Een onderzoek naar de reikwijdte van de vrijstelling voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Een onderzoek naar de reikwijdte van de vrijstelling voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen"

Transcriptie

1 Een onderzoek naar de reikwijdte van de vrijstelling voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen Masterthesis Fiscale Economie Naam: Ruby- Jane de Jong Administratienummer: s Universiteit: Tilburg University Studierichting: Master Fiscale Economie, Accent Indirecte belastingen Afstudeerdatum: 28 augustus 2013, 14.00u Examencommissie: prof. dr. G.J. van Norden & Mr. E.G. Bakker

2 Voorwoord Deze masterscriptie betekent voor mij het einde van een geweldige studententijd, waar ik met veel plezier aan terug zal denken. Ik ben begonnen op de economische faculteit waar ik, na een jaar bedrijfseconomie gestudeerd te hebben, overgestapt ben op de studie fiscale economie. Mijns inziens een juiste beslissing. Dit gaf mij de mogelijkheid om mij op zowel economisch als juridisch vlak te ontwikkelen. Mijn studententijd zou niet compleet zijn geweest zonder mijn lidmaatschap bij T.S.R. Vidar en dispuut Luna. Ik wil de dames van mijn dispuut bedanken voor de gezellige, hectische maar vooral leerzame tijd die we samen hebben doorgebracht. Daarnaast bedank ik mijn vriend, mijn familie en vrienden voor de altijd onvoorwaardelijke steun. Ik bedank het btw- team bij Deloitte, voor de ruimte die zij mij gaven mijn scriptie te schrijven. En tot slot mijn scriptiebegeleidster Esther Bakker. Haar betrokkenheid en de motiverende bijeenkomsten hebben ervoor gezorgd dat ik mijn scriptie binnen een kort tijdsbestek kon afronden. Tilburg, 14 augustus

3 Inhoudsopgave Lijst van afkortingen Inleiding Aanleiding van het onderzoek Probleemstelling Verantwoording van de opzet Theoretisch kader Inleiding Het rechtskarakter van de omzetbelasting Inleiding De omzetbelasting als indirecte verbruiksbelasting Inleiding Verbruiksbelasting Indirecte verbruiksbelasting Het rechtskarakter van de Nederlandse omzetbelasting Belastingplichtige Inleiding Eenieder Zelfstandig Economische activiteit Belastbare prestaties Inleiding Het verrichten van diensten als belastbaar feit voor de omzetbelasting Inleiding Onder bezwarende titel Plaats van dienst Tarief Verschuldigdheid De vrijstellingen in de Btw- richtlijn en de Wet OB Inleiding Soorten vrijstellingen Financiële vrijstellingen De invulling van vrijstellingen door het HvJ Recht op aftrek Het neutraliteitsbeginsel Inleiding Neutraliteit in de omzetbelasting Vormen van neutraliteit Tussenconclusie De vrijstelling voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingen vanuit Europees perspectief Inleiding De vrijstelling van artikel 135 lid 1 onderdeel g Btw- richtlijn Inleiding Waarom is de vrijstelling in de Btw- richtlijn opgenomen? Ratio van de vrijstelling volgens het HvJ Wat is de reikwijdte van de vrijstelling? Inleiding Relevante jurisprudentie Abbey National II JP Morgan Fleming Claverhouse Deutsche Bank GfBk Wheels

4 PPG Holdings De definitie van gemeenschappelijke beleggingsfondsen Inleiding Vrijheid van de lidstaten bij het bepalen van het begrip gemeenschappelijke beleggingsfondsen Omschrijving van het begrip gemeenschappelijke beleggingsfondsen Inleiding Een beleggingsfonds in de zin van de icbe s- richtlijn Ongeacht welke vorm Risicospreiding Beleggen in effecten Kleine beleggers Dubbele gemeenschappelijkheid Pensioenfondsen Tussenconclusie Het begrip beheer in Europeesrechtelijk perspectief Inleiding Vrijheid van de lidstaten bij het bepalen van het begrip beheer Omschrijving van het begrip beheer Inleiding Icbe s- richtlijn Specifiek Vormen van beheer Diensten van beheer Diensten van een derde beheerder Juridische- en financiële wijziging Tussenconclusie Wijziging Btw- richtlijn inzake verzekerings- en financiële diensten Inleiding Artikel 125 lid 1 onderdeel g quater Verschillen met de huidige vrijstelling Tussenconclusie De vrijstelling voor het beheer van collectieve beleggingen in de Wet OB Inleiding De vrijstelling van artikel 11 lid 1 onderdeel i ten derde Wet OB Inleiding Geschiedenis van de vrijstelling in de Nederlandse Wet De reikwijdte van de vrijstelling in de Nederlandse Wet Inleiding Zowel beleggingsfondsen als beleggingsmaatschappijen Collectief Individueel vermogensbeheer Vermogensbeheer van een pensioenfonds Beleggen in effecten Tussenconclusie De Nederlandse interpretatie van beheer Inleiding beheer Uitbesteed beheer Verschillende beheersdiensten Tussenconclusie Tussenconclusie Toetsing van de vrijstelling aan Europees Recht Inleiding Gemeenschappelijke beleggingsfondsen Inleiding Beleggingsfondsen en beleggingsmaatschappijen

5 Open- end en closed- end fondsen Open en besloten beleggingsinstellingen Ter collectieve belegging bijeengebracht vermogen Individueel vermogensbeheer Pensioenfondsen Beleggen in effecten Tussenconclusie Beheer Inleiding Aansluiting bij de Wft Diensten van een derde beheerder Verschillende diensten omtrent vastgoed Conclusie Conclusie Jurisprudentielijst Hof van Justitie Hoge Raad Gerechtshoven Rechtbanken Conclusies Literatuurlijst Boeken en artikelen Overige bronnen Richtlijnen, Besluiten & Kamerstukken Richtlijnen Besluiten Kamerstukken

6 Lijst van afkortingen A- G Art. BNB Btw- richtlijn Eerste richtlijn EU Hof HvJ HvJ EU HR icbe s- richtlijn jo. MvT nr. NTFR r.o. V- N VwEU Wet OB WFR Wft WPNR Wtb Zesde Richtlijn Advocaat- Generaal Artikel Beslissingen in Belastingzaken Nederlandse Belastingrechtspraak Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over toegevoegde waarde Eerste richtlijn van de raad van 11 april 1967 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid- Staten inzake omzetbelasting (67/227/EEG) Europese Unie Gerechtshof Hof van Justitie Hof van Justitie van de Europese Unie Hoge Raad der Nederlanden Richtlijn 85/611/EEG van de Raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe s), zoals laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 2005/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2005 Juncto Memorie van Toelichting nummer Nederlands Tijdschrift voor Fiscaal Recht rechtsoverweging Vakstudie Nieuws Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie Wet op de Omzetbelasting 1968 Weekblad Fiscaal Recht Wet van 28 september 2006, houdende regels met betrekking tot de financiële markten en het toezicht daarop (Wet op het financieel toezicht) Weekblad voor Privaatrecht, Notariaat en Registratie Wet van 27 juni 1990, houdende bepalingen inzake het toezicht op beleggingsinstellingen Zesde Richtlijn van 17 mei 1977 betreffende harmonisatie van de wetgeving der Lid- Staten inzake omzetbelasting Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (77/388/EEG) 6

7 1 - Inleiding Aanleiding van het onderzoek De omzetbelasting neemt een belangrijke plaats in de maatschappij. Iedereen krijgt met de heffing van deze belasting te maken. Wanneer een btw- vrijstelling van toepassing is, klinkt dat in eerste instantie als een voordeel. Er wordt immers geen btw berekend op de prestaties die door de btw- ondernemer worden verricht. Dit (ogenschijnlijke) voordeel brengt echter ook nadelen met zich mee. Een nadeel bevindt zich bijvoorbeeld in de kostprijsverhogende werking die de inkoop van belaste goederen of diensten door een ondernemer die vrijgestelde prestaties verricht met zich mee brengt. Toch heeft de wetgever bepaalde achterliggende gedachten om vrijstellingen in de Wet op te nemen. Een interessante vrijstelling is de vrijstelling voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen van artikel 135 lid 1 onderdeel g Btw- richtlijn. Deze komt regelmatig voorbij in de jurisprudentie. Het is een vreemde eend in de bijt omdat bij andere vrijstellingen het beheer zelf juist expliciet is uitgesloten van de vrijstelling. Het doel van de vrijstelling bestaat erin beleggers het beleggen in effecten via beleggingsinstellingen te vergemakkelijken. Daarbij moet recht worden gedaan aan het beginsel van fiscale neutraliteit. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) heeft voorwaarden gesteld waarbinnen de lidstaten dienen te blijven bij de invulling van de term gemeenschappelijke beleggingsfondsen. 1 Hieruit blijkt dat de lidstaten een bepaalde beoordelingsvrijheid hebben bij het definiëren van de fondsen die onder de vrijstelling vallen. Omdat deze voorwaarden een zekere interpretatieruimte omvatten, bestaat er onduidelijkheid over hoe de vrijstelling voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen moet worden toegepast. De vraag speelt dus wat de reikwijdte is van de vrijstelling. In Nederland wordt de vrijstelling in artikel 11 lid 1 onderdeel i ten derde van de Wet OB als volgt geformuleerd: het beheer van door beleggingsfondsen en beleggingsmaatschappijen ter collectieve belegging bijeengebrachte vermogens, is van belasting vrijgesteld. Er zijn meerdere keren prejudiciële vragen voorgelegd bij het HvJ over hoe de vrijstelling voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen moet worden uitgelegd. 2 Een van deze arresten betreft de zaak Wheels. 3 Het HvJ werd gevraagd antwoord te geven op de vraag of een pensioenfonds een gemeenschappelijk beleggingsfonds is in de zin van deze vrijstellingsbepaling. In Nederland wordt deze vraag negatief beantwoord. De uitkomst van deze procedure had dus grote invloed kunnen hebben op de Nederlandse omzetbelasting- praktijk. Het HvJ heeft echter verklaard dat de vrijstelling van artikel 135 lid 1 onderdeel g Btw- richtlijn zo moet worden uitgelegd dat een beleggingsfonds waarin de activa van een pensioenregeling zijn samengebracht, niet onder het begrip gemeenschappelijke beleggingsfondsen in de zin van deze bepalingen valt waarvan het beheer, gelet op het doel van deze richtlijnen en het beginsel van fiscale neutraliteit, van belasting over de toegevoegde waarde kan worden vrijgesteld aangezien de leden niet het risico dragen dat met het beheer van dat fonds gepaard gaat en de bijdragen van de werkgever aan de pensioenregeling voor hem een middel zijn om zijn wettelijke verplichtingen jegens zijn werknemers na te 1 HvJ EU 28 juni 2007, nr. C- 363/05 (JP Morgan Fleming Claverhouse). 2 Het HvJ EU heeft reeds uitspraak gedaan in de arresten PPG Holdings (HvJ EU 18 juli 2013, nr. C- 26/12), GfBk (HvJ EU 7 maart 2013, nr. C- 275/11) & Deutsche Bank (HvJ EU 19 juli 2012, nr. C- 44/11). Prejudiciële vragen ten aanzien van ATP Pension services (HvJ EU, nr. C- 464/12) zijn op dit moment nog aanhangig bij het HvJ. 3 HvJ EU 7 maart 2013, nr. C- 424/11 Wheels (Common Investment Fund Trustees). 7

8 komen. Dit roept de vraag op of het HvJ anders zou oordelen indien de leden bijvoorbeeld wel het risico dragen dat met het beheer van dat fonds gepaard gaat, of wanneer de bijdragen van de werkgever aan de pensioenregeling voor hem niet voortvloeien uit een wettelijke verplichting. Ook omtrent het begrip beheer zijn mijns inziens nog vragen te beantwoorden. Uit een arrest dat in 2011 voor lag bij Hof Den Bosch 4 zou je af kunnen leiden dat Nederland het begrip beheer (te) ruim uitlegt. In dit onderzoek ik de reikwijdte van de vrijstelling voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen. In acht nemende dat het HvJ regelmatig uitspreekt dat de bewoordingen van de in de Btw- richtlijn genoemde vrijstellingen strikt moeten worden uitgelegd. Vrijstellingen zijn immers afwijkingen van het algemene beginsel dat omzetbelasting wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht. Ik vraag me af of de manier waarop Nederland de vrijstelling uitlegt in overeenstemming is met Europees recht Probleemstelling Op basis van het voorgaande ben ik tot de volgende probleemstelling gekomen: Welke invulling geeft Nederland aan de vrijstelling voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen en is deze invulling in overeenstemming met Europees recht? Deze probleemstelling is in drie deelvragen op te splitsen. Ten eerste moet de vraag beantwoord worden hoe de vrijstelling voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen op grond van Europees recht moet worden uitgelegd. Daarna moet onderzocht worden hoe Nederland de vrijstelling uitlegt. Ten derde dient te worden onderzocht of de Nederlandse invulling van de vrijstelling in overeenstemming is met het Europees recht Verantwoording van de opzet In dit onderzoek staat de vrijstelling voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen van artikel 135 lid 1 onderdeel g Btw- richtlijn en de Nederlandse interpretatie daarvan centraal. Alvorens een begin te kunnen maken aan dit onderzoek is het van belang om algemene kennis van het btw- systeem te hebben. Ten eerste is het van belang te weten wat het rechtskarakter van de btw is en om een theoretisch kader te hebben waarbinnen dit onderzoek kan worden uitgevoerd. Aan beide zaken zal aandacht worden besteed in hoofdstuk twee. Om de Nederlandse invulling van een bepaling te kunnen toetsen aan Europees recht is het van belang om te onderzoeken hoe deze richtlijnbepaling moet worden uitgelegd en welke vrijheid de lidstaten hebben om een eigen invulling aan de betreffende bepaling te geven. Daarom zal ik in het derde hoofdstuk de vrijstelling voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen bespreken aan de hand van Europees recht. 5 Hierbij tracht ik, aan de hand van relevante jurisprudentie van het HvJ, duidelijk te krijgen hoe de vrijstelling voor het beheer van gemeenschappelijke 4 Hof Den Bosch, 2 september 2011, nr. 09/00314, LJN BU6069. Zie tevens conclusie A- G Van Hilten HR, 13 december 2012, nr. 11/04540, LJN BY8731. De Hoge Raad heeft nog geen uitspraak gedaan. 5 Bij afbakening van het onderzoek heb ik besloten voorbij te gaan aan de vraag naar de belastingplicht van beleggingsinstellingen en beleggers. 8

9 beleggingsfondsen door de lidstaten moet worden uitgelegd. In hoofdstuk vier ga ik in op de vraag hoe de vrijstelling voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen in Nederland wordt geïnterpreteerd. Nederlandse jurisprudentie speelt hier een rol, alsmede het wetgevingsproces dat aan de Nederlandse vrijstellingsbepaling in de Wet OB vooraf is gegaan. In hoofdstuk vijf kom ik toe aan de toetsing van de Nederlandse interpretatie van de vrijstelling, zoals behandeld in hoofdstuk vier, aan mijn bevindingen ten aanzien van de behandeling van de vrijstelling vanuit Europees perspectief, zoals behandeld in hoofdstuk drie. Ik zal dit onderzoek afsluiten met een conclusie in hoofdstuk zes. 9

10 2 - Theoretisch kader Inleiding Zoals in paragraaf 1.3 geformuleerd onderzoek ik in deze scriptie welke invulling Nederland geeft aan de vrijstelling voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingen van artikel 135 lid 1 onderdeel g Btw- richtlijn en of deze invulling in overeenstemming is met Europees recht. In dit hoofdstuk zal ik beginnen met een omschrijving van het rechtskarakter van de btw. Daarna zal ik ingaan op de bepalingen in de Btw- richtlijn en de Nederlandse Wet OB die van belang zijn voor het beantwoorden van de onderzoeksvraag in deze scriptie Het rechtskarakter van de omzetbelasting Inleiding De Btw- richtlijn geeft aan hoe lidstaten invulling moeten geven aan de manier waarop omzetbelasting moet worden geheven. Een aspirant- lid van de Europese Unie is verplicht om op het moment van toetreden een omzetbelasting in te voeren die is gebaseerd op deze richtlijn. 6 Om te kunnen beoordelen of een bepaling in de Nederlandse Wet voldoet aan de Btw- richtlijn is het van belang om te weten wat het rechtskarakter van de omzetbelasting is De omzetbelasting als indirecte verbruiksbelasting Inleiding Van Kesteren formuleert het rechtskarakter van een wet als een algemeen ideaal dat in principe in ieder facet van de wet vertaald zou moeten zijn. 7 Het fungeert als leidraad die aangeeft wie of wat belast zou moeten worden. Wanneer het rechtskarakter niet zo duidelijk in de wet is vastgelegd vind je deze in het totaalbeeld van alle bijzondere kenmerken van een reeds bestaande wet. Het is de vraag in hoeverre de wetgever bij het ontwerp van de Btw- richtlijn duidelijk heeft aangegeven wat het rechtskarakter van deze richtlijn is, om te bepalen op welke manier het rechtskarakter van de omzetbelasting gevonden dient te worden. Volgens Braun 8 is het slechts de wetgever die het rechtskarakter van een wet moet formuleren. Naar zijn mening bestaat het rechtskarakter van de omzetbelasting niet omdat de wetgever zou hebben nagelaten het rechtskarakter van de omzetbelasting te formuleren. Ik ben van mening dat het rechtskarakter van de omzetbelasting kan worden gevonden in de bepalingen in de Btw- richtlijn en het proces dat aan de ontwikkeling van die richtlijn vooraf is gegaan. Dit rechtskarakter wordt door het HvJ als leidraad gebruikt bij het uitleggen van de richtlijn. 6 Van Hilten & Van Kesteren 2012, p.3. 7 H.W.M. van Kesteren, Fiscale rechtswil (diss.), Gouda Quint, Deventer, 1994, p K.M. Braun, Aftrek van voorbelasting in de BTW (diss.), Kluwer, Deventer, 2002, p

11 Verbruiksbelasting In artikel 2 van de Eerste richtlijn 9 is terug te vinden dat het gemeenschappelijke belastingstelsel berust op het beginsel dat een algemene verbruiksbelasting wordt geheven welke strikt evenredig is aan de eindprijs van goederen en diensten en derhalve in elke productie- en handelsschakel wordt berekend met voor ondernemers een recht op aftrek van voorbelasting. Van Brederode vindt de term bestedingsbelasting een adequate typering voor de omzetbelasting. Hoewel het volgens hem de bedoeling is het consumptief gebruik in de heffing van omzetbelasting te betrekken, wordt dit gerealiseerd door het hanteren van de bestedingen als maatstaf van de consumptie. 10 Om dezelfde reden zijn Van Hilten en Van Kesteren echter van mening dat de omzetbelasting die in de lidstaten van de EU wordt geheven een verbruiksbelasting is. 11 Ik sluit me bij Van Hilten en Van Kesteren aan. De omzetbelasting beoogt immers het verbruik van goederen en diensten in de heffing te betrekken. 12 Om consumptief verbruik in een belastingheffing te betrekken, dient deze in geld gewaardeerd te worden. De besteding is volgens Van Hilten en Van Kesteren daarvoor de meest gerede maatstaf Indirecte verbruiksbelasting Heffing van een verbruiksbelasting vindt altijd indirect plaats, bij degene bij wie de consument zijn bestedingen doet. 13 De belastingplichtigen zijn dus niet degenen die, naar de bedoeling van de wetgever, de belasting uiteindelijk dragen. Heffing vindt plaats bij de ondernemer (c.q. belastingplichtige), maar de omzetbelasting drukt bij de consument. 14 Een indirecte verbruiksbelasting gaat ervan uit dat de ondernemer de belasting in zijn prijzen doorberekent. 15 Wanneer de afwenteling van de belasting op de consument slaagt, kan worden aangenomen dat het karakter van een indirecte verbruiksbelasting niet anders is dan dat van een directe belasting op de consumptie. In een indirecte verbruiksbelasting komt het bestedingsaspect van de heffing echter uitdrukkelijker naar voren, omdat de heffing niet achteraf op aangifte plaats vindt, maar reeds op het moment dat het goed overgaat naar de consumptieve sfeer Het rechtskarakter van de Nederlandse omzetbelasting De wijze van heffing van omzetbelasting kan in de lidstaten verschillend zijn. Nederland heeft in 1969 gekozen voor het stelsel van belasting over de toegevoegde waarde oftewel de btw. De Nederlandse omzetbelasting heeft als doel het consumptieve verbruik van goederen en diensten te belasten. Daarmee heeft zij conform de richtlijn invulling gegeven aan het rechtskarakter van de omzetbelasting. Een richtlijn is verbindend voor elke lidstaat om hetzelfde resultaat te bereiken als de richtlijn voor ogen heeft. 17 Bij interpretatie van wettelijke bepalingen moet daarom eerst worden gekeken naar de overeenkomstige 9 Eerste richtlijn van de raad van 11 april 1967 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid- Staten inzake omzetbelasting (67/227/EEG) 10 Prof. Dr. R.F.W. Van Brederode, De scheidslijn tussen consumptie en productie in de BTW, WFR 1998/ Van Hilten & Van Kesteren 2012, p ABC- rapport van januari Zie ook: Van Hilten & Van Kesteren 2012, p.8. Overigens beoogt de omzetbelasting slechts het consumptieve verbruik te belasten en treft het niet, zoals eerder aangenomen, het productief verbruik 13 Van Hilten & Van Kesteren 2012, p Zie ook Prof. Dr. R.F.W. Van Brederode, De scheidslijn tussen consumptie en productie in de BTW, WFR 1998/ Van Hilten & Van Kesteren 2012, p Van Hilten & Van Kesteren 2012, p Artikel 288 VwEU. 11

12 richtlijnbepaling en de eventuele uitleg die het HvJ aan deze bepaling heeft gegeven. 18 Om antwoord te kunnen geven op de vraag of de vrijstelling voor collectieve beleggingen in Nederland richtlijnconform wordt uitgelegd is het van belang om af te bakenen welke plek dit onderzoek inneemt in het huidige btw- stelsel. Hierna zal ik ingaan op de bepalingen in de Btw- richtlijn en de Nederlandse Wet OB die van belang zijn bij mijn onderzoek Belastingplichtige Inleiding Het begrip belastingplichtige is in de Btw- richtlijn geformuleerd als eenieder die, op ongeacht welke plaats, zelfstandig een economische activiteit verricht, ongeacht het oogmerk of resultaat van die activiteit. In de Wet OB komt het begrip belastingplichtige tot uiting in het begrip ondernemer. Artikel 7 Wet OB geeft aan wanneer sprake is van een ondernemer. Dit is ieder die een bedrijf zelfstandig uitoefent. Het doel van de omzetbelasting om zoveel mogelijk consumptie te belasten kan alleen worden verwezenlijkt als dit begrip ruim wordt uitgelegd Eenieder Als eenieder voor de omzetbelasting worden natuurlijk en (publiekrechtelijke) rechtspersonen beschouwd, maar het treft ook samenwerkingsverbanden die geen rechtspersoonlijkheid bezitten. De term geeft namelijk aan dat het voor de aanwezigheid van belastingplicht niet van belang is welke juridische hoedanigheid een subject heeft. 20 Volgens Van Norden bestaat er overlap tussen eenieder en zelfstandig. Wanneer verschillende onderdelen van een entiteit tezamen zijn aan te merken als eenieder, ontberen deze onderdelen zelfstandigheid. Indien deze onderdelen economische activiteiten verrichten buiten het kader van de betreffende entiteit, zijn ze echter wel als afzonderlijke belastingplichtigen aan te merken. 21 In de volgende subparagraaf zal ik toelichten wat met zelfstandig wordt bedoeld Zelfstandig Uit de Btw- richtlijn volgt dat economische activiteiten zelfstandig moeten worden verricht om als belastingplichtige voor de btw te kwalificeren. Dit betekent dat loontrekkenden en andere personen geen ondernemer kunnen zijn voor zover zij met hun werkgever een arbeidsovereenkomst zijn aangegaan of enige andere juridische band hebben waaruit een verhouding van ondergeschiktheid ontstaat ten aanzien van de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden en de verantwoordelijkheid van de werkgever. 22 Volgens Van Norden 23 is het uitsluiten van loontrekkenden en dergelijke personen niet alleen praktisch maar ook juist. Werknemers treden immers namens hun werkgever op in het economisch verkeer. Ze maken dus niet zelfstandig deel uit van de productie- en handelsketen. 18 Van Hilten & Van Kesteren 2012, p Van Hilten & Van Kesteren 2012, p Van Norden 2007, p HvJ EU 27 januari 2000, nr. C- 23/98 (Heerma). 22 Artikel 10 Btw- richtlijn. 23 Van Norden 2007, p

13 Economische activiteit Alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter, met inbegrip van de winning van delfstoffen, landbouw en de uitoefening van vrije (of daarmee gelijkgestelde) beroepen zijn als economische activiteit aan te merken. Als economische activiteit wordt in het bijzonder beschouwd de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen. 24 Het begrip economische activiteit is een objectief begrip. Dit houdt in dat de activiteit op zichzelf wordt beschouwd, onafhankelijk van het oogmerk of het resultaat ervan. 25 Van Norden leidt uit jurisprudentie van het HvJ af dat het begrip economische activiteit meer omvat dan het enkele verrichten van prestaties onder bezwarende titel. Hij verwijst naar de arresten die de aanvang van belastingplicht betroffen waaruit volgt dat handelingen in het kader van in de toekomst te verrichten prestaties ook onder economische activiteit zijn te scharen 26. Afgezien van de beginfase en de eindfase van belastingplicht kan volgens hem pas van een economische activiteit worden gesproken indien er handelingen onder bezwarende titel worden verricht. Het verrichten van prestaties om niet is geen probleem, tenzij er uitsluitend prestaties om niet worden verricht 27. In dat geval ontbreekt volgens het HvJ een belastinggrondslag. Ook het verrichten van prestaties tegen een symbolische vergoeding is geen economische activiteit, omdat deze vergoeding niet de tegenwaarde vormt voor een prestatie Belastbare prestaties Inleiding Om te bepalen of sprake kan zijn van heffing van omzetbelasting is het van belang om te weten welke handelingen belastbaar zijn in de btw. Wanneer goederen of diensten worden gebruikt voor vrijgestelde handelingen of handelingen die niet binnen de werkingssfeer van de btw vallen, kan er namelijk geen sprake zijn van belastingheffing in een later stadium noch van aftrek van voorbelasting. 29 De goederen, die binnen het grondgebied van een lidstaat door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden geleverd, en de diensten, die binnen het grondgebied van een lidstaat door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, zijn op grond van de Btw- richtlijn aan de btw onderworpen. 30 In Nederland zijn soortgelijke bepalingen opgenomen. Het leveren van goederen of het verrichten van diensten onder bezwarende titel door ondernemers in Nederland is op basis artikel 1 jo. artikel 3 respectievelijk artikel 4 van de Wet OB belastbaar Artikel 9 lid 1 Btw- richtlijn. 25 Zie in die zin HvJ EU 21 februari 2006, nr. C- 223/03, (University of Huddersfield), r.o. 47 & 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak. 26 Zie Van Norden 2007, p. 96. Hij verwijst onder andere naar de arresten HvJ EU 14 februari 1985, nr. C- 268/83 (Rompelman) en HvJ EU 29 februari 1996, nr. C- 110/94 (INZO). 27 HvJ EU 1 april 1982, nr. C- 89/81 (Hong Kong Trade Development Council). 28 HvJ 21 september 1988, nr. C- 50/87 (Commissie/Frankrijk) 29 HvJ EU 30 maart 2006, nr. C- 184/04 (Uudenkaupungin kaupunki), r.o Artikel 2 lid 1 onderdeel a en onderdeel d Btw- richtlijn. 31 De andere belastbare feiten zijn de intracommunautaire verwerving van goederen en de invoer van goederen. 13

14 Het verrichten van diensten als belastbaar feit voor de omzetbelasting Inleiding De btw- behandeling van het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen treft diensten die al dan niet zijn vrijgesteld van btw. Voor het onderzoek is het dus van belang om verder in te gaan op de behandeling van diensten in de Btw- richtlijn en de Wet OB. Uit zowel de Btw- richtlijn als de Wet OB blijkt dat iedere handeling die geen levering van goederen is, voor de heffing van btw als dienst wordt gekwalificeerd Onder bezwarende titel Het verrichten van diensten kan slechts aan de heffing van omzetbelasting worden onderworpen indien dit gebeurt onder bezwarende titel. Dit blijkt uit artikel 2 lid 1 onderdeel d van de Btw- richtlijn. Van Doesum geeft aan dat sprake is van een bezwarende titel indien tussen de dienstverrichter en de dienstontvanger een rechtsbetrekking bestaat, waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld, en de door de dienstverrichter ontvangen vergoeding de werkelijke tegenwaarde vormt voor de aan de ontvanger verleende dienst. 33 De vergoeding dient als maatstaf van de consumptie. 34 Wanneer bedragen willekeurig en vrijwillig worden gegeven, terwijl de hoogte van deze bedragen niet bepaald of bepaalbar is, is geen sprake van een vergoeding. De vergoeding moet dus worden bedongen. 35 De vergoeding hoeft niet uitsluitend uit een geldbedrag te bestaan. Ook bij een vergoeding in natura kan sprake zijn van een bezwarende titel. 36 Ingevolge artikel 73 van de Btw- richtlijn is de maatstaf van heffing van omzetbelasting alles wat de ondernemer als tegenprestatie voor een dienst ontvangt of moet ontvangen van de afnemer of een derde (met inbegrip van subsidies die rechtstreeks verband houden met de prijs van de handelingen). Een dienst wordt slechts onder bezwarende titel verricht en is dus slechts belastbaar, wanneer tussen de verrichter en de ontvanger van de dienst een rechtsbetrekking bestaat waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld. Er moet dus een rechtstreeks verband zijn tussen de verrichte prestaties en de vergoeding die wordt ontvangen. 37 Volgens Van Hilten en Van Kesteren is de keuze voor deze maatstaf van heffing logisch, omdat de omzetbelasting als algemene verbruiksbelasting het doel heeft de consumptieve bestedingen van particulieren (en daarmee gelijkgestelden) te treffen. Deze bestedingen worden gevormd door de vergoeding die de afnemer van de prestatie voor de betreffende levering of dienst betaalt Artikel 24 lid 1 Btw- richtlijn / Artikel 4 lid 1 Wet OB. 33 Zie prof. dr. A.J. Van Doesum, Cursus Belastingrecht, OB B.a Algemeen. Dit is af te leiden uit HvJ EU 3 maart 1994, C- 16/93 (Tolsma). 34 Van Hilten & Van Kesteren 2012, p HvJ EU 3 maart 1994, nr. C- 16/93 (Tolsma), HvJ EU 8 maart 1988, nr. C- 102/86 (Apple & Pear Development Council) en HvJ EU 21 maart 2002, nr. C- 174/00 (Kennemer Golf en Country Club). 36 Prof. dr. A.J. Van Doesum, Cursus Belastingrecht, OB B.a Algemeen. Met verwijzing naar HvJ EU 23 november 1988, nr. 230/87 (Naturally Yours Cosmetics) en HvJ EU 2 juni 1994, nr. C- 33/93 (Empire Stores). 37 HvJ EU 5 februari 1981, nr. C- 154/80 (Coöperatieve- aardappelbewaarplaats), BNB 1981/ Volgens artikel 8 Wet OB is de maatstaf van heffing gelijk aan de vergoeding. Zie Van Hilten & Van Kesteren 2012, p

15 Plaats van dienst Omdat de plaats van dienstregels mede ten doel hebben de heffingsbevoegdheid tussen de verschillende lidstaten te verdelen, laat de Btw- richtlijn de individuele lidstaten bij de invulling van de plaats van dienstregels weinig beoordelingsvrijheid. 39 De regels voor de plaats van dienst zijn veranderd met ingang van 1 januari Het bestemmingslandbeginsel is hierbij als uitgangspunt genomen. Hoe de plaats van dienst wordt bepaald is te vinden in art. 6 t/m 6j van de Wet OB en de artikelen 43 t/m 59ter van de Btw- richtlijn. Hoofdregel is dat diensten die worden verricht door een ondernemer aan een andere ondernemer plaats vinden waar de afnemende ondernemer de zetel van zijn bedrijfsuitoefening heeft gevestigd 40. Diensten die worden verricht aan een niet- ondernemer vinden plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn bedrijfsuitoefening heeft gevestigd. In de artikelen 6a t/m 6j Wet OB worden de bijzondere regels voor de plaats van dienst kenbaar gemaakt. Met ingang van 1 januari 2015 worden de plaats van dienstregels met betrekking tot elektronische dienstverlening gewijzigd. Vanaf dan zullen elektronische diensten aan niet- ondernemers plaats vinden waar deze niet- ondernemers zijn gevestigd Tarief De Nederlandse omzetbelasting kent drie tarieven, een algemeen tarief van 21% 42, een verlaagd tarief van 6% en een tarief van 0%. Goederen en diensten die zijn onderworpen aan het verlaagde tarief, dan wel het 0%- tarief, zijn opgesomd in tabel I respectievelijk tabel II van de Wet. Dit laatste tarief lijkt overeen te komen met een vrijstelling. Aan een vrijstelling is echter geen recht op aftrek verbonden. Voor de behandeling van vrijstellingen verwijs ik naar paragraaf 2.5 van deze scriptie Verschuldigdheid De btw is verschuldigd door de belastingplichtige die een belastbare goederenlevering of een belastbare dienst verricht. 43 Nederland heeft met de verleggingsregeling in artikel 12 lid 3 Wet OB gebruik gemaakt van de mogelijkheid te bepalen dat de belasting verschuldigd is door degene aan wie de goederenlevering of de dienst wordt verricht, indien de prestatie wordt verricht door een belastingplichtige die niet gevestigd is in de lidstaat waar de btw is verschuldigd. 44 Tevens heeft Nederland de dwingend voorgeschreven verleggingsregelingen geïmplementeerd die in de artikelen 195 en 196 van de Btw- richtlijn zijn opgenomen Beelen & Peeters, Cursus Belastingrecht, OB A.a Inleiding. 40 Wanneer de presterende ondernemer niet in de lidstaat van de afnemer is gevestigd is er een verplichte verleggingsregeling van toepassing. In dat geval wordt de btw geheven van de afnemer van de dienst. 41 COM(2012)763 - Wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 wat betreft de plaats van een dienst. Het is niet in belang van dit onderzoek hier dieper op in te gaan. 42 Artikel 97 van de Btw- richtlijn bepaalt dat het normale btw- tarief minimaal 15% bedraagt. 43 Artikel 193 Btw- richtlijn. 44 Deze mogelijkheid is vastgelegd in artikel 194 Btw- richtlijn. 45 In Nederland zijn deze regels opgenomen in artikel 12 lid 2 Wet OB. Het is niet in belang van dit onderzoek hier dieper op in te gaan. 15

16 2.5 De vrijstellingen in de Btw- richtlijn en de Wet OB Inleiding De Btw- richtlijn bepaald dat bepaalde leveringen en diensten vrijgesteld van omzetbelasting dienen te worden verricht. In de artikelen 132 t/m 137 van de Btw- richtlijn zijn deze vrijstellingen vastgelegd. In de Wet OB vind je de vrijstellingen in artikel 11. De reden voor het bestaan van vrijstellingen is dat het in sommige situaties noodzakelijk is om bepaalde prestaties buiten de heffing van omzetbelasting te houden. Dit ligt volgens Van Hilten en Van Kesteren enerzijds aan de ruime definitie van belastingplichtigen en anderzijds aan de ruime definitie van belastbare feiten. Daarnaast wordt in sommige situaties een prestatie vrijgesteld indien deze prestatie reeds door een andere soort belasting wordt getroffen. 46 De vrijstellingen die hier worden behandeld zijn de vrijstellingen zonder recht op aftrek. Er zijn ook vrijstellingen waarop wel een recht op aftrek van toepassing is. In Nederland worden deze ingevuld door het o%- tarief Soorten vrijstellingen De vrijstellingen (zonder recht op aftrek) zijn in te delen in twee categorieën. Ten eerste zijn er vrijstellingen ten gunste van bepaalde activiteiten van algemeen belang en daarnaast zijn er vrijstellingen ten gunste van andere activiteiten. 48 De vrijstellingen ten gunste van deze andere activiteiten hebben een meer fiscaal- technisch karakter of betreffen vrijstellingen die lidstaten in het kader van een overgangsregeling mochten handhaven Financiële vrijstellingen De vrijstelling van artikel 135 lid 1 onderdeel g Btw- richtlijn is een financiële vrijstelling. De financiële vrijstellingen vallen onder de categorie vrijstellingen met een fiscaal- technisch karakter en zijn opgenomen in artikel 135 lid 1 onderdeel b t/m g van de Btw- richtlijn. Ze zijn door de Nederlandse wetgever geïmplementeerd in artikel 11 lid 1 onderdeel i en j van de Wet OB. De vrij te stellen financiële prestaties zijn in zowel de Wet OB als de Btw- richtlijn niet strikt omschreven. Beiden spreken van handelingen betreffende. Dit zijn volgens het HvJ prestaties die rechten en verplichtingen van de betrokkenen kunnen doen ontstaan, wijzigen of tenietgaan. 50 Toepassing van de vrijstelling is niet beperkt tot diensten die rechtstreeks aan de cliënt worden verricht. Ook een ondernemer die in opdracht van een financiële instelling activiteiten verricht kan onder de vrijstelling vallen. De handelingen die de betreffende ondernemer verricht moeten dan een afzonderlijk geheel vormen dat de kenmerkende en essentiële functies van de betreffende dienst vervult. 51 Hoewel een omschrijving van een prestatie als betreffende nogal vaag is en ruimte lijkt te geven voor een verschillende interpretatie in de verschillende lidstaten, is een precieze omschrijving van prestaties die 46 Van Hilten & Van Kesteren 2012, p Zoals Van Hilten en Van Kesteren aangeven speelt het 0%- tarief vooral een rol bij goederen en diensten in het internationale verkeer. Zie Van Hilten & Van Kesteren 2012, p De eerste categorie vrijstellingen is te vinden in de artikelen 132 t/m 134 van de Btw- richtlijn. De tweede categorie vrijstellingen is te vinden in de artikelen 135 t/m 137 van de Btw- richtlijn. 49 Van Hilten & Van Kesteren 2012, p HvJ EU 13 december 2001, nr. C- 235/00 (CSC Financial Services)., r.o HvJ EU 5 juni 1997, nr. C- 2/95, Sparekassernes Datacenter (SDC), r.o

17 vrijgesteld zouden moeten zijn volgens Van Hilten en Van Kesteren niet alleen bijna onmogelijk, het roept ook onduidelijkheid op. Ze wijzen op de vraag of een prestatie die net niet aan de omschrijving voldoet niet vrijgesteld kan zijn. De financiële branche is daarbij continu aan verandering onderhevig. Deze ontwikkelingen kunnen niet in hetzelfde tempo door de wet en richtlijn worden bijgehouden De invulling van vrijstellingen door het HvJ Het HvJ is op grond van artikel 267 VwEU bevoegd om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de uitlegging van onder andere de Btw- richtlijn. Zoals al genoemd is het onwenselijk en praktisch onmogelijk om een precieze omschrijving van vrijgestelde prestaties in de Btw- richtlijn op te nemen. Dit betekent mijns inziens dat het de taak van het HvJ is om deze (eventuele) onduidelijkheden weg te nemen en de lidstaten van een richtlijnconforme uitleg van (vrijstellings)bepalingen te voorzien. Het is daarvoor noodzakelijk dat het HvJ gevraagd wordt om een bepaalde invulling te geven aan een vrijstelling. Een nationale rechter zal echter niet bij iedere onduidelijkheid prejudiciële vragen stellen. 53 Ten eerste hebben de lidstaten een zekere vrijheid en daarnaast zou het ondoenlijk zijn om iedere (kleine) vraag bij het HvJ neer te leggen. Het is overigens mogelijk dat de Europese Commissie een inbreukprocedure 54 starten tegen een bepaalde lidstaat, wanneer zij in de veronderstelling is dat deze lidstaat het gemeenschapsrecht heeft geschonden. 55 Wanneer een prejudiciële vraag betrekking heeft op een btw- vrijstelling wordt door het HvJ regelmatig benadrukt dat de vrijstelling strikt dient te worden uitgelegd. 56 Dit doet zij omdat de verstorende werking van vrijstellingen moet worden beperkt. 57 Daarnaast wordt de werking van een vrijstelling door het HvJ getoetst aan het neutraliteitsbeginsel. 58 Volgens Van Hilten 59 wekt het echter verwondering dat niet in alle arresten waar vrijstellingen aan de orde zijn door het HvJ melding wordt gemaakt van de fiscale neutraliteit. De systeem verstorende werking van vrijstellingen is volgens haar juist de primaire reden dat vrijstellingen strikt dienen te worden uitgelegd. Van Hilten geeft aan dat er niet veel arresten zijn waarin het HvJ een vrijstellingsbepaling strikt, naar de bewoordingen van die vrijstelling, uitlegt. Het HvJ laat volgens haar ook andere aspecten een rol spelen bij de uitlegging ervan. Het HvJ geeft zo nu en dan een teleologische uitleg aan een vrijstelling. Bij de vrijstellingen voor bepaalde activiteiten van algemeen belang is uitleg naar doel en context daarvan volgens haar niet vreemd, echter de ratio legis is slechts bij enkele vrijstellingsbepalingen toegelicht. De meeste vrijstellingen zijn om redenen van politieke aard opgenomen. 52 Van Hilten & Van Kesteren 2012, p In sommige gevallen is een lidstaat verplicht om prejudiciële vragen te stellen. 54 Artikel 258 VwEU. De betreffende lidstaat wordt vooraf in de gelegenheid gesteld om het advies van de Commissie op te volgen. 55 Het beroep van de commissie kan door het HvJ worden verworpen. Zie bijvoorbeeld HvJ EU 25 maart 2010, nr. C- 79/09 waarbij het HvJ de grieven van de Europese Commissie tegen Nederland verwerpt. Het betrof het besluit van 14 maart 2007, nr. CPP2007/347M, Stcrt. 2007, 57. In dit besluit stelt Nederland het detacheren van personeel in bepaalde sectoren (onder voorwaarden) vrij. 56 HvJ EU 15 juni 1989, nr. 348/87 (SUFA), r.o Zie in die zin Mr. J. Zutt, Strikte uitleg van de neutrale vrijstelling, BtwBrief 2013/ Op dit beginsel zal ik terugkomen in paragraaf 2.7 van deze scriptie. 59 prof. Mr. M.E. Van Hilten, Over de neutraliteit van de omzetbelasting en het hellend vlak van de uitzonderingen, Kluwer: Deventer 2010, p

18 Hoewel Van Hilten het eens is met een uitlegging naar de ratio legis van een vrijstellingsbepaling, heeft zij het vermoeden dat het HvJ zelf regelmatig de ratio van een bepaling formuleert en dat als startpunt neemt bij een verdere interpretatie ervan. 60 Volgens Van Hilten behoort dit niet tot de taak van het HvJ. Een ratio geven aan een bepaling is iets dat de communautaire wetgever op zich moet nemen. Deze vrijheid, die het HvJ zich volgens haar permitteert, zou haars inziens kunnen leiden tot ongewenste verruiming van vrijstellingsbepalingen en een verlies aan rechtszekerheid. Wanneer een "kenbare" toelichting ontbreekt waaruit het doel en de strekking van een vrijstellingsbepaling blijkt, doet het HvJ er volgens haar goed aan om deze bepaling zo strikt mogelijk en zo dicht mogelijk bij de bewoordingen van deze bepaling uit te leggen. Hoewel ik me kan vinden in het vorenstaande 61, staat niet het toetsen van de al dan niet aanwezige vrijheid van het HvJ om een bepaalde ratio aan een vrijstellingsbepaling te geven in dit onderzoek centraal. Mijn onderzoek omvat slechts het toetsen van de Nederlandse invulling van een vrijstellingsbepaling (waarin de Btw- richtlijn voorziet) aan Europees recht. Ik ga dan ook niet verder in op de vraag of de ratio die het HvJ aan een vrijstellingsbepaling geeft, al dan niet op een juiste manier is vastgesteld Recht op aftrek De belasting over de toegevoegde waarde is een verbruiksbelasting. Toch wordt ze geheven op het moment van overdracht van goederen of diensten. De btw wordt berekend op basis van de prijs van de goederen of diensten en dus niet over de toegevoegde waarde. De ondernemer heeft recht op aftrek van de btw op de kosten die zijn onderneming maakt bij het voortbrengen van een product of dienst. De aftrekregeling heeft als doel de ondernemer geheel te ontlasten van de in het kader van al zijn economische activiteiten verschuldigde of betaalde btw. Zo waarborgt het gemeenschappelijk btw- stelsel volgens het Hof van Justitie een strikt neutrale fiscale behandeling van alle economische activiteiten, ongeacht het oogmerk of resultaat van die activiteiten. De activiteiten moeten wel aan de heffing van btw zijn onderworpen. 62 Ondernemers die goederen en diensten gebruiken voor het verrichten van vrijgestelde prestaties mogen de omzetbelasting die op deze goederen en diensten drukt niet in aftrek brengen. Dat betekent dat er toch btw drukt op vrijgestelde prestaties. Dit wordt door Van Hilten en Van Kesteren aangeduid als de paradox van de btw. 63 Degene die denkt te worden vrijgesteld, wordt (veelal) belast en degene die denkt te worden belast, wordt doorgaans vrijgesteld. 60 prof. Mr. M.E. Van Hilten, Over de neutraliteit van de omzetbelasting en het hellend vlak van de uitzonderingen, Kluwer: Deventer 2010, p In acht genomen dat het voor de wetgever zoals gezegd niet altijd mogelijk en soms zelfs onwenselijk is om een precieze omschrijving van een vrijgestelde prestatie in de Btw- richtlijn op te nemen (zie Van Hilten & Van Kesteren 2012, p. 270). Ik vraag me af hoe dicht bij de bewoordingen het HvJ een bepaling kan uitleggen, wanneer deze bewoordingen ruimte open laten voor interpretatie. 62 HvJ 21 september 1988, nr. C- 50/87 (Commissie/Frankrijk), r.o Van Hilten & Van Kesteren 2012, p

19 2.7 - Het neutraliteitsbeginsel Inleiding Volgens het HvJ is het een grondbeginsel van de btw dat er sprake moet zijn van belastingneutraliteit 64. Het neutraliteitsbeginsel is een van de wezenlijke kenmerken van de btw. 65 Het neutraliteitsbeginsel wordt in het arrest Orfey door het HvJ gedefinieerd als specifieke uitdrukking van het beginsel van gelijke behandeling op het niveau van het afgeleide unierecht. 66 Het beginsel van fiscale neutraliteit verzet zich ertegen dat soortgelijke goederen, die dus met elkaar concurreren, uit het oogpunt van de btw ongelijk worden behandeld. 67 Daarnaast verzet het neutraliteitbeginsel zich tegen een verschillende behandeling van marktdeelnemers die dezelfde handelingen verrichten. 68 De termen van een vrijstelling zijn vaak niet in de Btw- richtlijn gedefinieerd. Sommige vrijstellingen bieden een zekere vrijheid aan lidstaten ter invulling van deze vrijstellingen. Voor de interpretatie- en implementatieruimte van vrijstellingen is het neutraliteitsbeginsel van belang. Deze dient uit te leggen wat strikte uitleg van een vrijstellingsbepaling in een specifiek geval betekent. 69 Een onderzoek naar de Nederlandse invulling van de vrijstelling voor het beheer van gemeenschappelijk beleggingen zal dan ook niet compleet zijn zonder dat het de toets van belastingneutraliteit heeft gepasseerd Neutraliteit in de omzetbelasting Dat het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moet leiden tot een neutrale belastingheffing, is reeds in de Eerste richtlijn opgenomen. De achtste overweging van de considerans van de Eerste richtlijn luidt immers dat de vervanging van de cumulatieve cascadestelsels door het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moet leiden tot neutraliteit ten aanzien van de mededinging in de zin dat in ieder land op soortgelijke goederen dezelfde belastingdruk rust, ongeacht de lengte van de productie- en distributieketen. Tevens moet in het internationale handelsverkeer de hoogte van de belastingdruk op goederen bekend zijn om een nauwkeurige compensatie van deze belastingdruk te bewerkstelligen. 70 Dit uitgangspunt is ook in de huidige Btw- richtlijn terug te vinden. In de considerans van de Btw- richtlijn is namelijk het volgende overwogen: Het gemeenschappelijk BTW- stelsel moet - zelfs indien de tarieven en vrijstellingen niet volledig worden geharmoniseerd- uiteindelijk mededigingsneutraal zijn in die zin dat op het grondgebied van elke lidstaat op soortgelijke goederen en diensten dezelfde belastingdruk rust (...) HvJ EU, 29 oktober 2009, nr. C- 29/08 (AB- SKF), r.o Zie de arresten HvJ EU, 19 september 2000, nr. C- 454/98 (Schmeink & Cofreth en Strobel), r.o. 59 & HvJ EU 22 mei 2008, nr. C- 162/07 (Ampliscientifica en Amplifin), r.o HvJ EU, 19 december 2012, nr. C- 549/11 (Orfey). Met afgeleid Unierecht de Btw- richtlijn bedoeld. Zie Mr. J. Zutt, Strikte uitleg van de neutrale vrijstelling, BtwBrief 2013/ Zie bijvoorbeeld Rechtbank s- Gravenhage, 22 juni 2011, LJN BQ8751, VN 2011/55.18 m. nt. Kluwer, punt Volgens Rechtbank s- Gravenhage moet in de eerste plaats worden beoordeeld of er sprake is van soortgelijke goederen of diensten. Pas wanneer dit het geval is moet worden beoordeeld of deze goederen met elkaar concurreren 68 HvJ EU 7 september 1999, C- 216/97 (Gregg), r.o Zie Mr. J. Zutt, Strikte uitleg van de neutrale vrijstelling, BtwBrief 2013/ Considerans bij Eerste richtlijn betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting, 67/227/EEG, overweging Considerans Btw- richtlijn 2006/112/EG, overweging 7. 19

20 Vormen van neutraliteit Van Hilten en Van Kesteren geven aan dat een belasting in de praktijk nooit neutraal uitwerkt en altijd invloed zal uitoefenen op het economisch handelen. 72 Een algemene indirecte verbruiksbelasting behoort volgens hen in ieder geval in bepaalde verhoudingen geen invloed te hebben. Deze verhoudingen volgen uit het karakter van de belasting als verbruiksbelasting. Een verbruiksbelasting beoogt de consument te treffen en zou de ondernemer dus zo min mogelijk last moeten geven. De belasting moet dus eenvoudig af te wentelen zijn op de consument. Daarbij moet vermeden worden dat de voorschriften van de omzetbelasting te gecompliceerd worden. Dit wordt door Van Hilten en Van Kesteren aangeduid als inwendige neutraliteit. 73 Daarbij volgt uit het algemene karakter van de omzetbelasting dat alle consumptieve uitgaven belast behoren te zijn. Het mag voor de uiteindelijke belastingdruk niet uitmaken hoe lang de productieketen is voordat de uiteindelijke prestatie de consument bereikt. Het gaat dus om de vergelijking met andere goederen en diensten en dus uiteindelijk met andere ondernemers. Dit wordt door Van Hilten en Van Kesteren de uitwendige neutraliteit genoemd. 74 Deze uitwendige neutraliteit is onder te verdelen in de economische neutraliteit, die moet voorkomen dat concurrentieverhoudingen worden verstoord 75, de juridische neutraliteit, welke erop toeziet dat de kleinhandelsprijzen van eenzelfde goed gelijk worden belast 76 en de externe neutraliteit, die inhoudt dat de heffing bij invoer gelijk moet zijn aan de binnenlandse belastingdruk op datzelfde goed. 77 Met de term belastingneutraliteit is volgens Van Hilten vooral gedoeld op de neutraliteit ten opzichte van de concurrentieverhoudingen. De ene ondernemer mag niet anders worden behandeld dan de andere ondernemer die dezelfde prestaties verricht. Een bijzondere behandeling van een prestatie (zoals een vrijstelling), moet afhankelijk gesteld worden van de prestatie en niet van degene die deze prestatie verricht Tussenconclusie In dit hoofdstuk heb ik onderzocht wat de werking is van het huidige btw- systeem en welke plaats mijn onderzoek heeft binnen de Btw- richtlijn en de Wet OB. De btw is een algemene indirecte verbruiksbelasting, die als doel heeft het consumptief gebruik van leveringen of diensten in de heffing van omzetbelasting te betrekken. Dit wordt gerealiseerd door het hanteren van de bestedingen als maatstaf van de consumptie. Een van de wezenlijke kenmerken van het btw- stelsel is het neutraliteitsbeginsel. Dit betekent bij een algemene indirecte verbruiksbelasting, die beoogt de consument te treffen, dat deze de ondernemer zo min mogelijk last moet geven. Daarbij mag het voor de uiteindelijke belastingdruk niet uit maken hoe lang de productieketen is voor het goed de uiteindelijke consument bereikt. 72 Van Hilten & Van Kesteren 2012, p Van Hilten & Van Kesteren 2012, p Van Hilten & Van Kesteren 2012, p Van Hilten & Van Kesteren 2012, p Van Hilten & Van Kesteren 2012, p Van Hilten & Van Kesteren 2012, p prof. Mr. M.E. Van Hilten, Over de neutraliteit van de omzetbelasting en het hellend vlak van de uitzonderingen, Kluwer: Deventer 2010, p

Naar aanleiding van uw brief van 18 oktober 2011 heb ik de eer het volgende op te merken.

Naar aanleiding van uw brief van 18 oktober 2011 heb ik de eer het volgende op te merken. Den Haag, 2 9 NOV 2011 Kenmerk: DGB 2011-6473 Motivering van het beroepschrift in cassatie (rolnummer 11/04540) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-hertogenbosch van 2 september 2011, nr. r, 2

Nadere informatie

Bachelor Thesis Fiscale Economie 2012/2013. De onbelastbare subsidie en het recht op aftrek van voorbelasting.

Bachelor Thesis Fiscale Economie 2012/2013. De onbelastbare subsidie en het recht op aftrek van voorbelasting. Bachelor Thesis Fiscale Economie 2012/2013 De onbelastbare subsidie en het recht op aftrek van voorbelasting. Naam: Guusje Mulders ANR: S. 930486 Faculteit: Economie en bedrijfswetenschappen Studierichting:

Nadere informatie

De heer R.J.A.M. Sadée wil ik bedanken voor zijn kritische blik en zijn bijdrage aan het redigeren van mijn scriptie.

De heer R.J.A.M. Sadée wil ik bedanken voor zijn kritische blik en zijn bijdrage aan het redigeren van mijn scriptie. Voorwoord Beste lezer, Voor u ligt mijn masterscriptie, waarin ik de herzieningsregels in de btw onder de loep neem. Met deze scriptie komt een einde aan mijn zeven jaar durende studententijd waarvan ik

Nadere informatie

Btw-belast of btw-vrijgesteld vermogensbeheer. Waar ligt de fiscaal neutrale grens?

Btw-belast of btw-vrijgesteld vermogensbeheer. Waar ligt de fiscaal neutrale grens? Btw-belast of btw-vrijgesteld vermogensbeheer. Waar ligt de fiscaal neutrale grens? Door: D. (Dieuwertje) Euser MSc Post-Master Indirecte Belastingen 2013/2014 Inhoudsopgave Lijst met gebruikte afkortingen...

Nadere informatie

ERASMUS UNIVERSITEIT ROTTERDAM NADRUK VERBODEN. Faculteit der Economische Wetenschappen. Masterscriptie

ERASMUS UNIVERSITEIT ROTTERDAM NADRUK VERBODEN. Faculteit der Economische Wetenschappen. Masterscriptie ERASMUS UNIVERSITEIT ROTTERDAM NADRUK VERBODEN Faculteit der Economische Wetenschappen Masterscriptie Zonder doel wordt altijd raak geschoten, of mis? Een onderzoek naar de reikwijdte en de wenselijkheid

Nadere informatie

Pensioenfonds. Gemeenschappelijk beleggingsfonds? Door: mr. K. Saleh Bakir Jaar 2012/2013

Pensioenfonds. Gemeenschappelijk beleggingsfonds? Door: mr. K. Saleh Bakir Jaar 2012/2013 Pensioenfonds = Gemeenschappelijk beleggingsfonds? Door: mr. K. Saleh Bakir Jaar 2012/2013 Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding en probleemstelling 3 1.1 Inleiding 3 1.2 Probleemstelling 4 Hoofdstuk 2 Activiteiten

Nadere informatie

Hoe kan er in de omzetbelasting een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen economische activiteiten en niet-economische activiteiten?

Hoe kan er in de omzetbelasting een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen economische activiteiten en niet-economische activiteiten? BACHELOR THESIS Hoe kan er in de omzetbelasting een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen economische activiteiten en niet-economische activiteiten? Naam: Anr: Studierichting: Datum: Begeleider:

Nadere informatie

ECONOMISCHE ACTIVITEIT:

ECONOMISCHE ACTIVITEIT: ECONOMISCHE ACTIVITEIT: DE EXPLOITATIE VAN EEN (ON)LICHAMELIJKE ZAAK OM ER DUURZAAM OPBRENGST UIT TE VERKRIJGEN Door: Mr. drs. J.R. Vollering 2013/2014 1 INHOUDSOPGAVE LIJST MET GEBRUIKTE AFKORTINGEN...

Nadere informatie

De Skandia-zaak: Hoofdhuis en vaste inrichting samen in de fiscale eenheid btw?

De Skandia-zaak: Hoofdhuis en vaste inrichting samen in de fiscale eenheid btw? De Skandia-zaak: Hoofdhuis en vaste inrichting samen in de fiscale eenheid btw? Een onderzoek naar de mogelijkheden om een grensoverschrijdend hoofdhuis of vaste inrichting op te nemen in de fiscale eenheid

Nadere informatie

Doorbelasten van kosten

Doorbelasten van kosten Doorbelasten van kosten - Wat zijn de btw-gevolgen? - Tilburg University Masterscriptie Fiscaal Recht (Accent Indirecte Belastingen) Naam : M.H. (Marisa) Hut Studentnummer : 50 97 99 Datum verdediging

Nadere informatie

Omzetbelasting en uitbestedingen - het (Algemeen) Pensioenfonds

Omzetbelasting en uitbestedingen - het (Algemeen) Pensioenfonds www.pwc.nl Omzetbelasting en uitbestedingen - het (Algemeen) Pensioenfonds Joost Vermeer, PwC Financial Services Indirect Tax April 2016 Agenda 1. Pensioenfondsen en btw - de basis principes 2. Het Algemeen

Nadere informatie

MASTERSCRIPTIE FISCAAL RECHT

MASTERSCRIPTIE FISCAAL RECHT MASTERSCRIPTIE FISCAAL RECHT De kwalificatie van kunstgrasvelden in de btw Naam: David Huybens Studierichting: Fiscaal Recht Administratienummer: 1235974 Datum: 26 maart 2014 Examencommissie: D. Euser

Nadere informatie

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer) 7 maart 2013 (*)

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer) 7 maart 2013 (*) ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer) 7 maart 2013 (*) Belasting over de toegevoegde waarde Richtlijn 77/388/EEG Vrijstelling voor beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen Draagwijdte Bedrijfspensioenregelingen

Nadere informatie

Masterscriptie Fiscale Economie

Masterscriptie Fiscale Economie Masterscriptie Fiscale Economie De behandeling van de aftrek van voorbelasting bij de verkoop van een deelneming getoetst aan het fiscale neutraliteitsbeginsel Naam: H.J.L. van der Sanden Opleiding: Master

Nadere informatie

De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA 'S-GRAVENHAGE

De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA 'S-GRAVENHAGE > Retouradres Postbus 20201 2500 EE Den Haag De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA 'S-GRAVENHAGE Korte Voorhout 7 2511 CW Den Haag Postbus 20201 2500 EE Den Haag www.rijksoverheid.nl

Nadere informatie

88 De Pensioenwereld in 2015

88 De Pensioenwereld in 2015 09 88 De Pensioenwereld in 2015 Fiscaliteiten & grensoverschrijding 89 Kansen voor vermindering btw-druk bij pensioenfondsen Auteurs: Karim Hommen en Gert-Jan van Norden Een recente uitspraak van het Europese

Nadere informatie

De Nederlandse BV als een vaste inrichting van een buitenlandse vennootschap

De Nederlandse BV als een vaste inrichting van een buitenlandse vennootschap De Nederlandse BV als een vaste inrichting van een buitenlandse vennootschap Rashmi Gangaram Panday 5606306 Semester 2, studiejaar 2008/2009 Juli 2009 Bachelorscriptie Begeleider : dhr. mr. drs. W.A.P.

Nadere informatie

De rol van (niet-)kostendekkende vergoedingen in de btw

De rol van (niet-)kostendekkende vergoedingen in de btw De rol van (niet-)kostendekkende vergoedingen in de btw Door: mr. S. (Simon) M.P. Bakhuys 2011/ 2012 Inhoudsopgave 1 Inleiding. 3 1.1 Inleiding 3 1.2 Opbouw verhandeling 4 2 Belastingplicht. 5 2.1 Inleiding

Nadere informatie

De reikwijdte van de vrijstelling voor het betalingsverkeer ten aanzien van moderne betalingsmethoden

De reikwijdte van de vrijstelling voor het betalingsverkeer ten aanzien van moderne betalingsmethoden UNIVERSITEIT VAN TILBURG De reikwijdte van de vrijstelling voor het betalingsverkeer ten aanzien van moderne betalingsmethoden Onderzoek naar de Btw-gevolgen van moderne betalingsmethoden Masterthesis

Nadere informatie

7.3 De Hoge Raad stelt nieuwe prejudiciële vragen Tussenconclusie 31 8 De alternatieve regelingen voor het BUA 31 8.

7.3 De Hoge Raad stelt nieuwe prejudiciële vragen Tussenconclusie 31 8 De alternatieve regelingen voor het BUA 31 8. De gevolgen van het X-Holding en Oracle Nederland BV arrest voor de door de Hoge Raad onverbindend verklaarde onderdelen van het BUA en de fictieve prestaties Tim Jansen 5673194 12 juli 2010 Fiscale Economie

Nadere informatie

UNIVERSITEIT VAN TILBURG

UNIVERSITEIT VAN TILBURG UNIVERSITEIT VAN TILBURG Modernisering van de vrijstelling voor betalingsverkeer Onderzoek naar de reikwijdte en toepassing van de vrijstelling ten behoeve van het moderne betalingsverkeer Naam: A.W. Groeneweg

Nadere informatie

Masterscriptie Fiscaal Recht

Masterscriptie Fiscaal Recht Masterscriptie Fiscaal Recht Accent Indirecte Belastingen Een scriptie over de integratieheffing en het recht op aftrek van voorbelasting: Wordt door de toepassing van de pro rata plus de doelstelling

Nadere informatie

Hoorcollege 1: Inleiding

Hoorcollege 1: Inleiding Hoorcollege 1: Inleiding Datum: 9 november 2009 Studiestof: hoofdstuk 5 Drs. O.L. Mobach INLEIDING De omzetbelasting is vak dat altijd actueel is. In de Verenigde Staten is er op dit moment bijvoorbeeld

Nadere informatie

HET GEDIGITALISEERDE GOED IN DE OMZETBELASTING -EEN WELKOME AFSPLITSING VAN DE ELEKTRONISCHE DIENST-

HET GEDIGITALISEERDE GOED IN DE OMZETBELASTING -EEN WELKOME AFSPLITSING VAN DE ELEKTRONISCHE DIENST- HET GEDIGITALISEERDE GOED IN DE OMZETBELASTING -EEN WELKOME AFSPLITSING VAN DE ELEKTRONISCHE DIENST- Tilburg 30/04/2014 J. van Huijstee Masterscriptie Fiscaal Recht Accent indirecte belastingen Administratienummer:

Nadere informatie

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer) 20 juni 2013 (*)

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer) 20 juni 2013 (*) Page 1 of 7 ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer) 20 juni 2013 (*) Zesde btw-richtlijn Artikel 4, leden 1 en 2 Begrip economische activiteiten Aftrek van voorbelasting Exploitatie van fotovoltaïsche installatie

Nadere informatie

Kluwer Online Research

Kluwer Online Research Weekblad voor Fiscaal Recht Afnemer in de btw: wie is het? Auteur: Mevr. mr. dr. M.M.W.D. Merkx[1] Op 2 december 2011 wees de Hoge Raad een belangrijk arrest over de bewijslastverdeling betreffende het

Nadere informatie

De overgang van een algemeenheid van goederen (art. 31 Wet OB) aan en/of door verschillende ondernemers

De overgang van een algemeenheid van goederen (art. 31 Wet OB) aan en/of door verschillende ondernemers Master scriptie Fiscaal recht De overgang van een algemeenheid van goederen (art. 31 Wet OB) aan en/of door verschillende ondernemers Auteur: Marit Heesen Geldereschweg 42, 7104 AK Winterswijk ANR: 780980

Nadere informatie

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL E. SHARPSTON van 7 maart 2013 (1) Zaak C 219/12

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL E. SHARPSTON van 7 maart 2013 (1) Zaak C 219/12 CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL E. SHARPSTON van 7 maart 2013 (1) Zaak C 219/12 Finanzamt Freistadt Rohrbach Urfahr tegen Unabhängiger Finanzsenat Außenstelle Linz [verzoek van het Verwaltungsgerichtshof

Nadere informatie

HOE NEUTRAAL IS DIT? Naam Studentnr. Begeleider Datum Opleidingsinstituut Opleiding

HOE NEUTRAAL IS DIT? Naam Studentnr. Begeleider Datum Opleidingsinstituut Opleiding Ontbreken van btw-aftrekrecht van gemeenten op de aanlegkosten van gemeenschapsvoorzieningen bij de uitvoering van bestemmingsplannen HOE NEUTRAAL IS DIT? Naam Studentnr. Begeleider Datum Opleidingsinstituut

Nadere informatie

De Nederlandse integratieheffing in Europees perspectief: Is het einde van de Nederlandse integratieheffing nabij?

De Nederlandse integratieheffing in Europees perspectief: Is het einde van de Nederlandse integratieheffing nabij? De Nederlandse integratieheffing in Europees perspectief: Is het einde van de Nederlandse integratieheffing nabij? Door: mr. A.M. Kruijer 2012/2013 Inhoudsopgave Inleiding 3 Hoofdstuk 1 De integratieheffing

Nadere informatie

In wezen nieuwbouw, ver(nieuw)bouwd?

In wezen nieuwbouw, ver(nieuw)bouwd? In wezen nieuwbouw, ver(nieuw)bouwd? Master thesis Fiscaal recht, accent indirecte belastingen K.M.T. Helwegen (s247743) Afstudeerdatum: 18 juni 2013 Hoogleraar: Prof. dr. H.W.M. van Kesteren Begeleiders:

Nadere informatie

COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. Gewijzigd voorstel voor een RICHTLIJN VAN DE RAAD

COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. Gewijzigd voorstel voor een RICHTLIJN VAN DE RAAD COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN Brussel, 8.7.2004 COM(2004) 468 definitief 2003/0091 (CNS) Gewijzigd voorstel voor een RICHTLIJN VAN DE RAAD tot wijziging van Richtlijn 77/388/EEG wat betreft

Nadere informatie

Ondernemerschap door voorbereiding

Ondernemerschap door voorbereiding Ondernemerschap door voorbereiding Een onderzoek naar de invloed van duurzame voorbereidende handelingen op het btw-ondernemerschap ingeval van incidentele prestaties Door: Jeroen de Jong 2011/ 2012 Inhoudsopgave

Nadere informatie

De medische vrijstelling van voldoende kwaliteit?

De medische vrijstelling van voldoende kwaliteit? ERASMUS UNIVERSITEIT ROTTERDAM NADRUK VERBODEN Erasmus School of Economics Masterthesis De medische vrijstelling van voldoende kwaliteit? Een onderzoek naar de verhouding van de medische vrijstelling in

Nadere informatie

Datum van inontvangstneming : 11/08/2015

Datum van inontvangstneming : 11/08/2015 Datum van inontvangstneming : 11/08/2015 Vertaling C-332/15-1 Zaak C-332/15 Verzoek om een prejudiciële beslissing Datum van indiening: 6 juli 2015 Verwijzende rechter: Tribunale di Treviso / Italië Datum

Nadere informatie

COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. Voorstel voor een BESCHIKKING VAN DE RAAD

COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. Voorstel voor een BESCHIKKING VAN DE RAAD NL NL NL COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN Brussel, 24.11.2009 COM(2009)641 definitief Voorstel voor een BESCHIKKING VAN DE RAAD waarbij de Portugese Republiek wordt gemachtigd een maatregel toe

Nadere informatie

Het recht op aftrek van voorbelasting bij het verrichten van niet-economische activiteiten

Het recht op aftrek van voorbelasting bij het verrichten van niet-economische activiteiten Het recht op aftrek van voorbelasting bij het verrichten van niet-economische activiteiten Zitten het Hof van Justitie EU en de Hoge Raad op dezelfde lijn? Naam: Anne Bommeljé Plaats: Rotterdam Opleiding:

Nadere informatie

ARREST VAN HET HOF VAN 12 DECEMBER 1974.

ARREST VAN HET HOF VAN 12 DECEMBER 1974. ARREST VAN HET HOF VAN 12 DECEMBER 1974. B. N. O. WALRAVE, L. J. N. KOCH TEGEN ASSOCIATION UNION CYCLISTE INTERNATIONALE, KONINKLIJKE NEDERLANDSCHE WIELREN UNIE EN FEDERATION ESPANOLA CICLISMO. (VERZOEK

Nadere informatie

Herziening en verhuur van onroerende zaken in de btw

Herziening en verhuur van onroerende zaken in de btw Herziening en verhuur van onroerende zaken in de btw Wordt er overeenkomstig het neutraliteitsbeginsel gehandeld? Door Laurens van Drie Nummer: 344531 Begeleider: Prof. dr. R.N.G. van der Paardt Inhoudsopgave

Nadere informatie

Hoofdstuk 1 Inleiding Inleiding Probleemstelling Verantwoording van het onderzoek 6. Hoofdstuk 2 De Btw-richtlijn 7

Hoofdstuk 1 Inleiding Inleiding Probleemstelling Verantwoording van het onderzoek 6. Hoofdstuk 2 De Btw-richtlijn 7 Het BUA en de Btw-richtlijn Laura Philippen S404458 1 Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding 5 1.1 Inleiding 5 1.2 Probleemstelling 6 1.3 Verantwoording van het onderzoek 6 Hoofdstuk 2 De Btw-richtlijn 7

Nadere informatie

Richtlijn betreffende bescherming rechten op aanvullend pensioen

Richtlijn betreffende bescherming rechten op aanvullend pensioen Richtlijn betreffende bescherming rechten op aanvullend pensioen Richtlijn 98/49/EG van de Raad van 29 juni 1998 betreffende de bescherming van de rechten op aanvullend pensioen van werknemers en zelfstandigen

Nadere informatie

Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde / 19

Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde / 19 INHOUD Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde / 19 Inleiding / 19 Titel I Voorwerp en toepassingsgebied / 30 Titel II Geografisch toepassingsgebied

Nadere informatie

Hoorcollege Directe Belastingen DB II Collegejaar 2014/2015

Hoorcollege Directe Belastingen DB II Collegejaar 2014/2015 Waarom een VBI of een FBI? De VBI en de FBI zijn faciliteiten die collectief belleggen faciliteren. Fiscaal bezien kan je ruwweg - (collectief) beleggen op twee manieren vormgeven. Een belastingplichtige

Nadere informatie

Belastingen en de boekhouding

Belastingen en de boekhouding BAD1.1 les 7 programma Belastingen en de boekhouding Drie groepen belastingen Ondernemer als onbezoldigd ontvanger Loonbelasting Omzetbelasting Belastingen Drie groepen zakelijke belastingen waterschapslasten,

Nadere informatie

Belastingrecht in Hoofdlijnen

Belastingrecht in Hoofdlijnen Belastingrecht in Hoofdlijnen Prof. dr. CA. de Kam (eindredactie) Mr. P.M. van Schie Prof. dr. I.J.J. Burgers Mr. drs. F.J.P.M. Haas Mr.J. Lamens Dr. mr. A.M. van Amsterdam RA Mr. C.M. Ettema Mr. dr. D.V.E.M.

Nadere informatie

COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. Voorstel voor een BESCHIKKING VAN DE RAAD

COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. Voorstel voor een BESCHIKKING VAN DE RAAD COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN Brussel, 14.12.2006 COM(2006) 802 definitief Voorstel voor een BESCHIKKING VAN DE RAAD waarbij Estland, Slovenië, Zweden en het Verenigd Koninkrijk worden gemachtigd

Nadere informatie

Inhoud. Voorwoord. 1 Loonbelasting 1. 1.1 Inleiding 1. 1.2 Dienstbetrekking 2. 1.3 Inhoudingsplichtige 10. 1.4 Loon 13

Inhoud. Voorwoord. 1 Loonbelasting 1. 1.1 Inleiding 1. 1.2 Dienstbetrekking 2. 1.3 Inhoudingsplichtige 10. 1.4 Loon 13 Inhoud Voorwoord V 1 Loonbelasting 1 1.1 Inleiding 1 1.2 Dienstbetrekking 2 1.2.1 Inleiding 2 1.2.2 Privaatrechtelijke dienstbetrekking 3 1.2.3 Publiekrechtelijke dienstbetrekking 5 1.2.4 Fictieve dienstbetrekking

Nadere informatie

Gevolgen wijziging aftrekbeperking artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968 Toegespitst op (deels) gesubsidieerde instellingen

Gevolgen wijziging aftrekbeperking artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968 Toegespitst op (deels) gesubsidieerde instellingen Gevolgen wijziging aftrekbeperking artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968 Toegespitst op (deels) gesubsidieerde instellingen Elise Braas Studentnummer: 0563390 President Steynstraat 12 1091 NC

Nadere informatie

106 De Pensioenwereld in 2014

106 De Pensioenwereld in 2014 13 106 De Pensioenwereld in 2014 Uitbesteding & uitvoeringskosten 107 Btw-efficiënte bedrijfsvoering bij ondernemingspensioenfondsen: de deur staat op een kier Auteurs: Karim Hommen en Edwin van Kasteren

Nadere informatie

Incidenteel beroep in cassatie zaaknummer F 13/00282

Incidenteel beroep in cassatie zaaknummer F 13/00282 i Incidenteel beroep in cassatie zaaknummer F 13/00282 Edelhoogachtbaar College, De uitspraak van de Rechtbank te Arnhem van 6 december 2012, nr. 11 / 04103, betreft de X in geschil zijnde vraag of belanghebbende,

Nadere informatie

Inhoud. Inleiding belastingrecht 19. Deel 1 Inkomstenbelasting 26. Lijst van afkortingen 15. Studiewijzer 17

Inhoud. Inleiding belastingrecht 19. Deel 1 Inkomstenbelasting 26. Lijst van afkortingen 15. Studiewijzer 17 Inhoud Lijst van afkortingen 15 Studiewijzer 17 Inleiding belastingrecht 19 Deel 1 Inkomstenbelasting 26 1 Algemene uitgangspunten 29 1.1 Wie moet belasting betalen? (art. 1.1 en 1.2 Wet IB) 29 1.2 Waarover

Nadere informatie

BTW. Academiejaar 2009-2010 samenvatting - Jeroen De Mets 1

BTW. Academiejaar 2009-2010 samenvatting - Jeroen De Mets 1 BTW 1. INLEIDING...2 A. DEFINITIE...2 B. OUD EN NIEUW STELSELSTELSEL...2 2. DE BTW-PLICHTIGE VAN RECHTSWEGE...2 3. DE TOEVALLIGE BTW-PLICHTIGE...3 4. DE BELASTBARE FEITEN...3 A. ALGEMEEN...3 B. OVERZICHT...4

Nadere informatie

Ondernemerschap van gemeentelijke stichtingen. Onafhankelijk van gemeenten?

Ondernemerschap van gemeentelijke stichtingen. Onafhankelijk van gemeenten? Ondernemerschap van gemeentelijke stichtingen Onafhankelijk van gemeenten? Door: Hans Westra 2011/ 2012 Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding Blz. 2 Hoofdstuk 2 De begrippen ondernemerschap en gemeentelijke

Nadere informatie

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer) 9 juli 2015 (*)

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer) 9 juli 2015 (*) pagina 1 van 6 ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer) 9 juli 2015 (*) Prejudiciële verwijzing Fiscale bepalingen Belasting over de toegevoegde waarde Zesde richtlijn (77/388/EEG) Artikelen 2, punt 1, en 4,

Nadere informatie

HOOFDSTUK 1 Een systematiek voor het oplossen van btw-problemen

HOOFDSTUK 1 Een systematiek voor het oplossen van btw-problemen HOOFDSTUK 1 Een systematiek voor het oplossen van btw-problemen De wijze waarop internationale transacties in de heffing van btw worden betrokken, wordt bepaald door de systematiek van de btw-wetgeving.

Nadere informatie

Definitie(s) van de term vaste inrichting

Definitie(s) van de term vaste inrichting Definitie(s) van de term vaste inrichting EEN VERRUIMING IN DE HERSCHIKTE UITVOERINGSVERORDENING? IS DIT WENSELIJK? Masterthesis Fiscale Economie Naam Adres Marjolein van den Berg LLM Picushof 192, 5613

Nadere informatie

Masterscriptie Fiscale Economie

Masterscriptie Fiscale Economie Masterscriptie Fiscale Economie Educatie in het economische verkeer Een onderzoek naar het btw-ondernemerschap van instellingen die wettelijk geregeld onderwijs verzorgen Auteur: R.A.W. (Rob) Konings ANR:

Nadere informatie

Economische en niet-economische activiteiten en de gevolgen daarvan voor het recht op aftrek van voorbelasting

Economische en niet-economische activiteiten en de gevolgen daarvan voor het recht op aftrek van voorbelasting ERASMUS UNIVERSITEIT ROTTERDAM Erasmus School of Economics Masterscriptie Economische en niet-economische activiteiten en de gevolgen daarvan voor het recht op aftrek van voorbelasting Naam student: Onur

Nadere informatie

Aandelen, obligaties en kredietverstrekking in de btw

Aandelen, obligaties en kredietverstrekking in de btw Aandelen, obligaties en kredietverstrekking in de btw De beperkte aftrek van voorbelasting in de jurisprudentie van het Hof van Justitie EG Auteur: T.C.I. Beems Studierichting: Fiscale economie Administratienummer:

Nadere informatie

Utrecht 21 april 2015

Utrecht 21 april 2015 Utrecht 21 april 2015 ONDERWERPEN Algemene inleiding BTW verschuldigd over subsidies? Invloed van subsidies op de aftrek van BTW KARAKTER VAN DE BTW Belast het verbruik door consument / eindverbruiker

Nadere informatie

Datum van inontvangstneming : 09/06/2015

Datum van inontvangstneming : 09/06/2015 Datum van inontvangstneming : 09/06/2015 Vertaling C-208/15-1 Datum van indiening: 5 mei 2015 Verwijzende rechter: Zaak C-208/15 Verzoek om een prejudiciële beslissing Kúria (Hongarije) Datum van de verwijzingsbeslissing:

Nadere informatie

Faculteit der Economische Wetenschappen Masterscriptie. Bouwterrein in de btw : Tijd om te slopen?

Faculteit der Economische Wetenschappen Masterscriptie. Bouwterrein in de btw : Tijd om te slopen? ERASMUS UNIVERSITEIT ROTTERDAM Faculteit der Economische Wetenschappen Masterscriptie Nadruk verboden Bouwterrein in de btw : Tijd om te slopen? Naam John Abadier Nummer 303161 Begeleider Prof. Dr. R.N.G.

Nadere informatie

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. Dividendbelasting; Inkomstenbelasting; Vennootschapsbelasting; EU-recht

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. Dividendbelasting; Inkomstenbelasting; Vennootschapsbelasting; EU-recht STAATSCOURANT Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. Nr. 22561 29 april 2016 Dividendbelasting; Inkomstenbelasting; Vennootschapsbelasting; EU-recht 25 april 2016 nr. DGB 2016/1731M

Nadere informatie

Over aandelen en btw en btw over aandelen

Over aandelen en btw en btw over aandelen Over aandelen en btw en btw over aandelen Een analyse van HvJ EG 29 oktober 2009, SKF, C29/08 Jan Sanders >>Ahead of Tax 2010 HvJ EG 29 oktober 2009, SKF, C-29/08 casus SKF is moeiende houdster beheer,

Nadere informatie

De overdracht van een algemeenheid van goederen bij de verkoop van een deelneming: Is er sprake van een kijkdoos gedachte?

De overdracht van een algemeenheid van goederen bij de verkoop van een deelneming: Is er sprake van een kijkdoos gedachte? De overdracht van een algemeenheid van goederen bij de verkoop van een deelneming: Is er sprake van een kijkdoos gedachte? Door: J.I. (Joanna) Rossa MSc 2012/2013 Inhoudsopgave Lijst van gebruikte afkortingen

Nadere informatie

Scriptie Fiscale Economie. Een onderzoek naar de reisbureauregeling: Is de eindbestemming in zicht?

Scriptie Fiscale Economie. Een onderzoek naar de reisbureauregeling: Is de eindbestemming in zicht? Scriptie Fiscale Economie Een onderzoek naar de reisbureauregeling: Is de eindbestemming in zicht? Naam: T.J. Neijzen Administratienummer: 328689 Opleiding: Master Fiscale Economie - Accent Indirecte Belastingen

Nadere informatie

Fiscaal bouwrecht. belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht; 2. de invoer van goederen.'

Fiscaal bouwrecht. belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht; 2. de invoer van goederen.' Tijdschrift voor Bouwrecht Fiscaal bouwrecht TBR 2013/150 Hof van Justitie EU, 8 november 2012 C 299/Ï1 (Reikwijdte integratieheffing) A. Tizzano, A. Borg Barthet, M.Ilesic (rapporteur), E. Levits en M.

Nadere informatie

Het recht op aftrek van btw bij evenementen die gratis toegankelijk zijn

Het recht op aftrek van btw bij evenementen die gratis toegankelijk zijn Het recht op aftrek van btw bij evenementen die gratis toegankelijk zijn Door: Petra Pleunis MSc 2011/ 2012 Inhoudsopgave Lijst met gebruikte afkortingen Blz 3 Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Algemeen Blz 4

Nadere informatie

Afnemerschap in de btw. Wie krijgt de rekening gepresenteerd? R.G.J.W. van Esch. Administratienummer:

Afnemerschap in de btw. Wie krijgt de rekening gepresenteerd? R.G.J.W. van Esch. Administratienummer: Afnemerschap in de btw Wie krijgt de rekening gepresenteerd? R.G.J.W. van Esch Administratienummer: nummer: 403257 Masterscriptie Fiscaal Recht Faculteit der Rechtswetenschappen, Tilburg University Tilburg,

Nadere informatie

Hoofdlijnen van het Nederlands belastingrecht

Hoofdlijnen van het Nederlands belastingrecht Hoofdlijnen van het Nederlands belastingrecht door Mr. P.M. van Schie Prof. dr. CA. de Kam Mr. J. Lamens Mr. drs. F.J.P.M. Haas Twaalfde herziene druk Kluwer Deventer - 2004 INHOUDSOPGAVE Voorwoord bij

Nadere informatie

Raad van de Europese Unie Brussel, 10 juni 2016 (OR. en)

Raad van de Europese Unie Brussel, 10 juni 2016 (OR. en) Raad van de Europese Unie Brussel, 10 juni 2016 (OR. en) Interinstitutioneel dossier: 2012/0102 (CNS) 8741/16 FISC 70 ECOFIN 378 WETGEVINGSBESLUITEN EN ANDERE INSTRUMENTEN Betreft: RICHTLIJN VAN DE RAAD

Nadere informatie

Aan- of inbesteden en de btw-gevolgen

Aan- of inbesteden en de btw-gevolgen Aan- of inbesteden en de btw-gevolgen Menig btw-vraagstuk wordt tegen het licht gehouden van de Europese BTW-richtlijn en de uitlegging daarvan door het Hof van Justitie (HvJ). Het Hof streeft naar eenheid

Nadere informatie

Het begrip bouwterrein

Het begrip bouwterrein Bachelorthesis Het begrip bouwterrein Naam : Ying Gao Studierichting : Fiscaal economie Anr-nummer : 886630 Datum :8 december 2010 Examencommissie : Mr. A.H.S. Bouwman en Mr. dr. G.J. van Norden Begeleidende

Nadere informatie

Beleggen in effecten en btw

Beleggen in effecten en btw Beleggen in effecten en btw Een interpretatie van de btw-behandeling van diensten in het kader van effectenbeleggingen met individueel en collectief bijeengebracht vermogen; getoetst aan het neutraliteitsbeginsel.

Nadere informatie

De pro rata: De omzet werkelijk gebruikt?

De pro rata: De omzet werkelijk gebruikt? De pro rata: De omzet werkelijk gebruikt? Door: Mw. drs. S. van de Snepscheut 2007/ 2008 Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding Blz. 2 Hoofdstuk 2 De aftrek van voorbelasting Blz. 3 2.1 Nederlandse wetgeving

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2002 2003 28 887 Wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 in verband met de in beginsel tijdelijke invoering van een omzetbelastingregeling voor elektronische

Nadere informatie

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer) 13 juli 1989*

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer) 13 juli 1989* SKATTEMINISTERIET / HENRIKSEN ARREST VAN HET HOF (Derde kamer) 13 juli 1989* In zaak 173/88, betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Højesteret, in het aldaar aanhangig

Nadere informatie

Een bouwterrein in de zin van de BTW

Een bouwterrein in de zin van de BTW Een bouwterrein in de zin van de BTW Naam: Conny Peters Adres: Grote Loef 13 6581 JE Malden Telefoon: 06-49394131 Studie: Fiscaal Recht ARN: 987526 Datum: 13 september 2010 Examinator: mr. dr. A.J. van

Nadere informatie

Art. 39 Algemene wet inzake rijksbelastingen In de gevallen waarin het volkenrecht, dan wel naar het oordeel van Onze Minister het internationale

Art. 39 Algemene wet inzake rijksbelastingen In de gevallen waarin het volkenrecht, dan wel naar het oordeel van Onze Minister het internationale Art. 39 Algemene wet inzake rijksbelastingen In de gevallen waarin het volkenrecht, dan wel naar het oordeel van Onze Minister het internationale gebruik, daartoe noopt, wordt vrijstelling van belasting

Nadere informatie

Inhoudsopgave. Voorwoord / 9. Inleiding / 11

Inhoudsopgave. Voorwoord / 9. Inleiding / 11 Inhoudsopgave Voorwoord / 9 Inleiding / 11 1 Het toepasselijke recht op de internationale arbeidsovereenkomst / 13 1.1 Inleiding / 13 1.2 Rome I-Verordening en het EVO-Verdrag / 13 1.3 Arbeidsovereenkomst

Nadere informatie

Tijdige aftrek van voorbelasting een hele opgaaf!

Tijdige aftrek van voorbelasting een hele opgaaf! Tijdige aftrek van voorbelasting een hele opgaaf! Naam: P.W.G.M. Zwartkruis Studierichting: Fiscale economie Administratienummer: 364154 Afstudeerdatum: 28 augustus 2012 Examencommissie: Prof. Dr. H.W.M.

Nadere informatie

Discretionair beheer Btw update. VV&A vergadering Breukelen, februari 2013 Martijn Jaegers

Discretionair beheer Btw update. VV&A vergadering Breukelen, februari 2013 Martijn Jaegers Discretionair beheer Btw update VV&A vergadering Breukelen, februari 2013 Martijn Jaegers Agenda Inleiding Recap: Deutsche Bank arrest HvJ EU, 19 juli 2012 Huidig beleid naar aanleiding van DB-arrest AFM

Nadere informatie

Het hoe en waarom van de belastingheffing

Het hoe en waarom van de belastingheffing Hoofdstuk 1 Het hoe en waarom van de belastingheffing 1.1 Onderscheid in belastingen De sociale, economische maar ook de juridische gevolgen van de belastingheffing verschillen naar gelang het type belasting.

Nadere informatie

Faculteit der Economische Wetenschappen Masterscriptie. E-commerce in de btw: Werk aan de webshop?

Faculteit der Economische Wetenschappen Masterscriptie. E-commerce in de btw: Werk aan de webshop? ERASMUS UNIVERSITEIT ROTTERDAM Faculteit der Economische Wetenschappen Masterscriptie Nadruk verboden E-commerce in de btw: Werk aan de webshop? Naam Remon Abadier Nummer 315371 Begeleider P. Oerlemans

Nadere informatie

Wettelijk geregeld onderwijs: Overheidshandelen of vrijgestelde ondernemersprestatie?

Wettelijk geregeld onderwijs: Overheidshandelen of vrijgestelde ondernemersprestatie? Wettelijk geregeld onderwijs: Overheidshandelen of vrijgestelde ondernemersprestatie? Door: Chantal Waage 2011/ 2012 Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding Blz 2 Hoofdstuk 2 Onderwijsvrijstelling Blz 4 2.1

Nadere informatie

Het gevecht tussen twee vestigingsplaatsen van één belastingplichtige

Het gevecht tussen twee vestigingsplaatsen van één belastingplichtige Het gevecht tussen twee vestigingsplaatsen van één belastingplichtige De vaste inrichting met betrekking tot de plaats van dienst regelgeving in de btw Door: Eva Florence Jeanette Dreijer MSc 2011/ 2012

Nadere informatie

JURISPRUDENTIE VAN HET HVJEG 1987 BLADZIJDEN 3611

JURISPRUDENTIE VAN HET HVJEG 1987 BLADZIJDEN 3611 JURISPRUDENTIE VAN HET HVJEG 1987 BLADZIJDEN 3611 ARREST VAN HET HOF (DERDE KAMER) VAN 24 SEPTEMBER 1987. BESTUUR VAN DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK TEGEN J. A. DE RIJKE. VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING,

Nadere informatie

NOTA VAN WIJZIGING. Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

NOTA VAN WIJZIGING. Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd: 32 622 Wijziging van de Wet op het financieel toezicht en het Burgerlijk Wetboek ter implementatie van richtlijn nr. 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 juli 2009

Nadere informatie

RAAD VAN DE EUROPESE UNIE. Brussel, 6 april 2005 (07.04) (OR. fr) 7843/05 FISC 38

RAAD VAN DE EUROPESE UNIE. Brussel, 6 april 2005 (07.04) (OR. fr) 7843/05 FISC 38 RAAD VAN DE EUROPESE UNIE Brussel, 6 april 2005 (07.04) (OR. fr) 7843/05 FISC 38 VOORSTEL van: de Europese Commissie d.d.: 5 april 2005 Betreft: Voorstel voor een BESCHIKKING VAN DE RAAD waarbij de Bondsrepubliek

Nadere informatie

Het wel en wee van de verwervings-btw

Het wel en wee van de verwervings-btw Het wel en wee van de verwervings-btw Door: mr. W.J.G.M. Hundscheid 2007/ 2008 Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1 INLEIDING... 2 HOOFDSTUK 2 INTRACOMMUNAUTAIRE GOEDEREN TRANSACTIES... 3 HOOFDSTUK 3 SYSTEMATIEK

Nadere informatie

De toepassing van artikel 31 Wet OB bij vastgoedtransacties

De toepassing van artikel 31 Wet OB bij vastgoedtransacties De toepassing van artikel 31 Wet OB bij vastgoedtransacties Door: drs. P.W.C. Hoezen januari 2007 Inleiding 2 1. De quasi-ondernemer. 4 1.1.De Zesde Richtlijn. 4 1.2.De Wet OB. 4 1.3.Doel en strekking.

Nadere informatie

Btw consequenties. voor een all-in wok-restaurant. Bella Vista 4 6824 HC Arnhem

Btw consequenties. voor een all-in wok-restaurant. Bella Vista 4 6824 HC Arnhem Bella Vista 4 6824 HC Arnhem T: 088 400 4800 F: (026) 20 20 503 E: info@bleijerveldjuridischadvies.nl KvK: 62289187 Btw: NL212019259B01 IBAN: NL91 INGB 0006 7093 27 Btw consequenties voor een all-in wok-restaurant

Nadere informatie

Het uitbesteden van kredietbeheer; een onfortuinlijk resultaat?

Het uitbesteden van kredietbeheer; een onfortuinlijk resultaat? Masterthesis Fiscale Economie Het uitbesteden van kredietbeheer; een onfortuinlijk resultaat? De perikelen met betrekking tot kredietbeheer voor de omzetbelasting. Masterthesis Fiscale Economie Het uitbesteden

Nadere informatie

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Eerste Kamer der Staten-Generaal Eerste Kamer der Staten-Generaal 1 Vergaderjaar 2002 2003 Nr. 234 28 887 Wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 in verband met de in beginsel tijdelijke invoering van een omzetbelastingregeling

Nadere informatie

De toepassing van het nultarief bij intracommunautaire ABC- transacties onder de loep

De toepassing van het nultarief bij intracommunautaire ABC- transacties onder de loep De toepassing van het nultarief bij intracommunautaire ABC- transacties onder de loep Naam: Samira Boudazra ANR: S949497 Examencommissie: W.J.C. de Bakker, Prof. Dr. H.W.M. van Kesteren 1 Inhoudsopgave

Nadere informatie

Inhoudsopgave BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE. BTW-Wetboek. Uitvoeringsbesluiten. Inhoudsopgave

Inhoudsopgave BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE. BTW-Wetboek. Uitvoeringsbesluiten. Inhoudsopgave Inhoudsopgave BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE BTW-Wetboek Wet 3 juli 1969 tot invoering van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd bij wet 28 december 1992 (B.S.,

Nadere informatie

Verkoop van een deelneming: een prestatie voor de btw?

Verkoop van een deelneming: een prestatie voor de btw? Verkoop van een deelneming: een prestatie voor de btw? Naam: Kevin van Maasdam Telefoonnummer: 06-53747772 Adres: Anjelierstraat 31 4461 PP Goes Universiteit: Universiteit van Tilburg Opleiding: Fiscale

Nadere informatie

Voorstel voor een UITVOERINGSBESLUIT VAN DE RAAD

Voorstel voor een UITVOERINGSBESLUIT VAN DE RAAD EUROPESE COMMISSIE Brussel, 20.10.2016 COM(2016) 665 final 2016/0326 (NLE) Voorstel voor een UITVOERINGSBESLUIT VAN DE RAAD tot wijziging van Beschikking 2009/790/EG waarbij Polen wordt gemachtigd een

Nadere informatie

Verkoop van deelnemingen in de economische en niet-economische sfeer

Verkoop van deelnemingen in de economische en niet-economische sfeer Verkoop van deelnemingen in de economische en niet-economische sfeer Door: N. Tanouti M. Sc. 2010/ 2011 Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding... 4 Hoofdstuk 2 Belastingplicht van houdstermaatschappijen bij

Nadere informatie

Datum van inontvangstneming : 10/01/2014

Datum van inontvangstneming : 10/01/2014 Datum van inontvangstneming : 10/01/2014 Vertaling C-623/13-1 Zaak C-623/13 Verzoek om een prejudiciële beslissing Datum van indiening: 28 november 2013 Verwijzende rechter: Conseil d État (Frankrijk)

Nadere informatie