RCR 2013/14: Proportionele aansprakelijkheid. Is er na toepassing van proportionele aansprakelijkheid nog ruimte voor een correctie op grond van bi...

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "RCR 2013/14: Proportionele aansprakelijkheid. Is er na toepassing van proportionele aansprakelijkheid nog ruimte voor een correctie op grond van bi..."

Transcriptie

1 RCR 2013/14: Proportionele aansprakelijkheid. Is er na toepassing van proportionele aansprakelijkheid nog ruimte voor een correctie op grond van bi... Instantie: Hoge Raad (Civiele kamer) Datum: 14 december 2012 Magistraten: Mrs. E.J. Numann, A.M.J. van Buchem- Spapens, J.C. van Oven, C.A. Streefkerk, C.E. Drion Zaaknr: 11/02838 Conclusie: A-G mr. A. Hammerstein LJN: BX8349 Noot: - Roepnaam: - Brondocumenten: ECLI:NL:HR:2012:BX8349, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), ; ECLI:NL:PHR:2012:BX8349, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), ; Beroepschrift, Hoge Raad, Wetingang: BW art. 6:99, 101 Brondocument: HR, , nr 11/02838 Essentie Naar boven Proportionele aansprakelijkheid. Billijkheidscorrectie. Terughoudendheid rechter. Is er na toepassing van proportionele aansprakelijkheid nog ruimte voor een correctie op grond van billijkheidsargumenten? Samenvatting Naar boven Een 30-weken zwangere vrouw is als passagier op de rechter voorstoel van een Alfa Romeo aangereden door een BMW (verzekerd bij Nationale Nederlanden) die onterecht geen voorrang verleende. Een aantal maanden na de geboorte is er bij het kind een hersenbeschadiging opgetreden. Partijen verschillen van mening over de vraag of deze hersenbeschadiging het gevolg is van het verkeersongeval, of van ademhalingsproblemen die kort na de geboorte bij het kind ontstonden. De rechtbank achtte (op basis van deskundigenrapporten) beide oorzaken (of een combinatie daarvan) mogelijk. Derhalve koos de rechtbank voor toepassing van proportionele aansprakelijkheid, en verklaarde voor recht dat de hersenbeschadiging voor 50% moet worden beschouwd als het gevolg van het verkeersongeval. Mitsdien wordt Nationale Nederlanden veroordeeld tot vergoeding van 50% van de geleden (materiãle en immateriãle) schade. In hoger beroep verhoogde het hof de omvang van de aansprakelijkheid van Nationale Nederlanden naar 60%, onder (analoge) toepassing van de in art. 6:101 BW neergelegde billijkheidscorrectie. Het hof nam in dit kader in aanmerking dat er een verkeersnorm was geschonden, er sprake was van een WAM-verzekering, het ging om ernstig letsel en ᶧhet feit dat het gaat om een destijds nog ongeboren kind dat de ingrijpende gevolgen van de aandoening dagelijks ondervindtᶨ. HR: Het middel betoogt dat bij toepassing van proportionele aansprakelijkheid geen ruimte bestaat om, nadat de rechter de in een percentage uitgedrukte kans heeft vastgesteld dat de normschending de schade heeft veroorzaakt, daarop nog een billijkheidscorrectie toe te passen, al dan niet naar analogie van art. 6:101 lid 1 BW. Dat betoog is juist. De regel van proportionele aansprakelijkheid strekt ertoe in een situatie waarin onzekerheid over het condicio-sine-qua-non-verband bestaat, de gevolgen van deze onzekerheid uit overwegingen van redelijkheid en billijkheid niet geheel voor rekening van de benadeelde te laten, maar deze over de aansprakelijke persoon en de benadeelde te verdelen. Zulks is mede gerechtvaardigd met een verwijzing naar de aan de art. 6:99 en 6:101 BW ten grondslag liggende uitgangspunten. Dit betekent echter niet dat deze artikelen zelf rechtstreeks of overeenkomstig van toepassing zijn op de schatting die te dezen door de rechter moet worden gemaakt. Indien met toepassing van de regel van proportionele aansprakelijkheid een percentage voor de vergoedingsplicht van de aansprakelijke persoon is bepaald, en vervolgens dat percentage op grond van een billijkheidscorrectie verhoogd zou worden, zou deze verhoging verder gaan dan door de regel

2 van de proportionele aansprakelijkheid wordt gerechtvaardigd, en op gespannen voet staan met de in het arrest Fortis/Bourgonje bedoelde terughoudendheid. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. Nu in cassatie vaststaat dat de kans dat het verkeersongeval de schade heeft veroorzaakt, op 50% moet worden gesteld, kan het vonnis van de rechtbank bekrachtigd worden. Zie ook Naar boven Zie ook: ᶱ HR 24 december 2010, RCR 2011/10, NJ 2011/251, LJN BO1799 (Fortis/Bourgonje); ᶱ HR 31 maart 2006, NJ 2011/250, LJN AU6092 (Nefalit/Karamus). Zie anders: ᶱ Hof Arnhem 2 september 2012, RAV 2013/7, LJN BX8853, JA 2012/208. Wenk Naar boven Wenk: De Hoge Raad heeft in het arrest Nefalit/Karamus (HR 31 maart 2006, NJ 2011/250) de rechtsregel geformuleerd dat in het geval van meervoudige causaliteitsonzekerheid het vereiste van conditio-sine-qua-non mag worden losgelaten/gerelativeerd, en vervolgens de schadevergoedingsplicht naar rato van ieders causale bijdrage (over ieder der partijen) mag worden verdeeld (ᶫproportionele aansprakelijkheidᶬ). Aan proportionele aansprakelijkheid is het bezwaar verbonden dat toepassing daarvan tot gevolg kan hebben dat iemand aansprakelijk wordt gehouden voor een schade die hij niet, of niet in de door de rechter aangenomen mate, heeft veroorzaakt. In het arrest Fortis/Bourgonje (HR 24 december 2010, NJ 2011/251) heeft de Hoge Raad daarom aan de zojuist genoemde rechtsregel toegevoegd dat deze met terughoudendheid moet worden toegepast, en dat de rechter die proportionele aansprakelijkheid toepast, in zijn motivering dient te verantwoorden dat de strekking van de geschonden norm en de aard van de normschending ᶣ waaronder de van de door de benadeelde geleden schade ᶣ deze toepassing in het concrete geval rechtvaardigen. In onderhavig arrest beperkt de Hoge Raad die rechtsregel nog verder, door te oordelen dat er na toepassing van proportionele aansprakelijkheid geen ruimte meer is om daarop een billijkheidscorrectie toe te passen (al dan niet naar analogie van art. 6:101 BW), nu mag worden aangenomen dat met de criteria die het hof in het kader van zijn billijkheidscorrectie hanteerde, te weten de aard van de geschonden norm en de geleden schade, reeds rekening is gehouden bij het volgen door het hof van de (in casu 50/50) proportionele benadering van de rechtbank. Uit het arrest volgt dat er onder specifieke omstandigheden w l ruimte bestaat de omvang van de (op basis van proportionele aansprakelijkheid vastgestelde) vergoedingsplicht te verminderen op grond van art. 6:101 BW, en eventueel in dat kader een billijkheidscorrectie toe te passen. Er moet dan sprake zijn van causale omstandigheden aan de zijde van de benadeelde die niet reeds verdisconteerd konden zijn in het kader van de proportionele aansprakelijkheid zelf. De Hoge Raad denkt in dit kader aan het geval dat ook de benadeelde zelf een verkeersfout heeft gemaakt. Het oordeel van de Hoge Raad onderstreept de doorslaggevende betekenis die deskundigenrapporten kunnen hebben in het geval van causaliteitsonzekerheid. Het is voor partijen van groot belang dat zij in een procedure een zo volledig en helder mogelijk deskundigenrapport overleggen, waaruit de rechter een duidelijke conclusie omtrent de veroorzakingskans van de geleden schade kan trekken. Indien immers op grond van de overgelegde deskundigenrapporten eenmaal de verdeling van aansprakelijkheid ᶣ zulks uiteraard met inachtneming van alle feiten en omstandigheden ᶣ is vastgesteld, is daarmee in beginsel de kous af, althans zou een billijkheidscorrectie nog enkel tot vermindering van de vergoedingsplicht kunnen leiden maar dus niet tot een verhoging. De Hoge Raad blokkeert met zijn arrest de lijn die in de rechtspraak leek te zijn ingezet. Het hof Arnhem verhoogde nog op 2 september 2012 (RAV 2013/7, JA 2012/208) de proportionele aansprakelijkheid van het Medisch Centrum Leeuwaren van 50% naar 60%, zulks op grond van de billijkheidscorrectie als bedoeld in art.

3 6:101 BW. De Hoge Raad maakt nu duidelijk dat voor dergelijke correcties in de toekomst geen plaats meer zal zijn; de aansprakelijkheid dient immers niet verder te reiken dan de regel van de proportionele aansprakelijkheid. Partij(en) Naar boven Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Mij. N.V., te 's-gravenhage, eiseres tot cassatie, verweerster in het (voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep, adv. mr. N.T. Dempsey en mr. P.A. Fruytier, aanvankelijk ook mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt, tegen 1. S., 2. L., beiden te X, Verenigde Staten van Amerika, verweerders in cassatie, eisers in het (voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep, adv. mr. J. van Duijvendijk-Brand, mede toegelicht door mr. K.J.O. Jansen. Bewerkte uitspraak Naar boven Uitspraak Naar boven Hoge Raad: (...) 3. Uitgangspunten in cassatie 3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. (i) (ii) (iii) (iv) Op 30 mei 1992 is L. als passagier op de rechter voorstoel van een personenauto aangereden door een bij Nationale-Nederlanden verzekerde personenauto die geen voorrang verleende. L. was ten tijde van het ongeval ongeveer 30 weken zwanger. In 1992 is zij door middel van een keizersnede bevallen van S.. Een uur en twintig minuten na zijn geboorte ontstond bij S. respiratory distress syndrome (hierna: RDS). Hij kreeg een bloedtransfusie en werd beademd. Enige maanden na zijn geboorte is bij S. een hersenbeschadiging geconstateerd, die later is gediagnosticeerd als periventriculaire leucomalacie (hierna: PVL). S. heeft hieraan blijvend letsel in de vorm van centrale spastische parese overgehouden. 3.2 S. c.s. vorderen in deze procedure dat Nationale-Nederlanden veroordeeld wordt tot het betalen van schadevergoeding, op te maken bij staat. Zij leggen daaraan ten grondslag dat het letsel van S. veroorzaakt is door het verkeersongeval. Nationale-Nederlanden stelt zich primair op het standpunt dat de hersenbeschadiging van S. is veroorzaakt door de RDS vlak na de bevalling en dat een prenatale PVL slechts een theoretische mogelijkheid is. Zowel v r als tijdens de procedure in feitelijke aanleg hebben verscheidene deskundigen zich uitgelaten over beide mogelijke oorzaken (prenatale PVL ten gevolge van het ongeval en postnatale PVL ten gevolge van RDS). De bevindingen van de deskundigen zijn door de rechtbank uitgebreid geciteerd in rov van het vonnis, en hun conclusies zijn door het hof kort samengevat in rov. 3 van zijn arrest. 3.3 Volgens de rechtbank moet uit de deskundigenrapportages worden afgeleid dat S.'s hersenbeschadiging kan zijn veroorzaakt door de prenatale of door de postnatale PVL dan wel door een combinatie van die twee, zonder dat met voldoende zekerheid is vast te stellen in welke mate deze schade door deze gebeurtenissen dan wel n daarvan is ontstaan. In verband met dit onzeker causaal verband heeft de rechtbank voor een proportionele benadering gekozen, en de kans dat S.'s hersenbeschadiging is toe te rekenen aan de prenatale PVL ten gevolge van het ongeval vastgesteld op 50%. Zij heeft daarom Nationale-Nederlanden veroordeeld tot vergoeding van 50% van de met de

4 hersenbeschadiging samenhangende materiãle en immateriãle schade en de zaak naar de schadestaatprocedure verwezen Beide partijen zijn tegen dit vonnis in hoger beroep opgekomen. Het hof heeft het beroep van S. c.s. op de omkeringsregel verworpen op grond van de volgende overweging (rov. 7): "Naar het oordeel van het hof is in dit geval, dat zich erdoor kenmerkt dat er meerdere mogelijke oorzaken voor de schade zijn, voor toepasselijkheid van de omkeringsregel nodig dat het beschermingsbereik van de overtreden verkeersnorm ook de tweede mogelijke oorzaak van de schade, de postnatale problemen omvat. Daarvan is geen sprake: het blijkt niet uit de hiervoor weergegeven deskundigenrapporten en is door S. en L. ook niet gesteld. Daarbij komt dat als veronderstellenderwijze vanuit wordt gegaan dat de omkeringsregel op het onderhavige geval van toepassing is, Nationale Nederlanden tegen dat vermoeden tegenbewijs mag leveren. Daarvoor volstaat dat Nationale Nederlanden aannemelijk maakt dat de schade ook zonder de aan haar verzekerde toe te rekenen onrechtmatige gedraging zou zijn ontstaan. Het hof is van oordeel dat Nationale Nederlanden door middel van de door haar overgelegde deskundigenrapporten, waarvan de conclusies hiervoor zijn weergegeven, zoveel twijfel heeft gezaaid aan de juistheid van het uit de omkeringsregel voortvloeiende vermoeden dat de schade door de fout van haar verzekerde is ontstaan, dat zij dat vermoeden afdoende heeft ontzenuwd. Vervolgens is het dan weer aan S. en L. om het causaal verband tussen de fout van de bij Nationale Nederlanden verzekerde automobilist en de door S. geleden schade te bewijzen. Daarom is de grief tevergeefs voorgesteld." Vervolgens heeft het hof zich aangesloten bij het oordeel van de rechtbank dat in dit geval een proportionele benadering aangewezen is, omdat de deskundigen tot de conclusie komen dat zowel het trauma als de postnatale problemen (dan wel beide oorzaken) de schade van S. kunnen hebben veroorzaakt. Waar voor een van de mogelijke oorzaken geen aansprakelijke persoon kan worden aangewezen, acht het hof, mede gezien de aan de aan art. 6:99 en 6:101 BW ten grondslag liggende beginselen, een proportionele oplossing het meest rechtvaardig, nu enerzijds de reãle kans bestaat dat de oorzaak gelegen is in het trauma, wat zou meebrengen dat recht op volledige schadevergoeding bestaat, en anderzijds de reãle kans aanwezig is dat de schade haar oorzaak vindt in postnatale problemen, zodat de schade voor rekening van S. en L. moet blijven (rov. 13). Het hof heeft zich ook verenigd met het oordeel van de rechtbank dat de kans dat het verkeersongeluk de schade heeft veroorzaakt, op 50% moet worden gezet (rov. 14) Ten slotte heeft het hof naar aanleiding van een beroep van S. c.s. op de billijkheidscorrectie, als volgt geoordeeld (rov. 20): "Het hof is van oordeel dat ook bij proportionele aansprakelijkheid, die immers stoelt op de aan 6:99 en 6:101 BW ten grondslag liggende uitgangspunten, en ertoe strekt om de onzekerheid over het causaal verband op rechtvaardige wijze te verdelen, ruimte overblijft voor een correctie op grond van billijkheidsargumenten, analoog aan de in artikel 6:101 BW neergelegde zogeheten billijkheidscorrectie. Wel noopt het feit dat de billijkheidscorrectie hier analoog wordt toegepast op een geval waarin causale onzekerheid bestaat tot bijzondere terughoudendheid. Als omstandigheden die in het kader van een correctie op het percentage in verband met billijkheidsmotieven kunnen worden meegewogen neemt het hof in aanmerking het feit dat de aansprakelijkheid berust op schending van een verkeersnorm, het feit dat sprake is van een WAM -verzekering, de ernst van het letsel, (...) en het feit dat het gaat om een destijds nog ongeboren kind dat de ingrijpende gevolgen van de aandoening dagelijks ondervindt. Het hof acht een en ander afwegend een correctie van 10% op haar plaats, zodat Nationale Nederlanden aansprakelijk is voor 60% van de schade van S.." Het hof heeft de bij wege van eisvermeerdering gevorderde wettelijke rente alsnog toewijsbaar geacht (rov. 24). Het heeft daarom, met vernietiging van het rechtbankvonnis (behoudens de kostenveroordeling), Nationale-Nederlanden veroordeeld tot vergoeding van 60% van de met de hersenbeschadiging van S. samenhangende materiãle en immateriãle schade, op te maken bij staat

5 en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van opeisbaarheid van de verschillende onderdelen van de schadevergoedingsvordering. 4. Beoordeling van het middel in het principale beroep 4.1 Volgens het middel geeft het oordeel van het hof in rov. 20 (hiervoor in geciteerd) blijk van een onjuiste rechtsopvatting, omdat (ook) bij proportionele aansprakelijkheid geen ruimte is voor het aanpassen van de op basis van de veroorzakingskans vastgestelde proportionele aansprakelijkheid door middel van een (analoge toepassing van de in art. 6:101 BW neergelegde) billijkheidscorrectie. Een billijkheidscorrectie zou alleen dan mogelijk zijn ᶣ binnen de grenzen van de vastgestelde proportionele aansprakelijkheid ᶣ bij toepassing van eigen schuld of een andere in de wet voorziene regeling, waarvan evenwel in dit geval geen sprake is. 4.2 Het hof heeft in deze zaak toepassing gegeven aan de rechtsregel die is geformuleerd in het arrest van de Hoge Raad van 31 maart 2006, LJN AU6092, NJ 2011/250 (Nefalit/Karamus), en die ook wel wordt aangeduid als proportionele aansprakelijkheid. Die regel is bedoeld voor gevallen waarin niet kan worden vastgesteld of de schade is veroorzaakt door een normschending (onrechtmatig handelen of toerekenbaar tekortschieten) van de aansprakelijk gestelde persoon of van iemand voor wie hij aansprakelijk is, dan wel door een oorzaak die voor risico van de benadeelde zelf komt (of door een combinatie van beide oorzaken), en waarin de kans dat de schade door de normschending is veroorzaakt niet zeer klein noch zeer groot is. Voor dergelijke gevallen oordeelde de Hoge Raad dat het, gelet op de strekking van de overtreden norm (in dat geval: om gezondheidsschade te voorkomen) en de aard van de normschending, uit overwegingen van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is de onzekerheid over de mate waarin de normschending heeft bijgedragen tot de schade, in zijn geheel op de benadeelde af te wentelen, terwijl het anderzijds tegenover de aansprakelijk gestelde persoon, ook al heeft deze in strijd met de van hem te vergen zorgvuldigheid gehandeld, eveneens onaanvaardbaar is om die onzekerheid geheel op hem af te wentelen, in weerwil van de niet zeer kleine kans dat de schade (mede) is veroorzaakt door voor risico van de benadeelde komende omstandigheden. Daarom is in genoemd arrest, mede gelet op de aan de art. 6:99 en 6:101 BW ten grondslag liggende uitgangspunten, voor dit soort gevallen aanvaard dat de rechter de aansprakelijk gestelde persoon mag veroordelen tot schadevergoeding in evenredigheid met de (in een percentage uitgedrukte) kans dat de schade door zijn normschending is veroorzaakt. De rechter dient dat kanspercentage vast te stellen op basis van een gemotiveerde, en zo nodig op deskundige voorlichting berustende, schatting van de kans dat de schade is veroorzaakt door de diverse in aanmerking te nemen mogelijke oorzaken. In zijn arrest van 24 december 2010, LJN BO1799, NJ 2011/251 (Fortis/Bourgonje) voegde de Hoge Raad daaraan toe dat de aldus aanvaarde mogelijkheid van proportionele aansprakelijkheid, vanwege het daaraan verbonden bezwaar dat iemand aansprakelijk kan worden gehouden voor een schade die hij mogelijkerwijs niet, of niet in de door de rechter aangenomen mate, heeft veroorzaakt, met terughoudendheid moet worden toegepast, en dat zulks meebrengt dat de rechter in zijn motivering dient te verantwoorden dat de strekking van de geschonden norm en de aard van de normschending ᶣ waaronder is begrepen de aard van de door de benadeelde geleden schade ᶣ deze toepassing in het concrete geval rechtvaardigen. 4.3 Het middel stelt ᶣ terecht ᶣ niet ter discussie dat in deze zaak, gelet op de door het hof vastgestelde feiten, proportionele aansprakelijkheid op haar plaats is. Het middel betoogt evenwel dat bij toepassing van proportionele aansprakelijkheid geen ruimte bestaat om, nadat de rechter de in een percentage uitgedrukte kans heeft vastgesteld dat de normschending de schade heeft veroorzaakt, daarop nog een billijkheidscorrectie toe te passen, al dan niet naar analogie van art. 6:101 lid 1 BW. Dat betoog is juist. De regel van proportionele aansprakelijkheid strekt ertoe in een situatie waarin onzekerheid over het condicio-sine-qua-non-verband bestaat, de gevolgen van deze onzekerheid uit overwegingen van redelijkheid en billijkheid niet geheel voor rekening van de benadeelde te laten, maar deze over de aansprakelijke persoon en de benadeelde te verdelen. Zulks is in meergenoemde arresten mede gerechtvaardigd met een verwijzing naar de aan de art. 6:99 en 6:101 BW ten grondslag liggende uitgangspunten. Dit betekent echter niet dat deze artikelen zelf rechtstreeks of overeenkomstig van

6 toepassing zijn op de schatting die te dezen door de rechter moet worden gemaakt. Indien met toepassing van de regel van proportionele aansprakelijkheid een percentage voor de vergoedingsplicht van de aansprakelijke persoon is bepaald, en vervolgens dat percentage op grond van een billijkheidscorrectie verhoogd zou worden, zou deze verhoging verder gaan dan door de regel van de proportionele aansprakelijkheid wordt gerechtvaardigd, en op gespannen voet staan met de in het arrest Fortis/Bourgonje bedoelde terughoudendheid. Het middel slaagt derhalve. 4.4 Duidelijkheidshalve verdient nog opmerking dat, indien in een bepaald geval tot toepassing van proportionele aansprakelijkheid is besloten, art. 6:101 lid 1 BW onder specifieke omstandigheden wel aanleiding kan geven tot een vermindering van de (op basis van proportionele aansprakelijkheid vastgestelde) vergoedingsplicht en eventueel tot een billijkheidscorrectie als in dat artikellid bedoeld. Er moet daarvoor sprake zijn van causale omstandigheden aan de zijde van de benadeelde die niet reeds verdisconteerd (konden) zijn in het kader van de proportionele aansprakelijkheid zelf. Wanneer bijvoorbeeld enige tijd na een verkeersongeval de bestuurder van de aangereden auto ziek wordt, en onzeker blijft of die ziekte is veroorzaakt door het ongeval dan wel door een lichamelijke gesteldheid die voor zijn eigen risico komt (dan wel door een combinatie van beide oorzaken), zou met toepassing van proportionele aansprakelijkheid besloten kunnen worden tot een vergoedingsplicht van de voor het ongeval aansprakelijke persoon van (bijvoorbeeld) 40% van de schade; indien het ongeval echter mede was veroorzaakt door een verkeersfout van de benadeelde zelf, zou de aldus bepaalde vergoedingsplicht op grond van art. 6:101 lid 1 BW nog verminderd kunnen worden in overeenstemming met de mate waarin ieders verkeersfout tot het ongeval heeft bijgedragen, en zou vervolgens op grond van de billijkheidscorrectie als bedoeld aan het slot van lid 1 ook tot een andere verdeling van de schade besloten kunnen worden. In laatstbedoeld geval kan de billijkheidscorrectie er echter niet toe leiden dat alsnog een groter deel van de schade voor rekening van de aansprakelijke persoon wordt gebracht, dan op basis van de proportionele aansprakelijkheid was vastgesteld (in dit voorbeeld: 40% van de schade), omdat anders een aansprakelijkheid zou worden gevestigd die verder gaat dan waartoe de regel van de proportionele aansprakelijkheid reikt (zie hiervoor in 4.3). 5. Beoordeling van het middel in het incidentele beroep 5.1 De voorwaarde waaronder het incidentele beroep is ingesteld, is vervuld, zodat het incidentele middel beoordeeld zal worden. 5.2 Onderdeel 1 van het middel is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 7 (hiervoor in geciteerd) dat in dit geval geen plaats is voor toepassing van de zogenoemde omkeringsregel. Dat oordeel moet aldus worden verstaan dat S. c.s. niet aannemelijk hebben gemaakt dat het specifieke gevaar waartegen de geschonden norm bescherming biedt, zich in het onderhavige geval heeft verwezenlijkt. Dat oordeel is op een juiste rechtsopvatting gebaseerd. Het is ook niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat het hier gaat om het letsel van S., die pas ruim acht weken na het ongeval is geboren en bij wie dat letsel (de hersenbeschadiging) vervolgens pas enige maanden na zijn geboorte is geconstateerd. Onderdeel 1 faalt derhalve. Nu onderdeel 1 faalt, bestaat geen belang bij behandeling van onderdeel Volgens onderdeel 4 is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, voor zover het heeft aangenomen dat de door hem gevolgde proportionele benadering leidt tot een proportionele aansprakelijkheid. Volgens het onderdeel moet uit het arrest Nefalit/Karamus afgeleid worden dat in een geval als het onderhavige sprake is van een aansprakelijkheid voor het geheel, zij het met vermindering van de vergoedingsplicht van de aansprakelijke partij in evenredigheid met de mate waarin de aan de benadeelde toe te rekenen omstandigheden tot diens schade hebben bijgedragen. Het onderdeel faalt. De in het arrest Nefalit/Karamus aanvaarde regel moet aldus begrepen worden dat in de daar bedoelde gevallen een proportionele (dus een gedeeltelijke) aansprakelijkheid aangenomen mag worden, hetgeen wil zeggen dat de rechter de aansprakelijk gestelde persoon kan veroordelen tot schadevergoeding in evenredigheid met de in een percentage uitgedrukte kans dat de schade door zijn normschending is veroorzaakt. 5.4

7 6. Conclusie De klachten van onderdeel 3 kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. Het principale beroep is gegrond en het incidentele beroep faalt. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. Nu in cassatie vaststaat dat de kans dat het verkeersongeval de schade van S. heeft veroorzaakt, op 50% moet worden gesteld, kan het vonnis van de rechtbank bekrachtigd worden, met dien verstande dat Nationale- Nederlanden ook veroordeeld moet worden tot vergoeding van de wettelijke rente zoals door het hof ᶣ in cassatie onbestreden ᶣ bepaald. Ten aanzien van de proceskosten in hoger beroep dient Nationale-Nederlanden als de in het principaal appel in het ongelijk gestelde partij te worden aangemerkt, en S. c.s. als de in het incidenteel appel in het ongelijk gestelde partij. 7. Beslissing De Hoge Raad: in het principale beroep: vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-gravenhage van 28 december 2010; bekrachtigt het vonnis van de rechtbank 's-gravenhage van 12 november 2008, met dien verstande dat Nationale-Nederlanden tevens wordt veroordeeld tot vergoeding van de wettelijke rente vanaf het moment van opeisbaarheid van de verschillende onderdelen van de schadevergoedingsvordering; veroordeelt Nationale-Nederlanden in de kosten van het principale hoger beroep, (...); veroordeelt S. c.s. in de kosten van het incidentele hoger beroep, (...); veroordeelt S. c.s. in de kosten van het geding in cassatie, (...); in het incidentele beroep: verwerpt het beroep; veroordeelt S. c.s. in de kosten van het geding in cassatie, (...). Conclusie Naar boven Conclusie A-G mr. A. Hammerstein: Deze zaak betreft een vordering tot vergoeding van letselschade waarvan niet duidelijk is of deze het gevolg is van het verkeersongeval tijdens de zwangerschap van verweerster sub 2 in het principale cassatieberoep dan wel van de ademhalingsproblemen kort na de geboorte van verweerder sub 1 in het principale cassatieberoep. Ten principale is aan de orde de vraag of er na proportionele verdeling van de aansprakelijkheid in de lijn van HR 31 maart 2006, LJN AU6092, NJ 2011/250 (Nefalit/Karamus) nog plaats is voor toepassing van de billijkheidscorrectie. Het (voorwaardelijk) incidentele cassatieberoep van verweerders klaagt in de eerste plaats over het feit dat het hof de proportionele benadering van Nefalit/Karamus heeft verkozen boven de omkeringsregel. In de tweede plaats richt het incidentele beroep zich, zo het hof inderdaad de proportionele benadering mocht hanteren, tegen de causale verdeling van 50%-50% ten aanzien van de twee (mogelijke) schadeoorzaken. 1. Feiten en procesverloop 1.1 In cassatie kan in ieder geval van de volgende feiten worden uitgegaan [1.] : (i) (ii) (ii) Op 30 mei 1992 is L. als passagier op de rechter voorstoel van een Alfa Romeo aangereden door een bij Nationale Nederlanden verzekerde BMW die geen voorrang verleende. L. was ten tijde van het ongeval ongeveer 30 weken zwanger. In 1992 is zij door middel van een keizersnede bevallen van S.. [2.]

8 (iii) (iv) Een uur en twintig minuten na zijn geboorte ontstond bij S. respiratory distress syndrome (hierna: RDS). Hij kreeg een bloedtransfusie en werd beademd. Enige maanden na zijn geboorte werd bij S. een hersenbeschadiging geconstateerd, die later is gediagnosticeerd als periventriculaire leucomalacie (hierna: PVL). S. heeft hieraan blijvend letsel in de vorm van centrale spastische parese overgehouden. 1.2 Over de exacte oorzaak van S.'s spasticiteit (in civielrechtelijke termen: over het condicio sine qua nonverband tussen de verkeersovertreding en de gevorderde letselschade) heeft van meet af aan onduidelijkheid bestaan. Volgens L. is de spasticiteit te wijten aan prenatale PVL ten gevolge van het ongeval tijdens haar zwangerschap. Nationale Nederlanden stelt dat het ongeval niet kan hebben geleid tot prenatale PVL, althans dat dit hoogstens een theoretische mogelijkheid betreft nu de geconstateerde PVL ook een onduidelijke oorzaak kan hebben. En als er al een concrete oorzaak voor de spasticiteit bestaat, dan kan niet worden uitgesloten dat deze is ontstaan door postnatale PVL ten gevolge van de ademhalingsproblemen (RDS), aldus Nationale Nederlanden. 1.3 Zowel v r als tijdens de procedures in feitelijke instanties hebben verscheidene deskundigen zich uitgelaten over beide mogelijke oorzaken (prenatale PVL ten gevolge van ongeval en postnatale PVL ten gevolge van RDS). Voor een samenvatting van de bevindingen van de deskundigen in de verschillende rapporten verwijs ik gemakshalve naar rov. 3 van het thans in cassatie bestreden arrest van het hof te 's-gravenhage van 28 december De rechtbank 's-gravenhage heeft in haar vonnis van 12 november 2008 vastgesteld dat volgens alle rapporterende deskundigen twee concrete oorzaken zijn aan te wijzen van waaruit zij het letsel verklaarbaar achten. [3.] In verband met deze meervoudige causaliteitsonzekerheid heeft de rechtbank voor de proportionele benadering gekozen in de lijn van HR 31 maart 2006, LJN AU6092, NJ 2011/250 (Nefalit/Karamus) en heeft zij voor recht verklaard dat de kans dat S.'s spasticiteit (volledig) is te wijten aan de door het ongeval veroorzaakte prenatale PVL, 50% is. De rechtbank heeft Nationale Nederlanden dan ook veroordeeld tot vergoeding van de helft van de met het verkeersongeval van 30 mei 1992 samenhangende materiãle en immateriãle schade van S., nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet met verwijzing daartoe naar de schadestaatprocedure. 1.5 Nationale Nederlanden is van het vonnis in hoger beroep gekomen bij het hof te 's-gravenhage. Het hof heeft de rechtbank gevolgd bij de proportionele verdeling van de aansprakelijkheid, [4.] met dit verschil dat het hof nog ruimte zag voor toepassing van een 10% billijkheidscorrectie in het voordeel van S. c.s.. In rov. 20 overweegt het hof daaromtrent als volgt: ᶫ20. Het hof is van oordeel dat ook bij proportionele aansprakelijkheid, die immers stoelt op de aan 6:99 en 6:101 BW ten grondslag liggende uitgangspunten, en ertoe strekt om de onzekerheid over het causaal verband op rechtvaardige wijze te verdelen, ruimte overblijft voor een correctie op grond van billijkheidsargumenten, analoog aan de in artikel 6:101 BW neergelegde zogeheten billijkheidscorrectie. Wel noopt het feit dat de billijkheidscorrectie hier analoog wordt toegepast op een geval waarin causale onzekerheid bestaat tot bijzondere terughoudendheid. Als omstandigheden die in het kader van een correctie op het percentage in verband met billijkheidsmotieven kunnen worden meegewogen neemt het hof in aanmerking het feit dat de aansprakelijkheid berust op schending van een verkeersnorm, het feit dat sprake is van een WAM-verzekering, de ernst van het letsel, zoals blijkt uit het rapport van Marion Alderley, occupational therapist, van 7 juli 2008 (overgelegd als productie door S. en L. ten behoeve van de tweede comparitie van partijen in eerste aanleg op 13 oktober 2008) en het feit dat het gaat om een destijds nog ongeboren kind dat de ingrijpende gevolgen van de aandoening dagelijks ondervindt. Het hof acht een en ander afwegend een correctie van 10% op haar plaats, zodat Nationale Nederlanden aansprakelijk is voor 60% van de schade van S. (...)ᶬ 1.6 L., op dat moment nog optredend voor zichzelf en in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigster van S., heeft bij memorie van antwoord incidenteel gegriefd tegen het vonnis. Het beroep van L. op de omkeringsregel heeft het hof als volgt verworpen (rov. 7:)

9 ᶫ7. Naar het oordeel van het hof is in dit geval, dat zich er door kenmerkt dat er meerdere mogelijke oorzaken voor de schade zijn, voor toepasselijkheid van de omkeringsregel nodig dat het beschermingsbereik van de overtreden verkeersnorm ook de tweede mogelijke oorzaak van de schade, de postnatale problemen omvat. Daarvan is geen sprake: het blijkt niet uit de hiervoor weergegeven deskundigenrapporten en is door S. en L. ook niet gesteld. Daarbij komt dat als veronderstellenderwijze vanuit wordt gegaan dat de omkeringsregel op het onderhavige geval van toepassing is, Nationale Nederlanden tegen dat vermoeden tegenbewijs mag leveren. Daarvoor volstaat dat Nationale Nederlanden aannemelijk maakt dat de schade ook zonder de aan haar verzekerde toe te rekenen onrechtmatige gedraging zou zijn ontstaan. Het hof is van oordeel dat Nationale Nederlanden door middel van de door haar overgelegde deskundigenrapporten, waarvan de conclusies hiervoor zijn weergegeven, zoveel twijfel heeft gezaaid aan de juistheid van het uit de omkeringsregel voortvloeiende vermoeden dat de schade door de fout van haar verzekerde is ontstaan, dat zij dat vermoeden afdoende heeft ontzenuwd. Vervolgens is het dan weer aan S. en L. om het causaal verband tussen de fout van de bij Nationale Nederlanden verzekerde automobilist en de door S. geleden schade te bewijzen. Daarom is de grief tevergeefs voorgesteld.ᶬ 1.7 Nationale Nederlanden heeft ᶣ tijdig [5.] ᶣ cassatieberoep ingesteld tegen het oordeel van het hof omtrent de toepassing van een 10% billijkheidscorrectie ten faveure van S. c.s. na causale (50/50-) verdeling van de aansprakelijkheid over beide mogelijke schadeoorzaken. S. en L. hebben voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld tegen 's hofs verwerping van de toepassing van de omkeringsregel. Partijen hebben hun cassatiemiddelen uitvoerig schriftelijk toegelicht, met dupliek in het principaal beroep en repliek in het voorwaardelijk incidenteel beroep zijdens S. en L L. heeft in haar nota van dupliek in het principale beroep (onder 2) opgemerkt dat Nationale Nederlanden weinig aandacht toont voor de bijzondere (voor S. en zijn moeder tragische) omstandigheden. Het gaat inderdaad om ernstig letstel, een hersenbeschadiging met alle gevolgen van dien. Ik begrijp heel goed dat L. het oordeel van het hof liever niet ter discussie gesteld zag, maar vaak komen juist in ernstige gevallen als deze vragen op die nu eenmaal in cassatie moeten worden beantwoord op basis van een zakelijk juridisch debat. 2. Beoordeling van het principale cassatieberoep 2.1 Ten principale is door Nationale Nederlanden de volgende rechtsklacht aangevoerd (zie de cassatiedagvaarding, p. 4): 's Hofs in rov. 20 ᶣ hiervoor verkort weergegeven ᶣ oordeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Anders dan het hof oordeelt, is namelijk (ook) bij proportionele aansprakelijkheid g n ruimte voor het door middel van een (analoge toepassing van de in artikel 6:101 BW neergelegde) billijkheidscorrectie aanpassen van de op basis van de veroorzakingskans vastgestelde proportionele aansprakelijkheid. Een billijkheidscorrectie zou alleen dan mogelijk zijn ᶣ binnen de grenzen van de vastgestelde proportionele aansprakelijkheid ᶣ bij toepassing van eigen schuld of een ander in de wet voorziene regeling, waarvan in dit geval vaststaat dat (lees: daarvan) geen sprake is In paragraaf 3 van haar schriftelijke toelichting voert Nationale Nederlanden een vijftal argumenten aan ter onderbouwing van de rechtsklacht. Kort samengevat luiden de argumenten als volgt: (i) (ii) (iii) De leer van de proportionele aansprakelijkheid haakt louter aan bij de feitelijke kans dat de schade door een in de risicosfeer van de gelaedeerde liggende omstandigheid is veroorzaakt (par. 3.2.). Het leerstuk van de proportionele aansprakelijkheid dient terughoudend te worden toegepast, welke terughoudendheid tevens noopt tot de conclusie dat een billijkheidscorrectie het doel van het leerstuk te buiten gaat (par. 3.3).

10 (iv) (v) Ook de rechtseconomische rechtvaardiging van het leerstuk leidt tot die conclusie, omdat vanuit rechtseconomisch perspectief vergoedingsplicht en verwachte schade (op macroniveau) aan elkaar gelijk moeten zijn (par. 3.4). Bij analoge toepassing van de billijkheidscorrectie bovenop de proportionele verdeling van de schade over benadeelde en aangesprokene ontstaat een ongerechtvaardigd onderscheid tussen de wijzen waarop vergelijkbare ᶣ en in normatief opzicht niet van elkaar verschillende ᶣ causaliteitsproblemen worden opgelost (par. 3.5). De normatieve waardering van de omstandigheden die (volgens het hof in dit geval) een billijkheidscorrectie rechtvaardigen heeft al plaatsgevonden door het berhaupt aannemen van proportionele aansprakelijkheid, met terzijdestelling van het vereiste van condicio-sine-qua-nonverband. De "billijkheid" is in zoverre uitgewerkt (par. 3.6) Mijns inziens overlappen deze argumenten elkaar, zodat ik daarop niet afzonderlijk en in extenso inga. Het onder (iii) genoemde rechtseconomische argument laat ik geheel buiten beschouwing, aangezien de onderhavige causaliteitsonzekerheid op individueel niveau van S. (en dus niet binnen de context van massaschade) speelt. [6.] In de kern blijft de rechtsklacht dat voor toepassing van de billijkheidscorrectie in dit geval geen plaats is Volledigheidshalve zij nog vermeld dat S. c.s. in nr. 4 van de nota van dupliek/repliek van 16 maart 2012 stellen dat Nationale Nederlanden met deze vijf argumenten in de schriftelijke toelichting de grenzen van het principale cassatiemiddel heeft overschreden. Deze stelling van S. lijkt mij niet juist. S. c.s. hebben ook niet vermeld in hoeverre de schriftelijke toelichting cassatieklachten bevat die niet door het middel zijn voorgedragen. Ook is de stelling van S. c.s. dat zij het middel anders hebben begrepen dan schriftelijk is toegelicht door Nationale Nederlanden, niet nader onderbouwd. Juridisch kader van de onderhavige rechtsvraag 2.2 De Hoge Raad heeft in bepaalde gevallen van meervoudige causaliteitsonzekerheid een rechtsregel geformuleerd op grond waarvan het vereiste van condicio-sine-qua-non mag worden losgelaten of gerelativeerd en vervolgens de schadevergoedingsplicht in evenredigheid van ieders causale bijdrage over ieder der partijen mag worden verdeeld. In HR 31 maart 2006, LJN AU6092, NJ 2011/250 (m.nt. Tjong Tjin Tai) [7.], waarin de erfgenamen van de door longkanker overleden werknemer (Karamus) op grond van artikel 7:658 BW schadevergoeding eisten van werkgever Nefalit wegens het werken met asbest en waarin laatstgenoemde stelde dat de longkanker was veroorzaakt door het feit dat Karamus een stevige roker was, overwoog Uw Raad in het slot van rov. 3.13: ᶫ(...) Mede gelet op de aan de artikelen 6:99 en 6:101 BW ten grondslag liggende uitgangspunten moet daarom worden aangenomen dat, indien een werknemer schade heeft geleden die, gelet op de hiervoor bedoelde kanspercentages, zowel kan zijn veroorzaakt door een toerekenbare tekortkoming van zijn werkgever in zijn verplichting de werknemer in de uitoefening van diens werkzaamheden voldoende te bescherming tegen een voor de gezondheid gevaarlijke stof, als door een aan de werknemer zelf toe te rekenen omstandigheid als hiervoor bedoeld, als door een combinatie daarvan, zonder dat met voldoende zekerheid is vast te stellen in welke mate de schade van de werknemer door deze omstandigheden of n daarvan is ontstaan, de rechter de werkgever tot vergoeding van de gehele schade van de werknemer mag veroordelen, met vermindering van de vergoedingsplicht van de werkgever in evenredigheid met de, op een gemotiveerde schatting berustende, mate waarin de aan de werknemer toe te rekenen omstandigheden tot diens schade hebben bijgedragen.ᶬ In HR 24 december 2010, LJN BO1799, NJ 2011/251 (m.nt. Tjong Tjin Tai) [8.], waarin het ging om een vordering tot schadevergoeding wegens tekortschieten in de uitvoering van een vermogensbeheerovereenkomst tussen Fortis Bank en Bourgonje door schending van een

11 zorgplicht van de bank (dringend adviseren tot verkoop van aandelenpakket), heeft Uw Raad de toepassing van bovengenoemde rechtsregel uit Nefalit/Karamus nader omlijnd. Volgens het slot van rov. 3.8 van dat arrest moet het gaan om gevallen waarin er "een niet zeer kleine kans" bestaat dat het c.s.q.n.-verband tussen de geschonden norm en de geleden schade aanwezig is, en de strekking van de geschonden norm en de aard van de normschending de toepassing van de Nefalit/Karamus-regel rechtvaardigen. In Fortis/Bourgonje werd 's hofs toepassing van deze regel derhalve gecasseerd. Uw Raad wijst daarbij uitdrukkelijk op het bezwaar dat iemand aansprakelijk wordt gehouden voor een schade die hij niet heeft veroorzaakt. Deze "terughoudendheid" van Uw Raad bij het honoreren van proportionele aansprakelijkheid komt tot uitdrukking in de eerste alinea van rov. 3.8 en het slot van rov van Fortis/Bourgonje. Deze overwegingen luiden als volgt: ᶫ3.8. Aan de door de Hoge Raad in het arrest Nefalit/Karamus geformuleerde rechtsregel is, zoals ook in de literatuur is onderkend, het bezwaar verbonden dat toepassing daarvan de mogelijkheid in zich draagt dat iemand aansprakelijk wordt gehouden voor een schade die hij niet, of niet in de door de rechter aangenomen mate, heeft veroorzaakt. Dit bezwaar brengt mee dat deze regel met terughoudendheid moet worden toegepast, en dat de rechter die daartoe besluit, in zijn motivering dient te verantwoorden dat de strekking van de geschonden norm en de aard van de normschending ᶣ waaronder is begrepen de van de door de benadeelde geleden schade ᶣ deze toepassing in het concrete geval rechtvaardigen (...) (...) De hiervoor in 3.8 bedoelde terughoudendheid brengt in een zodanig geval mee dat het tegenover de vermogensbeheerder onaanvaardbaar is het in beginsel op de cliãnt rustende bewijsrisico omtrent het condicio-sine-qua-non-verband tussen de op zichzelf vaststaande normschending en de schade niet voor rekening van de cliãnt te laten, maar in plaats daarvan toepassing te geven aan de rechtsregel van het arrest Nefalit/Karamus. Daarom treft onderdeel 3a voorts in zoverre doel dat het hof heeft miskend dat ᶣ ook ᶣ in het onderhavige geval een noodzakelijke voorwaarde voor de in art. 6:98 BW bedoelde toerekening is dat het condicio-sine-qua-non-verband vaststaat tussen de normschending van Fortis en de door Bourgonje geleden schade.ᶬ Uit het Fortis/Bourgonje-arrest blijkt derhalve dat Uw Raad in het type zaken waarin onzekerheid bestaat over wat er zou zijn gebeurd indien een gebeurtenis waarvoor iemand aansprakelijk is achterwege zou zijn gebleven ("zou Bourgonje de aandelen hebben verkocht als Fortis w l indringend tot verkoop zou hebben geadviseerd?"), niet bereid is het vereiste van c.s.q.n.-verband tussen de geschonden norm (adviesplicht) en de gestelde schade los te laten of te relativeren. De proportionele benadering wordt dan gezocht buiten de leer van de causaliteit, te weten door te werken met verlies van een kans als schadefactor. [9.] Het proportionele element is dan gelegen in het aannemen van aansprakelijkheid voor het verlies van de kans dat de benadeelde na het krijgen van (indringend) advies een voor hem gunstige beslissing had genomen. Het betreft derhalve kansschade waarbij het c.s.q.n.-verband tussen de geschonden adviesplicht en die schade aanwezig is. Bourgonje had als benadeelde partij de kwestie dan ook beter in de sleutel van het schadebegrip kunnen plaatsen in plaats van in die van de causaliteit. [10.] Ook de thans in cassatie aan de orde zijnde zaak, gelijk Nefalit/Karamus, is geheel in de sleutel van de causaliteit geplaatst, zowel door partijen als door rechtbank en hof. In dat geval geldt derhalve ᶣ zo blijkt uit Fortis/Bourgonje ᶣ dat niet lichtvaardig met het vereiste van c.s.q.n.- verband mag worden omgegaan. Met name vanwege het feit dat de kans bestaat dat iemand bij toepassing van de Nefalit/Karamus-regel aansprakelijk wordt gehouden voor schade die hij niet heeft veroorzaakt. Dit is ook de reden waarom de Hoge Raad tevens tot uitdrukking brengt dat de rechter, op basis van zowel een gemotiveerde schatting van de "niet zeer kleine kans" dat

12 c.s.q.n.-verband bestaat tussen de normschending en de geleden schade als een verwijzing naar de geschonden norm en de aard van de normschending (waaronder is begrepen de door de benadeelde geleden schade), verantwoording dient af te leggen voor de toepassing van deze rechtsregel. Over de toepassing van de proportionele leer bij onzeker causaal verband, in het bijzonder in het kader van bovengenoemde arresten van de Hoge Raad, is door de vele deskundigen op het gebied van het privaatrechtelijk aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht iets geschreven. [11.] Ik verwijs gemakshalve naar deze literatuur In de literatuur is meer dan eens geschreven over de onduidelijkheid van de grondslag van de Nefalit/Karamus-regel. In die zaak koos Uw Raad tot uitgangspunt dat de aansprakelijkheid van de dader en het risico dat voor rekening van de benadeelde berusten op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artt. 6:248 lid 2 jo. 6:2 BW). Voor de invulling van deze open norm verwees Uw Raad naar de ratio van artikelen 6:99 en 6:101 BW. [12.] Volgens Akkermans moet de grondslag van de proportionele aansprakelijkheid direct gezocht worden in de leer van de toerekening naar redelijkheid van artikel 6:98 BW. [13.] Bloembergen daarentegen vraagt zich af of een proportionele aansprakelijkheid in geval van onbekende oorzaken niet gewoon aansluit bij de proportionele aansprakelijkheid voor deelschade, die door de Hoge Raad is aanvaard in de kalimijnenzaak (HR 23 september 1988, LJN AD5713, NJ 1989/743 m.nt. JHN). [14.] Hoewel in Nefalit/Karamus niet (verder) wordt uitgelegd welke uitgangspunten precies aan de artikelen 6:99 en 6:101 BW ten grondslag liggen [15.], kan in ieder geval worden aangenomen dat Uw Raad niet heeft bedoeld gevallen van meervoudige causaliteitsonzekerheid als de onderhavige volledig gelijk te scharen met de leerstukken van de alternatieve causaliteit respectievelijk eigen schuld. Dit inpassen in de artikelen 6:99 en 6:101 vindt slechts in zoverre plaats dat het betreft een in het leven roepen van aansprakelijkheid bij mogelijke veroorzaking (6:99 BW) [16.] in combinatie met een evenredig verdelen van de vergoedingsplicht over benadeelde en aangesprokene naar gelang ieders causale bijdrage (6:101 lid 1 BW). [17.] Met betrekking tot het laatstgenoemde artikellid ligt thans in cassatie de vraag voor of de Hoge Raad ook aansluiting heeft willen zoeken bij de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval van het slot van dat artikellid (billijkheidscorrectie) Een complicatie ten aanzien van het juridische kader van de te beantwoorden rechtsvraag is dat volgens een aantal schrijvers de oplossing meer in het algemeen moet worden gezocht binnen het leerstuk van de causaliteit van artikel 6:98 BW, [18.] waarbij het traditionele onderscheid tussen vestigings- en toerekeningsfase van de aansprakelijkheid lijkt te vervagen maar nog wel ᶣ zoals ik hierna bij de inhoudelijke behandeling van de rechtsklacht ten principale zal trachten duidelijk te maken ᶣ in het achterhoofd moet worden gehouden omdat ons recht nu eenmaal een minimaal c.s.q.n.-verband tussen normschending en schade eist. [19.] Wellicht is het in dit verband ook nuttig om aan te sluiten bij de woorden van Bloembergen en als leidraad te nemen dat de artikelen 6:98, 6:99 en 6:101 BW nauw samenhangen en het daarom voor de hand ligt bij de oplossing van vraagstukken van onzeker causaal verband te kijken naar de beginselen die in deze bepalingen besloten liggen en niet alleen vanuit n artikel te redeneren. [20.] Het lijkt mij toe dat de gemeenschappelijke ratio ligt in de gedachte van 'verwezenlijking van de materiãle norm'. [21.] Waar die verwezenlijking door toepassing van de omkeringsregel neerkomt op volledige schadevergoeding ('alles of niets'), vindt die in Nefalit/Karamus-gevallen proportioneel plaats. Inhoudelijke behandeling van de rechtsklacht 2.3 Nadere lezing van rov. 20 van het bestreden arrest laat zien dat het hof in het kader van de billijkheidscorrectie met de aard van de geschonden norm en de geleden schade rekening heeft

13 gehouden. Dit zijn echter criteria waarvan kan worden aangenomen dat het hof die reeds in aanmerking heeft genomen bij het volgen van de (50/50-)proportionele benadering van de rechtbank. Dit wordt door Nationale Nederlanden ook aangevoerd in paragraaf 3.6 van haar schriftelijke toelichting. S. wijzen daarentegen in nr. 19 van hun nota van dupliek/repliek in cassatie op de 'superonschuld' van het destijds nog ongeboren kind. Een bijzondere situatie ᶣ anders dan die van het eigen rookgedrag van de werknemer in Nefalit/Karamus ᶣ die volgens hen eens temeer een correctie van de door het hof vastgestelde veroorzakingskans zou rechtvaardigen Als overige bijzondere omstandigheden ter correctie van de 50/50-veroorzakingskans doet het hof in rov. 20 van het bestreden arrest nog een beroep op het feit dat de aangesprokene een WAM-verzekering heeft en dat het gaat om een destijds nog ongeboren kind dat de ingrijpende gevolgen van de aandoening dagelijks ondervindt. [22.] Dit laatste komt overeen met het bovengenoemde 'superonschuld'-argument van S Hoewel ik de aanpak van het hof in dit geval goed kan begrijpen, kom ik tot een ontkennende beantwoording van de door Nationale Nederlanden gestelde rechtsvraag of naar geldend recht de in rov. 20 van het thans in cassatie bestreden arrest genoemde omstandigheden (wederom) voor de rechter een rechtvaardiging kunnen vormen om na gemotiveerde schatting van het proportionele kanspercentage dit causale percentage te corrigeren, bijvoorbeeld via analoge toepassing van de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 lid 1 BW. In de eerste plaats acht ik van belang dat de aanvaarding van het c.s.q.n-verband bij onzekerheid omtrent de causaliteit in de kern gaat om de vestiging van de aansprakelijkheid. In plaats van bij onzekerheid te kiezen voor het ontbreken van iedere aansprakelijkheid wordt een bepaalde verdeling aanvaard, waarmee, als ik het goed zie, ook de grenzen van de aansprakelijkheid zijn gegeven. Met andere woorden: als in het onderhavige geval op basis van de schattingen van deskundigen 50% aansprakelijkheid wordt aangenomen, kan de billijkheid die niet vergroten tot 60%. Het verschil met toepassing van artikel 6:101 is dan ook dat in dat geval de aansprakelijkheid van de betrokken partij in termen van c.s.q.n.-verband al vaststaat voor 100% en dat voor rekening van de benadeelde komende omstandigheden daarop in mindering worden gebracht. [23.] De billijkheidscorrectie heeft alleen betrekking op deze verdeling, die in verband met de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval kan of moet uitvallen. In de tweede plaats berust de toepassing van de regel omtrent proportionele verdeling van aansprakelijkheid in geval van causaliteitsonzekerheid al op toepassing van de billijkheid en zou een billijkheidscorrectie "dubbelop" zijn. Ook uit praktische overwegingen is er veel voor te zeggen onderscheid te maken tussen het "model" van proportionele verdeling van aansprakelijkheid enerzijds en dat van een soepele hantering van de c.s.q.n.-norm met de mogelijkheid van een correctie via artikel 6:101 anderzijds. Ten slotte kan de proportionele verdeling mede in de sleutel van artikel 6:98 wordt geplaatst en biedt de toerekening naar redelijkheid dan dezelfde mogelijkheden van afweging als in geval van artikel 6:101 wordt gedaan. Bij dit alles moet in aanmerking worden genomen dat proportionele aansprakelijkheid niet gemakkelijk mag worden aangenomen en dat een billijkheidscorrectie daarop haaks zou staan. Ik werk dit als volgt verder uit De literatuur is met betrekking tot de thans aan de orde zijnde rechtsvraag in ieder geval niet eenduidig. Toepassing van de billijkheidscorrectie is aanvankelijk ᶣ kort na de beslissing van de Hoge Raad inzake Nefalit/Karamus ᶣ fwel uitgesloten in het licht van de overwegingen van de Raad in dat arrest fwel als mogelijkheid opengehouden. [24.] In zijn conclusie, nr. 6.30, v r Nefalit/Karamus merkte mijn ambtgenoot Spier al op dat het gronden van de proportionele aansprakelijkheid op artikel 6:101 dan wel op artikel 6:98 BW tot uiteenlopende resultaten kan leiden gelet op de billijkheidscorrectie van eerstgenoemd artikel. Klaassen stelde daartegenover dat ook artikel 6:98 ruimte biedt om met m r factoren rekening te houden dan met alleen het

14 kanspercentage. [25.] Ik herinner de Hoge Raad in dit verband aan de hierv r in gereleveerde opmerking van Bloembergen dat de artikelen 6:98, 6:99 en 6:101 BW nauw samenhangen en het daarom voor de hand ligt bij de oplossing van vraagstukken van onzeker causaal verband te kijken naar de beginselen die in die bepalingen besloten liggen en niet alleen vanuit n artikel te redeneren. Uiteindelijk gaat het mijns inziens om de verwezenlijking van de materiãle norm, met dien verstande dat het in casu om een proportionele verwezenlijking gaat De ten principale aan de orde zijnde kwestie is weer aangeroerd door mijn ambtgenoot Wissink in zijn conclusie, nr. 3.88, v r Fortis/Bourgonje. Wissink is van mening dat artikel 6:101 BW een eigen afwegingskader voorschrijft dat maar gedeeltelijk samenvalt met dat van de Nefalit/Karamus-regel. Ondanks het feit dat het proportionele resultaat zowel in geval van analoge toepassing van artikel 6:101 BW (Nefalit/Karamus) als in geval van 'echte' toepassing van artikel 6:101 wordt bereikt, gaat het om een verschil in techniek welke ertoe leidt dat andere beslispunten worden benadrukt, aldus Wissink in nr van zijn conclusie v r Fortis/Bourgonje Als ik het goed zie, dan doelt Wissink hier op het feit dat door het loslaten van het c.s.q.n.- vereiste slechts met schattingen kan worden gewerkt om berhaupt iets zinnigs over het causaal verband te kunnen zeggen. Het beslispunt dat dan benadrukt wordt, is het kanspercentage en niet ᶣ zoals bij artikel 6:101 BW het geval is ᶣ de redelijkheid van de toerekening in verband met gedragingen van de benadeelde of omstandigheden die tot zijn risicosfeer behoren. Juist vanwege het loslaten van het c.s.q.n.-vereiste heeft de Hoge Raad in rov van Nefalit/Karamus geoordeeld dat het kanspercentage op een "gemotiveerde" schatting moet berusten. Dit in tegenstelling tot de causale verdeling van 'echte' artikel 6:101- situaties. Met betrekking tot die causale verdeling, alsmede met betrekking tot de toepassing van de billijkheidscorrectie, gelden volgens constante jurisprudentie van de Hoge Raad slechts beperkte motiveringseisen voor de rechter, zodat diens oordeel vooral intu tief is. [26.] Nu zou men hiertegen kunnen inbrengen dat rechterlijke oordelen over causaal verband altijd in belangrijke mate intu tief zijn en men niet ontkomt aan het doen van een schatting. Echter, in gevallen als de onderhavige is er geen duidelijk omslagpunt naar het 'alles' of naar het 'niets', dus stuit men op het dilemma dat fwel de benadeelde met de schade blijft zitten door de normschending van de ander fwel die ander wordt veroordeeld tot vergoeding van schade die hij niet heeft veroorzaakt. Daarvoor moet dan een oplossing worden gezocht door de invoering van bepaalde grootheden (kanspercentages) tegenover elkaar te plaatsen, net als bij toepassing van de gemiste kanstheorie. [27.] Het verschil met deze theorie en de onderhavige kwestie is dat thans definitief het c.s.q.n.-verband als minimumvereiste wordt losgelaten. [28.] Blijkens de hierv r in geciteerde passages uit rechtsoverwegingen 3.8 en 3.10 van Fortis/Bourgonje is dit slechts toelaatbaar als daarvoor klemmende redenen bestaan. Men dient derhalve het gezichtspunt te laten varen dat na vaststelling van het kanspercentage de aansprakelijkheid is gevestigd en vervolgens de wetsystematische stap naar de toerekening van aansprakelijkheid kan worden gemaakt (inclusief toepassing van de billijkheidscorrectie). Het dogmatische onderscheid tussen vestigings- en toerekeningsfase werkt niet goed in dit soort situaties van meervoudige causaliteitsonzekerheid. Het gaat uiteindelijk om redelijke toerekening, hetgeen wil zeggen dat feitelijke onzekerheid over causaal verband zo objectief mogelijk moet worden opgelost door middel van de invoering van bepaalde grootheden (kanspercentages) Een intu tief rechterlijk oordeel is in een typisch geval minder bezwaarlijk dan in Nefalit/Karamus -situaties, nu in laatstgenoemde situaties het c.s.q.n.-verband als voorwaarde voor de vestiging van aansprakelijkheid is losgelaten. Er komt dan te veel nadruk te liggen op de andere twee voorwaarden voor de vestiging van aansprakelijkheid (onrechtmatigheid en schade). [29.] Het

15 enkele feit dat het gaat om een verkeers- of veiligheidsnorm legt niet voldoende gewicht in de schaal; dit is slechts anders in situaties van risicoaansprakelijkheid, zoals die van artikel 185 Wegenverkeerswet (WVW) waar het gaat om aanrijdingen tussen een gemotoriseerd voertuig en een overige weggebruiker (voetganger of fietser). Ook kan in dit verband gedacht worden aan de daarmee samenhangende kwestie van de verzwaarde zorgplicht van banken bij het op de markt brengen van effectenleaseproducten ten behoeve van ondeskundige particuliere beleggers. [30.] In dergelijke zaken wordt om normatieve redenen soepel met het c.s.q.n.-vereiste omgegaan, zodat de rechter aan de billijkheidscorrectie kan toekomen. S. c.s. miskennen dit in nrs en 4.2 van hun schriftelijke toelichting. In de onderhavige zaak vormt de geschonden verkeersnorm, niet zijnde die van artikel 185 WVW, slechts een rechtvaardiging voor toepassing van de Nefalit/Karamus-regel. D rin is het normatieve aspect van deze jurisprudentiãle causaliteitsregel gelegen. [31.] Om aansprakelijkheid te vestigen, dient derhalve enig objectief beslispunt of grootheid als uitgangspunt te worden genomen, te weten het kans- of waarschijnlijkheidspercentage. Corrigeren van dit percentage op grond van billijkheidsoverwegingen zou partijen weer 'overleveren' aan de intu tie van de rechter Gesteld zou nog kunnen worden dat de grens tussen eigen schuld en afwezigheid van causaal verband niet altijd even scherp is, dat men er dus niet aan ontkomt normatieve criteria toe te passen. Zo heeft Brunner in zijn annotatie bij HR 24 januari 1997 (NJ 1999/56) opgemerkt dat de eigen schuldbepaling van artikel 6:101 BW door de uitdrukkelijke vermelding van de billijkheidsuitzonderingen op de causaliteitsmaatstaf een meer uitgewerkte regeling geeft van de toerekening op grond van veroorzaking. [32.] Dit neemt echter niet weg dat ook met betrekking tot artikel 6:101 lid 1 BW als hoofdregel een zuivere causaliteitsmaatstaf geldt, zodat het voor de verdeling van de schade over benadeelde en aangesprokene aankomt op de mate van waarschijnlijkheid van ieders causale bijdrage. [33.] De leer van de proportionele aansprakelijkheid gaat alleen een stap verder door hogere eisen te stellen aan de motivering van het oordeel van de rechter over de mate van waarschijnlijkheid (minder intu tief en dus objectiever). Dit in verband met het door de Hoge Raad in Fortis/Bourgonje, en reeds eerder door Nieuwenhuis, geuite bezwaar van de mogelijkheid dat een gedaagde wordt veroordeeld tot vergoeding van een (zekere mate van) schade die niet door hem veroorzaakt is. [34.] Op het hierv r uiteengezette betoog tegen toepassing van de billijkheidscorrectie bij proportionele aansprakelijkheid sluit ook aan het uitgangspunt van de Hoge Raad in Nefalit/Karamus, dat predisposities van de benadeelde ᶣ ten aanzien waarvan veelal onder het motto 'the tortfeasor takes the victim as he finds him' wordt geoordeeld dat zij voor rekening komen van degene die een verkeers- of veiligheidsnorm heeft geschonden ᶣ aan de benadeelde worden toegerekend. [35.] Een billijkheidscorrectie is hiermee niet goed te rijmen. De aansluiting bij de causale verdeling van het eerste lid van art. 6:101 BW is derhalve eerder feitelijk dan normatief gekleurd (in tegenstelling tot hetgeen S. c.s. in nrs. 6, 7, 15 en 20 van hun nota van dupliek/repliek in cassatie tot uitgangspunt nemen [36.] ). Ik vermoed ook dat dit de reden is geweest dat de Hoge Raad op dezelfde dag als zijn beslissing inzake Nefalit/Karamus in een vergelijkbare zaak (HR 31 maart 2006, LJN AU6093, RvdW 2006/336) de schade proportioneel toerekende aan de werkgever op basis van het door de deskundigen vastgestelde kanspercentage van 63,5% ten aanzien van het causaal verband tussen het werken met asbest en de longkanker van de werknemer. [37.] Een opmerkelijke beslissing gelet op het feit dat de werknemer, in tegenstelling tot Karamus, nooit had gerookt. [38.] Per saldo concludeer ik dat een te lichtvaardig omgaan met gemotiveerde [39.] kanspercentages (bijvoorbeeld via correctie daarvan op grond van billijkheidsuitzonderingen) het causaliteitsleerstuk van de toerekening naar redelijkheid ex artikel 6:98 BW op losse schroeven zet. Alles zou dan afhangen van de intu tie van de rechter. Weliswaar brengt het

16 accepteren van het instrument van de proportionele aansprakelijkheid dit in meerdere of mindere mate ᶣ al naar gelang de beschikbaarheid van bijvoorbeeld statistische informatie ᶣ met zich, [40.] maar dit rechtvaardigt m.i. niet een vergoedingsplicht enkel gebaseerd op billijkheidsoverwegingen. Dat het hof blijkens rov. 20 van het bestreden arrest de billijkheidscorrectie met terughoudendheid toepast, doet hier niet aan af. Het gevaar van willekeurige uitkomsten en rechtsonzekerheid is dan nog steeds te groot. 2.4 Nu m.i. de in het principale cassatiemiddel aangevoerde rechtsklacht van Nationale Nederlanden gegrond is en derhalve het bestreden arrest van het hof 's-gravenhage moet worden vernietigd, dient Uw Raad, als u mijn opvatting zou volgen, nog stil te staan bij de voorwaardelijk ingestelde incidentele klachten van S. 3. Beoordeling van het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep 3.1 In de kern strekt het (voorwaardelijk) incidentele cassatieberoep van S. c.s. ertoe te verdedigen dat de Hoge Raad met het aanvaarden van proportionele aansprakelijkheid het toepassingsbereik voor de omkeringsregel in het nadeel van slachtoffers van schendingen van verkeers- of veiligheidsnormen niet heeft willen wijzigen. In de onderdelen 1, 2 en 4 van het incidentele cassatieberoep trachten S. c.s. de Hoge Raad ervan te overtuigen dat de proportionele leer niet absoluut geldt (onderdeel 4) en (daarom) nog ruimte bestaat voor toepassing van de omkeringsregel (onderdelen 1 en 2). Het hof zou dat in de rov. 7, 13 en 20 van het bestreden arrest hebben miskend Daarnaast bevat onderdeel 3 van het incidentele cassatieberoep nog de motiveringsklacht dat, zo de omkeringsregel inderdaad niet van toepassing is, het hof in rov. 14 van het bestreden arrest niet voldoende heeft gemotiveerd waarom het tot een 50/50-verdeling is gekomen in het kader van de proportionele aansprakelijkheid (onderdeel 3). Een en ander in verband met een deskundigenrapport zijdens S. waarin van een kans van procent wordt gesproken dat de spasticiteit bij S. is veroorzaakt door de prenatale aanrijding. 3.2 Ik behandel eerst de in onderdeel 4 aangevoerde klacht over 's hofs interpretatie van de Nefalit/Karamus-regel. Het betreft een voorwaardelijke klacht in die zin dat voor zover het hof is uitgegaan van een "zuiver" proportionele aansprakelijkheid, dat wil zeggen een gedeeltelijke aansprakelijkheid naar rato van de veroorzakingswaarschijnlijkheid, het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens S. is de Nefalit/Karamus-regel niet gelijk te stellen met proportionele aansprakelijkheid (de Hoge Raad gebruikt die term ook niet, in Nefalit/Karamus noch in Fortis/Bourgonje, aldus S.), nu de Raad in Nefalit/Karamus heeft aangenomen dat allereerst volledige aansprakelijkheid wordt aangenomen en daarop vervolgens een kanspercentage in mindering wordt gebracht analoog aan de 'eigen schuld'-regeling van artikel 6:101 BW Deze rechtsklacht is ongegrond. Hoe het hof de Nefalit/Karamus-regel ook heeft ge nterpreteerd, het gaat om een vorm van proportionele aansprakelijkheid. Aan de genoemde tweestapsmethode van de Hoge Raad (volledige schadevergoeding onder aftrek van het percentage dat voor risico van benadeelde komt) dient niet de betekenis te worden toegekend die S. c.s. daaraan toekennen. Dat de Hoge Raad in rov van Nefalit/Karamus overweegt dat de rechter in dergelijke gevallen van meervoudige causaliteitsonzekerheid de aangesprokene tot vergoeding van de gehele schade mag veroordelen, heeft slechts te maken met het feit dat hij naast artikel 6:101 BW tevens aansluiting heeft gezocht bij artikel 6:99 BW. En laatstgenoemd artikel ziet nu eenmaal op alternatieve veroorzaking in de situatie dat twee of meer personen een norm hebben geschonden en hoofdelijk (en volledig!) aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de schade. Het middelonderdeel miskent echter dat Uw Raad slechts bij de uitgangspunten van die artikelen heeft willen aansluiten. Het gaat daarbij uiteindelijk om de verwezenlijking van de materiãle norm op een redelijke en billijke (in dit geval: proportionele) wijze (zie hierv r onder en 2.3.3). De door het onderdeel bepleite opvatting dat geen sprake kan zijn van proportionele aansprakelijkheid omdat uitgegaan moet worden van aansprakelijkheid voor het geheel, acht ik onjuist. Een onderscheid tussen "zuivere" en "onzuivere" proportionele aansprakelijkheid voegt niets toe aan dit soort gevallen van onzeker causaal verband. In

17 de literatuur is dan ook wel geconstateerd dat de gekozen formulering van de Hoge Raad niet zo fraai is. [41.] 3.3 De onderdelen 1 en 2 behandel ik thans gezamenlijk. Beiden richten zich tegen rov. 7 van het bestreden arrest, waarin het hof de toepassing van de omkeringsregel heeft verworpen (onderdeel 1) en heeft aangenomen dat het tegenbewijs van Nationale Nederlanden ook zou slagen in geval de omkeringsregel w l zou moeten worden toegepast (onderdeel 2). Ik merk op dat onderdeel 1 bij gebrek aan belang niet tot cassatie kan leiden als ook onderdeel 2 faalt S. trachten met een beroep op het beschermingsbereik van de door de verzekerde van Nationale Nederlanden geschonden verkeersnorm de toepassing van de omkeringsregel te rechtvaardigen (nr. 3.6 s.t.). Uit het feit dat de omkeringsregel bij uitstek op verkeers- en veiligheidsnormen van toepassing is, leiden S. af dat in casu dus bij uitstek w l plaats is voor toepassing van die regel (nr. 3.9 s.t.). Het onderdeel miskent hiermee in zoverre dat het in de onderhavige zaak gaat om meervoudige causaliteitsonzekerheid van dien aard dat het letstel het gevolg kan zijn van beide oorzaken. De omkeringsregel is dan een te ruw middel. [42.] Het causale verband is in situaties als de onderhavige nu eenmaal niet te bewijzen, ook niet door een bewijsrisico-omkering. Daar komt bij dat ᶣ zoals annotator Asser reeds heeft opgemerkt ᶣ de omkeringsregel slechts gereserveerd is voor de meest sprekende gevallen waar het causaal verband tussen normschending en het ontstaan van de schade al dadelijk in het oog springt. [43.] Weliswaar heeft Tjong Tjin Tai [44.] opgemerkt dat het er bij Nefalit/Karamus-situaties in wezen op neerkomt dat de omkeringsregel zowel jegens laedens als jegens gelaedeerde wordt toegepast voor ieders causale factoren (nr s.t.), maar deze opmerking is niet m r dan een beschouwing van het onderhavige probleem van meervoudige causaliteitsonzekerheid vanuit bewijsrechtelijk perspectief; uiteindelijk zal het probleem niet op zuiver bewijsrechtelijk niveau kunnen worden opgelost, nu het in gevallen als de onderhavige en Nefalit/Karamus gaat om het meewegen van de kans op een causale bijdrage, zoals ook door Tjong Tjin Tai wordt onderkend (en ook door L. c.s, zie nrs en 4.4 van hun schriftelijke toelichting). Daarom geldt dat de omkeringsregel in gevallen van kansschade en onzeker causaal verband niet van toepassing is, omdat uit de aard der zaak niet voldoende aannemelijk is dat het gevaar waartegen de overtreden norm beoogde te beschermen zich heeft verwezenlijkt. [45.] Vandaar dat ook de verwijzing van S. c.s. in nr van hun schriftelijke toelichting naar HR 7 december 2007, LJN BB3670, NJ 2007/644, JA 2008/33 (m.nt. R.W.M. Giard), JBPr 2008, 19 (m.nt. C.J.M. Klaassen) hen niet kan baten Het komt mij voor dat S. c.s. ten onrechte ervan uitgaan dat de kans "zeer" groot is dat de spasticiteit van S. is veroorzaakt door de aanrijding (zie nr. 5.9 s.t. L.). Het onderdeel veronderstelt dat de kans daarop "minimaal" 50% is (zie nr. 10 nota dupliek/repliek). Dat laatste is nu juist de vraag. Uitgangspunt is dat in het onderhavige geval het omslagpunt van het 'alles' of 'niets' met betrekking tot het causale verband tussen de verkeersovertreding en de letselschade berhaupt niet met zekerheid vastgesteld kan worden, [46.] simpelweg omdat er twee (mogelijke) zelfstandige oorzaken zijn, een prenatale en een postnatale. Het gaat dan niet aan om dit probleem op bewijsrechtelijk niveau te naderen, bijvoorbeeld via bewijsvermoedens of de omkeringsregel Naar mijn mening faalt ook de in het tweede onderdeel van het incidentele cassatiemiddel aangevoerde tweeslag van de primaire rechtsklacht en de subsidiaire motiveringsklacht betreffende de kwestie van het al dan niet geleverd zijn van tegenbewijs (zie nrs t/m 5.16 s.t.). Het oordeel van het hof dat de reãle mogelijkheid van een andere schadeoorzaak voldoende is om aan de omkeringsregel haar werking te ontnemen, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Daartoe is niet noodzakelijk dat aannemelijk is dat de schade door de andere oorzaak is ontstaan, maar voldoende is dat de kans daarop zo groot is dat aan de juistheid van de uitkomst van de omkeringsregel moet worden getwijfeld. Onbegrijpelijk is dit oordeel allerminst, nu het hof die kans even groot acht als die van de andere schadeoorzaak. De conclusie van het hof in rov. 11 van het bestreden arrest dat niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat (alleen) de

18 gebeurtenissen na de geboorte de schade bij S. hebben veroorzaakt, moet aldus worden begrepen dat kan worden aangenomen dat er "een niet zeer kleine kans" bestaat dat het c.s.q.n.-verband tussen de geschonden norm en de geleden schade aanwezig is. Dit heeft de Hoge Raad in rov. 3.8 inzake Fortis/Bourgonje tot (terughoudend) criterium voor de toepassing van de Nefalit/Karamus-regel verheven. De conclusie van het hof in rov. 11 van het bestreden arrest speelt dus niet op het niveau van het bewijsrecht (in tegenstelling tot rov. 7 van het bestreden arrest). 3.4 Onderdeel 3 richt zich met een motiveringsklacht tegen het door het hof in rov. 14 van het bestreden arrest vastgestelde proportionele percentage van 50%. Niet begrijpelijk zou zijn waarom het hof uitgaat van een 50/50 verdeling, terwijl geen van de deskundigen uitdrukkelijk een percentage noemt en n deskundige dat w l doet, te weten 70 80% ten gunste van S De motiveringsklacht moet naar mijn mening falen, omdat uit de stukken uit de feitelijke instanties genoegzaam blijkt dat verschillende deskundigen (herhaaldelijk) hebben gerapporteerd en de meerderheid daarbij tot de slotsom is gekomen dat er twee concrete oorzaken zijn, de prenatale aanrijding en de postnatale RDS, waarbij vaststaat dat beide oorzaken de schade volledig kunnen hebben veroorzaakt dan wel dat er sprake is van een samenloop van beide oorzaken. Het rapport (C), waarin wordt uitgegaan van 70 tot 80%, vormt daarbij een uitzondering. Bovendien is die deskundige een partij-deskundige van de zijde van S. c.s., zodat het merkwaardig zou zijn als het hof juist aan dat rapport doorslaggevende betekenis zou hebben toegekend, terwijl de meerderheid van de deskundigen, ook de door het hof aangewezen deskundigen, (ook) na kennisneming van dat rapport, concludeerden dat de kansen ongeveer gelijk zijn. Het hof, dat zijn oordeel toereikend heeft gemotiveerd, kon dan ook niet anders dan een 50/50-benadering hanteren. 4. Conclusie De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest in het principaal cassatieberoep en tot verwerping van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep. Voetnoten Voetnoten [1.] Ontleend aan rov. 2.1 t/m 2.22 van het vonnis van de rechtbank 's-gravenhage d.d. 12 november 2008 en rov. 1 en 2 van het thans in cassatie bestreden arrest van het hof te 's-gravenhage d.d. 28 december [2.] In rov. 2 van het bestreden arrest spreekt het hof abusievelijk van 29 juni [3.] Zie rov (eerste volzin) en rov (laatste volzin) van genoemd vonnis. [4.] Zie rov. 13 van het bestreden arrest. [5.] De cassatiedagvaarding is betekend op 4 maart 2011, derhalve binnen drie maanden na de dag van uitspraak van het bestreden arrest (28 december 2010). [6.] A.J. Akkermans, Proportionele aansprakelijkheid bij onzeker causaal verband (diss.), 1997, par (p ) en par (p. 459); Asser/Hartkamp & Sieburgh, 6-II* 2009/3, nr. 79; M.G. Faure, Proportionele Aansprakelijkheid, in: Hammerstein/Akkermans/Faure/Van Boom, Causaliteit: inleidingen gehouden op het symposium van de Vereniging van Letselschade Advocaten 2003, p [7.] Het arrest is ook geannoteerd door W.H. Bouman in JA 2006/81. Zie voor een keuze voor een proportionele benadering in de context van nakoming: HR 17 februari 2006, LJN AU9717, NJ 2006/378 (m.nt. M.M. Mendel), waarover C.R. Christiaans, Beroep op vervalbeding voor 90% onaanvaardbaar: HR 17 februari 2006 (Royal & Sun Alliance c.s./universal Pictures), MvV 2006, p [8.] Zie voorts I. Giesen, (Dis)Proportionele onduidelijkheid, NTBR 2011/19, p [9.] Zie de conclusie, nr , van A-G Wissink v r Fortis/Bourgonje. Zie voorts Asser/Hartkamp & Sieburgh, 6-II* 2009/3, nr. 80; R.J.B. Boonekamp, Causaal verband, in: losbl. Kluwer Schadevergoeding, Art. 98, Aant 16; C.J.M. Klaassen, Schadevergoeding: algemeen, deel 2, Mon. BW, B35, 2007, nr. 57 (p.

19 71-72) en nr. 61 (p. 77 onder a); A.J. Akkermans, Proportionele aansprakelijkheid bij onzeker causaal verband (diss.), 1997, hfd. 3 (p. 107 e.v.) en par (p ); A.J. Akkermans, Grondslagen voor proportionele aansprakelijkheid bij onzeker causaal verband, in: Van Boom/Jansen/Linssen (red.), Tussen 'Alles' en 'Niets', Schoordijk Instituut 1997, p ; I. Giesen & T.F.E. Tjong Tjin Tai, Proportionele tendensen in het verbintenissenrecht: een rechtsgeleerd dialoog, Preadvies voor de Vereniging voor Burgerlijk Recht, 2008, p. 97. [10.] Hoewel de feiten tegen Bourgonje spraken: uit de bijgebrachte stukken bleek dat het niet waarschijnlijk was dat hij de aandelen na een indringend advies van Fortis w l had verkocht. De eventueel toegewezen kansschade zou dan ook vrijwel nihil zijn geweest. [11.] Ik doe een greep uit de literatuur van de laatste vijftien jaar zonder de pretentie uitputtend te zijn: A.J. Akkermans, Proportionele aansprakelijkheid bij onzeker causaal verband (diss.), 1997, p , alsmede de recensies van dit proefschrift van A.R. Bloembergen, WPNR 97/6279, p en L. Dommering- Van Rongen, NTBR 1998/1, p ; A.J. Akkermans, Grondslagen voor proportionele aansprakelijkheid bij onzeker causaal verband, in: Van Boom/Jansen/Linssen (red.), Tussen 'Alles' en 'Niets', Schoordijk Instituut 1997, p ; Asser/Hartkamp & Sieburgh, 6-II* 2009/3, nrs., 79, 80 en 81; W.H. van Boom, Structurele fouten in het aansprakelijkheidsrecht (or.), 2003, p. 8 e.v.; R.J.B. Boonekamp, Causaal verband, in: losbl. Kluwer Schadevergoeding, Art. 98, Aant 16 en Art. 99, Aantt. 4.3 en 6.3; Chr. H. van Dijk, NTBR 2006/44, p ; M.G. Faure, Proportionele Aansprakelijkheid, in: Hammerstein/Akkermans/Faure/Van Boom, Causaliteit: inleidingen gehouden op het symposium van de Vereniging van Letselschade Advocaten 2003, p ; I. Giesen & T.F.E. Tjong Tjin Tai, Proportionele tendensen in het verbintenissenrecht: een rechtsgeleerd dialoog, Preadvies voor de Vereniging voor Burgerlijk Recht, 2008, p ; I. Giesen, (Dis)Proportionele duidelijkheid, NTBR 2011/19, p ; T. Hartlief, Proportionele aansprakelijkheid: een introductie, in: Akkermans/Faure/Hartlief, Proportionele aansprakelijkheid, 2000, p. 1-22; A.L.M. Keirse, Proportionele aansprakelijkheid bij blootstelling aan asbestvezels en tabaksrook, TVP 2006/3, p ; C.J.M. Klaassen, Schadevergoeding: algemeen, deel 2, Mon. BW, B35, 2007, nrs ; C.J.M. Klaassen, Proportionele aansprakelijkheid: een goede of kwade kans?, NJB 2007/1164, p ; J.S. Kortmann, Nefalit/Karamus: Proportionele aansprakelijkheid?, NJB 2007/26, p ; S.D. Lindenbergh, Hoge Raad aanvaardt proportionele aansprakelijkheid bij onzeker causaal verband (Nefalit/Karamus), MvV 2006/6, p ; S.D. Lindenbergh, Alles is betrekkelijk: over de relatie tussen normschending en sanctie in het aansprakelijkheidsrecht (or.), Erasmus Law Lectures 7, 2007, p ; J.H. Nieuwenhuis (zeer kritisch), Disproportionele aansprakelijkheid, RM Themis 2006/5, p ; R.L.M.M. Tan, Over het mogelijke en het waarschijnlijke, salomonsoordelen in het aansprakelijkheidsrecht, AV&S 2008/4, p ; T.F.E. Tjong Tjin Tai, Proportionele aansprakelijkheid in het algemene aansprakelijkheidsrecht, Bb 2006/28, p [12.] Zie rov van het Nefalit/Karamus-arrest (hierv r geciteerd), waarover Asser/Hartkamp & Sieburgh, 6- II* 2009/3, nr. 81. Lindenbergh (MvV 2006/6, p. 106) signaleert nog dat de Hoge Raad in dit verband opmerkelijk spreekt van 'uit overwegingen van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar', hetgeen erop wijst dat de grondslag niet hetzelfde is als die van artikel 6:248 lid 2 jo. 6:2 BW (alwaar wordt gesproken van 'naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar'). Volgens Lindenbergh is er geen noodzaak aan te sluiten bij laatstgenoemde artikelen, aangezien het schadevergoedingsrecht al voldoende ruimte voor de redelijkheid biedt. [13.] Dat blijkt uit het feit dat hij aansluit bij Frenks "toerekening naar kansbepaling" ex art. 6:98 BW. Volgens Akkermans (diss., p. 441, alsmede in Tussen 'Alles en Niets', supra noot 9, p. 106) ligt daarin een fundamentele dogmatische vernieuwing besloten. Zie N. Frenk, Toerekening naar kansbepaling, NJB 1995/13, p. 482 e.v. [14.] A.R. Bloembergen, WPNR 97/6279, par. 3, p De kalimijnenzaak is ook gepubliceerd in VR 1990/98 m.nt. VWvC. [15.] Lindenbergh, MvV 2006/6, p Het is volgens Lindenbergh dan ook opmerkelijk dat de Hoge Raad artikel 6:98 BW niet noemt.

20 [16.] Volgens Akkermans moet men artikel 6:99 BW dan ook niet begrijpen als een bewijsregel, maar als een bijzondere regel van materieel recht (zie diss., p. 70). Bloembergen sluit zich daarbij aan (zie WPNR 97/6279, par. 3, p ). [17.] Voor de volledigheid zij erop gewezen dat het bij 'eigen schuld' ook kan gaan om toerekening van omstandigheden aan de benadeelde die tot zijn risicosfeer behoren. Dan ligt de nadruk minder op medeveroorzaking van de schade en dus op causaal (c.s.q.n.) verband tussen eigen gedragingen van de benadeelde en de schade. Zie losbl. Kluwer Schadevergoeding, Art. 101, Aant. 4.4 (bewerkt door Boonekamp), met verwijzingen naar rechtspraak waaronder Nefalit/Karamus. [18.] Akkermans (diss.), p [19.] Zie bijv. losbl. Kluwer Schadevergoeding (Boonekamp), Art. 98, Aant. 3; Klaassen, Mon. BW. B35, 2007, nrs. 19 en 20b. Zie voorts HR 9 april 2004, LJN AO3170, NJ 2004/308 m.nt. DA (Fibromyalgie). [20.] Bloembergen, a.w., par. 3, p Hierbij zij vermeld dat Bloembergen dit heeft opgemerkt in de context van Akkermans aansluiting bij Frenks benadering van de "toerekening naar kansbepaling" ex artikel 6:98 BW. In die benadering vloeien vestiging en toerekening van aansprakelijkheid ineen. Vgl. Akkermans (diss.), p. 441 en Klaassen (Mon. BW, B35), p. 77. [21.] Zie bijv. I. Giesen, De aantrekkingskracht van Loreley, in: Hartlief/Lindenbergh (red.), Tien pennenstreken over personenschade: Bijdragen ter gelegenheid van het twintigste symposium van de Vereniging van Letselschade Advocaten 2009, p [22.] Het laatste komt m.i. neer op het in datzelfde kader reeds door het hof gehanteerde criterium van de geleden schade of de ernst van het letsel. [23.] Dit is dan ook een wezenlijk andere situatie dan de tweestapsmethode van de Hoge Raad in rov van Nefalit/Karamus (het uitgangspunt dat de rechter in dat soort gevallen de gedaagde analoog aan de artt. 6:99 en 6:101 BW mag veroordelen tot betaling van de "gehele" schade "onder aftrek van" de aan de benadeelde toe te rekenen omstandigheden), Zie hierover het (voorwaardelijk) incidentele cassatieberoep van S. (infra nrs. 3.2 en 3.2.1).. [24.] Tjong Tjin Tai,(Bb 2006/28), p. 99 resp. Klaassen (Mon. BW, B35, 2007), nr. 61, p. 78. [25.] Ibid., Klaassen. [26.] HR 4 mei 2001, LJN AB1426, NJ 2002/214 m.nt. CJHB (Chan-a-Hung/Maalst ); HR 24 september 2004, LJN AO9070, NJ 2005/466 m.nt. DA (Lok/Stam); HR 8 juli 2011, LJN BP6996, NJ 2011/307 (Bax/Van Gemert). Zie verder nog de rechtspraak genoemd in de losbl. Kluwer Schadevergoeding (Boonekamp), Art. 101, Aantt en Ook zij nog verwezen naar E.F.D. Engelhard, Reflecties van de Hoge Raad over verdere ontwikkeling van het verkeersaansprakelijkheidsregime: Noot bij HR 4 mei 2001, RvdW 2001/99 (NJ 2002/214 m.nt. CJHB) (Chan-u-Hung/Maalst ), NTBR 2001/9, p [27.] Giesen & Tjong Tjin Tai, Proportionele tendensen, Preadvies, 2008, p. 68; Klaassen, Mon. BW, B35, 2007, nr. 20b, p ; Hartlief, in: Akkermans/Faure/Hartlief, Proportionele aansprakelijkheid, 2000, p [28.] Het c.s.q.n.-vereiste als minimumvoorwaarde voor de vestiging van aansprakelijkheid is benadrukt in HR 9 april 2004, LJN AO3170, NJ 2004/308 m.nt. DA (fibromyalgiesyndroom na verkeersongeval). Zie ook Asser/Hartkamp & Sieburgh, 6-II* 2009/3, nr. 50 en de losbl. Kluwer Schadevergoeding (Boonekamp), Art. 98, Aant. 9. [29.] Zie bijv. Asser/Hartkamp & Sieburgh, 6-II* 2009/3, nr. 51. [30.] Zie bijv. 5 juni 2009, LJN BH2815, NJ 2012/182 (Treek/Dexia), rov t/m Zie hierover uitvoerig de conclusie, nrs en 3.67, van A-G Wissink v r Fortis/Bourgonje. Dit neemt overigens niet weg dat de stelplicht en de bewijslast van het causaal verband in beginsel op de cliãnt van de bank rust (ook al wordt met betrekking tot het aannemen van dat causaal verband soepel omgegaan). Zie recentelijk: HR 3 februari 2012, LJN BU4914, NJ 2012/95 (Rabobank/X). [31.] Zie ook par. 3.6 van de s.t. van Nationale Nederlanden (het vijfde argument, hierv r weergegeven onder 2.1.1). [32.]

Essentie. Samenvatting

Essentie. Samenvatting RAV 2013/26: Billijkheidscorrectie. Maatstaf voor toepassing van het leerstuk van proportionele aansprakelijkheid; bestaat er ruimte voor toepassin... Klik hier om het document te openen in een browser

Nadere informatie

Gerechtshof s-hertogenbosch 7 april 2015 De leer van de proportionele aansprakelijkheid toegepast

Gerechtshof s-hertogenbosch 7 april 2015 De leer van de proportionele aansprakelijkheid toegepast Gerechtshof s-hertogenbosch 7 april 2015 De leer van de proportionele aansprakelijkheid toegepast 12 Mr. C. Banis en mevrouw mr. L.K. de Haan V&A Advocaten Eenieder draagt in beginsel zijn eigen schade,

Nadere informatie

Proportionele aansprakelijkheid. Prof.mr. E. Bauw Universiteit Utrecht

Proportionele aansprakelijkheid. Prof.mr. E. Bauw Universiteit Utrecht Proportionele aansprakelijkheid Prof.mr. E. Bauw Universiteit Utrecht Opbouw 1. Het vereiste van causaal verband 2. Bewijs van causaal verband 3. Remedies bij onzeker causaal verband 4. Proportionele aansprakelijkheid

Nadere informatie

ECLI:NL:HR:2013:983. Instantie Hoge Raad Datum uitspraak 18-10-2013 Datum publicatie

ECLI:NL:HR:2013:983. Instantie Hoge Raad Datum uitspraak 18-10-2013 Datum publicatie ECLI:NL:HR:2013:983 Instantie Hoge Raad Datum uitspraak 18-10-2013 Datum publicatie 18-10-2013 Zaaknummer 12/03380 Formele relaties Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:52, Gevolgd In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2012:BW8529,

Nadere informatie

1 Het geding in feitelijke instanties

1 Het geding in feitelijke instanties Uitspraak 14 februari 2014 nr. 13/00475 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te s-gravenhage van 18 december 2012, nr. 12/00169,

Nadere informatie

Hoge Raad, 26 januari 2001 (Weststrate/De Schelde); blootstelling aan asbest niet aangetoond. Vordering afgewezen.

Hoge Raad, 26 januari 2001 (Weststrate/De Schelde); blootstelling aan asbest niet aangetoond. Vordering afgewezen. Hoge Raad, 26 januari 2001 (Weststrate/De Schelde); blootstelling aan asbest niet aangetoond. Vordering afgewezen. Samenvatting Werknemer met mesothelioom spreekt werkgever aan. De schadevergoeding wordt

Nadere informatie

De Rechtbank te 's-gravenhage (nr. AWB 10/5062) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.

De Rechtbank te 's-gravenhage (nr. AWB 10/5062) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. 11 Oktober 2013 nr. 12/04012 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-gravenhage van 10 juli 2012, nr. BK-11/00544,

Nadere informatie

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/5545011KG ZA 13-1428 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 juli 2014

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/5545011KG ZA 13-1428 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 juli 2014 arrest GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team II zaaknummer :200.140.465101 KG zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/5545011KG ZA 13-1428 arrest van de meervoudige burgerlijke

Nadere informatie

Hoge Raad der Nederlanden

Hoge Raad der Nederlanden '" 13 februari 2015 Eerste Kamer in naam des Konings 10/02162 LZ Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: l. LEIDSEPLEIN BEHEER B.V., gevestigd te Amsterdam, 2. Hendrikus Jacobus Marinus DE VRIES,

Nadere informatie

LJN: BP4803, Hoge Raad, 10/04523. Datum uitspraak: 20-05-2011 Datum publicatie: 20-05-2011. Rechtsgebied: Civiel overig Soort procedure: Cassatie

LJN: BP4803, Hoge Raad, 10/04523. Datum uitspraak: 20-05-2011 Datum publicatie: 20-05-2011. Rechtsgebied: Civiel overig Soort procedure: Cassatie LJN: BP4803, Hoge Raad, 10/04523 Datum uitspraak: 20-05-2011 Datum publicatie: 20-05-2011 Rechtsgebied: Civiel overig Soort procedure: Cassatie Inhoudsindicatie: Onteigening. Verzuim tot betekening cassatieverklaring

Nadere informatie

IN NAAM DER KONINGIN

IN NAAM DER KONINGIN 2 januari 1987 Eerste Kamer Nr. 12.932 RF/AT IN NAAM DER KONINGIN Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: "VASTELOAVESVEREINIGING DE ZAWPENSE", gevestigd te Grevenbricht, gemeente Born EISERES

Nadere informatie

Honderbezitter aansprakelijk voor schade aangericht door hond aan hondenuitlaatster

Honderbezitter aansprakelijk voor schade aangericht door hond aan hondenuitlaatster Honderbezitter aansprakelijk voor schade aangericht door hond aan hondenuitlaatster LJN: BW9368, Rechtbank Amsterdam, 6 juni 2012 2. De feiten 2.1. [A] en [B] wonen tegenover elkaar in [plaats]. [C] woont

Nadere informatie

Hoge Raad der Nederlanden

Hoge Raad der Nederlanden 6 maart 1998 Eerste Kamer Nr. 16.561 (C97/040 HR) AS Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: Karl Heinz HILLE, wonende te Haarlem, EISER tot cassatie, advocaat : mr E. Grabandt, t e g e n 1. de

Nadere informatie

het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden.

het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden. LJN: AU3784, Raad van State, 200501342/1 Print uitspraak Datum uitspraak: 05-10-2005 Datum publicatie: 05-10-2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht overig Soort procedure: Hoger beroep Inhoudsindicatie: Bij

Nadere informatie

LJN: BF7176, Hoge Raad, 41570 Print uitspraak. Datum uitspraak: 10-10-2008. Datum publicatie: 10-10-2008. Soort procedure: Cassatie

LJN: BF7176, Hoge Raad, 41570 Print uitspraak. Datum uitspraak: 10-10-2008. Datum publicatie: 10-10-2008. Soort procedure: Cassatie LJN: BF7176, Hoge Raad, 41570 Print uitspraak Datum uitspraak: 10-10-2008 Datum publicatie: 10-10-2008 Rechtsgebied: Belasting Soort procedure: Cassatie Inhoudsindicatie: Verkoop van (gebruikte) goederen

Nadere informatie

LJN: BA8945, Rechtbank 's-gravenhage, KG 07/529 Print uitspraak

LJN: BA8945, Rechtbank 's-gravenhage, KG 07/529 Print uitspraak LJN: BA8945, Rechtbank 's-gravenhage, KG 07/529 Print uitspraak Datum uitspraak: 06-07-2007 Datum publicatie: 06-07-2007 Rechtsgebied: Civiel overig Soort procedure: Kort geding Inhoudsindicatie: Eiseres

Nadere informatie

het college van bestuur van de Hogeschool van Amsterdam (hierna: de hogeschool), verweerder.

het college van bestuur van de Hogeschool van Amsterdam (hierna: de hogeschool), verweerder. Zaaknummer : 2013/249 Rechter(s) : mrs. Troostwijk, Lubberdink, Borman Datum uitspraak : 9 mei 2014 Partijen : Appellant tegen CvB Hogeschool van Amsterdam Trefwoorden : Bedreigingsgevaar, belangenafweging,

Nadere informatie

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. De moeder van belanghebbende (hierna: erflaatster) is op [ ] 2010 overleden.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. De moeder van belanghebbende (hierna: erflaatster) is op [ ] 2010 overleden. Uitspraak 10 oktober 2014 Nr. 13/04777 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 29 augustus 2013, nr. 12/00472,

Nadere informatie

Rechtspraak.nl - Print uitspraak

Rechtspraak.nl - Print uitspraak pagina 1 van 6 Zoekresultaat - inzien document ECLI:NL:HR:2015:2191 Permanente link: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ecli:nl:hr:2015:2191 Instantie Hoge Raad Datum uitspraak 14-08-2015 Datum

Nadere informatie

Samenvatting. Consument, ARAG SE, gevestigd te Leusden, hierna te noemen: Aangeslotene. 1. Procesverloop

Samenvatting. Consument, ARAG SE, gevestigd te Leusden, hierna te noemen: Aangeslotene. 1. Procesverloop Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2014-373 d.d. 9 oktober 2014 (mr. P.A. Offers, prof. mr. E.H. Hondius en drs. W. Dullemond, leden en mr. E.E. Ribbers, secretaris) Samenvatting

Nadere informatie

B35 Schadevergoeding: algemeen, deel 2

B35 Schadevergoeding: algemeen, deel 2 Monografieen BW B35 Schadevergoeding: algemeen, deel 2 Prof. mr. C.J.M. Klaassen Kluwer - Deventer - 2007 Inhoud VOORWOORD XI LUST VAN AFKORTINGEN XIII LUST VAN VERKORT AANGEHAALDE LITERATUUR XV I INLEIDING

Nadere informatie

Rechtspraak.nl - Zoeken in uitspraken

Rechtspraak.nl - Zoeken in uitspraken Page 1 of 5 LJN: BO4930, Hoge Raad, 09/03103 Datum uitspraak: 28-01-2011 Datum publicatie: 28-01-2011 Rechtsgebied: Civiel overig Soort procedure: Cassatie Inhoudsindicatie: Verbintenissenrecht. Zekerheidsstelling;

Nadere informatie

Voorrang hebben versus overschrijding van de maximumsnelheid

Voorrang hebben versus overschrijding van de maximumsnelheid Voorrang hebben versus overschrijding van de maximumsnelheid Mr. Bert Kabel (1) Inleiding In het hedendaagse verkeer komt het regelmatig voor dat verkeersdeelnemers elkaar geen voorrang verlenen. Gelukkig

Nadere informatie

Rechtbank Amsterdam 08-05-2015 28-05-2015 3603419 CV EXPL 14-32341. Civiel recht. Eerste aanleg - enkelvoudig. Rechtspraak.nl

Rechtbank Amsterdam 08-05-2015 28-05-2015 3603419 CV EXPL 14-32341. Civiel recht. Eerste aanleg - enkelvoudig. Rechtspraak.nl ECLI:NL:RBAMS:2015:3202 Instantie Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Vindplaatsen Uitspraak Rechtbank Amsterdam 08-05-2015 28-05-2015 3603419

Nadere informatie

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 september 2013, nummer AWB 13/915, in het geding tussen belanghebbende

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 september 2013, nummer AWB 13/915, in het geding tussen belanghebbende Uitspraak GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN Afdeling belastingrecht Locatie Arnhem nummer 13/01077 uitspraakdatum: 20 mei 2014 Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van drs.

Nadere informatie

Edèlhoogachtbare Heer/Vrouwe,

Edèlhoogachtbare Heer/Vrouwe, Edèlhoogachtbare Heer/Vrouwe, X Z (belanghebbende), \ beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 4 juli 2013. Bij brief van 11 oktober 2013 heeft de griffier mij

Nadere informatie

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X] B.V., handelend onder de naam [Y],

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X] B.V., handelend onder de naam [Y], GERECHTSHOF TE AMSTERDAM EERSTE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER ARREST in de zaak van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X] B.V., handelend onder de naam [Y], gevestigd te [plaats],

Nadere informatie

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ecli:nl:gharl...

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ecli:nl:gharl... 1 of 5 31-01-16 21:27 Zoekresultaat - inzien document ECLI:NL:GHARL:2013:5729 Permanente link: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ecl Instantie Datum uitspraak 30-07-2013 Datum publicatie 01-08-2013

Nadere informatie

In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ3234, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ3234, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan Stamrechtovereenkomst tussen oprichter en BV i.o. is mogelijk, mits binnen redelijke termijn BV tot stand komt en overeenkomst bekrachtigd. Gehele aanspraak belast omdat stamrechtovereenkomst gedeeltelijk

Nadere informatie

DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: Aangeslotene.

DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: Aangeslotene. Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2014-372 d.d. 9 oktober 2014 (mr. P.A. Offers, prof. mr. E.H. Hondius en drs. W. Dullemond, leden en mr. E.E. Ribbers, secretaris) Samenvatting

Nadere informatie

HOGE RAAD, 24 april 1991 (nr. 27 021) (Mrs. Jansen, Van der Linde, Baardman, Bellaart, Korthals Altes)

HOGE RAAD, 24 april 1991 (nr. 27 021) (Mrs. Jansen, Van der Linde, Baardman, Bellaart, Korthals Altes) HOGE RAAD, 24 april 1991 (nr. 27 021) (Mrs. Jansen, Van der Linde, Baardman, Bellaart, Korthals Altes) ARREST gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Nadere informatie

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België 5 MEI 2008 C.05.0223.F/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.05.0223.F AXA BELGIUM, naamloze vennootschap, Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen 1. B. P., 2. AXA BELGIUM, naamloze

Nadere informatie

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ecli:nl:rbove...

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ecli:nl:rbove... Rechtspraak.nl Print uitspraak 1 of 5 071215 09:02 Zoekresultaat inzien document ECLI:NL:RBOVE:2013:1448 Permanente link: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ecl Instantie Rechtbank Overijssel

Nadere informatie

UITSPRAAK HOGE RAAD DER NEDERLANDEN ARREST

UITSPRAAK HOGE RAAD DER NEDERLANDEN ARREST UITSPRAAK 4 juni 2004 Eerste Kamer Nr. C03/063HR JMH/AT HOGE RAAD DER NEDERLANDEN ARREST in de zaak van: LOYALIS CONTRACTMANAGEMENT B.V., voorheen genaamd USZO DIENSTEN B.V., gevestigd te Heerlen, EISERES

Nadere informatie

Uit: Hoge Raad 29-5-2015, 14/01835, ECLI:NL:HR:2015:1406 (Beroepsfout advocaat bij advisering)

Uit: Hoge Raad 29-5-2015, 14/01835, ECLI:NL:HR:2015:1406 (Beroepsfout advocaat bij advisering) Tijdschrift voor Bouwrecht (TBR), januari 2016, Nr. 1, TBR 2016/15 Uit: Hoge Raad 29-5-2015, 14/01835, ECLI:NL:HR:2015:1406 (Beroepsfout advocaat bij advisering) Mr. F.B. Bakels, mr. C.A. Streefkerk, mr.

Nadere informatie

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 14 mei 2004 in het geding tussen:

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 14 mei 2004 in het geding tussen: LJN: AT7485, Raad van State, 200405147/1 (Printbare versie) Datum uitspraak: 15-06-2005 Datum publicatie: 15-06-2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht overig Soort procedure: Hoger beroep Inhoudsindicatie: Bij

Nadere informatie

NADERE INVULLING WERKGEVERSAANSPRAKELIJKHEID VOOR VERKEERSONGEVALLEN VAN WERKNEMERS

NADERE INVULLING WERKGEVERSAANSPRAKELIJKHEID VOOR VERKEERSONGEVALLEN VAN WERKNEMERS NADERE INVULLING WERKGEVERSAANSPRAKELIJKHEID VOOR VERKEERSONGEVALLEN VAN WERKNEMERS De heeft in december 2008 wederom drie interessante arresten gewezen inzake werkgeversaansprakelijkheid voor verkeersletsel

Nadere informatie

Civiele Procespraktijk

Civiele Procespraktijk Civiele Procespraktijk Nr. 11 maart 2010 De volgende onderwerpen worden behandeld: Schorsing na faillissement en terugverwijzing naar een lagere rechter Alternatieve causaliteit Lastgeving Tussentijds

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: Raad vanstate 201103602/1/V3. Datum uitspraak: 11 juli 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

Nadere informatie

MEINDERT OOSTERHOF, in zijn hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder, kantoorhoudende te Drachten,

MEINDERT OOSTERHOF, in zijn hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder, kantoorhoudende te Drachten, Vonnis RECHTBANK LEEUWARDEN Sector kanton Locatie Heerenveen zaak-/rolnummer: 371218 CV EXPL i 1-5231 vonnis van de kantonrechter d.d. 14 maart 2012 inzake X wonende te eiser. procederende met toevoeging.

Nadere informatie

SCHEIDSGERECHT GEZONDHEIDSZORG

SCHEIDSGERECHT GEZONDHEIDSZORG SCHEIDSGERECHT GEZONDHEIDSZORG Kenmerk: 05/16 Bindend advies in de zaak van: A., wonende te Z., eiser, gemachtigde: mr. Th.F.M. Pothof tegen De Stichting B., gevestigd te IJ., verweerster, gemachtigde:

Nadere informatie

GERECHTSHOF TE s-gravenhage, derde meervoudige belastingkamer. 12 september 1989 Nr. 3701/85-M-3 EP/1 U I T S P R A A K

GERECHTSHOF TE s-gravenhage, derde meervoudige belastingkamer. 12 september 1989 Nr. 3701/85-M-3 EP/1 U I T S P R A A K GERECHTSHOF TE s-gravenhage, derde meervoudige belastingkamer. 12 september 1989 Nr. 3701/85-M-3 EP/1 U I T S P R A A K Naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 27 augustus 1985,

Nadere informatie

Verplichte deelneming directeur in pensioenfonds PGGM

Verplichte deelneming directeur in pensioenfonds PGGM Verplichte deelneming directeur in pensioenfonds PGGM Mr. Z. Kasim 1 HR 13 juli 2007, nr. C05/331, LJN BA231 Verplichte deelneming pensioenfonds, criteria arbeidsovereenkomst BW artikel 7: 610, artikel

Nadere informatie

GERECHTSHOF AMSTERDAM. 1 Ontstaan en loop van het geding. Uitspraak. Kenmerk 13/ augustus 2014

GERECHTSHOF AMSTERDAM. 1 Ontstaan en loop van het geding. Uitspraak. Kenmerk 13/ augustus 2014 Uitspraak GERECHTSHOF AMSTERDAM Kenmerk 13/00066 21 augustus 2014 uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X], wonende te [Z], belanghebbende tegen de uitspraak in de

Nadere informatie

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken:

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken: Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 214 d.d. 6 september 2011 (prof. mr. C.E. du Perron, voorzitter, en mr. F.E. Uijleman, secretaris) Samenvatting Lijfrenteverzekering, informatieplicht.

Nadere informatie

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN EERSTE KAMER ARREST

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN EERSTE KAMER ARREST HOGE RAAD DER NEDERLANDEN EERSTE KAMER Nr. C98/080HR ARREST in de zaak van: DE GEMEENTE GRONINGEN,gevestigd te Groningen, EISERES tot cassatie, voorwaardelijk incidenteel verweerster, advocaat: voorheen

Nadere informatie

Hoge Raad 12-02-1999, BJN 101936, (Schoenmaker)

Hoge Raad 12-02-1999, BJN 101936, (Schoenmaker) Uittreksels Jurisprudentie rechtspraak UJA_101936, PDF gemaakt voor UJA-Nummer Instantie UJA_101936 Hoge Raad datum 12-02-1999 wetsartikelen Art. 1639o oud-bw; art. 1639p oud-bw; art. 1639s oud-bw (art.

Nadere informatie

2.1. X leeft van een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand. Op deze uitkering worden de lopende huurbetalingen volledig ingehouden.

2.1. X leeft van een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand. Op deze uitkering worden de lopende huurbetalingen volledig ingehouden. beschikking RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Civiel recht kantonrechter zittinghoudende te Utrecht zaaknummer: 2534388 UE VERZ 13805 GD/4243 Beschikking van 13 december 2013 inzake X wonende te Arnhem,

Nadere informatie

Toelichting Bedrijfsregeling 7: Schaderegeling schuldloze derde

Toelichting Bedrijfsregeling 7: Schaderegeling schuldloze derde Toelichting Bedrijfsregeling 7: Schaderegeling schuldloze derde De Raad van Toezicht Verzekeringen heeft in een groot aantal uitspraken stelling genomen tegen de verwijzing van een schuldloze derde door

Nadere informatie

heeft de volgende beslissing gegeven naar aanleiding van het hoger beroep van de heer drs. A. te X. en het hoger beroep van de heer B. te Y..

heeft de volgende beslissing gegeven naar aanleiding van het hoger beroep van de heer drs. A. te X. en het hoger beroep van de heer B. te Y.. No. CvB 2013/10 HET COLLEGE VAN BEROEP van het Nederlands Instituut van Psychologen heeft de volgende beslissing gegeven naar aanleiding van het hoger beroep van de heer drs. A. te X. en het hoger beroep

Nadere informatie

2. Conclusie Op grond van al het vorenstaande kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Wij verzoeken Uw Raad daarom de uitspraak van het Hof te

2. Conclusie Op grond van al het vorenstaande kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Wij verzoeken Uw Raad daarom de uitspraak van het Hof te i. Cassatiemiddelen l.i. Eerste middel Schending van het Nederlandse recht, met name van artikel 27, lid 5, Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet) (tekst tot en met 1996), van artikel 13a, lid 1,

Nadere informatie

ECLI:NL:HR:2013:1157. 1 Geding in cassatie. 2 Beoordeling van het eerste middel. 3 Beoordeling van het derde middel. Uitspraak.

ECLI:NL:HR:2013:1157. 1 Geding in cassatie. 2 Beoordeling van het eerste middel. 3 Beoordeling van het derde middel. Uitspraak. ECLI:NL:HR:2013:1157 Uitspraak 12 november 2013 Strafkamer nr. 11/04366 P Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam

Nadere informatie

1.3 Tussenpersoon heeft het beroep bestreden bij een op 13 juli 2012 bij de Beroepscommissie binnengekomen verweerschrift.

1.3 Tussenpersoon heeft het beroep bestreden bij een op 13 juli 2012 bij de Beroepscommissie binnengekomen verweerschrift. Uitspraak Commissie van Beroep 2012-17 d.d. 11 september 2012 (prof. mr. F.R. Salomons, voorzitter, mr. A. Bus, mr. J.B. Fleers, mr. F.H.J. Mijnssen en mr. J.B.M.M. Wuisman, leden, en mr. M.J. Drijftholt,

Nadere informatie

Hoge Raad der N ederlanden

Hoge Raad der N ederlanden Hoge Raad der N ederlanden derde kamer Nr. 35.363 19 april 2000 BB ARREST gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 4

Nadere informatie

ECHTSCHEIDINGS PROCESRECHT SPREKER MR. H.A. GERRITSE 9 APRIL 2015 09:00-11:15 WWW.AVDRWEBINARS.NL

ECHTSCHEIDINGS PROCESRECHT SPREKER MR. H.A. GERRITSE 9 APRIL 2015 09:00-11:15 WWW.AVDRWEBINARS.NL ECHTSCHEIDINGS PROCESRECHT SPREKER MR. H.A. GERRITSE 9 APRIL 2015 09:00-11:15 WWW.AVDRWEBINARS.NL Inhoudsopgave Mr. H.A. Gerritse Jurisprudentie Hoge Raad 4 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1402, met betrekking

Nadere informatie

Uitspraak 22 oktober rolnr. 95/82 M I. Griffie 3050/81 Type: ev. HET GERECHTSHOF TE s-gravenhage, eerste meervoudige belastingkamer;

Uitspraak 22 oktober rolnr. 95/82 M I. Griffie 3050/81 Type: ev. HET GERECHTSHOF TE s-gravenhage, eerste meervoudige belastingkamer; Uitspraak 22 oktober rolnr. 95/82 M I Griffie 3050/81 Type: ev HET GERECHTSHOF TE s-gravenhage, eerste meervoudige belastingkamer; GEZIEN het beroepschrift van X te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur

Nadere informatie

Datum van inontvangstneming : 25/08/2014

Datum van inontvangstneming : 25/08/2014 Datum van inontvangstneming : 25/08/2014 Vertaling C-359/14 1 Datum van indiening: 23 juli 2014 Verwijzende rechter: Zaak C-359/14 Verzoek om een prejudiciële beslissing Vilniaus miesto apylinkės teismas

Nadere informatie

Rechtbank Amsterdam 15 april 2009; voetganger struikelt over uitstekend putdeksel.

Rechtbank Amsterdam 15 april 2009; voetganger struikelt over uitstekend putdeksel. Rechtbank Amsterdam 15 april 2009; voetganger struikelt over uitstekend putdeksel. Benadeelde komt ten val over een putdeksel dat drie centimeter boven het gewone trottoirniveau uitsteekt en loopt letsel

Nadere informatie

Eiseres zal hierna [A] genoemd worden. Gedaagden zullen hierna ieder afzonderlijk [B] en [C], alsmede gezamenlijk [B] c.s. genoemd worden.

Eiseres zal hierna [A] genoemd worden. Gedaagden zullen hierna ieder afzonderlijk [B] en [C], alsmede gezamenlijk [B] c.s. genoemd worden. Rechtbank Amsterdam, 06 juni 2012; de hondenbezitter is aansprakelijk voor de letselschade van een vrouw die tijdens het uitlaten van de hond ten valt komt doordat de hond plotseling hard aan de lijn trok.

Nadere informatie

Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V., gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen Aangeslotene.

Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V., gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen Aangeslotene. Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2013-113 d.d. 15 april 2013 (mr. A.W.H. Vink, voorzitter, mr. E.M. Dil-Stork en mr. B.F. Keulen, leden en mevrouw mr. F.E. Uijleman, secretaris)

Nadere informatie

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken:

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken: Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 184 d.d. 3 augustus 2011 (mr. P.A. Offers, voorzitter, prof. mr. M.L. Hendrikse en mr. B.F. Keulen, leden, en mr. F.E. Uijleman, secretaris)

Nadere informatie

zaaknummer 200703432/1 datum van uitspraak woensdag 13 februari 2008 Kamer 2 - Milieu - Schadevergoeding

zaaknummer 200703432/1 datum van uitspraak woensdag 13 februari 2008 Kamer 2 - Milieu - Schadevergoeding Essentie uitspraak: Artikel 15.20, schade komt in aanmerking voor vergoeding vanwege het niet langer op grond van een milieubeheer mogen uitoefenen van een activiteit. Casus en uitspraak Een exploitant

Nadere informatie

1. DE REGERING IN BALLINGSCHAP VAN DE REPUBLIEK DER ZUID-MOLUKKEN (RMS), gevestigd te Amsterdam, hierna: RMS,

1. DE REGERING IN BALLINGSCHAP VAN DE REPUBLIEK DER ZUID-MOLUKKEN (RMS), gevestigd te Amsterdam, hierna: RMS, LJN: BU5105, Gerechtshof 's-gravenhage, 200.077.445/01 Datum uitspraak: 22-11-2011 Datum publicatie: 22-11-2011 Rechtsgebied: Civiel overig Soort procedure: Kort geding Inhoudsindicatie: Kort geding Republiek

Nadere informatie

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken:

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken: Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2012-262 d.d. 17 september 2012 (prof. mr. M.M. Mendel, voorzitter, mr. E.M. Dil-Stork en mr. A.W.H. Vink, leden, en mr. drs. D.J. Olthoff,

Nadere informatie

P. Kruit, C. Loonstra en E. van Vliet 978-90-01-83406-7

P. Kruit, C. Loonstra en E. van Vliet 978-90-01-83406-7 Rechtspraak Instantie Hoge Raad Datum 8 oktober 2004 Vindplaats LJN AO9549 Naam Vixia / Gerrits Essentie uitspraak: De enkele schending van controlevoorschriften (de werknemer weigert bij de bedrijfsarts

Nadere informatie

ECLI:NL:HR:2001:AD4914

ECLI:NL:HR:2001:AD4914 1 of 5 12-10-2014 15:35 ECLI:NL:HR:2001:AD4914 Instantie Hoge Raad Datum uitspraak 14-12-2001 Datum publicatie 14-12-2001 Zaaknummer C00/042HR Formele relaties Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AD4914 Rechtsgebieden

Nadere informatie

De Commissie heeft partijen opgeroepen voor een mondelinge behandeling op 5 maart 2012.

De Commissie heeft partijen opgeroepen voor een mondelinge behandeling op 5 maart 2012. Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2012-122 d.d. 17 april 2012 (mr. A.W.H. Vink, voorzitter, en mr. F.E. Uijleman, secretaris) Samenvatting Reisverzekering, toepasselijkheid verzekeringsvoorwaarden,

Nadere informatie

http://legalintelligence.com/frontend/doc.aspx?docid=8305225& sr...

http://legalintelligence.com/frontend/doc.aspx?docid=8305225& sr... pagina 1 van 5 JOR 2013/87 Gerechtshof Arnhem, 18-12-2012, 200.099.939, LJN BY7149 Processuele gevolgen faillietverklaring voor aanhangige rechtsvorderingen, Schorsing van geding in conventie ex art. 29

Nadere informatie

JPF 2012/161 Rechtbank Dordrecht 30 mei 2012, 96504/FA RK ; 96507/FA RK ; LJN BW7709. ( mr. Haerkens-Wouters )

JPF 2012/161 Rechtbank Dordrecht 30 mei 2012, 96504/FA RK ; 96507/FA RK ; LJN BW7709. ( mr. Haerkens-Wouters ) JPF 2012/161 Rechtbank Dordrecht 30 mei 2012, 96504/FA RK 12-7108; 96507/FA RK 12-71111; LJN BW7709. ( mr. Haerkens-Wouters ) [Verzoekster] te [adres verzoekster], verzoekster, advocaat: mr. M. Huisman

Nadere informatie

de coöperatie coöperatieve Rabobank Leiden, Leiderdorp en Oegstgeest, gevestigd te Leiden, hierna te noemen Aangeslotene.

de coöperatie coöperatieve Rabobank Leiden, Leiderdorp en Oegstgeest, gevestigd te Leiden, hierna te noemen Aangeslotene. Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2013-221 d.d. 12 juli 2013 (mr. C.E. du Perron, voorzitter, mr. W.F.C. Baars en mr. A.P. Luitingh, leden, en mevrouw mr. M. Nijland, secretaris)

Nadere informatie

De Commissie heeft vastgesteld dat tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening niet tot oplossing van het geschil heeft geleid.

De Commissie heeft vastgesteld dat tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening niet tot oplossing van het geschil heeft geleid. Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 41 d.d. 22 februari 2011 (mr. B.F. Keulen, voorzitter, mw. mr. E.M. Dil-Stork en prof. mr. M.L. Hendrikse) Samenvatting Natura-uitvaartverzekering.

Nadere informatie

» Samenvatting. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als AgfaPhoto Finance en Foto Noort c.s.

» Samenvatting. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als AgfaPhoto Finance en Foto Noort c.s. JIN 2012/38 Hoge Raad 20 januari 2012, 10/04069; LJN BU3162. ( mr. Fleers mr. Van Schendel mr. Van Buchem-Spapens mr. Asser mr. Snijders ) (Concl. (concl. A-G mr. Wuisman) ) de naamloze vennootschap naar

Nadere informatie

de vennootschap naar Duits recht MECKLENBURGER KARTOFFELVEREDLUNG GMBH, gevestigd te Hagenow, Bondsrepubliek Duitsland,

de vennootschap naar Duits recht MECKLENBURGER KARTOFFELVEREDLUNG GMBH, gevestigd te Hagenow, Bondsrepubliek Duitsland, LJN: AD9613, Hoge Raad, C00/311HR Datum uitspraak: 26-04-2002 Datum publicatie: 26-04-2002 Rechtsgebied: Handelszaak Soort procedure: Cassatie Vindplaats(en): JOL 2002, 260 Rechtspraak.nl Uitspraak 26

Nadere informatie

Hoge Raad 23 november 2012, LJN: BX5880: als twee vechten om een been, mag de WAM-verzekeraar van de medeschuldenaar er mee heen?

Hoge Raad 23 november 2012, LJN: BX5880: als twee vechten om een been, mag de WAM-verzekeraar van de medeschuldenaar er mee heen? Hoge Raad 23 november 2012, LJN: BX5880: als twee vechten om een been, mag de WAM-verzekeraar van de medeschuldenaar er mee heen? Feiten In 2007 vindt een ongeval plaats tussen twee auto s. De ene wordt

Nadere informatie

Civiele Procespraktijk

Civiele Procespraktijk Civiele Procespraktijk Nr. 14 januari 2011 De volgende onderwerpen worden behandeld: Uitleg opstalrecht op grond van notariële akte Verrekening van voordeel Aanvaarding rechtsstrijd Klachtplicht Risicoaansprakelijkheid

Nadere informatie

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 8 maart 2011, nummers AWB 10/2670 en 10/2672, in het geding tussen belanghebbende en

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 8 maart 2011, nummers AWB 10/2670 en 10/2672, in het geding tussen belanghebbende en Uitspraak GERECHTSHOF ARNHEM Sector belastingrecht nummers 11/00311 en 11/00312 uitspraakdatum: 20 september 2011 Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van X te Z (hierna:

Nadere informatie

Edelachtbaar college,

Edelachtbaar college, Edelachtbaar college, X% Namens cliënten, a «a ^ ^ ^ ^ ^ M l e n tel^^^^ tekenen wij beroep in cassatie aan tegen de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam van 22 september 2011 op het beroepschrift van 10

Nadere informatie

Inleiding. Drenth). 3 Zie ook HR 5 december 1997, NJ 1998, 400 m.nt. Jac. Hijma onder HR 5 december 1997, NJ 1998,

Inleiding. Drenth). 3 Zie ook HR 5 december 1997, NJ 1998, 400 m.nt. Jac. Hijma onder HR 5 december 1997, NJ 1998, W. Dijkshoorn & S.D. Lindenbergh, Buitengerechtelijke kosten en eigen schuld. HR 21 september 2007, RvdW 2007, 789 (Manege Bergemo), Maandblad voor Vermogensrecht 2007, p. 252-256. Buitengerechtelijke

Nadere informatie

De Bont sprak daarop zijn werkgever aan. De rechtbank wees de vordering af omdat het vervoer als woon-werkverkeer gezien werd.

De Bont sprak daarop zijn werkgever aan. De rechtbank wees de vordering af omdat het vervoer als woon-werkverkeer gezien werd. Hoge Raad, 9 augustus 2002 Samenvatting Een bouwvakker, De Bont, reed in zijn eigen auto van huis in Oosterhout, naar de werkplek in Deventer. Een paar collega s reden mee. Door een fout van De Bont sloeg

Nadere informatie

ECHTSCHEIDINGSPROCESRECHT

ECHTSCHEIDINGSPROCESRECHT ECHTSCHEIDINGSPROCESRECHT SPREKER MR. H.A. GERRITSE SENIOR RECHTER RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND 18 NOVEMBER 2015 09:00 11:15 WWW.AVDR.NL Inhoudsopgave Mr. H.A. Gerritse Jurisprudentie Hoge Raad 4 maart 2011,

Nadere informatie

CENTRALE RAAD VAN BEROEP U I T S P R A A K

CENTRALE RAAD VAN BEROEP U I T S P R A A K CENTRALE RAAD VAN BEROEP 02/2895 AOW en 05/6118 AOW in het geding tussen: [appellant], wonende te Spanje, appellant, en U I T S P R A A K de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.

Nadere informatie

BENELUX COUR DE JUSTICE GERECHTSHOF. Zaak A 98/2 Campina Melkunie / Benelux-Merkenbureau

BENELUX COUR DE JUSTICE GERECHTSHOF. Zaak A 98/2 Campina Melkunie / Benelux-Merkenbureau COUR DE JUSTICE BENELUX GERECHTSHOF Zaak A 98/2 Campina Melkunie / Benelux-Merkenbureau Nadere conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda (stuk A 98/2/17) GRIFFIE REGENTSCHAPSSTRAAT 39 1000 BRUSSEL

Nadere informatie

ECLI:NL:GHAMS:2016:72

ECLI:NL:GHAMS:2016:72 ECLI:NL:GHAMS:2016:72 Permanente link: http://deepl Instantie Gerechtshof Amsterdam Datum uitspraak 12-01-2016 Datum publicatie 20-01-2016 Zaaknummer 14/01023 Formele relaties Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2014:10956,

Nadere informatie

Hoge Raad, 12 januari 2001

Hoge Raad, 12 januari 2001 Hoge Raad, 12 januari 2001 Samenvatting Vier bouwvakkers rijden in een busje van de werkgever van Didam naar Amsterdam om werkzaamheden te verrichten aan de Amsterdam Arena. Het busje wordt bij toerbeurt

Nadere informatie

allen gevestigd te [vestigingsplaats], Eiseressen tot cassatie, verweersters in het voorwaardelijk incidenteel incidenteel cassatieberoep.

allen gevestigd te [vestigingsplaats], Eiseressen tot cassatie, verweersters in het voorwaardelijk incidenteel incidenteel cassatieberoep. 15 Civiel recht «JIN» Jurisprudentie in Nederland januari 2014, afl. 1 76 15 Hoge Raad 15 november 2013, nr. 12/04150 ECLI:NL:HR:2013:1245 (mr. Numann, mr. Loth, mr. Drion, mr. De Groot, mr. Polak) (concl.

Nadere informatie

Aegon Schadeverzekering N.V., gevestigd te Den Haag, hierna te noemen Aangeslotene.

Aegon Schadeverzekering N.V., gevestigd te Den Haag, hierna te noemen Aangeslotene. Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2014-382 d.d. 20 oktober 2014 (mr. A.W.H. Vink, voorzitter, prof. mr. M.L. Hendrikse en drs. L.B. Lauwaars RA, leden en mr. F.E. Uijleman, secretaris)

Nadere informatie

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen: RECHTBANK ARNHEM Sector bestuursrecht Registratienummer: AWB06/4812 Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen: [eiser], eiser, wonende te [woonplaats],

Nadere informatie

HR: rechtsbijstandverzekeraar aansprakelijk voor niet wijzen op verjaringstermijn

HR: rechtsbijstandverzekeraar aansprakelijk voor niet wijzen op verjaringstermijn HR: rechtsbijstandverzekeraar aansprakelijk voor niet wijzen op verjaringstermijn Hoge Raad 03 februari 2012 BV2719 10/04120 Niet-nakoming van garantieverplichting. Rechtsbijstandverlener verzuimt haar

Nadere informatie

http://zoeken.rechtspraak.nl/resultpage.aspx?snelzoeken=true&searchtype=ljn&ljn=br1...

http://zoeken.rechtspraak.nl/resultpage.aspx?snelzoeken=true&searchtype=ljn&ljn=br1... pagina 1 van 5 LJN: BR1463, Raad van State, 201011448/1/H1 Datum 13-07-2011 uitspraak: Datum 13-07-2011 publicatie: Rechtsgebied: Bouwen Soort procedure: Hoger beroep Inhoudsindicatie: Bij besluit van

Nadere informatie

Samenvatting. 1. Procedure

Samenvatting. 1. Procedure Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2012-270 d.d. 1 oktober 2012 (mr. J. Wortel, voorzitter, de heer H. Mik RA en de heer G.J.P. Okkema, leden en mevrouw mr. I.M.M. Vermeer, secretaris)

Nadere informatie

LJN: BH1764, Centrale Raad van Beroep, 07/2959 WWB + 07/2960 WWB + 08/6263 WWB + 08/6264 WWB + 08/6265 WWB

LJN: BH1764, Centrale Raad van Beroep, 07/2959 WWB + 07/2960 WWB + 08/6263 WWB + 08/6264 WWB + 08/6265 WWB LJN: BH1764, Centrale Raad van Beroep, 07/2959 WWB + 07/2960 WWB + 08/6263 WWB + 08/6264 WWB + 08/6265 WWB Datum uitspraak: 20-01-2009 Datum publicatie: 04-02-2009 Rechtsgebied: Bijstandszaken Soort procedure:

Nadere informatie

RUBRIEK: VERBINTENISSENRECHT Mr. P.N. Malanczuk, NautaDutilh N.V., Rotterdam Mw. mr. C.B.F.M. Westerhuis, NautaDutilh N.V.

RUBRIEK: VERBINTENISSENRECHT Mr. P.N. Malanczuk, NautaDutilh N.V., Rotterdam Mw. mr. C.B.F.M. Westerhuis, NautaDutilh N.V. RUBRIEK: VERBINTENISSENRECHT Mr. P.N. Malanczuk, NautaDutilh N.V., Rotterdam Mw. mr. C.B.F.M. Westerhuis, NautaDutilh N.V., Rotterdam De matiging van een tussen particulieren bedongen boete Gastauteur:

Nadere informatie

de voorzitter van het managementteam van de eenheid Belastinqdienat^ÉI^ van de rijksbelastingdienst, hierna: de Inspecteur,

de voorzitter van het managementteam van de eenheid Belastinqdienat^ÉI^ van de rijksbelastingdienst, hierna: de Inspecteur, uitspraak / GERECHTSHOF 's-hertogenbosch Sector belastingrecht Eerste meervoudige Belastingkamer Kenmerk: 09/00515 Uitspraak van de eerste meervoudige Belastingkamer op het hoger beroep van de voorzitter

Nadere informatie

C/13/555974 / HA ZA 13-1827 28 oktober 2015 8 oordeel dat met deze uitingen sprake was van misleidende publieke berichtgeving. VEB en de stichting stellen dat door deze uitingen de gedupeerde beleggers

Nadere informatie

A. Het in het belastbaar inkomen 1998 begrijpen van het voordeel uit het tegen inkoopsprijs aankopen vaneen auto, groot fl 15.000.

A. Het in het belastbaar inkomen 1998 begrijpen van het voordeel uit het tegen inkoopsprijs aankopen vaneen auto, groot fl 15.000. C/& Z^o^jr Edelhoogachtbaar College, y> "2_ Op 17 februari j.l. is door mij namens C igllllllpljp te IHllIll^, hierna belanghebbende, beroep in cassatie aangetekend tegen de uitspraak van het Gerechtshof

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: Raad vanstatc 201107210/1/V1. Datum uitspraak: 21 juni 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

Nadere informatie

HR: [X] R.E.M. Holding B.V. DomJur 2012-919. Hoge Raad Zaak-/rolnummer: 11/04582 DV/EP Datum: 14 december 2012. Hoge Raad der Nederlanden.

HR: [X] R.E.M. Holding B.V. DomJur 2012-919. Hoge Raad Zaak-/rolnummer: 11/04582 DV/EP Datum: 14 december 2012. Hoge Raad der Nederlanden. HR: [X] R.E.M. Holding B.V. DomJur 2012-919 Hoge Raad Zaak-/rolnummer: 11/04582 DV/EP Datum: 14 december 2012 Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiseres], wonende te [woonplaats], Israël,

Nadere informatie

de naamloze vennootschap F. van Lanschot bankiers N.V., gevestigd te Den Bosch, hierna te noemen Aangeslotene.

de naamloze vennootschap F. van Lanschot bankiers N.V., gevestigd te Den Bosch, hierna te noemen Aangeslotene. Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2013-149 d.d. 21 mei 2013 (prof. mr. M.L. Hendrikse, voorzitter, mevrouw mr. E.M. Dil-Stork en mr. J.Th. de Wit, leden en mevrouw mr. M. Nijland,

Nadere informatie

Hoge Raad der Nederlanden

Hoge Raad der Nederlanden 19 september 2014 Eerste Kamer 12/05512 TT/AS in naam des I~c~~~~~~ Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: Erno RUBIK, wonende te Boedapest, Hongarije, EISER tot cassatie, verweerder in het incidenteel

Nadere informatie

Geïntimeerde te veroordelen in de kosten van beide instantiën, te begroten volgens het gebruikelijke tarief. "

Geïntimeerde te veroordelen in de kosten van beide instantiën, te begroten volgens het gebruikelijke tarief. Cogas geïntimeerde DomJur 2002-136 Gerechtshof Leeuwarden Zaak-/rolnummer: 0000379 Datum: 19-09-2001 Arrest in de zaak van: de naamloze vennootschap Centraal Overijsselse Nuts Bedrijven N.V., gevestigd

Nadere informatie