemde shockschade. Voor vergoeding van immateriële schade als hier gevorderd, is gelet op de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad vereist dat het bestaan van geestelijk letsel waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, wat in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Nu thans op grond van de stukken niet in rechte kan worden vastgesteld dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, is de vordering van de benadeelde partij [vriendin] niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in de vordering nietontvankelijk is. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen Rechtbank Arnhem 17 december 2010 LJN: BO7624 Shockschade. Dat de benadeelde partij psychische en emotionele schade heeft geleden door het plotselinge overlijden van zijn partner, alsmede door de fysieke toestand waarin de benadeelde partij zijn overleden partner heeft moeten identificeren staat naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate vast. Gedeeltelijke toewijzing: Art. 361 lid 3 Sv. De rechtbank: [O.a. doodslag, art. 287.] 6a. De beoordeling van de civiele vordering De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade. De benadeelde partij G.J.H.M. [benadeelde partij] vordert een voorschotbedrag wegens immateriële schade van Het standpunt van de officier van justitie. De officier van justitie is van oordeel, nu de vordering nog slechts immateriële schade betreft, en deze gebaseerd wordt op de psychische schade van de benadeelde partij voor het onder meer moeten aanschouwen van het gehavende lichaam van het slachtoffer, dat dit niet van zo eenvoudige aard is dat behandeling zich leent binnen deze strafprocedure. Mogelijk dat de benadeelde partij de vordering in een civiele procedure alsnog aanhangig kan maken. De officier van justitie is daarom van mening dat de benadeelde partij nietontvankelijk moet worden verklaard. Het standpunt van de verdediging. Aangezien de verdediging gepleit heeft voor vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde, is de verdediging van mening dat om die reden de benadeelde partij nietontvankelijk moet worden verklaard. Daarnaast sluit de verdediging zich aan bij het standpunt van de officier van justitie. Bespreking van de standpunten De rechtbank is van oordeel dat aan de benadeelde partij door het onder 2 primair bewezenverklaarde strafbare feit [=doodslag] rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. De officier van justitie en de verdediging zijn van mening dat de vordering te ingewikkeld is voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank is het daar ten dele mee eens. Gevorderd wordt een bedrag van in totaal Of de schade van de benadeelde partij is te begroten op voornoemd bedrag is vooralsnog onduidelijk. Dat de benadeelde partij psychische en emotionele schade heeft geleden door het plotselinge overlijden van zijn partner, alsmede door de fysieke toestand waarin de benadeelde par- 9

10 tij zijn overleden partner heeft moeten identificeren staat naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate vast. Naar maatstaven van billijkheid moet deze schade worden begroot op een bedrag van 7.500, welk bedrag bij wijze van voorschot zal worden toegewezen. Daarnaast zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen. zich leent voor behandeling in deze strafzaak en het bestaan van de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De rechtbank zal derhalve de vordering van [partner slachtoffer/getuige 7] toewijzen tot een bedrag van 2.398, Rechtbank s-gravenhage 23 december 2010 LJN: BO8590 Kosten lijkbezorging. Toegewezen posten: vliegtickets begrafenis, vliegtickets plaatsen gedenksteen en aanvraag overlijdensakte. Art. 51a lid 2 Sv; art.6:108 lid 2 BW. De rechtbank: [Medeplegen doodslag, art. 287 Sv.] 7. De vorderingen van de benadeelde partijen / de schadevergoedingsmaatregel [partner slachtoffer/getuige 7] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot 3.841, Het oordeel van de rechtbank De rechtbank acht de vordering van de benadeelde partij [partner slachtoffer/getuige 7], voor zover deze betrekking heeft op de posten vliegtickets begrafenis, vliegtickets plaatsen gedenksteen en aanvraag overlijdensakte, van zo eenvoudige aard dat dit deel van de vordering zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Dit deel van de vordering is voldoende onderbouwd en uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal, voor zover deze vordering betrekking heeft op de overige posten, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien dit deel van de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat het 175. Rechtbank Zutphen 29 december 2010 LJN: BO9310 Poging doodslag. O.a. hersenletsel; nog geen eindtoestand immateriële schadevergoeding toegewezen. Art. 6:106 lid 1 onder b BW. De rechtbank: [Poging doodslag, art. 287 Sr.] Door de GGD-arts Van Douveren [eindnoot 28] is dossieronderzoek verricht naar het slachtoffer [buurman] [2e voornaam slachtoffer] [slachtoffer], onder meer naar het letsel en het gevolg daarvan. Bij brief van 8 december 2010 heeft Van Douveren op de vraag waaruit bestaat het verwachte blijvende letsel geantwoord: Zoals ik in de vorige letselrapportage d.d stelde is het moeilijk om gezien de verschillende soorten verwondingen, de verschillende locaties van de verwondingen, en de mogelijke verschillende soorten verwondingen, daar een reëel passend antwoord op te geven. Het grootste tijdbestek zal nodig zijn om het herstel van het hersenweefsel te beoordelen. Dit tijdsbestek van 1 à 1,5 jaar zal nodig zijn om een oordeel te kunnen vellen over mogelijk blijvende letsels. Bij brief van 10 december 2010 heeft de revalidatiearts K. Vlaanderen laten weten dat er gezien het tijdsverloop van 8 maanden sprake is van een redelijke herstelduur, waarbij toch vertraging van denken te zien is en het anticiperen naar de toekomst en overzicht over zijn leefsituatie nog nauwelijks plaatsvindt. Het inprenten van informatie is verbaal en visueel beperkt. Er is een beperkte inner drive, tempozaken kan hij niet aan. Er zal weer een neuropsychologisch onderzoek plaatsvinden. 10

11 In een bijgevoegde brief aan de huisarts van 15 november 2010 geeft de revalidatiearts als conclusie aan: hij is redelijk opgeknapt, waarbij hij nog niet volledig ADLzelfstandig (Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen) is en een beperkte arm/handfunctie links heeft. Het lopen vindt met een behoorlijke flexehouding in heup en knie links plaats. Beleid: aandacht voor ADLzelfstandigheid, verbeteren van zijn romp en looppatroon, kijken naar benodigde woningaanpassingen. Woont momenteel met zijn gezin bij zijn ouders in Apeldoorn in. In de toekomst zal worden bezien welke dagbesteding dan wel arbeid mogelijk is. Vordering tot schadevergoeding De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding [eindnoot 32] ten bedrage van te vermeerderen met de wettelijke rente - gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde. De vordering ziet op een gedeelte voor materieel geleden schade ten bedrage van en een gedeelte voor immateriële schade ten bedrage van De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade kan worden toegewezen, met uitzondering van de geclaimde schade voor de spijkerbroek. Toewijsbaar is derhalve een totaal bedrag van 4011,--. De gevraagde immateriële schadevergoeding kon volgens de officier van justitie bij wijze van voorschot worden toegewezen, gelet op jurisprudentie, de ernst van het letsel en de blijvende lichamelijk gevolgen die het slachtoffer zal ondervinden, de verminderde levensverwachting en de ondervonden angst en psychische gevolgen die het slachtoffer ondervindt. De raadsman van verdachte heeft zich inhoudelijk niet uitgelaten over de vordering van de benadeelde partij. Inherent aan zijn betoog dient de vordering volgens de raadsman te worden afgewezen, temeer nu er ook sprake is van eigen schuld aan de zijde van het slachtoffer. Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. Gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting, begroot de rechtbank de tot op heden geleden immateriële schade in redelijkheid op een bedrag van De rechtbank zal de wettelijke rente toewijzen met ingang van de pleegdatum van het feit, namelijk 9 april Het is niet onaannemelijk dat de schade van de benadeelde partij uiteindelijk een hoger bedrag aan immateriële schade rechtvaardigt, maar nu op dit moment nog niet duidelijk is wat de uiteindelijke situatie van de benadeelde partij zal zijn, wordt de schadevergoeding op dit moment tot voornoemd bedrag beperkt. De benadeelde partij zal voor de meer gevorderde immateriële schade derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan derhalve dit deel van de vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter. De materiële schade zal de rechtbank toewijzen tot het gevorderde bedrag. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank ten aanzien van de opgevoerde schade met betrekking tot de spijkerbroek van oordeel dat het hier om daadwerkelijke schade gaat in de zin dat de spijkerbroek in ieder geval voor het slachtoffer vanuit de achtergrond van het gebeurde niet meer bruikbaar is. Contact- of gebiedsverbod als bijzondere voorwaarde: 176. Rechtbank Utrecht 30 november 2010 LJN: BO9607 Aanranding ex-vriendin. Contactverbod gevorderd en opgelegd, mede omdat verdachte ter zitting heeft verklaard dat hij teleurgesteld is in het slachtoffer en graag met haar zou willen spreken over wat zij hem allemaal heeft aangedaan. Art. 14c Sr. De rechtbank: [O.a. feitelijke aanranding van de eerbaarheid, art. 246 Sr, gepleegd in de woning van het slachtoffer.] 11

12 6.3 Het oordeel van de rechtbank Ten aanzien van de aanranding van zijn ex-vriendin overweegt de rechtbank het volgende. Verdachte heeft de lichamelijke integriteit van zijn ex-vriendin geschonden. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van het slachtoffer. Ook in dit geval heeft het slachtoffer verklaard dat zij sinds het incident angst en gevoelens van onveiligheid ervaart. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij teleurgesteld is in [slachtoffer 1] en graag met haar zou willen spreken over wat zij hem allemaal heeft aangedaan. De rechtbank ziet hierin en na afweging van alle betrokken belangen aanleiding om als bijzondere voorwaarde tevens aan verdachte in de zaak 16/ op te leggen een contactverbod met [slachtoffer 1], zoals gevorderd door de officier van justitie Rechtbank Zutphen 7 december 2010 LJN: BO6493 Ontucht met persoon jonger dan 16 jaar. Contactverbod gevorderd voor 3 jaar. Verdachte kan zich gedeeltelijk hierin vinden. Contactverbod opgelegd voor 2 jaar. Art. 14c Sr art. 14b lid 2 Sr. De rechtbank: [Ontucht met persoon jonger dan 16 jaar, art. 282b Sr.] Verdachte is gemotiveerd voor behandeling en kan zich in de door de officier van justitie geëiste bijzondere voorwaarden vinden. Anders dan de officier van justitie is de verdediging van oordeel dat volstaan kan worden met een proeftijd van 2 (twee) jaar. 11. Ten aanzien van de persoon van verdachte neemt de rechtbank bij haar strafoplegging in aanmerking het over verdachte opgemaakte psychologische rapport. Geadviseerd wordt aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht en dat hij een behandeling bij Kairos of een soortgelijke instelling zal ondergaan. 12. De reclassering heeft dit advies onderschreven. Aan dit voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden koppelen zoals door de officier van justitie geëist. De rechtbank zal echter - anders dan de officier van justitie heeft geëist - de proeftijd op 2 (twee) jaren stellen. Zij overweegt daartoe dat uit het reclasseringsrapport en het psychologische rapport naar voren komt dat de kans op recidive beperkt lijkt. Gelet hierop is er geen sprake van de omstandigheid genoemd in artikel 14b, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht, te weten de omstandigheid dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen Hof Leeuwarden 17 december 2010 LJN: BO8412 Stalking. Meer dan 3 jaar geleden. Lage kans op recidive. Toch contactverbod. Art. 14c Sr. Het hof: [Ernstige bedreiging en belaging, artt. 285 en 285b Sr.] Strafmotivering Verdachte heeft zich in de periode van 24 april 2007 tot en met 25 september 2007 schuldig gemaakt aan belaging van zijn voormalige vriendin [benadeelde 1], haar toenmalige vriend en ouders. [...] In het voordeel van verdachte pleit evenwel dat hij thans ruim drie jaren geen contact meer heeft gezocht met de slachtoffers en dat er sindsdien geen contacten meer zijn geweest met politie of justitie wegens nieuwe strafbare feiten. Daar- 12

13 naast blijkt uit het verhandelde ter terechtzitting dat verdachte in de afgelopen periode uit eigen beweging professionele hulp heeft gezocht en gevonden. Geruime tijd is verdachte onder behandeling geweest van GZ-psycholoog en psychotherapeut B.G.J.M. Thomassen. De kans op herhaling is gering omdat er, aldus Thomassen, bij verdachte sprake is van inzicht in zijn problematiek en van persoonlijkheidsgroei. Het voorwaardelijk opgelegde deel dient als een forse stok achter de deur, teneinde te voorkomen dat verdachte zich in de toekomst opnieuw schuldig zal maken aan (soortgelijke) strafbare feiten. Het hof acht het, gezien de aard van de bewezen verklaarde misdrijven onder 1, voorts noodzakelijk dat, in het belang van de slachtoffers, aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf als bijzondere voorwaarden contactverboden worden verbonden. Verdachte mag gedurende de proeftijd van twee jaren op geen enkele manier contact opnemen met [benadeelde 1], voornoemd noch haar ouders [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag, mishandeling en vernieling, waarvan met name het eerste misdrijf zeer ernstig is. Bovendien heeft verdachte het slachtoffer aan haar lot overgelaten, terwijl hij wist dat het slachtoffer bewusteloos was. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt van een bijzonder traumatische ervaring voor het slachtoffer. Uit de justitiële documentatie van verdachte van 20 augustus 2010 blijkt dat verdachte tweemaal eerder is veroordeeld vanwege het plegen van huiselijk geweld en blijkt uit het reclasseringsadvies van 29 september 2010 dat zowel in 2007 als in 2009 ook mevrouw [slachtoffer] het slachtoffer daarvan was. Hoewel de eis van de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank gezien de ernst van de feiten vrij mild is, zal de rechtbank zich aan deze eis conformeren, gelet op de door verdachte getoonde gemotiveerdheid om aan zichzelf te werken. Van de motivatie van verdachte is de rechtbank ter terechtzitting van 6 december 2010 gebleken, alsmede aan de hand van het aanvullend reclasseringsadvies van 2 december Voorts is gebleken dat de relatie tussen verdachte en [slachtoffer] thans verbroken lijkt te zijn. Het opleggen van een contactverbod met mevrouw [slachtoffer] acht de rechtbank desondanks, anders dan de verdediging, aangewezen gelet op de omstandigheid dat zij door de jaren heen al meermalen het slachtoffer van het handelen van verdachte is geweest Rechtbank Utrecht 20 december 2010 LJN: BO8421 Poging doodslag. Recidive. Contact verbroken. Contactverbod gevorderd en opgelegd. Art. 14c Sr. De rechtbank: [Poging doodslag, art. 287 Sr; mishandeling meermalen begaan tegen levensgezel, art. 300 jo. 304 Sr en vernieling, art. 350 Sr.] [De officier heeft een contactverbod gevorderd.] Beklag tegen niet vervolgen: 180. Hof s-gravenhage (raadkamer) 1 december 2010 LJN: BO5834 Beklag tegen niet vervolgen politieagenten. Heeft de politie te lang gewacht met binnentreden van het pand waar het slachtoffer ondertussen aan zijn verwondingen is overleden? Binnentreden bij aankomst van de agenten was volgens het hof volstrekt onverantwoord. De Chef van Dienst kon vervolgens in redelijkheid tot zijn beslissingen komen dat moest worden opgetreden door het ROG en dat moest worden gewacht op de materiaalwagen met kogelwerende vesten e.d. Beklag afgewezen. Art. 12 Sv. Het hof: Beoordeling van het beklag 13

14 10. Het politieoptreden in deze zaak is zeer uitgebreid onderzocht. De overwegingen van het Openbaar Ministerie om niet tot vervolging van beklaagden over te gaan zijn weergegeven in de uitvoerige ambtsberichten van de hoofdofficier van justitie en van de advocaat-generaal. Alle betrokkenen hebben kennis kunnen nemen van deze stukken, die zich in het dossier bevinden. 11. De zoon van klagers is in de nacht van 15 op 16 juni 2007 zodanig mishandeld dat hij aan het daardoor opgelopen letsel is overleden. [persoon A], [persoon B] en [persoon C] zijn ter zake daarvan vervolgd en veroordeeld. Het vonnis tegen [persoon C] is onherroepelijk. Klagers zijn echter van mening dat het overlijden van hun zoon niet alleen toe te rekenen is aan het handelen van deze drie veroordeelden, maar ook aan het niet (tijdig) ingrijpen door de politie. De beklaagden moeten daarom ook vervolgd worden. Klagers menen dat beklaagden door te handelen de dood van Björn hadden kunnen en moeten voorkomen. 18. Beoordeling: Het hof stelt voorop dat er ter plaatse sprake was van een onduidelijke en chaotische situatie. Allereerst kon de melding aan de meldkamer duiden op zowel een gijzeling als een overval. Toen de politie ter plekke was, begon het nieuwsgierige, deels jeugdige publiek, onder meer uit cafés, toe te stromen. Dit publiek moest op afstand worden gehouden terwijl politieagenten de voor- en achterzijde van de woning onder observatie namen. Intussen werd er voortdurend overleg gevoerd over de vraag wanneer en onder welke veiligheidsmaatregelen het pand kon worden betreden en kreeg beklaagde [beklaagde 4] als Chef van Dienst, zoals reeds vermeld, constant telefoon- en portofoonmeldingen. 19. Op grond van de door diverse getuigen afgelegde verklaringen staat vast dat buiten de woning geschreeuw van pijn te horen is geweest. Dat er sprake was van aanhoudend geschreeuw is evenwel niet komen vast te staan. In dit verband is niet zonder belang dat beklaagde [beklaagde 4] zelf in het belendende pand [straatnaam] [huisnummer 1] is geweest en toen geen geschreeuw of gekreun uit de woning daarnaast heeft waargenomen. 20. Een belangrijke bron van informatie voor wat er binnen gaande was, was de later als verdachte aangemerkte en inmiddels veroordeelde [persoon B]. Dat [persoon B], toen bleek dat hij uit die woning was gekomen, niet meteen is aangehouden en nader gehoord acht het hof onbegrijpelijk maar voor de verdere feitelijke gang van zaken niet doorslaggevend. Betreurenswaardig is dat de informatie van [persoon B] over de afwezigheid van vuurwapens niet duidelijk aan [beklaagde 4] is doorgegeven dan wel niet tot hem is doorgedrongen. Redelijkerwijs valt echter niet aan te nemen dat, ware die informatie wel bij hem terechtgekomen, dit tot een andere afweging zou hebben geleid. Immers in de gegeven omstandigheden zou niet zonder meer van de politieambtenaren gevergd kunnen worden dat zij zouden blindvaren op de enkele mededeling van [persoon B] dat er geen vuurwapens in de woning aanwezig waren. Zoals later is gebleken heeft [persoon B] onjuiste informatie vertrekt aan de verbalisant [beklaagde 3] over hetgeen zich had afgespeeld in de woning voordat hij die had verlaten. Dat de verdachte [persoon A] niet als vuurwapengevaarlijk bekend stond, kan bij de beoordeling van de ter plaatse gemaakte afwegingen evenmin een rol van betekenis spelen. De familie [buren] had tegenover de politie immers verklaard dat hun buurman, [persoon A], het vermoedelijke slachtoffer was. 21. Het hof stelt voorts vast dat de woning in ieder geval niet zonder hulpmiddelen via de voordeur betreden had kunnen worden. Nadat [persoon B] naar buiten was gekomen is hij teruggelopen naar de woning die hij niet meer met de sleutel kon openen, naar eigen zeggen mogelijk omdat er een knip op de deur zat. Uit de processen-verbaal van binnentreden blijkt dat de deur pas in tweede instantie met de stormram kon worden geforceerd. 22. Beklaagde [beklaagde 4] heeft gemeend dat er sprake was van een misdrijf waarvoor de inzet van een Arrestatie 14

15 Team gerechtvaardigd was, maar vervolgens de afweging gemaakt dat de inzet daarvan gelet op de veiligheid van het slachtoffer te lang op zich zou laten wachten. Omdat het onmiddellijk binnentreden door de aanwezige politieambtenaren uit het oogpunt van hun eigen veiligheid geen reële optie was, heeft hij gekozen voor optreden door de ROG [=Regionaal opsporingsteam gesignaleerden].. Omdat het zo veilig mogelijk binnentreden in de woning ook naar het oordeel van de ROG-medewerkers, alleen kon worden verwezenlijkt met behulp van een stormram en een kogelwerend schild, moest de komst van de materiaalwagen worden afgewacht. Vijf minuten na aankomst van het materiaal is de woning betreden. In het licht van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden kan het hof deze afweging billijken. Immers, een melding bij de politie dat een man met geweld wordt getapet en om hulp roept, kan duiden op een gijzeling, overval of ripdeal en de aanwezigheid van vuurwapens. Een (poging tot) onmiddellijk binnentreden zonder benodigde hulpmiddelen door politieambtenaren die niet gespecialiseerd zijn in gevaarlijke aanhoudingen, ligt onder die omstandigheden niet voor de hand. Het risico bestaat dat daardoor zowel het slachtoffer als de politiemensen gevaar lopen. 23. Conclusie: Uit het dossier komt het beeld naar voren dat de communicatie op verschillende momenten niet optimaal is geweest. Voor zover beklaagde [beklaagde 4] als Chef van Dienst hiervan een verwijt kan worden gemaakt, brengt dit evenwel nog niet mee dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan de gestelde strafbare feiten. Het hof is van oordeel dat beklaagde [beklaagde 4] na afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen beslissen om een gespecialiseerd aanhoudingsteam in te zetten voor het binnentreden van de woning en daarbij te kiezen voor de ROG in plaats van een Arrestatie Team, waarmee veel meer tijd gemoeid zou zijn. Hetzelfde geldt voor de afweging die [beklaagde 4] heeft gemaakt om niet onmiddellijk binnen te treden, maar in verband met de noodzakelijke veiligheid de komst van de materiaalwagen met een kogelwerend schild en een stormram af te wachten, zoals hiervoor onder punt 22. is overwogen. Dat de komst van de materiaalwagen relatief lang op zich heeft laten wachten kan hem niet persoonlijk worden verweten. Het hof is dan ook met de advocaatgeneraal van oordeel dat beklaagde [beklaagde 4] geen verwijt in strafrechtelijke zin valt te maken van het overlijden van [zoon]. 24. Het hof overweegt met betrekking tot het niet vervolgen van de overige beklaagden als volgt. Bij aankomst ter plaatse beschikten zij (slechts) over de informatie dat er mogelijk een gijzeling of een overval plaatsvond. Onder die omstandigheid zou het volstrekt onverantwoord zijn geweest als zij op dat moment de woning zouden zijn binnengegaan, voor zover dat zonder hulpmateriaal al mogelijk zou zijn geweest. Uitgaande van een veronderstelde gijzeling hebben zij de eerste maatregelen ter plaatse genomen. Kort nadat zij geschreeuw uit de woning hoorden komen en [beklaagde 3] met [persoon B] had gesproken, was de Chef van Dienst [beklaagde 4] ter plaatse. Vanaf het moment dat deze ter plaatse was kon van hen niet (meer) worden verwacht dat zij zonder last van [beklaagde 4] op eigen gezag de woning zouden binnengaan. De beslissing van het Openbaar Ministerie om beklaagden [beklaagde 2], [beklaagde 3] en [beklaagde 1] om deze reden niet (verder) te vervolgen valt naar het oordeel van het hof reeds hierom te billijken. 25. Het hof overweegt ten overvloede dat gezien hetgeen hiervoor is overwogen in het midden kan blijven of er een causaal verband kan worden vastgesteld tussen het niet onmiddellijk optreden van de politie en de dood van [zoon], nog daargelaten het feit dat volgens de patholoog F.R.W. van de Goot het slachtoffer niet te redden zou zijn geweest indien er adequaat medische hulp was geboden een uur voor de dood. Naar het oordeel van het hof is nader onderzoek naar de datering van de letsels en het tijdstip van overlijden, naast al het onderzoek dat daarnaar reeds is verricht, dan ook niet noodzakelijk voor de beoordeling van dit beklag. 15

16 26. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beklag dient te worden afgewezen Hof s-hertogenbosch (wrakingskamer) 13 december 2010 LJN: BO7620 Wrakingsverzoek door de klager ten aanzien van de beklagkamer die het beklag ex art. 12 Sv behandelt. Verzoek afgewezen. Art. 512 e.v. Sv en art. 12 Sv. Het hof: 1. Het procesverloop Verzoekster heeft op 20 april 2009 ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) schriftelijk beklag gedaan bij de griffie van het gerechtshof s-hertogenbosch omtrent het niet-vervolgen van [Y.], zijnde de ex-echtgenoot van verzoekster. De beklagkamer van het hof heeft deze klacht op 27 oktober 2009 in raadkamer behandeld en beslist tot aanhouding van de behandeling van het klaagschrift voor onbepaalde tijd ten behoeve van nader onderzoek. Op 9 november 2010 heeft de voorgezette behandeling van het klaagschrift plaatsgevonden. Na afloop van de laatstgenoemde inhoudelijke behandeling heeft verzoekster op 9 november 2010 schriftelijk de wraking van de beklagkamer verzocht, op de gronden zoals in het wrakingsverzoek vermeld. Daarnaast heeft de wrakingskamer ontvangen de schriftelijke toelichting en aanvulling op het wrakingsverzoek d.d. 24 november Tevens heeft de wrakingskamer op 2 december 2010 van verzoekster haar als pleitnotities te beschouwen brieven van 26 oktober 2010 en 1 november 2010 ontvangen, welke pleitnotities verzoekster eerder ten behoeve van de behandeling van de beklagzaak op 9 november 2010 reeds aan de beklagkamer heeft overgelegd. Mr. A. de Lange, mr. F. van Es en mr. J.G. Sillevis Smitt hebben te kennen gegeven in de wraking niet te berusten en geen gebruik te maken van de gelegenheid om op het wrakingsverzoek te worden gehoord of om schriftelijk te reageren op het wrakingsverzoek. De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek in raadkamer behandeld op 3 december Bij die gelegenheid hebben verzoekster en haar raadsvrouwe, mr. S.L.B. Koelman- Duijf, advocaat te Meerssen, het wrakingsverzoek nader toegelicht. 2. Het standpunt van verzoekster Voor de gronden van de wraking verwijst de wrakingskamer naar het wrakingsverzoek d.d. 9 november 2010 en naar de schriftelijke toelichting en aanvulling op het wrakingsverzoek d.d. 24 november Het standpunt van de advocaatgeneraal De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van het door verzoekster ingediende wrakingsverzoek. 4. De beoordeling 4.1. Bij de beoordeling van het wrakingsverzoek sluit de wrakingskamer aan bij de artikelen 512 e.v. Sv. Ingevolge artikel 512 Sv kan wraking van een bepaalde rechter worden verzocht op grond van feiten of omstandigheden waardoor diens onpartijdigheid schade zou kunnen lijden Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van genoemd artikel en artikel 6, eerste lid, EVRM, dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwichtige aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is Verzoekster stelt zich op het standpunt dat zich in de onderhavige zaak feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die toewijzing van haar wrakingsverzoek rechtvaardigen. Die feiten en omstandigheden hebben enerzijds betrekking op de gang van zaken voorafgaande aan de zitting van 9 november 2010 en anderzijds op de gang van zaken tijdens de zitting van 9 november Wat de gang van zaken voorafgaande aan de zitting van 9 november 2010 betreft heeft verzoekster als concrete bezwaren naar voren gebracht dat de vraagstelling aan het KLPD, zoals verwoord in het proces-verbaal van de zitting d.d. 27 okto- 16

17 ber 2009, te beperkt was. Verder heeft zij aangevoerd dat de beantwoording van de vragen die waren gesteld aan het KLPD is gefrustreerd door het niet beschikbaar stellen van de benodigde logboeken. Ook heeft zij bezwaar gemaakt tegen het feit dat zij niet, althans niet onbeperkt of pas na aandringen, de beschikking heeft gekregen over processtukken. Tenslotte heeft zij bezwaar gemaakt tegen de lange tijd die is verstreken tussen de behandeling op 27 oktober 2009 en de voortzetting van de behandeling op 9 november Omtrent het bezwaar van verzoekster tegen de vraagstelling aan het KLPD zoals verwoord in het proces-verbaal van de zitting d.d. 27 oktober 2009, is de wrakingskamer van oordeel dat nog afgezien daarvan dat niet is toegelicht waarom dit bezwaar nu pas is aangevoerd en niet direct na de behandeling op 27 oktober 2009 het niet aan de wrakingskamer is om te beoordelen of de beklagkamer de juiste vragen aan het KLPD heeft gesteld. Ter beoordeling staat slechts of uit die vraagstelling in redelijkheid een vooringenomenheid jegens verzoekster kan worden afgeleid. Naar het oordeel van de wrakingskamer is dat niet het geval Het ter beschikking stellen van de logboeken, bedoeld in de vraagstelling aan het KLPD, was een verantwoordelijkheid van de advocaat-generaal, zoals ook in het proces-verbaal van de zitting van 27 oktober 2009 is vermeld. Een concreet verwijt op dit punt jegens (de voorzitter van) de beklagkamer is door verzoekster niet genoemd. Het voorgaande is van overeenkomstige toepassing op het bezwaar van verzoekster tegen de lange tijd tussen de zitting van 27 oktober 2009 en de voortzetting op 9 november Wat het ter beschikking stellen van processtukken betreft geldt in het algemeen, zoals aangevoerd door de advocaat-generaal, dat in beklagzaken ex artikel 12 Sv terughoudendheid dient te worden betracht bij het verstrekken van stukken aan een klager, dit met het oog op de bescherming van de belangen van de beklaagde of met het oog op andere zwaarwichtige belangen, zoals bedoeld in artikel 12f Sv. Verzoekster heeft als concreet stuk, waarvan toezending aan haar zou zijn geweigerd, het proces-verbaal van het KLPD d.d. 19 februari 2010 genoemd. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek is echter gebleken dat dit proces-verbaal, na een daartoe gedaan schriftelijk verzoek van de advocaat van verzoekster, aan haar (vóór de zitting van 9 november 2010) ter beschikking is gesteld. In het licht van het voorgaande kan in redelijkheid niet worden geconcludeerd dat de gang van zaken met betrekking tot het ter beschikking stellen van stukken, blijk geeft van vooringenomenheid jegens verzoekster Wat de gang van zaken ter terechtzitting van de beklagkamer d.d. 9 november 2010 betreft, heeft verzoekster verklaard dat zij, als gevolg van een aantal aan haar gestelde vragen en gemaakte opmerkingen, het gevoel had dat zij zelf in de beklaagdenbank zat, in plaats van de beklaagde, de heer [Y.]. Verzoekster doelt hierbij in het bijzonder op: - de vraag van de oudste raadsheer naar de personen die, naast de beklaagde, van de desbetreffende computer gebruik maakten; - de opmerking van de oudste raadsheer omtrent het gemak waarmee een harde schijf kan worden vervangen; - de vraag van de jongste raadsheer of verzoekster vermoedde dat beklaagde zich ten aanzien van zijn eigen kinderen ook schuldig heeft gemaakt aan onderhavige vermeende strafbare feiten alsmede de opmerking van deze raadsheer (naar aanleiding van het antwoord van verzoekster) dat het kijken van kinderporno niet hetzelfde is als het daadwerkelijk bedrijven van wat er is te zien. Verzoekster stelt dat de vraag en de opmerking van de oudste raadsheer haar het gevoel hebben gegeven dat zij ervan werd beschuldigd zelf de hand te hebben gehad in het aantreffen van kinderporno op de desbetreffende computer. Met betrekking tot de vraag en de opmerking van de jongste raadsheer stelt verzoekster dat daarmee de suggestie is gewekt dat de jongste raadsheer het kijken met kinderen naar kinderporno een normale zaak vindt De wrakingskamer stelt bij de beoordeling van hetgeen verzoekster heeft gesteld omtrent de aan haar gestelde vragen en de gemaakte opmerkingen voorop dat, in een zaak als de onderhavige, waarin een klager bij de beklagkamer van het hof feiten en omstandigheden aanvoert ten betoge dat er een strafrechtelijke vervolging moet worden ingesteld jegens een 17

18 beklaagde, het tot de taak van de beklagkamer hoort om de aangevoerde feiten en omstandigheden kritisch te beoordelen en daaromtrent, zo nodig, klager kritisch te bevragen. De beklagkamer moet immers bij de beoordeling van het klaagschrift niet alleen het belang van de klager voor ogen houden, maar ook het belang van de beklaagde en het algemeen belang. De wrakingskamer merkt verder op dat de vraag en de opmerking van de jongste raadsheer kennelijk is ingegeven door de inhoud van de brieven van verzoekster aan de beklagkamer van 26 oktober 2010 en 1 november 2010, in welke brieven zij stelt: "Hierdoor dreigen kleine kinderen te worden overgeleverd aan de vermoedelijke dader van het misdrijf kindermisbruik." Gelet op deze stellingname van verzoekster zijn de hiervoor bedoelde vraag en opmerking van de jongste raadsheer niet onbegrijpelijk. Naar het oordeel van de wrakingskamer kan, in het licht van het voorgaande, omtrent de vraagstelling ter terechtzitting in redelijkheid niet worden geconcludeerd dat daaruit een vooringenomenheid jegens verzoekster blijkt Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft verzoekster nog aangevoerd dat zij tijdens de zitting van de beklagkamer d.d. 9 november 2010 ten onrechte geen gelegenheid heeft gehad om te reageren op hetgeen door de advocaat-generaal was aangevoerd. Hieromtrent overweegt de wrakingskamer dat, anders dan verzoekster lijkt te veronderstellen, aan een klager in een artikel 12 Sv-procedure niet de mogelijkheid moet worden geboden om als laatste het woord te voeren. De beklagkamer beslist na het horen van klager, de beklaagde (indien deze aanwezig is) en de advocaatgeneraal. Omtrent de gang van zaken tijdens de zitting op 9 november 2010, zoals deze blijkt uit het opgemaakte procesverbaal, kan in redelijkheid niet geconcludeerd worden dat daaruit een vooringenomenheid jegens verzoekster blijkt De conclusie op grond van het voorgaande is dat zich in de onderhavige zaak geen uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwichtige aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de beklagkamer jegens verzoekster een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoekster (kennelijk) dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Dit geldt ook indien de door verzoekster genoemde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang worden bezien. Een en ander betekent dat het wrakingsverzoek als ongegrond moet worden afgewezen Rechtbank Roermond 14 december 2010 LJN: BO7220 Vervolging (van een arts) na bevel ex art. 12i Sv van het hof. Volgens de rechtbank blijkt uit het bevel dat het hof enkel de vervolging voor dood door schuld heeft beoogd. OM mag daarom volgens de rechtbank geen andere strafbare feiten ten laste leggen. Art. 12i Sv. De rechtbank: 5.2. De ontvankelijkheid van de officier van justitie in relatie tot artikel 12i van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Op dit punt hebben de officier van justitie en de verdediging zich op verzoek van de rechtbank als volgt uitgelaten. Standpunt van het openbaar ministerie De officier van justitie heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie ontvankelijk behoort te worden verklaard ten aanzien van de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten [= verlating van hulpbehoevende, met als gevolg de dood art. 255 jo. 257 Sr en verlating van een hulpbehoevende, art. 255 Sr.]. Allereerst is de niet-ontvankelijkheid een gepasseerd station, nu de verdediging tegen de kennisgeving van verdere vervolging geen rechtsmiddel heeft ingesteld. Voorts is het redigeren van een tenlastelegging na het bevel een taak die aan het openbaar ministerie is voorbehouden. Het openbaar ministerie bepaalt derhalve wat op de tenlastelegging vermeld wordt. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie ten aanzien van het onder 2 en 3 tenlastegelegde nietontvankelijk behoort te worden verklaard 18

19 op grond van het gestelde in artikel 12i Sv. De verdachte is eerst bij de kennisgeving van verdere vervolging van 10 december 2009 op de hoogte gekomen van de vervolging voor de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten. Tijdens het gerechtelijk vooronderzoek is geen uitbreiding van het gerechtelijk vooronderzoek ter zake van deze delicten gevorderd. Blijkens het arrest van de Hoge Raad van 25 juni 1996 (HR 25 juni 1996, NJ 1996, 714) heeft het hof tot taak te beoordelen ter zake van welke wettelijke strafbaarstelling de vervolging had moeten worden ingesteld. Het hof kan de vervolging ter zake van een bepaald delict aan de officier van justitie opdragen. Dit heeft het gerechtshof ook gedaan doordat het de vervolging van verdachte wegens dood door schuld heeft bevolen. Het staat het openbaar ministerie niet vrij, zonder daarvan tijdig melding te maken, om de tenlastelegging met twee feiten uit te breiden. Overwegingen van de rechtbank Verdachte is gedagvaard voor drie feiten: dood door schuld (feit 1), het in hulpeloze toestand laten van Mariska [achternaam slachtoffer] (feit 2) en het in hulpeloze toestand laten van de ouders van Mariska [achternaam slachtoffer] (feit 3). Verdachte is door de officier van justitie vervolgd op grond van een bevel tot vervolging ex artikel 12i Sv van het gerechtshof te s-hertogenbosch van 14 maart Op 4 september 2004 hebben [vader slachtoffer] en [moeder slachtoffer] aangifte gedaan van dood door schuld, door verdachte gepleegd jegens hun minderjarige dochter Mariska. Op 14 april 2005 is door de officier van justitie aan de aangevers bericht dat verdachte niet zal worden vervolgd, onder meer omdat hij zich voor het medisch Regionaal Tuchtcollege heeft moeten verantwoorden. Hierop hebben de aangevers op 11 juli 2005 een klaagschrift op grond van artikel 12 Sv ingediend bij het gerechtshof te s-hertogenbosch. In dit klaagschrift hebben de aangevers verzocht de officier van justitie te bevelen dat verdachte zal worden vervolgd primair wegens doodslag en subsidiair wegens dood door schuld, gepleegd in de uitoefening van zijn beroep. Het openbaar ministerie heeft door het sepot de vervolgingsbevoegdheid prijsgegeven. Het behoort dan tot de taak van het gerechtshof te beoordelen ter zake van welke wettelijke strafbaarstelling de vervolging toch had moeten worden ingesteld. De beleidsvrijheid welk strafbaar feit ten laste wordt gelegd, is ingevolge het bepaalde in artikel 12 Sv aan het oordeel van het gerechtshof onderworpen. Uit de Memorie van Toelichting bij artikel 12i Sv volgt dat het gerechtshof niet slechts marginaal, maar in volle omvang de beslissing tot niet-vervolging kan toetsen. Het gerechtshof behoort, indien het daartoe termen aanwezig acht, die beslissing te nemen die naar zijn oordeel aanvankelijk door de officier van justitie genomen had moeten worden. Het gerechtshof heeft bij beschikking van 14 maart 2006 het beklag gegrond verklaard. Hierbij heeft het gerechtshof overwogen dat de uitspraak van het regionaal tuchtcollege geen reden vormt om een vervolging van verdachte niet opportuun te achten. Voorts heeft het gerechtshof overwogen dat uit de uitspraak van het regionaal tuchtcollege weliswaar blijkt dat het college van oordeel is dat verdachte onzorgvuldig heeft gehandeld, maar in de uitspraak wordt niet expliciet gesteld dat en in hoeverre dit onzorgvuldig handelen heeft bijgedragen aan het overlijden van de dochter van de aangevers. Het gerechtshof acht nader onderzoek naar de aanwezigheid van een causaal verband tussen het handelen en nalaten van verdachte en het overlijden van Mariska noodzakelijk. Het gerechtshof heeft termen aanwezig geacht om het beklag gegrond te verklaren en heeft de vervolging van verdachte bevolen ter zake van dood door schuld en dit bevel in een nadere overweging toegelicht. Het gerechtshof heeft daarbij tevens de officier van justitie gelast de vordering te doen ex artikel 181 Sv, in welk kader een onderzoek ten gronde inclusief het causaliteitsvraagstuk - kon plaatsvinden. De rechtbank stelt vast dat het gerechtshof in voornoemde beschikking het strafbare feit heeft geconcretiseerd door de vervolging te bevelen ter zake van dood door schuld. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de bewoording dood door schuld en de overweging dat nader 19

20 onderzoek noodzakelijk is naar de aanwezigheid van een causaal verband tussen het handelen en nalaten van verdachte en het overlijden van Mariska, dat het gerechtshof daarmee enkel de vervolging heeft beoogd van het in artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht vermelde strafbare feit. Het openbaar ministerie is mitsdien alleen gerechtigd om daarvoor te vervolgen. Voor het overige herleeft de prijsgegeven vervolgingsbevoegdheid op grond van het bevel van het gerechtshof niet. Het staat het openbaar ministerie vrij de tenlastelegging te redigeren. Het openbaar ministerie heeft echter niet de vrijheid de tenlastelegging uit te breiden ten opzichte van de door het gerechtshof gegeven opdracht, tenzij na de uitspraak van het gerechtshof nieuwe feiten zijn gebleken. Weliswaar is door het openbaar ministerie aangevoerd dat uit het onderzoek nieuwe feiten naar voren zijn gekomen, maar daarvan is de rechtbank niet gebleken. In het bijzonder gelden de latere getuigenverklaringen en medische rapporten niet als nieuwe feiten, omdat dat beoordelingen en duidingen zijn van reeds bestaande feiten. Wat nu voorligt lag ten tijde van de beoordeling door het gerechtshof ook voor en daaruit heeft het gerechtshof een keuze gemaakt. Ten aanzien van het standpunt van het openbaar ministerie dat het verweer van de verdediging tegen het onder 2 en 3 tenlastegelegde tardief is aangevoerd omdat verdachte geen bezwaar heeft gemaakt tegen de kennisgeving van verdere vervolging, waar de feiten 2 en 3 ook al op stonden, is de rechtbank van oordeel dat dit de verdediging niet kan worden tegengeworpen en dat dit er niet toe leidt dat een eventuele niet-ontvankelijkheid van de baan is. Artikel 250a Sv bepaalt immers dat bezwaar enkel is toegelaten indien nieuwe feiten en omstandigheden bekend zijn geworden. Nu zulks zoals hierboven reeds betoogd niet het geval is, was bezwaar dus niet mogelijk, althans zou het bezwaar niet ontvankelijk zijn verklaard. Bezwaar tegen de dagvaarding was vervolgens ook niet meer mogelijk, gelet op het bepaalde in artikel 262 lid 1 Sv. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het openbaar ministerie niet kan worden ontvangen in de vervolging, voor zover deze betrekking heeft op de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten. [De verdachte wordt vrijgesproken van dood door schuld.] Overige onderwerpen: 183. Rechtbank Roermond 8 december 2010 LJN: BO6461 Fotoconfrontatie. Schending van art. 9 van het besluit toepassingen maatregelen in het belang van het onderzoek. Verdachte niet in zijn belang geschaad. De rechtbank: [Verscheidene overvallen. Diefstal en diefstal met geweld art. 310 en 312 Sr; Afpersing, art. 317 Sr.] Op 6 juni 2008 heeft een fotoconfrontatie plaatsgevonden, waarbij aangever 12 foto s zijn getoond. Bij foto 8 verklaarde aangever; Ik weet voor 99 procent zeker dat hij het is. Blijkens het proces-verbaal bevindingen d.d. 6 juni 2008 zag verbalisant [verbalisant 11] dat in deze fotobewijsconfrontatie foto nummer 8 de foto was van verdachte [ver[verdachte], gemaakt op 24 mei Bij de rechter-commissaris heeft [slachtoffer 3] verklaard : Ik heb bij de politie verklaard dat ik de jongen voor 99% herkende. Ik herkende hem aan zijn gezicht en aan zijn uiterlijk. De foto s waren tot borsthoogte. Als ik zijn hand ook gezien had, dan had ik het helemaal zeker geweten. Ten aanzien van het verweer van de raadsvrouw dat de fotoconfrontatie heeft plaatsgevonden terwijl de toenmalige raadsman daarvan niet op de hoogte is gebracht, overweegt de rechtbank als volgt. Blijkens artikel 9 van het Besluit toepassing maatregelen in het belang onderzoek worden de officier van justitie en de raadsman van de verdachte zo mogelijk in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan de meervoudige confrontatie opmerkingen te maken omtrent de te tonen selectie, zonder dat de confrontatie daardoor mag worden opgehouden. 20

arrest GERECHTSHOF AMSTERDAM Parketnummer: X Datum uitspraak: 20 oktober 2016 TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsman)

arrest GERECHTSHOF AMSTERDAM Parketnummer: X Datum uitspraak: 20 oktober 2016 TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsman) arrest GERECHTSHOF AMSTERDAM Parketnummer: X Datum uitspraak: 20 oktober 2016 TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsman) Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis

Nadere informatie

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 26 augustus 2008 in de strafzaak tegen de verdachte:

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 26 augustus 2008 in de strafzaak tegen de verdachte: Gerechtshof te s-gravenhage meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 26 augustus 2008 in de strafzaak tegen de verdachte: (naam

Nadere informatie

ECLI:NL:RBOVE:2016:1480. Datum uitspraak: Datum publicatie: Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig.

ECLI:NL:RBOVE:2016:1480. Datum uitspraak: Datum publicatie: Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig. ECLI:NL:RBOVE:2016:1480 Instantie: Rechtbank Overijssel Datum uitspraak: 26-04-2016 Datum publicatie: 26-04-2016 Zaaknummer: 08.910038-15 (P) Rechtsgebieden: Strafrecht Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg

Nadere informatie

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. arrest GERECHTSHOF AMSTERDAM parketnummer: X uitspraak: 21 juli 2016 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter

Nadere informatie

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. arrest GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem Afdeling strafrecht Parketnummer: X Uitspraak d.d.: 15 juni 2016 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger

Nadere informatie

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ4692

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ4692 ECLI:NL:GHARL:2013:BZ4692 Instantie Datum uitspraak 19-03-2013 Datum publicatie 19-03-2013 Zaaknummer 21-000368-12 Formele relaties Rechtsgebieden Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGRO:2009:BH3578,

Nadere informatie

Jurisprudentiebulletin

Jurisprudentiebulletin 2010, aflevering 2 Nummers: 11 26 Vordering benadeelde partij: JBS 2010, nr. 11 Hof Arnhem 1 februari 2010 Niet elke aantasting van de persoonlijke integriteit (i.c. van verbalisanten) hoeft te leiden

Nadere informatie

ECLI:NL:RBNNE:2015:389

ECLI:NL:RBNNE:2015:389 ECLI:NL:RBNNE:2015:389 Instantie Datum uitspraak 03-02-2015 Datum publicatie 03-02-2015 Zaaknummer Awb 15/245 Rechtsgebieden Rechtbank Noord-Nederland Bestuursrecht Bijzondere kenmerken Voorlopige voorziening

Nadere informatie

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ECLI:NL:GHDHA:2015:80 Uitspraak Rolnummer: 22-002584-14 Parketnummers: 10-750263-13, 22-003524-12 (TUL) en 22-004272-11 (TUL) Datum uitspraak: 27 januari 2015 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige

Nadere informatie

ECLI:NL:HR:2010:BO2558

ECLI:NL:HR:2010:BO2558 ECLI:NL:HR:2010:BO2558 Instantie Hoge Raad Datum uitspraak 02-11-2010 Datum publicatie 03-11-2010 Zaaknummer 09/00354 Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BO2558

Nadere informatie

ECLI:NL:RBNHO:2015:1805

ECLI:NL:RBNHO:2015:1805 ECLI:NL:RBNHO:2015:1805 Uitspraak Vonnis RECHTBANK NOORD-HOLLAND, LOCATIE HAARLEM Strafrecht Datum uitspraak : 10 maart 2015 Parketnummer: 15/840083-08 (ontneming) Vonnis ex artikel 36e van het Wetboek

Nadere informatie

Uitspraak. parketnummer: datum uitspraak: 29 november 2016 TEGENSPRAAK

Uitspraak. parketnummer: datum uitspraak: 29 november 2016 TEGENSPRAAK ECLI:NL:GHAMS:2016:5286 Instantie Gerechtshof Amsterdam Datum uitspraak 29-11-2016 Datum publicatie 13-12-2016 Zaaknummer 23-000227-16 Rechtsgebieden Strafrecht Bijzondere kenmerken Hoger beroep Inhoudsindicatie

Nadere informatie

ECLI:NL:GHAMS:2014:3775

ECLI:NL:GHAMS:2014:3775 ECLI:NL:GHAMS:2014:3775 Instantie Gerechtshof Amsterdam Datum uitspraak 01-07-2014 Datum publicatie 05-12-2014 Zaaknummer 23-004323-13 Rechtsgebieden Strafrecht Bijzondere kenmerken Hoger beroep Inhoudsindicatie

Nadere informatie

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Hof Amsterdam 19 januari 2011, nr. 23-001234-09 VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF AMSTERDAM gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 16 december 2008 in de

Nadere informatie

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ARNHEM MEERVOUDIGE KAMER VOOR KINDERSTRAFZAKEN V E R K O R T - V O N N I S

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ARNHEM MEERVOUDIGE KAMER VOOR KINDERSTRAFZAKEN V E R K O R T - V O N N I S ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ARNHEM MEERVOUDIGE KAMER VOOR KINDERSTRAFZAKEN V E R K O R T - V O N N I S In de zaak van: de officier van justitie in het arrondissement Arnhem tegen: verdachte 1 Raadsman:

Nadere informatie

ECLI:NL:RBAMS:2017:2714

ECLI:NL:RBAMS:2017:2714 ECLI:NL:RBAMS:2017:2714 Instantie Rechtbank Amsterdam Datum uitspraak 25-04-2017 Datum publicatie 01-05-2017 Zaaknummer RK 16/7321 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Strafrecht Rekestprocedure

Nadere informatie

ECLI:NL:GHSHE:2017:978

ECLI:NL:GHSHE:2017:978 ECLI:NL:GHSHE:2017:978 Instantie Datum uitspraak 17-02-2017 Datum publicatie 10-03-2017 Gerechtshof 's-hertogenbosch Zaaknummer 20-003836-13 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Strafrecht

Nadere informatie

Zoekresultaat - inzien document. ECLI:NL:RBOBR:2015:5776 Permanente link: Uitspraak. Rechtbank Oost-Brabant

Zoekresultaat - inzien document. ECLI:NL:RBOBR:2015:5776 Permanente link: Uitspraak. Rechtbank Oost-Brabant Zoekresultaat - inzien document ECLI:NL:RBOBR:2015:5776 Permanente link: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ec Instantie Datum uitspraak 07-10-2015 Datum publicatie 07-10-2015 Rechtbank Oost-Brabant

Nadere informatie

Strafprocesrecht Bijzondere kenmerken: Hoger beroep Wetsverwijzingen: Wetboek van Strafrecht 197a, geldigheid: 2014-05-11

Strafprocesrecht Bijzondere kenmerken: Hoger beroep Wetsverwijzingen: Wetboek van Strafrecht 197a, geldigheid: 2014-05-11 ECLI:NL:GHSHE:2015:3566 Instantie: Gerechtshof 's-hertogenbosch Datum uitspraak: 16-09-2015 Datum publicatie: 17-09-2015 Zaaknummer: 20-002514-14 Rechtsgebieden: Materieel strafrecht Strafprocesrecht Bijzondere

Nadere informatie

De positie van het slachtoffer in het strafproces. 3.2. De benadeelde. 3.3. Nabestaanden. 3.4. Splitsing van de vordering door de benadeelde

De positie van het slachtoffer in het strafproces. 3.2. De benadeelde. 3.3. Nabestaanden. 3.4. Splitsing van de vordering door de benadeelde 3. Schadevergoeding (voegen) 3.2. De benadeelde Degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, kan zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2014 2015 34 257 Wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht teneinde de vergoeding van affectieschade

Nadere informatie

Rapport. Datum: 7 juli 2005 Rapportnummer: 2005/190

Rapport. Datum: 7 juli 2005 Rapportnummer: 2005/190 Rapport Datum: 7 juli 2005 Rapportnummer: 2005/190 2 Klacht Verzoekers klagen erover dat het regionale politiekorps Utrecht hun verzoek om vergoeding van de schade als gevolg van een politieonderzoek in

Nadere informatie

ECLI:NL:GHAMS:2017:1213

ECLI:NL:GHAMS:2017:1213 ECLI:NL:GHAMS:2017:1213 Instantie Gerechtshof Amsterdam Datum uitspraak 28-03-2017 Datum publicatie 10-04-2017 Zaaknummer 23-000918-16 Rechtsgebieden Strafrecht Bijzondere kenmerken Hoger beroep Inhoudsindicatie

Nadere informatie

Rapport. Datum: 15 december 2008 Rapportnummer: 2008/297

Rapport. Datum: 15 december 2008 Rapportnummer: 2008/297 Rapport Datum: 15 december 2008 Rapportnummer: 2008/297 2 Klacht Verzoeker is op 8 november 2006 door de politie aangehouden wegens stalking van zijn ex-echtgenote. In dit verband klaagt verzoeker erover

Nadere informatie

ECLI:NL:RBMAA:2011:BP5002

ECLI:NL:RBMAA:2011:BP5002 ECLI:NL:RBMAA:2011:BP5002 Instantie Rechtbank Maastricht Datum uitspraak 16-02-2011 Datum publicatie 17-02-2011 Zaaknummer 03-702714-08 Rechtsgebieden Strafrecht Bijzondere kenmerken Eerste aanleg - meervoudig

Nadere informatie

Voegen in het strafproces

Voegen in het strafproces Voegen in het strafproces Voegen in het strafproces april 2011 U bent slachtoffer geworden van een misdrijf of overtreding en u heeft daarbij schade geleden. Eén van de mogelijkheden om uw schade vergoed

Nadere informatie

JURISPRUDENTIE STRAFRECHT. Uitspraken 10 februari 2015 Paul Verloop

JURISPRUDENTIE STRAFRECHT. Uitspraken 10 februari 2015 Paul Verloop JURISPRUDENTIE STRAFRECHT Uitspraken 10 februari 2015 Paul Verloop HR uitspraken 10 februari 2015 Beslissingen voorlopige hechtenis (Cassatie in het belang der wet) HR:2015:247 HR:2015:255 HR:2015:256

Nadere informatie

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 26 maart 2013 in de zaak tegen: thans gedetineerd in de.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 26 maart 2013 in de zaak tegen: thans gedetineerd in de. vonnis RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf Locatie Schiphol Meervoudige strafkamer Parketnummer: Uitspraakdatum: 8 april 2013 Tegenspraak Strafvonnis Dit vonnis is gewezen naar

Nadere informatie

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ2356

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ2356 ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ2356 Instantie Gerechtshof Leeuwarden Datum uitspraak 22-04-2011 Datum publicatie 27-04-2011 Zaaknummer 24-000037-11 Formele relaties Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:2010:BO9043, Meerdere

Nadere informatie

Rapport. Rapport over een klacht over het College van procureurs-generaal te Den Haag. Datum: 25 februari 2014. Rapportnummer: 2014/010

Rapport. Rapport over een klacht over het College van procureurs-generaal te Den Haag. Datum: 25 februari 2014. Rapportnummer: 2014/010 Rapport Rapport over een klacht over het College van procureurs-generaal te Den Haag. Datum: 25 februari 2014 Rapportnummer: 2014/010 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat het College van procureurs-generaal

Nadere informatie

Jurisprudentiebulletin

Jurisprudentiebulletin Inhoud/verkorte weergave: Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel: 2011, aflevering 5 Nummers: 96 123 JBS 2011, nr. 96 Hof s-hertogenbosch 2 mei 2011 1. Gedeeltelijke toewijzing smartengeld:

Nadere informatie

Beoordeling. h2>klacht

Beoordeling. h2>klacht Rapport 2 h2>klacht Verzoekster klaagt erover dat een ambtenaar van het regionale politiekorps Limburg-Noord op 14 juli 2008 heeft geweigerd de aangifte van diefstal van haar kat op te nemen. Beoordeling

Nadere informatie

Uitspraak. Parketnummer: Datum uitspraak: 17 november 2016 VERSTEK

Uitspraak. Parketnummer: Datum uitspraak: 17 november 2016 VERSTEK ECLI:NL:GHAMS:2016:5593 Instantie Gerechtshof Amsterdam Datum uitspraak 17-11-2016 Datum publicatie 29-12-2016 Zaaknummer 23-001668-16 Rechtsgebieden Strafrecht Bijzondere kenmerken Hoger beroep Inhoudsindicatie

Nadere informatie

Aanbevelingen behandeling civiele schadevordering in het strafproces (wet Terwee)

Aanbevelingen behandeling civiele schadevordering in het strafproces (wet Terwee) Aanbevelingen behandeling civiele schadevordering in het strafproces (wet Terwee) Verantwoording... 1 Geen voegingsformulier... 1... 2 Afwijzen of niet ontvankelijk verklaren... 2... 2 Civiele vordering

Nadere informatie

http://zoeken.rechtspraak.nl/resultpage.aspx

http://zoeken.rechtspraak.nl/resultpage.aspx LJN: BK6789, Gerechtshof 's-gravenhage, 22-000700-08 Datum uitspraak: Datum publicatie: Rechtsgebied: 16-12-2009 16-12-2009 Straf Soort procedure: Hoger beroep Inhoudsindicatie: Computercriminaliteit.

Nadere informatie

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE HASSELT VAN 15 DECEMBER 2015

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE HASSELT VAN 15 DECEMBER 2015 RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE HASSELT VAN 15 DECEMBER 2015 INZAKE HET OPENBAAR MINISTERIE BURGERLIJKE PARTIJEN Vlaamse Vervoersmaatschappij ( ) openbare instelling onder de vorm van een NV, met ondernemingsnummer

Nadere informatie

Beslissing van de wrakingskamer van de raad van discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 21 februari 2017

Beslissing van de wrakingskamer van de raad van discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 21 februari 2017 Beslissing van de wrakingskamer van de raad van discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 21 februari 2017 in de zaak 17-051 naar aanleiding van het wrakingsverzoek van: [ ] verzoekers tegen mr.

Nadere informatie

ECLI:NL:GHARL:2013:10366 GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

ECLI:NL:GHARL:2013:10366 GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN ECLI:NL:GHARL:2013:10366 GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Zwolle afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.128.246 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, 137888) beschikking

Nadere informatie

Aanwijzing. Slachtofferzorg. Parket Curaçao

Aanwijzing. Slachtofferzorg. Parket Curaçao Aanwijzing Slachtofferzorg Parket Curaçao Samenvatting Deze aanwijzing stelt regels betreffende de bejegening van slachtoffers van misdrijven, zoals zeden, geweld- en verkeersmisdrijven. Daarbij worden

Nadere informatie

MEINDERT OOSTERHOF, in zijn hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder, kantoorhoudende te Drachten,

MEINDERT OOSTERHOF, in zijn hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder, kantoorhoudende te Drachten, Vonnis RECHTBANK LEEUWARDEN Sector kanton Locatie Heerenveen zaak-/rolnummer: 371218 CV EXPL i 1-5231 vonnis van de kantonrechter d.d. 14 maart 2012 inzake X wonende te eiser. procederende met toevoeging.

Nadere informatie

Jurisprudentiebulletin

Jurisprudentiebulletin 2011, aflevering 3 Nummers: 42 70 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel: JBS 2011, nr. 42 Rb. Roermond 2 maart 2011 Schadevergoeding voor ad informandum gevoegde feiten van vóór 1-1-2011

Nadere informatie

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ4699

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ4699 ECLI:NL:GHARL:2013:BZ4699 Instantie Datum uitspraak 19-03-2013 Datum publicatie 19-03-2013 Zaaknummer 21-000669-12 Formele relaties Rechtsgebieden Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGRO:2009:BH3578,

Nadere informatie

Samenvatting strafzaken die in 2008 zijn aangemeld bij/afgedaan door de Toegangscommissie

Samenvatting strafzaken die in 2008 zijn aangemeld bij/afgedaan door de Toegangscommissie Samenvatting strafzaken die in 2008 zijn aangemeld bij/afgedaan door de Toegangscommissie Van onderstaande zaken zijn nummer 0038 t/m 0052 in 2008 onder de aandacht gebracht. Zaak 0031 is zowel in 2006,

Nadere informatie

ECLI:NL:GHARL:2015:2577

ECLI:NL:GHARL:2015:2577 ECLI:NL:GHARL:2015:2577 Uitspraak Arrest GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN Strafrecht Parketnummer: 21-008157-13 Datum uitspraak: 9 april 2015 Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen

Nadere informatie

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKEL 475 Jo 460 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKEL 475 Jo 460 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKEL 475 Jo 460 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING Gelezen het namens [klager] ingediend verzoekschrift, welke ertoe strekt dat het Hof

Nadere informatie

ECLI:NL:RBAMS:2016:9239

ECLI:NL:RBAMS:2016:9239 ECLI:NL:RBAMS:2016:9239 Instantie Rechtbank Amsterdam Datum uitspraak 08-11-2016 Datum publicatie 23-01-2017 Zaaknummer 16/4106 Rechtsgebieden Strafrecht Bijzondere kenmerken Rekestprocedure Inhoudsindicatie

Nadere informatie

ECLI:NL:GHSHE:2011:BV0705

ECLI:NL:GHSHE:2011:BV0705 ECLI:NL:GHSHE:2011:BV0705 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ecli:nl:ghshe:2011:bv0705 Instantie Gerechtshof 's-hertogenbosch Datum uitspraak 09-09-2011 Datum publicatie 11-01-2012 Zaaknummer

Nadere informatie

de naamloze vennootschap ABN AMRO Bank N.V., gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen Aangeslotene.

de naamloze vennootschap ABN AMRO Bank N.V., gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen Aangeslotene. Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2014-205 d.d. 19 mei 2014 (mr. C.E. du Perron, voorzitter, drs. L.B. Lauwaars RA en R.H.G. Mijné, leden en mr. I.M.M. Vermeer, secretaris) Samenvatting

Nadere informatie

Honderbezitter aansprakelijk voor schade aangericht door hond aan hondenuitlaatster

Honderbezitter aansprakelijk voor schade aangericht door hond aan hondenuitlaatster Honderbezitter aansprakelijk voor schade aangericht door hond aan hondenuitlaatster LJN: BW9368, Rechtbank Amsterdam, 6 juni 2012 2. De feiten 2.1. [A] en [B] wonen tegenover elkaar in [plaats]. [C] woont

Nadere informatie

ECLI:NL:GHSGR:2012:BW0948

ECLI:NL:GHSGR:2012:BW0948 ECLI:NL:GHSGR:2012:BW0948 Instantie Datum uitspraak 28-03-2012 Datum publicatie 05-04-2012 Gerechtshof 's-gravenhage Zaaknummer 22-000528-11 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Strafrecht

Nadere informatie

ECLI:NL:RBGEL:2013:4039

ECLI:NL:RBGEL:2013:4039 ECLI:NL:RBGEL:2013:4039 Uitspraak RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Zutphen Meervoudige kamer Parketnummer: [jw.sys.1.verdachte_1_parketnummer]05/860948-13 Uitspraak d.d. 22 oktober 2013

Nadere informatie

Hof: medisch advies behoeft niet te worden overgelegd

Hof: medisch advies behoeft niet te worden overgelegd pagina 1 van 5 (http://stichtingpiv.nl/) Inloggen PIV-Kennisnet(http://stichtingpiv.nl/inloggen) JURISPRUDENTIE Bron: Hof Amsterdam 3 februari 2016 Publicatie nummer: (nog) niet gepubliceerd Zaaknummer:

Nadere informatie

ECLI:NL:RBOVE:2013:320

ECLI:NL:RBOVE:2013:320 ECLI:NL:RBOVE:2013:320 Instantie Rechtbank Overijssel Datum uitspraak 22-04-2013 Datum publicatie 11-07-2014 Zaaknummer 07-681022-12 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Strafrecht Eerste

Nadere informatie

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 oktober 2015.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 oktober 2015. ECLI:NL:RBROT:2015:7773 Instantie: Rechtbank Rotterdam Datum uitspraak: 29-10-2015 Datum publicatie: 02-11-2015 Zaaknummer: 11/870399-12.ov Rechtsgebieden: Strafrecht Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg

Nadere informatie

Jurisprudentiebulletin

Jurisprudentiebulletin 2011, aflevering 8 Nummers: 172 198 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel: JBS 2011, nr. 172 Rb. Alkmaar 4 augustus 2011 LJN: BR6175 Vordering benadeelde partij voor kosten rechtsbijstand

Nadere informatie

Jurisprudentiebulletin

Jurisprudentiebulletin 2017 Week 1 Nummers: 1-8 Colofon In het Jurisprudentiebulletin van (JBS) wordt jurisprudentie verzameld die van belang kan zijn voor de juridische dienstverlening aan slachtoffers. De uitspraken worden

Nadere informatie

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN S T R A F V O N N I S

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN S T R A F V O N N I S GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN S T R A F V O N N I S in de zaak tegen de verdachte: ARWM, geboren te curaçao, wonende te Sint Maarten. 1. Onderzoek van de zaak Het onderzoek ter openbare terechtzitting

Nadere informatie

klager, bijgestaan door mr A.G. van der Plas, advocaat te Amsterdam,

klager, bijgestaan door mr A.G. van der Plas, advocaat te Amsterdam, beschikking GERECHTSHOF s-hertogenbosch K13/0496 Beschikking inzake o ~B domicilie kiezende ten kantore van zijn gernachtigde, klager, bijgestaan door mr A.G. van der Plas, advocaat te Amsterdam, tegen

Nadere informatie

CLI:NL:RBMNE:2014:6501

CLI:NL:RBMNE:2014:6501 CLI:NL:RBMNE:2014:6501 Instantie: Rechtbank Midden-Nederland Datum uitspraak: 09-12-2014 Datum publicatie: 09-12-2014 Zaaknummer: 16/711877-11 (ontneming) Rechtsgebieden: Strafrecht Bijzondere kenmerken:

Nadere informatie

ECLI:NL:GHSGR:2000:AD9850

ECLI:NL:GHSGR:2000:AD9850 ECLI:NL:GHSGR:2000:AD9850 Instantie Datum uitspraak 06-10-2000 Datum publicatie 11-10-2004 Zaaknummer 0975730199 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Gerechtshof 's-gravenhage Strafrecht

Nadere informatie

LJN: BM6944, Gerechtshof Leeuwarden, 24-000403-09 Print uitspraak

LJN: BM6944, Gerechtshof Leeuwarden, 24-000403-09 Print uitspraak Het LJN nummer is belangrijk om terug te zoeken voor derden. +++++ LJN: BM6944, Gerechtshof Leeuwarden, 24-000403-09 Print uitspraak Datum uitspraak: 04-06-2010 Datum publicatie: 07-06-2010 Rechtsgebied:

Nadere informatie

Jurisprudentiebulletin

Jurisprudentiebulletin 2011, aflevering 4 Nummers: 71 95 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel: JBS 2011, nr. 71 Rb. s-gravenhage 4 april 2011 Doodslag. (Gedeeltelijke) vergoeding: kosten lijkbezorging, kosten

Nadere informatie

Jurisprudentiebulletin

Jurisprudentiebulletin 2010, aflevering 6 Nummers: 69 87 Vordering benadeelde partij: JBS 2010, nr. 69 Hoge Raad 1 juni 2010 De politierechter heeft geen beslissing genomen op de vordering van de benadeelde partij. Het hof had

Nadere informatie

Besch ikking van het gerechtshof 's-hertogenbosch van 12 februari 2013 inzake het beklag ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering van:

Besch ikking van het gerechtshof 's-hertogenbosch van 12 februari 2013 inzake het beklag ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering van: beschikking GERECHTSHOF 's-hertogenbosch Afdeling strafrecht Klachtnummer: K 11 /0505 Besch ikking van het gerechtshof 's-hertogenbosch van 12 februari 2013 inzake het beklag ex artikel 12 van het Wetboek

Nadere informatie

ECLI:NL:RBROT:2008:BD2506

ECLI:NL:RBROT:2008:BD2506 ECLI:NL:RBROT:2008:BD2506 Instantie Rechtbank Rotterdam Datum uitspraak 22 05 2008 Datum publicatie 27 05 2008 Zaaknummer 10/701134 07 Rechtsgebieden Strafrecht Bijzondere kenmerkeneerste aanleg meervoudig

Nadere informatie

ECLI:NL:RBZUT:2012:BV2125

ECLI:NL:RBZUT:2012:BV2125 ECLI:NL:RBZUT:2012:BV2125 Instantie Rechtbank Zutphen Datum uitspraak 24-01-2012 Datum publicatie 27-01-2012 Zaaknummer 06/850686-11 Rechtsgebieden Strafrecht Bijzondere kenmerken Eerste aanleg - meervoudig

Nadere informatie

Jurisprudentiebulletin

Jurisprudentiebulletin 2010, aflevering 9 Nummers: 115 128 Vordering benadeelde partij: JBS 2010, nr. 115 Rb. Utrecht 6 september 2010 Rechtstreekse schade. Causaliteitsverweer met betrekking tot het letsel wordt door de rechtbank

Nadere informatie

ECLI:NL:RBAMS:2015:10201

ECLI:NL:RBAMS:2015:10201 ECLI:NL:RBAMS:2015:10201 Instantie Rechtbank Amsterdam Datum uitspraak 28-07-2015 Datum publicatie 24-02-2017 Zaaknummer 13/684116-15 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Strafrecht Eerste

Nadere informatie

vonnis van de Meervoudige kamer d.d. 24 november 2009 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

vonnis van de Meervoudige kamer d.d. 24 november 2009 in de zaak van het openbaar ministerie tegen: Rechtbank Assen Budget Webhosting DomJur 2011-761 Rechtbank Assen Parketnummer: 19.606217-07 Datum: 24 november 2009 vonnis van de Meervoudige kamer d.d. 24 november 2009 in de zaak van het openbaar ministerie

Nadere informatie

Rapport. Rapport betreffende een klacht over het regionale politiekorps Amsterdam-Amstelland. Datum: 12 mei 2011. Rapportnummer: 2011/143

Rapport. Rapport betreffende een klacht over het regionale politiekorps Amsterdam-Amstelland. Datum: 12 mei 2011. Rapportnummer: 2011/143 Rapport Rapport betreffende een klacht over het regionale politiekorps Amsterdam-Amstelland. Datum: 12 mei 2011 Rapportnummer: 2011/143 2 Klacht Op 10 juli 2010 hebben politieambtenaren van het regionale

Nadere informatie

Landelijk Register van Gerechtelijke Deskundigen, LRGD. Raad voor de Tuchtrechtspraak U I T S P R A A K

Landelijk Register van Gerechtelijke Deskundigen, LRGD. Raad voor de Tuchtrechtspraak U I T S P R A A K Landelijk Register van Gerechtelijke Deskundigen, LRGD Raad voor de Tuchtrechtspraak U I T S P R A A K Inzake de klacht van [Klaagster BV], gevestigd te [gemeente] aan de [adres], hierna te noemen klaagster,

Nadere informatie

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Eerste Kamer der Staten-Generaal Eerste Kamer der Staten-Generaal 1 Vergaderjaar 2011 2012 32 853 Wijziging van de regeling van de bevrijdende verjaring in het Burgerlijk Wetboek in geval van schade veroorzaakt door strafbare feiten C

Nadere informatie

Rapport. Rapport over een klacht over de (hoofd)officier van justitie te Den Haag en de griffie van de rechtbank Den Haag. Datum: 12 december 2012

Rapport. Rapport over een klacht over de (hoofd)officier van justitie te Den Haag en de griffie van de rechtbank Den Haag. Datum: 12 december 2012 Rapport Rapport over een klacht over de (hoofd)officier van justitie te Den Haag en de griffie van de rechtbank Den Haag. Datum: 12 december 2012 Rapportnummer: 2012/197 2 Klacht Verzoeker is in 2005 het

Nadere informatie

Jurisprudentiebulletin

Jurisprudentiebulletin 2011, aflevering 9 Nummers: 190 208 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel: JBS 2011, nr. 190 Rb. Zutphen 2 september 2011 LJN: BR6640 Nu er reeds een voorschot is toegekend door de

Nadere informatie

Een onderzoek naar een onduidelijke intrekkingsbrief van het Openbaar Ministerie.

Een onderzoek naar een onduidelijke intrekkingsbrief van het Openbaar Ministerie. Rapport Ingetrokken of niet? Een onderzoek naar een onduidelijke intrekkingsbrief van het Openbaar Ministerie. Oordeel Op basis van het onderzoek vindt de klacht over het Openbaar Ministerie te Rotterdam,

Nadere informatie

Nu premies AOV zijn afgetrokken vormen uitkeringen belastbare periodieke uitkeringen uit inkomensvoorziening (art. 3.100, lid 1, ond.

Nu premies AOV zijn afgetrokken vormen uitkeringen belastbare periodieke uitkeringen uit inkomensvoorziening (art. 3.100, lid 1, ond. Nu premies AOV zijn afgetrokken vormen uitkeringen belastbare periodieke uitkeringen uit inkomensvoorziening (art. 3.100, lid 1, ond. b) LJN: BX8102, Gerechtshof 's-gravenhage, BK-10/00754 en 10/00233

Nadere informatie

ECLI:NL:HR:2013:1157. 1 Geding in cassatie. 2 Beoordeling van het eerste middel. 3 Beoordeling van het derde middel. Uitspraak.

ECLI:NL:HR:2013:1157. 1 Geding in cassatie. 2 Beoordeling van het eerste middel. 3 Beoordeling van het derde middel. Uitspraak. ECLI:NL:HR:2013:1157 Uitspraak 12 november 2013 Strafkamer nr. 11/04366 P Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam

Nadere informatie

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR4575

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR4575 ECLI:NL:GHSGR:2011:BR4575 Instantie Gerechtshof 's-gravenhage Datum uitspraak 09-08-2011 Datum publicatie 10-08-2011 Zaaknummer 22-000623-11 Rechtsgebieden Strafrecht Bijzondere kenmerken Hoger beroep

Nadere informatie

1.2. Het Gerechtshof heeft nagelaten te onderzoeken hoe de Belgische autoriteiten de beschikking hebben gekregen over de deze microfiches.

1.2. Het Gerechtshof heeft nagelaten te onderzoeken hoe de Belgische autoriteiten de beschikking hebben gekregen over de deze microfiches. MIDDEL 1 Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlands recht, waaronder mede begrepen schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming

Nadere informatie

Jurisprudentiebulletin

Jurisprudentiebulletin 2011, aflevering 12 Nummers: 246 262 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel: JBS 2011, nr. 246 Rb. Breda 1 december 2011 LJN: BU6753 Kosten rechtsbijstand, overeenkomstig het in civiele

Nadere informatie

Jurisprudentiebulletin

Jurisprudentiebulletin 2011, aflevering 10 Nummers: 209 226 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel: JBS 2011, nr. 209 Rb. Alkmaar 4 oktober 2011 LJN: BT6555 Alleen in verband met het belang van de benadeelde

Nadere informatie

Jurisprudentiebulletin

Jurisprudentiebulletin 2012, aflevering 3 (Jurisprudentie Hoge Raad, tweede helft van 2012) Nummers: 47 57 Inhoudsopgave: JBS 2012, nr. 47 HR 11 september 2012 LJN: BX4442 Kosten rechtsbijstand. Door een bp. gemaakte kosten

Nadere informatie

Jurisprudentiebulletin

Jurisprudentiebulletin 2010, aflevering 10 Nummers: 129 148 Vordering benadeelde partij: JBS 2010, nr. 129 Rb. Amsterdam 20 augustus 2010 Verzoek tot oplegging schadevergoedingsmaatregel na civiel vonnis van de kantonrechter.

Nadere informatie

- het op 4 juni 2014 ingekomen klaagschrift van [klager] ( klager ), inclusief 5 producties;

- het op 4 juni 2014 ingekomen klaagschrift van [klager] ( klager ), inclusief 5 producties; RAAD VAN TUCHT VERENIGING VAN REGISTERCONTROLLERS Datum uitspraak: 4 november 2014 Zaaknummer: RvT VRC 2014-02 de heer [klager], wonende te [woonplaats 1] gemachtigde: de heer mr. R.M. Braat K L A G E

Nadere informatie

Oefening 3.14 C bij Met recht begrepen!

Oefening 3.14 C bij Met recht begrepen! 3.14 juridische kern C Lees het onderstaande vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Arnhem zittinghoudende te Utrecht van 8 mei 2012 1 over een ontuchtzaak en beantwoord de bijbehorende vragen.

Nadere informatie

Rapport. Datum: 12 oktober 1998 Rapportnummer: 1998/445

Rapport. Datum: 12 oktober 1998 Rapportnummer: 1998/445 Rapport Datum: 12 oktober 1998 Rapportnummer: 1998/445 2 Klacht Op 5 december 1997 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer H. te Arnhem, ingediend door de heer F. te Doorwerth, met

Nadere informatie

Slachtofferhulp. concept wetsvoorstel betreffende hétieggen van conservatoir beslag door de staat voor slachtoffers van misdrijven.

Slachtofferhulp. concept wetsvoorstel betreffende hétieggen van conservatoir beslag door de staat voor slachtoffers van misdrijven. ~,tl~ 3 / Nootailfafiltoor 7: ~.,1 e d 1ff 0 Postbus 14208 3508 SH Utrecht Pallas Athertedreef 27 3561 PE Utrecht 03023401 16 F 030 231 76 55 info@s~achtofferhuip.fli w www.s}achtofferhulp.ni / Ministerie

Nadere informatie

Rapport. Datum: 29 augustus 2000 Rapportnummer: 2000/287

Rapport. Datum: 29 augustus 2000 Rapportnummer: 2000/287 Rapport Datum: 29 augustus 2000 Rapportnummer: 2000/287 2 Klacht Op 4 augustus 1999 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mevrouw P. te Almere, ingediend door mevrouw mr. J.A. Neslo, advocaat

Nadere informatie

ECLI:NL:GHDHA:2015:2221 Instantie Gerechtshof Den Haag Datum uitspraak 18-08-2015 Datum publicatie 18-08-2015 Zaaknummer 22-002511-14 Rechtsgebieden Strafrecht Bijzondere kenmerkenhoger beroep Inhoudsindicatie

Nadere informatie

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba BESLISSING

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba BESLISSING GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba BESLISSING gegeven naar aanleiding van diverse verzoeken van de verdediging in de strafzaak in

Nadere informatie

ECLI:NL:GHARL:2015:2905

ECLI:NL:GHARL:2015:2905 ECLI:NL:GHARL:2015:2905 Instantie Datum uitspraak 22 04 2015 Datum publicatie 22 04 2015 Zaaknummer 21 004181 13 Rechtsgebieden Gerechtshof Arnhem Leeuwarden Strafrecht Bijzondere kenmerkenhoger beroep

Nadere informatie

ECLI:NL:RBROT:2014:2715

ECLI:NL:RBROT:2014:2715 ECLI:NL:RBROT:2014:2715 Uitspraak Rechtbank Rotterdam Datum uitspraak: 09-04-2014 Datum publicatie: 09-04-2014 Zaaknummer: 10/750175-11 Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken,

Nadere informatie

ECLI:NL:RBGEL:2016:2558

ECLI:NL:RBGEL:2016:2558 ECLI:NL:RBGEL:2016:2558 Instantie Rechtbank Gelderland Datum uitspraak 12-05-2016 Datum publicatie 19-05-2016 Zaaknummer AWB - 15 _ 7447 Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie

Nadere informatie

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE. Het College heeft het volgende overwogen en beslist over de op 7 juni 2011 binnengekomen

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE. Het College heeft het volgende overwogen en beslist over de op 7 juni 2011 binnengekomen G2010/51 REGIONAAL TUCHTCOLLEGE Beslissing in de zaak onder nummer van: G2010/51 Rep.nr. G 2010/51 6 december 2011 Def. 159 REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE GRONINGEN Het College heeft

Nadere informatie

LJN: BO9568, Rechtbank Arnhem, 05/800293-10 Print uitspraak

LJN: BO9568, Rechtbank Arnhem, 05/800293-10 Print uitspraak LJN: BO9568, Rechtbank Arnhem, 05/800293-10 Print uitspraak Datum uitspraak: 03-01-2011 Datum publicatie: 03-01-2011 Rechtsgebied: Straf Soort procedure: Eerste aanleg - meervoudig Inhoudsindicatie: De

Nadere informatie

Hof 's-gravenhage, 19 september 2006; shockschade of affectieschade? Op grond van de billijkheid volledige schade vergoeden.

Hof 's-gravenhage, 19 september 2006; shockschade of affectieschade? Op grond van de billijkheid volledige schade vergoeden. Hof 's-gravenhage, 19 september 2006; shockschade of affectieschade? Op grond van de billijkheid volledige schade vergoeden. Vrouw vijf maanden zwanger, wacht samen met echtgenoot bij oversteekplaats op

Nadere informatie

Rapport. Datum: 27 september 2006 Rapportnummer: 2006/333

Rapport. Datum: 27 september 2006 Rapportnummer: 2006/333 Rapport Datum: 27 september 2006 Rapportnummer: 2006/333 2 Klacht Verzoeker, slachtoffer van mishandeling, klaagt erover dat de juridisch medewerker van het regionale politiekorps Twente verzoeker bij

Nadere informatie

ECLI:NL:RBROT:2017:3565

ECLI:NL:RBROT:2017:3565 ECLI:NL:RBROT:2017:3565 Instantie Rechtbank Rotterdam Datum uitspraak 19-04-2017 Datum publicatie 10-05-2017 Zaaknummer C/10/507047 / HA ZA 16-758 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Civiel

Nadere informatie

ECLI:NL:GHARN:2007:BA6257

ECLI:NL:GHARN:2007:BA6257 ECLI:NL:GHARN:2007:BA6257 Instantie Gerechtshof Arnhem Datum uitspraak 17 04 2007 Datum publicatie 06 06 2007 Zaaknummer 24 002413 06 Rechtsgebieden Strafrecht Bijzondere kenmerkenhoger beroep Inhoudsindicatie

Nadere informatie

Rapport. Datum: 14 juli 2005 Rapportnummer: 2005/197

Rapport. Datum: 14 juli 2005 Rapportnummer: 2005/197 Rapport Datum: 14 juli 2005 Rapportnummer: 2005/197 2 Klacht Verzoekers klagen erover dat het arrondissementsparket Haarlem en het ressortsparket Amsterdam onvoldoende voortvarend hebben gehandeld bij

Nadere informatie