HET DOELTREFFENDHEIDSBEGINSEL EN CONSUMENTENBESCHERMING: DE RECHTSPRAAK VAN HET HOF VAN JUSTITIE GEWIKT EN GEWOGEN

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "HET DOELTREFFENDHEIDSBEGINSEL EN CONSUMENTENBESCHERMING: DE RECHTSPRAAK VAN HET HOF VAN JUSTITIE GEWIKT EN GEWOGEN"

Transcriptie

1 HET DOELTREFFENDHEIDSBEGINSEL EN CONSUMENTENBESCHERMING: DE RECHTSPRAAK VAN HET HOF VAN JUSTITIE GEWIKT EN GEWOGEN Tim De Moerloose Studentennummer: Promotor: Prof. dr. Reinhard Steennot Masterproef voorgelegd voor het behalen van de graad Master of Laws in de rechten Academiejaar:

2 2

3 Voorwoord Met deze masterproef komt een einde aan mijn zevenjarige carrière aan de Universiteit Gent. Het waren zeven prachtige jaren waarin ontelbaar veel mensen, plekken en momenten een plek in mijn hart veroverden. Onmogelijk dus hen allemaal te bedanken op slechts een luttel A4-tje. Zij die bedankt moeten worden, weten wel waarom, en zullen er vast geen aanstoot aan nemen dat dit voorwoord geen aan hen opgedragen eulogie is geworden. In zeven jaar heb ik twee faculteiten bewoond soms bijna letterlijk en mocht dus ongestraft van twee walletjes eten. Als tegenprestatie heb ik de universiteit dan maar opgezadeld met twee thesissen, die in het beste geval door een paar geïnteresseerde mensen gelezen zullen worden. Consumentenrecht is dan ook nog eens niet de meest sexy discipline. Toch kan het voor veel mensen het verschil maken tussen relatieve welvaart en diepe armoede. In landen als Spanje of Hongarije zijn talloze juridische veldslagen aan de gang tussen gedupeerde consumenten en het systeem dat hen tegenwerkt. Soms kan ook het nationaal procesrecht zo n tegenwerkende factor zijn, met name wanneer het de consument (te) weinig kansen biedt om ten gronde verweer te voeren. Toch zit er ook een mooie kant aan dit verhaal. Het Hof van Justitie in Luxemburg heeft in dergelijke conflicten immers vaak de consument verdedigd en beschermd. En zo is die rechtbank, vaak vergeleken met de spreekwoordelijke ivoren toren, eigenlijk revolutionairder en onafhankelijker geweest dan de meeste lidstaten die haar precies het tegenovergestelde verwijten. Ik zal nu mijn belofte uit de eerste alinea moeten breken, want ik wil toch vier à vijf mensen met naam en toenaam bedanken. In de eerste plaats mijn promotor, professor Steennot: het onderwerp is namelijk zijn idee. Daar ben ik hem al erg dankbaar voor, want wij beseffen allebei dat niemand hierover vrijwillig geschreven had. Daarnaast was hij bereid mij bij te staan met raad en daad, en hoewel ik dat aanbod op roekeloze wijze enigszins verwaarloosd heb, was die bereidwilligheid genereus en oprecht. Ten tweede moet ik mijn ouders bedanken. Zij moedigden mij steeds aan om te studeren wat me interesseerde, en maakten het me zo wel heel makkelijk, op de goede manier. Ten derde kan ook mijn vriendin Frea niet achterblijven. Haar interesse in recht is wellicht omgekeerd evenredig aan de morele steun die ik van haar mocht krijgen. Ook deze jurist is notoir slecht in wiskunde, maar die morele steun was dus zeer welkom. Last but not least wil ik mijn opa bedanken. Hij mocht helaas net niet meemaken dat zijn eerstgeborene afstudeerde, of advocaat werd, maar zou vast en zeker glunderen van trots. Ik draag deze masterproef dan ook op aan hem. Tim De Moerloose Gent, 15 mei

4 Inhoud Voorwoord... 3 Hoofdstuk 1: inleiding, vraagstelling, methodologie Rechten en remedies in de Europese rechtsorde Consumentenbescherming in de EU Het Hof van Justitie en spanning tussen (Europese) rechten en nationale remedies en procedures Toenemende hoeveelheid rechtspraak over het doeltreffendheidsbeginsel Probleemstelling Vraagstelling Inhoud van het doeltreffendheidsbeginsel Evaluatie van het doeltreffendheidsbeginsel zoals toegepast door het Hof Toekomstige evoluties en relevantie voor Belgische rechtsorde Methodologie en beperkingen Hoofdstuk twee: het Hof van Justitie en doeltreffendheid Inleiding: van Rewe tot Radlinger Drie types doeltreffendheid? Beginsel van volle werking of doeltreffendheid in ruime zin Beginsel van doeltreffende/daadwerkelijke rechtsbescherming ( effective judicial protection ) Het doeltreffendheidsbeginsel sensu stricto Heeft het beginsel van doeltreffende rechtsbescherming de Rewe - rechtspraak vervangen? Doeltreffendheid en het debat over de ex-officio-doctrine Deelbesluit Hoofdstuk drie: evolutie van de toepassing van het doeltreffendheidsbeginsel in consumentenzaken De basisarresten: Océano, Cofidis, Mostaza Claro Het vervolg: de sleutelarresten Asturcom, Banco Español, Aziz, Radlinger De uitbreiding naar andere domeinen: Duarte Hueros, Consumer Finance, Froukje Faber, Bankia Recente ontwikkeling: herformulering van het doeltreffendheidsbeginsel in het kader van artikel 47 Handvest? Deelbesluit Hoofdstuk vier: de onder- en bovengrenzen van het doeltreffendheidsbeginsel Algemene interpretatiecriteria van het Hof

5 Interpretatie van richtlijnen inzake consumentenbescherming Criteria die in aanmerking worden genomen bij het doeltreffendheidsbeginsel Schendingen van het doeltreffendheidsbeginsel Beperking van de materiële bevoegdheid van een rechter tot ambtshalve toetsing Beperking van de bevoegdheid van een rechter om voorlopige maatregelen te nemen Sanctionering van procedurele tekortkomingen in de vordering van de consument Beroeps- en vervaltermijnen Recht op doeltreffende voorziening in rechte (artikel 47 Handvest) Verschuiven van de bewijslast naar de consument Schorsing van individuele procedure door collectieve procedure Tussenbesluit Temperingen op het doeltreffendheidsbeginsel Algemene beperking: geen absolute bescherming voor de (totaal) passieve consument Beroepstermijnen die de doeltreffendheidstest doorstaan Recht op een doeltreffende voorziening in rechte (artikel 47 Handvest) Overwegingen met betrekking tot de vlotte werking van het nationale rechtssysteem Geen absoluut recht op interventie en/of bijstand door een consumentenvereniging Tussenbesluit Deelbesluit over de boven- en ondergrenzen in de rechtspraak Hoofdstuk vijf: evaluatie van de doeltreffendheidsrechtspraak van het Hof Conceptuele onduidelijkheid is niet verdwenen Is artikel 47 Handvest geschikter dan de Rewe -test? Toekomstperspectieven Hoofdstuk zes: mogelijke botsing tussen Belgisch recht en doeltreffende consumentenbescherming: de IOS-procedure Uitbreiding van de procedure tot invordering van onbetwiste geldschulden (IOS) naar consumenten Kenmerken van de huidige procedure in B2B-context Problematische aspecten in het licht van de rechtspraak van het Hof van Justitie

6 Toetsing van de Belgische procedure aan de beginsel van de rechtspraak van het Hof Argumenten om toch tégen een IOS-procedure voor consumenten te pleiten Deelbesluit Hoofdstuk zeven: algemeen besluit Lijst van arresten Geraadpleegde literatuur

7 7

8 Hoofdstuk 1: inleiding, vraagstelling, methodologie 1. Het consumentenrecht anno 2019 is per definitie grotendeels Europees recht. De Europese wetgever heeft door middel van een heel aantal richtlijnen en verordeningen een belangrijke harmonisatie bewerkstelligd op het vlak van consumentenbescherming. Als gevolg van die harmonisatie is raadpleging en analyse van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie dan ook onontbeerlijk voor de bestudering van die rechtstak. Het Hof speelt met zijn soms verregaande rechtspraak een cruciale rol bij de bescherming van de consument in de Europese Unie. Die positie van het Hof, in combinatie met het belang van de consumentenwetgeving voor zowat de hele samenleving, maakt die rechtspraak ook erg relevant voor de praktijk. Deze masterproef zal een bepaald facet van die rechtspraak grondig onder de loep nemen en analyseren: het conflict tussen procedureregels en rechtsbescherming. 2. De vraag zal dus niet zijn of en hoe het materieel recht de consument al dan niet voldoende beschermd. Deze masterproef focust op rechtspraak van het Hof van Justitie waarbij nationale procedureregels van (verval-) termijnen, bewijsregels, territoriale bevoegdheid, bevoegdheden ratione materiae tot zelfs bevoegdheden van een notaris in conflict komen met het materiële Europese consumentenrecht. Waarom dat zo is, en welke oplossingen het Hof bedacht heeft voor die conflicten, wordt in de volgende paragrafen verder besproken. Daarna komt dan de eigenlijke probleem- en vraagstelling aan bod Rechten en remedies in de Europese rechtsorde 3. In 2000 verscheen in het Common Market Law Review een bijzonder invloedrijk artikel van de hand van Walter Van Gerven, dat de vinger op de wonde legt inzake (nationale) procedures vs. materieel (Europees) recht. 1 Hij stelt voor om een onderscheid te maken tussen drie soorten rechtsregels. In de eerste plaats definieert de wet 2 subjectieve rechten (rights): dit is een juridische positie die krachtens het recht toekomt aan een rechtssubject, bijvoorbeeld het recht (in abstracto) op schadeloosstelling van art Burgerlijk Wetboek. Ten tweede kent het recht een heel aantal remedies, dit zijn acties die een rechtssubject kan instellen bij het gerecht op zijn rechten af te dwingen. Een voorbeeld van een remedie, in het kader van art BW, is de vordering tot schadevergoeding. Tot slot zijn er regels die de manier waarop remedies worden uitgeoefend voor het gerecht beheersen: de procedures. Een procedureregel is bijvoorbeeld de verplichting zich te laten bijstaan door een advocaat, of de regel dat hoger beroep binnen een bepaalde termijn moet ingesteld worden. 4. Dit nogal theoretische onderscheid is van bijzonder belang in de Europese Unie, omdat de Europese wetgever weliswaar bevoegd is om allerlei subjectieve rechten in het leven te roepen, maar daarbij moet rekenen op de rechtsstelsels van de verschillende lidstaten om de nodige remedies en procedures te voorzien voor 1 W. Van Gerven, Of rights, remedies and procedures, Common Market Law Review 2000, Op Europees niveau gaat het dan om de verschillende verdragen (primair recht) en de verordeningen, richtlijnen en diverse soorten besluiten (secundair recht). 8

9 hun rechtssubjecten. 3 Die situatie leidt tot het risico dat ernstig afbreuk wordt gedaan aan de rechten zelf, door de lidstaten, omdat de remedies of procedures die ze voorzien, ontoereikend respectievelijk te belemmerend zijn. Daardoor komt uiteindelijk het hele systeem op de helling dat zo eigen is aan de Europese rechtsorde: de voorrang, directe werking en uniforme toepassing van het Unierecht in al de nationale rechtsordes. Dit potentiële gevaar voor de werking van de Europese Unie wordt door het Hof van Justitie geremedieerd via een aantal doctrines, waaronder het doeltreffendheidsbeginsel Consumentenbescherming in de EU 5. Het hiernet geschetste probleem doet zich bijzonder scherp voelen in het consumentenrecht. Krachtens art. 4 (2) f), 114 en art. 169 VWEU is de Europese Unie bevoegd om harmoniserende regels uit te vaardigen ter bescherming van de consument, in het kader van het goed functioneren van de interne markt. Sinds de jaren 80 zijn er over een heel aantal onderwerpen richtlijnen uitgevaardigd die de lidstaten hebben omgezet in hun nationaal recht: over productaansprakelijkheid, buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten, consumentenkrediet, pakketreizen, oneerlijke bedingen, op afstand gesloten overeenkomsten, verkoop en garanties van consumptiegoederen, passagiersrechten, oneerlijke handelspraktijken,... 4 De impact van het Europees consumentenrecht laat zich met andere woorden in bijna het gehele verbintenissenrecht voelen. 6. Daarnaast is er een evolutie merkbaar waarbij de bescherming van de consument een steeds prominentere rol krijgt. In de eerste plaats gebeurde dit via rechtspraak van het Hof van Justitie, dat een actieve rol speelt in dit proces. 5 Ten tweede kreeg de bescherming van de consument ook een constitutioneel jasje via de invoering van het Handvest van de Grondrechten, dat in artikel 38 bepaalt dat in het beleid van de Unie zorg [wordt] gedragen voor een hoog niveau van consumentenbescherming. De impact daarvan is echter voorlopig vrij beperkt. De rechtspraak van het Hof is daarentegen nog steeds richtinggevend en neigt volgens velen eigenlijk naar judicial activism om de consument maximaal te beschermen. 6 3 Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Verenigde Staten, waar het federale niveau over eigen rechtbanken beschikt en waar geen systeem van prejudiciële verwijzingen bestaat: while in the US there exists a system of clearly separated jurisdictions on a state and a federal level with their own procedures, in the EU there has never been such a separation because jurisdiction of EU courts is very limited; Member state courts had to take over most of the load of enforcing EU law, and this enforcement should not be frustrated by unjustifed restrictions against which the CJEU developed its theories of «effectiveness» and «equivalence», at first mostly in administrative maters, but also later in civil law proceedings. N. REICH, The Principle of Effectiveness and EU Contract Law, Osservatorio del diritto civile e commerciale 2013, In totaal zijn er bijna honderd richtlijnen die rechtstreeks of onrechtstreeks te maken hebben met consumentenbescherming. J. VALANT, Consumer protection in the EU: policy overview, 2015, 5 Zie hiervoor (uitgebreid): R. STEENNOT, De bescherming van de consument door het Hof Van Justitie: een brug te ver?, TPR 2017, Zie bijvoorbeeld H.-W. MICKLITZ en N. REICH, The Court and Sleeping Beauty: the revival of the Unfair Contract Terms Directive (UCTD), Common Market Law Review 2014, ; R. STEENNOT, De bescherming van de consument door het Hof Van Justitie: een brug te ver?, TPR 2017, 83. 9

10 7. Het is dus in ieder geval wel zo dat, gelet op het voorgaande, het aantal potentiële spanningsvelden tussen nationale procedureregels en Europees materieel recht zeer hoog is binnen het consumentenrecht. Er zijn niet alleen veel Europeesrechtelijke regels inzake consumentenbescherming, het recht zelf en de rechtspraak vereist ook nog eens dat de consument telkens bijna maximaal beschermd wordt Het Hof van Justitie en spanning tussen (Europese) rechten en nationale remedies en procedures 8. De grote toename aan rechten die de consument ontleent aan het Europees recht, heeft er zoals verwacht toe geleid dat een toenemend aantal conflicten met nationale procedures ontstond. De bescherming van de consument gebeurt immers voornamelijk op het niveau van de rechten : de lidstaten blijven in hoofdzaak verantwoordelijk voor de remedies en procedures waarmee een consument zijn rechten tegenover een verkoper of onderneming doet gelden. Dat betekent natuurlijk niet dat die procedurele autonomie 7 van de lidstaten onbegrensd is. Als een nationale procedure de rechten van de consument uitholt, gebeurt het vaak dat een nationale rechter een prejudiciële vraag stelt aan het Hof van Justitie. Het Hof kan zich dan in dit soort kwesties op een aantal principes beroepen, die het ontwikkeld heeft in andere takken van het Europees recht, om een nationale procedure ondergeschikt te maken aan het Europese materiële recht In de eerste plaats is er de dubbele Rewe -test 9 waaraan procesrechtelijke regels moeten voldoen met betrekking tot vorderingen die gericht zijn op het beschermen van rechten die aan het Unierecht ontleend worden. Zulke procedureregels mogen ten eerste niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke vorderingen naar nationaal recht gelden (het gelijkwaardigheidsbeginsel). Dit is eigenlijk een toepassing van het nondiscriminatiebeginsel. Daarnaast mag de uitoefening van de door het recht van de Europese Unie verleende rechten niet in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk gemaakt worden (het doeltreffendheidsbeginsel). Dit doeltreffendheidsbeginsel is het doeltreffendheidsbeginsel sensu stricto en wordt soms Rewe-effectiveness of effectiviteitsbeginsel genoemd In de tweede plaats is er een strekking in de rechtspraak die sommige nationale procedureregels buiten werking stelt op grond van het beginsel van volle werking ( full effectiveness, effet utile ) van het Unierecht, dat naar analogie 7 Het is vaste rechtspraak van het Hof dat, bij gebreke van een desbetreffende Unieregeling, de lidstaten de bevoegde rechter aanwijzen en voorzien in een procesrechtelijke regeling met betrekking tot vorderingen die gericht zijn op het beschermen van de rechten die justitiabelen aan het Unierecht ontleneneen. Dit is het beginsel van procesrechtelijke autonomie of procedurele autonomie. Cfr. infra, Vooral via het vereiste van richtlijnconforme interpretatie. 9 De dubbele gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidstest werd voor het eerst geformuleerd in de arresten Rewe en Comet (HvJ 16 december 1976, nr. C-33/76, ECLI:EU:C:1976:188, Rewe ; HvJ 16 december 1976, nr. C-45/76, ECLI:EU:C:1976:191, Comet BV ). Het doeltreffendheidsbeginsel wordt daarom ook wel eens Rewe effectiveness genoemd in de literatuur. 10 In het Frans, de werktaal van het Hof, is het doeltreffendheidsbeginsel het principe d effectivité. Omdat in de grote meerderheid van de arresten voor doeltreffendheidsbeginsel gekozen is door de vertalers van het Hof, wordt die term hier ook consequent gebruikt. 10

11 met het Engels en Frans ook vertaald zou kunnen worden als doeltreffende werking. Deze rechtspraak wordt soms ook de Simmenthal -rechtspraak genoemd, naar het eerste arrest waarin de voorrang van het Unierecht op zo n manier naar voren kwam. Voorbeelden zijn onder andere de arresten Factortame, Francovich en Lucchini. 11 In het consumentenrecht zijn de arresten Pannon Gutiérrez Naranjo voorbeelden van die rechtspraak, en zij het eerder impliciet ook het arrest Océano Grupo. 12 Dit beginsel is gelieerd aan het principe van de voorrang van het Unierecht. 11. Ten slotte komt er recent ook meer en meer aandacht voor het beginsel van doeltreffende rechtsbescherming 13 als een grondrechtelijk principe dat ook de lidstaten moeten respecteren wanneer ze het Unierecht ten uitvoer leggen. Het is o.a. uitgedrukt in art. 47 van het Handvest van de Grondrechten van de EU: eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte. Dit beginsel is voor sommige auteurs een overkoepelende doeltreffendheidsbepaling waaronder ook de Rewe -doeltreffendheid moet ondergebracht worden. 14 In recente arresten ( ) heeft het Hof een grote stap gezet in die richting door het uiterst moeilijk of onmogelijk -criterium te laten vallen ten voordele van doeltreffende voorziening in rechte. 15 De rechtspraak is op dit stuk dus nog volop in beweging. 12. Op deze doctrines, en hun onderlinge verschillen, gelijkenissen en eventuele wederzijdse beïnvloeding, wordt verder nog dieper ingegaan. Deze masterproef focust inhoudelijk wel op de doeltreffendheidstest zoals geformuleerd in het Rewe -arrest. Het is ook die test die door het Hof van Justitie de laatste jaren zeer vaak gehanteerd wordt, voornamelijk in zaken met betrekking tot de richtlijn oneerlijke bedingen. Het gelijkwaardigheidsbeginsel wordt grotendeels buiten beschouwing gelaten, omdat dit conceptueel gezien sowieso al minder interessant is 16 en ook veel minder wordt toegepast in consumentenzaken. 11 HvJ 19 juni 1990, C-213/89, ECLI:EU:C:1990:257, Factortame ; HvJ 19 november 1991, nr. C-6/90, ECLI:EU:C:1991:428, Francovich ; HvJ 18 juli 2007, nr. C-119/05, ECLI:EU:C:2007:434, Lucchini. 12 HvJ 4 juni 2009, nr. C-243/08, ECLI:EU:C:2009:350, Pannon ; HvJ 21 december 2016, nr. C- 154/15, ECLI:EU:C:2016:980, Gutiérrez Naranjo ; HvJ 27 juni 2000, nr. C-240/98, ECLI:EU:C:2000:346, Océano Grupo Editorial. 13 Vaak wordt het synoniem daadwerkelijke rechtsbescherming gebruikt, naar analogie met artikel 13 EVRM: een ieder wiens rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, heeft recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie. In het Frans ( droit à un recours effectif ) en Engels ( right to an effective remedy ) is er sprake van dezelfde term, dus wordt in deze masterproef naar analogie ook consequent de term doeltreffende rechtsbescherming of doeltreffende voorziening in rechte gehanteerd. 14 N. REICH, The Principle of Effectiveness and EU Contract Law, Osservatorio del diritto civile e commerciale 2013, , F. P. PATTI, The Effectiveness of Consumer Protection in Sales Contracts: Some Observations from Recent European Case Law, Journal of European Consumer and Market Law, 2015, Cfr. infra, Het gelijkwaardigheidsbeginsel introduceert geen nieuwe remedies in het recht van de lidstaten en creëert ook geen minimumstandaard waaraan procedures moeten voldoen. Het is alleen van toepassing wanneer het nationale procesrecht een procedure of remedie kent voor bepaalde zaken die om één of andere reden niet wordt toegepast op gelijkaardige (-waardige) zaken die verband houden met Europese regels. Een typisch voorbeeld waarin het gelijkwaardigheidsbeginsel van belang is, was het arrest Karel de Grote Hogeschool. Bij verstek moest de Belgische rechter de 11

12 Toenemende hoeveelheid rechtspraak over het doeltreffendheidsbeginsel 13. Aanleiding voor het schrijven van deze masterproef was de vaststelling dat het aantal prejudiciële verwijzingen waarin het doeltreffendheidsbeginsel een rol speelt, opmerkelijk gestegen is. Onderstaande figuur 17 toont aan dat het aantal (belangwekkende) arresten over het doeltreffendheidsbeginsel sinds 2012 sterk is toegenomen Jaarlijks aantal arresten over het doeltreffendheidsbeginsel in consumentenzaken 14. Waar vroeger ten hoogste één arrest per jaar te noteren viel, is er sinds 2012 een stroom van zaken op gang gekomen die voorlopig nog niet gestopt lijkt. Wellicht is hier sprake van een soort sneeuwbaleffect: hoe meer opmerkelijke arresten, hoe meer consumentenorganisaties, juristen en rechters vertrouwd geraken met de problematiek, wat op zijn beurt weer tot meer verwijzingen leidt, enzovoort. De toename aan zaken is vooral toe te schrijven aan verwijzingen over Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: richtlijn 93/13 of richtlijn oneerlijke bedingen ). Die vaststelling brengt meteen een tweede mogelijke oorzaak in vorderingen van de eiser toekennen tenzij die strijdig zijn met de openbare orde. Nu het verbod op oneerlijke bedingen volgens het Hof een norm is die gelijkwaardig is aan normen van interne openbare orde, mag de verstekrechter ook een vordering gebaseerd op een oneerlijk beding niet toekennen aan de eiser (ook al laat de verweerder dus verstek gaan). HvJ 17 mei 2018, nr. C- 147/16, ECLI:EU:C:2018:320, Karel de Grote Hogeschool. 17 De grafiek is het resultaat van een lijst die aangelegd werd op basis van een zoekopdracht in de databank van het Hof van Justitie, maar gedurende het onderzoek ook sterk gefilterd is op overbodige resultaten of arresten die naderhand toch weinig relevant bleken. Hier en daar is ook een arrest opgenomen dat niet letterlijk over het doeltreffendheidsbeginsel gaat, zoals Océano Grupo, maar toch belangrijk is voor de interpretatie. De arresten in de grafiek zijn dus allemaal rechtstreeks relevant voor de interpretatie van het doeltreffendheidsbeginsel. Als een grafiek zou gemaakt worden met alle arresten over het doeltreffendheidsbeginsel tout court, zou de vastgestelde stijging zelfs nog sterker zijn. Achteraan is de lijst met relevante arresten integraal opgenomen. 12

13 beeld: de toename valt rekening houdend met het vertragend effect van de procedures samen met het uitbreken van de meest intense naoorlogse hypotheekcrisis in de EU, vooral in lidstaten zoals Spanje. De richtlijn 93/13 speelt een grote rol daarin, omdat heel wat kredietovereenkomsten van vóór 2008 oneerlijke bedingen bevatten. Het nationaal procesrecht doorkruist echter een consequente toepassing van richtlijn 93/13, met veel arresten over het doeltreffendheidsbeginsel tot gevolg. 15. Dat laatste vertaalt zich overigens ook in de geografische spreiding van het aantal verwijzingen. Wanneer de relevante arresten opgesplitst worden per land, springt onmiddellijk het grote aantal arresten in het oog dat gewezen werd na een prejudiciële vraag van één of meer Spaanse rechters. Er zijn maar liefst 18 arresten op vraag van een Spaanse rechter, tegenover 16 arresten voor alle andere lidstaten samen. Naast Spanje is er ook een relatief grote groep Oost-Europese landen die antwoord kregen op prejudiciële vragen (Hongarije, Polen, Slowakije, Tsjechië), samen goed voor 12 arresten. Frankrijk (3) en Nederland (1) sluiten de rij en zijn de enige andere lidstaten waarvoor minstens één arrest gewezen is dat van belang is voor het doeltreffendheidsbeginsel Aantal arresten per lidstaat Frankrijk Hongarije Nederland Polen Slovakije Spanje Tsjechië 16. Vanwaar het grote aantal arresten voor Spanje? 18 De hiervoor al aangestipte oorzaken zijn wellicht een groot deel van de verklaring. Daarnaast kan ook de hypothese gemaakt worden dat het Spaanse procesrecht buitengewoon nadelig is voor de consument, of dat Spaanse rechters sneller geneigd zijn om vragen te stellen aan het Hof (wat op zijn beurt weer verschillende mogelijke oorzaken zou hebben). Dat achterhalen is echter op zich niet echt het onderwerp van deze masterproef. De arresten zijn in de eerste plaats immers gezaghebbend voor de gehele Europese Unie, en de erin ontwikkelde doctrine is voor heel het Europees 18 Er kan nog opgemerkt worden dat er naast de relevante arresten in de lijst ook heel wat arresten zijn op vraag van Spaanse rechters waar het doeltreffendheidsbeginsel uiteindelijk niet van belang bleek te zijn, of zaken waar het nooit tot een arrest is gekomen. Het overwicht van Spaanse zaken zou nog sterker zijn mochten alle zoekresultaten in de grafiek zijn opgenomen. 13

14 recht van gelijk belang. Ten tweede is het vooral interessant om te onderzoeken wat nu het beleid is van het Hof in al die zaken en welke rol het doeltreffendheidsbeginsel speelt in die rechtspraak Probleemstelling 17. Wanneer dieper wordt ingegaan op het doeltreffendheidsbeginsel in consumentenzaken, duikt een paradox op. Enerzijds is er een exponentieel aantal arresten waarin doeltreffendheid een grote rol speelt. Anderzijds heerst veel onduidelijkheid over een aantal basisbeginselen van dat doeltreffendheidsbeginsel. 18. Dit gebrek aan duidelijkheid is wellicht deels te wijten aan het feit dat de literatuur over het doeltreffendheidsbeginsel in consumentenzaken relatief schaars is. Enerzijds bestaat een groot deel van de doctrine immers uit noten op individuele arresten, waardoor weinig overzicht bewaard wordt. Anderzijds is de literatuur die wél specifiek het doeltreffendheidsbeginsel behandelt, niet per se gericht op het consumentenrecht; dat beginsel speelt immers ook een belangrijke rol in andere takken van het Unierecht, zoals het administratief en fiscaal recht of het mededingingsrecht. 19. Een tweede en misschien wel grotere reden voor de onduidelijkheid is de rechtspraak van het Hof zelf. Veel arresten zijn op zich al vrij complex, omdat vaak een diepgaande analyse van het nationale procesrecht nodig is. De redeneringen zijn meestal redelijk abstract en weinig toegankelijk. Daarnaast gebruikt het Hof ook niet altijd dezelfde doeltreffendheidstest: nu eens wordt de Rewe -test gebruikt (niet onmogelijk of uiterst moeilijk), dan weer de doeltreffende rechtsbeschermingstest (doeltreffende voorziening in rechte zoals voorzien in artikel 47 Handvest), en soms een impliciete toepassing van de Simmenthal -rechtspraak (rechters moeten nationale bepalingen die het nuttig effect van het Unierecht verhinderen buiten toepassing laten). M. Bobek overigens zelf advocaat-generaal bij het Hof is in een bijdrage over procedurele autonomie dan ook streng voor de rechtspraak inzake het doeltreffendheidsbeginsel: the ensuing judicial practice is, unfortunately, a mess Die onduidelijkheid is des te jammer wanneer men bedenkt hoe groot de impact soms is van de arresten die het Hof velt: het gaat immers om procedures waarin tot wel honderdduizenden en in extreme gevallen miljoenen consumenten betrokken kunnen raken 20, en niet zelden ook om ontbindingen van 19 M. BOBEK, Why There Is No Principle of Procedural Autonomy of the Member States, in H. MICKLITZ en B. DE WITTE (eds), The European Court of Justice and the Autonomy of the Member States, Oxford, Intersentia, 2012, Illustratief in dit verband is de zaak Gutiérrez Naranjo over bodemrentebedingen, waar in Spanje grote politieke beroering over ontstond. In bijna alle kredietovereenkomsten zijn door Spaanse banken jarenlang bodemrentebedingen gehanteerd (een beding waardoor de te betalen interest, die steeds variabel was, niet onder een vooraf bepaald percentage kan zakken; na de crisis zakte de rente door het beleid van de ECB echter ruim onder die vooraf vastgelegde precentages; de nietigverklaring van het beding leidt volgens richtlijn 93/13 in beginsel tot een terugbetalingsplicht van het verschil tussen de betaalde interest overeenkomstig het 14

15 kredietovereenkomsten, hetgeen een zware financiële impact heeft op het vermogen van de betrokkenen. Daarnaast is er ook de vraag of het huidige recht en toekomstige hervormingen van het nationale procesrecht zich wel verdragen met het doeltreffendheidsbeginsel. In die optiek kan een studie van de rechtspraak ook voor België zeer relevant zijn, met name wat betreft de voorgestelde uitbreiding van de minnelijke invorderingsprocedure van B2B naar B2C. Ook inzake uitwinningsprocedures of nieuwe vormen van (online) arbitrage kunnen vragen rijzen. Om die vragen te beantwoorden moet echter duidelijk worden wat nu de essentie is van de rechtspraak van het Hof van Justitie Vraagstelling 21. De vragen die in deze masterproef beantwoord zullen worden, kunnen in drie grote groepen van deelvragen opgesplitst worden. De masterproef zal die indeling grotendeels volgen Inhoud van het doeltreffendheidsbeginsel 22. Het voorgaande bood al een eerste inleiding op de doctrinale onduidelijkheden over het doeltreffendheidsbeginsel. De bedoeling in deze masterproef om een duidelijker beeld te krijgen van de bestaande rechtspraak en rechtsleer. 23. In de eerste plaats kan de vraag gesteld worden welke soorten doeltreffendheid er in het algemeen bestaan en hoe die in mekaar overlopen. Dit deel zal noodzakelijkerwijs een meer beschrijvend karakter hebben. Bedoeling is wel een zekere orde te scheppen in de soms divergerende rechtspraak van het Hof. Daarnaast moet, in het licht van recente arresten, ook de vraag gesteld worden of het Hof de doeltreffendheidstest aan het veranderen is onder invloed van artikel 47 Handvest (recht op doeltreffende voorziening in rechte). Kan artikel 47 Handvest dan de Rewe -rechtspraak gaan vervangen? De bestaande voor- en tegenargumenten zullen tegen het licht gehouden worden. 24. In de tweede plaats zal, opnieuw eerder beschrijvend, onderzocht worden hoe het Hof het doeltreffendheidsbeginsel heeft toegepast in consumentenzaken. De vraag is hier of die rechtspraak een bepaalde evolutie heeft doorgemaakt, en of het mogelijk is om een consistente koers te lezen in de vele arresten van het Hof. Wanneer is het doeltreffendheidsbeginsel voor het eerst gebruikt in de context van de richtlijn oneerlijke bedingen? Wanneer en hoe heeft het Hof die rechtspraak uitgebreid naar andere richtlijnen? En, recenter: heeft de herformulering van de Rewe -test in het licht van art. 47 Handvest een merkbare impact op de toetsing van nationale procesregels? bodempercentage, en de werkelijke rente van de ECB). De Spaanse banken werden door een voor de getroffen consumenten gunstige uitspraak van het Hof geconfronteerd met schadeclaims die ten tijde van het arrest op tussen drie en vijf miljard (!) euro in totaal werden geschat en meer dan twee miljoen consumenten een recht op terugbetaling schonk. Bron: El País, Spain s banks must give clients full refund for abusive mortgage clauses, 15 februari 2017, 15

16 25. De antwoorden op deze vragen zullen idealiter toelaten om de rechtspraak op een logische manier te rangschikken en duiden. Er zal daarbij ook een eerste maal evaluatief gekeken worden naar de vraag of die rechtspraak wel coherent en overzichtelijk is, en of er een duidelijke beleidslijn te bemerken valt Evaluatie van het doeltreffendheidsbeginsel zoals toegepast door het Hof 26. Het voorgaande is een onderzoek van het doeltreffendheidsbeginsel op meer theoretisch niveau. De tweede grote doelstelling in deze masterproef is om concreet te gaan bestuderen waar de grenzen liggen van het doeltreffendheidsbeginsel. De vraag stelt zich immers of er boven- en ondergrenzen zijn aan de toepassing van het doeltreffendheidsbeginsel in consumentzaken. Wanneer is een procesregel onverenigbaar met het Europese consumentenrecht, en, vooral, met de richtlijn oneerlijke bedingen? Wanneer vindt het Hof dat het nationale procesrecht wél de toets doorstaat? Waar ligt de grens of het kritieke punt? 27. Met de gevonden resultaten kan dan teruggekoppeld worden naar de inhoudelijke vragen in verband met doeltreffendheid. Is de toepassing van het doeltreffendheidsbeginsel in zekere mate voorspelbaar? Houdt het Hof enkel rekening met de abstracte vraag of het procesrecht een doeltreffende voorziening in rechte biedt, of zijn de arresten op maat gemaakt van de noodzaak om consumenten te beschermen? Is er nood aan een nieuwe aanpak, of volstaat de huidige doeltreffendheidstest om conflicten op te lossen? Is het doeltreffendheidsbeginsel, alle omstandigheden in acht genomen, een geschikte doctrine om fricties tussen consumentenrecht en procesrecht van de baan te helpen? Toekomstige evoluties en relevantie voor Belgische rechtsorde 28. Een derde deel zal zich toespitsen op een meer praktische vraag waarin de gevonden resultaten getoetst worden aan een Belgische casus. In de eerste plaats kan gekeken worden naar de IOS-procedure voor ondernemingen (B2B), die volgens sommigen naar B2C-zaken moet uitgebreid worden. De ontlasting van het gerechtelijke apparaat blijft wellicht ook de komende legislatuur een prioriteit, dus stijgt ook de mogelijkheid dat zo n uitbreiding er effectief komt. Kan dat wel in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel? Bij de meeste juristen weerklinkt momenteel eerder weigerachtigheid, ook gebaseerd op de doeltreffendheidsrechtspraak. De uitgebreide en diepgaande analyse van de vorige delen zal toegepast worden op de bestaande IOS-procedure om die scepsis verder te onderbouwen, dan wel te weerleggen. De wenselijkheid van de uitbreiding komt daarbij an sich niet aan bod; daarvoor zijn andere onderzoekers en uiteindelijk de politiek beter geplaatst. De vraag is of het huidig Europees recht zich principieel verzet tegen een IOS-procedure voor consumenten Methodologie en beperkingen 29. Deze masterproef wil voornamelijk een echte dieptestudie maken van het doeltreffendheidsbeginsel. Het is daarom vooral een rechtspraakanalyse: het 16

17 doeltreffendheidsbeginsel is in geen enkele wettekst opgenomen 21, en moet daarentegen beschouwd worden als een originele creatie van het Hof van Justitie. Recent is artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de EU wel enigszins versmolten met het doeltreffendheidsbeginsel; maar opnieuw is de rechtspraak daar cruciaal. Hetzelfde geldt ook voor de consumentenrechtelijke aspecten van de analyse: ook hier speelt de rechtspraak een grote, zo niet grotere rol dan de eigenlijke primaire en secundaire (EU-) wetgeving. De analyse is in grote mate kwalitatief en zal gekoppeld worden aan een literatuuronderzoek, zeker in het eerste deel. Daarbij moet wel de kanttekening geplaatst worden dat de bestaande literatuur vrij diffuus is. Er zijn weinig stromingen of duidelijke posities die ingenomen kunnen worden. Het tweede en derde deel bouwt voort op het eerste deel, maar is origineler in die zin dat bij mijn weten geen bestaand diepgravend onderzoek te vinden is waarin het doeltreffendheidsbeginsel in consumentenzaken systematisch geanalyseerd wordt met als doel het identificeren van boven- en ondergrenzen in de toepassing ervan. 30. Wat in deze masterproef niét zal onderzocht worden is het materiële consumentenrecht sensu stricto. De richtlijn oneerlijke bedingen speelt bijvoorbeeld een grote rol in de context van doeltreffendheid, maar wie inhoudelijk gezien nieuwe bijdragen zoekt over oneerlijke bedingen zelf, is hier aan het verkeerde adres. Evenmin is het de bedoeling om een onderzoek te voeren dat uitsluitend Europeesrechtelijke of procesrechtelijke aspecten behandelt, of strikt binnen het Europees, het privaat-, publiekrecht of het gerechtelijke recht valt te situeren: de doelstelling is wat dat betreft interdisciplinair, en bevindt zich op het kruispunt van die rechtstakken zonder dat één aspect de bovenhand moet nemen. De overkoepelende achtergrond is uiteraard het consumentenrecht, dat op zich ook niet in één hokje te duwen valt. 31. Het eerste deel is nog vrij descriptief. Het tweede deel is dan weer enerzijds descriptief overzicht en structurering van de bestaande rechtspraak maar anderzijds ook evaluatief: door terugkoppeling naar het eerste deel kan een algemene evaluatie gemaakt worden van het doeltreffendheidsbeginsel in consumentenzaken. Is het beginsel geschikt, is het Hof consistent, wat zijn de knelpunten en waar ligt de grens? In het laaste deel worden de gevonden resultaten dan weer aangewend om na te gaan of voorgesteld toekomstig beleid de bestaande rechtspraak zou kunnen doorstaan. Dit deel(tje) is dus ook een aanzet tot voorspellend of adviserend onderzoek. 21 Tenminste wat het doeltreffendheidsbeginsel sensu stricto betreft, dat ontdekt is in de arresten Rewe en Comet. 17

18 Hoofdstuk twee: het Hof van Justitie en doeltreffendheid 32. In de volgende hoofdstukken zal het belang van het doeltreffendheidsbeginsel voor het consumentenrecht onderzocht worden. Het doeltreffendheidsbeginsel is echter een gecontesteerd begrip, in die zin dat het Hof van Justitie meerdere versies van doeltreffendheid kent, en deze vaak door mekaar gebruikt. Voor de rechtspraak inzake consumentenrecht is het doeltreffendheidsbeginsel zoals voor het eerst geformuleerd in de arresten Rewe en Comet (16 december 1976) 22 het meest van belang, al zijn er ook andere vormen van doeltreffendheid die een rol spelen. Het Rewe -doeltreffendheidsbeginsel vormt wel het eigenlijke onderwerp van deze masterproef. Na een eerste inleiding op de inhoud van dát begrip, zal onderzocht worden hoe de verschillende andere types van doeltreffendheid zich tegenover mekaar verhouden. Pas dan kan een goede evaluatie gemaakt worden van het Rewe -doeltreffendheidsbeginsel in de enge betekenis van het begrip. Dit alles wordt nog gecompliceerd doordat het Hof van Justitie de Rewe -formule lijkt te verlaten en voor een aanpak kiest die steunt op artikel 47 van het Handvest Inleiding: van Rewe tot Radlinger 33. Het doeltreffendheidsbeginsel is een creatie van de Europese rechtspraak. De eerste formulering van het beginsel is zoals gezegd terug te vinden in de Rewe - en Comet -arresten van 16 december De feiten die aan de grondslag van het geding lagen, waren in beide zaken erg gelijkaardig. Twee ondernemingen hadden enkele jaren voordien een aantal douaneheffingen betaald die in strijd bleken te zijn met het toenmalige gemeenschapsrecht. De getroffen firma s wensten de onterecht betaalde heffingen dan ook terug te vorderen, maar werden daarbij geconfronteerd met nationaalrechtelijke beroepstermijnen die overschreden waren. 25 De vraag was of, in de woorden van de advocaat-generaal, een EU-lidstaat zich kan beroepen op nationaalrechtelijke procestermijnen, wanneer een onderneming in rechte de terugbetaling vordert van een onrechtmatig (in strijd met het gemeenschapsrecht) geheven bedrag. Nog eenvoudiger geformuleerd: of en wanneer kan het nationaal procesrecht een belemmering vormen voor de doorwerking van EU-recht? 34. Het antwoord van het Hof luidt: 22 HvJ 16 december 1976, nr. C-33/76, ECLI:EU:C:1976:188, Rewe-Zentralfinanz. 23 HvJ 31 mei 2018, nr. C-483/16, ECLI:EU:C:2018:367, Sziber ; HvJ 13 september 2018, nr. C- 176/17, ECLI:EU:C:2018:711, Profi Credit Polska. 24 HvJ 16 december 1976, nr. C-33/76, ECLI:EU:C:1976:188, Rewe-Zentralfinanz ; HvJ 16 december 1976, nr. C-45/76, ECLI:EU:C:1976:191, Comet BV. Voor beide arresten werd door advocaat-generaal J.-P. Warner op 30 november 1976 geconcludeerd, in één enkele conclusie (ECLI:EU:C:1976:167). Het arrest Rewe mag niet verward worden met het bekendere arrest Cassis de Dijon (nr. C-120/78, ECLI:EU:C:1979:42) waar Rewe eveneens één van de partijen in het geding was. 25 De ondernemingen hadden een aantal heffingen betaald in verband met de in- en uitvoer van producten over de grens met een buurland. Die heffing werd strijdig verklaard met het toenmalige gemeenschapsrecht, maar bijvoorbeeld de Duitse de termijn van één maand (uitzonderlijk één jaar) voor het betwisten van heffingen was op dat moment al lang verlopen. 18

19 [1] Bij ontbreken van een desbetreffende gemeenschapsregeling, [is het] een aangelegenheid van de nationale rechtsorde van elke Lid-Staat om de bevoegde rechter aan te wijzen en de procesregels te geven voor de rechtsvorderingen (...) welke de justitiabelen aan (...) het gemeenschapsrecht ontlenen, [2] met dien verstande dat deze regels niet ongustiger mogen zijn dan die voor soortgelijke nationale vorderingen; (...) [3] dat dit slechts anders zou zijn, indien deze vereisten en termijnen het in de praktijk onmogelijk zouden maken rechten uit te oefenen die de nationale rechter verplicht is te handhaven; [4] dat zulks niet geval is bij de vaststelling van redelijke beroepstermijnen op straffe van verval van rechten; dat immers de vaststelling van dergelijke termijnen voor beroepen van fiscale aard de toepassing vormt van het grondbeginsel van rechtszekerheid, dat zowel de belastingplichtige als de betrokken administratie beschermt 26 (nummering toegevoegd) 35. In dit antwoord komen meteen vier principes naar voor die tot op vandaag hoekstenen zijn in de analyses van het Hof en nog steeds vaststaande rechtspraak vormen. Ten eerste wordt het principe van de procedurele autonomie van de lidstaten bevestigd [1]. 27 Vervolgens formuleert het Hof het gelijkwaardigheidsbeginsel [2], dat de tegenhanger vormt van het derde principe, het eigenlijke doeltreffendheidsbeginsel [3]. En ten vierde, niet onbelangrijk, blijkt al meteen dat het Hof een beperking formuleert op het doeltreffendheidsbeginsel, namelijk dat redelijke beroepstermijnen het beginsel niet schenden [4] omdat zulks een toepassing vormt van het grondbeginsel van rechtszekerheid. 36. Vergelijken we de formulering in Rewe met een redelijk recent arrest waarin toepassing wordt gemaakt van dezelfde beginselen, dan valt het op dat er, op een aantal verduidelijkingen na, eigenlijk weinig gewijzigd is: - Volgens vaste rechtspraak van het Hof is het bij gebreke van een desbetreffende Unieregeling een aangelegenheid van het nationale recht van elke lidstaat om krachtens het beginsel van procesrechtelijke autonomie de bevoegde rechter aan te wijzen en te voorzien in een procesrechtelijke regeling met betrekking tot vorderingen die gericht zijn op het beschermen van de rechten die justitiabelen aan het Unierecht ontlenen. - Om die reden mag de procesrechtelijke regeling met betrekking tot vorderingen die gericht zijn op het beschermen van de rechten die justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke vorderingen naar nationaal recht geldt (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door het recht van de Europese Unie verleende rechten niet in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) HvJ 16 december 1976, nr. C-33/76, ECLI:EU:C:1976:188, Rewe-Zentralfinanz, punt Sommige auteurs hebben aan dit beginsel een belangrijke rol toebedeeld. Zie bijvoorbeeld D.-U. GALETTA, Procedural Autonomy of EU Member States: Paradise Lost? A Study On the "functionalized Procedural Competence" of EU Member States, Berlijn, Springer, 2010, xvi+145p. Anderen zijn eerder kritisch en vinden het een overbodig begrip. Zie onder andere: M. BOBEK, Why There Is No Principle of Procedural Autonomy of the Member States, in H. MICKLITZ en B. DE WITTE (eds), The European Court of Justice and the Autonomy of the Member States, Oxford, Intersentia, 2012, ; J. TOMASZ NOWAK, De bevoegdheid van EU-lidstaten voor de aanname van regels van nationaal procesrecht: grenzen in de rechtspraak van het Hof van Justitie in N. CARIAT, J.TOMASZ NOWAK, K. LENAERTS en I. BAMBUST, Le droit de l'union européenne et le juge belge / Het recht van de Europese Unie en de Belgische rechter, Brussel, Bruylant, 2015, 3; B. THORSON, Individual Rights in EU Law, Oslo, Springer, 2016, HvJ 21 april 2016, nr. C-377/14, ECLI:EU:C:2016:283, Radlinger, punt

20 37. Aan de rechtspraak van het Hof van Justitie is dus, tenminste wat de essentie van het doeltreffendheidsbeginsel betreft, en de relatie met het gelijkwaardigheidsbeginsel, weinig tot niets gewijzigd. Alleen significant is de wijziging van de zinsnede in de praktijk onmogelijk maken, die sinds het arrest San Giorgio is uitgebreid tot onmogelijk of uiterst moeilijk maken. 29 Dat laatste biedt natuurlijk meer perspectieven om over te gaan tot een ruimere toetsing van nationale procesregels. Het is ook redelijker: had het Hof vastgehouden aan het strikte onmogelijkheidsvereiste, dan zou het doeltreffendheidsbeginsel wellicht grotendeels uitgehold zijn. Voor het overige is de rechtspraak van het Hof erg consistent door de jaren heen, en lijken de contouren wel min of meer vast te liggen. 38. Naast het beginsel zelf is er ook een vaste rechtspraak ontwikkeld inzake de doeltreffendheidstest en de richtsnoeren die het Hof hanteert wanneer het de test toepast op een concrete procesregel of casus. Het zijn eigenlijk preciseringen op de algemene regel. Ze zullen aan bod komen bij de bespreking van de boven- en ondergrenzen van het doeltreffendheidsbeginsel, cfr. infra Drie types doeltreffendheid? 39. Het voorgaande bood reeds een eerste inleiding op de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie bij de toepassing van het doeltreffendheidsbeginsel. De Rewe -rechtspraak is evenwel slechts de veruitwendiging van het doeltreffendheidsbeginsel sensu stricto 30, ook al wordt dat in de conclusies en arresten van het Hof nooit als dusdanig zo benoemd. In het bepalen van nationale remedies en procedures kunnen de lidstaten op verschillende manieren teruggefloten worden door het Hof. Het is uiteindelijk de rechtsleer die drie beginselen heeft gedistilleerd uit de soms overvloedige rechtspraak: het vereiste van volle werking (effet utile) van het Unierecht, het beginsel van doeltreffende of daadwerkelijke rechtsbescherming (art. 47 Handvest), en het eigenlijke doeltreffendheidsbeginsel sensu stricto van de Rewe -rechtspraak Niet alle commentatoren zijn het per se eens met die driedeling, zoals onder andere gehanteerd door Lenaerts en Tomasz Nowak. Zo lijkt bijvoorbeeld Reich de drie soorten doeltreffendheid gewoon door mekaar te gebruiken, of ze alleszins onder één theorie samen te brengen die hij de hybride methode van het Hof noemt. 32 Anderen zien in art. 47 van het Handvest een overkoepelende paraplu, 29 HvJ 9 november 1982, nr. C-199/82, ECLI:EU:C:1983:318, San Giorgio. 30 De term is overgenomen uit K. LENAERTS, I., MASELIS, K., GUTMAN en J. TOMASZ NOWAK (eds.), EU procedural law, Oxford, Oxford University Press, 2014, 110 e.v. 31 K. LENAERTS, I., MASELIS, K., GUTMAN en J. TOMASZ NOWAK (eds.), EU procedural law, Oxford, Oxford University Press, 2014, ; J. TOMASZ NOWAK, De bevoegdheid van EUlidstaten voor de aanname van regels van nationaal procesrecht: grenzen in de rechtspraak van het Hof van Justitie in N. CARIAT, J.TOMASZ NOWAK, K. LENAERTS en I. BAMBUST, Le droit de l'union européenne et le juge belge / Het recht van de Europese Unie en de Belgische rechter, Brussel, Bruylant, 2015, 28-29; B. THORSON, Individual Rights in EU Law, Oslo, Springer, 2016, 10 e.v.; V. TRSTENJAK, en E. BEYSEN, European Consumer Protection Law: Curia Semper Dabit Remedium?, Common Market Law Review 2011, Zie: N. REICH, General Principles of EU Civil Law, Cambridge, Intersentia, 2014,

21 waar ook de Rewe -doeltreffendheid kan ondergebracht worden. 33 Overigens was en is de rechtspraak van het Hof op dit punt even onduidelijk als de literatuur. 34 De driedeling zal hier toch gehanteerd worden. Dit sluit het dichtst aan bij de rechtspraak van het Hof er zijn nu eenmaal verschillende takken in die rechtspraak over doeltreffendheid en verderop kan dan besproken worden of en hoe het Hof tot een nieuwe, overkoepelende koers kwam Beginsel van volle werking of doeltreffendheid in ruime zin 41. Een essentieel kenmerk van de Europese rechtsorde is de voorrang van het Unierecht op nationale bepalingen die afbreuk zouden doen aan de volle werking van dat Unierecht. 35 Soms komt het voor dat zo n nationale bepaling een procesregel is die afbreuk doet aan die volle werking. In zo n gevallen vertrekt het Hof niet altijd vanuit het beginsel van nationale procedurele autonomie. Het steunt zich in die gevallen enkel op het beginsel van volle werking en voorrang van het Unierecht, zoals bijvoorbeeld in het arrest Factortame. In die zaak kwam het Hof op basis van eerdere rechtspraak over voorrang van het Unierecht tot de conclusie dat het Engelse procesrecht, dat in de omstandigheden van het hoofdgeding geen voorlopige maatregelen kende, strijdig was met het Unierecht. De redenering in Factortam leunt sterk op het arrest Simmenthal (dat het beginsel van de voorrang van het EU-recht concreter uitwerkte): 36 - In zijn arrest [Simmenthal] heeft het Hof verklaard, dat rechtstreeks toepasselijke regels van gemeenschapsrecht vanaf hun inwerkingtreding en tijdens hun gehele geldigheidsduur hun volle werking op eenvormige wijze in alle Lid-Staten moeten ontplooien" en dat [ze] krachtens het beginsel van de voorrang van het gemeenschapsrecht, door het enkele feit van hun inwerkingtreding elke strijdige bepaling van de... nationale wetgeving van rechtswege buiten toepassing doen treden. - Volgens de rechtspraak van het Hof dient ingevolge het in artikel 5 EEG-Verdrag neergelegde samenwerkingsbeginsel de nationale rechter de rechtsbescherming te verzekeren welke voor de justitiabelen voortvloeit uit de rechtstreekse werking van gemeenschapsrechtelijke bepalingen Ook heeft het Hof verklaard dat met de vereisten welke in de eigen aard van het gemeenschapsrecht besloten liggen, onverenigbaar is elke bepaling van een nationale 33 Voor een overzicht van dit aspect van het debat en pro s en contra s voor zo n parapluwerking: J. KROMMENDIJK, Is there light on the horizon? The distinction between Rewe effectiveness and the principle of effective judicial protection in Article 47 of the Charter after Orizzonte, Common Market Law Review, 2016, In sum, it appears that doctrinal differences between Rewe effectiveness and the Principle of Effective Judicial Protection are not always easy to make in practice, and they do not seem considerable. ( ) Despite these differences, the ECJ has not been very careful in clearly distinguishing between both principles. This incoherence in the ECJ s case law has been pointed out on many occasions. In some cases, the ECJ only applied Rewe effectiveness, even though the cases had everything to do with effective judicial protection.( ) The silence on the Charter is especially remarkable when the national court explicitly asked about Article 47 of the Charter. In other cases, it is only the Principle of Effective Judicial Protection and/or Article 47 which is addressed. J. KROMMENDIJK, Is there light on the horizon? The distinction between Rewe effectiveness and the principle of effective judicial protection in Article 47 of the Charter after Orizzonte, Common Market Law Review, 2016, Zie uitgebreider: K. LENAERTS en P. VAN NUFFEL, Europees Recht, Antwerpen, Intersentia, 2017, p. 519 e.v. 36 HvJ 9 maart 1978, nr. C-106/77, ECLI:EU:C:1978:49, Simmenthal ; HvJ 19 juni 1990, C- 213/89, ECLI:EU:C:1990:257, Factortame. 21