TREASURY BIJ WONINGCORPORATIES

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "TREASURY BIJ WONINGCORPORATIES"

Transcriptie

1 TREASURY BIJ WONINGCORPORATIES Naarden, 1 februari 2002

2 I N H O U D INHOUD 2 INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING EN CONCLUSIES AANLEIDING VAN HET ONDERZOEK Inleiding Financiële omgeving van de corporatie Wettelijk kader Bedrijfseconomische invalshoek DOEL EN WERKWIJZE VAN HET ONDERZOEK Doel van het onderzoek Onderzoek beheersingsinstrumentarium Onderzoek corporaties met een mogelijk hoger dan gemiddeld risicoprofiel Werkwijze Vragenlijst Waardering/weging van de beantwoording KWALITEIT VAN DE BEHEERSINGSMAATREGELEN Inleiding Bevindingen Financiering Belegging Renterisicobeheer Administratieve organisatie en interne controle (AO/IC) Rapportages Conclusies RISICOPROFIEL BELEGGINGEN Inleiding Bevindingen Financiering Belegging Renterisicobeheer Administratieve organisatie en interne controle (AO/IC) Rapportages Conclusies Vergelijking beheersingsinstrumentarium met de groep uit de a-selecte steekproef BELEIDSAANBEVELINGEN Conclusies Advies Bijlage 1 Conclusies onderzoek Bankieren bij woningcorporaties Bijlage 2 Vragenlijsten Bijlage 3 Treasurystatuut Bijlage 4 Tabellen met uitgangspunten/randvoorwaarden treasuryactiviteiten... 43

3 SAMENVATTING EN CONCLUSIES 1. SAMENVATTING CONCLUSIES In 2001 heeft het Centraal Fonds een onderzoek gedaan naar treasury bij woningcorporaties. In 2000 heeft reeds een quick scan door het Fonds plaatsgevonden naar bankieren. Omdat in het onderzoek in 2000 op een aantal punten geen conclusie was te trekken, onder andere vanwege de geringe kwaliteit van de verslaggevinggegevens van corporaties, is tot een vervolgonderzoek overgegaan. 3 Algemene doelstelling bij de uitvoering van het vervolgonderzoek is te komen tot inzicht in en oordeel over het gevoerde financierings- en beleggingsbeleid, de kwaliteit van de beheersingsmaatregelen en de informatievoorziening en het doen van aanbevelingen hieromtrent in de toekomst om het toezicht op het treasurybeleid naar behoren uit te kunnen voeren. Het eerste deel betreft een onderzoek op basis van een a-selecte steekproef naar de kwaliteit en de effectiviteit van het beheersingsinstrumentarium inzake het treasurybeleid binnen de corporatie, onder andere gerelateerd aan het interne en externe toezicht. Het ging hierbij om een steekproef onder 44 corporaties. Het tweede deel van het onderzoek betreft de individuele onderzoeken naar het beleggingsbeleid van de corporaties met een verhoogd risicoprofiel. De meeste van deze corporaties zijn in het onderzoek van 2000 ook onderzocht. Het betrof hier 25 corporaties. Het onderzoek is uitgevoerd aan de hand van een vragenlijst die op een vijftal deelterreinen van de treasury betrekking heeft. De onderzochte deelterreinen zijn Financiering, Belegging, Renterisicobeheer, AO/IC en Rapportage. Naast de bij het Fonds aanwezige gegevens uit jaarrekening en volkshuisvestingsverslag hebben de corporaties nadere gegevens opgestuurd. Als uitgangspunt van het onderzoek is aangesloten bij de bestaande regelgeving, waarin staat dat corporaties hun overtollige middelen mogen beleggen. Aangezien de strekking van de regelgeving op onderdelen multi-interpretabel is, is ook rekening gehouden met het beleidsmatige standpunt uit de Nota Mensen Wensen Wonen. Daarin staat de beperking van financiële risico s centraal. Dit betekent dat beleggen met het oogmerk daaruit een zelfstandig rendement te halen, los van renterisicobeheer of belegging van tijdelijk overtollige middelen, beleidsmatig niet gewenst is. Een bedrijfseconomische invalshoek leert dat het lopen van hoofdsomrisico s niet past bij het profiel van een woningcorporatie. Vanuit de feitelijke gegevens van het onderzoek is de conclusie te trekken dat er binnen de onderzochte corporaties ultimo 1999 niet risicovol wordt belegd. Zowel niet binnen de groep van de a-selecte steekproef, maar ook niet binnen de groep corporaties waarvan eind 2000 niet kon worden vastgesteld of er sprake was van een hoger dan gemiddeld risicoprofiel. Wel is het zo dat de formulering in statuten of treasuryplannen in veel gevallen ruimte geeft om risicovoller te beleggen. Met betrekking tot de kwaliteit van de jaarlijkse verslaggeving is de conclusie aanmerkelijk minder positief. Het Fonds concludeert dat de verslaggeving richting de interne en externe toezichthouder onder de maat is. Weliswaar rapporteert 65% van de corporaties in de jaarstukken over het beleggingsbeleid, maar de kwaliteit van deze gegevens is ronduit matig te noemen. De rapportages geven geen inzicht in transactievolumes, de omvang van de gelopen koers- en renterisico s en de behaalde rendementen afgezet tegen het risicoprofiel of de benchmark. Dit wordt onder andere veroorzaakt doordat er geen heldere en concrete doelstellingen zijn geformuleerd in het treasurystatuut, zodat het afleggen van verantwoording ook moeilijker wordt. De kwaliteit van de interne verantwoording wijkt niet af van de externe verantwoording. De aanbevelingen van het Fonds concentreren zich dan ook op concretisering van het treasurybeleid en de verbetering van de verantwoording. Overigens is er tussen de beide onderwerpen een duidelijk verband. Hoe concreter de doelstellingen op het gebied van treasury, des te beter de kwaliteit van de verantwoording. De doelstellingen, uitgangspunten, normen en limieten in de treasurystatuten kunnen op alle gebieden concreter ingevuld worden, waardoor een betere sturing en evaluatie van het gevoerde beleid mogelijk is. Vooral de beleidsmatige onderbouwing van de keuzes zal helderder verwoord moeten worden. Vaak is niet duidelijk waarom een corporatie kiest voor een bepaalde beleggingscategorie en risicoprofiel in relatie tot de kernactiviteiten van de corporatie en haar investerings- en financieringsbeleid. De kwaliteit van zowel de interne als de externe verantwoording zal ingrijpend verbeterd moeten worden. In deze rapportages moet een concreet inzicht worden gegeven van gevoerde treasurybeleid, het renterisicobeheer en behaalde rendementen afgezet tegen de benchmark. Met betrekking tot de externe verslaggeving zal het Fonds het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer adviseren een beleidslijn te publiceren die in lijn met de bevindingen van het onderzoek concreet omschrijft wat de corporatie in zijn externe verslaggeving moet opnemen op het gebied van financierings- en beleggingsbeleid.

4 4 Ten behoeve van de interne besluitvorming rond treasury is in een bijlage een voorbeeld treasurystatuut opgenomen dat volgens het Fonds bij verstandig gebruik een waarborg geeft voor een adequaat en concreet treasurybeleid, dat zich binnen de grenzen van inhoud en strekking van de regelgeving bevindt. Het rapport is vastgesteld in de vergadering van het bestuur van het Centraal Fonds van 23 oktober De algemene conclusies en aanbevelingen zijn verwerkt in de rapportage Financiële positie woningcorporaties en sector De rapportage is vervolgens integraal aangeboden aan de Staatssecretaris alsmede aan een aantal belanghebbenden als het Waarborgfonds Sociale Woningbouw, de financiers en accountantorganisaties. Daarnaast is het onderzoek integraal toegezonden aan de geënquêteerde corporaties. De uitkomsten van de met de corporaties en genoemde belanghebbenden gevoerde gesprekken zijn verwerkt in de nu voorliggende publicatie alsmede in de bij dit rapport horende begeleidende brief en de daarin opgenomen aanbevelingen. Deze publicatie van het Fonds is toegezonden aan alle corporaties, gemeenten en overige belanghebbenden in en bij de sociale huursector. De rapportage is integraal via de website verkrijgbaar. Het Fonds verwacht met deze publicatie een bijdrage te leveren aan de verbetering van het inzicht in het door corporaties in de toekomst te voeren treasurybeleid en de door hen af te leggen verantwoording in het kader van het interne en externe toezicht. Naarden, 1 februari 2002

5 AANLEIDING VAN HET ONDERZOEK 2. AANLEIDING VAN HET ONDERZOEK 2.1 Inleiding 5 In 2000 heeft het Centraal Fonds op verzoek van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer een onderzoek uitgevoerd om inzicht te krijgen in mogelijke bankiersactiviteiten van woningcorporaties. Aanleiding voor dit onderzoek was de politieke aandacht voor de financiële activiteiten van overheidsorganisaties, dan wel organisaties uit het maatschappelijk middenveld. De achtergrond van deze belangstelling is de overtuiging dat met de financiële middelen sober en controleerbaar moet worden omgegaan. In dat onderzoek, gebaseerd op de BBSH-verantwoording 1998, is tevens aandacht besteed aan het thema beleggingen (onder andere risico s en relatie met renterisicobeheer). Het rapport is eind 2000 aangeboden aan de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (zie bijlage 1). In zijn reactie heeft de Staatssecretaris ingestemd met de in het rapport gedane aanbevelingen. Een van de aanbevelingen was het verrichten van een nader onderzoek bij een aantal geselecteerde corporaties op basis van de verantwoordingsgegevens over 1999, eventueel aangevuld met nader opgevraagde gegevens. Reden hiervoor was dat de aanwezige informatie over 1998 onvoldoende gegevens bevatte om verantwoorde uitspraken te doen over het treasurybeleid van de betreffende corporaties. Gekoppeld aan de ervaring van een inadequate informatievoorziening bij de uitgevoerde quick scan, was een breder onderzoek gewenst naar de kwaliteit van de informatievoorziening rond treasury bij woningcorporaties. In dit hoofdstuk wordt een korte omschrijving gegeven van de financiële en juridische omgeving van de corporatie. Daarnaast wordt het bedrijfseconomisch kader weergegeven op grond waarvan het onderzoek mede is vormgegeven. 2.2 Financiële omgeving van de corporatie Met de invoering van het Besluit beheer sociale-huursector in 1993 is de verzelfstandiging van de sector vormgegeven en is er meer afstand tot de centrale overheid gecreëerd. De gedetailleerde voorschriften en rapportageplicht zijn vervangen door een regime van jaarverslaggeving conform het Burgerlijk Wetboek. Dit vergde een omschakeling binnen de sector, welke nog eens versneld werd door de brutering. De bruteringsoperatie in 1995 kenmerkte zich door het wegstrepen van nog uitstaande subsidieverplichtingen van het Rijk tegen de nog terug te betalen rijksleningen van de corporaties. Met de gehele operatie was ƒ 35 miljard gemoeid. Als gevolg van deze afrekening ineens is bij veel corporaties een overfinancieringpositie ontstaan. De corporaties kregen de toekomstige subsidies in éénmaal uitgekeerd, gesaldeerd met de verschuldigde rijksleningen. De bestaande kapitaalmarktleningen konden echter veelal niet vervroegd worden afgelost waardoor langlopende beleggingen ontstonden van aanzienlijke omvang. Met het vrijvallen van deze beleggingen kunnen in de toekomst de betreffende kapitaalmarktleningen (deels) worden afgelost. In verband met de bruteringsoperatie kwam de corporatiesector voor het eerst in de positie dat op grote schaal en vaak met een aanzienlijke omvang, middelen belegd moesten worden. Dit vergde het opbouwen van nieuwe kennis binnen de corporatie. In 1996 is een onderzoek verricht naar de aanwending van bruteringgelden door woningcorporaties, uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer door Arthur Andersen. Hieruit bleek onder meer dat de corporaties op dat moment hun bruteringgelden bijna altijd risicomijdend hebben aangewend. Een groot deel van de bruteringgelden was ingezet om hoogrentende leningen (vervroegd) af te lossen of was belegd in vastrentende waarden, welke weer liquide beschikbaar kwamen op het moment dat hoogrentende leningen afgelost dienden te worden. De corporaties hebben de bruteringgelden nauwelijks belegd in risicovolle beleggingsproducten. Als gevolg van de bruteringsoperatie zijn veel corporaties dus in zekere mate gedwongen tot het voor langere dan wel kortere tijd aanhouden van beleggingen bij gebrek aan mogelijkheden tot reductie van de langlopende schuld. Anderzijds is het op corporatieniveau de vraag of het altijd wenselijk is de bestaande overfinanciering op de kortst mogelijke termijn terug te brengen. Een mogelijk motief voor corporaties om dit (vooralsnog) niet te doen, is gelegen in het streven naar het beheersen van bovenmatige renterisico s. Hoewel de wijze van beleggen van de bruteringuitkeringen in het teken stond van renterisicobeheer, was veelal aanvullend beleid gewenst om nog resterende, bovenmatige renterisicopieken af te vlakken. In de periode 2002 tot 2006 is er een zeer groot herfinancieringvolume van hoogrentende kapitaalmarktleningen. Naast vervroegd aflossen met gelijktijdige herfinanciering en renteafspraken omtrent toekomstige contractuele renteconversies, is in de sector ook de lening/beleggingconstructie veelvuldig toegepast als middel om tot een betere spreiding van toekomstige renterisicovolumes te komen. Voorts wordt voor hetzelfde doel gebruik gemaakt van meer specifieke financiële (rente)instrumenten.

6 6 Naast de historische overfinanciering vanuit de brutering, die over de jaren afneemt met het vervallen van de kapitaalmarktleningen, is er in de afgelopen jaren een nieuwe bron van overfinanciering ontstaan. Door de toegenomen woningverkoop door corporaties werd in de periode een boekwinst gemaakt van ƒ 6,7 miljard. Bij de sturing van deze (bij veel corporaties aanzwellende) financiële stroom, doet zich de vraag voor op welke wijze deze vrijkomende middelen aan te wenden voor zover niet benodigd voor onrendabele investeringen. Dit kan onder andere ter afdekking van de in dat jaar aanwezige financieringsbehoeften of deze te beleggen met het doel een substantiële financieringsbehoefte in latere jaren te dekken en hiermee renterisico s te elimineren. Tevens kan het noodzakelijk zijn geoormerkte beleggingen aan te houden als de lening, behorend bij de verkochte woning, nog niet kan worden afgelost. Duidelijk is dat mede door de ontwikkelingen binnen de sector, op microniveau overfinancieringen toenemen c.q. langer blijven bestaan. Overigens wordt de overfinanciering van de sector in zeer belangrijke mate begrensd door de beperkingen die het Waarborgfonds Sociale Woningbouw oplegt aan haar deelnemende corporaties. Ultimo 2000 stond 90% van de corporaties als deelnemer bij het Waarborgfonds ingeschreven. In zowel de procedure tot het verkrijgen van WSW-borging bij nieuwe leningen als bij de jaarlijkse herbeoordeling, ziet het Waarborgfonds toe op ongewenste overfinancieringen. Op voorhand kan worden gesteld dat het overschrijden van het leningvolume ten opzichte van het investeringsvolume in woningen c.a., bij WSW-deelnemers in principe niet het geval kan zijn. WSW-deelnemers hebben wel de mogelijkheid interne financieringen om te zetten in externe financiering voor zover de leencapaciteit (boekwaarde van de woningcomplexen c.a.) toereikend is. Derhalve zijn corporaties in de gegeven omstandigheden vrij om een zeer groot deel van de aanwezige reserves en voorzieningen voor langere of kortere tijd extern te beleggen. Uit het voorgaande valt op te maken dat er meerdere motieven zijn voor corporaties om overtollige middelen te beleggen en langer aan te houden dan strikt noodzakelijk. Niet altijd is het minimaliseren van externe financiering de beste keuze vanuit een bredere financiële optiek en risicobeperking. Een interpretatie van de omstandigheden is vaak nodig om aan te kunnen geven of iets verstandig is of niet. 2.3 Wettelijk kader Regelgeving In het Besluit beheer sociale-huursector is ervoor gekozen om voor de financiële verslaggeving in grote lijnen het Burgerlijk Wetboek te volgen. Het Besluit beheer sociale-huursector kent daarnaast enkele specifieke bepalingen die van belang zijn bij de beoordeling van het beheer van de financiële middelen: Artikel 21 Lid 1: De toegelaten instelling voert een zodanig financieel beleid en beheer, dat het voortbestaan in financieel opzicht is gewaarborgd. Lid 2: De toegelaten instelling zet de middelen die zij niet dient aan te houden om te voldoen aan het eerste lid, in ten behoeve van de volkshuisvesting. Artikel 22 De toegelaten instelling bestemt batige saldi uitsluitend voor werkzaamheden op het gebied van de volkshuisvesting. In de artikelsgewijze toelichting bij artikel 21 staat: Dit artikel bevat een in algemene termen geformuleerde opdracht tot een verantwoord beleid en beheer op financieel gebied. Waar een toegelaten instelling hierbij de accenten dient te leggen valt niet in zijn algemeenheid te regelen. Vele bedrijfsprocessen zijn mede bepalend voor de financiële continuïteit. De toegelaten instelling zal dienen aan te geven, dat zij in het licht van deze bepaling de juiste keuzen heeft gemaakt inzake bijvoorbeeld investeringen, beleggingen en deelneming in andere rechtspersonen, en daarbij steeds haar liquiditeit, rentabiliteit en solvabiliteit mede heeft betrokken... Daarnaast werd op grond van MG door de toenmalige Staatssecretaris nader toegelicht dat gelet op de sociale taakstelling, de corporatie het ter beschikking staande maatschappelijke kapitaal solide dient te beheren volgens algemeen aanvaarde normen (goed rentmeesterschap).

7 Daarbij werd uitdrukkelijk aangegeven dat een zodanige interpretatie van de betreffende BBSH-regels en van de algemeen aanvaarde maatschappelijke normen, dat risicovolle beleggingen zijn toegestaan zolang de financiële continuïteit maar is gewaarborgd, niet juist is. Dat deze visie van de Staatssecretaris ook door de sector wordt gedeeld, blijkt uit de bedrijfstakcode, die in 1997 is ingevoerd. In de bedrijfstakcode voor woningcorporaties wordt ook aandacht geschonken aan het item beleggingen. Ten aanzien van het financieel beleid wordt onder meer vermeld dat corporaties renterisico s beperken en dat zij streven naar een maximaal rendement op beleggingen waarbij over de hoofdsom weinig risico wordt gelopen. Van de corporaties heeft 75% deze bedrijfstakcode ondertekend. 7 In de Nota Wonen is een passage gewijd aan het treasurybeleid van corporaties: Toezicht op de financiële continuïteit en de bedrijfsvoering vormt een belangrijk onderdeel van het takenpakket van de interne toezichthouder. Ter beperking van de financiële risico s, in het bijzonder ten aanzien van beleggen, zal een treasurystatuut verplicht worden gesteld. Investeringen worden bij voorkeur uit eigen middelen gefinancierd, bijvoorbeeld uit opbrengsten van verkoop. Uit dit citaat blijkt dat de aandacht voor de treasury ook vanuit beleidsmatig oogpunt onverminderd groot is. Het is voor de sector dan ook van groot belang, om vooruitlopend op de regelgeving, het beleid rond treasury kwalitatief goed invulling te geven. Kwaliteit verslaggeving In de regelgeving is op een aantal punten aangegeven welke inhoud het verslag moet hebben. Voor dit onderzoek naar de kwaliteit van de verslaggeving zijn de onderstaande onderdelen van artikel 26 Besluit beheer sociale-huursector van belang. Artikel 26, lid 2 De toegelaten instelling stelt jaarlijks een volkshuisvestingsverslag op, dat (onder meer) omvat: sub e: een uiteenzetting over het in het verslagjaar gevoerde beleid en beheer op financieel gebied, in welke uiteenzetting zij aannemelijk maakt, dat dit beleid en beheer voldoet aan de artikelen 21, 22 en 23, sub j: een overzicht van haar activiteiten in het verslagjaar op het gebied van beleggingen. Naast het Burgerlijk Wetboek en het Besluit beheer sociale-huursector bestaat er nog de door de Raad voor de Jaarverslaggeving (RJ) vastgestelde Richtlijn 645 Toegelaten instellingen volkshuisvesting, waarin ten behoeve van de eenvormigheid aanvullende richtlijnen zijn gesteld voor de verantwoording in het jaarverslag. Deze houden enkele specifieke bepalingen in ten aanzien van de grondslagen voor waarde- en resultaatbepaling inzake onder meer de financiële activa en de toelichting daarop. De algemeen geldende RJ-richtlijn 214 Financiële vaste activa is hierbij onverkort van kracht. Hierna volgt een opsomming van de belangrijkste bepalingen. Waardering effecten Als waarderingsgrondslag voor effecten komen in aanmerking de verkrijgingsprijs en de actuele waarde. Zijn de effecten op balansdatum naar verwachting duurzaam minder waard, dan dient tegen de lagere opbrengstwaarde/beurswaarde te worden gewaardeerd. Richtlijnen financiële instrumenten (derivaten) In principe is de RJ-richtlijn 290 van toepassing op de jaarrekeningen vanaf Indien in materiële betekenis aan de orde, kunnen deze (afgeleide) financiële instrumenten naar keuze in dan wel buiten de balans worden opgenomen. In beide gevallen dient een toelichting te worden opgenomen met omvang en aard van deze instrumenten, inclusief belangrijke contractuele bepalingen inzake bedrag, tijdstip en de mate van zekerheid van toekomstige kasstromen. Bovendien dienen de grondslagen voor waardering en resultaatbepaling te worden opgenomen, inclusief de criteria voor opname in de balans. De implementatie van een verdergaande ontwerprichtlijn (gebaseerd op IAS 39) waarbij de opname van de financiële derivaten in de balans evenals de bijbehorende voorschriften voor de waardering en de resultaatbepaling zijn geregeld, wordt binnenkort verwacht.

8 8 2.4 Bedrijfseconomische invalshoek Naast de financiële omgeving en het wettelijk kader kan ook vanuit een meer bedrijfseconomische invalshoek de activiteit op het gebied van beleggen en treasury worden bezien. De hiernavolgende benaderingswijze is voor het Fonds mede een kader geweest waarbinnen de activiteiten van corporaties op het gebied van treasury beoordeeld zijn. De kernactiviteit van een woningcorporatie is het aanbieden van woongenot, met name voor de doelgroep van beleid. Om dat te kunnen realiseren moet geïnvesteerd worden in woningen en die investeringen moeten gefinancierd worden. Het financieringsbeleid is derhalve een afgeleide taak van de kernactiviteit van de woningcorporatie. Vanuit deze kernactiviteit ligt het voor de hand om in eerste instantie investeringen met eventueel beschikbare interne middelen te financieren. Indien dit niet mogelijk is, moet een woningcorporatie overgaan op externe financiering. Ter ondersteuning hiervan is voor de sector een zekerheidsstructuur gecreëerd, die waarborgt dat corporaties tegen een lager dan gemiddeld rentetarief kunnen voorzien in hun externe financiering. Op diverse manieren kunnen corporaties (tijdelijk) meer middelen tot hun beschikking hebben dan ze direct nodig hebben voor hun kernactiviteit. Zo kunnen uit hoofde van de bedrijfsactiviteit van de corporatie tijdelijk overtollige middelen ontstaan. Indien er niet direct investeringsmogelijkheden zijn, kunnen deze middelen tijdelijk belegd worden om, gegeven een beperkt risicoprofiel van de beleggingen, een redelijk rendement te behalen. Als gevolg van de bruteringsoperatie is er een aantal corporaties dat ter afdekking van toekomstige exploitatietekorten aanzienlijke overtollige middelen heeft gekregen. Niet in alle gevallen is het mogelijk of financieel aantrekkelijk om met deze overtollige middelen bestaande leningen vervroegd af te lossen. Derhalve worden deze middelen dan op een zodanige wijze belegd dat de looptijd van de beleggingen afgestemd wordt met het moment dat de financieringen boetevrij kunnen worden afgelost. In die zin worden de beleggingen ook gebruikt om het renterisico van de corporatie te reduceren. Beleggen staat in deze context in beginsel ten dienste van het financieringsbeleid en het reduceren van de renterisico s. Indien een woningcorporatie op langere termijn overtollige middelen tot haar beschikking heeft, heeft de corporatie niet, zoals dat bij een onderneming met winstoogmerk wel eens gebeurt, de mogelijkheid om dividend uit te betalen of het kapitaal terug te storten aan de aandeelhouders. Het motief dat hierbij speelt is dat bij deze ondernemingen met winstoogmerk, het aanhouden van beleggingen in het algemeen minder rendement zal opleveren dan het rendement dat voortkomt uit de ondernemingsactiviteiten. Dit laatste geldt in het algemeen niet voor een woningcorporatie. Bij een corporatie zou het rendement met name gemeten moeten worden in termen van maatschappelijk rendement in plaats van financieel rendement. Om de overtollige middelen toch aan de kernactiviteit te besteden (zoals ook het Besluit beheer sociale-huursector voorschrijft), moet dan eerder gedacht worden aan expansie buiten de grenzen van de gemeente(n) waarin de corporatie al actief is of aan collegiale financiering. Veel corporaties hebben nog geen afgerond beeld van de herstructurerings- en transformatieopgaaf. Deze opgave legt een claim op de toekomstige beschikbaarheid van middelen en hiermee zou in het beleggingsbeleid rekening moeten worden gehouden, door de looptijden en de aard van de belegging daarmee af te stemmen. Deze bestedingen dienen echter wel plaats te vinden vanuit een verantwoord financieel beleid, gericht op financiële continuïteit. Indien wordt gekozen voor beleggen dient er binnen de corporatie een goede motivatie te zijn waarom overtollige middelen belegd worden in bedrijfsvreemde beleggingen en niet in investeringen in de volkshuisvesting. Deze argumentatie kan liggen in een toekomstige volkshuisvestelijke opgave, zoals bijvoorbeeld de herstructurering. De argumentatie van een aantal woningcorporaties dat als het rendement op beleggingen hoger is dan het (vaak negatieve) rendement op het leveren van woongenot, gekozen moet worden voor alternatieve dekking in combinatie met (extra) beleggingsrendement, houdt onvoldoende rekening met het maatschappelijk rendement. Beleggen in producten waarbij corporaties een hoofdsomrisico lopen, is niet gewenst. Dergelijke producten zijn alleen aanvaardbaar uit hoofde van een risicobenadering als de te beleggen hoeveelheid middelen omvangrijk genoeg zijn om te voldoen aan eisen van volatiliteit en de looptijd van de beleggingen circa 25 jaar is. Aan beide eisen kan een corporatie niet snel voldoen.

9 De vraag, die ook beantwoord moet worden, is of een woningcorporatie middelen mag aantrekken in tijden van lage renteniveaus en vervolgens beleggen tot de feitelijk optredende financieringsbehoefte met als doel van de lage actuele rente te kunnen profiteren en zodoende tevens de toekomstige renterisico s af te dekken. Indien een dergelijke beslissing past binnen het reguliere financieringsbeleid gebaseerd op bovenstaande uitgangspunten, zou dit geen probleem mogen zijn. Er dient dan wel zorgvuldig te worden afgewogen of het mogelijk lagere rendement op de belegging dan op de rentevoet van de aangetrokken financiering niet een te hoge prijs is voor het afdekken van het renterisico. Indien de rendementsverwachting op de belegging hoger is dan de rentevoet van de aangetrokken lening, is veelal ook sprake van een hoger risicoprofiel van de desbetreffende belegging. Er dient in dat geval afgewogen te worden of het afgedekte renterisico wel opweegt tegen het binnengehaalde risico van de belegging. Hoe dichterbij in de tijd het renterisico zich afspeelt, des te eerder zal deze afweging negatief uitvallen. Hogere risicoprofielen van beleggingen zijn immers alleen aanvaardbaar bij langere periodes van beschikbaar zijn van de overtollige middelen. Het treasurystatuut en de interne toezichthouders zullen duidelijke grenzen moeten aangeven waarbinnen deze afweging gemaakt moet worden om te voorkomen dat ongewenste risicoposities worden ingenomen, dan wel een corporatie de functie van belegger of bankier gaat vervullen. 9 Uit bovenstaande bedrijfseconomische benaderingswijze volgen de volgende te hanteren uitgangspunten voor beleggen door woningcorporaties: Bij financiering dienen zoveel mogelijk de intern beschikbare middelen te worden aangewend Bij het beleggen van tijdelijk overtollige middelen dient nadrukkelijk het financierings- en beleggingsbeleid te worden betrokken en de looptijd en risicoprofiel van de belegging dient hiermee te worden afgestemd In beginsel kunnen alleen op langere termijn (meer dan 5 jaar) tijdelijk overtollige middelen in niet-risicomijdende beleggingsproducten geïnvesteerd worden Het lopen van hoofdsomrisico s dient vermeden te worden Het aantrekken en tijdelijk beleggen van middelen om toekomstige renterisico s af te dekken, dient zorgvuldig afgewogen te worden tegen het verschil in rendement tussen financiering en belegging en/of het beleggingsrisico dat binnengehaald wordt.

10 3. EN WERKWIJZE VAN HET ONDERZOEK 3. DOEL EN WERKWIJZE VAN HET ONDERZOEK Doel van het onderzoek Als uitvloeisel van de aanbevelingen uit het voorgaande onderzoek heeft er een vervolgonderzoek plaatsgevonden naar een tweetal onderscheiden thema s. Algemene doelstelling bij de uitvoering van het onderzoek is te komen tot inzicht in en oordeel over het gevoerde financierings- en beleggingsbeleid, de kwaliteit van de beheersingsmaatregelen en de informatievoorziening en het doen van aanbevelingen hieromtrent om het toezicht op het treasurybeleid naar behoren uit te kunnen voeren. Het eerste deel betreft een onderzoek op basis van een a-selecte steekproef naar de kwaliteit en de effectiviteit van het beheersingsinstrumentarium inzake het treasurybeleid binnen de corporatie, onder andere gerelateerd aan het interne en externe toezicht. Het tweede deel van het onderzoek betreft de individuele onderzoeken naar het beleggingsbeleid van de corporaties met een verhoogd risicoprofiel, die ook voor wat betreft de BBSH-gegevens over 1998 zijn onderzocht. De selectie op basis van de jaarstukken over 1999 heeft op identieke wijze plaatsgevonden als de selectie over Dit heeft geleid tot de toevoeging van enkele corporaties voor dit deel van het vervolgonderzoek. Tevens heeft een quick scan plaatsgevonden voor de kleinere corporaties waarvan er ook enkele zijn toegevoegd aan het onderzoek. De opzet van het vervolgonderzoek is met het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, het Waarborgfonds Sociale Woningbouw en de Bank Nederlandse Gemeenten besproken. Allen konden zich vinden in de opzet. Het onderzoek is uitgevoerd door het Centraal Fonds Volkshuisvesting, ondersteund door Arthur Andersen Onderzoek beheersingsinstrumentarium Het doel van het eerste onderdeel van het vervolgonderzoek is het verkrijgen van inzicht omtrent de kwaliteit van het beheersingsinstrumentarium en de informatievoorziening op treasurygebied op basis van een a-selecte steekproef. Om een zekere spreiding te bewerkstelligen naar omvang van de te selecteren corporaties is de totale populatie van alle woningcorporaties in Nederland opgedeeld in drie groepen, te weten Klein, Middelgroot en Groot. Met behulp van het statistische softwareprogramma ACL is uit een lijst waarop alle corporaties in Nederland vermeld stonden, een a-selecte keuze gemaakt uit deze drie deelpopulaties van in totaal 54 woningcorporaties. Het aantal te selecteren corporaties is vastgesteld op 54 om een betrouwbaarheidspercentage van de resultaten van 95% te verkrijgen voor de totale populatie. Iedere corporatie binnen een groep had een gelijke kans om in de steekproef terecht te komen, ongeacht de grootte van de corporatie. Tabel 1 Steekproefgegevens op basis van gegevens 1999 Groep (aantal woningen) Aantal Geselecteerd Totaal (deel)populatie Meer dan Totaal De basis voor dit deel van het onderzoek bestond uit het beoordelen van de door de geselecteerde corporaties te verstrekken specifieke treasurydocumenten en -informatie, zoals het treasurystatuut, het treasuryjaarplan en de periodieke treasuryinformatievoorziening ten behoeve van bestuur en Raad van Toezicht. Van de 54 geselecteerde corporaties hebben 44 corporaties uiteindelijk de informatie aangeleverd. De overige 10 woningcorporaties hebben om redenen als het ontbreken van informatie (drie woningcorporaties), fusieverwikkelingen (vijf woningcorporaties) en geringe omvang (twee woningcorporaties) uiteindelijk niet meegedaan. Onder de 44 corporaties bevonden zich zes instanties die ook voor het tweede onderdeel van het onderzoek geselecteerd waren.

11 De verdeling van de 44 onderzochte corporaties naar grootte was als volgt: 11 Tabel 2 Geselecteerde corporaties onderzoek beheersingsinstrumentarium Groep (aantal woningen) Aantal Geselecteerd Totaal Populatie Meer dan Totaal Doordat in het onderzoek van de tien corporaties die niet meededen, geen specifieke informatie beschikbaar was, bestaat de kans dat de resultaten van dit onderzoek mogelijk iets positiever zijn uitgevallen, dan wanneer ze integraal waren meegewogen in het onderzoek. Uit een analyse van de jaarstukken van deze tien corporaties is niet gebleken dat de omvang en aard van de beleggingen aanleiding zouden kunnen zijn voor het niet deelnemen. De steekproeven zijn a-select getrokken met betrouwbaarheidspercentages van 75% (klein) en 90% (middelgroot en groot), hetgeen inhoudt dat met 75% respectievelijk 90% zekerheid gesteld kan worden dat de uitkomsten per grootteklasse betrouwbaar zijn. Op basis van deze uitgangspunten voor de steekproef worden de resultaten van dit onderzoek representatief geacht voor de totale populatie van corporaties. De resultaten van dit onderdeel van het onderzoek worden besproken in hoofdstuk Onderzoek corporaties met een mogelijk hoger dan gemiddeld risicoprofiel Het doel van het tweede onderdeel is om de corporaties met de indicatie van een hoger dan gemiddeld risicoprofiel nader te onderzoeken en het risicoprofiel van deze corporaties, met name ten aanzien van het beleggingsbeleid, nader vast te stellen. Als neveneffect wordt informatie over de kwaliteit van de aangeleverde informatie en/of het beheersingsinstrumentarium met betrekking tot treasury verkregen. Woningcorporaties werden betrokken in het tweede onderdeel van het onderzoek als zij voldeden aan een van de volgende criteria: Deelname aan het vorige onderzoek Hoge balanspost Financiële vaste activa en/of Effecten Hoge post Waardeveranderingen financiële vaste activa en effecten in de Winst- en Verliesrekening (meer dan ƒ 1 miljoen) Hoge post Opbrengsten financiële vaste activa en effecten (meer dan 10% van het gemiddelde saldo van de balanspost Financiële vaste activa en/of Effecten) Hoge renterisicovolumes (in de periode meer dan 50% van de leningenportefeuille cumulatief). De selectie is uitgevoerd op basis van de bij het Fonds aanwezige informatie. De in bestanden vastgelegde informatie is verkregen uit de BBSH-verantwoordingsstukken van de corporaties over het verslagjaar Deze selectie heeft tot een aantal van 25 corporaties geleid. De verdeling van de 25 onderzochte corporaties naar grootte was als volgt: Tabel 3 Geselecteerde corporaties onderzoek risicoprofiel Groep (aantal woningen) Aantal Geselecteerd Meer dan Totaal 25 Overigens zijn zes in het kader van dit deel van onderzoek betrokken corporaties ook geselecteerd bij de steekproef voor het eerste onderdeel van het onderzoek. De resultaten van dit onderdeel van het onderzoek worden besproken in hoofdstuk 5.

12 Werkwijze Het onderzoek van beide onderdelen heeft plaatsgevonden op basis van de BBSH-gegevens over 1999 door middel van desktop research op basis van een vragenlijst. Behalve de reeds bij het Fonds aanwezige gegevens uit de jaarrekening en het jaarverslag is ook aanvullende informatie bij de betreffende corporaties opgevraagd. Hierdoor kon de vragenlijst in vergelijking met het vorige onderzoek een stuk uitgebreider zijn en konden verdergaande conclusies worden getrokken. Aan de geselecteerde corporaties is gevraagd de volgende stukken aan het Fonds op te sturen in het kader van de onderzoeken: Financierings- en beleggingsplan 1999 Treasurystatuut 1999 Beschrijving van de Administratieve Organisatie (alleen met betrekking tot treasuryprocedures) Jaarplan en/of jaarbegroting Treasury 1999 Organigram van de afdelingen die betrokken zijn bij het treasurybeleid in ruime zin Overzicht ( conform artikel 26, lid 2 Besluit beheer sociale-huursector) van de financierings- en beleggingstransacties in 1999 ( indien aanwezig) Periodieke informatieverschaffing aan bestuur/directie en Raad van Toezicht/Raad van Commissarissen ten aanzien van beleggingen, financieringen, renterisico s en derivaten Verslag van bevindingen en managementletter 1999 van de accountant ten aanzien van treasury. Aan de corporaties die in het deelonderzoek beleggingen met een mogelijk hoger dan gemiddeld risicoprofiel participeerden, werd, indien nodig, per corporatie specifieke informatie opgevraagd. Zoals reeds aangegeven, heeft het merendeel van de corporaties gehoor gegeven aan het verzoek om deze informatie zo volledig mogelijk op te sturen. Verschil echter van desktop research ten opzichte van het bezoeken van woningcorporaties en het interviewen van betrokken personen is dat mogelijk sommige deelnemers niet in alle gevallen de juiste en volledige informatie hebben opgestuurd. Vandaar dat tijdens het onderzoek, indien er een vermoeden was dat stukken wel aanwezig waren, maar niet waren opgestuurd, door de onderzoeker contact is opgenomen met de woningcorporatie (bijvoorbeeld in het geval er uit het treasurystatuut bleek dat er wel sprake moest zijn van periodieke informatieverschaffing, terwijl die niet was meegestuurd). Een ander kenmerk van desktop review is dat de corporatie geen reactie kon geven op de individuele uitkomsten van het onderzoek. Om dit te ondervangen zijn bij het tweede onderzoeksonderdeel de voornaamste bevindingen van het individuele onderzoek schriftelijk teruggekoppeld aan de betrokken corporaties. Daarbij is de corporaties gevraagd hierop te reageren. Alhoewel de reacties zeker inhoudelijk waardevolle informatie voor het onderzoek hebben opgeleverd over de wijze waarop corporaties met hun treasurybeleid omgaan, waren de meningsverschillen over de weergave van de feiten zeer beperkt. De opgevraagde gegevens zijn beperkt tot 1999 omdat bij de start van het onderzoek in mei 2001 de gegevens over 2000, zoals het volkshuisvestingsverslag en de jaarrekening, niet voor het Fonds beschikbaar waren. Een aantal corporaties heeft aangegeven dat de situatie in 2000 en 2001 inmiddels (verder) verbeterd was. Dit is in beginsel in het onderzoek niet meegenomen. Wel is bij het onderzoek naar een mogelijk hoger dan gemiddeld risicoprofiel, bij de inschatting van het risicoprofiel van de betreffende corporaties, rekening gehouden met aangetoonde verbeteringen (bijvoorbeeld een geactualiseerd treasuryplan). Uiteraard verschillen de benamingen van de documenten per corporatie, alsmede de wijze waarop en de plaats waar zij hun treasuryuitgangspunten en -beleid hebben vastgelegd. Hier is tijdens het onderzoek flexibel mee omgegaan.

13 3.2.1 Vragenlijst 13 De vragenlijst (zie bijlage 2) die aan de hand van de door de woningcorporatie opgestuurde gegevens ingevuld diende te worden, bestond uit vijf onderdelen met de volgende onderwerpen: Financiering Belegging Renterisicobeheer AO/IC Rapportages Financiering Het eerste onderdeel, Financiering, had als doel inzicht te verkrijgen in de uitgangspunten van het financieringsbeleid van een corporatie, zoals deze zijn vastgelegd in het treasurystatuut en financieringsbeleid. Daarbij gaat het om de vraag of in het beleid al dan niet een afweging wordt gemaakt ten aanzien van intern of extern financieren en of hieraan in bijvoorbeeld het statuut randvoorwaarden zijn gesteld. Verder is nagegaan welke informatie bij deze afweging wordt betrokken (lange termijn meerjarenprognoses, renterisico s, streefniveaus ten aanzien van gemiddeld te realiseren rentepercentage) en of er bepaalde beheersingsmaatregelen bestaan bij het aantrekken van financieringen (aanvraag van offertes, keuze van financiers, gebruik van meerjarenprognoses, werkkapitaalbeheer). Belegging Het tweede onderdeel, Belegging, moest meer duidelijkheid verschaffen in het beleggingsbeleid van corporaties. Daarbij is nagegaan welke hoofddoelstellingen corporaties hanteren bij de invulling van het beleggingsbeleid en op welke wijze deze zijn vastgelegd in het treasurystatuut en/of beleggings- en financieringsbeleidsplan. In dit kader is nagegaan of in het treasurystatuut als doelstelling van het beleggingsbeleid is opgenomen of beleggingen slechts bij tijdelijk overtollige middelen aangehouden worden, of renterisico s hiermee worden beperkt en of beleggingen gefinancierd mogen worden met vreemd vermogen.tevens is nagegaan in hoeverre in het statuut geregeld is in welke mate risico s gelopen mogen worden met beleggingen (soort beleggingen, spreiding in de portefeuille, rendementsdoelstellingen, gebruik van creditratings, limieten). Daarnaast is bekeken welke bedragen er daadwerkelijk belegd waren en hoe de samenstelling van de beleggingsportefeuille was. Renterisicobeheer Het onderdeel Renterisicobeheer is toegevoegd om een beeld te geven krijgen of en hoe (al dan niet gebruik van rentederivaten) corporaties hun aflossings- en renteconversierisico s beheren, welke normen hierbij gebruikt worden en wat het werkelijke renterisico van de geselecteerde woningcorporaties is. Het vierde en vijfde onderdeel van de vragenlijst geven inzicht in de algemene beheersingsmaatregelen rondom het treasurybeleid. Administratieve organisatie/interne controle In het vierde onderdeel worden vragen gesteld aangaande de administratieve organisatie en de interne controle van de corporatie met betrekking tot treasury. Hierbij werd nagegaan of in de beschrijving van de administratieve organisatie apart aandacht is besteed aan procedures op het gebied van financieringen en beleggingen en of hierin aandacht wordt geschonken aan functiescheidingen, autorisatielimieten en dergelijke. Verder is nagegaan in hoeverre er bij de treasuryactiviteiten een treasurycommissie actief is en of daarbij externe deskundigheid wordt ingebracht. Ook is nagegaan of aan de externe accountant de opdracht is gegeven om expliciet de uitvoering van het treasurybeleid te toetsten. Rapportages In het vijfde onderdeel wordt ingegaan op de inhoud van de interne rapportages aan directie en interne toezichthouders zoals Raden van Commissarissen/Toezicht en aan de kwaliteit van de rapportage aangaande treasury in het jaarverslag (jaarrekening en volkshuisvestingsverslag) van de woningcorporatie. Hier is de inhoud van de treasuryrapportage, voor zover aanwezig, beoordeeld op onder andere de mogelijkheid om met deze informatie hoofddoelstellingen van het beleid te toetsen, om inzicht te krijgen in het risicoprofiel van de beleggingen, het rendement hierop, de gemiddelde rentevoet van de financieringen en het renterisico van de corporatie.

14 14 Een aparte vragenlijst is toegevoegd met als onderwerp Derivaten, waarbij aan de hand van een aantal vragen is nagegaan of derivaten worden gebruikt, onder welke voorwaarden en hoe hierover wordt gerapporteerd. De scores op deze vragen zijn toebedeeld aan de bovengenoemde vijf onderwerpen Waardering/weging van de beantwoording Aan iedere vraag is een aantal punten toegekend, waarbij sommige vragen meer gewicht krijgen op basis van de relevantie van de vraag voor het betreffende onderdeel. Op basis hiervan is inzicht verkregen hoe een individuele corporatie op de verschillende onderdelen scoort ten opzichte van de andere woningcorporaties. Het toekennen van wegingsfactoren aan vragen kent een onvermijdbaar subjectief aspect. Bij het toekennen van de wegingsfactoren is zo zorgvuldig mogelijk te werk gegaan en de scores zijn alleen gebruikt ter onderlinge vergelijking en inventarisatie. De volgende overwegingen zijn onder meer gehanteerd bij de gekozen waarderingen: Een treasurystatuut en/of treasurybeleidsplan moet een strak kader geven waarbinnen de treasury wordt vormgegeven met concrete doelstellingen die passen bij een toegelaten instelling en concrete limieten, streefniveaus en afspraken over interne en externe verantwoording. Concreet wordt dat ingevuld met de volgende drie doelstellingen: Alleen beleggen indien overtollige middelen niet op andere wijze kunnen worden aangewend in de bedrijfsvoering Beleggen moet passen binnen de doelstelling van het minimaliseren van de renterisico s Beleggingen gefinancierd met vreemd vermogen zijn niet toegestaan. Indien er niet belegd wordt, is het risicoprofiel in het algemeen lager ingeschaald Indien er in niet-risicomijdende effecten zoals aandelen, derivaten of vastrentende waarden met een credit rating van lager dan AA wordt belegd, is het risicoprofiel hoger ingeschaald (zie hieronder meer over de gehanteerde definitie van risicomijdende beleggingen) Beleggen in derivaten verhoogt het risicoprofiel en levert negatieve punten in de score op. Rentederivaten ter reducering van het renterisico daarentegen verlagen het risicoprofiel en leveren positieve punten op Relatief zwaar in de weging is de kwaliteit van de interne rapportage meegenomen ter beoordeling van de mate van beheersing van het treasurybeleid door zowel de uitvoerders als door de toezichthouders. Op basis van bovenstaande waarderingen en wegingsfactoren is hieronder een overzicht opgenomen van de range waarbinnen de corporaties kunnen scoren. Daarbij is onderscheid gemaakt naar de minimale en maximale score per onderdeel voor de beleggende en niet-beleggende corporatie. Tabel 4 Scorerange Onderwerp Scorerange Beleggende corporatie Scorerange Niet-beleggende corporatie Financiering (3)-17 (3)-17 Belegging (19)-19 (9)-29 Renterisicobeheer (3)-20 (3)-20 AO/IC Rapportages Totaal (25)-116 (6)-135 De getallen tussen haakjes zijn negatieve getallen Zoals gebleken is op basis van een aantal reacties van corporaties uit het tweede onderzoeksonderdeel, vraagt de definitie van niet-risicomijdend beleggen om nadere toelichting. De categorie effecten die onder niet-risicomijdend valt, kent een zeer grote diversiteit aan risicoprofielen van obligaties van solide ondernemingen tot risicovolle varianten van derivaten. In het kader van het onderzoek moest echter een grens getrokken worden en is gekozen voor de volgende definitie van risicomijdende beleggingen.

15 Risicomijdende beleggingen zijn beleggingen in vastrentende waarden aangehouden in Nederlandse guldens of Euro s en het een vordering betreft op: een in een lidstaat van de Europese Unie gevestigde kredietinstelling, de overheid en/of een derde onder garantie van de overheid. Bij een belegging bij een kredietinstelling moet er sprake zijn van minimaal een A(single)-rating van een erkend ratingbureau. Bij deze grens loopt de corporatie als belegger nagenoeg geen enkel risico over de hoofdsom. Als een corporatie niet risicomijdend belegt, betekent dat dus niet meteen dat de corporatie per definitie grote beleggingsrisico s loopt. 15

16 4. VAN DE BEHEERSINGSMAATREGELEN 4. KWALITEIT VAN DE BEHEERSINGSMAATREGELEN Inleiding Het beeld dat ontstaat bij een eerste oppervlakkige bestudering van de opgeleverde informatie is positief. De meeste corporaties waren in staat de gevraagde informatie binnen een redelijke termijn op te leveren. Het financierings- en beleggingsbeleid is bij de meeste corporaties vastgelegd in een door de Raad van Toezicht of Raad van Commissarissen goedgekeurd treasurystatuut en/of treasurybeleidsplan en de meeste woningcorporaties beschikten over administratieve organisatiebeschrijvingen aangaande treasury. Wel is bij grotere corporaties het treasurystatuut vaker aanwezig dan bij de kleinere corporaties. In tegenstelling tot de bevindingen van het onderzoek uit is het treasurystatuut nu ook bij een meerderheid van de kleine corporaties aanwezig (in 1996 bij 30%) en liggen zowel bij kleine als grote woningcorporaties de administratieve organisatiebeschrijvingen bij de meeste woningcorporaties vast (in 1996 bij minder dan de helft). In totaal beschikt 75% van de corporaties over een treasurystatuut. 4.2 Bevindingen Financiering Zoals in de voorgaande hoofdstukken is aangegeven, ligt het voor de hand dat een van de uitgangspunten van het financieringsbeleid is, dat eerst gekeken wordt naar de mogelijkheden van interne financiering. Een kleine meerderheid van 52% van de corporaties heeft dat ook daadwerkelijk als een van de doelstellingen in het statuut of beleidsplan opgenomen. Het overgrote deel (80%) maakt gebruik van liquiditeitsprognoses op lange en op korte termijn als uitgangspunt van het financieringsbeleid. Minder aandacht krijgt het werkkapitaalbeheer in het statuut of treasurybeleidsplan: een kleine meerderheid (52%) kent een current ratio tussen de 0,5 en 1,5. Hierbij moet worden aangetekend dat current ratio s momentopnames zijn, die aanzienlijk kunnen fluctueren, onder andere als gevolg van verplichtingen bij materiële vaste activa in ontwikkeling. Gemiddeld bedroeg de current ratio 1,19 2. Financiering met kort geld is de laatste jaren in populariteit toegenomen als gevolg van een lagere rentevoet dan die voor lange termijn financiering. Kort geld verhoogt echter het renterisico. In veel treasurystatuten en treasurybeleidsplannen ontbreekt het aan concrete uitgangspunten en richtlijnen waarom, wanneer en hoeveel met kort geld gefinancierd mag worden. Limieten voor kort geld financiering worden door slechts 7% van de corporaties gebruikt. Overigens valt in praktijk het gebruik van kort geld financiering mee, aangezien slechts bij 5% van de woningcorporaties de kort geld financiering meer dan 7,5% van de totale financiering bedroeg. Hierbij is ervan uitgegaan dat de corporaties hun kortlopende deel op de juiste wijze in hun balans per 31 december 1999 hebben geclassificeerd. Figuur 1: Scores Financieringsbeleid 80% 80% 60% 40% 20% 52% 7% 34% Interne financiering Liquiditeitsprognoses Norm voor kort geld Streefcijfers renteniveau 0% 1 Het onderzoek Aanwending bruteringsgelden woningcorporaties van Arthur Andersen Real Estate Services in opdracht van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in december De laagst geconstateerde ratio was 0,02, de hoogste 8,58. De standaarddeviatie was 1,54.

17 Ook op andere onderdelen ontbreken concrete doelen, normen en limieten in een groot deel van de treasurystatuten en - beleidsplannen. Streefcijfers voor gemiddelde renteniveaus wordt door 34% van de woningcorporaties vastgesteld en een minderheid van 34% kent de verplichting om meerdere offertes aan te vragen bij aanbieders van financiering. Hoewel in praktijk de meeste woningcorporaties hun leningen trachten te borgen bij het Waarborgfonds Sociale Woningbouw, heeft een kleine meerderheid van 57% het streven naar WSW-borging als vereiste in het statuut opgenomen Belegging Bij het beoordelen van het beleggingsbeleid is uitgegaan van de volgende doelstellingen die een logisch uitgangspunt zijn van een prudent treasurybeleid voor woningcorporaties: Alleen beleggen indien overtollige middelen niet op andere wijze kunnen worden aangewend in de bedrijfsvoering Beleggen moet passen binnen de doelstelling van het minimaliseren van de renterisico s Beleggingen gefinancierd met vreemd vermogen zijn niet toegestaan. In de meeste treasurystatuten komt het beleggingsbeleid weliswaar ruimschoots aan bod, maar de meeste woningcorporaties hebben niet alle drie van de bovengenoemde doelstellingen in hun treasurystatuut staan. De corporaties scoren 53% van de maximaal te behalen punten hierop. Voor de meeste woningcorporaties (80%) vormt een meerjarige kasstroomanalyse het uitgangspunt voor het beleggingsbeleid. De looptijd van de beleggingen wordt door tweederde van de corporaties afgestemd met de financieringsportefeuille en de renterisico s. De meeste statuten staan beleggen in niet-risicomijdende beleggingen niet toe (61%). De minderheid die het wel toestaat, geeft niet altijd normen of limieten met betrekking tot het percentage van beleggingen in aandelen en andere risicovolle beleggingen ten opzichte van de totale beleggingsportefeuille (door 53% van deze minderheid wel genoemd), spreiding over beleggingsfondsen/ bedrijfstakken (door 67% van deze minderheid wel genoemd), gebruik van credit ratings (door 40% van deze minderheid wel genoemd). Streefniveaus voor de te behalen rendementen worden slechts door 18% van de corporaties vastgesteld, voor de deels niet-risicomijdend beleggende corporaties is dat percentage 20%. Figuur 2: Scores Beleggingsbeleid 80% 60% 40% 20% 53% 64% 20% Beleggingsdoelstellingen Beleggingen Beleggingen in aandelen 0% Een meerderheid van 64% had per 31 december 1999 beleggingen op de balans staan. Een minderheid (39%) staat toe dat deze middelen ook deels niet-risicomijdend belegd worden en had ook daadwerkelijk een vorm van een niet-risicomijdende belegging op de balans staan. Van de onderzochte corporaties belegt 20% een deel van hun overtollige middelen in aandelen. Wat hierbij vaak onduidelijk blijft, is hoe de corporaties de afweging hebben gemaakt tussen het risicoprofiel en de termijn van de gekozen belegging in relatie met het financieringsbeleid, het investeringsbeleid en de kernactiviteiten van de corporatie. Verschillende corporaties die beleggen in aandelen, doen dat via externe vermogensbeheerders.

18 18 Daarbij wordt, vaak in overleg met de vermogensbeheerder, een bepaalde spreiding aangebracht in de beleggingen en worden bepaalde minimale credit ratings voorgeschreven ten aanzien van de ondernemingen waarin mag worden belegd. Er was één corporatie die belegde in derivaten (niet ter afdekking van beleggingsrisico s). Er is geen gebruik van ongedekte geschreven derivaten geconstateerd, hoewel 36% van de corporaties dat niet expliciet verbiedt in het treasurystatuut. De gemiddelde (niet gewogen) samenstelling van de beleggingsportefeuilles ultimo 1999 van de onderzochte corporaties, naar omvang en percentage van het balanstotaal kan als volgt worden gespecificeerd. In geval een woningcorporatie nietrisicomijdend belegt, betekent dat overigens niet meteen dat de woningcorporatie per definitie grote beleggingsrisico s loopt. Tabel 5 Samenstelling van beleggingsportefeuille naar omvang Belegging Klein Middelgroot Groot Totaal Aandelen 0,6% 4,0% 11,9% 6,0% Overig niet-riscomijdend 0,8% 4,9% 10,7% 6,0% Risicomijdend 98,6% 91,1% 77,4% 88,0% Tabel 6 Gemiddelde omvang beleggingen in percentage van het balanstotaal (niet gewogen) Belegging Klein Middelgroot Groot Totaal Aandelen 0,0% 0,1% 1,8% 0,7% Overig niet-riscomijdend 0,3% 0,3% 0,4% 0,3% Risicomijdend 7,2% 3,5% 8,7% 6,6% Renterisicobeheer Een duidelijke meerderheid van de woningcorporaties kent als hoofddoelstelling van renterisicobeheer het matchen van de jaarlijkse kasstromen (68%). Dit blijkt ook uit de meerjarenprognoses. Verder geeft 75% aan dat bij de beoordeling van de renterisico s rekening wordt gehouden met toekomstige kasstromen uit vrijvallende beleggingen en operationele activiteiten. Verder is bij 73% van de corporaties een richtlijn van kracht waarin een relatie wordt gelegd met de rentevisie en het afdekken van de lopende renterisico s. In praktijk maakt een kleine minderheid van 9% gebruik van rentederivaattoepassingen. Figuur 3: Scores Renterisicobeheer 80% 60% 40% 20% 68% 75% 9% 55% Matchen kasstromen Toekomstige kasstromen Toepassing rentederivaat Hantering renterisicolimiet 0% De normen en limieten in de treasurystatuten en beleidsplannen zijn ook op het gebied van renterisicobeheer slechts bij een kleine meerderheid geformuleerd. Van de woningcorporaties hanteert 55% een renterisicolimiet (in alle gevallen 15% of lager 3 ). In minstens één van de jaren tussen 2001 en 2004 kent 57% van de corporaties volgens eigen opgave een renterisico van 15% of meer. Overigens heeft een groot aantal woningcorporaties hier tegenover beleggingen staan die in dezelfde tijd vrijvallen. In de berekening van het renterisicopercentage is hier geen rekening mee gehouden, omdat rapportages vaak onvoldoende inzicht gaven in de vervalkalender van de beleggingen. 3 De norm van 15% is gekozen om aan te sluiten bij de normen zoals het Waarborgfonds Sociale Woningbouw die hanteert.

19 Door de achterblijvende kwaliteit van de verslaggeving is niet eenduidig vast te stellen wat de daadwerkelijke hoogte is van het renterisico in enig jaar. Limieten met betrekking tot het toepassen van rentederivaten (in soort, bedrag of percentage) zijn in 25% van de statuten opgenomen Administratieve organisatie en interne controle (AO/IC) De administratieve organisatie en interne controle is bij de meeste corporaties van redelijk niveau. In 80% van de gevallen zijn er procedurebeschrijvingen vastgelegd en bij 59% blijkt uit deze beschrijving dat er functiescheiding bestaat tussen tenminste de uitvoerende en de autoriserende functie. Hierbij valt op dat er nauwelijks correlatie te ontdekken is tussen de grootte van de corporatie en de aanwezigheid van de functiescheidingen. In het algemeen besteden de AO/IC-beschrijvingen meer aandacht aan beleggingen dan aan financieringen en scoren de grotere corporaties iets beter op het gebied van AO/IC dan de kleinere. De betrokkenheid van de directie bij het treasurybeleid is bij de meeste corporaties groot. De directie autoriseert bij 64% van de corporaties alle transacties met derivaten en met risicovolle beleggingen. Slechts 34% van de corporaties heeft transactielimieten vastgelegd. Figuur 4: Scores AO/IC 80% 80% 59% 60% 40% 20% 50% 52% 25% Procedurebeschrijvingen Functiescheiding Treasurycommissie Rapportage externe accountant Interne controlefunctie 0% 50% van de corporaties heeft een treasurycommissie ingesteld. Dit komt vaker bij de grotere corporaties voor dan bij de kleinere. Verder schakelt 36% een externe onafhankelijke treasury-adviseur in (hier vallen bankiers en vermogensbeheerders niet onder). Een aantal in niet-risicomijdende beleggingen investerende corporaties maakt gebruik van een professionele vermogensbeheerder. Hoewel de belangrijkste zaken goed geregeld worden in een door de vermogensbeheerder opgesteld en door beide partijen ondertekend contract, valt op dat de treasurystatuten en AO/IC-beschrijvingen bij deze corporaties geen of weinig aandacht besteden aan de beheersingsmaatregelen rondom deze uitbesteding (zoals bijvoorbeeld wie controleert of de vermogensbeheerder het treasurystatuut en de gegeven mandaten naleeft). De interne controlefunctie is minder goed ontwikkeld. Een kwart van de corporaties kent op basis van de AO/IC-beschrijving/treasurystatuut buiten de uitvoerende en registrerende functie nog een aparte controlerende functie. Bij 16% van de woningcorporaties zijn er daadwerkelijk specifieke controlehandelingen vastgelegd in het treasurystatuut of in AO/ICbeschrijvingen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat voor kleine corporaties het bedrijfseconomisch vaak niet haalbaar is om een aparte interne controlefunctie te creëren. Grotere corporaties hadden dan ook vaker een aparte interne controlefunctie dan kleinere (positieve correlatie van 0,44). Indien de interne controle niet sterk ontwikkeld is, is het interessant te weten of de externe accountant extra aandacht besteedt aan de treasury. Bij 52% rapporteerde de externe accountant aan de directie en de Raad van Commissarissen/ Toezicht over het treasurybeleid. Uit het onderzoek is overigens niet duidelijk geworden of de accountant in deze gevallen opdracht heeft gekregen om expliciet ook over het treasurybeleid te rapporteren.

20 Rapportages Hoewel 80% van de corporaties beschikt over interne rapportages, kan de inhoud ervan over het algemeen verbeterd worden. Over de beleggingen wordt nog het meest gerapporteerd: 50% van de rapportages is toetsbaar aan de beleggingsdoelstellingen zoals geformuleerd in het treasurystatuut en de treasurybeleidsplannen. Toetsbaar aan financieringsdoelstellingen en renterisicobeheerdoelstellingen is 45% respectievelijk 34% van de rapportages. Figuur 5: Aanwezigheid treasuryrapportages 80% 80% 64% 60% 43% 40% 20% 0% Interne rapportages Rapportage aan Raad van Toezicht Beleggingssamenstellingoverzicht BBSH De inhoud van de treasuryrapportages is vaak beperkt, met name met betrekking tot het financieringsbeleid. Zo rapporteert 57% niet over het gemiddeld gerealiseerde rentepercentage en 59% niet over de aflossingsverplichtingen op korte termijn. De helft van de corporaties rapporteert niet over de samenstelling van de beleggingsportefeuille, een meerderheid doet dit ook niet over de mutaties in de beleggingsportefeuille (55%) en niet over het rendement/koersresultaat (57%). Indien er gebruik gemaakt wordt van derivaten, wordt dit wel in de meeste (maar niet alle) gevallen in de interne rapportage vermeld. Er zijn ook gevallen geconstateerd waarbij uit de interne rapportages bleek dat er gebruik werd gemaakt van derivaten per 31 december 1999, maar waarbij dit niet in de jaarrekening werd toegelicht. Andere onderwerpen die vaak ontbraken in de rapportages, waren de match tussen begroting, prognose en realisatie (75%) en de motivering waarom bepaalde treasurytransacties waren gepleegd. Verder werd met betrekking tot de interne rapportages door een minderheid (43%) aangegeven dat deze ook (gedeeltelijk of in andere vorm) aan de Raad van Toezicht werden verstrekt. De meeste corporaties rapporteren in hun volkshuisvestingsverslag of jaarrekening over hun treasurybeleid en in de meeste gevallen is daaruit te achterhalen wat de algemene samenstelling was van de beleggingsportefeuille. Wel ontbreekt vaak de specificatie van een post aandelen of een post fondsen en een toelichting, zodat het risicoprofiel (koersrisico en debiteurenrisico) voor de lezer niet is vast te stellen. Soms wordt bij het gebruik van externe vermogensbeheerders volstaan met een opgave van het bedrag dat is ondergebracht bij de betreffende beheerders, zonder dat daarmee inzicht wordt gegeven over het risicoprofiel van de bij beheerders ondergebrachte middelen.

Versie 2013-08. TREASURYSTATUUT Stichting Woontij

Versie 2013-08. TREASURYSTATUUT Stichting Woontij Versie 2013-08 TREASURYSTATUUT Stichting Woontij 1. Inleiding Een groot deel van de kosten bij een wooncorporatie bestaat uit rente. Richtlijnen ten aanzien van financieren en beleggen zijn belangrijk.

Nadere informatie

Naarden, september 2000 RAPPORTAGE CFV-ONDERZOEK BANKIEREN BIJ TOEGELATEN INSTELLINGEN

Naarden, september 2000 RAPPORTAGE CFV-ONDERZOEK BANKIEREN BIJ TOEGELATEN INSTELLINGEN Naarden, september 2000 RAPPORTAGE CFV-ONDERZOEK BANKIEREN BIJ TOEGELATEN INSTELLINGEN RAPPORTAGE CFV-ONDERZOEK BANKIEREN BIJ TOEGELATEN INSTELLINGEN INHOUDSOPGAVE 1. Samenvatting en conclusies... 3 2.

Nadere informatie

Global Opportunities (GO) Capital Asset Management BV gevestigd te AMSTERDAM. Rapport inzake de jaarrekening 2013

Global Opportunities (GO) Capital Asset Management BV gevestigd te AMSTERDAM. Rapport inzake de jaarrekening 2013 Global Opportunities (GO) Capital Asset Management BV gevestigd te AMSTERDAM Rapport inzake de jaarrekening 2013 Inhoudsopgave Pagina Opdracht 1 Algemeen 1 Resultaten 1 Financiële positie 2 Kengetallen

Nadere informatie

Global Opportunities (GO) Capital Asset Management BV gevestigd te AMSTERDAM. Rapport inzake de jaarrekening 2014

Global Opportunities (GO) Capital Asset Management BV gevestigd te AMSTERDAM. Rapport inzake de jaarrekening 2014 Global Opportunities (GO) Capital Asset Management BV gevestigd te AMSTERDAM Rapport inzake de jaarrekening 2014 Inhoudsopgave Pagina Opdracht 1 Algemeen 1 Resultaten 1 Financiële positie 2 Kengetallen

Nadere informatie

Met deze beleidsregels wordt bijgedragen aan het risicogerichte externe toezicht op de toegelaten instellingen.

Met deze beleidsregels wordt bijgedragen aan het risicogerichte externe toezicht op de toegelaten instellingen. Toelichting Beleidsregels verantwoord beleggen door toegelaten instellingen volkshuisvesting Inleiding Met deze beleidsregels wordt nadere invulling gegeven aan de normen inzake beleggingsactiviteiten

Nadere informatie

Treasurystatuut. Stichting Proloog

Treasurystatuut. Stichting Proloog Treasurystatuut Stichting Proloog Vastgesteld door het bestuur van de Stichting Proloog d.d. 29 september 2009 INHOUDSOPGAVE 1. INLEIDING 1.1 Verantwoording 1.2 Indeling Treasurystatuut 2. DOELSTELLING

Nadere informatie

TREASURY EN BELEGGINGSSTATUUT Stichting Woontij

TREASURY EN BELEGGINGSSTATUUT Stichting Woontij TREASURY EN BELEGGINGSSTATUUT Stichting Woontij Versie 2015-06 1. Inleiding Een groot deel van de kosten bij een wooncorporatie bestaat uit rente. Richtlijnen ten aanzien van financieren en beleggen zijn

Nadere informatie

Treasurystatuut voor de Veiligheidsregio Utrecht

Treasurystatuut voor de Veiligheidsregio Utrecht Treasurystatuut voor de Veiligheidsregio Utrecht Versie: AB VRU 21 juni 2010 INHOUDSOPGAVE 1. Inleiding 2 Algemeen 2 Wettelijke voorschriften 2 Opbouw statuut 2 2. Uitgangspunten en doelstellingen 3 Uitgangspunten

Nadere informatie

ONDERWIJSSTICHTING KEMPENKIND EERSEL

ONDERWIJSSTICHTING KEMPENKIND EERSEL TREASURYSTATUUT ONDERWIJSSTICHTING KEMPENKIND EERSEL 1 INHOUDSOPGAVE 1. Doelstelling 3 2. Treasurybeleid 3 2.1. Uitgangspunten 3 2.2. Doelstellingen 4 2.3. Treasury instrumenten. 4 3. Organisatie en bevoegdheden

Nadere informatie

Onderstaande tabel geeft het verloop weer van onze huidige langlopende geldleningen.

Onderstaande tabel geeft het verloop weer van onze huidige langlopende geldleningen. 4 Financiering Het doel van deze paragraaf is om de raad beter te informeren omtrent het treasurybeleid en de beheersing van financiële risico s. De treasuryfunctie ondersteunt de uitvoering van de programma's

Nadere informatie

Nummer 0,2 Versie 1 Datum 12-05-2014 Besluitvormingscyclus 5 Proceseigenaar E. Leenders Evaluatiemoment Mei 2015. Treasury statuut.

Nummer 0,2 Versie 1 Datum 12-05-2014 Besluitvormingscyclus 5 Proceseigenaar E. Leenders Evaluatiemoment Mei 2015. Treasury statuut. Nummer 0,2 Versie 1 Datum 12-05-2014 Besluitvormingscyclus 5 Proceseigenaar E. Leenders Evaluatiemoment Mei 2015 Treasury statuut Pagina 1 van 7 INHOUDSOPGAVE 1. INLEIDING... 3 1.1 Verantwoording... 3

Nadere informatie

Versie Wijzigingen Status

Versie Wijzigingen Status Treasury Statuut Versie Wijzigingen Status versie 2.0 Goedgekeurd RvT 9 oktober 2015 Vastgesteld RvB 12 oktober 2015 Inhoudsopgave 1. INLEIDING 3 2. DOELSTELLINGEN EN KADERS TREASURY 3 3. TREASURY OPBOUW

Nadere informatie

Treasurystatuut Stichting Openbare Scholengroep Vlaardingen Schiedam (OSVS)

Treasurystatuut Stichting Openbare Scholengroep Vlaardingen Schiedam (OSVS) Treasurystatuut Stichting Openbare Scholengroep Vlaardingen Schiedam (OSVS) Treasurystatuut Stichting Openbare Scholengroep Vlaardingen Schiedam vs. 1.2 28 november 2013 pagina 1 van13 Inhoudsopgave 1.

Nadere informatie

Steunstichting SBWU. Boekjaar 2014. Steunstichting SBWU Utrecht. 2 april 2015

Steunstichting SBWU. Boekjaar 2014. Steunstichting SBWU Utrecht. 2 april 2015 Steunstichting SBWU Boekjaar 2014 Steunstichting SBWU Utrecht 2 april 2015 Inhoud Blad Jaarrekeningverslag over boekjaar 2014 3 Jaarrekening 2014 4 Balans per 31 december 2014 5 Winst-en verliesrekening

Nadere informatie

De inschatting van de kans op eventuele wanbetalingen bij toekomstige rente- en aflossingsbetalingen op schuldpapier; Renterisico

De inschatting van de kans op eventuele wanbetalingen bij toekomstige rente- en aflossingsbetalingen op schuldpapier; Renterisico Agendapunt 05 Bijlage 08 TREASURYSTATUUT I Begripsbepalingen Artikel 1 In dit statuut wordt verstaan onder: Derivaten Financiële instrumenten die hun bestaan ontlenen aan een bepaalde onderliggende waarde.

Nadere informatie

BEGROTING 2014. Paragraaf Financiering

BEGROTING 2014. Paragraaf Financiering BEGROTING 2014 Paragraaf Financiering Ambtelijke programmamanager Afdelingshoofd Bedrijfsvoering Inleiding In de BBV 2004 (Besluit Beheer en Verantwoording Provincies en gemeenten) is een paragraaf financiering

Nadere informatie

Treasury- en beleggingsstatuut

Treasury- en beleggingsstatuut Treasury- en beleggingsstatuut It Fryske Gea It Fryske Gea heeft als doel: bescherming, behoud en ontwikkeling van natuur en landschap en de bescherming van cultuurhistorische waarden in Fryslân. De vereniging

Nadere informatie

Treasury reglement. 4 juni 2014. 1 van 5

Treasury reglement. 4 juni 2014. 1 van 5 Treasury reglement 4 juni 2014 1 van 5 01. Inleiding In het licht van de Code Goed Bestuur Publieke Dienstverleners heeft Spaarnelanden een Treasuryreglement opgesteld. Dit reglement de stelt de aandeelhouder

Nadere informatie

In het statuut worden afspraken over onderwerpen als beheersing van rentekosten en -risico's, financierings- en beleggingsvraagstukken vastgelegd.

In het statuut worden afspraken over onderwerpen als beheersing van rentekosten en -risico's, financierings- en beleggingsvraagstukken vastgelegd. Treasurystatuut Dynamiek Scholengroep 1. Verantwoording Scholen/schoolbesturen krijgen jaarlijks een bedrag waaruit alle kosten moeten worden gedekt en waarmee waarborgen voor 'bedrijfsvoering' op langere

Nadere informatie

Datum 27 november 2009 Betreft Oordeelsbrief 2009. Geacht bestuur,

Datum 27 november 2009 Betreft Oordeelsbrief 2009. Geacht bestuur, L0705 Veenendaalse Woningstichting t.a.v. het bestuur Postbus 168 3900 AD VEENENDAAL Rijnstraat 8 Postbus 30941 2500 GX Den Haag www.vrom.nl Datum 27 november 2009 Betreft Oordeelsbrief 2009 Geacht bestuur,

Nadere informatie

Voorwoord. De manier waarop deze plaats vindt is in dit treasurystatuut vastgelegd. Wezep, april 2010. VPCPO De Akker Treasurystatuut 2

Voorwoord. De manier waarop deze plaats vindt is in dit treasurystatuut vastgelegd. Wezep, april 2010. VPCPO De Akker Treasurystatuut 2 Treasurystatuut Vereniging voor Protestants Christelijk Primair Onderwijs in de gemeente Oldebroek eo. De Akker Postbus 7 8090 AA Wezep T 038 3763118 E info@vpcpodeakker.nl W www.schoolverenigingdeakker.nl

Nadere informatie

TRIODOS CUSTODY BV Jaarverslag 2012

TRIODOS CUSTODY BV Jaarverslag 2012 1 TRIODOS CUSTODY BV Jaarverslag 2012 INHOUDSOPGAVE Directieverslag 3 Jaarrekening 2012 Balans per 31 december 2012 4 Winst- en verliesrekening over 2012 5 Toelichting op de balans en de winst- en verliesrekening

Nadere informatie

Halfjaarbericht 2015. Bright LifeCycle Fonds

Halfjaarbericht 2015. Bright LifeCycle Fonds Halfjaarbericht 2015 Bright LifeCycle Fonds Periode: 19 december 2014 tot en met 30 juni 2015 Inhoudsopgave HALFJAARBERICHT BRIGHT LIFECYCLE FONDS... 3 BALANS PER 30 JUNI 2015... 3 WINST- EN VERLIESREKENING

Nadere informatie

TRIODOS CUSTODY BV Jaarverslag 2013

TRIODOS CUSTODY BV Jaarverslag 2013 1 TRIODOS CUSTODY BV Jaarverslag 2013 INHOUDSOPGAVE Directieverslag 3 Jaarrekening 2013 Balans per 31 december 2013 4 Winst- en verliesrekening over 2013 5 Toelichting op de balans en de winst- en verliesrekening

Nadere informatie

Uitgangspunten Het treasurybeleid van de Stichting maakt deel uit van het financiële beleid van de Stichting.

Uitgangspunten Het treasurybeleid van de Stichting maakt deel uit van het financiële beleid van de Stichting. Treasury Statuut Inleiding Algemeen Treasury is het sturen en beheersen van, het verantwoorden over en het toezicht houden op de financiële vermogenswaarden, de financiële stromen, de financiële posities

Nadere informatie

Werkveld Datum Instemming/Advies GMR Vastgesteld RvT

Werkveld Datum Instemming/Advies GMR Vastgesteld RvT 4.1 Werkveld Datum Instemming/Advies GMR Vastgesteld RvT Financiën nvt 15 december 2010 4.1 Treasurystatuut Financiën/Treasurystatuut Inhoudsopgave 1. Inleiding 3 1.1. Verantwoording 3 2. Doelstelling

Nadere informatie

Stichting Platform Centrummanagement Zeist Steynlaan 45 3701 EB Zeist JAARREKENING 2009

Stichting Platform Centrummanagement Zeist Steynlaan 45 3701 EB Zeist JAARREKENING 2009 371 EB Zeist JAARREKENING 29 Inhoudsopgave Pag. VERSLAG 1 Samenstellingsverklaring 2 Resultaat 3 Financiële positie JAARREKENING 1 Balans per 31 december 2 Staat van Baten en Lasten 3 Kasstroomoverzicht

Nadere informatie

Stichting Bewaarder Robeco

Stichting Bewaarder Robeco Stichting Bewaarder Robeco Jaarrekening over het boekjaar 2013 Stichting Bewaarder Robeco INHOUDSOPGAVE Pagina Algemene informatie 1 Verslag van het Bestuur 2 Algemeen 2 Ontwikkelingen gedurende het verslagjaar

Nadere informatie

Datum 27 november 2009 Betreft Oordeelsbrief 2009. Geacht bestuur,

Datum 27 november 2009 Betreft Oordeelsbrief 2009. Geacht bestuur, L0117 Stichting Portaal t.a.v. het bestuur Postbus 375 3900 AJ VEENENDAAL Rijnstraat 8 Postbus 30941 2500 GX Den Haag www.vrom.nl Datum 27 november 2009 Betreft Oordeelsbrief 2009 Geacht bestuur, Ieder

Nadere informatie

Tussentijds bericht Staalbankiers Beleggingsfondsen Beheer B.V. per 30-06-2013

Tussentijds bericht Staalbankiers Beleggingsfondsen Beheer B.V. per 30-06-2013 Tussentijds bericht Staalbankiers Beleggingsfondsen Beheer B.V. per 30-06-2013 Inhoudsopgave 1. Verslag van de directie 3 2. Jaarrekening 5 Balans per 30 juni 2013 Winst- en verliesrekening over 26 april

Nadere informatie

Datum 27 november 2009 Betreft Oordeelsbrief 2009. Geacht bestuur,

Datum 27 november 2009 Betreft Oordeelsbrief 2009. Geacht bestuur, L0944 Casade Woonstichting t.a.v. het bestuur Postbus 5 5140 AA WAALWIJK Rijnstraat 8 Postbus 30941 2500 GX Den Haag www.vrom.nl Datum 27 november 2009 Betreft Oordeelsbrief 2009 Geacht bestuur, Ieder

Nadere informatie

Stichting Steunfonds Haags Historisch Museum gevestigd te Den Haag

Stichting Steunfonds Haags Historisch Museum gevestigd te Den Haag Accountantsrapport 2014 22 mei 2015 Nummer Kamer van Koophandel: 27274471 Datum: Opgesteld door: 22 mei 2015 J.J. Spaans Aantal exemplaren: 1 Inhoudsopgave Inhoudsopgave pagina Accountantsrapport Opdracht

Nadere informatie

Aan de raad AGENDAPUNT 6.9

Aan de raad AGENDAPUNT 6.9 Aan de raad AGENDAPUNT 6.9 Treasurystatuut 2010 Voorstel: het Treasurystatuut 2010 vaststellen. Inleiding In februari 2009 hebben wij u geïnformeerd over de treasury bij onze gemeente. Aanleiding hiervoor

Nadere informatie

Beleidsnotitie reserves en voorzieningen (inclusief risicomanagement / weerstandsvermogen)

Beleidsnotitie reserves en voorzieningen (inclusief risicomanagement / weerstandsvermogen) Beleidsnotitie reserves en voorzieningen (inclusief risicomanagement / weerstandsvermogen) 2 januari 2014 2 Beleidsnotitie reserves en voorzieningen (inclusief risicomanagement / weerstandsvermogen) Inhoudsopgave

Nadere informatie

JAARRAPPORT 2011. Oyens & Van Eeghen Beheer B.V. Zuidplein 124 1077 XV AMSTERDAM

JAARRAPPORT 2011. Oyens & Van Eeghen Beheer B.V. Zuidplein 124 1077 XV AMSTERDAM JAARRAPPORT 2011 Oyens & Van Eeghen Beheer B.V. Zuidplein 124 1077 XV AMSTERDAM Vastgesteld door de Algemene Vergadering van Aandeelhouders d.d. 30 mei 2012. INHOUD 1 INLEIDING 2 JAARREKENING 3 OVERIGE

Nadere informatie

HOLLAND IMMO GROUP INSINGER DE BEAUFORT BEHEER B.V. TE EINDHOVEN. Halfjaarcijfers per 30 juni 2014. Geen accountantscontrole toegepast

HOLLAND IMMO GROUP INSINGER DE BEAUFORT BEHEER B.V. TE EINDHOVEN. Halfjaarcijfers per 30 juni 2014. Geen accountantscontrole toegepast HOLLAND IMMO GROUP INSINGER DE BEAUFORT BEHEER B.V. TE EINDHOVEN Halfjaarcijfers per 30 juni 2014 Balans per 30 juni 2014 Vóór resultaatbestemming ACTIVA 30 juni 2014 31 december 2013 Vlottende activa

Nadere informatie

Financieel jaarverslag 2015. Stichting Steunfonds Safegroup Breda

Financieel jaarverslag 2015. Stichting Steunfonds Safegroup Breda Financieel jaarverslag 2015 Stichting Steunfonds Safegroup Breda Inhoud Bestuursverslag 3 Jaarrekening Balans per 31 december 2015 4 Staat van baten en lasten over 2015 5 Toelichting op de balans en staat

Nadere informatie

Stichting Stad Rotterdam anno 1720. Jaarverslag 2014

Stichting Stad Rotterdam anno 1720. Jaarverslag 2014 Stichting Stad Rotterdam anno 1720 Jaarverslag 2014 Barendrecht, 10 april 2015 BESTUURSVERSLAG OVER HET BOEKJAAR 2014 ALGEMEEN De stichting Stad Rotterdam anno 1720 is opgericht op 26 juni 2006 en per

Nadere informatie

1. Inleiding en richtlijnen

1. Inleiding en richtlijnen NOTITIE RENTE 2017 1. Inleiding en richtlijnen 1.1 Inleiding Bij de wijzigingen van het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) en de invoering van de Vennootschapsbelasting (VPB) voor de lagere overheden

Nadere informatie

REGLEMENT AUDITCOMMISSIE RAAD VAN COMMISSARISSEN STICHTING WOONSTAD ROTTERDAM

REGLEMENT AUDITCOMMISSIE RAAD VAN COMMISSARISSEN STICHTING WOONSTAD ROTTERDAM REGLEMENT AUDITCOMMISSIE RAAD VAN COMMISSARISSEN STICHTING WOONSTAD ROTTERDAM 25 april 2012 pagina 2 Artikel 1 Doelstelling De Auditcommissie maakt onderdeel uit van de Raad van Commissarissen van de Stichting

Nadere informatie

Verbindingenstatuut Stichting Wonen Zuid

Verbindingenstatuut Stichting Wonen Zuid Verbindingenstatuut Stichting Wonen Zuid Vastgesteld door bestuurder op d.d. 10-3-2015 Goedgekeurd door Raad van Commissarissen op d.d. 26-03-2015 INHOUD VERBINDINGENSTATUUT 1. INLEIDING... 2 1.1 INTERNE

Nadere informatie

Samenvatting. 1. Procedure

Samenvatting. 1. Procedure Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2012-84 d.d. 14 maart 2012 (mr. J. Wortel, voorzitter, de heren R.H.G. Mijné en drs. L.B. Lauwaars RA, leden en mr. D.M.A. Gerdes, secretaris)

Nadere informatie

Jaarbericht. Weller Vastgoed Ontwikkeling Secundus BV

Jaarbericht. Weller Vastgoed Ontwikkeling Secundus BV Jaarbericht Weller Vastgoed Ontwikkeling Secundus BV 2014 Inhoudsopgave 1. Algemeen 2 2. Jaarrekening 3 2.1 Balans per 31-12-2014 (voor winstbestemming) 3 2.2 Winst en verliesrekening over 2014 4 2.3 Kasstroomoverzicht

Nadere informatie

Stichting Steunfonds KansPlus gevestigd te Houten

Stichting Steunfonds KansPlus gevestigd te Houten gevestigd te Houten Rapport inzake de Jaarrekening 2012 INHOUDSOPGAVE Pagina 1. Accountantsrapport 1.1 Opdracht 2 1.2 Algemeen 3 1.3 Resultaten 4 1.4 Financiële positie 5 2. Jaarrekening 2.1 Balans per

Nadere informatie

Datum 27 november 2009 Betreft Oordeelsbrief 2009. Geacht bestuur,

Datum 27 november 2009 Betreft Oordeelsbrief 2009. Geacht bestuur, L1979 Stichting Stadswonen t.a.v. het bestuur Postbus 4057 3006 AB ROTTERDAM Rijnstraat 8 Postbus 30941 2500 GX Den Haag www.vrom.nl Datum 27 november 2009 Betreft Oordeelsbrief 2009 Geacht bestuur, Ieder

Nadere informatie

Dutch Residential Fund IV BV. Jaarrekening 2010

Dutch Residential Fund IV BV. Jaarrekening 2010 Dutch Residential Fund IV BV Jaarrekening 2010 Inhoudsopgave pagina Directieverslag 3 Jaarrekening 1. Ten geleide 4 2. Grondslagen van waardering van activa en passiva 4 3. Grondslagen van resultaatbepaling

Nadere informatie

Stichting Fonds SZA/CIZ gevestigd te Amstelveen

Stichting Fonds SZA/CIZ gevestigd te Amstelveen Stichting Fonds SZA/CIZ gevestigd te Amstelveen Rapport inzake de jaarrekening 2012 INHOUD Samenstelling bestuur 3 Bestuursverslag 4 Jaarrekening Grondslagen van waardering en resultaatbepaling 5 Balans

Nadere informatie

SKPO: Financiën / blad 1. Treasury Statuut. De algemeen directeur van de Stichting Katholiek en Protestants-Christelijk Onderwijs Eindhoven e.o.

SKPO: Financiën / blad 1. Treasury Statuut. De algemeen directeur van de Stichting Katholiek en Protestants-Christelijk Onderwijs Eindhoven e.o. SKPO: Financiën / blad 1 Treasury Statuut De algemeen directeur van de Stichting Katholiek en Protestants-Christelijk Onderwijs Eindhoven e.o., hierna te noemen Stichting heeft op 01-07-2008 dit Treasury

Nadere informatie

Specialisterren Foundation Kobaltweg 11 3542CE Utrecht. KvK-nummer: 50437062 RAPPORT INZAKE DE JAARSTUKKEN 2015

Specialisterren Foundation Kobaltweg 11 3542CE Utrecht. KvK-nummer: 50437062 RAPPORT INZAKE DE JAARSTUKKEN 2015 Specialisterren Foundation Kobaltweg 11 3542CE Utrecht KvK-nummer: 543762 RAPPORT INZAKE DE JAARSTUKKEN 215 Inhoud VERSLAG Samenstellingsverklaring Resultaat-analyse Jaarverslag van het Bestuur (Tekst)

Nadere informatie

Deelplan IC Treasury 2014. Gemeente Lingewaard

Deelplan IC Treasury 2014. Gemeente Lingewaard Deelplan IC Treasury 2014 Gemeente Lingewaard 1 Inhoudsopgave 1. Aanleiding 3 2. Structureel / incidenteel 3 3. Opdrachtgever 3 4. Opdrachtnemer 3 5. Relevante wet- en regelgeving 3 6. Rapportage 4 7.

Nadere informatie

HOLLAND IMMO GROUP BEHEER B.V. TE EINDHOVEN. Halfjaarcijfers per 30 juni 2014. Geen accountantscontrole toegepast

HOLLAND IMMO GROUP BEHEER B.V. TE EINDHOVEN. Halfjaarcijfers per 30 juni 2014. Geen accountantscontrole toegepast HOLLAND IMMO GROUP BEHEER B.V. TE EINDHOVEN Halfjaarcijfers per 30 juni 2014 Balans per 30 juni 2014 Vóór resultaatbestemming ACTIVA 30 juni 2014 31 december 2013 Vlottende activa Handelsdebiteuren 1.624

Nadere informatie

AEFIDES INSPIRATIS I BV TE GRONINGEN. Jaarverslag 2011 25 april 2012

AEFIDES INSPIRATIS I BV TE GRONINGEN. Jaarverslag 2011 25 april 2012 AEFIDES INSPIRATIS I BV TE GRONINGEN Jaarverslag 2011 INHOUDSOPGAVE Pagina JAARVERSLAG 1 Opdracht 2 2 Algemeen 3 3 Resultaat 4 4 Financiële positie 5 5 Directieverslag 6 JAARREKENING 1 Balans per 31 december

Nadere informatie

Stichting Bewaarder BNP Paribas Beleggingsfondsen NL. te Amsterdam. Jaarrekening 2012

Stichting Bewaarder BNP Paribas Beleggingsfondsen NL. te Amsterdam. Jaarrekening 2012 Stichting Bewaarder BNP Paribas Beleggingsfondsen NL te Amsterdam Jaarrekening 2012 Inhoudsopgave Blad Verslag van het Bestuur 2 Jaarrekening Balans per 31 december 2012 4 Staat van baten en lasten over

Nadere informatie

Deloitte. Brief. uitgebracht aan de voorzitter van de Raad voor de Jaarverslaggeving te Amsterdam

Deloitte. Brief. uitgebracht aan de voorzitter van de Raad voor de Jaarverslaggeving te Amsterdam RJ-Comm. 1144 Brief uitgebracht aan de voorzitter van de Raad voor de Jaarverslaggeving te Amsterdam Richtlijn 645 Raad voor de Jaarverslaggeving Woningcorporaties De10 tte. Deloitte Accountants B.V. Wilhelminakade

Nadere informatie

STICHTING BEWAARDER COMMODITY DISCOVERY FUND. (Voorheen Stichting Bewaarder Gold & Discovery Fund) AMERSFOORT JAARREKENING 2012

STICHTING BEWAARDER COMMODITY DISCOVERY FUND. (Voorheen Stichting Bewaarder Gold & Discovery Fund) AMERSFOORT JAARREKENING 2012 (Voorheen Stichting Bewaarder Gold & Discovery Fund) JAARREKENING 2012 INHOUDSOPGAVE Bestuursverslag Balans Winst- en verliesrekening Toelichting behorende tot de jaarrekening Overige gegevens Controleverklaring

Nadere informatie

Accountantskantoor Bouman

Accountantskantoor Bouman Mother & Child Foundation Bangladesh heer. drs. H.M. Beurskens Watermunt 70 5931 TM TEGELEN Jaarrekening 2013 Mother & Child Foundation Bangladesh heer. drs. H.M. Beurskens Watermunt 70 5931 TM TEGELEN

Nadere informatie

Internet Publicatiebalans 2015

Internet Publicatiebalans 2015 Stichting Fonds Welzijnswerk p/a Esscheweg 70 5271 NA SINT-MICHIELSGESTEL Internet Publicatiebalans 2015 Ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer S41081829. Rapportdatum: 21 maart 2016 INHOUDSOPGAVE

Nadere informatie

JAARREKENING 2014. Stichting Fondsenbeheer Landbouw en Zorg Nederland Jaarrekening 2014 - pag. 1

JAARREKENING 2014. Stichting Fondsenbeheer Landbouw en Zorg Nederland Jaarrekening 2014 - pag. 1 JAARREKENING 2014 Stichting Fondsenbeheer Landbouw en Zorg Nederland Jaarrekening 2014 - pag. 1 Inhoudsopgave Jaarverslag 2014 1. Bestuursverslag 2. Balans per 31-12-2014 3. Staat van Baten en Lasten over

Nadere informatie

Stichting Bewaarder BNP Paribas Beleggingsfondsen NL. te Amsterdam. Jaarrekening 2013

Stichting Bewaarder BNP Paribas Beleggingsfondsen NL. te Amsterdam. Jaarrekening 2013 Stichting Bewaarder BNP Paribas Beleggingsfondsen NL te Amsterdam Jaarrekening 2013 Inhoudsopgave Blad Verslag van het Bestuur 2 Jaarrekening Balans per 31 december 2013 4 Staat van baten en lasten over

Nadere informatie

BEWAARDER RFM WONINGFONDS IV BV JAARVERSLAG 2013

BEWAARDER RFM WONINGFONDS IV BV JAARVERSLAG 2013 BEWAARDER RFM WONINGFONDS IV BV JAARVERSLAG 2013 INHOUDSOPGAVE ALGEMEEN Verslag van de beheerder JAARREKENING Balans Winst- en verliesrekening Kasstroomoverzicht Toelichting algemeen en waarderingsgrondslagen

Nadere informatie

Treasurystatuut Versie 2015

Treasurystatuut Versie 2015 Treasurystatuut Versie 2015 Panta Rhei, stichting voor r.k., algemeen bijzonder en openbaar primair onderwijs Datum 14 december 2015 Bestuurskantoor Panta Rhei Overgoo 13 Postbus 103 2270 AC Voorburg info@stichtingpantarhei.nl

Nadere informatie

Aan de leden van Provinciale Staten

Aan de leden van Provinciale Staten Aan de leden van Provinciale Staten Datum : 19 januari 2010 Briefnummer : 2010-02207/3/A.12, FC Zaaknummer : 230512 Behandeld door : Hölterhoff M.E. Telefoonnummer : (050) 316 4926 Antwoord op : Bijlage

Nadere informatie

3. Jaarrekening Stichting KHO-Heliomare

3. Jaarrekening Stichting KHO-Heliomare 3. Jaarrekening Stichting KHO-Heliomare 3.1 Balans per 31 december 2012 (voor resultaatbestemming) Activa 31-12-2012 31-12-2011 Vaste activa Materiële vaste activa 591.897 591.897 Financiële vaste activa

Nadere informatie

Triodos Custody bv JAARVERSLAG 2008. TlCustody

Triodos Custody bv JAARVERSLAG 2008. TlCustody Triodos Custody bv JAARVERSLAG 2008 TlCustody Inhoud 3 Directieverslag Jaarrekening 2008 4 Balans per 31 december 2008 5 Winst- en verliesrekening over 2008 6 Toelichting op de balans en de winst- en verliesrekening

Nadere informatie

Investeringskasstroom: Investeringen maatschappelijk nut -25,5 Investeringen economisch nut -83,4 Investeringen grondexploitaties (netto) -0,6

Investeringskasstroom: Investeringen maatschappelijk nut -25,5 Investeringen economisch nut -83,4 Investeringen grondexploitaties (netto) -0,6 2.7 Financiering Algemeen Deze paragraaf informeert de raad over het treasurybeleid en het risicobeheer van de financieringsportefeuille. De kaders hiervoor zijn vastgelegd in de wet Financiering Decentrale

Nadere informatie

Raads informatiebrief (Financiele pijler)

Raads informatiebrief (Financiele pijler) gemeente Eindhoven Raadsnummer O4.R854.OOI Inboeknummer o4joo6aas Classificatienummer oz Dossiernummer 4sa.aor 25 mei 2004 Raads informatiebrief (Financiele pijler) Betreft overzicht beleggingen. 1 Inleiding

Nadere informatie

Investerings- en financieel statuut

Investerings- en financieel statuut Investerings- en financieel statuut Inleiding Het belang van financiële sturing is in de afgelopen jaren toegenomen. Wijzigingen in de wettelijke regels, waaronder de scheiding van DAEB en niet-daeb activiteiten

Nadere informatie

4.4 Financiering. 4.4.3 De financiering van de gemeente Spijkenisse

4.4 Financiering. 4.4.3 De financiering van de gemeente Spijkenisse 4.4 Financiering 4.4.1 Inleiding De kaders voor het beleid van de gemeente Spijkenisse ten aanzien van de treasuryfunctie liggen wettelijk vast in de Wet Financiering Decentrale Overheden (Wet Fido). Deze

Nadere informatie

SynVest Fund Management B.V. Hogehilweg 5 1101 CA AMSTERDAM. Publicatiebalans 2014

SynVest Fund Management B.V. Hogehilweg 5 1101 CA AMSTERDAM. Publicatiebalans 2014 Hogehilweg 5 1101 CA AMSTERDAM Publicatiebalans 2014 Vastgesteld door de Algemene Vergadering d.d. 15-07-2015. Hogehilweg 5 1101 CA AMSTERDAM Publicatiebalans 2014 Ingeschreven bij de Kamer van Koophandel

Nadere informatie

Reglement Auditcommissie WormerWonen

Reglement Auditcommissie WormerWonen Reglement Auditcommissie WormerWonen Vastgesteld in de Auditcommissie van WormerWonen Ter goedkeuring voorgelegd aan de Raad van Toezicht op 29 oktober 2014 14 oktober 2014 1 1. INHOUD 1. Doelstelling

Nadere informatie

Persbericht. N.V. Bever Holding - resultaten verslagjaar 2015

Persbericht. N.V. Bever Holding - resultaten verslagjaar 2015 Persbericht N.V. Bever Holding - resultaten verslagjaar 2015 Resultaat Bever Holding heeft het verslagjaar afgesloten met een positief resultaat na belastingen van ca. EUR 29 duizend (2014: EUR 2,7 miljoen

Nadere informatie

Verklaring inzake de beleggingsbeginselen

Verklaring inzake de beleggingsbeginselen Verklaring inzake de beleggingsbeginselen van Stichting Bedrijfspensioenfonds AVH 1. Introductie 1.1 Inleiding Deze verklaring inzake de beleggingsbeginselen geeft beknopt de uitgangspunten weer van het

Nadere informatie

Informatie ten behoeve van het deponeren van de rapportage bij het Handelsregister

Informatie ten behoeve van het deponeren van de rapportage bij het Handelsregister Informatie ten behoeve van het deponeren van de rapportage bij het Handelsregister Informatie ten behoeve van het deponeren van de rapportage bij het Handelsregister Classificatie van de rechtspersoon

Nadere informatie

Bij deze opgave horen de informatiebronnen 1 tot en met 6. In deze opgave blijven de belastingen buiten beschouwing.

Bij deze opgave horen de informatiebronnen 1 tot en met 6. In deze opgave blijven de belastingen buiten beschouwing. Opgave 2 Bij deze opgave horen de informatiebronnen 1 tot en met 6. In deze opgave blijven de belastingen buiten beschouwing. VastNed Retail nv is een Nederlands vastgoedbeleggingsfonds dat met gelden

Nadere informatie

Investeringsstatuut Stichting Wonen Zuid. Werk in uitvoering

Investeringsstatuut Stichting Wonen Zuid. Werk in uitvoering Investeringsstatuut Stichting Wonen Zuid Werk in uitvoering Vastgesteld door de Bestuurder op 17-06-2014 Goedgekeurd door de Raad van Commissarissen op 26-03-2015 INHOUD INVESTERINGSSTATUUT INLEIDING...

Nadere informatie

correcties op de door de corporatie in dpi ingevulde informatie. - Ten slotte verrekent WSW het borgingstegoed met het borgingsplafond.

correcties op de door de corporatie in dpi ingevulde informatie. - Ten slotte verrekent WSW het borgingstegoed met het borgingsplafond. Nr. Vraag Antwoord Wat is een borgingsplafond Het borgingsplafond van een corporatie is de maximale omvang van de geborgde leningportefeuille van een corporatie gedurende het betreffende kalenderjaar.

Nadere informatie

Statuut middelenbeheer en betalingsverkeer

Statuut middelenbeheer en betalingsverkeer Inleiding In dit document worden de uitgangspunten voor het middelenbeheer en betalingsverkeer van vastgesteld. Het statuut wordt gebruikt om de afspraken tussen Stichting, Cedar B.V. en vermogensbeheerders/banken

Nadere informatie

Datum 27 november 2009 Betreft Oordeelsbrief 2009. Geacht bestuur,

Datum 27 november 2009 Betreft Oordeelsbrief 2009. Geacht bestuur, L1911 Stichting WonenBreburg t.a.v. het bestuur Postbus 409 5000 AK TILBURG Rijnstraat 8 Postbus 30941 2500 GX Den Haag www.vrom.nl Datum 27 november 2009 Betreft Oordeelsbrief 2009 Geacht bestuur, Ieder

Nadere informatie

Stichting Steunfonds Zuster Kueter JAARREKENING 1 30-6-2014

Stichting Steunfonds Zuster Kueter JAARREKENING 1 30-6-2014 Stichting Steunfonds Zuster Kueter JAARREKENING 2013 1 30-6-2014 JAARREKENING 2013 INHOUDSOPGAVE pag. Inhoudsopgave 2 Bestuur en vaststelling jaarrekening 3 Jaarverslag 4 Balans per 31 december 2013 5

Nadere informatie

Toelichting financiële jaarrekening als bijvoegsel bij de balans en de winst en verlies rekening van de Stichting Muses.

Toelichting financiële jaarrekening als bijvoegsel bij de balans en de winst en verlies rekening van de Stichting Muses. Toelichting financiële jaarrekening als bijvoegsel bij de balans en de winst en verlies rekening van de Stichting Muses. Algemeen Activiteiten De Stichting Muses (de Stichting) is opgericht op 13 maart

Nadere informatie

1 Halfjaarbericht 2015 ANNEXUM VBI WINKELFONDS NV HALFJAARBERICHT 2015. Directie Annexum Beheer B.V. WTC, G-Toren Strawinskylaan 485 1077 XX Amsterdam

1 Halfjaarbericht 2015 ANNEXUM VBI WINKELFONDS NV HALFJAARBERICHT 2015. Directie Annexum Beheer B.V. WTC, G-Toren Strawinskylaan 485 1077 XX Amsterdam 1 Halfjaarbericht 2015 ANNEXUM VBI WINKELFONDS NV HALFJAARBERICHT 2015 Directie Annexum Beheer B.V. WTC, G-Toren Strawinskylaan 485 1077 XX Amsterdam 2 Halfjaarbericht 2015 INHOUDSOPGAVE a P Pagina 1.

Nadere informatie

VBI WINKELFONDS NV ANNEXUM. Directie Annexum Beheer B.V. WTC, G-Toren Strawinskylaan 485 1077 XX Amsterdam HALFJAARBERICHT 2012

VBI WINKELFONDS NV ANNEXUM. Directie Annexum Beheer B.V. WTC, G-Toren Strawinskylaan 485 1077 XX Amsterdam HALFJAARBERICHT 2012 1 Halfjaarbericht 2012 VBI Winkelfonds NV ANNEXUM VBI WINKELFONDS NV HALFJAARBERICHT 2012 Directie Annexum Beheer B.V. WTC, G-Toren Strawinskylaan 485 1077 XX Amsterdam 2 Halfjaarbericht 2012 VBI Winkelfonds

Nadere informatie

WSW trendanalyse woningcorporaties 2013-2017

WSW trendanalyse woningcorporaties 2013-2017 WSW trendanalyse woningcorporaties 2013-2017 Risico s voor borgstelsel nemen toe Corporaties nemen maatregelen om de financiële conti - nuïteit te waarborgen. Dit is het gevolg van de overheidsmaatregelen

Nadere informatie

124 De Pensioenwereld in 2015

124 De Pensioenwereld in 2015 13 124 De Pensioenwereld in 2015 Verslaggeving & communicatie 125 Meer consistentie nodig in verslaggeving premiepensioeninstellingen Auteurs: Frans Glorie en Kees Voorburg Op 1 januari 2011 is de premiepensioeninstelling

Nadere informatie

Stichting Ook Voor Jou gevestigd te Beverwijk. Rapport inzake de Jaarrekening 2013

Stichting Ook Voor Jou gevestigd te Beverwijk. Rapport inzake de Jaarrekening 2013 Stichting Ook Voor Jou gevestigd te Beverwijk Rapport inzake de Jaarrekening 2013 Inhoudsopgave Accountantsrapport Pagina Samenstellingsverklaring 1 Algemeen 2 Jaarrekening Balans per 31 december 2013

Nadere informatie

Jaarrekening 2012. Stichting Leergeld Groningen e.o. Groningen

Jaarrekening 2012. Stichting Leergeld Groningen e.o. Groningen Jaarrekening 2012 Stichting Leergeld Groningen e.o. Groningen Inhoud 1 Jaarrekening 2 2 Balans per 31 december 2012 4 3 Staat van baten en lasten over 2012 5 4 Toelichting op de balans en staat van baten

Nadere informatie

Stichting BriBos Verwentasjes T.a.v. het bestuur Meivliegsingel 6 2492 RA DEN HAAG. Jaarrekening 2014

Stichting BriBos Verwentasjes T.a.v. het bestuur Meivliegsingel 6 2492 RA DEN HAAG. Jaarrekening 2014 T.a.v. het bestuur Meivliegsingel 6 2492 RA DEN HAAG Jaarrekening 2014 T.a.v. het bestuur Meivliegsingel 6 2492 RA DEN HAAG Jaarrekening 2014 INHOUDSOPGAVE Pagina 1. Rapport 1.1 Opdrachtbevestiging 3 1.2

Nadere informatie

TREASURY-STATUUT GEMEENTE GRAVE

TREASURY-STATUUT GEMEENTE GRAVE TREASURY-STATUUT GEMEENTE GRAVE 1. Inleiding Dit treasurystatuut geeft de bestuurlijke infrastructuur voor de uitvoering van de treasuryfunctie. Het gaat om de beleidsmatige vaststelling van de uitgangspunten,

Nadere informatie

Stichting Diaconessenhuis/Mariastichting tot steun aan het Interconfessioneel Spaarne Ziekenhuis

Stichting Diaconessenhuis/Mariastichting tot steun aan het Interconfessioneel Spaarne Ziekenhuis tot steun aan het Interconfessioneel Spaarne Ziekenhuis Jaarverslag 2013 tot steun aan het Interconfessioneel Spaarne Ziekenhuis 2 Inhoudsopgave: Bestuursverslag 3 Balans per 31 december 2013 4 Resultatenrekening

Nadere informatie

BNP Paribas Fund IV -BNP Paribas Rente Gigant Garantie Fonds II

BNP Paribas Fund IV -BNP Paribas Rente Gigant Garantie Fonds II BNP Paribas Fund IV -BNP Paribas Rente Gigant Garantie Fonds II Vereffeningsverslag 31 maart 2014 BNP Paribas Fund IV besloten fonds voor gemene rekening met een open-end structuur Beheerder BNP Paribas

Nadere informatie

Stichting Kilimanjaro Media. gevestigd te Den Haag. Jaarrekening 2012

Stichting Kilimanjaro Media. gevestigd te Den Haag. Jaarrekening 2012 Jaarrekening 2012 Nummer Kamer van Koophandel: 34303511 Datum: 19 maart 2013 Aantal exemplaren: 3 Inhoudsopgave pagina Jaarverslag Opdracht 4 Samenstellingsverklaring 5 Financiële positie 6 Grafische weergave

Nadere informatie

Stichting Present Utrecht Vliegend Hertlaan 4a 3526 KT UTRECHT JAARVERSLAG 2013. RAPPORT Inzake jaarverslag 2013 05-03-2014-1

Stichting Present Utrecht Vliegend Hertlaan 4a 3526 KT UTRECHT JAARVERSLAG 2013. RAPPORT Inzake jaarverslag 2013 05-03-2014-1 Stichting Present Utrecht Vliegend Hertlaan 4a 3526 KT JAARVERSLAG 2013 RAPPORT Inzake jaarverslag 2013 05-03-2014-1 Stichting Present Utrecht JAARVERSLAG 2013 INHOUD Paginanummer 1. Accountantsrapport

Nadere informatie

Toelichting beleggingsbeleid Triodos Bank Private Banking

Toelichting beleggingsbeleid Triodos Bank Private Banking Toelichting beleggingsbeleid Triodos Bank Private Banking Heeft u vragen? Neemt u dan telefonisch contact op met Triodos Bank Private Banking via 030 693 65 05. Of stuur een e-mail naar private.banking@triodos.nl.

Nadere informatie

Financieel verslag 2014

Financieel verslag 2014 Financieel verslag 2014 Inhoud Jaarrekening 2 Balans per 31 december 2014 3 Winst- en verliesrekening 2014 4 Toelichting op de balans en winst- en verliesrekening 5 Overige gegevens 11 Statutaire regeling

Nadere informatie

BELEGGINGSSTATUUT. Stichting Fonds Oncologie Holland. April 2015. Beleggingsstatuut SFOH 30 april 2015, pag. 1

BELEGGINGSSTATUUT. Stichting Fonds Oncologie Holland. April 2015. Beleggingsstatuut SFOH 30 april 2015, pag. 1 BELEGGINGSSTATUUT Stichting Fonds Oncologie Holland April 2015 30 april 2015, pag. 1 Inhoudsopgave I Beleid.... 3 Algemeen 4 Hefbomen 4 Restricties....4 II Middelenverdeling......5 Strategische asset allocatie

Nadere informatie

Reglement van de Auditcommissie van Stichting TBV

Reglement van de Auditcommissie van Stichting TBV Vastgesteld in de Raad van Toezicht d.d. 12 september 2007 Reglement van de Auditcommissie van Stichting TBV 0. Inleiding 0.1. Dit reglement is opgesteld door de Raad van Toezicht ingevolge artikel 18

Nadere informatie

Stichting Tuchtrecht Vrijwilligerswerk. Jaarrekening 2014

Stichting Tuchtrecht Vrijwilligerswerk. Jaarrekening 2014 Stichting Tuchtrecht Vrijwilligerswerk Jaarrekening 2014 INHOUDSOPGAVE Pagina 1. Jaarrapportage 1.1 Opdrachtbevestiging 3 1.2 Algemeen 4 1.3 Resultaatvergelijking 4 1.4 Meerjarenoverzicht 6 1.5 Financiële

Nadere informatie